Het gebrek aan opvangplekken |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland stevent af op een «maatschappelijk ontwrichtende» asielcrisis. Alle mogelijke manieren om die af te wenden, lijken uitgeput»?1
Ja.
Klopt het dat er bij ongewijzigd beleid in april al achtduizend opvangplekken te weinig zullen zijn? Wat heeft u de laatste maanden gedaan om ervoor te zorgen dat er geen tekort van achtduizend opvangplekken zal zijn?
In eerdere brieven heb ik uw Kamer geïnformeerd over het maatregelenpakket dat ten uitvoer wordt gelegd om een opvangtekort te voorkomen, meest recentelijk op 24 mei jl.2 Met de verenigde inzet van alle betrokken partijen is het de afgelopen maanden gelukt om het dreigende tekort weten af te wenden. De voortgang wordt doorlopend en nauwlettend gemonitord, maar in algemene zin geldt dat er nog veel werk verzet moet worden om iedereen van een opvangplek te kunnen blijven voorzien.
Ik hecht eraan te benadrukken dat de maatregelen die we nu treffen ten dienste staan aan de uiteindelijke realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap. Concreet voorbeeld betreft de realisatie van een zogeheten doorstroomlocatie in de gemeente Rotterdam. Het betreft een locatie waar vergunninghouders tijdelijk kunnen verblijven in afwachting van meer permanente huisvesting in gemeenten. Daardoor ontstaat er meer ruimte in de asielopvang van het COA. Bovendien wordt door middel van bredere afspraken, onder meer door het bouwen van flexwoningen en het transformeren van vastgoed, ook voor andere woningzoekenden huisvesting gerealiseerd.
Wat wordt er de komende weken en maanden ondernomen om ervoor te zorgen dat er op korte termijn geen asielzoekers op straat zullen belanden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat doet u om ervoor te zorgen dat de contracten met huidige opvanglocaties die dreigen te sluiten, verlengd worden?
Het COA spant zich maximaal in om daar waar mogelijk contracten te verlengen of nieuwe locaties te vinden, waar asielzoekers kunnen worden opgevangen om hun asielproces te doorlopen. Alle inspanningen van het kabinet in samenspraak met de medeoverheden en het COA zijn erop gericht om voldoende opvangplekken te realiseren.
Zijn er op dit moment voldoende nieuwe locaties in zicht om de opvangplekken die verdwijnen als de contracten van opvanglocaties die in februari en maart sluiten op te vangen? Hoeveel opvangplekken zouden deze locaties kunnen leveren?
Het COA is voortdurend op zoek naar nieuwe locaties om een dreigend tekort aan opvangplekken af te wenden. Per saldo moeten er voor het einde van dit jaar nog veel opvangplekken worden gevonden. Ik heb daarom aan de provinciale regietafels gevraagd om de opvang- en huisvestingsbehoefte te coördineren. Daarnaast heb ik ook een oproep gedaan aan de PRT’s om o.m. doorstroomlocaties beschikbaar te stellen. Het COA heeft mij laten weten dat het perspectief op voldoende marge op dit moment nog maar beperkt of slechts tijdelijk aanwezig is. Het kabinet doet al het mogelijke om te voorkomen dat aan het einde van het jaar een mogelijk tekort aan beschikbare opvangplekken manifest wordt. Met de PRT’s, met het COA werkt het kabinet met man en macht om voldoende opvangmogelijkheden te realiseren.
Hoeveel contracten van opvanglocaties lopen in de maanden april, mei, juni, juli en augustus af? Om hoeveel opvangplekken gaat het per maand? Welke opties ziet u nog om op korte termijn deze plekken op te vangen?
Over opties voor nieuwe locaties kan ik niet publiekelijk communiceren, zonder dat daarover afstemming heeft plaatsgehad met betrokken gemeenten. Wel kan ik aangeven dat het COA over het gehele jaar genomen nog nieuwe opvanglocaties nodig heeft. Zie daarvoor het antwoord op vraag 5. Ik verwacht in de komende maanden en in het najaar een tekort van enkele honderden tot enkele duizenden plekken in december, als ik geen maatregelen neem. Over dat tekort aan opvangplekken ben ik doorlopend in gesprek met medeoverheden en het COA.
Hoeveel crisisnoodopvangplekken zullen in de periode van april tot juli sluiten? Om hoeveel opvangplekken gaat het? Wat doet u om alternatieve plekken te vinden?
Op dit moment zijn er ca. 6.500 crisisnoodopvangplekken beschikbaar. Het COA is volop in gesprek met gemeenten over het openhouden van deze plekken. De schatting op dit moment is dat meer dan de helft van de nu beschikbare plekken langer dan tot 1 juli openblijft, in ieder geval voor de komende zomermaanden. Het aantal beschikbare crisisnoodopvangplekken loopt richting het einde van het jaar (zonder aanvullende afspraken) wel verder af naar onder de 2.000 plekken. Zoals gezegd lopen de gesprekken nog en hoop ik dat meer gemeenten hun plekken langer open kunnen houden.
Wat is uw beoogde plan van aanpak als er daadwerkelijk achtduizend asielzoekers op straat belanden?
Daarvoor verwijs ik u naar mijn brieven van 24 mei en 6 juni jl. Daarin kondig ik maatregelen aan om een tekort aan opvangplekken te voorkomen en doe ik een dringend beroep op medeoverheden om eerder opvangplekken te realiseren.
Hoe kan het dat u telkens weer verrast wordt door een tekort aan opvangplekken terwijl bekend is dat de kosten voor asielopvang al 23 jaar te laag worden ingeschat (meldt de Algemene Rekenkamer)?2
De asielinstroom was over het laatste half jaar van 2022 weliswaar hoger dan de periode daarvoor, maar binnen de gehanteerde bandbreedte van de prognose. De instroom van asielzoekers is daarbij niet als enige bepalend voor de druk op de asielketen. In de praktijk zijn er ook andere oorzaken die zorgen voor knelpunten in de opvang, deze hebben te maken met de doorstroom en uitstroom.
Inherent aan een prognose is dat deze aan vele externe factoren onderhevig is en daardoor erg complex blijft. De MPP ondervangt dit door verschillende scenario’s (laag, medio en hoog) op te stellen en een waarschijnlijkheidskans toe te kennen aan ieder scenario. Als er een afwijking optreedt in deze factoren zal ook de realisatie afwijken van de prognose. Bij een prognose is het lastiger rekening te houden met onverwachte omstandigheden, zoals de oorlog in Oekraïne, de evacuaties uit Afghanistan of gedurende de COVID-19 pandemie.
Voor de inschatting van de kosten van de asielopvang en de financieringssystematiek, verwijs ik u naar mijn brief van 28 april jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 3099).
Wat wordt er gedaan met de waarschuwingen van het COA die ze «al jaren» uiten over een tekort aan plekken?3
Samen met het COA ben ik doorlopend in gesprek met medeoverheden om voldoende opvangplekken te realiseren. Er komen veel verschillende uitdagingen op gemeenten af op het terrein van asielopvang en integratie. Desondanks zet het kabinet alles op alles om een tekort aan opvangplekken te voorkomen.
Welke concrete stappen heeft u sinds de opvangcrisis in Ter Apel van afgelopen zomer genomen om te garanderen dat er niet opnieuw mensen buiten moeten slapen?
Ik verwijs op dit punt naar mijn brieven van 24 mei en 6 juni jl. waarin ik de nodige maatregelen uiteen heb gezet en een dringende oproep doe aan medeoverheden. Naast het dagelijks monitoren van de actuele opvangbehoefte afgezet tegen de actuele instroom, heb ik voor de langere termijn gewerkt aan het wetsvoorstel gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvang (ook wel: de Spreidingswet), dat op dit moment voorligt in uw Kamer.
Op welke termijn kan de spreidingswet op zijn vroegst bijdragen aan oplossingen voor het ophanden zijnde acute tekort aan opvangplekken?
Het wetsvoorstel ligt ter behandeling voor in uw Kamer. Daarna moet ook de Eerste Kamer zich over dit wetsvoorstel uitspreken. Het wetsvoorstel bevat een aantal termijnen waarbinnen gemeenten asielopvangplaatsen mogelijk gaan maken. Dat neemt niet weg dat er ook los van deze termijnen, en los van dit wetsvoorstel, op dit moment aan gemeenten wordt gevraagd om zo snel als mogelijk nieuwe opvangplaatsen mogelijk te maken. Hierbij verwijs ik u naar mijn brief aan medeoverheden van 6 juni jl. Daarom ben ik doorlopend in gesprek met medeoverheden en het COA om meer opvangplekken te realiseren. Het gaat daarbij om alle soorten locaties, zowel groot als klein. Bij het runnen van kleinere locaties kan het COA samenwerken met het Rode Kruis.
Kan u toezeggen absolute prioriteit te geven aan het vinden van voldoende opvangplekken in Nederland?
Ja, naast alle maatregelen die ik neem zoals afspraken over het uitplaatsen van uitgeprocedeerde asielzoekers, de Europese aanpak om grip te krijgen op de instroom en de aanpak van overlast.
De ontmoeting tussen de minister-president en de Azerbeidzjaanse president Aliyev |
|
Agnes Mulder (CDA), Caroline van der Plas (BBB), Kees van der Staaij (SGP), Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch), Don Ceder (CU) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
Wat was de bedoeling van het gesprek met de Azerbeidzjaanse president Aliyev in Davos in januari?1 Met welke andere regeringsleiders of staatshoofden heeft u in Davos dergelijke gesprekken gevoerd?
Het bilaterale gesprek met de Azerbeidzjaanse president Aliyev heeft op verzoek van Nederland plaatsgevonden. De bedoeling van het gesprek was het overbrengen van de Nederlandse zorgen over de humanitaire situatie in Nagorno-Karabach als gevolg van de de facto blokkade van de Laçın-corridor en te spreken over het vredesproces tussen Armenië en Azerbeidzjan, evenals over geopolitieke ontwikkelingen en de Russische agressieoorlog in Oekraïne.
Tijdens het World Economic Forum in Davos heeft de Minister-President gesproken met meerdere regeringsleiders en staatshoofden. Zo hebben er bilaterale gesprekken plaatsgevonden met de bondspresident van Zwitserland, de president van Ecuador, de president van Irak, de president van Moldavië, de Minister-President van Tunesië, en de president van de Koerdische Autonome Regio.
Kunt u aangeven waarom dit gesprek met president Aliyev nuttig is geweest?
Het gesprek bood de mogelijkheid op het hoogste niveau de Nederlandse positie over de humanitaire situatie in Nagorno-Karabach als gevolg van de de factoblokkade van de Laçın-corridor over te brengen. Voorts bood de ontmoeting gelegenheid te spreken over het vredesproces tussen Armenië en Azerbeidzjan. De Minister-President heeft in het gesprek steun uitgesproken voor het EU-bemiddelingsproces onder leiding van de voorzitter van de Europese Raad Charles Michel. Tevens werd gesproken over de Russische agressieoorlog in Oekraïne. Azerbeidzjan steunt de territoriale integriteit en soevereiniteit van Oekraïne en levert humanitaire hulp.
Klopt het dat u president Aliyev bedankt heeft voor de gasleveranties aan Europa? Klopt het dat Azerbeidzjan gas uit Rusland importeert?2 Betekent dit dat de levering van gas aan Europa door Azerbeidzjan in elk geval deels gecompenseerd wordt met de import van Russisch gas? Indien dit niet klopt, kunt u uitleggen waarom dat zo is volgens u? Deelt u de mening dat Europa op deze manier indirect toch weer Russisch gas koopt? Zo nee, waarom niet? Kunt u uitsluiten dat de opbrengsten hiervan bij Russische leveranciers terecht komen?
Tijdens voornoemd gesprek is door beide zijden tevredenheid uitgesproken over de Azerbeidzjaanse gasleveranties aan de EU en de intentie om deze verder te verhogen conform het medio vorig jaar tussen de EU en Azerbeidzjan afgesloten Memorandum of Understanding inzake een strategisch energiepartnerschap. Voor zover bekend bedroegen de Azerbeidzjaanse gasleveranties aan de EU afgelopen jaar 11,4 miljard kubieke meter (en daarbovenop 8,4 miljard kubieke meter aan Turkije). Volgens mediaberichten importeert Azerbeidzjan via een tijdelijk contract gedurende een half jaar (november »22 – maart »23) maximaal 1 miljard kubieke meter Russisch gas voor binnenlands gebruik. Dit betekent dat Azerbeidzjan gasleveranties aan de EU en Turkije in de genoemde periode voor een beperkt deel opvangt met gasleveranties vanuit Rusland.
De EU bouwt in het kader van de REPowerEU-strategie de afhankelijkheid van Russisch gas zo snel mogelijk af. Dit is ook één van de doelen van voornoemd Memorandum of Understanding tussen de EU en Azerbeidzjan. De Europese Commissie heeft dan ook aangekondigd de kwestie van Russische gasimporten door Azerbeidzjan in de context van de implementatie van het MoU met de Azerbeidzjaanse autoriteiten te gaan bespreken.3
Hoe heeft u gereageerd op de bewering van president Aliyev dat de blokkade van de Lachin-corridor een gerechtvaardigde reactie van de Azerbeidzjaanse bevolking en maatschappelijke organisaties is op de «illegale exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen van Azerbeidzjan in gebieden waar de Russische vredeshandhavers tijdelijk gestationeerd zijn»? Acht u dit een geloofwaardige bewering en kunt u toelichten waarom wel of niet?
Tijdens het gesprek heeft de Minister-President de Nederlandse zorgen over de humanitaire situatie in Nagorno-Karabach als gevolg van de de factoblokkade van de Laçın-corridor overgebracht. Azerbeidzjan geeft aan dat het zich zorgen maakt over het gebrek aan controle over hetgeen via de Laçın-weg wordt vervoerd. De Minister-President heeft in het gesprek benadrukt dat een burgerbevolking nooit het slachtoffer mag worden van een politieke situatie. Zie voorts het antwoord op vraag 7.
Heeft u de blokkade van de Lachin-corridor veroordeeld en de opening ervan geëist? Deelt u de analyse dat Azerbeidzjan met de blokkade een etnische zuivering van het gebied Nagorno-Karabach probeert te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke Europese actie acht u passend hierop? Hoe draagt u eraan bij dat die passende reactie volgt?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u president Aliyev ook gewezen op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat in december al uitgesproken heeft dat Azerbeidzjan ernstig zieken en mensen zonder middelen van bestaan moet doorlaten? Heeft u de president erop gewezen dat Azerbeidzjan volgens het Hof zelf deze uitspraak niet uitvoert?3
Nederland heeft op woensdag 9 februari jl., samen met enkele andere lidstaten, geïntervenieerd bij het Comité van Ministers (CM) van de Raad van Europa (RvE), waarbij Azerbeidzjan werd opgeroepen om uitvoering te geven aan de voorlopige maatregelen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake de Laçın-corridor. Op 22 februari jl. heeft het Internationaal Gerechtshof voorlopige maatregelen aan Azerbeidzjan opgelegd om vrije doorgang van de Laçın-corridor in beide richtingen te verzekeren. In de uitspraak refereerde het Hof aan de verplichtingen van Azerbeidzjan onder het trilaterale akkoord uit 2020. Nederland zal Azerbeidzjan blijven oproepen om aan zijn juridische verplichtingen te voldoen en vrije doorgang te bewerkstelligen.5 De EU heeft op 23 februari 2023 dezelfde boodschap afgegeven.6 In het gesprek met president Aliyev zijn de voorlopige maatregelen onder artikel 39 die door het EHRM zijn opgelegd als zodanig niet aan de orde gekomen.
Bent u van mening dat Azerbeidzjan de andere uitspraken van het Europees Hof respecteert? Zo nee, welke reactie vanuit Europa acht u passend? Hoe draagt u eraan bij dat die passende reactie volgt?
Het toezicht op de naleving van uitspraken van het EHRM is belegd bij het CM van de RvE. Dit toezicht is een collectieve verantwoordelijkheid van de verdragspartijen bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Nederland neemt actief deel aan de bijeenkomsten van het CM, waarin dit toezicht wordt uitgeoefend, ook ten aanzien van de zaken betreffende Azerbeidzjan. De besprekingen in het CM over de tenuitvoerlegging door staten van de uitspraken van het EHRM zijn vertrouwelijk. De beslissingen van het CM worden openbaar gemaakt.
