De gebrekkige zorg op crisisnoodopvanglocaties |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reportage van NRC Handelsblad genaamd «Het verdienmodel van detacheerder Arts & Specialist: minimale zorg voor asielzoekers tegen maximale winst»1? Hoe reflecteert u op de bevindingen van deze reportage?
Ja ik ben bekend met de rapportage in de NRC. Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik verder graag naar mijn brief van 24 april jl. waarin ik, op verzoek van uw Kamer, inga op genoemd krantenartikel in de NRC.
Bent u het eens met de stelling dat asielzoekers een kwetsbare groep zijn die recht hebben op adequate zorg? Bent u het eens met de stelling dat de regering heeft gefaald om adequate zorg te leveren? Vindt u dit typerend van het huidige Nederlandse asielbeleid?
Iedereen in Nederland heeft recht op medisch noodzakelijke zorg. Dat geldt ook voor asielzoekers. Voor asielzoekers is de toegang tot de medische zorg in de regel goed geborgd. Op de locaties die onder beheer vallen van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), zorgt GezondheidsZorg Asielzoekers (GZA) voor de toegang tot de huisartsenzorg op de locatie en in bepaalde gevallen in de directe nabijheid van die locatie. Ook voor de crisisnoodopvang zorgt GZA in eerste instantie voor de toegang tot de huisarts. Voor een aantal locaties moet hiervoor een beroep worden gedaan op bijvoorbeeld Arts & Specialist of Just4Care. In enkele locaties wordt de huisartsenzorg geleverd door lokale huisartsen. Net als dat voor andere inwoners van Nederland geldt, kan via de huisarts doorverwijzing plaatsvinden naar tweedelijnszorg. Voor de zorg wordt gebruik gemaakt van reguliere zorg(instellingen). De capaciteitsvraagstukken in de zorg spelen voor alle inwoners van Nederland, inclusief asielzoekers. Niettemin ben ik van mening dat asielzoekers in de regel een goede toegang hebben tot medische zorg.
Klopt het dat Arts & Specialist niet verantwoordelijk is voor de inrichting van de locatie of de werkplek van basisartsen? Indien dit het geval is, hoe komt het dat deze artsen geen toegang hebben tot belangrijke apparatuur zoals laptops en onderzoekstafels? Is deze tekortkoming toe te schrijven aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)? Indien dit het geval is, gaat deze noodzakelijke apparatuur spoedig geleverd worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het klopt dat Arts & Specialist niet verantwoordelijk is voor de inrichting van de werkplek van de (basis)artsen. Arts & Specialist is geen zorgorganisatie maar via hen kan medische personeel worden ingezet. Arts & Specialist wordt op dit moment ingeschakeld voor het bieden van de medische zorg op crisisnoodopvanglocatie waar GZA deze zorg niet kan bieden.
De crisisnoodopvang valt niet onder de verantwoordelijkheid van het COA maar onder de gemeenten. De gemeenten richten de locaties in met noodzakelijke materialen en declareren de kosten bij het COA. Op de locaties die onder beheer staan van het COA biedt het COA medische ruimte inclusief kantoormeubilair en is GZA verantwoordelijk voor de inrichting van de praktijk met noodzakelijke medische apparatuur.
Kloppen de bevindingen van het NRC dat Arts & Specialist rond de 180 euro per uur rekent voor het leveren van een basisarts met achterwacht? Indien juist, gegeven dat de loonkosten van basisartsen en huisartsen cumulatief ongeveer 70 euro per uur zijn, en Arts & Specialist beweert niet verantwoordelijk te zijn voor de inrichting van de werkplek van artsen, waar gaan de overige 110 euro aan kosten naartoe?
Het COA heeft het contract afgesloten met Arts & Specialist. Informatie over prijzen valt binnen de vertrouwelijkheid van het contract. Ik heb ook geen inzicht in de opbouw van de kostprijs van Arts & Specialist. Ik kan dus geen antwoord geven op de vraag waar de kosten naar toe gaan. De door Arts & Specialist gehanteerde prijs is gebruikelijk in de markt en niet exorbitant hoog. Het uurtarief is afhankelijk van het type arts dat nodig is en wordt ingezet.
Deelt u de zorgen dat er sprake is van een doorgeslagen verdienmodel dat ten koste gaat van kwetsbare asielzoekers en de Nederlandse belastingbetaler?
Bij voorkeur zou ik de toegang tot de medische zorg op dezelfde wijze willen organiseren als dat in de asielzoekerscentra is georganiseerd waarbij GZA een centrale rol heeft. Door de druk op de opvang moet worden uitgeweken naar andere soorten opvang en teruggevallen op andere zorgpartners om de toegang tot de huisartsenzorg ook in de crisisnoodopvang te borgen. Door de inspanning van al deze partijen lukt dit in de regel ook. Het betekent inderdaad wel dat gebruik wordt gemaakt van partijen met een hoger tarief. Ik deel echter niet dat er sprake is van een doorgeslagen verdienmodel.
Welke maatregelen bent u van plan te ondernemen om adequate zorg voor alle asielzoekers wél te garanderen? Kunt u deze toelichten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 ben ik van mening dat de toegang tot de medische zorg voor asielzoekers in de regel goed is geborgd. Neemt niet weg dat het opvangen van asielzoekers in crisisnoodopvanglocaties ook uitdagingen met zich meebrengt voor het bieden van de medische zorg. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft op 9 maart jl. hierover ook een bericht uitgebracht. Samen met COA kijk ik hoe invulling kan worden gegeven aan de aanbevelingen. De punten die de IGJ hierin aangeeft hangen voor een belangrijk deel samen met het feit dat het opvangen van asielzoekers in crisisnoodopvang niet ideaal is, maar is altijd nog te verkiezen boven geen opvang.
Bent u van mening dat het voor een basisarts mogelijk is om adequate zorg te leveren zonder toegang tot een elektronisch patiëntendossier? Zou u uw antwoord kunnen toelichten?
Arts & Specialist heeft een offerte ter goedkeuring naar het COA gestuurd voor de inzet van praktijkverpleegkundigen in het kader van de geestelijke gezondheidszorg. Wel heeft Arts & Specialist een passage opgenomen over het elektronisch patiëntendossier. Van een offerte voor een elektronisch patiëntendossier is in die zin dus geen sprake geweest. Het COA is in gesprek met de zorgpartners hoe de toegang tot een elektronisch patiëntendossier kan worden gerealiseerd.
Het vastleggen, verwerken en delen van medische gegevens binnen de zorg draagt evident bij aan het bieden van adequate zorg. Een elektronisch patiëntendossier kan hierin behulpzaam zijn. Echter, aan het vastleggen, verwerken en delen van medische gegevens zitten zeer strikte wettelijke beperkingen. Bij motie van de leden Kröger en Piri is verzocht om de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over de manier waarop en termijn waarbinnen tijdige en naadloze overdracht van medische dossiers kan worden gerealiseerd en welke middelen, voor zover niet reeds begroot, hiervoor nodig zijn. Samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) onderzoek ik of en hoe invulling kan worden gegeven aan deze motie.
Klopt het dat Arts & Specialist een offerte ter goedkeuring naar het COA heeft gestuurd om een elektronisch patiëntendossier aan te schaffen? Indien zo, is deze al geaccepteerd? Indien de offerte niet geaccepteerd is, waarom? Wordt er met spoed werk gemaakt aan het faciliteren van een elektronisch patiëntendossier dat gebruikt kan worden door basisartsen bij crisisnoodopvanglocaties?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen worden er door het COA ondernomen wanneer de opvangtermijn van asielzoekers maanden langer duurt dan de korte periode waar noodopvanglocaties voor ontworpen zijn? Zijn er procedures die de leefbaarheid van noodopvanglocaties verbeteren voor asielzoekers die er voor een verlengde periode verblijven?
Er zijn grote verschillen tussen locaties. Het is echter niet zo dat een (crisis)noodopvanglocatie per definitie op alle vlakken slechter is dan een reguliere opvanglocatie van het COA. Het COA streeft ernaar om de begeleiding op noodopvanglocaties zoveel mogelijk op hetzelfde niveau te brengen als reguliere locaties, al is het daarbij wel afhankelijk van onder andere de mogelijkheden van de locatie zelf en het beschikbare personeel. Het is dan ook van belang om weer te komen tot voldoende reguliere opvangplekken, liefst stabiel en langdurig, zodat opvang in (crisis)noodopvanglocaties niet meer nodig is. Dit is niet alleen een opgave van het COA maar van een groot aantal partijen. Ondanks de medewerking van veel gemeenten lukt dat momenteel nog onvoldoende.
Hoe komt het dat de Nederlandse overheid niet voorbereid was op de huidige asielcrisis? Worden er stappen ondernomen om de zorgcapaciteit van asielzoekers in de toekomst wel te garanderen?
Zowel in verschillende debatten als in diverse brieven ben ik ingegaan op de achtergronden ten aanzien van de opvangproblematiek. Dit is een dagelijkse opgave en brengt ook uitdagingen met zich mee op andere terreinen. Desalniettemin ben ik van mening dat de medische zorg voor asielzoekers in de regel voor asielzoekers is geborgd. Met een hogere instroom, de daarmee samenhangende behoefte aan opvangcapaciteit en de krapte op de arbeidsmarkt zal de druk op de medische zorg voor asielzoekers naar verwachting niet minder worden.
De uitspraak op 14 april 2023 van de Rechtbank Midden-Nederland waarin een nadere beslistermijn voor alle zaken bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) tot juli 2024 wordt uitgesteld |
|
Pieter Omtzigt |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 14 april 2023 (hierna: de uitspraak) waarin onder meer is overwogen: «De rechtbank zal in beroepsprocedures vanwege niet tijdig beslissen in UHT-zaken voortaan in beginsel bepalen dat de Belastingdienst/Toeslagen een nadere beslistermijn krijgt tot 1 juli 2024, waaraan een dwangsom zal worden verbonden.»?1
Ja.
Hebt u kennisgenomen van overweging 36 uit de uitspraak, die luidt: «De procedure bij de bestuursrechter bij niet tijdig beslissen is niet bedoeld als bestraffende sanctie voor bestuursorganen, en ook niet als schadevergoeding voor iemand die op een beslissing wacht. De procedure is bedoeld als prikkel om alsnog een besluit af te dwingen. Het enige instrument dat de bestuursrechter daarbij heeft, is het bepalen van een nadere beslistermijn met een dwangsom in een individueel geval. Dat kan een oplossing bieden voor dat ene geval en ook voor heel veel gevallen als er zoveel mensen beroep instellen. De beroepsprocedure vanwege niet tijdig beslissen geeft de bestuursrechter echter geen mogelijkheid om de hersteloperatie als geheel te versnellen. De rechtsbescherming die de bestuursrechter kan bieden bij trage besluitvorming is dus beperkt.»?
Ja.
Deelt u de mening, dat als de rechter geen rechtsbescherming meer kan bieden, dat een inbreuk vormt op de fundamentele beginselen van de rechtsstaat, artikel 17 van de Grondwet en artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden? Kunt u dit antwoord uitgebreid toelichten?
Artikel 17 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgen het recht op een eerlijk proces. De artikelen schrijven voor dat eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van diens zaak binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter die bij de wet is ingesteld. Artikel 17 Grondwet en artikel 6 EVRM schrijven een redelijke termijn voor van een proces bij de rechter; de bepalingen zien niet op besluiten van bestuursorganen.
De rechtbank Midden-Nederland geeft aan dat de rechtsbescherming die de rechter bij trage besluitvorming kan bieden beperkt is. Daarmee zegt de rechtbank Midden-Nederland niet dat rechtsbescherming ontbreekt. De rechtbank Midden-Nederland is in korte tijd geconfronteerd met een zeer grote hoeveelheid UHT-zaken waarin niet tijdig is besloten op bezwaar. Juist omwille van de rechtsbescherming heeft de rechtbank hierin aanleiding gezien om de procedures in een bredere context te willen bespreken en te kiezen voor een afdoening waarbij rekening wordt behouden met de collectieve belangen van alle gedupeerde ouders die in afwachting zijn van een beslissing van de UHT. Deze bijzondere wijze van afdoening bestaat uit het opleggen van een beslistermijn tot 1 juli 2024 met een daaraan gekoppelde dwangsom. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zij, vanwege de grootschaligheid van de hersteloperatie en de daaruit volgende grote hoeveelheden beroepen vanwege niet tijdig beslissen, de situatie van het niet tijdig beslissen in UHT-zaken een bijzonder geval vindt in de zin van artikel 8:55d, derde, lid van de Awb. Op grond van deze bepaling staat het de rechter vrij in bijzondere gevallen een andere termijn te bepalen of een andere voorziening te treffen. Van het ontbreken van rechtsbescherming door de rechter is dus geen sprake. Evenmin is sprake van schending van de Grondwet of het EVRM.
Overigens maakt de rechtbank Midden-Nederland een andere afweging dan de rechtbanken Rotterdam en Amsterdam, die kiezen voor een kortere beslistermijn.
Gaat de staat tegen deze uitspraak in hoger beroep? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals blijkt uit de brief aan uw Kamer van 9 mei 20232, stelt de Belastingdienst/Toeslagen zowel hoger beroep in tegen de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland, als tegen de latere uitspraak van rechtbank Rotterdam. De huidige situatie is onwenselijk omdat het zou betekenen dat een ouder uit Rotterdam eerder wordt geholpen door UHT dan een ouder die in Utrecht woont. Daarom is het noodzakelijk om hoger beroep aan te tekenen zodat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zich kan uitspreken over een uniform beleid ten aanzien van de opgelegde termijn in beide zaken en daarmee duidelijkheid creëert over de gerechtelijke beslistermijnen.
Bent u het ermee eens, dat door de uitspraak de gang naar de rechter feitelijk is afgesneden en dit in strijd is met de toezegging dat de gang naar de rechter open blijft, zoals gedaan in de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 36 151, nr. 7)?
Ouders hebben onveranderd het recht een beroep niet-tijdig beslissen in te dienen. Ik wijs op rechtsoverweging 36 van de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland: «De procedure bij de bestuursrechter bij niet tijdig beslissen is niet bedoeld als bestraffende sanctie voor bestuursorganen, en ook niet als schadevergoeding voor iemand die op een beslissing wacht. De procedure is bedoeld als prikkel om alsnog een besluit af te dwingen. Het enige instrument dat de bestuursrechter daarbij heeft, is het bepalen van een nadere beslistermijn met een dwangsom in een individueel geval. Dat kan een oplossing bieden voor dat ene geval en ook voor heel veel gevallen als er zoveel mensen beroep instellen. De beroepsprocedure vanwege niet tijdig beslissen geeft de bestuursrechter echter geen mogelijkheid om de hersteloperatie als geheel te versnellen. De rechtsbescherming die de bestuursrechter kan bieden bij trage besluitvorming is dus beperkt.»
Tegen de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland is hoger beroep ingesteld, net als tegen de uitspraak van rechtbank Rotterdam. De Afdeling bestuursrechtspraak wordt in die hoger beroepen gevraagd zich uit te laten over een passende beslistermijn als er een beroep niet tijdig beslissen wordt ingediend.
Bent u zich ervan bewust, dat de ouders die destijds al door de overheid, rechtbanken en de Raad van State in de steek zijn gelaten, nu weer door de rechter in de steek worden gelaten en welke emotionele wond hiermee weer wordt opengemaakt? Zo ja, wat gaat u hier aan doen?
Het wachten op duidelijkheid heeft grote impact op ouders. Dat blijkt ook duidelijk uit de gesprekken die ik regelmatig met ouders voer. Ik betreur het dat ouders lang moeten wachten, daarom wordt blijvend gekeken naar maatregelen om te versnellen. Uw Kamer wordt daarover meegenomen in de Voortgangsrapportages of zo nodig tussentijds. Voor de goede orde wijs ik op rechtsoverweging 35 van de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland: «Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever dacht dat een structurele termijnoverschrijding vanwege onrealistische wettelijke termijnen zich alleen zou voordoen in uitzonderingsgevallen. Daaruit leidt de rechtbank af dat de wetgever met de procedure vanwege niet tijdig beslissen toen toch vooral voor ogen had dat zich soms individuele en daarmee incidentele gevallen zouden voordoen waarin de besluitvorming werd vertraagd en waarin die beroepsprocedure en de dreiging daarvan een oplossing kunnen bieden. Toen is niet voorzien dat de wetgever dertien jaar later zelf een grootschalige en structurele situatie zou laten ontstaan waarin een bestuursorgaan blijvend niet op tijd kan beslissen vanwege onrealistische beslistermijnen. De rechtbank wijst erop dat het niet de bestuursrechter is, maar juist de wetgever zelf die iets kan doen aan die onhaalbare wettelijke beslistermijnen.»
Heeft u kennisgenomen van overweging 41 van de uitspraak: «De praktijk leert dat alleen al het maken van een dossier tijdrovend kan zijn en dat de rechtbank vaak herhaaldelijk en tevergeefs om dat dossier moet vragen.»?
Ja.
In hoeveel gevallen heeft de rechtbank tevergeefs om een dossier gevraagd?
Via de Raad voor de Rechtspraak is aan de rechtbank gevraagd in hoeveel gevallen hier sprake van is geweest. De Raad voor de rechtspraak meldt dat deze vraag niet beantwoord kan worden omdat deze informatie niet wordt geregistreerd. De opmerking in de betreffende uitspraak «dat de rechtbank vaak herhaaldelijk en tevergeefs om dat dossier moet vragen» is gebaseerd op ervaringen van rechters en gerechtsjuristen die deze zaken behandelen. De betreffende rechtbank kreeg vanaf het najaar van 2022 de indruk dat er regelmatig geen stukken of niet alle gevraagde stukken meer door verweerder werden ingediend, ondanks dat hier om werd gevraagd.3 De inzet is om altijd te voldoen aan een gerechtelijk verzoek tot het leveren van stukken in een procedure. De laatste tijd lijkt er een verbetering op te treden en worden er weer meer verweerschriften inclusief onderliggende stukken ingediend.
Wat zijn de redenen waarom het maken van een dossier tijdrovend is?
In het kader van beroepen niet tijdig beslissen is de tijdrovendheid niet gelegen in het samenstellen van het individuele dossier, wel in de hoeveelheid dossiers die in het kader van beroepen niet tijdig beslissen moeten worden samengesteld. Het dossier in het kader van een beroep niet-tijdig beslissen hoeft niet of slechts heel beperkt gelakt te worden. Het bevat de stukken waaruit duidelijk wordt welke procedure er loopt, de termijnen en doorgaans de communicatie met verzoeker over de beslistermijn zodat de rechter zich een oordeel kan vormen over de gegrondheid van een beroepen de te gunnen termijn om alsnog te besluiten. In het verweerschrift wordt daar nader op ingegaan en wordt aan de rechter een termijn gevraagd die UHT nodig heeft om een beslissing te kunnen nemen.
In het algemeen kan worden gesteld dat het verstrekken van hersteldossiers aan ouders (en gemachtigden) tijdrovend is vanwege de noodzaak om bepaalde gegevens te anonimiseren.
Heeft de UHT een adequate applicatie waarmee alle informatie van een dossier van een slachtoffer van het toeslagenschandaal uit de verschillende systemen gehaald wordt en beschikbaar blijft als dossier in het hele proces? Kunt u een heel precies antwoord geven?
Uw vraag wordt opgevat in het kader van het dossier opstellen voor een beroep niet tijdig beslissen voor de rechtbank. Het dossier in het kader van een beroep niet tijdig beslissen wordt niet aan de hand van een applicatie samengesteld, maar wordt handmatig in elkaar gezet aan de hand van een inventarislijst. De stukken in dit dossier worden wel uit systemen gehaald (zoals Toeslagen Verstrekkingen Systeem of het Digitaal Archief Systeem van Toeslagen). Op basis hiervan wordt een beroepsdossier samengesteld (zie het antwoord op vraag 9).
Wel kijkt UHT naar de mogelijkheden om de rechtbank na indienen van het dossier beter te informeren over actuele ontwikkelingen, bijvoorbeeld als er een beslissing is genomen, terwijl het beroep niet tijdig beslissen nog aanhangig is.
Bent u ermee bekend dat het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden in bepaalde zaken dossiers niet geanonimiseerd aan advocaten verstrekt als deze dossiers noodzakelijk zijn voor de rechtsgang en aan de advocaten verzoekt deze dossiers niet te delen met cliënten? Is de Belastingdienst bereid het Gerechtshof hierin te volgen en dossier niet geanonimiseerd aan de advocaten te verschaffen, zodat het lakproces niet langer als reden gebruikt kan worden voor verdere vertraging?
Ja dat is bekend. Artikel 8:32, tweede lid, Awb biedt aan de rechter de mogelijkheid om kennisneming van stukken voor te behouden aan gemachtigden, als die kennisneming de persoonlijke levenssfeer van een ander onevenredig zou schaden. De rechter zit dan als tussenpartij tussen het verstrekken bij het dossier. Dat is anders bij de hersteloperatie toeslagen, waarbij dossiers worden verstrekt aan ouders (en gemachtigden).
In het kader van de hersteloperatie toeslagen spreekt het Ministerie van Financiën doorlopend met advocaten om te bekijken hoe het verstrekken van dossiers het beste kan worden vormgeven. Daarnaast wordt er in het kader van het versnellen van de hersteloperatie toeslagen eveneens gekeken hoe dossiers sneller worden kunnen geleverd. Rondom de volgende voortgangsrapportage wordt u daarover geïnformeerd.
Heeft de Belastingdienst de bestuursrechter juist geïnformeerd door te stellen dat de meeste dossiers van ouders op 1 januari 2025 zullen zijn afgewikkeld?
De rechtbank is ter zitting geïnformeerd aan de hand van de Voortgangsrapportages, waaronder de prognoses van de 13e Voortgangsrapportage.
Uitgaande van die prognose kan – onder randvoorwaarden rondom onder meer de instroom en de opschaling van het personeel – voor 90% van het op dat moment verwachte eindtotaal van 63.000 aangemelde ouders, de integrale beoordeling in het eerste kwartaal van 2025 zijn afgerond.
