Bent u bekend met het NRC-artikel «Van drugs tot pijnstillers: met hun uitgebreide menukaart slaan WhatsApp-dealers een pijler weg onder het drugsbeleid»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat drugsdealers via WhatsApp en andere sociale media uitgebreide drugsmenu’s aanbieden waarin zowel softdrugs, harddrugs, designerdrugs als geneesmiddelen worden verkocht? Zo ja, hoe groot is voor zover bekend deze vorm van handel in Nederland?
Ik herken dit beeld. In Nederland verloopt de onlinehandel via sociale media platforms, het dark net en het openbare web. Onder jongvolwassen gebruikers blijken mobiele apps, zoals WhatsApp, Telegram of Snapchat een populair kanaal om contact te leggen met verkopers. De drugsmenu’s die op grote schaal verspreid worden via interpersoonlijke communicatiediensten door aanbieders, zijn al geruime tijd een bekende modus operandi.
Hoe groot deze vorm van handel is, is lastig te zeggen. Er is bij georganiseerde criminaliteit sprake van een «dark number» en daardoor is het sowieso lastig om een schatting van de totale omvang van de markt te maken. Daarnaast registreren OM en politie niet of een drugsdelict zich geheel in de fysieke wereld of (deels) online heeft afgespeeld, aangezien dit geen verschil maakt in de strafbaarheid van de handelingen.
In hoeverre deelt u de analyse dat de online verkoop via berichtendiensten het klassieke uitgangspunt van het Nederlandse drugsbeleid, de scheiding tussen soft- en harddrugsmarkten, in de praktijk ondermijnt?
Deze scheiding wordt onder andere gekenmerkt door het bestaan van coffeeshops waar mensen cannabis kunnen kopen zonder dat ze met Lijst I-producten in aanraking komen. Het Nederlandse beleid leidt tot een grotere scheiding van de markt van Lijst I- en Lijst II-middelen, maar uiteraard niet tot een volledige. Desondanks blijft er helaas sprake van een illegale (straat)markt die parallel aan de verkoop in coffeeshops plaatsvindt.
Volgens de Nationale Drug Monitor (NDM) koopt «het merendeel van de cannabisgebruikers die hun cannabis zelf kopen» in een coffeeshop. Aankoop via illegale verkooppunten, zoals thuisdealers en straatdealers komt onder de algemene bevolking minder voor. Het aantal coffeeshops is in Nederland sinds 2017 stabiel.2 Vooralsnog zijn er dus geen aanwijzingen dat er een (grootschalige) verschuiving plaatsvindt van mensen die hun cannabis bij coffeeshops kopen naar versleutelde berichtendiensten. Daarmee lijkt er op dit moment geen sprake van ondermijning van dit klassieke uitgangspunt van het Nederlandse beleid.
Welke mogelijkheden hebben politie en justitie momenteel om op te treden tegen dealers die via WhatsApp, Snapchat of andere berichtendiensten drugs aanbieden en bezorgen?
Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op dit soort strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan – indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat – communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
Er zijn op dit moment geen effectieve, schaalbare oplossingen om drugshandel tegen te gaan die één op één verloopt via end-to-end versleutelde berichtendiensten zoals WhatsApp of Signal. In Nederland zijn telecommunicatiediensten zoals KPN of Vodafone wettelijk verplicht om toegang tot informatie in leesbare vorm te verstrekken op basis van een gerechtelijke vordering;3 voor nummeronafhankelijke communicatiediensten, zoals WhatsApp of Signal, geldt deze verplichting niet. Omdat deze diensten tevens aangeven dat zij geen toegang hebben tot de communicatie van hun gebruikers, kunnen zij ook niet meewerken aan een vordering om deze informatie alsnog te verstrekken. De Digital Services Act (DSA) biedt in deze gevallen ook geen uitkomst; nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten vallen niet onder het toepassingsgebied van de DSA. WhatsApp is een hybride dienst, omdat de aangeboden functie «kanalen» kwalificeert als online platform, waardoor WhatsApp voor dat specifieke gedeelte onder de DSA valt. Echter, de functie voor privéberichten is uitdrukkelijk uitgezonderd, omdat deze niet voldoet aan de definitie van een online platform.
De situatie waarbij niemand toegang heeft tot de inhoud van communicatie behalve de gebruiker zelf en de personen waarmee deze communiceert, heeft uiteraard veel voordelen. Zo biedt het privacy. De keerzijde hiervan is uiteraard dat dit het de bestrijding van criminaliteit bemoeilijkt. Communicatie over strafbare feiten komt immers meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon in beslag kan worden genomen én kan worden gekraakt.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft uw Kamer op 29 augustus 2025 hierover geïnformeerd.4 Het is op dit moment nog moeilijk te zeggen wat de uitkomsten daarvan zullen zijn en of dit een oplossing gaat bieden voor het geschetste probleem.
Klopt het dat het verbod op reclame voor drugs in de praktijk online nauwelijks handhaafbaar is? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om online marketing van drugs effectiever te bestrijden?
Voor zover reclame voor drugs als illegale inhoud kwalificeert en is geplaatst op een tussenhandeldienst waarop de Digital Services Act (DSA) van toepassing is, kan daarvan melding worden gedaan bij de desbetreffende hostingdienst of het online platform. Een tussenhandeldienst is bijvoorbeeld een website of app waarop anderen op eigen initiatief content kunnen plaatsen. Denk aan websites of apps waarop gebruikers zelf video’s, afbeeldingen of reviews kunnen plaatsen of hun producten of diensten kunnen aanbieden. Hostingdiensten en online platforms zijn gehouden actie te ondernemen zodra zij op de hoogte zijn gebracht van de aanwezigheid van illegale inhoud op hun dienst.
Welke afspraken bestaan er momenteel met platforms en berichtendiensten zoals WhatsApp en Snapchat over het signaleren en verwijderen van accounts die drugs aanbieden?
Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen platforms en berichtendiensten. Voor de handhaving van illegale inhoud op platforms, zoals reclame voor drugs, is de DSA van toepassing.
De DSA biedt echter geen uitkomst bij het tegengaan van illegale inhoud die één op één wordt verstuurd via nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten (zoals WhatsApp of Signal); deze functie valt expliciet buiten de reikwijdte van de DSA. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of platforms en berichtendiensten een grotere verantwoordelijkheid kunnen krijgen bij het opsporen en verwijderen van drugshandel via hun diensten?
Nummeronafhankelijke interpersoonlijke communicatiediensten zijn uitgezonderd van de reikwijdte van de DSA. Zoals aangegeven in mijn beantwoording van vraag 4 worden eventuele technische mogelijkheden in Europees verband onderzocht. Of dit traject werkbare oplossingen zal opleveren om het geschetste probleem aan te pakken, is nog onduidelijk.
In de DSA zijn de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van tussenhandeldiensten, zoals hostingdiensten en online platforms, geregeld. Via deze diensten kunnen gebruikers online teksten, afbeeldingen, video’s of andere content doorgeven, opslaan of openbaar maken. De DSA is een EU-verordening met maximumharmonisatie. Binnen haar toepassingsgebied bestaat geen ruimte voor lidstaten om aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden.5 Op nationaal niveau kunnen daarom geen aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen aan tussenhandeldiensten worden opgelegd. Het kabinet zet in op een effectieve en uniforme toepassing en handhaving van de DSA. In 2027 wordt de DSA geëvalueerd op het effect en doeltreffendheid. De regels omtrent verantwoordelijkheden van online platforms zullen dan ook worden geëvalueerd en verdere aanscherping kan zo nodig worden overwogen. Mijn ministerie zal aan deze evaluatie actief bijdragen en ervaringen, zoals op dit thema, inbrengen.
Hoe beoordeelt u de signalen dat dealers naast drugs ook geneesmiddelen of nagemaakte medicijnen verkopen, waaronder mogelijk zeer gevaarlijke stoffen zoals nitazenen?
Deze signalen zijn zeer verontrustend. De problematiek van het online aanbod van illegale (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs heeft de expliciete aandacht van het kabinet. Inmiddels is breed bekend dat het OM onderzoek doet naar het verband tussen het online bestellen van (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs en sterfgevallen met betrekking tot de websites Funcaps.nl en Slaappillen.net. Om te komen tot een effectieve aanpak van deze problematiek heeft mijn ministerie samen met het Ministerie van VWS intensief overleg gevoerd met alle betrokken instanties die belast zijn met de opsporing en handhaving. Uw Kamer zal voor de zomer een brief ontvangen over deze problematiek.
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s van de nitazenen, zeer sterke synthetische opioïden. Er zijn inmiddels al meerdere nitazenen onder de Opiumwet gebracht na internationale risicobeoordelingen. Het gevaar is echter dat er steeds nieuwe nitazenen op de markt worden gebracht die nog niet onder de Opiumwet vallen. Om deze reden werkt het kabinet aan regelgeving waarbij de nitazenen als stofgroep worden toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Dat is mogelijk geworden met de wijziging van de Opiumwet van 1 juli 2025. Als een stofgroep wordt verboden zijn alle nieuwe varianten binnen die stofgroep automatisch verboden. Het kabinet streeft ernaar om de AMvB die de nitazenen als stofgroep toevoegt aan deze Opiumlijst IA toevoegt per 1 juli in werking te laten treden. Vanaf dat moment heeft de politie meer mogelijkheden om te handhaven op dit soort gevaarlijke synthetische opioïden.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat jongeren via sociale media laagdrempelig in contact komen met dealers die naast softdrugs ook harddrugs en farmaceutische middelen aanbieden?
Onder de DSA bestaan verschillende verplichtingen en maatregelen die beogen de toegang van jongeren tot illegale of anderszins schadelijke online content tegen te gaan. Zo verplicht artikel 28 DSA online platforms om passende en evenredige maatregelen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. De Europese Commissie heeft hierover recent richtsnoeren gepubliceerd. Uw Kamer is daar op 14 november 2025 over geïnformeerd.6 Aangewezen zeer grote online platforms (zogeheten Very Large Online Platforms – VLOPs) dienen de systeemrisico’s, waaronder de schadelijke effecten van hun dienst op minderjarigen en de verspreiding van illegale inhoud, te identificeren en beperken.
Het Ministerie van BZK heeft in het kader van het online kinderrechtenbeleid een kinderrechten impact assessment ontwikkeld die kan worden ingezet om risico’s van een digitale dienst in kaart te brengen.
Daarnaast is het van belang dat ouders en opvoeders al vroeg betrokken zijn bij de online activiteiten van hun kinderen, zodat kinderen mediawijs opgroeien en daarbij ondersteund kunnen worden. Daarom heeft het Ministerie van VWS in juni 2025 de richtlijn gezond schermgebruik voor ouders en opvoeders gelanceerd, met als doel ouders en opvoeders te ondersteunen bij het gezond opvoeden en opgroeien van kinderen online.
Het Ministerie van VWS financiert drugspreventieprogramma’s specifiek voor jongeren en sociale media. Deze richten zich vooral op voorlichting en schadebeperking. Dit is onderdeel van het preventiebeleid van het kabinet om middelengebruik bij jongeren te voorkomen, uit te stellen of te verminderen.
Acht u het huidige instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders toereikend genoeg om de combinatie van online marketing en offline drugshandel effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Het huidige wettelijke instrumentarium van politie, justitie en toezichthouders is in mijn ogen toereikend genoeg als het gaat om illegale content op platforms en opsporing van offline drugshandel, maar als het gaat om handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten zie ik belemmeringen. De politie brengt altijd prioritering aan in de inzet van opsporingscapaciteit op basis van professionele inschattingen, dat geldt ook voor opsporing in het digitale domein. De politie doet in veel gevallen onderzoek naar criminele organisaties en niet naar online marketing van drugs. Door de verschuiving van offline criminaliteit naar online criminaliteit, verschuift ook de aandacht van de politie meer naar online criminaliteit. Zoals aangekondigd wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. De aanpak van online drugshandel is een van de diverse vormen van online criminaliteit die extra aandacht vragen. Daarnaast kan worden gedacht aan het delen van naaktbeelden van onwetende slachtoffers, het oplichten of afpersen van burgers en andere vormen van cyber- of gedigitaliseerde criminaliteit die aandacht vragen van de opsporingsinstanties.
Voor wat betreft de bestrijding van criminaliteit die verloopt via grote berichtendiensten zoals Whatsapp en Signal verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4. Waar het gaat om de rol van platformen en het tegengaan van illegale online content, verwijs ik naar het antwoord op vraag 7 waarin ik aangeef actief te zullen bijdragen aan de evaluatie van de DSA.
Deelt u de zorg dat de combinatie van online bestellen en snelle bezorging de toegankelijkheid van drugs vergroot en daarmee mogelijk ook het gebruik en verslavingsproblematiek doet toenemen, met name onder jongeren die actief zijn op deze platforms?
Ik deel die zorg. Zoals bij het antwoord op vraag 10 is beschreven, maakt het kabinet extra middelen vrij voor de aanpak van online drugshandel. Daarnaast zet het kabinet in op het denormaliseren en voorkomen van drugsgebruik.
Kun u onderzoeken of de huidige aanpak van online drugshandel en digitale marketing van drugs moet worden aangescherpt en de Kamer hierover informeren?
Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de online handel in andere verboden middelen. De investering in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs op platforms ten goede komen. De knelpunten in de online handhaving liggen over de hele linie onder andere in het gebruik van veelal versleutelde platforms of interpersoonlijke berichtendiensten, schaarste in capaciteit bij betrokken (opsporings)diensten en het bestaan van open grenzen. Voor het openbaar toegankelijke internet moet in de komende periode in de praktijk verder blijken hoe de Digital Services Act (DSA) uitwerkt, waarbij richting 2027 de werking wordt gemonitord en uiteindelijk geëvalueerd (zie ook het antwoord op vraag 7). Ik zal de Kamer nader informeren over de huidige aanpak van online drugshandel en de uitdagingen die daarmee samenhangen.
Voor de digitale marketing van drugs is het voor de handhaving van belang dat er meer waarborgen komen, waarmee er een zelfreinigend mechanisme vanuit de platforms zelf gecreëerd zou worden. Voor zover op Europees niveau wordt gezocht naar veilige en privacy-vriendelijke manieren om gericht toegang te verkrijgen tot versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Robert van Asten (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»1?
Ja.
Deelt u de opvatting dat bij grootschalige woningbouwlocaties voorzieningen zoals onderwijs en zorg vanaf de start onderdeel moeten zijn van de gebiedsontwikkeling, juist met het oog op de verwachte groei van het aantal inwoners?
Ja. Het is aan gemeenten en schoolbesturen om te zorgen dat basisvoorzieningen zoals onderwijs vanaf de start onderdeel zijn van gebiedsontwikkelingen.
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van de openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit zijn regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel grootschalige woningbouwgebieden voorzieningen zoals basisscholen onder druk staan of dreigen te verdwijnen, doordat zij in de opstartfase nog niet voldoen aan geldende normen voor leerlingaantallen?
Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel basisscholen zijn opgeheven omdat ze te klein waren en specifiek in grootschalige woningbouwgebieden stonden. De reden voor een schoolsluiting kan verschillen. Soms heeft dit te maken met het stoppen van bekostiging door de rijksoverheid vanwege een te laag leerlingenaantal, maar een schoolbestuur kan ook zelf besluiten een school te sluiten. Dit kan ook als de school niet onder de opheffingsnorm zit. Schoolsluitingen worden, vanaf 1997, door DUO in een openbaar toegankelijk bestand geregistreerd.2
Hoe beoordeelt u het feit dat gebiedsontwikkeling niet (altijd) een lineair bouwproces kent en dat de verwachte groei van inwoners waaronder kinderen dus ook met sprongen gaat en dat dit dus nadelig kan uitwerken voor de bezettingsgraad van een school?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit de evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. Daarom verkent de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel kan worden gecreëerd.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Door middel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Hoe beoordeelt u het spanningsveld dat ontstaat wanneer enerzijds wordt ingezet op versnelde woningbouw en gebiedsontwikkeling, terwijl anderzijds de bekostigingssystematiek voor voorzieningen zoals scholen onvoldoende ruimte biedt om de aanloopfase van zulke gebieden te overbruggen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u toelichten waarom in de Binckhorst de bestaande basisschool moet sluiten vanwege leerlingenaantallen, terwijl op basis van verwachte inwonersgroei binnen enkele jaren juist weer een nieuwe school nodig is?
Deze bassischool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien.4 De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Ziet u mogelijkheden om binnen de huidige regelgeving meer ruimte te bieden voor maatwerk in groeigebieden, bijvoorbeeld via tijdelijke ontheffingen, aangepaste leerlingennormen of andere vormen van overbruggingsbekostiging?
Zoals in antwoord op vraag 4 en 5 is beschreven wordt de mogelijkheid verkend voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
Welke instrumenten heeft het Rijk verder om, samen met gemeenten en andere betrokken partijen, te borgen dat voorzieningen zoals onderwijs en zorg gelijktijdig met woningbouw worden gerealiseerd?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit zijn regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouw. Conform coalitieakkoord werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat door middel van koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. In de Taskforce Versnellen Woningbouw ziet de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouwontwikkelingen.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te voorkomen dat nieuwe woonwijken in de eerste jaren onvoldoende toegang hebben tot essentiële voorzieningen?
Nee. Het ministerie financiert middels de huidige stimuleringsregelingen geen voorzieningen, m.u.v. de eerder genoemde regeling gebiedsbudget. Middels deze regeling wordt openbare ruimte (parken en pleinen) binnen nationaal grootschalige woningbouwlocaties gesubsidieerd. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit verder mijn aandacht.
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht dat de trans-Atlantische slavenhandel door de VN bestempeld is als "de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid" ooit |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het absurde bericht dat de Verenigde Naties (VN) de trans-Atlantische slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit heeft bestempeld?1
Het kabinet is bekend met de betreffende resolutie.
Vindt u het ook krankzinnig dat er kennelijk landen zijn die VN-resoluties misbruiken om misdaden tegen de menselijkheid te rangschikken om politieke redenen en geld?
Het kabinet ziet zowel het belang van blijvende aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, als het historische onrecht en de doorwerking daarvan tot op de dag van vandaag. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Heeft u de initiatiefnemer van de VN-resolutie gevraagd waarom de grootschalige islamitische slavenhandel kennelijk veel minder erg was dan de trans-Atlantische?