Het Department for the Execution of Judgments (DEJ) van de RvE ondersteunt het CM bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de uitspraken van het EHRM. Uit het meest recent gepubliceerde rapport van het DEJ, in 2021, komt naar voren dat Azerbeidzjan op de zesde plaats staat (van de in totaal 47 lidstaten ten tijde van publicatie) voor wat betreft het aantal EHRM-zaken dat onder verscherpt toezicht staat. Op 31 december 2022 stonden 285 zaken van Azerbeidzjan onder toezicht voor tenuitvoerlegging. Afgelopen jaar heeft het CM 35 zaken van Azerbeidzjan gesloten.
Heeft u de bezetting van soeverein grondgebied van Armenië door Azerbeidzjan veroordeeld? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het betrof een kort onderhoud waarin niet alle aspecten van het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan aan de orde konden worden gesteld. Het Nederlandse standpunt met betrekking tot de bezetting van Armeens grondgebied is bekend. De EU heeft Azerbeidzjan opgeroepen om terug te keren naar de grenzen voor 12 september 2022. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld steunt Nederland deze oproep.7 Overigens stelt Azerbeidzjan dat Armenië ook Azerbeidzjaans grondgebied bezet houdt. De situatie wordt bemoeilijkt door het feit dat er op dit moment geen overeenstemming tussen beide landen is over het precieze verloop van de grens. Onderhandelingen over een definitieve, officiële grensafbakening zijn nog gaande. De EU faciliteert hierbij.
Heeft u de kwestie van de repatriëring van Armeense krijgsgevangenen en andere gedetineerden in Azerbeidzjan aan de orde gesteld, waarover de Kamer drie moties heeft aangenomen en waarvan de regering heeft toegezegd deze kwestie voort te zetten?
Dit is tijdens het gesprek niet aan de orde geweest. Nederland brengt dit onderwerp geregeld op in bilaterale gesprekken met de Azerbeidzjaanse autoriteiten. Zo heb ik de situatie van de Armeense krijgsgevangenen opgebracht in een gesprek met de Azerbeidzjaanse Minister van Buitenlandse Zaken en marge van de OVSE Ministeriële op 2 december 2022.
Het bericht ‘IS-vrouwen waren geen brave huismoeders – ze deden in wapens, explosieven en slaven, volgens het OM’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IS-vrouwen waren geen brave huismoeders – ze deden in wapens, explosieven en slaven, volgens het OM»?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Wat is uw reactie op het feit dat uitreizigers die op basis van een rechterlijke uitspraak terug naar Nederland zijn gehaald na een beroep op het recht om aanwezig te zijn bij hun strafzaak, nu massaal fysiek afwezig zijn bij de inhoudelijke behandeling van hun strafzaak?
Ik wil vooropstellen dat het kabinet er belang aan hecht dat verdachten van ernstige misdrijven op de inhoudelijke behandeling van hun strafzaak verschijnen. Dit kan belangrijk zijn voor slachtoffers, doet recht aan het maatschappelijk belang dat het strafproces in aanwezigheid van de verdachte plaatsvindt en geeft de rechter en de officier van justitie een mogelijkheid zich een beeld te vormen van een verdachte. Om deze redenen maakt de verschijningsplicht voor een verdachte bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak onderdeel uit van de Wet uitbreiding slachtofferrechten. Ten aanzien van de inwerkingtreding van de verschijningsplicht verwijs ik naar het antwoord op vraag 5, 6 en 7.
In algemene zin wil ik aangeven dat het tegen mijn rechtvaardigheidsgevoel ingaat indien een verdachte van terroristische misdrijven, die bewust is uitgereisd naar ISIS-gebied en daarna door de Nederlandse Staat naar Nederland is gerepatrieerd omdat hij/zij in persoon aanwezig wil zijn bij de strafzaak, vervolgens niet bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak aanwezig zou zijn. Hoewel deze mogelijke gang van zaken juridisch kan, valt dit in het kader van het maatschappelijke debat over uitreizigers moeilijk uit te leggen, ook richting de slachtoffers en nabestaanden van de gruwelijke misdrijven die door ISIS zijn gepleegd.
Op dit moment kan een verdachte er echter in alle gevallen voor kiezen om niet ter terechtzitting te verschijnen. Nu is het wel zo dat een rechter kan bevelen dat de verdachte in persoon zal verschijnen of dat diens medebrenging wordt gelast.2 Of dat in deze strafzaken tegen uitreizigers aan de orde zal zijn, is dus aan de rechter om te bepalen.
Een aantal Nederlandse uitreizigers is ter berechting naar Nederland overgebracht om straffeloosheid te voorkomen. De rechter had namelijk in een aantal strafzaken bepaald dat zij verwacht dat de van terroristische misdrijven verdachte uitreizigers binnen een bepaalde periode naar Nederland zijn gerepatrieerd, om bij de behandeling van de strafzaak aanwezig te kunnen zijn. Bij het uitblijven hiervan had de rechter kunnen besluiten tot beëindiging van die strafzaken.
In de strafzaken tegen uitreizigers waar de vragenstellers op doelen gaat het overigens nog niet om de inhoudelijke behandeling van de strafzaak maar om een pro forma behandeling. Dergelijke zittingen zijn nodig indien een zaak binnen een bepaalde wettelijke termijn op een terechtzitting moet worden behandeld, maar het nog te vroeg is om deze inhoudelijk te behandelen, bijvoorbeeld omdat er nog onderzoek moet worden verricht, rapportages betreffende de verdachte moeten worden opgesteld of getuigen moeten worden gehoord. Omdat het nu nog een pro forma behandeling betreft, vind ik het te vroeg om hierover conclusies te trekken.
Het staat buiten kijf dat er voor de slachtoffers van misdaden van IS gerechtigheid moet komen en zij ten volle hun rechten in het strafproces moeten kunnen uitoefenen.
Slachtoffers en nabestaanden hebben in het strafproces verschillende rechten, waaronder het recht op informatie, het recht op bijstand en het recht om een schadevergoeding te vragen.3 Daarnaast hebben slachtoffers van bepaalde (ernstige) delicten spreekrecht tijdens de zitting waar de strafzaak inhoudelijk behandeld wordt. Deze slachtofferrechten gelden uiteraard ook voor yezidi-slachtoffers. Een slachtoffer kan deze rechten uitoefenen, ongeacht of een verdachte aanwezig is bij de strafzaak. Wel is het zo dat de aanwezigheid van een verdachte bij de behandeling van een strafzaak voor sommige slachtoffers belangrijk kan zijn. Zoals gezegd is dit één van de redenen waarom de verschijningsplicht voor een verdachte onderdeel uitmaakt van de Wet uitbreiding slachtofferrechten. Slachtoffers die daarvoor kiezen, hebben op die manier namelijk de gelegenheid om bij de uitoefening van hun spreekrecht aan de verdachte te vertellen wat het misdrijf met hen heeft gedaan. Er zijn overigens ook slachtoffers die juist geen prijs stellen op de aanwezigheid van de verdachte omdat een confrontatie bijvoorbeeld belemmerend werkt in hun herstel. Welke rechten het slachtoffer of diens nabestaanden willen uitoefenen tijdens het strafproces, is dan ook geheel aan hen om te bepalen.
Deelt u de mening dat (yezidi)slachtoffers en nabestaanden door deze gang van zaken ernstig tekort worden gedaan in de uitoefening van hun slachtofferrechten?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er concrete maatregelen gestart om te bezien hoe de bijdrage van yezidislachtoffers aan strafprocessen in Nederland kan worden verbeterd, zoals het spreekrecht? Hoe lopen de gesprekken hierover waaraan u refereerde in het commissiedebat Terrorisme/extremisme van 24 november 2022?
Er moet gerechtigheid komen voor de yezidi-slachtoffers. Het is daarom van groot belang dat de slachtoffers hun rechten ook daadwerkelijk kunnen uitoefenen.
De politie en het Openbaar Ministerie (OM) staan in contact met de organisaties die een rol kunnen spelen in de ondersteuning en het bijstaan van yezidi-slachtoffers. Waar nodig of wenselijk wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om op afstand (bijvoorbeeld door middel van een videoverbinding) het spreekrecht uit te oefenen. Ook is er voor yezidi-slachtoffers de mogelijkheid tot ondersteuning door een Nederlandse advocaat of door een slachtoffercoördinator van het OM.
Binnen enkele maanden staat er weer een gesprek gepland met de politie en het OM met de focus op opsporing en vervolging van misdrijven gepleegd tegen yezidi’s. De positie van yezidi-slachtoffers in het strafproces zal daar aan bod komen, samen met de noodzaak en mogelijkheden voor het instellen van een aparte officier van justitie voor genocide, zoals door mij is toegezegd tijdens het dertigledendebat van 9 februari jl. over het bericht dat een vrouwelijke Syriëganger het Nederlanderschap terugkrijgt.
Waarom is de verschijningsplicht voor verdachten van ernstige misdrijven uit de Wet uitbreiding slachtofferrechten, zoals aangenomen door de Eerste Kamer in april 2021, nog steeds niet in werking getreden?
Op 21 juni 2022 is in het Staatsblad gepubliceerd dat de Wet uitbreiding slachtofferrechten in drie tranches in werking zal treden.4 De eerste twee tranches zijn al in werking getreden (op 1 juli 2022 en 1 januari 2023). De derde tranche, die onder meer de verschijningsplicht voor de verdachte bevat, zal op een nader te bepalen datum in werking treden. In de Meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2022–2025 is de verwachting uitgesproken dat de verschijningsplicht per 1 juli 2023 in werking zou kunnen treden.5 In antwoord op Kamervragen tijdens de begrotingsbehandeling 2023 van het Ministerie van Justitie en Veiligheid is aangegeven dat uw Kamer uiterlijk in mei 2023 zou worden geïnformeerd of de datum van 1 juli 2023 haalbaar zou zijn, omdat de invoering forse personele en budgettaire gevolgen heeft en het in kaart brengen van deze uitvoeringsconsequenties meer tijd kostte dan aanvankelijk gedacht. Inmiddels is duidelijk dat de eerder gecommuniceerde datum van inwerkingtreding van de verschijningplicht van 1 juli 2023 niet haalbaar is. In april van dit jaar wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de verschijningsplicht en de nieuwe datum van inwerkingtreding.
Als de verschijningsplicht wel in werking was getreden, klopt het dan dat deze IS-terroristen verplicht waren om fysiek aanwezig te zijn bij de inhoudelijke behandeling van hun strafzaak?
Volgens het nieuwe, nog niet in werking getreden wetsartikel 258a Sv is een verdachte verplicht om in persoon op de terechtzitting te verschijnen, kort en zakelijk weergeven;
Uit het door de vragenstellers aangehaalde artikel komt naar voren dat de verdachten worden verdacht van deelname aan een terroristische organisatie. Deelname aan een terroristische organisatie kan worden bestraft met een gevangenisstraf van maximaal 15 jaar. Dat betekent dat deze verdachten onder het bereik van de toekomstige verschijningsplicht vallen, zolang zij zich in voorlopige hechtenis of detentie bevinden en het een inhoudelijke behandeling van de zaak betreft. De voorzitter van de rechtbank kan onder het komende recht echter ambtshalve, op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte of het slachtoffer beslissen dat de verplichte verschijning van de verdachte achterwege blijft in verband met zwaarwegende belangen van de verdachte, het slachtoffer of een van de andere procesdeelnemers. Verschijning kan ook achterwege blijven indien geen van de procesdeelnemers de verplichte verschijning wenselijk of noodzakelijk vindt.
Heeft u de Kamer geïnformeerd over uitstel van inwerkingtreding van dit onderdeel van deze wet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Citadelhof-in-Den-Bosch-opent-eigen-museum’ in het Brabants Dagblad (BD) van 24 januari jongstleden |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht en wat vindt u van dit bericht?1
Ja. Ik vind het in algemene zin vervelend als de communicatie over de toekomst van woningen van bewoners niet naar tevredenheid verloopt.
Hoe hoog staat bij u de cultuurhistorische waarde van woningen op de agenda?
De cultuurhistorische waarde van woningen is een factor om rekening mee te houden, naast andere factoren als beschikbaarheid, betaalbaarheid en duurzaamheid. Het Rijk heeft ruim 400 gebieden in Nederland met een bijzonder cultuurhistorisch karakter gekenmerkt als «beschermd stads- of dorpsgezicht». Hiermee is voldoende geborgd dat hier lokaal zorgvuldig mee omgegaan wordt. Als woningen oud zijn, betekent dit niet dat er sprake is van cultuurhistorische waarde. Deze afweging maakt de gemeente.
Maakt u zich ook zorgen over het verdwijnen van woningen met cultuurhistorische waarde, aangezien naar het nu blijkt gemeenten weinig tot geen respect voor deze cultuurhistorische waarde tonen, zoals ook de gemeente Rotterdam met de sloop van duizenden historische panden? Zo ja, hoe gaat u deze bijzondere panden beter beschermen? Zo nee, waarom niet?2
Ik deel uw mening niet dat gemeenten weinig tot geen respect hebben voor de cultuurhistorische waarde van panden. Mijn beeld is dat gemeenten een zorgvuldige afweging maken en dat er alleen gesloopt wordt als dit echt nodig is vanwege de technische staat van woningen en/of als er substantieel meer betaalbare (huur)woningen teruggebouwd kunnen worden. Het is aan de lokale partijen om hier een afgewogen keuze in te maken.
In het concrete geval van het Citadelhof heeft de gemeente Den Bosch mij laten weten dat een eerdere algemene beoordeling van dit complex (als onderdeel van een bredere lijst van potentieel waardevolle complexen) niet heeft geleid tot de conclusie dat dit complex een beschermde status verdiende. Het Citadelhof ligt buiten het beschermd stadsgezicht, waar een groot deel van de binnenstad van Den Bosch toe behoort.
Deelt u de mening dat bij de afweging van de sloop van panden met cultuurhistorische waarde deze waarde als indicator in de afweging meegenomen dient te worden?
Ja, ik deel dat deze waarde dient te worden meegenomen, naast andere factoren.
Bent u voornemens om de sloop van (cultuurhistorische) woningen bij het Wetsvoorstel versterken regie volkshuisvesting te betrekken, aangezien de sloop van je (t)huis levensgrote impact kan hebben? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Nee, dit onderwerp komt niet terug in het wetsvoorstel. Keuzes over sloop en vervangende nieuwbouw kunnen het beste op lokaal niveau gemaakt worden, daar wil ik met het wetsvoorstel niets aan veranderen.
Kunnen deze woningen zonder de komst van dit museum blijven staan?
De gemeente Den Bosch en de woningcorporatie Brabantwonen hebben mij laten weten dat er geen directe relatie is tussen de komst van het museum en de eventuele sloop van het Citadelhof. De woningen liggen, sinds een raadsbesluit uit december 2020, in een groter gebied (Spoorzone) waar de komende jaren een gebiedsontwikkeling is voorzien met aandacht voor wonen, niet-wonen functies en een parkeergarage. De Spoorzone is aangewezen als NOVEX-gebied. Daarbij komt dat de technische staat van de woningen in het Citadelhof een ingreep in alle gevallen nodig maakt, omdat de woningen verouderd zijn.
De gemeenteraad van Den Bosch heeft eind januari 2023 groen licht gegeven voor een onderzoek naar de mogelijkheden van een verhuizing van het Design Museum naar het Citadelhof. Ook komt er een onderzoek naar de mogelijke bouw van een parkeergarage en 185 woningen op die locatie. Op dit moment is er nog geen beslissing genomen over de benodigde aanpak.
Vindt u de komst van een museum belangrijker dan het recht op behoorlijke huisvesting van deze bewoners?
Zie antwoord vraag 6.
Wat vindt u ervan dat de wethouder Van der Geld toegeeft dat dit beter met de bewoners gecommuniceerd had moeten worden?
Ik vind het goed dat de wethouder hier eerlijk over is. Communicatie naar bewoners over de toekomst van hun woning moet te allen tijde zorgvuldig en bij voorkeur persoonlijk gebeuren.
Deelt u de mening dat het niet alleen een kwestie is van goed communiceren, maar het ontbreken van echte zeggenschap van bewoners die hun (t)huis verliezen, zoals we dat veel vaker zien in bijvoorbeeld de Tweebosbuurt, de Peperstraat in Zaandam, de wijk Jericho in Amersfoort etc.?
