Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.
Het bericht ‘Calvé en andere Unilever-merken worden Amerikaans, kans op beursnotering in NL’ |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Calvé, Cup A Soup en Hellmann’s van Unilever Amerikaans worden, met een kans op beursnotering in Nederland, op de website van de NOS van 31 maart 2026?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de keuze van McCormick om het internationale hoofdkantoor in Nederland te vestigen? Hoe reflecteert u op het nieuws dat het voedselinnovatiecentrum van Unilever in Wageningen blijft?
Voor Nederland is het goed nieuws dat is bevestigd dat het internationale hoofdkwartier (Rotterdam) en de wereldwijde R&D (Wageningen) van de voedingsdivisie in Nederland blijven. Dit toont aan dat continue aandacht voor het ondernemings- en vestigingsklimaat belangrijk maar ook lonend is. Het kabinet heeft over de ontwikkelingen bij de voedingstak met Unilever gesproken en gaat ook in gesprek met de nieuwe eigenaar.
Ziet u mogelijkheden om positieve economische spillovers van de vestiging van grote bedrijven in Nederland, zoals McCormick, te versterken? Zo ja, op welke manier?
De Nederlandse economie is mede sterk vanwege toonaangevende, hoogproductieve en innovatieve grote bedrijven, die kiezen voor groei en een duurzame toekomst in Nederland. Hoe beter deze bedrijven ingebed raken in Nederlandse ecosystemen, hoe groter de spillover effecten. De Netherlands Foreign Investment Agency en de regionale partners in het Invest in Holland netwerk voeren regelmatig gesprekken met in Nederland gevestigde grote bedrijven en verbinden deze waar mogelijk aan relevante ecosysteem partners.
Hoe probeert u precies McCormick naar de Nederlandse beurs te halen?
Het kabinet zal de kwaliteit van het Nederlandse vestigingsklimaat onder de aandacht brengen om de voedingsactiviteiten zoveel mogelijk in Nederland te versterken en te verankeren. Hierbij focussen we op voorspelbaar beleid en (fiscale) stabiliteit, omdat bedrijven investeringsbesluiten voor de lange termijn nemen. We werken aan een internationaal krachtige, innovatieve en duurzame Nederlandse agrifood-sector. Om te zorgen dat bedrijven betere toegang krijgen tot financiering werken we aan een Nationale Investeringsinstelling en in Europa aan een kapitaalmarktunie. Ook heeft Nederland een uitstekende positie met grote handelsplatformen en de grootste Europese beurs (Euronext). Nederland zet mede daarom in op een leidende rol bij de ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie, zodat bedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal en de Amsterdamse beurs nog aantrekkelijker wordt voor bedrijven.
Wat is uw bredere strategie om grote bedrijven ertoe te bewegen zich in Nederland te vestigen of te kiezen voor een notering aan de beurs in Amsterdam?
Eén van mijn grootste prioriteiten is het versterken van het ondernemings-en vestigingsklimaat. Het kabinet streeft naar een sterk en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat, waarbij bedrijven optimaal kunnen ondernemen, investeren en innoveren. Voor internationale bedrijven zijn voorspelbaar beleid, concurrerende fiscaliteit, toegang tot talent en goede fysieke randvoorwaarden zoals netaansluiting en ruimte, doorslaggevend bij de keuze waar zij zich vestigen.
Verder werkt het kabinet aan het versterken van het financieringsecosysteem over de volle breedte: van start-up en scale-up tot beursgang. Dat vraagt om voldoende beschikbaar kapitaal, actieve betrokkenheid van private en institutionele investeerders en een goed functionerende kapitaalmarkt.
Ook werkt het kabinet aan het vergroten van de internationale aantrekkingskracht van de Nederlandse en Europese kapitaalmarkt. Nederland heeft een uitstekende positie met grote handelsplatformen en de grootste Europese beurs (Euronext). Nederland pakt mede daarom een leidende rol bij de ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie, zodat bedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal en de Amsterdamse beurs nog aantrekkelijker wordt voor bedrijven.
Deze lijnen versterken elkaar: een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat trekt bedrijven aan, een goed financieringsecosysteem laat ze groeien en een krachtige kapitaalmarkt biedt ze perspectief op verdere opschaling en notering.
Daarnaast zetten we met de Netherlands Foreign Investment Agency in op het gericht aantrekken van buitenlandse bedrijven, die toegevoegde waarde hebben voor Nederland, doordat zij impact realiseren op (i) verdienvermogen, door hoogproductieve en innovatieve activiteiten te ontplooien, (ii) economische weerbaarheid, door bij te dragen aan strategische autonomie, het versterken van ecosystemen en de internationale relevantie van Nederland, (iii) maatschappelijke opgaven, bijvoorbeeld activiteiten ontplooien die ons helpen in de energietransitie of digitalisering.
Ik houd de staat van het ondernemings- en vestigingsklimaat goed in de gaten. Zo behoort Nederland tot de top-10 van de World Competitiveness Ranking van het IMD (International Institute for Management Development), waarin 69 landen worden beoordeeld op hun concurrentievermogen. Uit de Monitor Ondernemingsklimaat blijkt tegelijkertijd dat het Nederlandse ondernemingsklimaat, inclusief het vestigingsklimaat, de laatste jaren voor toenemende uitdagingen staat, zoals de onvoorspelbaarheid van beleid of regeldruk.2
Hoe kan de Kamer u helpen om ervoor te zorgen dat grote bedrijven zich vaker in Nederland vestigen of dat grote bedrijven vaker kiezen voor een notering aan de Amsterdamse beurs?
Ik stel het aanbod van de helpende hand vanuit de Kamer zeer op prijs. In aanvulling op het antwoord op vraag 5 begint het bij het versterken van het verdienvermogen van Nederland: Bedrijven – van startup tot multinational – vormen de motor van onze economie en samenleving.
De Kamer kan hieraan bijdragen door te sturen op een aantrekkelijk en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat. De keuze voor een beursnotering hangt vaak samen met de keuze voor vestiging. Dat vraagt om stabiel en consistent beleid, concurrerende fiscaliteit, voldoende aandacht voor talent en goede randvoorwaarden.
Daarnaast kan de Kamer het kabinet ondersteunen bij het versterken van de kapitaalmarkt, onder meer via de Europese kapitaalmarktunie. De beurs speelt een cruciale rol in de groei van volwassen bedrijven en trekt internationaal kapitaal aan. Grote bedrijven hebben daarbij een aanzuigende werking: zij verbeteren de toegang tot kapitaal en verlagen financieringskosten voor kleinere bedrijven. Door op deze punten gericht te sturen, draagt de Kamer bij aan zowel meer vestigingen als meer beursnoteringen in Nederland.
De voortgang van de vermindering in regeldruk voor ondernemers |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat vermindering van de regeldruk voor ondernemers heel belangrijk is voor het verbeteren van het ondernemersklimaat? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel die mening. Alhoewel de bedoeling achter regels meestal goed is – vaak ter bescherming van een gerechtvaardigd belang, zoals de bescherming van werknemers, consumenten en ons milieu – hebben ondernemers momenteel te maken met onnodige regeldruk. Dit belemmert het ondernemerschap en verslechtert het ondernemingsklimaat. Wanneer ondernemers worden geconfronteerd met complexe administratieve verplichtingen, gaat dat ten koste van de tijd om te ondernemen en soms ook ten koste van innovatie, investeringen en groei. Ondernemers moeten minder tijd en geld kwijt zijn aan administratieve verplichtingen en meer ruimte krijgen om te doen waar zij goed in zijn: ondernemen.
Vindt u het ook zorgelijk dat de productiviteit van het midden- en kleinbedrijf achterblijft en deelt u de mening dat meer ruimte voor ondernemers door een afname van de regeldruk de productiviteit kan verhogen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het ook zorgelijk dat de productiviteit van het midden- en kleinbedrijf achterblijft, omdat juist daar een belangrijk deel van ons verdienvermogen en onze brede welvaart wordt gerealiseerd. Een afname van de regeldruk kan de productiviteit van het mkb verbeteren doordat ondernemers zich dan weer kunnen richten op waar zij het verschil maken: vakmanschap, innovatie en groei. Tegelijkertijd zet het kabinet breder in op het versterken van productiviteit, onder meer via de oprichting van de Productiviteitsraad. Deze adviesraad zal het kabinet tenminste jaarlijks informeren over de ontwikkeling van de productiviteit in Nederland en concrete beleidsaanbevelingen te doen om de productiviteitsgroei, zowel binnen en buiten het mkb, te bevorderen. Ook dienen de aanbevelingen van de raad als basis voor de jaarlijks terugkerende Productiviteitsagenda van het kabinet.