Hebt u kennisgenomen van overweging 42 van de uitspraak: «Daar komt nog bij dat de rechtbank door de toename van het aantal UHT-zaken, zoals gezegd, bij lange na niet in staat is om daarop tijdig beslissingen te nemen, dus binnen de wettelijke termijn van acht weken. Door het grote aantal zaken lukt het simpelweg niet om die tijdig af te handelen, ook niet met een vereenvoudigde behandeling zonder zitting. De rechtbank handelt daardoor zelf inmiddels ook op grootschalige wijze in strijd met de wet. Dat was door de wetgever niet voorzien bij de totstandkoming van de beroepsprocedure vanwege niet tijdig beslissen. De wetgever ging er toen nog van uit dat «eventuele extra inspanningen door de desbetreffende bestuursorganen om voortaan wel op tijd te beslissen, wellicht gecompenseerd kunnen worden door geringere inspanningen van de rechterlijke macht». Ook zou door de ingebrekestelling een «onnodige belasting van de rechter» worden voorkomen. Ook deze verwachting is voor de UHT-procedures niet uitgekomen. Integendeel: de vele beroepsprocedures vanwege niet tijdig beslissen door de UHT dragen bij aan de overbelasting van de rechtspraak. Hoewel een individuele gedupeerde ouder zijn of haar zaak nog steeds kan versnellen met een beroepsprocedure vanwege niet tijdig beslissen, wordt de effectiviteit van dat middel kleiner door de te lange doorlooptijden bij de rechtbank.»?
Ja.
Deelt u de mening dat als ook de rechtbank het aantal UHT-zaken niet meer aankan, de hersteloperatie is vastgelopen en daarmee de rechtsbescherming van ouders wederom wordt geschonden?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, ben ik niet van mening dat de rechtsbescherming van ouders hier tekortschiet. Bij de hersteloperatie lopen een deel van de processen voorspoedig. Echter er zijn ook knelpunten. Aan deze knelpunten wordt hard gewerkt.
Er hebben zich veel meer ouders gemeld voor herstel dan bij de opzet van de hersteloperatie was voorzien. In de afgelopen voortgangsrapportage is gerapporteerd over de voortgang die wordt geboekt. Ten tijde van de 13e Voortgangsrapportage was van de 59.400 aanvragen de eerste toets gedaan. Tot en met eind 2022 hebben 20.400 uitsluitsel gekregen over de integrale beoordeling, door een beoordeling van UHT of omdat ouders zich na de eerste toets hebben afgemeld. Daarnaast heeft UHT prognoses afgegeven om – onder bepaalde randvoorwaarden – de integrale beoordelingen in Q1 2025 af te ronden. Desalniettemin wordt er continue gekeken om de hersteloperatie te verbeteren en te versnellen. Want als er niet tijdig wordt besloten is dit natuurlijk buitengewoon vervelend voor ouders.
Bij de hersteloperatie is op verschillende wijze rechtsbescherming voor ouders ingebouwd. De mogelijkheid om naar de rechter te stappen indien niet binnen de termijn wordt beslist is daar één van, net als het bezwaar proces. UHT spant zich tot het uiterste in om door de rechter gestelde termijnen te halen.
Deelt u de mening dat hiermede sprake is van schending van artikel 17 van de Grondwet en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu toegang tot de rechter feitelijk onmogelijk wordt gemaakt?
Nee, die mening wordt niet gedeeld, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3. De toegang tot zowel de bestuurlijke als de civiele rechter staat te allen tijde open voor ouders en het recht op een eerlijk proces is geborgd. Ouders die om gegronde redenen een beroep niet tijdig indienen, krijgen onveranderd een uitspraak van de rechter, waarin een beslistermijn wordt opgelegd met een daaraan gekoppelde dwangsom. UHT spant zich maximaal in om door de rechter opgelegde termijnen te eerbiedigen.
Deelt u de mening dat wanneer de rechtspraak vastloopt en geen adequate rechtsbescherming meer geboden kan worden tegen de overheid, de grondbeginselen van de democratie worden geschonden en aanvaardt de regering hier de verantwoordelijkheid voor?
Rechtbanken bieden ouders rechtsbescherming in het kader van beroepen niet tijdig beslissen. Om die reden wordt in hoger beroep aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gevraagd om een uniforme lijn vast te stellen.
Bent u bekend met het standpunt van de Belastingdienst (rechtsoverweging 34 van de uitspraak) dat een langere beslistermijn in de Wet hersteloperatie in strijd met het grondwettelijk rechtszekerheidsbeginsel zou zijn?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het stelselmatig overschrijden van termijnen dan a fortiori in strijd met de Grondwet is?
Nee. Uit de rechtsoverweging van de genoemde uitspraak leid ik af dat het standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen betrekking heeft op de afweging van de wetgever om geen langere beslistermijnen voor beslissen op bezwaar in de wet op te nemen. Dit staat los van een rechterlijk oordeel in concrete zaken of sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn. Wat een redelijke termijn is, is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder de context en aard van een zaak, en is daarom in hoofdzaak aan de rechter om te beoordelen.
Heeft er op enige wijze overleg of correspondentie plaatsgevonden tussen de Raad voor de Rechtspraak en/of enige rechtbank of gerechtshof enerzijds en het Ministerie van Financiën, Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Belastingdienst of enig ander overheidsorgaan anderzijds, over de vertraging ontstaan bij de hersteloperatie en/of de (toename van) beroepen niet tijdige beslissing?
Dienst Toeslagen overlegt met meerdere rechtbanken, zoals Rotterdam en Midden-Nederland, over operationele aangelegenheden. De UHT is hier op een viertal momenten bij op aangehaakt. Daarvoor verwijs ik u eveneens naar de brief van 17 mei jl.4
Bij deze overleggen wordt bijvoorbeeld gesproken over de inschattingen van de aantallen te verwachten zaken (onder meer voor de capaciteitsplanning en budgettering van de rechtspraak), de planning van zittingen (bijvoorbeeld om zittingen te kunnen clusteren) en over zaken als anonimiseren van procesvertegenwoordigers. Vanzelfsprekend worden tijdens voornoemde overleggen geen zaken besproken die de inhoud van (verwachte) zaken raken.
Tijdens enkele overleggen is ook gesproken over de verwachte aantallen beroepen niet tijdig beslissen in de hersteloperatie, het belang van uniforme beslistermijnen door de rechter en de termijn om een verweerschrift in te dienen.
In verweerschriften legt UHT neer om welke beslistermijnen wordt verzocht.
Indien overleg of correspondentie als hiervoor bedoeld heeft plaatsgevonden, kunt u ons deze correspondentie of verslagen van overleg doen toekomen?
Ja. Deze verslagen zijn bijgevoegd bij brief van 17 mei jl.5
Wilt u deze vragen afzonderlijk uiterlijk over drie weken beantwoorden?
Beantwoording van de vragen heeft niet binnen drie weken plaatsgevonden, bij brief van 9 mei 2023 heb ik aangegeven dat uitstel noodzakelijk is.
Het recente bezoek aan Saudi-Arabië |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is er in Saudi-Arabië verbeterd dat u heeft besloten dit land te bezoeken, terwijl het kabinet c.q. u in uw voormalige hoedanigheid in 2018, na de moord op Khashoggi, besloot niet naar dit land te gaan?
Saoedi-Arabië speelt een belangrijke rol voor de veiligheid en stabiliteit in de Golfregio, een regio die van groot belang is voor Nederland en de Europese Unie (EU). Het land is gastheer van de Gulf Cooperation Council (GCC) en is niet alleen economisch, maar ook cultureel, religieus en geopolitiek gezien een belangrijk en invloedrijk land in het Midden-Oosten en daarbuiten. Het is belangrijk om met Saoedi-Arabië als belangrijke speler in de regio te spreken over actuele geopolitieke en regionale ontwikkelingen in het kader van regionale stabiliteit.
De Golfregio inclusief Saudi-Arabië is een prioriteitsmarkt van het kabinet voor ons internationale verdienvermogen en van belang voor onze economische weerbaarheid. Saudi-Arabië is een land in transitie, ook op het terrein van de economie. Daarbij kan het Nederlandse bedrijfsleven een positieve rol spelen met kennis en kunde op het terrein van verduurzaming van de energie-, voedsel- en watersector.
Juist de brede relatie die Nederland met Saudi-Arabië heeft biedt de mogelijkheid voor het voeren van een dialoog over (geo)politieke en economische onderwerpen; ook mensenrechten vormen onderdeel van deze dialoog. Nederland onderhoudt als enige land, naast de EU, een structurele mensenrechtendialoog met Saoedi-Arabië.
Erkent u dat de «geopolitieke uitdagingen», die u aanvoert om dit bezoek te rechtvaardigen, er niet toe mogen leiden dat mensenrechten in dit land op het tweede plan terechtkomen? Wat heeft dit bezoek opgeleverd in termen van geopolitiek?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u voor of tijdens uw bezoek gesproken met Saudische mensenrechtenorganisaties en ngo’s om hen de gelegenheid te geven u te informeren over de mensenrechtenschendingen in het land?
Op (hoog)ambtelijk niveau is sprake van een doorlopende dialoog met diverse stakeholders, waaronder mensenrechtenorganisaties. Tijdens mijn recente bezoek aan Saoedi-Arabië heb ik met verschillende gesprekspartners over mensen- en vrouwenrechten gesproken, onder meer met de president van de Saoedische mensenrechtencommissie.
Wat vindt u van het rapport van de Saudische mensenrechtenorganisatie ALQST getiteld The Dark Side of Neom: Expropriation, expulsion and prosecution of the region’s inhabitants?1
Het kabinet vindt de berichtgeving over mensenrechtenschendingen in het rapport zorgelijk. De zorgen over onderwerpen die in het rapport worden benoemd, zoals gedwongen landonteigening, reacties op vreedzaam verzet en veroordelingen tot de doodstraf, waaronder voor minderjarigen, maken onderdeel uit van de hierboven genoemde (kritische) dialoog met Saoedi-Arabië over mensenrechten.
De zorgen over landonteigening worden voortdurend en systematisch opgebracht in gesprek met de Saoedische autoriteiten, onder wie de voorzitter van de Saoedische mensenrechtencommissie, en tevens aangekaart in de EU-mensenrechtendialoog. Nederland zal in bilaterale gesprekken en via de EU aandacht blijven vragen voor dit onderwerp, zoals tijdens het inkomende bezoek van de president van de Saoedische mensenrechtencommissie aan Nederland op 8 en 9 mei.
Nederland en de EU zijn principieel tegen de doodstraf en spreken zich hier ook in gesprek met de Saoedische autoriteiten tegen uit, onder meer tijdens mijn recente bezoek. Ook tijdens de Politieke Consultaties in december jl. zijn zorgen geuit over de uitvoering van de doodstraf. Nederland blijft in gesprekken met Saoedi-Arabië oproepen om de doodstraf – in het bijzonder voor minderjarigen – om te zetten in gevangenisstraffen.
Heeft u met vertegenwoordigers van bedrijven gesproken tijdens uw bezoek? Welke samenwerking tussen Nederlandse en Saudische bedrijven worden voorzien in de realisatie van «Neom»?
Ik sprak met Nederlandse bedrijven tijdens mijn bezoek over de kansen die er liggen in de hervormingsagenda van Saoedi-Arabië en het belang van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO). Daarbij wezen bedrijven op snelle veranderingen die in Saoedi-Arabië plaatsvinden, getuige onder andere de sterk toegenomen rol van vrouwen op de arbeidsmarkt.
De Nederlandse kennis en expertise op het gebied van duurzame landbouw, circulaire economie, de energietransitie en life sciences & health sluit aan op de diversificatieplannen van Saoedi-Arabië. Wanneer bedrijven zich melden met vragen over kansen geldt de reguliere dienstverlening, waarbij de ambassade wijst op eventuele risico’s, ook indien bedrijven kansen willen ontwikkelen binnen de zogenoemde megaprojecten. Ook wordt informatie verstrekt via de website van de Rijksdienst voor Ondernemen (RVO). Op de landenpagina voor Saoedi-Arabië wordt bij informatie over de kansen tevens gewezen op het belang voor bedrijven om IMVO-risico’s in kaart te brengen en te mitigeren.
Ook in de bilaterale contacten tussen Nederland en Saoedi-Arabië wordt het belang van IMVO benadrukt. Zo sprak de ambassade hierover bijvoorbeeld met vertegenwoordigers van «Neom». Eveneens is tijdens het bezoek van de Saoedische viceminister voor Handel aan Nederland in mei 2022 het belang van due diligence onder de aandacht gebracht.
Op welke wijze zijn Nederlandse bedrijven die (willen) ondernemen in Saudi-Arabië gewezen op de risico's om betrokken te raken bij mensenrechtenschendingen? Wat doet u nog meer om te voorkomen dat Nederlandse bedrijven die ondernemen in Saudi-Arabië betrokken zijn of raken bij mensenrechtenschendingen?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beïnvloedt de afwezigheid van vrijheid van meningsuiting in Saudi-Arabië de mate waarin Nederlandse bedrijven zich kunnen houden aan due diligence verantwoordelijkheden, waaronder het doen van onderzoek naar mensenrechtenrisico’s? Kunnen bedrijven onder die omstandigheden waar nodig herstel en verhaal voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen bieden?
Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights naleven, door de risico’s in hun keten in kaart te brengen en deze te adresseren. Het is de verantwoordelijkheid van bedrijven om deze due diligence uit te voeren.
De Nederlandse overheid ondersteunt hierin waar mogelijk. Zo adviseert de ambassade – gevraagd en ongevraagd – bedrijven over de lokale context, waaronder voorkomende IMVO-risico’s, en wijst hen op beschikbare informatie. Daarnaast kunnen bedrijven voor vragen over het toepassen van gepaste zorgvuldigheid terecht bij het IMVO-steunpunt van de RVO.
Restricties op het gebied van vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering kunnen het lastiger maken voor bedrijven om effectieve gepaste zorgvuldigheid toe te passen. In het geval dat Nederlandse ondernemers twijfels hebben over de mate waarin IMVO in het geding zou kunnen zijn, worden zij geadviseerd met RVO of de ambassade in gesprek te gaan. Zo kan (beschikbare) relevante informatie gericht worden gedeeld met deze bedrijven die hen mede in staat stelt zo nodig actie te ondernemen.
Wat vindt u van de recente kritiek van Amnesty International2 dat het kabinet economische belangen laat prevaleren boven mensenrechten? Welke van de aanbevelingen in dit rapport aan het kabinet worden uitgevoerd?
Het kabinet hecht eraan dat bedrijven internationaal maatschappelijk verantwoord zakendoen (daarbij hoort ook nadrukkelijk de aandacht voor mensenrechten). Het rapport van Amnesty International draagt bij aan het agenderen van het belang van mensenrechten.
De RVO en de ambassades en consulaten informeren en adviseren bedrijven actief over IMVO en risico’s. Ook het ministerie voert regelmatig gesprekken met bedrijven over risico’s op het gebied van IMVO en mensenrechten t.a.v. risicovolle markten. Tegelijkertijd is er altijd ruimte voor verbetering; we bekijken bijvoorbeeld momenteel of de informatie op de verschillende landenpagina’s van RVO nog actueel en ook goed terug te vinden is en zijn bezig met actualiseren van deze informatie.
Het ministerie is al geruime tijd en geregeld in overleg met Amnesty International en we zetten dit overleg voort, ook over het recente rapport en de aanbevelingen die daarin worden gedaan.
Wat waren zoal de reacties van Saudische regeringsvertegenwoordigers daar waar u de mensenrechten te berde bracht? Ontkent men dat deze worden geschonden of beroept men zich op de eigen normen en waarden?
Een kritische dialoog over mensenrechten is altijd onderdeel van het gesprek met Saoedi-Arabië, zo ook tijdens mijn recente bezoek waarbij ik onder meer heb gesproken met de president van de Saoedische mensenrechtencommissie. Deze dialoog biedt de gelegenheid om zorgen te uiten over ontwikkelingen in Saoedi-Arabië op het gebied van mensenrechten, zoals de uitvoering van de doodstraf. Deze gesprekken vinden doorgaans plaats in besloten setting, waarbij vertrouwelijkheid een belangrijk aspect is voor de effectiviteit van de structurele mensenrechtendialoog – bilateraal en via de EU – maar ook voor individuele gevallen van belang kan zijn. Om die redenen, kan ik hierover niet in detail treden.
Heeft u individuele zaken besproken, zoals bijvoorbeeld van Mohammed Fahad al-Qahtani, mede-oprichter van de inmiddels opgeheven Saudi Civil and Political Rights Association, die nadat hij zijn straf van 10 jaar in november 2022 had uitgezeten nog altijd niet is vrijgelaten? Is u bekend waar hij op dit moment is en waarom hem contact met familie wordt ontzegd? Of bijvoorbeeld de zaak van Salma al-Shehab, die werd veroordeeld tot 27 jaar cel voor het publiceren van tweets waarin ze vrouwenrechten steunde?
Zie antwoord vraag 9.
De Kaderrichtlijn Water en het rapport ‘Een KRW-risicoanalyse voor de vergunningverlening voor de bouw- en infrasector’ |
|
Lisa van Ginneken (D66), Tjeerd de Groot (D66), Faissal Boulakjar (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u garanderen dat de KRW-doelen worden gehaald?1
Voorop staat dat het van groot belang is dat de KRW-doelen bereikt worden. Een goede waterkwaliteit en voldoende grondwater zijn noodzakelijke randvoorwaarden voor onder andere de natuur, onze drinkwatervoorziening en onze brede welvaart. Bovendien geldt dat waar deze doelen niet gehaald worden en evenmin een geldig beroep op de uitzonderingsgronden van de KRW gedaan kan worden, Nederland niet aan haar Europese verplichtingen voor de KRW voldoet. Daarom doen Rijk en regio’s er alles aan om in 2027 aan de KRW te kunnen voldoen, onder meer via het KRW-impulsprogramma dat is aangekondigd in de brief2 van 11 april 2023. Garanties dat alle KRW-doelen gehaald worden kunnen echter niet gegeven worden.
Zoals aangegeven in de brief van 11 april 2023 in reactie op de motie van het lid Minhas c.s., is het geven van een gedetailleerd beeld van het totale KRW-doelbereik complex, gezien het grote aantal doelen en waterlichamen: het gaat om 745 oppervlaktewaterlichamen met per waterlichaam ca. 140 doelen voor o.a. stoffen, biologie en nutriënten, en 23 grondwaterlichamen met per waterlichaam ca. 12 doelen. Dit komt erop neer dat er in Nederland op grond van de KRW in totaal meer dan 100.000 doelen zijn waarop we kunnen worden afgerekend.
Met de uitvoering van de Stroomgebiedbeheerplannen 2022–20273 en het in de brief van 11 april 2023 genoemde KRW-impulsprogramma, waarover u in aanloop naar het Commissiedebat Water van 7 juni nader geïnformeerd zult worden, doen Rijk en regio’s er alles aan om alle doelen in alle waterlichamen te bereiken. Tegelijk zijn er stevige hobbels die nog genomen moeten worden. Zo is doelbereik mede afhankelijk van een succesvolle transitie in het landelijk gebied en in de landbouw, kampen waterbeheerders met de opkomst van invasieve soorten, en is er sprake van historische belasting met persistente chemische stoffen en verontreiniging in beken en rivieren die vanuit bovenstroomse landen afkomstig is. Het is dan ook de verwachting dat ook in 2027 in een aantal gevallen de doelen nog niet behaald zullen zijn. Dit is in lijn met de verwachting van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, die in zijn advies van 11 mei4 concludeert dat met het huidige beleid de doelen nog buiten bereik zijn en die adviseert om aanvullende maatregelen te nemen. Binnenkort ontvangt u de kabinetsreactie op dit advies.
Waar de doelen niet bereikt worden, zal een beroep gedaan moeten worden op de uitzonderingsmogelijkheden die de KRW biedt om aan de richtlijn te kunnen voldoen. De KRW stelt hieraan de nodige randvoorwaarden, waaraan ook zal moeten worden voldaan.
Zoals toegelicht in de Kamerbrief voor het Wetgevingsoverleg Water van 21 november 2022, bereidt Nederland zich voor op de verantwoording die wordt opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen in 20275.
Wat is uw reactie op de onderzoeksconclusie dat de bouwsector jaarlijks €17,5 miljard schade zal ondervinden als de vergunningverlening wordt beperkt door het niet halen van de KRW-doelen?
De zorg die schuilgaat achter het rapport, namelijk dat er wederom projecten risico’s lopen door een ontoereikende milieutoestand, wordt gedeeld. Projecten kunnen namelijk in beginsel inderdaad geen doorgang vinden als ze in strijd komen met de KRW-doelstellingen (zoals de Kamer ook is gemeld in de brief van 16 november 20216). Dit betekent dat bij projecten met een (te grote) negatieve impact op de waterkwaliteit of grondwaterkwantiteit maatregelen moeten worden genomen, of dat die projecten niet in de voorgenomen vorm kunnen plaatsvinden. De conclusie uit het rapport over de omvang van dit probleem wordt echter niet gedeeld.
Uit de KRW volgt dat projecten er niet toe mogen leiden dat de toestand van een waterlichaam achteruitgaat, of dat het tijdig bereiken van een goede toestand in gevaar kan komen. Anders dan het rapport stelt, introduceert de Omgevingswet op dit punt geen strenger toetsingskader. Ook onder de Waterwet vindt al een directe toets plaats aan de doelen van de KRW7. Dit is ook verplicht op grond van de KRW zelf8.
Deze verplichte toets bij projecten is nader uitgelegd in enkele arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het achteruitgangsverbod is strenger als de relevante parameters van het waterlichaam waarin het effect optreedt al in een slechte toestand verkeren. Hoe dit precies uitpakt voor een project is sterk afhankelijk van de invloed die een project heeft op het waterlichaam: welke parameter wordt door het project geraakt, in welke mate, en in welke toestand verkeert die parameter in het desbetreffende waterlichaam?
De conclusie van het genoemde rapport is gebaseerd op een analyse van drie verschillende activiteiten die in de bouwsector plaatsvinden, de mogelijke risico’s die die activiteiten lopen om in strijd te komen met de KRW-doelstellingen en de potentieel daarmee gepaard gaande financiële gevolgen. Het rapport gaat in op de volgende activiteiten: gebruik van waterstaatswerken, grondwateronttrekkingen en lozingen van saneringswater.