Nee, ik deel niet dat er sprake is van het ontbreken van zeggenschap van bewoners. Ik vind het belangrijk dat bewoners zich kunnen uitspreken over, en invloed kunnen uitoefenen op, aspecten van het woonbeleid die hen raken. Wettelijke regels, waaronder de Wet op het overleg huurders verhuurders, borgen de belangen van de zeggenschap voor huurders en bewoners. De Wet op het overleg huurders verhuurder biedt mijns inziens het juiste evenwicht tussen inspraak – in de zin van gekwalificeerd adviesrecht – en beslissingsrecht. Eventuele geschillen over de wijze waarop de verhuurder invulling geeft aan het informatie-, overleg- en adviesrecht van de bewonerscommissies (en huurdersorganisaties) kunnen aan de Huurcommissie en de rechter worden voorgelegd.
De lokale prestatieafspraken die worden gemaakt tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties zijn ook een uiting van het belang dat wordt gehecht aan goede betrokkenheid van huurders bij het volkshuisvestingsbeleid dat hen ook aangaat. Ook is in de Nationale Prestatieafspraken Woningcorporaties de afspraak opgenomen tussen Woonbond, Aedes en de Minister voor VRO dat een sociaal statuut zal worden vastgesteld. Hierin zullen randvoorwaarden en inspraak van bewoners worden geregeld voor sloop en vervangende nieuwbouw. Tot slot geldt dat huurdersorganisaties, evenals elke inwoner of organisatie in een gemeente, de mogelijkheid hebben om in te spreken bij de behandeling van vaststelling van gemeentelijke woonbeleid.
Deelt u de mening dat deze verhuurder geen gebruik zou mogen maken van dringend eigen gebruik om deze bewoners te dwingen om te verhuizen, zodat zij plaatsmaken voor een museum, aangezien het dringend eigen gebruik daar niet voor bedoeld is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, komt u dan met aanscherping van wet- regelgeving rondom het dringend eigen gebruik? Kunt u dit antwoord nader toelichten?
Nee, deze mening deel ik niet. Als de sloop van het Citadelhof doorgaat op basis voor de voorliggende plannen zal er niet alleen een museum worden teruggebouwd, maar ook een substantiële hoeveelheid nieuwe woningen. Op die manier kunnen er meer woningzoekenden worden voorzien van een kwalitatief goede en duurzame woning. Dat geeft voldoende grond voor eventuele gebruikmaking van dringend eigen gebruik door de corporatie.
Deelt u de mening dat de bouw van een nieuw museum ten koste gaat van een gemeenschap die al tientallen jaren in goede harmonie samenleeft? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Ik erken dat de sloop van een woning een zeer ingrijpende ingreep is. Zoals ik in mijn eerdere antwoorden aangaf, gaat het mogelijk niet alleen om een museum maar ook om de nieuwbouw van ongeveer 185 woningen. Soms weegt het algemene belang van veel woningzoekenden zwaarder dan het belang van een de zittende bewoners. Deze afweging moet op lokaal niveau gemaakt worden.
Deelt u de mening dat het verhuizen van het museum nog geen tien jaar later kapitaalvernietiging is?
Ik heb onvoldoende informatie om hierover een uitspraak te kunnen doen.
Deelt u de mening dat de sloop van deze sociale huurwoningen zonder inspraak van bewoners indruist tegen het recht op behoorlijke huisvesting die de Staat via verschillende verdragen geratificeerd heeft? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 9.
Deelt u de mening dat de Wet overleg huurders verhuurder (Overlegwet) bij de sloop van woningen tekortschiet aangezien het adviesrecht, dat een verhuurder makkelijk gemotiveerd naast zich neer kan leggen, geen echte inspraakinstrument is dat in verhouding staat tot het belangrijke verlies van iemands (t)huis?
Ik deel die opvatting niet. De Wet Overleg huurder verhuurder (Wohv) regelt dat de verhuurder de huurdersorganisatie op verzoek zo spoedig mogelijk schriftelijk informeert over zijn beleid en beheer dat rechtstreeks te maken heeft met de berokken woongelegenheden en de woonomgeving daarvan. Dat is informatie die onontbeerlijk is voor de huurdersorganisatie om haar taken uit te voeren. De Wohv bevat dan ook belangrijke waarborgen voor de positie van huurders en huurdersorganisaties.
De toestemmingsprocedure |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Waarom is het doel «wetenschappelijk onderzoek» niet voldoende geconcretiseerd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de toestemmingsprocedure, terwijl de Autoriteit Persoonsgegevens in een memo van 23 december 2020 aan de functionaris gegevensbescherming van het ministerie heeft geadviseerd dit element preciezer te formuleren (zie de derde pagina van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens)?1
Het memo van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) van 23 december 2020 had betrekking op het verstrekken van gezondheidsgegevens (vaccinatiegegevens) door vaccinerende huisartsen aan het RIVM. In het memo heeft de AP toegelicht dat de huisartsen voor deze gegevensverstrekking toestemming nodig hebben om hun medisch beroepsgeheim te doorbreken. Daarnaast reageert de AP – in positieve zin – op de juridische onderbouwing van het verwerken van gezondheidsgegevens door het RIVM in een landelijk vaccinatieregister, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van haar wettelijke taken. Als één van de doelen van gegevensverwerking werd daarbij ook genoemd dat het RIVM persoonsgegevens mogelijk zou gaan gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek, conform de doelen van het landelijk vaccinatieregister. De AP adviseerde om dat doel concreter te verwoorden. Hoe deze gegevens door het RIVM zelf gebruikt worden is vervolgens geconcretiseerd. Zoals beschreven in de privacyverklaring COVID-192 kunnen de gegevens op termijn gebruikt worden voor het uitvoeren van epidemiologisch wetenschappelijk onderzoek, een van de wettelijke taken van het RIVM. Deze gegevens zullen dan gepseudonimiseerd worden, zoals beschreven in de Wet Publieke Gezondheid3. Dit betekent dat de gegevens vervangen worden door een code. Als er voor een specifiek onderzoeksdoel toch niet-gecodeerde gegevens nodig zijn, dan moeten de onderzoekers daarvoor eerst toestemming vragen van de betreffende persoon.
De gevolgen van gemeentelijke aanbestedingen voor kinderen in Maastricht |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de e-mail van Stichting Bibihuis uit Maastricht waaruit blijkt dat kinderen met gecompliceerde en meervoudige problematiek hun vertrouwde plek kwijtraken, omdat het samenwerkingsverband waar deze stichting onder valt, niet is aanbesteed door de gemeente?1
Voor kinderen en hun naasten is het van belang dat de continuïteit van zorg gewaarborgd blijft. Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor een toereikend aanbod van jeugdhulp en continuïteit van hulpverlening. Het is ook de verantwoordelijkheid van gemeenten erop toe te zien dat – indien sprake is van overdracht van jeugdhulp aan andere aanbieders – de aanbieder in overleg treedt over de overname van het betrokken personeel en het zoveel mogelijk voortzetten van bestaande hulpverleningsrelaties tussen jeugdhulpverleners en jeugdigen of ouders. In Zuid-Limburg werken gemeenten daarbij samen in een jeugdhulpregio met Maastricht als centrumgemeente. Ik zie toe op de continuïteit van zorg voor jeugdigen.
Naar ik begrijp van gemeentenkon het samenwerkingsverband waarin Bibihuis deelnam niet voldoen aan de inschrijvingseisen bij de aanbesteding en zijn er voldoende zorgaanbieders gecontracteerd om de continuïteit van zorg te garanderen. Voor kinderen in zorg bij niet gecontracteerde partijen, zoals Bibihuis, geldt dat lopende arrangementen waar mogelijk in 2023 worden afgerond door de bestaande zorgaanbieder. Uiterlijk op 31 december 2023 dient de zorg van niet gecontracteerde aanbieders, zoals Bibihuis, te zijn over gedragen naar een gecontracteerde zorgorganisatie, tenzij er een beroep moet worden gedaan op verlenging om continuïteit van zorg te borgen. Gemeenten houden daarbij een vinger aan de pols en zijn continu in gesprek met zorgaanbieders om continuïteit van zorg te garanderen.
Deelt u de zorgen van de Stichting Bibihuis dat de continuïteit van zorg in Zuid-Limburg in gevaar is en kinderen daarvan de dupe worden? Zo ja, wat bent u bereid hieraan te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de tegenstrijdigheid die zich voordoet in Maastricht betreffende de vrije keuze van cliënten zoals in de Jeugdwet omschreven, namelijk dat ouders, kinderen en voogden aangeven dat zij continuering van zorg in het Bibihuis willen en volgens de gemeente Maastricht alleen gekozen mag worden uit de poule van gecontracteerde zorgaanbieders?
De Jeugdwet schrijft niet voor dat gemeenten ouders ongeclausuleerde keuzevrijheid moeten garanderen. Jeugdigen en hun naasten wordt voor zover mogelijk keuzevrijheid geboden en het beleid dient voldoende afgewogen en onderbouwd te worden. Gemeenten in Zuid-Limburg hebben aangegeven cliënten zoveel mogelijk keuzevrijheid te bieden. De beide gecontracteerde samenwerkingsverbanden bestaan daarom uit een gevarieerde samenstelling van in totaal 35 zorgaanbieders (zowel grote als kleine organisaties) met diverse woonvormen. Zorgaanbieders kunnen verspreid over de regio woonplekken aanbieden voor jeugdigen, zodat jeugdigen in de eigen omgeving opgevangen kunnen worden en hun sociale netwerk kunnen behouden. Mede om de keuzevrijheid van cliënten te borgen organiseren gemeenten in Zuid-Limburg bij de toegang de intake van cliënten in samenspraak met de gecontracteerde partijen.
Zijn u meer signalen bekend van kleinschalige zorgaanbieders in de jeugdzorg die het onderspit delven in aanbestedingen in gemeenten, zoals in Maastricht? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Het is mij bekend dat niet alle jeugdhulpaanbieders (zowel grote als kleine organisaties) bij aanbestedingen gecontracteerd kunnen worden door gemeenten. Gemeenten moeten in de aanbestedingsprocedures in beginsel rekening houden met kleine en grote aanbieders. Zij kunnen hiervan alleen gemotiveerd afwijken. Doen zij dat niet (of onvoldoende) gemotiveerd, dan zijn er in het aanbestedingsrecht diverse laagdrempelige klachtmogelijkheden voor aanbieders. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de gemeenten zelf of bij de Commissie van Aanbestedingsexperts.
Deelt u de mening dat juist kleinschalige zorg in de jeugdzorg het uitgangspunt moet zijn en kwalitatief goede kleinschalige zorgaanbieders niet mogen verdwijnen enkel omdat zij niet worden aanbesteed door gemeente? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel de mening dat we residentiële jeugdhulp moeten transformeren naar een zo thuis mogelijke, regionaal georganiseerde kleinschalige vorm. Kleinschaligheid biedt meer kans op een veilig en positief leefklimaat, maatwerk en onvoorwaardelijk wonen. Hoe gemeenten dat doen in overleg met aanbieders is hun verantwoordelijkheid. Mijn inzet is om met gemeenten en aanbieders hierover afspraken te maken en ik verwijs hiervoor naar de brief aan uw Kamer over gesloten jeugdhulp2. Zoals hierboven benoemd is de verantwoordelijkheid van het Rijk toe te zien op de continuïteit van zorg voor jeugdigen.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat kleinschalige opvanglocaties in de jeugdzorg blijven bestaan en dat hiermee rekening gehouden wordt in aanbestedingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het illegaal in rekening brengen van screeningskosten aan huurders |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de advertentie van Voorberg Makelaars over de Aelbrechtskade 148A in Rotterdam?1
Ja.
In deze advertentie valt te lezen «Er zal een screening uitgevoerd worden, waarvan de kosten (ca. € 75 p.p.) voor de huurder zijn». Hoe verhoudt dat zich tot het verbod op het in rekening brengen van bemiddelingskosten (onder verschillende namen zoals screeningskosten) aan de huurder?2
In de situatie dat de verhuurder deze makelaar/verhuurbemiddelaar heeft ingeschakeld om een geschikte huurder te vinden en de verhuurder hiervoor dus ook dient te betalen, mogen in dat geval geen bemiddelingskosten in rekening worden gebracht bij de huurder. Dit geldt ook als de verhuurder verzuimt om de makelaar/verhuurbemiddelaar te betalen voor zijn diensten. Dit verbod op het rekenen van dubbele bemiddelingskosten is geregeld in artikel 417, vierde lid van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Het screenen van een huurder is een handeling die de makelaar/verhuurbemiddelaar uitvoert om een geschikte huurder te vinden voor de verhuurder en de kosten die hiermee gemoeid zijn, worden aangemerkt als bemiddelingskosten.
Welke mogelijkheden hebben potentiële huurders om dergelijke kosten te vermijden, zonder risico te lopen om de woning niet toebedeeld te krijgen, omdat er andere potentiële huurders zijn die de bemiddelingskosten wel willen betalen?
De huurder hoeft deze kosten niet te betalen, maar ik begrijp dat zij dit doen om te voorkomen dat zij de woning niet toegewezen krijgen. Huurders hebben vervolgens vijf jaar de tijd om de bemiddelingskosten terug te vragen. Dit doen zij allereerst via een aangetekende brief. Op internet zijn verschillende modelbrieven te vinden. Indien de makelaar/verhuurbemiddelaar deze kosten niet terugbetaalt aan de huurder kan de huurder een klacht indienen bij de geschillencommissie, indien de makelaar/verhuurbemiddelaar hierbij is aangesloten. Als de makelaar/verhuurbemiddelaar geen lid is van de geschillencommissie dan kan de huurder naar de kantonrechter stappen. Een huurder kan o.a. bij het juridisch loket aankloppen voor advies omtrent dit proces om deze kosten terug te krijgen.
Deelt u de mening dat in tijden van woningnood woningzoekenden geld uit de zak kloppen niet moet mogen?
Ik ben het met u eens dat makelaars geen dubbele bemiddelingskosten bij huurders in rekening mogen brengen en keur dit gedrag dan ook af.
Bent u bereid actie te ondernemen om deze praktijken te voorkomen?
De stappen die huurders moeten ondernemen zijn tijdrovend en vragen veel doenvermogen van huurders. Ook kan een stap naar de kantonrechter om gelijk te halen, niet lonend zijn. Daarom is het verbod op dubbele bemiddelingskosten onderdeel van de algemene regels van het wetsvoorstel goed verhuurderschap. Hierdoor kunnen gemeenten hierop bestuursrechtelijk handhaven. Ook moeten gemeenten een meldpunt instellen waar huurders en andere belanghebbenden, terecht kunnen. Bij dit meldpunt kunnen huurders dus ook terecht wanneer zij dubbele bemiddelingskosten hebben betaald. De andere wegen die ik in mijn antwoord bij vraag 3 heb beschreven blijven natuurlijk ook bestaan. Mijn streven is dat het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in werking treedt. Hiermee wordt de positie van huurders en woningzoekenden versterkt.
Bent u bereid actie te ondernemen om woningzoekers beter te beschermen? Wat kunt u doen om de positie van woningzoekers tegenover verhuurdermakelaars te versterken?
Zie het antwoord op vraag 5.
De crisis in de asielopvang |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het bericht «Helft van de gemeenten wil opvang asielzoekers niet verlengen, terwijl nieuw tekort aan plekken dreigt»?1
Ik onderschrijf dat nog veel werk verzet moet worden om ervoor te zorgen dat iedereen met een daartoe strekkend recht verzekerd is en blijft van een opvangplek. In eerdere brieven heb ik uw Kamer geïnformeerd over de opvangopgave voor het voorjaar van 2023 en het maatregelenpakket dat ten uitvoer wordt gelegd.2 Als onderdeel van het maatregelenpakket werkt het COA aan de realisatie per 1 juli aanstaande van additionele 19.000 opvangplekken. Daarnaast is aanvullende actie genomen ten aanzien van de opvang van »derdelanders» uit Oekraïne en de inzet van crisisnoodopvang. De voortgang wordt nauwlettend en doorlopend gemonitord en op relevante onderdelen besproken aan de Landelijke Regietafel Migratie en Integratie en met het Veiligheidsberaad.
Waar het maatregelenpakket vooral ziet op de korte termijn wordt ook aanhoudende inzet gepleegd om een stabiel en flexibel opvanglandschap te realiseren. Een belangrijk onderdeel daarvan is het wetsvoorstel voor een Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen. Inzet is en blijft om deze zo snel als mogelijk in werking te laten treden na behandeling in de Staten-Generaal. Vooruitlopend hierop wordt aan de Provinciale Regietafels gewerkt aan het invullen van de opvangopgave, bij voorkeur met structureel inzetbare plekken. In algemene zin is mijn beeld dat de opgave doortastend ter hand wordt genomen, zij het dat er provinciale en regionale verschillen zijn in aanpak en tempo.