Wat is uw interpretatie van het begrip «voor de zomer», in de afspraak met de Kamer om «voor de zomer» 500 ondernemersregels af te schaffen of te versoepelen?1
Dit kabinet zet de aanpak voor regeldrukvermindering voor ondernemers, die is gestart in september 2025, voort. Het is een aanpak waarbij álle ministeries die regels hebben voor ondernemers meedoen. Het doel is om voor de zomer 500 regels aan te pakken voor ondernemers om de regeldruk te verminderen. Ook wanneer het kabinet bezig is om regelgeving aan te passen of te schrappen, wordt dit opgenomen in de lijst. Regelgeving is namelijk niet zomaar aangepast. Voor het schrappen of aanpassen van regels moet hetzelfde wetgevingsproces worden doorlopen als voor het maken van regels (dat duurt vaak minimaal 1 à 2 jaar). Ik zal uw Kamer in juli 2026 informeren over de tussenstand.
Klopt het dat de vermindering van regeldruk door het wijzigen van 32 ondernemersregels het meest recente getal betreft?2 Zo niet, wat is dan het actuele aantal aangepaste of afgeschafte ondernemersregels?
Nee, het genoemde getal van 32 ondernemersregels is niet meer actueel. Inmiddels is voor 78 regels de regeldruk daadwerkelijk verminderd. Voor de kerst heeft het vorige kabinet aangekondigd aan de slag te gaan om voor 218 regels de regeldruk te verminderen. Ook dit kabinet blijft de komende maanden werken aan de doelstelling om voor de zomer 500 regels aan te pakken door ze te schrappen of te vereenvoudigen. De voortgang hiervan wordt weergegeven via de regeldrukteller op de regeldrukmonitor.3 Op 9 april is de regeldrukmonitor geactualiseerd waaruit blijkt dat dit kabinet nog eens 97 aanvullende regels aanpakt die ondernemers onnodig belasten. In totaal komt dit neer op 315 regels.
Van die 315 regels is de regeldruk voor 78 regels al verminderd. Ondernemers kunnen hier al de eerste effecten van merken. Het verschil tussen aangekondigde en gerealiseerde regels komt doordat juridische en praktische stappen tijd kosten. Ondernemers merken pas echt minder regeldruk als de wijzigingen in de praktijk zijn doorgevoerd. In de tabel hieronder staat de voortgang per ministerie. De kolom «lopend» laat zien voor hoeveel regels de wijziging al in gang is gezet. De kolom «gerealiseerd» geeft weer voor hoeveel regels de regeldrukvermindering is doorgevoerd (en waar ondernemers nu al profijt van hebben).
Lopend
Gerealiseerd
Totaal
1
1
1
1
40
5
45
30
2
32
30
39
69
33
3
36
14
1
15
3
9
12
2
2
52
13
65
11
1
12
20
5
25
237
78
315
Wat is de voortgang van het schrappen of vereenvoudigen van de andere geïnventariseerde ondernemersregels in de brief aan de Kamer van 15 december 2025?3
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Wanneer kan de Kamer een inventarisatie ontvangen van de overige 282 ondernemersregels die nog voor de zomer 2026 moeten worden vereenvoudigd of afgeschaft?
De regeldrukmonitor is op 9 april geactualiseerd. Het doel is om voor de zomer van 2026 500 regels aan te pakken om de regeldruk te verminderen. Ik zal uw Kamer in juli 2026 informeren over de tussenstand.
Gaat u de doelstelling van het aanpakken van 500 ondernemersregels voor de deadline halen?
De inzet van dit kabinet is om de Aanpak Regeldruk die door het vorige kabinet is gestart door te zetten en voor de zomer 2026 500 regels aan te pakken om de regeldruk te verminderen. Het kabinet werkt hard aan die doelstelling en er is al substantiële voortgang geboekt. Tegelijkertijd is het structureel verminderen van onnodige regeldruk niet eenvoudig. De regelgeving die we hebben, is een ingewikkeld bouwwerk geworden. Of we de 500 regels voor de zomer dit jaar precies halen weet ik niet, maar ik hecht grote waarde aan het vasthouden aan de doelstelling. Die stimuleert namelijk de noodzakelijke actie. Belangrijker nog is dat ondernemers horen, zien en ervaren dat het kabinet werkt aan vermindering van regeldruk.
Juist daarom blijft de focus voor de komende jaren zo belangrijk. Dit is geen eenmalige actie, maar een structurele opgave om regelgeving eenvoudiger en werkbaarder te maken. Ik blijf mij inzetten om knelpunten die ondernemers ervaren aan te pakken en zoveel mogelijk regels te vereenvoudigen of te schrappen, zodat ondernemers in de praktijk merken dat regeldruk afneemt en ze minder tijd kwijt zijn aan de verplichtingen.
De publicatie van de Handelsmonitor 2025 |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie van de Handelsmonitor 2025, opgesteld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) waaruit blijkt dat 45% van de Nederlandse ondernemers een (sterk) negatieve impact ervaart als gevolg van het handelsbeleid van de VS?
Ja, deze handelsmonitor wordt jaarlijks in opdracht van BZ door RVO uitgevoerd. Ondernemers ervaren in het algemeen negatieve impact door geopolitieke verschuivingen en handelsstromen, zo ook in de VS. Tegelijkertijd zijn Nederlandse ondernemers innovatief en veerkrachtig: 79% spreekt zijn vertrouwen uit in toekomstige exportgroei.
Deelt u de zorgen van deze ondernemers? Zo ja, welke concrete stappen bent u voornemens te zetten om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
De zorgen begrijp ik goed. Ik heb regelmatig contact met bedrijven en spreek hen om hun ervaringen, knelpunten en behoeften mee te nemen in ons beleid. Met de diverse bestaande handelsinstrumenten ondersteunen we de ondernemers met hun internationale activiteiten. In de VS en elders, ook bij het betreden van andere markten indien de geopolitieke situatie daarom vraagt. Met RVO en VNO-NCW zorgen we ervoor dat bedrijven beschikken over relevante informatie en worden regelmatig informatiesessies georganiseerd over diverse relevante onderwerpen. Het kabinet zet zich in om in landen zelf deuren te openen voor Nederlandse ondernemers.
Bent u bereid een lastenverlichting voor internationaal opererende Nederlandse ondernemers te onderzoeken, bijvoorbeeld in de vorm van verlaging van de vennootschapsbelasting of door het opzetten van exportgerelateerde aftrekposten, teneinde hun concurrentiepositie te versterken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet hecht een groot belang aan het ondernemingsklimaat. Het kabinet zet daarom in op stabiel beleid en stabiele belastingen voor alle ondernemers, inclusief de internationaal opererende ondernemers. Het is binnen de vennootschapsbelasting niet mogelijk om specifiek voor internationaal opererende Nederlandse ondernemers de lasten te verlichten. Het zou het gelijk speelveld verstoren met ondernemers die (nog) enkel nationaal actief zijn.
Bent u bereid exportbevorderende maatregelen te intensiveren, bijvoorbeeld door uitbreiding van het budget voor handelsmissies en RVO-subsidieregelingen gericht op markttoegang?
Het bestaande handelsinstrumentarium en het ambassadenetwerk van Nederland biedt voldoende mogelijkheden om de ondernemer te ondersteunen, maar het budget voor het handelsinstrumentarium daalt wel in reële termen door inflatie en kostenstijgingen wereldwijd. Aanvullende maatregelen zijn vooralsnog niet aan de orde en niet nodig.
In hoeverre acht u de huidige garantieregelingen van RVO, zoals de Exportkredietverzekering en Borgstelling MKB-kredieten (BMKB), toereikend voor ondernemers die als gevolg van de veranderende geopolitieke verhoudingen moeilijker toegang hebben tot financiering? Bent u bereid deze regelingen te verruimen?
De exportkredietverzekering (ekv) is geen garantiestelling aangeboden door RVO. De ekv is een instrument dat namens de Staat wordt uitgevoerd door Atradius Dutch State Business (ADSB). Met de ekv worden betalingsrisico’s verzekerd die zijn verbonden aan Nederlandse export en investeringen in het buitenland. Hierdoor wordt ook export mogelijk voor transacties waar ondernemers normaliter moeilijker toegang zouden hebben voor financiering. De ekv heeft daarvoor voldoende ruimte en is juist nu van toegevoegde waarde voor ondernemers die lastig aan financiering komen. De ekv-uitvoerder zal de mogelijkheden van de ekv actief en breder onder de aandacht van het Nederlandse bedrijfsleven brengen. De BMKB wordt wel door RVO uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Zoals aangekondigd in het pakket met maatregelen voor de stijgende energiekosten wordt de BMKB-regeling tijdelijk verruimd, om ondernemers tegemoet te komen.1
Bent u bereid te onderzoeken of de innovatieboxregeling en de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) uitgebreid kunnen worden voor bedrijven die actief investeren in het diversifiëren van hun afzetmarkten? Zo nee, waarom niet?
