Het artikel 'Grote jeugdzorgorganisatie investeert miljoenen in bedrijven van eigen adviseur, ondanks megaverlies' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Grote jeugdzorgorganisatie investeert miljoenen in bedrijven van eigen adviseur, ondanks megaverlies»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het beeld dat uit het artikel naar voren komt, namelijk van een ggz- en jeugdzorgorganisatie die miljoenverliezen lijdt, waar grote personeelstekorten zijn en waar de zorg ondermaats wordt beoordeeld door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), maar waar de bestuurlijke top ondertussen wel een luxetrip organiseert en voor miljoenen investeert in bedrijven van een eigen adviseur?
Het beeld dat naar voren komt uit het artikel baart mij zorgen. Zorgbestuurders horen zich bewust te zijn van hun maatschappelijke positie. Hun persoonlijke belangen moeten zij niet laten prevaleren boven de belangen van goede, betaalbare en toegankelijke zorg. Het bestuur heeft in december 2023 een verklaring gegeven en is inmiddels afgetreden.
Bent u het ermee eens dat geld dat is bedoeld voor zorg, op een ondoelmatige manier is uitgegeven? Zo ja, wat kunt u doen om bedragen te verhalen? Zo nee, waarom acht u dit doelmatig?
Op basis van het artikel kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van onrechtmatigheden. Er kan dus ook niet op basis van dit artikel worden vastgesteld of er een grondslag is om bedragen te verhalen. De taak om dit op te pakken ligt bij de desbetreffende gemeenten.
Heeft u enig idee waarom hier niet op is ingegrepen door de accountant, de IGJ of een andere toezichthouder?
Er was geen directe aanleiding voor deze partijen om in te grijpen. Er waren geen signalen dat de continuïteit van zorg in gedrang was. Daarnaast heeft de aanbieder aangegeven dat er in juridische zin niets mis was met hoe de zaken georganiseerd waren en zal dit daarom ook voor de accountant geen reden is geweest om in te grijpen.
Bent u op de hoogte van het beeld dat wordt geschetst in het artikel over de JeugdzorgPlus instelling van Pactum in Zetten? Hoe beoordeelt u het Inspectierapport2 over deze instelling?
Ik ben op de hoogte van het beeld dat wordt geschetst over deze instelling in het artikel én van het inspectierapport. Het rapport laat zien op welke punten de locatie in Zetten moet verbeteren. Het stemt mij positief dat de IGJ de wil om te leren en de betrokken houding van Pactum ziet. Dat blijkt ook uit de verbeterpunten die de instelling zelf benoemt.
De IGJ concludeert dat binnen de locatie Zetten «sprake is van een repressief klimaat, dat de locatie nog niet voldoet aan de veldnormen «terugdringen vrijheidsbeperkende maatregelen»» en dat de locatie het «nee, tenzij» principe onvoldoende tot helemaal niet hanteert», hoe beoordeelt u deze conclusies op het gebied van vrijheidsbeperkende maatregelen, ondanks de enorme aandacht voor dit thema binnen de gesloten jeugdhulp?
Alle aanbieders voor gesloten jeugdhulp werken gezamenlijk aan het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Vooruitlopend op de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp die op 1 januari 2024 in werking is getreden, hebben zij in oktober 2022 de Veldnormen terugdringen vrijheidsbeperkende maatregelen vastgesteld. De mate waarin de instellingen dat lukt verschilt. Dat bleek bijvoorbeeld vorig jaar bij de doelstelling om de separeerruimten te sluiten3. Daarover heb ik toen ook mijn teleurstelling uitgesproken: deze norm was immers door het veld zelf opgesteld. Positief is dat de IGJ bij Pactum wel de wil om te leren en de betrokken houding van Pactum ziet. Dat blijkt ook uit de verbeterpunten die de instelling zelf benoemt. Pactum maakt ook deel van het lerend netwerk «Ik laat je niet alleen» van Jeugdzorg Nederland. Hierin staat terugdringen van gedwongen afzonderen in de JeugdzorgPlus centraal. In de eerste helft van 2024 verschijnt de eindrapportage van het lerend netwerk. Hierin wordt de ontwikkeling van de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen in de gesloten jeugdhulp in beeld gebracht.
Bij hoeveel instellingen heeft de IGJ dezelfde soort gebreken op het gebied van vrijheidsbeperkende maatregelen vastgesteld? Bij hoeveel instellingen is personeelstekort één van de oorzaken hiervan? Wat gaat de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp die per 1 januari 2024 inwerkingtreedt, veranderen?
De IGJ is bezig met een landelijk toezicht op de ontwikkelingen rond de afbouw en ombouw JeugdhulpPlus (gesloten jeugdinstellingen). Hier heeft de IGJ zorgen over. De toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen maakt onderdeel uit van dit toezicht. In het najaar van 2023 heeft de IGJ alle JeugdzorgPlus-instellingen bezocht. De bevindingen van de toezichtsbezoeken aan de JeugdzorgPlus-aanbieders publiceert de IGJ in het eerste kwartaal van 2024. Hierna volgt nog een publicatie met algemene conclusies naar aanleiding van dit toezicht.
Het toezicht op de ombouw JeugdzorgPlus wordt vervolgd in 2024. De inspectie kijkt onder andere naar de alternatieve, open voorzieningen en de kwaliteit en het hulpaanbod aan jongeren met complexe problemen die voorheen in de JeugdzorgPlus terecht kwamen. Omdat de ontwikkelingen rond de ombouw JeugdzorgPlus elkaar snel opvolgen, maakt de IGJ haar conclusies bekend elke keer als zij dit nodig acht.
Per 1 januari 2024 is de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp in werking getreden. Met deze wijziging van de Jeugdwet wet worden de rechten van kinderen die in een instelling voor gesloten jeugdhulp verblijven duidelijker dan voorheen vastgelegd. Ook gelden nu strengere voorwaarden voor het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen. Het uitgangspunt is «nee, tenzij». Ook stelt de wet aanvullende eisen aan een aantal specifieke vrijheidsbeperkende maatregelen, afzonderingsruimtes en de fysieke en sociale veiligheid in de gesloten jeugdhulp. Ook is vastgelegd dat de IGJ twee keer per jaar gegevens over toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen zal ontvangen van JeugdzorgPlus-instellingen. Deze informatie kan de IGJ benutten voor haar toezicht.
Hebben jongeren op de locatie Zetten toegang tot een vertrouwenspersoon? Zijn er ook bij vertrouwenspersonen klachten binnengekomen?
Jongeren op locatie Zetten hebben toegang tot een vertrouwenspersoon. Wekelijks komen daar vertrouwenspersonen op alle groepen om met jongeren te spreken. De vertrouwenspersonen geven de jongeren informatie en advies en ondersteunen hen tevens met regelmaat bij het bespreekbaar maken of indienen van hun klachten. In 2023 gingen de meeste klachten in de gesloten jeugdhulp over vrijheidsbeperkende maatregelen en bejegening. Dat was ook het geval bij Pactum Zetten. De vertrouwenspersonen hebben in 2023 ook signalen afgeven bij Pactum Zetten over zaken die niet goed gingen.
Zijn jongeren die op dit moment bij Pactum locatie Zetten verblijven veilig? In hoeverre krijgen zij een passende behandeling?
Over een lopend toezicht kan de IGJ geen informatie geven. Als blijkt dat de kwaliteit van zorgverlening onvoldoende is, dan grijpt de IGJ in.
In het najaar van 2023 heeft de IGJ alle JeugdzorgPlus-instellingen bezocht, zo ook Pactum. De bevindingen van de toezichtsbezoeken aan de JeugdzorgPlus-aanbieders publiceert de IGJ in het eerste kwartaal van 2024.
In hoeverre acht u de verschillende constructies die in het artikel worden beschreven tussen de Vigo Groep en de bestuursadviseur en een voormalig Vigo-directeur in overeenkomst met de Governancecode Zorg?
