Het bericht ‘Oude ict kost fiscus miljoenen’ |
|
Hawre Rahimi (VVD), Folkert Idsinga (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oude ict kost fiscus miljoenen»?1
Ja.
Kunt u per jaar vanaf 2010 tot heden een overzicht geven van de kosten die de belastingdienst aan ICT heeft uitgegeven? Kunt u deze uitgesplitst in interne en externe inhuur met daarbij de overschrijdingen aangegeven?
In het overzicht hieronder ziet u de jaarlijkse budgetten van de ICT-organisatie van de Belastingdienst in de periode 2010–2022. De middelen voor de ICT-organisatie zijn bestemd voor zowel personele als materiële uitgaven. De personele uitgaven zijn als onderdeel van de totale ICT-uitgaven (kolom 1) apart inzichtelijk gemaakt, met daarbij ook een nadere splitsing naar eigen personeel en externe inhuur.
In de reguliere begrotingscyclus wordt gedurende het jaar inzicht gegeven in tussentijdse bijstellingen van beschikbare middelen op basis van de verwachte kasuitgaven. Ten opzichte van de tweede suppletoire begroting bij Najaarsnota hebben er in de periode 2010 t/m 2022 over het algemeen geen overschrijdingen van personeelsbudgetten plaatsgevonden. De gemiddelde onderschrijding lag rond de 3%. Uitzondering hierop zijn de jaren 2015 en 2016 waarin sprake was van een overschrijding van de personele budgetten van respectievelijk 5% en 8%. De overschrijding zat in deze jaren met name op externe inhuur en werd veroorzaakt door een grote opdrachtenstroom die niet volledig gerealiseerd kon worden met de bezetting eigen personeel. Op het niveau van de totale ICT-uitgaven waren de overschrijdingen in deze jaren overigens kleiner (4% in 2015 en <1% in 2016).
Kunt u een overzicht geven van de verhouding tussen uitgaven aan onderhoud van bestaande systemen en de modernisering daarvan?
Afgelopen jaren zijn vanuit de voorjaarsbesluitvorming en Werk aan Uitvoering middelen beschikbaar gekomen voor de ICT-organisatie van de Belastingdienst. Inmiddels bedraagt het budget van de ICT-organisatie van de Belastingdienst in 2023 circa € 860 mln. Een groot gedeelte hiervan, circa 60%, is bestemd voor personele uitgaven. Met het personeel dat van deze budgetten wordt betaald, zowel eigen personeel als inhuur van externen, worden IV-dagen gerealiseerd. Voor 2023 wordt gewerkt met 626.000 IV-dagen.
Jaarlijks is circa 60% van de beschikbare IV-dagen nodig voor beheer en onderhoud. Onderdeel van beheer en onderhoud zijn de activiteiten voor het Datacenter van de Belastingdienst, de printstraat, regulier lifecycle-management en het bewaken van de digitale veiligheid in het Security Operations Center (SOC). Aan modernisering wordt circa 10% van de totaal beschikbare capaciteit besteed. Aan vernieuwing wordt circa 14% besteed. Onder vernieuwing vallen dienstverlening, integrale beveiliging, initiatieven met betrekking tot gegevens, toezicht en bedrijfsvoering. Onderstaande tabel geeft dit weer.
Portfolio categorieën in IV-dagen
2019
2020
2021
2022
Beheer en onderhoud
Data Center Services
163.400
152.400
155.700
152.700
Regulier Beheer en Onderhoud
162.200
185.200
186.200
206.200
Projecten
Wetgeving
33.900
31.600
47.000
45.500
Modernisering
61.800
64.600
80.400
74.800
Vernieuwing
57.300
72.100
93.300
81.500
Jaaraanpassingen
Per wanneer kunnen de ICT-systemen uit bijvoorbeeld de jaren 70, of waarvoor geen expertise meer in huis is, worden omgezet in moderne ICT-systemen met moderne programmeerta(a)l(en)?
Het hebben van ICT-systemen uit de jaren «70 uit zich in technische schuld. De Belastingdienst is bezig met het reduceren van die technische schuld. Sinds 2018 is deze gehalveerd van 52% naar 26%. Deze modernisering is desondanks complex en wordt daarom in kleinere stappen uitgevoerd, zodat er grip is op deze projecten.
Voor alle ketens wordt aan de modernisering gewerkt. Het is de planning om het overgrote deel van het achterstallig onderhoud, dat wijzigingen belemmert, in 2026 opgelost te hebben. Of dat tijdpad gehaald wordt is afhankelijk van veel factoren, zoals de beschikbaarheid van ICT-personeel, tussentijdse onvoorziene ontwikkelingen (zoals box 3, energiemaatregelen, etc.) en het verloop van aanbestedingen.
Voor de volgende ketens geldt dat er na 2026 nog gemoderniseerd moet worden: inning en betalingsverkeer, omzetbelasting en gegevens. Bij inning en betalingsverkeer komt dit onder andere door werkzaamheden rondom het herstel toeslagen, FSV en corona uitstelbeleid die voorrang kregen boven modernisering. De binnenlandse omzetbelasting wordt gemoderniseerd met als planning dat in 2026 een nieuw systeem operationeel is. In deze keten dienen na 2026 ook andere regelingen nog gemoderniseerd te worden. Voor de keten gegevens is na 2026 nog een forse inspanning nodig, omdat er veel applicaties van lokale applicaties omgezet moeten worden naar centrale applicaties en de gegevenshuishouding verbeterd moet worden.
Waarom is de aanbesteding voor het moderniseren van het nieuwe systeem voor de omzetbelasting nog niet uitgeschreven? Kunt u aangeven welke stappen u zet om deze en andere aanbestedingen te versnellen?
In 2021 heeft een marktconsultatie plaatsgevonden waaruit bleek dat er oplossingen in de markt beschikbaar zijn voor een nieuw systeem voor de omzetbelasting. Een extern advies in 2022 heeft dit bevestigd. De aanbesteding bevindt zich nu in de voorbereidende fase. Er zijn nog verschillende go en no-go momenten. Ik ben terughoudend om u in deze fase uitgebreid over de planning te informeren, zie ook antwoord 6.
Een versnelling in deze of andere aanbestedingen leidt tot risico’s en kan afbreuk doen aan de kwaliteit van het proces van aanbesteden of aan de aanbestede dienst of product. Ondanks dat ik de wens begrijp om een aanbesteding te versnellen om zo bijvoorbeeld sneller te beschikken over een modern systeem, wil ik zorgvuldigheid boven snelheid stellen.
Welke andere aanbestedingen moeten nog worden uitgeschreven?
De Belastingdienst voert jaarlijks een groot aantal ICT-aanbestedingen uit met wisselende inhoud en omvang. In aanbestedingen die in voorbereiding zijn of in de nabije toekomst op de markt zullen worden gebracht, wordt door de Belastingdienst geen inzage vooraf gegeven. Dit kan marktverstorend werken of de juridische positie van de Belastingdienst schaden.
Hoe duidt u de uitspraak in het artikel, gebasseerd op interne documenten, dat door personeelstekorten en achterstanden in de ICT het belastingmoraal van burgers en ondernemers kan worden aangetast?
De Belastingdienst heeft als taak om belastingen eerlijk en zorgvuldig te heffen en innen. Iedere burger, elk bedrijf en elke andere belastingplichtige organisatie moet erop kunnen vertrouwen dat hij of zij het juiste deel aangeeft en betaalt en dat hij of zij ook (terug)krijgt waar hij of zij recht op heeft. Daarnaast moeten burgers en bedrijven er ook op kunnen vertrouwen dat de Belastingdienst ervoor zorgt dat andere burgers en bedrijven hun bijdrage leveren. Als dat vertrouwen afneemt kan dat effect hebben op de belastingmoraal.
De Belastingdienst voert deze taak nog steeds naar behoren uit, in die zin is er geen sprake van een aantasting van de belastingmoraal. Dit komt ook naar voren in de fiscale monitor die jaarlijks wordt uitgevoerd en uw Kamer bij het jaarplan Belastingdienst 2023 heeft ontvangen. De situatie is nu ook anders dan in 2018. Er was toen sprake van een groot personeelsverloop en achterstand in de ICT. Inmiddels is meer personeel aangetrokken en worden ICT-systemen vernieuwd. Daardoor kan personeel efficiënter en mogelijk anders worden ingezet.
Dat laat onverlet dat de Belastingdienst nog stappen moet zetten. Zo is er nog sprake van een tekort aan (ICT-)personeel en wordt er in sommige ketens nog gewerkt met verouderde systemen.
Kunt u aangeven bij welke ICT-systemen continuiteitsrisico’s spelen en welke delen van de bedrijfsvoering van de Belastingdienst hiervan afhankelijk zijn?
De urgentie voor modernisering wordt bepaald door risico’s. Systemen met de grootste risico’s op het gebied van continuïteit door verouderde technologie, zijn als eerste gemoderniseerd, zoals het systeem voor autobelastingen. De systemen voor omzetbelasting, loonheffing en inkomensheffing worden de komende tijd vervangen. Tot die systemen volledig zijn vervangen, ziet de Belastingdienst voor deze ketens risico’s. Om deze risico’s te beheersen, zijn aanvullende maatregelen genomen. In figuur 5 en 6 van de begeleidende brief ziet u hoe de technische schuld per keten nu is en wat de ambitie is qua ontwikkeling tot en met 2026.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Uren vergaderd, maar bespreken Landbouwakkoord moet nog beginnen' |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uren vergaderd, maar bespreken Landbouwakkoord moet nog beginnen»?1
Ja.
Ligt u op schema om het Landbouwakkoord voor april 2023 af te hebben zoals u eerder heeft aangegeven?
In het debat over de LNV-begroting afgelopen december, heb ik aangegeven dat het Landbouwakkoord eind maart, begin april rond moet zijn. Het proces is erop gericht om in april tot een akkoord te komen.
Wilt u de Kamer uitvoerig berichten over de voortgang en de resultaten?
De hoofdtafel komt sinds eind december met regelmaat bij elkaar en heeft goede vorderingen gemaakt in het opstellen van een gedeelde visie op de toekomst van de landbouw in Nederland in brede zin. Hierin is aandacht voor langjarige ontwikkelingen en mogelijke ontwikkelrichtingen die agrarische ondernemers kunnen inslaan naar de toekomst. Kringlooplandbouw is hierbij het uitgangspunt. Daarnaast is in beeld gebracht over welke thema’s in het kader van het landbouwakkoord afspraken zouden moeten worden gemaakt om het tweeledige doel te bereiken dat in de brief Toekomstvisie agrarische sector (Kamerstuk 30 252, nr. 77) voor het Landbouwakkoord is gesteld: het beschrijven van de toekomstbestendige positie van de landbouw als strategisch belangrijke economische sector, producent van duurzaam voedsel en grondstoffen en essentiële drager van een vitaal platteland, en het beschrijven van de wijze waarop de landbouwsector haar aandeel gaat leveren aan de grote opgaven van natuurherstel, water en klimaat.
Het zwaartepunt ligt in deze fase bij de sectortafels: zij leveren deze week de eerste producten op en zullen aan de hoofdtafel bouwstenen aanleveren voor het akkoord. Aan de hoofdtafel zal vervolgens bepaald worden hoe de inbreng van de sectortafels zal worden gesmeed tot een integraal landbouwakkoord, in overeenstemming met de visie die de hoofdtafel heeft op de toekomst van de Nederlandse land- en tuinbouw.
Herkent u de constatering uit het bericht dat er bij de reflectietafel – waar experts vanuit verschillende universiteiten op het Landbouwakkoord kunnen reflecteren – deelnemers zijn ingeruild, na druk vanuit de hoofdtafel?
Nee, dat beeld herken ik niet. De reflectietafel is bedoeld ter ondersteuning van de hoofdtafel. Aan de hoofdtafel is afgewogen welke expertises in de reflectietafel gewenst zijn en voor deze verschillende kennisdomeinen zijn meerdere kandidaten in beeld gebracht. De hoofdtafel heeft uiteindelijk een afgewogen besluit genomen over de samenstelling van de reflectietafel. Er zijn daarna geen experts «ingeruild» voor andere.
Kunt u aangeven wie er aan de reflectietafel deelnemen en kunt u daarbij ook ingaan op nevenfuncties, commissariaten, private financiering van eventuele leerstoel(en) van betrokkene(n) dan wel politieke oriëntatie van de deelnemers?
In de bijlage treft u een overzicht van de leden van de reflectietafel.
De reflectietafel heeft geen bepalende stem in het proces, maar een adviserende. De gevraagde experts zijn benaderd vanwege hun inhoudelijke deskundigheid op onderwerpen die door de hoofdtafel van belang worden gevonden om over geadviseerd te kunnen worden. Welke belangen en meningen zij hebben naast deze expertise en ervaring, heeft geen rol gespeeld bij de samenstelling.
Op welke wijze is de integriteit en onafhankelijkheid van de reflectietafel geborgd?
De reflectietafel is samengesteld uit deskundigen met relevante kennis en ervaring, die op een aantal momenten gedurende het proces reflecteren op het werk aan de akkoordtafel en die gedurende het proces ook (collectief of individueel, afhankelijk van de benodigde expertise) benaderd kunnen worden om over specifieke vragen mee te denken. Gezien de veelheid en complexiteit van opgaven en onderwerpen die bij het landbouwakkoord aan de orde komen, zijn deskundigen benaderd die, vanuit verschillende kennisvelden kunnen meedenken en adviseren over de vragen en discussies die aan de orde komen. Bij de selectie is gelet op het vermogen tot inspiratie en reflectie en het vermogen voorgenomen afspraken op doelbereik en consequenties te kunnen beoordelen. Dit vraagt een mix van economische, juridische, ecologische/ruimtelijke en maatschappelijke expertise. De reflectietafel heeft een adviserende rol voor de hoofdtafel.
Klopt het dat de hoofd- en deeltafels als doel hebben inhoudelijke bijdrages te leveren aan het akkoord en op welke wijze is daarbij het doelbereik van het Landbouwakkoord geborgd als het gaat om de doelen op het gebied van water, stikstof en klimaat?
Het klopt dat de hoofd- en deeltafels als doel hebben inhoudelijke bijdrages te leveren aan het akkoord. Voor het kabinet vormen het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), de Klimaatwet en de brief Water en Bodem sturend het toetsingskader. Het landbouwakkoord wordt beoordeeld op de bijdrage aan het bereiken van de genoemde doelen en aan de bijdrage aan een gezonde agrarische sector.
Op welke wijze is de ambtelijke ondersteuning van de tafels geregeld en klopt het in dit verband dat de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland een medewerker aan het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft uitgeleend?
Voorzitter en procesbegeleider Wouter de Jong wordt ondersteund door een klein team van extern ingehuurde medewerkers, aangevuld met enkele medewerkers afkomstig van LNV en (in deeltijd) een medewerker van LTO. Dit team heeft tot taak het proces om het werk aan de verschillende tafels om tot een landbouwakkoord te komen, te faciliteren en te ondersteunen.
In hoeverre is er bij het maken van de afspraken over grondgebondenheid geborgd dat de melkproductie per koe, en daarmee de milieubelasting, niet verder zal toenemen?
In de brief van 25 november jl. (Kamerstuk 30 252, nr. 77) over de toekomst van de landbouw, heb ik de kaders voor de afspraken over grondgebondenheid geschetst. De invulling komt aan de orde in de gesprekken over het Landbouwakkoord. Milieubelasting is daarbij een belangrijk aspect.
Hoe zorgt u dat de afspraken in het coalitieakkoord en de stikstofdoelen gewaarborgd worden bij de gesprekken en in de uitwerking van het Landbouwakkoord?
Ik voer de gesprekken in het kader van het landbouwakkoord op basis van de afspraken in het coalitieakkoord en de kaders die ik heb geschetst in de brief over de toekomst van de landbouw (Kamerstuk 30 252, nr. 77). Tevens stelt het Rijk als voorwaarde dat de gebiedsprogramma’s in overeenstemming moeten zijn met de afspraken uit het Landbouwakkoord wanneer deze betrekking hebben op de gebiedsprogramma’s. Daarnaast heb ik het Planbureau voor de Leefomgeving gevraagd een reflectie te geven op de maatregelen die in het Landbouwakkoord worden uitgewerkt.
Bent u parallel aan het Landbouwakkoord bezig met het werken aan het perspectief voor de sector, inclusief de transitie naar kringlooplandbouw en de afspraken in het coalitieakkoord over de niet-vrijblijvende bijdrage van de verwerkende industrie, toeleveranciers en de retail?
We zijn serieus onderweg en zetten alles op alles om het Landbouwakkoord tijdig te laten slagen met concrete resultaten. Mocht het onverhoopt niet slagen dan kom ik met een kabinetsplan dat invulling geeft aan de stappen die gezet moeten worden voor de transitie van de landbouw. De voorbereidingen hiervoor lopen parallel aan de onderhandelingen voor het Landbouwakkoord. Kringlooplandbouw is hierbij, zoals genoemd in de brief van 25 november jl. (Kamerstuk 30 252, nr. 77) over de toekomst van de landbouw, het uitgangspunt.
Onderdeel van het Landbouwakkoord is het maken van bindende afspraken met de ketenpartijen, zowel met de toeleverende en de verwerkende industrie als met de retail en de financiële sector, zoals banken. Ik zal ook voorstellen doen voor wettelijke maatregelen, waarbij ook de Autoriteit Consument en Markt (ACM) betrokken is. Beide sporen zullen worden gewogen en tot een stevig pakket van maatregelen leiden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden binnen een week?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Helaas is het niet gelukt uw vragen binnen deze korte termijn te beantwoorden.
Het bericht 'Nederlands beste boerengrond – in Flevoland – maakt plaats voor woningen en natuur: ‘Maar bos kweken werkt hier niet’' |
|
Jaco Geurts (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), van der Ch. Wal-Zeggelink , Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlands beste boerengrond – in Flevoland – maakt plaats voor woningen en natuur: «Maar bos kweken werkt hier niet»»?1
Ja.
Klopt het dat momenteel de meest vruchtbare en productieve landbouwgronden ingeruild worden voor andere functies, zoals woningbouw en natuur? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak en wat vindt u hiervan?
Vanuit verschillende ruimtevragers zoals de woningbouw of infrastructuur ontstaat er druk op de beschikbare ruimte in Nederland. Het kabinet heeft in november in de Kamerbrief Toekomst Landbouw2 aangegeven dat de agrarische sector niet het sluitstuk mag worden in de discussie over ruimte.
In de meest recente CBS-publicatie «Natuurlijk kapitaal en brede welvaart in Nederland» wordt in beeld gebracht hoe ons landgebruik zich ontwikkelt en is veranderd3. Hieruit blijkt het totale agrarisch areaal tussen 2013 en 2020 is afgenomen met circa 24.400 ha, oftewel zo’n 1,3 procent.
Om de kwaliteit van landbouwgronden nadrukkelijk een plek te geven bij functiewijzigingen wordt in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) momenteel de structurerende keuze «beschermen bruikbare landbouwgrond» uitgewerkt en wordt er een afwegingskader voor functiewijzigingen op landbouwgrond ontwikkeld.
Kunt u reflecteren op de alinea «Maar bos kweken werkt hier niet»? Klopt het dat bij de aanwijzing van gronden voor een bepaalde functie niet wordt gekeken naar de grondsoort?
Het nationale beleid -zoals omschreven in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de uitvoering daarvan in de NOVEX (Nationale Omgevingsvisie Extra) en het NPLG- gaat uit van het principe van «de juiste functie op de juiste plek», waarbij bodem- en watersystemen sturend zijn en de kenmerken en identiteit van het gebied centraal staan bij het maken van ruimtelijke afwegingen. Deze uitgangspunten zullen op lokaal en regionaal niveau moeten doorwerken in beleid en de besluitvorming over plannen en vergunningen. Ook moeten bestemmingswijzigingen worden gemotiveerd met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet gemotiveerd kunnen worden dat de nieuwe bestemming uitvoerbaar is op de betreffende locatie. Mocht de grondsoort een belemmering vormen voor de nieuwe functie die aan een locatie is toebedeeld, dan dient dit meegenomen te worden bij de uitvoerbaarheidstoets.
Om de kwaliteit van landbouwgronden nadrukkelijk een plek te geven bij functiewijzigingen wordt in het NPLG momenteel de structurerende keuze «beschermen bruikbare landbouwgrond» uitgewerkt en wordt er een afwegingskader voor functiewijzigingen op landbouwgrond ontwikkeld. Ook in het gesprek over het landbouwakkoord komt het afwegingskader hoe om te gaan met landbouwgrond aan de orde. En kunnen hierover afspraken gemaakt worden. In de ontwikkeling van het afwegingskader wordt bezien hoe grondsoort en -kwaliteit expliciet een plek kan krijgen bij de afweging om al dan niet tot functiewijziging op landbouwgrond over te gaan. Zo wordt er bij functiewijziging geborgd dat er niet enkel wordt geredeneerd vanuit de inpasbaarheid van de nieuwe functie, maar wordt de meerwaarde van de grond voor de landbouw expliciet bij deze afweging betrokken. Dit afwegingskader dient daarmee als extra waarborg dat bruikbare landbouwgronden zo veel mogelijk worden ontzien van functiewijzigingen.