De WBSO2 is gericht op het bevorderen van R&D-uitgaven in Nederland, door een afgebakend deel hiervan – speur- en ontwikkelingswerk – fiscaal te stimuleren. Bedrijven kunnen een percentage van de loon- en andere kosten die ze maken voor speur- en ontwikkelingswerk in mindering brengen op de loonheffing die ze verschuldigd zijn in Nederland. De regeling focust dus specifiek op het aantrekkelijk houden van het verrichten van R&D-werkzaamheden in Nederland. Zodra de producten, processen of programmatuur in kwestie op de markt gebracht kunnen worden, is de WBSO ook niet meer van toepassing. Een link met de afzetmarkt van gebruikers is er dus niet binnen de regeling. Een dergelijke aanpassing is daarom niet voor de hand liggend en past niet bij de doelstelling van de WBSO, waardoor dit niet verkend zal worden.
De innovatiebox heeft een hieraan gerelateerde doelstelling. Deze regeling biedt innovatieve bedrijven een korting op hun vennootschapsbelasting om het vestigingsklimaat van Nederland voor deze bedrijven aantrekkelijk te houden. Om aanspraak te maken op de innovatiebox is een verklaring vanuit de WBSO en/of een octrooi nodig. De combinatie van de twee regelingen doelt er dus op om innovatieve activiteiten, banen, infrastructuur en de bijbehorende opbrengsten in Nederland te stimuleren en te houden. Een aanpassing om buitenlandse handel te diversifiëren is ook in dit geval dus niet voor de hand liggend en passend binnen de doelstelling, waardoor ook dit niet verkend zal worden.
Bent u bereid te onderzoeken of een aanvullende fiscale aftrek mogelijk is voor mkb-bedrijven die kosten maken voor het verkennen en betreden van nieuwe exportmarkten? Zo nee, waarom niet?
Kosten die ondernemers maken voor het verkennen en betreden van nieuwe exportmarkten zijn kosten die ondernemers maken in hun normale bedrijfsuitoefening. Deze kosten zullen daarom in de regel aftrekbaar zijn voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting.
Het bericht ‘PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op het bericht dat PostNL met winsten zou schuiven tussen het post- en het pakketdeel van het bedrijf?
Ik herken dat de geïntegreerde bedrijfsvoering van PostNL een eenduidige scheiding van kosten en winsten binnen PostNL complex maakt. Op dit moment hebben zowel de ACM als ik geen concrete aanwijzingen dat PostNL met winsten schuift tussen het post- en het pakketdeel van het bedrijf. In de beantwoording van vraag 4 ga ik nader in op het gehanteerde systeem en het toezicht van ACM.
Artikel 22 van de Postwet 2009 verplicht – overeenkomstig artikel 14 van de Postrichtlijn – PostNL als UPD-verlener een boekhoudkundige scheiding aan te brengen tussen kosten en opbrengsten van de UPD en andere activiteiten, en deze inzichtelijk te maken aan de ACM. Nadere regels over de inrichting en toerekening van de boekhouding en over de wijze waarop de toerekening van kosten en opbrengsten inzichtelijk moet worden gemaakt, zijn vastgelegd in de Postregeling 2009 (artikelen 13 en 13a). Binnen deze wettelijke kaders houdt ACM toezicht en kan PostNL bepalen welke kosten aan de UPD worden toegerekend.
Voor de kostentoerekening hanteert PostNL een kostentoerekeningsysteem (KTS) dat in 2015 is goedgekeurd door de ACM. Onder het door de ACM goedgekeurde KTS vallen alle kosten die uitsluitend worden gemaakt voor het uitvoeren van diensten die onder de UPD vallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de kosten die PostNL maakt voor het legen van de brievenbussen. Andere kosten die zowel worden gemaakt voor de uitvoering van UPD-diensten als voor andere activiteiten, mag PostNL uitsluitend toerekenen voor zover de Postregeling 2009 dit toestaat. PostNL legt hier jaarlijks achteraf een door een accountant gecontroleerde financiële verantwoording over af.
Hoe kijkt u naar het subsidieverzoek van PostNL, met deze verschuivingen in het achterhoofd?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 uiteengezet, hebben de ACM en ik geen aanwijzingen dat PostNL in strijd met het KTS handelt. Ik zie verder geen direct verband tussen deze berichtgeving en het subsidieverzoek van PostNL. Het subsidieverzoek van PostNL is door mijn ambtsvoorganger in 2025 afgewezen, omdat subsidie onnodig is bij realistische kaders voor de uitvoering van de UPD. Realistische kaders ontstaan door de voorgenomen versoepelingen van de bezorgeisen in het Postbesluit 2009.2
Bent u er nog steeds van overtuigd dat het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat of de Autoriteit Consument & Markt (ACM) een duidelijk beeld hebben van de omrekeningfactor van de universele postdienst (UPD) binnen het bedrijf? Hebben zij een duidelijk beeld van de feitelijke omzetten en winsten binnen de stromingen bij PostNL?
De ACM houdt toezicht op een juiste toerekening van kosten door PostNL binnen het KTS. De ACM heeft het KTS in 2023 globaal bekeken en geen afwijkingen ten opzichte van de huidige wet- en regelgeving geconstateerd. Wel geeft de ACM aan dat er vooraf een bepaalde toerekeningsratio voor gedeelde kosten wordt vastgesteld en dat deze niet altijd in lijn hoeft te zijn met de daadwerkelijke ratio aan kosten die voor UPD en niet-UPD werkzaamheden gemaakt worden. Zo kan het bijvoorbeeld wettelijk toegestaan zijn om 50% van de kosten van het loon van de postbode of de kosten van het sorteercentrum toe te rekenen aan de UPD, terwijl de tas van de postbode en de sorteermachine niet altijd voor 50% met UPD-post gevuld hoeft te zijn. Naast de toerekening van kosten is er sprake van onderlinge leveringen tussen de post- en pakketdivisie (en vice versa). Deze worden in eerste instantie op marktconforme tarieven bij elkaar in rekening gebracht. Aan het einde van het jaar worden deze onderlinge leveringen tegen (integrale kostprijs) opnieuw berekend en als zodanig in de financiële verantwoording verwerkt. Volgens ACM is deze werkwijze van herberekening naar integrale kostprijs in overeenstemming met het KTS. Ten slotte ziet de ACM dat het huidige KTS-model complex en onnodig gedetailleerd is.
Ik ben in gesprek met de ACM om te verkennen of en hoe dit systeem versimpeld kan worden, zodat toezicht door de ACM eenvoudiger en effectiever kan worden uitgevoerd.
Wat doet dit bericht met uw visie op de toekomst van de postmarkt? Geeft dit bericht aanleiding om in de Postwet 2009 op te nemen dat de aanbieder van de UPD een gescheiden boekhouding moet voeren zodat de ACM goed toezicht kan houden?
Artikel 22 van de Postwet 2009 verplicht PostNL al om een boekhoudkundige scheiding aan te brengen tussen kosten en opbrengsten van de UPD en andere activiteiten en deze inzichtelijk te maken aan de ACM. Zoals in de beantwoording van vraag 2 en 4 nader toegelicht houdt ACM hierop toezicht.
Daarnaast kan de ACM in principe op ieder moment besluiten tot een herbeoordeling van het kostentoerekeningsysteem dat wordt gehanteerd; de specifieke meldingen en informatieverplichtingen in de Postregeling zijn slechts voorbeelden van logische momenten voor toetsing, en doen niets af aan haar bevoegdheid om ook tussentijds gegevens op te vragen en handhavend op te treden. Naast deze specifieke informatiebepalingen heeft de ACM ook de algemene bevoegdheid om alle gegevens en inlichtingen op te vragen die zij nodig heeft om het toezicht op de Postwet 2009 uit te kunnen voeren.3 Zoals hierboven beschreven ziet de ACM dat het huidige KTS-model complex en onnodig gedetailleerd is. Herbeoordeling is daarom een intensief proces waarbij discussies kunnen ontstaan tussen de ACM en PostNL over de noodzaak en proportionaliteit van een herbeoordeling.
In gesprekken met de ACM wordt bekeken of zij in de praktijk voldoende toegerust is om toezicht te houden op de kostentoerekening en de naleving van de regels rond de UPD. Als uit de gesprekken blijkt dat aanvullende taken of bevoegdheden nodig zijn om het publiek belang beter te borgen, zal ik bezien hoe hieraan opvolging kan worden gegeven. De ACM geeft aan dat om toezicht te houden op (de ontwikkeling van) de kosten van de UPD het van belang is dat er een transparant KTS door PostNL wordt opgesteld dat vooraf wordt goedgekeurd door de ACM. Na ingebruikname is het van belang dat dit KTS periodiek wordt geactualiseerd en opnieuw vooraf wordt beoordeeld door de ACM.