Het kabinet is van mening dat alle vormen van slavernij en slavenhandel, waar en door wie ook dan ook, ernstige misdrijven zijn. De resolutie richt zich specifiek op de trans-Atlantische slavenhandel en de historische en hedendaagse gevolgen daarvan. In de onderhandelingen heeft Nederland zich gericht op de inhoud van de voorliggende resolutie en de daarbij relevante juridische en beleidsmatige aspecten.
Wanneer gaat u deze waanzin, waarmee gruwelijke misdaden tegen de menselijkheid zoals de Holocaust in feite naar beneden worden getrapt, publiekelijk en ferm veroordelen?
Alle misdrijven tegen de menselijkheid zijn van uitzonderlijke ernst en verdienen blijvende erkenning en herdenking. Het kabinet ondersteunt het aanbrengen van een hiërarchie tussen dergelijke misdrijven niet en heeft dit standpunt, alsook het standpunt met betrekking tot het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en eventuele juridische implicaties daarvan, ook kenbaar gemaakt in het kader van deze resolutie.
Wat gaat u doen om te verhinderen dat het slavernijverleden als verdienmodel binnen alle organisaties en afdelingen van de VN blijft doorwoekeren als een ernstige ziekte?
Aandacht voor het slavernijverleden is een kwestie van erkenning en maatschappelijke rechtvaardigheid. Het kabinet zet zich binnen de VN in voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Waarom heeft Nederland niet gewoon glashelder TEGEN deze absurde VN-resolutie gestemd?
Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming. Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft, namelijk de erkenning van de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning, herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Deelt u de mening dat de VN zich beter bezig kan houden met bestrijding van de hedendaags bestaande slavernij waarbij in het bijzonder voor de Afrikaanse Unie een rol weggelegd kan zijn?2
Het kabinet acht de bestrijding van hedendaagse vormen van slavernij, zoals mensenhandel en uitbuiting, van groot belang. Nederland zet zich hier zowel nationaal als internationaal voor in, onder meer binnen de VN en in samenwerking met regionale organisaties zoals de Afrikaanse Unie.
Het bericht 'Minister Boekholt gebruikte geen telefoon- en douchemuntjes in Afghanistan: ‘Het citaat klopt niet’' |
|
René Claassen (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Minister Boekholt gebruikte geen telefoon- en douchemuntjes in Afghanistan: «Het citaat klopt niet»»?1
Ja.
Welke zwaarwegende redenen had u om in een toonaangevende buitenlandse krant nepnieuws te verspreiden?
In de Kamerbrief van 26 maart (2026D13974) heb ik een toelichting gegeven op mijn uitspraken in dit interview. Op 12 maart bracht ik een werkbezoek aan de provincie Utrecht in het kader van woningbouw en beperkende factoren hiervoor, zoals stikstof en netcongestie. Tijdens dit werkbezoek waren journalisten aanwezig, waaronder een verslaggever van The Guardian.
In gesprek met de journalist van The Guardian gaf ik wat voorbeelden van hoe mensen om kunnen gaan met schaarste. Hierbij verwees ik onder meer naar schaarste tijdens militaire uitzendingen. Hoewel ik hiermee bedoelde te onderstrepen dat we samen veel voor elkaar kunnen krijgen, heeft dit voorbeeld voor verwarring gezorgd. Ik had dit voorbeeld niet moeten gebruiken en mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen. Daar trek ik lering uit.
Is deze werkwijze toonaangevend voor uw verdere werkwijze als dienaar van de Kroon? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het werkbezoek sprak ik over mijn werk als woonminister en de uitdagingen rond woningbouw en netcongestie, zoals ik eerder ook in uw Kamer en met andere Nederlandse journalisten heb gedaan. In gesprek met The Guardian had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen.
Waarom heeft u de fout pas erkend nadat de Volkskrant hier verder onderzoek naar gedaan heeft?
In gesprek met de journalist van The Guardian gaf ik wat voorbeelden van hoe mensen om kunnen gaan met schaarste. Hierbij verwees ik onder meer naar schaarste tijdens militaire uitzendingen.
De tekst is niet vooraf ingezien. Na publicatie zag ik dat het voorbeeld voor verwarring zorgde. Daarover heb ik in de brief van 26 maart toelichting gegeven.
Vindt u dit passen bij het door het huidige kabinet uitgedragen mantra over de nieuwe bestuurscultuur? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Was het hiervoor benoemde voor u de aanleiding om de Kamer middels uw brief van 25 maart jl. niet tijdig en volledig te kunnen en/of willen beantwoorden?
Nee. Ik heb uw Kamer op 26 maart via eerder genoemde brief geïnformeerd over resterende vragen over mijn interview in The Guardian.
Vindt u uw handelen passen binnen het grondwettelijke recht van het parlement op informatie, zoals beschreven in artikel 68 van de Grondwet? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het werkbezoek sprak ik over mijn werk als woonminister in lijn met het coalitieakkoord, zoals ik eerder ook in uw Kamer en met andere Nederlandse journalisten heb gedaan. Ik had mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen om te voorkomen dat er verwarring zou kunnen ontstaan. Hierover heb ik de Kamer op 26 maart geïnformeerd.
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk, doch uiterlijk voor 31 maart a.s., beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Flitsbezoek minister Yeşilgöz aan marinefregat Evertsen kostte 92.997 euro' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van RTL Nieuws waarin staat dat het bezoek aan de Evertsen bijna een ton heeft gekost?1
Het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen vond ik van grote betekenis. Het zijn onze mensen die naar een kwetsbaar gebied afreizen voor een inzet die bijdraagt aan de Nederlandse vrede en veiligheid. Ik ben van mening dat het daarom cruciaal was om als Minister van Defensie zo snel mogelijk af te reizen om mijn steun en waardering te tonen aan de bemanning, ook namens het kabinet en de Kamer.
Hoe verantwoordt u deze uitgave terwijl dit kabinet tegelijkertijd bezuinigt op zorg en sociale zekerheid en er geen geld beschikbaar is om mensen te helpen de energierekening te betalen?
Ik deel de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Dat geldt uiteraard ook bij het maken van reizen. Reiskosten zijn altijd een factor die wordt meegewogen bij de planning van reizen en het kiezen van reisopties. Tegelijkertijd zijn reizen soms van grote betekenis, waarbij ook niet-financiële aspecten zwaarwegend zijn. Dat geldt mijns inziens ook voor een troepenbezoek als dit, waarbij de betrokken militairen plotseling hebben moeten schakelen tussen een situatie waarin zij op oefening waren, naar een ernst-inzet met alle risico’s van dien. Als eindverantwoordelijke wilde ik mijn dank en steun uitspreken, zoals ook past bij de rol van Minister van Defensie.
Wat hebben deze uitgave en dit bezoek anders opgeleverd dan een filmpje voor Defensie?
Onze vrijheid en veiligheid zijn niet vrijblijvend. Onze militairen weten dat als geen ander en zetten zich hier dagelijks voor in, met alle risico’s die daarmee gemoeid gaan. Ik vond het essentieel de bemanning van Zr. Ms. Evertsen een hart onder de riem te steken voor het belangrijke werk dat zij op zich nemen tijdens deze missie.
Deelt u de mening dat er andere keuzes met dit geld gemaakt hadden kunnen worden waar mensen in Nederland wel wat aan zouden hebben gehad?
Zie het antwoord op vraag 2.
Vindt u het maken van filmpjes de beste besteding van uw tijd?
Het werk van onze militairen zichtbaar en transparant maken is een belangrijk onderdeel van het communicatiebeleid van Defensie, waar ik als Minister van Defensie een belangrijke rol in heb te spelen. Dat communicatiebeleid is er op gericht inzicht te bieden in het werk van Defensie. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van kanalen en middelen die goed aansluiten bij onze doelgroepen, zoals video’s. Het troepenbezoek, met als doel samen met de verantwoordelijk commandanten persoonlijk de steun en waardering van het kabinet en de Kamer aan de bemanning over te brengen, is een uitstekende gelegenheid om het belangrijke werk van onze mensen onder de aandacht te brengen. Tot slot is deze communicatie van belang om het draagvlak in de samenleving voor onze activiteiten te behouden en verder te vergroten.
Deelt u de mening dat dit soort keuzes niet bijdragen aan het vertrouwen in de politiek? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Ik ben van mening dat het cruciaal was om als Minister van Defensie, samen met de verantwoordelijk commandanten, zo snel mogelijk af te reizen om dank en steun uit te spreken richting de bemanning van Zr. Ms. Evertsen. Een bezoek brengen aan een lopende missie is, zowel in Nederland als in internationale context, een gangbare manier om dank en steun uit te spreken en daarmee een belangrijk onderdeel van mijn werk als Minister.
De nieuwe Archiefwet die naar verluidt met het huidige stelsel niet uitvoerbaar is |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de zinvolheid van het streven om de Archiefwet 1995 te actualiseren staat of valt met de uitvoerbaarheid ervan?
Ja. Het feit dat de huidige Archiefwet 1995 steeds minder goed uitvoerbaar wordt, is één van de belangrijkste redenen voor de modernisering. Waar de huidige Archiefwet 1995 nog gebaseerd is op de oude werkelijkheid van een papieren archief, biedt het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. betere kaders voor goed digitaal informatiebeheer en digitale archivering. Dit is nodig om overheidsinformatie duurzaam digitaal te beheren vanaf creatie. De vormgeving van de Archiefwet 20.. en de onderliggende regelgeving maakt het daarbij gemakkelijker om de wet- en regelgeving aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen.
Hoe beoordeelt u de constatering dat er bij de nieuwe Archiefwet sprake is van een fundamentele mismatch tussen wet, digitale werkelijkheid en bestuurlijke keuzes, die deze onuitvoerbaar maakt?1
Ik deel deze constatering niet. Het artikel waarnaar verwezen wordt, richt zich met name op waardering en selectie van overheidsinformatie. Het stelt dat het huidige selectiestelsel is gebaseerd op procesmatige lijsten en handmatige beoordeling, ontwikkeld in een papieren tijdperk, terwijl deze werkwijze in een digitale omgeving niet vol te houden is, omdat informatieproductie daarin continu en grootschalig is. De waardering en selectie van overheidsinformatie is echter bij uitstek een onderwerp waarvoor met de Archiefwet 20.. en het daarmee gepaard gaande beleid een andere koers wordt ingezet.2 De Archiefwet 20.. staat vereenvoudiging van categorieën bij de waardering van documenten expliciet toe, en biedt daarmee ruimte voor waardering volgens andere methodieken dan de klassieke procesmatige waardering. De Archiefwet 20.. biedt daarmee onder andere ruimte voor de zogeheten sleutelfunctiemethodiek die geschikt is om op een eenvoudige, heldere en te automatiseren manier te bepalen welke e-mails en chatberichten tijdelijk te bewaren zijn en welke blijvend. Daarnaast krijgt de rijksarchivaris op basis van het concept-Archiefbesluit 20.. de bevoegdheid om modelselectiebesluiten vast te stellen om eenheid in de waardering van overheidsinformatie te bevorderen. Het uitgangspunt blijft hierbij wel dat vernietiging van overheidsdocumenten alleen kan op basis van een geldig selectiebesluit. Dit verzekert dat de keuze hoelang documenten worden bewaard bewust én verantwoord wordt genomen.
Hoe houdt uw nieuwe Archiefwet ermee rekening dat de hoeveelheid overheidsinformatie explosief groeit, met e-mails, chatberichten, samenwerkingsdossiers en datasets, maar tegelijkertijd de informatie beter moet worden beheerd dan ooit tevoren, met de naar tien jaar verkorte overbrengingstermijn van de nieuwe Archiefwet, de hogere eisen van digitale duurzaamheid, de Wet open overheid (Woo), die om snelle vindbaarheid vraagt en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), die verplicht tot tijdige vernietiging?
De nieuwe Archiefwet draagt bij aan een oplossing voor het probleem van de groei van vastgelegde informatie door een helder juridisch kader te bieden voor het beheer van documenten door overheidsorganen, het vastleggen van bewaartermijnen, en voor de openbaarheid van documenten na overbrenging naar een archiefdienst. Ook de verkorting van de overbrengingstermijn helpt daarbij. Goed beheer van documenten is een voorwaarde om aan de Wet open overheid te kunnen voldoen. In de nieuwe Archiefwet wordt benadrukt dat beheer van digitale documenten voortdurende zorg vereist. Hierbij mogen overheidsorganen op basis van een risicobenadering keuzes maken in de benodigde beheermaatregelen voor verschillende documenten die zij beheren.
Tegelijkertijd is het van belang dat documenten tijdig worden gewaardeerd en op tijd worden vernietigd als dat moet, op basis van een geldend selectiebesluit. Door de Archiefwet aldus juist toe te passen, kan ook worden voldaan aan de eisen van de AVG.
Hoe verklaart u de achterstanden, versnipperde opslag en gebrekkige metadata, die leiden tot vertraging bij Woo-verzoeken en persoonsgegevens die soms langer bewaard blijven dan toegestaan?
Er zijn diverse factoren die de achterstanden in de informatiehuishouding hebben veroorzaakt. De hoeveelheid en diversiteit van digitale informatie is de afgelopen jaren exponentieel toegenomen. Er is in het verleden onvoldoende tijd, geld en aandacht geweest voor het in huis hebben van specialistische kennis en het informatiebewustzijn van medewerkers. De sturing was onvoldoende, het informatie- en applicatielandschap is complex en er zijn diverse aanscherpingen geweest op het gebied van privacy en beveiliging.
Het rijksbrede programma Open Overheid werkt sinds 2021 aan de verbetering van de informatiehuishouding en het voldoen aan de wettelijke eisen voor openbaarmaking (Wet open overheid). Sinds 2021 wordt jaarlijks de groei in volwassenheid van de informatiehuishouding gemeten. Op een schaal van 1 tot 4, met de ambitie om in 2026 rijksbreed minimaal niveau 3 te bereiken, laat de meest recente meting over 2025 zien dat een gemiddeld niveau van 2,6 is bereikt.
De verbeteroperatie is langdurig en verloopt stapsgewijs, met grote aandacht voor de structurele borging van verbeteringen in het stelsel. De verbeteroperatie is gericht op meer menskracht, betere kennis, verbetering van werkprocessen, adequate ICT-systemen en versterkte sturing.
Departementen en hun organisaties hebben zich in het Meerjarenplan Openbaarheid en Informatiehuishouding 2026–20303 ertoe verplicht om, indien dit nog niet het geval is, minimaal volwassenheidsniveau 3 te realiseren. De voortgang wordt gevolgd via metingen die openbaar worden gemaakt via een rijksbreed dashboard.
Hoe beoordeelt u de afhankelijkheid van buitenlandse technologie, bij opslag en verwerking van overheidsinformatie in cloudomgevingen van internationale aanbieders, mede in het licht van de Amerikaanse CLOUD Act?
Met de modernisering van de Archiefwet worden ook het Archiefbesluit (een algemene maatregel van bestuur) en de Archiefregeling (een ministeriële regeling) vernieuwd. In deze lagere regelgeving, die onderdelen van het wetsvoorstel uitwerkt, worden onder andere nadere eisen gesteld aan duurzame toegankelijkheid, bestandsformaten en metadata. De concept-Archiefregeling 20.. bevat, mede vanwege recente ontwikkelingen rond digitale autonomie, een bepaling op grond waarvan de opslag en verwerking van documenten moet plaatsvinden binnen het grondgebied van de Europese Unie, in landen binnen de Europese Economische Ruimte, of binnen landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, tenzij het verantwoordelijk overheidsorgaan vanwege zijn taak op grond van internationale verdragen hiervan moet afwijken. In een tijd waarin archieven bijna uitsluitend analoog waren, reproductietechnieken zich beperkten tot microfiche en -film lag het voor de hand archieven dichtbij te bewaren en was een dergelijke bepaling niet nodig. Door de digitalisering is dit veranderd.
De concept-Archiefregeling 20.. geeft hiermee richting en biedt nadrukkelijk ook de ruimte voor overheden om een strikter beleid te voeren. Daarnaast werkt het Ministerie van BZK momenteel aan een herziening van het cloudbeleid waarin de vereisten verder worden aangescherpt voor de rijksoverheid.
Wat betreft de Verenigde Staten gebruikt de Nederlandse overheid het EU-US Data Privacy Framework (DPF) (sinds 10 juli 2023) als wettelijke basis voor het veilig doorgeven van persoonsgegevens naar gecertificeerde Amerikaanse organisaties. Voor een nadere toelichting op doorgifte op basis van het EU-US Data Privacy Framework verwijs ik gaarne naar de Kamerbrief d.d. 17 maart 2025 van de Staatssecretaris van BZK.4
Vormen standaardisatie, uniforme metadata en vergaande automatisering bij informatiebeheer geen voorwaarde voor een realistische naleving van de nieuwe Archiefwet?
Ja. Wat betreft standaardisatie en gebruik van uniforme metadata is om die reden in het wetsvoorstel de bevoegdheid opgenomen voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om normen vast te stellen die de eenheid, de kwaliteit of de doelmatigheid van de duurzame toegankelijkheid van documenten bevorderen. Deze normen zijn een aanvulling op de nadere regels in het concept-Archiefbesluit en de concept-Archiefregeling. Deze bevoegdheid kan worden gemandateerd aan de rijksarchivaris. De vaststelling van deze normen gebeurt in overeenstemming met de Minister van BZK5, en ook de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed wordt hierbij betrokken. Daarnaast ontwikkelen CIO-Rijk en het Nationaal Archief instructies en handreikingen. De normen, instructies en handreikingen komen tot stand met de benodigde expertise en bieden richting aan de uitvoering van de Archiefwet.
Wat betreft de automatisering van het informatiebeheer geldt het uitgangspunt dat overheidsorganen zelf verantwoordelijk zijn voor het goed beheren van hun documenten. Hierbij wordt steeds meer geautomatiseerd om de uitdagingen in het digitale informatiebeheer het hoofd te bieden, bijvoorbeeld door te werken aan automatische emailclassificatie. Hetzelfde geldt voor archiefdiensten die bijvoorbeeld werken aan het automatiseren van het maken van indexen die fungeren als toegang op overgebracht archief die het handmatig en tijdsintensief inventariseren en schrijven van deze indexen kan vervangen.6
Bent u bereid om informatiebeheer onderdeel te maken van digitale systemen zelf, met vereenvoudigde categorieën, verplichte standaarden en automatische toepassing van bewaartermijnen en tegelijkertijd expliciete keuzes maken over digitale soevereiniteit en de mate van afhankelijkheid van externe infrastructuur voor de meest kritieke informatie? Zo ja, hoe gaat u dit gestalte geven? Zo nee, waarom niet?