De Governancecode Zorg 2022 stelt dat elke vorm van ongewenste belangenverstrengeling van enig lid van de raad van bestuur of van de raad van toezicht en de zorgorganisatie dient te worden voorkomen en de schijn hiervan moet worden vermeden. De Governancecode gaat hierin verder dan de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (Wbtr) door te benadrukken dat ook de schijn van belangenverstrengeling moet worden vermeden. De code stelt daarnaast dat elke vorm en/of schijn van belangenverstrengeling gemeld moet worden aan de raad van toezicht en de voltallige raad van bestuur. De raad van toezicht beslist dan of sprake is van ongewenste belangenverstrengeling en treft passende maatregelen.
De situatie die in het artikel wordt geschetst vind ik ongewenst. Op basis van het onderzoek van Follow the Money kan ik echter niet concluderen of melding is gemaakt van de schijn van belangenverstrengeling bij de raad van toezicht en hoe hiermee omgegaan is.
In hoeverre zijn de dubbelrollen van de bestuursadviseur en het aanstellen van de dochter van de Vigo-bestuurder als algemeen directeur van GZ-Punt in overeenkomst met de Governancecode zorg?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het ermee eens dat meer inspraak vanuit het personeel op de benoeming van bestuurs- of toezichtfuncties, kan helpen om dit soort constructies te voorkomen?
Ik wil vooropstellen dat ik het belangrijk vind dat personeel zich vertegenwoordigd voelt en voldoende zeggenschap ervaart over beslissingen die hen raken binnen de organisatie. Zeggenschap kan door organisaties op verschillende wijzen geborgd worden. Ik kan niet beoordelen of de inspraak van het personeel in de benoeming van bestuurs- of toezichtfuncties in deze specifieke casus een verschil had kunnen maken.
Wat gebeurt er als een zorgorganisatie de Governancecode zorg overtreedt? Bent u van mening dat de Governancecode zorg voldoende werkt, aangezien het enkel een gedragscode is en deze geen juridische status heeft? Ziet u hierin ook een rol voor de politiek, aangezien het hier gaat om de besteding van publiek geld en een gebrek aan goede zorg voor kinderen?
Als een zorgorganisatie de Governancecode Zorg overtreedt, kan dit gevolgen hebben als de organisatie is aangesloten bij een brancheorganisatie en belanghebbenden de Governancecommissie Gezondheidszorg inschakelen. Zelfregulering via governancenormen is belangrijk, maar biedt geen afdoende antwoord om de gevolgen van een niet-integere bedrijfsvoering van zorg- en jeugdhulpaanbieders te voorkomen dan wel te beëindigen, zeker in een situatie dat de organisatie niet is aangesloten bij een brancheorganisatie of wanneer de Governancecommissie niet wordt ingeschakeld. In de huidige situatie is geen rechtstreeks publiekrechtelijk toezicht mogelijk op de naleving van de privaatrechtelijke governancenormen. De IGJ en de NZa hebben deze beperking in het huidige toezicht in een brief van 5 maart 2019 over hun signalering bij het onderzoek naar Zorggroep Alliade toegelicht4. Mede om die reden is het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) in voorbereiding. Met dit wetsvoorstel wordt het externe toezicht op de integere bedrijfsvoering versterkt.
In hoeverre zijn dit soort uitwassen zoals die beschreven worden in het artikel volgens u een gevolg van marktwerking in de zorg?
In de zorg wordt ruimte geboden aan regionale of lokale partijen om de zorg in te richten op een wijze die het best past bij de regionale omstandigheden. Die ruimte is niet onbeperkt; via wet- en regelgeving worden maatschappelijke belangen zoals kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg gewaarborgd. Dat neemt niet weg dat zich altijd risico’s kunnen voordoen wanneer bijvoorbeeld door zorgaanbieders aan financiële belangen een grotere waarde wordt gehecht dan aan de genoemde publieke belangen. Mede om dit soort niet-integere bedrijfsvoering tegen te gaan wordt gewerkt aan het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). Met dit wetsvoorstel worden onder andere normen voor integere bedrijfsvoering, waaronder het voorkomen van benadeling van de zorg- of jeugdhulpaanbieder bij het bestaan van tegenstrijdige belangen bij onder andere een lid van de directie, aangescherpt en wordt de wettelijke mogelijkheid gecreëerd om aanvullende voorwaarden aan winstuitkering in zorg en jeugdhulp te kunnen stellen.
De Nederlandse deelname aan de IPCEI-regeling voor cloudtechnologie |
|
Femke Zeedijk-Raeven (D66), Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u in algemene zin een toelichting geven op de beoogde Nederlandse deelname aan de IPCEI-regeling voor cloudtechnologie?1 2
Het kabinet heeft op 21 september 2021 (Prinsjesdag) uw Kamer geïnformeerd over de voorgenomen Nederlandse deelname aan het Important Project of Common European Interest Next Generation Cloud Infrastructure and Services (IPCEI CIS) en de beslissing hiervoor 70 miljoen euro ten behoeve van Nederlandse projecten beschikbaar te stellen. Het kabinet vindt Europese innovatie op dit terrein van groot belang voor het bedrijfsleven en met name de maakindustrie die, ook in Nederland, voor processen en productie een steeds grotere behoefte heeft aan nieuwe, concurrerende en veilige Europese cloudtoepassingen.
Een IPCEI is een geïntegreerd Europees project dat bestaat uit meerdere nationale projecten van bedrijven en/of onderzoeksinstellingen uit deelnemende lidstaten, dat beoogt een belangrijke Europese waardeketen te realiseren of in stand te houden. Hierdoor wordt de Europese autonomie verstevigd. De IPCEI CIS is het eerste belangrijke project van gemeenschappelijk Europees belang op het gebied van cloud- en edge-computing. Het betreft de ontwikkeling van het eerste interoperabele en vrij toegankelijke Europese ecosysteem voor gegevensverwerking.
Het project moet zorgen voor de Europese ontwikkeling van gegevensverwerkingscapaciteit, software en instrumenten voor het delen van gegevens waarmee onderling verbonden, energie-efficiënte en betrouwbare cloud- en edge-technologie en samenhangende diensten voor het verwerken van gedistribueerde gegevens kunnen worden ontwikkeld. De innovatie in het kader van IPCEI CIS zal een nieuw spectrum van mogelijkheden voor Europese bedrijven en burgers bieden en zo de digitale en groene transitie in Europa bevorderen.
Hiermee past onze inzet binnen de IPCEI CIS bij bestaand beleid, zoals de kabinetsvisie op datadelen tussen bedrijven3, de Europese datastrategie4 de Strategie Digitale Economie5 en de Europese verklaring voor een nieuwe generatie edge en cloud6. Ook wordt met de IPCEI CIS een aantal marktfalens geadresseerd. Deze economische problematiek is onder andere door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderzocht en beschreven in een uitgebreide marktstudie7. De Nederlandse IPCEI CIS-projecten worden inhoudelijk in de Kamerbrief die gelijktijdig met deze beantwoording wordt verzonden verder beschreven.
Op basis van een rangschikking zijn drie Nederlandse projecten in aanmerking voor subsidie gekomen. De Nederlandse projecten maken deel uit van het IPCEI CIS ecosysteem8. Hier is ook door de Europese Commissie over gecommuniceerd bij de aankondiging van de goedkeuringsbesluiten voor steun aan bedrijven op basis van het IPCEI-steunkader. Dit is een proces geweest waar door de deelnemende bedrijven, de Nederlandse overheid en de Europese Commissie zorgvuldig gedurende een periode van twee jaar aan is gewerkt. Deze subsidie is inmiddels door EZK verstrekt.
Kunt u een overzicht geven van de waardeketen voor cloudtechnologie van datacenters, inclusief toeleveranciers, via clouddienstverleners, tot aan gebruikers hiervan?
Het gaat bij cloudtechnologie om IT-diensten die via het internet worden aangeboden waarbij de gebruiker geen hardware en software aanschaft, maar betaalt voor het daadwerkelijke gebruik van één of meerdere diensten die op de infrastructuur van een cloudaanbieder draaien. Deze infrastructuur is in de regel in een datacenter gehuisvest. Door deze opzet kan de gebruiker zijn of haar gebruik makkelijk op- en afschalen.