Wanneer kan de Kamer uw visie op de postmarkt verwachten?
Zoals verzocht in de motie van Kisteman c.s.4 zal ik een routekaart uitwerken voor de toekomst van de postmarkt. Mijn voornemen is om deze voor de zomer naar de Kamer te sturen.
Een visie op de postmarkt op hoofdlijnen, waaronder het creëren van ruimte voor concurrentie en de transitie naar een brede bezorgmarkt is op 10 februari jl. gegeven in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Postwet 20095. Kort samengevat is deze visie dat het primair aan marktpartijen is om te bepalen hoe zij actief zijn op de postmarkt. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om de wettelijke kaders zó vorm te geven dat zij ruimte bieden voor vernieuwing, samenwerking en nieuwe vormen van dienstverlening. Alleen zo kan een bredere bezorgmarkt ontstaan waarin niet alleen efficiëntie, maar ook innovatie en toekomstbestendige werkgelegenheid een plek krijgen, en waarin het ook in de toekomst vanzelfsprekend blijft dat mensen elkaar een kaartje of brief kunnen sturen. Deze transitie naar een bredere bezorgmarkt vraagt om realisme. De UPD is geen exclusief recht en kan niet worden ingezet als instrument om marktposities te verdelen. Door het wettelijk kader te moderniseren, ontstaat ruimte voor meer partijen om op een verantwoorde manier postdiensten aan te bieden. Dat vergroot de kans dat nieuwe aanbieders – zoals folder en pakketbezorgers – daadwerkelijk toetreden tot relevante postsegmenten, zoals brievenbuspakketjes, aangetekende post en prioriteitspost, voor zover daar in de markt blijvend vraag naar bestaat. De rol van de overheid is in dit proces het wegnemen van belemmeringen en het bewaken van een evenwichtig speelveld, zodat deze ontwikkeling kan plaatsvinden zonder dat de continuïteit van de UPD in gevaar komt. Zo kan de bezorgmarkt zich geleidelijk verbreden, terwijl de publieke dienstverlening geborgd blijft.
“Social leasing” als mogelijk instrument om huishoudens te beschermen tegen stijgende brandstofprijzen. |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Herbert , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het zogenoemde «social leasing»-programma in Frankrijk,1 waarbij huishoudens met een lager inkomen tegen een sterk gereduceerd maandbedrag een elektrische auto kunnen leasen?
Ja.
In hoeverre zou dit type maatregel ook in Nederland kunnen bijdragen als instrument om huishoudens te beschermen tegen stijgende brandstofprijzen en tegelijkertijd de transitie naar emissievrije mobiliteit te versnellen?
De invoering van een dergelijke maatregel zou vooral kunnen helpen om huishoudens met een lager inkomen op een gerichte manier te beschermen tegen de stijgende brandstofprijzen en om de transitie naar emissievrije mobiliteit te versnellen.
Bij het «social leasing»-programma uit Frankrijk wordt het leasen van een volledig elektrische auto (EV) sterk goedkoper gemaakt. Alleen huishoudens die onder een bepaalde inkomensgrens vallen (lage inkomens) en die een minimale hoeveelheid kilometers naar hun werk moeten reizen met een auto kunnen aanspraak maken op de regeling. In Nederland zou een vergelijkbare regeling gericht kunnen worden op huishoudens met een inkomensgrens van 23.000 per jaar. Deze huishoudens worden momenteel het meest getroffen door de hoge brandstofprijzen. Met de introductie van een soortgelijke regeling zou voor deze inkomensgroep een gemiddeld voordeel van € 91,– per maand (€ 1.092,– per jaar) bereikt worden. Op het ogenblik wordt bezien of (en hoe) een dergelijke regeling uitvoerbaar is, omdat er een controle vereist is op zowel het inkomen als de reisafstand van huis naar werk.
Hoe zou een dergelijke regeling bij kunnen dragen aan de betaalbaarheid van mobiliteit voor lagere inkomens, de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, de versnelling van de elektrificatie van het Nederlandse wagenpark en een rechtvaardige energietransitie?
Door een dergelijke maatregeling te richten op lagere inkomens wordt mobiliteit voor deze groep Nederlanders betaalbaarder en voorspelbaarder (door de onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen) gemaakt. Wel moet een keuze gemaakt worden over de afbakening van de groep (inkomensgrens). Daarnaast is een inkomenscheck nodig en een check op reisafstand, waarvan op het ogenblik wordt bezien of een dergelijke check uitvoerbaar is en zo ja hoe.
De afhankelijkheid van fossiele brandstoffen wordt, bij gebruik maken van deze regeling, voor deze inkomensgroep minder. Het is afhankelijk van de totale budgettaire omvang van een dergelijke maatregel en de afbakening van de doelgroep wat uiteindelijk het totale effect is op de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen.
Versnelling van elektrificatie wordt bereikt doordat een groep die eerder fossiel zou rijden overstapt op elektrisch rijden. In het Franse voorbeeld gaat het om kleinere auto’s (a/b segment) die nu nog beperkt aanwezig zijn in het totale wagenpark. Als dit wordt overgenomen zou het aantal kleinere EV’s toenemen, wat na verloop van tijd ook een positieve uitwerking heeft op de beschikbaarheid van dit type auto’s op de tweedehands markt.
Een rechtvaardige energietransitie kan worden bereikt door in een dergelijke maatregel gericht lagere inkomens als doelgroep aan te merken. Deze groep kan dan, ondanks de normaliter hogere aanschafkosten van een EV, toch profiteren van de voordelen zoals de lagere gebruikerskosten.
Hoe zou een eventuele Nederlandse variant van sociale leasing organisatorisch kunnen worden vormgegeven, bijvoorbeeld in samenwerking met leasemaatschappijen, aanbieders van deelmobiliteit en andere mobiliteitsaanbieders, en hoe kan daarbij worden voortgebouwd op bestaande Nederlandse regelingen en initiatieven?
Onderzoek naar een Nederlandse variant op het social leasing programma vindt plaats binnen het Formule E-Team (FET). In samenwerking met het FET is destijds de Subsidieregeling Elektrische Personenauto’s Particulieren (SEPP) ontwikkeld die de mogelijkheid bood voor een subsidie op leasing. De regeling is in 2024 komen te vervallen. Onderzocht moet worden wat de mogelijkheden zijn om de regeling opnieuw te activeren en zodanig aan te passen dat een inkomensgrens en een minimale reisafstand meegenomen kan worden in het beoordelingsproces. Gerichte ondersteuning van lage inkomens voor de gestegen energiekosten vraagt in de uitvoering om een inkomenstoets, bezien moet worden of het mogelijk is om aansluiting te vinden bij een al bestaande toets.
Welke bestaande Nederlandse regelingen (zoals subsidies of fiscale maatregelen voor elektrische voertuigen) zouden eventueel kunnen worden aangepast of gecombineerd om een vergelijkbare vorm van sociale leasing mogelijk te maken?
Er zijn op dit moment geen stimuleringsmaatregelen voor elektrisch vervoer in de particuliere markt meer actief in Nederland.
Wel wordt op het ogenblik een (inkomensafhankelijke) sloopvervangingsregeling van een fossiele auto voor een tweedehands EV uitgewerkt. Deze regeling gaat begin 2027 van start. Verschillen tussen deze regeling en een mogelijke social lease regeling zijn de afbakening van de doelgroep en het benodigde budget. Social lease is vooral gericht op de laagste inkomens en bij social lease kunnen ook mensen meedoen die eerder geen auto in het bezit hadden (bijv. financieel autolozen2 De sloopvervangingsregeling is gericht op de lage middeninkomens die in bezit zijn van een oude auto. Als dit niet het geval is, kan niet worden meegedaan aan de regeling. Na inruil van de oude auto ontvangt de aanvrager een bedrag dat gebruikt moet worden voor de aanschaf van een tweedehands elektrische auto. Beide maatregelen richten zich op verschillende doelgroepen en kunnen naast elkaar worden uitgevoerd.
Bent u bereid te onderzoeken of, onder welke voorwaarden, en op welke wijze een vergelijkbaar systeem van sociale leasing voor elektrische auto’s, gericht op huishoudens met een lager inkomen die afhankelijk zijn van de auto voor woon-werkverkeer, ook in Nederland overwogen zou kunnen worden als onderdeel van eventuele maatregelen ter compensatie van stijgende brandstofprijzen?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Opinie: «Laat de ondernemer scoren tijdens het WK voetbal»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tweede Kamer wil NOS verbieden geld te vragen voor uitzenden WK-duels Oranje in cafés en op pleinen»?2
Ja.
