Het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs over de schrijf- en rekenvaardigheid op het vmbo. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs waaruit blijkt dat 40 procent van de leerlingen vmbo basis en kader onder het basisniveau schrijf- en rekenvaardigheid zitten?1
Ik ben bekend met dit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs.
Laaggeletterdheid in Nederland neemt ieder jaar toe, welke oorzaken ziet u voor deze trend?
De gemiddelde taalvaardigheid van Nederlandse volwassenen is al dertig jaar relatief stabiel en ook in de afgelopen tien jaar niet significant afgenomen. Het percentage Nederlanders dat als laaggeletterd kan worden getypeerd is dus niet toegenomen. Wel is het zo dat laaggeletterde Nederlanders in 2023 een lager taalvaardigheidsniveau hadden dan tien jaar eerder. De afwezigheid van een toename in het percentage laaggeletterden betekent dus niet dat we tevreden zijn: het verbeteren van de taalvaardigheid van deze groep is en blijft een prioriteit.
Hoe verklaart u dat de taal- en rekenprestaties, ondanks jaren van basisvaardighedenbeleid, blijven dalen?
De taal- en rekenprestaties van leerlingen blijven gelukkig niet over de hele linie dalen. Dat kunt u ook lezen in mijn brief van 4 december 2025 over het Masterplan basisvaardigheden en de Monitor basisvaardigheden 2025 met de meest actuele data over de leerprestaties.2 Inmiddels zien we dat de prestaties van leerlingen in het primair onderwijs zich na de coronapandemie goed hersteld hebben. Groep 3-leerlingen doen het zelfs iets beter dan voor corona, met name bij begrijpend lezen en spelling. Het beeld in het vo is helaas in de onderbouw minder positief, maar ook daar zien we soms tekenen van stabilisatie en herstel en lijken leerlingen tijd het eindexamen stabieler te presteren over de jaren heen. De verschillende onderzoeken in het kader van het Masterplan basisvaardigheden bevestigen dat we op de goede weg zijn, maar ook hoe belangrijk het is om nu door te zetten. Om de focus op de basisvaardigheden vast te houden, scholen te ondersteunen evidence-informed onderwijs te geven en te helpen bij de invoering van een actueel en kennisrijk curriculum.
Volgens het onderzoek beginnen veel kinderen aan groep 1 met taalachterstand, hoe bent u van plan om dit probleem aan te pakken?
Alle kinderen verdienen het om een goede start te maken in het basisonderwijs. Vaak is dit ook het geval, maar helaas niet altijd. Daarom hebben we in 2024 een onderzoek laten uitvoeren naar kansrijke beleidsmaatregelen om jonge kinderen goed te laten starten in het basisonderwijs.3 Het gaat hierbij onder andere over de verlaging van de leerplicht en de verhoging van de kwaliteit en het bereik van voorschoolse educatie. In de beleidsreactie van 24 juni jl. worden hiervoor verschillende maatregelen aangedragen.4 Het Ministerie van VWS stelt daarnaast vanuit de aanpak Kansrijke Start subsidie beschikbaar voor het project Taalschatten. Vanuit Taalschatten is een aanpak ontwikkeld die als doel heeft om kinderen taalvaardig aan de basisschool te laten beginnen. Zo heeft Taalschatten praktische tools en voorbeelden ontwikkeld voor ouders, zorgprofessionals, en gemeenten die willen werken aan de taalontwikkeling van kinderen.
Hoe verklaart u dat vooral leerlingen vmbo basis en kader ver onder het gewenste niveau voor taal en rekenen zitten in tegenstelling tot leerlingen op vmbo-t, havo, en vwo?
Het is van groot belang dat óók deze leerlingen de basisvaardigheden voldoende beheersen om mee te doen in de samenleving en arbeidsmarkt. Zo zien we dat in het vmbo sprake is van een hardere daling van de leerprestaties sinds corona. Daarom geven we binnen de aanpak basisvaardigheden het vmbo op verschillende manieren prioriteit. Leerlingen uit vmbo basis en kader hebben over het algemeen wat meer tijd nodig dan leerlingen in de tl, havo of het vwo om het gewenste niveau 2F te halen. Hierbij geldt wel dat 2F het gewenste eindniveau voor leerlingen is die het voortgezet onderwijs verlaten. Dit onderzoek heeft in klas 2 plaatsgevonden en dat betekent dat deze leerlingen in het vmbo nog twee jaar de tijd hebben om dit niveau te bereiken. Hierbij geldt bovendien dat het vmbo geen eindonderwijs is, deze leerlingen vervolgen hun onderwijs in het mbo, om daar hun startkwalificatie te halen.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor de arbeidsmarkt wanneer mbo-studenten hun opleidingen afronden met onvoldoende taal- en rekenvaardigheden?
Het mbo leidt studenten op zodat zij onder andere goed kunnen functioneren op de arbeidsmarkt. De generieke taal- en rekeneisen voor het behalen van een mbo-diploma zijn daarop afgestemd. Voor specifieke beroepen waarvoor een hoger taal- en/of rekenniveau nodig is, is dit opgenomen als eis in een beroepsgericht vak. Studenten die niet aan deze diploma-eisen voldoen, kunnen niet gediplomeerd uitstromen naar de arbeidsmarkt.
Volgens het Ministerie van OCW wordt er sinds 2000 elk jaar structureel meer geïnvesteerd in het onderwijs, zowel door de overheid als door bedrijven en huishoudens. Hoe verklaart de Minister dat we in 2025 dan toch kampen met dalende onderwijskwaliteit en leerlingen die moeite hebben met basisvaardigheden zoals schrijven en rekenen?
Er zijn in deze periode verschillende investeringen gedaan. Zo is de loonkloof tussen onderwijspersoneel in het po en het vo gedicht en zijn er, om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken, werkdrukmiddelen toegevoegd aan de bekostiging. Vanaf 2021 is tijdelijk geïnvesteerd met het Nationaal Programma Onderwijs en vanaf 2022 is specifiek structureel geïnvesteerd om leerprestaties van leerlingen op de basisvaardigheden te herstellen en te verbeteren met het Masterplan basisvaardigheden. Scholen zijn positief over de resultaten die zij behalen met de extra middelen voor basisvaardigheden, maar we zijn er nog niet.
Kunt u aangeven welke concrete maatregelen genomen zullen worden om deze neerwaartse trend te keren?
Het Masterplan basisvaardigheden dat in 2022 van start is gegaan is een integrale en langjarige aanpak dat bestaat uit een breed pakket aan maatregelen. De dalende trend in de leerprestaties, met name bij lezen, was de directe aanleiding. Vanaf het eerste jaar van het Masterplan is ieder jaar een deel van de scholen in staat gesteld, om met subsidie en ondersteuning, evidence-informed in te zetten op de verbetering van de basisvaardigheden. Vanaf 1 januari 2027 kunnen alle scholen rekenen op structurele middelen voor verbetering van de basisvaardigheden.
Naast deze snelle start op scholen omvat het Masterplan een meerjarig pakket van maatregelen om de randvoorwaarden voor goed onderwijs voor de lage termijn te verbeteren. Het gaat daarbij om zaken als de curriculumherziening, de Bibliotheek op School, de kwaliteit van leermiddelen, het bevorderen van evidence-informed onderwijs en de professionalisering van leraren. Al deze maatregelen dragen bij aan een structurele verbetering van de onderwijskwaliteit in de klas. En ook met de lerarenstrategie, school en omgeving en de schoolmaaltijden wordt een bijdrage geleverd aan de verbetering van basisvaardigheden. In mijn brief van 4 december jl. kunt u meer lezen over het Masterplan basisvaardigheden.5
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld de afgelopen vijf jaar is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in basisvaardigheden hebben opgeleverd?
Ik heb geen aanwijzingen om aan te nemen dat er in de afgelopen vijf jaar geld is besteed aan programma’s die schijnbaar weinig tot geen aantoonbare verbetering in de basisvaardigheden hebben opgeleverd.
Hoe kijkt u naar de inzet van zogeheten «brede brugklassen» en de invloed die gemengde klassen hebben op de taal- en rekenvaardigheden?
Uit onderzoek weten we dat onderwijs in een brede(re) brugklas (bijv. in een dakpanklas voor vmbo-t/havo) voor de meeste leerlingen positieve effecten heeft op leerprestaties: de cognitief minder sterke leerlingen kunnen zich optrekken aan de cognitief sterkere leerlingen (het zogenoemde «peereffect»). Dit positieve effect op de leerprestaties zien we voor leerlingen met een vmbo tot en met havo/vwo-advies. Het effect van brede(re) brugklassen op de leerprestaties van leerlingen met een vwo-advies is niet eenduidig uit onderzoek op te maken. Uit een recente meta-analyse blijkt dat vroege selectie niet leidt tot hogere onderwijsprestaties, maar wel de ongelijkheid in het onderwijssysteem vergroot. Om dit te onderzoeken loopt er onder andere via het NRO een leertraject «Van breder naar beter: De effecten van verschillende inrichtingsvarianten van heterogene brugklassen op niveaubewustzijn, zelfvertrouwen, motivatie en leerprestaties van leerlingen.» Dit leertraject zal nader ingaan op het effect van verschillende brugklasvarianten op cognitief sterkere leerlingen.
Hoe beoordeelt u het risico dat toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand ertoe leidt dat reguliere scholen minder tijd en aandacht hebben voor overige leerlingen?
Er zijn bij mij geen cijfers bekend die een toenemende instroom van kinderen met een leerachterstand bij aanvang van hun schoolloopbaan bevestigen. Er zijn wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Een enquête van de Academie en Vakvereniging voor Schoolleiders wees bijvoorbeeld uit dat 80 procent van de schooldirecteuren aangeeft dat de instroom van kinderen die eigenlijk voorschool nodig hadden, maar niet zijn geweest, voor extra uitdagingen zorgt op school.6 Een leerkracht kan zijn of haar aandacht maar één keer verdelen, dus het is voorstelbaar dat dit betekent dat leerkrachten minder tijd en aandacht over hebben voor de overige leerlingen.
Die signalen neem ik serieus, en dit bevestigt opnieuw het belang van voorschoolse educatie. Uit onder andere het pre-COOL-cohortonderzoek blijkt dat voorschoolse educatie helpt om achterstanden terug te dringen, mits de kwaliteit goed is.7 Tegelijkertijd zien we dat het bereik van voorschoolse educatie de laatste jaren lijkt te dalen.8 In de beleidsreactie op het onderzoek «Kansen op een goede start» worden verschillende maatregelen aangedragen om het bereik van voorschoolse educatie te verhogen.9
Daarnaast wijs ik graag op het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, dat wordt uitgevoerd in de 20 meest kwetsbare focusgebieden in Nederland. De focusgebieden ontvangen onder andere extra middelen om extra te investeren in de voor- en vroegschoolse periode. Die worden bijvoorbeeld besteed aan extra professionalisering van jonge kind professionals, of aan de inzet van een extra beroepskracht in groep 1 en 2.
Hoe ziet u een mogelijk verband tussen de toename aan inzet van digitale leermethoden – zoals tablets, notebooks, computers – voor het verwerken van opdrachten en de dalende trend in schrijfvaardigheid?
De achteruitgang van basisvaardigheden kent veel verschillende mogelijke oorzaken, zoals het toenemende aantal taken voor scholen, het tekort aan leraren en schoolleiders en een verouderd en overladen curriculum. Bredere maatschappelijke trends zoals niet-educatieve schermtijd dragen hier eveneens aan bij.
Om het tij te keren zet het Ministerie van OCW sinds 2022 volop in op ondersteuning van scholen bij een effectieve inzet van leermiddelen om de basisvaardigheden van leerlingen te verbeteren. Via het Masterplan Basisvaardigheden en het Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal, onderzoekt het Ministerie van OCW welke leermiddelen – zowel digitaal als papier – effectief zijn voor specifieke lesdoelen en leerlingen. Zo is het Kwaliteitskader Taal ontwikkeld door een werkgroep van onderwijsprofessionals, experts en wetenschappers. Dit kader is in juni van dit jaar gelanceerd. Met dit kader kunnen scholen en educatieve uitgevers de kwaliteit van leermiddelen en aangeboden teksten beoordelen. Daarnaast onderzoekt het Groeifondsprogramma Nationaal Onderwijslab AI momenteel de mogelijkheden die digitale media bieden om verhalen op nieuwe, interactieve manieren te presenteren en kinderen beter te ondersteunen bij het lezen. Tegelijkertijd worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat kinderen enkel korte, oppervlakkige teksten online lezen, wat ten koste kan gaan van diep lezen. Het nieuwe curriculum legt de focus op lezen, schrijven en rekenen. Het verplicht scholen om rijke, kwalitatief hoogstaande teksten aan te bieden, zoals originele artikelen uit kranten, tijdschriften en passages uit literatuur.
Om een sociale en geconcentreerde leeromgeving te bevorderen heeft OCW met een brede vertegenwoordiging uit het onderwijs afgesproken dat niet-educatief gebruik van mobiele telefoons en andere persoonlijke devices niet langer is toegestaan in de klas. Deze afspraak werpt zijn vruchten af. Docenten en leerlingen voelen zich veiliger, werken geconcentreerder en zijn socialer blijkt uit landelijk onderzoek.
Deelt u de mening dat (de gevolgen van de) massale immigratie niet bevorderlijk is voor het algemene taal- en rekenniveau?
Het funderend onderwijs in Nederland is erop gericht dat alle leerlingen het benodigde taal- en rekenniveau halen.
Kunt u aangeven welk percentage van de leerlingen met ernstige taalachterstanden bestaat uit kinderen die geen Nederlands spreken bij aanvang van de schoolloopbaan?
Nee, dat kan ik niet. Ik heb geen cijfers van kinderen die bij aanvang van hun schoolloopbaan ernstige taalachterstanden hebben. Zoals ik bij vraag 11 heb aangegeven zijn er wel indicaties dat er meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte de reguliere klassen binnenkomen. Daarnaast blijkt uit de Kansrijke Start monitor 2024 van het RIVM uit de gegevens van Jeugdgezondheidsorganisaties dat het aantal kinderen met een spraak-taalontwikkelingsachterstand op tweejarige leeftijd toeneemt.10
In de data wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende oorzaken van deze taalachterstand. Het is dus niet mogelijk om hier conclusies uit te trekken over het percentage kinderen dat geen Nederlands spreekt.
Wel blijkt hieruit dat er des te meer reden is om al op jonge leeftijd in te zetten op extra ondersteuning, zoals ook in de beleidsreactie op het onderzoek Kansen op een goede start is aangehaald.11
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs?
Nee, ik ben niet voornemens een separaat onderzoek te laten doen naar de relatie tussen immigratie en taal- en rekenachterstanden in het onderwijs. Met onder meer het Masterplan Basisvaardigheden zet het kabinet in op een verbetering van de basisvaardigheden van alle leerlingen in het onderwijs. Het Masterplan is een integrale en langjarige aanpak met het doel de onderwijskwaliteit duurzaam te verbeteren, met nadruk op de lees-, schrijf- en -rekenprestaties van leerlingen in het funderend onderwijs. In de monitoring van het Masterplan wordt via het Nationaal Cohortonderzoek ook gekeken naar de achtergrondkenmerken van leerlingen, waaronder een eventuele migratieachtergrond. Daarnaast investeert het kabinet al extra in kinderen met een groter risico op een achterstand door middel van voorschoolse educatie en extra financiering van scholen met een relatief grote populatie leerlingen met een groter risico op een achterstand.
De overname van Solvinity door Kyndryl |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitsluiten dat buitenlandse mogendheden met de overname van Solvinity door Kyndryl toegang krijgen tot vertrouwelijke en gevoelige informatie van Nederlandse staatsburgers, constaterende dat DigiD en MijnOverheid beheerd worden door de servers van Solvinity en overwegende dat de Verenigde Staten via de ClOUD Act, data bij Amerikaanse bedrijven kan vorderen, ook als deze in het buitenland zijn opgeslagen? Zo ja, kunt u uitleggen hoe u tot dit antwoord gekomen bent? Zo nee, ziet u dit als een probleem?
Onder meer de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) en Executive Order 12333 maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming met moedermaatschappij in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
Momenteel worden gesprekken gevoerd met Solvinity en Kyndryl over het treffen van maatregelen die er, mede, op zijn gericht om het risico op toegang door een buitenlandse autoriteit tot de gegevens die Solvinity verwerkt ten behoeve van de Nederlandse overheid zoveel mogelijk te mitigeren. Over de resultaten van deze gesprekken verwacht ik te kunnen berichten nadat deze gesprekken zijn afgerond. Op dit moment valt nog niet in te schatten wanneer dat zal zijn.
Had u deze overname aan kunnen zien komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft u er niet tijdig voor gezorgd om gevoelige overheidsprojecten onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Hierbij is de naam van de overnamekandidaat niet door Solvinity gedeeld. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025. Het Ministerie van BZK heeft de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Voor een aantal organisaties geldt dat het verplaatsen van de huidige diensten naar een andere provider op korte termijn niet haalbaar is vanwege de complexiteit en afhankelijkheid van de huidige infrastructuur.
Bent u alsnog in staat om op korte termijn gevoelige overheidsprojecten die thans in beheer zijn van Solvinity onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
Met Solvinity worden gesprekken gevoerd over verschillende maatregelen om de veiligheid van gegevens en applicaties te bewerkstelligen.
Het op korte termijn onderbrengen van gevoelige overheidsprojecten bij andere partijen vraagt het doorlopen van aanzienlijke procedures, juridisch, technisch en financieel.
Hebben u of uw ambtenaren op enige wijze betrokkenheid gehad in de onderhandelingen omtrent de overname, aangezien het Ministerie van Economische Zaken een grote opdrachtgever van Solvinity is?
Nee. Daarnaast heeft het Ministerie van EZ geen contracten met Solvinity en/of Kyndryl.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, hierbij zijn uw vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig beantwoord.
De situatie omtrent de ingreep bij Nexperia |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de betrokkenheid binnen het kabinet bij het besluit om de Wet beschikbaarheid goederen in te zetten bij Nexperia (wie is wanneer geïnformeerd, welke besluitvorming heeft waar plaatsgevonden)?
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl.1 met uw Kamer gedeeld. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Kunt u een overzicht geven van de vraag welke landen en Europese instellingen wanneer betrokken zijn geweest bij dit dossier en op welke wijze?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is gebruikelijk in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van vooraf geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken gezien de bedrijfsgevoelige aard van deze zaak. Echter, de wereldwijde gevolgen van de exportcontrolemaatregelen en het besluit van Wingtech om de kwestie wereldkundig te maken, leidden ertoe dat de casus in de openbaarheid kwam.
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten welke objectieve criteria en signaleringsindicatoren u heeft gehanteerd om te bepalen dat sprake was van omstandigheden «ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties», zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wet beschikbaarheid goederen?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen.
Kon u vooraf bevestigen dat de juridische handhaafbaarheid van het bevel onzeker was en aanvullende rechterlijke inmenging nodig zou zijn om naleving te garanderen, en waarom is desondanks voor dit instrument gekozen?
Het is onjuist dat vooraf bekend was dat aanvullende rechterlijke inmenging vereist was om de naleving van het bevel te garanderen. De Wet beschikbaarheid goederen en het uitgevaardigde bevel kan in vergaande mate de beschikbaarheid van productiemiddelen veiligstellen, ook als deze buiten de EU gelegen zijn. De effectiviteit van het bevel werkt via de zeggenschap die het hoofdkantoor (Nexperia Holding B.V.) heeft over de dochtermaatschappijen en vestigingen van Nexperia in binnen- en buitenland. Medewerking van het bestuur van Nexperia is daarbij van groot belang. De onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer maakten die medewerking waarschijnlijker, omdat de CEO, wiens handelen de dreiging vormde voor de leveringszekerheid, mogelijk zou worden geschorst. Dat zou ondersteunend zijn aan de werking van het bevel. Ook vanuit die gedachte heeft de Staat zich als belanghebbende in de enquêteprocedure gemeld en de verzoeken van de bestuurders ondersteund. Dit heb ik ook in het debat in de Kamer op 4 december jl. zo uiteengezet.