Wat betreft het gebruikmaken van waterstaatswerken stelt het rapport dat 86% van de waterbouwprojecten een risico loopt, enkel omdat aangenomen wordt dat in 86% van de waterlichamen de biologische doelen niet bereikt zullen zijn. Een dergelijk evenredig verband bestaat echter niet. Zo volgt niet uit het rapport dat alle waterbouwprojecten ook in die 86% van de waterlichamen plaatsvinden, en bovendien staat dat ook niet gelijk aan het risico dat die projecten lopen. Een project kan ook risico lopen in een waterlichaam waar de doelen wel gehaald worden; ook daar mag immers geen achteruitgang plaatsvinden.
Andersom geldt dat een project in een waterlichaam waar de doelen niet gehaald worden, op zichzelf nog niet dat doelbereik verder in gevaar hoeft te brengen; dat ligt er volledig aan of het project überhaupt invloed heeft op de betreffende kwaliteitselementen die niet in een goede toestand verkeren en hoe groot die invloed dan is. Dergelijke conclusies kunnen op dit moment dan ook niet getrokken worden.
Daarnaast is van belang dat waterbouwprojecten op grond van de geldende wet- en regelgeving al jarenlang worden getoetst aan de KRW-doelen. Er zijn thans geen voorbeelden bekend van projecten die om deze reden geen doorgang konden vinden. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachting dat het aantal projecten dat wel een risico loopt, veel groter zou worden na 2027.
Het rapport concludeert daarnaast dat 10% van de woningbouwprojecten bij het onttrekken van grondwater een risico loopt om niet vergund te worden. Waar het gaat om permanente onttrekkingen (onttrekkingen tijdens de gebruiksfase van woonwijken en met nieuwe woningen samenhangende aanvullende drinkwaterwinningen) kan het inderdaad zo zijn dat dit in bepaalde gevallen leidt tot een overexploitatie van een grondwaterlichaam, of tot een toename van reeds bestaande grondwatertekorten. Dit is een gevolg van het feit dat er geen oneindige grondwatervoorraad bestaat. Of het inderdaad om 10% van de woningbouwopgave gaat is echter niet uit het rapport af te leiden.9 Ook hier geldt dat de daadwerkelijke risico’s zeer casus-specifiek zullen zijn. Via de wettelijk verplichte watertoets adviseren waterbeheerders al jarenlang op de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Dergelijk hoge cijfers zijn tot nu toe niet gebleken. Zoals is aangegeven in de brief van 25 november 202210 over water en bodem als sturend principe in de ruimtelijke ordening, wordt in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied met alle betrokkenen gewerkt aan een robuust grondwatersysteem waarbinnen zoveel mogelijk functies gefaciliteerd worden. De beschikbare grondwatervoorraad zal dan ook een van de sturende elementen zijn binnen de ruimtelijke inrichting om zo te zorgen dat de benodigde grondwateronttrekkingen plaatsvinden op plaatsen waar dat verantwoord is.
Waar het rapport verwijst naar het in oppervlaktewaterlichamen lozen van water afkomstig van bodemsaneringen, die bijvoorbeeld regelmatig voorkomen bij woningbouwprojecten, zullen zich inderdaad risico’s kunnen voordoen. Ook hier geldt echter dat het antwoord op de vraag of deze lozingen in strijd komen met de KRW-doelstellingen zeer casus-specifiek zal zijn. Zie bijvoorbeeld de recente uitspraak11 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd geoordeeld dat in dat concrete geval geen probleem bestond voor de lozing van saneringswater met daarin KRW-relevante stoffen. Ook wanneer in het ontvangende oppervlaktewater de geldende KRW-norm reeds wordt overschreden, betekent dat nog niet dat geen enkele lozing van die stof meer mogelijk is. Zie bijvoorbeeld de uitspraak12 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de lozing van PFOS. De generieke conclusie van het rapport dat in dergelijke gevallen 100% risico bestaat op het niet kunnen doorgaan van dergelijke lozingen, wordt op basis van de huidige jurisprudentie dan ook niet gedeeld.
Ten slotte is het niet zo dat het rapport stelt dat de bouwsector jaarlijks € 17,5 miljard schade zal ondervinden. Het rapport stelt dat het gaat om een potentieel gemiste omzet van € 12,8 miljard voor woningbouw en € 4,8 miljard voor infrastructuur. Deze bedragen zijn gebaseerd op de hierboven genoemde risico-inschatting voor vergunningverlening. Los van het feit dat die risico-inschatting niet gedeeld wordt (zie hierboven), is het niet zo dat die risico’s zich ook zeker zullen voordoen en de genoemde omzet dus inderdaad wordt misgelopen. In gevallen waarin deze risico’s zich inderdaad voordoen, kunnen die mogelijk nog gemitigeerd worden door andere locatiekeuzes. Waar ook dat niet lukt biedt de KRW – onder randvoorwaarden – nog een uitzonderingsmogelijkheid voor projecten van hoger openbaar belang.
In hoeverre denkt u de woningbouwambities waar te kunnen maken als de KRW-doelen niet worden gehaald?
Hoewel er geen garanties zijn hoe een rechter na 2027 precies projecten zal toetsen aan de KRW-doelstellingen, is er op basis van de huidige jurisprudentie geen aanleiding om te veronderstellen dat het al dan niet doorgang kunnen vinden van projecten samenhangt met het wel of niet halen van de KRW-doelen in 2027. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 2, mogen projecten ook op dit moment al geen achteruitgang van de toestand veroorzaken of in de weg staan aan het bereiken van de KRW-doelen. Ook het wel voldoen aan de KRW-doelen in 2027 maakt niet dat projecten dan achteruitgang van de toestand mogen bewerkstelligen.
Zoals toegelicht bij de beantwoording van vraag 2, is er op dit moment geen reden om aan te nemen dat er een generiek probleem zal ontstaan voor het doorgang kunnen vinden van projecten (zoals voor woningbouw of infrastructuur voor energie, mobiliteit en waterveiligheid). Dit is namelijk sterk afhankelijk van onder andere het type project, de mate waarin – en welke – parameters voor de waterkwaliteit hierdoor beïnvloed worden, en de toestand van deze parameters in het waterlichaam dat door het project wordt beïnvloed.
In de Woondeals hebben de gemeenten aangegeven welke locaties zij geschikt achten voor woningbouw en in welke hoeveelheden. Hierbij is door de gemeenten al gekeken naar de randvoorwaarden voor woningbouw. Mochten er projecten zijn waar het voldoen aan de KRW-doelen op gespannen voet staat met de woningbouwopgave, dan kan er aan de versnellingstafels worden gezocht naar een oplossing.
Waar alsnog problemen zouden optreden bij individuele (maatschappelijk essentiële) projecten, kan worden bezien of gebruik kan worden gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid die de KRW biedt voor projecten van hoger openbaar belang die in strijd komen met de ecologische doelen voor oppervlaktewater en de goede kwantitatieve toestand voor grondwaterlichamen. Het KRW-impulsprogramma zal hier ook aandacht aan besteden. Projecten in het kader van bijvoorbeeld de waterveiligheid, waarnaar het rapport verwijst, zouden mogelijk onder deze uitzonderingsmogelijkheid geschaard kunnen worden en daarmee doorgang kunnen vinden, mochten ze al in strijd komen met de KRW-doelstellingen. Doorgang van dergelijke projecten is nodig om ervoor te zorgen dat in 2050 alle primaire keringen voldoen aan de norm, zoals vastgelegd in de Waterwet.
Tevens is het relevant te melden dat het Nederlandse waterbeheer te maken heeft met andere (Europese) verplichtingen en vereisten. Zo heeft Nederland bijvoorbeeld ook de vereisten ten aanzien van de vaarwegen die zijn opgenomen in de Verordening inzake het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-T) na te leven, evenals de afspraken die zijn gemaakt in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart. Indien het gelijktijdig naleven van de verschillende verplichtingen en vereisten niet zonder meer mogelijk is en de uitzonderingsgrond geen soelaas biedt, zal hierover het gesprek worden gevoerd met de Europese Commissie.
In het rapport waarnaar de vraag verwijst, wordt erop gewezen dat bij lozingen van saneringswater vaak KRW-relevante stoffen vrijkomen waarvoor de normen in het ontvangende oppervlaktewater al overschreden worden. In dat geval is een dergelijke lozing nog maar zeer beperkt mogelijk. Het KRW-impulsprogramma, waarbij alles op alles wordt gezet om te kunnen voldoen aan de KRW in 2027, zal hier naar verwachting maar beperkt soelaas kunnen bieden. Zelfs het bereiken van een goede toestand, wat zeer lastig zal zijn voor de persistente, alomtegenwoordige stoffen waarop ook in het rapport wordt gewezen, maakt nog niet dat dergelijke lozingen vervolgens weer een achteruitgang van de toestand mogen bewerkstelligen. Het gaat hier veeleer om een ander probleem, namelijk dat dergelijke projecten – waarbij slechts sprake is van het verplaatsen van reeds bestaande verontreiniging – in de systematiek van de KRW ook op de KRW-doelen worden afgerekend, net zo streng als dat gebeurt bij nieuwe verontreinigingsbronnen voor het watersysteem. De vraag is of een dergelijk strenge systematiek terecht is voor dit type activiteiten. Hierover wordt het gesprek gevoerd met de Europese Commissie en andere lidstaten.
In hoeverre denkt u de infrastructuurambities waar te kunnen maken als de KRW-doelen niet worden gehaald?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u garanderen dat de infrastructuur die essentieel is voor de hoogwaterveiligheid van Nederland (keringen, dijken, dammen) kan worden blijven gebouwd en onderhouden, ook als de KRW-doelen niet worden gehaald?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u garanderen dat de infrastructuur die essentieel is voor de verduurzaming van de mobiliteit (OV- en spoorverbindingen en binnenvaartroutes) kan worden blijven gebouwd en onderhouden, ook als de KRW-doelen niet worden gehaald?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het niet halen van de KRW-doelen grote gevolgen zal hebben, waaronder financiële schade in de bouwsector, maar ook het verlies van banen en maatschappelijke onrust bij een aanhoudend woningtekort en het niet verder kunnen verduurzamen van de mobiliteit?
Zie het antwoord op vraag 2 t/m 6. Daarin is onder meer aangegeven dat op basis van de huidige jurisprudentie de gevolgen voor individuele projecten niet direct samenhangen met het in 2027 in elk waterlichaam in Nederland behalen van de goede toestand. Ook op dit moment mogen alleen projecten doorgang vinden die niet leiden tot achteruitgang van de toestand van een waterlichaam en die het bereiken van een goede toestand niet in gevaar brengen. Bovendien is in dat antwoord aangegeven waarom de geschetste omvang van de problematiek niet gedeeld wordt. Voor de volledigheid, dit laat onverlet dat we alles op alles moeten zetten om aan de KRW te voldoen en nadelige maatschappelijke gevolgen te voorkomen. Zie ook het antwoord op vraag 8 en 9.
In hoeverre acht u deze gevolgen zwaarwegender dan de inspanningen die moeten worden verricht om de KRW-doelen te halen?
De geschetste gevolgen worden niet volledig gedeeld, zie het antwoord op de voorgaande vragen. Daarin is toegelicht dat er mogelijk gevolgen kunnen zijn voor de doorgang van individuele projecten, maar dat dit op basis van de huidige jurisprudentie niet direct samenhangt met het behalen van de doelen. Desalniettemin moeten we alles op alles zetten om deze doelen wel te behalen. Hieraan werken we onder meer met de uitvoering van de Stroomgebiedbeheerplannen 2022–2027 en de verdere uitwerking van het Nationaal Programma Landelijk Gebied. Ook het KRW-impulsprogramma dat Rijk en regio gezamenlijk starten richt zich op het leveren van de maximale inzet om te kunnen voldoen aan de KRW in 2027.13Dit is zowel nodig vanuit het belang van een goede waterkwaliteit in Nederland (het beschikken over schoon en gezond water voor mens en natuur), als het voorkomen van een ingebrekestelling vanuit Europa vanwege het niet voldoen aan de KRW.
Kunt u toezeggen om, in het belang van onze natuur en onze drinkwatervoorziening, de KRW-doelen nooit of te nimmer af te zwakken en alles op alles te zetten om deze doelen te halen?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan de KRW-doelen en de inzet van het kabinet is om deze te halen. Een goede waterkwaliteit en voldoende grondwater zijn noodzakelijke randvoorwaarden voor onder andere de natuur, onze drinkwatervoorziening en onze brede welvaart. Met het KRW-impulsprogramma wordt, samen met de waterpartners, alles op alles gezet om aan die doelen te voldoen. Waar deze doelen echter onevenredig zouden doorwerken naar activiteiten in de leefomgeving die geen daadwerkelijke belasting introduceren, of indien de naleving van andere verplichtingen in het geding dreigt te komen, wordt gesproken met de Europese Commissie om hiervoor een oplossing te vinden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Water op 7 juni 2023?
Ja.
Het bericht 'Gratis reizen met ov heel eenvoudig: betaling met OVpay te omzeilen' |
|
Harmen Krul (CDA), Fahid Minhas (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gratis reizen met ov heel eenvoudig: betaling met OVpay te omzeilen»?1
Ja, het bericht is mij bekend.
Wat is uw reactie op het feit dat het kinderlijk eenvoudig blijkt om gratis met het openbaar vervoer te reizen via OVpay door te frauderen met digitale wegwerppassen?
Net als bij alle andere betaalsystemen worden er pogingen gedaan tot fraude. Ik vind het verwerpelijk als mensen frauderen. Dat hoor je gewoon niet te doen. De mensen die dit doen handelen te kwader trouw. Er is een grote kans dat fraudeurs uiteindelijk toch op moeten draaien voor de schade. Zij lopen het risico uitgesloten te worden van de dienstverlening door banken. De opbrengst is gering, de pakkans is groot en de gevolgen voor de pashouder kunnen ernstig zijn.
Reizigers kunnen volgens de berichtgeving via een speciale app betalingen omzeilen. Kunt u toelichten hoe het kan dat OVpay – een investering van 100 miljoen – in slechts een paar minuten te omzeilen blijkt?
Met het naderende afscheid van de OV-chipkaart en de introductie van OVpay komen er nieuwe manieren voor reizigers om te betalen in het OV. Doelen daarbij zijn om de drempels voor het gebruik van het OV te verlagen, meer reizigers in het OV te krijgen en de serviceverlening verder te vergroten. In- en uitchecken met een betaalpas, creditcard of mobiele telefoon is de eerste van deze nieuwe betaalvormen in het OV onder de merknaam OVpay. De gezamenlijke OV-bedrijven, Translink, banken, ICS, Mastercard en Visa maken dit samen mogelijk.
Bij in- en uitchecken met een betaalpas of creditcard worden de kosten van gemaakte reizen op een dag bij elkaar opgeteld en de volgende dag/nacht als één totaalbedrag afgeschreven. De uitgestelde betaling is onder meer noodzakelijk om rijen te voorkomen bij het in- en uitchecken en de transactiekosten te beperken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden van het internationale EMV-betaalsysteem.
Het scenario van misbruik van digitale «wegwerppassen», waarbij de kaart moedwillig wordt gedeactiveerd voordat de reis is afgeschreven, was al bekend – ook uit andere landen en plaatsen waar je kunt reizen met een (virtuele) betaalpas, zoals in Groot-Brittannië en Singapore. Fraudedetectie- en fraudebeheersingsmaatregelen zijn dus ook aanwezig. Daarbij worden (niet geïnde) transacties permanent gemonitord. Banken bewaken dus, als verstrekkers van (virtuele) betaalpassen, de uitgifte en het gebruik van die (virtuele) betaalpassen. Wanneer een kaartverstrekker vaststelt dat een klant misbruik maakt van een betaalpas, kan die klant als fraudeur worden aangemerkt.
Pogingen tot fraude kunnen niet worden voorkomen. Fraude kan wel verstrekkende gevolgen hebben voor de kaarthouder. Uiteindelijk zal gepoogd worden de schade alsnog op die kaarthouders te verhalen. Fraudeurs kunnen voor lange tijd door kaartverstrekkers worden uitgesloten van het gros van hun dienstverlening. Wanneer het OV hier onverhoopt toch veel schade van zou ondervinden, kan de sector nadere technische maatregelen treffen. In het uiterste geval kunnen alle betaalpassen van een individuele kaartverstrekker tijdelijk worden geblokkeerd.
Heeft u in beeld om hoeveel frauduleuze gevallen het inmiddels gaat? Hoe gaat u voorkomen dat deze aantallen verder zullen toenemen?
Pogingen tot fraude kunnen niet worden voorkomen. De meeste reizigers zijn te goeder trouw. Om fraudeurs aan te kunnen pakken, wordt actief gemonitord door Translink en dagelijks afgestemd met de acquirer EMS. Een acquirer is een financiële instelling die het mogelijk maakt om betaalkaartbetalingen te ontvangen. Er is, naar aanleiding van de RTL-publicatie, geen zorgwekkende toename geconstateerd van dit soort fraudegevallen. Met betrokken financiële instellingen wordt verder geanalyseerd en gesproken over eventuele aanvullende generieke maatregelen om het risico verder te verkleinen.
Kunt u toelichten in hoeverre het systeem OVpay is getest op fraudegevoeligheid? Zo ja, waarom is deze methode in deze testfase niet aan het licht gekomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 beschreven, was dit fraudescenario bekend. Er is ook geen sprake van een specifiek OVpay-systeem bij de betaling met betaalpassen en creditcards in het OV, het gaat om het in vrijwel alle branches wereldwijd gebruikte EMV-betaalsysteem zoals dat in Nederland overal gebruikt wordt.
In hoeverre zouden banken als kaartverstrekkers frauderende kaarthouders kunnen aanpakken door hen uit te sluiten van verdere bancaire dienstverlening?
De pashouder blijft aansprakelijk voor de kosten van de gemaakte reizen. Bovendien kan die pashouder altijd worden getraceerd door zijn of haar eigen bank.
Translink kan een individuele betaalpas of creditkaart blokkeren voor reizen in het OV, als daarmee in het OV wordt gefraudeerd. Als een bank vaststelt dat een pashouder opzettelijk misbruik heeft gemaakt van weggegooide betaalpassen, bijvoorbeeld in het openbaar vervoer, kan die bank alle rekeningen van die pashouder blokkeren en hem of haar opnemen in een landelijk register van fraudeurs. Dat kan zelfs tot gevolg hebben dat de pashouder jarenlang alleen nog onder streng toezicht gebruik kan maken van sterk ingeperkte bank- en betaaldiensten bij alle banken in Nederland.
Translink geeft aan de methode van de digitale wegwerppassen te kennen, maar geen maatregelen te treffen om misbruik moeilijker of onmogelijk te maken. Kunt u hierop reflecteren? Hoe rijmt u dit met uw ambitie voor een veilig en betrouwbaar OV-betaalsysteem?
Voor de reiziger is de veiligheid en betrouwbaarheid van het OV-betaalsysteem niet in het geding. Zoals ook in het antwoord op de vragen 3 en 4 beschreven, worden er bij alle andere betaalsystemen en sectoren helaas pogingen gedaan tot fraude. Dit fraudescenario was daarbij al bekend.
Translink hoeft geen (nieuwe) maatregelen te treffen omdat hierin al vanaf het begin is voorzien. Het fraudegedrag wordt gemonitord door zowel de banken als Translink. Tussen kaartverstrekkers en Translink zijn goede afspraken gemaakt om misbruik van betaalpassen in het OV vooraf te voorkomen en achteraf te verhalen. Op die manier kan de garantie dat alle in- en uitchecktransacties verwerkt en verrekend worden zo goed mogelijk geborgd worden.
Welke maatregelen gaat u treffen om Translink te ondersteunen bij het opsporen van fraudeurs?
Zoals eerder benoemd kunnen pogingen tot fraude niet worden voorkomen, maar zijn al maatregelen getroffen om fraudeurs aan te kunnen pakken. Translink monitort op misbruik van betaalpassen in het OV. Op aanwijzing van Translink kunnen banken vervolgens maatregelen treffen tegen de betrokken pashouders.
Translink en de Betaalvereniging geven aan dat in het geval van grootschalig misbruik via de betaalkaarten van één bank, alle betaalpassen van die bank kunnen worden geblokkeerd voor OVpay. Hoe gaat u voorkomen dat klanten van deze bank niet langer met hun bankpas in het OV kunnen reizen?
Translink en de Betaalvereniging geven aan dat in het geval van grootschalig misbruik via de virtuele betaalkaarten van één bank, alle betaalpassen van die bank tijdelijk kunnen worden geblokkeerd voor OVpay. In dit geval betrof het een buitenlandse kaartverstrekker waarvan de Nederlandse klanten ook een betaalrekening en gewone betaalpas bij een Nederlandse bank hebben. Het tijdelijk uitsluiten van deze kaartverstrekker zou Nederlandse reizigers niet hebben gehinderd.
Doelen van het nieuwe OV-betaalsysteem zijn het verlagen van drempels voor het gebruik van het OV, meer reizigers in het OV krijgen en de serviceverlening aan reizigers verder vergroten. Het uitsluiten van betaalpassen draagt niet bij aan het bereiken van dit doel en zal daarom alleen in het uiterste geval toegepast worden.
In hoeverre zouden conducteurs van vervoersbedrijven meer bevoegdheden kunnen krijgen voor de controle van vervoersbewijzen, waarbij ook tijdelijke betaalkaarten kunnen worden gecontroleerd?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 beschreven, valt misbruik met betaalkaarten niet vast te stellen bij de controle van vervoersbewijzen. De kosten van alle gemaakte reizen op een dag met een (virtuele) betaalpas worden bij elkaar opgeteld en de volgende dag/nacht als één totaalbedrag afgeschreven. Controleurs kunnen alleen vaststellen of er een geldige incheck plaats heeft gevonden.
De fraude gebeurt pas na afloop van de reis, wanneer de pashouder moedwillig zijn betaalpas «weggooit» (deactiveert) om reguliere betaling op de volgende dag te verhinderen. Er schuilt daarmee geen oplossing in meer bevoegdheden voor conducteurs. Vervoerders hebben afspraken met banken en andere kaartverstrekkers om te pogen de schade alsnog te verhalen op de pashouder.