Deelt u de mening dat een groot sporttoernooi als het wereldkampioenschap (WK) voetbal het land bijeen brengt en dat het daarom belangrijk is dat er ruimte wordt geboden voor de beleving van zo’n toernooi?
Ja, ik deel deze mening. Het WK-voetbal is een mooie gelegenheid om mensen te verbinden en gezamenlijke herinneringen te creëren. Het is belangrijk dat dit voor iedereen toegankelijk en beleefbaar is.
Beaamt u dat het bieden van ruimte aan festiviteiten rondom sporttoernooien, zoals het aankomend WK-voetbal, de veiligheid kan vergroten, doordat supporters niet halverwege de wedstrijd gefrustreerd naar buiten worden gestuurd en er juist spreiding ontstaat bij het verlaten van cafés en evenementen?
Het is aan het lokaal bestuur om de openbare orde en veiligheid rondom grote evenementen en sporttoernooien in goede banen te leiden. En daarbij puttend uit eerder opgedane ervaringen. Georganiseerde festiviteiten en pragmatische keuzes in sluitingstijden voor horeca kunnen bijdragen aan een geordend verloop van grote evenementen en sporttoernooien, maar ook de bron zijn van onrust. Dit kan per situatie en locatie verschillen. Het lokaal bestuur zal altijd, samen met de politie, de handhaving van de openbare orde bij de vergunningverlening bij grote evenementen en sporttoernooien, zoals een WK voetbal, betrekken en zo nodig de openbare orde handhaven.
Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat aankomend WK-voetbal de leeuw niet in zijn hempje staat door ervoor te pleiten de openingstijden voor (horeca- en evenementen)ondernemers te verruimen als het Nederlands elftal speelt, bijvoorbeeld via de Vereniging Nederlandse Gemeenten of het samenwerkingsverband van grootte gemeenten (G40)?
De regulering van openingstijden is een verantwoordelijkheid die bij het lokaal bestuur berust. Het is aan gemeenten om, in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen en hun eigen lokaal beleid, passende afwegingen te maken.
Deelt u de mening dat het moeilijk uitlegbaar is dat er door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van programma’s die al met belastinggeld zijn verkregen of gemaakt?
De Mediawet 2008 kent het zogenoemde dienstbaarheidsverbod. Op grond hiervan is het voor publieke omroepen verboden om bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst of een concurrentievoordeel door commerciële partijen. Het dienstbaarheidsverbod is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van de staatssteunzaak over de financiering van de NPO aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.3 Commerciële exploitatie van (sport)uitzendingen kan daarom niet kosteloos plaatsvinden. Voor vertoningen buiten de huiselijke kring moet een marktconforme vergoeding gevraagd worden. Daarnaast geeft de NOS aan dat in het contract met de FIFA staat dat voor vertoningen van WK-wedstrijden buiten de huiselijke kring een vergoeding gevraagd moet worden.
De vertoning van wedstrijden komt neer op openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermd werk waarvoor Videma (de collectieve beheersorganisatie voor vertoningsrechten) de licentieverlening verzorgt namens rechthebbenden – in dit geval de NOS. De tarieven hiervoor zijn transparant en eenvoudig terug te vinden op de website van Videma. Voor het vertonen van wedstrijden in een publieke setting, zoals in cafés en op pleinen, gelden sinds het EK van 2024 aanzienlijk verlaagde tarieven. Deze verlaagde tarieven gelden in principe voor alle evenementmatige vertoningen buiten de huiselijke kring, behalve bij evenementenlocaties waar entree wordt gevraagd, bijvoorbeeld op een festival of in een stadion. In die situaties geldt het standaard evenemententarief.
Overigens hebben veel reguliere horecaondernemingen voor het vertonen van het WK-voetbal voldoende aan een zogenoemde doelgroeplicentie. Met deze licentie mogen ondernemers het hele jaar door televisiebeelden tonen van diverse omroepen waaronder ook alle wedstrijden van het WK-voetbal. Een onderneming tot bijvoorbeeld 50m2 horeca-oppervlakte betaalt hiervoor (bij eigen aanmelding) € 247,34 excl. BTW per jaar.
Snapt u de verontwaardiging dat er in Nederland door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van het EK- of WK-voetbal, terwijl dit in onze buurlanden (nagenoeg) gratis is?
Alle WK-wedstrijden blijven voor iedereen gratis te bekijken via de publieke omroep, zowel op televisie als online. De bijdrage geldt, vanwege het hiervoor geschetste juridische kader alleen voor publieke vertoningen buiten de huiselijke kring zoals in horecagelegenheden, op pleinen of bij evenementen. Dergelijke vertoningen worden vaak georganiseerd door ondernemers omdat zij daarmee extra inkomsten kunnen genereren. In die gevallen wordt een marktconforme vergoeding gevraagd. Daarmee wijkt Nederland niet af. Het kijken buiten huiselijke kring is in onze buurlanden vaak ook niet gratis. Ook daar geldt dat er een bijdrage kan worden gevraagd voor evenementmatige vertoning van WK-wedstrijden.
Onderschrijft u de mening dat het belasten van het uitzenden van een sporttoernooi als het aanstaand WK-voetbal, ondernemers ontmoedigt hun nek uit te steken om leuke activiteiten rondom zo’n toernooi te organiseren, temeer omdat ondernemers óók voor de uitzendrechten moeten betalen als het regent en er dus veel minder bezoekers komen opdagen om de kosten terug te winnen?
(Horeca-)ondernemers hebben vele overwegingen om al dan niet activiteiten te organiseren rondom sporttoernooien of andere grote evenementen. Dat het daarbij slecht weer kan zijn is een van deze overwegingen. Of de kosten van een evenementenlicentie ondernemers ontmoedigt om activiteiten rondom het WK-voetbal te organiseren, is lastig te beoordelen. Er zijn immers ook allerlei andere kosten zoals de inkoop van bier of de inhuur van personeel en technische faciliteiten die bij slecht weer wellicht niet terugverdiend kunnen worden. Tegelijkertijd is het aannemelijk dat veel ondernemers, ondanks deze kosten en risico’s, toch besluiten activiteiten te organiseren wanneer zij daar voldoende vraag of omzetkansen zien.
Bent u bereid zo snel mogelijk met de NOS en eventueel andere relevante partijen in gesprek te treden met als doel de kosten voor het uitzenden van programma’s waar al belastinggeld mee gemoeid is, zoals het aanstaand WK-voetbal, blijvend af te schaffen?
Zie het antwoord op vraag 6. Dat er een vergoeding betaald moet worden als WK-wedstrijden commercieel door derden geëxploiteerd worden, volgt onder meer uit de Mediawet 2008 en de Europese staatssteunregels, alsmede uit contractuele afspraken met de FIFA.
Onderneemt u, bovenstaande buiten beschouwing gelaten, nog andere maatregelen om te voorkomen dat het midden- en kleinbedrijf aankomend WK-voetbal buitenspel staat en Oranjesupporters juist optimaal kunnen genieten?
Nee. Er worden momenteel geen aanvullende maatregelen genomen.
Kunt u bovenstaande vragen, gezien de aanstaande start van het WK-voetbal, zo snel mogelijk en tenminste binnen de geldende beantwoordingstermijn beantwoorden?
Nee. Gelet op de benodigde tijd voor nadere interdepartementale afstemming was het niet mogelijk om binnen de gebruikelijke termijn van antwoorden te voorzien. Conform de procedure is hiervoor reeds een uitstelbrief verzonden.
Het bericht 'Miljoenen belastinggeld voor stichting komen ook terecht bij bedrijf van eigen directeuren' |
|
Ouafa Oualhadj (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Nieuwsuur waarin wordt gesteld dat miljoenen euro’s aan subsidiegeld voor de stichting ECP terechtkomen bij een bedrijf waarvan een aantal directeuren van die stichting mede-eigenaar zijn?1
Ja, ik ben ermee bekend.
Hoe beoordeelt u de gang van zaken rond de subsidieverstrekking aan stichting ECP?
In mijn antwoorden op de vragen van de Tweede Kamer naar aanleiding van het schriftelijk overleg2 dat ik gelijktijdig aan uw Kamer zend, ga ik dieper in op deze vraag. Op mijn rol als subsidieverstrekker ga ik in het antwoord op de vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA (vraag 16) in. In het antwoord op vraag 24 van de CDA-fractie geef ik aan dat de subsidierelatie in 2023 is geëvalueerd, en welke stappen ik na die evaluatie heb genomen.
Hoe reflecteert u op de rol en uw verantwoordelijkheid hierin?
In het antwoord op de vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA (vraag 16) in het genoemde schriftelijk overleg ga ik nader in op de rol van EZK als subsidieverstrekker.