Clouddiensten worden grofweg in drie categorieën verdeeld: (1) Infrastructuur as a Service (IaaS), (2) Platform as a service (PaaS) en (3) Software as a Service (SaaS), waarbij de scheidslijnen tussen die drie niet altijd even scherp te trekken zijn. Onderstaande afbeelding geeft schematisch weer hoe deze algemene waardeketen van clouddiensten eruit ziet en wat de verschillende categorieën inhouden. Het is niet mogelijk een uitputtende beschrijving te geven van de waardeketen van cloud in Nederland.
Figuur 1: Een schematische weergave van de verschillende lagen in cloudtechnologie. Bron: ACM
Wat zijn de grootste bedrijven in deze keten in Nederland, Europa en wereldwijd?
Clouddiensten worden aangeboden door een aantal van de grootste bedrijven ter wereld, zoals Amazon, Microsoft en Google. Andere actieve spelers op de Europese en Nederlandse markt voor clouddiensten zijn bijvoorbeeld IBM, Oracle, VMware, OVHcloud, Scaleway en het Nederlandse Leaseweb. De grootste cloudaanbieders zijn actief op zowel de IaaS-, PaaS- en SaaS-laag, en zijn dus verticaal geïntegreerd. De ACM9 stelt vast dat de clouddiensten van de twee grootste partijen, Microsoft Azure en Amazon Web Services (AWS), in zowel Nederland als Europa, op de IaaS- en PaaS-laag over een groot marktaandeel beschikken (beide 35 à 40 procent). Google is de sterke derde speler op de Nederlandse en Europese markt. Er is sprake van een hoge mate van concentratie op de markt voor clouddiensten. Daarbij leveren Nederlandse bedrijven vaak diensten gebaseerd op infrastructuur die door derden worden geleverd.
Op welke control points in de keten heeft Nederland een goede concurrentiepositie en op welke zouden we die kunnen ontwikkelen?
Over het algemeen hebben Nederlandse cloudbedrijven een klein marktaandeel in alle lagen van de waardeketen, hoewel Nederlandse bedrijven op het gebied van IaaS een relatief sterkere positie hebben. Daarmee zijn de strategische controlepunten in de waardeketen van cloudbedrijven, voor zover die er zijn, niet direct de basis voor de Nederlandse concurrentiepositie. De IPCEI CIS is gericht op het stimuleren van een nieuwe generatie innovatie edge- en cloudoplossingen, waarbij beoogd wordt dat de concurrentiepositie van deelnemende Europese bedrijven verbetert. Zo kunnen deze bedrijven op het gebied van bijvoorbeeld federatieve cloudoplossingen, dus het kunnen verbinden van clouddiensten van verschillende aanbieders met elkaar, en nieuwe edge-technologieën een sterkere marktpositie krijgen. Hierbij wordt niet direct een focus gelegd op het creëren van een sterke positie van specifiek Nederlandse bedrijven, maar wordt gewerkt aan het creëren van een sterke Europese waardeketen over de verschillende lagen heen. Europese integratie is ook een voorwaarde om staatssteun onder het IPCEI steunkader te mogen verlenen.
Bent u voornemens om (een deel van) de door de Nederlandse regering gereserveerde € 70 miljoen in te zetten om een soevereine Nederlandse clouddienst te realiseren?
Digitale infrastructuur zoals cloud bestaat uit wereldwijde toepassingen en verbindingen waarin een uitsluitend Nederlandse (toonaangevende of soevereine) dienst op dit moment niet voor de hand ligt. Het gaat bij de IPCEI CIS om het behalen van Europese doelstellingen op het gebied van cloudinnovatie waarbij Nederlandse deelname op basis van kennis, innovatie en financiering geen vanzelfsprekendheid vooraf is. Het kabinet vindt Nederlandse deelname echter van groot belang vanuit innovatieoogpunt, maar ook voor het toekomstig gebruik van te ontwikkelen Europese clouddiensten door Nederlandse (maakindustrie)bedrijven. Daarom heeft mijn ministerie zich samen met betrokkenen uit de Nederlandse cloudsector, actief ingezet voor deelname en financiering gereserveerd.
De IPCEI CIS draagt rechtstreeks bij aan de verwezenlijking van verschillende doelstellingen op het gebied van een digitale, groenere, veiligere, veerkrachtigere en soevereine economie. De middelen worden ingezet om Nederlandse bedrijven en onderzoeksinstellingen een bijdrage te laten leveren aan een nieuwe generatie innovatieve cloudoplossingen, zoals ook beschreven staat in de IPCEI subsidieregeling10. Hiervan kunnen zowel Nederlandse bedrijven als overheden straks gebruik maken.
Welke governance is van toepassing om te garanderen dat het publieke en private geld terecht komt bij de juiste bedrijven? Welke rol zullen de regionale ontwikkelmaatschappijen hierbij spelen?
De Nederlandse bedrijven en onderzoeksinstellingen die in de IPCEI CIS subsidie krijgen zijn geselecteerd op basis van de criteria uit de IPCEI subsidieregeling11. Steun aan individuele bedrijven blijft beperkt tot wat noodzakelijk en evenredig is en niet zorgt voor marktverstoring. De Europese Commissie heeft zich er van vergewist dat de staatssteun die bedrijven mogen ontvangen in het kader van het IPCEI steunkader in overeenstemming is met de subsidiabele kosten van de projecten in relatie tot de zogenoemde «financieringskloof». Dit zijn de niet rendabele kosten van een project. De monitoring van de met publieke middelen gefinancierde projecten wordt in Nederland uitgevoerd door de RVO, hier spelen de regionale ontwikkelmaatschappijen geen rol bij. Ook op Europees niveau zijn er voor de IPCEI CIS verschillende governance mechanismes ingericht om te waarborgen dat publieke middelen op een effectieve manier worden ingezet en het geheel aan Europese projecten goed op elkaar wordt afgestemd. Ook wordt op Europees niveau ingezet op een transparant, inclusief en sneller ontwerp van belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang.
In welke mate heeft dit initiatief raakvlakken met andere initiatieven van het Ministerie van EZK, zoals de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie en de Nationale Technologiestrategie?
De IPCEI CIS draagt rechtstreeks bij aan de verwezenlijking van verschillende doelstellingen op het gebied van een digitale, groenere, veiligere, veerkrachtigere en soevereine economie. Daarmee sluit het ook aan bij de agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) en de Nationale Technologiestrategie. Europa is momenteel erg afhankelijk van cloudaanbieders uit derde landen, wat impact kan hebben op onze nationale veiligheid, ons verdienvermogen en andere maatschappelijke belangen. In het bijzonder is controle behouden over strategische en gevoelige gegevens een punt van toenemende aandacht. De doelstelling van het IPCEI-project van het verder ontwikkelen van Europese cloud- en edge-technologie kan bijdragen aan het verminderen van onze afhankelijkheid.
Het bericht dat tien Nederlandse bedrijven bijna 9 miljard euro aan fossiele subsidies krijgen |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Fossiele subsidies voor grote klimaatvervuilers» van Profundo in opdracht van Milieudefensie waarin onder andere wordt geconcludeerd dat tien grote energie- en industriebedrijven in Nederland jaarlijks gemiddeld 8,8 miljard euro aan fossiele subsidies ontvangen?1
Ja.
Vindt u het rechtvaardig dat vervuilende bedrijven als Shell en BP miljarden aan subsidies genieten, terwijl de energierekening voor huishoudens omhoog gaat?
Zie voor beantwoording van deze vraag het antwoord op vraag 3.
Vindt u het rechtvaardig dat deze tien meest vervuilende bedrijven door het kabinet met miljarden worden gesubsidieerd, terwijl duurzame bedrijven deze fiscale voordelen niet krijgen?
Het kabinet ziet beprijzing van klimaatschade – als invulling van het principe «de vervuiler betaalt» – als een belangrijke bouwsteen voor een rechtvaardige energie- en klimaattransitie. Ook normering, waarbij via verbod of gebod vervuiling wordt tegengegaan, speelt een belangrijke rol. Het kabinet heeft hier de afgelopen jaren ook op ingezet in nationaal en internationaal verband (zie ook het antwoord op vraag 4).