Het wegnemen van obstakels om recreatiewoningen te bestemmen voor permanente bewoning |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat wanneer een gemeente het permanent bewonen van recreatiewoningen wil toestaan, deze bestaande woningen vanwege de nieuwe bestemming als nieuwe woningen worden aangemerkt?1
In de brief die aan de gestelde vragen ten grondslag ligt geven gedeputeerde staten (GS) van de provincie Zuid-Holland aan dat de gemeente Nieuwkoop de recreatiebestemming van een aantal vakantieparken niet mag wijzigen naar een woonbestemming. Volgens GS zou deze bestemmingswijziging in strijd zijn met het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB), omdat uit artikel 2.2.1d van het LIB volgt dat in het betreffende gebied geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan. GS geven daarbij aan dat de transformatie van recreatiewoningen naar woningen wordt gezien als een nieuwe woningbouwlocatie in de zin van het LIB.
Bij de beantwoording van vraag 5 wordt nader ingegaan op de vraag of sprake is van een nieuwe woningbouwlocatie in de zin van het LIB, wanneer recreatiewoningen worden getransformeerd naar woningen.
Tellen recreatiewoningen die geschikt worden geacht voor permanente bewoning mee in de aantallen nieuw te bouwen woningen in uw woningbouwplannen? Zo ja, hoeveel woningen verwacht u toe te voegen aan de woningbouwplannen met permanent bewoonbare recreatiewoningen?
Wanneer recreatiewoningen worden getransformeerd tot reguliere woning, en deze voorheen nog niet permanent werden bewoond, moeten deze worden meegeteld in de nieuwbouwcijfers. In mijn Kamerbrief over de vervolgaanpak vakantieparken, deel ik een inventarisatie van provincies van het aantal parken dat geschikt zou zijn voor transformatie naar wonen. Op veel van deze parken wordt grotendeels al permanent gewoond. Het is nog niet duidelijk hoeveel woonéénheden de facto kunnen worden toegevoegd op deze parken.
Bent u het ermee eens dat recreatiewoningen die na een zorgvuldige afweging geschikt worden geacht voor permanente bewoningen niet als nieuwbouw horen te worden aangemerkt?
Wanneer recreatiewoningen worden getransformeerd tot reguliere woning, en deze voorheen nog niet permanent werden bewoond, moeten deze worden meegeteld in de nieuwbouwcijfers.
Of recreatiewoningen, die zijn getransformeerd naar woningen, in de zin van het LIB worden aangemerkt als nieuwe woningen, is echter primair aan de Minister van I&W. In de beantwoording van vraag 5 wordt hierop nader ingegaan.
Bent u bekend met artikel 2.2.1.d van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol, waarmee bij woningen aangemerkt als «nieuwbouw» deze woningen als minder wenselijk worden vastgesteld met het oog op geluid en groepsrisico?
In het beperkingengebied 5 van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol zijn buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan uit het oogpunt van het beperken van geluid- en groepsrisico. Tevens wordt hiermee woningbouw vermeden op plaatsen waar dat ook omwille van het gebruik van Schiphol niet wenselijk is. Dit sluit aan bij het gehanteerde principe om zo min mogelijk over dichtbebouwd stedelijk gebied te vliegen. Daarom dient het buitengebied gevrijwaard te blijven van nieuwe woningbouwlocaties. «Buitengebied» betreft het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied (BSG).
Bent u bereid om voor bestaande recreatiewoningen die na besluitvorming hierover door de gemeenteraad de status permanent bewoonbare woning krijgen een regeling te treffen die het mogelijk maakt om af te wijken van het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol? Zo nee, waarom niet?
Een recreatiewoning wordt in het LIB als woning beschouwd, ongeacht of deze permanent wordt bewoond of niet. Gelet hierop vallen bestaande recreatiewoningen die worden getransformeerd naar woningen niet onder het begrip nieuwe woningbouwlocatie en dus evenmin onder het verbod van artikel 2.2.1d, eerste lid, van het LIB. Een nieuw vakantiepark met recreatiewoningen (of een vakantiepark dat in strijd met het LIB is gerealiseerd) zou wel onder het verbod van nieuwe woningbouwlocaties in het buitengebied vallen. Voor de casus in de gemeente Nieuwkoop geldt dat als de recreatiewoningen al waren gerealiseerd voor de inwerkingtreding van het LIB, het LIB in beginsel geen belemmering vormt om de recreatiebestemming te wijzigen in een woonbestemming.
Wilt u de wettelijke obstakels inventariseren in verband met het omvormen van recreatiewoningen naar woningen waarin permanent mag worden gewoond, de Kamer hierover te informeren en met maatregelen te komen om deze obstakels uit de weg te ruimen?
Er vindt structureel gesprek plaats in het kader van de aanpak vakantieparken met provincies, gemeenten en Vitale Vakantieparksamenwerkingen (VVP Veluwe, VVP Overijssel, VVP Drenthe) om obstakels te signaleren en te adresseren.
De VVP Veluwe noemt bijvoorbeeld het toepassen van verevening, en uitponden als knelpunten.2 In de vervolgaanpak ga ik samen met partijen verder aan de slag met het wegnemen van knelpunten.
Bent u bereid om met de provincies in overleg te gaan om ook de Omgevingsverordeningen aan te passen om procedurele drempels voor het omvormen van recreatiewoningen naar permanente woningen weg te nemen?
Ja, ik zie hier een verband met mijn brief over vakantieparken. In het kader van deze brief ga ik ook in gesprek met provincies over het transformeren van vakantieparken naar wonen. Daarnaast spreek ik provincies in brede zin over de woningbouwprogrammering aan de woondealtafel. In beide gesprekken kunnen ook eventuele procedurele drempels om in omgevingsverordeningen de transformatie van vakantieparken mogelijk te maken worden besproken.
Wilt u met de gemeente Nieuwkoop en met Provincie Zuid-Holland in gesprek gaan over een casus die op bovenstaande feiten berust?2
Zeker, ik heb inmiddels de gemeente Nieuwkoop en de provincie Zuid-Holland geïnformeerd over de beantwoording van deze vragen. Als bij de provincie of gemeente daaraan behoefte bestaat ben ik uiteraard bereid tot een nader gesprek.
Het bericht 'Storing Vodafone: telefoonproblemen bij onder meer ziekenhuizen en 112' |
|
Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom 112 voor sommige Vodafone-klanten bijna de volledige dag onbereikbaar was?1
Navraag bij Vodafone levert het volgende beeld op: Er vinden regelmatig noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan het telecomnetwerk plaats. Deze worden vooral uitgevoerd in de nacht om mogelijke impact op de dienstverlening zo beperkt mogelijk te houden. Ondanks een zorgvuldige voorbereiding kan het voorkomen dat tijdens die werkzaamheden onvoorziene gebeurtenissen of technische storingen optreden. In de nacht van vrijdag 14 april was dat het geval. Een technische storing had tot gevolg dat Vodafone spraakdiensten voor een deel van haar klanten niet correct functioneerde. Hoewel de Vodafone
112 infrastructuur op zichzelf dus niet geraakt was, waren de spraakoproepen, waaronder die naar 112, voor een deel van de Vodafone-oproepen niet succesvol. Het realiseren van een oplossing van deze storing nam meerdere uren in beslag. In de loop van de middag van 14 april stabiliseerde het netwerk zich. Er was ondertussen door Vodafone naar haar klanten gecommuniceerd hoe zij op een alternatieve manier contact konden opnemen met 112. Dit staat nader toegelicht onder vraag 8.
Hoe is het mogelijk dat 112, wat vitale infrastructuur is, dan toch opnieuw niet bereikbaar is geweest?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe verhoudt deze storing en de onbereikbaarheid van 112 zich tot de eis dat de verbinding naar 112 bij een storing automatisch via een andere provider tot stand dient te komen? Waarom is dit niet gebeurd?
Indien het netwerk van een mobiele netwerkaanbieder volledig niet beschikbaar is, zal een oproep naar 112 door een gebruiker van het niet beschikbare mobiele netwerk automatisch via een van de andere beschikbare mobiele netwerken verlopen. Tijdens de onderhavige storing hadden de mobiele toestellen van gebruikers echter wel verbinding met het mobiele netwerk van Vodafone waardoor de automatische uitwijkmogelijkheid niet in werking trad. Vodafone evalueert deze storing met de grootste prioriteit om herhaling te voorkomen en heeft in het Nationaal Continuïteit Overleg Telecom (NCO-T) relevante informatie aan de andere twee mobiele netwerkaanbieders doorgegeven. De Rijksinspectie voor Digitale Infrastructuur (RDI) zal deze evaluatie beoordelen en indien nodig aanvullend onderzoek doen.
Welke verdere eisen bestaan er voor providers om te verzekeren dat 112 goed bereikbaar is? Hoe kan het in relatie tot deze eisen dan toch dat 112 niet bereikbaar was?
Via wetgeving en internationale standaarden is gewaarborgd dat het alarmnummer 112 goed bereikbaar is. Op grond van artikel 7.7 van de Telecommunicatiewet moeten telecomaanbieders ervoor zorgen dat het gebruik van 112 kosteloos en zonder toegangsbelemmeringen beschikbaar is. Daarnaast moeten zij de voorzieningen treffen die noodzakelijk zijn om de ononderbroken toegang tot de noodhulpdiensten te waarborgen. Dit houdt onder meer in dat oproepen naar 112 prioriteit hebben op het netwerk, dat ook zonder SIM-kaart een oproep naar 112 kan worden gedaan en dat de oproep via het netwerk van een andere provider gaat als de beller geen verbinding heeft met het netwerk van de eigen provider. Desalniettemin kan nimmer volledig worden uitgesloten dat zich onverhoopt situaties voordoen waarin 112 niet goed bereikbaar is, zoals de recente storing bij Vodafone.
Wat is de stand van zaken betreffende het voorkomen dat 112 slechter bereikbaar wordt wanneer 2G en 3G verder worden afgeschakeld? Is er inmiddels standaardisatie bewerkstelligd waardoor alle toestellen 112 goed kunnen bereiken?
Bellen naar 112 gaat via mobiele netwerken over het algemeen nog via 2G of 3G, omdat de ondersteuning daarvoor aan zowel de netwerkzijde als in telefoontoestellen goed geregeld is op basis van internationale technische standaarden. Het is belangrijk dat bellen via 4G ook goed wordt ondersteund, met het oog op de verwachte afschakeling van 2G en 3G.
In mijn brief van 8 december 2022 (29 517, nr. 226) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de twee bijeenkomsten met marktpartijen over de ondersteuning van bellen naar 112 via 4G. Op 20 februari jl. heeft een nieuwe bijeenkomst plaatsgevonden waarin de voortgang van de gemaakte afspraken is besproken. Er is reeds een mondiale standaard voor bellen over 4G («VoLTE») en 5G («VoNR») vanuit 3GPP (3rd Generation Partnership Project). De standaard is echter dusdanig flexibel dat het aantal implementaties dat wereldwijd kan worden ontwikkeld erg groot is, wat een goede werking kan ondermijnen. De GSM Association (GSMA) is daarom bezig twee implementatieprofielen te ontwikkelen. Wanneer netwerkaanbieders en fabrikanten van smartphones die profielen volgen dan moet bellen over 4G (en 5G) in principe gewoon werken. De GSMA werkt daarnaast samen met het Global Certification Forum om nieuwe smartphones te testen op de ondersteuning van bellen via 4G. Het Europees Telecommunicatie en Standaardisatie Instituut (ETSI) draagt daar aan bij door de ontwikkeling van testprotocollen. Zo wordt ervoor gezorgd dat de ondersteuning van bellen over 4G voor nieuwe toestellen op orde komt.
Hoe staat het met de Europese inzet om een emergency call implementatieprofiel te ontwikkelen dat ervoor zorgt dat een smartphone altijd naar 112 kan bellen, ook wanneer die smartphone wordt aangesloten op een mobiel netwerk waarvoor het niet de juiste VoLTE-instellingen heeft of wanneer iemand geen SIM-kaart in diens toestel heeft?2
De functionele vereisten voor noodoproepen met mobiele telefoons zijn vastgelegd in de mondiale standaarden van 3GPP. De afgelopen maanden heeft de GSMA haar richtsnoeren bij deze 3GPP standaarden geactualiseerd en verduidelijkt. Ook is een van de 3GPP standaarden verduidelijkt. Daarnaast werkt de GSMA aan de ontwikkeling van een implementatieprofiel voor noodoproepen voor anonieme gebruikers, dat wil zeggen bellers die roamen op een ander mobiel netwerk of die geen SIM-kaart hebben.
Is er al een plek ingericht waar mensen meldingen over gebrekkige mobiele bereikbaarheid van 112 kunnen doen, zoals aangegeven in de brief van 28 juni 2022?3
Zoals aangegeven in mijn brief van 28 juni 2022 (29 517, nr. 222) ben ik bezig de mogelijkheden te onderzoeken voor het inrichten van een centraal punt waar mensen terecht kunnen als ze gebrekkige mobiele bereikbaarheid van 112 ondervinden. Tijdens het commissiedebat op 15 december 2022 (24 095, nr. 574) heb ik toegelicht dat het inrichten van een dergelijke plek eenvoudig klinkt maar ingewikkeld is, omdat de mobiele bereikbaarheid van 112 wordt beïnvloed door diverse factoren. Daarom moet goed worden gekeken hoe we dit op een zinvolle manier zouden kunnen inrichten. Tijdens het genoemde commissiedebat heb ik toegezegd om u te informeren over de voortgang van een dergelijk punt in het tweede kwartaal van 2023. Ik zal u voor het zomerreces informeren over de voortgang.
Bent u op de hoogte van gevolgen van de Vodafone-storing op 14 april 2023 waarbij 112 niet kon worden bereikt, bijvoorbeeld gevallen waarin hulp pas te laat kon worden ingeroepen?
Gedurende de ochtend is door de NCTV, Politie Nederland en Veiligheidsregio’s middels communicatiekanalen een handelingsperspectief geboden: bellen via een vaste lijn, gebruik maken van een mobiel met een andere provider of van de chatfunctie van de 112app. Dit handelingsperspectief is ook door Vodafone via sms-berichten bekend gesteld aan hun klanten.
Op operationeel niveau is landelijk afgesproken dat bellers waarmee geen spraakcontact kon worden gelegd met spoed door de politie werden bezocht om vast te stellen waarom zij 112 hadden gebeld. Dit was mogelijk omdat de locatiegegevens van de bellers bij deze storing wel beschikbaar waren. Op dit moment heb ik geen indicatie dat er slachtoffers zijn gevallen als gevolg van deze storing.
Het azc in Budel |
|
Wybren van Haga (BVNL), Hans Smolders (FVD) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de helft van de omwonenden asielzoekerscentrum (azc) Budel het liefst ziet verdwijnen?1
Ja.
Deelt u de mening dat omwonenden van het azc lang genoeg in de ellende hebben gezeten en dat het uw plicht is om een einde te maken aan diefstal, intimidatie en onveilige situaties, welke schering en inslag zijn? Zo ja, heeft u de bereidheid om het azc Budel per direct te sluiten? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Ik ben bekend met de uitkomsten van de bewonersenquête die in opdracht van de gemeente Cranendonck is uitgevoerd. Een belangrijk deel van de inwoners van de gemeente Cranendonck heeft zorgen over de overlast die wordt veroorzaakt door asielzoekers. Deze zorgen deel ik. Ik vind overlastgevend of agressief gedrag door wie dan ook absoluut onaanvaardbaar. Tegen mensen die de gastvrijheid van Nederland misbruiken en voor overlast zorgen, past een harde aanpak. Gastvrijheid mag niet ten koste gaan van veiligheid.
Om de overlast in Cranendonck aan te pakken zijn meerdere maatregelen genomen. Zo is sinds begin maart een toezichtteam actief op straat, in het openbaar vervoer en in het stationsgebied. Op het COA-terrein zijn maatregelen getroffen om overlast preventief aan te pakken. Voorts is het Inwonerscollectief Cranendonck in samenwerking met medewerkers van het COA gestart met de uitvoering van het verbindingsplan om de verbinding tussen de bewoners van de COA-locatie en de inwoners van de gemeente te verbeteren.
De opvanglocatie in de gemeente Cranendonck vervult een zeer belangrijke rol in het opvanglandschap. Ik ben en blijf met de gemeente Cranendonck, de provincie, het COA en andere belangrijke partners in gesprek over de toekomst van het aanmeldcentrum. Daarbij zijn draagvlak en een veilige leefomgeving belangrijke thema’s. Alle betrokkenen, waaronder mijzelf, zullen ons ervoor inzetten om dit te verbeteren.
Welke verplichtingen voelt u richting de bewoners in de omgeving van het azc Budel die zeggen dat de overlast die zij ervaren de laatste jaren alleen maar is toegenomen?
Ik onderschrijf dat overlast door asielzoekers de veiligheid en het veiligheidsgevoel van bewoners en ondernemers in de samenleving onder druk zet. Ik blijf mij daarom inzetten voor de aanpak van overlastgevende asielzoekers. Op 9 mei jl. heb ik de Tweede Kamer hierover bij brief geïnformeerd.2
Alle inzet is er nu op gericht om rust op en rondom de COA-locatie in Cranendonck te krijgen. Om de leefbaarheid en veiligheid van het aanmeldcentrum en het stationsgebied te versterken, is geld beschikbaar gesteld. De maatregelen worden nu uitgewerkt. Samen met de gemeente, de provincie, het COA en andere belangrijke partners ben en blijf ik in gesprek over eventuele aanvullende maatregelen om de overlast te beperken.
Voorbeelden van gewelddadige uitwassen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de volgende zin uit het AIVD jaarverslag 2022 op pagina 14: «Over het algemeen roepen zij [anti-institutionele extremisten] juist op tot geweldloos verzet, en tot nu toe is het aantal gewelddadige uitwassen beperkt.»
Ja.
Kunt u wellicht een paar concrete voorbeelden geven van dit soort «gewelddadige uitwassen» in Nederland die, mogen we aannemen, hebben geleid tot een justitieel onderzoek en waar mogelijk ook tot een gerechtelijke vervolging en veroordeling. Indien u geen enkel voorbeeld kunt geven van «gewelddadige uitwassen», waarom spreekt de AIVD dan niet over «geen gewelddadige uitwassen» in plaats van «een beperkt aantal»?
Zoals bekend doet de AIVD hier in het openbaar geen uitspraken over.
De AIVD heeft als taak om onderzoek naar personen en organisaties te verrichten, waarbij het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat.
De AIVD spreekt op basis van deze taak over «een beperkt aantal gewelddadige uitwassen».
Kunt u de bovenstaande vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Witte Huis noemt ‘zombie drug’ ernstige bedreiging voor de volksgezondheid’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Witte Huis noemt «zombie drug» ernstige bedreiging voor de volksgezondheid»?1
Ja.
Hoe wordt in Europees verband het statement vanuit Amerika, dat hier sprake is van een toenemende bedreiging voor de volksgezondheid, beoordeeld? Is in Europa ook een toename van het aantal gevallen van gebruik of overdoses van Fentanyl (of een andere pijnstiller) met Xylazine waar te nemen sinds de coronacrisis?
Het recreatief gebruik van fentanyl komt nauwelijks voor in Nederland. Ook binnen Europa is het gebruik, zeker in vergelijking tot de Verenigde Staten, beperkt. Er zijn voor zover bekend geen meldingen van combinatiegebruik van fentanyl met xylazine. Wel is er recentelijk in de Baltische Staten melding gemaakt van de combinatie xylazine met protonitazeen en metonitazeen. Dit zijn beide zogeheten benzimidazol-opioïden. Deze nieuwe ontwikkeling heeft de aandacht binnen het EU-systeem voor vroegtijdige waarschuwing.
Klopt het dat het middel Xylazine in Nederland in de veterinaire zorg wordt toegepast? Onder welke voorwaarden mag het middel gekocht en toegepast worden?
Ja, in de veterinaire zorg wordt xylazine toegepast als sedativum en spierrelaxant in combinatie met andere anesthesiemiddelen bij operaties bij dieren. Xylazine is een voorschriftplichtig diergeneesmiddel en mag alleen door een dierenarts worden voorgeschreven en toegepast. Daarnaast is het gebruik van xylazine toegestaan door bepaalde diergeneeskundigen, de «diercastreurs», zij hebben dit middel nodig bij het uitoefenen van hun beroep.
De dierenarts, apotheker en diercastreur heeft een vergunning voor kleinhandel in diergeneesmiddelen, alleen met deze vergunning is het mogelijk om bij de groothandel voorschriftplichtige diergeneesmiddelen aan te schaffen. Xylazine mag niet worden afgeven aan de houder van dieren.
Klopt het dat iemand ook als particulier dit middel online kan kopen en thuis kan laten bezorgen? Zo ja, vindt u dit ook onwenselijk?
Het zou niet alleen onwenselijk maar bovendien onwettig zijn wanneer een stof als xylazine door particulieren zou kunnen worden aangeschaft bij websites die moeten voldoen aan de EU-regels. Voor zover bekend is dit niet aan de orde. De verkoop van diergeneesmiddelen, zoals xylazine, via internet is in Nederland en de EU aan strenge voorwaarden verbonden. Zo is het verboden om diergeneesmiddelen die voorschriftplichtig zijn en zijn voorbehouden voor gebruik door de dierenarts te verkopen via internet aan particulieren. Eisen aan verkoop via internet van voorschriftplichtige middelen zijn recent aangescherpt als gevolg van de invoering van de nieuwe EU diergeneesmiddelenverordening (2019/6).
Zijn er in Nederland gevallen bekend van mensen die een combinatie van Fentanyl en Xylazine tot zich hebben genomen?
Nee.
Deelt u de mening dat, gezien de situatie in Amerika, het belangrijk is dat er extra alertheid is bij koop en verkoop van Xylazine, ook in het illegale circuit, en dat er maatregelen worden genomen, zoals inbeslagname, bij ongewenste praktijken en toepassingen?
Het toezicht op de handel (invoer, groothandel en kleinhandel) en productie van diergeneesmiddelen wordt uitgevoerd door de douane, IGJ en NVWA. Deze werken samen om ervoor te zorgen dat de handel in de diergeneesmiddelen voldoet aan Europese en nationale regelgeving en zijn alert op illegale handel van diergeneesmiddelen die gericht is op gebruik door mensen. Wanneer er illegale partijen van diergeneesmiddelen worden aangetroffen, worden deze in beslag genomen en wordt gehandhaafd door de NVWA. De NVWA-IOD en IGJ zullen uitgebreid onderzoek verrichten naar handelsnetwerken indien hiertoe aanleiding is. De NVWA actualiseert op dit moment hun toezicht op internethandel in diergeneesmiddelen n.a.v. de invoering van de nieuwe diergeneesmiddelenverordening (2019/6).