Deels. Zoals ik eerder bij antwoord 6 aangaf zijn overheidsorganen zelf verantwoordelijk voor het goed beheren van hun documenten. De eisen uit de nieuwe Archiefwet verplichten overheidsorganisaties echter wel om informatiebeheer onderdeel te maken van hun digitale systemen. De toezichthouders zien vervolgens toe op naleving. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed werkt momenteel aan een herziening van haar sanctiebeleid om onder andere de op basis van de nieuwe Archiefwet te introduceren bestuurlijke boete daarin op te nemen. Ook introduceert de nieuwe Archiefwet een verplichting om incidenten te melden bij de Inspectie.
Ik ondersteun de uitvoering van de Archiefwet door de vernieuwingen wat betreft waardering en selectie een speerpunt te maken bij de implementatie van de nieuwe Archiefwet. Zo is de nieuwe Archiefwet beter toegerust op waardering volgens de zogeheten sleutelfunctiemethodiek die geschikt is om op een eenvoudige, heldere en te automatiseren manier te bepalen welke e-mails en chatberichten tijdelijk te bewaren zijn en welke blijvend. Daarnaast krijgt de rijksarchivaris op basis van het concept-Archiefbesluit de bevoegdheid om modelselectiebesluiten vast te stellen om eenheid in de waardering van overheidsinformatie te bevorderen. Voor de vragen over digitale soevereiniteit verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Tot slot hecht ik er aan te benadrukken dat met het invoeren van het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. niet alle problemen in de informatiehuishouding bij de overheid zullen zijn opgelost. Dat vraagt langdurige inzet zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 uiteengezet heb en zoals ook in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is toegelicht.7 De nieuwe Archiefwet is daarbij wel een significante stap in de goede richting die op korte termijn gezet kan worden.
Bent u bekend met het bericht «Huisartsenpost Rotterdam verheerlijkt bombardement op Israëlische burgers: «Het is jullie tijd om te bloeden»»?1
Ja. Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een huisartsenpraktijk met een groot videoscherm op de gevel bombardementen op Israëlische burgers verheerlijkt? Zo ja, hoe gaat u daar tegen op treden? Zo nee, waarom niet?
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Diverse instanties hebben een rol in opsporings- of toezichtsonderzoek. Allereerst is er een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is. Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Tot slot is ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ) op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Bent u van mening dat deze arts zich hiermee aan de gedragscode voor artsen houdt? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties heeft dit?
De gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.3 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk.
Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden maakt daarvan deel uit.
Een privéjet voor Minister Yeşilgöz van bijna 93.000 euro voor een ééndaags bezoek |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat voor een eendaags werkbezoek een privéjet is ingehuurd voor 92.997 euro?1
Ja.
Welke concrete noodzaak rechtvaardigde deze uitzonderlijk dure keuze? Welke alternatieven zijn onderzocht en wie heeft hiervoor toestemming gegeven?
Het bezoek aan Zr. Ms. Evertsen vond ik van grote betekenis. Het zijn onze mensen die naar een kwetsbaar gebied afreizen voor een inzet die bijdraagt aan de Nederlandse vrede en veiligheid. Ik ben van mening dat het daarom cruciaal was om als Minister van Defensie zo snel mogelijk af te reizen met de verantwoordelijk commandanten om mijn waardering te tonen aan de bemanning, ook namens het kabinet en de Kamer.
Bij het plannen van reizen wordt altijd gekeken naar verschillende opties, waaronder de mogelijkheden voor inzet van regeringstoestellen, gebruik van lijnvluchten of eventuele alternatieven. In dit geval was de Gulfstream niet beschikbaar in verband met inzet elders.
Voor dit type reis met complicerende aspecten – waaronder tijdigheid, de veiligheidssituatie en het militaire/operationele karakter van bepaalde reisbewegingen – was geen geschikte alternatieve lijnvlucht beschikbaar. Uiteindelijk is gekozen voor inhuur.
Klopt het dat dit allemaal «volgens de regels» is gegaan, en zo ja, beseft u hoe totaal wereldvreemd dit overkomt op Nederlanders die hun energierekening en boodschappen nauwelijks nog kunnen betalen?
Ik deel de mening dat we scherp moeten zijn op de kosten die we maken. Dat geldt uiteraard ook bij het maken van reizen. Reiskosten zijn altijd een factor die wordt meegewogen bij de planning van reizen en het kiezen van reisopties. Tegelijkertijd zijn reizen soms van grote betekenis, waarbij ook niet-financiële aspecten zwaarwegend zijn. Dat geldt mijns inziens ook voor een troepenbezoek als deze. Dit gaat om militairen die dezelfde Nederlanders veilig houden, die plotseling hebben moeten schakelen tussen een situatie waarin zij op oefening waren, naar een ernst-inzet met alle risico’s van dien. Als eindverantwoordelijke wilde ik mijn dank en steun uitspreken, zoals ook past bij de rol van Minister van Defensie.
Deelt u de mening dat deze bijna 93.000 euro beter besteed had kunnen worden aan de inzetbaarheid en ondersteuning van onze militairen, in plaats van aan een duur pr-moment voor de Minister?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
De hoge energieprijzen naar aanleiding van de Iran oorlog |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
In de brief aan de Kamer van 16 maart 2026 geeft het kabinet aan de situatie nauwlettend te volgen en de komende periode potentiële maatregelen, inclusief de financiële consequenties, verder uit te werken: kunt u aangeven wanneer de Kamer de uitwerking van deze mogelijke maatregelen kan verwachten1?
Als bijlage bij de brief2 acties weerbaarheid energieschok is een overzichtstabel opgenomen met mogelijke maatregelen.
In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat deze mogelijke maatregelen pas in augustus kunnen worden betrokken bij de bredere besluitvorming over lasten en koopkracht: begrijpt u dat energiestations in de grensregio en energie-intensieve bedrijven nu al onder grote financiële druk staan en dat het voor hen simpelweg niet haalbaar is om tot augustus te wachten?
Het kabinet begrijpt de zorgen van burgers en bedrijven goed. Op korte termijn neemt het kabinet daarom een aantal maatregelen om de effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de onafhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Het kabinet heeft uw Kamer hier op 20 april per brief nader over geïnformeerd. De realiteit is echter ook dat de overheid de effecten van de energieschok niet volledig kan wegnemen. In deze brief gaat het kabinet ook uitgebreider in op met welke scenario’s rekening moet worden gehouden en welke type maatregelen er dan klaarliggen. Dit vraag telkens een zorgvuldige weging.
Kunt u aangeven wat de eerstvolgende mogelijkheid is voor de Kamer om eventuele maatregelen eerder dan augustus te behandelen en te besluiten?
Op korte termijn neemt het kabinet een aantal maatregelen om de effecten van de economische schok bij burger en bedrijven op te vangen, de weerbaarheid op de langere termijn te vergroten en de onafhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen. Dit voorstel wordt in de brief nader toegelicht. Het kabinet gaat hierover graag met uw Kamer in gesprek.
Heeft de Staat op dit moment extra inkomsten gegenereerd uit accijnzen en btw op brandstoffen als gevolg van de significant hogere adviesprijzen aan de pomp?
Indien dit het geval is, kunt u inzicht geven in de omvang van deze extra inkomsten?
Kunt u tevens aangeven wat het verwachte overschot zou zijn als deze prijsontwikkeling zich de komende periode voortzet?
Bent u van mening dat de situatie in het Midden-Oosten de druk op de energiemarkt verder vergroot en dat Nederland al jarenlang structureel hogere energieprijzen kent dan de omringende landen?
De huidige crisis in het Midden-Oosten onderstreept de kwetsbaarheid van Nederland door de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen uit het buitenland. Dit geeft zorgen en onzekerheid bij burgers en bedrijven over of de energierekening nog wel betaald kan worden en of de bedrijfsvoering in de huidige vorm kan worden voortgezet. Het is daarom belangrijk om weerbaarder te worden voor energieschokken, zodat de energiekosten voor burgers en bedrijven voorspelbaarder worden en het aanbod van energie meer in eigen hand hebben. Om de afhankelijkheid van olie- en gas verder te verminderen en de energiekosten structureel te verlagen, zet het kabinet in op het vergroten van energiezekerheid en betaalbare energie van eigen bodem. Daarnaast neemt het kabinet op korte termijn een aantal maatregelen om de energiekosten voor burgers en bedrijven te verlagen. Zo wordt voor 2026 onder andere extra budget vrijgemaakt voor het Warmtefonds en wordt versneld geld uit het Klimaatfonds overgeheveld om het MKB te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen. Ook wordt de onbelaste reiskostenvergoeding verhoogd en de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers en vrachtwagens verlaagd.
Kunt u toelichten op welke wijze het kabinet werkt aan een structurele oplossing voor de hoge energiekosten, in plaats van tijdelijke maatregelen, zodat het ondernemersklimaat duurzaam wordt versterkt?
Zie antwoord vraag 7.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel en het vervolg van de maatwerkafspraak |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke rol u voor de Expertgroep Gezondheid IJmond ziet in de verdere uitwerking van de maatwerkafspraak met Tata Steel en de opvolging van de afspraken?
Kunt u toelichten hoe u de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft meegewogen – en waarom bepaalde adviezen wel of niet zijn overgenomen – bij het opstellen van de Joint Letter of Internt (JLoI) met Tata Steel?
Bent u van plan om in lijn met de motie-Tijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond, ook voor zover deze niet in de JLoI zijn opgenomen, als harde voorwaarde mee te nemen in de onderhandelingen en uitwerking van de uiteindelijke maatwerkafspraak?
Kunt u een toelichting geven op het proces, inclusief de tijdlijn, om te komen tot een MER en een GER, en op de rol die beide instrumenten hebben bij vergunningverlening en het al dan niet verstrekken van subsidie?
Indien de maatwerkafspraak in september wordt ondertekend, heeft u, en daarmee de Kamer, dan voldoende inzicht in de gezondheidseffecten van de afspraken, afrekenbare garanties op vermindering van schadelijke effecten, vergunningverlening en de mogelijk te verstrekken subsidie?
Wordt de GER, naast een informatief instrument, ook een sturend instrument?
Zullen, zoals geadviseerd door de Expertgroep Gezondheid IJmond, naast de MER ook de resultaten van de GER voorwaardelijk worden gemaakt voor vergunningverlening?
Hoe gaat u de kennis- en meetlacunes ten aanzien van gezondheidseffecten, bijvoorbeeld van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en ultrafijnstof, adresseren?
Hoe gaat u de noodzakelijke omvang van het meetnetwerk, nieuwe meetmethoden en de resultaten daarvan een integraal en afdwingbaar onderdeel maken van de maatwerkafspraken?
Bent u van plan om, in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond, afdwingbare gezondheidsdoelen op te nemen in de uiteindelijke maatwerkafspraak, en hoe worden deze doelen vastgesteld (bijvoorbeeld op basis van waarden voor een gemiddelde stad of WHO-richtlijnen)?
Gaat u naast emissiedoelen ook immissiedoelen opnemen in de maatwerkafspraak?
Hoe bent u voornemens op dergelijke doelen te handhaven, en welke consequenties – zoals ontbindende voorwaarden, boetes of terugvorderingen – worden verbonden aan het niet behalen van de gezondheidsdoelen?
Bent u voornemens om periodieke evaluatiemomenten (bijvoorbeeld elke twee jaar) vast te leggen, waarin wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Bent u van plan om in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond naast gezondheidsafspraken en -doelen voor nieuwe installaties ook afspraken over bestaande installaties op te nemen in de maatwerkafspraak?
Hoe gaat u de weging en toetsing van het kosteneffectiviteitsbeginsel specifiek voor investeringen in Best Beschikbare Technieken (BBT) voor ZZS, versterken en verbreden met maatschappelijke waarden zoals gezondheid?
Heeft u Tata Steel verzocht om in de MER-alternatieven op te nemen die bijvoorbeeld de gezondheidswinst of de CO2-reductie maximaliseren, zodat een betere afweging kan worden gemaakt?
Waarom hanteert Tata Steel in de MER een andere productiecapaciteit – en daarmee mogelijk een andere uitstoot – dan in de JLoI, en wat zijn daarvan de consequenties?
Hoe (juridisch) zeker zijn de vergunningen voor emissies van Tata als de gezondheid en dus het belang van omwonenden onvoldoende is meegewogen? Kunt u bij het beantwoorden van deze vraag de jurisprudentie van de RBV-zaak van omwonenden tegen Schiphol meewegen, waarbij de rechter oordeelde met verwijzing naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?
Hoe houdbaar zijn de maatwerkafspraken als deze vergunningen vereisen die niet vergunbaar zijn of door de rechter worden vernietigd? Wat zijn de gevolgen van een vernietigde vergunning voor de maatwerkafspraken en de subsidies of andere incentives?
Kunt u toelichten hoe de economische en maatschappelijke baten van Tata Steel voor Nederland zich verhouden tot de NOx-emissie en welke maatschappelijke baten gegenereerd kunnen worden door deze emissie te verminderen of anders «te besteden»?
Kunt u toelichten op welke wijze de voorgenomen maatwerkafspraak met Tata Steel leidt tot additionele CO2-reductie ten opzichte van de geldende Nederlandse en Europese klimaatdoelstellingen?
Onderschrijft u dat binnen het EU ETS productbenchmarks worden toegepast om de hoeveelheid gratis emissierechten voor individuele installaties te bepalen en niet bepalend zijn voor de hoeveelheid emissierechten binnen het EU ETS?
Onderschrijft u dat ETS-benchmarks primair gebaseerd zijn op de prestaties van bestaande installaties en daarmee een afspiegeling vormen van de huidige stand van de techniek, niet het reductiepotentieel of de beschikbare transitie- of mitigatieopties?
Kunt u toelichten welke rol ETS-benchmarks spelen in de beoordeling of de voorgenomen CO2-reductie door Tata Steel additioneel is ten opzichte van wat reeds door het EU ETS wordt afgedwongen, en heeft een aanpassing van de benchmarks – zoals aangekondigd door de Europese Commissie – hier invloed op?
Welke criteria hanteert u om te bepalen of sprake is van «versnelde» CO2-reductie in het geval van Tata Steel, en hoe verhouden deze criteria zich tot het reductietempo dat reeds volgt uit het EU ETS?
Kunt u toelichten welke rol deze criteria, en specifiek de ETS-benchmarks, spelen in de beoordeling of Tata Steel in aanmerking komt voor staatssteun?
Hoe weegt u in dit kader de Europese CO2-grensheffing (CBAM) en de versnelde afbouw van gratis rechten en de prikkel die daarmee ontstaat, ongeacht mogelijke staatssteun, om te investeren in verduurzaming?
Is er nog steeds sprake van «versnelde» CO2-reductie, en voldoende onderbouwing voor staatssteun, als Tata Steel slechts de overstap van kolen naar aardgas maakt in fase 1 – en niet overstapt op groen gas of -waterstof?
Worden er harde doelen en tijdlijnen opgenomen over CO2-reductie en investeringen in fase 2 – de tweede helft van de fabriek – of staat het Tata Steel vrij om die investeringen niet te doen of zelfs de tweede helft van de fabriek te sluiten?
Worden er met het oog op de strategische autonomie en importafhankelijkheid harde garanties opgenomen in de maatwerkafspraak dat Tata Steel ten laatste voor 2032 overstapt op hernieuwbare energie en dat nieuwe installaties niet nog vele jaren op aardgas draaien?
Hoe worden de ketenemissies van aardgas – zoals methaanlekkage en transportkosten – meegenomen in de afspraken? Zijn daar analyses van en worden ook daar doelen voor gesteld?
Kunt u bevestigen dat Tata Steel, afgaande op afspraken in de intentieverklaring, de 200 miljoen euro staatssteun kan gebruiken om, mogelijk zelfs buiten Nederland, certificaten voor groen gas te kopen en dus kan beslissen om fysiek door te draaien op aardgas?
Hoe wordt de businesscase van wind op zee meegewogen in de beslissing om te kiezen voor groen gas of groene waterstof?
Waarom wordt wat betreft groen gas of waterstof enkel gekozen voor optionele subsidiering, in plaats van, of in combinatie met afdwingbare afspraken – en wordt dit in de maatwerkafspraak aangepast?
Is er door u een vergelijking gemaakt tussen de (maatschappelijke) kosten van het huidige plannen en een scenario waarbij afspraken worden gemaakt met andere landen of producenten over de import van met hernieuwbare energie geproduceerde Hot Briquetted Iron (HBI), dat vervolgens door Tata Steel IJmuiden wordt verwerkt tot groen staal?
Hoe weegt u de maatschappelijke kosten, zoals werkgelegenheid, benodigde subsidie en investeringen met een scenario met (ten dele) HBI-import?
Hoe weegt u consequenties van de import van HBI tegenover de import van aardgas, kolen, groen gas, waterstof en ijzererts voor de Nederlandse en Europese strategische autonomie?
In hoeverre wordt de ambitie uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben meegenomen in de uitwerking van de intentieverklaring?
Worden er circulaire (tussen)doelen opgenomen in de afspraken – zowel in fase 1 als 2 – en die afrekenbaar gemaakt?
Hoe betrekt u de rest van de keten – denk aan afspraken over het oplopend gebruik van schroot, maar ook vraagcreatie voor circulair- en groen staal – bij de uitwerking van de intentieverklaring?
Ziet u het borgen van de financiële verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Tata Steel Ltd. als een belangrijk onderdeel van de maatwerkafspraak?
In hoeverre zal Tata Steel Ltd. financieel bijdragen aan de investeringen aan de kant van Tata Steel en op welke manier?
Wat zijn de financiële consequenties voor de staat als de vergunningverlening vertraging oploopt en daarmee afspraken zoals nu uitgewerkt niet meer haalbaar blijken?
Maakt u zich in de onderhandelingen hard voor een financiële garantstelling – een zogenaamde 403-verklaring – van Tata Steel Ltd voor zaken als schulden, schoonmaakkosten of een sociaal plan?
Hoe wordt het Sociaal Contract Groen Staal – bedoeld om de werknemers zekerheid te verschaffen over hun toekomst – betrokken in de uitwerking van de intentieverklaring?