Op welke manier verhoudt het artikel zich tot de uitvoering van de motie van het lid Boswijk c.s. (Kamerstuk 33 037 nr. 402) waarin wordt opgeroepen te onderzoeken hoe hoogwaardige landbouwgrond beschermd kan worden?
Om expliciet invulling te geven aan de bescherming van hoogwaardige landbouwgrond wordt momenteel de structurerende keuze «beschermen bruikbare landbouwgrond» uitgewerkt in het NPLG. Als onderdeel hiervan, worden er verschillende uitgangspunten en een afwegingskader ontwikkeld die erop toezien dat bruikbare landbouwgronden zo veel mogelijk worden ontzien van functiewijzigingen als deze elders beter inpasbaar zijn. Zo wordt er voorkomen dat de landbouw het sluitstuk is van de discussie over ruimte. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de motie van het lid Boswijk c.s. Zie de beantwoording van vraag 3 voor een nadere toelichting over dit afwegingskader.
Bent u bekend met de uitspraak van voormalig Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit Schouten waarin ze zegt dat er minder gewasbeschermingsmiddelen en mest gebruikt hoeven te worden op gezonde gronden? Wat vindt u er dan van dat momenteel juist deze gronden worden herbestemd?
Daar zijn wij bekend mee en dit is ook in lijn met de uitgangspunten van «de juiste functie op de juiste plek» en het principe water en bodem sturend. Juist omdat we zorgvuldig moeten omgaan met bruikbare landbouwgronden, is in het NPLG de structurerende keuze opgenomen om beschermen van bruikbare landbouwgrond nadrukkelijk aandacht te geven in de gebiedsprogramma’s en werken we op dit moment aan uitgangspunten en een afwegingskader om bij eventuele functiewijziging deze afweging zorgvuldig te maken. Zie vraag 3 voor een nadere toelichting op het afwegingskader.
Hoeveel natuurareaal zal er de komende jaren naar verwachting bij komen en hoeveel landbouwgrond wordt hiervoor ingeleverd?
Zoals wij hebben verwoord in onze brief van 10 februari jl. over de voortgang integrale aanpak landelijk gebied4 heeft het kabinet om op langere termijn te komen tot een gunstige Staat van Instandhouding als doel in het NPLG opgenomen om in 2030 30 procent te overbruggen van het verschil tussen de huidige staat van instandhouding en de gunstige staat van instandhouding. Deze 30 procent staat niet gelijk aan 30 procent extra natuurareaal, maar aan de overbrugging van 30 procent van het gat naar het realiseren van een gunstige staat van instandhouding voor alle beschermde habitattypen en soorten.
Deze opgave is naar verwachting grotendeels te realiseren met bestaande afspraken over de realisatie van het resterende Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarvan op dit moment nog 35.000 ha gerealiseerd moet worden (inclusief een deel van de aanleg van nieuw bos). Daarnaast vindt invulling van de opgave plaats in de vorm van agrarische natuur via de aanleg van groenblauwe dooradering en de resterende opgave nieuw bos buiten de NNN.
In de verdere uitwerking van de NPLG-gebiedsplannen van de provincies zal duidelijk worden welke mix van agrarische natuur en uitbreiding van NNN bijdraagt aan de realisatie van deze opgave en hoeveel extra inzet er daarnaast nodig is.
Op welke manier wordt bij het kiezen van gronden voor de aanleg van natuur, woningbouw, zonneakkers, bedrijvigheid, et cetera rekening gehouden met de kwaliteit van de grond waarvan het ten koste gaat?
Op dit moment worden landbouwgronden op verschillende manieren door rijksbeleid beschermd. Zo heeft de NOVI een voorkeursvolgorde voor zonne-energie geïntroduceerd om beslag op landbouw en natuur te voorkomen of te beperken. Deze voorkeursvolgorde houdt in dat zonnepanelen bij voorkeur eerst op daken worden gelegd, vervolgens komen onbenutte terreinen in bebouwd gebied in aanmerking en pas in laatste instantie landbouw en natuur. Daarnaast wordt in de NOVI ook aandacht besteed aan het voorkomen van «verrommeling» en «verloodsing» van het landelijk gebied. De Ladder voor duurzame verstedelijking, die is vastgelegd in het huidige Besluit Ruimtelijke Ordening, heeft tot doel om te bevorderen dat eerst de mogelijkheden van binnenstedelijk bouwen worden benut voordat sprake zal zijn van bouw in het landelijk gebied.
Om de kwaliteit van landbouwgronden nadrukkelijk een plek te geven bij functiewijzigingen wordt een afwegingskader ontwikkeld, zie vraag 3 voor een nadere toelichting.
Wat wordt er gedaan om hoogwaardige landbouwgrond nu en in de toekomst te beschermen en op welke manier wordt bepaald welke gronden als hoogwaardig worden beschouwd?
Om de kwaliteit van landbouwgronden nadrukkelijk een plek te geven bij functiewijzigingen wordt in het NPLG en in samenspraak met de landbouwtafel in het kader van het landbouwakkoord een afwegingskader ontwikkeld; voor een nadere toelichting verwijzen wij naar vraag 3.
Provincies staan aan de lat om in hun gebiedsprogramma’s invulling te geven aan de manier waarop de Europese water-, klimaat- en natuurdoelen kunnen worden behaald en welk perspectief voor de landbouw hierbij per gebied inpasbaar is. De fysieke omstandigheden (bodemkwaliteit e.d.) en de gebiedsspecifieke water-, natuur- en klimaatopgave zullen een rol spelen bij het bepalen van het ontwikkelpad voor de landbouw en welke landbouwgronden het meest geschikt zijn. In het afwegingskader voor functiewijzigingen op landbouwgrond wordt bezien hoe onderlinge verschillen die bepalend zijn voor het toekomstperspectief van de landbouw, meegenomen kunnen worden bij de afweging om al dan niet tot functiewijziging over te gaan. Op die manier wordt ervoor gezorgd dat functiewijziging op landbouwgrond zorgvuldig gebeurt en op de meest geschikte locatie plaatsvindt.
Welk bevoegd gezag heeft volgens u de verantwoordelijkheid voor het beschermen van hoogwaardige landbouwgronden?
Iedere overheidslaag heeft zijn eigen rol te vervullen bij het beschermen van hoogwaardige landbouwgronden. Het Rijk heeft een brede regiefunctie om ervoor te zorgen dat alle ruimtelijke opgaven een plek krijgen en om te voorkomen dat landbouw het sluitstuk is in de discussie rondom ruimte. Dit kabinet heeft daarom een verantwoordelijk Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aangesteld die deze regiefunctie vervult. Provincies werken momenteel aan ruimtelijke voorstellen vanuit de Startpakketten NOVEX. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal op basis daarvan bestuurlijke afspraken maken met provincies om tot een concrete en integrale ruimtelijke uitwerking te komen van alle nationale beleidsopgaven met een ruimtelijke component. Zoals aangegeven in de ruimtelijke ordeningsbrief5, is het bieden van perspectief voor landbouw en natuur één van de perspectieven die wordt betrokken bij het maken van deze bestuurlijke afspraken. Het beschermen van bruikbare landbouwgronden is bovendien als structurerende keuze opgenomen in het NPLG en het Rijk werkt hier momenteel uitgangspunten en een afwegingskader voor uit. Het afwegingskader wordt ook besproken aan de landbouwtafel en kan onderdeel worden van het landbouwakkoord. Het Rijk stelt aldus de nationale kaders op waar provincies invulling aan dienen te geven in de Startpakketten NOVEX en de NPLG-gebiedsprogramma’s. Het Rijk bepaalt daarmee met name het «wat» (= beschermen landbouwgrond) en de provincies treden op als gebiedsregisseurs en staan met hun medeoverheden en gebiedspartners aan de lat om invulling te geven aan het «hoe».
De bevoegdheid voor het (her)bestemmen van gronden ligt bij de provincies en gemeenten en is ingegeven vanuit het «decentraal wat kan» principe. Daarbij zijn de gemeenten primair verantwoordelijk voor woningbouw en bedrijventerreinen en bouw van nieuwe plekken voor bedrijven en hebben zij het bestemmingsplan als het belangrijkste instrument om te sturen op de ruimtelijke ordening op gemeentelijk niveau. Provincies en gemeenten spelen hierdoor een grote rol bij de manier waarop de nationale, ruimtelijke kaders – waaronder het beschermen van bruikbare landbouwgrond – worden meegenomen bij de afweging om al dan niet tot herbestemmen over te gaan. Het afwegingskader dat momenteel door het Rijk wordt uitgewerkt zal handvatten bieden om provincies en gemeenten te ondersteunen bij de wijze waarop het beschermen van landbouwgrond bij deze afweging meegenomen kan worden. Zie de beantwoording van vraag 3 voor een nadere toelichting op het afwegingskader.
De stand van zaken rondom het toeslagenschandaal, de hersteloperatie en de uithuis geplaatste kinderen |
|
Pieter Omtzigt |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Herinnert u zich dat u het compenseren van ouders in het toeslagenschandaal een erekwestie noemde, na het verschijnen van het rapport «Ongekend Onrecht» in 2020?
Ja.
Kunt u een reactie geven op de uitzending van nieuwsuur, waarin duidelijk wordt dat het herstel van de gedupeerden vastloopt door ambtelijke chaos?1
Alle inzet is erop gericht om de hersteloperatie zo snel als mogelijk af te ronden en ervoor te zorgen dat ouders en kinderen hun leven weer kunnen oppakken. Dit gaat helaas niet van de ene op de andere dag. En eenvoudige kant-en-klaar oplossingen zijn er niet. Tegelijkertijd zijn er de nodige resultaten geboekt. Eind 2022 hebben ruim 59.000 personen zich aangemeld. Tot nu toe zijn 28.000 mensen erkend als gedupeerde. Zij kunnen rekenen op 30.000 euro en de schuldenaanpak. Ook ontvangt iedereen die zich heeft aangemeld brede ondersteuning van hun gemeente. In de meest recente Voortgangsrapportage, die op 3 februari jl. naar uw Kamer is gestuurd, valt te lezen dat sinds medio 2022 verschillende versnellings- en verbeteringsmaatregelen in gang zijn gezet.2 Onder de randvoorwaarden die daarbij zijn genoemd ziet de prognose er als volgt uit: de inzet is om 90% van de integrale beoordelingen in het eerste kwartaal van 2025 af te ronden. De laatste 10% volgt in het half jaar daarna. Het streven is om eind 2026 het proces van bezwaar tegen de eerste toets en de integrale beoordeling afgerond te hebben. In de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) zijn signalen geuit over hoge werkdruk, regels en procedures en een relatief groot verloop van medewerkers. Deze signalen en ook de media aandacht hierover laten de medewerkers van de organisatie niet onberoerd. De opgave vraagt veel van medewerkers. Het is cruciaal dat er in de organisatie kan worden samengewerkt aan de hersteloperatie op basis van vertrouwen en in een veilige omgeving. In de aanbiedingsbrief bij de Voortgangsrapportage is hier ook een passage over opgenomen. De signalen zijn door ambtelijke leiding erkend en zij zijn hierover met de medewerkers in gesprek.
Kunt u een reactie geven op het feit dat slechts tien van de uithuisgeplaatste kinderen weer bij hun ouders zijn teruggekeerd na hulp van het ondersteuningsteam?
Een uithuisplaatsing is voor zowel de ouder, als het kind zeer ingrijpend. Ook hier doet het kabinet al het mogelijke om de getroffen gezinnen passende hulp en ondersteuning te bieden.
Zoals de Minister voor Rechtsbescherming in de tweede voortgangsbrief uithuisplaatsingen kinderopvangtoeslag3 van 1 november 2022 en tijdens het notaoverleg van 30 januari 2023 heeft benadrukt, heeft elke ouder die zich aanmeldt bij het Ondersteuningsteam een eigen verhaal en hulpvragen. Aan elk gezin wordt daarom maatwerk geleverd. De ondersteuning is hiermee persoons- en situatieafhankelijk en heeft geen vastomlijnde uitkomsten. Vaak zijn er eerst zaken die verbeterd moeten worden in de leefsituatie omdat sprake is van een opeenstapeling van verschillende problemen. In de genoemde voortgangsbrief van 1 november is de Minister voor Rechtsbescherming nader ingegaan op de verscheidenheid aan resultaten waar de inzet van het Ondersteuningsteam aan heeft bijgedragen.
Heeft u op de vergadering van de onderraad herstel toeslagen, die op 31 januari voor het eerst in 8 maanden weer vergaderd heeft, een realistisch beeld gekregen van de hersteloperatie?
Zowel tijdens de Ministeriële Commissie Toeslagen Herstel (MCTH) van 31 januari als tijdens de ministerraad van 3 februari 2023 is gesproken over de hersteloperatie, onder andere aan de hand van de laatste Voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen over het 4e kwartaal van 2022. Deze voortgangsrapportages geven de stand van zaken van de hersteloperatie weer en laten zijn waar nog werk te doen is.
Is uw regering nog in control bij de hersteloperatie? Kunt u dit toelichten?
Ouders willen vooruit en elke dag dat zij langer moeten wachten op financiële compensatie is er één te veel. Daarom is de inzet van het kabinet gericht op versnellen van de hersteloperatie. In de meest recente Voortgangsrapportage valt te lezen dat sinds medio 2022 verschillende versnellings- en verbeteringsmaatregelen in gang zijn gezet en dat onder de randvoorwaarden die daarbij zijn genoemd op basis hiervan een prognose is gegeven hoe het overgrote deel van de gedupeerde ouders in 2025 financieel gecompenseerd zal zijn en bezwaren op de eerste toets en de integrale beoordeling in 2026 afgerond. Tegelijk is er niet één gouden oplossing die ervoor zorgt dat álle gedupeerde ouders op korte termijn hun herstel kunnen afronden. Maar met de ingezette maatregelen heeft het kabinet er vertrouwen in dat de uitvoeringsorganisatie verbeteringen en versnellingen kan doorvoeren.
De noodzakelijke opschaling van de UHT is ambitieus, maar realistisch. De personele bezetting is in het laatste kwartaal van 2022 gegroeid met ruim 13%, daarnaast wordt geworven op zowel vaste contracten als inhuurcontracten en bovendien is er aandacht voor goed werkgeverschap voor zittende werknemers, om uitstroom te voorkomen.
Wilt u samen met de Ministers en vicepremiers, die na het aftreden van uw vorige kabinet weer opnieuw zijn aangetreden, de stand van zaken in de ministerraad van 3 februari bespreken en daarna aan de Kamer aangeven welke gevolgen u verbindt aan de huidige stand van zaken?
Tijdens de ministerraad van 3 februari 2023 is gesproken over de hersteloperatie. De bespreking vond plaats aan de hand van de Voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen over het 4e kwartaal van 2022. De ministerraad heeft na de bespreking ingestemd met verzending van de Voortgangsrapportage met aanbiedingsbrief aan de Tweede Kamer door de Staatssecretaris van Financiën (T&D). In de aanbiedingsbrief schetst het kabinet stappen die worden genomen om de hersteloperatie te verbeteren en versnellen, zoals aanpassingen in de werkwijze en versnelde afhandeling van de integrale beoordelingen, verbeterde informatievoorziening en een versnelde afhandeling van bezwaren.
Wilt u in ieder geval de klokkenluiders niet bestraffen – zoals eerder in het toeslagenschandaal gebeurde – en publiekelijk aangeven waar zij gehoord kunnen worden?
Het is belangrijk dat medewerkers van UHT hun werk veilig en goed kunnen uitvoeren. De ambtelijke leiding van UHT neemt signalen over hoge werkdruk, gevoelens van onveiligheid en behoefte aan stabiliteit en rust serieus. Medewerkers kunnen op verschillende manieren signalen en gevoelens kenbaar maken. Men kan in gesprek met de leidinggevende of het management, signalen kunnen worden doorgegeven aan de ondernemingsraad of er kan (ook anoniem) een melding worden gedaan bij de vertrouwenspersoon. Vanuit interne communicatie worden medewerkers hier periodiek over geïnformeerd.
Vindt u dat uw kabinet bezig is met het inlossen van de ereschuld?
De kinderopvangtoeslagaffaire heeft gedupeerde ouders en hun kinderen groot onrecht aangedaan met ernstige gevolgen voor alle facetten van hun leven. De compensatie voor de ouders moet goed worden afgewikkeld. Alle inzet van het kabinet is erop gericht om via financieel herstel, brede ondersteuning door gemeenten, het aanpakken van schuldproblemen, en een steun in de rug voor kinderen, ervoor te zorgen dat ouders en kinderen hun leven weer kunnen oppakken. Er is al veel werk verzet en tegelijkertijd is er nog heel veel werk te doen om te herstellen wat er is misgegaan rondom de kinderopvangtoeslag en ouders en kinderen verder te helpen. De schade is aanzienlijk en iedere dag dat ouders eerder het traject kunnen afronden, is belangrijk om het leven weer op te kunnen pakken.
Wilt u deze vragen één voor één en vóór dinsdag 6 februari 2023 beantwoorden?
De vragen zijn met zorgvuldigheid en zo snel als mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Pro-Russische DDoS-aanvallers vallen Nederlandse ziekenhuizen aan’ |
|
Judith Tielen (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Kuipers , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pro-Russische DDoS-aanvallers vallen Nederlandse ziekenhuizen aan»?1
Ja.
Is bekend of ook ziekenhuizen in andere landen te maken hebben (gehad) met DDoS-aanvallen? Is bekend of hierbij patiëntgegevens of continuïteit van zorg in gevaar is gebracht?
Dat klopt. Andere landen hebben bevestigd dat ziekenhuizen getroffen zijn door DDoS-aanvallen. Wij hebben geen volledig beeld van de gevolgen in andere landen van deze DDoS-aanvallen.
Wat is de (potentiële) schade die Killnet, en mogelijk andere hackerscollectieven, aan hebben kunnen richten aan de zorginfrastructuur in Nederland? Hoe zien de effecten van dit soort veiligheidsrisico’s eruit voor patiënten en zorginstellingen? Zijn zorgorganisaties of ziekenhuizen of websites onbereikbaar geweest? Kunt u meer vertellen over de modus operandi van de aanvallen? Welke lessen worden hieruit getrokken?
De Russische groep Killnet gebruikt DDoS-aanvallen voornamelijk om de dagelijkse dienstverlening van de beoogde slachtoffers te frustreren. Deze aanvallen passen in het huidige digitale dreigingsbeeld. Tijdens de DDoS-aanvallen waar het artikel naar verwijst is de zorgcontinuïteit niet in het geding geweest. De aanvallen hebben vooral geleid tot het beperkt beschikbaar zijn van de websites van ziekenhuizen. Ziekenhuizen zijn via andere kanalen wel bereikbaar gebleven.
De geleerde les is in hoofdlijnen dat cybersecurity een continu proces is dat geborgd dient te worden binnen de bedrijfsvoering van organisaties en ook periodiek dient te worden geëvalueerd: welke dreigingen zijn er, welke belangen zijn relevant, tot welke risico’s leidt dat en welke maatregelen moeten er genomen worden om te komen tot een passend niveau van weerbaarheid. Een DDoS-aanval is een scenario dat daarin kan worden meegenomen.
Kunt u een stand van zaken geven over het lopende proces om de ziekenhuissector als vitale sector te identificeren zoals aangegeven in het commissiedebat Online veiligheid en cybersecurity en zoals aangegeven in het debat over de Wet elektronische gegevensuitwisseling in de zorg?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal u uiterlijk voor de zomer per Kamerbrief informeren over de stand van zaken van het aanwijzen van de zorgsector als vitale sector. In deze brief wordt u ook geïnformeerd over de implementatie van de herziene richtlijn voor Netwerk- en Informatiebeveiliging (NIB2) en de richtlijn Veerkracht van Kritieke Entiteiten (CER) in het zorgveld.
Bestaat er een «scrubbing center» voor de zorg en de nu al aangewezen vitale infrastructuren/sectoren, waarin dataverkeer wordt opgeschoond en geanalyseerd, en kwaadaardig dataverkeer zoals DDoS wordt verwijderd? Zo nee, wat vindt u van een dergelijke «veiligheidsklep» voor deze infrastructuren/sectoren?
Er zijn leveranciers waar deze maatregel («scrubbing straat») in diverse vormen als dienst kan worden afgenomen. Diverse Nederlandse ziekenhuizen maken hier ook gebruik van. Er bestaat echter geen wasstraat specifiek voor de zorg en de nu al aangewezen vitale infrastructuur/sectoren. Behalve een wasstraat («scrubbing straat») zijn er nog andere maatregelen die genomen kunnen worden op het niveau van applicatie/diensten, netwerk en servers. Organisaties besluiten individueel welke maatregelen voor hen nodig zijn om DDoS-aanvallen af te weren. Of een wasstraat een noodzakelijke maatregel is, dient iedere organisatie voor zichzelf af te wegen op basis van het risicoprofiel en de overige maatregelen die er al zijn genomen. Ook is het goed mogelijk dat internetproviders reeds scrubbing diensten hebben opgenomen in hun dienstverlening, waarover de organisatie zelf afspraken kan maken over hoe en wanneer dergelijke technologie wordt geactiveerd.
Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wil de zorg bewust maken van cyberveiligheid door onder andere de diensten van expertisecentrum Z-Cert uit te breiden naar de gehele zorgsector, waarom zijn diensten van Z-Cert nu alleen van toepassing op ziekenhuizen en de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en niet bijvoorbeeld op de Geestelijke Gezondheidsdiensten (GGD’en)? Welke termijn heeft u voor ogen om de diensten voor de gehele zorgsector beschikbaar te maken? In hoeverre gaat de inwerkingtreding van de NIS2 deze situatie veranderen?2
Zoals eerder aan uw Kamer gecommuniceerd4 kiezen het Ministerie van VWS en Z-CERT ervoor om de verschillende sub-sectoren in het zorgveld aan te sluiten volgens een risicogebaseerde aansluitstrategie. Concreet betekent dit dat de sub-sectoren waarin de risico’s op cyberincidenten en de bijbehorende gevolgen het grootst zijn als eerste worden aangesloten bij Z-CERT. Op dit moment zijn bijna 300 instellingen uit verschillende sub-sectoren aangesloten bij Z-CERT. Ook de GGD’en zijn via de koepelorganisatie aangesloten. Het Ministerie van VWS blijft zich inzetten om de dienstverlening van Z-CERT zo breed mogelijk beschikbaar te stellen binnen de gehele zorgsector. Daarbij wordt rekening gehouden met het absorptievermogen van Z-CERT. Voor de zomer zal de Minister van VWS de Kamer informeren over de implementatie van de nieuwe Europese Netwerk en Informatiebeveiligingsrichtlijn (NIB2) en zal hij ingaan op wat dit voor de zorgsector betekent.
Bent u bereid actief te communiceren dat zorginstellingen zich aan kunnen sluiten bij Z-Cert en hoe wordt gestimuleerd dat straks de gehele zorgsector zich aansluit, aangezien in de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen is aangegeven dat aangesloten zorginstellingen bij ICT-incidenten kunnen rekenen op de hulp van Z-Cert?3
Zie antwoord vraag 6.
Hoe staat het met de toezegging dat Nederland zich inzet om de zwaarste cybercriminelen op Europese sanctielijsten te krijgen? Deelt u de mening dat de cybercriminelen van Killnet hier ook op thuishoren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om dit te bereiken?
Onze eerste prioriteit lag bij het mitigeren van deze aanvallen en de getroffen systemen weer online te krijgen. Daarna kan er een onderzoek worden verricht naar de mogelijke dader(s) en kan bezien worden of sancties of strafrechtelijke vervolging tot de mogelijkheden behoren. Nederland zal hierbij zo mogelijk optrekken met de EU en afzonderlijke lidstaten, omdat een reactie sterker is als deze in coalitie-verband wordt vormgegeven.
Als internationaal recht en in VN-verband overeengekomen normen geschonden worden door cyberaanvallen, kunnen diplomatieke maatregelen in coalitieverband worden genomen. In EU-verband hebben we hiertoe de Cyber Diplomacy Toolbox, die mede door Nederland tot stand is gekomen. Op dit moment wordt de Toolbox herzien, hier nemen we een actieve rol in. Het EU Cyber Sanctie Regime is onderdeel van deze Toolbox. Welke respons opportuun is, zal afhankelijk zijn van de ernst en impact van het incident. Voor inzet van het sanctiemiddel is bovendien unanimiteit vereist in de EU-besluitvorming.
Het bericht ‘Dood gehandicapte Naoufel (10) leidt tot conflict nabestaanden en politie’ |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dood gehandicapte Naoufel (10) leidt tot conflict nabestaanden en politie»?1
Ja. Daarbij wil ik als eerste noemen dat het overlijden van een kind hartverscheurend en verdrietig is. Ik wens de nabestaanden dan ook veel sterkte toe in deze moeilijke tijd.
Klopt het dat de recherche het lichaam van Naoufel in beslag heeft genomen op woensdag en dat hij pas op zondag thuis is gebracht?
Zoals ik begon bij de antwoorden is het overlijden van een kind is hartverscheurend en verdrietig. Echter, kan ik niet nader op deze of andere individuele casussen ingaan.
In algemene zin is het aan politie om de geldende procedures uit te voeren. Hierbij wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de gevoelens van de nabestaanden en hun eventuele religieuze achtergrond. De politie evalueert, als lerende organisatie, met regelmaat haar eigen handelen. Indien de nabestaanden van mening zijn dat hierbij fouten zijn gemaakt dan is het belangrijk dat zij dit bespreken met de politie, die hiervoor open staat. Leidt dat niet tot een bevredigend resultaat, dan kan men een klacht indienen bij politie. Mocht de klacht niet naar tevredenheid zijn opgelost dan kunnen de nabestaanden ook terecht bij de Nationale ombudsman. De Ombudsman kan een onafhankelijk onderzoek instellen.
Ik vind het vervelend om onder deze omstandigheden door te verwijzen naar technische en juridische mogelijkheden om een klacht in te dienen. Toch vind ik het belangrijk om dit te vermelden, dit omdat klachten kunnen leiden tot een objectieve beoordeling van een ontstane situatie indien dit nodig wordt geacht. Dit doet uiteraard niets af aan het persoonlijk leed waar de familie mee te maken heeft.
Kunt u uiteenzetten wat de normale procedure is in een dergelijke situatie? Zo nee, waarom niet?
Er wordt een medische richtlijn gevolgd met betrekking tot het vrijgeven van een stoffelijk overschot na een schouw. In geval van minderjarigen is er een scherpere richtlijn.2
In het algemeen geldt dat als een schouwarts geen verklaring van natuurlijk overlijden afgeeft, de politie dan automatisch wordt geïnformeerd. De politie neemt vervolgens contact op met de officier van justitie. Wanneer er het vermoeden kan zijn van een strafbaar feit, kan de officier van justitie opdracht geven om het stoffelijk overschot in beslag te nemen. Ook kan er opdracht worden gegeven om sectie te verrichten op het stoffelijk overschot. Dit medisch onderzoek, naar de doodsoorzaak, wordt door een forensisch arts van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) verricht. Tijdens dit onderzoek wordt geprobeerd om de doodsoorzaak te kunnen herleiden.
Bent u van mening dat de politie in dit geval de juiste procedure heeft gevolgd? Kunt u dit toelichten?
In algemene zin wil ik aangeven dat politie procedures volgt zodra er sprake is van een verdachte situatie. Hiertoe is de politie ook verplicht. Deze procedures hebben als doel het verkrijgen van informatie.
Met deze informatie kan er gehandeld worden of kunnen zaken uitgesloten worden.
Kunt u uiteenzetten wat er precies met het lichaam van Naoufel is gebeurd vanaf woensdag tot zondag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat men de procedure heeft gevolgd door de moeder dagenlang niet te informeren waar haar zoon is? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten waarom de moeder geen informatie kreeg over waar haar zoontje naartoe werd gebracht en waar hij was? Wat is uw zienswijze hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten waarom de politie het lichaam in beslag heeft genomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten waarom de schouwarts weigerde een verklaring van een natuurlijke dood af te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom kwam het lichaam van Naoufel onvolledig en niet netjes dichtgemaakt terug bij de familie? Kunt u uiteenzetten waarom het nodig is om de hersenen nog te houden en delen van het ruggenmerg zelfs te vernietigen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u ervan op de hoogte dat het hierdoor niet mogelijk is om Naoufel islamitisch te begraven? Wat is uw mening hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om het leed van deze nabestaanden te verzachten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat dit in de toekomst nog een keer gebeurt?
Het is – zoals ik hiervoor heb toegelicht – belangrijk dat mensen die ontevreden zijn over het handelen van de politie een klacht indienen. De politie onderzoekt dan haar eigen optreden en dat is een goede manier om te leren en zo nodig werkwijzen aan te passen. Indien nodig kunnen de klagers de Ombudsman hierna vragen onafhankelijk onderzoek te doen. Daarnaast is het ook aan de politie zelf om werkwijzen te evalueren.
De onduidelijkheden die zijn gerezen bij de overdracht van data ten behoeve van het onderzoek naar de oversterfte gefaciliteerd door ZonMW |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Kunt u aangeven in welk specifiek bestand van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) de vaccinatiestatus van overleden personen staat geregistreerd en of die registratie nog hetzelfde detail (prikdatum, merk vaccin, batchnummer enzovoort) bevat als dat van de geregistreerde personen die in leven zijn? Zo nee, wilt u daar navraag naar doen bij het RIVM en de Kamer berichten wat eventuele discrepanties zijn tussen de beide registraties?
Gevaccineerde personen die daarvoor toestemming hebben gegeven worden geregistreerd in het vaccinatieregister CIMS. Dit register kan binnen de CBS microdata onderzoeksomgeving gekoppeld worden aan andere datasets, zoals het sterfte- en doodsoorzakenregister via een koppelsleutel die het CBS aanmaakt, het zogenaamde RIN. Indien data BSN informatie bevat, vindt pseudonimisatie plaats waarbij het BSN wordt vervangen door een nieuwe sleutel, het RIN, waardoor het koppelen van datasets mogelijk is en ook de privacy gewaarborgd is.
Op basis van de gekoppelde datasets is het dus mogelijk om te zien welke overleden personen gevaccineerd waren, mits deze personen toestemming hebben gegeven om hun data te gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek. Deze data wordt gebruikt binnen het oversterfteonderzoek.
Kunt u aangeven met welk specifiek veld het vaccinatiestatusregister van het RIVM na overdracht aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kan worden gekoppeld met het doodsoorzakenregister van het CBS, gezien het feit dat er in het doodsoorzakenregister van het CBS geen burgerservicenummer (BSN) staat vermeld en er ook geen ander gemeenschappelijk veld tussen die datasets bestaat waarmee koppeling kan plaatsvinden? Zo nee, wilt u daar navraag naar doen bij het CBS?
Zie antwoord vraag 1.
Indien er geen koppeling mogelijk is, hoe kunnen onderzoekers op individueel niveau vaccinatiestatus (RIVM) en doodsoorzaak (CBS) matchen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe heeft deze koppeling eerder plaatsgevonden toen het CBS en het RIVM op uw verzoek het rapport «Sterfte en Oversterfte in 2020 en 2021» hebben opgesteld?1
Bij het oversterfte onderzoek dat in juni 2022 is afgerond door het CBS en het RIVM is de vaccinatiedata op dezelfde manier als hierboven beschreven, gekoppeld aan doodsoorzakengegevens en de sterftedata. Het RIVM heeft binnen de beveiligde remote access omgeving van het CBS, onderzoek gedaan naar de redenen en oorzaken van oversterfte, gebruikmakend van CIMS vaccinatiedata.
Bent u bekend met het feit dat het CBS volgens informatie op haar website een automatische, softwarematige batch-classificatie van de doodsoorzaken zoals opgegeven in doodsoorzaakformulieren laat plaatsvinden met de door de WHO aanbevolen Iris software (ja/nee)? Dat met deze software ook de primaire doodsoorzaak kan worden bepaald (ja/nee)? Dat de daaruit voortvloeiende ICD-10 gecodeerde doodsoorzaken leidend zijn in de onderzoeken die door ZonMW worden gehonoreerd (ja/nee)? Kunt u de Kamer berichten, eventueel na navraag bij het CBS, wat de classificatiespecificiteit en -sensitiviteit van deze Iris software is ten opzichte van COVID-19, dat wil zeggen, wat de kans is op een COVID-19 classificatie als er geen sprake is van COVID als doodsoorzaak en de kans op een niet-COVID classificatie als er wel sprake is van COVID als doodsoorzaak? Kunt u deze waarden voor beide voor COVID gereserveerde ICD-10 codes opgeven, namelijk U07.1 en U07.2?
Ja, ik ben met al deze zaken bekend. Ruwweg 60 procent van alle doodsoorzaakverklaringen kan automatisch door Iris software gecodeerd worden. Ongeveer 40 procent wordt handmatig gecodeerd. Formulieren waarop door een arts melding is gemaakt van vermoedelijke of vastgestelde COVID-19 doodsoorzaak zijn allen echter handmatig onderzocht en gecodeerd. Classificatiespecificiteit en -sensitiviteit van de Iris software is in deze situatie daarom niet van toepassing. Aanvullend vertrouw ik op de professionaliteit van de artsen die de doodsoorzaken registreerden van de overleden patiënten.
Wilt u het CBS verzoeken om bij de landelijke doodsoorzakenrapportage op haar website ook de ICD-10 codes bij de diverse rubrieken te vermelden, zoals ook in andere landen gebruikelijk is? Zo nee, waarom niet?
De ICD-10 codes worden door het CBS bij de diverse rubrieken vermeld2.
Is het op basis van bovengenoemde registratie en classificatie niet mogelijk om de meest prevalente doodsoorzaken in die groep te rapporteren, gezien het feit dat in diverse krantenberichten staat te lezen dat het CBS ruim 3.000 doden niet kan verklaren in de periode van de derde prik voor de immuungecompromitteerden en de boosterprik van de rest van de populatie in het vierde kwartaal van 2021? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat naar aanleiding van de huidige oversterfte rapportages van het CBS er in 2021 een deel (nog) niet te verklaren oversterfte is. Dit betekent echter niet dat er voor deze groep overledenen geen doodsoorzaken bekend zijn. Er wordt momenteel aanvullend en diepgaand onderzoek uitgevoerd naar de redenen en oorzaken van de oversterfte in 2020 en 2021.
Heeft het CBS de code U12 in de doodsoorzakenclassificatie en daaropvolgend rapport «Sterfte en Oversterfte in 2020 en 2021» meegewogen, gezien het feit dat de WHO diverse ICD-codes vastgesteld heeft voor preventie, diagnose en post-covid registratie en dat de code U12 door de WHO in januari 2021 voor (ook fatale) bijwerkingen van vaccinatie gereserveerd is? Zo nee, waarom niet?2
Binnen het oversterfteonderzoek hebben RIVM en het CBS een analyse verricht naar mogelijk overlijden als gevolg van bijwerkingen van vaccinaties. Het CBS heeft in dit kader alle doodsoorzaakverklaringen waarop melding is gemaakt van bijwerkingen van COVID-19 vaccinaties onderzocht. In 11 gevallen, waarbij er geen sprake was van onderliggend lijden, werd door artsen op de doodsoorzaakverklaring vermeld dat aandoeningen na vaccinatie tegen COVID-19 mogelijk het startpunt van de causale keten zouden kunnen zijn. Hierbij werden zowel bekende bijwerkingen als nog niet als bijwerking bekende aandoeningen vermeld. De resultaten zijn vergelijkbaar met bevindingen van bijwerkingencentrum Lareb.
De 11 gevallen waarbij vaccinatie tegen COVID-19 mogelijk het startpunt van de causale keten zou kunnen zijn, moeten afgezet worden tegen de 166.076 doodsoorzakenverklaringen die in 2021 zijn ontvangen.
Kunt u aangeven welke impact het weglaten van een doodsoorzaak gerelateerd aan vaccinatie (bijvoorbeeld U12) heeft in de classificatie van doodsoorzaken en de daarop gebaseerde wetenschappelijke onderzoeken, als in dit proces een mogelijk significante doodsoorzaak niet wordt meegenomen?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u uitvoerig ingaan op welke ICD-10 codes die de WHO in het bovenstaande document aanbeveelt in Nederland straks in iemands medisch dossier worden opgenomen en of zorgverzekeraars toegang hebben tot bijvoorbeeld iemands vaccinatiestatus?
De ICD-10 codes worden bij klinische opnamen, dagopnamen en langdurige observaties geregistreerd ten behoeve van de Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg op basis van het medische dossier van de patiënt. Ziekenhuizen worden geadviseerd om code U12.9 vast te leggen voor eventuele ongewenste gevolgen en bijwerkingen van een COVID-19 vaccinatie. Zorgverzekeraars hebben geen directe inzage in de doodsoorzaak of in de vaccinatiestatus van een persoon.
Kunt u in het algemeen en uitvoerig ingaan hoe welke COVID-specifieke ICD-codes, die in het bovengenoemde WHO-document vermeld staan, op welke wijze worden en zullen worden toegepast in Nederland?
Vanaf 2020 zijn voor COVID-19 door de WHO een tweetal codes toegevoegd aan de lijst met ICD-10 codes.
Namelijk:
Deze ICD-10 codes zijn vanaf het begin van de COVID-19 epidemie gebruikt voor de registratie van aan COVID-19 overleden personen. De WHO werkt op dit moment aan meer actuele richtlijnen voor de classificatie van dergelijke gevallen.
Het World Economic Forum (WEF) |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is het correct dat u een spreker («speaker») was tijdens het jaarlijkse congres van het World Economic Forum (WEF) afgelopen januari in Davos?1
Ik heb tijdens het World Economic Forum 2023 deelgenomen aan drie paneldiscussies. De eerste paneldiscussie was het «Ukrainian breakfast»2, de tweede paneldiscussie was «Finding Europe’s new growth»3 en de derde paneldiscussie was «Repowering the World»4. Deze drie paneldiscussies zijn gelivestreamd en terug te zien op YouTube.
Indien dit correct is, kan de Kamer de tekst ontvangen van deze toespraak die u bij het WEF heeft gegeven?
Zie het antwoord op vraag 1.
De registratie van fraudeurs door verzekeraars |
|
Henk Nijboer (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederlandse verzekeraars spelen voor aanklager en rechter tegelijk»?1
Ja.
Mogen verzekeraars zelf een lijst van fraudeurs bijhouden? Zo ja, waarom en welke wet- of regelgeving staat dit toe of stelt hier voorwaarden aan? Zo nee, waarom niet?
Verzekeraars wisselen samen met in totaal ruim 160 financiële instellingen informatie met elkaar uit over incidenten via het zogenaamde Incidenten Waarschuwingssysteem Financiële Instellingen. Het waarborgen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector is essentieel. Verzekeraars hebben dan ook de wettelijke verplichting tot het voeren van een beheerste en integere bedrijfsvoering.2 In dat kader moeten verzekeraars beschermende maatregelen nemen om effectief op te treden tegen criminaliteit (waaronder fraude en misbruik). Fraudeurs beperken zich immers zelden tot één instelling. Met het incidentenwaarschuwingssysteem geven verzekeraars dus invulling aan een wettelijke verplichting.
Het is belangrijk om te voorkomen dat verzekeraars betrokkenen te lichtvaardig in een register opnemen. De diensten van financiële instellingen zoals verzekeraars hebben namelijk betrekking op financiële producten die een normale deelname aan het economisch verkeer mogelijk maken. Met de registratie kunnen verzekeraars de toegang van personen tot financiële producten beperken. Het registreren van persoonsgegevens in een dergelijk register en specifiek van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 1 UAVG is daarom omgeven met veel wettelijke waarborgen en is in beginsel het domein van de overheid. Private organisaties mogen alleen persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in Nederland verwerken wanneer de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) hiervoor toestemming verleent.3
De regels en waarborgen met betrekking tot het incidentenwaarschuwingssysteem zijn door vijf brancheverenigingen4 vastgelegd in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI).5 Het PIFI schept voorwaarden voor een behoorlijke en zorgvuldige gegevensverwerking. Per 1 april 2021 heeft de AP goedkeuring verleend aan dit protocol.6 Volgens de AP hebben financiële instellingen voldoende aangetoond dat zij een zwaarwegend belang hebben bij het gebruik van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard in dit register. De AP heeft geconcludeerd dat behoorlijke en zorgvuldige gegevensverwerking binnen de wettelijke eisen aannemelijk is.
Weten verzekerden als zij door een verzekeraar aangemeld worden bij het zogeheten Extern Verwijzingsregister? Zo ja, hoe worden zijn daarvan op de hoogte gesteld? Zo nee, waarom weten zij dat niet?
Ja, verzekeraars stellen de betrokkene daar in beginsel van op de hoogte. Betrokkenen van wie persoonsgegevens in het incidentenwaarschuwingssysteem zijn opgenomen hebben volgens het PIFI recht op een mededeling van opname in het register. Een mededeling blijft alleen in uitzonderingssituaties achterwege. Dit is onder meer het geval voor zover dat noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten, de bescherming van de betrokkene of de rechten en vrijheden van anderen. De afweging om de mededeling achterwege te laten moet de verzekeraar vastleggen. Wanneer een betrokkene niet is geïnformeerd over opname in het register, wordt hij door de verzekeraar op de hoogte gesteld van opname zodra een toets heeft geresulteerd in een «hit». Dit gebeurt in situaties waarin een persoon bij een andere verzekeraar een verzekeringsaanvraag indient, en de andere verzekeraar in het incidentenwaarschuwingssysteem ziet dat de aanvrager is geregistreerd. De AP heeft geconcludeerd dat het voldoende aannemelijk is dat het PIFI voldoet aan de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie.
Hoeveel klachten zijn er de afgelopen vijf jaar door verzekerden over plaatsing in het register bij het Klachteninstituut Financiele Dienstverlening (Kifid) ingediend en in hoeveel gevallen was het oordeel dat een verzekerde ten onrechte in dat register stond? Welke andere mogelijkheden hebben verzekerden nog meer om zich tegen plaatsing in het register te verzetten?