Welke andere instrumenten of interventies zijn overwogen om de risico’s bij Nexperia te beperken, en op welke gronden zijn deze niet ingezet?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Welke beoordeling heeft u vooraf gemaakt van het risico dat China het bevel op grond van de Wet beschikbaarheid goederen zou aanmerken als de facto nationalisatie van een Chinees bedrijf en als aanleiding zou zien voor exportmaatregelen?
De gevoeligheid van het bevel in de relatie met China is van tevoren onderkend. Daarom zijn de Chinese autoriteiten zo spoedig mogelijk geïnformeerd over mijn bevel, waarin benadrukt werd dat de maatregel gebaseerd was op het nemen van een geschikte maatregel die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO mitigeert en niet tegen is China gericht.
Welke onderbouwing hanteert u voor de proportionaliteit van het Wet beschikbaarheid goederen bevel, gezien de diplomatieke en economische gevolgen, waaronder verstoringen in de levering van halfgeleiders?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving zeer concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, daarin gesteund door de aandeelhouder, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Waarom is het Wet beschikbaarheid goederen bevel nog zo lang gehandhaafd, nadat de Ondernemingskamer had ingegrepen, de CEO was geschorst en de continuïteit van de onderneming was geborgd?
Bij een enquêteprocedure en de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en – na onderzoek – eindmaatregelen die gelast kunnen worden, staat het belang van de onderneming voorop. De door de Ondernemingskamer in de eerste fase te beantwoorden hoofdvraag is of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij de onderneming. Ook de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en de eindmaatregelen worden vanuit het ondernemingsbelang ingegeven. Het bevel krachtens de Wet beschikbaarheid goederen beoogt daarentegen iets anders: het veiligstellen van de productiemiddelen van de onderneming voor de productie van chips in en voor Nederland en Europa. Daarmee ziet het bevel op een publiek belang. Dat is iets anders dan het belang van de onderneming. Het belang van de onderneming en het publieke belangen hoeven niet samen te vallen. Daarom houdt het kabinet het bevel achter de hand, zodat het uiteindelijke doel, namelijk het behouden van zeer strategische capaciteit op legacy chips, ook op de lange termijn verwezenlijkt kan worden.
Welke toetsings- en afwegingskaders worden structureel toegepast om te bepalen of en wanneer de Wet beschikbaarheid goederen ook moet worden overwogen bij andere ondernemingen in Nederland die van strategisch belang zijn voor de economische veiligheid?
Hoe zorgt u ervoor dat er geen precedent is ontstaan voor de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen, maar dat de toepassing van deze wet voorspelbaar, zorgvuldig en uitzonderlijk blijft, zodat de bijdrage van buitenlandse investeringen aan innovatie en strategisch vermogen in Nederland niet wordt ontmoedigd?
Welke criteria hanteert u om te beoordelen of herinzet van het bevel noodzakelijk is bij eventuele nieuwe risico’s of gedragingen?
Het bevel wordt echt alleen ingezet wanneer andere juridische middelen onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen te waarborgen, zoals bijvoorbeeld de leveringszekerheid van cruciale chips. Als die leveringszekerheid opnieuw in het geding komt, dan zal het kabinet opnieuw beoordelen of de inzet van dit instrument of van andere instrumenten noodzakelijk en/of proportioneel zijn.
Kunt u toelichten in welke mate Europese partners voorafgaand aan uw besluit formeel zijn betrokken bij de risico-analyse, de weging van mogelijke maatregelen en de uiteindelijke besluitvorming over het bevel?
Bij dit soort besluiten is het wenselijk en gebruikelijk om de kring van geïnformeerden zo klein mogelijk te houden. Het eventueel naar buiten komen van het voornemen tot dit besluit kon grote nadelige gevolgen hebben.
Het is dan ook niet gebruikelijk dat landen in dergelijke tijdsgevoelige en bedrijfsvertrouwelijke gevallen elkaar van tevoren op de hoogte stellen en elkaar meenemen in analyses en afwegingen.
Wel zijn direct na het uitvaardigen van het bevel onze meest betrokken partners op de hoogte gesteld, nog ruim voordat dit in de openbaarheid kwam. De Europese Commissie is ook spoedig geïnformeerd. Het had, ook na het nemen van het bevel, nadrukkelijk niet de voorkeur van het kabinet dat deze casus in de openbaarheid zou komen; mede om dat te voorkomen is de kring zo klein mogelijk gehouden.
Hoe is de structurele coördinatie van diplomatieke acties en strategische communicatie met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie richting China ingericht gedurende en na de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt binnen de EU om te voorkomen dat nationale maatregelen ter bevordering van Europese strategische autonomie in de toekomst opnieuw kunnen leiden tot acute risico’s voor de leveringszekerheid van cruciale technologieën?
Zoals aangeven in de brief aan uw Kamer op 19 november jl.2 was mijn ingrijpen erop gericht verplaatsing ten aanzien van de productiemiddelen van de Nexperia groep te voorkomen. Op basis van het bevelschrift kunnen beslissingen tegengehouden worden indien deze (potentieel) schadelijk zijn voor de productiecapaciteit, kennispositie of continuïteit van het bedrijf. Wat het bevelschrift niet doet, is het in de weg staan van het reguliere productieproces van Nexperia. Het bevelschrift is zo ontworpen dat de reguliere productie in alle fabrieken wereldwijd en dat alle export door Nexperia gewoon doorgang kan en zelfs moet vinden. Het bevel leidde tot een tegenreactie van China, in de vorm van een exportmaategel, die heeft geleid tot wereldwijde problemen in de toeleveringsketens.
Als het kabinet niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips (die van Nexperia) geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de front end) is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid (front end in Europa en back end in Azië) is cruciaal voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Pas als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in eenzijdige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil het kabinet voorkomen.
Hoe legt u uit dat de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen bedoeld is om leveringszekerheid te beschermen, maar op korte termijn heeft geleid tot nieuwe kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders?
Het is duidelijk dat deze situatie de kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders heeft blootgelegd voor het brede publiek. Kwetsbaarheden die bovendien groter waren geworden als ik niet had ingegrepen op basis van de Wbg. Waar het namelijk om gaat is dat Europa de capaciteit moet behouden om dit type chips te kunnen blijven produceren, ook in de toekomst.
Wat zijn de economische gevolgen voor Nederland als gevolg van deze ingreep? Wat zijn de langere-termijngevolgen van dit dossier voor het versterken van de Europese strategische autonomie?
De genomen maatregel is uitzonderlijk en is weloverwogen toegepast. Met het opgelegde bevel is het weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa een halt toegeroepen. Als deze risico’s zich hadden verwezenlijkt, had dat tot het verlies van productiecapaciteit voor cruciale chips gezorgd en daarmee tot een strategische afhankelijkheid geleid. Dat zou grote negatieve gevolgen voor de economie en daarmee het vestigingsklimaat hebben gehad.
Welke beleidsmatige lessen trekt u uit dit dossier om toekomstige ingrepen effectiever, voorspelbaarder en diplomatiek minder riskant te maken?
Deze casus zal zeker waardevolle lessen bieden die ons helpen toekomstige besluiten verder te verbeteren. Het kabinet acht het van belang dat deze casus, zodra deze in rustiger vaarwater terecht is gekomen, goed geëvalueerd zal worden. Daarbij geldt in algemene zin dat het verhogen van de weerbaarheid van onze economie te allen tijde gepaard zal gaan met kosten, van financieel-economische en/of diplomatieke aard.
Beschikt het ministerie over een structureel beoordelingskader om continu mogelijke risico’s te monitoren op het gebied van (i) cruciale technologie en productiecapaciteit, (ii) strategische afhankelijkheden en (iii) verplaatsing van kennis, intellectueel eigendom of bedrijfsvestigingen uit Nederland of Europa?
Technologieën en mogelijke risicovolle strategische afhankelijkheden ontwikkelen zich in hoog tempo. Ontwikkelingen op technologiegebied worden daarom continu gemonitord. Op basis daarvan wordt bezien of het bestaande instrumentarium moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden, zoals eerder is gebeurd met de AMvB bij de Wet vifo. Zoals aangegeven in de Kamerbrief3 over de voortgang van de kabinetsaanpak op strategische afhankelijkheden, richt het kabinetsbeleid zich op het in kaart brengen van risicovolle strategische afhankelijkheden en het inventariseren van mogelijke mitigatieopties. Een afhankelijkheid is risicovol en strategisch, als het betreffende product, de dienst of de technologie cruciaal is voor het borgen van onze publieke belangen, en als het risico van leveringsonderbrekingen hoog is. Het beoordelingskader strategische afhankelijkheden is 29-05-2024 nader toegelicht in de technische briefing over dit onderwerp.
Welke interdepartementale, internationale en Europese samenwerkingsstructuren worden hierbij gebruikt om dergelijke risico’s tijdig te signaleren en gezamenlijk te adresseren?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief Voortgang Kabinetsaanpak Economische Veiligheid van 1 juli 20254, kent de kabinetsaanpak economische veiligheid verschillende uitgangspunten. Het instrumentarium bevindt zich primair op nationaal niveau, waarbij coördinatie en samenwerking in Europees en internationaal verband de inzet versterkt. Het kabinet streeft daarom bij maatregelen op het gebied van economische veiligheid (en kennisveiligheid) naar samenhang op EU- en internationaal niveau. Dit komt de effectiviteit van maatregelen ten goede en is belangrijk voor een gelijk speelveld. Het beleid is landenneutraal, conform internationale principes, rechtsbeginselen en verplichtingen zoals het non-discriminatiebeginsel.
Naar analogie van het EU-kader vereist het realiseren van de doelstellingen een geïntegreerde aanpak langs drie sporen: protect (beschermen), promote (versterken) en partner (samenwerken), die worden versterkt door actieve ondersteuning van het bedrijfsleven en kennisopbouw op dit thema.
Bent u bereid het genoemde beoordelingskader, inclusief de gehanteerde criteria voor interventie, publiekelijk of ten minste vertrouwelijk met de Kamer te delen, om de voorspelbaarheid en democratische controle op toekomstige afwegingen onder de Wet beschikbaarheid goederen te vergroten?
Zoals aangegeven in de beantwoording Kamervragen over Nexperia van 11 november jl.5 zijn het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom open strategische autonomie, ook wel een weerbare economie genoemd.
Het beleid op dit onderwerp wordt uiteengezet in een aantal Kamerbrieven; Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie, 6 Kamerbrief Open Strategische Autonomie 7 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.8
In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van het beleid en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van het beleid en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke manier het kabinet haar afwegingen maakt ten aanzien van open strategische autonomie.
Het bericht '56 procent van Nederlanders draait verwarming niet open vanwege te hoge energiekosten: ’Kiezen tussen warm blijven of eten op tafel' |
|
Jimmy Dijk |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Telegraaf dat steeds meer Nederlanders besluiten de verwarming dicht te draaien vanwege te hoge energiekosten?1
Ik heb kennis genomen van het bericht van de Telegraaf.
Kunt u kenbaar maken of deze cijfers in overeenstemming zijn met de gegevens van het ministerie? Zo ja, kunt u deze inzichtelijk maken en specificeren per gezinssituatie en onderverdelen in kinderen, volwassenen en senioren?
Voor cijfermatige inzichten in de ontwikkeling van energiearmoede maakt het kabinet gebruik van de jaarlijkse rapportages van CBS en TNO over dit onderwerp. Binnen deze rapportages is ook aandacht voor de onderconsumptie van energie, wat door TNO omschreven wordt als «verborgen energiearmoede». Het gaat hierbij om huishoudens met een laag inkomen en een woning van lage energetische kwaliteit die minder energie verbruiken dan verwacht.
De cijfers uit het artikel zijn niet in overeenstemming met de door TNO gepubliceerde inzichten. Het rapport waar de Telegraaf zich op baseert is tot stand gekomen op basis van een enquête. De resultaten uit deze enquête geven een belangrijk signaal af over de mate waarin huishoudens zich zorgen maken over de betaalbaarheid van de energierekening. Het kabinet houdt voor wetenschappelijke inzichten en het observeren van trends vast aan de data die TNO hierover publiceert.
In de meest recente rapportage wordt ingeschat dat het aantal huishoudens dat kampt met verborgen energiearmoede in 2024 ongeveer 119.000 bedraagt, ongeveer 1.4% van alle huishoudens.2 Dit aantal fluctueert de afgelopen jaren tussen de 1% en 1,5% van alle huishoudens in Nederland. TNO heeft in haar rapportage geen nadere uitsplitsing gemaakt van deze groep, een verdeling naar gezinssituatie is hiermee niet voorhanden.
Hoe verklaart u deze trend van verhoogde energiearmoede en een van de hoogste gasprijzen van Europa? Waarom is het als kabinet niet gelukt deze trend te keren?
Volgens de voorlopige inschatting in de Monitor Energiearmoede van TNO en CBS leven in 2024 510.000 huishoudens in energiearmoede. Dit is bijna 180.000 huishoudens meer dan in 2023. Het rapport vindt de verklaring hiervoor in het energieprijsniveau en het aflopen van de financiële steunmaatregelen die waren ingesteld ten tijde van de energiecrisis, meer specifiek de energietoeslag en het prijsplafond.
Daarnaast geeft het onderzoek aan dat het aantal energiearme huishoudens lager ligt dan in 2019, voor de energiecrisis. Dit komt onder andere door de getroffen verduurzamingsmaatregelen, gedragsverandering van consumenten en een stijging van het besteedbaar inkomen. Het aantal huishoudens met een combinatie van een lage energetische kwaliteit woning en een laag inkomen daalt door verduurzaming van woningen.
De inkoopprijs van gas op de groothandelsmarkt (TTF) is over het afgelopen jaar bezien gedaald en gestabiliseerd. De gasprijs lag in december 2025 op het laagste niveau sinds 2 jaar tijd, met 26,55 EUR/MWH. De month-aheadprijs ligt op dit moment van schrijven op 36,88 EUR/MWH, en de day-aheadprijs van elektriciteit is gemiddeld 17% lager ten opzichte van vorig jaar.2 Deze lagere prijzen vormen de basis van de prijzen voor consumenten in nieuwe contracten. De ACM rapporteert dat ten opzichte van de piek in februari de tarieven nu 14% lager liggen voor langlopende vaste contracten, 8% lager voor één jaarcontracten en 7% lager voor variabele contracten. De gemiddelde consument betaalt bij een nieuw contract 130 euro minder per jaar.3
Klopt het dat het kabinet zich nog steeds heeft gecommitteerd aan het niet laten toenemen van armoede en het tegengaan van de langetermijngevolgen van armoede?
Zoals in het Regeerprogramma aangegeven streeft het kabinet er naar om de (kinder-) armoedecijfers niet uit te laten komen boven het referentiejaar 2024. Hoe het kabinet dit aanpakt is uitgewerkt in het Nationaal Programma Armoede en Schulden. Ik verwacht u dit kwartaal de eerste voortgangsrapportage te kunnen sturen.
Hoe verantwoordt u dan de oplopende energiearmoede en het feit dat nu één op de twaalf kinderen opgroeit in energiearmoede?2
Het kabinet vindt het belangrijk om huishoudens in energiearmoede te helpen met het betalen van de energierekening en om in te zetten op maatregelen die structureel de energierekening verlagen.
De toename van het aantal huishoudens in energiearmoede tussen 2023 en 2024 is, zoals aangegeven bij vraag 2, voornamelijk het gevolg van het weggevallen van de steunmaatregelen. Deze maatregelen waren in de crisissituatie nodig om huishoudens te beschermen tegen sterk gestegen prijzen. Tegelijkertijd waren het prijsplafond en de energietoeslag relatief ongericht. Inmiddels zijn de energieprijzen gestabiliseerd en ervaart een meerderheid van de consumenten de energierekening als betaalbaar5.
Tegelijkertijd weten we dat er nog steeds een groep kwetsbare huishoudens moeite heeft met het betalen van de energierekening. Om die reden heeft het kabinet afgelopen drie jaar ook een subsidie verstrekt aan de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie. Het effect van deze financiële tegemoetkoming is overigens niet meegenomen in de genoemde monitor. Daarnaast komen de effecten van diverse verduurzamingsmaatregelen die na 2023 zijn genomen en die ook van belang zijn voor huishoudens met (risico op) energiearmoede, zoals de inzet van SPUK Aanpak Energiearmoede, het verder uitfaseren van EFG-huurwoningen, niet in de voorlopige inschatting voor 2024 tot uiting.
Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving, bijvoorbeeld middels de prestatieafspraken met corporaties om woningen met slechte energielabels uit te faseren. Voor alle verhuurders gaat normering op dit punt gelden vanaf 2029. Ook heeft het kabinet recent de bevindingen van TNO in het kader van de motie Postma naar de Kamer gestuurd.6 Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede.
Welke maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan en onmiddellijke verlichting voor gezinnen te bieden, nu het publieke energiefonds nog een jaar op zich laat wachten?
Het kabinet werkt op diverse manieren aan het betaalbaar houden van de energiekosten voor gezinnen met weinig geld. Dit is een gedeelde verantwoordelijkheid van het Ministerie van KGG (stelselverantwoordelijkheid energiesysteem), het Ministerie van VRO (energetische kwaliteit van woningen) en het Ministerie van SZW (armoedebestrijding).
Via een Decentrale Uitkering (DU) heeft het kabinet in 2025 € 10 miljoen toegevoegd aan het Gemeentefonds. In 2026 komt hier nog eens € 20 miljoen bij. De financiële dekking voor deze impuls komt van de SZW-begroting (€ 10 miljoen) en het amendement Grinwis (€ 20 miljoen). De middelen worden via een Decentrale Uitkering verstrekt aan gemeenten en zijn daarmee breed inzetbaar. Deze middelen vormen geen vervanging van het Tijdelijk Noodfonds Energie, dat directe inkomenssteun verleende aan inwoners. Gemeenten kunnen deze middelen inzetten om de bestaande dienstverlening binnen de lokale aanpak van energiearmoede te versterken. Binnen die aanpak zijn er verschillende manieren waarop de middelen kunnen worden benut. Ik ben met de VNG tot deze brede formulering gekomen, omdat huishoudens in energiearmoede zowel mogelijk financiële problematiek als bij het verduurzamen van het huis hulp kunnen gebruiken. Daarbij weten gemeenten vaak het beste hoe ze hun inwoners verder kunnen helpen.
Daarnaast heb ik in de Kamerbrief van 7 november geschetst welke inspanningen ik heb gepleegd om te bezien of er opnieuw een Tijdelijk Noodfonds Energie kon komen deze winter en waarom dit niet mogelijk is.
Met de impuls van € 30 miljoen voor de lokale energiearmoedeaanpak en het benutten van de data van 151.000 huishoudens van de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie kunnen gemeenten aanvullende en gerichtere hulp aanbieden.
Deelt u de mening van de Stichting Consumer Justice (CJF) dat de grote energieleveranciers misbruik maken van de prijswijzigingsclausules en daarmee het consumentenrecht en mededingingsrecht hebben overtreden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
De zaak waarover Stichting Consumer Justice spreekt, wordt momenteel in cassatie behandeld voor een individuele klant. Daarnaast is Stichting Consumer Justice een procedure gestart voor een massaclaim voor klanten die een soortgelijke situatie hebben meegemaakt. Het proces wordt door het Kabinet met aandacht gevolgd, maar het kabinet laat zich niet inhoudelijk uit over een zaak die zich nu nog onder de rechter bevindt. Er moeten diverse stappen doorlopen worden voordat duidelijk is wat de uitkomst zal zijn en of en zo ja voor welke groep consumenten deze uitspraak gevolgen kan hebben.
Bent u bereid een einde te maken aan telefonische werving, zoals de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voorstelt? Zo nee, waarom niet?
Er komen helaas veel gegronde klachten binnen van consumenten over telefonische werving. Dit probleem blijft niet onopgemerkt, want er wordt op allerlei manieren gewerkt aan maatregelen om klachten ten aanzien van telefonische werving aan te pakken vanuit zowel het Ministerie van Economische zaken als het gaat om consumentenbeleid in den brede -als het Ministerie van Klimaat en Groene Groei indien het specifiek de energiesector betreft. Een totaalverbod op telefonische werving is momenteel niet mogelijk, gezien de Europese kaders die daarvoor gelden. Wel wordt telemarketing op grond van de klantrelatie in 2026 verboden. Op dit moment mogen consumenten alleen worden gebeld als zij de beller daarvoor toestemming hebben gegeven of als zij klant zijn (geweest). Consumenten mogen straks alleen worden gebeld als zij de beller daar vooraf expliciet toestemming voor hebben gegeven.