In het kader van structurele oplossingen verwijs ik verder naar de bestuurlijke afspraken die in augustus met medeoverheden zijn gemaakt en de continue samenwerking met de medeoverheden om uit de crisis te komen en te blijven. Bovendien verwijs ik ook naar de fundamentele heroriëntatie van het asielstelsel, het ingezette traject om meer grip te krijgen op migratie en de inzet op het versnellen van de uitstroom van vergunninghouders naar gemeenten.
Erkent u dat dit zeer zorgwekkende cijfers zijn en dat veel gemeenten niet van plan zijn om voor duurzame opvang te zorgen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe lang blijft het adhoc-beleid rond de opvang nog doorgaan en hoe voorkomt u een nieuwe opvangcrisis in Ter Apel?
Onder verwijzing naar het voorgaande antwoord heb ik uw Kamer op de hoogte gesteld van de inzet op de realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap. Specifiek ten aanzien van Ter Apel vul ik graag nog aan dat bij de huidige zoektocht naar aanvullende aanmeldcentra wordt bezien in hoeverre het asielproces, al dan niet gedeeltelijk, op andere locaties kan worden doorlopen. Hierbij kunt u in de eerste plaats denken aan processtappen rond identificatie en registratie en medische controles. Daarmee zou de aanmeldfunctie beter over het land verspreid worden, met als gevolg dat de afhankelijkheid van één aanmeldcentrum wordt gereduceerd.
Wanneer komt u eindelijk met een duurzame, structurele oplossing voor dit probleem?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat vanuit de gemeenten weinig enthousiasme bestaat voor financiële prikkels in de spreidingswet? Gaat u dit aspect schrappen uit de wet?
Ik ben bekend met de kritiekpunten ten aanzien van het wetsvoorstel voor een Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen. Het kabinet is evenwel tot een andere weging gekomen omdat het wetsvoorstel de uitkomst is van politieke besprekingen en aan de ondersteuning in verband met de uitvoerbaarheid wordt gewerkt. Met instemming van het kabinet heb ik het wetsvoorstel op 28 maart jl. bij uw Kamer ingediend.3
Wanneer komt de (aangepaste) spreidingswet naar de Kamer?
Zie antwoord vraag 5.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat over Vreemdelingen- en asielbeleid van 21 februari a.s.?
Relevante ontwikkelingen op het terrein van asiel en migratie, waarover ik u informeer in mijn brief inzake de actuele situatie asielketen, volgen elkaar in hoog tempo op. Dit heeft tot latere beantwoording geleid dan gewenst.
De uitspraak dat (ook) de politie bij sociale mediabedrijven de status heeft van ‘trusted flagger’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van Staatssecretaris Van Huffelen tijdens het Vragenuur van 14 februari 20221 waarin de Staatssecretaris stelt dat (ook) de politie bij sociale mediabedrijven de status heeft van «trusted flagger»?
Ja.
Kan de Kamer alle meldingen ontvangen die de politie in haar hoedanigheid van «trusted flagger» heeft verstuurd, sinds 2020, naar sociale mediabedrijven?
Zoals aangegeven in de beantwoording op de Kamervragen van Kamerlid Omtzigt en vragen van Kamerlid Van Houwelingen2 registreert de politie de gevraagde informatie niet op zodanige wijze dat de informatie uit de politiesystemen gehaald kan worden. Zoals aangegeven in het antwoord op de Kamervragen van Kamerlid Omtzigt werkt het kabinet momenteel aan een publiek privaat kader voor het melden van onrechtmatige, strafbare en onwenselijke content (bijvoorbeeld desinformatie). Hieronder valt ook de politie.
Overlastgevende asielzoekers in het Budel |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Ook azc’ers balen van overlast in bus»?1
Ja.
Deelt u de mening dat gaan schelden, dreigen en spugen omdat je aangesproken wordt op het feit dat je zonder kaartje in de bus wil stappen niet in Nederland past en dat het een zeer slecht signaal is als dat wordt getolereerd? Zo ja, wilt u de asielprocedure van het tuig dat buschauffeurs heeft bedreigd en bespuugd, hetgeen heeft gezorgd voor het (tijdelijk) opheffen van de bushalte en het overslaan van twee bushaltes, per direct stoppen en zorgen dat de overlastgevers het land worden uitgezet en een enkele reis richting het land van herkomst krijgen?
Overlastgevend of agressief gedrag is volstrekt onacceptabel. Dergelijk gedrag wordt niet getolereerd. Hoewel het gaat om een in omvang beperkte groep asielzoekers die overlast veroorzaakt in het OV en meer specifiek op deze buslijn, ondermijnt dit gedrag het draagvlak voor de asielopvang. De tijdelijke opheffing van de bushalte en het overslaan van twee bushaltes raakt niet alleen de kleine groep overlastgevende asielzoekers, maar ook de andere bewoners van het AZC die zich naar behoren gedragen.
Ik vind dat daadkrachtig moet worden opgetreden tegen wetsovertredingen door iedereen, dus ook asielzoekers. Asielzoekers die in Nederland een misdrijf plegen, worden daar voor vervolgd. Het uitgangspunt van het openbare orde-beleid is dat vreemdelingen die misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland. Een veroordeling voor een (bijzonder) ernstig misdrijf kan dan ook grond zijn om geen verblijfsvergunning te verlenen.
Het is aan het Openbaar Ministerie en de rechtspraak om te beoordelen of het veroorzaken van overlast zoals schelden, dreigen en spugen in individuele gevallen leidt tot strafrechtelijke vervolging en/of veroordeling. Indien het Openbaar Ministerie besluit over te gaan tot strafrechtelijke vervolging en/of veroordeling, betrekt de IND dit bij een eventuele weigering of intrekking van een verblijfsvergunning.
Bij verblijfsbeëindiging start de DT&V het terugkeerproces.
Welke inzet gaat u leveren om de overlastgevende asielzoekers op te sporen en uit te zetten en gaat u daarbij te rade bij welwillende azc’ers die zeggen ook te balen van de situatie en de groep te kunnen aanwijzen omdat zij er «allemaal last van hebben, ook op het terrein van het azc zelf»? Graag een gedetailleerd antwoord.
Samen met het Ministerie van IenW, vervoerders, politie, OM en COA werk ik aan een integraal plan van aanpak om de overlast die wordt veroorzaakt door asielzoekers in het openbaar vervoer terug te dringen. Hiermee zet ik in op een stevige aanpak van asielzoekers die overlast of agressie in het openbaar vervoer veroorzaken. Daarnaast werk ik samen met deze partijen aan verschillende preventieve maatregelen, zodat overlast zoveel mogelijk voorkomen kan worden. Daarbij merk ik echter wel op dat nooit alle incidenten voorkomen kunnen worden.
Een van de maatregelen die ik reeds heb getroffen is de inzet van straatcoaches in stationsgebieden. Deze straatcoaches kunnen ov-personeel ondersteunen en voorkomen dat een situatie uit de hand loopt. Verder kan aan veelplegers een reis- en verblijfsverbod opgelegd worden. Daarnaast werk ik samen met de verschillende partijen aan het verbeteren van de mogelijkheden voor dossieropbouw en gegevensdeling, zodat overlastgevers sneller en effectiever aangepakt kunnen worden. Tevens werk ik samen met het COA aan het verbeteren van de voorlichting die asielzoekers ontvangen over de werking van het openbaar vervoer in Nederland.
Tenslotte wil ik benoemen dat sinds 6 maart jl. een speciaal toezichtteam in de gemeente Cranendonck wordt ingezet. Het team van vier toezichthouders zal zich tot en met het einde van het jaar laten zien op plekken waar overlast het meeste voorkomt, zoals op de locatie van het COA in Budel, het winkelgebied en in het openbaar vervoer. Eenzelfde team is eind vorig jaar in de gemeente Westerwolde gestart.
Diefstal bij huiseigenaren |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat eigenaren van huizen in de gemeente Haarlem een peperdure administratieve handeling van 600 euro moeten verrichten om eigen kinderen in de eigen woning te laten wonen?1
Ja.
Zijn er elders in het land gelijksoortige gemeentelijke vergunningen? Graag een overzicht.
De opkoopbescherming is inmiddels door ruim 20 gemeenten ingevoerd. Het instrument is in ieder geval ingevoerd door de volgende gemeenten: Alblasserdam, Almere, Amersfoort, Amstelveen, Amsterdam, Arnhem, Breda, Bunnik, Den Bosch, Den Haag, Den Helder, Diemen, Dordrecht, Eindhoven, Gouda, Groningen, Haarlem, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Tilburg, Utrecht, Wageningen, Zeist en Zwijndrecht. Ook zijn er nog verschillende gemeenten die overwegen het instrument in te voeren.
De opkoopbescherming is een verbod op het verhuren van een aangekochte koopwoning in een gebied dat is aangewezen door de gemeente. De opkoopbescherming kan alleen worden ingevoerd voor goedkope en middeldure koopwoningen en wanneer de gemeente dat noodzakelijk en geschikt acht voor het bestrijden van schaarste aan deze koopwoningen of voor het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving.
Er zijn drie uitzonderingen op de opkoopbescherming. In die gevallen moet de gemeente een vergunning verlenen als een eigenaar de woning toch wil verhuren. Het gaat dan om:
Voor de tijdelijke verhuur geldt de voorwaarde dat de eigenaar de woning minimaal één jaar zelf heeft bewoond. Daarnaast kunnen gemeenten zelf extra uitzonderingsgevallen vaststellen die passend zijn bij de problematiek en samenstelling van de buurt. Alle gemeenten die een opkoopbescherming in hebben gevoerd, werken met vergunningen voor de bovengenoemde uitzonderingen.
Deelt u de mening dat het van de zotte is dat huiseigenaren moeten betalen om eigen kinderen in eigen huizen te laten wonen? Zo ja, wat gaat u doen om deze vorm van pure diefstal te schrappen? Graag een gedetailleerd antwoord.
De opkoopbescherming betekent in principe een verbod op verhuur van een nieuw aangekochte koopwoning, tenzij de eigenaar in aanmerking komt voor een vergunning. De verantwoordelijkheid voor het aanvragen van een vergunning ligt bij de eigenaar. Het aanvragen van een vergunning kost een gemeente tijd en capaciteit. Het is bij de aanvraag van vergunningen gebruikelijk dat de kosten die een gemeente maakt worden doorbelast naar de aanvrager. Het verbod om zonder vergunning een woning te verhuren is een vergunningsstelsel als bedoeld in de Dienstenrichtlijn.2 Uit artikel 13, lid, 2 van de Dienstenrichtlijn volgt dat eventuele kosten voor de aanvragers in verband met hun aanvraag redelijk en evenredig moeten zijn met de kosten van de vergunningsprocedures in kwestie en dat deze de kosten van de procedures niet mogen overschrijden. Kortgezegd betekent dit dat de leges voor het in behandeling nemen van vergunningaanvragen die onder de Dienstenrichtlijn vallen niet hoger dan kostendekkend mogen zijn.
Onderstaand een overzicht van de leges voor het aanvragen van een vergunning onder de opkoopbescherming in enkele gemeenten.
Alblasserdam
476 euro
Amsterdam
279,15 euro
Bunnik
586,70 euro
Den Haag
300 euro
Dordrecht
476 euro
Haarlem
626 euro
Rotterdam
304 euro
Utrecht
376,45 euro
Wageningen
500 euro
Zwijndrecht
476,50 euro
Dit zijn de tarieven die de betreffende gemeenten op hun websites hebben staan.
Het is op basis van enkel een tarief lastig om te bepalen of deze hoger dan kostendekkend is. De kosten die een gemeente maakt voor de aanvraag verschilt per gemeente. Wel heb ik de gemeente Haarlem geïnformeerd over het feit dat de leges niet hoger dan kostendekkend mogen zijn. Zij moeten zelf beoordelen of dit het geval is. De gemeente Haarlem is zich hiervan bewust. De leges die zij vragen zijn voor 63% kostendekkend. Dat wil zeggen dat de kosten die worden gemaakt voor het behandelen van dit type vergunningaanvragen voor 63% worden gedekt uit de leges.
Windmolengedram in Utrecht |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de provincie Utrecht voornemens is om dwang en drang toe te passen inzake het plaatsen van windmolens?1
Ja, ik ken het mediabericht.
Deelt u als democraat de gedachte van dwang en drang, waarbij zowel gemeenten als burgers buitenspel worden gezet? Zo neen, heeft u de bereidheid om de verantwoordelijk GroenLinks gedeputeerde te kapittelen teneinde de voorgenomen dwang en drang bij het plaatsen van windmolens in de provincie Utrecht te voorkomen? Graag een gedetailleerd antwoord.
Nee, ik deel de gedachte van dwang en drang niet. In het Klimaatakkoord hebben we het doel afgesproken van de opwek van ten minste 35 TWh aan grootschalig hernieuwbaar op land (zon en wind) in de leefomgeving in 2030. De medeoverheden nemen daarbij het voortouw in het inpassen.
Binnen de Regionale Energie strategieën zijn zoekgebieden aangewezen voor windmolens en zonnepanelen. Voor de borging van zoekgebieden voor zon en wind moet vaak nog een nadere afweging gemaakt worden. Die afweging gaat over de relatie met andere opgaven (o.a. woningbouw) en belangen (o.a. natuur). In dat proces worden de zoekgebieden nog nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Het verschilt per regio hoe dit proces wordt ingericht en welk tijdpad daarbij wordt gevolgd.
Het desbetreffende mediabericht meldt dat het college van gedeputeerde staten in Utrecht heeft besloten om een milieuonderzoek uit te voeren, waarbij locaties verspreid over de hele provincie worden gescreend op de geschiktheid voor windmolens. Na afronding van dit onderzoek zal de provincie in gesprek gaan met de gemeenten over de randvoorwaarde en de locaties voor windenergie. Ik zie in het beschreven proces tot nu toe geen aanleiding te denken dat de provincie geen zorgvuldig proces volgt.
Deelt u de mening dat het wel of niet plaatsen van windmolens in de provincie alsmede het wel of niet toewijzen van locaties nou typisch een onderwerp is dat zich bij uitstek leent voor de komende Provinciale Statenverkiezingen? Zo ja, wilt u daar de verantwoordelijk gedeputeerde op wijzen?
Deze mening deel ik niet met u. De RES 1.0, en de daarbij horende zoekgebieden zijn binnen een zorgvuldig democratisch proces tot stand gekomen. Het is belangrijk om de doelstelling van ten minste 35 TWh hernieuwbare elektriciteit op land – op een verantwoorde wijze – tijdig te behalen om de gemaakte afspraken in het klimaatakkoord te kunnen behalen.
Het stopzetten van Erasmusbeurzen voor uitwisselingen van Hongaarse studenten |
|
Olaf Ephraim (FVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over het stopzetten van de Erasmusbeurzen voor Hongaarse studenten die voor een semester of een jaar op uitwisseling willen?1
Ja.
Op 15 februari jl. heb ik hierover gesproken met uw Kamer tijdens het debat over de basisbeurs.
Hoe is beoordeeld dat de universiteiten in Hongarije niet onafhankelijk van de overheid zijn en wat was daarvoor de graadmeter? Is deze graadmeter toegepast op alle universiteiten van alle landen van de Europese Unie?
De academische vrijheden staan in Hongarije onder druk, onder andere doordat Fidesz-politici zitting hebben in de besturen van verschillende universiteiten die worden beheerd door zogenaamde «Trusts van Openbaar Belang». Het ontbreekt aan onafhankelijk toezicht op deze besturen, waardoor er onder andere serieuze zorgen bestaan over belangenverstrengeling en aanbestedingen. Op 15 december 2022 besloot de Europese Raad (de Raad) maatregelen op te leggen aan Hongarije via de MFK-rechtsstaatsverordening wegens de aanhoudende corruptieproblematiek in het land. Onderdeel van dit besluit is dat de Europese Commissie (de Commissie) geen juridische verplichtingen meer kan aangaan met de trusts van openbaar belang die op grond van de Hongaarse wet IX van 2021 zijn opgericht of door entiteiten in hun bezit2. Uit dit besluit volgt onder meer dat er binnen het programma Erasmus+ geen nieuwe Grant Agreements mogen worden aangegaan met de Hongaarse universiteiten die door een dergelijke trust worden beheerd. Het doel van deze maatregel is niet om studenten te raken, maar om de Uniebegroting te beschermen en de Hongaarse overheid te bewegen tot de noodzakelijke hervormingen, ook in het hoger onderwijs.