Er is op dit moment geen aanleiding voor aanvullende maatregelen ten aanzien van het diergeneesmiddel xylazine.
Nederlandse invloed binnen Euronext |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat bij de afsplitsing van Euronext van de New York Stock Exchange (NYSE) er in het kader van de vergunning (beurserkenning) is afgesproken dat de «tweede man» (COO) binnen het bedrijf Nederlands zou zijn en twee leden vanuit Euronext Amsterdam in de directie zitting zouden hebben? Zijn toen tevens afspraken gemaakt om budgettaire aantasting van nationale belangen te voorkomen (vetorecht)?1
Bij de afsplitsing van Euronext van de New York Stock Exchange is in 2014 in het kader van de vergunningverlening afgesproken dat voor het initiële bestuur van Euronext N.V. de CEO en COO zullen worden voorgedragen en benoemd rekening houdend met de relatieve omvang van de nationale Euronextmarkten. In 2014 waren de Franse beurs en Nederlandse beurs de grootste binnen Euronext N.V. Het ging dus alleen om de benoemingen van de eerste bestuurders en niet om de bestuurssamenstellingen daarna. Ook is toen afgesproken dat het bestuur van Euronext N.V. altijd geografisch in balans moet zijn. Met dit element is rekening gehouden bij latere benoemingen van bestuursleden. Tevens zijn toen afspraken gemaakt ten aanzien van beleidsvrijheid en financiële zelfstandigheid van de lokale beurzen. Zo kan een lokale beurs een beslissing van het bestuur van Euronext N.V. verwerpen indien een dergelijke beslissing uitsluitend de desbetreffende lokale beurs/markt raakt en de beslissing materiële of strategische impact heeft op de betreffende lokale beurs. Deze afspraken zijn vastgelegd in de vergunning aan Euronext.
Klopt het dat tot op heden er geen Nederlander mede aan het roer staat van Euronext en dat Euronext Amsterdam nu slechts één vertegenwoordiger in de directie van tien leden heeft, bovendien zonder lijnverantwoordelijkheid? Kunt u aangeven door wie het bedrijf wordt geleid?
De CEO’s van de lokale beurzen zijn tevens bestuurslid van Euronext N.V. Dit geldt ook voor de CEO van Euronext Amsterdam. Het klopt dat er op dit moment geen andere Nederlander in het bestuur van Euronext zit. De CEO van Euronext N.V. is Stéphane Boujnah.
Waarom wordt er niet vastgehouden aan de gemaakte afspraak om een Nederlander op de tweede positie binnen het bedrijf te plaatsen?
Zoals bij vraag 1 aangegeven is er geen afspraak gemaakt over de tweede positie binnen Euronext N.V. Er is alleen afgesproken dat de bestuurssamenstelling geografisch in balans dient te zijn gelet op de lokale beurzen. Het bestuur van Euronext N.V. voldoet aan deze afspraak aangezien het bestuur bestaat uit de CEO (Frans), de CEO’s van de lokale beurzen, de COO (Portugees) en de Head of Global Sales (Brits).
Bent u het ermee eens dat een goedwerkende kapitaalmarkt van levensbelang is voor de Nederlandse economie? Zo ja, ziet u het nationale belang van voldoende invloed van Euronext Amsterdam binnen de Europese beursorganisatie?
De beurs die Euronext Amsterdam in Nederland exploiteert is cruciaal voor de werking en ontwikkeling van de Nederlandse kapitaalmarkten en behoort tot de Nederlandse financiële kerninfrastructuur.2Op dit handelsplatform kunnen bedrijven uit Nederland, maar ook buitenlandse bedrijven die belangrijk kunnen zijn voor de Nederlandse economie, kapitaal aantrekken door uitgifte van aandelen. Hiermee biedt Euronext Amsterdam (Nederlandse) ondernemingen toegang tot de kapitaalmarkten.
Ik deel de opvatting dat goedwerkende kapitaalmarkten belangrijk zijn voor de Nederlandse economie en dat daarom het ook belangrijk is dat Euronext Amsterdam binnen de Europese beursorganisatie voldoende invloed heeft. Naast ondernemers zijn ook beleggers – zowel retail (consumenten) als institutioneel (pensioenfondsen, verzekeraars) – belangrijke stakeholders die baat hebben bij een goedwerkende kapitaalmarkt. Goed functionerende lokale beurzen, zoals Euronext Amsterdam, spelen een centrale rol bij het bij elkaar brengen van deze kapitaalverschaffers en -vragers en het faciliteren van efficiënte kapitaalallocatie ten behoeve van groei en verduurzaming van de reële economie. De aanwezigheid van een goede financiële en kapitaalmarktinfrastructuur is bovendien van belang voor het behoud van een goed vestigingsklimaat voor het bedrijfsleven en de financiële sector in Nederland. Naast hoogwaardige werkgelegenheid door de activiteiten rondom de beurs (handelaren, market makers, accountancy, advies, advocatuur, consultancy) is goede financiële infrastructuur ook van groot belang voor de relatief grote vermogensbeheer- en pensioensector in ons land.
Is het uw intentie om de gemaakte afspraken te handhaven en zo nodig bij te stellen? Zo nee, waarom niet?
Mijn intentie is om de gemaakte afspraken te handhaven en vast te houden aan het vereiste dat het bestuur geografisch in balans dient te zijn. Mede gelet op het feit dat Nederland de vergunning verleent aan Euronext N.V. en daarmee in de bijzondere positie verkeert dat we voorwaarden kunnen stellen aan de autonomie van de lokale beurzen, zie ik op dit moment geen noodzaak om de gemaakte afspraken omtrent de samenstelling van het bestuur bij te stellen.
In het artikel wordt geschetst hoe de Belastingdienst medewerkers onterecht heeft beschuldigd van onder andere misbruik van systemen, corruptie en andere integriteitsschendingen, heeft u al eerder kennisgenomen van dergelijke situaties?1
Als Staatssecretaris kan ik geen uitspraken doen over individuele casuïstiek. Verder kan ik in zijn algemeenheid zeggen dat er bij de Belastingdienst procedures en regels zijn hoe om te gaan met meldingen van integriteitsschendingen. Een belangrijk aspect van ons integriteitsbeleid is een open veilige en inclusieve werkomgeving voor alle medewerkers. Dit houdt in dat medewerkers veilig en in een vertrouwende omgeving melding moeten kunnen maken van vermoedelijke integriteitsschendingen. Melders worden beschermd, dit houdt onder meer in dat als zij aangeven dat persoonsgegevens niet gedeeld mogen worden, dit wordt gerespecteerd. Onderzoek naar integriteitsschendingen vereist expertise en een onafhankelijke blik. Om dit nadrukkelijker te borgen is binnen het Ministerie van Financiën in 2019 besloten tot inrichting van het Onderzoeksbureau Integriteit Financiën (OIF). Het OIF is het interne meldpunt voor alle signalen m.b.t. integriteit voor het gehele Ministerie van Financiën. Hier vindt de registratie van meldingen plaats. Ook verricht het OIF in opdracht van het bevoegd gezag onderzoek uit naar meldingen. Verder wordt er gerapporteerd over meldingen van vermoedelijke integriteitsschendingen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk en het Jaarverslag Integriteit Financiën. Specifiek voor de Belastingdienst wordt ook een jaarverslag integriteit vastgesteld. In dit jaarverslag is het aantal vermoedelijke en (deels) aangetoonde integriteitsschendingen te vinden. Ook bestaat sinds 2021 de Commissie Integriteit Financiën (CIF). Dit is een permanente, onafhankelijke externe commissie waar alle medewerkers van Financiën en voormalige medewerkers terecht kunnen bij meldingen over mogelijke integriteitsschendingen. De CIF heeft zijn eerste jaarverslag over 2021 uitgebracht en heeft daarin aangegeven dat er 31 meldingen zijn ontvangen. Het Ministerie van Financiën werkt daarnaast met vertrouwenspersonen, in totaal circa 50 medewerkers. Iedere directie heeft een aantal vertrouwenspersonen waar medewerkers terecht kunnen met vragen en/of meldingen over integriteitskwesties.
Bent u van mening dat de Belastingdienst dienstbaar moet zijn naar de burger en dat interne schandalen zoals beschreven staan in het artikel daar niet aan bijdragen?
De Belastingdienst stelt zich richting burgers en bedrijven dienstbaar op. Ik merk daarbij op dat professionele en betrokken medewerkers zich dagelijks inzetten voor de Belastingdienst. Binnen een grote organisatie als de Belastingdienst kan het voorkomen dat er spanning in de relatie tussen werknemer en werkgever kan komen te staan. Incidenten als beschreven in het artikel hebben geen invloed op de dienstbaarheid van de Belastingdienst als organisatie. Zonder in te gaan op de specifieke casussen van het artikel in de Telegraaf betreur ik het dat werknemers – zeker na een lang dienstverband bij de Belastingdienst – en werkgever tegenover elkaar komen te staan.
In het artikel staat beschreven dat medewerkers tot in detail worden bevraagd op hun integriteit en dat de integriteit van medewerkers vaak ten onrechte ter discussie wordt gesteld, deelt u dit inzicht?
Alle gemelde signalen van mogelijke integriteitsschendingen van medewerkers van Financiën worden serieus en zorgvuldig onderzocht. Zoals reeds is aangegeven wordt over deze meldingen gerapporteerd in de Jaarverslagen Integriteit van Financiën en de Belastingdienst. Mocht een signaal aanleiding geven voor een onderzoek, dan wordt daar met de betrokken medewerker een gesprek over gevoerd. Vanuit het Rijk zijn er in mei 2020 richtlijnen opgesteld over wanneer en hoe wordt overgegaan tot een persoonsgericht onderzoek (Baseline Intern Persoonsgericht Onderzoek). Deze baseline voorziet in een met waarborgen omklede procedure, met ruimte voor hoor en wederhoor. De Belastingdienst kent het Protocol Integriteit Belastingdienst, wat in lijn ligt met de Baseline Intern Persoonsgericht Onderzoek.
Is er volgens u in het algemeen sprake van een gezonde werksfeer bij de belastingdienst en specifiek bij de FIOD?
Mijn beeld van de Belastingdienst en specifiek de FIOD is dat er sprake is van een gezonde werksfeer. In een organisatie met ca. 27.000 medewerkers is het niet volledig mogelijk om meldingen, incidenten en conflicten te voorkomen. De Belastingdienst hecht aan een open en veilig werkklimaat, waarin medewerkers de vrijheid voelen om signalen te melden en dat deze worden onderzocht. Overall is er sprake van een toename van het aantal meldingen dat gedaan wordt bij vertrouwenspersonen. Deze toename is ook zichtbaar bij de rijksoverheid, de Belastingdienst en de FIOD. Uiteraard wordt aan iedere melding zorgvuldig aandacht besteed.
Kunt u een verklaring geven waarom er door de FIOD/Belastingdienst op grote schaal wordt gelogen in een poging van medewerkers af te komen?
Ik herken dit geschetste beeld niet.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Jazeker.
ALS en toegang tot medicijnen |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Kunt u nader toelichten welke stappen nodig zijn en welke handreikingen worden gedaan om zo snel mogelijk een beslissing te nemen over marktoelating en vergoeding voor de behandeling van de zenuw-/ spierziekte Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS)?
De procedure voor markttoelating en vergoeding van geneesmiddelen die voor toepassing bij Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS) wijkt niet af van die van andere geneesmiddelen. Allereerst dient de markttoelatingsprocedure bij het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) te worden doorlopen. Dit kan bijvoorbeeld volgens de versnelde beoordeling («accelerated assessment», voor geneesmiddelen waarvan de firma volgens het EMA voldoende heeft aangetoond dat er sprake is van groot maatschappelijk belang en grote therapeutische innovatie1).
Het is daarna aan de firma om over te gaan tot introductie van het product in Nederland, waarna intramurale geneesmiddelen vrijwel direct vergoed kunnen worden, tenzij ze voldoen aan de zogeheten sluiscriteria. In dat geval moeten ze beoordeeld worden op hun therapeutische waarde en kosteneffectiviteit door het Zorginstituut. Daarna vindt een prijsonderhandeling met het Bureau Financiële Arrangementen Geneesmiddelen plaats.
Om geneesmiddelen voor patiënten breed beschikbaar te maken, moet er enige duidelijkheid zijn over de therapeutische waarde en de kosteneffectiviteit. Alleen dan is vergoeding op grond van de Zorgverzekeringswet uit collectieve middelen mogelijk. Hierop kan ik geen uitzondering maken. Wel hebben alle partijen, waaronder het Zorginstituut, behandelaren, de Minister en niet in de laatste plaats de firma een grote verantwoordelijkheid om patiënten zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over de vergoeding van een nieuw geneesmiddel. Dit geldt voor de ziekte ALS, maar ook voor andere ziekten waarvoor geen behandeling voorhanden is.
Ik ben van mening dat ons systeem voldoende mogelijkheden biedt om ook ALS-patiënten snel duidelijkheid en toegang te geven tot waardevolle geneesmiddelen. Uiteraard zal ik bij ALS en ziekten waarbij de urgentie hoog is, alles doen om binnen de mogelijkheden zo snel mogelijk tot een besluit te komen.
Kunt u aangeven hoe ALS-patiënten en de patiëntenvereniging Stichting ALS Nederland worden betrokken in bovengenoemde stappen?
Het is van groot belang dat markttoelatings- en vergoedingsbeslissingen op onafhankelijke gronden kunnen worden genomen. Dat betekent dat de formele rol van patiënten en patiëntenverenigingen bij specifieke beoordelingen beperkt is tot consultatie van conceptrapporten van het Zorginstituut. Dit geldt dus ook bij geneesmiddelen voor ALS. Gedurende eventuele onderhandelingen vindt vaak overleg plaats met patiëntenverenigingen om hen te informeren over de voortgang van het proces.
Kunt u aangeven op welke wijze bestaande versnelde procedures zoals de artsenverklaring via de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het compassionate use programma via het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en de accelerated access route via het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) effectief zijn voor geneesmiddelen voor aandoeningen waar nog geen behandeling voor bestaat zoals bij ALS?
Deze procedures zijn in principe ook voor geneesmiddelen voor behandeling van ALS van toepassing. Voor nadere toelichting verwijs ik u naar mijn brief over dit onderwerp, die ik u op 16 januari 2023 deed toekomen2.
Kunt u nader duiden hoe vaak en voor welke aandoeningen het compassionate use programme is ingezet de afgelopen tien jaar?
Sinds 2013 zijn er door het College ter Beoordeling Geneesmiddelen (CBG) 32 compassionate use programma’s goedgekeurd. Voor een volledig overzicht van de producten verwijs ik u naar de website.3
Kunt u aangeven welke financieringsbronnen zijn aangewend om geneesmiddelen via het compassionate use programme toegankelijk te maken voor patiënten?
De kosten van niet-geregistreerde geneesmiddelen die zijn bestemd voor onderzoek, of die in compassionate use progamma’s aan patiënten worden verstrekt voorafgaand aan de markttoelating, komen ten laste van de sponsor van het onderzoek, of de firma het geneesmiddel heeft ontwikkeld.
Kunt u de oorzaken duiden van verschillen in tijdsduur met betrekking tot marktoelating via het Amerikaans geneesmiddelen agentschap (de FDA) en het EMA?
Er is geen duidelijke conclusie te trekken over de verschillen in beoordelingsduur. De markttoelatingsautoriteiten FDA en EMA hebben verschillende procedures en werkwijzen. Naast verschillen in de procedures, kan het feit dat de FDA vaker versnelde beoordelingsprocedures voor nieuwe, potentieel baanbrekende geneesmiddelen inzet, daarin een rol spelen. Daarnaast dienen bedrijven geneesmiddelen vaak eerder in bij de FDA dan bij het EMA.
Kunt u stapsgewijs toelichten waar in het proces van ontwikkeling van een geneesmiddel, tot marktoelating, tot vergoeding en ten slotte tot daadwerkelijk toegang tot een medicijn voor de patiënt versnelling en verbetering mogelijk is en op welke wijze hij zich hiervoor inzet?
De beleidsinzet in de gehele keten van ontwikkeling tot vergoeding en beschikbaarstelling van geneesmiddelen is zeer divers. Op hoofdpunten licht ik enkele belangrijke initiatieven toe.
Ten aanzien van innovatie zie ik kansen op het terrein van Future Affordable and Sustainable Therapies (FAST), waarover ik de Tweede Kamer samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat met regelmaat bericht4. Dit initiatief moet innovatieve therapieontwikkeling versterken door samenhang aan te brengen in de inzet van stimulerende instrumenten die we nu al in Nederland hebben. Door meer samenhang aan te brengen in publieke investeringen op het gebied van innovatie therapieontwikkeling hoop ik een bijdrage te leveren aan de versnelling van de ontwikkeling van waardevolle innovatieve en betaalbare therapieën.
De Europese Commissie heeft op 26 april haar voorstel voor aanpassing van de Europese geneesmiddelenwetgeving gepubliceerd5. Een van de voorstellen is om de markttoelatingsprocedure bij het EMA te versnellen. Momenteel stelt het kabinet de BNC-fiche op waarin de voorgestelde herziening van de EU farmaceutische wetgeving wordt geanalyseerd en beoordeeld.
Rond de vergoedingsprocedure van nieuwe, dure geneesmiddelen blijf ik werken aan het verbeteren van de doorlooptijden van de vergoedingsprocedure. Een voorbeeld daarvan is de mogelijkheid tot het doen van een parallelle procedure, waarbij een beoordelingsprocedure voor vergoeding door het Zorginstituut al tijdens de markttoelatingsfase mogelijk is.
Ook optimaliseer ik de zogeheten sluisperiode, waarin onderhandeld wordt over de prijs van een geneesmiddel. Dit doe ik mede in overleg met geneesmiddelenfabrikanten. Om deze procedure hebben zowel firma’s als overheid een verantwoordelijkheid om zo snel mogelijk tot een goede overeenkomst te komen. Hoewel geneesmiddelen die tijdens deze periode door de firma beschikbaar gesteld worden, nog niet vergoed worden, nemen firma’s deze verantwoordelijkheid wel op zich. Dit valt hen te prijzen.
Om goed zicht te houden op de doorlooptijd van dure geneesmiddelen en de mogelijkheden om daarin versnelling aan te brengen, kom ik later dit jaar met een dashboard voor de doorlooptijden van (sluis-)geneesmiddelen.
Voor de zomer doe ik u een brief toekomen waarin ik nader inga op maatregelen om te komen tot een meer toekomstbestendig stelsel voor de toelating van nieuwe dure geneesmiddelen. Daarin besteed ik ook aandacht aan het verkorten van de tijd tot de patiënt.
Het bericht ‘Racismecoördinator: 'Structurele discriminatie van moslims bij banken' |
|
Tom van der Lee (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Racismecoördinator: «Structurele discriminatie van moslims bij banken»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is dat de Nationale Coördinator tegen Racisme en Discriminatie (NCRD) constateert dat moslims structureel worden gediscrimineerd door banken en financiële instellingen als gevolg van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)?
Ik ben geschrokken van deze berichten. De beschreven ervaringen moeten zeer vervelend en frustrerend zijn voor de betrokkenen. Mede naar aanleiding van de signalen van de NCRD, wil ik de aanwezigheid van discriminerende elementen in de aanpak van witwassen, financieren van terrorisme en fraude onderzoeken. Ik ben momenteel met de NVB, DNB, AFM, NCDR en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in gesprek hoe dit het beste vorm kan worden gegeven. DNB heeft mij laten weten dat zij gaat onderzoeken of banken voldoende beheersmaatregelen nemen om discriminatie zoveel mogelijk te voorkomen. Ik zal uw Kamer hier nader over informeren in de najaarsrapportage van de beleidsagenda aanpak van witwassen.
Bent u voornemens om onderzoek te doen naar discriminatie door de wijze waarop de Wwft wordt toegepast, zoals de NCRD adviseert? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kunt u zeggen over de aanpak van dit onderzoek?
Zie antwoord vraag 2.
Welke instrumenten hebben banken en financiële instellingen op dit moment om het risico op profileren te verminderen bij de toepassing van de Wwft? Zijn deze middelen afdoende volgens u, gezien de constateringen van de NCRD?
Banken dienen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) cliëntonderzoek te verrichten, de transacties van hun cliënten te monitoren, risico’s te mitigeren en ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU-Nederland. Banken dienen de systemen die ze hiervoor gebruiken zodanig in te richten dat er geen sprake is van discriminatoire elementen. De Nederlandse Vereniging van Banken geeft desgevraagd aan dat banken gebruik maken van diverse instrumenten en maatregelen om risico’s op structurele discriminatie te reduceren en inclusiviteit te bevorderen. Hierbij kan, onder andere, gedacht worden aan training van medewerkers over het voorkomen van (onbewuste) vooringenomenheid bij oordeelsvorming en besluiten, checken op mogelijke (onbewuste) vooringenomenheid bij het uitvoeren van kwaliteitscontroles op de uitvoering van Wwft-processen en een klachtenprocedure voor cliënten. Of de door de banken getroffen maatregelen op dit terrein voldoende zijn, zal moeten blijken uit nader onderzoek naar de constateringen van de NCRD. DNB heeft mij laten weten dat zij gaat onderzoeken of banken voldoende beheersmaatregelen nemen om discriminatie zoveel mogelijk te voorkomen.
Bent u het ermee eens dat discriminatie van groepen, bijvoorbeeld bij religieuze giften, een breder probleem is dan uitsluiting van klantengroepen alleen, omdat het hier niet enkel gaat om het in kaart brengen welke groepen geen enkele toegang hebben tot het betalingsverkeer, maar ook om een gelijke behandeling in het betalingsverkeer? Bent u bereid om het Plan van Aanpak Witwassen op dit punt aan te scherpen, omdat dit tot nu toe enkel toeziet op het eerst genoemde en niet op het tweede?