In 2021 heeft het Kifid 102 klachten gericht tegen verzekeraars behandeld met betrekking tot registratie in het incidentenwaarschuwingssysteem. Bij 17% van deze klachten heeft de geschillencommissie (in een uitspraak) de betrokkene geheel (4%-punt) of deels (13%-punt) in het gelijk gesteld. In 2022 heeft het Kifid 135 klachten gericht tegen verzekeraars behandeld. De geschillencommissie heeft dat jaar (in een uitspraak) bij 21% van deze klachten de betrokkene geheel (3%-punt) of deels (18%-punt) in het gelijk gesteld. In beide jaren heeft het Kifid in iets meer dan de helft van de gevallen de klacht opgelost via bemiddeling. Dat wil zeggen dat een oplossing is gevonden naar tevredenheid van de betrokkene en de verzekeraar. Deze oplossingen kunnen heel verschillend zijn, waaronder het verkorten van de duur van de registratie. In de overige situaties zijn de klachten ongegrond verklaard of om een andere reden afgelopen (bijvoorbeeld bij het tussentijds intrekken van de klacht door de betrokkene). Kifid beschikt niet over dergelijke (betrouwbare) informatie over het aantal klachten van betrokkenen voor de jaren 2018, 2019 en 2020.
Wanneer een persoon het niet eens is met opname in het incidentenwaarschuwingssysteem, kan hij in de eerste plaats bezwaar maken bij de verzekeraar die het incident registreert. De verzekeraar beoordeelt zo snel als mogelijk en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het bezwaar of het bezwaar gerechtvaardigd is. Indien hij het bezwaar gerechtvaardigd vindt, beëindigt hij direct de registratie. Wanneer dit niet het geval is, kan de betrokkene zich wenden tot het bestuur van de verzekeraar. Wanneer deze stap niet leidt tot een oplossing kan de betrokkene zicht wenden tot het Kifid, dan wel de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) indien het geschil betrekking heeft op de zorgverzekering of ziektekostenverzekering, de AP of de bevoegde rechter.
Acht u het begrijpelijk dat verzekeraars geen aangifte doen van fraude maar de voorkeur geven aan het via het register kunnen opleggen van eigen maatregelen? Zo ja, waarom en acht u dit ook wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Als volgens een verzekeraar in voldoende mate vaststaat dat een persoon betrokken is bij een gedraging die een bedreiging vormt, vormde of kan vormen voor de (financiële) belangen van klanten en/of medewerkers van de verzekeraar, voor de verzekeraar zelf, of voor de integriteit van de financiële sector, dan zal de verzekeraar volgens het PIFI in principe aangifte doen. In sommige situaties gebeurt dat, in overleg met het OM, niet (meteen). In zaken waar sprake lijkt van het in georganiseerd verband op grote schaal misbruik maken van het stelsel van financiële dienstverlening, bepaalt de verzekeraar conform het PIFI in overleg met het OM op welk moment de verzekeraar het beste aangifte kan doen en bij welke opsporingsinstantie dat het meest effectief is. Bij klachtmisdrijven zoals het schenden van geheimen kan alleen het slachtoffer aangifte doen, niet de verzekeraar. Verder is in het PIFI bepaald dat verzekeraars het proportionaliteitsbeginsel in acht moeten houden bij de keuze om over te gaan tot aangifte van een strafbaar feit. De verzekeraar maakt deze afweging en legt deze vast.
Personen en private organisaties zoals een verzekeraar hebben nooit een verplichting om aangifte te doen van een strafbaar feit zoals fraude. Het kabinet heeft er begrip voor dat verzekeraars niet in alle situaties overgaan tot aangifte, maar een afweging maken op basis van proportionaliteit. Een aangifte kan namelijk voor de betrokkene verstrekkende gevolgen, bijvoorbeeld ten aanzien van het vinden of behouden van werk. Een situatie waarbij aangifte doen volgens het PIFI disproportioneel kan zijn is bijvoorbeeld wanneer een jongere die door middel van het beschikbaar stellen van zijn of haar bankrekening betrokken is bij fraudeleuze praktijken of wanneer een first offender zich niet bewust was van de gevolgen van zijn handelen.
Ook registratie in het incidentenwaarschuwingssysteem kan nadelige gevolgen hebben voor de betrokkene, maar die zijn vaak minder verstrekkend dan wanneer de verzekeraar tevens aangifte doet van een strafbaar feit. Dat verzekeraars zorgvuldig afwegen of aangifte naast registratie proportioneel is, betekent niet dat zij in het algemeen lichtvaardig omgaan met registratie. Ook wanneer een verzekeraar over gaat tot registratie en geen aangifte volgt, blijft het uitgangspunt dat de verzekeraar moet kunnen aantonen dat in voldoende mate vaststaat dat de gedraging de kwalificatie strafbaar feit kan dragen en dat voldoende bewijs van betrokkenheid tegen de betrokkene beschikbaar is. In die zin kan de betrokkene baat hebben wanneer een verzekeraar niet overgaat tot het doen van aangifte. De AP heeft het proportionaliteitsbeginsel ook nadrukkelijk meegewogen in het uiteindelijke positieve oordeel ten aanzien van het PIFI.
Deelt u de mening dat strafbare feiten zoals fraude bij voorkeur via het strafrecht aangepakt zouden moeten worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Een aanpak van criminaliteit, zoals verzekeringsfraude, is pas effectief als de repressie via het strafrecht wordt voorafgegaan door effectieve preventie. De inzet van verzekeraars is hierop gericht en vult de aanpak aan. Uiteraard moeten er zowel bij de strafrechtelijke repressie als preventie goede rechtswaarborgen zijn. Die zijn er in mijn ogen en in die van de AP ook. In dit kader vind ik het daarom goed dat het uitgangspunt in het PIFI is dat een verzekeraar aangifte doet van strafbare feiten. Zoals ik in het antwoord op vraag 5 ook toelicht, heb ik er echter ook begrip voor dat verzekeraars niet altijd over gaan tot aangifte vanwege onder andere proportionaliteitsoverwegingen.
Deelt u de mening dat er betere regels en waarborgen moeten komen voor het bijhouden van een register van fraudeurs door verzekeraars? Zo ja, aan welke regels en waarborgen denkt u en hoe gaat u hier zorg voor dragen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat deel ik niet met u. Er zijn diverse wettelijke waarborgen ten aanzien van het beschermen van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard. Voor het verwerken van zulke persoonsgegevens door private organisaties zoals verzekeraars moet de AP onder meer een vergunning verlenen. De AP toetst in dat kader of behoorlijke en zorgvuldige gegevensverwerking binnen de wettelijke eisen aannemelijk is. In 2021 heeft de AP geconcludeerd dat dit het geval is. Ik vind het PIFI een voorbeeld dat laat zien dat de verwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard kan, binnen de gestelde wettelijke waarborgen.
Het bericht ‘Telefoonlijnen roodgloeiend bij uitkerende instanties over tegenvallende AOW-uitkering’ |
|
Liane den Haan (GOUD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Telefoonlijnen roodgloeiend bij uitkerende instanties over tegenvallende Algemene Ouderdomswet (AOW-)uitkering»?1
Ja.
Wat vindt u van de onrust die is ontstaan doordat mensen onvoldoende op de hoogte waren van de hoogte van de stijging van de AOW?
Het is spijtig dat er onrust en onduidelijkheid is ontstaan over de hoogte van de stijging van de AOW-uitkering. Ik begrijp dat sommige mensen de verwachting hadden dat de AOW-uitkering die zij op hun bankrekening gestort krijgen met 10% zou stijgen.
Kunt u aangeven waarom AOW’ers niet proactief zijn geïnformeerd over deze wijziging? Gaat u ervoor zorgen dat dat alsnog gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Op verschillende websites is aandacht besteed aan de verhoging van de AOW-uitkering per 1 januari 2023. In december zijn er op de website van de rijksoverheid teksten geplaatst om ouderen te informeren. Daar is vermeld dat de AOW-bedragen wel zijn gestegen, maar niet met 10%. Ook is er in december een nieuwsbericht uitgegaan over wat er verandert in 2023 op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het nieuwsbericht is onder meer aangegeven dat de extra inkomenstoeslag op de AOW – de IOAOW – verlaagd is van € 26,38 naar € 5 per maand. Daarnaast zijn op de website van de SVB de nieuwe AOW-bedragen voor 2023 vermeld. Daarbij is ook aangegeven dat de inkomensondersteuning AOW vanaf januari 2023 wordt verlaagd van € 26,38 naar € 5,00. Er is dus proactief gecommuniceerd over de stijging van de AOW-uitkering, tegelijk begrijp ik dat niet iedereen deze boodschap heeft ontvangen.
Uit gegevens over de dienstverlening van de SVB blijkt een lichte stijging van het aantal telefoongesprekken ten opzichte van januari vorig jaar. In januari 2022 waren dit 45.870 AOW-gesprekken en dit jaar 48.109. Een toename van minder dan 5%. Uit gegevens van de SVB blijkt voorts dat met name de webpagina over de nieuwe bedragen in januari aanzienlijk vaker is bezocht. De pagina is in januari door ca. 860.000 unieke bezoekers bekeken. Een jaar eerder bezochten ca. 275.000 personen deze informatie op.
Bent u het eens dat de AOW’ers minstens gecompenseerd zouden moeten worden voor de inflatie? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp de zorgen die leven over de koopkracht en inkomensontwikkeling van kwetsbare groepen in onze samenleving. Deze zorgen deel ik. Met deze zorgen in het achterhoofd heeft het kabinet tijdens de voorjaars- en augustusbesluitvorming gekeken naar het inkomensbeeld in 2023.
Het kabinet heeft daarbij gekeken hoe de koopkracht van kwetsbare groepen in de samenleving zo gericht mogelijk ondersteund kan worden. De AOW-uitkering is daarbij verhoogd. Daarnaast hebben AOW-gerechtigden baat bij diverse maatregelen voor 2023 die specifieker zijn gericht op het ondersteunen van kwetsbare groepen, zoals het prijsplafond voor energie. AOW’ers met een laag inkomen maken in 2023 tevens aanspraak op onder meer een hogere huurtoeslag en zorgtoeslag. Daarmee is sprake van een groot pakket aan maatregelen waar ook gepensioneerden baat bij hebben.
Wat gaat u doen voor de AOW’ers die amper rond kunnen komen, gezien alle stijgende kosten? U roept werkgevers op werknemers te ondersteunen of een salarisverhoging te geven. Wat kan de AOW’er van de overheid verwachten?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘UMCG getroffen door Russische cyberaanval, meer ziekenhuizen onder vuur’ |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «UMCG getroffen door Russische cyberaanval, meer ziekenhuizen onder vuur»?1
Ik vind het zeer zorgelijk dat Nederlandse ziekenhuizen het doelwit zijn van DDoS-aanvallen.
Zijn er de afgelopen maanden meer van dit soort aanvallen geweest? Zo ja, kunt u vertellen welke ziekenhuizen of andere zorginstellingen hierdoor zijn getroffen?
Het digitaal aanvallen van Nederlandse ziekenhuizen door middel van DDoS-aanvallen is niet eerder waargenomen door het Computer Emergency Response Team voor de zorg (Z-CERT), het Nationaal Cyber Security Center (NCSC) of hun (internationale) partners.
In hoeverre vormen deze aanvallen een risico voor de patiëntenzorg?
Tijdens de DDoS-aanvallen waar het artikel naar verwijst is de zorgcontinuïteit niet in het geding geweest. Tegelijkertijd kunnen diensten die een rol spelen bij de zorg voor patiënten wel verstoord worden door een DDoS-aanval. Het risico hierop wordt mede bepaald door de preventieve maatregelen van de zorgorganisatie, de inrichting van het netwerk en de eigenschappen van de DDoS-aanval.
In hoeverre zijn Nederlandse ziekenhuizen in het algemeen voorbereid op cyberaanvallen, zoals DDoS-aanvallen?
Ziekenhuizen nemen maatregelen om de gevolgen van cyberaanvallen te beperken, en waar nodig zo spoedig mogelijk te mitigeren. Zo hebben ziekenhuizen afspraken met hun ICT-leveranciers over veiligheidseisen aan ICT-producten, en over beheers- en mitigerende maatregelen. Diverse Nederlandse ziekenhuizen maken bijvoorbeeld gebruik van een DDoS-«wasstraat» die ze helpt om DDoS-aanvallen af te kunnen weren.
Nederlandse ziekenhuizen moeten daarnaast wettelijk verplicht voldoen aan normen voor informatiebeveiliging in de zorg: de NEN 7510, 7512 en 7513. De NEN-7510 schrijft onder andere voor dat ziekenhuizen de risico’s voor informatiebeveiliging in kaart brengen en hiervoor passende maatregelen nemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor de bescherming van netwerken, bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid.
Alle ziekenhuizen in Nederland die lid van zijn van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) of de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) zijn daarnaast aangesloten bij Z-CERT. Z-CERT voorziet de ziekenhuizen van advies en dreigingsinformatie, en in het geval van een incident kan Z-CERT een ziekenhuis ondersteunen bij het mitigeren van de gevolgen van een cyberaanval. Daarbij heeft Z-CERT onder andere contact met NCSC.
In hoeverre zijn ziekenhuizen voorbereid op het wegvallen van IT-systemen? Hoe groot is de kans dat ziekenhuizen helemaal stilvallen bij grotere cyberaanvallen?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor het leveren van goede en veilige zorg. Een onderdeel daarvan is dat zij risico’s inventariseren en bijpassende maatregelen treffen om deze risico’s te beheersen. Een voorbeeld van een risicobeheersmaatregel is een noodscenario om bij uitval van ICT-systemen tijdelijk een alternatieve voorziening te gebruiken.
Welke acties onderneemt u om ziekenhuizen en andere zorginstellingen te ondersteunen om zich beter tegen cyberaanvallen te beschermen?
Bewustwording van risico’s en het belang van zorgvuldig handelen door eigen medewerkers is essentieel voor goede informatieveiligheid, ook in de zorg. Ik zet daarom ten eerste in op het stimuleren van informatieveilig gedrag van zorgprofessionals. Daarvoor is het Ministerie van VWS in 2019 het project informatieveilig gedrag gestart. Via dit project werk ik aan een gestructureerde methode voor gedragsverandering op het gebied van informatieveiligheid, toegespitst op de Nederlandse zorgsector. In mijn brief «Voortgang op elektronische gegevensuitwisseling» van 15 december 2022 heb ik uw Kamer hier nader over geïnformeerd.2
Daarnaast zorg ik er samen met het zorgveld voor dat we de eerder genoemde NEN-normen voor informatiebeveiliging blijven ontwikkelen, en breng ik deze normen actief onder de aandacht bij zorgaanbieders. Zo heb ik NEN in 2022 de opdracht gegeven om een herziening van de NEN-7510 te coördineren, en daarbij ook implementatietools te ontwikkelen.
Ook stimuleert het Ministerie van VWS op basis van een risicogebaseerde aansluitstrategie dat steeds meer zorgaanbieders lid worden van Z-CERT. Op dit moment zijn bijna 300 instellingen uit verschillende sub-sectoren aangesloten bij Z-CERT. Het Ministerie van VWS blijft zich inzetten om de dienstverlening van Z-CERT zo breed mogelijk beschikbaar te stellen binnen de gehele zorgsector. Daarbij wordt rekening gehouden met het absorptievermogen van Z-CERT.
In januari 2023 heeft het Ministerie van VWS daarnaast samen met ROAZ Zuidwest-Nederland en GHOR Zuid-Holland Zuid een grootschalige oefening georganiseerd. Hierbij is gezamenlijk geoefend met een scenario waarin sprake was van digitale verstoring van onder andere de ziekenhuiszorg. De lessen die hieruit zijn getrokken zullen de komende tijd worden gebruikt om de voorbereiding op dergelijke incidenten te verbeteren.
Tot slot wordt de komende tijd gewerkt aan de implementatie van nieuwe Europese richtlijnen met betrekking tot informatieveiligheid (NIB2) en algemene weerbaarheid (CER). Over de deze implementatie zal ik uw Kamer binnenkort nader informeren.
Is deze cyberaanval op het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) voor u een aanleiding om aanvullende acties te ondernemen om de cyberveiligheid van Nederlandse zorginstellingen te versterken?
De cyberaanval op het UMCG onderstreept het belang van de cyberweerbaarheid van de Nederlandse samenleving in zijn geheel, en de zorgsector in het bijzonder. Het vergroten van de cyberweerbaarheid van de Nederlandse samenleving is een van de speerpunten van dit kabinet. In de Nationale Cybersecurity Strategie die in september 2022 is gepresenteerd heeft het Ministerie van VWS ook een aantal aanvullende acties gepresenteerd om de cyberweerbaarheid op peil te houden.
Het bericht 'Dordts asielzoekerscentrum komt waarschijnlijk op bedrijventerrein Distripark langs de A16' |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat Dordrecht het goede voorbeeld geeft door vooruit te lopen op te spreidingswet en bereid is een asielzoekerscentrum voor minimaal 500 asielzoekers te vestigen?1
Ik ben al geruime tijd in overleg met de medeoverheden, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Veiligheidsberaad, en de Commissarissen van de Koning in hun rol als Rijksorgaan, met als doel het verhogen van de beschikbare opvangcapaciteit voor asielzoekers. Daarnaast werk ik aan het wetsvoorstel Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen om de opvanglocaties beter te spreiden over het land en voldoende opvangcapaciteit te waarborgen. Het initiatief en de intentie van de gemeente Dordrecht zie ik dan ook als een positieve ontwikkeling. Ik ben de gemeente Dordrecht hier dan ook erkentelijk voor.
Hoe kijkt u naar één van de door de gemeente Dordrecht gestelde voorwaarden voor het asielzoekerscentrum, namelijk dat asielzoekers straks fulltime mogen werken? Welke stappen gaat u zetten om aan deze voorwaarden te voldoen?
De mogelijkheid om te werken tijdens de asielprocedure kan een waardevolle bijdrage leveren aan het integratieproces van asielzoekers in de Nederlandse samenleving. Op dit moment bestaat wettelijk de mogelijkheid om 24 weken per 52 weken te werken nadat asielzoekers 6 maanden in procedure verkeren. Om meer inzicht te krijgen in de belemmeringen die de asielzoekers in procedure ervaren om toe te treden tot de arbeidsmarkt, laat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hiernaar op dit moment onderzoek verrichten. De inzichten uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt bij de vraag of een beleidswijziging gewenst is. Het kabinet acht het niet wenselijk om vooruit te lopen op de resultaten van het onderzoek. Besluitvorming over een eventuele beleidswijziging vergt een zorgvuldige weging van aspecten op verschillende terreinen. In dat kader is het nu niet wenselijk om, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek, in te gaan op de voorwaarde die de gemeente hierover stelt.
Bent u bekend met het feit dat meerdere gemeenten die bezig zijn met opvanglocaties – zoals Utrecht en Zwolle – de wens hebben uitgesproken om asielzoekers die op die locaties worden opgevangen te laten werken?
Ja. Uit verschillende delen van het land hebben signalen mij bereikt over de wens om de arbeidsmogelijkheden voor asielzoekers uit te breiden.
Bent u bereid om op korte termijn met deze gemeenten in gesprek te gaan om te kijken welke mogelijkheden er zijn om asielzoekers snel, desnoods in de vorm van pilots, op een of meer locaties de mogelijkheid te geven om direct en het hele jaar te laten werken?
Zie het antwoord op vraag 2.
De mogelijkheid om de Chinese applicatie TikTok te weren van mobiele werkdevices van medewerkers van de Rijksoverheid |
|
Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het onduidelijk is in hoeverre de gegevensbescherming van TikTok voldoet en dat de Chinese applicatie daarmee een potentieel hoog veiligheidsrisico heeft?
In de begeleidende brief bij deze antwoorden, ben ik nader ingegaan op risico’s voor de rijksoverheid, en de stappen die ik in reactie daarop ga nemen.
Als het gaat om het voldoen van TikTok aan de geldende regels, doet op dit moment de Ierse privacytoezichthouder (de zogenaamde Data Protection Commission), als leidende EU-privacytoezichthouder, onderzoek naar de wijze waarop TikTok persoonsgegevens verwerkt. Het onderzoek van de Ierse toezichthouder richt zich onder andere op rechtmatigheid van de overdracht door TikTok van persoonsgegevens naar derde landen waaronder China en de naleving van de vereisten van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) voor deze overdrachten.
De Minister voor Rechtsbescherming heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) gevraagd om bij haar Ierse collega te vragen naar de stand van zaken van dit onderzoek. Uit deze navraag blijkt dat de onderzoeksresultaten in de eerste helft van 2023 worden verwacht. Uit dit onderzoek zal blijken in hoeverre de gegevensbescherming van TikTok voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.
Hoe kijkt u naar de ontwikkeling in de Verenigde Staten waar het besloten is om publieke vertegenwoordigers te verbieden TikTok op hun mobiele werkdevice te hebben en zou u dit ook aan Nederlandse volksvertegenwoordigers adviseren?1
Zoals aangegeven in de begeleidende brief, is in het traject de afgelopen weken nauw contact geweest met Europese partners, en hun beleid rondom mobiele apparaten bij de overheid en TikTok. Deze contacten hebben daarmee bijgedragen aan de in de brief genoemde besluiten.