Vindt u het terecht dat de Hongaarse studenten de dupe worden van een beleid waar zij geen invloed op hebben?
Het kabinet staat achter het besluit van de Commissie op 15 december 2022 om maatregelen op te leggen aan Hongarije via de MFK-rechtsstaatsverordening. Dat geldt ook voor de maatregelen inzake de Trusts van Openbaar Belang. Het is uiteraard betreurenswaardig indien deze maatregelen leiden tot de belemmering van individuen. Het kabinet is om die reden van oordeel dat de Hongaarse studenten niet door deze maatregelen zouden moeten worden geraakt. Het Erasmusprogramma gaat juist om de internationale ervaring die interculturele vaardigheden aanboort. In de MFK-rechtsstaatverordening zijn manieren vastgelegd om eindbegunstigden (in dit geval studenten) te beschermen tegen maatregelen opgelegd aan de lidstaat. De lidstaat is zelf verantwoordelijk voor het nakomen van financiële verplichtingen aan de eindbegunstigden. Dit zou betekenen dat de Hongaarse regering de betaling van het Erasmusprogramma moet overnemen, totdat de relevante maatregelen onder de MFK-rechtsstaatsverordening worden opgeheven. De Hongaarse regering heeft al aangekondigd dit, indien nodig, tot en met 2024 te zullen doen. Bovendien heeft de Hongaarse regering aangekondigd maatregelen te nemen om aan de zorgen van de Commissie tegemoet te komen. Het kabinet blijft de situatie op de voet volgen. Pas wanneer de maatregel wordt opgeheven, mogen er weer Grant Agreements worden afgesloten met deze organisaties.
Is het in de optiek van de Europese Unie bezien juist niet goed om Hongaarse studenten de kans te geven om tijdelijk wèl aan een «onafhankelijke» universiteit te studeren en zo kritisch te leren kijken en vergelijken naar hun academische systeem?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u ook niet dat Erasmusbeurzen gevrijwaard moeten blijven van politieke standpunten en zeker niet ingezet moeten worden als middel om indirect sancties uit te delen?
Zie antwoord vraag 3.
Denkt u ook niet dat juist Erasmusbeurzen een goed middel zijn om een brug te kunnen slaan tussen de vele diverse culturen die de Europese Unie herbergt waar veel andere middelen hebben gefaald en hoe beziet u in dit licht het vrij verkeer van personen, een van de pijlers van de Europese Unie?
Het Erasmusprogramma is een van de voorbeelden waarmee leermobiliteit bevorderd wordt. Het kabinet vindt leermobiliteit een goed middel om individuele, maatschappelijke en economische meerwaarde te genereren. Het Erasmusprogramma draagt bij aan de mogelijkheid voor studenten om een internationale ervaring op te doen. De individuele meerwaarde van leermobiliteit behelst ook het kennismaken met andere culturen, invalshoeken en werkwijzen en het leren aanpassen aan andere omstandigheden. Het vrij verkeer van personen vormt een juridische basis voor soepele leermobiliteit.
De aanslag op de Nord Stream pijpleidingen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Beschikt het kabinet zélf (bijvoorbeeld via het diplomatiek verkeer of de inlichtingendiensten) over bewijs of over aanwijzingen wie verantwoordelijk zou kunnen zijn voor de aanslag op de Nord Stream pijpleidingen?
Op het moment wacht het kabinet de uitkomst van de onderzoeken van de Duitse, Deense en Zweedse autoriteiten naar de toedracht van de Nord Stream pijpleidingen af. Het kabinet deelt tijdig en zo volledig mogelijk informatie met de Eerste en Tweede Kamer. Over het kennisniveau, de werkwijze of de bronnen van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten doet het kabinet, zoals bij u bekend, in het openbaar geen uitspraken.
Kan deze informatie met de Kamer gedeeld worden, zo nee, waarom niet en op welke termijn en onder welke omstandigheden kan deze informatie dan wél gedeeld worden met de (gehele) Tweede Kamer?
Zie antwoord vraag 1.
De onjuiste beantwoording van Kamervragen over het gebrek aan ventilatie in varkensstallen, met gevaarlijk hoge concentraties CO2 en ammoniak als gevolg |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de waarschuwing van een agrarisch adviseur op het gebied van stalklimaat, tevens lid van het Klimaatplatform Varkenshouderij, dat veel varkenshouders geneigd zijn de ventilatie te laag in te stellen om te besparen op stookkosten met als gevolg dat de concentraties ammoniak en CO2 gevaarlijk hoog kunnen oplopen?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat u dit anderhalve week geleden nog ontkende, in antwoord op onze schriftelijke vragen over precies dit soort signalen, waarbij u schreef »het uitvoeren van extra controles heeft niet zoveel zin, omdat (…) er niet minder wordt geventileerd»?2
Ik heb in mijn beantwoording aangegeven dat in het begin van de energiecrisis op vele bedrijven en in de vakpers (ook bij andere sectoren) aandacht is geweest voor energiebesparing. Er is in de vakpers en op klimaatdagen georganiseerd door het Klimaatplatform voor Varkenshouderij en de Productenorganisatie Varkenshouderij (POV) aangegeven wat de gevolgen zijn voor het stalklimaat als er minder geventileerd wordt. Deze zien zowel op het thermocomfort en impact voor de varkens, als op negatieve gevolgen voor het economisch rendement. Er zijn verder geen concrete signalen of informatie bekend dat er minder wordt geventileerd in varkensstallen om te besparen op stookkosten. Om deze reden heeft het uitvoeren van extra controles, in mijn optiek, weinig toegevoegde waarde. Tevens controleert de NVWA bij reguliere inspecties in varkensstallen het stalklimaat, inclusief de concentratie van ammoniak. Wel is gebleken dat aanscherping van het huidige handhavingsprotocol nodig is om effectief te kunnen handhaven. Dit heb ik ook in de beantwoording aangegeven.
Kunt u bevestigen dat u hierbij niet eens bereid was om in kaart te brengen hoe hoog de ammoniakconcentraties in Nederlandse varkensstallen op dit moment liggen?
Ja, dat klopt. Het Klimaatplatform voor Varkenshouderij en de POV zetten zich al in om de kennis over het belang van een goed stalklimaat en ventilatie onder varkenshouders te verbeteren. Ook werkt LNV samen met de NVWA aan de invulling van de open norm rondom het stalklimaat van varkens. Het in kaart laten brengen van de hoogte van ammoniakconcentraties bij Nederlandse varkensstallen is een kostbaar en tijdrovend proces. De vraag is wat het in kaart brengen van de ammoniakconcentraties precies aan extra informatie ten behoeve van verdere verbetering van het stalklimaat oplevert, gezien de acties die al worden uitgevoerd.
Op basis van welke informatie heeft u deze antwoorden gegeven?
Op basis van beschikbare kennis binnen mijn departement, waarbij voor de beantwoording tevens informatie is opgehaald bij de NVWA, Wageningen University and Research en de secretaris van het Klimaatplatform Varkenshouderij en bij de Producentenorganisatie Varkenshouderij.
Heeft u, voordat u de beantwoording naar de Kamer stuurde, ook navraag gedaan naar de daadwerkelijke situatie in varkensstallen op dit moment? Zo ja, hoe en bij wie?
Ik heb mij een beeld gevormd van de situatie in varkensstallen op basis van de informatie die de partijen die zijn bevraagd mij konden verstrekken.
Deelt u de mening dat u de Kamer verkeerd heeft geïnformeerd? Hoe beoordeelt u dit?
Nee, die mening deel ik niet. In de beantwoording van de vorige Kamervragen heb ik aangegeven dat er aandacht is geweest, en ook nog steeds is, voor het belang van goed ventileren in varkensstallen. Vanuit de signalen die ik heb ontvangen, onder andere uit navraag bij de eerder genoemde partijen, zijn er geen concrete voorvallen bekend van varkenshouders die te minimaal ventileren om te besparen op stookkosten en elektriciteitskosten. Mede omdat dit, naast een negatief effect op het dierenwelzijn, óók een negatief effect heeft op het economische rendement. Dat wil niet zeggen dat met alle zekerheid gesteld kan worden dat het nooit gebeurt. Daarom vind ik het goed dat ook de sector en de vakpers aandacht blijft vragen voor het belang van goede ventilatie.
Erkent u dat miljoenen varkens deze winter mogelijk extra hebben geleden door giftige staldampen als gevolg van gebrekkige ventilatie? Gaat u alsnog actie ondernemen om dit vanaf nu te voorkomen, bijvoorbeeld door extra controles te laten uitvoeren op schadelijke ammoniakconcentraties in varkensstallen?
Houders van varkens dienen zorg te dragen voor een goed stalklimaat, zij zijn daarvoor verantwoordelijk. Ik verwacht van hen dat zij hier voldoende aandacht aan besteden, in het belang van dierenwelzijn en diergezondheid. Dit is uiteraard ook het belang van hun eigen gezondheid en dat van hun medewerkers. Mijn Ministerie werkt samen met de NVWA aan het invullen van de open norm rondom stalklimaat. De WUR onderzoekt, in opdracht van LNV, de mogelijkheden om het huidige handhavingsprotocol aan te scherpen en te verduidelijken. Zodat NVWA-inspecteurs beter kunnen vaststellen of het stalklimaat al dan niet schadelijk is. De uitkomst van dit onderzoek wordt eind Q1 verwacht. Het is de inzet voor de zomer de open norm nader ingevuld te hebben. Mijn inziens wordt hiermee duidelijkheid gecreëerd met betrekking tot de vereisten voor stalklimaat voor varkens. In het belang van de houders, die hun verantwoordelijkheid, waar nodig, beter kunnen nemen en ten behoeve van de handhaafbaarheid. Op deze manier kan het stalklimaat voor varkens structureel verbeteren. Mijn inziens zullen deze genoemde concrete activiteiten meer effect hebben op het verbeteren van het stalklimaat voor varkens, dan het in kaart brengen van de huidige ammoniakconcentraties.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Ik heb mijn best gedaan de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De mogelijke sluiting van het Gelre Ziekenhuis Zutphen |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Zutphen houdt volwaardig ziekenhuis», «Sluiting ziekenhuisafdelingen Zutphen: gemeente laat er een expert naar kijken» alsmede «Deventer ziekenhuis voorziet geen problemen»?1, 2, 3
Ja.
Wat vindt u ervan dat het bestuur van Gelre ziekenhuizen eerst een belofte doet en dan binnen zeven maanden zonder nader overleg aangeeft het ziekenhuis uit te kleden door de afdelingen spoedeisende hulpafdeling en verloskunde te willen sluiten?
Het is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder, in dit geval Gelre Ziekenhuizen, om te beslissen over de inrichting van de zorgorganisatie, mits dit binnen de geldende normen is, én op voorwaarde dat de kwaliteit en continuïteit van zorg geborgd zijn. Om te komen tot toekomstbestendige inrichting staan ziekenhuizen soms voor ingrijpende keuzes en het is begrijpelijk dat die tot allerlei gevoelens bij betrokkenen zoals het zorgpersoneel of bewoners kunnen leiden. Daarom is het van belang dat zij goed en tijdig worden betrokken bij de plannen en de verdere besluitvorming.
Kunt u een chronologisch overzicht geven van het consultatieproces, zoals dat wettelijk is voorgeschreven? Met wie en wanneer is er geconsulteerd? Kunt u daarnaast de bijbehorende informatie meezenden die betrokkenen op dat moment hebben ontvangen?4
In de AMvB en ministeriële regeling acute zorg (Uitvoeringsbesluit Wkkgz, hoofdstuk 8a en Uitvoeringsregeling Wkkgz, hoofdstuk 3a) staan de stappen vermeld die een zorgaanbieder moet doorlopen bij een voorgenomen besluit om de acute verloskundeafdeling, IC, en/of SEH te sluiten of het zorgaanbod daar aan te passen. Voor een chronologisch overzicht van het consultatieproces verwijs ik naar het stroomschema AMvB en regeling acute zorg5. Deze informatie heb ik als bijlage bij deze Kamervragen toegevoegd.
Gelre Ziekenhuizen heeft mij laten weten dat er vanaf september 2020 gesprekken worden gevoerd over de locatieprofielen van beide locaties (Apeldoorn en Zutphen). Medewerkers, de cliëntenraad, de regionale zorgpartners én andere belangrijke stakeholders zijn bij deze gesprekken betrokken. Ook de medisch specialisten zijn intensief in het proces meegenomen. Het medisch stafbestuur en de verpleegkundige adviesraad van Gelre Ziekenhuizen kunnen zich vinden in de richting van het voorgenomen besluit, aldus de raad van bestuur van Gelre Ziekenhuizen.
De raad van bestuur van Gelre Ziekenhuizen heeft verder te kennen gegeven dat de belanghebbende gemeenten in 2021 zijn geconsulteerd in een proces met regionale zorgpartners. Hiertoe zijn meerdere bijeenkomsten georganiseerd.
Het voorgenomen besluit van Gelre Ziekenhuizen borduurt voort op de consultatieronde uit 2021, maar heeft een op zichzelf staand consultatieproces, dat nog in volle gang is. Hetzelfde kan gezegd worden van de schriftelijke informatie die aan betrokkenen wordt verstrekt. Deze informatie heb ik niet tot mijn beschikking.
Deelt u de mening dat de uitspraken van de bestuursvoorzitter van Gelre ziekenhuizen betekenen dat betrokkenen zijn/worden geïnformeerd en daarmee dus niet worden geconsulteerd conform de wet? Zo nee, waarom niet?
Gelre Ziekenhuizen heeft mij laten weten dat zij alle noodzakelijk stappen zullen volgen zoals voorgeschreven in AMvB en de regeling acute zorg. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet hierop toe. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3.
Kunt u aangegeven wat de precieze aantallen in de afgelopen drie jaar zijn geweest met betrekking tot de huisartsenpost, spoedeisende hulpafdeling en het aantal baby’s dat in het ziekenhuis in Zutphen is geboren?
Vanuit Gelre Ziekenhuizen heb ik de volgende cijfers ontvangen:
2020
2021
2022
Consulten
12.254
16.492
14.178
Telefonisch consult
10.818
7.399
12.443
Visites
2.804
2.605
2.644
2020
2021
2022
Aantallen
11.085
11.384
12.467
2020
2021
2022
Geboortes
799
664
686
Gaat u, daar het gemeentebestuur aangeeft dat ze een expert ernaar willen laten kijken, zorgen dat deze expert toegang krijgt tot alle financiële informatie zodat zichtbaar wordt hoe de kosten gealloceerd zijn, aangezien er in een grotere organisatie keuzemogelijkheden zijn met betrekking tot de toewijzing van kosten? Is het niet eerder de locatie Apeldoorn van de Gelre Ziekenhuizen waar de financiële problemen zitten, die afgewenteld worden op de locatie Zutphen? Zo nee, kunt u aantonen dat dit niet het geval is?
Gelre Ziekenhuizen gaat als zorgaanbieder over de eigen bedrijfsvoering en dient daarbij uiteraard aan de relevante wet- en regelgeving te voldoen. Gelre Ziekenhuizen laat mij weten dat zij reeds onder bijzonder beheer staan bij de banken, aan hen leggen zij financiële verantwoording af. Dit doen zij eveneens aan de zorgverzekeraars. Het valt niet binnen mijn verantwoordelijkheid als Minister om zorgaanbieders te verplichten openheid te geven over hun interne financiële huishouding.
Kunt u reflecteren op het Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO)-rapport dat in opdracht van Samenwerkende Algemene Ziekenhuizen (SAZ)/ Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) is uitgevoerd in relatie tot het plan om de spoedeisende hulp van het ziekenhuis in Zutphen te sluiten?5
Op het TNO-rapport heb ik gereageerd in mijn brief van 15 december 2022.7
Gelre Ziekenhuizen is niet voornemens de SEH als zodanig volledig te sluiten. Deze wordt wel anders georganiseerd. In het voorgenomen besluit van de raad van bestuur van Gelre Ziekenhuizen is opgenomen dat hoogcomplexe spoedzorg geconcentreerd zal worden in Apeldoorn. Op de locatie in Zutphen blijft een 24/7 voorziening aanwezig die zal worden ingericht voor laagcomplexe spoedzorg.
Het genoemde TNO-rapport richt zich op het sluiten van een SEH in de nacht. Dat is hier nadrukkelijk niet aan de orde.