Gaat u een koppeling maken tussen de ondertekening van de maatwerkafspraak en de activering van het Sociaal Contract Groen Staal?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de intentieverklaring met Tata Steel?
Het bericht dat een Nederlands schip wapens of onderdelen zou hebben geleverd in Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat een Nederlands schip deze week wapens of onderdelen zou hebben geleverd in Israël?1
Kunt u bevestigen of dit Nederlandse schip wapens of onderdelen daarvoor heeft afgeleverd in Israël, en zo ja, welk type goederen, met welke eindgebruiker? Zo niet, bent u bereid dat te verifiëren bij Hartel, de Nederlandse eigenaar van dat schip?
Zijn afgelopen jaren vaker Nederlandse schepen gebruikt voor levering van wapens of onderdelen daarvoor in Israël? Zo ja, hoe vaak? Als dit niet bekend is, waarom is hier geen kennis over?
Deelt u de opvatting dat Nederlandse bedrijven geen transporten mogen faciliteren wanneer die een duidelijk risico vormen op inzet bij schendingen van het internationaal humanitair recht?
In hoeverre heeft het kabinet vooraf kennis gehad van dit transport, en welke mogelijkheden heeft het kabinet om dergelijke transporten te voorkomen of tegen te houden, wanneer een schip onder Nederlandse vlag vaart? Zijn deze mogelijkheden in dit geval benut?
Is de afgelopen jaren ooit opgetreden tegen een Nederlands schip dat wapens of onderdelen daarvoor levert in Israël?
Hoe verhoudt deze casus zich tot de verplichtingen van Nederland onder het Genocideverdrag, in het bijzonder de verplichting om genocide te voorkomen?
Deelt u de opvatting dat ook indirecte betrokkenheid, zoals transport of logistieke ondersteuning, kan bijdragen aan schendingen van het internationaal humanitair recht? Zo nee, waarom niet?
Is voor dit transport sprake van een vergunningplicht, bijvoorbeeld voor een export- of doorvoervergunning, of een vergunning strategische diensten? Zo ja, is die ook aangevraagd en verleend, en op basis van welke criteria? Zo niet, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht dat via de haven van Rotterdam een schip wapens of onderdelen naar Israël zou hebben vervoerd? Klopt dit, wat was de exacte lading, en welke afweging is gemaakt om dit transport via de Rotterdamse haven toe te staan?2
In hoeverre kan de Nederlandse overheid vooraf controleren of via Nederlandse havens of onder Nederlandse vlag wapens of militaire goederen worden vervoerd naar conflictgebieden waar oorlogsmisdaden worden gepleegd?
Welke rol en verantwoordelijkheid heeft de haven van Rotterdam in het controleren of faciliteren van transporten met mogelijk militaire lading richting Israël?
Welke instrumenten hebben havenautoriteiten en gemeenten momenteel om dergelijke transporten te stoppen, en acht u deze voldoende?
Is het kabinet van mening dat lokale overheden en havenautoriteiten voldoende instrumenten hebben om transporten met mogelijk risicovolle lading te weigeren of te stoppen? Zo ja, welke zijn dat concreet?
Hoe wordt uitgesloten dat Nederlandse schepen of via Nederlandse havens militair materieel dat ingezet kan worden in Gaza naar Israël vervoerd wordt?
Is het kabinet bereid aanvullende maatregelen te onderzoeken om te voorkomen dat via Nederlandse havens of onder Nederlandse vlag transporten plaatsvinden die bij kunnen dragen aan oorlogsmisdaden?
Hoe gaat er worden opgetreden tegen schepen en rederijen die via Nederlandse havens wapens of militaire goederen naar Israël vervoeren, gezien de risico’s op betrokkenheid bij schendingen van het internationaal humanitair recht in Gaza en Libanon?
Het artikel 'Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Dominique werd mishandeld en deed aangifte, maar hoort niets van de politie. Herkenbaar»?1
Ja.
Hoe kan het dat een zorgmedewerkster na aangifte van mishandeling niets verneemt van politie of Openbaar Ministerie (OM), terwijl geweld tegen mensen met een publieke taak volgens u prioriteit heeft?
Geweld tegen hulpverleners is onacceptabel en dient altijd opvolging te krijgen. Hoewel ik als Minister van Justitie en Veiligheid niet in ga op individuele casuïstiek, neem ik dit signaal zeer serieus en bevestigt het voor mij de urgentie om in het kader van de herziening van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) samen met de politie en het OM te bezien hoe slachtoffers zo goed als mogelijk geholpen kunnen worden.
Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen functionarissen met een publieke taak is essentieel. Functionarissen met een publieke taak dienen extra bescherming te krijgen tegen agressie en geweld verband houdend met hun functie, omdat hun publieke taak cruciaal is voor de samenleving en tegen aantasting moet worden beschermd. Het Openbaar Ministerie (OM) en de politie hebben ten behoeve van de strafrechtelijke aanpak opsporings- en vervolgingsafspraken gemaakt: de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA). De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende evaluaties te betrekken.2 Ik verwacht uw Kamer in de zomer de herziene versie van de ELA toe te sturen.
Het is van groot belang dat slachtoffers na het doen van aangifte adequaat worden geïnformeerd over het verloop van hun zaak. Slachtoffers hebben het recht om voldoende informatie te ontvangen, indien ze dit wensen. De politie en het OM spannen zich hiervoor in. In de ELA is vastgelegd dat slachtoffers van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak, desgewenst, optimaal worden geïnformeerd over hun positie en strafzaak.
Conform de ELA dient de politie de benadeelde optimaal te informeren en te ondersteunen bij het verhalen van de schade op de dader. Uit de openbare Aanwijzing slachtoffers in het strafproces (2024A001) van het OM volgt dat het OM in beginsel aan elk slachtoffer een bericht stuurt als het proces-verbaal tegen de verdachte door de politie naar het OM is gestuurd.
Wanneer het slachtoffer in het algemeen verzoekt om informatie over de aanvang en voortgang van een zaak, dan wordt door of namens het OM van het begin tot het einde van de strafzaak alle informatie verstrekt die volgens de wet3 moet worden verstrekt, onder andere het afzien van een opsporingsonderzoek, het niet vervolgen van een strafbaar feit en de aanvang en voorzetting van de vervolging.
De afgelopen jaren zijn er door het OM verbeteringen op het gebied van informatievoorziening richting slachtoffers doorgevoerd. Zo is er bij het Openbaar Ministerie een slachtofferinformatiepunt ingericht en kunnen slachtoffers inloggen op MijnSlachtofferzaak.nl, waar zij berichten vinden over de voortgang van de strafzaak, informatie over slachtofferrechten en contactgegevens van de betrokken organisaties.
De opsporing en vervolging van agressie en geweld tegen functionarissen met een Veilige Publieke Taak (VPT) heeft voor mij grote prioriteit, net als voor de politie en het Openbaar Ministerie. Dat volgt ook uit de ELA. Helaas leidt de beperkte capaciteit in de strafrechtketen in sommige gevallen tot langere doorlooptijden.
Welke onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken (ELA), waarin staat dat meldingen directe opvolging krijgen en slachtoffers worden geïnformeerd, zijn in deze casus niet nageleefd, en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak komt het voor dat slachtoffers van geweld tegen functionarissen met een publieke taak na aangifte geen enkele terugkoppeling ontvangen van politie of OM?
Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Zoals toegelicht onder vraag 2 en 3 is een adequate informatievoorziening van essentieel belang en is dit een doorlopend aandachtspunt bij de politie en het OM.
Herinnert u zich uw uitspraak tijdens het commissiedebat boa-stelsel, waarin u stelde dat bij circa 85% van de aangiftes van geweld tegen mensen met een publieke taak sprake is van een strafvorderlijke reactie, en dat dit «hoopvolle cijfers» zijn?
Ja.
Hoe rijmt u deze «hoopvolle cijfers» met concrete gevallen waarin slachtoffers, zoals deze zorgmedewerkster in kwestie, überhaupt niets vernemen of te horen krijgen, en het lijkt alsof hun zaak stilvalt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen met een publieke taak niets meer horen en dat dat nooit zou mogen gebeuren, en dat we als overheid een vuist moeten maken van harde aanpak van (vermeend) geweld tegen mensen met een publieke taak?
Kunt u exact specificeren wat onder een «strafvorderlijke reactie» valt, en hoeveel van deze gevallen bestaan uit seponeringen of afdoeningen zonder actieve terugkoppeling richting het slachtoffer?
Deelt u de conclusie dat geweld tegen functionarissen met een publieke taak volgens de ELA geen bagatelzaken zijn en altijd opvolging moeten krijgen, en hoe verklaart u dat dit in de praktijk toch misgaat?
Deelt u de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de effectiviteit van deze afspraken groter kan zijn en dat eerdere evaluaties onvoldoende zijn opgevolgd?2
In de evaluatie van de ELA uit 2025 wordt geconcludeerd dat de ELA een belangrijke meerwaarde hebben voor de aanpak van agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak.7 De onderzoekers schrijven dat dankzij de ELA de opsporing en vervolging van VPT-incidenten met meer prioriteit en kwaliteit wordt uitgevoerd door de politie en het OM. Door de afspraken wordt een grotere focus en urgentie gevoeld voor de aanpak van agressie en geweld in het complexe en drukke werkveld van de strafrechtketen. Dat zorgt voor een snellere en gerichtere strafrechtelijke afhandeling van zaken. Tegelijkertijd worden er ook een aantal knelpunten gesignaleerd, dat de meerwaarde van de ELA beperkt. Een deel van deze knelpunten was reeds aan het licht gekomen in de evaluatie van de ELA uit 2020 en (nog) niet adequaat opgelost.8 Bij de lopende herziening van de ELA worden deze knelpunten in ogenschouw genomen.
Hoe beoordeelt u de constatering van het WODC dat geen uitgebreide nieuwe evaluatie nodig zou zijn, omdat met eerdere evaluaties weinig is gedaan?
Zie antwoord vraag 10.
Herkent u signalen dat politie terughoudend is met het opnemen van aangiftes of het doorzetten van zaken wanneer de verdachte een ggz-patiënt betreft? Zo ja, waardoor komt dit?
Voor wat betreft het al dan niet opnemen van aangiftes geldt dat het kan voorkomen dat er onvoldoende bewijs is voor een strafbaar feit. Bij twijfel over de strafbaarheid van het feit, is de afspraak dat de politie altijd contact legt met het OM. Indien geen sprake is van een strafbaar feit, wordt dit feit wel in de politieregistratie opgenomen.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (LJS) herkent de signalen waar het gaat om terughoudendheid bij het opnemen van aangiftes wanneer de verdachte een ggz-patiënt was. De afgelopen twee jaar zijn er door het Ministerie van VWS tien regionale bijeenkomsten georganiseerd over het doen van aangifte bij agressie tegen zorgmedewerkers waarin deze signalen zijn geuit.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid organiseert deze zomer samen met de politie en het OM een sessie met werkgevers van de VPT-beroepsgroepen om te bezien waar zij namens slachtoffers van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak tegenaanlopen. De informatie die hier wordt opgehaald zal samen met bovengenoemde signalen worden betrokken bij de herziening van de ELA.
Als iemand van mening is dat een aangifte onterecht niet wordt opgenomen of niet wordt doorgezet kan degene die aangifte wil doen contact opnemen met de regionale contactpersoon Veilige Publieke Taak (VPT) van de politie. Deze VPT-contactpersoon kan vervolgens actie ondernemen. Deze mogelijkheid is echter nog niet overal bekend. Met behulp van de herziening van de ELA en de werkgeverssessie die we in de zomer organiseren wordt getracht om bij te dragen aan de bekendheid van deze VPT-contactpersonen.
Onder andere de arbeidsmarktfondsen Stichting Arbeidsmarkt Ziekenhuizen, Sociaal Fonds voor de kennissector (het fonds van o.a. de UMC’s), Opleidings-en Ontwikkelfonds Geestelijke Gezondheidszorg en Arbeidsmarkt- en opleidingsfonds Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg verspreiden deze informatie actief onder de ziekenhuizen, UMC’s, VVT-instellingen en GGZ-instellingen. De Minister van LJS zal deze informatie ook onder de aandacht brengen van partijen in andere delen van de zorg en welzijn. Om de verbinding tussen een organisatie in zorg en welzijn en de politie en het OM te versterken, is het mogelijk om binnen een organisatie één plek in te stellen waarin kennis en kunde wordt verzameld over onder meer het strafproces. Hierdoor worden organisaties minder afhankelijk van de kennis van de politie en kan er in het geval van knelpunten in de uitvoering of behoefte aan nadere afstemming, bijvoorbeeld bij bovengenoemde signalen, makkelijk contact worden gezocht met het vaste aanspreekpunt voor agressie en geweld tegen functionarissen bij elke politie-eenheid. Dit is met name een mogelijkheid voor grote organisaties.
Hoe luidt het huidige beleid van de politie bij incidenten waarbij sprake is van verdachten met onbegrepen gedrag, in het bijzonder binnen de ggz?
Het komt helaas vaak voor dat de politie wordt ingezet bij meldingen over personen met verward gedrag. Niet altijd is er bij deze meldingen sprake van psychiatrische problematiek en ook niet van een verdenking van een strafbaar feit of een risico voor de veiligheid van omstanders of de samenleving. In acute situaties in avond-, nacht- en weekenduren is het echter vaak zo dat dan alleen een beroep kan worden gedaan op de politie, ambulancevervoer en op de crisisdienst ggz. Afhankelijk van de ernst van het incident wordt bepaald wat op dat moment de beste vervolgstappen zijn. Dit kan betekenen dat men de persoon meeneemt naar het bureau en/of dat de persoon wordt overgedragen aan de zorg (bijv. via Crisis Interventie Teams). In sommige eenheden gaan politiemensen samen met zorgprofessionals op een incident af zodat men ter plekke via triage kan bepalen wat de vervolgstappen zijn. Denk aan goede voorbeelden zoals straattriage in Twente. De bredere inzet van dit Kabinet in de aanpak van personen met verward/onbegrepen gedrag is gericht op een aantal thema’s waar uw Kamer per brief van 11 december over is geïnformeerd en tijdens het commissiedebat van 9 april 2026 is besproken.9 De samenwerking tussen politie en zorg is daar ook onderdeel van.
In hoeverre zijn politieagenten voldoende toegerust en getraind om om te gaan met verdachten met onbegrepen gedrag, zonder dat dit leidt tot het bagatelliseren van strafbare feiten?
Agenten zijn voldoende toegerust en getraind. Een agent wordt in twee jaar tijd opgeleid tot het startbekwaam zijn. Omgaan met verward gedrag, de-escaleren en crisiscommunicatie zijn onderdeel van deze basisopleiding.
De politie beziet voortdurend hoe zij het beste invulling kan geven aan haar taken en welke werkwijzen daarvoor passend zijn. Zo is in het kader van deze aanpak het onderwijsaanbod Zorg en Veiligheid geactualiseerd en wordt deze verder doorontwikkeld, inclusief de module Personen met verward gedrag met daarin aandacht voor vroegsignalering en preventie. Daarnaast zijn er verschillende (digitale) leermiddelen beschikbaar over het thema, en wordt geëxperimenteerd met het verweven van de benodigde kennis in bijvoorbeeld IBT-trainingen. In aanvulling op de landelijk gevalideerde leermiddelen, verzorgen de eenheden zelf informeel onderwijs, zoals op vakdagen en in teambriefings. De inzet van ervaringsdeskundigen is een vast onderdeel in het onderwijsaanbod.
Hoe vaak worden verdachten met onbegrepen gedrag na een geweldsincident niet aangehouden en/of vervolgd, maar direct teruggestuurd naar de zorginstelling? Op basis van welke criteria gebeurt dit?
Deze informatie is niet beschikbaar in de politieregistratie.
Acht u de huidige eenduidige landelijke afspraken te vrijblijvend? Zo nee, hoe verklaart u dan dat ze in de praktijk niet consequent worden nageleefd?
De Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) zijn opsporings- en vervolgingsafspraken van de politie en het OM waar zij zich aan hebben gecommitteerd. Daarmee acht ik deze niet te vrijblijvend.
Wel zijn er vanuit eerdere evaluaties knelpunten gesignaleerd, die ik samen met de politie en het OM heb geanalyseerd. Het oppakken van die knelpunten neem ik zeer serieus en met de herziene versie van de ELA verwacht ik dat hier een belangrijke impuls aan wordt gegeven.
Bent u bereid onderdelen van de eenduidige landelijke afspraken wettelijk te verankeren, zodat naleving afdwingbaar wordt? Zo ja, aan welke onderdelen denkt u concreet? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet van plan om de ELA wettelijk te verankeren. De politie en het OM hebben zich aan de ELA gecommitteerd, dat is voldoende. Enkele onderdelen van de ELA zijn tevens nader uitgewerkt en verankerd in aanwijzingen van het College van procureurs-generaal.
Kunt u bevestigen dat u heeft toegezegd de Kamer vóór de zomer te informeren over de herziening van de eenduidige landelijke afspraken?
Ik streef ernaar om in de zomer de herziene ELA met begeleidende Kamerbrief aan uw Kamer aan te bieden.
Wordt in deze herziening expliciet aandacht besteed aan communicatie richting slachtoffers, doorlooptijden, en het daadwerkelijk eisen van de stafverzwaring van 200%?
Onder het antwoord op vraag 2 en 3 is toegelicht dat informatievoorziening richting slachtoffers een doorlopend aandachtspunt is van de politie en het OM. Dit aandachtspunt wordt ook bij de herziening van de ELA in ogenschouw genomen.
Voor een landelijk uniform strafvorderingsbeleid heeft het OM voor de meest voorkomende delicten richtlijnen opgesteld, die enerzijds normerend zijn en anderzijds de professional de benodigde ruimte geven om te komen tot een afdoening, die gericht is op de bijzondere omstandigheden van de zaak. In de openbare Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen (2019A003) van het OM staat dat het uitgangspunt van de sanctie in de richtlijn met 200% wordt verhoogd bij Veilige Publieke Taak-delicten. Dat betekent niet dat iedere verdachte ook een driedubbele straf geëist krijgt. Dit is het uitgangspunt, waarna de officier volgens de geldende Aanwijzing ook moet kijken naar de context waarin het feit is gepleegd en omstandigheden rondom de dader en de effectiviteit van de te eisen straf. De officier van justitie dient dit toe te lichten in zijn requisitoir. Verder schenkt het OM – naar aanleiding van onderzoek waaruit volgde dat veelal enige mate van strafeisverhoging wordt toegepast maar zelden de 200%10 – blijvend aandacht aan de vraag of de strafvorderingsrichtlijn voldoende bekend is. Ten slotte geldt dat u nog dit jaar wordt geïnformeerd over de uitvoering van drie aangenomen moties die zien op (het verkrijgen van duiding bij) de strafeisen van het OM bij Veilige Publieke Taak-delicten, waaronder geweld tegen hulpverleners.11
Wat vindt u ervan dat na navraag bij de zorgmedewerkster in kwestie nog altijd geen reactie is ontvangen vanuit het OM?