De lastenverdeling in de energie- en klimaattransitie dient in breed perspectief te worden beoordeeld. In het totaalbeeld van heffingen en tegemoetkomingen – nationaal en internationaal – dient de lastenverdeling op een gewenst en rechtvaardig niveau te worden gebracht. Dat hoeft niet noodzakelijkerwijs in zijn geheel «binnen de energierekening» plaats te vinden, maar vindt bijvoorbeeld ook plaats via andere heffingen zoals het ETS (zie ook antwoord op vraag 4). Het is daarom niet zo dat bijvoorbeeld tarieven die kleinverbruikers betalen ook zonder meer voor grootverbruikers zouden moeten gelden.
Het kan bovendien negatieve gevolgen hebben als voor internationaal concurrerende bedrijven heffingen in Nederland fors hoger zijn dan in andere landen. Er bestaat dan een kans dat productie en emissie verplaatsen naar het buitenland. Het kabinet zet daarom ook in op het internationaal tot stand brengen van (afspraken over) milieuheffingen voor bedrijven.
Wat doet u om dit onrechtvaardige klimaatbeleid rechtvaardiger te maken, zodat huishoudens en duurzame bedrijven niet benadeeld worden ten opzichte van vervuilende fossiele bedrijven?
In het antwoord op vraag 3 heb ik toegelicht dat het kabinet het principe van de «vervuiler betaalt» als een belangrijke bouwsteen ziet voor een rechtvaardige energie- en klimaattransitie. Een aantal stappen die recent door dit en vorig kabinet zijn gezet, zijn:
Ook heeft het kabinet in het Belastingplan ingezet op het afschaffen van vrijstellingen in de Kolenbelasting voor duaal en niet-energetisch gebruik van steenkool, en op het afschaffen van vrijstellingen in de Energiebelasting voor mineralogische en metallurgische procedés. Deze onderdelen van het Belastingplan 2024 zijn in december 2023 door de Eerste Kamer echter verworpen.
In internationaal verband heeft Nederland samen met een aantal landen op de Klimaatconferentie COP 28 in Dubai een Joint Statement ingebracht, gericht op het afschaffen van voordelen voor fossiele brandstoffen. Het kabinet hoopt dat meer landen zich hierbij aan zullen sluiten en zal daar dit jaar op inzetten.
Een belangrijke stap die in EU-verband wordt gezet, tot slot, is dat in het EU-Emissiehandelssysteem een afbouwpad is vastgelegd voor jaarlijks beschikbare rechten, hetgeen volgens de prognoses de prijs van emissierechten gestaag doet oplopen. Ook is een afbouwpad vastgelegd voor de jaarlijks beschikbare gratis rechten.
Hoe gaat u het afbouwen van fossiele subsidies meenemen in de maatwerkafspraken die u aan het maken bent met de meest vervuilende bedrijven?
In de maatwerkaanpak worden afspraken gemaakt over extra en snellere CO2-reductie in Nederland. Er wordt dus ingezet op snelle en ambitieuze verduurzaming. Een bedrijf ontvangt hier alleen een eventuele financiële bijdrage voor als de projecten bijdragen aan deze verduurzaming. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar de visie van het bedrijf op klimaatneutraliteit richting 2050. Wat betreft dispensatierechten in de CO2-heffing industrie geldt dat een eventueel overschot aan rechten dat gekoppeld kan worden aan de additionele CO2-reductie door maatwerk, niet buiten het bedrijf verhandeld mag worden (om een waterbedeffect te voorkomen).
Wat is de stand van zaken rondom de uitvoering van de motie Kröger c.s. over het opstellen van scenario’s voor het afbouwen van fossiele subsidies (Kamerstuk 32 813, nr. 1300)?
Het kabinet heeft aan de onafhankelijk voorzitter van het ambtelijk rapport Bouwstenen voor een beter en eenvoudiger belastingstelsel verzocht om de gevraagde afbouwscenario’s voor «fossiele subsidies» uit te werken. Hiermee beoogt het kabinet invulling te geven aan de motie Kröger c.s. Naar verwachting zal dit rapport begin februari worden gepubliceerd. Bij het uitwerken van deze scenario’s zal tevens invulling gegeven worden aan de motie van de leden Erkens en Boswijk met aandacht voor weglekeffecten, al bestaand klimaatbeleid en de economie (Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 43).
In het rapport worden fossiele subsidies berekend op basis van het tariefverschil tussen elektriciteit en andere energiedragers, waarmee er een eerlijke vergelijking wordt gemaakt tussen de energiekosten voor fossiele bedrijven en de energiekosten voor duurzame bedrijven.2 Bent u ook van mening dat bedrijven die verduurzamen door te elektrificeren door fossiele subsidies benadeeld worden ten opzichte van bedrijven die op fossiele energie blijven draaien?
De belasting- en accijnstarieven op aardgas, aardolieproducten en steenkool waren per energie-eenheid in de periode 2018–2022 lager dan de Energiebelastingtarieven voor elektriciteit. Dit kan een belemmering vormen voor elektrificatie. Het kabinet heeft in dit verband de afgelopen jaren, vooral door verhogingen van de belastingtarieven voor aardgas, de tariefverhoudingen tussen aardgas en elektriciteit meer in lijn gebracht met de energie-inhoud. In het Belastingplan 2023 zijn tariefpaden tot 2030 vastgelegd waarmee deze lijn wordt voortgezet.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze prijsverschillen worden verkleind en duurzame bedrijven minder worden benadeeld?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 4 en 7.
Het bericht 'Varkensboer die voor miljoenen is uitgekocht, wil op andere plek uitbreiden' |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de in het artikel beschreven situatie, waarbij een uitgekochte varkenshouder elders zijn bedrijf uitbreidt?1
De varkenshouder waar het artikel betrekking op heeft, heeft gebruikgemaakt van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden – ook wel bekend als Maatregel gerichte aankoop (hierna: MGA) – om een veehouderijlocatie te beëindigen. Op grond van een voorwaarde uit de MGA mag een deelnemer niet elders in Nederland een veehouderij vestigen of overnemen, ook niet via een deelneming van de veehouder in een vennootschap, samenwerkingsverband of anderszins (het zogenoemde doorstartverbod). Een veehouder mag een bestaande veehouderijlocatie, die op het moment van aanvraag van de MGA al op zijn naam stond, voortzetten en, binnen de bestaande wettelijke kaders, uitbreiden.
Op grond van aan mij door provincie Noord-Brabant verstrekte informatie breidt de stoppende varkenshouder uit het artikel zijn bedrijf niet elders uit maar betreft de uitbreiding een ander bedrijf, namelijk het bedrijf van zijn broer, waar de stoppende varkenshouder bedrijfsmatig niet bij betrokken is.
In hoeverre geldt voor de landelijke opkoopregelingen dat de in Brabant ontstane situatie, waarbij een uitgekochte ondernemer elders een (familie-)bedrijf uitbreidt, kan worden voorkomen?
Net als in de MGA is ook in de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) en de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) een doorstartverbod als voorwaarde verbonden aan subsidieverstrekking. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven mag een veehouder een bestaande locatie voortzetten en uitbreiden, mits deze locatie al op het moment van subsidieaanvraag op zijn of haar naam stond (of de betreffende veehouder al deelnemer was in de vennootschap, het samenwerkingsverband of anderszins).
Indien uw inschatting is dat een dergelijke situatie zich ook kan voordoen rondom de landelijke opkoopregelingen, deelt u dan de mening dat dit zeer onwenselijk is omdat publiek geld dan kan worden gebruikt voor het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten?
Het doorstartverbod vloeit voort uit het Europese steunkader, waar de landelijke beëindigingsregelingen door de Europese Commissie aan getoetst zijn. Deze regelingen laten ruimte voor het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten in bepaalde gevallen, in het bijzonder op een andere bestaande locatie, zoals aangeduid in het antwoord op vraag 2. De regelingen bieden een subsidie voor veehouders die een locatie van hun bedrijf beëindigen maar bevatten geen voorschriften voor de concrete aanwending van die subsidie. De subsidie kan bijvoorbeeld worden aangewend voor het aflossen van een lening, maar ook voor investeringen in een ander bedrijf of voor de uitbreiding van een andere bestaande locatie voor zover dat is toegestaan binnen de regeling.