Kunt u aangeven wat u van dit besluit vindt in relatie tot de unaniem aangenomen motie dat leefbaarheid en nabijheid van zorg meegewogen moeten worden bij de inrichting van het zorglandschap?6
In het Integraal Zorgakkoord (IZA) is afgesproken om te kijken naar differentiatie, concentratie en spreiding van acute zorgvoorzieningen in de regio. Het uitgangspunt is: de zorg dichtbij waar dat kan, en verder weg waar dat moet, bijvoorbeeld om te kunnen garanderen dat iedereen die hoogcomplexe zorg nodig heeft erop kan rekenen dat de zorg van goede kwaliteit is.
Volgens de bereikbaarheidsanalyse 2022 van het RIVM is de locatie van Gelre Ziekenhuizen in Zutphen niet gevoelig voor de nu nog geldende 45-minutennorm. Inwoners, voor wie Zutphen het dichtstbijzijnde ziekenhuis is, kunnen bij een eventuele sluiting van de SEH of afdeling acute verloskunde nog binnen 45 minuten met een ambulance naar minstens vier andere SEH’s of afdelingen acute verloskunde worden gebracht, volgens het theoretische rijtijdenmodel. Daarnaast blijft er volgens Gelre Ziekenhuizen zorg geleverd worden op de locatie in Zutphen. Het gaat hierbij om planbare zorg en laagcomplexe spoedzorg. Voor hoogcomplexe spoedzorg zullen patiënten terecht kunnen op de locatie in Apeldoorn.
Zoals toegelicht in de Beleidsagenda toekomstbestendige acute zorg zijn er meerdere redenen om de 45-minutennorm te vervangen.9 Bij het ontwikkelen van een alternatief zal de nabijheid van acute zorg in acht genomen worden.
Kunt u alstublieft in kaart brengen wat de adherentie van de verschillende ziekenhuizen in Gelderland is?
Ik heb geen gegevens over de adherentiegebieden van ziekenhuizen in Gelderland.
Kunt u aangeven hoe u in het kader van uw Beleidsagenda toekomstbestendige acute zorg voor heel Gelderland de acute zorg wil borgen?
In zowel de Beleidsagenda toekomstbestendige acute zorg als in het IZA is opgenomen dat Regionale Overleggen Acute Zorgketen (ROAZ-en) aan de slag gaan met het opstellen van ROAZ-beelden en -plannen. Het doel van het ROAZ-beeld is het identificeren van de ontwikkelingen in de zorgvraag en zorgaanbod en de knelpunten in toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van acute zorg. De ROAZ-beelden geven inzicht in welke actoren en karakteristieken in de regio een rol spelen om te komen tot effectieve interventies. Het ROAZ-plan beschrijf vervolgens op basis van het ROAZ-beeld wat de prioritaire opgaven zijn en de afspraken die regionale zorgpartijen maken om deze aan te pakken. Daarnaast worden afspraken gemaakt in de regio over de transformatieopgaven die nodig zijn om de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de acute zorg in Gelderland duurzaam te borgen.
Kunt u per ziekenhuis per jaar aangeven hoeveel stops er de afgelopen drie jaar zijn geweest bij de ziekenhuizen in Zutphen, Deventer, Arnhem, Zwolle en Apeldoorn?
Ik ga er van uit dat u met het begrip «stops» hier doelt op de SEH-stops van de betreffende ziekenhuizen. Een SEH-stop is een logistiek instrument en kan een hulpmiddel zijn om de zorgvraag op SEH’s in de regio op piekmomenten te reguleren, zodat patiënten die op de SEH komen tijdig de juiste zorg kunnen ontvangen. Het instrument is van groot belang voor de samenwerking in de regio, tussen ziekenhuizen onderling en ook tussen ambulancediensten en ziekenhuizen en tussen huisartsen en ziekenhuizen. Het kunnen inzetten van dit instrument draagt daarmee bij aan de patiëntveiligheid en kwaliteit van de zorg. In levensbedreigende situaties kunnen patiënten altijd – ook tijdens een SEH-stop – terecht bij de meest geschikte nabije SEH.
Ik beschik niet over informatie over het aantal SEH-stops op het niveau van individuele ziekenhuizen of over de afgelopen drie jaar. Wel heb ik informatie10 over de SEH-stops in de betreffende regio’s in de maand januari 2023:
In de zeven ziekenhuizen in de ROAZ-regio Zwolle waren er in januari 2023 in totaal 35 SEH-stops.
In de zes ziekenhuizen in de ROAZ-regio Oost waren er in januari 2023 in totaal 16 SEH-stops.
Het bericht ‘Vorig jaar 3,4 miljoen euro uitgekeerd aan dwangsommen’ op de website van de IND |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vorig jaar 3,4 miljoen euro uitgekeerd aan dwangsommen» op de website van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?1
Ja.
Kunt u per jaar een overzicht geven van de bedragen die sinds 2017 zijn uitgekeerd aan dwangsommen als gevolg van het feit dat de IND niet tijdig tot een beslissing is gekomen? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen rechterlijke en bestuurlijke dwangsommen?
De genoemde bedragen betreffen de cumulatieve bedragen voor de werksoorten asiel, nareis én regulier.
Kunt u per jaar een overzicht geven van het aantal asielzoekers dat sinds 2017 dwangsommen heeft ontvangen?
Dat kan niet gegeven worden, omdat de IND met een zaaksysteem werkt. Een asielzoeker kan meerdere lopende procedures hebben. En een dwangsom-uitspraak kan zaken van meerdere asielzoekers betreffen. Zoiets uit elkaar halen zou een handmatige check op iedere zaak vereisen. Gelet op de hoeveelheid zaken is dit een vrijwel onmogelijke opgave.
Kunt u per jaar een overzicht geven van de omvang van de bedragen die sinds 2017 zijn betaald aan dwangsommen in vreemdelingenzaken?
Welke verklaring heeft u voor het feit dat het aantal ingebrekestellingen bijna vervijfvoudigd is in 2022? Welke consequenties heeft dit?
Net als vorig jaar publiceerde de IND het aantal ingebrekestellingen in zijn jaarcijfers. In 2022 waren dat er 19.830. De ingebrekestellingen hebben betrekking op asiel, nareis en reguliere verblijfsaanvragen (bijvoorbeeld voor gezin, werk of studie). Het merendeel gaat over asielaanvragen. De toename ten opzichte van 2021 komt vooral doordat meer asielaanvragen over de beslistermijn heen gingen en de «Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND» vanaf maart 2022 door verschillende zittingsplaatsen van rechtbank Den Haag en in de loop van 2022 ook door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) deels onverbindend is verklaard. Daarna was een sterkere stijging te zien.
Een toename in het aantal ingebrekestellingen heeft niet per se direct effect op het uitbetalen van dwangsommen.
Dat komt omdat de IND alsnog binnen de voorgeschreven termijn beslist of bijvoorbeeld doordat een deel van de ingebrekestellingen te vroeg is ingediend.
Kunt u per maand aangeven hoeveel ingebrekestellingen in 2022 zijn ingediend bij de IND?
Januari
935
Februari
1.071
Maart
1.609
April
1.641
Mei
2.221
Juni
1.679
Juli
1.542
Augustus
1.605
September
1.805
Oktober
2.011
November
1.980
December
1.733
Van de 19.832 ingediende ingebrekestellingen zijn inmiddels 12.579 afgesloten. 7.253 zaken staan nog open.
Wat is de reden dat het bedrag aan dwangsomverplichtingen voor 2022 niet in de IND-jaarcijfers is opgenomen, zoals in voorgaande jaren wel het geval was?
De IND rapporteert normaal gesproken pas in het jaarverslag over de dwangsomverplichtingen, zoals ook in de voorgaande jaren het geval was. Ten aanzien van 2022 is daarmee niet anders gehandeld.
Ten tijde van het uitkomen van de jaarcijfers, is de financiële verantwoording namelijk nog niet gereed, waardoor het in de regel niet mogelijk is om de dwangsomverplichtingen al bij de jaarcijfers te rapporteren. Het jaarverslag wordt intern en extern beschikbaar gesteld zodra de financiële verantwoording rond is. De IND volgt hierin het normale ritme dat gebruikelijk is binnen de rijksoverheid.
Kunt u aangeven voor welk bedrag aan dwangsomverplichtingen er in 2023 al sprake is?
De genoemde bedragen betreffen de cumulatieve bedragen voor de werksoorten asiel, nareis én regulier.
Wat zijn op dit moment de maximale kosten bij een ingebrekestelling per zaak?
Het indienen van een (geldige) ingebrekestelling (IGS) is een vereiste voor zowel de bestuurlijke als de rechterlijke dwangsom. Op basis van de «Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND» was het in asielzaken echter niet mogelijk om bestuurlijke en rechterlijke dwangsommen te verbeuren.
Op 30 november 2022 heeft de Afdeling geoordeeld dat het afschaffen van de bestuurlijke dwangsom in asielzaken niet in strijd is met het Europese beginsel van effectieve rechtsbescherming en het zogenoemde gelijkwaardigheidsbeginsel. Dit betekent dat de «Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND» t.a.v. bestuurlijke dwangsommen in asielzaken in stand is gebleven. De IND keert dus geen bestuurlijke dwangsommen uit in asielzaken.
Voorgenoemde wet is echter niet van toepassing in nareis- en reguliere zaken. In die gevallen kan een ingebrekestelling (bij een bestuurlijke dwangsom) per zaak maximaal € 1.442,– bedragen.
Voor wat betreft de rechterlijke dwangsom heeft de Afdeling echter geoordeeld dat het afschaffen van de rechterlijke dwangsom in asielzaken in strijd is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Dit heeft tot gevolg dat bestuursrechters (weer) de mogelijkheid hebben om een rechterlijke dwangsom op te leggen als de IND niet binnen de door de rechtbank vastgestelde termijn een besluit heeft genomen op een asielaanvraag. Voor de hoogte van de rechterlijke dwangsom wordt verwezen naar het antwoord op vraag 10.
Klopt het dat de totale dwangsomverplichting in sommige gevallen kan oplopen tot tienduizenden euro’s per asielzoeker?
Dit kan zich in bepaalde gevallen voordoen bij rechterlijke dwangsommen. In dit kader wordt allereerst verwezen naar de website www.rechtspraak.nl waarin de gehanteerde beleidsregel van de rechtbanken is gepubliceerd. De rechtbanken leggen de IND bij bntb’s die betrekking hebben op asielprocedures nu in de regel een termijn van acht weken op om een gehoor te plannen en daarna een termijn van acht weken om een besluit te nemen (8+8 wekenmodel).
Aan de overschrijding van deze termijn wordt meestal een dwangsom verbonden van € 100,– per dag met een maximum van € 7.500,–. In bijzondere gevallen wordt een kortere nadere beslistermijn dan wel een hogere dwangsom opgelegd (van bijv. € 500,– per dag met een maximum van € 37.500).
Wanneer na een eerdere bntb-uitspraak nog steeds niet is beslist op de aanvraag, kan de vreemdeling een opvolgend bntb indienen bij de rechtbank. Wanneer deze is ingediend nadat de maximale dwangsom is volgelopen, zal de dwangsom bij een gelijk aantal dagen worden verdubbeld (dus maximaal € 15.000,– i.p.v. € 7.500,–). Het aantal keer dat een vreemdeling een opvolgend bntb kan indienen is – zolang niet is beslist op de aanvraag – niet aan een maximum verbonden. Het komt echter zelden voor dat er opvolgende Bntb’s worden ingediend.
Hoe hoog is de werkvoorraad van de IND op dit moment? Wat is de wachttijd voor asielzoekers op dit moment?
De werkvoorraad per 1 februari 2023 is als volgt:
Voor wat betreft de huidige wachttijd voor asielzoekers op dit moment wordt verwezen naar de website van de IND: https://ind.nl/nl/asiel-laatste-ontwikkelingen#gemiddelde-wachttijden-asielgehoren;
Dit zijn cijfers zoals ze er nu uitzien. In eerdere kamerbrieven is aangegeven hoe de prognoses zich ontwikkelen. De verwachting is dus dat de voorraden gaan oplopen en de wachttijden gaan toenemen.
Hoeveel asielaanvragen worden naar verwachting in dit jaar niet binnen de wettelijke termijn afgedaan?
Zie het antwoord op vraag 14.
Welk bedrag aan dwangsomverplichtingen verwacht u voor de jaren 2023 en 2024?
Zie het antwoord op vraag 14.
Kunt u inzicht geven in de verschillende scenario’s waarmee de IND rekening houdt op basis van de uitspraak van de Raad van State eind vorig jaar dat de rechterlijke dwangsom niet mag worden afgeschaft? Hoeveel dwangsommen zullen naar verwachting alsnog bij de rechter worden afgedwongen op basis van deze uitspraak?
De IND rekent op basis van de uitspraak van de Afdeling voor verschillende scenario´s door hoeveel bntb’s ingediend kunnen worden. Dit betreft een ingewikkelde opgave, omdat het van vele factoren afhankelijk is. Hierbij kan bijv. gedacht worden aan het aantal ingediende aanvragen, de ontwikkeling van de voorraden bij de IND, de inzetbare FTE, de wisselende prioriteitsstelling, de aantallen ingediende bntb’s, de ontwikkelingen in beleid en jurisprudentie en de snelheid waarmee rechtbanken bntb-procedures kunnen afdoen.
Op dit moment kunnen daarom nog geen exacte aantallen worden genoemd.
Voor 2023 en 2024 wordt rekening gehouden met enkele tientallen miljoenen euro’s, voor deze periode. De uiteindelijke uitkomst, is zoals gezegd van zoveel factoren afhankelijk dat het finale bedrag van deze prognose sterk kan afwijken. Zonder aanvullende maatregelen loopt dit in 2025 substantieel verder op.
Er is namelijk sprake van een (asiel) instroomniveau dat de (huidige) verwerkingscapaciteit van de IND structureel overstijgt. Daardoor zijn oplopende werkvoorraden en langere doorlooptijden – hoe ongewenst ook – het onvermijdelijke gevolg.
Wanneer blijkt dat de verlenging van de beslistermijnen met negen maanden uiteindelijk geen stand houdt bij de rechter en de beslistermijn teruggaat naar zes maanden, welk bedrag aan dwangsommen moet dan alsnog over het jaar 2022 worden uitgekeerd? Wat zou dit betekenen voor de bedragen in 2023 en 2024?
Voor zover de Afdeling in hoger beroep zal oordelen dat de verlengingsmaatregel (WBV 2022/22) niet rechtsgeldig is, heeft dat vrijwel direct effect op het moment waarop dwangsommen verschuldigd gaan worden. Immers, het aandeel zaken buiten de beslistermijn voor de jaren 2023 en 2024 zal in dat geval groter zijn. De precieze omvang hiervan is thans niet te geven omdat een en ander afhangt van o.a. de inhoud en het moment van de uitspraak.
Deelt u de mening dat een dergelijke dwangsomregeling een aanzuigende werking en het risico op misbruik met zich meebrengt, aangezien andere EU-lidstaten een dergelijke regeling niet kennen zoals aangegeven door voormalig Staatssecretaris Broekers-Knol in 2020?
Er zijn geen signalen dat de dwangsomregeling een aanzuigende werking heeft op asielzoekers.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat miljoenen euro’s belastinggeld worden uitgegeven aan dwangsommen voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen hebt u ondernomen om dit tegen te gaan?
Ik zie het verbeuren van dwangsommen niet als passend middel om het nemen van een tijdige beslissing door de IND te waarborgen. Dit is ook de reden dat ik bij uw Kamer het wetsvoorstel herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken heb ingediend. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 18.
Waarom heeft de Kamer sinds de uitspraken van 6 juli 2022 en 30 november 2022 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State nooit meer iets vernomen van uw voornemens ten aanzien van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, terwijl het aantal ingebrekestellingen zich opstapelde?
Het wetsvoorstel herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken beoogt de dwangsommenregeling af te schaffen, maar moet naar aanleiding van deze uitspraken van de Afdeling worden aangepast. Het wetsvoorstel bevat namelijk een rapportageplicht aan de Staten-Generaal als alternatief voor dwangsommen. De Afdeling heeft in de uitspraken van 6 juli en 30 november jl. echter geoordeeld dat een rapportageplicht geen doeltreffend rechtsmiddel is ter vervanging van de rechterlijke dwangsom die de bestuursrechter kan opleggen bij niet tijdig beslissen. Ook heeft de Afdeling geoordeeld dat het afschaffen van de rechterlijke dwangsom zonder alternatief dwangmiddel onvoldoende is om effectieve rechtsbescherming te bieden. Er wordt nu gekeken of er alternatieven mogelijk zijn en zo ja, welke. Dat is ingewikkeld en kost tijd. Ik zal de Kamer zo spoedig mogelijk over de uitkomst informeren.