Daarnaast zit in de nieuwe Energiewet, die op 1 januari 2026 van kracht is geworden, een nieuwe grondslag die ruimte beidt aan de ACM om de vergunning van een energieleverancier in te trekken die zich meermaals schuldig maakt aan oneerlijke handelspraktijken, zoals misleiding bij telefonische verkoop. Ook als namens een vergunning houdende energieleverancier geworven wordt, kan deze nieuwe stevige bepaling ingezet worden door de ACM.
Bent u bekend met het concept van de prijzenwaakhond in Zwitserland? Kunnen we soortgelijke bevoegdheden geven aan de ACM zodat zij de prijzen kunnen reguleren, controleren en, indien nodig, blokkeren? Zo ja, wanneer wilt u dit gaan invoeren? Zo nee, waarom niet?
In Zwitserland is de energiemarkt anders ingericht dan in Nederland, want de energiemarkt is daar niet volledig geliberaliseerd. Ook gelden de Europese kaders ten aanzien van de inrichting van de gas- en elektriciteitsmarkt niet in Zwitserland. De ACM kan geen prijzen reguleren of blokkeren, dat gaat in tegen de Europese regels over vrije prijsvorming. Wel mag de ACM prijzen controleren. Het is in beginsel aan energieleveranciers zelf om hun prijzen te bepalen en aan consumenten om een afweging te maken tussen de producten en prijzen van verschillende aanbieders. Een vergunning houdende energieleverancier moet energie leveren tegen transparante en redelijke prijzen. Een prijs is niet redelijk als deze onevenredig hoog is gezien de kosten van de leverancier of niet concurrerend is. De ACM houdt hierop toezicht en kan een bestuurlijke boete opleggen indien hieraan niet voldaan wordt.
Zou het volgens u helpen om de energie betaalbaar te maken door deze publiek te organiseren en zeggenschap te geven aan bijvoorbeeld omwoners zoals we steeds meer zien gebeuren door het land heen? Zo ja, hoe bent u van plan dit nationaal te stimuleren? Zo nee, waarom niet?3
Het publiek organiseren an sich helpt niet om energie betaalbaarder te maken, mede omdat een gevarieerd aanbod en concurrentie tussen energieleveranciers op de energiemarkt financieel voordeliger zijn voor de consument. Als omwonenden een energieproductiefaciliteit in eigendom hebben, vaak via een lokale energiecoöperatie, kan dit bijdragen aan de betaalbaarheid van energie als de coöperatief opgewekte energie tegen kostprijs aan de omgeving wordt geleverd.
Energiecoöperaties zijn echter ook kwetsbaar vanwege een beperkt portfolio waardoor risico’s onvoldoende gespreid kunnen worden.8 In de Kamerbrief over energiegemeenschappen van 29 september jl. is toegelicht hoe het kabinet de ontwikkeling van lokale energie-initiatieven stimuleert.9
Een belangrijke voorwaarde voor, en aandachtspunt bij, een goed werkende concurrerende energiemarkt is en blijft transparantie ten aanzien van prijzen en contractvoorwaarden. Dit is een consumentenrecht en wordt in de nieuwe Energiewet op verschillende punten aangescherpt. Zo hebben consumenten recht op een kosteloos en onafhankelijk vergelijkingsinstrument waarin energiecontracten vergeleken kunnen worden. Ook is verankerd dat een energieleverancier zijn prijzen en voorwaarden presenteert op een dusdanige wijze dat eindafnemers in staat zijn prijzen en voorwaarden van verschillende energieleveranciers te vergelijken. Voor lokaal opgewekte energie wordt gewerkt aan een transparante prijsvorming via een kostprijs-plus model dat voor alle energiegemeenschappen gelijk is. Zo zijn energiegemeenschappen een nieuw – niet commerciële speler op de energiemarkt en een alternatieve keuze voor consumenten om in hun energie te voorzien.
Erkent u dat het idee van de SP dat het reguleren van de prijzen van basisproducten, zoals energie en boodschappen, ervoor zorgt dat de (energie)armoede afneemt en gezinnen meer ruimte over houden in hun portemonnee? Zo ja, bent u bereid om deze maatregel te nemen? Zo nee, waarom niet?
Aan het reguleren van de prijzen kleven in de praktijk flinke nadelen aan. De Minister van Economische Zaken is dieper op prijsregulering ingegaan in de Kabinetsreactie op Initiatiefnota «Minder inflatie, meer bestaanszekerheid» van NSC en PVV. Maximumprijzen kunnen leiden tot schaarste en verminderde toegankelijkheid van producten en diensten. Daardoor kunnen goedbedoelde maatregelen verkeerd uitpakken, en zijn consumenten uiteindelijk slechter af. Het kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat energieleveranciers geen nieuwe energiecontracten meer willen afsluiten, of dat bepaalde boodschappen niet meer beschikbaar zijn. Prijsregulering kan worden gebruikt in markten waarin een structureel marktfalen leidt tot gebrekkige concurrentie en verslechterde consumentenbescherming. In Nederland beoordeelt de ACM of er sprake is van misbruik van marktmacht en of er gebrekkige concurrentie is. Zo heeft de ACM in september aangekondigd onderzoek te doen naar prijzen van boodschappen en mogelijke marktproblemen die leiden tot hogere prijzen. De ACM maakt als onafhankelijke toezichthouder op basis van deskundigheid zelf een beslissing over het opstarten van een onderzoek.
De transparantie van besteding van budget door een aspirant-omroeporganisatie |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat in het strafproces tegen een presentator van een aspirant-omroep de betreffende omroep de juridische kosten grotendeels voor haar rekening heeft genomen, dat zou zijn afgesproken om deze kosten «weg te schrijven» in het jaarverslag en dat deze presentator een crowdfunding startte om de juridische kosten te financieren? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?1
Ik ken het bericht. Het Commissariaat voor de Media, als onafhankelijk toezichthouder, heeft mij laten weten nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van bestedingen in deze kwestie. Omdat deze zaak onderwerp van lopend onderzoek van de toezichthouder is, past het mij niet hier verdere uitspraken over te doen.
Kunt u uiteenzetten hoe in algemene zin toezicht wordt gehouden op de naleving van het uitgangspunt dat de financiering die publieke omroepen ontvangen alleen mogen worden besteed aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht?
Hoofdregel van de wet is dat alle inkomsten van een omroepvereniging bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht, tenzij daar door de wet een uitzondering op is gemaakt (artikel 2.135 Mediawet 2008). Het Commissariaat voor de Media (Commissariaat) is verantwoordelijk voor het financiële toezicht op publieke omroepen (artikel 2.171 van de Mediawet 2008). Dit toezicht richt zich onder meer op de rechtmatigheid van de besteding van de middelen die bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht. Het toezicht gebeurt onder meer aan de hand van de jaarrekeningen die de (aspirant-)omroepen met een controleverklaring van de accountant jaarlijks bij het Commissariaat moeten aanleveren. Als daar aanleiding toe bestaat, zal het Commissariaat de financiële rechtmatigheid van bestedingen nader onderzoeken.2 Wanneer (aspirant-)omroepen zich niet houden aan de wettelijke verplichtingen kan het Commissariaat handhavend optreden. Middelen die onrechtmatig besteed zijn vordert het Commissariaat terug.
Welke sancties kunnen worden opgelegd aan (aspirant-)omroepen die zich niet houden aan de geldende juridische verplichtingen?
In algemene zin geldt dat bij overtreding van geldende juridische verplichtingen door (aspirant-)omroepen het Commissariaat per casus kijkt welk handhavingsinstrument het meest effectief is om herstel te bereiken of herhaling te voorkomen. Dit kan variëren van het voeren van een normoverdragend gesprek en het opleggen van een waarschuwing, tot formele handhavingsinstrumenten zoals een last onder dwangsom of een boete. Bij onrechtmatige besteding van middelen vordert het Commissariaat deze terug. Ook kan het Commissariaat een aanwijzing geven als sprake is van wanbeheer of als een deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen of het voeren van een deugdelijke administratie onvoldoende gewaarborgd zijn. Bij deze keuze baseert de toezichthouder zich op feiten die zijn verzameld en een beoordeling van de aard en de ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.
Wie legt volgens u sancties op conform de mediawet en hoe effectief is het wetsartikel 2.33 van de mediawet volgens u? Kunt u dit toelichten?
Het Commissariaat voor de Media is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Mediawet 2008, en kan bij overtredingen sanctioneren. Dat is onder meer het geval als sprake is van onrechtmatige besteding van gelden. Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 ziet op het intrekken van een (voorlopige) erkenning. Dat is een zeer verstrekkende bevoegdheid van de Minister die alleen als ultimum remedium moet worden ingezet.
Kunt u zich het Kamerdebat herinneren over de rolduidelijkheid aangaande sanctioneren van (aspirant-)omroepen door de NPO, het Commissariaat voor de Media en het kabinet en de aangenomen motie van het lid Mohandis c.s. om de rollen en het sanctiebeleid in den brede aan te scherpen en te verduidelijken, zodat duidelijker wordt na hoeveel overtredingen de licentie in het geding komt? Zo ja, hoe verhoudt dit geval zich tot deze rolduidelijkheid?2
Ja. In de reactie op deze motie heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat dit onderwerp wordt meegenomen in het wetsvoorstel voor de hervorming van de landelijke publieke omroep. Die toezegging staat. In het onderhavige geval is er overigens geen rolonduidelijkheid. Volgens de wet is het Commissariaat belast met het toezicht op de rechtmatige besteding van publieke omroepmiddelen. Daar hebben de NPO noch het kabinet een rol.
Betrekt u de uitvoering van deze motie bij de komende wetsbehandeling conform uw toezegging tijdens het notaoverleg Media van 14 april 2025? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat, met het oog op het belang van betrouwbare en transparante journalistiek, herhaald overtreden van de uit de mediawet conform artikel 2.33 voortvloeiende verplichtingen moet worden gesanctioneerd en de omroeplicentie in het geding kan komen? Zo nee, waarom niet?
Alle omroepen, geen enkele uitgezonderd, dienen zich aan de voor hen geldende wettelijke verplichtingen te houden. Als men dat nalaat geldt het handhavingsregime zoals dat in de Mediawet is vastgelegd en zoals ik heb toegelicht in mijn antwoorden op vraag 2 tot en met 4. De mogelijkheid van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 om een (voorlopige) erkenning in te trekken, kan pas aan de orde komen als het Commissariaat minstens twee sancties in een jaar heeft opgelegd of wanneer daar een tweede negatief oordeel van de evaluatiecommissie aan ten grondslag ligt. Dat is overigens geen automatisme, er dient altijd een zorgvuldige afweging gemaakt te worden
De interpretatie van de Europese jurisprudentie inzake het additionaliteitsvereiste bij de Habitatrichtlijn |
|
André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de juridische analyses waarin aangegeven wordt dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste waarschijnlijk niet automatisch voortvloeit uit arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU)?1, 2
Ja, daar heb ik kennis van genomen. Ik wil benadrukken dat het gaat om een juridisch-wetenschappelijke discussie van verschillende auteurs. Ik volg deze discussie met interesse. Daarom heb ik een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) ingediend. Tegelijkertijd zijn de uitspraken van de Afdeling uiteraard leidend voor zowel de overheid als initiatiefnemers. Hieronder ga ik specifieker in op de standpunten die worden genoemd.
Deelt u de analyse van de auteurs dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS)-arrest weliswaar duidelijk maakte dat bij vergunningverlening geen beroep kan worden gedaan op de positieve effecten van (bestaande) instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen, maar dat daaruit niet is af te leiden dat hetzelfde geldt voor een maatregel die het bevoegd gezag uitdrukkelijk beoogt in te zetten als mitigerende maatregel en niet als instandhoudings- of passende maatregel?
Zoals hiervoor aangegeven, volg ik deze lijn met interesse en zie ik aanknopingspunten in deze analyse. Een vergelijkbaar standpunt is naar voren gebracht namens de Staatssecretaris als bevoegd gezag in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling.
Deelt u de analyse van de auteurs dat noch in arresten van het HvJ-EU noch in richtsnoeren van de Europese Commissie wordt aangegeven dat een mitigerende maatregel slechts kan worden ingezet ten behoeve van een plan of project in een passende beoordeling als die naar zijn aard niet ook nodig is als een instandhoudings- of passende maatregel?
Ik ben van mening dat mitigerende maatregelen die niet al door de beheerder van het betrokken Natura 2000-gebied, de provincie of het Rijk, zijn aangewezen als instandhoudings- of passende maatregel naar hun aard niet als zodanig zijn aan te merken. Dat standpunt is naar voren gebracht in de hoger beroepsprocedures, bedoeld in het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse van de auteurs dat een strikte interpretatie van het additionaliteitsvereiste voorbij gaat aan het feit dat via het nemen van passende maatregelen op grond van artikel zes, tweede lid, van de Habitatrichtlijn alsnog kan worden ingegrepen in bestaande, vergunde situaties mocht dat nodig zijn om verslechtering te voorkomen?
Ik zie aanknopingspunten in deze analyse. Dat doet niet af aan het feit dat ik me, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, houd aan de geldende jurisprudentie.
Deelt u de mening van de auteurs dat het aangescherpte additionaliteitsvereiste op gespannen voet staat met het «nuttig effect» van het Unierecht, omdat het ervoor zorgt dat op dit moment ook vergunningen die uiteindelijk juist zorgen voor uitstootreductie nauwelijks meer kunnen worden afgegeven?
Die mening kan ik op zichzelf volgen. Ik krijg signalen dat op dit moment vergunningen die zorgen voor emissiereductie beperkt worden afgegeven naar aanleiding van de recente jurisprudentie. Ook een aangescherpt additionaliteitsvereiste zou wat mij betreft niet tot gevolg moeten hebben dat verduurzaming onmogelijk wordt. Ik wacht de jurisprudentie op dit punt af.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de inzet van de gehele referentiesituatie van een bestaande activiteit bij de additionaliteitstoets dat dit niet in alle gevallen maatregelen betreffen die naar hun aard kunnen worden ingezet als instandhoudings- of passende maatregel?
Die analyse kan ik volgen. In de procedures aangehaald in het antwoord op vraag 2 wordt namens de Staatssecretaris naar voren gebracht dat projecten die grote sociaaleconomische belangen dienen niet zouden moeten worden ingetrokken als passende maatregel. Een intrekking zou immers niet in overeenstemming zijn met de vereisten uit artikel 2, derde lid, Habitatrichtlijn. Daaruit volgt dat instandhoudings- en passende maatregelen in overeenstemming moeten zijn met sociaaleconomische vereisten en lokale en regionale bijzonderheden.
Op welke wijze zou ten aanzien van de genoemde referentiesituatie van bestaande activiteiten kunnen worden voorkomen dat deze onnodig ingezet worden bij de additionaliteitstoets?
Uit de recente jurisprudentie van de Afdeling wordt duidelijk dat op het moment dat aantoonbaar voldoende andere passende maatregelen worden genomen die leiden tot een voor de betrokken Natura 2000-gebieden noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen afzienbare termijn, het niet langer nodig zal zijn om de referentiesituatie van bestaande activiteiten te beëindigen om te voldoen aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, om verslechtering van de kwaliteit van habitat te voorkomen. In die situatie zal in z’n algemeenheid kunnen worden aangetoond dat mitigerende maatregelen aanvullend zijn op hetgeen nodig is voor de natuur (additionaliteitsvereiste). Dit vereist wel dat op gebiedsniveau op dit punt een analyse is gemaakt en een plan of programma kan worden overgelegd waaruit blijkt welke maatregelen wanneer worden genomen en wanneer daarvan welke effecten kunnen worden verwacht, en dat aannemelijk kan worden gemaakt dat daarmee verslechtering in het Natura 2000-gebied wordt voorkomen en perspectief blijft bestaan op de realisatie van eventuele verbeter- of uitbreidingsdoelstellingen. Met het startpakket en vervolgpakket heeft het kabinet onder de Ministeriële Commissie voor Economie en Natuurherstel een aanpak neergezet om de natuur te herstellen en vergunningverlening weer mogelijk te gaan maken. Daarbij zijn middelen vrijgemaakt voor de landbouwsector (doelsturing, extensivering, beëindiging, mest), die deels al in uitvoering zijn of gaan. En daarnaast voor een gebiedsgerichte aanpak en voor gericht natuurherstel. Het vervolgpakket zet in aanvulling daarop in op verdere emissiereductie en natuurherstel, in combinatie met een verbeterde borging van de aanpak.
Deelt u de mening van de auteurs wat betreft de stellingname van de Raad van State dat de omvang van de in te zetten referentiesituatie geen rol mag spelen bij de toets aan het additionaliteitsvereiste en dat verschil zou moeten worden gemaakt tussen het al dan niet sprake zijn van significante gevolgen bij mogelijke passende maatregelen ten aanzien van bestaande activiteiten?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de analyse van de auteurs dat de jurisprudentie bij plannen ruimte laat voor toepassing van intern salderen zonder additionaliteitstoets als maatregelen met positieve gevolgen, zoals het niet langer bemesten van agrarische gronden in verband met woningbouw, onlosmakelijk onderdeel van het plan zijn?
Die analyse kan ik volgen. Ik verwacht dat de Afdeling binnen afzienbare tijd een richtinggevende uitspraak zal doen over intern salderen bij plannen in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Aan die lijn hebben overheden zich vervolgens te houden. Ik wacht de verdere jurisprudentie op dit punt af.
Welke mogelijkheden ziet u voor adequate toepassing van het additionaliteitsvereiste binnen de kaders van de bestaande jurisprudentie, zodanig dat plannen en projecten niet onnodig belemmerd worden?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid advies te vragen aan de Raad van State en/of de Europese Commissie over de reikwijdte van het additionaliteitsvereiste?
Zoals eerder gezegd heeft de Staatssecretaris een aantal standpunten in enkele lopende hoger beroepsprocedures bij de Afdeling ingediend. Ik ben daarnaast bereid om de Afdeling in voorkomende passende zaken het voorstel te doen om prejudiciële vragen voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie om te toetsen of de huidige jurisprudentie in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn. Het Europese Hof is de hoogste instantie die beslist over de uitleg van het Europees recht (de Habitatrichtlijn). De Afdeling beslist zelf of daartoe wordt overgegaan en welke vragen er vervolgens aan het Hof worden gesteld.
Verbod op religieuze uitingen boa’s |
|
Annelotte Lammers (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart |
|
|
|
|
Is de Minister eens met de stelling dat boa’s neutraliteit dienen uit te stralen? Zo nee, waarom niet?
Waarom treedt de algemene maatregel van bestuur (AMvB) niet in werking (betreffende een verbod op religieuze uitingen voor buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s))? Zo nodig tot de beoogde wet die ditzelfde behelst in werking is getreden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het linkedin bericht geplaatst door de Arnhemse burgemeester Ahmed Marcouch waarin hij aangeeft dat het wel mogelijk moet zijn dat een boa een hoofddoek draagt bij het uniform?1
Is het niet gewenst dat een burgemeester ook neutraal is, om maar eens de woorden van de burgemeester zelf aan te halen, in gedrag en integriteit?
In hoeverre kan deze burgemeester neutraal zijn gezien hij zelf aangeeft dat hij geïnspireerd wordt door Said Qutb de oprichter van de fundamentalistische Moslimbroederschap. Zo ja waarom?
Het bericht ‘Ouderen wonen in gouden kooi: ‘Onaantrekkelijk om te verhuizen’’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek omtrent doorstroming in relatie tot hypotheekverstrekking bij senioren, zoals beschreven in het artikel «Ouderen wonen in gouden kooi: «Onaantrekkelijk om te verhuizen»»?1
Ja. Ik ben bekend met de problematiek die in het artikel wordt geschetst. Ik herken dat veel ouderen beschikken over overwaarde maar ervaren dat verhuizen naar een passende woning financieel moeilijk haalbaar kan zijn.
Bent u bekend met de eerder gestelde schriftelijke vragen d.d. 2 april 2025: «Senioren geweigerd voor tijdelijke lening ondanks overwaarde».