Daarbij heeft de veehouder ook de mogelijkheid om gebruik te maken van de latente ruimte binnen de voor die bestaande locatie aanwezige vergunning. Om uit te kunnen breiden, is echter meer nodig dan alleen de juiste vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Zo dient een veehouder te beschikken over voldoende productierecht voor melkvee, varkens en/of pluimvee en kan er in bepaalde gevallen ook een milieuvergunning/omgevingsvergunning nodig zijn om een uitbreiding mogelijk te maken. Voor de productierechten geldt dat wanneer een ondernemer gebruik maakt van een stoppersregeling, het merendeel van de productierechten wordt doorgehaald. Als een ondernemer dus besluit locatie A te beëindigingen via een beëindigingsregeling en locatie B wil uitbreiden, zal hij of zij productierechten van een andere ondernemer moeten overnemen (die bijvoorbeeld krimpt). Dankzij deze subsidievereisten daalt met de beëindigingsregelingen het aantal productierechten dat in Nederland beschikbaar is voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee en wordt daarmee geborgd dat er sprake is van een blijvende daling van de stikstofdepositie.
In hoeverre geldt dat een ondernemer niet elders een soortgelijk bedrijf begint (het «beroepsverbod»), een voorwaarde die voortvloeit uit de Europese voorwaarden voor staatssteun waar de opkoopregelingen onder vallen wanneer er sprake is van een reeds afgegeven vergunning voor een bedrijf elders, zoals het geval is in Brabant?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 gold in de MGA als voorwaarde voor een aankoop dat de uitgekochte veehouder niet elders in Nederland een veehouderij mag vestigen of overnemen.
Ook bij de Lbv-plus en de Lbv is sprake van een verbod voor deelnemers aan deze regelingen om elders dezelfde activiteit te starten door een veehouderijlocatie te vestigen of over te nemen. De reikwijdte van dat verbod is expliciet vermeld in de toelichtingen bij de regelingen (paragraaf 5.4.4 en paragraaf 8), zoals die zijn gemeld bij en goedgekeurd door de Europese Commissie. Zoals ook aangegeven in voorgaande antwoorden kunnen deelnemers dus hun bedrijf op andere bestaande locaties voortzetten. Die voortzetting is naar zijn aard afhankelijk van de mogelijkheden die de vergunningen van betrokkene daarvoor bieden.
Vindt u het nodig om bij het vervolg van de landelijke opkoopregelingen ook oog te hebben voor reeds afgegeven vergunningen, waarmee het mogelijk is om de bedrijfsvoering op die andere vergunning toch voort te zetten?
De landelijke beëindigingsregeling hebben tot doel de stikstofdepositie die door individuele veehouderijlocaties wordt veroorzaakt op overbelaste en voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden te beëindigen. Het aangrijpingspunt van de landelijke beëindigingsregeling is daarmee de individuele veehouderijlocatie. De voorwaarden voor subsidieverstrekking (criteria, vereisten en vergoedingen) zien om die reden uitsluitend op de veehouderijlocatie waarvoor subsidie wordt verleend, niet op andere veehouderijlocaties die tot dezelfde onderneming behoren. Daarmee zou zich immers de situatie kunnen voordoen dat ook eisen worden gesteld aan een veehouderijlocatie die buiten de doelgroep van de betreffende regeling valt.
Hoe verhoudt het potentieel aan stikstofreductie door de opkoopregelingen zich tot het totaal aan ongebruikte vergunde stikstofruimte in Nederland?
Er is geen compleet beeld van latente ruimte in natuurvergunningen. Zoals eerder aan uw Kamer aangegeven bij de beantwoording van Kamervragen van het lid Omtzigt (De Groep-lid Omtzigt) (Kamerstuk 2022–2023 Aanhangsel 1670) schat ik, op basis van een door onderzoeksbureau Sweco uitgevoerde desk research, de omvang van latente ruimte in de agrarische sector in tussen de 25% en 40% van de verleende natuurvergunningen.
Ingebruikname van latente ruimte is onwenselijk, omdat het een risico kan vormen voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Een veehouder heeft echter meer nodig dan alleen ruimte in zijn natuurvergunning om te komen tot een uitbreiding op een locatie. Zo dient een veehouder te beschikken over voldoende productierecht voor melkvee, varkens en/of pluimvee en kan er in bepaalde gevallen ook een milieuvergunning («omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit») nodig zijn om een uitbreiding mogelijk te maken.
Ik onderken het risico van ingebruikname van latente ruimte voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Daarom heb ik in de Kamerbrief van 25 november 2022 de aanpak van latente ruimte aangekondigd, onder meer door herinvoering van een natuurvergunningplicht voor intern salderen. Begin 2023 heb ik daartoe een conceptwetsvoorstel in consultatie gebracht. Dat voorstel bevatte ook de in het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte IV aangekondigde aanscherping van de stikstofdoelen.2 In oktober 2023 heeft het lid Akerboom een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht om, indien de wetswijziging voor de aanscherping van de stikstofdoelen niet bij de Tweede Kamer wordt ingediend, het onderdeel voor de herintroductie van de vergunningplicht voor intern salderen wel zo snel mogelijk voor te leggen aan de Raad van State en vervolgens naar de Kamer te sturen.3 Deze motie is door de Kamer verworpen.4 Los daarvan geven de reacties uit de internetconsultatie aanleiding om te bezien welk instrument het beste aansluit bij het doel om grip te krijgen op latente ruimte en zekerheid bij natuurvergunningen. Daarbij kijk ik ook naar eventuele alternatieven voor de vergunningplicht. Ik wil de keuzes die hierover gemaakt kunnen worden, overlaten aan een volgend kabinet.
Het is nog te vroeg om een prognose te geven van de reductie van de ammoniakemissie en stikstofdepositie die met de Lbv en Lbv-plus gerealiseerd kan worden. Pas op het moment dat meer zekerheid bestaat over het aantal en het soort veehouderijlocaties (zoals ligging ten opzichte van overbelaste en voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, sector en omvang) dat daadwerkelijk overgaat tot definitieve en onherroepelijke beëindiging is het mogelijk om tot een onderbouwde prognose te komen.
Verwacht u dat met het huidige openstellingsbudget alle geïnteresseerde ondernemers zouden kunnen worden uitgekocht? Zo nee, hoe veel meer budget is daarvoor nodig in 2024?
De interesse voor de vrijwillige beëindigingsregelingen Lbv en Lbv-plus is groot. Om alle aanvragen die aan de voorwaarden voldoen te kunnen honoreren zijn extra middelen nodig. Ik maak me sterk voor het vinden van deze middelen. Ik zal uw Kamer op korte termijn nader informeren.
Dreigende sluiting van dagbesteding Antoon & Frans in Megen en de verdere verschraling van dagbestedingslocaties als gevolg van zorgconcurrentie |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het nieuws dat de betreffende dagbestedingslocatie in Megen mogelijk gaat sluiten, gezien de belangrijke maatschappelijke lokale functie die het heeft en ook in de context van «elke regio telt»»?1 2 3
Ik vind het voor de cliënten en de betreffende regio vervelend als deze locatie gaat sluiten. Het verdwijnen van voorzieningen kan in kleinere gemeenschappen een verlies betekenen voor de levendigheid en leefbaarheid. Ik heb overigens begrepen dat er gesprekken gaande zijn om de bakkerij in een andere vorm te laten voortbestaan.
Wat is uw reactie op het proces rondom de dreigende sluiting van de dagbestedingslocatie Antoon en Frans in Megen?
Ik heb van Dichterbij informatie ontvangen dat het vinden van cliënten voor de dagbesteding steeds moeilijker werd. Dichterbij richt zich op cliënten met een Wlz-indicatie en dat zijn gemiddeld genomen steeds vaker cliënten met zwaardere problematiek. Voor de coronaperiode had de bakkerij nog ongeveer 16 cliënten. Tijdens de coronaperiode zijn veel dagbestedingslocaties noodgedwongen gesloten geweest en na de coronaperiode heeft een aantal cliënten elders een nieuwe dagbesteding gevonden. Ondanks pogingen van Dichterbij om nieuwe cliënten te werven voor deze locatie, bleven er nog maar 8 cliënten over. Dat is onvoldoende om kwalitatief goede dagbesteding te leveren en het personeel te bekostigen dat de cliënten moet begeleiden. Om deze reden heeft Dichterbij besloten om deze locatie te sluiten.