Hoe heeft deze situatie kunnen ontstaan en waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
In het antwoord op eerdergenoemde vraag 16 is aangegeven dat de overeenkomst tussen ECP en LunaVia in 2023 is beoordeeld door externe advocaten op verzoek van het ECP-bestuur, wat voor EZK geen aanleiding gaf om de Kamer hierover te informeren of andere stappen te ondernemen.
Welke maatregelen worden naar aanleiding van deze situatie genomen? Hoe wordt voorkomen dat zich in de toekomst vergelijkbare gevallen voordoen?
In het antwoord op de vraag van GL-PvdA (vraag 16 in het genoemde schriftelijk overleg ga ik hier dieper op in.
Deelt u de opvatting dat activiteiten die structureel met publieke middelen worden gefinancierd in beginsel via een open en transparante aanbestedingsprocedure zouden moeten plaatsvinden, zodat voor alle partijen dezelfde regels gelden en meerdere organisaties kunnen meedingen?
Ik heb mij te houden aan de geldende subsidie- en aanbestedingsregels. Elk jaar maak ik de afweging of de activiteiten van ECP passen binnen de wettelijke kaders van een maatwerksubsidie, of het eventueel aanbesteden van (onderdelen van) de activiteit. Dit is ook beschreven in het antwoord op de vraag van uw fractie (vraag 3) in het genoemde schriftelijk overleg.
Bent u bereid te bevorderen dat de activiteiten die in opdracht van stichting ECP worden uitgevoerd en structureel met publieke middelen worden bekostigd, in de toekomst geheel of gedeeltelijk via een aanbesteding worden georganiseerd? Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoord op vraag 16 van GL-PvdA in het genoemde schriftelijk overleg heb ik toegelicht hoe ik hier als subsidieverstrekker tot nu mee ben omgegaan. Ook ga ik in op de gesprekken die ik heb met het ECP-bestuur over mogelijk aanpassingen in hun governance, ook op dit punt.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja. Voor de beantwoording wil ik wel doorverwijzen naar mijn antwoorden op de vragen van de Tweede Kamer naar aanleiding van het genoemde schriftelijk overleg.
Bent u bekend met het bericht «Pedobots gewoon te vinden op internet en dat mag volgens de wet: Anya (7) is vastgebonden en huilt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke AI-toepassingen net als kindersekspoppen bijdragen aan de normalisering van seksueel misbruik van minderjarigen, ook wanneer er geen fysiek kind bij betrokken is?
Wij zijn met zijn allen verantwoordelijk voor de bescherming van onze kinderen en moeten elke subcultuur die seksueel misbruik van kinderen normaliseert, bestrijden. Seksueel misbruik van kinderen is onacceptabel en heeft ernstige gevolgen voor de slachtoffers en hun omgeving. Elk slachtoffer van (online) seksueel kindermisbruik is er één te veel. De AI-ontwikkelingen die op dit moment gaande zijn op dit vlak, en de berichten die hierover naar buiten komen, baren mij zorgen. Dit soort ontwikkelingen zijn zeer onwenselijk.
Deelt u de mening dat gedragingen die in de fysieke wereld strafbaar zijn, ook online niet moeten worden getolereerd, ook wanneer het gaat om nabootsing door middel van AI?
Die mening deel ik. Uitgangspunt van de Wet seksuele misdrijven (hierna: WSM) is dat wat offline strafbaar is, ook online strafbaar is. Het voeren van seksgesprekken met of het aanbieden van AI-seksbots van kinderen keur ik af;iedere poging tot normalisering van seksueel misbruik van kinderen is zeer onwenselijk.
Het enkel voeren van seksgesprekken met een AI-chatbot die zich voordoet als een kind is op dit moment niet als zodanig strafbaar. Datzelfde geldt voor het vervaardigen van een AI-chatbot die zich kan voordoen als een kind.
Dat betekent overigens niet dat gebruikers van zo’n chatbot vrij spel hebben: bepaalde aspecten van het bevragen van of praten met een AI-chatbot zijn mogelijk wel strafbaar, bijvoorbeeld het uitvragen van tips voor seksueel misbruik van kinderen, ex artikel 250a Wetboek van Strafrecht en het via zo’n AI-chatbot uitvragen van/creëren van kinderporno, ex artikel 252 van het Wetboek van Strafrecht.
De strafzaak waarnaar wordt verwezen in het door u aangehaalde artikel van het Algemeen Dagblad is een voorbeeld waarin wel sprake was van een strafbare situatie. Hoewel een en ander altijd afhankelijk is van de omstandigheden van het geval overwoog de rechtbank dat sprake was van voorbereidingshandelingen van seksueel kindermisbruik. In de gesprekken die de verdachte met de AI-chatbot voerde werd niet alleen gesproken, of «gefantaseerd», over misbruik, maar werd hoofdzakelijk informatie vergaard over een methode voor het groomen van het neefje van de verdachte om de voorwaarden te scheppen waarin dat misbruik zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat het chatgesprek daarmee, in samenhang met de geschetste context, een duidelijk instructieve inslag had.2
In hoeverre biedt het huidige strafrecht voldoende mogelijkheden om op te treden tegen het ontwikkelen van dergelijke bots, het verspreiden ervan en het gebruiken van dergelijks bots met een seksueel oogmerk?
Het ontwikkelen, verspreiden en gebruiken van dergelijke bots is niet strafbaar gesteld. Bepaalde aspecten van het bevragen van/praten met een dergelijke bot zijn mogelijk wel strafbaar, bijvoorbeeld het uitvragen van tips voor seksueel misbruik van kinderen, ex artikel 250a Wetboek van Strafrecht, en het via zo’n AI-chatbot uitvragen van/creëren van kinderporno, ex artikel 252 Wetboek van strafrecht.
Bent u bereid om het Wetboek van Strafrecht aan te passen zodat ook het creëren, aanbieden of gebruiken van seksueel expliciete AI-personages die minderjarigen voorstellen strafbaar wordt gesteld?
Als beantwoord in de vragen 3 en 4 kunnen bepaalde aspecten van het gebruiken van dit soort bots strafbaar zijn, daarmee zijn er dus nu al instrumenten om dit gedrag aan te pakken. Ik heb daarom op dit moment niet het voornemen om het creëren, aanbieden of gebruiken van deze bots apart strafbaar te stellen.
Het bericht ‘Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Berendsen , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RTL-bericht «Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland»?1
Ja.
Hoe kan het dat een Nederlands bedrijf zo lang ongemerkt illegaal producten kon exporteren naar Rusland via Azerbeidzjan die rechtstreeks nodig zijn voor de illegale oorlogsvoering ter waarde van tientallen miljoenen euro’s?
In algemene zin geldt dat sanctieomzeiling onacceptabel is. Daarom heeft de aanpak van sanctie-omzeiling de hoogste prioriteit voor het kabinet. Daarbij wordt ingezet op analyse van handelsstromen, samenwerking, handhaving en aanvullende sanctiemaatregelen waar nodig. De handhaving van sanctiemaatregelen ten aanzien van de in-, door- en uitvoer van goederen is de verantwoordelijkheid van de Douane in opdracht van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarbij wordt ook nadrukkelijk ingezet op het tegengaan van omzeiling.
In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat de Douane risicogericht handhaaft. Als er een verhoogd risico op sanctieomzeiling wordt geconstateerd, dan worden de gehanteerde risicoprofielen hierop aangescherpt. De Douane werkt nationaal en internationaal samen met andere (uitvoerings-)organisaties, de Europese Commissie en andere lidstaten om signalen die mogelijk op omzeiling wijzen uit te wisselen.
Desalniettemin blijft het tegengaan van omzeiling van de sanctiemaatregelen tegen Rusland via derde landen een grote uitdaging in de handhaving. Dit komt door de lange en complexe handelsketens, maar ook de omvang van handelsstromen vanuit Nederland. Over individuele bedrijven, specifieke handhavingsaanpak en de door de Douane onderkende risico’s doet het Kabinet geen uitspraken.
Is het bedrijf inmiddels gestopt met de illegale import? Op welke manier wordt dit gecontroleerd?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt het bedrijf gesanctioneerd, zo ja, wat is de sanctie? Zo nee, waarom niet?
Het schenden of omzeilen van EU-sancties geldt als een economisch delict. Wanneer vanuit de handhavingstaak van de Douane geconcludeerd wordt dat een bedrijf sancties heeft overtreden, wordt de zaak voorgelegd aan het OM voor strafrechtelijke vervolging. Zo heeft de Douane in 2025 422 handhavingsonderzoeken afgerond waar onder andere onderzoek is gedaan naar de naleving van de sanctiewetgeving. In 2025 zijn 16 onderzoeken overgedragen aan het Functioneel Pakket van het OM.