Als Minister van Justitie en Veiligheid past het mij niet om in te gaan op individuele casuïstiek. Zie voor nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Acht u dit in lijn met de afspraak om slachtoffers «optimaal te informeren» zoals opgenomen in de landelijke afspraken?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Wat denkt u dat dit soort ervaringen doet met de bereidheid van mensen om in de zorg, en specifiek in de ggz, te blijven werken?
Mensen kiezen over het algemeen vanuit een intrinsieke motivatie voor het werken in zorg en welzijn. Als zij te maken krijgen met ernstige agressie kan dat een enorme impact hebben. Goede opvang en adequate nazorg, zijn van groot belang om dat zo veel mogelijk te voorkomen. Uit het Landelijk uitstroomonderzoek zorg en welzijn van Regioplus in 2025 blijkt dat agressie niet in de top vijf van redenen van medewerkers staat om de sector te verlaten.
Het is mij niet bekend of en in welke mate negatieve ervaringen met het doen van aangifte invloed hebben op de bereidheid van mensen om in de zorg te blijven werken.
Deelt u de zorg dat het uitblijven van zichtbare rechtshandhaving bij geweld tegen zorgpersoneel bijdraagt aan personeelstekorten?
Zie antwoord vraag 22.
In hoeverre speelt het feit dat slachtoffers met naam en toenaam in het dossier worden opgenomen een rol in de terughoudendheid van het willen doen van aangifte? Draagt dit ook bij aan personeelstekorten?
In strafzaken heeft aangifte op naam altijd de voorkeur, zoals hieronder toegelicht. Er zijn daarnaast mogelijkheden om (deels) afgeschermd aangifte te doen of dat de werkgever voor de werknemer aangifte doet. In onderstaande antwoorden licht ik dit nader toe. Echter, volledige anonimiteit in het strafproces is praktisch niet mogelijk. Uit het oogpunt van waarheidsvinding kleven hier namelijk zwaarwegende bezwaren aan: de mogelijkheid om de juistheid en betrouwbaarheid van anonieme verklaringen te toetsen wordt beperkt doordat de bron onbekend is. Bovendien komt het in de zorg relatief vaak voor dat dader en slachtoffer elkaar kennen en er sowieso geen sprake is van anonimiteit van het slachtoffer. Dit kan inderdaad bijdragen aan terughoudendheid bij het doen van aangifte. Of en in hoeverre dit bijdraagt aan personeelstekorten hangt af van de mate waarin dit een rol speelt bij uitstroom uit de zorg. Zie hiervoor het antwoord op vraag 22 en 23.
Welke mogelijkheden bestaan er momenteel voor zorgmedewerkers om geheel afgeschermd aangifte te doen?
Sinds 1 juli 2025 worden standaard alleen nog de naam en geboortedatum in de aangifte vermeld. Gegevens zoals woon- en verblijfplaats, geboorteplaats en/of -land, e-mailadres, telefoonnummer en Burgerservicenummer (BSN) worden niet meer opgenomen om zo de privacy van de aangever te beschermen.
Aangifte op naam heeft in de praktijk altijd de voorkeur. Voor de bewijsvoering in een strafzaak is het namelijk altijd van belang dat er toetsbare aangiftes en verklaringen aanwezig zijn. Aangiftes en verklaringen op naam voldoen hier eerder aan dan afgeschermde aangiftes en verklaringen omdat de bekendheid van de identiteit van de aangever/getuige het bijvoorbeeld voor de verdachte mogelijk maakt om de aangifte/verklaring te toetsen op betrouwbaarheid.
In principe worden persoonsgegevens genoteerd bij het doen van aangifte. Soms kan, bij wijze van uitzondering, alleen met de voornaam of het personeelsnummer worden volstaan. Ook kan de werkgever aangifte namens de werknemer doen, waarbij die laatste vermeld kan worden onder personeelsnummer. Het slachtoffer kan er verder ook voor kiezen om in zijn aangifte domicilie te kiezen. In dat geval wordt het adres van de werkgevers of het regionale Slachtofferloket Politie opgenomen.
In uitzonderlijke gevallen kan iemand aangifte doen of een verklaring afleggen onder nummer. Dan wordt de identiteit van het slachtoffer niet in de stukken opgenomen, maar is deze wel bekend bij de politie en het OM. Daarvoor dienen bijzondere redenen te zijn als: vrees voor represailles of voor ernstige overlast of belemmering in de uitoefening van zijn beroep. De officier van justitie bepaalt of aan de vereisten is voldaan. De rechter kan ook dan oordelen dat het slachtoffer moet worden gehoord. In zeer bijzondere gevallen beslist de rechter dat hierbij de identiteit mag worden afgeschermd.
In hoeverre wordt er in de praktijk gebruikgemaakt van deze mogelijkheden, en is de politie hier voldoende bekend mee?
Er wordt niet bijgehouden hoe vaak zorgmedewerkers afgeschermd aangifte doen. Wel is politie voldoende bekend met de mogelijkheden rondom afgeschermd aangifte doen. Uit de ELA volgt dat zij het slachtoffer daarover ook informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of zorgmedewerkers standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Zoals bij vraag 25 aangegeven is volledige anonimiteit in het strafdossier praktisch niet mogelijk. Wel zijn er mogelijkheden om bepaalde gegevens van de aangever te verhullen in het strafdossier (als beschermingsmaatregel). Een uitbreiding hiervan zal ik niet verder onderzoeken.
Worden bovenstaande aspecten meegenomen in het arbeidsmarktbeleid voor de zorg en in de aanpak van personeelstekorten?
Met het sluiten van het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HL) zijn bestuurlijke afspraken gemaakt om het dreigende personeelstekort te laten dalen. Samen met het veld zet het kabinet de volgende stappen:
Daarnaast blijft dit kabinet de komende jaren inzetten op het behoud van medewerkers door werkgevers te stimuleren het werkplezier van hun medewerkers te blijven borgen. Het gaat daarbij om onderwerpen als professionele autonomie en zeggenschap, het voorkomen van verzuim en de aanpak van agressie. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 29.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat zorgmedewerkers zich veilig voelen om hun werk te blijven doen?
Werkgevers hebben op basis van de Arbeidsomstandighedenwet een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid van hun werknemers. De Minister van Langdurige zorg, Jeugd en Sport ondersteunt werkgevers hierbij door:
Bent u bereid om in aanvulling op vraag 27 te onderzoeken of alle mensen met een publieke taak, zoals brandweermensen, standaard onder een vorm van geheel afgeschermde identiteit in het strafdossier kunnen worden opgenomen?
Zoals ik bij vraag 27 toegelicht is volledige anonimiteit in het strafdossier niet mogelijk, maar zijn er wel mogelijkheden tot beschermd aangifte doen.
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om te garanderen dat geweld tegen mensen met een publieke taak altijd zichtbaar, snel en serieus wordt opgepakt, en dat slachtoffers structureel worden geïnformeerd over hun zaak?
Hiermee ben ik samen met de politie en het OM aan de slag in het kader van de herziening van de ELA, welke ik naar verwachting in de zomer aan uw Kamer zal aanbieden.
De voortgang van de vermindering in regeldruk voor ondernemers |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat vermindering van de regeldruk voor ondernemers heel belangrijk is voor het verbeteren van het ondernemersklimaat? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel die mening. Alhoewel de bedoeling achter regels meestal goed is – vaak ter bescherming van een gerechtvaardigd belang, zoals de bescherming van werknemers, consumenten en ons milieu – hebben ondernemers momenteel te maken met onnodige regeldruk. Dit belemmert het ondernemerschap en verslechtert het ondernemingsklimaat. Wanneer ondernemers worden geconfronteerd met complexe administratieve verplichtingen, gaat dat ten koste van de tijd om te ondernemen en soms ook ten koste van innovatie, investeringen en groei. Ondernemers moeten minder tijd en geld kwijt zijn aan administratieve verplichtingen en meer ruimte krijgen om te doen waar zij goed in zijn: ondernemen.
Vindt u het ook zorgelijk dat de productiviteit van het midden- en kleinbedrijf achterblijft en deelt u de mening dat meer ruimte voor ondernemers door een afname van de regeldruk de productiviteit kan verhogen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het ook zorgelijk dat de productiviteit van het midden- en kleinbedrijf achterblijft, omdat juist daar een belangrijk deel van ons verdienvermogen en onze brede welvaart wordt gerealiseerd. Een afname van de regeldruk kan de productiviteit van het mkb verbeteren doordat ondernemers zich dan weer kunnen richten op waar zij het verschil maken: vakmanschap, innovatie en groei. Tegelijkertijd zet het kabinet breder in op het versterken van productiviteit, onder meer via de oprichting van de Productiviteitsraad. Deze adviesraad zal het kabinet tenminste jaarlijks informeren over de ontwikkeling van de productiviteit in Nederland en concrete beleidsaanbevelingen te doen om de productiviteitsgroei, zowel binnen en buiten het mkb, te bevorderen. Ook dienen de aanbevelingen van de raad als basis voor de jaarlijks terugkerende Productiviteitsagenda van het kabinet.
Wat is uw interpretatie van het begrip «voor de zomer», in de afspraak met de Kamer om «voor de zomer» 500 ondernemersregels af te schaffen of te versoepelen?1
Dit kabinet zet de aanpak voor regeldrukvermindering voor ondernemers, die is gestart in september 2025, voort. Het is een aanpak waarbij álle ministeries die regels hebben voor ondernemers meedoen. Het doel is om voor de zomer 500 regels aan te pakken voor ondernemers om de regeldruk te verminderen. Ook wanneer het kabinet bezig is om regelgeving aan te passen of te schrappen, wordt dit opgenomen in de lijst. Regelgeving is namelijk niet zomaar aangepast. Voor het schrappen of aanpassen van regels moet hetzelfde wetgevingsproces worden doorlopen als voor het maken van regels (dat duurt vaak minimaal 1 à 2 jaar). Ik zal uw Kamer in juli 2026 informeren over de tussenstand.
Klopt het dat de vermindering van regeldruk door het wijzigen van 32 ondernemersregels het meest recente getal betreft?2 Zo niet, wat is dan het actuele aantal aangepaste of afgeschafte ondernemersregels?
Nee, het genoemde getal van 32 ondernemersregels is niet meer actueel. Inmiddels is voor 78 regels de regeldruk daadwerkelijk verminderd. Voor de kerst heeft het vorige kabinet aangekondigd aan de slag te gaan om voor 218 regels de regeldruk te verminderen. Ook dit kabinet blijft de komende maanden werken aan de doelstelling om voor de zomer 500 regels aan te pakken door ze te schrappen of te vereenvoudigen. De voortgang hiervan wordt weergegeven via de regeldrukteller op de regeldrukmonitor.3 Op 9 april is de regeldrukmonitor geactualiseerd waaruit blijkt dat dit kabinet nog eens 97 aanvullende regels aanpakt die ondernemers onnodig belasten. In totaal komt dit neer op 315 regels.
Van die 315 regels is de regeldruk voor 78 regels al verminderd. Ondernemers kunnen hier al de eerste effecten van merken. Het verschil tussen aangekondigde en gerealiseerde regels komt doordat juridische en praktische stappen tijd kosten. Ondernemers merken pas echt minder regeldruk als de wijzigingen in de praktijk zijn doorgevoerd. In de tabel hieronder staat de voortgang per ministerie. De kolom «lopend» laat zien voor hoeveel regels de wijziging al in gang is gezet. De kolom «gerealiseerd» geeft weer voor hoeveel regels de regeldrukvermindering is doorgevoerd (en waar ondernemers nu al profijt van hebben).
Lopend
Gerealiseerd
Totaal
1
1
1
1
40
5
45
30
2
32
30
39
69
33
3
36
14
1
15
3
9
12
2
2
52
13
65
11
1
12
20
5
25
237
78
315
Wat is de voortgang van het schrappen of vereenvoudigen van de andere geïnventariseerde ondernemersregels in de brief aan de Kamer van 15 december 2025?3
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Wanneer kan de Kamer een inventarisatie ontvangen van de overige 282 ondernemersregels die nog voor de zomer 2026 moeten worden vereenvoudigd of afgeschaft?
De regeldrukmonitor is op 9 april geactualiseerd. Het doel is om voor de zomer van 2026 500 regels aan te pakken om de regeldruk te verminderen. Ik zal uw Kamer in juli 2026 informeren over de tussenstand.
Gaat u de doelstelling van het aanpakken van 500 ondernemersregels voor de deadline halen?
De inzet van dit kabinet is om de Aanpak Regeldruk die door het vorige kabinet is gestart door te zetten en voor de zomer 2026 500 regels aan te pakken om de regeldruk te verminderen. Het kabinet werkt hard aan die doelstelling en er is al substantiële voortgang geboekt. Tegelijkertijd is het structureel verminderen van onnodige regeldruk niet eenvoudig. De regelgeving die we hebben, is een ingewikkeld bouwwerk geworden. Of we de 500 regels voor de zomer dit jaar precies halen weet ik niet, maar ik hecht grote waarde aan het vasthouden aan de doelstelling. Die stimuleert namelijk de noodzakelijke actie. Belangrijker nog is dat ondernemers horen, zien en ervaren dat het kabinet werkt aan vermindering van regeldruk.
Juist daarom blijft de focus voor de komende jaren zo belangrijk. Dit is geen eenmalige actie, maar een structurele opgave om regelgeving eenvoudiger en werkbaarder te maken. Ik blijf mij inzetten om knelpunten die ondernemers ervaren aan te pakken en zoveel mogelijk regels te vereenvoudigen of te schrappen, zodat ondernemers in de praktijk merken dat regeldruk afneemt en ze minder tijd kwijt zijn aan de verplichtingen.
Het bericht 'Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld' |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld»?1
Ja.
Kunt u de toename in het aantal plofkraken duiden en aangeven op welke manier het kabinet haar beleid hierop toespitst?
De toename in het aantal plofkraken is gerelateerd aan sealbag (afstort)automaten. Dit zijn automaten waarin ondernemers geld kunnen afstorten in een verzegelde plastic zak (sealbag). Criminelen hebben een nieuwe modus operandi ontwikkeld en concentreren zich daarbij op dit type automaten.
De onlangs ingestelde gedeeltelijke sluiting van dit type automaat is een tijdelijke noodmaatregel van Geldmaat. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Financiën zijn in gesprek met Geldmaat, de politie, De Nederlandsche Bank en de grootbanken om tot structurele passende maatregelen te komen. Zie ook de beantwoording van vraag 9.
Kunt u aangeven op welke manier met de sector en Geldmaat gesproken wordt om plofkraken niet van invloed te laten zijn op de beschikbaarheid van contant geld?
Mijn ministerie heeft samen met het Ministerie van Financiën doorlopend overleg met Geldmaat, politie, banken en De Nederlandsche Bank (DNB). Samen zoeken wij steeds naar een zorgvuldige balans tussen het borgen van de veiligheid van passanten en omwonenden en het waarborgen van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van contant geld.
Kunt u aangeven hoeveel geldautomaten er de afgelopen tien jaar gesloten zijn als gevolg van (aanhoudende) plofkraken en welke oplossingen worden geboden indien er sprake is van zo’n verwijdering?
De afgelopen jaren zijn er diverse geldautomaten gesloten, zowel geldautomaten om contant geld op te nemen als af te storten. Dit had niet alleen te maken met een reeks plofkraken, maar ook met de transitie van geldautomaten van individuele banken naar één landelijk dekkend netwerk van Geldmaat-automaten. Hierbij zijn locaties ontdubbeld en zijn automaten losgekoppeld van banklocaties en elders herplaatst. Om die reden is het lastig te zeggen welke automaten gesloten zijn vanwege plofkraken.
Indien een automaat wordt verwijderd als gevolg van een plofkraak, betekent dit vaak dat elders een automaat wordt bijgeplaatst.
In 2022 hebben de banken, vertegenwoordigers van consumentenorganisaties en toonbankinstellingen afspraken met elkaar vastgelegd in het Convenant contant geld om te borgen dat contant geld beschikbaar, bereikbaar, betaalbaar en veilig blijft. Onderdeel van deze afspraken is dat Geldmaat een minimumaantal automaten zal aanbieden, met een minimale bereikbaarheid in afstand of autorijminuten. Momenteel werkt de overheid aan de Wet chartaal betalingsverkeer om deze vrijwillige afspraken om te zetten in wetgeving.
Kunt u aangeven in hoeveel procent van de plofkraken er sprake is van een grensoverschrijdend karakter, zoals bijvoorbeeld het vluchten over de grens na afloop van de plofkraak?
De in Nederland gepleegde plofkraken worden gepleegd door in Nederland woonachtige daders. Bij de politie zijn geen zaken bekend waar sprake is van grensoverschrijdend vluchtgedrag als plofkraken in Nederland gepleegd worden.
Bent u van mening dat grenscontroles bij kunnen dragen aan het op heterdaad oppakken van daders van plofkraken, nu de NOS bericht het doelwit van veel plofkrakers zich verplaatst van Duitsland naar Nederland?2
De plofkraken in Duitsland worden met name gepleegd door in Nederland woonachtige daders. Bij de huidige reeks aan plofkraken in Nederland passeren de daders niet de grens tussen Nederland en Duitsland. De Nederlandse binnengrenscontroles zijn gericht op het tegengaan van irreguliere migratie en aan migratie gerelateerde grensoverschrijdende criminaliteit, zoals mensensmokkel of documentfraude. Hierdoor zullen binnengrenscontroles niet direct bijdragen aan het op heterdaad oppakken van daders van deze reeks plofkraken. Uiteraard kunnen grenswachters van de Koninklijke Marechaussee die de binnengrenscontroles uitvoeren, doorpakken als zij tijdens deze controles stuiten op strafbare feiten.
Op welke vlakken verschillen de aanpak van Duitsland en Nederland op dit gebied, nu de NOS aangeeft dat door de effectieve Duitse aanpak de focus terug op Nederland is komen te liggen?