De risico’s die naar voren zijn gekomen, gelden niet alleen voor de rijksoverheid, maar kunnen ook breder gelden. Ik adviseer het Nederlandse parlement dan ook om kennis te nemen van de brief, en met inachtneming van zijn eigen onafhankelijke positie, te besluiten over eventuele extra veiligheidsmaatregelen.
Bent u bereid medewerkers van de rijksoverheid en andere overheidsambtenaren te verbieden de applicatie TikTok op hun mobiele werkdevice te hebben, om op die manier potentiele risico’s te verkleinen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het beleid zoals geformuleerd in de begeleidende brief bij deze antwoorden.
De gewelddadige aanslagen in Palestina en Israël en de dreiging van escalatie van het conflict |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de dodelijke aanslag in het Palestijnse vluchtelingenkamp in Jenin van donderdag jongstleden?1
Ja.
Wat vindt u van deze gewelddadige inval door het Israëlische leger?
Het hoge aantal slachtoffers als gevolg van de operatie in Jenin baart het kabinet zorgen. Het kabinet roept Israël op terughoudend te zijn met het gebruik van geweld in veiligheidsoperaties en verwacht van Israël dat ieder geweldsgebruik proportioneel is.
Bent u bereid deze vorm van geweld door het Israëlisch leger stevig te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met de aanslag die vrijdagavond jongstleden plaatsvond bij een synagoge in Jeruzalem?2
Ja.
Wat vindt u van deze gewelddadige actie, en hoe kijkt u naar het feit dat dit vermoedelijk een directe reactie was op de aanslag in Jenin?
De gewelddadige actie in Neve Yaakov is zeer triest en ik heb mijn afschuw hierover geuit. Spanningen lopen verder op getuige de door u genoemde voorbeelden. Het is in het belang van beide partijen om verdere escalatie te voorkomen. Nederland roept hier nadrukkelijk toe op en spreekt zich uit tegen unilaterale stappen die de situatie verder onder druk zetten. Ook op Europees niveau wordt hierop gereflecteerd om te bezien hoe de EU kan bijdragen aan de-escalatie. Ook steunt Nederland in dit kader de recente initiatieven van de VS.
Bent u bereid deze vorm van geweld door de Palestijnen streng te veroordelen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw kijk op het gegeven dat de frequentie van agressieve acties door zowel de Palestijnen als het Israëlische leger toeneemt en verdere escalatie van het conflict dreigt? Bent u bereid dit te veroordelen, en welke vervolgstappen bent u van plan te nemen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op het feit dat de Palestijnse Autoriteit de stilte vanuit de internationale gemeenschap over de aanval in Jenin bekritiseert, nu mede door mensenrechtenorganisaties is bevestigd dat de Palestijnen lijden onder schending van mensenrechten door het Israëlisch regime?3
Nederland heeft de VN-verklaring waarin gealarmeerd is gereageerd op de operatie in Jenin onderschreven, en beide partijen opgeroepen tot de-escalatie. Nederland blijft zich uitspreken tegen schendingen van internationaal recht en het oplopende geweld.
Hoe apprecieert u het gegeven dat de Verenigde Naties hieromtrent recentelijk het Internationaal Gerechtshof gevraagd heeft de legaliteit te onderzoeken van de Israëlische bezetting en de annexatie van de Palestijnse gebieden?
Een Advisory Opinion van het Internationaal Gerechtshof is een gezaghebbend instrument dat bijdraagt aan de ontwikkeling van de internationale rechtsorde. Het Internationaal Gerechtshof wordt gevraagd een Advisory Opinion over de juridische consequenties van de Israëlische bezetting te formuleren.
Nederland heeft zich onthouden van stemming over de resolutie «Israeli practices affecting the human rights of the Palestinian people in the Occupied Palestinian Territory, including East Jerusalem» waar de adviesaanvraag aan het Internationaal Gerechtshof onderdeel van is. Deze aanvraag is pas laat in de onderhandelingen over deze resolutie ingebracht. Dit liet weinig tijd voor discussie over de tekst van de aanvraag, terwijl zorgvuldige formulering het Internationaal Gerechtshof beter in staat stelt alle relevante overwegingen mee te nemen.
Daarnaast bevat deze resolutie een referentie aan de heilige plaatsen in Jeruzalem waarin alleen de Arabische benaming van de Haram al-Sharif wordt genoemd. Nederland zet zich actief in binnen EU-verband om balans in te brengen in de aanduiding van de heilige plaatsen, conform motie van het Eerste Kamerlid Schalk (Kamerstuk 35 403, J).
Kunt u aangeven waarom Nederland zich hieromtrent heeft onthouden van stemming, juist terwijl Nederland aangeeft het Internationaal recht te willen toepassen als het gaat om Israël?4
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid uit te spreken dat het Nederlandse kabinet zich inzet om te bewerkstelligen dat het internationaal recht overal wordt toegepast, ook in Israël? Kunt u aangeven hoe Nederland dit doet?
Nederland blijft de Israëlische regering consistent wijzen op haar internationaalrechtelijke verplichtingen, zowel in bilateraal als in EU-verband. Dit is bijvoorbeeld ook gebeurd tijdens de eerste contacten op politiek niveau met de nieuwe Israëlische regering. Op Europees niveau heeft de Associatieraad de mogelijkheid geboden om dit belang te onderstrepen. De opvolging van deze raad, bijvoorbeeld in de bijeenkomsten van het mensenrechten- of politieke comité, bieden hier tevens ruimte voor.
Welke manieren ziet u om hieromtrent een duidelijk signaal af te geven aan de Israëlische autoriteiten?
Zie antwoord op vraag 11.
De berichtgeving over energiearmoede en schimmel in woningen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers , Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Honderdduizenden huishoudens zetten kachel lager: huizen vol schimmel het gevolg»?1
Ja
Wat vindt u ervan dat de energiearmoede inmiddels zo hard oploopt en dusdanig ernstig is, dat mensen niet langer onder gezonde omstandigheden in hun eigen woning kunnen wonen?
De cijfers uit de CBS/TNO-energiearmoedemonitor en de aanvullende analyse van TNO zijn zorgelijk. Huishoudens in Nederland hebben veel last van de gestegen energierekening. Dit geldt in het bijzonder voor mensen in slecht geïsoleerde huurwoningen. Daarom heeft het kabinet een prijsplafond ingevoerd naast het brede koopkrachtpakket voor 2023. Op 7 februari jl. is ook het Tijdelijk Noodfonds Energie gelanceerd, waar het kabinet een subsidie voor heeft verstrekt. Dit noodfonds betaalt een deel van de energierekening voor huishoudens die een te groot deel van hun inkomen kwijt zijn aan de energierekening. Deze maatregelen dringen het aantal huishoudens met energiearmoede terug.
Momenteel worden verschillende denkrichtingen verkend over het te voeren beleid rondom de hoge energieprijzen voor de komende jaren. Mede naar aanleiding van de Motie Van der Lee/Kathmann heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd2 welke maatregelen het kabinet verkent om huishoudens die kwetsbaar zijn voor de gevolgen van hoge energieprijzen de komende jaren gericht te ondersteunen tijdens de afbouw van de generieke maatregelen. Daarbij ligt de focus op huishoudens die kwetsbaar zijn voor de hoge energieprijzen.
Weet u hoeveel mensen in Nederland op dit moment te kampen hebben met energie-armoede, waardoor zij hun huizen niet meer adequaat kunnen verwarmen? Als u de actuele situatie niet inzichtelijk heeft, bent u dan voornemens om deze in kaart te brengen?
De Minister voor Klimaat en Energie heeft uw Kamer op 27 januari 2023 geïnformeerd over de Monitor Energiearmoede in Nederland (Kamerstuk 29 023, nr. 390). We spreken van energiearmoede als een huishouden te maken heeft met een laag inkomen in combinatie met een te hoge energierekening en/of een woning van (zeer) slechte energetische kwaliteit. In de eerste Monitor Energiearmoede geeft het CBS informatie over 2019 en 2020; de cijfers van 2020 zijn de meest actuele cijfers. Hieruit volgt dat 6,4% van het totaal aantal huishoudens (ongeveer 512.000 huishoudens) te maken heeft met energiearmoede in dat jaar.
Om een beeld te krijgen bij de ontwikkeling van energiearmoede na 2020 heeft TNO een actuele inschatting van het niveau van energiearmoede eind 2022 op zowel nationaal als lokaal niveau opgesteld. Deze analyse is gebaseerd op inschattingen en aannames op basis van cijfers van het CBS die zijn vastgesteld voor 2020 voor individuele huishoudens, en sluit qua methode en definities aan op de Monitor Energiearmoede. Voor de energieprijs, compensatiemaatregelen en energiebesparing die ten grondslag liggen aan de inschatting van energiearmoede voor 2022 zijn aannames gedaan. Uit het TNO-rapport blijkt dat, als gevolg van de hoge energieprijzen, het aandeel energiearme huishoudens tussen 2020 en 2022 naar schatting is gestegen van 6,4% naar 7,4%. Het totaal aantal huishoudens dat in 2022 kampt met energiearmoede wordt geschat op 602.000 (7,4% van het totaal aantal huishoudens). Dit TNO-rapport is onderdeel van het meerjarige TNO-kennisprogramma energiearmoede, waarover uw Kamer eerder is geïnformeerd (Kamerstuk 29 023, nr. 354).
Weet u hoeveel woningen in Nederland inmiddels onderhevig zijn aan de gevolgen van ontoereikende verwarming en in welke verschillende vormen deze schade zich manifesteert, naast schimmelvorming?
Het kabinet heeft geen overzicht van het aantal huizen in Nederland dat gevolgen ondervindt van ontoereikende verwarming. Voor vocht- en schimmelproblematiek heeft de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening een brede aanpak met alle betrokken partijen ingezet. Deze aanpak lijkt effect te hebben, getuige dat uit het WoON 2021 blijkt dat het aandeel corporatiehuurders dat last heeft van vocht en/of schimmel is afgenomen van 28% in 2018 tot 24% in 2021. Dat aantal blijft desalniettemin te hoog, vandaar dat in de Nationale prestatieafspraken, die in juni 2022 zijn ondertekend met Aedes, Woonbond en de VNG, ook aandacht is voor onderhoud en woningkwaliteit. In de Nationale prestatieafspraken is afgesproken dat corporaties ervoor zorgen dat er vanaf 2026 geen woningen meer zijn met een slechte staat van onderhoud (categorie 5 of3 en dat corporaties tot en met 2030 jaarlijks € 200 miljoen extra investeren in woningverbetering, met een focus op een versnelde aanpak van vocht en schimmel, loden leidingen, asbest en brandveiligheid.
Wat kunnen de gevolgen zijn van schimmelvorming in een woning voor de gezondheid van de bewoners, zowel op de korte, als op de lange termijn?
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) concludeerde in 2009 in de Air Quality Guidelines over vocht en schimmels in binnenmilieu, dat er voldoende epidemiologisch bewijs is voor een hoger risico op luchtwegklachten, luchtweginfecties en verergering van astma bij mensen die wonen in huizen met schimmels en vocht. Er is enig bewijs voor een verhoogd risico op allergische rhinitis en astma. Ook is er klinisch bewijs dat blootstelling aan schimmels en andere vocht gerelateerde microbiële agentia (bacteriën) een verhoogd risico geeft op zeldzame aandoeningen zoals hypersensitieve pneumonitis, allergische alveolitis, chronische rhinosinusitis en sinusitis op basis van een schimmelallergie.
Resultaten van toxicologisch onderzoek duiden op het optreden van diverse toxische en ontstekingsreacties na blootstelling aan micro-organismen, evenals hun sporen, stofwisselingsproducten en -componenten, afkomstig van vochtige woonmilieus. Alhoewel allergische personen extra gevoelig zijn voor biologische en chemische agentia in vochtige woonmilieus, zijn ook gezondheidseffecten gevonden in niet-allergische populaties. Door toename van de prevalentie van astma en allergieën is ook het aantal individuen toegenomen dat gevoelig is voor vochtige woonmilieus.
Naast gevolgen voor de fysieke gezondheid kunnen schimmelvorming (en geassocieerde problemen zoals vocht en kou in huis) ook gevolgen hebben voor de mentale gezondheid. Er zijn associaties gevonden tussen wonen in een koud en vochtig huis en uiteenlopende gevolgen voor de mentale gezondheid waaronder een toename in depressieve gevoelens en piekeren, bezorgdheid over de fysieke gezondheid en chronisch thermisch discomfort. Onderzoek laat zien dat problemen in huis (vocht, kou, schimmel) vooral tot negatieve mentale gezondheidsgevolgen kunnen leiden als men daarnaast zorgen heeft over de betaalbaarheid van energiekosten. Het wordt verondersteld dat wonen in een koud en vochtig huis een bron is van cumulatieve stress, waarbij er een opeenstapeling is van meerdere bronnen voor stress (o.a. effecten op de fysieke gezondheid; financiële zorgen), die samen de kwetsbaarheid voor negatieve mentale gezondheidseffecten vergroten.
De GGD’en bieden via de website www.ggdleefomgeving.nl informatie over de gezondheidsrisico’s van schimmel en over het voorkomen en verwijderen van schimmel.
Wat zijn specifiek de gevolgen voor kinderen en ouderen die moeten leven in een huis met schimmelvorming? Leidt het wonen in een huis met schimmelvorming bijvoorbeeld tot co-morbiditeiten en/of vroegtijdig overlijden bij ouderen die al lijden aan bepaalde aandoeningen en/of kunnen kinderen hierdoor bijvoorbeeld astma en/of ontwikkelingsproblemen krijgen?
Als risicogroepen voor gezondheidseffecten van schimmels onderscheiden we mensen die door specifieke woningkenmerken kans lopen op een verhoogde blootstelling en mensen die vanwege lichamelijke omstandigheden gevoeliger zijn. Verhoogde blootstelling aan vocht en schimmels in woningen kan optreden bij gebrekkige woonomstandigheden door bouwtechnische gebreken of achterstallig onderhoud en door bewonersgedrag zoals onvoldoende (mogelijkheid tot) ventileren en stoken of een te hoge bezettingsgraad van de woning. Bij zowel allergische als niet-allergische personen kunnen vochtige woonomstandigheden en schimmelgroei leiden tot gezondheidseffecten. Reden hiervoor is dat naast allergische mechanismen ook niet-allergische mechanismen vermoedelijk een rol spelen. Bij allergische personen treden effecten echter vaker op en kunnen de effecten ernstiger zijn. Om deze redenen worden allergische personen aangemerkt als behorend tot een risicogroep. Kinderen en ouderen kunnen tot de risicogroepen behoren, maar dit is niet noodzakelijk zo.
Wat zijn de gevolgen voor de (druk op de) zorg van het toenemende aantal mensen in Nederland dat onder ongezonde omstandigheden moet wonen in een huis dat ontoereikend wordt verwarmd? Welke ziekten/aandoeningen kunnen hierdoor worden aangewakkerd/verergerd en hoeveel meer huisartsenbezoeken en ziekenhuisopnames en medische behandelingen zijn hiervan het gevolg?
De gezondheidsklachten die kunnen worden verwacht als gevolg van vocht en schimmel zijn beschreven in het antwoord op vraag 5. Het kabinet heeft geen exacte gegevens over de zorgkosten die hiermee samenhangen. TNO heeft op 27 januari 2023 wel een verkennende studie gepubliceerd met de titel Gezondheidskosten en energiearmoede. Een empirische analyse voor Nederland.Uit hun econometrische analyse blijkt dat zorgkosten van huishoudens hoger zijn naarmate de energiekwaliteit van hun huis slechter is. TNO beschrijft dat de analyse aantoont dat de extra zorgkosten voor huishoudens met een laag inkomen gemiddeld 5 procentpunt hoger zijn in woningen met een slecht energielabel (F&G) dan in woningen met een goed energielabel (A&B). Bij kinderen tot 18 jaar uit energiearme huishoudens (d.w.z. een laag inkomen en een slecht energielabel) waar de verwarming uit of te laag staat (onderconsumptie van energie) is dat effect nog groter. Zij hebben 11 procentpunt hogere totale zorgkosten, met name ziekenhuiskosten, dan kinderen uit huishoudens met een laag inkomen in een woning met een goed energielabel. Binnen de groep energiearme huishoudens zijn de ziekenhuiskosten van kinderen in een woning waar de verwarming uit of te laag staat gemiddeld 17% hoger dan van jongeren in vergelijkbare woningen waar de verwarming wel aan staat.
Het onderzoek is een econometrische analyse gebaseerd op het combineren van geanonimiseerde CBS-microdata voor 5,8 miljoen huishoudens. Een dergelijke «big data» analyse heeft voordelen omdat het inzicht geeft in effecten die alleen voorkomen bij relatief kleine groepen – zoals kinderen in huishoudens met een laag inkomen in de energetisch slechtste woningen met onderconsumptie van energie. Een belangrijk nadeel van deze methode is echter dat de onderliggende mechanismen van de aangetoonde effecten niet goed in beeld komen – de analyse geeft bijvoorbeeld geen inzicht in welke klachten de extra zorgkosten onder kinderen uit energiearme huishoudens veroorzaken.
Vragen over vocht en schimmel in huis vormen ook een belangrijk deel van de milieu gerelateerde vragen waar mensen contact over opnemen met de GGD.
Wat betekent de energie-armoede en de daardoor veroorzaakte schade aan woningen voor de Nederlandse woningmarkt? Hoeveel huizen zullen op termijn onbewoonbaar worden en/of ingrijpend moeten worden gesaneerd? Wat zullen hiervan de kosten zijn en wat betekent dit voor de toch al grote krapte op de woningmarkt?
Het kabinet kan hier geen inschatting van maken.
Wat betekent de schade aan woningen als gevolg van ontoereikende verwarming voor het milieu? Wat doet overmatige schimmel bijvoorbeeld met de lucht, bodem en drinkwaterkwaliteit en welke schade treedt er nog meer op die potentieel nadelig kan zijn voor de leefomgeving?
Onderzoek naar de effecten van huisschimmel op de gezondheid richten zich op het binnenmilieu, met name de lucht die mensen inademen in huis. Er is, voor zover bij ons bekend, weinig tot geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van huisschimmel voor de buitenlucht, bodem of drinkwater. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat er grote effecten zijn.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat mensen die het zich financieel niet kunnen veroorloven om hun huis op te knappen en/of te verduurzamen niet onder ongezonde omstandigheden hoeven te wonen? Waar kunnen deze mensen terecht voor hulp?
Het kabinet heeft zowel vorig jaar als dit jaar fors ingegrepen om de gevolgen van de hoge prijzen te dempen: vorig jaar de energietoeslag, belastingverlaging en 190 euro in november en december, een energiearmoede aanpak met o.a. energiecoaches en -fixers en energiebesparende maatregelen, campagnes en een o%-lening voor laagste inkomens bij warmtefonds voor verduurzaming. Dit jaar het koopkrachtpakket, het prijsplafond en de start van het Nationaal isolatieprogramma, gericht op de slechtst geïsoleerde woningen met focus op kwetsbare huishoudens.
Een structurele oplossing is huishoudens helpen met verduurzamen, om zo de energierekening structureel omlaag te brengen.
Het kabinet heeft de verhuurdersheffing woningcorporaties afgeschaft: 3 mrd o.a. voor verduurzaming en afspraken gemaakt over verduurzamen woningen.
Voor particuliere huur zijn de subsidies verruimd.
Verhuurders mogen slecht geïsoleerde huizen met label F en G vanaf 2030 niet meer verhuren en vanaf 2024 gaat het aangepaste puntenstelsel zorgen voor extra prikkels om te verduurzamen: extra punten voor groene labels en aftrekpunten voor de slechtste labels.
Drempels wegnemen voor verduurzamen huurhuizen (instemming voor verduurzamen).
Met lokale aanpak isolatie kunnen gemeenten slecht geïsoleerde woningen verduurzamen en het warmtefonds heeft een lening met 0% rente voor de laagste inkomens.
Het kabinet is bezig met een versnellingspakket verduurzaming gebouwde omgeving. De Minister voor VRO zal u in het voorjaar daarover meer informatie sturen.
Het bericht dat de politie kleine criminaliteit laat schieten |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie laat kleine criminaliteit schieten: oplichting, dierenmishandeling en 200 wietplanten op zolder blijven liggen»?1
Ja.
Kent u het in het bericht genoemde interne beleidsdocument? Zo ja, wat is de inhoud daarvan en kunt u een afschrift daarvan aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, kunt u dan alsnog kennisnemen van dat document en het aan de Kamer doen toekomen?
Ik heb van het document kennis genomen en van het Openbaar Ministerie (OM) een toelichting ontvangen. Ik kan het nu nog niet delen met uw Kamer, omdat het nog onderwerp van bespreking is met de burgemeesters in de regionale eenheid Oost-Nederland. Het OM laat aan mij weten wanneer die bespreking is afgerond en doet mij dan de actueelste versie toekomen. Die zal ik met een volgend halfjaarbericht Politie aan uw Kamer doen toekomen.