Wordt er meteen via het ImportGenius databedrijf uitgezocht of er meer illegale goederen worden geëxporteerd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gebruikt diverse informatiebronnen om handelsstromen richting Rusland te onderzoeken en omzeiling op te sporen.
Heeft het bedrijf Valvoline AZ nog anderszins banden met Nederland?
Het kabinet gaat niet in op individuele bedrijven. Wanneer signalen over sanctieomzeiling naar specifieke entiteiten in derde landen aan het licht komen neemt de Douane gepaste actie om dit naar de toekomst toe te voorkomen. Daarnaast vinden uiteraard ook eventuele handhavingsacties binnen Nederland plaats.
Mogelijke “kill switch” opties in Chinese OV-bussen |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Herbert , Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over mogelijke «kill switch»/remote control-functionaliteiten in elektrische bussen die in Nederlandse concessies worden ingezet?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Deelt u de analyse dat openbaar vervoer in de praktijk vitale infrastructuur is en dat digitale afhankelijkheden in rollend materieel daarom een nationaal veiligheids- en continuïteitsvraagstuk kunnen vormen? Zo nee, waarom niet?
Dit beeld is op dit moment nog niet volledig. Binnen de cyclus vitaal, die onderdeel is van de Aanpak vitaal, zijn zowel (delen van) het vervoer over het (hoofd)wegennet, als het vervoer van personen en goederen over (hoofd)spoorweginfrastructuur aangemerkt als vitaal proces. Binnen deze vitale processen zijn vervolgens specifieke vitale aanbieders aangewezen. Het openbaar vervoer als geheel is binnen deze systematiek niet als vitaal proces aangewezen. De nieuwe Wet weerbaarheid kritieke entiteiten bevat wel de sector openabaar vervoer. Daarom zal er op basis van de Wwke voor de sector openbaar vervoer een sectorale risicobeoordeling worden uitgevoerd. Hierin worden alle relevante natuurlijke en door de mens veroorzaakte risico’s meegenomen. Op basis van de uitkomsten van deze risicobeoordeling kan dan een besluit worden genomen of OV vitale infrastructuur is en welke subprocessen binnen openbaar vervoer en welke aanbieders eventueel als kritiek worden aangewezen.
De verantwoordelijkheid voor digitale afhankelijkheden ligt in dit geval primair bij de onderneming zelf. Toch wordt er bij de beoordeling van risico’s voor de aangewezen vitale aanbieders, binnen en buiten de spoorsector, alsnog zowel naar de fysieke, economische als digitale risico’s gekeken. Deze aanpak wordt verder versterkt met de implementatie van de aanstaande Cyberbeveiligingswet (Cbw) en de Wet Weerbaarheid Kritieke Entiteiten (Wwke).
Tevens is de inzet van het kabinet er in algemene zin op gericht om de Europese capaciteit te vergroten, eenzijdige afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak.
Kunt u bevestigen dat moderne (elektrische) bussen doorgaans beschikken over functionaliteiten voor remote diagnostics en (over-the-air) software-updates, en dat dergelijke functies ook risico’s voor continuïteit en sabotage of ongewenste beïnvloeding kunnen meebrengen?
Moderne bussen, waaronder elektrische bussen, zijn in toenemende mate uitgerust met functionaliteiten voor het op afstand uitlezen van voertuigen (remote diagnostics) en het op afstand (over-the-air) doorvoeren van software-updates. Deze functies kunnen efficiënter onderhoud mogelijk maken en stellen fabrikanten in staat om noodzakelijke software- en beveiligingsupdates tijdig uit te rollen. Dergelijke digitale functionaliteiten brengen echter ook mogelijke risico’s met zich mee, onder meer op het gebied van spionage en sabotage. Zoals aangekondigd in een kamerbrief van dit jaar2 zijn deze risico’s van slimme voertuigen nader onderzocht.
Kunt u een landelijk overzicht geven van welke ov-concessies in Nederland momenteel bussen inzetten van Chinese of andere niet-EU leveranciers, welke aantallen het per concessie betreft, en welke partijen het softwarebeheer uitvoeren?
In het Nederlandse openbaar vervoer worden in enkele concessies bussen ingezet van fabrikanten buiten de Europese Unie, het betreft de Chinese fabrikanten BYD en Yutong.
Van BYD rijden circa 319 bussen, voornamelijk in de concessies IJssel-Vecht en Haaglanden Streek, met daarnaast kleinere aantallen in Noord-Holland en Friesland (Waddeneilanden). Van Yutong rijden circa 250 bussen, onder meer in de concessies Zuid-Holland Noord (regio Leiden), Groningen-Drenthe en provincie Utrecht. Gezamenlijk betreft dit circa 569 bussen, ongeveer 21% van het totale aantal zero-emissiebussen in het Nederlandse openbaar vervoer. Dit is de stand per 1 januari jl.3
Het beheer en onderhoud van voertuigsoftware is de verantwoordelijkheid van de concessiehouder en wordt in de praktijk veelal uitgevoerd door leveranciers en onderhoudspartijen.
Is bij het Rijk bekend of in meer Nederlandse concessies bussen rijden of besteld zijn waarbij de fabrikant of een gelieerde partij technisch in staat is om op afstand rijfuncties te beperken, voertuigen stil te zetten, of kritieke subsystemen (zoals aandrijving of batterijmanagement) te beïnvloeden? Zo ja, om welke concessies gaat het? En welke risico’s spelen daar?
Nee, dit is niet bekend.
Klopt het dat decentrale concessieverleners niet altijd kunnen uitsluiten dat voertuigen op afstand kunnen worden beperkt of uitgeschakeld? Vindt u het acceptabel dat hierover geen eenduidige landelijke norm bestaat?
Ja, dat klopt. Binnen een OV-concessie ligt de operationele verantwoordelijkheid voor het ingezette materieel bij de concessiehouder en dus niet bij de concessieverlener. De concessiehouder is verantwoordelijk voor het beheer, onderhoud en de inzet van het materieel. De keuze voor het materieel is gemaakt door de concessiehouder binnen de door de concessie verlenende provincie vastgestelde eisen en randvoorwaarden.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is wanneer concessieverleners en vervoerders geen harde garanties kunnen geven over het uitsluiten van «op afstand uitzetten door derden»? Welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor het Rijk?
Contractueel is vastgelegd dat het materieel moet voldoen aan Europese wet- en regelgeving en dat de concessiehouder verantwoordelijk is voor veilige en betrouwbare inzet. Er is tot nu ook geen bewijs geleverd dat ongewenste remote manipulatie daadwerkelijk mogelijk of uitgevoerd is. Navraag bij regionale concessieverleners- en houders leert dat dergelijke aantijgingen door leveranciers worden verworpen.
Bent u bereid om, samen met de relevante veiligheids- en cybersecuritypartners, een landelijke risicoanalyse uit te voeren naar remote access-mogelijkheden in ov-materieel en de afhankelijkheden in de digitale keten (zoals connectiviteit, cloud, onderhoud op afstand en updates)?
Op basis van de huidige inzichten en de bestaande risicobeoordelingen is er geen noodzaak om aanvullend een landelijke risicoanalyse uit te voeren naar remote access-mogelijkheden in ov-materieel en de afhankelijkheden in de digitale keten. Dit neemt niet weg dat er reeds, samen met relevante veiligheids- en cybersecurity partners, binnen de bestaande kaders en trajecten aandacht is voor digitale risico’s, waaronder strategische afhankelijkheden.
Welke wettelijke en normatieve kaders gelden op dit moment voor cybersecurity en software-updates van bussen en andere vormen van ov-materieel, en hoe is het toezicht en de handhaving daarop in Nederland georganiseerd?
De wettelijke kaders voor cybersecurity en software-updates voor bussen en ander (weg)voertuigmaterieel liggen vast in de Europese voertuigregelgeving rondom typegoedkeuring en de internationale normen van de Verenigde Naties Economische Commissie voor Europa (hierna: VN-ECE) die daarin zijn opgenomen. Zo vereist de verordening (EU) 2018/858 dat er gewerkt wordt in lijn met reglement nr. 155 (hierna: R155) over cybersecurity en VN-ECE Reglement nr. 156 (hierna: R156) over software-updates. Deze kaders verplichten fabrikanten om cyberrisico’s te beheersen en software-updates (waaronder updates op afstand) op een beheerste en veilige wijze te organiseren via passende cybersecurity beheersystemen.