De aanpak in Nederland en Duitsland verschilt niet. In beide landen is er aandacht voor preventie, het opsporen van daders en het versterken van heterdaadaanhoudingen. Ondanks hele goede beveiliging blijven daders altijd zoeken naar mogelijkheden om het te omzeilen.
Met name de intensieve operationele samenwerking tussen de Nederlandse en Duitse opsporingsinstanties heeft ervoor gezorgd dat het aantal plofkraken op reguliere geldautomaten in Duitsland aanzienlijk is afgenomen en blijft afnemen.
Kunt u aangeven hoeveel plofkraken er in buurlanden worden gepleegd door daders uit Nederland of die naar Nederland vluchten na afloop van een plofkraak?
De politie registreert niet alle zaken in het buitenland; alleen die zaken waarvan zij vermoeden dat Nederlandse daders betrokken zijn. Bij die zaken ziet de politie dat Nederlandse daders vanuit het buitenland terug Nederland in vluchten.
Land
2025
2026
Nederland
3
11
Duitsland
103
6
België
1
0
Luxemburg
2
0
Zwitserland
7
2
Oostenrijk
22
0
Peildatum: 10 april 2026
In hoeverre ziet u dat de beschikbaarheid van contant geld voor zowel burgers als ondernemers onder druk is komen te staan door plofkraken en de daartegen genomen maatregelen?
Sinds de recente toename van het aantal plofkraken heeft Geldmaat aanvullende maatregelen genomen. Zo zijn er tijdelijk 218 sealbag automaten met boven- en nevenbewoning gesloten. Voor de circa 240 overige sealbag automaten gelden tijdelijk aangepaste openingstijden van 7.00 tot 14.00, met uitzondering van de 44 sealbag automaten in Geldmaatwinkels. Deze hanteren hun reguliere openingstijden. Op de locatiewijzer van Geldmaat kunnen de actuele openingstijden gevonden worden. Deze maatregelen waren op korte termijn nodig om het risico op nieuwe plofkraken op dit type automaten te verkleinen. De sluiting van sealbag automaten heeft vrijwel geen gevolgen voor het opnemen van contant geld door ondernemers en burgers (de beschikbaarheid van contant geld), maar heeft wel gevolgen voor het kunnen afstorten van contant geld door ondernemers. Dit kan het voor ondernemers minder aantrekkelijk maken om contant geld te accepteren en kan daarmee gevolgen hebben voor de bruikbaarheid van contant geld. Er wordt gewerkt aan structurele veiligheidsmaatregelen, zodat gesloten sealbag automaten zo spoedig mogelijk en op verantwoorde wijze weer kunnen worden opengesteld.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Ja, dit is mij bekend.
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet u voor de hoge uitval?
Dit beeld herken ik. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA 2023–2024)2 van het CBS en TNO blijkt dat ruim 60% van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie 31–40 jaar aangeeft wel eens te hebben verzuimd in de afgelopen 12 maanden. Voor alle vrouwelijke werknemers is dit gemiddeld 55%3. Vrouwen van 31–40 jaar geven aan langer te hebben verzuimd (11 werkdagen ten opzichte van 9 werkdagen gemiddeld). Het ziekteverzuimpercentage (het aantal verzuimde dagen per 100 werkdagen) laat hetzelfde beeld zien. Die ligt voor vrouwen van 31–40 jaar hoger dan gemiddeld voor alle vrouwen (6,7% versus 5,7%).
Weleens verzuimd afgelopen 12 maanden
54,6
59,9
61,0
52,5
49,6
Hoe vaak verzuimd afgelopen 12 maanden
1,6
1,79
1,78
1,41
1,47
Hoeveel werkdagen verzuimd afgelopen 12 maanden
9,2
7,95
11,1
9,38
10,8
Ziekteverzuimpercentage
5,73
4,75
6,72
5.70
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–2024
Als specifieke redenen voor het verzuim noemen vrouwelijke werknemers van 31–40 jaar vaker dan gemiddeld een te hoge werkdruk en emotioneel te zwaar werk als reden. Vrouwen van 31–40 jaar geven ook vaker dan gemiddeld aan een werk-privé disbalans te ervaren.
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Volgens de NEA werken vrouwen in de leeftijdscategorie 31–40 het meest in de zorg, zakelijke dienstverlening, onderwijs en handel. Ze werken vaak in banen met een gemiddeld inkomen, op vaste contracten en met hoge taakeisen4.
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aandeel vrouwen van deze groep die verzuimt en vervolgens instroomt in de WIA of de Ziektewet.
Onderstaande tabel toont over een periode van vijf jaar (2021–2025) de totale instroom aan personen in de WIA, de instroom van het aantal vrouwen in de leeftijdsgroep 30 tot 40 jaar (30 t/m 39) in de WIA en dit aandeel uitgedrukt als percentage van de totale instroom van vrouwen.
Daarnaast is in onderstaande tabel de instroom van vrouwen in de leeftijdsgroepen 30 t/m 39 jaar ook uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. Per duizend verzekerde vrouwen in de groep 30 t/m 39 jaar kregen in 2025 negen vrouwen een nieuwe WIA-uitkering toegekend.
55.599
54.769
59.581
68.984
71.239
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
11%
12%
12%
13%
13%
0,7%
0,6%
0,7%
0,9%
0,9%
Bron: UWV
Onderstaande tabel toont over de periode 2021–2025 de totale instroom in de Ziektewet, de instroom van het aantal vrouwen in de Ziektewet in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar en dit aandeel vrouwen uitgedrukt als percentage van de totale instroom.
346.101
393.697
311.855
324.241
343.907
68.224
72.848
68.572
73.633
77.744
20%
19%
22%
23%
23%
Bron UWV
Voor de Ziektewet wordt de instroom van het aantal vrouwen niet uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. De instroom in de Ziektewet is namelijk niet representatief voor alle verzekerden maar beperkt zich tot specifieke groepen, waaronder vrouwen die ziek zijn als gevolg van zwangerschap of bevalling.
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Uit onderstaande tabel blijkt dat in alle leeftijdscategorieën het aandeel dat heeft verzuimd, de verzuimfrequentie en het ziekteverzuimpercentage hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen. Vooral het ziekteverzuimpercentage voor vrouwen van 31–40 jaar ligt aanmerkelijk hoger dan bij mannen. Bij mannen is het kortdurend verzuim in deze leeftijdsgroep het hoogste.
Man (21–30)
51,7
1,35
4,99
2,72
Vrouw (21–30)
59,9
1,79
7,95
4,75
Man (31–40)
54,2
1,33
7,13
3,59
Vrouw (31–40)
61,0
1,78
11,1
6,72
Man (41–50)
47,5
1,16
7,83
3,92
Vrouw (41–50)
52,5
1,41
9,38
5,70
Man (50+)
42,7
1,21
10,3
5,32
Vrouw (50+)
49,6
1,47
10,8
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–202
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze vrouwen in de WIA instromen?
Onderstaande tabel toont over de periode van 2021–2025 de instroom in de WIA van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar naar type contractvorm.
Er is zowel een toename van vrouwen met een vast contract en een tijdelijk en oproepcontract.
2.651
2.744
3.346
4.262
4.504
2.281
2.386
2.293
3.004
3.545
603
529
534
619
531
679
644
694
791
933
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
Bron UWV
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80 en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Onderstaande twee tabellen tonen over de periode 2021–2025 het percentuele aandeel van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar die zijn ingestroomd in de WIA en Ziektewet met een dagloon tussen 80–100 van het maximumdagloon. Deze instroom ligt hoger dan met een dagloon boven de 100% van het maximumdagloon.
5%
4%
5%
6%
5%
2%
2%
2%
3%
2%
5%
5%
5%
6%
6%
3%
3%
3%
3%
3%
Bron: UWV
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Uit onderzoek5 blijkt dat vrouwspecifieke aandoeningen, zoals (1) bekkenbodemproblemen, (2) cyclusstoornissen en cyclus gerelateerde buikpijn, (3) hormonale problemen en (4) vulvaire klachten, vaak voorkomen en een grote impact hebben op de kwaliteit van leven. Gemiddeld krijgt elke vrouw minimaal een van de bovengenoemde vrouwspecifieke aandoeningen tijdens haar werkzame leven. Een groot deel van deze vrouwen ervaart zoveel hinder dat het dagelijks functioneren en werk hierdoor negatief beïnvloed wordt. Volgens cijfers van TNO6 over gezondheidsklachten bij vrouwen (gebaseerd op cijfers van de NEA 2023) gaat het om 39% van de vrouwelijke werknemers, ofwel 1,5 miljoen vrouwen. Dit leidt voor een deel van deze vrouwen ook tot verzuim. Van alle vrouwelijke respondenten heeft 56% zich het afgelopen jaar een keer ziekgemeld, tegenover 51% van de mannen. Ook geeft 66% van de vrouwen met hormoongerelateerde klachten aan dat zij minder werk gedaan krijgen bij klachten.
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Op basis van de NEA is niet vast te stellen welk deel van de vrouwen uitvalt vanwege burn-outklachten. Er wordt wel naar de soort klachten bij het laatste verzuim gevraagd, waarbij onderscheid is gemaakt naar psychische klachten, klachten in het bewegingsapparaat, griep/verkoudheid en overige klachten.
Onder psychische klachten vallen overspannenheid, burn-outklachten, vermoeidheid en concentratieproblemen. Het gaat dus om allerlei klachten die psychisch van aard zijn, waaronder ook het hebben van een burn-out of burn-outklachten. Gemiddeld verzuimt 9% van de vrouwen met psychische klachten. Bij jongere vrouwen in de leeftijdscategorieën 21–30 en 31–40 jaar komt dat iets vaker voor (respectievelijk 10% en 11,5%).
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Met de Nationale Strategie Vrouwengezondheid zet het kabinet sinds 2025 extra in op aandacht voor vrouwengezondheid. Het gaat om meer aandacht en kennis over vrouwspecifieke aandoeningen en verbetering van diagnostiek, maar ook om meer bewustwording en bespreekbaarheid op de werkvloer van vrouwengezondheid.
Aan de hoge uitval van vrouwen op de arbeidsmarkt en daarmee ook verhoogde instroom in de WIA liggen zowel maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren ten grondslag. In lijn met de motie van het lid Neijenhuis7 brengen we samen met VWS de oorzaken en oplossingsrichtingen in kaart. Het kabinet zal de Kamer over de stand van zaken voor de volgende begrotingsbehandeling van SZW informeren.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
In het artikel wordt genoemd dat de zorgtaken tussen vrouwen en hun partner niet goed zijn verdeeld. Aangegeven wordt dat vrouwen hun carrière veelal moeten balanceren met de zorg voor kinderen en soms ook het verlenen van mantelzorg voor bijvoorbeeld ouders. Dit kan zorgen voor druk onder vrouwen. De verdeling van zorgtaken is in de eerste plaats een onderwerp van gesprek dat thuis plaatsvindt. De overheid faciliteert een gelijkwaardige verdeling van zorgverantwoordelijkheden tussen partners onder meer via het verlofstelsel en de Wet flexibel werken. Op dit moment wordt gewerkt aan de vereenvoudiging van het verlofstelsel met als doel het stelsel begrijpelijker en toegankelijker te maken voor zowel werknemers als werkgevers. Dit moet ervoor zorgen dat meer mensen het verlof opnemen en dit kan daarnaast bijdragen aan een betere balans tussen werk en privé.
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang kent een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de midden en hoge inkomens aanzienlijk goedkoper. Bovendien wordt voor alle ouders de marginale druk lager. Meer verdienen (bijvoorbeeld door meer te gaan werken) zal namelijk niet langer voor een lager vergoedingspercentage zorgen. Omdat vrouwen nog altijd vaak de minst werkende en minstverdienende ouder zijn zal dit naar verwachting vooral voor hen positief uitpakken. Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang stimuleert daarmee gelijke arbeidsdeelname en een evenwichtigere werk en zorg verdeling tussen ouders.
Het kinderopvangstelsel in Scandinavische landen is wezenlijk anders dan in Nederland, maar net als daar wordt kinderopvang ook hier voor de meeste ouders veel beter betaalbaar. Daarnaast kan het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang bijdragen aan een cultuurverandering. De nieuwe systematiek (zonder voorschotten en zonder kans op terugvorderingen) zorgt namelijk voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders. Hierdoor kan het op termijn de norm worden om meer kinderopvang te gebruiken dan drie dagen per week. Een dergelijke normverandering is niet op voorhand te kwantificeren maar zal wel worden gemonitord.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arbo-artsen?
Ook zijn er initiatieven zoals het gratis VSA-spreekuur (Vrouwspecifieke aandoeningen) van AmsterdamUMC voor eigen medewerkers om vrouwen met hormonaal gerelateerde problemen te helpen en tijd tot diagnose te verkorten. Het blijkt dat dit spreekuur bijdraagt aan het bespreekbaar maken op de werkvloer en het doorbreken van het taboe. Op dit moment wordt onderzocht of dit initiatief landelijk kan worden ingezet.
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker worden?
Overgangsklachten kunnen op verschillende manieren behandeld worden. Wat het beste werkt, verschilt per vrouw en hangt van de ernst van de klachten af. Ook is het belangrijk dat onderliggende oorzaken en eventuele andere problemen worden uitgesloten. De belangrijkste behandelmogelijkheden zijn in grote lijnen:
De meeste van bovengenoemde behandelmethoden kunnen worden vergoed uit de basisverzekering als zij worden verricht door een huisarts of – na verwijzing – door een medisch specialist. Het eigen risico is niet van toepassing voor behandelingen bij de huisarts; wel bij de medisch specialist. Ook is voor medicatie soms een eigen bijdrage nodig. Overgangsconsulten en -behandelingen en alternatieve behandelingen worden vaak vergoed via een aanvullende verzekering.
Voor een grotere bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen is er Thuisarts.nl. Hier staan de mogelijkheden voor behandelingen, de richtlijnen8 en wordt in begrijpelijke taal informatie gegeven. Dit geldt eveneens voor de richtlijn overgang van de NVOG9. Daarnaast zijn er specifieke organisaties die vrouwen voorlichting geven rondom de overgang.
Zoals eerder in de Kamerbrief over het doorbreken van het taboe rondom de overgang en werk10 is aangegeven zijn er ook diverse maatregelen in gang gezet om het taboe rondom de overgang te doorbreken. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat u hier concreet uitvoering aangeven?
De werkconferentie Vrouwengezondheid op 4 februari jl. is een belangrijke stap geweest in de uitwerking van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–203011. Met de Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. De conferentie kenmerkte zich door een sterke betrokkenheid en duidelijke bereidheid tot samenwerking op het terrein van de vrouwengezondheid. Met de ondertekening van het convenant «Samen in actie voor betere vrouwengezondheid12» hebben twaalf partijen het belang van een gezamenlijke inzet op dit terrein benadrukt. Met het convenant spreken partijen verder af om ook zelf vrouwengezondheid blijvend op de agenda te zetten, eigen initiatieven te versterken, kennis en data te delen en samen nieuwe acties te starten. Dit doen zij onder andere door:
Op de site van ZonMw staat beschreven hoe organisaties ook zelf bij kunnen dragen aan de beweging naar een betere vrouwgezondheid. Het is een positieve ontwikkeling dat partijen ook daadwerkelijk samen in actie komen. Er zijn inmiddels 30 pledges13 ingediend. Het kabinet kijkt ernaar uit om verder samen te werken aan een Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid. Met de werkagenda vrouwengezondheid, die op 25 juni 2026 wordt gelanceerd, zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. Ook is het kabinet positief over de manier waarop verschillende initiatiefnemers elkaars initiatieven verder willen brengen, bijvoorbeeld op het gebied van het verminderen van ziekteverzuim. Voor de zomer wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de uitwerking van de werkagenda, de monitoring en de overige ontwikkelingen op het gebied van vrouwengezondheid.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Thuisabortus.nl |
|
Mirjam Bikker (CU), Mona Keijzer , Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwe online platform thuisabortus.nl, waarmee een aantal huisartsen online abortuspillen gaat voorschrijven?
Ja.
Deelt u de mening dat dit initiatief, gelet op het feit dat het gaat om het beëindigen van menselijk leven, alle perken te buiten gaat?
Het kabinet staat pal voor goede en toegankelijke abortuszorg. Vrouwen die abortuszorg nodig hebben in Nederland verdienen zorg en hulpverlening van hoge kwaliteit, waarbij alle wettelijke vereisten worden nageleefd. In abortusklinieken en in huisartsenpraktijken worden vrouwen zorgvuldig begeleid en behandeld. Op basis van wat nu bekend is, is het de vraag of diezelfde zorgvuldigheid kan worden geboden via een website als thuisabortus.nl. De signalen over thuisabortus.nl neemt het kabinet daarom serieus. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onder de aandacht gebracht. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart.
Deelt u de grote zorgen dat een ingrijpende gebeurtenis als abortus hiermee grotendeels op afstand wordt georganiseerd? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling waarbij abortus steeds verder wordt verplaatst naar de privésfeer?
De Beleidsregel voorschrijven via internet en de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) sluiten abortuszorg op afstand niet expliciet uit.1 Het is aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere algemene wetten en regels voor goede en veilige zorg. Op basis van wat nu bekend is, roept de werkwijze van thuisabortus.nl vragen op over de naleving van deze zorgvuldigheidseisen.
Het is overigens niet nieuw dat abortus deels in de «privésfeer» plaatsvindt. Medicamenteuze zwangerschapsafbrekingen zijn al jarenlang onderdeel van de zorgvuldige abortuspraktijk in Nederland. Bij deze behandeling ondergaat een vrouw, na een consult in een abortuskliniek of bij de huisarts, de abortus grotendeels of geheel thuis.
Bent u bekend met de uitspraak van de toenmalige Minister van VWS in 2022 bij de behandeling van de initiatiefwet om de abortuspil bij de huisarts mogelijk te maken: «in de Wet afbreking zwangerschap neergelegde eisen omtrent zorgvuldigheid en kwaliteit [staan] in de weg dat de abortuspil via het internet kan worden verstrekt»?1 Hoe verhouden de activiteiten van thuisabortus.nl zich volgens u tot deze uitspraak?