Ja. De Kamervragen van 2 april 2025 naar aanleiding van de Radar-uitzending zijn op 12 mei 2025 beantwoord door de Minister van Financiën en mij. In die beantwoording ben ik onder andere ingegaan op knelpunten bij tijdelijke en overbruggingsfinanciering voor ouderen, de vervolgstappen via het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen2 en gesprekken die ik hierover met de sector voer.
Hoe staat het met de uitvoering van het convenant «Ouderen & Toekomstbestendig Wonen»2, ondertekend door diverse kredietverstrekkers, waarin is afgesproken dat de ondertekenaars de mogelijkheden van (hypotheek)financiering voor ouderen naar een hoger niveau willen tillen, onder andere door in kaart te brengen aan welke aanvullende financieringsmogelijkheden bij ouderen behoefte is, gezien hun woonwensen?
Het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen wordt uitgevoerd in samenwerking met kredietaanbieders, financieel adviseurs en belangenorganisaties. Doel is dat ouderen tijdig inzicht krijgen in hun woon- en financieringsmogelijkheden. Het convenant wordt uitgevoerd door de ondertekenaars. In de periodieke bijeenkomsten worden voortgang en knelpunten besproken en worden ervaringen gedeeld. Met de ondertekenaars is afgesproken dat het convenant na twee jaar integraal wordt geëvalueerd. Deze evaluatie zal zien op de uitvoering van de gemaakte afspraken en de zichtbare effecten daarvan. Ik verwacht uw Kamer rond de zomer van 2026 over de uitkomsten van deze evaluatie te informeren.
Heeft het gesprek met ouderenorganisaties, de Nederlandse Vereniging van Banken, de banken en de toezichthouders over de verbetering van de financieringsmogelijkheden voor senioren voor het sluiten van een overbruggingshypotheek zoals aangegeven in de beantwoording op eerdergenoemde schriftelijke vragen, plaatsgevonden? Zo ja, kan de Kamer een afschrift van het gespreksverslag ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het onderwerp woningfinanciering voor ouderen wordt meegenomen in de periodieke gesprekken binnen het convenant. Hierbij zijn kredietaanbieders, ouderenorganisaties en consumentenorganisaties betrokken. In het laatste gesprek is het onderwerp overbruggingshypotheken ook, mede op verzoek van uw Kamer, besproken. Hieruit is naar voren gekomen dat losse overbruggingshypotheken voor veel kredietaanbieders relatief duur zijn om aan te bieden en dat het verstrekken van een losse overbruggingslening in hun huidige systemen op dit moment niet of slechts beperkt kan worden ingepast. Daarbij is gesignaleerd dat de infrastructuur van het Hypotheken Data Netwerk het niet faciliteert om een losse overbruggingshypotheek aan te vragen.
Tegen deze achtergrond wordt in de praktijk in sommige gevallen door een aantal kredietaanbieders door middel van een combinatie van een (kleine) reguliere hypotheek en overbruggingsfinanciering de behoefte aan financiering ingevuld. Ook biedt een beperkt aantal kredietaanbieders voor bestaande klanten een losse overbruggingshypotheek aan. Deze routes bieden voor een deel van de ouderen een oplossing, maar niet voor de hele doelgroep.
In de gesprekken hebben de deelnemers daarnaast verschillende mogelijke oplossingsrichtingen benoemd om de toegankelijkheid van overbruggingsfinanciering voor ouderen te verbeteren. Deze variëren van verdere specialisatie door individuele of gezamenlijke aanbieders tot vormen van risicodeling, waaronder, een gezamenlijk of publiek georganiseerd fonds. Dit betreft suggesties vanuit de sector die zich nadrukkelijk in de verkennende fase bevinden. Hierover zijn nog geen keuzes gemaakt.
Ook is besproken welke procesverbeteringen in de adviespraktijk kunnen bijdragen aan betere ondersteuning van ouderen, zoals verbeterde informatievoorziening en duidelijkere hulpmiddelen voor adviseurs. Dit geldt ook zeker voor het aanvragen van overbruggingshypotheken. Deze inzichten worden meegenomen in de lopende verkenning naar verbetering van de financieringsmogelijkheden voor ouderen. De uitkomsten hiervan worden bij het evaluatiemoment van het convenant in de zomer van 2026 met uw Kamer gedeeld.
Ben u van mening dat er voldoende voortgang op dit dossier zit? Zo niet, wat gaat u doen om dit te versnellen?
Ik ben van mening dat er duidelijke inspanningen worden geleverd binnen dit dossier, al kost de uitwerking van oplossingen tijd. Binnen het convenant werken ondertekenaars onder andere aan verbeteringen in de informatievoorziening richting ouderen en adviseurs, zodat financieel adviseurs beter worden toegerust bij vragen over doorstroming. Dit heeft geleid tot concrete resultaten, zoals extra opleidingen en ondersteuning voor financieel adviseurs en aanpassingen in het productaanbod voor ouderen door enkele kredietaanbieders.
Daarnaast wordt binnen het convenant verkend hoe de kosten van overbruggingsfinanciering voor ouderen kunnen worden verlaagd, waarbij onder andere wordt gekeken naar de hoogte van advies-, taxatie- en notariskosten, zodat producten voor ouderen aantrekkelijker geprijsd kunnen worden. Tegelijkertijd is zichtbaar dat de problematiek voor ouderen nog niet is opgelost. De komende periode wordt verder gewerkt aan deze verkenningen en worden de gemaakte afspraken betrokken bij de evaluatie van het convenant in 2026.
Zou u in kaart willen brengen hoe het gebrek aan financieringsmogelijkheden voor senioren doorwerkt op de doorstroming op de woningmarkt en welke groepen hierdoor het meest worden geraakt?
Daar ben ik toe bereid. Uit onderzoek blijkt dat slechts een beperkte groep ouderen een concrete verhuiswens heeft. Ouderen zijn minder geneigd om te verhuizen dan jongere huishoudens, en hechten vaker aan hun woning en woonomgeving.4 Uit het WoON-onderzoek 2024 komt naar voren dat ouderen de afgelopen twee jaar minder vaak zijn verhuisd dan in de periode voorafgaand aan WoON 2021 (een afname van ongeveer 10%).5
Dit onderstreept dat de beperkte verhuisbereidheid bij ouderen een belangrijke factor is voor de doorstroming. Financieringsbelemmeringen kunnen voor een deel van de ouderen een rol spelen bij een verhuizing, maar het is lastig om exact vast te stellen welk deel van de beperkte doorstroming hiermee samenhangt. Een verhuizing is immers een grote beslissing die met meerdere factoren samenhangt. Samen met kennisinstellingen en de sector, vergaar ik daarom meer informatie over dit onderwerp.
Zou u in overleg willen treden met hypotheekverstrekkers en ouderenorganisaties, waaronder de Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen, over welke knelpunten senioren het vaakst ervaren bij het aanvragen van een overbruggingshypotheek of verhuishypotheek, en de Kamer informeren over de uitkomsten?
Ja, deze gesprekken zijn al gaande. Hierbij is naast de ANBO ook onder andere Vereniging Eigen Huis (VEH) uitgenodigd. De Kamer zal over de uitkomsten hiervan rond de zomer van 2026 worden geïnformeerd.
Hoe beziet u de huidige toetsingsnormen voor senioren, zoals de inkomens- en leencapaciteitscriteria van de Nationale Hypotheek Garantie en de richtlijnen van de toezichthouder, tegen de achtergrond van de toegenomen overwaarde en relatief lage risico’s bij deze doelgroep?
Samen met de Minister van Financiën stel ik jaarlijks de leennormen voor hypothecair krediet vast. De leennormen voor hypothecair krediet zorgen ervoor dat huishoudens op verantwoorde wijze een hypothecair krediet aangaan bij het kopen van een woning. Kredietaanbieders kunnen via maatwerk gemotiveerd afwijken van de leennormen wanneer een huishouden niet door de standaard krediettoets komt. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) kan via leidraden en de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) via haar Voorwaarden & Normen nadere invulling geven aan de wettelijke leennormen.
Mijn indruk is dat bij zowel de wettelijke leennormen zelf als bij de nadere invulling hiervan door de AFM en NHG geen belemmeringen zitten die ervoor zorgen dat senioren moeite hebben met doorstromen. Kredietaanbieders mogen in beginsel de lopende verplichtingen onder een hypotheek voor de financiering van een nog niet verkochte woning, inclusief de kosten die verband houden met het afsluiten van een overbruggingslening, buiten beschouwing laten bij de kredietbeoordeling voor de financiering van de nieuw gekochte woning. NHG heeft speciaal voor senioren een tweetal regelingen, de seniorenverhuisregeling en de tijdelijke tekortregeling bij verschillende aow leeftijden. Daarnaast heeft de AFM in 2017 verduidelijkt hoe kredietaanbieders verantwoord maatwerk kunnen bieden aan senioren. SEO concludeerde dit jaar in haar evaluatie van de leennormen dat kredietaanbieders en adviseurs hierdoor geen problemen ervaren bij het toepassen van maatwerk voor senioren.
Uit de gesprekken met marktpartijen komen andere factoren naar voren die verklaren waarom een overbruggingshypotheek voor senioren relatief beperkt beschikbaar en duur is. Vooral het feit dat een overbruggingshypotheek vaak relatief kort loopt is een belemmering voor het aanbod. Kredietaanbieders moeten dan immers in een korte tijd de gemaakte kosten terugverdienen. Dat kan leiden tot een hogere prijs (bijv. hypotheekrente) voor dergelijke producten. Het is nog niet duidelijk of ouderen bereid zijn een hogere prijs te betalen voor dit product dan voor een reguliere hypotheek. Zoals gezegd: ik ben met de partijen in gesprek en wil hier graag met ze tot een oplossing komen. Ik vind het namelijk van groot belang dat senioren makkelijker toegang krijgen tot een overbruggingslening. Mochten er toch belemmeringen zitten in de leennormen, dan ben ik uiteraard bereid om hiernaar te kijken. Uitgangspunt blijft daarbij wel dat een (overbruggings)hypotheek altijd financieel verantwoord moet zijn.
Zou u willen onderzoeken welke internationale voorbeelden bestaan van hypotheek- of financieringsconstructies die bijdragen aan doorstroming onder senioren, en of dergelijke modellen toepasbaar zijn in Nederland?
Een eerste verkenning bij beleidsmakers in andere Europese landen heeft het beeld opgeleverd dat veel landen weliswaar de problematiek van onderbenutting van de bestaande voorraad en gebrek aan doorstroming van senioren erkennen, maar dat de beleidsinspanningen veelal nog gericht zijn op het langer laten thuis wonen van ouderen door middel van aanpassingen aan de woning en levering van zorg aan huis. De regelingen die er zijn om onderbenutting tegen te gaan zijn vooral gericht op de sociale huursector en de huurtoeslag. Zo kunnen Vlaamse sociale huisvesters kleine huishoudens in grote woningen laten doorverhuizen naar meer passende woningen, hoewel men hier bij ouderen terughoudend mee omgaat. In het Verenigd Koninkrijk kunnen kleine huishoudens in grote sociale huurwoningen gekort worden op de huurtoeslag. Ouderen zijn hiervan echter nadrukkelijk uitgezonderd.
Vooralsnog verwacht ik niet dat nader internationaal vergelijkend onderzoek wel bruikbare casussen gericht op hypotheek- of financieringsconstructies zal opleveren. Dit vanwege de grote verschillen tussen lidstaten op het gebied van woningfinanciering. Passende innovatieve vormen die ontwikkeld worden, moeten toegesneden zijn op de Nederlandse context.
Wat gaat u doen met het gegeven dat veel senioren aangeven te willen verhuizen naar een passende woning, maar door financieringsbelemmeringen niet in staat zijn deze stap te zetten?
Zoals aangegeven bij vraag 6 heeft slechts een beperkt deel van de ouderen een concrete verhuiswens. Financieringsbelemmeringen kunnen echter voor een deel van de ouderen die wel willen verhuizen een rol spelen. Binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen en het Platform Hypotheken wordt daarom gewerkt aan het verbeteren van de informatievoorziening en aan het verder in beeld brengen en verminderen van financieringsknelpunten bij overbruggingshypotheken. Ook wordt verkend hoe deze producten beter toegankelijk en betaalbaar kunnen worden gemaakt. Daarnaast wordt binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen ingezet op het vergroten van het aanbod van passende ouderenwoningen, wat essentieel is voor doorstroming. Ik blijf in gesprek met ouderenorganisaties, kredietaanbieders en toezichthouders om knelpunten te adresseren.
Deelt u de opvatting dat het tekort aan geschikte en betaalbare seniorenwoningen een belangrijke factor is in het uitblijven van doorstroming, en zou u op een rij willen zetten welke aanvullende maatregelen op korte en langere termijn mogelijk zijn om dit aanbod te vergroten?
Ik ben het met u eens dat beschikbaarheid een belangrijke voorwaarde is voor ouderen om te kunnen verhuizen naar een passende woning, waarmee doorstroming op de woningmarkt ontstaat. Samen met het Ministerie van VWS zet ik sterk in op realisatie van voldoende passende woningen voor ouderen, waarbij we nauw samenwerken met medeoverheden en de verschillende partners uit het woon- en zorgdomein. Zo hebben we op de Woontop van december 2024 afspraken gemaakt over de schaalvergroting en versnelling in de realisatie van de opgave van de circa 290.000 woningen geschikt voor ouderen tot en met 2030. Ook zetten we in op maatregelen die eraan bijdragen dat ouderen die dat willen, een verhuisstap kunnen maken om passend te wonen.
In de voortgangsbrief ouderenhuisvesting van april jl.6 staan de acties die ik samen met het Ministerie van VWS in gang heb gezet om de realisatie van voldoende woningen, en het passend wonen van ouderen te stimuleren. Op 8 december is de Staat van de Volkshuisvesting naar uw Kamer gestuurd, waarin is ingegaan op de realisatie van het woningaanbod voor ouderen en het aandeel verhuisde ouderen. In de loop van 2026 informeren de Staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorg en ik uw Kamer weer over de voortgang op de opgave ouderenhuisvesting, waaronder de maatregelen op passend wonen en doorstroming.
Op welke wijze worden de inspanningen binnen het convenant Ouderen & Toekomstbestendig Wonen afgestemd met de bredere ambities binnen het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen?
Het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen komt voort uit een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van VRO en de hypothecaire sector, het Platform Hypotheken. Het convenant heeft als doel oplossingen te ontwikkelen voor knelpunten in de hypotheekadvisering en -verstrekking. Daarnaast worden tijdens de tussentijdse bijeenkomsten vanuit VRO ook relevante ontwikkelingen uit het Programma Wonen en Zorg voor Ouderen gedeeld met de ondertekenaars, zodat zij deze kunnen meenemen in hun eigen beleidsvorming en verdere uitwerking van de samenwerking.
De ondertekenaars van het convenant gaan periodiek met elkaar en het Ministerie van VRO in gesprek om de ontwikkelingen omtrent woningfinanciering voor ouderen te bespreken en te onderzoeken of er meer mogelijkheden kunnen worden gecreëerd voor woningfinanciering voor ouderen. Dit heeft als doel om te stimuleren dat ouderen passend kunnen wonen, en te stimuleren dat ouderen die dat willen een verhuisstap kunnen maken. Daarmee sluiten de inspanningen vanuit het convenant aan bij de bredere ambities binnen de opgave ouderenhuisvesting en de inspanningen binnen het convenant worden ook gedeeld met de werkgroep en stuurgroep Wonen en zorg voor ouderen
Hoe betrekt u senioren bij de beleidsvorming rondom financieringsmogelijkheden en doorstroming, en op welke wijze worden hun ervaringen structureel benut bij het opstellen en evalueren van maatregelen?
Ik vind het belangrijk dat ouderen vertegenwoordigd zijn in het beleidsvormingsproces rondom financieringsmogelijkheden en passend wonen en doorstroming. De ANBO-PCOB is betrokken bij het periodiek overleg met de hypotheeksector dat voortkomt uit het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen, zoals beschreven bij antwoord 12. Ook is de ANBO-PCOB onderdeel van de werkgroep en stuurgroep Wonen en zorg voor ouderen. In deze werkgroep werken Ministerie van VRO en het Ministerie van VWS samen met medeoverheden en partners uit het woon- en zorgdomein aan de opgave ouderenhuisvesting. Daarnaast worden de ervaringen van ouderen meegenomen via verschillende onderzoeken, zoals het WoOn-onderzoek.7
Borstkankerscreening |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouwen uit Zutphen «hebben opvallend vaak borstkanker», maar kunnen zich niet meer in eigen stad laten testen»?1
Ja.
Kunt u de gegevens waarnaar verwezen wordt in het artikel over het aantal borstkankerdiagnoses landelijk, uitgesplitst per stad(sdeel), delen?
De mate waarin kanker meer of minder vaak voorkomt in een bepaalde regio (of precies: per 3-cijferig postcodegebied) is online te bekijken in de Kankeratlas van het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL).2 Dat geldt ook voor borstkanker.
Is u bekend waarom in enkele delen van het land, zoals in delen van Zutphen, het aantal diagnoses hoger ligt dan het landelijke gemiddelde? Zo ja, kunt u nader toelichten welke factoren hier een rol in spelen? Zo nee, bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Waar iemand woont, speelt bij het ontstaan van borstkanker nauwelijks een rol – laat de wetenschap zien. Wel kan een incidentiecijfer dat afwijkt van het gemiddelde iets zeggen over de gezondheid en leefstijl van de inwoners in dat gebied. Maar wat het zegt is niet eenduidig te benoemen. Zo kan het zijn dat hogere deelname aan bevolkingsonderzoek kan leiden tot het opsporen van meer tumoren in een vroeg stadium. Voor de risicofactoren voor borstkanker verwijs ik naar kanker.nl, waar een en ander helder staat verwoord.
Op hoeveel plekken en waar zijn er in Nederland mobiele onderzoekscentra? Op basis van welke criteria wordt bepaald waar deze screeningslocaties gevestigd worden?
Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) maakt voor het bevolkingsonderzoek borstkanker gebruik van vaste screeningsunits en mobiele units («bussen»). Deze bussen maken bevolkingsonderzoek zo toegankelijk mogelijk op verschillende locaties, met name in gebieden waar geen vaste unit in de buurt is. Het is echter niet mogelijk om alle verschillende gemeenten in Nederland op die manier te bereiken. Er wordt dus steeds naar de meeste effectieve routes voor de mobiele units gekeken. De gehanteerde norm voor genodigden van bevolkingsonderzoek is een uur reistijd is met de auto. Dit kan soms toch langer zijn.
Klopt het dat de screeningslocatie in Zutphen verdwenen is in verband met personeelstekorten? Zo ja, op basis van welke criteria wordt bepaald welke locaties geschrapt kunnen worden? Zo nee, wat is dan wel de reden?
Door BVO NL wordt steeds gekeken waar de mobiele units worden ingezet, op basis van de (kwaliteits-)eisen voor uitvoering van het bevolkingsonderzoek die door het RIVM in samenspraak met relevante veldpartijen worden opgesteld. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met beschikbaar personeel, het uitnodigingsinterval, de reisafstand voor deelnemers en het verkrijgen van de benodigde vergunningen van gemeenten voor het tijdelijk plaatsen van de mobiele unit. Het doel hiervan is om steeds zo effectief mogelijk de schaarse capaciteit te benutten. Beschikbaar personeel speelt dus inderdaad een rol in deze afweging. Er zijn in dit geval niet minder bussen gaan rijden, maar de route is aangepast. Voor sommige deelnemers komt het onderzoekscentrum daardoor misschien dichter bij huis te staan dan in vorige rondes, terwijl voor anderen de locatie iets verder weg kan zijn.
Hoeveel screeningslocaties zijn er in de afgelopen jaren gesloten en op welke locaties? Kunt u hierbij ook aangeven per locatie om welke reden(en) deze zijn gesloten?
Ik hecht er waarde aan om te benadrukken dat door het opnieuw indelen van de routes, het aantal mobiele units niet is afgeschaald. Sinds 2012 zijn er in principe 58 mobiele units in gebruik. Het kan mogelijk wel zo zijn dat units langer op dezelfde plek blijven staan, en zo minder plaatsen aandoen. Het gaat om een efficiëntere inzet van beschikbare units en personeel om zoveel mogelijk mensen uit de doelgroep te kunnen bereiken.
Welke rol spelen personeelstekorten bij het sluiten van screeningslocaties? Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om de personeelstekorten aan te pakken en/of te voorkomen dat screeningslocaties gesloten moeten worden?
Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 5 en 6, gaat het om het aanpassen van routes, niet om het sluiten van units. Het doel hiervan is om steeds zo effectief mogelijk de schaarse capaciteit te benutten. We hebben te maken met een groot tekort aan screeningsmedewerkers, dat zijn de mensen die in de screeningsunits de mammogrammen maken. Als gevolg van dit tekort hebben we sinds enkele jaren te maken met een interval tussen twee
uitnodigingen van het bevolkingsonderzoek van 2.5 jaar in plaats van 2 jaar. Ik heb uw Kamer hierover meermaals geïnformeerd, ook in de laatste monitorbrief van 27 november 2025.3 Het RIVM en BVO NL geven aan dat alle relevante interventies reeds zijn ingezet de afgelopen jaren en dat het simpelweg niet goed lukt voldoende personeel te werven en op te leiden. Ook ik zie op dit moment geen verdere mogelijkheden om de personeelskrapte tegen te gaan. Hierdoor lukt het niet om het interval terug te brengen naar de gebruikelijke twee jaar, en is de verwachting zelfs dat het interval de komende periode zal toenemen. Ik heb het RIVM en BVO NL gevraagd te komen met nadere prognoses en analyses voor de toekomst. Ik heb in de brief van 27 november 2025 toegezegd uw Kamer hierover te blijven informeren.
In eerdere brieven aan uw Kamer is steeds aangegeven welke maatregelen er de afgelopen jaren door RIVM en BVO NL zijn getroffen om de arbeidsmarkttekorten terug te dringen. Zo zijn onder andere de regionale verschillen in intervallen zoveel mogelijk teruggedrongen, is er gestart met het in-house opleiden van nieuwe laboranten, zijn er wervingscampagnes geweest en is de inzet van units verder geoptimaliseerd.4
Deelt u de mening dat het zorgwekkend is dat er wegens het verdwijnen van de screeningslocatie, er een extra barrière is ontstaan en minder vrouwen zich zijn gaan laten screenen, zeker gelet op het feit dat delen van Zutphen al kampen met hogere aantallen borstkankerdiagnoses?
Ik hecht veel belang aan de toegankelijkheid van het bevolkingsonderzoek borstkanker. De keuze voor de inzet van de mobiele units wordt gemaakt op basis van een grondige analyse door BVO NL, waarin ook de reisafstand voor deelnemers wordt meegenomen.
Om ook in de toekomst een toegankelijk aanbod van bevolkingsonderzoeken te waarborgen, is in samenwerking met het RIVM de Ontwikkelagenda Bevolkingsonderzoek opgesteld.5 Hierin zijn de ambities en prioriteiten richting 2035 geformuleerd. Toegankelijkheid vormt één van de centrale uitgangspunten van deze agenda, waarmee expliciet wordt dat het aanpakken van drempels tot deelname een van de prioriteiten is.
Op welke wijze wordt de deelname, zeker in regio’s waar de deelname lager ligt dan gemiddeld, aan dergelijke onderzoeken gestimuleerd? Welke concrete maatregelen worden er genomen om deelname te bevorderen?
Zoals ook toegelicht in het verslag van het schriftelijk overleg van 10 oktober 2025 over de bevolkingsonderzoeken naar kanker6, is het RIVM in 2023 gestart met het Project Toegankelijkheid. Onderdeel van dit project is de pilot wijkgerichte aanpak waarbij wordt ingezet op voorlichting in wijken waar de opkomst bij de bevolkingsonderzoeken laag is. Hiermee wordt de informatievoorziening over de bevolkingsonderzoeken laagdrempeliger aangeboden. De voorlichting wordt onder andere gegeven op lokale evenementen en bij voedselbanken. Overigens is de inzet van de pilot niet deelnemers te overtuigen om deel te nemen, maar om mensen te bereiken met informatie over wat de bevolkingsonderzoeken naar kanker inhouden en waarom deze worden aangeboden vanuit de overheid. Hoewel het niet gericht is om mensen te overtuigen van deelname, is de verwachting dat hoe hoger het bereik, hoe meer mensen uiteindelijk zullen deelnemen. Ook worden de voor- en nadelen besproken en worden praktische vragen beantwoord over hoe men deel kan nemen. De pilot is bijna afgerond; deze loopt tot eind 2025 en in deze laatste periode vindt een evaluatie plaats over het effect dat de pilot heeft gehad op toegankelijkheid en bewustzijn met betrekking tot de bevolkingsonderzoeken. Ook wordt bekeken welke activiteiten kunnen landen in de reguliere werkzaamheden rond het bevolkingsonderzoek. Ik heb in de beantwoording van de vragen reeds toegezegd uw Kamer over de uitkomsten hiervan in de eerste helft van 2026 te informeren. Begin 2026 start overigens ook een campagne van het RIVM in samenwerking met KWF en BVO NL specifiek gericht op het bereiken van mensen met lage gezondheidsvaardigheden in postcodegebieden met lage deelname. Deze campagne ziet op alledrie de bevolkingsonderzoeken naar kanker en draagt bij aan het verder vergroten van de bekendheid en toegankelijkheid.
Hoeveel vrouwen nemen in Nederland deel aan de borstkankerscreening? In hoeveel van deze gevallen zorgt de screening voor (vroegtijdige) opsporing van borstkanker?
Zoals in de meest recente monitorbrief7 is toegelicht was de deelnamegraad van het bevolkingsonderzoek borstkanker in 2024 65,3%. Dit is een daling ten opzichte van 2023, toen was de deelnamegraad 66,7%. De daling is het grootst bij de groep vrouwen die voor het eerst een uitnodiging ontvingen.
Het verwijscijfer in 2024 was 2,29%, wat wil zeggen dat 2,29% van de deelnemers een afwijkende uitslag kreeg. Bij 6.303 vrouwen is uiteindelijk borstkanker gedetecteerd. Het detectiecijfer komt hiermee op 0,72%. Uit modelleringen blijkt dat dankzij het bevolkingsonderzoek borstkanker ongeveer 1300 sterfgevallen per jaar worden voorkomen.8
Welke mogelijkheden ziet u om de screening toegankelijker te maken en ook minder pijnlijk te maken voor vrouwen, gelet op het feit dat veel vrouwen de screening als erg onprettig ervaren?
Ik hecht er waarde aan om het bevolkingsonderzoek borstkanker zo toegankelijk mogelijk aan te kunnen bieden. Een comfortabeler invulling van het onderzoek kan daaraan bijdragen, mist met dezelfde kwaliteit. Zoals gezegd, heb ik daarom samen met het RIVM de toegankelijkheid en het wegnemen van drempels ook als prioriteit opgenomen in de Ontwikkelagenda Bevolkingsonderzoek.9 De mammografie wordt door een deel van de deelnemers als oncomfortabel en/of pijnlijk ervaren. Op dit moment is dit wel de meest geschikte screeningstest voor het bevolkingsonderzoek borstkanker, en enige van voldoende hoge opsporingskwaliteit. In het advies van de Gezondheidsraad van maart 2024 is beschreven dat er op dit moment geen andere geschikte technieken zijn.10 De raad wijst er wel op dat schriftelijk en mondelinge informatie kan helpen om de pijn of het ongemak van de mammografie te verminderen. Zoals beschreven staat in de brief aan uw Kamer van 12 juni 2024, is er daarom door het RIVM en BVO NL extra ingezet op informatieverstrekking om de pijn en ongemak bij het maken van een mammogram zoveel mogelijk te verminderen. Ook is BVO NL gestart met aanvullende trainingsrondes voor screeningsmedewerkers om deelnemers zoveel mogelijk op hun gemak te stellen tijdens het onderzoek.11
In de monitorbrief12 van 27 november heb ik reeds aangegeven dat er onjuiste informatie circuleert over medische thermografie. Verschillende commerciële aanbieders presenteren deze techniek ten onrechte als een alternatief voor het reguliere bevolkingsonderzoek naar borstkanker, terwijl deze techniek géén bewezen screeningstest is en niet is onderzocht binnen de context van een bevolkingsonderzoek. Ik wil daarom nogmaals benadrukken dat alleen mammografie, en bij vrouwen met zeer dicht borstweefsel een MRI, op dit moment aantoonbaar effectief is in het vroegtijdig opsporen van borstkanker.
Het bericht ‘Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse kerncentrales’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse kerncentrales»?1
Ja.
Klopt het dat op uw ministerie al sinds 2024 meerdere rapporten bekend zijn (onder meer van Deltares, Arcadis en de Commissie voor de milieueffectrapportage) waarin wordt gewezen op mogelijke ecologische en juridische risico’s bij de waterkoeling van kerncentrales in de Westerschelde?
Kunt u bevestigen dat deze rapporten reeds beschikbaar waren vóór het versturen van uw voortgangsbrief van mei 2025 aan de Kamer? Zo ja, waarom zijn deze koelwaterwaarschuwingen toen niet met de Kamer gedeeld?
Kunt u toelichten op welke wijze deze rapporten zijn meegenomen in het huidige locatieonderzoek voor nieuwe kerncentrales?
Hoe beoordeelt u de conclusie van Deltares dat de Westerschelde tijdens de levensduur van de geplande kerncentrales structureel te warm kan worden om als koelwaterbron te dienen zonder schending van Europese regelgeving?
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van opwarming van het koelwater in de Westerschelde op de ecologische toestand van het Natura 2000-gebied en op de bedrijfsvoering van de geplande kerncentrales?
Herkent u het beeld dat er al sprake is van regelmatige onderwaterhittegolven in de Westerschelde? Wat betekent dit voor de toekomstige bedrijfszekerheid van nieuwe kerncentrales in Borssele of Terneuzen?
Kunt u uitsluiten dat de geplande kerncentrales incidenteel of structureel moeten worden stilgelegd wegens te warm koelwater, zoals reeds gebeurt bij Franse kerncentrales tijdens warmteperiodes?
Klopt het dat de provincie Zeeland in de «Borselse voorwaarden» heeft vastgelegd dat er geen koeltorens mogen komen, waardoor waterkoeling de enige resterende optie lijkt?
In de provinciale voorwaarden wordt aangegeven dat een koeltoren veel impact heeft op de lokale leefbaarheid en het landschap. De provincie Zeeland wil daarom geen koeltorens. De signalen rondom koelwater betekenen niet automatisch dat er koeltorens nodig zijn zoals bijvoorbeeld bij de kerncentrale Doel in België. Er zijn ook andere mitigerende maatregelen mogelijk. Bijvoorbeeld tijdelijke stilstand, het plannen van onderhoudsvensters of andere vormen van (bij)koeling. In het huidige locatieonderzoek worden dit soort maatregelen verkend om te zien in hoeverre deze voor de diverse onderzoekslocaties aan de orde zouden kunnen zijn.
Kunt u aangeven wat de meerkosten zouden zijn van kerncentrales met koeltorens ten opzichte van waterkoeling, mede gezien de bevindingen van de International Atomic Energy Agency (IAEA) dat koeltorens vier tot vijf keer duurder zijn?
Ongeacht de koelwateroplossing zijn de kosten hiervan sterk afhankelijk van de daadwerkelijke locatie. Zowel de bodem, de afstand tot de kust, of het een open of gesloten water toe- en uitvoer is, zijn dusdanig bepalend voor de kosten van het koelwatersysteem als geheel, dat daar nu nog niet op vooruit gelopen kan worden. Na de locatiekeuze en de techniekkeuze zal een ontwerp gemaakt worden voor het koelwatersysteem, op basis waarvan een kosteninschatting gemaakt kan worden.
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de financiële en juridische risico’s van beide koelingsopties (directe waterkoeling versus koeltorens) alvorens verdere besluiten worden genomen over de oprichting van het staatsbedrijf NEO NL en de locatiekeuze?
Vanzelfsprekend houdt het kabinet de Kamer van de risico’s op de hoogte via de reguliere voortgangsbrieven. De financiële risico's van koelwateroplossingen zijn sterk afhankelijk van de locatiekeuze. Daarom zal eerst tot een locatie moeten worden gekomen, voordat de koelwateroplossing ontworpen kan worden en daarmee de financiële en juridische risico’s in beeld gebracht. Het gebruik van koeltorens of van doorstroomkoeling kent op zichzelf geen juridische risico’s maar moet gezien worden als een technische uitdaging met impact op aspecten zoals landschap, milieu, investeringskosten en bedrijfseconomie. Daarbij moet voldaan worden aan Nederlandse wet- en regelgeving. Het ontwerp van de koelwateroplossing wordt pas na de locatiekeuze bepaald, waarbij vooralsnog wordt uitgegaan van doorstroomkoeling tenzij dit niet kan vanwege bijvoorbeeld ecologische beperkingen. Dit wordt in de planMER beoordeeld. De oprichting van NEO NL is voorzien in Q1 2026 parallel aan de plan MER en Integrale Effectenanalyse (IEA). De (voorbereiding van de) locatiekeuze is een van de taken die niet wordt overgedragen naar NEO NL bij de verzelfstandiging. Zoals gesteld wordt de Kamer na de zomer op de hoogte gebracht van de locatiekeuze en worden de onderzoeken die deze keuze onderbouwen gepubliceerd.
Hoe verhoudt de inzet op Zeeland zich tot de verplichting onder artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water om verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, zeker gezien de huidige chemische belasting van de Westerschelde?
In de planMER wordt voor alle locaties onderzocht in hoeverre de thermische en chemische lozingen van de kerncentrales de waterkwaliteit beïnvloeden. Hierbij wordt het Toetsingskader Waterkwaliteit gehanteerd waarin de Kaderrichtlijn is uitgewerkt. De techniekleveranciers zullen gedurende het inkoopproces een ontwerp voorstellen voor de door het kabinet aangewezen locatie, rekening houdend met deze randvoorwaarden. De uiteindelijke beoordeling of het ontwerp voldoet aan de Nederlandse wet- en regelgeving vindt vervolgens plaats bij de vergunningaanvraag.
Hoe zorgt u ervoor dat de Kamer volledig geïnformeerd wordt over de ecologische, juridische en financiële risico’s in het besluitvormingsproces over de kerncentrales?
Zodra alle onderzoeken zijn afgerond zal de Kamer een totaalbeeld per locatie ontvangen. In dat beeld zullen effecten en risico’s van juridische, financiële en ecologische aard worden meegenomen. Dit moment is voorzien direct na de zomer van 2026. Op dat moment zal de ontwerp Voorkeursbeslissing samen met de Integrale Effectenanalyse en planMER ter inzage worden gelegd. Als de wettelijke adviezen en de binnengekomen reacties zijn verwerkt, wordt de Voorkeursbeslissing definitief. Ook hier wordt de Kamer over geïnformeerd door middel van de voortgangsbrieven die periodiek verzonden worden. Hierna zal de planuitwerkingsfase starten waarvoor een project-MER zal worden opgesteld. Dit nieuwe onderzoek naar de effecten op het milieu en de leefomgeving zal meer detail hebben dan de planMER. Deze project-MER zal de vergunningaanvragen en het uiteindelijke Projectbesluit onderbouwen.
Kunt u toezeggen dat er geen onomkeerbare stappen worden gezet in de voorbereiding van de nieuwe kerncentrales (zoals de oprichting of kapitalisatie van NEO NL), voordat de Kamer volledig inzicht heeft gekregen in de koelwaterproblematiek en de ecologische haalbaarheid van de locaties in Zeeland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beoogt bij de vormgeving van de verschillende werksporen snelheid te behouden én de beperking van risico's in acht te nemen. In de Kamerbrief van 17 oktober jl.8 is op pagina 9 de routekaart te zien met de verschillende trajecten. De oprichting van NEO NL is voorzien in Q1 2026 parallel aan de plan MER en Integrale Effectenanalyse (IEA) waarin de effecten van de verschillende locaties in beeld worden gebracht. In de ontwerpVoorkeursbeslissing zal het Kabinet de voorkeurslocatie beschrijven en motiveren. Deze wordt naar verwachting direct na de zomer van 2026 gepubliceerd. Na het verwerken van adviezen en reacties wordt de Voorkeursbeslissing definitief vastgesteld.
De techniekleveranciers zullen gedurende het inkoopproces een ontwerp voorstellen voor de door het kabinet aangewezen locatie. Deze ontwerpen zullen van elkaar verschillen. Na de keuze voor de uiteindelijke techniekleverancier zal een definitief ontwerp gemaakt worden. Met het definitieve ontwerp kunnen de volledige ecologische effecten in kaart worden gebracht door middel van een project-MER. Het kabinet werkt tegelijkertijd aan meerdere parallelle werksporen, waarmee de gewenste snelheid wordt behouden en tegelijk de risico's in acht worden genomen door de verschillende trajecten te laten interacteren.
Conform de motie van het lid de Groot (31 239-438) zal in de eerstvolgende nieuwbouwbrief begin volgend jaar teruggekomen worden op het behouden van de snelheid die gewenst is in dit project. Het kabinet blijft stappen zetten maar neemt geen besluiten met potentiële ecologische of financiële effecten zonder daarover de Tweede Kamer voorafgaand te informeren.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
De Eurobarometer |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het volgende artikel: «De Eurobarometer tekent systematisch een te positief beeld van de EU»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de bewering, gedaan in dit artikel, dat, vanwege een sterke oververtegenwoordiging van hoger opgeleiden in de (Nederlandse) steekproef van de Eurobarometer en een sterke non-reponse bias de Eurobarometer structureel en systematisch een (veel) te positief beeld van de Europese Unie geeft? Deelt u deze conclusie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt kwalitatief hoogwaardig opinieonderzoek belangrijk. Het is daarbij van belang dat bij opiniepeilingen verantwoording wordt afgelegd over de methodologie en steekproefselectie. Het Eurobarometer-onderzoek waar het nieuwsbericht naar verwijst (EP Winter 2025 survey), bevat uitleg over de methodologie en technische specificaties over hoe de streekproefselectie tot stand is gekomen.2 Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van dit opinieonderzoek.
Bent u ermee bekend dat zowel de opdrachtgever van de Eurobarometer als het onderzoeksbureau dat het onderzoek in Nederland uitvoert (Verian) door de auteurs van het bovengenoemde stuk zijn benaderd en daarmee dus weliswaar van dit probleem op de hoogte zijn gesteld, maar desalniettemin te kennen gaven dat «continuïteit» voor hen belangrijker was (dan accuraatheid) en daarom weigeren het onderzoek aan te passen? Wat vindt u van deze opstelling? Is, wat opinieonderzoek betreft, voor u continuïteit ook belangrijker dan accuraatheid?
De Eurobarometer is een opinie-instrument dat regelmatig wordt gebruikt in alle EU-lidstaten in opdracht van de Europese Commissie, het Europees Parlement en andere EU-instellingen en agentschappen om inzicht te krijgen in de publieke opinie in de EU-lidstaten. Het is verder niet aan het kabinet om zich uit te spreken over de uitvoering van opinieonderzoek.
Bent u bekend met dit artikel van het Max Planck Instituut getiteld «How the Eurobarometer blurs the line between research and propaganda»?2
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de conclusie van dit artikel, namelijk dat in de Eurobarometer door middel van selectie en framing van vragen, ongebalanceerde antwoordopties, insinuerende vragen, alsmede het strategisch verwijderen van vragen, systematisch een te rooskleurig beeld wordt gegeven van de publieke opinie met betrekking tot de Europese Unie in het algemeen en het doel van een «ever closer union» in het bijzonder? Deelt u de conclusie van dit (wetenschappelijk) artikel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Maakt u zich zorgen over de kwaliteit van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet? Indien dit wel het geval is, wat gaat u met deze zorgen doen? Bent u bijvoorbeeld bereid de Europese Unie te bevragen over de betrouwbaarheid van de Eurobarometer? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Wordt de Eurobarometer door de rijksoverheid, bijvoorbeeld in beleidsstukken, Kamerbrieven of door instellingen zoals het CBS en SCP, als bron gebruikt? Zou het niet beter zijn hiermee te stoppen, niet alleen omdat de Eurobarometer inmiddels zo omstreden is, maar ook omdat het er sterk op lijkt dat de Eurobarometer niet een neutraal opinieonderzoek maar een propaganda-instrument van de Europese Unie is (geworden)?