Wat zijn uw voornemens ten aanzien van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken?
Het wetsvoorstel moet in ieder geval worden aangepast op het punt van de rapportageplicht aan de Staten-Generaal als alternatief voor de dwangsommen. Zoals aangegeven wordt bezien of en zo ja, welke alternatieven mogelijk zijn. Ik informeer uw Kamer daar zo spoedig mogelijk over.
Bent u bereid verdergaand in te grijpen om deze dwangsommenregeling aan banden te leggen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit gaan doen?
De regering heeft op vergaande wijze geprobeerd in te grijpen door de dwangsommenregeling wettelijk af te schaffen. De uitspraken van de Afdeling maken duidelijk dat onverkorte afschaffing van de rechterlijke dwangsom zonder alternatief dwangmiddel echter niet mogelijk is. Er wordt nu bezien of er alternatieven mogelijk zijn en zo ja, welke. Ik informeer de Kamer daar zo spoedig mogelijk over.
Bent u voornemens aanvullende maatregelen te nemen om de doorlooptijden bij de IND terug te dringen, nu de asielaanvragen zich opstapelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
De IND doet er alles aan om de doorstroom te bevorderen en de oplopende voorraden te beperken. Ik ben hierover intensief met de IND in gesprek. Hierbij wordt ook gekeken naar mogelijke aanvullende maatregelen. Uiteraard informeer ik uw Kamer hier tijdig en nauwgezet over.
Kunt u deze vragen op de zo kortst mogelijke termijn, liefst voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van 21 februari, beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt de antwoorden voorafgaand aan het commissiedebat toe te sturen.
Het mogelijk sluiten van de SEH, IC en verloskunde afdeling in Gelre Ziekenhuis Zutphen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voorgenomen besluit van het Gelre Ziekenhuis over het sluiten van de verloskunde afdeling en de mogelijke sluiting van Spoedeisende Hulp (SEH) en Intensive Care (IC)? Zo ja, heeft u contact gehad met het Gelre Ziekenhuis en kunt u toelichten of u achter het besluit van het ziekenhuis staat?1
Ja, ik ben bekend met het voorgenomen besluit en heb hierover contact opgenomen met de raad van bestuur van Gelre Ziekenhuizen. Voor mij is het van belang dat de kwaliteit en de continuïteit van de zorg geborgd zijn. Het is daarom belangrijk dat dergelijke besluiten zorgvuldig plaatsvinden en de stappen uit de AMvB acute zorg worden doorlopen. Ik heb in mijn contact met het ziekenhuis daar ook op gewezen.
De raad van bestuur van Gelre Ziekenhuizen heeft mij daarop laten weten dat er grondig is onderzocht hoe de zorg voor inwoners uit de regio toekomstbestendig kan worden ingericht, en hoe de zorg op beide locaties, dat wil zeggen Apeldoorn en Zutphen, het meest doelmatig georganiseerd kan worden. Er wordt zorg van Zutphen naar Apeldoorn verplaatst én er gaat zorg van Apeldoorn naar Zutphen. Doel hierbij is de kwaliteit van zorg verder te verhogen, het personeel op de beste manier in te zetten en de zorg toegankelijk en betaalbaar te houden. Naast de zorg binnen de muren van Gelre Ziekenhuizen wordt ook volop ingezet op het bieden van zorg thuis of zo dicht mogelijk bij huis, in samenwerking met regionale zorgpartners, aldus de raad van bestuur.
Wat vindt u ervan dat de raad van bestuur zonder overleg met de afdeling verloskunde een belofte van een half jaar geleden om deze afdeling open te houden, verbreekt?
Het is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder, in dit geval Gelre Ziekenhuizen, om te beslissen over de inrichting van de zorgorganisatie, mits dit binnen de geldende normen is.
In hoeverre heeft het Gelre Ziekenhuis zich aan haar eigen statuten en de governance code zorg gehouden om staf en medische specialisten te betrekken bij besluitvorming over het sluiten van een afdeling?
De Governancecode Zorg 2022 is een door Brancheorganisaties Zorg (BoZ) opgestelde privaatrechtelijke vorm van zelfregulering. De leden van ActiZ, de Nederlandse ggz, Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) en Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) verplichten zichzelf met hun lidmaatschap tot toepassing en naleving van deze code.
De raad van toezicht ziet toe op de naleving van de principes van de Governancecode. Gelre Ziekenhuizen heeft mij laten weten dat er vanaf september 2020 gesprekken worden gevoerd over de locatieprofielen van beide locaties, dus Apeldoorn en Zutphen. Medewerkers, de cliëntenraad, de regionale zorgpartners en andere belangrijke stakeholders worden bij deze gesprekken betrokken. Ook de medisch specialisten zijn intensief in het proces meegenomen. Het medisch stafbestuur2 en de verpleegkundige adviesraad3 van Gelre Ziekenhuizen (locaties Zutphen en Apeldoorn) kunnen zich vinden in de richting van het voorgenomen besluit, aldus de raad van bestuur van Gelre Ziekenhuizen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft mij laten weten dat zij op juiste wijze is geïnformeerd door Gelre Ziekenhuizen over het voorgenomen besluit. Gelre ziekenhuizen geeft hiermee aan dat het bestuur heeft gehandeld conform de Governancecode Zorg 2022, en specifiek ten aanzien van het organiseren van inspraak, samenspraak en tegenspraak. De Governancecode Zorg 2022 geeft belanghebbenden, die van mening zijn dat zij op enigerlei wijze nadeel hebben ondervonden van de wijze waarop een zorgorganisatie de Governancecode Zorg 2022 heeft nageleefd, de mogelijkheid om een toetsingsverzoek in te dienen bij de Governancecommissie Gezondheidszorg. Dit uiteraard binnen de grenzen van het daarvoor van kracht zijnde regelement.
Welke stappen moet een ziekenhuis doorlopen voor het haar verloskundige afdeling, SEH of IC kan sluiten? Hoe zouden patiëntenorganisaties, werknemers en andere belanghebbende hierbij betrokken moeten worden?
Het voorgenomen besluit van Gelre Ziekenhuizen gaat over de verplaatsing van de acute verloskunde naar Apeldoorn en een wijziging van het SEH-aanbod en de IC in Zutphen. Als een zorgaanbieder plannen heeft om het aanbod van acute zorg op een bepaalde locatie geheel of gedeeltelijk op te schorten of geheel of gedeeltelijk te beëindigen, dient hij een zorgvuldig besluitvormingsproces te volgen met alle betrokkenen. Het doel hiervan is om te bevorderen dat de beschikbaarheid en de bereikbaarheid van de acute zorg zo goed mogelijk geborgd zijn, ook bij een eventuele opschorting of beëindiging.
In de AMvB en ministeriële regeling acute zorg (Uitvoeringsbesluit Wkkgz, hoofdstuk 8a en Uitvoeringsregeling Wkkgz, hoofdstuk 3a) staan de stappen vermeld die een zorgaanbieder moet doorlopen bij een voorgenomen besluit om de acute verloskundeafdeling, IC, en/of SEH te sluiten. Voor een chronologisch overzicht van het consultatieproces verwijs ik naar het stroomschema AMvB en regeling acute zorg4. Deze informatie is als bijlage bij de beantwoording toegevoegd.
Deelt u de mening dat de bereikbaarheid en kwaliteit van zorg centraal zou moeten staan bij een besluit over het sluiten van de verloskunde afdeling, maar ook van de SEH of IC en niet de winstgevendheid van bepaalde zorg? Zo nee, waarom niet?
Bij keuzes rondom de inrichting van de zorg is altijd een afweging van de aspecten kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid aan de orde. Al deze aspecten zijn van belang en alle moeten voldoende geborgd worden. En daarbij moet er ook rekening gehouden worden met de schaarste aan zorgpersoneel.
Het is daarnaast de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders om hun organisatie financieel gezond te houden. Zij kunnen dan ook zelf beslissen hoe zij hun organisatie inrichten, mits dit binnen de geldende normen is. Het ziekenhuis moet uiteraard de procedure volgens de AMvB Acute Zorg volgen en afspraken in het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ) maken, om de continuïteit en toegankelijkheid van de acute zorg voor patiënten in de regio te waarborgen.
Deelt u de zorg over wat dit voorgenomen besluit betekent voor de bereikbaarheid en kwaliteit van de verloskundige zorg in Gelderland en de leefbaarheid van de regio? Zo ja, waar liggen volgens u de grootste risico’s? Zo ja, ziet u mogelijkheden om in te grijpen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb begrip voor mogelijke gevoelens van onrust die leven onder een deel van het zorgpersoneel van Gelre Ziekenhuizen, en de inwoners in de omgeving Zutphen, maar ik wil benadrukken dat mijns inziens de toegankelijkheid en kwaliteit van de acute en verloskundige zorg in Gelderland niet onder druk staan. Alle inwoners voor wie de locatie in Zutphen het dichtstbijzijnde ziekenhuis is, kunnen binnen de geldende norm van 45 minuten per ambulance naar minstens vier andere SEH’s of afdelingen acute verloskunde vervoerd worden, aldus de RIVM bereikbaarheidsanalyse uit 2022.
Daarnaast begrijp ik heel goed dat een ziekenhuis, inclusief SEH en een afdeling verloskunde, ertoe doet voor de inwoners van een gemeente of een regio. De nabijheid hiervan draagt bij aan een gevoel van leefbaarheid, zowel voor patiënten en hun naasten als voor de werkgelegenheid in de regio. Ik wil daarom benadrukken dat er geen sprake is van sluiting van de ziekenhuislocatie in Zutphen.
Het voorgenomen besluit van de raad van bestuur van Gelre Ziekenhuizen behelst het reorganiseren van de SEH en het verplaatsen van de verloskundige zorg naar de locatie in Apeldoorn. Het ziekenhuis in Zutphen blijft 24/7 beschikbaar voor laagcomplexe spoedzorg. Binnen de instelling van Gelre Ziekenhuizen blijft het mogelijk om op de locatie in Apeldoorn te bevallen. Daarnaast blijven de verloskamers in omliggende ziekenhuizen in Doetinchem, Winterswijk, Arnhem en Deventer beschikbaar. Het is in ieder geval van belang dat zwangere vrouwen uit de regio Zutphen tijdig en goed voorgelicht worden door hun verloskundigen over de verschillende mogelijkheden ten aanzien van de bevallocatie, zodat zij op basis van deze informatie een weloverwogen keuze kunnen maken voor een alternatieve voorkeurslocatie. En uiteraard kijken in dit reorganisatieproces de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de IGJ mee vanuit hun toezichthoudende rol.
Hoeveel patiëntenstops zijn er de afgelopen twee jaar in de omliggende ziekenhuizen in Gelderland en Overijssel geweest?
Ik ga er van uit dat u met het begrip «patiëntenstops» hier doelt op de SEH-stops van de betreffende ziekenhuizen. Een SEH-stop is een logistiek instrument en kan een hulpmiddel zijn om de zorgvraag op SEH’s in de regio op piekmomenten te reguleren, zodat patiënten die op de SEH komen tijdig de juiste zorg kunnen ontvangen. Het instrument is van groot belang voor de samenwerking in de regio, tussen ziekenhuizen onderling en ook tussen ambulancediensten en ziekenhuizen en tussen huisartsen en ziekenhuizen. Het kunnen inzetten van dit instrument draagt daarmee bij aan de patiëntveiligheid en kwaliteit van de zorg. In levensbedreigende situaties kunnen patiënten altijd – ook tijdens een SEH-stop – terecht bij de meest geschikte nabije SEH.
Ik beschik niet over informatie over het aantal SEH-stops op het niveau van individuele ziekenhuizen, de provincie of over de afgelopen twee jaar. Wel heb ik informatie5 over de SEH-stops in de betreffende regio’s in de maand januari 2023:
In de zeven ziekenhuizen in de ROAZ-regio Zwolle waren er in januari 2023 in totaal 35 SEH-stops.
In de zes ziekenhuizen in de ROAZ-regio Oost waren er in januari 2023 in totaal 16 SEH-stops.
Het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ) geeft aan dat er in de ROAZ-regio Euregio (Twente / Oost-Achterhoek / Duitse grensstreek) regionale afspraken zijn dat daar niet met het instrument SEH-stops gewerkt wordt, uitgezonderd voor calamiteiten.
Hoe verhoudt de verschaling van de zorg in Zutphen zich tot de regiobeelden en regioplannen die geformuleerd worden?
In het IZA is afgesproken dat dit jaar ROAZ-beelden en ROAZ-plannen worden opgesteld over de acute zorg in de regio. In de ROAZ-plannen worden de belangrijkste transformatieopgaven in de regio opgenomen om de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de acute zorg duurzaam te borgen en worden afspraken gemaakt over oplossingen voor deze knelpunten. De voorgenomen reorganisatie van het Gelre Ziekenhuis zal bij de plannen voor deze regio worden betrokken.
Wat betekent het sluiten van de verloskunde afdeling voor de capaciteitsproblemen in de geboortezorg? In hoeverre kunnen ziekenhuizen in de regio de gemiddeld 850 geboortes per jaar van het ziekenhuis in Zutphen overnemen? Is het personeel van de afdeling bereid om in een ander ziekenhuis te gaan werken? Kunnen de andere ziekenhuizen dezelfde kwaliteit leveren op hun verloskundige afdelingen, ook als het aantal bevallingen sterk toeneemt?
Gelre Ziekenhuizen verwacht dat een deel van de bevallingen zich verplaatst naar de locatie in Apeldoorn. Daar is ook ruimte voor. Daarnaast is Gelre in gesprek met Deventer Ziekenhuis, Rijnstate (Arnhem) en Slingeland (Doetinchem), en worden er afspraken gemaakt over de patiënten die zich vanaf de zomer naar deze ziekenhuizen zullen verplaatsen. Het zorgcontinuïteitsplan voor de regio wordt nog opgesteld en zal hierover verder duidelijkheid bieden. Zoals gezegd is het de verwachting van de raad van bestuur van Gelre Ziekenhuizen dat de reorganisatie juist de kwaliteit van de zorg ten goede komt.
De raad van bestuur heeft daarnaast aangegeven dat zij uiteraard met de betrokkenen in gesprek gaat over de toekomst. Uitgangspunt is dat medewerkers ondersteund worden naar een passende nieuwe werkplek, ook als dit op eigen verzoek buiten de organisatie van Gelre Ziekenhuizen is.
Zijn er nog andere financiële belangen die ertoe hebben geleid dat de raad van bestuur tot dit voorgenomen besluit is gekomen?
Er zijn mij geen andere financiële belangen bekend.
Wat betekent het strenger handhaven van de gestelde norm dat iedere SEH een SEH-arts met een jaar ervaring moet hebben, een norm waar lang niet alle SEH’s aan kunnen voldoen, voor het SEH-landschap? Hoe kijkt u tegen dit vraagstuk aan?
De norm in het Kwaliteitskader Spoedzorgketen, die stelt dat op elke SEH gedurende openingstijden tenminste een arts met minimaal één jaar klinische ervaring aanwezig is, is op 1 juli 2022 in werking getreden. Over deze norm is veel gesproken met verschillende veldpartijen, zoals de Federatie Medisch Specialisten (FMS), de NFU en de NVZ. Eerder was het voorstel om een arts met minimaal twee jaar ervaring de norm te maken, maar dit werd niet haalbaar geacht. Uiteindelijk is deze norm, die door sommigen «mager» wordt genoemd, in doorzettingsmacht vastgesteld door het Zorginstituut Nederland (ZIN, «Kwaliteitskader Spoedzorgketen», februari 2020). Ook ik vind deze norm mager en het is van groot belang dat de ziekenhuizen deze (minimale) norm zo goed mogelijk naleven. De aanwezigheid van een arts met minimaal één jaar klinische ervaring op elke SEH is nodig voor de kwaliteit en patiëntveiligheid van de geleverde zorg. Iedere patiënt in Nederland moet tenslotte kunnen rekenen op kwalitatief goede en veilige zorg op de SEH.
Jongeren met een licht verstandelijke beperking in de criminaliteit |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Criminelen werven licht verstandelijk beperkten, voor drugshandel en prosititutie. Instanties hebben een «blinde vlek»»?1
Ja.
Beschikt u over kwantitatieve of kwalitatieve gegevens ten aanzien van de betrokkenheid van jongeren met een licht verstandelijke beperking (lvb) in de criminaliteit, als slachtoffer dan wel als verdachte? Zo ja, kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, acht u het wenselijk dat er naar dit onderwerp onderzoek wordt verricht en hoe gaat u dat entameren?