Ja, het is mij bekend dat de toenmalige Minister is bevraagd over abortusmedicatie die online kon worden besteld. Uit de Handelingen van de eerste termijn van dat Kamerdebat3 blijkt dat de discussie destijds gericht was op online verkoop van abortusmedicatie zonder tussenkomst van een arts. Dit is in strijd met de eisen uit de Wafz en de Geneesmiddelenwet.
De werkwijze van thuisabortus.nl is anders. Een arts beoordeelt de aanvraag van de vrouw en kan vervolgens een recept voor de medicatie naar haar apotheek sturen. Er is hier dus wel tussenkomst van een arts, maar toch roept de werkwijze van thuisabortus.nl vragen op over de naleving van de wettelijke zorgvuldigheidseisen. Toen het initiatief bekend werd, heeft het kabinet dit daarom direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de zorgvuldigheidseisen vanuit de Wet afbreking zwangerschap? Kunt u hierbij afzonderlijk ingaan op de zorgvuldigheidseisen zoals deze in de wet (artikel 6a, derde lid Wafz) en het onderliggende besluit zijn vastgelegd?
De Wafz bevat verschillende zorgvuldigheidseisen over hulpverlening, besluitvorming, informatievoorziening en nazorg. Het is belangrijk dat deze eisen worden nageleefd, zodat vrouwen in Nederland kunnen rekenen op zorgvuldige zorg van hoge kwaliteit.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de zorgvuldigheidseisen uit de Wafz en andere relevante wet- en regelgeving. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Voldoet bijvoorbeeld het afvinklijstje op thuisabortus.nl (de «akkoordverklaring») volgens u aan deze zorgvuldigheidseisen, met name als het gaat om de vraag ten aanzien van de vrijwilligheid van de abortus?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze wordt via online voorschrijven getoetst of daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie? Is dit juridisch houdbaar?
In de Wafz worden eisen gesteld die erop zien dat elk besluit tot een zwangerschapsafbreking zorgvuldig wordt genomen en dat de afbreking alleen wordt uitgevoerd «indien de noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt.» Het is echter niet aan de arts om te toetsen óf er sprake is van een noodsituatie. De arts moet, «indien de vrouw van oordeel is dat haar noodsituatie niet op andere wijze kan worden beëindigd» zich ervan vergewissen dat de beslissing van de vrouw vrijwillig en zorgvuldig is genomen.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van deze zorgvuldigheidseisen. De IGJ heeft bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen.
Wat vindt u ervan dat thuisabortus.nl aangeeft dat niet voorkomen kan worden dat een vrouw een abortuspil besteld zonder dat zij zwanger is? Hoe wordt gecontroleerd dat de abortuspil wordt gebruikt door de persoon voor wie deze is voorgeschreven?
De werkwijze van thuisabortus.nl roept vragen op over de naleving van wettelijke zorgvuldigheidseisen. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Erkent u het risico dat abortuspillen via dergelijke platforms wordt doorgegeven aan derden of onder druk wordt gebruikt?
Zie antwoord vraag 8.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de Beleidsregel Voorschrijven via het internet? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, wat voor consequenties heeft dit volgens u?
Op grond van de Beleidsregel voorschrijven via internet mogen zorgverleners, onder bepaalde voorwaarden, medicatie voorschrijven na contact met de patiënt via internet.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van deze beleidsregel. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Hoe wordt gewaarborgd dat abortussen via online verstrekte pillen volledig en correct worden geregistreerd in de nationale abortuscijfers?
Artsen die een zwangerschapsafbreking verrichten zijn verplicht om hierover gegevens te registreren en deze te rapporteren aan de IGJ. Dat geldt ook voor artsen die een recept voorschrijven via thuisabortus.nl.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de registratieplicht. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabrotus.nl. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de Leidraad Huisartsenzorg bij een ongewenste zwangerschap? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, wat voor consequenties heeft dit volgens u?
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de beroepsrichtlijnen. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Bent u bekend met de kritiek van artsenkoepel KNMG op de werkwijze van thuisabortus.nl?2 Wat is uw reactie hierop?
Ja, de berichtgeving over de zienswijze van de KNMG is mij bekend. Het nieuwsbericht vermeldt dat de KNMG twijfelt aan de zorgvuldigheid en de juridische houdbaarheid. De KNMG vindt het onduidelijk of de werkwijze van thuisabortus.nl voldoet aan de Wafz. Zoals toegelicht in de antwoorden op bovenstaande vragen, roept de werkwijze van thuisabortus.nl ook vragen op bij het kabinet. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Wat vindt u ervan dat de huisartsen van thuisabortus.nl niet standaard een gesprek voeren met de zwangere vrouw, niet beschikbaar zijn voor nazorg bij complicaties en geen achterwacht hebben geregeld tijdens de avond-, nacht- en weekenduren?
In de Wafz staan verschillende zorgvuldigheidseisen waaraan abortusartsen en huisartsen zich dienen te houden. Deze eisen zien onder andere op zorgvuldige besluitvorming en beschikbaarheid van nazorg. Het is heel belangrijk dat deze eisen, en andere wet- en regelgeving voor goede zorg, worden nageleefd. Omdat de werkwijze van thuisabortus.nl vragen oproept over de naleving van de wettelijke zorgvuldigheidseisen, heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Wat vindt u ervan dat de huisartsen van thuisabortus.nl niet standaard om een zwangerschapsecho vragen? Bent u ermee bekend dat de abortuspil bijvoorbeeld niet gebruikt mag worden bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap? Hoe kunnen de huisartsen van thuisabortus.nl weten of er al dan niet sprake is van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap als er niet standaard een echo wordt geëist?
Bij abortuszorg door een huisarts wordt niet standaard een echo gemaakt. In de leidraad voor huisartsen staat dat een echo uitsluitend wordt aangeraden bij een vermoedelijke medische indicatie of als de zwangerschapstermijn niet betrouwbaar kan worden vastgesteld. Bij onzekerheid over de termijn of verhoogde kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap wordt een echo geadviseerd. De huisarts verwijst hiervoor door naar een andere zorgverlener. De werkwijze van thuisabortus.nl lijkt op dit punt dus niet af te wijken van abortuszorg zoals huisartsen die al leverden.
Het is niet aan mij om te beoordelen wanneer medische onderzoeken wel of niet standaard moeten worden aangeboden. Dit is bij uitstek een zorginhoudelijke afweging die zorgprofessionals moeten maken. De beroepsgroep van huisarten heeft bovengenoemde leidraad opgesteld op basis van wetenschappelijk onderzoek, kennis, ervaring en overleg met andere zorgverleners.
Kunt u aangeven hoe de activiteiten van thuisabortus.nl zich verhouden tot het strafrecht?
De strafuitsluitingsgrond in artikel 296, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht stelt dat een huisarts een medicamenteuze zwangerschapsafbreking mag verrichten volgens de Wafz. In de Wafz staan verschillende zorgvuldigheidseisen waaraan de huisarts zich dient te houden. Het is heel belangrijk dat deze eisen, en andere wet- en regelgeving voor goede zorg, worden nageleefd. Zoals in eerdere antwoorden toegelicht, heeft het kabinet daar in het geval van thuisabortus.nl vragen over.
Of strafrechtelijke vervolging in een concreet geval aan de orde is, hangt sterk af van de specifieke omstandigheden bij die zwangerschapsafbreking. In algemene zin is het strafrecht geen voor de hand liggend instrument om naleving van zorgvuldigheidseisen te handhaven. Het OM heeft zich in het verleden uitsluitend gericht op ernstige misbruiksituaties, zoals gedwongen zwangerschapsafbrekingen door een partner (niet-arts). Als een arts mogelijk handelt in strijd met de Wafz, ligt handhaving in de eerste plaats bij de IGJ. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek te gaan over de activiteiten van thuisabortus.nl? Is de IGJ voornemens om in te grijpen?
Ja, direct nadat het kabinet hoorde dat thuisabortus.nl van start zou gaan heeft het dit bij de IGJ onder de aandacht gebracht. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht dus zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Daarbij wordt gekeken of thuisabortus.nl zich houdt aan relevante wet- en regelgeving. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Bent u bereid om het online verstrekken van abortuspillen zo spoedig mogelijk juridisch onmogelijk te maken?
Volgens het huidige juridisch kader is het aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere relevante wet- en regelgeving voor goede en veilige zorg. Het is nu eerst aan de IGJ om te kijken of thuisabortus.nl zich houdt aan relevante wet- en regelgeving. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Het bericht dat instellingen voor mensen met dementie worstelen met opendeurenbeleid. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Instellingen voor mensen met dementie worstelen met opendeurenbeleid»?1
Ja.
Kunt u aangeven bij hoeveel zorgaanbieders de deuren in de praktijk nog gesloten zijn, aangezien de inspectie ziet dat veel zorgaanbieders werken aan een opendeurenbeleid maar bij een groot deel van de zorgaanbieders de deuren in de praktijk nog altijd gesloten? Kunt u dit uitsplitsen per sector en daarbij aangeven wat daarvoor de hoofd beweegredenen zijn?
Nee, ik heb geen inzicht in de aantallen verpleeghuizen met een zogenoemd opendeurenbeleid. Ieder verpleeghuis dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden. In het kader van opendeurenbeleid is dat de Wet zorg en dwang (Wzd).
Op welke manieren bent u van plan om in te zetten op kwaliteit van leven voor mensen met dementie?
Ik zet met de Nationale Dementiestrategie (NDS) in op meer onderzoek naar dementie, een dementievriendelijke samenleving en goede zorg en ondersteuning voor mensen met dementie. Deze strategie is onlangs geactualiseerd en in januari 2026 met uw Kamer gedeeld.2
Op welke manieren gaat u inzetten op «vrijheid, tenzij» voor mensen met dementie? En hoe faciliteert u daarin de zorgaanbieders, zorgprofessionals en familie?
Het belangrijkste instrument waarmee ingezet kan worden op «vrijheid, tenzij» voor mensen met dementie is de Wzd zelf. Het uitgangspunt van de Wzd is «nee, tenzij». Dat betekent dat cliënten niet beperkt worden in hun vrijheid, tenzij dat echt niet anders kan. En in dat geval alleen als dat gebeurt met inachtneming van de eisen die de Wzd stelt.
De meest betrokken veldpartijen (zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) hebben met de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wzd (december 2023)3 afgesproken zich ervoor in te zetten om het openen van deuren te stimuleren, hier aandacht aan te besteden en het lerende effect tussen zorgaanbieders en professionals te versterken. Vilans heeft hieraan bijgedragen met onder andere de campagne «Een deur kan op veel manieren open»4 als onderdeel van een breder Wzd-programma 2023–2025. Daarnaast heeft Vilans naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken samen met veldpartijen de folder «Leven in vrijheid voor cliënten en hun naasten of vertegenwoordigers» uitgebracht.5 In de folder wordt in duidelijke taal uitgelegd wat de Wzd is en welke stappen zorgorganisaties moeten doorlopen bij het inzetten van gedwongen zorg aan cliënten.
Binnen de Wzd-programma’s van Vilans zijn talrijke kennisproducten en -sessies ontwikkeld en aangeboden aan het veld. In het kader van de doorlopende kennisfunctie van Vilans worden de kennisproducten over de Wzd en het openen van deuren onderhouden en blijvend onder de aandacht van de zorgprofessionals gebracht door Vilans.6
Tot slot kent de Wzd om de cliënt en zijn naasten te ondersteunen de functie cliëntvertrouwenspersoon (CVP). Iedere cliënt die te maken krijgt met gedwongen zorg heeft recht op ondersteuning van een CVP.
Deelt u de mening dat dit niet alleen iets van aanbieders, professionals en familie is maar van de samenleving als geheel? Hoe zet u daar op in?
Eén van de lijnen van de Nationale Dementiestrategie is de Dementievriendelijke samenleving. Binnen dit thema werken we aan bewustwording van de samenleving over dementie en zorgen we voor inclusiviteit. We werken aan meer begrip uit de omgeving voor mensen met dementie en hun naasten. We stimuleren betere toegankelijkheid van sportclubs en verenigingen voor mensen met dementie.
Daarnaast heeft Vilans in het kader van het programma «Open de deuren» een «Dossier passende vrijheid» ontwikkeld. Dit dossier bestaat uit meerdere bouwstenen. Eén van deze bouwstenen is «Gebouw en omgeving». Het dossier geeft zorgaanbieders handvatten hoe zij zowel intern als extern een dementievriendelijke omgeving creëren.
Deelt u de zorg van de instellingen dat dementerende bewoners door het opendeurbeleid in gevaarlijke situaties terechtkomen of niet meer terugkeren? Zo ja, wat gaat u doen om hen hierin te begeleiden? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp deze zorg. Het artikel geeft de emotie goed weer die het openen van deuren voor familie en naasten soms met zich meebrengt, waarbij het gevoel dat een cliënt niet veilig is en risico’s loopt een grote rol speelt.
Juist daarom is de individuele afweging noodzakelijk. Als gevaarlijke situaties voorstelbaar zijn bij een cliënt, kan de zorgaanbieder de afweging maken dat deze cliënt niet alleen naar buiten gaat, maar kan de zorgaanbieder andere opties verkennen, zoals onder begeleiding van een zorgverlener de afdeling af en/of naar buiten.
Begrijpt u dat ook familieleden van bewoners vaak enorm worstelen met de afweging tussen vrijheid en veiligheid dat zij grote machteloosheid ervaren als het gaat om de fysieke bescherming van hun dementerende geliefden? Zo nee, waarom niet? Hoe neemt u hen mee in het opendeurenbeleid?
Het is mij bekend dat familieleden en naasten een open deur niet altijd als veilig ervaren en dat zij soms ook in situaties terechtkomen waarin zij dierbaren moeten zoeken en ophalen. Tegelijkertijd horen we, ook van familieleden, dat de kwaliteit van leven van cliënten erop vooruitgaat als zij zich meer in vrijheid kunnen bewegen. Daarom is het belangrijk dat zorgprofessionals in overleg met de naasten van een cliënt en zo mogelijk de cliënt zelf een goede afweging maken.
Onderdeel van deze individuele afweging is de inschatting van de zorgverlener welke risico’s er zijn voor de cliënt en hoe dat afgewogen kan worden tegenover de verbeterde kwaliteit van leven voor de cliënt.
Om deze afweging zorgvuldig voor elke individuele cliënt te kunnen maken heeft Vilans in 2024 een handreiking7 gemaakt ter ondersteuning van zorgprofessionals. Vilans heeft over de handreiking actief gecommuniceerd naar zorgprofessionals, onder andere via hun nieuwsbrief over gedwongen zorg.
Bent u het eens met de verzorgenden dat personeelstekort de tijd beperkt voor maatwerk en begrijpt u dat tegelijkertijd de sterke verantwoordelijk voor de bewoners en het verantwoording afleggen aan familie grote druk op hen legt? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat begrijp ik. Dat neemt niet weg dat, in geval van gedwongen zorg, altijd een individuele afweging gemaakt moet worden.
Hebt u er in tegenstelling tot de inspectie wel begrip voor dat fysieke aanpassingen geld kosten en wegens bezuinigingen niet altijd mogelijk zijn? Zo ja, op welke manier komt u hen hierin tegemoet? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad mogelijk dat fysieke aanpassingen kosten met zich brengen. In de Wet langdurige zorg (Wlz) wordt via de normatieve huisvestingscomponent geld beschikbaar gesteld voor behoud van het vastgoed. Daar horen ook aanpassingen bij die zijn ingegeven door wijzigingen in de wijze van zorgverlening.
Hoe bevordert u het delen van kennis en ervaringen binnen de verschillende sectoren met het opendeurenbeleid?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid op korte termijn met de Beroepsvereniging V&VN voor verpleegkundigen en verzorgenden en andere betrokkenen in gesprek te gaan, de knelpunten in de wet, problemen waar zij tegen aan lopen en eventueel door hen voorgestelde oplossingen in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, en sterker nog: dat doe ik al. Vanuit het Ministerie van VWS vindt er regelmatig overleg plaats op verschillende niveaus en in wisselende samenstellingen met beroepsverenigingen en dus ook de V&VN. Uw Kamer is en wordt daar op regelmatige basis over geïnformeerd. In de toelichting van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wzd (Evaluatiewet Wvggz en Wzd) dat momenteel wordt voorbereid, zal ook ingegaan worden op de inbreng van beroepsverenigingen.
De uitspraken van minister Boekholt-O’Sullivan in The Guardian inzake het aanpassen van het energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen uitspraken in The Guardian van 23 maart 2026, waarin u het dagelijks energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers ter discussie stelt en vergelijkingen trekt met rantsoenering tijdens militaire missies in Afghanistan?1
Ja.
U verklaarde dat u in Afghanistan «een muntje kreeg voor de douche en een muntje om naar huis te bellen» en voegde toe dat burgers «afspraken moeten maken, want het aanbod is niet oneindig.» – welk concreet beleid vloeit uit deze uitspraak voort, en welke vormen van rantsoenering, tokensystemen, quota of verbruiksplafonds voor energie, water of andere nutsvoorzieningen worden door het kabinet overwogen of voorbereid?
Zoals ik in mijn brief van 26 maart aan de Kamer heb laten weten, had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen en dit voorbeeld niet moeten gebruiken. Er vloeit geen beleid voort uit deze voorbeelden.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse burger zijn gedrag zou moeten aanpassen – zoals de wasmachine ’s nachts aanzetten – terwijl het overbelaste elektriciteitsnet het gevolg is van geforceerde elektrificatie zonder adequate uitbreiding van de infrastructuur?
De oproep om stroom waar mogelijk buiten piekuren te gebruiken, is geen afwenteling op huishoudens maar een praktische maatregel om het elektriciteitsnet doelmatiger te benutten. Dit sluit aan bij de rijkscampagne Zet ook de knop om. De netbeheerders werken hard aan uitbreiding van de infrastructuur; het kabinet ondersteunt dit met een Versnellingsaanpak om de doorlooptijden van realisatie te verkorten. Daarnaast werken het kabinet en betrokken partijen aan maatregelen om het bestaande net efficiënter te benutten. Zie daartoe ook bijvoorbeeld de brief van de (vorige) Minister van KGG van 4 februari 2026 over het aansluitoffensief netcongestie.
Bestaan er binnen uw ministerie of de regering ambtelijke verkenningen, notities of scenariostudies over het beperken, reguleren of rantsoeneren van huishoudelijk energieverbruik, en bent u bereid deze naar de Kamer te sturen?