Welke delicten staan er op die lijst en welke afspraken zijn er gemaakt over hoe in het geval van een aangifte van een dergelijk delict er met die aangifte om moet worden gegaan?
Het document uit Oost Nederland vloeit voort uit en is onderdeel van het volledige kader waarbinnen keuzes in de opsporing worden gemaakt. Daarom geef ik daar eerst een schets van. Capaciteit is altijd schaars. Het maken van keuzes in de opsporing is niet eenvoudig. Het is ook niet nieuw, maar behoort standaard tot het werk van OM en politie en vindt plaats onder gezag van het OM. De aanwijzing voor de opsporing van het OM, die voor veelvoorkomende criminaliteit concreter is uitgewerkt in het landelijk screenings- en selectiviteitskader, vormt het landelijk afwegingskader. Deze beide documenten zijn openbaar2. Dit kader op hoofdlijnen biedt ruimte voor verdere regionale of lokale invulling in samenspraak met de burgemeester in de gezagsdriehoek. Van een dergelijke regionale invulling is in Oost Nederland nu sprake. Het document zal derhalve besproken worden in de gezagsdriehoeken, maar ook in het Regionaal en in het Districtelijk Veiligheidsoverleg, waarin burgemeesters, districts- en eenheidsleiding, parketleiding en gebiedsofficier periodiek bijeenkomen.
Het document waarover De Gelderlander schrijft is een intern operationeel werkinstrument. Het is te beschouwen als een levend instrument dat telkens kan worden geactualiseerd indien de omstandigheden of ervaringsfeiten daartoe aanleiding geven, uiteraard in overleg met de politie Oost-Nederland en de lokale driehoeken.
Het document is bedoeld om de basisteams van de politie in de eenheid Oost-Nederland extra houvast te geven bij het maken van de dagelijkse afwegingen en keuzes in de opsporing van veelvoorkomende criminaliteit3. Het document is in lijn met het selectiviteitskader, maar maakt het nog een stap concreter. Ik benadruk dat het delict hierin niet het uitgangspunt is. Met andere woorden: het is niet een lijst van delicten die nooit worden opgepakt. Het uitgangspunt is het moment waarop politie tegen capaciteitsgrenzen oploopt en keuzes moet gaan maken over welke zaken wel en welke zaken niet strafrechtelijk kunnen worden opgepakt. Als voorbeelden van delicten waar in een dergelijke situatie de keuze gemaakt kan (niet: móet) worden om de zaak niet op te pakken, worden onder andere de volgende genoemd: dierenmishandeling, tanken zonder te betalen, mondelinge bedreigingen, kleine diefstallen en inbraken in auto’s, schuren en garages. Bij de afwegingen die bij het maken van zo’n keuze worden gemaakt speelt de aanwezigheid van concrete aanknopingspunten voor opsporing, en in samenhang daarmee de kans op bewijsbaarheid, een rol. Belangrijke factoren die daarnaast worden meegewogen zijn de impact van het strafbare feit op slachtoffers en maatschappij, de persoon van de verdachte en de context waarin het strafbare feit heeft plaatsgevonden. Ook wordt bezien of een niet-strafrechtelijk interventie meer betekenis kan hebben. Deze factoren maken ook allemaal deel uit van het landelijke selectiviteitskader.
Aanvullend is het goed om te benoemen dat met de informatie uit meerdere niet-opgepakte zaken een patroon zichtbaar gemaakt kan worden op basis waarvan politie, met toestemming van het OM, opsporingsmiddelen kan inzetten die de kans op het opsporen van de dader vergroten. Op vergelijkbare wijze kan de informatie uit niet-opgepakte zaken, bijvoorbeeld van kleine hennepplantages op zolders van woonhuizen, een belangrijke rol spelen bij het aanpakken van een achterliggend crimineel netwerk.
Deelt u de mening dat het pijnlijk voor de slachtoffers én voor de politie en het Openbaar Ministerie (OM) zelf is dat er bij gebrek aan capaciteit een lijst van wetsovertredingen opgesteld moet worden van delicten waarvoor in opsporing en vervolging geen of weinig aandacht meer is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Capaciteit is altijd schaars. Het maken van keuzes in de opsporing is dan ook niet nieuw, maar behoort standaard tot het werk van OM en politie. In mijn antwoord op vraag 2 heb ik geschetst hoe dat is vormgegeven en hoe het werkinstrument in Oost Nederland daar in past.
Ik heb de Kamer sinds eind 2020 herhaaldelijk geïnformeerd over de onderbezetting bij de politie, over de zorg die ik daarover heb en over de maatregelen die we nemen om de werkdruk die ermee gepaard gaat waar mogelijk te verlichten4. Ik heb daarbij aangegeven dat die situatie voor de gezagen, dus OM en burgemeesters, betekent dat er op dagelijkse basis helaas in nog meer scherpte en schaarste dan voorheen keuzes gemaakt moeten worden over de inzet van de politie. In basisteams waar de werkdruk erg hoog is kan dit in de praktijk helaas betekenen dat agenten moeilijke keuzes moeten maken die voor slachtoffers teleurstellend kunnen zijn.
Wat gebeurt er in de genoemde regio concreet met een unieke aangifte van een diefstal van een fiets uit een schuurtje of met een aangifte van een mondelinge bedreiging?
Elke unieke aangifte wordt door de politie opgenomen. Hierin wijkt de politie-eenheid Oost-Nederland niet af van het landelijke beleid. Of een aangifte ook verder strafrechtelijk wordt opgepakt hangt af van de uitkomst van de afwegingen op basis van het selectiviteitskader en het werkinstrument zoals in het antwoord op vraag 3 beschreven.
Weten slachtoffers die aangifte komen doen van een delict dat op de genoemde lijst staat dat die aangifte wellicht tot geen of weinig opsporingshandelingen gaat leiden of worden zij daarvan op de hoogte gesteld? Zo ja, hoe reageren deze slachtoffers doorgaans? Zo nee, waarom niet?
Zoals de Kamer weet zetten wij ons in voor de rechten en belangen van slachtoffers, zodat zij een sterke positie in het recht hebben en de hulp en ondersteuning krijgen die zij nodig hebben. Het tijdig en volledig informeren van slachtoffers is daar onderdeel van. Wij hebben dit regelmatig aan de orde in gesprekken met politie en OM.
De politiemedewerker die de aangifte opneemt, legt altijd aan het slachtoffer uit wat het vervolg op een aangifte kan zijn. De beslissing over wat er vervolgens met de aangifte gebeurt ligt bij functionarissen van politie en OM verderop in het proces. Dit wordt beschreven in het selectiviteitskader, waarop ik in het antwoord op vraag 3 ben ingegaan. De aangever wordt altijd schriftelijk, en afhankelijk van de context ook mondeling, in kennis gesteld van de beslissing wat er met de aangifte gebeurt. Doorgaans reageren slachtoffers begripvol op de keuzes die gemaakt worden.
Wordt aan genoemde slachtoffers daar waar gewenst wel slachtofferhulp aangeboden of naar andere oplossingen zoals herstelrecht gezocht? Zo ja, in welke mate wordt daar gebruik van gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Indien een zaak niet strafrechtelijk wordt opgepakt, betekent niet dat er geen enkele interventie wordt gepleegd. De politie voert bijvoorbeeld stopgesprekken, laat een ruiming uitvoeren, stuurt partijen door naar Perspectief Herstelbemiddeling, schakelt buurtbemiddeling in, doet een aanmelding bij een zorg- en veiligheidshuis of speelt een rol bij het regelen van de schade. In het selectiviteitskader wordt een aantal mogelijkheden genoemd en het Oost-Nederlandse werkinstrument geeft bijvoorbeeld aan dat bij een jeugdige die voor het eerst zijn/haar bankrekening of pinpas ter beschikking heeft gesteld voor criminele doeleinden (een zgn. money mule) een vorm van reprimande of stopgesprek toegepast moet worden. Op dit moment is er geen informatie voorhanden in welke mate gebruik wordt gemaakt van herstelbemiddeling. Zie hierover ook het antwoord bij vraag 12.
Gaat het opstellen van een genoemde lijst verder dan het afwegen van aan welke prioriteiten er in opsporing en vervolging moeten worden gesteld? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Nee; zie het antwoord bij vraag 4.
Zijn er meer politieregio’s in Nederland waar dergelijke lijsten ook bestaan? Welke regio’s betreft dit en wat is de inhoud van die lijsten?
Bij het OM zijn centraal geen signalen bekend dat voor andere regionale eenheden een nadere invulling van het selectiviteitskader is gemaakt zoals het operationele werkinstrument in Oost-Nederland. Het is echter mogelijk dat men daarvoor ook in andere eenheden op enig moment aanleiding zal zien. Zoals toegelicht bij vraag 2 laat het landelijk afwegingskader ruimte voor een dergelijke nadere regionale of lokale invulling. Dat vloeit voort uit de gezagsrol van het OM en maakt het deel uit van het standaardwerk van OM en politie in de regionale eenheden.
Deelt u de mening dat van het geven van weinig aandacht aan in het bericht genoemde delicten plus het eerder moeten schrappen van 1200 politierechterzaken het signaal uitgaat dat deze zogenoemde kleine criminaliteit niet meer serieus genomen kan worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het OM en de politie nemen de kleine, of veelvoorkomende, criminaliteit zeker serieus. Zij weten uit ervaring dat iets «klein» kan heten, maar voor een slachtoffer heel groot kan zijn. Zoals in de antwoorden hierboven toegelicht, maakt de politie onder gezag van het OM bij het behandelen van aangiftes keuzes die erop zijn gericht om energie en tijd op de juiste zaken te richten.
De reden voor het seponeren van politierechterzaken in Gelderland was een gebrek aan capaciteit bij de rechtbank Gelderland5. De rechtspraak (maar ook het OM) krijgt op grond van het coalitieakkoord (Bijlage bij Kamerstuk 35 788, nr. 77) middelen om de capaciteit te vergroten. Daarnaast werken zowel Rechtspraak als OM onder meer in ketenverband aan het verkorten van doorlooptijden en aan een beter zicht op de voorraden.
Deelt u de mening dat de aanhoudende druk op politie, OM en rechtspraak verlicht moet worden? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u zorgen voor minder druk en daarmee betere behandeling van ook kleine criminaliteit? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Ja, ik deel de mening dat die druk verlicht moet worden en ik span me daar ook doorlopend voor in.
Onderdeel van de intensivering van 200 mln. op veiligheid, die volgt uit de eind 2021 aangenomen motie-Hermans, is een uitbreiding van de operationele politiecapaciteit met 700 fte agenten voor de basisteams. Na overleg in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) heb ik de verdeling van deze 700 fte over de eenheden vastgesteld. Met de regioburgemeesters en de voorzitter van het College van Procureurs-Generaal is besproken dat er, naast wijkagenten, «digitale wijkagenten» en andere agenten voor in de wijk, ook behoefte is aan agenten die in de basisteams gaan werken aan de opsporing van veel voorkomende criminaliteit. De verdeling binnen de eenheden is uiteindelijk aan de gezagen, dus aan de hoofdofficier van justitie en aan de burgemeesters. Het eerste deel van de extra agenten zal in 2026 als volledig opgeleide agent van de politieacademie komen6.
Zoals ik in het antwoord op vraag 10 heb toegelicht krijgen OM en Rechtspraak op grond van het Coalitieakkoord middelen om onder meer de capaciteit te vergroten. Het betreft middelen ter hoogte van in totaal € 200 mln. voor de «versterking justitiële keten», waaronder vooral rechtspraak en OM. Het gaat om een oplopende reeks van € 50 mln. in 2022 oplopend naar € 200 mln. vanaf 2025.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze vorm van criminaliteit daar waar dat mogelijk is buiten het strafrecht om gaat worden opgelost bijvoorbeeld door middel van herstelrecht, een waarschuwing op hulpverlening? Welke verlichting van de druk op de justitiële keten verwacht u hierdoor?
Binnen de politie is er in toenemende mate aandacht voor betekenisvolle interventies voor de burger. Dit is ook verwoord in het selectiviteitskader, waarnaar ik o.a. bij vraag 3 heb verwezen. Dit betekent dat meer wordt stilgestaan bij de hulpvraag van burgers en vervolgens bij de vraag met welk soort interventie zij (zowel slachtoffer als dader) het meest zijn gediend. Dat hoeft niet altijd het strafrecht te zijn. Het streven is dat steeds meer politiemedewerkers zich in een zo vroeg mogelijk stadium afvragen of het (onderliggende) probleem beter buiten het strafrecht om kan worden opgelost. Een gunstig effect hiervan is dat het kan bijdragen aan het verminderen van de druk op de strafrechtketen. Onder de noemer «betekenisvolle intake» is in 2022 een aantal pilots gestart, waarvan de uitkomst wordt gebundeld om verder te brengen binnen de politieorganisatie.
Een doorverwijzing van de politie naar een herstelrechtvoorziening, zoals Perspectief Herstelbemiddeling, behoort tot het inzetten van betekenisvolle interventies. Om de inzet van herstelrecht verder te stimuleren wordt op dit moment het Beleidskader herstelrechtvoorzieningen gedurende het strafproces geëvalueerd. Gelet op het vereiste van vrijwillige deelname aan herstelrecht, is goede informatie hierover essentieel. Mijn aandacht zal in de komende periode in het bijzonder uitgaan naar de communicatie en goede voorlichting op dit punt. In mijn brief van 1 november jl. heb ik uw Kamer uitgebreider geïnformeerd over de initiatieven van politie en een aantal ontwikkelingen op het vlak van herstelrecht7.
Het zal niet eenvoudig zijn om de inzet van herstelrecht te vertalen naar winst in termen van middelen, capaciteit of invloed op de duur van de strafrechtelijke procedure. Op dit moment is dat in ieder geval niet mogelijk.
Het bericht 'Niemand op de boot in Genemuiden weet waar de 85 vluchtelingen aan toe zijn' en de bereikbaarheid van de IND |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn alle mensen die nog geen eerste gesprek hebben gehad in beeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?1 Zo nee, kunt u dit verklaren? Aan welke oplossingen wordt gedacht?
Zoals bij meerdere gelegenheden aan uw Kamer gemeld, heeft de IND ook in 2022 te maken gehad met aanzienlijk hogere instroom dan waarvan aanvankelijk kon worden uitgegaan. Er was in 2022 een toename van 40% van het aantal asielaanvragen ten opzichte van het jaar daarvoor. Dit komt bovenop de stijging uit het najaar 2021 en is nog exclusief de ontheemden uit Oekraïne. De trend van een significante stijging zet zich in 2023 onverminderd door. Dit raakt de gehele vreemdelingenketen. De IND heeft in 2022 meer aanvragen kunnen afhandelen dan geprognotiseerd maar het aantal nieuwe aanvragen stijgt nog veel harder. Dit leidt tot langere behandeltijd, hogere voorraden en knelt in meerdere, zo niet alle (deel-) processen bij de IND. Daarnaast is de beoordeling van asielaanvragen de afgelopen jaren complexer en bewerkelijker geworden.
Zoals recent aan uw Kamer bericht heeft de IND de afgelopen periode weliswaar diverse maatregelen genomen die zien op een verhoging van de productiecapaciteit zoals werving van nieuwe medewerkers en het efficiënter inrichten van het asielproces2, de verwachting voor ook dit jaar is echter dat de asielinstroom hoger zal zijn dan de behandelcapaciteit van de IND
Ook voor dit jaar is de verwachting dat de asielinstroom hoger is dan de behandelcapaciteit van de IND. Binnen de huidige kaders kan de IND voor 2023 de behandelcapaciteit op een met 2022 vergelijkbaar niveau houden. Het gevolg hiervan is dat asielzoekers helaas langer zullen moeten wachten op bijvoorbeeld een gehoor of een beslissing van de IND. Alle asielzoekers die het identificatie- en registratieproces hebben doorlopen, staan geregistreerd in de systemen van de IND en zijn in zoverre bekend en in beeld. Het COA is verantwoordelijk voor de plaatsing van asielzoekers in opvangcentra. Omdat asielzoekers in korte tijd op verschillende locaties kunnen verblijven, werkt de IND intensief samen met het COA om locaties te bezoeken en/of asielzoekers die daar verblijven uit te nodigen voor een aanmeldgehoor.
Hoeveel mensen op (nood)opvanglocaties wachten nog op een eerste gesprek met de IND?
Op peildatum 1 februari 2023 waren ongeveer 6300 asielzoekers in afwachting van een uitnodiging voor het aanmeldgehoor.
Hoe lang wachten mensen op dit moment gemiddeld tot de start van hun asielprocedure?
Op dit moment is de gemiddelde wachttijd voor een aanmeldgehoor, gerekend vanaf het moment dat de asielzoeker het identificatie- registratieproces heeft doorlopen en de aanvraag is ondertekend, 12 weken.
Op welke manier worden mensen die nog geen eerste gesprek hebben gehad geïnformeerd over de procedure en over wanneer ze aan de beurt zijn?
De IND verzorgt voorlichtingsbijeenkomsten op opvanglocaties van het COA en op crisisnoodopvanglocaties (CNO’s). Tijdens deze bijeenkomsten worden asielzoekers geïnformeerd over de voortgang in de asielprocedures en de gemiddelde wachttijden, zonder dat daarbij ingegaan kan worden op individuele procedures. De voorlichtingssessies worden georganiseerd in samenwerking met het COA en in afstemming met VluchtelingenWerk Nederland (VWN). De IND wil er samen met het COA voor zorgen dat op alle opvanglocaties deze voorlichtingsbijeenkomsten structureel periodiek plaatsvinden. Op dit moment worden deze bijeenkomsten vooral op verzoek van locatiemanagers van het COA, opvangmanagers van het Rode Kruis (CNO’s) en op verzoek van gemeenten georganiseerd. Op de betreffende locatie in Genemuiden is bijvoorbeeld op 10 februari jl. een voorlichtingssessie gegeven.
Ook asielzoekers die nog geen eerste gesprek hebben gehad bij de IND worden door de IND geïnformeerd over de procedure en het moment dat ze aan de beurt zijn. Bij de voorregistratie van asielzoekers wordt aan hen een pamflet uitgereikt met een QR-code die verwijst naar de website van de IND (https://ind.nl/nl/asiel-laatste-ontwikkelingen#gemiddelde-wachttijden-asielgehoren). Op deze pagina staat informatie over onder meer de gemiddelde wachttijden bij gehoren, maar bijvoorbeeld ook de verlenging van de beslistermijn.
Hoe is het mogelijk dat mensen al zes maanden wachten zonder dat ze weten hoe lang ze nog moeten wachten op de start van het proces – en dat mensen hierover geen contact kunnen krijgen met de IND? Kunt u zich voorstellen dat dit leidt tot enorm veel onzekerheid bij deze mensen?
Door de hoge instroom van asielzoekers duurt het langer voordat asielzoekers bij de IND een gehoor krijgen. Het is helaas niet mogelijk om per asielzoeker aan te geven wanneer het gehoor plaatsvindt. Zoals ook in het antwoord op vraag 4 genoemd staat, is het voor asielzoekers wel mogelijk om de gemiddelde wachttijden te achterhalen. De IND probeert asielzoekers zo goed als mogelijk voor te lichten over de asielprocedure (zie ook antwoord 4), maar kan niet in elke individuele situatie aangeven wanneer het gehoor zal plaatsvinden.
Ik kan mij goed voorstellen dat deze onduidelijkheid tot onzekerheid leidt bij asielzoekers. Onzekerheid die reeds aanwezig is vanwege de onduidelijke uitkomst van de asielprocedure zelf en eventueel het verblijf van achtergebleven familieleden in het buitenland.
Wat zijn de gevolgen van het niet-starten van al deze asielprocedures? Hoeveel klachten en bezwaren zijn hierover ingediend?
De wachttijden betekenen helaas dat asielzoekers langer in onzekerheid zitten over de uitkomst van de procedure. Uit de systemen van de IND blijkt dat er in 2022 600 (afgerond op tientallen) klachten zijn geregistreerd die zien op de behandelduur van de aanvraag in spoor 4 (de algemene en verlengde asielprocedure). Het aantal klachten dat specifiek ziet op de fase tot aan het aanmeldgehoor wordt niet als zodanig geregistreerd.
Bent u bereid om te zorgen dat alle locaties met mensen die nog geen eerste gesprek hebben gehad binnen een maand een bezoek krijgen van een medewerker van de IND die uitleg kan geven en enkele vragen kan beantwoorden?
De IND heeft zich ten doel gesteld om op alle locaties waar dat nodig is zo spoedig mogelijk een voorlichtingsbijeenkomst te houden. Dit gebeurt in overleg met het COA en op grond van signalen die de IND ontvangt. Dit betreft een omvangrijke klus aangezien er op dit moment ongeveer 230 locaties zijn waar asielzoekers worden opgevangen. Op al deze locaties kunnen asielzoekers zitten die nog geen aanmeldgehoor hebben gehad, waarbij het ook voorkomt dat asielzoekers van locatie wisselen. De IND zet momenteel ongeveer 55 medewerkers – binnenkort loopt dat op naar 80 – in om, naast hun reguliere werkzaamheden, locaties te bezoeken en voorlichting te geven. De werving voor extra voorlichters loopt.