In algemene zin gebruikt de Rijksoverheid voor beleidsstukken, Kamerbrieven en andere stukken informatie vanuit verschillende perspectieven en die herleidbaar is naar de bron. Informatie dient zoveel mogelijk onafhankelijk geverifieerd te kunnen worden. Op basis van deze informatie worden ambtelijke adviezen opgesteld waarbij het vervolgens aan de Minister is om een politieke afweging te maken.
Kunt u de bovenstaande zeven vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: ‘Niet in het belang van het kind’' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: «Niet in het belang van het kind»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat gerechtshoven in een substantieel aantal artikel 12-zaken besluiten om vervolging niet te gelasten met als reden dat het niet in het belang van het kind zou zijn?
Dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij «alle maatregelen betreffende kinderen» (zoals rechterlijke beslissingen) is een belangrijke verdragsverplichting die is vastgelegd in artikel 3 van het Verdrag van de Rechten voor het Kind. Het is echter niet aan mij om in gerechtelijke beslissingen te treden.
Hoeveel zaken van huiselijk geweld worden er per jaar geseponeerd waarbij expliciet het argument «in het belang van het kind» wordt genoemd? Worden deze gegevens al bijgehouden? Zo ja, kunt u deze gegevens delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid dit te laten monitoren?
De inhoudelijke redenen voor een sepot worden niet systematisch gedocumenteerd op het niveau van individuele zaken. Enkel dossieronderzoek, dat veel tijd en capaciteit kost, zou hier meer inzicht in kunnen geven. Ik heb het vertrouwen dat het Openbaar Ministerie in staat is om de juiste afweging te maken in deze zaken, waarbij de belangen van slachtoffers, waaronder kinderen, voorop staan.
Op welke basis waarvan wordt het «belang van het kind» gewogen in beslissingen van het Openbaar Ministerie (OM) om huiselijk geweld niet te vervolgen? Zijn dit landelijke kaders of afhankelijk van het gerechtshof? In welke mate heeft u invloed op deze kaders?
Het belang van het kind wordt gewogen op grond van de bestaande (internationale en Europese) wet- en regelgeving, de beleidsregels van het Openbaar Ministerie en de stukken uit het strafdossier, waaronder rapportages die omtrent het kind zijn opgemaakt. De beleidsregels zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in de Richtlijn voor Strafvordering Huiselijk Geweld en de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.
Landelijke richtlijnen en Aanwijzingen worden formeel vastgesteld door het College van Procureurs-Generaal. Ik heb dan ook geen directe invloed op deze kaders. Het is wel mogelijk via algemene beleidsaanwijzingen en wetgeving indirect invloed uit te oefenen op deze kaders.
Bent u bereid met het OM te bespreken een richtlijn te ontwikkelen voor zaken van huiselijk geweld waarbij kinderen zijn betrokken waarbij het uitgangspunt is dat bij een geweldsdelict niet geseponeerd wordt?
Uit de Richtlijn voor strafvordering Huiselijk Geweld volgt dat het uitgangspunt is dat bij zaken van huiselijk geweld wordt gedagvaard, vanwege de ernst van het plegen van geweld in afhankelijkheidsrelaties en de bestraffing die daarbij passend is.
Uit de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling volgt dat alleen zaken waarin sprake is van het ontbreken van letsel, dan wel (heel) licht letsel, het ontbreken van een dreiging van nieuw geweld, een eerste incident en/of een berouwvolle dader die hulp zoekt en aanvaardt, voor een OM-strafbeschikking in aanmerking komen. Verder kan aan een OM-strafbeschikking een gedragsaanwijzing worden verbonden conform artikel 257c lid 1 Sv, mits de verdachte door de officier van justitie is gehoord en zich bereid heeft verklaard zich aan de betreffende gedragsaanwijzing te houden. Delicten die met een buitengerechtelijke afdoening kunnen worden afgedaan zijn vernieling (art. 350 Sr), verbale bedreiging (art. 285 Sr) en eenvoudige mishandeling (art. 300 Sr).2 Andere delicten die vallen onder huiselijk geweld en belaging in de zin van stalking door een (ex-)partner of door iemand anders uit de huiselijke kring of privésfeer worden alleen buitengerechtelijk afgedaan bij hoge uitzondering met expliciete toestemming van de reclasseringsofficier.
Zowel uit de Richtlijn als de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie volgt dat zaken die vallen onder huiselijk geweld in beginsel worden gedagvaard en in uitzonderlijke gevallen met een OM-strafbeschikking worden afgedaan.
Bent u bekend met het gegeven dat er geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de stelling dat het vervolgen van een ouder negatieve effecten heeft op kinderen? Zo ja, welke onderbouwing gebruikt het OM om dit argument wel te laten meewegen in de beslissing?
Het is bekend dat er geen eenduidige wetenschappelijke consensus bestaat over de negatieve effecten van vervolging van ouders op kinderen. Het Openbaar Ministerie weegt zijn beslissing tot vervolging zorgvuldig af op grond van alle dossierstukken, inclusief rapportages van deskundigen (waaronder de Raad voor de Kinderbescherming) en adviezen van (jeugd)hulpinstanties waarin de belangen van het kind zijn meegenomen. Op grond van alle informatie tezamen beslist het Openbaar Ministerie welk belang per individuele casus het zwaarst weegt.
Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de algemene plicht van het OM om strafbare feiten te vervolgen? Deelt u de mening dat het een bijzonder voorbeeld schept dat er bij zaken van huiselijk geweld wel wordt geseponeerd in het belang van het kind waarbij juist het kind in sommige gevallen ook slachtoffer is, en in gevallen van bijvoorbeeld drugssmokkel dit argument niet wordt gebruikt?
Het Openbaar Ministerie heeft de wettelijke taak om strafbare feiten te vervolgen. Hierbij spelen ook maatschappelijke belangen mee, zoals de bescherming van kwetsbare kinderen. Het seponeren van zaken van huiselijk geweld in het belang van het kind raakt aan de taak en onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De vergelijking in de vraag toont de complexiteit van het vervolgingsmonopolie en de noodzaak voor een zorgvuldige afweging die elke keer opnieuw dient plaats te vinden wanneer er kinderen betrokken zijn.
Hoe ziet u het zelfstandig gebruik van het argument «in het belang van het kind» om af te zien van vervolging? Bent u het met de deskundigen in het artikel eens dat dit vrouwen en kinderen in situaties van huiselijk geweld extra kwetsbaar kan maken?
Het Openbaar Ministerie kan op grond van het opportuniteitsbeginsel beslissen om een zaak niet te vervolgen (artikel 167 en artikel 242 Sv). Uit de beleidsregels van het Openbaar Ministerie volgt echter dat bewijsbare huiselijk geweld zaken in beginsel wel worden vervolgd. In uitzonderlijke gevallen wordt daarvan afgezien, bijvoorbeeld wanneer het gaat om een gering feit of wanneer de pleger meteen verantwoordelijkheid heeft genomen door te bekennen en vrijwillig in behandeling te gaan voor bijvoorbeeld gedragsproblemen. Wanneer het Openbaar Ministerie besluit om niet te vervolgen, kan de zaak middels een artikel 12 procedure aan het gerechtshof worden voorgelegd om op die manier een vervolging te bewerkstelligen. De omstandigheid dat de belangen van het kind in elke individuele zaak zorgvuldig en als eerste overweging worden meegewogen, ook wanneer wordt beslist om niet te vervolgen, is op zichzelf een goede praktijk. Het is daarbij uiteraard van belang dat steeds wordt bezien of een beslissing om niet te vervolgen alle rechten en belangen van het kind, waaronder ook diens recht op bescherming tegen geweld, voldoende borgt. Uit verschillende onderzoeken volgt immers dat kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld blijvend schade kunnen oplopen, en dat dit zelfs intergenerationeel kan doorwerken. Voor slachtoffers, nabestaanden en ook de maatschappij is het belangrijk dat een pleger wordt gestopt, en verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn daden. Daar horen consequenties bij, zoals een straf en/of het zoeken naar hulp om het gebruik van geweld in de toekomst te voorkomen. Elke zaak is uniek. Dit betekent dat elke keer opnieuw een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt tussen de verschillende belangen, waarbij die van het kind de eerste overweging vormen.
Hoe wordt geborgd dat slachtoffers van huiselijk geweld voldoende bescherming, rechtszekerheid en toegang tot het recht hebben wanneer het OM besluit niet te vervolgen?
Er zijn verschillende mogelijkheden om het slachtoffer te beschermen wanneer het Openbaar Ministerie besluit om een zaak niet te vervolgen. Wanneer sprake is van acute onveiligheid kan via de burgemeester een beroep worden gedaan op het tijdelijk huisverbod. Hiermee is het slachtoffer voor een periode van maximaal 28 dagen beschermd tegen de pleger, die dan het huis niet mag betreden en ook geen contact mag opnemen met het slachtoffer en de kinderen. Verder kan een melding worden gedaan bij Veilig Thuis die vervolgens een risico-inschatting kan doen en een veiligheidsplan kan opstellen. Wanneer hulpverleningsinstanties zoals Veilig Thuis concluderen dat sprake is van acute onveiligheid dan kan het slachtoffer – onder voorwaarden – in aanmerking komen voor een AWARE-knop. Dit is een draagbare noodknop waarmee de politie kan worden gealarmeerd in geval van acuut gevaar. De politie kan met behulp van die knop de locatie van het slachtoffer bepalen en snel ter plaatse komen.
Rechtszekerheid en toegang tot het recht zijn geborgd doordat een slachtoffer middels een kort geding bij de civiele rechter een contactverbod kan eisen. Tot slot kan een slachtoffer via een artikel 12-procedure bij het gerechtshof een vervolging afdwingen.
Kunt u deze vragen een voor een en voor het kerstreces beantwoorden in combinatie met de set schriftelijke vragen van het lid Becker van 17 november 2025?
De antwoorden op de set Kamervragen van 17 november 2025 zijn op 19 december 2025 verzonden. Helaas is het niet gelukt om onderhavige set Kamervragen voor het kerstreces te beantwoorden.
Het artikel 'William uit Aadorp werd ziek door werk bij Defensie, toch wordt zijn claim afgewezen' |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «William uit Aadorp werd ziek door werk bij Defensie, toch wordt zijn claim afgewezen»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u aangeven of in soortgelijke gevallen als William het mogelijk is om met alleen een schriftelijk bewijs van een diagnose door een bevoegd arts te voldoen aan de bewijslast voor een claim?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december 20242 wordt een diagnose van een arts in principe geaccepteerd binnen de TSB. De inhoud van onderliggend onderzoek is niet nodig. De diagnose wordt niet overgedaan. Wel moet de diagnose zijn van één van de ziekten op de Lijst beroepsziekten van de TSB.3 Wat de situatie bij allergisch beroepsastma lastig maakt, is dat artsen zelden die complete diagnose stellen. Een arts stelt dan bijvoorbeeld wel de diagnose astma, maar niet allergisch astma. Of wel een allergisch astma, maar zonder te benoemen door welk allergeen. In Nederland hebben meer dan 500.000 volwassenen de diagnose astma.4 Om te waarborgen dat de middelen van de TSB terechtkomen bij de doelgroep, is het noodzakelijk om bepaalde kaders te stellen.
Klopt het dat de zogenoemde sensibilisatietest niet langer vereist is voor het toekennen van een claim? Deelt u de mening dat het onwenselijk is wanneer aanvragen toch stranden op deze test, terwijl deze volgens de nieuwe regeling niet meer toegepast zou moeten worden?
Als een aanvrager allergisch astma heeft, maar niet duidelijk is welk allergeen de astma veroorzaakt, is voor de TSB nodig dat dit wordt onderzocht. Om een toekenning te krijgen, moet het allergeen op het werk aanwezig zijn. De aanvrager laat hiervoor een sensibilisatietest doen. Zonder deze test is niet vast te stellen of het allergeen voorkomt op de werkvloer of in de privésfeer. Dit soort onderzoek wordt niet volledig gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet. Om te voorkomen dat deze kosten terechtkomen bij aanvragers, is er financiering vanuit een tijdelijke pilot. Hierover heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd.5
Hoeveel aanvragen voor compensatie zijn er sinds de start van de regeling ingediend en hoeveel daarvan zijn afgewezen? Kunt u daarnaast aangeven in hoeveel gevallen de afwijzing (mede) gebaseerd was op het niet (voldoende) kunnen aanleveren van onderliggend onderzoek zoals de sensibilisatietest?
Sinds de start van de regeling zijn circa 900 aanvragen voor een tegemoetkoming ingediend. Van de ingediende aanvragen zijn ongeveer 600 aanvragen beoordeeld. Van de beoordeelde aanvragen is 34% toegekend. Onderliggend onderzoek ontbreekt met name voor de beroepsziekten allergisch beroepsastma en voor CSE. Voor allergisch beroepsastma geldt dat in 70–75% van de aanvragen onderliggend onderzoek niet is aangeleverd. Voor CSE geldt dat in 20–25% van de aanvragen informatie ontbreekt.
Bij beroepsziekten zoals allergisch beroepsastma en CSE zijn bepaalde onderzoeken onmisbaar om de beroepsziekte vast te stellen. Die onderzoeken moeten gedaan zijn voor het ontvangen van een toekenning uit de TSB. Het is niet de bedoeling de diagnose opnieuw te stellen, maar in de diagnosebrief moeten de conclusies of resultaten van de uitgevoerde onderzoeken zijn beschreven. Anders kan het Deskundigenpanel niet bevestigen dat sprake is van de beroepsziekte.
In een brief van 26 maart schrijft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: «Ik heb besloten om de eerder afgewezen aanvragers actief te informeren over de wijziging van de regeling. Zij kunnen een nieuwe aanvraag indienen na ingang van de wijziging, 1 juli 2025.» (Kamerstuk 25 883, nr. 523) Kunt u toelichten op welke wijze deze actieve informatievoorziening wordt ingericht en hoe wordt gewaarborgd dat alle betrokkenen daadwerkelijk bereikt worden?
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft alle eerder afgewezen aanvragers6 tussen de start van de regeling en 1 juli 2025 schriftelijk benaderd. In die brief staat uitgelegd dat de aanvrager opnieuw een aanvraag kan indienen. Ook staat in de brief dat de aanvrager voor meer informatie kan bellen met het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen (ISBG).
Bent u bereid om alle eerder afgewezen aanvragers actief te benaderen en hen expliciet te wijzen op de mogelijkheid om na 1 juli 2025 opnieuw een aanvraag in te dienen?
De Sociale Verzekeringsbank heeft alle eerder afgewezen aanvragers7 al actief benaderd, en daarbij expliciet gewezen op de mogelijkheid opnieuw een aanvraag in te dienen.
De dreigende uittocht van specialisten bij Rijkwaterstaat |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Uittocht van specialisten bij Rijkswaterstaat dreigt: houden we nog droge voeten?»?1
Ja, het bericht is bekend. Eveneens heeft Rijkswaterstaat voorafgaand aan de publicatie vragen van de betrokken journalist beantwoord.
Herkent u het beeld zoals in het artikel geschetst wordt? Zo nee, waarom niet?
Herkend wordt dat er contracten met zzp’ers worden beëindigd om conform de Wet DBA te handelen. Dit kan niet geheel zonder impact op het werk, ook al is die impact nog niet precies te duiden. De ruimte is geboden om extern ingehuurde zzp’ers met risico op schijnzelfstandigheid in dienst te nemen. De ingezette middelen die zijn beoogd voor externe inhuur, worden dan toegevoegd aan de reguliere personele budgetten, zodat er ook dekking is voor deze functies. Met het in vaste dienst nemen van zzp’ers die dat willen en door te zoeken naar interne oplossingen wordt geprobeerd de impact te beperken. Via werving en selectie worden de resterende plekken uiteindelijk weer vervuld.
Hoeveel zzp’ers zullen per 31 december a.s. naar verwachting hun opdracht bij Rijkswaterstaat verliezen?
Op 27 november is voor circa tweehonderd van de ruim zevenhonderd zzp’ers die voor Rijkswaterstaat werken het contract opgezegd op basis van mogelijke schijnzelfstandigheid. Het is mogelijk dat daar nog enkele gevallen bijkomen tot 31 december.
Hoeveel van deze zzp’ers zijn actief bij belangrijke taakonderdelen zoals verkeersmanagement, inspectie, beheer en onderhoud?
Binnen de organisatie wordt dit onderscheid niet gemaakt. Hierdoor is een aantal noemen niet mogelijk. Per casus wordt bekeken op welke wijze schijnzelfstandigheid, met zo klein mogelijke impact op het werk, kan worden voorkomen.
Kunt u schetsen wat het vertrek van deze zzp’ers zou betekenen qua verlies van deskundigheid en expertise?
Het vertrek van deze groep zzp’ers betekent niet dat Rijkswaterstaat alle beschikbare deskundigheid en expertise op de diverse vakgebieden verliest. Het is zaak de beschikbare capaciteit slim te verdelen over de opgave, zodat er zo min mogelijk merkbare effecten zijn. Rijkswaterstaat zit momenteel nog volop in het proces van omzetting van contractvormen en verkennen van interne schuifmogelijkheden. Geprobeerd wordt de gevolgen en impact te minimaliseren door mensen in vaste dienst te nemen en te zoeken naar interne oplossingen. Via werving en selectie worden de resterende plekken uiteindelijk weer vervuld. Rijkswaterstaat behoudt de mogelijkheid te werken met zzp’ers. Er kunnen waar nodig dus ook nieuwe, binnen het wettelijk kader passende, inhuurovereenkomsten gesloten worden.
Wat betekent het vertrek van deze zzp’ers voor veiligheid, projectduur en doorstroming?
Zoals hierboven reeds beschreven. Rijkswaterstaat zit momenteel nog volop in de omzetting van contractvormen en het verkennen van interne schuifmogelijkheden. Daarbij wordt uiteraard ook de gebruikelijke wijze van prioriteren van werkzaamheden gehanteerd, zodat de veiligheid altijd gewaarborgd wordt en de overige effecten zo klein mogelijk zijn. Dit proces is nog niet klaar en het is daarom ook nog niet duidelijk welke precieze gevolgen er zijn voor lopende projecten waar op dit moment zzp’ers worden ingezet. Verwacht wordt dat het uiteindelijk een tijdelijk, vertragend effect zal blijken, omdat er vooruitkijkend mogelijkheden blijven bestaan om de capaciteit weer aan de organisatie te binden. De organisatie heeft enkel tijd nodig om dit op passende wijze te realiseren.
Hoe wordt dit opgevangen?
Geprobeerd wordt de impact te beperken door zzp’ers in vaste dienst te nemen en te zoeken naar interne oplossingen. De verwachting is dat via werving en selectie resterende plekken uiteindelijk weer vervuld kunnen worden. Rijkswaterstaat behoudt de mogelijkheid te werken met zzp’ers. Er kunnen, waar nodig, dus ook nieuwe, binnen het wettelijk kader passende, overeenkomsten gesloten worden.
Wat is het afgelopen jaar gedaan om bedoelde zzp’ers in vaste dienst te nemen, dan wel via een detacherings- of uitzendconstructie te laten werken?
Rijkswaterstaat werkt in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Wanneer na analyse van de inhuurrelatie met een zzp’er risico op schijnzelfstandigheid is geconstateerd, waren verschillende scenario’s denkbaar. Het gaat dan om beëindiging van de overeenkomst, aanpassing van de constructie (bijvoorbeeld detachering), aanpassing van de opdracht of verambtelijking (in dienst nemen). Om conform de Wet DBA te handelen, is de ruimte geboden om extern ingehuurde zzp’ers met risico op schijnzelfstandigheid in dienst te nemen dan wel de opdracht aan te passen of de constructie te veranderen. De betrokken managers zijn zoveel mogelijk in gesprek gegaan met de zzp’ers waarvoor risico’s zijn geconstateerd en hebben de verschillende mogelijkheden toegelicht. In nauw overleg met brokers/intermediairs, zzp’ers en interne betrokkenen is zoveel mogelijk getracht de impact op de productie te minimaliseren, wel altijd in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Dat is voor het merendeel van de cases ook gelukt.
Waarom hebben veel zzp’ers nog steeds geen duidelijkheid?
Dit signaal wordt niet herkend. Rijkswaterstaat heeft in de communicatie aangegeven dat er vier mogelijke scenario’s zijn indien sprake is van (mogelijke) schijnzelfstandigheid. Namelijk verambtelijking (in dienst nemen), aanpassing van de constructie, aanpassing van de opdracht en beëindiging van de overeenkomst. Het kan zijn dat in specifieke gevallen nog geen exacte duidelijkheid was, omdat de analyse van inhuurrelatie en de mogelijkheid op schijnzelfstandigheid nog gaande was. Dit zou echter gaan over enkele situaties.