Voor zover binnen de overheid stukken zijn over netcongestie, flexibiliteit of vraagsturing, hebben die betrekking op beter gebruik van schaarse capaciteit, door bijvoorbeeld gebruik buiten de piekuren te stimuleren, en niet op het beperken van huishoudelijke vrijheden via rantsoenering.
Welke tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens worden door het kabinet overwogen, op welke wettelijke grondslag, en hoe zou de handhaving en controle daarvan eruitzien?
In het kabinetsbeleid voor spreiding van elektriciteitsverbruik door huishoudens is vrijwilligheid het uitgangspunt. Het kabinet overweegt geen tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens op grond van een publiekrechtelijk dwingend regime. Wel wordt toegewerkt naar de invoering van tijdafhankelijke nettarieven voor kleinverbruikers om dit te stimuleren, waarbij gebruikers worden ontzorgd door slimme apps voor energiemanagement om net-intensieve apparaten, zoals warmtepompen en thuislaadpalen, automatisch optimaal in te zetten2.
Op basis van welke norm of maatstaf concludeert u dat de gemiddelde Nederlander te veel ruimte, energie of water verbruikt, en welke maatregelen – zoals woningdelingsregelingen, verplichte kamerverhuur of andere vormen van woonruimteverdeling – overweegt de regering om het aantal kamers per persoon terug te dringen van 2,1 naar het Europees gemiddelde van 1,7?
Ik hanteer geen norm waaruit zou volgen dat de gemiddelde Nederlander «te veel» ruimte, energie of water gebruikt. Het kabinet bereidt geen maatregelen voor zoals verplichte woningdeling, verplichte kamerverhuur of een norm voor het aantal kamers per persoon. Zoals ik in mijn brief van 26 maart jongstleden heb aangegeven had ik mijn woorden in het interview zorgvuldiger moeten kiezen.
Deelt u de mening dat het tekort aan netcapaciteit niet was ontstaan als Nederland zijn eigen aardgasvoorraad niet vroegtijdig had afgebouwd, en wat zijn de totale kosten geweest van het dichtdraaien van de gaskraan in Groningen, inclusief de import van buitenlands gas en het ontmantelen en overdragen aan Oekraïne van ons gaspompsysteem?
Die mening deel ik niet. Netcongestie is een probleem van elektriciteitsinfrastructuur en piekbelasting en dat staat los van de vraag of aardgasproductie uit Groningen langer had moeten doorgaan. Na de aardbevingen van 2018 in Zeerijp besloot het kabinet om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk volledig te beëindigen. Op 19 april 2024 is met brede parlementaire steun gaswinning uit het Groningenveld definitief wettelijk beëindigd. Daarbij zijn alle overwegingen en perspectieven inclusief geopolitieke factoren en leveringszekerheid uitgebreid en zorgvuldig gewogen. Het belang van energiezekerheid spreekt voor zich. Het kabinet zit daar bovenop.
In hoeverre is het woningtekort direct te herleiden tot massale immigratie, gezien het feit dat de Nederlandse bevolking enkel nog kunstmatig groeit door migratie, en waarom kiest de regering voor grootschalige bijbouw in plaats van het aanpakken van deze oorzaak?
Het beleid van het kabinet is zowel gericht op het toevoegen van woningen om het woontekort aan te pakken als ook op minder instroom.
In de «Primos-prognose 2025, Prognose van bevolking, huishoudens en woningbehoefte» laat ABF Research zien hoe de door ABF verwachte woningbouw in de komende 15 jaar opgedeeld kan worden. Met 45% van de woningbouw wordt de groei van de bevolking opgevangen. Met 25% wordt voorzien in extra vraag naar woningen doordat huishoudens kleiner worden (minder mensen per woning). Met 14% wordt de geraamde sloop van woningen gecompenseerd. Met de resterende 16% wordt het woningtekort teruggedrongen. Voor de bevolkingsgroei geldt vervolgens dat deze voor 95% ontstaat door migratie. De basis achter deze prognose van ABF zijn de CBS-bevolkingsprognoses.
Hoe verhoudt uw oproep tot «eenvoudiger leven» zich tot het feit dat de Nederlandse burger al tot de hoogst belaste ter wereld behoort, en erkent u dat de werkende middenklasse onevenredig hard wordt geraakt door de gecombineerde lasten van de woningcrisis, het klimaatbeleid en de kosten van immigratie?
Ik onderken dat veel huishoudens druk ervaren door woonlasten, energiekosten en bredere kosten van levensonderhoud. Het kabinet zet zich in om die druk te verminderen, onder meer door maatregelen gericht op het verlagen van woonlasten, het verbeteren van betaalbaarheid en het versterken van de koopkracht van huishoudens.
Welke klimaat- en stikstofregelgeving die woningbouw belemmert is het kabinet bereid op te schorten totdat het woningtekort is opgelost, en indien geen enkele: waarom weegt deze regelgeving zwaarder dan adequate huisvesting?
Het kabinet is niet voornemens klimaat- of stikstofregelgeving generiek op te schorten. De inzet is om woningbouw sneller mogelijk te maken binnen de geldende wettelijke kaders, onder meer via vereenvoudiging van procedures, financiële stimulansen en maatregelen om knelpunten zoals stikstof en netcongestie te verminderen. Natuur- en klimaatmaatregelen zijn juist noodzakelijk met het oog op een gezonde en duurzame leefomgeving. Adequate huisvesting en de bescherming van natuur, klimaat en leefomgeving zijn publieke belangen die in samenhang moeten worden gediend.
Het bericht 'Rotterdamse huisartsenpost toont clip 'Boom Boom Tel Aviv' op groot scherm' |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de huisartsenpost Rotterdam Zuidplein op een groot scherm een videoclip is vertoond waarin geweld wordt verheerlijkt, zoals te zien was op beelden die op sociale media circuleerden?1
Op de gevel van een huisartsenpraktijk in Rotterdam, huisartsenpost Zuidplein, hangt een scherm. Het is goed te zien vanaf de straat. Op dat scherm verscheen in maart een videoclip. Het liedje uit de clip heeft als titel: «Boom, Boom, Tel Aviv». Een van de strofen uit het liedje luidt: «But humanity never expected good behavior from your Jews».
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Worden deze beelden door of namens deze huisartsenpost zelf aangestuurd of door een externe advertentiedienst?
Wie de beelden aanstuurde, is voor het kabinet vooralsnog onduidelijk. Er is inmiddels een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Vermoedelijk zal daaruit blijken wie de beelden aanstuurde. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Heeft deze huisartsenpost een verantwoordelijkheid om bij (potentiële) patiënten geen enkele zorg te laten ontstaan over de vraag dat ongeacht de herkomst of nationaliteit van een persoon deze kan rekenen op de best beschikbare zorg?
Huisartsen moeten zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2 De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. In de tweede kernregel is opgenomen: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet».3
Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Deelt u de opvatting dat zorgverleners, en zorginstellingen in het bijzonder, een neutrale, veilige en niet-politieke omgeving moeten bieden aan alle patiënten, ongeacht herkomst, religie of politieke opvatting?
Ja.
Hoe verhoudt het vertonen van een video waarin geweld wordt gevierd zich volgens u tot de professionele normen, zoals beschreven door de KNMG en in bredere zin in de medische beroepsethiek, waaronder het uitgangspunt dat artsen en zorginstellingen handelen op een wijze die geen schade toebrengt, vertrouwen wekt en respect voor iedere patiënt waarborgt?2
Zoals hierboven uitgelegd, moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. De gedragscode biedt artsen een leidraad voor het professionele handelen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. Zoals hierboven aangegeven, staat in de tweede kernregel: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet». Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» acht het kabinet volkomen onacceptabel. Een dergelijke videoclip kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk en kan daarmee de toegang tot zorg belemmeren.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden, waaronder de KNMG-gedragscode, maakt daar deel van uit.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse artseneed, zoals opgenomen in de universitaire opleidingen sinds 2003, artsen onder meer verplicht tot het bevorderen van vertrouwen, het voorkomen van schade en het professioneel handelen in het belang van de patiënt? Acht u het vertonen van deze video in lijn met die eed en professionele verplichtingen?
De artseneed is een morele en ethische belofte. De artseneed is niet juridisch bindend. De bovengenoemde gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen. Die maakt deel uit van de professionele standaard.
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.5 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Zijn er eerder uitingen op dit scherm geweest die vraagtekens zetten bij de genoemde normen die gelden voor leden van de medische beroepsgroepen?
Het College van burgemeester en Wethouders van Rotterdam heeft in 2023 vragen beantwoord van de gemeenteraad over antiwesterse en pro-Palestijnse posts op de LinkedIn-pagina van Huisartsenpost Zuidplein.
Bent u ervan op de hoogte dat buurtbewoners inmiddels klachten hebben ingediend over het scherm en dat het scherm inmiddels is uitgezet? Worden deze klachten betrokken bij een onderzoek of bestuurlijke beoordeling?
In hoeverre buurtbewoners hebben geklaagd en bij wie, is het kabinet niet bekend. Wel is bekend dat er een opsporingsonderzoek is opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden patiënten hebben om een formele klacht in te dienen wanneer zij zich door dergelijke politieke of gewelddadige boodschappen onveilig, ongewenst of bedreigd voelen bij het bezoeken van een huisartsenpost?
Patiënten die zich onveilig, ongewenst of bedreigd voelen, kunnen een melding doen bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Zie: Ik heb een klacht | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
Daarnaast kunnen patiënten een klacht indienen bij de zorgaanbieder zelf. De zorgaanbieder is verplicht een schriftelijke regeling op te stellen voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten.
Kunt u toezeggen om deze situatie onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Wat vindt uzelf van het vertonen van deze videoboodschap boven een huisartsenpost in relatie tot de KNMG-gedragsregels en de medische beroepsethiek, inclusief de normen over neutraliteit, veiligheid en het vermijden van schade?
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Welke voorwaarden gelden er voor met premie, c.q. belastinggeld, betaalde zorginstellingen ten aanzien van het gebruiken van publieke schermen of uitingen voor politieke, activerende of mogelijk polariserende boodschappen? Zijn deze waarborgen volgens u voldoende?
De vertoning van beelden op een scherm aan de gevel van een huisartsenpraktijk moet aan diverse normen voldoen. Het kabinet acht deze normen voldoende. De vertoning mag allereerst niet strafbaar zijn. Of er sprake is van strafbaarheid wordt uitgezocht in het reeds opgestarte opsporingsonderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast is voor het plaatsen van een scherm aan een gevel een vergunning vereist. Dat is geregeld in de Omgevingswet. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam heeft een toezichtsonderzoek opgestart.
Tot slot moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode maakt deel uit van de professionele standaard. De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Deelt u de opvatting dat het vertonen van gewelddadige en polariserende content vanaf een zorginstelling niet alleen onverenigbaar is met de rol van een huisartsenpost, maar ook onwenselijk is in de openbare ruimte?
Ja.
Welke bestuurlijke maatregelen acht u passend indien een zorginstelling (herhaaldelijk) uitingen verspreidt die angst of haat kunnen aanwakkeren in de openbare ruimte? Wordt daarbij ook de mogelijkheid betrokken van (tijdelijke) sluiting of het intrekken van vergunningen indien normen structureel worden overschreden?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in dit geval niet de bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen te treffen. Toezichtsonderzoek en de eventuele beslissing om handhavingsmaatregelen te treffen is aan de toezichthouders: de IGJ en Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door IGJ of andere toezichthouders, en over eventuele maatregelen die u naar aanleiding daarvan noodzakelijk acht?
Ja, voor zover dat binnen de geldende wettelijke kaders mogelijk is, zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door de IGJ of andere toezichthouders, evenals over eventuele maatregelen die naar aanleiding daarvan noodzakelijk worden geacht.
Mogelijke stemfraude bij de gemeenteraadsverkiezingen in Gorinchem. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat in Gorinchem vermoedens bestaan van stemfraude met volmachten bij de recente gemeenteraadsverkiezingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk op grote schaal gebruik is gemaakt van volmachten, waaronder situaties waarin meerdere volmachten op vergelijkbare wijze waren voorbereid?
De mogelijkheid om te stemmen bij volmacht wordt in ons land breed gedragen, omdat het bijdraagt aan de toegankelijkheid van verkiezingen: mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen, krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. 54% van de kiezers die bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 een volmacht heeft afgegeven zou niet zijn gaan stemmen als machtigen niet mogelijk was.2 Dit laat zien dat het stemmen per volmacht een toegevoegde waarde heeft in ons verkiezingsproces; het zorgt dat er geen stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
De mogelijkheid om bij volmacht te stemmen brengt echter ook kwetsbaarheden met zich mee, zoals dat kiezers onder druk gezet kunnen worden om hun volmacht af te geven. Internationale waarnemers hebben bij eerdere verkiezingen ook op deze risico’s gewezen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. De wettelijke strafbepalingen zijn op dit onderwerp recent nog aangescherpt. Hiervoor is 1 januari jl. een wetswijziging3 in werking getreden (Stb. 2025, 272) waarbij de delictsomschrijving is aangescherpt en de strafmaat is verhoogd. Ook is er voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen extra ingezet op aanvullende voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers.
Wanneer er sprake is van een hoog percentage volmachten bij een stemlokaal kan dit een aanwijzing zijn voor mogelijke risico’s zoals ronselen. Daar kan echter niet op voorhand vanuit gegaan worden. Er kunnen ook andere verklaarbare factoren zijn: bij stemlokalen in de buurt van verzorgingscentra worden bijvoorbeeld vaker stemmen bij volmacht uitgebracht dan bij andere stemlokalen. In de praktijk zien we dat concrete aanwijzingen van onregelmatigheden zoals ronselen worden gesignaleerd en dat dit leidt tot aangifte en onderzoek door het Openbaar Ministerie (hierna: OM). De politie en het OM doen op dit moment onderzoek naar de gebeurtenissen rond de gemeenteraadsverkiezing in Gorinchem. Op de uitkomsten van dit onderzoek kan ik niet vooruitlopen. Als uit dat onderzoek blijkt dat er daadwerkelijk sprake is van ronselen, is dat strafbaar en is het aan de rechter om hierover te oordelen.
De casus Gorinchem betrek ik bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Zijn er signalen dat vergelijkbare praktijken met betrekking tot volmachtstemmen ook in andere gemeenten hebben plaatsgevonden? Zo ja, waar en wordt hier ook onderzoek naar gedaan?
Er zijn geen andere signalen bij mij gemeld. Wanneer er sprake is van vergelijkbare praktijken in andere gemeenten is het aan het betreffende college om aangifte te doen, zodat de signalen kunnen worden onderzocht.
In hoeverre acht u het zorgwekkend dat op één stembureau een relatief hoog aantal volmachten is uitgebracht (circa 135 op 650 stemmen)?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het huidige systeem van stemmen bij volmacht kwetsbaar is voor misbruik? Zo ja, welke risico’s zijn hierbij bekend? Hoe worden deze risico’s op dit moment aangepakt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre komt misbruik van volmachten vaker voor bij verkiezingen in Nederland en wordt dit structureel gemonitord?
De omvang van ronselen van volmachten bij verkiezingen in Nederland lijkt in de praktijk beperkt. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan vanwege ronselen.
Er is geen actuele monitoring ingericht waarin het misbruik van volmachten structureel op een plek wordt bijgehouden. Iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst. Gemeenten en stembureaus hebben een belangrijke rol in het signaleren van mogelijke onregelmatigheden tijdens verkiezingen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. Als er signalen van ronselen zijn, dient de betreffende gemeente aangifte te doen. Dat is ook in Gorinchem gebeurd.
Deelt u de zorg dat situaties waarin kiezers worden benaderd om hun volmacht af te geven het vertrouwen in het verkiezingsproces kunnen ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Het initiatief om een volmacht af te geven moet altijd bij de kiezer zelf liggen. Wanneer kiezers worden benaderd of zelfs onder druk worden gezet om hun volmacht af te geven, ligt dit initiatief niet langer bij de kiezer maar bij de persoon die de volmacht probeert te bemachtigen. Dit kan worden gekwalificeerd als ronselen en is schadelijk voor het vertrouwen in het verkiezingsproces. Om die reden is de strafbaarstelling en strafmaat voor ronselen recent aangescherpt.
Welke rol spelen kandidaten of politieke partijen bij het verzamelen van volmachten en waar ligt de grens tussen legitieme ondersteuning en ongewenste beïnvloeding?
Het komt voor dat politieke partijen bemiddelen tussen kiezers die een volmacht willen afgeven en potentiële gemachtigden. Dit kan handig zijn voor kiezers die zeker willen weten dat de gemachtigde op de partij van hun keuze gaat stemmen. Deze praktijk is toegestaan, mits het initiatief nog altijd bij de kiezer zelf ligt om contact op te nemen met de politieke partij, zodat een gemachtigde kan worden aangewezen en de kiezer dus ook weet wie de volmachtnemer is. Zodra politieke partijen of individuele kandidaten zelf kiezers benaderen om hen te bewegen hun volmacht af te geven, is er sprake van ronselen. Het is dus van belang om deze grens scherp voor ogen te houden.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige systeem van volmachtstemmen moet worden aangepast of aangescherpt om fraude en beïnvloeding tegen te gaan?
Iedere verkiezing wordt uitgebreid geëvalueerd met als doel te onderzoeken welke verbeteringen in het verkiezingsproces mogelijk zijn. De casus in Gorinchem wordt betrokken bij de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezingen. Daarbij wordt bezien of en zo ja hoe de regels over het gebruik van volmachten moeten worden aangescherpt.
Welke vervolgstappen worden overwogen indien uit het onderzoek blijkt dat daadwerkelijk sprake is geweest van stemfraude en wat betekent dit voor de geldigheid van de verkiezingsuitslag in Gorinchem?
Het is aan het OM en vervolgens aan de rechter om te bepalen welke vervolgstappen passend zijn wanneer er sprake is van het ronselen van volmachten of andere vormen van stemfraude in Gorinchem. De gemeenteraad van Gorinchem heeft op 31 maart jl. besloten de nieuw verkozen leden niet toe te laten en een herstemming te organiseren. Inmiddels is bekend dat deze herstemming plaatsvindt op 29 april aanstaande. De gemeenteraad heeft hiertoe besloten omdat er te veel twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de stemming, nu er een onderzoek loopt naar mogelijke verkiezingsfraude door de politie en het OM.
Op welke wijze wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en eventuele bredere implicaties voor toekomstige verkiezingen?
Zie antwoord vraag 9.