Klopt het dat het niet langer mogelijk is een ingebrekestelling via de IND website in te dienen? Waarom niet?
Het is tot op heden nog niet mogelijk geweest om een ingebrekestelling via de IND-website in te dienen. Het benodigde formulier kan wel via de IND-website worden geraadpleegd en gedownload. Dit kan – nadat het geprint en ingevuld is – via de post geretourneerd worden. Op dit moment wordt gewerkt aan de digitalisering van dit proces. De IND hoopt het indienen van ingebrekestellingen via de IND-website binnen afzienbare tijd mogelijk te maken.
Bent u bekend met de signalen over de nog steeds enorm slechte bereikbaarheid van de IND via mail en telefoon?
De afgelopen jaren is het werkaanbod van het Klantinformatiecentrum (KiC) van de IND significant gestegen. De reden voor deze stijging is onder meer gelegen in vragen die worden gesteld over de gevolgen van Covid-19 op bijvoorbeeld (verlenging) van visa kort verblijf, de evacuaties uit Afghanistan, de ontheemden uit Oekraïne en inzake de wachttijden voor de verblijfsrechtelijke procedures. Gemiddeld werden er in 2022 per maand bijna 3000 telefonische gesprekken meer gevoerd dan in 20215. Gevolg hiervan is dat onder meer de bereikbaarheid van het callcenter onder druk staat. De feitelijke bereikbaarheid van het KiC schommelt de afgelopen periode tussen de 65–70%. De wachttijd schommelt de afgelopen maanden tussen de 15–20 minuten.
Om de telefonische bereikbaarheid te vergroten en te verbeteren heeft de IND in 2022 maatregelen genomen. Er is een continue werving van nieuwe medewerkers gestart en de formatie van het KiC is uitgebreid. Door de krapte op de arbeidsmarkt was dit een uitdaging. De nieuwe medewerkers worden na een korte opleiding ingezet binnen het KiC. Dit heeft het afgelopen jaar al geresulteerd in een verbeterde telefonische bereikbaarheid van het KiC. Daarnaast zijn maatregelen genomen die een mitigerend effect hadden op het aantal telefoontjes naar het KiC: ruimere openingstijden van de loketten op werkdagen, openstelling van de loketten op zaterdagen en het heropenen van het informatieloket.
Dit laat echter onverlet dat de IND door de sterke stijging van het werkaanbod keuzes heeft moeten maken om het werkaanbod op te vangen. Om de telefonische bereikbaarheid te verbeteren is de keuze gemaakt om het beantwoorden van e-mails die via het contactformulier via de IND-website worden ingediend af te schalen. In 2022 heeft de IND ongeveer 50.000 e-mails ontvangen6. Ongeveer de helft van deze e-mails is beantwoord. De inkomende e-mails worden gescreend en een aantal categorieën – zoals spoedmail, mails die voor andere afdelingen van de IND zijn bestemd en e-mails met vragen waarvan de antwoorden niet op de website van de IND zijn te vinden – worden sowieso beantwoord. De overige e-mails betreffen veelal algemene vragen waarvan het antwoord op de website van de IND terug gevonden kan worden, maar ook dossierinhoudelijke vragen die vanwege veiligheidsissues bij het gebruik van e-mail niet beantwoord kunnen worden. Dit wordt via een disclaimer op de website van de IND ook duidelijk gemeld.
Door het afschalen van beantwoording van e-mails is meer personeel beschikbaar voor het telefonisch beantwoorden van vragen. Daarbij is relevant dat de inzet van het e-mailkanaal in de huidige uitvoeringspraktijk, vanwege het gebruik van (bijzondere) persoonsgegevens door aanvragers, risico’s met zich mee brengt. De IND brengt momenteel in kaart op welke wijze en voor welke vragen het instrument e-mail of andere digitale mogelijkheden bij klantcontacten veilig kan worden ingezet. Vooruitlopend hierop wordt op de IND-website als alternatief voor het e-mailkanaal een live chat aangeboden. Deze live chat voldoet aan de voorwaarden voor veilige communicatie en de privacy van de gebruiker wordt gewaarborgd. Op de site van de IND wordt de gebruiker geïnformeerd over het gegeven dat meer medewerkers bij Telefonie worden ingezet als gevolg waarvan beantwoording van vragen via het contactformulier langer kan duren. Ook het Webcare-team van de IND vangt per week honderden vragen – over bijvoorbeeld formulieren of wet- en regelgeving – digitaal af. Op voorgaande wijze beoogt de IND zo goed als mogelijk invulling te geven aan de e-mailgedragslijn voor overheden. Daarbij dient wel te worden opgemerkt dat deze gedragslijn – die dateert uit 2005 – op onderdelen gedateerd is en onvoldoende aansluit bij de huidige uitvoeringspraktijk. De eisen in het kader van privacy en veiligheid maken namelijk dat het communiceren via e-mail beperkter kan worden toegepast.
Hoe zit het met de eerdere plannen voor de verbetering van de bereikbaarheid2?
Zie antwoord vraag 9.
Zijn er cijfers beschikbaar over de telefonische en online bereikbaarheid van de IND? Zo ja, kunt u deze delen? Zo nee, waarom niet? Hoe duidt u deze cijfers?
Zie antwoord vraag 9.
Voldoet de IND aan de e-mailgedragslijn voor overheden («altijd antwoord, tijdig antwoord»)?3 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe beziet u de bereikbaarheid van de IND in relatie tot eerdere oproepen van de Ombudsman voor de verbetering van de bereikbaarheid van uitvoeringsorganisaties?4
De Nationale ombudsman geeft in haar position paper drie belangrijke aandachtspunten voor de bereikbaarheid van uitvoeringsorganisaties:
toegankelijkheid, verantwoordelijkheid en het recht op menselijk contact.
Zoals ook uit het antwoord op vraag 12 blijkt, werkt de IND hard aan de (verdere verbetering van) de toegankelijkheid van het Klantinformatiecentrum. Hierbij is ook aandacht voor de drie aandachtspunten die de Nationale ombudsman schetst.
Committeert de IND zich aan het programma Werk aan Uitvoering ten aanzien van dienstverlening5, waarin onder meer is afgesproken dat dienstverlening moet gebeuren vanuit de behoefte van burgers en dat het voor burgers duidelijk moet zijn waar zij moeten zijn? Vindt u dat de IND hieraan voldoet? Waarom (niet)?
Ja, de IND onderschrijft het belang van het programma Werk aan Uitvoering. De IND investeert dan ook in de dienstverlening. De IND is bijvoorbeeld gestart met maatwerkloketten waar minder zelfredzame vreemdelingen terecht kunnen. Ook neemt de IND deel aan het programma voor een overheid brede loketfunctie voor publieke dienstverlening. Verder is binnen de IND een casuïstiekoverleg ingevoerd voor medewerkers die aanlopen tegen complexe problemen of knellende regels in de uitvoering van het werk. De IND levert dit jaar, mede geïnspireerd door de beweging die Werk aan Uitvoering is, een nieuw Dienstverleningsconcept op.
Het nieuwe Dienstverleningsconcept draagt eraan bij dat de IND in alle geledingen van de organisatie nog meer een dienstverlener wordt die burgergericht en toekomstbestendig is, die de juiste balans houdt tussen efficiëntie en maatwerk, met oog voor de menselijke maat, en die responsief, betrouwbaar en innovatief is.
Met al deze aanbevelingen, afspraken en gedragslijnen in het achterhoofd: welke concrete plannen liggen er om te zorgen dat de dienstverlening van de IND op dit vlak weer op orde komt?
Naast het in antwoord op vraag 14 genoemde vernieuwde Dienstverleningsconcept verkent de IND momenteel een meer duurzame aanpak waarin beter kan worden geanticipeerd op stijgingen (en dalingen) in het werkaanbod. Om de pieken in het werkaanbod beter om te kunnen vangen wordt het toepassen van een externe schil van medewerkers nader verkend. Om het aantal telefoontjes en vragen terug te brengen wordt onderzocht op welke wijze de digitale MijnOmgeving beter benut kan worden. Ook worden de drie processen die het meeste werkaanbod voor het KiC generen geanalyseerd en waar mogelijk verbeterd. Verbeterde processen, kortere wachttijden en het wegwerken van achterstanden zijn op die manier ook onderdeel van dienstverlening.
Het voortduren van het gebrekkige onderwijsaanbod voor kinderen in asielopvangvoorzieningen |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerder gestelde vragen over het gebrekkige onderwijsaanbod voor kinderen in asielopvangvoorzieningen1? En herinnert u zich uw toezegging om met elkaar in gesprek te gaan over het belang van onderwijs voor vluchtelingkinderen2?
Ja.
Is er inmiddels een duidelijker beeld van hoeveel kinderen onderwijs mislopen? En kunt u aangeven of u beiden al gesproken heeft over het belang van goed en passend onderwijs op het juiste niveau onderwijs voor vluchtelingkinderen en over het zicht van leerplichtige asielkinderen? Zo ja, wat is er concreet uit dit gesprek gekomen?
Mijn collega de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en ik hebben elkaar in december gesproken over het creëren van een duidelijker beeld van asielzoekerskinderen die onderwijs mislopen. Wij delen dat elk kind recht heeft op een zo passend mogelijk onderwijsaanbod. Om dat te kunnen bieden, is het zeer wenselijk dat kinderen tijdig in beeld zijn en wij hun onderwijsloopbaan ook kunnen volgen. Daartoe liepen reeds inspanningen om het zicht op asielzoekerskinderen in opvanglocaties van het COA te verbeteren. Vanwege de aanhoudende druk op de COA-opvang verblijven asielzoekerskinderen ook in crisisnoodopvanglocaties onder verantwoordelijkheid van Veiligheidsregio´s. De realisatie en het beheer van dergelijke locaties in relatie tot de toegang tot voorzieningen zoals onderwijs is een terugkerend aandachtspunt in daartoe geëigende gremia, waaronder het Veiligheidsberaad. Uitkomst van het gesprek was dat ik het belang van zicht op asielzoekerskinderen in de crisisnoodopvanglocaties heb betrokken bij dit bredere aandachtspunt.
Het COA verstrekt overzichten van het aantal leerplichtige asielzoekerskinderen in de leeftijd van het primair- en voortgezet onderwijs aan OCW per locatie. Op dit moment wordt aan een wekelijkse rapportage gebouwd door het COA waarin de wensen van OCW en LOWAN zijn meegenomen. Daarbij wel de kanttekening dat hiermee nog niet inzichtelijk wordt hoeveel kinderen onderwijs mislopen omdat dit bij het COA niet gemonitord wordt. Om dit te bewerkstelligen is het noodzakelijk dat er informatie-uitwisseling plaatsvindt tussen de systemen van diverse betrokken partners. Op dit moment wordt onderzocht wat er nodig is of een dergelijke uitwisseling doelmatig is en ook daadwerkelijk valt te realiseren. Zodra er een uitkomst is zal ik uw Kamer hierover informeren.
Hoe wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie over de voorrangspositie voor kinderen (en hun familie) bij overplaatsing van grootschalige locaties naar stabiele, veilige en kleinschalige asielopvang3? Klopt het dat nog steeds gezinnen met kinderen in (crisis) noodopvangvoorzieningen geplaatst worden terwijl zij vanwege hun kwetsbaarheid voorrang moeten krijgen bij overplaatsing naar veilige en stabiele asielopvang? Zo ja, waarom?
Per brief d.d. 31 oktober 2022 heb ik uw Kamer uitgelegd op welke wijze de door de leden Kröger, Westerveld en Piri aangehaalde motie uitgevoerd zal worden.4 In deze brief is aangegeven dat het COA zodra doorstroom vanuit een (crisis)noodopvanglocatie naar een reguliere locatie mogelijk is, waar mogelijk en wenselijk voorrang zal geven aan kinderen en hun gezinsleden.
In deze heb ik voorts aangegeven dat kinderen en hun gezinsleden echter niet altijd voorrang hebben ten opzichte van andere bewoners. Dit omdat ook andere kwetsbare groepen (zoals mensen met een handicap of zwangere vrouwen) in de asielopvang in aanmerking kunnen komen voor snelle overplaatsing. Het belang van kinderen weegt zwaar, maar hoeft niet in alle gevallen zwaarder te wegen dan de positie van andere kwetsbare personen.
Daarnaast klopt het dat er nog steeds gezinnen met kinderen in (crisis) noodopvangvoorzieningen worden geplaatst. Eerder heb ik u laten weten dat in algemene zin onwenselijk te achten, ondanks dat goede voorbeelden bestaan van onderwijs op noodfaciliteiten.
Zoals ook benoemd in de eerder aangehaalde Kamerbrief ziet het COA zich nog altijd geconfronteerd met situaties waarin meerdere gemeenten specifiek verzoeken om kwetsbare groepen, zoals gezinnen met kinderen, op te vangen in (crisis) noodopvang in plaats van bijvoorbeeld alleenstaande mannen. Het COA probeert in de afspraken met gemeenten doelgroepbeperkingen op locaties te allen tijde te voorkomen. Het COA is hierin terughoudend waar mogelijk maar kan deze constructies niet in alle gevallen afwijzen vanwege de nog altijd grote behoefte aan opvangplekken.
Als gevolg hiervan kan het inderdaad voorkomen dat er reguliere locaties zijn met onderwijsvoorzieningen waar minder gebruik van wordt gemaakt dan voorheen, omdat er op die reguliere locaties minder gezinnen verblijven. Dit probleem wordt herkend, maar geldt niet generiek. Er zijn bij het COA geen scholen bekend die gewoonlijk veel nieuwkomerskinderen onderwijs bieden, maar waarbij een terugloop van het aantal van deze kinderen negatieve gevolgen heeft gehad.
Zoals uw Kamer weet zet ik alles op alles in om zo spoedig mogelijk terug te keren tot een situatie waarin het gebruik van (crisis)noodopvanglocaties niet langer nodig is. Daarom wordt ingezet op het realiseren van reguliere en duurzame opvangplekken.
Klopt het dat op verschillende reguliere asielopvanglocaties met name alleenstaande mannen worden geplaatst, terwijl die locaties wel zijn ingericht voor de opvang van en onderwijs aan kinderen en het risico bestaat dat reguliere onderwijsvoorzieningen en gekwalificeerd onderwijspersoneel, ondanks een enorme behoefte, verloren gaan?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat kinderen nog steeds, soms wel 6 tot 7 maanden, verstoken blijven van onderwijs door continue verhuizingen tussen (crisis)noodopvangvoorzieningen? En klopt het dat leerlingen met speciale onderwijsbehoeften erg lang moeten wachten op passende onderwijsondersteuning? Bent u, kort en goed, met ons van mening dat kinderen niet in een crisisnoodopvang horen? Zo ja, wat is uw beleidslijn bij gemeenten die bij een aanbod voor crisisnoodopvanglocaties bedingen dat alleen gezinnen met kinderen zullen worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat kinderen soms lange tijd verstoken blijven van onderwijs en dat leerlingen met speciale onderwijsbehoeften soms lang moeten wachten op passende onderwijsondersteuning.
Het uitgangspunt is helder: Kinderen in Nederland hebben recht op onderwijs. Europees is de Nederlandse staat gebonden aan de afspraak om kinderen in de leerplichtige leeftijd drie maanden na aankomst in Nederland van onderwijs te voorzien. Het COA merkt echter bij zowel bestaande locaties als bij het zoeken naar nieuwe locaties dat het nieuwkomersonderwijs fors onder druk staat. Betrokken partnerscholen geven aan dat hier verschillende redenen voor zijn, zoals de instroom van Oekraïense kinderen en de verhoogde instroom van zowel asielkinderen als kinderen van arbeids- en kennismigranten.
Gevolg is dat er op diverse plaatsen wachtlijsten zijn ontstaan voor de toegang tot het nieuwkomersonderwijs, met name als het gaat om internationale schakelklassen in het voortgezet onderwijs (ISK’s). Dit betekent dat kinderen vaak langer moeten wachten tot ze naar school kunnen dan de richtlijn voorschrijft. In reactie op vraag twee heb ik al aangegeven dat diverse partners in asiel en onderwijs gezamenlijk werken aan de mogelijkheid om zicht te krijgen op of asielkinderen wel of geen onderwijs volgen. Op dit moment is het nog niet mogelijk om dit cijfermatig in beeld te krijgen.
Daarbij merkt het kabinet op dat het continu moeten openen en sluiten van -met name- (crisis)noodopvangplekken, waardoor kinderen regelmatig moeten verhuizen, ook merkbaar leidt tot het langer uitblijven van toegang tot onderwijs voor deze kinderen. Hierbij is extra complicerend dat diverse gemeenten veelal slechts gezinnen met kinderen en andere kwetsbare personen willen opvangen in de crisisnoodopvang. Het COA is voor het vinden van capaciteit afhankelijk van gemeenten, waarbij gezien de druk in de capaciteit bovendien de nadrukkelijke wens is te voorkomen dat opnieuw asielzoekers buiten moeten slapen. De problematiek rond toegang tot onderwijs voor asielkinderen raakt met al deze factoren dus veel kinderen in de opvang, niet alleen in de (crisis)noodopvang.
Zo zijn er in het voortgezet onderwijs in Nederland inmiddels zelfs ISK’s die een instroomstop hebben ingevoerd tot aan de zomervakantie. Zorgelijk is ook dat sommige ISK’s te kennen hebben gegeven alle 18-jarigen uit te schrijven. Een school mag leerlingen niet uitschrijven omdat zij plek willen maken voor andere leerlingen. Dat is extra zorgelijk omdat deze leerlingen dan het recht dreigen te verliezen om hun opleiding af te maken. De inspectie zal scholen hierop aanspreken.
Als gevolg van de problematiek rond onderwijs merkt het COA dat het organiseren van onderwijs voor gemeenten en scholen inmiddels een van de terugkomende knelpunten is geworden. In de praktijk ziet het COA dat dit dan ook een belemmerende rol speelt bij het afsluiten van bestuursovereenkomsten met gemeenten voor opvanglocaties. In een tijd dat er al een tekort is aan leraren neemt de bereidheid van gemeenten om een locatie te openen af, gezien het risico van het niet kunnen organiseren van onderwijs.
Hoewel er goede voorbeelden zijn van zowel noodopvang- als crisisnoodopvanglocaties, met in voorkomende gevallen faciliteiten die op z’n minst vergelijkbaar zijn met een reguliere locatie, acht ik het in algemene zin onwenselijk dat kinderen in gezinnen in (crisis)noodopvanglocaties worden opgevangen. Er wordt zoals uw Kamer weet dan ook alles op alles gezet om zo spoedig mogelijk terug te keren tot een situatie waarin gebruik van (crisis)noodopvanglocaties niet langer nodig is.
Bent u bereid om te bezien of de ervaringen van gemeenten en onderwijsinstellingen met het opzetten van onderwijsvoorzieningen voor Oekraïense kinderen aanknopingspunten bieden voor onderwijsvoorzieningen voor de bredere groep asielkinderen? Bent u bereid om overleg te zoeken met (vertegenwoordigers van) gemeenten en onderwijsinstellingen om te kijken hoe hun ervaringen en wensen kunnen worden geadresseerd?
De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs start binnenkort met een evaluatie van de tijdelijke onderwijsvoorzieningen ten behoeve van leerlingen uit Oekraïne (hierna: tov). Uw Kamer ontvangt vóór augustus 2025 een verslag over de doeltreffendheid en effecten van de wet tov.
Aan uw Kamer is toegezegd om in 2023 ook met een langetermijnvisie te komen op onderwijs aan nieuwkomers. Ik ga met de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs in gesprek om te bezien welke lessons learned er zijn van het inrichten van tov. Samen met het COA ga ik tevens in gesprek met gemeenten en scholen over hun ervaringen en behoeften.
De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs gebruikt deze gesprekken als input voor het wetsvoorstel dat hij in voorbereiding heeft. Met dit wetsvoorstel wordt ingezet op het versterken van het recht op onderwijs dat alle nieuwkomers hebben en wordt de verantwoordelijkheid van de verschillende betrokken partijen verhelderd.
Bent u bereid om gemeenten die tijdelijke voorzieningen aanbieden om vluchtelingkinderen een vorm van onderwijs te bieden financieel te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Voor elke leerplichtige nieuwkomer die ingeschreven wordt op een school (dat kan ook een tov zijn) stelt OCW leerlingbekostiging en nieuwkomersbekostiging ter beschikking. Deze bekostiging staat dus los van de soort school. Soms komt het ook voor dat een gemeente, buiten het onderwijs, een kortdurend programma aanbiedt om kinderen opvang te bieden voordat zij instromen in het onderwijs. Omdat deze activiteiten buiten de verantwoordelijkheid van het onderwijs vallen, kan de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs hier niet op toe zien en kunnen deze initiatieven ook niet in aanmerking komen voor onderwijsbekostiging. Hij kan niet voorzien in aanvullende middelen, maar is momenteel wel met een aantal regio’s in gesprek om te bezien waar de knelpunten precies zitten en hoe we deze kunnen oplossen. De regio coördinatoren voor nieuwkomersonderwijs zijn doorlopend in gesprek en denken mee over passende oplossingen.