Ja, daar ben ik het mee eens. Discriminatie van groepen burgers is vanzelfsprekend ook onacceptabel als deze niet leidt tot volledige uitsluiting van deze groep tot het betalingsverkeer. De prioriteit uit de beleidsagenda aanpak van witwassen, waarmee beoogd wordt om de toegang tot het betalingsverkeer te waarborgen, ziet niet alleen op volledigeuitsluiting van groepen, maar ook op subgroepen binnen een groep die problemen ervaren met toegang tot het betalingsverkeer. In de voortgangsbrief, die ik recent naar uw Kamer heb gestuurd,2 staat ook dat deze problematiek hierin is opgenomen.
Op welke wijze kunnen de leidraden Wwft (van zowel de verschillende Wwft-toezichthouders als het ministerie) aangepast worden, zodat non-discriminatie bij de toepassing van de Wwft beter wordt verankerd? Zijn de Wwft-toezichthouders en u bereid om dit te doen?
Ik wil eerst een beter beeld krijgen van het probleem en de oorsprong ervan, voordat ik eventuele oplossingen kan beoordelen.
Bent u in gesprek met de Wwft-toezichthouders, met name De Nederlandsche Bank, over het risico op profileren zoals toegezegd tijdens het commissiedebat over bestrijding witwassen en terrorismefinanciering op 21 december 2022?2 Zo ja, wat zijn de vervolgacties naar aanleiding van het gesprek?
Ja, DNB en AFM zijn ook betrokken bij de gesprekken over de vormgeving van het onderzoek naar de aanwezigheid van discriminerende elementen in de aanpak van witwassen, financieren van terrorisme en fraude, dat ik hierboven noemde. DNB heeft mij laten weten dat zij gaat onderzoeken of banken voldoende beheersmaatregelen nemen om discriminatie zoveel mogelijk te voorkomen. Ik zal uw Kamer hier nader over informeren in de najaarsrapportage van de beleidsagenda aanpak van witwassen.
Toegang tot DigiD voor Nederlanders in het Buitenland. |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problemen rond toegang tot DigiD, zoals eerder beschreven in het nieuwsbericht: «Nederlands in het buitenland worstelen met bureaucratische catch-22 van DigiD»1
Ik ben bekend met de toegenomen vraag van Nederlanders in het buitenland naar afspraakmogelijkheden om via een videobelverbinding een DigiD activeringscode te ontvangen. Ik deel de mening dat Nederlanders in het buitenland toegang moeten hebben tot (digitale) overheidsdienstverlening. Daarvoor hebben mensen die in het buitenland wonen en hun zaken online willen regelen met de Nederlandse overheid een werkend DigiD-account nodig.
Het is hierbij belangrijk dat een DigiD aan de juiste persoon wordt verstrekt en dat dit met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. In Nederland doen wij dit met een BSN en betrouwbare adresgegevens in de BRP. Wanneer een DigiD wordt aangevraagd, wordt de activeringscode in Nederland per post verstuurd naar het adres van de aanvrager. In het buitenland kan dit niet door het ontbreken van betrouwbare adresgegevens. Om mensen in het buitenland te helpen is in 2021 de videobelbalie opgezet door het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voorheen was het uitgeven van een activeringscode alleen mogelijk bij DigiD-balies bij gemeenten en bij een beperkt aantal Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland. Hierdoor moesten Nederlanders in het buitenland vaak ver reizen naar een fysieke balie. De videobelmogelijkheid maakt het een stuk makkelijker voor Nederlanders in het buitenland om aan een DigiD te komen. Voor een afspraak kan men iedere vrijdag terecht voor het boeken van een afspraak voor de week erna. Het lukt de meeste mensen op die manier een afspraak te maken. Soms moet men het de week erna nogmaals proberen. Spoedverzoeken worden meestal dezelfde dag afgehandeld.
Eén van de redenen voor de toename van de DigiD aanvragen is het feit dat steeds meer Nederlandse overheidsorganisaties en andere dienstverleners, zoals UWV, de zorgsector, zorgverzekeraars, DUO en pensioenfondsen, hun dienstverlening aanbieden op een hoger betrouwbaarheidsniveau. Dit is noodzakelijk om de gegevens van burgers beter te beschermen. Daarom is het van belang om over te gaan op twee-factorauthenticatie. Dit kan door gebruik te maken van sms-verificatie of door de DigiD app te gebruiken. De DigiD app kan geactiveerd worden op verschillende manieren: door een koppeling van een Nederlands identiteitsbewijs of met een sms-verificatie. In het buitenland heeft niet iedereen een geschikt ID-bewijs waarmee de DigiD app geactiveerd kan worden. Als dit het geval is en iemand geen telefoonnummer gekoppeld heeft aan het DigiD account en/of geen toegang meer heeft tot het opgegeven telefoonnummer, moet er opnieuw een DigiD worden aangevraagd.
De capaciteit is inmiddels uitgebreid, zodat nog meer mensen terecht kunnen voor een videobel-afspraak. Het ontvangen van een activeringscode via een fysieke balie is ook nog steeds beschikbaar voor burgers in het buitenland. Daarnaast kunnen burgers in het buitenland die (binnenkort) AOW ontvangen een DigiD aanvragen via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Zij ontvangen dan de brief met activeringscode op hun huisadres in het buitenland.
Deze routes zijn nadrukkelijker bekend gesteld.
Deelt u de mening dat goede toegang tot overheidsdiensten zoals DigiD ook voor Nederlanders in het buitenland beschikbaar moet zijn? Bent u van mening dat de problemen die Nederlanders in het buitenland ervaren m.b.t. de toegang tot DigiD zo snel mogelijk moeten worden opgelost? In hoeverre zijn de in het artikel beschreven problemen inmiddels verholpen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de reden dat het digitale spreekuur zo overbelast is? Wat is en kan er op korte termijn gedaan worden om de capaciteit op het digitale spreekuur te vergroten?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is er voor gekozen om alleen mensen die AOW ontvangen in het buitenland proactief te benaderen over het vervallen van de optie om met alleen een wachtwoord in te loggen op MijnOverheid? Is het mogelijk om overige Nederlanders in het buitenland alsnog proactief te informeren?
Op dit moment wordt er niet voor gekozen om brieven te versturen naar Nederlanders in het buitenland om te voorkomen dat persoonsgegevens in de verkeerde handen vallen en er misbruik kan plaatsvinden. Dit omdat de adressen van Nederlanders in het buitenland onvoldoende betrouwbaar zijn. Het is voor niet-ingezetenen namelijk niet verplicht om een (correct) adres in het buitenland op te geven of een wijziging door te geven na verhuizing. Als deze buitenlandse adressen wel zijn opgegeven, zijn deze niet geverifieerd.
In december 2022 heeft de SVB ervoor gekozen om een deel van de burgers in het buitenland een digitaal bericht te sturen via de MijnOverheid Berichtenbox. Dit is in overleg gegaan met het Ministerie van BZK. Het doel van het bericht was om burgers te informeren over het verhogen van het authenticatieniveau bij MijnOverheid. Dit is gebeurd om burgers toegang te blijven geven tot de MijnOverheid Berichtenbox en zo hun dienstverlening te waarborgen. De SVB heeft dit bericht verstuurd naar iedereen die een lopend recht heeft op één van de wetten die de SVB uitvoert (dus niet alleen AOW), in het buitenland woont en gekozen heeft voor digitale post van de SVB.
Logius zal, als beheerder van DigiD en MijnOverheid, Nederlanders (in het buitenland) in de toekomst zelf proactief gaan informeren over het verhogen van authenticatieniveaus. Dit zal bij deze groep gebeuren door een e-mail te versturen met daarin deze informatie. Dit is de meest betrouwbare methode om te communiceren met deze groep burgers. Daarnaast worden de website en social media kanalen van Nederland Wereldwijd gebruikt om burgers in het buitenland te informeren over voor hen relevante informatie.
Deelt de Minister de mening dat Nederlanders in het buitenland de brief die in november is verzonden over het inloggen op MijnOverheid ook hadden moeten ontvangen, net als Nederlands in Nederland? Welke concrete maatregelen neemt de Minister om Nederlanders in het buitenland voor digitale overheidsdiensten gelijkelijk te informeren aan Nederlanders in Nederland?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om nader te onderzoeken tegen welke problemen Nederlanders in het buitenland aanlopen m.b.t. DigiD?
Nederlanders in het buitenland kunnen tegen verschillende problemen aanlopen wanneer het gaat om DigiD. Via Nederland Wereldwijd en Logius melden Nederlanders deze problemen. In de kern gaat het om de volgende twee knelpunten:
In de praktijk blijkt dat ook mensen die tijdelijk in Nederland verblijven, zoals arbeidsmigranten via videobelafspraken met Nederland Wereldwijd een DigiD aan willen vragen. De videobelbalie is echter enkel bedoeld voor mensen in het buitenland. Om ook de groep arbeidsmigranten te kunnen helpen, vindt er op dit moment door het Ministerie van BZK een verkenning plaats naar de versnelling van het proces van het verkrijgen van een DigiD-activeringscode door mensen die zich in Nederland bevinden na inschrijving in het Register niet-ingezetenen (RNI).
Kunt u toelichten welke concrete stappen er worden genomen om de huidige hindernissen om DigiD te gebruiken voor Nederlanders in het buitenland op te lossen? Op welke termijn verwacht u dat deze problemen opgelost zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u toelichten of de huidige problemen met toegang tot DigiD voor de miljoen Nederlanders in het buitenland problemen hebben veroorzaakt voor het stemmen vanuit het buitenland voor de verkiezingen van 15 maart 2023?
DigiD speelt geen rol in het stemproces voor kiezers in het buitenland en heeft daarom geen problemen veroorzaakt bij de verkiezingen op 15 maart 2023.
Wanneer Nederlanders in het buitenland willen stemmen voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer, het Europees Parlement en het kiescollege niet-ingezetenen voor de Eerste Kamer, dan kan men zich als kiezer registreren door eenmalig een formulier in te vullen en samen met een kopie van een identiteitsbewijs op te sturen naar de gemeente Den Haag. Wanneer de registratie is voltooid, krijgt de persoon voor elke verkiezing de documenten thuis gestuurd, waarmee per brief gestemd kan worden.
Het artikel 'Haarlemmermeer Lyceum opent Confucius Classroom, een Chinees klaslokaal' |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Haarlemmermeer Lyceum opent Confucius Classroom, een Chinees klaslokaal»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat inmenging van buitenlandse overheden op Nederlandse scholen ongewenst is?
Ja, inmenging van buitenlandse overheden op Nederlandse scholen vind ik onwenselijk, want het kan andere normen en waarden promoten dan ik in Nederland gewenst vind. Inmenging (of heimelijke beïnvloeding) van statelijke actoren kan ook leiden tot een gevoel van onveiligheid om je uit te spreken of bepaalde onderwerpen aan te snijden in het onderwijs. Binnen bepaalde netwerken (o.a. E-Twinning en Erasmus+ programma’s) hebben scholen in Nederland wel goede contacten met scholen in andere landen en waar nodig ook overheden, om leerlingen een ander perspectief en bredere kijk op de wereld aan te bieden.
Wat vindt u ervan dat publiek bekostigd Nederlands onderwijs ook financiering ontvangt van een instituut beheerd door de Chinese overheid?
Het Nederlandse onderwijs ontvangt reguliere bekostiging vanuit de Nederlandse overheid. Aanvullende programma’s om kennis te nemen van een andere cultuur kennen soms support vanuit het betreffende land.
Deze samenwerking kan nooit zo ver gaan dat er inmenging in onze Nederlandse normen en waarden plaatsvindt. De burgerschapsopdracht zoals die in onze wetgeving is opgenomen, moet dit waarborgen.
Het Confucius Instituut heeft op geen enkele manier invloed op het onderwijs van Chinese Taal en Cultuur tijdens de lessen. Scholen kiezen hun eigen methode of gebruiken eigen materiaal en docenten maken daarnaast veel eigen materiaal. Het bedrag mag vrijelijk besteed worden en wordt vaak gebruikt voor literatuur, uitjes en ander materiaal voor in het curriculum.
Hoeveel Confucius Classrooms zijn er momenteel in Nederland? Neemt dit aantal toe of af?
Het is mij niet bekend hoeveel Confucius Classrooms er nu zijn. In 2019 waren het er 13 of 14.2 De Confuciusinstituten hadden die gegevens in dat jaar nog op het internet staan. Dit aantal lijkt stabiel te blijven, omdat elk Confucius Instituut een bepaald budget heeft voor deze Classrooms en binnen dit budget is plek voor tien scholen. Dat het Haarlemmermeerlyceum nu een Confucius classroom heeft gekregen, betekent waarschijnlijk dat een andere school zich uit dit programma heeft teruggetrokken.
Hoeveel financiele ondersteuning ontvangt een school voor het opzetten van een Confucius Classroom?
Een school ontvangt 10.000 dollar.
Leveren Confuciusinstituten ook lesmateriaal aan scholen of hebben zij op enige andere manier invloed op de inhoud van lessen?
Het Confucius Instituut heeft op geen enkele manier invloed op het onderwijs van Chinese Taal en Cultuur tijdens de lessen. Scholen kiezen hun eigen methode of gebruiken eigen materiaal en docenten maken daarnaast veel eigen materiaal. Het bedrag mag vrijelijk besteed worden en wordt vaak gebruikt voor literatuur, uitjes en ander materiaal voor in het curriculum.
Zijn er signalen dat, via Confuciusinstituten, op scholen Chinees beleid en Chinese denkbeelden eenzijdig positief belicht of actief gepromoot worden? Hoe houdt u hier zicht op?
Ik heb geen signalen dat het Confucius Instituut invloed heeft op de verspreiding van bepaalde denkbeelden in Nederlandse scholen. Scholen hebben in de dagelijkse praktijk vrijwel geen contact met de Confucius Instituten en voeren gewoon hun eigen lespraktijk uit. Het vak Chinese taal en cultuur wordt daarnaast ook veelal gezien als instrument voor wereldburgerschap en interculturele vaardigheden: door een taal en cultuur te leren die zo ver af staat van je eigen cultuur, leer je ook veel over je eigen referentiekader. Leerlingen leren met een bredere blik naar de wereld te kijken. Verder wordt het onderwijs gegeven door bevoegde docenten Chinees, academisch en eerstegraads geschoold door het ICLON, de lerarenopleiding van de Rijksuniversiteit Leiden.
Zijn er andere manieren bekend waarop buitenlandse overheden invloed uitoefenen op het Nederlandse onderwijs? Bent u bereid dit te onderzoeken voor zover dit het funderend onderwijs betreft?
Nee, dat is niet bekend. Ik heb op dit momenten geen aanleiding om te denken dat er sprake is van bedoelde inmenging. Een onderzoek is nu dan ook niet aan de orde.
Wat gaat u doen om buitenlandse inmenging op Nederlandse scholen te voorkomen?
Het wetsvoorstel Wtmo (Wet transparantie en tegengaan ondermijning maatschappelijke organisaties) en de nota van wijziging waarmee dit wetsvoorstel is aangescherpt liggen inmiddels in uw Kamer. De Wtmo gaat de burgemeester en het Openbaar Ministerie (OM) de mogelijkheid bieden toe te zien op alle geldstromen, uit binnen- en buitenland, naar maatschappelijke organisaties in Nederland.
Het OM kan op basis van de Wtmo bij de rechter een verzoek indienen om te gelasten dat bepaalde goederen van een maatschappelijke organisatie bevroren worden, indien de organisatie die de democratische rechtsstaat ondermijnt of klaarblijkelijk dreigt te ondermijnen; en het noodzakelijk is om de ondermijning of de gevolgen ervan af te wenden.
Het betreft een organisatiegerichte aanpak, waarbij het gedrag van de organisatie centraal staat en niet de herkomst van de geldstromen.
Kan de onderwijsinspectie controleren op inmenging in het onderwijs door buitenlandse mogendheden? Doet de inspectie dit momenteel al?
De inspectie beoordeelt de onderwijskwaliteit en financiële continuïteit. Wanneer daar ongeregeldheden in gezien worden, dan zal zij daarover rapporteren, kan zij herstelopdrachten geven en zelfs, namens mij, handhavend optreden. Ook kan de inspectie mij informeren over bepaalde ontwikkelingen in het onderwijs.
Kunt u in voldoende mate ingrijpen wanneer buitenlandse inmenging in het onderwijs plaatsvindt?
Zie het antwoord op vraag 9.
Waar kunnen leraren, ouders en leerlingen terecht als zij signalen ontvangen, voorbeelden zien of vermoedens hebben van buitenlandse inmenging in het onderwijs?
Leraren, ouders en leerlingen kunnen met bezwaren en vermoedens in eerste instantie terecht bij het eigen schoolbestuur. Daarnaast kunnen zij dit ook altijd neerleggen bij de medezeggenschapsraad en via de (formele) klachtenregeling die elke school kent. Mocht de school de klacht niet kunnen wegnemen, dan kan de klacht onderzocht worden door een deskundige en onafhankelijke klachtencommissie. Daartoe bestaat o.a. de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs (lkc) van stichting Onderwijsgeschillen.
Bent u bekend met de uitspraken van voormalig Minister van Engelshoven, die stelde dat inbedding van Confuciusinstituten in Nederlandse kennisinstellingen op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid van Nederlandse kennisinstellingen en de Nederlandse normen en waarden op het gebied van wetenschappelijke integriteit? Deelt u deze analyse ook voor wat betreft het funderend onderwijs?
Daarmee ben ik bekend. Naar aanleiding van het Clingendaelonderzoek «China’s invloed op onderwijs in Nederland»3 adviseerde de vorige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kennisinstellingen in december 2020 om Confuciusinstituten los te koppelen, om (de schijn van) inperking van academische vrijheid en wetenschappelijke integriteit te voorkomen.
Deze analyse gaat voor de Confucius Classrooms evenwel niet op. Punt van zorg bij de Confuciusinstituten was het ontransparante aansturingsmodel, waarbij het bestuur in gezamenlijkheid door de Nederlandse kennisinstelling met de Chinese overheid gevoerd werd. Hierdoor was de mogelijkheid tot politieke beïnvloeding door China aanwezig. Bij de Classrooms speelt onduidelijke aansturing niet: scholen ontvangen weliswaar geld van het Confucius Instituut, maar bepalen zelf hoe zij het vak Chinese taal en cultuur inrichten en bepalen eigenstandig hoe zij dit geld ten dienste laten zijn aan dit vak.
Is aanscherping van regels nodig om deze buitenlandse inmenging te voorkomen en, zo ja, wanneer komt u hier dan bij de Tweede Kamer op terug?
Er zijn voldoende checks and balances, en er zijn nu geen zorgelijke signalen bij ons bekend. Ik zie momenteel dus geen aanleiding om de regels voor contacten met China in het voortgezet onderwijs aan te scherpen, maar ik hou het thema wel in de gaten.
Het bericht 'Mr. Frank Visser wil onterechte BKR-registraties aanpakken' van 3 april 2023 en de bijbehorende uitzending van Radar |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Radar bekeken en wat vindt u van de rapportage over het BKR?1
Ja. Ik vind het goed dat er aandacht is voor dit belangrijke maatschappelijke onderwerp.
Wat vindt u ervan dat mensen vaak niet op de hoogte worden gesteld van een negatieve BKR-registratie, terwijl bijna een half miljoen mensen te maken krijgt met een negatieve registratie, die veel impact op de persoonlijke levens van mensen kan hebben?
Het is belangrijk dat consumenten de mogelijkheid hebben om op de hoogte zijn van hetgeen over hen is opgenomen in registratiesystemen zoals dat van het BKR. Het Algemeen Reglement van het BKR (algemeen reglement) schrijft voor dat kredietverstrekkers consumenten tijdig waarschuwen dat het niet tijdig betalen van een betalingsverplichting zal leiden tot een negatieve registratie bij het BKR.2 Ik vind het van groot belang dat deze regels worden nageleefd.
Hoe rijmt het volgens u met artikel 5 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), juncto punt 39 en 61 van de preambule AVG, dat consumenten altijd vooraf worden geïnformeerd, terwijl volgens het Algemeen reglement van het BKR alleen een meldingsplicht geldt bij de relatief lichte A-code, maar bijvoorbeeld niet bij een zwaardere code, zoals 2 of 3, terwijl die veel meer impact heeft?
Het staat voor mij voorop dat altijd voldaan moet worden aan de voorschriften uit de AVG. Dat geldt in dit geval ook voor de kredietverleners en het BKR. Het is aan de Autoriteit Persoonsgegevens als toezichthouder op het verwerken van persoonsgegevens of aan de rechter om te beoordelen of er in deze specifieke situatie sprake is van een al dan niet juiste uitleg en toepassing van de AVG. Als een consument meent dat de wijze waarop het BKR momenteel persoonsgegevens verwerkt niet in lijn is met de AVG dan is het mogelijk om een klacht in te dienen bij de AP of een gerechtelijke procedure te starten tegen het BKR.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met kredietinstellingen over het beter informeren van klanten inzake registratie en de gevolgen daarvan?
Op dit moment wordt er gewerkt aan een wetsvoorstel met betrekking tot het stelsel van kredietregistratie. Hierover heb ik gesproken met onder andere kredietinstellingen. Dit wetsvoorstel is momenteel in internetconsultatie. Met dit wetsvoorstel wordt een mogelijkheid voor de Minister van Financiën gecreëerd om voorwaarden te stellen aan het BKR en de aansluiting van kredietinstellingen bij het BKR. Dergelijke voorwaarden kunnen ook zien op de wijze van informeren van consumenten. Voor de volledigheid wijs ik er op dat zowel de kredietverstrekkers als BKR momenteel al gehouden zijn aan de wettelijke verplichtingen over het informeren van consumenten zoals neergelegd in de AVG. Ik verwacht uiteraard dat zij voldoen aan deze verplichtingen.
Bent u het met de heren Visser en Thakoerdien eens dat iemand die een paar betaaltermijnen heeft gemist, niet hetzelfde moet worden behandeld als een zware wanbetaler?