Deelt u de mening dat dergelijke dagbestedingslocaties een extra maatschappelijke meerwaarde toevoegen aan de lokale gemeenschap? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel de mening dat dagbestedingslocaties zoals deze een maatschappelijke meerwaarde kunnen toevoegen aan de lokale gemeenschap. Naast levendigheid en leefbaarheid draagt het eraan bij dat de gemeenschap (vaker) in contact komt met mensen met een beperking.
Deelt u de mening dat op basis van het verbeteren van brede welvaart in de regio dergelijke dagbestedingslocaties in stand gehouden dienen te worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat in de regio goed oog moet zijn voor de leefbaarheid en de brede welvaart. Het is ook een taak voor de lokale gemeenschap om daar oog voor te hebben en in overleg met vele betrokkenen (waaronder de gemeente, maar mogelijk ook zorgaanbieders) na te denken over de leefbaarheid en de inrichting van wijken en buurten.
Deelt u de mening dat kleinschalige en passende dagbestedingslocaties in de nabijheid van cliënten van belang zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel deze mening, waarbij ik wil opmerken dat deze locaties niet in alle gevallen kleinschalig hoeven te zijn. Kleinschaligheid kan ook worden georganiseerd binnen een groter geheel.
Bent u bereid om eventueel aanvullende ondersteuning te bieden om dergelijke dagbestedingslocaties, die vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) gefinancierd worden, in stand te houden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, ik ben van mening dat het de taak is van het zorgkantoor om ervoor te zorgen dat er voldoende locaties zijn voor passende dagbesteding voor Wlz-cliënten. In dit geval heeft de dagbestedingslocatie ook in de buurt een belangrijke sociale functie. Hierin heeft de lokale gemeenschap een taak om na te denken over mogelijke alternatieven.
Welke maatregelen gaat u treffen om verdere verschraling in de gehandicaptenzorg, zoals dagbestedingslocaties, in met name kleinere kernen en in plattelandsregio's te voorkomen, waarbij u recht doet aan het verzoek uit de aangenomen motie van de leden Dijk en Kwint van 24 oktober 2023?4
De genoemde motie vraagt maatregelen te nemen om verschraling van de gehandicaptenzorg zorg tegen te gaan, zoals het wegvallen van dagbestedingsactiviteiten, minder persoonlijke aandacht voor cliënten, langere wachtlijsten en schaalvergroting als gevolg van financiële tekorten. Ik zie in dit geval geen relatie tussen de beslissing van Dichterbij om deze locatie te sluiten en de algemene financiële situatie in de gehandicaptensector. Bij gebrek aan voldoende dagbestedingscliënten ontstaat een situatie dat de zorg niet meer op een (financieel) verantwoorde manier kan worden geleverd en kan een instelling een besluit nemen om een locatie te sluiten. Het zorgkantoor heeft zorgplicht en dient in de regio zorg te dragen voor voldoende kwalitatief goed aanbod.
Hoe kijkt u tegen de ontwikkeling aan dat steeds meer cliënten met een licht zorgprofiel terechtkomen bij zzp'ers, waardoor andere dagbestedingslocaties onder druk komen te staan vanwege cliënten die vertrekken als gevolg van zorgconcurrentie?
Dichterbij levert zorgen aan mensen met een Wlz-indicatie. Deze mensen hebben over het algemeen geen licht zorgprofiel. De keuzevrijheid die cliënten hebben, beschouw ik als een groot goed. Indien cliënten kiezen voor een andere vorm van dagbesteding, dan kan dat betekenen dat andere locaties minder (of te weinig) cliënten overhouden.
Deelt u de mening dat het kwalijk is dat door deze vorm van zorgconcurrentie dagbestedingslocaties moeten sluiten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De keuzevrijheid die cliënten hebben, beschouw ik als een groot goed. Indien cliënten kiezen voor een andere vorm van dagbesteding, dan kan dat betekenen dat andere locaties minder (of te weinig) cliënten overhouden.
Bent u bereid om belanghebbende partijen (Zorgorganisatie Dichterbij, medewerkers, ouders/vertegenwoordigers van cliënten, gemeente Oss en andere relevante betrokkenen) bijeen te brengen om zo in gezamenlijkheid een toekomstbestendig plan op te stellen zodat deze dagbestedingslocatie en maatschappelijke voorziening behouden blijft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is de rol van het zorgkantoor om ervoor te zorgen dat er voldoende locaties zijn voor passende dagbesteding voor Wlz-cliënten. In dit geval heeft de dagbestedingslocatie ook in de buurt een belangrijke sociale functie. Hierin heeft de lokale gemeenschap (waaronder ook de gemeente) een taak om na te denken over mogelijke alternatieven.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid om te nemen om specifiek deze locatie open te houden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Met uitzondering van vraag 10 en 11 heb ik de vragen afzonderlijk beantwoord.
De scheur in de Westerscheldetunnel |
|
Anita Pijpelink (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Oorzaak scheur Westerscheldetunnel bekend, schade wordt pas later hersteld»1?
Ja.
Waarom duurt het nog tot Q2 2024 voordat er duidelijkheid kan worden gegeven over de reparatie?
Het in opdracht van de N.V. Westerscheldetunnel (hierna: de NV WST) uitgevoerde onderzoek toont aan dat de tunnel veilig is en in staat is om de gevolgen van de betonschade op te vangen. Er is geen direct gevaar voor de tunnelgebruiker. Deze conclusie biedt tijd en ruimte voor de NV WST om te werken aan een plan voor herstel. Het plan voor herstel richt zich op de mogelijke technische varianten van herstel, de maakbaarheid daarvan, de kosten en de impact op de beschikbaarheid van de tunnel.
De huidige situatie wordt overigens door middel van een aantal instrumenten voortdurend gemonitord door de NV WST.
Bent u het ermee eens dat het van groot belang is dat de Westerscheldetunnel, de enige directe verbinding tussen Zeeuws-Vlaanderen en de rest van het land, te allen tijde toegankelijk moet blijven?
De Westerscheldetunnel is een belangrijke wegverbinding die Zeeuws-Vlaanderen met de rest van de provincie Zeeland en Nederland verbindt. De tunnel heeft daarmee een belangrijke functie voor de bereikbaarheid van het gebied.
In het door de NV WST op te stellen plan voor herstel zal ook de impact op de beschikbaarheid (toegankelijkheid) van de tunnel, en daarmee bereikbaarheid van het gebied, een belangrijk aandachtspunt zijn. De NV WST bereidt zich daarop voor en betrekt daarbij de omgevingspartijen zoals gemeenten Borsele en Terneuzen, provincie Zeeland, Veiligheidsregio Zeeland en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
Hoe kan die toegankelijkheid op de lange termijn worden gewaarborgd, terwijl nog niet bekend is wanneer de reparatie plaats gaat vinden?
Zie hiervoor de antwoorden op de vragen 2 en 3.
Wat gaat u doen om de reparatie van deze levensader voor Zeeuws-Vlaanderen zo snel mogelijk te laten plaatsvinden?
De reparatie is een verantwoordelijkheid van de NV WST, waarvan de provincie Zeeland enig aandeelhouder is. De NV WST onderkent het belang van de verbinding en werkt voortvarend aan een plan voor herstel voor de scheur in de oostbuis van de tunnel. Het Ministerie van IenW is eén van de stakeholders die door de NV WST wordt betrokken bij dit plan voor herstel.
Waarom worden er nog geen voorzorgsmaatregelen genomen, zoals netten, terwijl die op termijn wel nodig zijn?
Het onderzoek heeft herbevestigd dat de tunnel veilig en stabiel is. Als ontwikkelingen met betrekking tot de monitoring en daaraan gekoppelde schade daartoe aanleiding geven, kan nog besloten worden tot tijdelijke maatregelen (zekering van het gescheurde element, veiligheidsnet of beplating om eventueel vallend gruis of lekwater op te vangen).