Hoeveel zzp’ers die werkten in opdracht van Rijkswaterstaat zijn alsnog aan de slag gegaan voor Rijkswaterstaat via een detacherings- of uitzendconstructie, dan wel zijn in vaste dienst aangenomen?
Er is (t/m 21/11) voor 150,6 fte verambtelijking (in dienst nemen) aangevraagd en toegekend. Niet in al die gevallen heeft de mogelijkheid ook daadwerkelijkheid tot verambtelijking geleid; meestal omdat de zzp’er zelf niet in dienst wilde treden. In de gevallen dat het arbeidsvoorwaardengesprek niet heeft geleid tot verambtelijking, wordt een vacature uitgezet. Het aantal zzp’ers dat via een detacherings- of uitzendconstructie aan de slag gaat bij Rijkswaterstaat is nog niet exact te geven. De contractvorming is op dit moment nog gaande en een exact aantal aangeven is daarom nog prematuur.
Wat zijn de budgettaire consequenties van het op peil houden van de bezetting?
De budgettaire consequenties zijn op dit moment nog lastig aan te geven. In de regel geldt dat het werken met eigen personeel per saldo voordeliger is dan externe inhuur. De uitstroom van zzp’ers leidt daarmee niet zozeer tot een budgettair vraagstuk.
Het uitstelbericht onderzoek naar aangetroffen documenten bij de Belastingdienst op nationaliteit en postcode |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom het onderzoek naar de aangetroffen documenten op nationaliteit en postcode, dat volgens uw eerdere antwoorden uiterlijk 16 juni 2025 aan de Auditdienst Rijk (ADR) zou worden opgeleverd, nu is uitgesteld tot medio december 2025?
In de antwoorden van mijn ambtsvoorganger waar u aan refereert is opgenomen dat het onderzoek van de Belastingdienst naar RAM-spreadsheets met een selectie op nationaliteit en postcode niet in juni 2025 beschikbaar is, maar na de zomer van 2025. Mijn ambtsvoorganger meldde daarbij als oorzaak dat het onafhankelijk laten bekijken van dit onderzoek door de Auditdienst Rijk daarmee een langere doorlooptijd kent.
Kunt u aangeven welke specifieke belemmeringen zijn opgetreden die het onmogelijk maakten om de oorspronkelijke planning (oplevering juni 2025, beoordeling ADR zomer 2025) na te komen?
Zoals onder antwoord 1 genoemd, is reeds bij de beantwoording van uw vragen van 7 april 2025 aangegeven dat juni 2025 niet haalbaar is. Eerder was juni 2025 toegezegd, omdat op dit moment nog geen sprake was van externe partij die het onderzoek zou bekijken. Met motie Ergin werd verzocht een onafhankelijke partij te betrekken, hetgeen tot een extra stap in dit onderzoek leidde.
Kunt u tevens per processtap, die u eerder beschreef (totstandkoming onderzoekspopulatie, steekproef, geautomatiseerde analyse, handmatige analyse en rapportage) inzichtelijk maken welke stappen inmiddels zijn afgerond, welke nog lopen en welke nog moeten worden gestart?
Alle door u genoemde stappen zijn afgerond. Op dit moment bekijkt de ADR het door de Belastingdienst uitgevoerde onderzoek. De Belastingdienst levert daarvoor extra informatie om daarmee de doorlopen stappen te onderbouwen. Op het moment dat de ADR deze extra informatie heeft beoordeeld, hoor- en wederhoor heeft toegepast en haar rapportage heeft uitgebracht, kan het onderzoek van de Belastingdienst worden afgerond en zal ik dit aan de Kamer aanbieden.
Wanneer zijn deze belemmeringen voor het eerst bekend geworden binnen de Belastingdienst en wanneer is de Kamer daarover geïnformeerd?
Zoals onder antwoord 1 en 2 genoemd, bent u reeds geïnformeerd bij beantwoording van uw Kamervragen op 7 april 2025 dat het onderzoek niet in juni 2025 beschikbaar is, maar na de zomer 2025. Nadien is de Kamer met de brief van 10 juli 20251 geïnformeerd dat mijn ambtsvoorganger verwachtte dat het onderzoek naar RAM-spreadsheets in oktober aan de Kamer wordt aangeboden. Met de Stand van zakenbrief Belastingdienst van 13 november 20252 meldde ik dat ik de Kamer over moties en toezeggingen aangaande RAM voor het einde van het jaar informeer. In de bijlage bij die brief nam ik op dat de Belastingdienst in samenspraak met de ADR heeft vastgesteld dat er meer tijd nodig is en dat ik verwacht de Kamer uiterlijk na het kerstreces van 2025 te kunnen informeren over het onderzoek naar de RAM-spreadsheets.
Kunt u aangeven of de ADR zelf heeft verzocht om uitstel, dan wel dat de ADR heeft meegedeeld dat de ADR het onderzoek nog niet kan beoordelen door vertraging bij de Belastingdienst? Zo ja, kunt u deze correspondentie delen?
Naar aanleiding van motie Ergin is contact opgenomen met de ADR of zij bereid zijn het onderzoek naar RAM-spreadsheets te bekijken. Vanzelfsprekend heeft de ADR daar een tijdsinschatting bij gegeven, wat leidde tot het uitstel tot na de zomer van 2025. De huidige vertraging is gelegen in de onderbouwing van de gezette stappen door de Belastingdienst. Pas als die documentatie volledig is opgeleverd, kan de ADR haar onderzoek afronden.
Ik beschouw uw verzoek om correspondentie te delen over dit uitstel en het contact tussen de Belastingdienst en de ADR hierover, als een vraag om inlichtingen overeenkomstig artikel 68 uit de Grondwet. Hieraan zal ik voldoen en de betreffende correspondentie verzamelen. Ik verwacht die met de brief die ik na het kerstreces 2025 verstuur, met u te kunnen delen.
Hoe wordt in het onderzoek vastgesteld of sprake is geweest van schendingen van grondrechten en kunt u de volledige onderzoeksopzet (toetsingskaders, methodiek en onderliggende beoordelingscriteria) met de Kamer delen?
Deze informatie is onderdeel van de rapportage die de Belastingdienst oplevert. Zoals in mijn onderhavige Kamerbrief is opgenomen, verwacht ik die rapportage na het kerstreces 2025 met de Kamer te kunnen delen.
Kunt u bevestigen dat het onderzoek naar de 14 spreadsheets met selectie op nationaliteit volgens uw eerdere antwoorden zou worden uitgevoerd conform de methodiek van Selectie aan de Poort? Welke onderdelen van deze methodiek kunnen nu – door het uitstel – niet tijdig of niet volledig worden uitgevoerd?
Het onderzoek vindt inderdaad plaats op basis van de methodiek die werd gebruikt om de Wet compensatie wegens selectie aan de poort uit te voeren. Het uitstel van het onderzoek heeft niet geleid tot een andere werkwijze en worden dus volledig uitgevoerd.
Kunt u bevestigen dat de 35 spreadsheets met selectie op postcode inmiddels eveneens onderdeel uitmaken van de juridische toetsing? Wat is de stand van deze juridische analyse en hoe verhoudt die zich tot het aangekondigde uitstel?
Er vindt onderzoek plaats naar de spreadsheets op basis van postcode en nationaliteit. Het aantal RAM-spreadsheets dat is onderzocht is inmiddels naar boven bijgesteld. Die aanpassing licht ik toe bij aanbieding van het onderzoek aan de Kamer. De juridische toetsing is afgerond en heeft geen invloed op het uitstel gehad.
In uw recente brief schrijft u dat er 49 spreadsheets zijn aangetroffen met selecties op nationaliteit en postcode. Kunt u toelichten op welke wijze deze 49 spreadsheets zijn betrokken bij het lopende onderzoek en of de bestaande onderzoeksopzet is aangepast aan deze grotere omvang?
Alle RAM-spreadsheets waarvan is toegezegd dat die onderzocht worden en die in motie Ergin zijn opgenomen, zijn in het onderzoek betrokken. Daarnaast zijn extra RAM-spreadsheets in het onderzoek betrokken. Ik zal dat toelichten op het moment dat ik het onderzoek aanbied aan de Kamer.
Bent u bereid de volledige onderzoeksopzet, inclusief de beoordelingskaders, steekproefmethode en geautomatiseerde analysecodes, integraal met de Kamer te delen, conform mijn eerdere verzoek?
In de rapportage die de Belastingdienst heeft opgesteld wordt de onderzoeksmethodiek en steekproefmethode uitvoerig toegelicht. Daarnaast bekijkt de ADR deze punten in haar onderzoek. U ontvangt deze rapportages na het kerstreces. Indien u na het lezen van deze rapportages vragen houdt over deze punten, ben ik uiteraard bereid tot een nadere toelichting. Als integrale openbaarmaking van documenten daarvoor nodig is, ben ik daartoe bereid.
Kunt u deze vragen separaat van elkaar en voor de procedurevergadering van de vaste commissie voor Financiën op 4 december 2025 beantwoorden?
Aan dit verzoek heb ik voldaan.
Verenso |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit rapport1 van Verenso met een aantal specifieke medische aandachtspunten bij het vaccineren met Comirnaty van Pfizer/BioNTech bij bewoners in de langdurige zorg waarbij een specialist ouderengeneeskunde of arts voor verstandelijk gehandicapten de regiebehandelaar is?
Ja.
Bent u bekend met het volgende advies in dit document: «Overweeg, in overleg met de familie, zeer kwetsbare patiënten met een sterk beperkte levensverwachting niet te (booster)vaccineren in verband met bijwerkingen als koorts en misselijkheid/braken en daarmee de kans op overlijden.»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Lareb dit advies heeft overgenomen?2
Ja.
Waarom is deze waarschuwing (bijvoorbeeld in de uitnodigingsbrief voor de coronavaccinatie) niet met het publiek gedeeld?
Via verschillende (online) kanalen kunnen mensen informatie vinden over de COVID-19-vaccins en de mogelijke bijwerkingen die kunnen optreden. Bij de uitnodigingsbrief is bijvoorbeeld een flyer gevoegd met aanvullende informatie over het mRNA-vaccin en de belangrijkste bijwerkingen, met een QR-code die verwijst naar de website van het RIVM.3
Deelt u de mening dat het belangrijk is, omdat het een mRNA vaccin betreft, dat er ook naar alternatieven wordt gekeken? Bent u op de hoogte van de beschikbaarheid van het Hipra vaccin (Bimervax) dat geen mRNA vaccin is maar een eiwit vaccin dat voor veel mensen acceptabeler is dan een mRNA vaccin?
Ik onderschrijf het belang van een alternatief vaccin voor mensen die om medische redenen geen mRNA-vaccin kunnen of willen krijgen. Daarom is het Hipra-vaccin beschikbaar gesteld.
Is de beschikbaarheid van dit vaccin aan het publiek kenbaar gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Ja, op de website van het RIVM wordt gecommuniceerd over de beschikbaarheid van een eiwitvaccin voor mensen die om medische redenen geen mRNA-vaccin willen of kunnen krijgen.
Staat de beschikbaarheid van het eiwit-vaccin bijvoorbeeld in de uitnodigingsbrief voor de coronavaccinatie? Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat het eiwitvaccin alleen bedoeld is voor mensen die om medische redenen geen mRNA-vaccin willen of kunnen ontvangen. Dit betreft een heel kleine groep mensen.
Is er bijvoorbeeld een tv-spotje of een andere media-uiting van de rijksoverheid geweest waarin expliciet werd vermeld dat er ook een eiwit vaccin beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 7.
Kunnen de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen drie weken worden beantwoord?
Ja.
Het afschaffen van de begeleidersregeling bij Nationaal Park Hoge Veluwe |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Extra kosten voor gehandicapten in NP De Hoge Veluwe?»1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat er een klacht is ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens aangaande deze maatregel?
Ja.
Hoeveel nationale parken in Nederland hanteren een begeleidersregeling? Bestaat er eenduidig, landelijk beleid voor een begeleidersregeling voor nationale parken en andere recreatieplekken? Zo nee, waarom niet?
Voor zover bekend hanteert alleen De Hoge Veluwe (een particulier park) de begeleidersregeling. Er is geen landelijk beleid voor begeleidersregelingen voor andere recreatievoorzieningen, dit valt onder regionaal beleid voor provincies en gemeenten.
Hoe rijmt het voornemen tot het afschaffen van de begeleidersregeling met artikel 5b, lid 1, en artikel 5c, lid 1 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte?
Deze wet vereist dat personen met een beperking gelijke toegang hebben tot diensten/goederen en dat, indien nodig en voor zover aanpassing binnen de wet redelijk is, maatregelen worden genomen om personen met een handicap of chronische ziekte gelijke toegang te geven. Echter, deze maatregelen moeten wel redelijkerwijs mogelijk zijn en geen onevenredige belasting vormen. Dit uitgangpunt geldt ook voor toegang tot nationale parken. De Hoge Veluwe is een particulier park met eigen verantwoordelijkheid over haar toegangsbeleid.
Hoe reflecteert u op de toegankelijkheid van recreatie- en natuurparken binnen Nederland voor mensen met een beperking, waarbij er rekening wordt gehouden met de variatie in beperkingen en de verschillende behoeften per soorten beperking?
Nationale parken moeten voldoen aan de voorwaarden van de Wet gelijke behandeling en de Omgevingswet (Art.3.68 BKL). In de Omgevingswet is vastgelegd dat de gebieden zijn opengesteld voor bezoekers voor educatieve, culturele en recreatieve doeleinden, waarbij aan de openstelling voorwaarden en beperkingen kunnen worden verbonden met het oog op het behoud van de wezenlijke kenmerken van het gebied. De parken zijn zich bewust van het belang van een goede toegankelijkheid voor alle bezoekers en daarom wordt daar binnen de parken aandacht aan besteed. De recreatieparken in Nederland zijn particulier bezit, de rijksoverheid heeft daar geen zeggenschap over.
Welke rol ziet u voor uzelf en uw ambtscollega’s met betrekking tot het concreet verbeteren van de toegankelijkheid van recreatie voor mensen met een beperking?
Met de uitwerking van de werkagenda VN Verdrag Handicap zet de rijksoverheid stappen om natuur- en recreatieparken voor gehandicapten toegankelijk te maken. Door het Ministerie van Economische Zaken wordt in samenspraak met de recreatiesector een voorstel gemaakt voor mogelijke maatregelen op toegankelijke recreatie. Na vaststelling van deze maatregelen is het aan de recreatiesector om deze maatregelen uit te voeren. Hierin speelt de rijksoverheid een stimulerende, faciliterende en verbindende rol. Daar waar nodig worden organisaties in de sector hierop aangesproken.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met nationale parken, waaronder NP De Hoge Veluwe, over begeleidersregelingen, en mensen met een beperking en hun belangenorganisaties en hierin met hen op zoek te gaan naar een passende oplossing?
Het Ministerie van LVVN heeft veelvuldig contact met alle nationale parken. De parken zijn zich bewust van het belang van toegankelijkheid van hun park en besteden daar aandacht aan. In de gesprekken met de nationale parken zal het ministerie het belang van de gelijke toegang voor iedereen blijven benadrukken.
Hoe zal de European Disability Card (EDC), die in de toekomst ingevoerd zal worden in Nederland, zich verhouden tot de gehandicaptenparkeerkaart (GPK)?
De European Disability Card (EDC) dient als communicatiemiddel voor mensen met een beperking. De EDC kan worden gebruikt om toegang te krijgen tot specifieke toegankelijkheidsfaciliteiten die al beschikbaar zijn voor mensen met een beperking bij publieke of private dienstverleners, zowel nationaal als in andere Europese lidstaten.
De EDC zal bestaan naast de gehandicaptenparkeerkaart (GPK) die al tientallen jaren bestaat. Beide kaarten hebben hun eigen criteria voor toekenning en daarmee verschillende doelgroepen. De doelgroep van de EDC zal aanzienlijk ruimer zijn dan die van de GPK omdat de laatste alleen wordt verleend aan personen die door een aandoening redelijkerwijs een afstand van 100 meter niet te voet kunnen afleggen. De GPK speelt vooral een rol bij het parkeren op de openbare weg op de speciaal hiervoor gereserveerde plaatsen, meestal in combinatie met het specifieke verkeersbord dat in de regelgeving is vastgelegd. De kaart wordt door de gemeente verleend na onderzoek door een keuringsarts.
Het ontbreken van verdoving bij late zwangerschapsafbreking |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevinding van de beoordelingscommissie dat artsen bij late zwangerschapsafbreking (vanaf 24 weken) niet standaard verdoving toedienen aan het ongeboren kind?1
Ja.
Vindt u het ook afschuwelijk dat in Nederland blijkbaar ongeboren kinderen vanaf 24 weken zwangerschap onverdoofd worden gedood? Kunt u de exacte cijfers delen hoe vaak in de afgelopen jaren onverdoofde late zwangerschapsafbreking heeft plaatsgevonden?
Naar aanleiding van de twee in 2024 ontvangen meldingen van een late zwangerschapsafbreking heeft de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar (hierna: de commissie) geconstateerd dat artsen de foetus bij late zwangerschapsafbreking niet standaard verdoving toedienen. De commissie geeft daarbij aan dat zij het toedienen van systemische verdoving aan de foetus bij late zwangerschapsafbreking zeer wenselijk acht. Dit is een aanbeveling aan het veld.
Ik kan mij goed voorstellen dat deze bevinding van de commissie vragen oproept.
Voor de wijze waarop een late zwangerschapsafbreking categorie 12 of categorie 23 uitgevoerd dient te worden en in hoeverre daarbij pijnstilling aan de foetus toegediend moet worden, zijn normen van de beroepsgroep leidend. Deze beroepsnormen zijn voor late zwangerschapsafbreking neergelegd in het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG).4 In dit protocol wordt «ter overweging» meegegeven om de foetus te sederen en pijnstilling toe te dienen voordat tot foetale levensbeëindiging wordt overgegaan.
De NVOG heeft aangegeven dat het veld in beweging is en dat de NVOG om die reden in januari 2024 is gestart met de revisie van het huidige modelprotocol. Dit heeft geleid tot de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking. Hierin staat dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling dient te krijgen. Deze kwaliteitsnorm bevindt zich op dit moment in de conceptfase.
Late zwangerschapsafbrekingen categorie 1 vinden in principe zonder voorafgaande levensbeëindiging van de foetus plaats, tenzij ouders dit wensen. Het gaat hier om bevallingen die worden opgewekt. Sinds 1 februari 2024 worden late zwangerschapsafbrekingen categorie 1 beoordeeld door de beroepsgroep van de NVOG, zoals ook het geval was vóór 1 februari 2016: de Commissie LZA1. Bij de casus die sindsdien bij de NVOG Commissie LZA1 gemeld zijn (in totaal nu 4) heeft er geen foetale levensbeëindiging plaatsgevonden zonder pijnstilling. De NVOG Commissie LZA1 heeft laten weten er voorstander van te zijn dat de foetus vooraf sedatie en pijnstilling krijgt, zoals opgenomen in de beoogde nieuwe kwaliteitsnorm die in ontwikkeling is.
De commissie heeft sinds 2016 tot op heden in totaal 57 meldingen ontvangen van een late zwangerschapsafbreking (zowel categorie 1 als categorie 2). Bij 34 van die 57 meldingen heeft foetale levensbeëindiging plaatsgevonden. In 26 gevallen was er sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen niet.
Wat vindt u van de aanbeveling van de beoordelingscommissie dat het zeer wenselijk is om systemische verdoving toe te passen? Waarom rept u in uw bijgaande Kamerbrief met geen woord over deze aanbeveling van de commissie?2
Navraag bij de commissie leert dat de commissie bij de beoordeling van het uitvoeren van foetale levensbeëindiging het bestaande Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking van de NVOG uit 2017 als uitgangspunt hanteert. De commissie is bekend met de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking, waarin staat dat voorafgaand aan de levensbeëindiging de foetus gesedeerd dient te worden en pijnstilling toegediend moet krijgen. In afwachting van de definitieve herziening van het protocol van de NVOG zal de commissie volstaan met het doen van een aanbeveling met betrekking tot pijnstilling aan de foetus. Ik kan mij hierin vinden.