Ik vind het belangrijk dat kredietverstrekkers beoordelen of kredietverlening aan consumenten verantwoord is. Het staat op voorhand niet vast dat iemand die slechts enkele betaaltermijnen miste, per definitie een betere financiële draagkracht heeft dan iemand die vaker in gebreke bleef. Het is immers mogelijk dat er structurele financiële problemen schuilgaan achter het missen van een paar betaaltermijnen. Het is daarom belangrijk dat kredietverstrekkers zelf een afweging maken op basis van de omstandigheden van de persoon die een krediet aanvraagt. Het raadplegen van het BKR is daar een onderdeel van, maar het blijft aan de kredietinstellingen om de informatie uit het BKR-register te wegen om te beoordelen of het verantwoord is om krediet te verstrekken.
Vindt u het in alle gevallen noodzakelijk dat gegevens vijf jaar lang in het BKR geregistreerd blijven staan, met grote gevolgen voor de persoonlijke levens van mensen, zoals bij de aanschaf van een huis?
Om de consument te beschermen tegen het afsluiten van kredieten die hij of zij niet kan terugbetalen hecht ik er veel belang aan dat kredietverstrekkers een goed beeld hebben van de financiële positie van consumenten die krediet aanvragen. Zo wordt tegengegaan dat er krediet wordt verstrekt dat niet passend is voor de consument, waarmee kan worden voorkomen dat consumenten in financiële problemen terechtkomen en waarmee kredietverstrekkers hun eigen risico’s kunnen beperken. Het registreren van gegevens bij BKR draagt daaraan bij doordat het kredietvertrekkers meer inzicht biedt of er reeds betalingsverplichtingen zijn voor verstrekte kredieten, in de betaalgeschiedenis en in eventuele betalingsachterstanden die consumenten hebben, of recent hebben gehad. Alleen gedurende de termijn dat de gegevens bewaard worden kan de kredietverstrekkers deze gegevens in ogenschouw nemen bij haar beoordeling van de kredietwaardigheid van een consument.
Tegelijkertijd ben ik mij er van bewust dat een registratie bij het BKR ertoe kan leiden dat consumenten een belemmering ervaren bij het verkrijgen van nieuw krediet, zoals een hypotheek. In haar advies over wettelijke waarborgen bij kredietregistratie stelt de AP ook dat het wenselijk is om in wetgeving keuzes te maken over de bewaartermijnen van persoonsgegevens.3 In het wetsvoorstel dat momenteel in voorbereiding is – waar ik al naar verwees in de beantwoording van vraag 4 – zijn ook bepalingen opgenomen ten aanzien van de registratietermijnen bij het BKR, waarbij ik ook de mogelijke nadelige effecten van een BKR-registratie in ogenschouw neem.
Tot slot is het van belang om te onderscheiden dat het niet noodzakelijkerwijs de registratie bij het BKR als zodanig is die leidt tot negatieve gevolgen. Het is aan de kredietverstrekker om te beoordelen of het verantwoord is om een krediet te verstrekken. Het register van het BKR zorgt er slechts voor dat de kredietverstrekker over informatie kan beschikken ten behoeve van deze beoordeling. Raadpleging van het stelsel van kredietregistratie vormt dus enkel het instrument om inzicht te krijgen in welke kredieten een consument al heeft met als doel om betalingsproblemen in de toekomst te voorkomen. Het is belangrijk dat een kredietverstrekker samen met een consument kijkt hoe het beste kan worden omgegaan met betalingsachterstanden. Als consumenten desondanks van mening zijn dat hun BKR-registratie te zware nadelige gevolgen voor hen heeft, kunnen zij op basis van het algemeen reglement een verzoek tot verwijderen van de registratie indienen bij de kredietinstelling die de gegevens geregistreerde of kunnen zij in beroep gaan tegen de registratie bij het Kifid of de rechter.
Deelt u de mening dat meer maatwerk nodig is bij kredietregistraties?
Een kredietregistratie dient een accuraat beeld te geven van de kredieten van de consument en van eventuele betalingsachterstanden. Het is echter vervolgens de verantwoordelijkheid van de kredietverstrekker om maatwerk te leveren door op basis van informatie uit het register en andere beschikbare informatie en de specifieke omstandigheden van een consument te bepalen of het verlenen van krediet verantwoord is.
Voor zover de kredietregistratie de financiële situatie van de consument niet goed reflecteert, bestaat de mogelijkheid hiertegen bezwaar te maken. Hierdoor kunnen eventuele fouten of onnauwkeurigheden worden gecorrigeerd waardoor de registratie een beter beeld geeft van de werkelijke omstandigheden. Deze bezwaarmogelijkheid draagt bij aan het waarborgen van een eerlijke en nauwkeurige kredietregistratie.
Vindt u ook dat het BKR, weliswaar in overleg met de kredietverstrekker, zelf een rol zou moeten kunnen spelen bij het beoordelen van het al dan niet verwijderen van een BKR-registratie, mede omdat zij als centrale partij zicht heeft op leen- en betalingsgedrag van consumenten en daarin consumenten bescherming kan bieden en van daaruit kan beoordelen of een registratie van vijf jaar proportioneel is?
De rol die het BKR moet spelen bij het beoordelen van verzoeken tot het verwijderen van registraties, kan worden beschouwd als een vraag of het BKR al dan niet is aan te merken als een verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG. De rol van verwerkingsverantwoordelijke brengt namelijk op grond van artikel 21 van de AVG een verplichting met zich om bezwaren tegen verwerking van persoonsgegevens in behandeling te nemen. Dit vraagstuk wordt momenteel behandeld in een gerechtelijke procedure. Een eerste gerechtelijke uitspraak hierover is reeds gedaan4 maar een vervolgprocedure bij een hogere rechterlijke instantie loopt momenteel nog. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten hiervan.
De verantwoordelijkheid voor verwijdering van BKR-registraties is tevens een van de onderwerpen waarover het wetsvoorstel dat in voorbereiding is meer duidelijkheid moet gaan bieden.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met kredietinstellingen om een eenduidige omgang met het al dan niet verwijderen van BKR-registraties vorm te geven?
Het is niet in het belang van consumenten als er al te grote discrepanties zijn in de wijze waarop kredietinstellingen omgaan met verzoeken van consumenten om BKR-registraties te verwijderen. Daar staat tegenover dat beoordelingen van verwijderingsverzoeken onmogelijk volledig gelijk uitgevoerd kunnen worden. Het betreft immers telkens een afweging gebaseerd op de concrete omstandigheden van de consument, die altijd van geval tot geval zullen verschillen.
Ik verwelkom het dat het BKR reeds in 2018 een «Handreiking Belangenafweging» heeft gepubliceerd met kaders voor kredietverstrekkers om de afweging op een zorgvuldige en zo veel mogelijk vergelijkbare wijze uit te voeren. Op dit moment zie ik ook vooral een rol voor kredietinstellingen om te komen tot een gelijke manier van afhandeling van bezwaren tegen BKR-registraties, zeker wanneer een consument bezwaar maakt tegen BKR-registraties van achterstanden bij verschillende kredietverstrekkers. Ik moedig kredietverstrekkers aan om te kijken wat daarbij mogelijk is.
Kunt u aangeven naar welke wet de heer Van den Bosch van het BKR in de uitzending van Radar verwijst en welke bepalingen hierin van toepassing zijn op de registratie van conflicten met het BKR onder de code 9, als hij het over de AVG heeft, waarin volgens hem staat dat conflicten met het BKR moeten worden geregistreerd?
Uit navraag bij het BKR blijkt dat de heer Van den Bosch in de uitzending van Radar verwijst naar de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), specifiek naar artikelen 4, lid 3 en 18, lid 1, onder d van deze Verordening. Deze artikelen schrijven voor dat een consument die bezwaar heeft gemaakt tegen de verwerking van zijn of haar persoonsgegevens het recht heeft om die persoonsgegevens te laten markeren in afwachting van definitieve besluitvorming rondom het bezwaar.
Klopt volgens u de stelling van het BKR in de uitzending dat zij volgens de wet verplicht is om code 9 te registreren, terwijl uit de uitspraak van de rechtbank van 11 april 2022 het tegenovergestelde blijkt en het BKR werd veroordeeld tot het verwijderen van code 9, omdat die volgens de rechter onrechtmatig was geplaatst en het BKR niet heeft voldaan aan haar transparantie- en informatieplicht op grond van artikelen 5 en 14 van de AVG?
Indien een consument bezwaar maakt tegen de verwerking van zijn of haar persoonsgegevens, dan heeft de consument op grond van de AVG het recht dat de verwerking van die persoonsgegevens tijdelijk worden beperkt. De beperking moet dan worden gemarkeerd, waarmee wordt aangegeven dat de consument bezwaar heeft gemaakt tegen een registratie. Op de website van het BKR valt te lezen dat zij invulling geven aan deze wettelijke verplichting met «code 9».5
Het gebruik van de «code 9» door het BKR was ook aan de orde in de zaak van 11 april 2022.6 Echter, de rechter beoordeelde niet of het markeren van persoonsgegevens, zoals het gebruik van code 9, in zijn algemeenheid onrechtmatig is. De voorliggende vraag betrof in hoeverre het BKR de consument voldoende had geïnformeerd rondom het plaatsen van de markering. De rechter komt tot de conclusie dat de codering onrechtmatig is doordat het BKR niet heeft aangetoond dat zij ten aanzien van de plaatsing van de codering bij de kredietregistraties van de consument in het CKI heeft voldaan aan de op haar rustende transparantie- en informatieplicht.
Kunt u nagaan wat het BKR bedoelt met de verklaring dat code 9 al lang in hun reglement staat en wat de implicaties hiervan zijn voor consumenten die te maken hebben met registraties onder deze code, terwijl deze code niet wordt genoemd in het algemeen reglement van het BKR, dat toegankelijk is voor consumenten, waardoor zij geen inzicht hebben in de betekenis en het gebruik van code 9?
Het BKR gebruikt de code 9 wanneer een consument bezwaar heeft gemaakt tegen een registratie en dus de verwerking van de betreffende persoonsgegevens tijdelijk is beperkt. Navraag bij het BKR leert dat in artikel 30 van het algemeen reglement de bezwaaroptie van de consument is opgenomen waarmee de situatie waarin deze code toegepast wordt, te weten de afhandeling van een bezwaar, al langere tijd is opgenomen in het algemeen reglement. Er is daarbij echter niet specifiek opgenomen dat in een dergelijke situatie de code «9» wordt gebruikt. Het BKR geeft aan dat hiervoor is gekozen omdat dit van een dusdanig technisch niveau is, dat zij het niet passend acht om dit op te nemen in het algemeen reglement omwille van de begrijpelijkheid en toegankelijkheid. In de actuele versie van het algemeen reglement is wel, in artikel 30 lid 5, toegelicht dat gedurende afhandeling van een bezwaar de gegevens tijdelijk niet meer zichtbaar zijn en in plaats daarvan «de onvolledigheid wordt gemarkeerd». Hiermee wordt gedoeld op het gebruik van code 9.
Het BKR wijst er verder op dat consumenten bij het gebruik maken van het recht op inzage, wanneer gegevens zijn gemarkeerd met code 9, wel een toelichting ontvangen over het gebruik van deze code; er wordt dan verklaard dat de registratie tijdelijk onvolledig is vanwege gevraagde beperking van de verwerking. Tevens is de informatie over de code 9 ook te raadplegen op de website van het BKR.
Kunt u nagaan of het klopt dat code 9 pas na de uitzending van Radar op de website van het BKR is geplaatst en wat betekent dit volgens u voor de transparantie en proactieve informatievoorziening van het BKR aan consumenten en andere betrokkenen?
Uit contact met het BKR is naar voren gekomen dat de code 9 al langere tijd bestaat, maar dat het BKR hier recent extra informatie over heeft opgenomen op haar website vanwege de toegenomen publiciteit hieromtrent. Het BKR geeft hierbij als toelichting dat de code voorheen niet op de website stond omdat het een statusmelding betreft die op basis van verplichtingen vanuit de AVG wordt toegepast. Dit in tegenstelling tot de overige codes, die dienen om informatie te geven over het verloop van een geregistreerd krediet.
Klopt het volgens u dat zakelijke klanten van het BKR de mogelijkheid hebben om een code 9 te plaatsen in de BKR-database indien zij het niet eens zijn met een uitspraak van een rechter of een ander juridisch conflict hebben met een consument, en wat zijn daarvoor de voorwaarden, regels en procedures?
Van BKR heb ik vernomen dat kredietverstrekkers deze markering inderdaad kunnen toepassen om een tijdelijke beperking van de verwerking aan te geven, zolang als zij nog geen zekerheid hebben over de juistheid van de persoonsgegevens. Dit is ook opgenomen in artikel 30 lid 5 van het algemeen reglement van het BKR. De code wordt dus toegepast zolang er geen overeenstemming is met een consument over een ingediend bezwaar, en wordt niet langer gebruikt wanneer dit conflict is beslecht.
Wat vindt u van het onderzoek naar de dubieuze website vergelijkbaar met de website van juridisch dienstverlener Dynamiet Nederland, die terug te leiden was naar het PR-bureau van het BKR, en wat is daarvan volgens u het gevolg voor de integriteit en betrouwbaarheid van het BKR?
Ik heb met verbazing kennis genomen van de berichtgeving rondom de gang van zaken bij het PR-bureau LVB Networks. Door anoniem een website met een gelijkluidende naam als de juridisch dienstverlener Dynamiet Nederland op te tuigen hebben de betreffende medewerkers van LVB Networks op een kwalijke wijze gehandeld. De betreffende medewerkers van LVB Networks hebben wel destijds publiekelijk aangegeven dat zij op eigen initiatief en persoonlijke titel handelden.
Ik stel vast dat deze kwestie BKR in een negatief daglicht heeft geplaatst.
Wat vindt u ervan dat er eerdere veroordelingen zijn geweest waarbij het BKR codes moest verwijderen, maar nu voor het eerst code 9 heeft geregistreerd toen sprake was van een beklag?2
Ik heb van BKR begrepen dat er geen sprake is van gebruik van code 9 na een definitieve uitspraak om gegevens te verwijderen, maar dat dit slechts wordt toegepast gedurende de gerechtelijke procedures waarin de juistheid van de registratie ter discussie staat. Het BKR stelt dat het onjuist is dat de code 9 nu voor het eerst werd gebruikt omdat deze al vaker werd toegepast wanneer er procedures liepen over een verzoek tot verwijderen van een registratie.
Ik vind het primair van belang dat het BKR en de kredietverstrekkers de voorschriften uit de AVG correct naleven, net als overigens het geval is voor alle andere partijen die persoonsgegevens verwerken. Het is aan de AP om hierop toe te zien. Mocht een consument van mening zijn dat het BKR de voorschriften vanuit de AVG overtreedt dan kan daarover een klacht worden ingediend bij de AP. Tevens is het mogelijk om een gerechtelijke procedure te starten.
Bent u voornemens om eventuele maatregelen te treffen om de consumentenbescherming, transparantie en integriteit bij het BKR te waarborgen?
Een belangrijk doel van het wetsvoorstel omtrent kredietregistratie dat ik in voorbereiding heb, is het scheppen van wettelijke waarborgen en vergroten van de transparantie rondom het registreren van krediet. Dit wetsvoorstel is nu in consultatie.
Is het volgens u gerechtvaardigd dat een belangrijke wettelijke taak om kredieten te registreren om te voorkomen dat mensen in de schulden raken, waarbij gegevens van 12 miljoen mensen worden verwerkt, door private partijen wordt uitgevoerd, zonder dat het BKR wordt gecontroleerd door de overheid of financiële toezichthouders?
Naar mijn oordeel is het inderdaad wenselijk dat de overheid een grotere rol speelt bij het stelsel van kredietregistratie, gelet op de belangrijke maatschappelijke rol hiervan bij het tegengaan van problematische schulden. Het wetsvoorstel dient om dit te bewerkstellingen.
Wat vindt u van het pleidooi van de heren Visser en Thakoerdien dat er een onafhankelijke toezichthouder moet komen die controleert of consumenten redelijke registraties krijgen van kredietverstrekkers en het BKR?
Momenteel heeft de AP al de wettelijke taak om toezicht te houden op de verwerking van persoonsgegevens, dat geldt ook ten aanzien van gegevensverwerking door het BKR en de kredietverstrekkers. Het ligt niet voor de hand om de AP ook toezicht te laten houden op het overige handelen van BKR of de redelijkheid van registraties, gezien dit niet passend is bij de bestaande taakstelling en verantwoordelijkheden van de AP ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens.
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft reeds de mogelijkheid om op te treden tegenover kredietverstrekkers wat betreft hun verplichting om deel te nemen aan het stelsel van kredietregistratie op grond van artikel 4:32 Wet financieel toezicht (Wft) en de verplichting om het stelsel te raadplegen op grond van artikel 114 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft. Ik zie geen rol voor de AFM – of een andere toezichthouder – wat betreft de wijze waarop de kredietinstellingen de informatie uit het register van BKR wegen. De kredietverstrekkers hebben namelijk op basis van contractvrijheid de ruimte om hun eigen afweging te maken of zij al dan niet een krediet willen verlenen aan een consument.
Het creëren van additionele waarborgen rondom kredietregistraties is het primaire doel van het wetsvoorstel dat nu in consultatie is. Hiermee krijgt de overheid tevens meer zeggenschap over de beheerder van de kredietregistratie en de gegevens die deze registreert.
Wat vindt u van het pleidooi van de heren Visser en Thakoerdien dat een toezichthouder nodig is die zowel adequaat kan ingrijpen op het handelen van het BKR, maar ook klanten van het BKR op de vingers moet kunnen tikken?
Zie antwoord vraag 19.
Ziet u hier een taak weggelegd voor de Autoriteit Persoonsgegevens?
Zie antwoord vraag 19.
Kunt u aangeven wie in de Toezichtsraad van het BKR zit en bent u na het bekijken van de uitzending van Radar van mening dat zij hun maatschappelijke toezichtrol adequaat uitoefenen?
De leden van de Raad van Commissarissen van het BKR zijn prof. dr. S.C.W. Eijffinger (vz), drs. J.W.A. Andriessen RA (vice-vz), mw. mr. M.A. Halverhout (lid) en E.H. Ubels MBA (lid).
Het beleid van de onderneming is primair aan het bestuur. De raad van commissarissen heeft de taak om toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken. Ik acht het van belang dat de Raad van Commissarissen hierbij rekening houdt met de maatschappelijke functie van stichting BKR.
Vindt u dat voor een onafhankelijke controle op het BKR de Minister van Financiën invloed zou moeten kunnen hebben op wie zitting hebben in de Raad van Toezicht van het BKR, omdat zij de handelwijze van de directie die een overheidstaak uitvoert, vanuit een sterk maatschappelijk perspectief moeten kunnen controleren?
In het wetsvoorstel waarover ik momenteel consulteer wordt het beheer van het stelsel van kredietregistratie een wettelijke taak. Het is mogelijk om voorschriften te verbinden aan de aanwijzing van de uitvoerder van de wettelijke taak, bijvoorbeeld ten aanzien van de benoeming van het bestuur van BKR. Ik zal hierbij bezien of het nodig is om ook voorwaarden te stellen aan de samenstelling van de Raad van Commissarissen.
Bent u reeds in gesprek gegaan met Stichting Onterechte BKR-Registraties, en zo niet, zou u dit dan op korte termijn willen doen?
Op 13 april jl. heeft een overleg plaatsgevonden tussen dhr. Takoerdien en dhr. Visser namens Stichting Onterechte BKR-Registraties en enkele ambtenaren van mijn ministerie die betrokken zijn bij het opstellen van het wetsvoorstel omtrent kredietregistratie.
Bent u bereid de door hen aangekaarte problematiek te betrekken bij de vormgeving van de nieuwe wetgeving inzake het BKR?
Zoals genoemd in de beantwoording van meerdere vragen ziet het wetsvoorstel onder andere op veel van de onderwerpen waar de Stichting Onterechte BKR-Registraties aandacht voor vraagt. De openbare consultatie over het wetsvoorstel loopt momenteel, zodat alle belanghebbenden hun zienswijze op het voorstel kenbaar kunnen maken.
Het feit dat Brabant een broeinest is voor criminelen. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het Brabantse buitengebied steeds vaker een paradijs voor criminelen is en dat drugsrunners, drugslabs en martelcontainers welig tieren?1
Ik ben bekend met het Algemeen Dagblad artikel «Waarom Brabant broeinest is voor criminelen: «Gaat niet om geografische ligging»» van 16 april 2023.
Bent u bekend met het feit dat de aanpak van ondermijnende criminaliteit vooral gericht is op de steden, dat de overheid in het buitengebied minder actief en zichtbaar is en dat in kleinere gemeenten er gewoonweg veel minder personele capaciteit beschikbaar is voor opsporing, handhaving en preventie?
De negatieve effecten van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit zijn overal voelbaar in ons land, zowel in de steden als in het buitengebied. De aanpak van de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit richt zich op het bestrijden en oprollen van drugscriminelen waar zij actief zijn, waarbij de beschikbare middelen evenwichtig verdeeld worden. Er wordt hierbij rekening gehouden met de urgentie en waar de grootste winst te behalen is. Voorbeelden hiervan zijn de middelen voor de regionale versterking.
In het buitengebied is vaak sprake van kleinere overheidsorganen met minder capaciteit/specialistische kennis per vierkante kilometer en/of inwoner.
Om deze problematiek het hoofd te bieden is een nauwe samenwerking, kennis en informatiedeling tussen overheidspartners noodzakelijk. Ook de bewoners en ondernemers(organisaties) in de gebieden spelen een belangrijke rol in het voorkomen van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Onder andere door de meldingsbereidheid van inwoners te vergroten, kan de aanpak worden ondersteund. Zo financier ik in de vorm van een pilot de aanstelling van een vertrouwenspersoon veilig buitengebied bij het Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO). Boeren kunnen in vertrouwen vragen stellen en advies of hulp vragen. In de lokale media is hier veel aandacht voor, waardoor onderwerpen die de vertrouwenspersoon aandraagt vaak opvolging krijgen. De pilot heeft verlenging van financiering gekregen tot maart 2026 wegens succesvolle opbrengsten. In het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 is mede daarom toegezegd bij twee andere brancheorganisaties een vertrouwens- persoon aan te stellen. Hierover worden nu ook gesprekken gevoerd met brancheorganisaties uit de agrarische sector. Daarnaast wordt ook in 2023 het instrument Veilig buitengebied voor gemeenten vergoed.