Hoe wordt de communicatie tussen provincie en ministerie afgestemd, zodat relevante partijen altijd op de hoogte zijn van de meest recente ontwikkelingen?
De NV WST zal vanuit haar verantwoordelijkheid de betrokken omgevingspartijen tijdig informeren en betrekken bij het plan voor herstel. Het gaat daarbij om de provincie Zeeland als aandeelhouder van de NV WST, de gemeente Borsele als bevoegd gezag, de gemeente Terneuzen, de Veiligheidsregio Zeeland en het Ministerie van IenW.
Het bericht dat de stijgende WOZ-waarde de sociale huurder hard treft. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stijgende WOZ-waarde treft sociale huurder hard: «Mogelijk honderden euro’s besparen met bezwaar»»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat de WOZ-waarde van sociale huurwoningen bovengemiddeld hard is gestegen?
De onderstaande tabel van het CBS laat de ontwikkeling van de WOZ-waarde voor verschillende categorieën eigendom zien.2
Tabel 1: ontwikkeling WOZ-waarden naar eigendom
Uit dit beeld maak ik niet op, dat de WOZ-waarde van huurwoningen van woningcorporaties (gereguleerd en geliberaliseerd segment) bovengemiddeld hard is gestegen ten opzichte van die van koopwoningen of ten opzichte van de huurwoningen (gereguleerd en geliberaliseerd segment) van andere verhuurders dan woningcorporaties. Uit deze statistiek komt naar voren dat de door het CBS onderscheiden categorieën woningen de afgelopen jaren een zeer parallelle WOZ-waarde-ontwikkeling hebben gehad. Bij elk van de categorieën komt verder naar voren dat in de overgang van 2022 naar 2023 sprake is van een sterkere stijging. Deze sterkere stijging hang samen met de ontwikkeling van verkoopprijzen op de woningmarkt. De WOZ-waarden 2023 zijn gebaseerd op de waardepeildatum 1 januari 2022. De sterkere stijging die in de «WOZ-waarden 2023» is te zien, heeft daarmee te maken met de ontwikkeling op de woningmarkt in 2021 (tussen de waardepeildatum 1 januari 2021 en 1 januari 2022). Gemiddeld zijn de WOZ-waarden van woningen voor die periode gestegen met ruim 16%. Voor huurwoningen in bezit van corporaties lag deze stijging inderdaad iets minder dan 2 procentpunt hoger. Bij deze marktontwikkeling is een dergelijk verschil een normale «statistische spreiding», samenhangend met het feit dat het bezit van woningcorporaties geconcentreerd is in één bepaald marktsegment.
Wat betekent deze sterk gestegen WOZ-waarde in de sociale huursector voor de huurquote van huurders van sociale huurwoningen?
Een sterk stijgende WOZ-waarde heeft in algemene zin geen effecten op de huurprijs van huurders. De WOZ-waarde is onderdeel van het zogeheten woningwaarderingsstelsel (WWS). Het WWS bepaalt op basis van kwaliteitskenmerken, zoals de WOZ-waarde, de oppervlakte en het energielabel, de maximale huurprijs voor woningen in het gereguleerde huursegment. De manier waarop de WOZ-waarde meeweegt in het WWS wordt jaarlijks geïndexeerd met de gemiddelde stijging van de WOZ-waarde. Hierdoor blijft de gemiddelde maximale huur landelijk gelijk. Daarnaast geldt dat de huurprijs bij een lopende huurovereenkomst in het gereguleerde segment uitsluitend kan worden verhoogd met de maximaal toegestane jaarlijkse huurverhoging (afgezien van een woningverbetering). Voor de gebruikelijke jaarlijkse huurverhoging geldt al enige jaren een systematiek op basis van inkomen, en niet op basis van de WOZ-waarde. Deze systematiek werkt als volgt voor de huurverhoging die per 1 juli 2024 mag worden doorgevoerd:
Niet hoger dan € 52.753
Tussen € 52.753 en € 62.191
Hoger dan € 62.191
Niet hoger dan € 61.046
Tussen € 61.046 en € 82.921
Hoger dan € 82.921
– Max. 5,8%1 bij huur ≥ € 300
– Max. € 251 bij huur < € 300
Max. € 501
Max. € 1001
Mits de maximale huurprijsgrens van de woning die volgt uit het woningwaarderingsstelsel niet wordt overschreden
Ook hebben per 1 juli 2023 circa 600.000 huurders met een huurwoning van een woningcorporatie in het gereguleerd segment een huurverlaging naar € 575 gehad3. Dat zijn huurders met een inkomen tot 120% van het minimum-inkomensijkpunt voor de huurtoeslag (ongeveer 120% van het sociaal minimum) die een huur van meer dan € 575 betaalden. Dat is een huurverlaging van gemiddeld circa € 58, voor huurtoeslagontvangers een netto huurverlaging van circa € 25.
Daarnaast is per 1 januari 2024 voor alle huurtoeslagontvangers (circa 1,5 miljoen huishoudens, huurders van woningcorporaties en van andere verhuurders) de maandelijkse huurtoeslag met circa € 30 verhoogd. Met deze huurverlaging en deze huurtoeslagverhoging is gericht de koopkracht van huurders met een lager inkomen ondersteund. Dit staat overigens los van de ontwikkeling van de WOZ-waarde van huurwoningen.
Voor corporaties gelden voorts regels inzake het passend toewijzen. Ook deze regels houden geen verband met de WOZ-waarde. De regels van het passend toewijzen moeten ervoor zorgen dat bij ten minste 95% van de woningen die een woningcorporatie jaarlijks toewijst aan huishoudens met een inkomen onder de inkomensgrens voor passend toewijzen4, de kale huur van de woning onder de zogenaamde aftoppingsgrens ligt. De aftoppingsgrenzen per 1 januari 2024 zijn:
Deelt u de mening dat het ongewenst is dat de fors gestegen WOZ-waarde één-op-één wordt doorberekend in de huurprijs van huurders in de sociale sector?
Ja. Zoals ik hiervoor aangeef in antwoord op vraag 4, is het wettelijk ook niet mogelijk om de stijging van de WOZ-waarde één-op-één door te berekenen in de huurprijs van huurders in de sociale sector.
Staat u in contact met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over deze kwestie? En wordt er gesproken over de gemeentelijke mogelijkheid om het belastingtarief aan te passen zodat het uiteindelijk te betalen bedrag minder hard stijgt dan de woningwaarde?
Nee. Zoals het bericht aangeeft, betalen huurders geen onroerendezaakbelasting (OZB). En zoals ik in het antwoord op de vragen 3 en 4 heb toegelicht, kunnen verhuurders de (stijging van de) WOZ-waarde niet één-op-één doorberekenen aan de huurders. Zoals in antwoord 3 is aangegeven kunnen verhuurders een eventueel gestegen OZB niet afzonderlijk tot uitdrukking laten komen in een stijging van de huur, zodat dit geen effect kan hebben op de huurquote van de huurder. Overigens laat de ervaring zien dat gemeenten met hun tariefbeleid voor de OZB ervoor zorgen dat de gestegen WOZ-waarden niet één-op-één worden vertaald in hogere belastingen voor verhuurders van woningen en eigen-woningbezitters.
Staat u in contact met Aedes en andere woningbouwcorporatie-vertegenwoordigers over deze kwestie? Zo ja, zijn zij bereid de WOZ-waarde stijging niet volledig door te berekenen aan de huurders? Zijn hier afspraken over gemaakt in de nationale prestatieafspraken en zo nee, zouden hier op korte termijn afspraken over kunnen worden gemaakt?
Nee. Zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 4 kan een stijgende WOZ-waarde niet worden doorberekend aan huurders. Er is dus geen noodzaak om hierover in contact te treden met Aedes en andere woningbouwcorporatie-vertegenwoordigers over deze kwestie. Met het oog op de woonlasten van huurders zijn in de nationale prestatieafspraken wel afspraken gemaakt over huurverlaging naar € 550 (prijspeil 2020) voor huurders met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum en over het aanbrengen van isolatie die niet wordt doorgerekend aan de zittend huurder.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat huurders beter worden geïnformeerd over de mogelijkheid tot bezwaar? En hoe kan dit proces laagdrempeliger worden vormgegeven?