De Kamerbrief waarmee ik het jaarverslag van de commissie aan uw Kamer heb aangeboden strekt in de regel puur ter aanbieding van het jaarverslag en beoogt niet om bevindingen van de commissie daarin te herhalen of te benadrukken.
Waarom bestaat er geen medische richtlijn ten aanzien van het toedienen van verdoving of pijnbestrijding bij een late zwangerschapsafbreking?
Zie antwoord vraag 2.
Bestaat een dergelijke richtlijn voor het toedienen van verdoving bij late zwangerschapsafbreking in andere landen wel?
Navraag bij de NVOG leert dat er geen internationale richtlijnen voor het toedienen van verdoving aan de foetus zijn. Wel hebben zowel Nederlandse klinieken als klinieken in het buitenland hier lokale protocollen voor.
Oefent u druk uit op de Nederlandse beroepsgroep om zo’n richtlijn zo spoedig mogelijk op te stellen?
Het is de verantwoordelijkheid van de beroepsgroep om beroepsnormen op te stellen. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 en vraag 3 heb aangegeven, is er een Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) en bevindt de herziening van het protocol zich in de conceptfase.
Wat vindt u van de stelling van de commissie dat het ontbreken van verdoving géén invloed heeft op de beoordeling van de zorgvuldigheid van een melding, aangezien een richtlijn hiervoor ontbreekt? Bent u het eens dat het ontbreken van een richtlijn nooit reden kan zijn om een ongeboren kind pijn te laten lijden?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, hanteert de commissie bij de beoordeling van het uitvoeren van een late zwangerschapsafbreking als uitgangspunt het bestaande Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking van de NVOG uit 2017. In afwachting van de definitieve herziening van het protocol van de NVOG waarin sedatie en pijnstilling aan de foetus worden voorgeschreven, volstaat de commissie op dit moment met het doen van een aanbeveling met betrekking tot pijnstilling aan de foetus.
Een arts moet op grond van artikel 2 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) goede zorg verlenen. Dit betekent onder andere dat de arts de geldende professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden in acht moet nemen. Het is op grond van het huidige protocol aan de arts om te bepalen of pijnstilling en sedatie aan de foetus wordt gegeven. Dit doet overigens niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van een arts om te bepalen wat in een individueel geval goede zorg is.
Wat vindt u ervan dat volgens de commissie in dit geval géén sprake was van een onzorgvuldigheid, in acht genomen dat er brede wetenschappelijke consensus bestaat dat ongeboren kinderen (in ieder geval) vanaf 24 weken zwangerschap pijn ervaren?3
Over de bevindingen van de commissie dat er geen sprake was van een onzorgvuldigheid verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 3 en vraag 7.
Ten aanzien van de stelling dat er brede wetenschappelijke consensus bestaat dat ongeboren kinderen (in ieder geval) vanaf 24 weken zwangerschap pijn ervaren, merk ik op dat het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex is. Het is niet eenduidig te zeggen wanneer en in welke situaties een foetus wel of geen pijn ervaart. Ik verwijs hierbij ook naar de beantwoording van eerdere Kamervragen van mijn ambtsvoorganger.7
In het rapport waar u naar verwijst van de Royal College of Obstetricians and Gynaecologists (RCOG) uit 2022 wordt aangegeven dat men terughoudend moet zijn met het interpreteren van foetaal gedrag als bewijs van pijnbeleving. Er wordt geconcludeerd dat tot op heden de beschikbare gegevens erop wijzen dat de mogelijkheid van pijnwaarneming vóór 28 weken zwangerschap onwaarschijnlijk is en dat er op dit moment geen basis is om analgesie of anesthesie toe te dienen aan een foetus voor een zwangerschapsafbreking in het eerste of tweede trimester om foetale pijnwaarneming te voorkomen. In het rapport wordt beschreven dat in het Verenigd Koninkrijk (net als in Nederland) praktijkvariatie bestaat voor wat betreft het wel of niet geven van pijnstilling bij foetale levensbeëindiging. Zoals in mijn antwoord op vraag 2 is aangegeven, is het veld in beweging en is de NVOG om die reden gestart met de revisie van het bestaande modelprotocol en is in de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking opgenomen dat een foetus voorafgaand aan de levensbeëindiging sedatie en pijnstilling dient te krijgen.
Ik wil daarbij aangeven dat het beoordelen van het wel of niet bestaan van een brede wetenschappelijke consensus op dit punt niet aan de commissie is, maar aan de beroepsgroep. De commissie toetst of de uitvoering van de late zwangerschapsafbreking medisch zorgvuldig is uitgevoerd op basis van geldende beroepsnormen.
Kunt u aangeven welke verplichtingen artsen op grond van het gezondheidsrecht hebben om pijn bij ongeboren kinderen te voorkomen?
Zoals in antwoord op vraag 7 is aangegeven, moet een arts op grond van artikel 2 Wkkgz goede zorg verlenen. Dit betekent onder andere dat de arts de geldende professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden in acht moet nemen. Wat betreft de kwaliteitsstandaard verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u bevestigen dat het ontbreken van een medische richtlijn niets afdoet aan de verantwoordelijkheid van de arts om zelfstandig een verantwoorde behandelwijze te kiezen?
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 is aangegeven is er een Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking uit 2017 en bevindt de herziening van het protocol zich in de conceptfase. Dit doet overigens niets af aan de eigen verantwoordelijkheid van een arts om te bepalen wat in een individueel geval goede zorg is (artikel 2 Wkkgz).
Welke rol speelt hierbij volgens u het voorzorgsbeginsel, waarnaar ook in de uitleg van artikel 24 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (het recht op gezondheid) wordt verwezen?
Ingevolge het Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft het kind vanwege zijn lichamelijke en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming en zorg nodig, zowel vóór als na zijn geboorte. Hierbij moet schade voor de gezondheid van het kind zoveel mogelijk worden voorkomen. Op grond van het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017) wordt er bij een late zwangerschapsafbreking gekozen voor de, naar de stand van de wetenschap, meest veilige en minst belastende methode voor moeder en kind, gegeven de individuele medische achtergrond van de vrouw. Om te voorkomen dat de foetus pijn zou kunnen ervaren bij de uitvoering van een levensbeëindiging, is in de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking opgenomen dat een foetus vooraf sedatie en pijnstilling dient te krijgen.
Bent u bekend met wetenschappers die stellen dat het ongeboren kind al in een veel vroeger stadium pijn ervaart, of dat pijn vóór 24 weken zwangerschap niet kan worden uitgesloten?4
Ja, daar ben ik mee bekend. Zoals ik in antwoord op vraag 8 heb aangegeven, is het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex. Het is dan ook niet eenduidig te zeggen wanneer een foetus wel of geen pijn ervaart.
Kunt u bevestigen dat bij foetale chirurgie het gebruik van verdoving wél gebruikelijk is, in ieder geval bij een zwangerschap vanaf 16 weken, zoals ook blijkt uit een interview met foetaal chirurg Monique Haak?5
Navraag bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en het Nederlandse verwijscentrum voor foetale chirurgie leert dat het gebruik van verdoving bij foetale chirurgie inderdaad gebruikelijk is, maar niet in alle gevallen toegepast wordt.
Is de praktijk van het standaard toepassen van verdoving bij foetale chirurgie verplicht in een richtlijn? Zo ja, heeft deze richtlijn ook betrekking op chirurgische handelingen bij zwangerschappen vóór 24 weken?
Navraag bij de NVK en het Nederlandse verwijscentrum voor foetale chirurgie leert dat het standaard toedienen van pijnstilling aan de foetus niet voorgeschreven is in een richtlijn en ook niet in alle gevallen toegepast wordt. Er is ook geen wetenschappelijke consensus die maakt dat je dat kunt verplichten (zo blijkt ook uit het eerder aangehaalde rapport van de RCOG). Soms zijn er technische omstandigheden waardoor de foetaal chirurg het niet zal of kan geven.
Klopt het dat bij abortus voor 24 weken het toedienen van verdoving niet verplicht is?
Navraag bij het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) leert dat dit klopt. Zoals mijn ambtsvoorganger eerder heeft aangegeven in antwoord op Kamervragen, is het aan de beroepsgroep van abortusartsen om het beleid voor pijnbestrijding vorm te geven. Richtlijnen worden door het NGvA periodiek naar de laatste stand van de wetenschap herzien. Abortuszorg vindt altijd plaats volgens deze richtlijnen en is zorgvuldig en van hoge kwaliteit. Bij abortusbehandelingen wordt altijd gebruik gemaakt van een vorm van pijnbestrijding. Deze pijnbestrijding voor de vrouw bereikt ook de placenta en het embryo of de foetus. Mogelijke foetale pijn wordt tijdens een abortus door de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.10
Als het zo is dat in richtlijnen voor foetale of prenatale chirurgie verdoving wél standaard is, maar bij abortus en late zwangerschapsafbreking niet, wat vindt u daar dan van?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 14 heb aangegeven, is het standaard toedienen van verdoving aan de foetus bij foetale of prenatale chirurgie niet voorgeschreven in een richtlijn.
En zoals ik in antwoord op vraag 15 heb aangegeven, wordt ook bij een reguliere, instrumentele abortus (tot 24 weken) altijd gebruik gemaakt van een vorm van pijnbestrijding waarmee ook het embryo of de foetus bereikt wordt.
De concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking schrijft voor dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking foetale levensbeëindiging wordt verricht, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt. Dat vind ik een goede ontwikkeling.
Hoe beoordeelt u dit verschil in het licht van het non-discriminatiebeginsel?
Artsen moeten handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden. De kwaliteitsstandaard wordt bepaald door richtlijnen die zelf door de beroepsgroep zijn opgesteld en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke consensus binnen de beroepsgroep naar stand van de wetenschap en praktijk. Er zijn verschillende kwaliteitsnormen en richtlijnen voor foetale therapie, een zwangerschapsafbreking tot 24 weken en een late zwangerschapsafbreking. Daarbij geldt uiteraard dat een arts gelijke gevallen gelijk moet behandelen. Het gaat hier echter om verschillende medische verrichtingen in verschillende medische situaties.
Bent u het eens dat het kunnen voelen van pijn bij ongeboren kinderen van morele en ethische betekenis is, ook al kunnen zij hierop niet zelf reflecteren?
Evenals de NVOG ben ik van mening dat het kunnen voelen van pijn bij ongeboren kinderen inderdaad van morele en ethische betekenis is. Echter is, zoals ik in antwoord op vraag 2 en vraag 8 heb aangegeven, het vraagstuk van foetale pijnbeleving wetenschappelijk complex en is het dan ook niet eenduidig te zeggen wanneer een foetus wel of geen pijn ervaart. Desalniettemin vind ik het een goede ontwikkeling dat in de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven dat de foetus, in geval bij een late zwangerschapsafbreking foetale levensbeëindiging plaatsvindt, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt.
Bent u, alles overwegende, bereid om een grondige bezinning te starten op het ervaren van pijn bij ongeboren kinderen en het (uit voorzorg) toepassen van verdoving bij zowel abortus als late zwangerschapsafbreking?
Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb aangegeven zijn medische richtlijnen en protocollen van de beroepsgroep hierin leidend. Wat late zwangerschapsafbreking betreft is er het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking (2017). De herziening van het protocol bevindt zich in de conceptfase. Wat abortus betreft, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 15.
Bent u het eens dat het beëindigen van de zwangerschap na 24 weken in allerlei opzichten dusdanig ingrijpend is, dat het eigenlijk in Nederland niet zou moeten voorkomen?
Een late zwangerschapsafbreking is een zeldzame gebeurtenis en gebeurt alleen als het kind niet levensvatbaar is of een dusdanig ernstige afwijking heeft dat er sprake zal zijn van uitzichtloos lijden na de geboorte. De stap om hiertoe over te gaan wordt in alle zorgvuldigheid met ouders en behandelteam afgewogen en deze beslissing wordt niet licht genomen. Er is sprake van een gewenste zwangerschap en ouders die deze moeilijke beslissing nemen willen het toekomstig leed dat hun kind te wachten staat vermijden. Ik zie geen reden om het beleid ten aanzien van late zwangerschapsafbreking te wijzigen.
Het niet naar tevredenheid beantwoorden van een vraag over de Catshuissessie met moslimjongeren |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel berichten heeft u precies ontvangen toen u stelde dat uw inbox na de Catshuissessie «volstroomde» met reacties? Om welke inbox gaat het?
Tijdens het debat heb ik, in reactie op uw vragen over een Trouw-artikel over de Catshuissessie met moslimjongeren, aangegeven dat ik naast de in het artikel aangehaalde reacties ook andere reacties over het gesprek zelf heb ontvangen. Daarbij gaat het om deelnemers die ik na afloop van het gesprek gesproken heb en om een aantal berichten die ik van een van de deelnemers aan de Catshuissessie heb ontvangen in mijn persoonlijke LinkedIn-inbox.
Kunt u specificeren binnen welke datum en tijdspanne deze vermeende stroom aan berichten binnenkwam?
Hierbij gaat het om berichten die ik, na afloop van de Catshuissessie, op 27 augustus en op 29 augustus heb ontvangen.
Op basis van welke objectieve criteria kwam u tot de conclusie dat uw inbox «volstroomde»? Kunt u de onderbouwing van deze kwalificatie inzichtelijk maken?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 heb ik tijdens het debat verwoord dat ik van diverse aanwezigen andere reacties over het gesprek zelf heb ontvangen, zowel na afloop van het gesprek als later op digitale wijze.
Hoe rijmt u uw publieke bewering van een «stroom aan berichten» met uw weigering om deze correspondentie – zelfs volledig geanonimiseerd – met de Kamer te delen? Kunt u deze tegenstrijdigheid toelichten?
In uw eerdere Kamervragen is niet gevraagd naar een geanonimiseerde opsomming, maar naar «de volledige correspondentie, inclusief de reacties en berichten». In de beantwoording op deze vragen is toegelicht waarom het niet wenselijk is om de correspondentie op de gevraagde manier openbaar te maken. Ik vind het belangrijk dat burgers zich vrij voelen om hun ervaringen rechtstreeks met een bewindspersoon te delen. Dat kan alleen als zij erop kunnen vertrouwen dat hun persoonlijke berichten niet zonder meer openbaar worden gemaakt. Het waarborgen van dat vertrouwen is van groot belang voor een open en veilige uitwisseling tussen burgers en overheid, zeker bij gevoelige onderwerpen als discriminatie en uitsluiting. Daarbij gaat het hier om enkele betrokkenen.
Ondanks deze toelichting, houdt u vast aan uw verzoek. Een goede verhouding tussen parlement en kabinet acht ik van groot belang en vanzelfsprekend hecht ik waarde aan het, waar mogelijk, verstrekken van gevraagde inlichtingen. Daarom heb ik betrokkene geïnformeerd dat de correspondentie geanonimiseerd openbaar wordt gemaakt. Het gaat om twee berichten, verzonden op 27 en 29 augustus jongstleden.
In het eerste bericht wordt geschreven: «Hoi Jurgen, ik wil je graag even bedanken voor het gesprek van vandaag. Ik voelde dat je daar oprecht zat om te luisteren en helpen. Dat waardeer ik enorm. Ondanks (of door) de emoties en zwaarte, denk ik dat we de eerste «muren» hebben afgebroken en een hele mooie stap hebben gezet. Bedankt voor je bereidwilligheid, openheid en aanwezigheid ondanks de drukte!».
De reactie hierop is: «Goedemorgen [naam], bedankt voor je bericht. Ik vond het een constructief gesprek. Jammer van de negatieve berichtgeving over het overleg in de media.».
In het tweede bericht wordt geschreven: «Fijn om te horen. Ja dat is inderdaad jammer, maar ik kijk terug op een waardevol gesprek waarin we samen een mooie stap hebben gezet.».
Bent u bereid te bevestigen dat uw uitspraak over het «volstromen» van uw inbox gebaseerd is op feitelijk verifieerbare correspondentie? Zo ja, waarom weigert u dan de mogelijkheid tot verificatie?
Ja. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 1 en 4.
Kunt u uitsluiten dat uw uitspraak over een «stroom aan berichten» een overdrijving is geweest of een verkeerde indruk heeft gewekt over de werkelijke hoeveelheid reacties? Zo ja, waarop baseert u dat uitgesloten kan worden?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1 en 4.
Waarom heeft u niet gekozen voor een geanonimiseerde opsomming van de ontvangen berichten bijvoorbeeld het aantal reacties, de globale aard van de inhoud, de verhouding tussen positieve en negatieve signalen zodat de Kamer kan toetsen of uw uitspraak feitelijk juist was?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Vindt u het verantwoord om in een parlementair debat een beroep te doen op de hoeveelheid ontvangen reacties, terwijl u vervolgens geen enkele vorm van onderbouwing of verificatie verstrekt aan de Kamer?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Erkent u dat uw weigering om enige onderbouwing te geven bij uw claim van een «stroom aan berichten» de indruk kan wekken dat deze stroom niet (in die omvang) heeft plaatsgevonden? Waarom wel of niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1 en 4.
Waarom duurde het 69 dagen voordat u met een antwoord kwam dat geen aantallen noemt, geen categorisering bevat en geen enkele onderbouwing geeft van uw publieke uitspraak?
Het verzoek om de correspondentie ziet toe op mondelinge gesprekken en ontvangen berichten in mijn persoonlijke LinkedIn-inbox. Het beoordelen van de wijze waarop deze informatie openbaar gemaakt kan worden, kostte meer tijd dan op voorhand voorzienbaar was.
Kunt u toelichten op basis van welke concrete uitzonderingsgrond uit de Wet open overheid (Woo) u heeft besloten om geen enkel onderdeel van de door u genoemde berichten te verstrekken, ook niet in geanonimiseerde of samengevatte vorm, terwijl de Woo nadrukkelijk mogelijkheden biedt voor gedeeltelijke openbaarmaking en anonimisering? Welke Woo-grond past u precies toe, en waarom?
Voor de goede orde merk ik op dat voor de informatievoorziening aan de Kamer niet de Woo, maar artikel 68 van de Grondwet het wettelijk kader vormt. Zoals ik in het antwoord in vraag 4 heb toegelicht is de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen aan de orde. Daarbij vind ik het belangrijk dat burgers zich vrij voelen om hun ervaringen rechtstreeks met een bewindspersoon te delen, zonder dat zij bang hoeven te zijn dat deze berichten openbaar worden gemaakt. Deze uitleg heeft u niet op andere gedachten gebracht. Nu ik een goede verhouding tussen parlement en kabinet van groot belang achten waarde te hecht aan het, waar mogelijk, verstrekken van gevraagde inlichtingen, heb ik betrokkene geïnformeerd dat de correspondentie openbaar wordt gemaakt.
Ik kom aan uw verzoek tegemoet door bij vraag 4 de geanonimiseerde versie van berichten te verstrekken.
Kunt u aan de Kamer geanonimiseerd doen toekomen de volledige correspondentie, inclusief de reacties en berichten die u naar eigen zeggen na de Catshuissessie over moslimdiscriminatie in uw inbox heeft ontvangen, en deze openbaar maken zodat de Kamer inzicht krijgt in de zorgen, pijnlijke ervaringen en kritische signalen die daaruit naar voren zijn gekomen, mede in het licht van de uitlatingen van deelnemers die aangeven met «buikpijn» uit het gesprek te zijn gekomen en die politici die bij dit gesprek aanwezig waren ervoeren als faciliterend aan moslimhaat? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Ziet u in dat uw weigering om de door u zelf aangehaalde correspondentie met de Kamer te delen de situatie creëert waarin Kamerleden zich genoodzaakt kunnen voelen om via de Woo toegang tot informatie te vragen, en acht u dat wenselijk in het licht van de verhouding tussen parlement en kabinet?
Zoals aangegeven is voor de informatievoorziening aan de Kamer niet de Woo, maar artikel 68 van de Grondwet het wettelijk kader. Het recht op inlichtingen van een Kamerlid op grond van artikel 68 van de Grondwet is minimaal even sterk als het recht op openbaarheid onder de Woo. Kamerleden hoeven zich dan ook niet op de Woo te beroepen om toegang tot informatie te krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Op 16 december 2025 heeft u hieromtrent een uitstelbrief ontvangen.