Het is bekend dat jongeren en jongvolwassenen met een lichtverstandelijke beperking (hierna: lvb) oververtegenwoordigd zijn in de jeugdstrafrechtketen. In het meest recente onderzoek hierover wordt het hebben van een lvb bij jongeren met een jeugddetentie of preventieve hechtenis geschat op 30%, en bij jongeren met een PIJ-maatregel op 40%.2 In de Monitor Jeugdcriminaliteit worden om de twee à drie jaar de trends in de jeugdcriminaliteit beschreven. Een lvb wordt hier niet in meegenomen. Het is dus niet bekend in hoeverre deze jongeren bij bepaalde delicten (zoals mensenhandel, uitbuiting, diefstal of drugshandel) als dader of als slachtoffer oververtegenwoordigd zijn. Wij zullen het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum vragen om hier onderzoek naar te doen, en zullen uw Kamer hierover informeren.
In welke mate zijn jongeren met een licht verstandelijke beperking oververtegenwoordigd als slachtoffers van mensenhandel, criminele uitbuiting, zoals diefstal of drugshandel onder dwang, en seksuele uitbuiting, zoals gedwongen prostitutie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van het in het bericht gestelde dat het moeilijk is voor de politie om in het geval van aangifte rekening te houden met jongeren die vanwege een licht verstandelijke beperking kwetsbaarder zijn dan anderen zonder die beperking? Zo ja, waarom en waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Wij delen die mening. Het is in algemene zin moeilijk om een lvb te herkennen, dit vereist kennis en expertise van de professional en een goede screening. Voor de politie geldt daarbij dat zij vaak maar kort contact heeft met mensen die aangifte doen, waardoor er signalen gemist zouden kunnen worden. Het signaleren van een lvb en komen tot een passende aanpak binnen het aangifteproces is dan ook een standaard aandachtspunt voor de politie. In antwoord op vraag acht gaan wij hier nader op in.
Is er bij de pilot aangiftebereidheid specifiek gekeken naar het aangiftegedrag van jongeren met een licht verstandelijke beperking? Zo ja, wat is hier uitgekomen? Zo nee, kan dit in een eventueel vervolg alsnog worden meegenomen?
In de verzamelbrief Politie van 19 oktober 2022 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer geïnformeerd dat de proeftuin aangiftebereidheid zich in de afrondende fase bevindt.3 In de verzamelbrief Mensenhandel van 21 december 2022 informeerde de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid uw Kamer dat de resultaten van de proeftuin iets langer dan gepland op zich zullen laten wachten.4 De resultaten worden op dit moment aan het begin van het tweede kwartaal van 2023 verwacht. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid informeert uw Kamer over de uitkomsten. Binnen de proeftuin aangiftebereidheid is onderzocht of de inzet van een recherchepsycholoog, een verhoor door een rechter-commissaris en het inzetten van een veiligheidscoördinator bijdragen aan het verlagen van de angst voor het doen van aangifte onder vrouwelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting. Ook is er een eerste verkenning gestart naar het verkorten van doorlooptijden. De doelgroep van de proeftuin betreft niet specifiek jongeren met een lvb, maar heeft in zijn algemeenheid wel aandacht voor kwetsbaren, waaronder mensen met een lvb. We weten namelijk dat mensen met een lvb een hoger risico lopen om seksueel uitgebuit te worden.
Welk specifiek beleid wordt er uitgevoerd om te voorkomen dat lvb’ers slachtoffer van mensenhandel of criminele uitbuiting worden, dan wel door criminelen geronseld worden om misdrijven te plegen?
Slachtofferpreventie en daderpreventie zijn cruciaal om tot een sluitende aanpak van criminele uitbuiting te komen. Voor preventie is het van belang om op vele vlakken tegelijkertijd actief te zijn. Het beschermen van (potentiële) slachtoffers door aandacht te hebben voor kwetsbaarheden, zoals mentale problemen of een lvb, maakt daar deel van uit. Jongeren met een licht verstandelijke beperking zijn extra kwetsbaar doordat ze bijvoorbeeld beïnvloedbaarder en minder weerbaar zijn. De kans is ook groter dat ze zich niet bewust zijn van het feit dat ze worden uitgebuit.
Om jongeren weerbaar te maken tegen de dreigingen van en het ronselen door de (georganiseerde) criminaliteit investeert dit kabinet fors in «Preventie met gezag».5 Deze domeinoverstijgende wijkaanpak is in 2022 begonnen in 15 gemeenten (16 gebieden). Hiervoor is (oplopend) vanaf 2025 structureel 143 miljoen euro beschikbaar. In deze aanpak wordt enerzijds geïnvesteerd in het weerbaar maken van de jongeren en anderzijds in de versterking van het gezag in de wijk. Daarbij is er oog voor de mogelijke uitbuiting van jongeren (met en zonder een lvb) om strafbare handelingen te verrichten. Cruciaal in de preventie van jeugdcriminaliteit en uitbuiting is een duurzame samenwerking tussen het zorg- en veiligheidsdomein. In verschillende plannen is aandacht voor jongeren met een lvb. Zo zal in Groningen expertise worden ingezet om de politie te coachen bij het herkennen van een lvb en hoe hiermee om te gaan. In Utrecht zal worden verkend of een sociale vaardigheidstraining op maat kan worden aangeboden aan lvb-jongeren.
Goede signalering en intensieve en integrale samenwerking tussen vele partijen, waaronder scholen en zorginstellingen, zijn van belang voor een succesvolle aanpak. Vanuit het programma «Samen tegen mensenhandel» wordt daarom breed ingezet op alle vormen van mensenhandel, onder andere door het vergroten van bewustwording en versterken van signalering door (zorg)professionals.6 Het is in het kader van bewustwording en preventie belangrijk dat vanuit scholen voorlichting wordt gegeven over mensenhandel. Een voorbeeld hiervan is «BUIT»: een gratis lespakket, bestaande uit een film en een interactieve lesmodule, waarmee op VO scholen en in groep 8 basisonderwijs voorlichting gegeven kan worden aan kinderen met een lvb en de professionals die met hen in aanraking komen.7 In de jeugdhulp biedt Koraal een behandelprogramma (YIP!) voor meisjes en jonge vrouwen met een licht verstandelijke beperking die slachtoffer zijn geworden van mensenhandel.8
Vanuit teams mensenhandel van de politie is er daarnaast ook nauw contact met ketenregisseurs en zorgcoördinatoren. Signalen van uitbuiting (ook de signalen die betrekking hebben op jongeren met een lvb) die bij één van de partijen bekend zijn, worden met elkaar besproken om een juiste interventie af te stemmen.
Tot slot is ons departement gestart met de financiering van een tweejarig pilotproject van het Centrum voor Kinderhandel en Mensenhandel ten behoeve van een landelijk online platform voor professionals en (potentiële) slachtoffers van criminele uitbuiting om slachtoffers beter te ondersteunen en hen te helpen uit onveilige situaties te komen. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang van dit project.
Is het waar dat er vanwege «schotten» tussen instanties jongeren met een licht verstandelijke beperking bij gebrek aan adequate behandeling of bescherming onnodig lang uitgebuit of ingeschakeld worden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Het rapport «Uitbuiting & lvb» signaleert schotten tussen instanties, wetten en financieringsstromen ten aanzien van lvb. Daarom dat, zoals hierboven geschetst, het signaleren van een lvb en het komen tot een passende aanpak binnen het aangifteproces een standaard aandachtspunt voor de politie is. Verder is het belangrijk dat slachtoffers van mensenhandel op de juiste plek de juiste vorm van zorg en opvang kunnen krijgen. Binnen de zorgkaders kan al veel, ook als het gaat om de genoemde knelpunten. Het is dus belangrijk om te kijken wat nu al loopt en mogelijk is. Op dit moment vindt vanuit de Toekomstagenda Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking een onderzoek plaats naar hoe de continuïteit van zorg en ondersteuning voor jongvolwassenen met een lvb verbeterd kan worden rond de overgang van verschillende zorgwetten.9 De knelpunten die gemeenten als uitvoerders van deze wetten hierin ervaren, zullen de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en andere relevante partijen, betrekken bij de uitkomsten hiervan.
Deelt u de mening dat om eerder signalen van uitbuiting van jongeren met een licht verstandelijke beperking op te merken en uitbuiting te voorkomen instanties waaronder de politie zich meer bewust zouden moeten worden van deze groep? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Die mening delen wij. Het signaleren van een lvb en komen tot een passende aanpak binnen het aangifteproces is dan ook een standaard aandachtspunt voor de politie. Hier wordt op verschillende manieren aandacht aan besteed, bijvoorbeeld door in de basisopleiding van de politie aandacht te hebben voor kwetsbaarheid bij verdachten, waaronder het hebben van een lvb. Ook schrijft de politie brieven en brochures op taalniveau B1. Daarnaast worden slachtoffers die aangifte doen vanaf het eerste persoonlijke contact met de politie op het basisteam beoordeeld op een verhoogde kans op herhaling of andere kwetsbaarheid; dit is de zogeheten Individuele Beoordeling van slachtoffers.10
Vanuit het Ministerie van VWS is de afgelopen jaren samengewerkt met verschillende partijen, zoals gemeenten, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Vereniging Gehandicapten Nederland en ervaringsdeskundigen om de kennis over mensen met een lvb te vergroten en het herkennen van een lvb te verbeteren. Zo is er o.a. een talkshowreeks geweest om aandacht te vragen voor deze groep.11 Deze talkshowreeks was gericht op zowel beleidsmakers en uitvoerders die te maken hebben met mensen met een lvb, zoals welzijnsinstellingen, gemeenten, werkgevers, woningcorporaties, zorg en justitiepartners. En is er een webinarreeks gehouden waar goede voorbeelden met elkaar werden gedeeld, zoals het webinar Goed uit de Bajes.12 Daarnaast is er onlangs de tool ontwikkeld «Je ziet het niet, dus leer het zien» van het Landelijk Kenniscentrum lvb met praktische handvatten voor het tijdig herkennen van een lvb.13 Deze tool is ontwikkeld voor professionals in het sociaal domein, het onderwijs en voor justitiepartners.
Acht u in het kader van het voorkomen van uitbuiting van jongeren met een licht verstandelijke beperking meer experimenten van samenwerking tussen zorg en politie nuttig? Zo ja, hoe gaat u die mogelijk maken? Zo nee, waarom niet?
Om jongeren (met en zonder een lvb) weerbaar te maken tegen de dreigingen van en het ronselen voor onder meer drugshandel en prostitutie investeert dit kabinet fors vanuit verschillende projecten, zoals «Preventie met Gezag», het programma «Samen tegen mensenhandel» en een landelijk online platform voor professionals en (potentiële) slachtoffers van criminele uitbuiting. Gelet op wat er allemaal al loopt, is het kabinet niet voornemens om nieuwe pilots op te zetten.
De hoogst mogelijke koninklijke onderscheiding voor de heer Zwartendijk |
|
Christine Teunissen (PvdD), Tom van der Lee (GL), Agnes Mulder (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Don Ceder (CU), Marieke Koekkoek (D66), Kati Piri (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Nilüfer Gündoğan (Volt), Olaf Ephraim (FVD), Jasper van Dijk (SP), Sylvana Simons (BIJ1), Tunahan Kuzu (DENK), Caroline van der Plas (BBB), Ruben Brekelmans (VVD), Liane den Haan (GOUD), Ralf Dekker (FVD), Pieter Omtzigt , Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch), Geert Wilders (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
Bent u bekend met het verhaal over Jan Zwartendijk in het boek «De rechtvaardigen» van Jan Brokken (2018), waarin uiteen wordt gezet hoe hij duizenden Joden redde tijdens de Tweede Wereldoorlog?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de heer Zwartendijk een reprimande kreeg voor zijn heldhaftige gedrag?1
Het moge duidelijk zijn dat de heer Zwartendijk geen berisping verdiende voor zijn buitengewoon moedig handelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als dit is gebeurd was dit volstrekt ongepast. De secretaris-generaal van mijn ministerie heeft deze boodschap, inclusief excuses, in 2018 dan ook nadrukkelijk gedeeld in een brief aan de familie van de heer Zwartendijk. Bij de onthulling van het monument voor de heer Zwartendijk in Kaunas in 2018 hebben Zijne Majesteit de Koning en mijn voorganger persoonlijk gesproken met de zoon en dochter van de heer Zwartendijk, waarbij grote bewondering is betuigd voor het optreden van hun vader in 1940.
Herinnert u zich dat de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken reeds aangaf dat Zwartendijk erkenning en eerbetoon verdient voor zijn dappere gedrag?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de open brief aan de Koning, waarin wordt opgeroepen om Zwartendijk alsnog de hoogst mogelijke Koninklijke onderscheiding te verlenen?3
Ja.
Deelt u de mening uit de genoemde open brief dat de belofte van «nooit meer» begint bij het voorkomen van haat en dat het eren van diegenen die destijds in verzet kwamen daar onderdeel van is, omdat dit de rolmodellen zijn om ons aan te spiegelen in tijden van morele dilemma’s?
Ja.
Bent u gezien het feit dat Zwartendijk in Litouwen handelde als vertegenwoordiger van de Nederlandse staat bereid om de heer Zwartendijk voor te dragen voor de hoogst mogelijke Koninklijke onderscheiding? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid daarvoor zo nodig het Reglement op de Orde van de Nederlandse Leeuw en de Orde van Oranje-Nassau aan te passen om ook postume verlening van onderscheidingen mogelijk te maken?4
Ik deel de bewondering voor het heldhaftig optreden van de heer Zwartendijk die in uw vragen, en in de open brief naar de Koning, wordt geuit. Ik ben dan ook van harte bereid om het Kapittel voor de Civiele Orden om advies te vragen of de heer Zwartendijk postuum kan worden voorgedragen voor de Erepenning voor Menslievend Hulpbetoon, in goud. Bij een positief advies zal mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de heer Zwartendijk formeel voordragen voor deze onderscheiding. De Erepenning in goud geldt als één van de hoogste onderscheidingen van Nederland. Sinds 1822 werd deze onderscheiding slechts 99 keer toegekend, laatstelijk in 1964.
Op 9 juli 1951 besloot de ministerraad om (na het verstrijken van een termijn van een jaar) geen aanvragen voor onderscheidingen voor verzetsdaden begaan tijdens de Tweede Wereldoorlog meer in behandeling te nemen. Dit besluit is nog steeds van kracht, en er is sindsdien niet meer van afgeweken. De regering acht de verdiensten van de heer Zwartendijk echter dermate uitzonderlijk, gezien het zeer hoge aantal mensen die mede dankzij hem aan de Holocaust hebben kunnen ontkomen, dat zij bereid is om in zijn geval eenmalig van het besluit uit 1951 af te wijken. De ministerraad heeft tijdens haar vergadering op 21 april jl. hiertoe besloten. Hiermee wordt het Kapittel voor de Civiele Orden bij wijze van hoge uitzondering in staat gesteld om bovengenoemde adviesaanvraag inhoudelijk te behandelen.
Het is tot slot belangrijk om te vermelden dat de heer Zwartendijk in 1956 ook al Koninklijk is onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken. In de ondersteunende brief voor deze onderscheiding van zijn werkgever, Philips, wordt gerefereerd aan zijn functie als consul in Litouwen «in welke functie hij tal van personen van Joodse afkomst in de gelegenheid stelde de Duitse dreiging te ontlopen door uit te wijken naar Curaçao». In de officiële voordracht door Minister Beyen en Minister Luns uit 1956 voor deze onderscheiding wordt niet specifiek gerefereerd aan de visa die hij verleende, maar wel waarderend gesproken over zijn werk in Litouwen: «Tijdens de Russische bezetting heeft betrokkene zowel de Nederlandse als de specifieke Philipsbelangen met voorbeeldig vasthoudendheid beschermd.»De volle toedracht en de omvang van de inzet van de heer Zwartendijk zijn pas later bekend geworden.
Bent u bereid een standbeeld te plaatsen of gedenkplaat op te hangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor Jan Zwartendijk en de overige bij deze reddingsactie betrokken diplomaten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid bovenstaande met spoed te verwezenlijken gezien de leeftijd van de kinderen van de heer Zwartendijk?
Ik deel uw mening dat een gedenkteken op het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de heer Zwartendijk en de diplomaten die zich met hem hebben ingezet voor Joodse vluchtelingen, passend zou zijn. De voorbereidingen daartoe zijn reeds in gang gezet.