Toezicht en handhaving binnen het typegoedkeuringsstelsel vinden primair plaats via de typegoedkeuringsautoriteit die de betreffende beheersystemen typegoedkeuring heeft verleend. Dit kan de RDW zijn, maar ook een andere typegoedkeuringsautoriteit in Europa. Voor de voertuigen waarvoor de RDW de verlenende autoriteit is van R155/R156-typegoedkeuringen, past de RDW een intensief toezichtregime toe, onder meer door het verplicht stellen van een jaarlijkse audit op de beheersystemen voor cybersecurity en software-updates, waarbij ook wordt bezien hoe effectief beheersmaatregelen in de praktijk (op/aan het voertuig) functioneren.
Acht u deze kaders voldoende specifiek en afdwingbaar om risico’s van ongewenste remote disablement of beïnvloeding in ov-concessies te minimaliseren? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke aanvullingen acht u noodzakelijk?
Recent bent u geïnformeerd over het uitgevoerde onderzoek naar nationale veiligheidsrisico’s van slimme (elektrische) voertuigen, waaronder ook bussen4. Uit dit traject is gebleken dat er cybersecurity-risico’s bestaan op het gebied van sabotage en spionage. Om deze risico’s te verminderen zal ik samen met relevante partnerorganisaties onder andere onderzoeken in hoeverre veranderingen in het Europese stelsel van goedkeuring de cybersecurity van voertuigen kunnen verbeteren en mij daar in Europees verband voor inzetten.
Welke eisen worden in de praktijk gesteld aan eigenaarschap en controle over beheeraccounts, encryptiesleutels en toegang tot voertuigsystemen, en hoe wordt geborgd dat de concessiehouder/vervoerder niet afhankelijk blijft van de leverancier voor kritieke toegang?
Voor wat betreft de eisen rondom de typegoedkeuring, zie het antwoord op vraag 9. Verder is het aan de concessiehouder om, indien gewenst, eisen te stellen aan de leverancier door middel van (contractuele) afspraken.
Welke eisen worden gesteld aan logging, detectie van ongeautoriseerde toegang en incidentrespons rondom digitale verstoringen in het busmaterieel en de bijbehorende backend-systemen?
Zie het antwoord op vraag 9 en 11.
Welke eisen worden gesteld aan netwerksegmentatie, «least privilege» en andere basismaatregelen om te voorkomen dat (remote) onderhoudskanalen misbruikt kunnen worden?
Zie het antwoord op vraag 9 en 11.
Bent u bereid te komen tot landelijke minimumeisen (modelbepalingen) voor ov-concessies op het terrein van digitale soevereiniteit en cybersecurity, waaronder in ieder geval: verplichte disclosure van alle remote access-functionaliteiten; mogelijkheid tot onafhankelijk technisch onderzoek/audit vóór instroom; aantoonbare lokale operationele controle («operator override»); en contractuele sancties bij niet-gemelde functionaliteiten?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is terughoudend in het meegeven van richtlijnen voor regionale concessies. Ik zal met de partijen in het Nationaal OV Beraad verkennen in hoeverre vervolgstappen wenselijk zijn.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is om bij concessies te eisen dat onderhoud op afstand alleen kan plaatsvinden via streng gecontroleerde, tijdgebonden toegang, met beheer binnen de EU of door EU/NL-gebaseerde partijen?
Zie antwoord vraag 14.
Welke rol ziet de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit in het opstellen van een rijksbreed kader voor digitale soevereiniteit bij aanbestedingen van (semi-)vitale infrastructuur zoals het openbaar vervoer, inclusief rollend materieel en bijbehorende digitale systemen?
De rolverdeling bij aanbestedingen door vitale aanbieders is als volgt. De Minister van Justitie en Veiligheid is verantwoordelijk voor het vitaal stelsel, waaronder het wetsvoorstel weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke, in uw Kamer behandeld op 23 maart jl.) die als doel heeft de weerbaarheid van organisaties in vitale sectoren te versterken. De Minister van EZK is verantwoordelijk voor het beleid, de wetgeving en handhaving rondom aanbestedingen, waaronder de Aanbestedingswet 2012. De Staatssecretaris van EZK (SEZ) is verantwoordelijk voor het dossier digitale soevereiniteit, waar onderdeel van de beleidsdiscussie is hoe we de digitale soevereiniteit beter kunnen borgen middels onder andere aanbestedingen. Bovendien is SEZ verantwoordelijk voor de vitale sector digitale infrastructuur en gezamenlijk met de Staatssecretaris van BZK verantwoordelijk voor het aanbesteden van digitale diensten en technologie binnen het Rijk, inclusief diens vitale processen.
Het kabinet is zich bewust van het belang van digitale soevereiniteit bij aanbestedingen. Zo wordt in EU-verband gewerkt aan een Europees voorkeursprincipe bij aanbestedingen. Daarnaast verplicht de Wwke, na inwerkingtreding, kritieke entiteiten om hun leverancierslandschap en afhankelijkheden in kaart te brengen, zodat risicovolle (digitale) afhankelijkheden beter inzichtelijk worden.
Verder heeft het kabinet de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO 2026) vastgesteld. Uw Kamer is hierover geïnformeerd5. Hiermee kunnen risico’s worden beperkt bij contracten met bedrijven waarbij de nationale veiligheid in het geding is. Ook wordt onderzocht of de ABRO in de toekomst van toepassing moet worden op onder meer vitale sectoren en openbaarvervoerbedrijven. Deze vraag wordt ook betrokken bij het rijksbrede programma «Veilig Inkopen» dat o.l.v. de Staatssecretaris van BZK onderzoekt welke risico’s deze organisaties lopen voor de nationale veiligheid bij hun inkopen. In het 3e kwartaal van 2026 wordt de Tweede Kamer over de stand van zaken van het programma geïnformeerd.
Tot slot wordt binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie bezien hoe overheidsbreed inkopen kan worden aangewend om de digitale soevereiniteit te vergroten. Ook wordt in 2025 een herziene Rijksbrede IT-sourcing strategie en handreiking vastgesteld, zodat Rijksorganisaties risico’s beter kunnen beheersen bij keuzes rondom inbesteden, uitbesteden of samenwerken met de markt.
Gezien deze ontwikkelingen is de invoering van een verplichtend Rijksbreed kader voor digitale soevereiniteit bij aanbestedingen van vitale infrastructuur momenteel niet voorzien.
Hoe kijkt u naar de groei van het aandeel bussen van Chinese (of andere niet-EU) leveranciers die in Nederland plaatsvindt zonder uniform nationaal toetsingskader op remote access- en ketenrisico’s?
De groei van het aandeel bussen van Chinese of andere niet-EU-leveranciers in Nederland is in beginsel een gevolg van marktwerking. De verantwoordelijkheid voor digitale afhankelijkheden ligt daarbij primair bij de onderneming zelf. Het kabinet onderkent daarbij wel het belang voor aandacht voor digitale soevereiniteit bij aanbestedingen. Zie daarnaast het antwoord op vraag 16 voor wat betreft een nationaal toetsingskader en de inzet van het Kabinet.
Bent u bereid om voor bestaande concessies met vervoerders en concessieverleners afspraken te maken over mitigerende maatregelen, zoals onafhankelijke technische inspectie van telematica en remote access-paden, herconfiguratie van netwerktoegang, en noodprocedures om grootschalige uitval op te vangen?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid richting concessieverleners te verduidelijken dat nationale veiligheid en continuïteit zwaarwegende criteria moeten zijn in de selectie- en contracteringsfase, zodat weerbaarheid niet structureel ondergeschikt raakt aan kosten- of andere beleidsdoelen?
Zie antwoord vraag 14.
Hoe gaat u borgen dat in toekomstige concessies de Nederlandse vervoerder/concessiehouder daadwerkelijk de volledige technische en digitale controle heeft over het ingezette busmaterieel, inclusief beheerrechten, documentatie, toegang tot diagnose- en updatefuncties en de mogelijkheid om zelfstandig te opereren bij incidenten?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u de Kamer informeren over het tijdpad waarbinnen u een landelijk overzicht van risicovolle afhankelijkheden en een set minimumeisen voor toekomstige concessies aan de Kamer zult sturen, en welke rolverdeling u daarbij voorziet tussen I&W en EZK?
Wat betreft de minimumeisen aan concessies, zie antwoord vraag 14. Wat betreft het landelijk overzicht van risicovolle strategische afhankelijkheden wil ik erop wijzen dat het kabinet vanwege de geopolitieke en diplomatieke gevoeligheid hier niet in het openbaar over communiceert. Departementen zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van analyses naar risicovolle strategische afhankelijkheden in hun sectoren. Interdepartementaal coördinatie vindt plaats in de Taskforce Strategische Afhankelijkheden, onder gezamenlijk voorzitterschap van BZ en EZK. De Kamer kan in vertrouwen worden geïnformeerd over de uitkomsten van de analyses. In het verleden liep dit via de vaste Kamercommissie van EZK.