Bent u bereid om kinderen en hun onderwijsbehoefte een hogere prioriteit te geven binnen het plaatsingsbeleid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en rekening te houden met de noodzaak van plaatsing in reguliere locaties en het beschikbare onderwijsaanbod? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u met ons van mening dat oplossingen op korte termijn dringend gewenst zijn? Zo ja, welke maatregelen neemt u zich voor om de druk op het onderwijs voor kinderen van asielzoekers ten spoedigste te verminderen?
Het is mijn verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het plaatsingsbeleid voor deze doelgroep zo optimaal mogelijk wordt ingevuld. Dat betekent dan ook dat er op korte termijn dringend oplossingen gewenst zijn om de druk op het nieuwkomersonderwijs te verminderen. De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs zet zich er voor in om tegelijkertijd de druk op het onderwijsstelsel te verlichten en het aanbod zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de (crisis)noodopvang. De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs komt voor het zomerreces met een wetsvoorstel waarmee in wordt gezet op het versterken van het recht op onderwijs dat alle nieuwkomers hebben en waarin OCW de verantwoordelijkheid van de verschillende betrokken partijen verheldert.
Bent u het met ons eens dat naast tijdelijke oplossingen ook structurele oplossingen dringend gewenst zijn? Zo ja, is er al meer duidelijkheid over de plannen? Hoe gaat u voorkomen dat de tijdelijke landingsplaatsen die sommige gemeenten hebben opgezet om in ieder geval iets te kunnen bieden een structureel karakter krijgen?
Ik deel met uw Kamer dat structurele oplossingen gewenst zijn. Alle inspanningen zijn erop gericht om kinderen zo snel mogelijk in het onderwijs te krijgen. Dit is zo snel mogelijk, maar wettelijk gezien uiterlijk binnen drie maanden nadat ze in Nederland zijn aangekomen. Ik hecht eraan te benadrukken dat dit voor het kabinet ook echt het leidende kader is en blijft.
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag twee zijn er continu gesprekken tussen de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en mij, en de betrokken ministeries. Op dit moment hebben we te maken met een combinatie van toestroom, schaarste (zowel woningen als personeel) en ingewikkelde procedures en samenwerkingsvormen. Hoewel de gezamenlijke inzet er dus op gericht is om structurele oplossingen te realiseren is dit complex omdat de problematiek belegd is op verschillende niveaus en domeinen. Vanuit de opvangopgave wordt daarom ingezet op bijvoorbeeld het minimaliseren van verhuisbewegingen daar waar het gezinnen met kinderen betreft.
Daarnaast verkent de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs of er binnen het onderwijsstelsel meer mogelijk is. Daartoe is de Minister op dit moment onder meer bezig met een wetsvoorstel met als doel het versterken van het recht op onderwijs van alle nieuwkomers zoals ook benoemd in het antwoord op vraag negen. Net als de leden Kröger, Westerveld en Piri is de inzet van de Minister om de genoemde landingsplaatsen geen structureel karakter te geven. Een landingsprogramma is immers geen bestaand instrument in de wet, maar valt logischerwijs samen met de verantwoordelijkheid van gemeenten. Daarbij kwalificeert een landingsprogramma niet als volwaardig onderwijs, omdat kinderen niet staan ingeschreven op een school. De Inspectie van het Onderwijs houdt hier daarom ook geen toezicht op.
Is het mogelijk om gezien het grote belang van onderwijs aan alle kinderen deze vragen met spoed te beantwoorden?
De inzet is om deze vragen zo snel mogelijk te beantwoorden, rekening houdend met de interdepartementale afstemming die deze problematiek behoeft en met inachtneming van de geldende termijnen.
Het overzicht op stikstofvergunningen en de handel in onbenutte stikstofrechten |
|
Nilüfer Gündoğan (Gündogan) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verkoop verborgen vergunningen kan stikstofuitstoot stevig opjagen» alsmede van het bericht «Provincies weten van duizenden veehouders niet of ze de juiste vergunning hebben»?1, 2
Ja, ik ben bekend met deze berichten.
Klopt hetgeen gesteld wordt in het artikel dat de overheid geen zicht heeft op duizenden stikstofvergunningen van veehouderijen?
Initiatiefnemers zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van een natuurvergunning voor hun activiteit. Bevoegde gezagen hebben de wettelijke taak om toezicht te houden op activiteiten en te handhaven op het moment dat de activiteit niet volgens de geldende wet- en regelgeving wordt uitgevoerd. Het is bekend dat natuurvergunningen niet altijd overeenkomen met wat er feitelijk op een bedrijf gebeurt. Dat komt doordat er veranderingen plaatsvinden op het bedrijf zelf, in de omgeving of in de regelgeving. Ook beschikken veel veehouderijen over een toestemming van voor het moment dat de Habitatrichtlijn ging gelden voor de betrokken Natura 2000-gebieden (Europese referentiedatum). Zolang het bedrijf op dezelfde manier wordt uitgevoerd, is geen nieuwe natuurvergunning nodig. Tot slot heeft de Raad van State geoordeeld dat intern salderen niet meer vergunningplichtig is sinds de Spoedwet aanpak stikstof.
Ik vind het belangrijk dat bevoegde gezagen zicht hebben en houden op activiteiten en de effecten daarvan op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, en indien nodig kunnen ingrijpen. In de Kamerbrief van 25 november 2022 zijn een aantal richtingen in gang gezet om dit te versterken. Zo moet de aangekondigde vergunningplicht voor intern salderen ervoor zorgen dat natuurvergunningen worden geactualiseerd bij stikstofgerelateerde wijzigingen aan een bedrijf. Het aangekondigde onderzoek naar toezicht en handhaving door bevoegde gezagen in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) zal aanknopingspunten bieden om eventuele knelpunten op te lossen.
Klopt het dat de overheid eveneens niet kan zeggen welke vergunningen of zelfs niet welk deel van de vergunningen «slapend» zijn en op elk moment weer, ten minste voor 70 procent, kunnen worden geactiveerd?
Rijk en provincies hebben de voorwaarden voor extern salderen vastgelegd in beleidsregels. Hierin is bepaald dat alleen extern gesaldeerd mag worden met feitelijk gerealiseerde capaciteit. Daarvan wordt 30% afgeroomd. Het bedrijf van de saldogever moet bovendien in gebruik zijn of zonder nieuwe vergunning in gebruik genomen kunnen worden. Deze voorwaarden zijn bedoeld om feitelijke depositiestijging bij extern salderen te beperken. Het bevoegd gezag controleert of aan deze voorwaarden is voldaan en houdt op die manier dus grip. Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 25 november 2022 maakt het kabinet interbestuurlijke afspraken met provincies om de beleidsregels voor extern salderen verder aan te scherpen, o.a. om salderen met slapende vergunningen te voorkomen.
Kunt u uitsluiten dat het weer activeren van slapende stikstofrechten kan leiden tot een nieuwe piek in stikstofuitstoot?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3, ziet het bevoegd gezag toe op de voorwaarden die gesteld zijn aan extern salderen. Deze voorwaarden zijn gesteld om feitelijke depositiestijging te beperken. Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 25 november 2022 maakt het kabinet interbestuurlijke afspraken met provincies om de beleidsregels voor extern salderen verder aan te scherpen, o.a. om salderen met slapende vergunningen te voorkomen.
Met de aangekondigde vergunningplicht voor intern salderen wordt het mogelijk om ook aan intern salderen voorwaarden te stellen.
Deelt u de zienswijze dat een zeer groot deel van alle bestaande onbenutte stikstofrechten vroeg of laat weer zullen worden geactiveerd, mits aan de voorwaarden wordt voldaan?
Zie antwoord op vraag 4.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat centraal noch decentraal goed is bijgehouden hoeveel vergunningen er zijn verstrekt en dat dit ook in de afgelopen drie «bewogen stikstofjaren» niet in allerijl is hersteld? Is een inhaalslag gaande of aanstaande en wanneer is deze gereed?
Zie antwoord op vraag 2. In aanvulling daarop geldt dat voor toestemmingverlening primair van belang is dat stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden er niet op achteruit gaan. Daar toetst het bevoegd gezag op.
Erkent u dat het ontbreken van een actueel totaalbeeld van vergunningen niet alleen het zicht ontneemt op het nog onbenutte stikstofpotentieel, maar ook op bedrijven die stikstof uitstoten zonder de juiste toestemming of vergunning?
Zoals gezegd zijn initiatiefnemers in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van een natuurvergunning voor hun activiteit. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat bevoegde gezagen zicht hebben en houden op activiteiten en de effecten daarvan op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, en indien nodig kunnen ingrijpen. In de Kamerbrief van 25 november 2022 zijn een aantal richtingen in gang gezet om dit te versterken. Zo moet de aangekondigde vergunningplicht voor intern salderen ervoor zorgen dat natuurvergunningen worden geactualiseerd bij stikstofgerelateerde wijzigingen aan een bedrijf. Het aangekondigde onderzoek naar toezicht en handhaving door bevoegde gezagen in het kader van de Wnb zal aanknopingspunten bieden om eventuele knelpunten op te lossen.
Kunt u toelichten hoe een rechter de neerslag van stikstof wettelijk kan toetsen, zonder een goed overzicht van alle uitgegeven vergunningen alsmede van het nog niet benutte potentieel van deze vergunningen?
Op het moment dat een initiatiefnemer een natuurvergunning aanvraagt voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt, moet een AERIUS-berekening worden toegevoegd. Met deze berekening wordt de stikstofdepositie van de beoogde activiteit op beschermde Natura 2000-gebieden in beeld gebracht (eventueel in vergelijking met de bestaande/referentiesituatie). Het bevoegd gezag controleert of het betreffende Natura2000-gebied er niet op achteruit gaat. De rechter komt pas in beeld op het moment dat een juridische procedure tegen een afgegeven vergunning wordt gestart, bijvoorbeeld via een intrekkings- of handhavingsverzoek.
Deelt u de mening dat het uit de markt halen van niet benutte stikstofrechten enerzijds toekomstige stikstofuitstoot voorkomt en dat het anderzijds ook marktpartijen dwingt om sneller werk te maken van uitstootreductie?
De aanpak van latente ruimte zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 25 november 2022 is bedoeld om latente ruimte in natuurvergunningen te beperken en feitelijke depositiestijging bij salderen verder te voorkomen.
Kunnen agrariërs met niet gebruikte stikstofrechten bij de overheid aankloppen voor op- of afkoop van deze rechten? Indien nee, waarom niet?
Stikstofruimte is geen eigendom of verhandelbaar recht, zo blijkt uit jurisprudentie. Met de stoppersregelingen van het Rijk worden agrariërs in staat gesteld de veehouderijactiviteiten op hun bedrijf te beëindigen. Zij ontvangen een vergoeding voor de verkoop van dierrechten en de waarde van de stal. Daarbij wordt de stikstofruimte in de vergunning minimaal 85% teruggebracht, maar het staat de agrariërs vrij om (een deel van) de resterende stikstofruimte ter beschikking te stellen voor extern salderen in overeenstemming met de voornoemde beleidsregels.
Is het mogelijk om de economische waarde van niet benutte stikstofrechten te verlagen, bijvoorbeeld door aan de geldigheid van deze rechten een einddatum of een dalend stikstofvolume te koppelen? Is dit voor u een overweging?
Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 25 november 2022 zorg ik er met de vergunningplicht voor intern salderen voor dat natuurvergunningen worden geactualiseerd en zo latente ruimte in natuurvergunningen wordt beperkt. De economische waarde van niet benutte stikstofrechten verlagen is hierbij geen overweging.
Wat is uw reactie op de constatering van universitair hoogleraar van de Open Universiteit Beunen dat: «Je ziet dat in de industrie, maar ook bij wegenbouwprojecten en woningbouwprojecten, dat veehouderijbedrijven die al langere tijd gestopt zijn, geld verdienen aan de vergunning handel. Doordat overheden dat toestaan trek je eigenlijk een heel groot vat van potentiële uitstoot open, waar niemand zicht op heeft.»?3
Uit de Tussenbalans extern salderen met veehouderijen4, die het afgelopen jaar is uitgevoerd, blijkt dat sinds de gefaseerde openstelling ca. 50 vergunningen zijn afgegeven. Een groot deel daarvan (ca. 72%) is binnen de agrarische sector gebleven. Daarnaast blijkt uit de Tussenbalans5 dat er wel actief bemiddeld wordt tussen saldogevers en saldonemers, maar er zijn geen indicaties waargenomen voor het structureel optreden van speculatie. Dit blijven bevoegde gezagen monitoren en zal ook worden getoetst in de evaluatie van het instrument extern salderen, die de komende maanden wordt uitgevoerd.
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3, worden er voorwaarden aan extern salderen gesteld om feitelijke depositiestijging te beperken, waar het bevoegd gezag op toeziet. Deze voorwaarden worden verder aangescherpt, o.a. om extern salderen met slapende vergunningen te voorkomen.
Deelt u de mening van hoogleraar Beunen dat er ook een groep (veehouders) is die stikstof uitstoten zonder de juiste toestemming en dat het wenselijk is om daar intensiever te handhaven? Erkent u dat deze groep, vanwege zwakke handhaving, best groot kan zijn?4
In de Kamerbrief van 25 november 2022 zijn een aantal richtingen in gang gezet om toezicht en handhaving door bevoegde gezagen dit te versterken. Zo moet de aangekondigde vergunningplicht voor intern salderen ervoor zorgen dat natuurvergunningen worden geactualiseerd bij stikstofgerelateerde wijzigingen aan een bedrijf. Het aangekondigde onderzoek naar toezicht en handhaving door bevoegde gezagen in het kader van de Wnb zal aanknopingspunten bieden om eventuele knelpunten op te lossen. Op basis hiervan kunnen bevoegde gezagen beter zicht krijgen op activiteiten en de stikstofeffecten daarvan op Natura 2000-gebieden en indien nodig ingrijpen.
Deelt u de zienswijze dat aanpak van het onbenutte potentieel van stikstofrechten in combinatie met nauwgezette handhaving bij bedrijven die stikstof uitstoten zonder de juiste vergunning, de druk verlaagt voor de stikstofopgave van andere (markt)partijen? Indien nee, waarom niet? Indien ja, gaat u hier dan ook op korte termijn meer werk van maken?
Ik heb daarom de bij vraag 2, 3 en 4 genoemde maatregelen aangekondigd.
Het intrekken van de vergunning van de omroep Ongehoord Nederland |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de NPO omroep Ongehoord Nederland een derde sanctie heeft opgelegd na onderzoek van de NPO Ombudsman?
Ja, daar ben ik van op de hoogte. De NPO heeft op 31 januari 2023 laten weten voornemens te zijn een derde sanctie op te leggen aan Ongehoord Nederland. In het kader van hoor en wederhoor, krijgt Ongehoord Nederland 14 dagen de tijd om een zienswijze te geven. Vervolgens zal de NPO besluiten of de derde sanctie zal worden opgelegd.
Wat is de reden van deze derde sanctie? Verschilt deze sanctie van de vorige twee sancties en zo ja, waarin zit dat verschil?
Uit het persbericht van de NPO maak ik op dat de derde sanctie ziet op het tijdens het tweede seizoen van het programma Ongehoord Nieuws stelselmatig overtreden van de Journalistieke Code NPO. Omdat het een voornemen tot het opleggen van een sanctie betreft, is het sanctiebesluit zelf nog niet openbaar. De eerste sanctie van de NPO zag ook op de overtreding van de Journalistieke Code NPO. De tweede sanctie zag op het gebrek aan bereidheid tot samenwerking door Ongehoord Nederland.
Is er vanwege deze sancties sprake van een situatie zoals bedoeld in de Mediawet op grond waarvan u de erkenning van de genoemde omroep kunt intrekken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom is er geen sprake van die situatie?
Nee, daarvan is geen sprake. Op grond van artikel 2.33, vierde lid onder a kan de erkenning van een omroep worden ingetrokken als de raad van bestuur minimaal tweemaal een sanctie heeft opgelegd én een verzoek om intrekking heeft gedaan. Van dat laatste is op dit moment geen sprake. De NPO heeft laten weten zich te beraden op het doen van een verzoek tot intrekking.
Bent u voornemens om na deze derde sanctie de erkenning van Ongehoord Nederland in te trekken? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, hoeveel sancties kan deze omroep nog krijgen voordat u wel gaat ingrijpen?
Pas op het moment dat de NPO een verzoek tot intrekking van de erkenning doet, kan ik die afweging maken. Als de NPO besluit een dergelijk verzoek te doen, zal ik op dat moment alle relevante informatie moeten betrekken bij de afweging om al dan niet over te gaan op het intrekken van de erkenning van Ongehoord Nederland. Ik kan en wil niet vooruitlopen op deze zaken.
Deelt u de mening dat de bepalingen ten aanzien van uw mogelijkheden om tegen omroepen op te treden een dode letter worden als u geen gebruik van die mogelijkheden maakt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een situatie waarin ik geen gebruik maak van de mogelijkheden die de Mediawet biedt. De bepalingen in de Mediawet bieden op dit moment geen grondslag om op te treden tegen Ongehoord Nederland. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat u, ook zonder een verzoek van de NPO, de wettelijke mogelijkheid heeft om een omroepvergunning in te trekken? Zo ja, op grond van wettelijke bepaling? Zo nee, hoe interpreteert u artikel 2.33 lid 1 van de Mediawet op dit punt dan wel?
Op grond van artikel 2.33, eerste lid, is het mogelijk de erkenning van een aspirant-omroep in te trekken indien deze niet voldoet aan de eisen die gesteld worden in artikel 2.26 van de Mediawet. Het gaat bijvoorbeeld om de eis dat de omroep een vereniging is en statutair tot doelstelling heeft om media-aanbod te maken. Er zijn mij geen signalen bekend dat de omroep Ongehoord Nederland niet aan deze eisen zou voldoen.
Deelt u de mening dat het niet naleven van journalistieke codes, het niet bijdragen aan de kerntaken en niet samenwerken binnen het bestel niets te maken heeft met de vrijheid van meningsuiting of vrije pers, maar ondermijning is van het publieke bestel? Zo ja, kunt u dit toelichten en deelt u dan ook de mening dat een dergelijke omroep geen belastinggeld meer zou moeten krijgen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij om hierover te oordelen. Het mediabestel is zo ingericht dat de overheid op afstand staat. Ik vind dat een groot goed, juist vanwege het belang van vrije pers. Het oordeel is in eerste instantie aan de NPO. Ik constateer dat de NPO hier ook daadwerkelijk over oordeelt en op acteert: door het opleggen van sancties aan omroep Ongehoord Nederland. Met de opgelegde sancties is Ongehoord Nederland gekort op zijn budget.
Deelt u de mening dat een wetswijziging waarmee conform de motie van het lid Mohandis c.s1 het sanctiebeleid aangescherpt gaat worden geen reden mag zijn om nu niet handelend op te treden tegen Ongehoord Nederland en dat de wet daartoe nu al voldoende handvatten voor biedt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Een eventuele toekomstige wetswijziging is inderdaad geen reden om geldende regelgeving niet te volgen. De Mediawet biedt op dit moment geen grondslag om vanuit de bewindspersoon handhavend op te treden. Wel biedt de wet mogelijkheden voor de NPO om, indien er overtredingen worden vastgesteld, sancties op te leggen.
Wat is de status van een verzoek van de NPO tot intrekking van de omroepvergunningen als u daartoe overgaat? Betekent dat, dat de desbetreffende omroep per onmiddellijk verboden wordt of kunnen zij gedurende hun erkenningsperiode dan programma’s blijven maken?
Op het moment dat de NPO een verzoek tot intrekking van de erkenning van een omroep doet, moet ik als Staatssecretaris de afweging maken om de erkenning al dan niet in te trekken. In het geval dat er besloten wordt om de erkenning van een omroep in te trekken, dan zal de omroep per direct geen onderdeel meer uitmaken van het publieke bestel en dus geen recht meer hebben op budget of zendtijd. Tegen dit besluit staat vervolgens wel bezwaar en beroep open.
Deelt u de mening dat met de bestrafte overtredingen Ongehoord Nederland het vertrouwen in en aanzien van de publieke omroep als geheel schaadt? Kunt u dit toelichten?
Het is niet eerder voorgekomen dat een omroep meerdere sancties van de NPO opgelegd krijgt. De rapporten van de NPO Ombudsman en de sancties van de NPO constateren gebreken en overtredingen. Dat laat mij vanzelfsprekend niet koud. De publieke omroep zou onberispelijk moeten zijn en qua journalistieke normen en waarden een voorbeeldfunctie moeten vervullen.
Welke rol ziet u voor uzelf om een nieuwe omroep niet alleen toe te laten maar er ook op toe te zien of een omroep de afgemaakte afspraken met uw departement nakomt?
Het publieke bestel is zo ingericht dat de overheid op afstand staat. Vrije media zijn een groot goed. Er zijn geen specifieke afspraken gemaakt tussen mijn departement en individuele omroepen. Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de naleving van de Mediawet.