Ook binnen het samenwerkingsverband van de Regionale Informatie- en Expertise Centra (RIEC’s) en onder het RIEC-convenant worden vanuit de regionale versterkingsgelden diverse initiatieven ontplooid. Het RIEC Midden-Nederland en het RIEC Oost-Nederland kennen bijvoorbeeld al districtelijk programma- coördinatoren Ondermijning. Samen met de gemeenten in een district wordt daarbij onder ander gewerkt aan een «basis op orde via een lokale norm voor de aanpak ondermijning». Daarnaast is het buitengebied als bestuurlijk focusthema aangewezen door het RIEC Noord-Nederland en investeren ook RIEC Limburg, RIEC Den Haag, RIEC Oost-Nederland en de Taskforce RIEC Brabant-Zeeland in het vergroten van «awareness» en het organiseren van toezicht en handhaving in het buitengebied vanuit het doel om te komen tot een «weerbare samenleving».
Binnen de Taskforce RIEC Brabant-Zeeland is een «expert kwetsbare wijk» aangesteld die zich inzet voor het versterken van bewustwording bij bewoners in kwetsbare wijken en het buitengebied. Het verhogen van de meldingsbereidheid en het smeden van weerbaarheidscoalities maakt daar onderdeel van uit. Ook binnen het focusthema «logistieke knooppunten en transport» zijn er bij de Taskforce RIEC Brabant-Zeeland lopende initiatieven die zich richten op het «achterland», zoals bedrijventerreinen, het buitengebied en loodsen. In bredere zin investeert de Taskforce RIEC Brabant-Zeeland een flink deel van het budget in het versterken van de capaciteit van de partners binnen het samenwerkingsverband, waaronder dat van de politie.
Als het gaat om opsporing en handhaving dan hebben we inderdaad te maken met schaarste. Als Minister ben ik conform de Politiewet 2012 verantwoordelijk voor de verdeling van sterkte over de regionale eenheden. Dit gebeurt na overleg in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie. De wijze waarop (eventuele) nieuwe sterkte wordt verdeeld (de sterkteverdelingssystematiek) wordt op dit moment vernieuwd, waarbij aandacht is voor de werklast van de regionale eenheden, en ook voor de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de politie. Verdeling binnen de regionale eenheid is de verantwoordelijkheid van de burgemeesters, de hoofdofficier van justitie en de politie. Uit de gesprekken die ik voer – zowel in het landelijk overleg als in de regio en recent nog in West Brabant – blijkt hierbij ook nadrukkelijk aandacht voor de verdeling tussen stad en platteland binnen een eenheid.
Heeft u de bereidheid om een speciaal team Brabantcops tegen drugsrunners, drugslabs en martelcontainers in het leven te roepen, dat zichtbaar wordt in het buitengebied, leegstaande loodsen en schuren controleert en contact legt met bewoners om de nu lage meldingsbereidheid te vergroten? Zo ja, hoe gaat u één en ander, ook financieel, handen en voeten geven? Graag een gedetailleerd antwoord.
Het huidige kabinet, zoals bij uw Kamer bekend2, heeft miljoenen uitgetrokken voor de bestrijding van georganiseerde, ondermijnende drugscriminaliteit. Een substantieel deel van de ondermijningsmiddelen gaat naar politiecapaciteit voor Brabant. Het is vervolgens aan het lokaal gezag, de burgemeesters en officieren van justitie, om te bepalen hoe de (additionele) capaciteit wordt ingezet. De Brabantse gezagen kunnen ervoor kiezen de politiecapaciteit in te zetten voor de bestrijding van drugsrunners, drugslabs en martelcontainers, voor de controle van leegstaande loodsen en schuren en om contact te leggen met bewoners om de nu lage meldingsbereidheid te vergroten.
Verder wil ik u graag verwijzen naar de beantwoording van vraag 2, waar ik inga op de belangrijke rol die de RIECs spelen bij de bestrijding van ondermijnende drugscriminaliteit.
De beantwoording van het CBS op vragen van het lid Van Haga over de doodsoorzakenregistratie ten behoeve van het onderzoek naar de oversterfte |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de beantwoording van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op de vragen van het lid Van Haga (Groep Van Haga) met betrekking tot de doodsoorzakenregistratie, naar aanleiding van het gesprek «Adviezen en factsheets inzake het gebruik van data voor onderzoek naar de oorzaken van oversterfte»?1, 2
Ja.
Kunt u aangeven waarom het CBS in deze beantwoording doet voorkomen alsof het CBS niet zelf de partij is die de onderliggende doodsoorzaak bepaalt op basis van de op de overlijdensformulieren genoemde diagnoses? Is het niet zo dat het CBS een International Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD)-codering uitvoert van de medisch-diagnostische informatie, die op de doodsoorzaakformulieren staat vermeld en dat het CBS eindverantwoordelijk is voor het vaststellen van de onderliggende doodsoorzaak conform Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)-richtlijnen?
De WHO heeft aan het begin van de uitbraak van de coronapandemie richtlijnen opgesteld, die voorschrijven op welke wijze doodsoorzaakverklaringen waarop door een arts melding is gemaakt van COVID-19, gecodeerd moeten worden. Indien een arts heeft aangegeven dat COVID-19 onderdeel is geweest van de causale keten van gebeurtenissen die hebben geleid tot het overlijden van een persoon, dan geldt dat COVID-19 de onderliggende doodsoorzaak is. In deze gevallen registreert het CBS COVID-19 dan ook als onderliggende doodsoorzaak. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een overlijden op basis van vastgestelde COVID-19 en vermoedelijke COVID-19. In deze gevallen schrijven de WHO-richtlijnen dus voor dat COVID-19 de onderliggende doodsoorzaak is wanneer een arts COVID-19 heeft vermeld in het causale deel van de doodsoorzaakverklaring. Een vergelijkbare werkwijze wordt gehanteerd in het geval van een overlijden aan griep. In gevallen waar geen melding van COVID-19 op de doodsoorzaakverklaring is gemaakt, wordt de onderliggende doodsoorzaak door IRIS-software afgeleid. Doodsoorzaakverklaringen die niet door de IRIS-software verwerkt kunnen worden, worden handmatig gecodeerd volgens de «International Classification of Diseases and Related Health Problems» (ICD-10).
Waarom doet het CBS het voorkomen dat alle doodsoorzakenverklaringen met een vermelding van COVID-19 tot eind 2022 handmatig zijn geanalyseerd en verwerkt? Betekent dit dus dat daadwerkelijk alle doodsoorzakenverklaringen door een of meerdere personen zijn gecontroleerd? Door wie is dit gebeurd, volgens welke methodiek en op basis van welke bevoegdheid en expertise? Kunt u de «zorgvuldige en correcte» werkwijze waarop dit is gebeurd toelichten en de documentatie daarvan overhandigen? Kunt u bevestigen dat de IRIS-software niet is toegepast bij het vaststellen van de onderliggende doodsoorzaak en zo ja, hoe is die onderliggende doodsoorzaak dan vastgesteld?
De doodsoorzaakverklaringen met een vermelding van COVID-19 zijn allemaal handmatig geanalyseerd en gecontroleerd. Het handmatig coderen en controleren van doodsoorzaakverklaringen wordt uitgevoerd door speciaal opgeleide medische codeurs en onder toezicht van een medisch ambtenaar, conform de Wet op de lijkbezorging. In het geval COVID-19 door artsen in de causale keten van gebeurtenissen is vermeld op de doodsoorzaakverklaring, schrijft de WHO voor dat COVID-19 als onderliggende doodsoorzaak moet worden geregistreerd. Deze werkwijze wordt op zorgvuldige wijze door de medisch codeurs gevolgd. In 2023 wordt ingezet op het maken van een overstap van handmatige naar automatische verwerking door de IRIS-software. Hiertoe wordt eerst onderzocht hoe nauwkeurig de IRIS-software de handmatig gecodeerde doodsoorzaakverklaringen codeert en welke verbeteringen noodzakelijk zijn alvorens de overstap te maken.
Indien alle doodsoorzakenverklaringen inderdaad handmatig zijn gecontroleerd en verwerkt, kunt u dan uitleggen wat de rol is van de (internationale) software die is gebruikt voor het genereren van de doodsoorzakendata en ingaan op de initiële vraag van het lid Van Haga over wat de COVID-bias is van deze software? Kunt u inzichtelijk maken op welke manier deze software doodsoorzaken bepaalt, welke criteria hiervoor gehanteerd worden, op basis van welke diagnostische richtlijnen?
Voor een groot gedeelte van de doodsoorzaakverklaringen die het CBS ontvangt vindt de codering van de medische termen op de verklaringen automatisch plaats. De medische termen die op het doodsoorzaakformulier door de arts zijn vermeld, worden door het internationale softwareprogramma Iris vertaald naar de bijbehorende ICD-10 codes. Op basis van beslistabellen die gebouwd zijn volgens de codeerregels van de WHO wordt vervolgens de onderliggende doodsoorzaak afgeleid door de Iris-software. Niet alle doodsoorzaakverklaringen kunnen door de Iris-software automatisch gecodeerd worden. In die gevallen worden de verklaringen handmatig gecodeerd.
Na het begin van de COVID-pandemie heeft de WHO twee emergency codes gebruikt om COVID-19 te coderen. De Iris software is echter niet direct gebruikt om in het geval van COVID-19 automatisch de onderliggende doodsoorzaak af te leiden, omdat bij de introductie van een nieuwe code eerst uitgebreid gecontroleerd en getest moet worden of de automatische codering adequaat werkt. Voor alle doodsoorzaakverklaringen waarop COVID-19 door artsen in de causale keten is vermeld, werd de codering van de termen daarom handmatig door het CBS uitgevoerd. Voor andere doodsoorzaken wordt sinds 2013 een aanzienlijk aandeel wel automatisch gecodeerd.
Klopt het dat de data die de software genereert middels steekproeven wordt gecontroleerd door het CBS? Zo ja, hoe rijmt u dat dan met het antwoord van het CBS dat alle doodsoorzakenverklaringen handmatig zijn verwerkt? Heeft er nu wel of geen geautomatiseerd proces plaatsgevonden waarbij data in ieder geval deels zonder controle is opgenomen in de doodsoorzakenstatistieken? Zo ja, kunt u dan ook de methodiek achter die steekproeven toelichten?
Alle doodsoorzaakverklaringen waarop door een arts melding is gemaakt van COVID-19 in de causale keten van gebeurtenissen zijn door het CBS handmatig gecodeerd en gecontroleerd. In deze gevallen is het nemen van steekproeven dan ook niet aan de orde.
Kunt u toelichten hoe de categorisering (ICD-10) van doodsoorzaken in de registratie door het CBS tot stand komt? Is het niet zo dat artsen nooit een doodsoorzaak, maar slechts de factoren die mee (kunnen) hebben gespeeld bij het overlijden van een persoon aangeven? Zo ja, hoe zijn de overleden personen dan gecategoriseerd door (de software van) het CBS en op basis van welke afwegingen en criteria hebben zij een doodsoorzakenclassificatie gekregen?
Artsen wordt opgedragen om op de doodsoorzaakverklaringen de ziekten en of aandoeningen te vermelden die geleid hebben tot de doodsoorzaak of hieraan hebben bijgedragen. Voor al deze medische termen bestaan ICD-10 codes. Na koppeling van de medische termen aan de ICD-10 codes wordt de onderliggende doodsoorzaak bepaald op basis van de beslistabellen in de Iris-software. In die gevallen waarin doodsoorzakenverklaringen niet automatisch gecodeerd kunnen worden door de Iris-software, vindt handmatige codering plaats. Doodsoorzaakverklaringen met vermelding van COVID-19 in de causale keten van gebeurtenissen zijn standaard handmatig gecodeerd.
Hoe kan het dat het CBS ervan uitgaat dat een aanzienlijke over- of onderrapportage van COVID-19 overlijdens onwaarschijnlijk is, als onder andere recente internationale berichtgeving aannemelijk maakt dat er wel degelijk sprake is van discrepanties tussen de registraties en de werkelijke gevallen van COVID-19 en daardoor veroorzaakte overlijdens en men bovendien weet dat positieve uitslagen van PCR-testen voor het coronavirus weinig zeggen over of iemand daadwerkelijk op dat moment een actieve COVID-19-infectie had/heeft, die geleid kan hebben tot overlijden?3
Ik vertrouw op de deskundigheid en professionaliteit van artsen bij het vaststellen van de diagnose van de ziekten en/of aandoeningen waaraan een persoon is overleden. In het geval van COVID-19 heeft het CBS geen aanwijzingen dat artsen te weinig of juist te vaak de diagnose COVID-19 hebben vastgesteld. Artsen hebben de mogelijkheid om naast een vastgestelde COVID-19 infectie ook melding te maken van een vermoedelijke of waarschijnlijke COVID-19 infectie op een doodsoorzaakverklaring op basis van klinisch-epidemiologische kenmerken van een overleden persoon. Vermoedelijke of waarschijnlijke COVID-19 als doodsoorzaak kwam op beperkte schaal voor in de eerste sterftegolf begin 2020. Van maart 2020 tot december 2022 zijn er 44948 personen overleden aan vastgestelde COVID-19. Bij 3060 gevallen was er sprake van vermoedelijke COVID-19, 2286 hiervan werden gemeld in de periode van maart tot en met juni 2020. Daarna melden artsen vrijwel uitsluitend vastgestelde COVID-19 als doodsoorzaak, wat de betrouwbaarheid van de cijfers over COVID-19 sterfte verhoogde.
Hoe kan worden geweten of een «sterk vermoeden» van COVID-19 als doodoorzaak op basis van de door de WHO opgestelde richtlijnen niet onderhevig is (geweest) aan COVID-bias, aangezien tijdens de coronapandemie veel reguliere diagnostische protocollen zijn losgelaten en de test- en besmettingscijfers onderhevig waren aan veel onzekerheden, discrepanties, aannames en gemankeerde registraties en de diagnostische criteria voor COVID-19 bovendien in ontwikkeling en aan regelmatige verandering onderhevig waren?
Artsen hebben de mogelijkheid om naast een vastgestelde COVID-19 infectie ook melding te maken van een vermoedelijke of waarschijnlijke COVID-19 infectie op een doodsoorzaakverklaring op basis van klinisch-epidemiologische kenmerken van een overleden persoon. Vermoedelijke of waarschijnlijke COVID-19 als doodsoorzaak kwam op beperkte schaal in de eerste sterftegolf voor begin 2020. Daarna melden artsen vrijwel uitsluitend vastgestelde COVID-19 als doodsoorzaak, hetgeen mogelijk samenhangt met het uitrollen van de diagnostische criteria voor het vaststellen van COVID-19 en betere testmogelijkheden. De impact van eventuele COVID-bias in die gevallen waar sprake was van een «sterk vermoeden» van COVID-19 is daarom naar verwachting beperkt.
Bent u bereid de directeur-generaal van het CBS, die de vragen van het lid Van Haga namens het CBS heeft beantwoord, in gezelschap van een CBS-statisticus die betrokken is bij de doodsoorzakenregistratie tijdens de coronacrisis, met kennis van de gebruikte software en methodiek rondom de doodsoorzakenclassificatie, uit te nodigen voor de technische briefing Ontwikkelingen rondom het coronavirus van dinsdag 9 mei 2023, voor nadere toelichting en eventuele aanvullende vragen?
Het is goed gebruik dat de Kamer genodigden voor een technische briefing zelf uitnodigt.
Kunt u deze vragen uiterlijk een week voor bovengenoemde technische briefing beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
Overlast en criminaliteit op het AZC in Gilze |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Criminelen in apart azc-gebouw, met drugs, knuppel en messen»?1
Ja.
Bent u bekend met de overlast in het asielzoekerscentrum (azc) in Gilze? Zo ja, hoe typeert u deze overlast en wat is uw oordeel hierover?
De afgelopen periode hebben zich verschillende overlastgevende incidenten op en rondom de opvanglocatie voorgedaan. Echter, het beeld dat er sprake is van ernstige, structurele overlast, wordt door de gemeente Gilze en Rijen en het COA niet herkend. Diverse deelnemers hebben dit tijdens een recent omwonendenoverleg bevestigd. Zij menen dat door de verschillende betrokken partijen de juiste maatregelen worden genomen.
Is de overlast bij het azc in Gilze de afgelopen tijd toegenomen? Zo ja, hoe komt dit?
In de afgelopen periode is een daling te zien van het aantal overlast gerelateerde incidenten bij het azc in Gilze. Dit is onder meer een gevolg van de versterkte samenwerking tussen het COA, de gemeente Gilze en Rijen, de politie en de organisaties binnen de asielketen. Zo zijn er afspraken gemaakt die de behandeling van de asielaanvraag van specifieke bewoners op het azc bespoedigen. Dit draagt bij aan het verminderen van het aantal potentiële overlastgevers op de locatie.
Daarnaast draagt de inzet van extra beveiligers bij aan de daling van overlast. In de afgelopen weken zijn slechts sporadisch meldingen geweest van het verblijf van bezoekers op de locatie zonder toestemming of de (mogelijke) diefstal van goederen.
Welke maatregelen worden er genomen om de veiligheid van de azc-bewoners en de omwonenden in Gilze te garanderen en de overlast te beperken?
Ten eerste werken de partijen in de vreemdelingenketen hard om overlastgevers snel uit het opvangstelsel te halen en bij afwijzing terug te sturen naar land van herkomst of de verantwoordelijke Dublinlidstaat. Daarnaast wordt hard opgetreden tegen asielzoekers die misdrijven begaan. Het Openbaar Ministerie zet bij asielzoekers die een misdrijf hebben gepleegd, bij voorkeur in op een strafbeschikking in plaats van een dagvaarding, en waar mogelijk wordt supersnelrechtzitting toegepast.
Heeft u signalen ontvangen dat het azc-personeel niet meer veilig haar werk kan doen door de bedreigende situatie? Wat wordt er gedaan om ervoor te zorgen dat werknemers van het azc wel veilig hun werk kunnen verrichten?
Medewerkers van de locatie geven aan veilig hun werk te kunnen verrichten en zich ook veilig te voelen. Vanwege het belang van dit onderwerp is veiligheid een vast onderwerp van gesprek op de locatie. Zo zijn bij de dagelijkse overdracht en binnen de teamoverleggen de veiligheid op de locatie, en het bij medewerkers aanwezige gevoel van veiligheid, belangrijk gespreksonderwerpen.
In het artikel wordt vermeld dat azc-medewerkers niet voldoende gemachtigd zijn om messen weg te halen. Kunt u dit toelichten? Is het mogelijk om hier in geval van overlast beperkingen aan te stellen? Kan de politie hier eventueel een rol in spelen?
Medewerkers op een locatie hebben de mogelijkheid om messen die bestemd zijn voor huishoudelijk gebruik weg te halen. Dit geldt ook voor messen die vallen onder de Wet Wapens en Munitie. Als medewerkers messen aantreffen die vallen onder de Wet Wapens en Munitie, wordt de politie ingeschakeld die dergelijke messen vervolgens in beslag kan nemen.
Welke strafmaatregelen zijn opgelegd nadat drugs en gestolen telefoons waren gevonden? Is het mogelijk in de toekomst zwaardere strafmaatregelen op te leggen?
Er is gebleken dat de diefstal niet door bewoners is gepleegd maar door bezoekers van de locatie. Deze bezoekers verbleven zonder toestemming op de locatie.
Welke maatregelen worden er genomen om te voorkomen dat illegalen in het azc verblijven en/of terugkeren nadat zij naar buiten zijn gezet? Zijn de azc-bewoners bestraft voor het verlenen van onderdak aan illegalen? Zijn er maatregelen genomen om te zorgen dat deze illegalen terugkeren naar hun land van herkomst?
Het COA, de politie en de beveiliging hebben onderlinge afspraken gemaakt om te voorkomen dat, en op te treden wanneer, er bezoekers zonder toestemming op de locatie aanwezig zijn. In het geval een bezoeker zonder toestemming wordt aangetroffen schakelen medewerkers op de locatie de politie in en wordt er een locatieverbod uitgereikt. De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel van de politie zal waar mogelijk een vertrekmaatregel toepassen en indien van toepassing een inbewaringstelling overwegen.
In het geval bekend is welke bewoner(s) een rol heeft gehad bij de aanwezigheid van een bezoeker die hier geen toestemming toe had, krijgt deze bewoner een maatregel opgelegd in het kader van het Reglement onthouding verstrekkingen. Dat betekent dat bijvoorbeeld leefgeld kan worden ingehouden.
Waarom worden de desbetreffende overlastgevende en criminele asielzoekers niet meteen overgeplaatst naar de Handhaving- en toezichtlocatie (htl)?
Overplaatsing naar de handhaving- en toezichtlocatie (htl) in Hoogeveen betreft een maatregel die wordt toegepast als sprake is van één of meer gedragingen met een (zeer) grote impact op de veiligheid op de locatie. Deze maatregel wordt eerst toegepast als andere handhavingsmaatregelen geen of onvoldoende effect hebben en het vergt een op het individuele geval toegespitste motivering. Een htl plaatsing betreft een zware maatregel omdat de asielzoeker tijdelijk in zijn vrijheid wordt beperkt. Daarnaast zijn er omstandigheden waardoor een asielzoeker niet in aanmerking komt voor plaatsing in de htl, zoals acute psychiatrie of andere complexe zorg.
Wat gaat u doen om de omwonenden in de toekomst beter over overlast en criminaliteit op het azc in Gilze te informeren?
Binnen de locatie is ruim aandacht voor de communicatie naar buiten toe, en voor het goed informeren van omwonenden. Zo zijn er periodieke overleggen met omwonenden. Onlangs is er vanwege recente gebeurtenissen op de locatie een extra overleg gevoerd, waarbij de gemeente, de politie en het COA in gesprek zijn gegaan met omwonenden. In dit overleg is ook het vertrouwen in elkaar uitgesproken. De wijkagenten hebben laagdrempelig contact met de lokale ondernemers en inwoners van Gilze. Vorige week zijn de media uitgenodigd om de locatie te bezichtigen. Doel hiervan was om de media een inkijk te bieden in al wat op de locatie in Gilze plaatsvindt. Tijdens dit werkbezoek werd ook aandacht besteed aan diverse onderwerpen die deel uitmaken van de dagelijkse opvangpraktijk, waaronder de verschillende activiteiten die plaatsvinden op het gebied van participatie.