De Waarderingskamer houdt toezicht op de uitvoering van de wet WOZ door de gemeenten. De Waarderingskamer heeft de gemeenten al gewezen op de positie van huurders en dat ook huurders bezwaar kunnen aantekenen. De Waarderingskamer is tevens betrokken bij diverse activiteiten om de WOZ-waarde inzichtelijker te maken voor de burger en daarmee ook voor huurders. Hierbij is te denken aan het nadrukkelijk onder de aandacht brengen van het WOZ-waardeloket, waar een huurder altijd de WOZ-waarde kan zien van de woning die men huurt en deze ook kan vergelijken met andere woningen in zijn of haar omgeving. Verder is de inzet gericht op de vaststelling van een duidelijker model taxatieverslag, maar ook aan de inzet gericht op informeel contact tussen de gemeente en de burger (zowel eigenaar als huurder).
De Waarderingskamer agendeert deze activiteiten regelmatig in de Commissie Klankbord, In deze Commissie nemen verschillende maatschappelijke organisaties deel. Deze kunnen daardoor invloed uitoefenen op de wijze waarop de Waarderingskamer probeert zorg te dragen voor een laagdrempeliger proces. De in het bericht genoemde Woonbond is één van de organisaties die lid is van deze Commissie Klankbord.
Het bericht dat de commerciële huisartsenketens Co-med doorgaat met overnames van nieuwe praktijken |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de commerciële huisartsenketens Co-med doorgaat met overnames van nieuwe praktijken?1
Ik vind het belangrijk dat huisartsenzorg voor iedereen toegankelijk en van goede kwaliteit is. En om dit te waarborgen zijn de vier kernwaarden (door de beroepsgroep zelf vastgesteld) van de huisartsenzorg belangrijk, namelijk: persoonsgericht, medisch-generalistisch, continu en gezamenlijk. Ik vind het dan ook essentieel dat zorgaanbieders die deze kernwaarden niet kunnen waarborgen, alle aandacht en energie steken in het verbeteren van de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg en niet in het overnemen van nieuwe praktijken. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Inspectie Gezondheidszorg & Jeugd (IGJ) houden toezicht op de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid van zorg en zullen zo nodig handhaven. Op dit moment onderzoek ik de mogelijkheden om in concrete gevallen, waarin toezichthouders op basis van signalen gericht onderzoek doen naar het handelen van bepaalde zorgaanbieders, de NZa de wettelijke bevoegdheid te geven om gedurende de looptijd van die onderzoeken overnames door betreffende partijen te verbieden. Dit vergt waarschijnlijk aanpassing van bestaande wetgeving. Ik zal uw Kamer hierover dit kwartaal verder informeren.
Bent u het ermee eens dat het besluit van Co-med om nog een groter deel van de huisartsenzorg te beschadigen met hun op winst beluste private equity formule, waar al meerdere huisartsenketens aan ten onder zijn gegaan, aantoont dat het dit bedrijf absoluut niet gaat om het waarborgen van fatsoenlijke zorg voor mensen?2 3
Zie antwoord vraag 1.
Hoe bent u van plan te voorkomen dat de kwaliteit en toegankelijkheid van de huisartsenzorg voor nog meer mensen achteruit gaat, doordat hun eigen vertrouwde huisartsenpraktijk wordt overgenomen door Co-med?
Voor de meest recente stand van zaken verwijs ik naar de brief «stand van zaken versterking huisartsenzorg» die op 19 december jongstleden naar uw Kamer is gestuurd.4 Daarin heeft mijn ambtsvoorganger, kort samengevat, aangegeven dat ketenvorming in de huisartsenzorg onze aandacht heeft. Het Ministerie van VWS voert hierover doorlopende gesprekken met betrokken partijen uit het veld. Ik vind het belangrijk dat we onwenselijke situaties rondom ketenvorming voorkomen, zonder dat onnodige regulering aan het hele veld wordt opgelegd. Een algeheel verbod op ketens of winstuitkering is juridisch niet uitvoerbaar, maar ook niet wenselijk omdat daarmee ook goede aanbieders van huisartsenzorg zullen worden getroffen. Daarom zet ik in op verschillende lijnen. Ten eerste streef ik ernaar de problematiek scherper in beeld te krijgen door middel van verschillende onderzoeken, zowel binnen de huisartsenzorg als zorgbreed.5, 6 Daarnaast verken ik de mogelijkheden en noodzaak voor aanvullende wet- en regelgeving; zoals extra bevoegdheid voor de NZa, zoals in het antwoord hierboven is beschreven. Daarbij heb ik ook opnieuw gekeken naar een effectief goodwill verbod, omdat goodwillbetalingen de positie van beginnende huisartsen die hun eigen praktijk willen starten verzwakken. Er is echter geen juridische mogelijkheid om goodwill te verbieden zonder in strijd te komen met artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM (bescherming van eigendomsrecht).
Tot slot blijf ik in gesprek met partijen uit de huisartsenzorg over stappen die zij zelf kunnen zetten. Huisartsen(ketens), regionale huisartsenorganisaties en zorgverzekeraars spelen zelf een belangrijke rol bij het toekomstbestendig inrichten van de huisartsenzorg in hun regio. Door het borgen van de kernwaarden, gericht beleid te voeren rondom de arbeidsmarkt en het praktijkhouderschap en duidelijke afspraken te maken over de (eisen aan) regionale samenwerking en zich hieraan te committeren, kunnen deze partijen gezamenlijk sturen op voldoende en kwalitatief goed aanbod van huisartsenzorg in de regio (en zo de ketenvorming in de huisartsenzorg minder kans te geven).
Bent u bereid om in te grijpen om te voorkomen dat Co-med nog meer praktijken overneemt, tenminste totdat de problemen bij hun huidige praktijken zijn opgelost?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Marijnissen/Bikker, waarin u werd opgeroepen om «in het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders de noodzakelijke stappen te zetten die ervoor zorgen dat binnen de huisartsenzorg eigenaarschap van private-equitypartijen tot het verleden gaat behoren en er geen geld meer uit de huisartsenzorg naar derden verdwijnt»?4
Zoals mijn ambtsvoorganger in verschillende debatten met uw Kamer reeds heeft aangegeven wordt, mede naar aanleiding van een eerdere motie van de leden Van den Berg en Dijk8, onderzoek gedaan naar de opkomst van private equity partijen in de zorg en de eventuele kansen en risico’s daarvan voor de publieke waarden van zorg en ondersteuning (toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid). Ik verwacht dat dit onderzoek rond het einde van dit kwartaal wordt afgerond. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zal ik bezien of- en welke maatregelen nodig en proportioneel zijn om de risico’s voor de publieke waarden te mitigeren.
Bent u bereid om een tijdelijke stop op overnames door Co-med in te stellen, tenminste totdat bovenstaande motie is uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 1.
Trucs van kinderopvang om de omzet te verhogen |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderdagverblijven en bso's gebruiken vaker trucs om omzet te verhogen»1? Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Ik zie graag dat de dienstverlening van kinderopvang goed aansluit bij de behoeften van ouders en aanbieders. Daarbij is het van belang dat veranderingen in de dienstverlening in goede afstemming tussen ouders, oudercommissies en kinderopvangorganisaties plaatsvinden. Een situatie waarbij openingstijden worden verruimd zonder dat daar gebruik van wordt gemaakt, is niet de bedoeling. Net als het aanpassen van pakketten waarbij ouders een buitensporige hoeveelheid uren in vakanties dienen af te nemen. Er is geen recht op KOT voor uren waarop de opvang gesloten is, met uitzondering van erkende feestdagen.
De signalen over de praktijken uit het artikel heb ik 14 december 2023 met de kinderopvangbranche besproken. Daarbij heb ik het belang van goede afstemming met ouders alsmede de voorwaarden voor het ontvangen van KOT benadrukt. Tevens heb ik de branche gevraagd in te zetten op: 1) verbetering van transparantie: kinderopvangorganisaties zouden uurprijzen en openingstijden op de website moeten vermelden, 2) het vergroten van de bekendheid van stappen die ouders kunnen nemen bij een geschil of klacht. De brancheorganisaties delen het belang van transparantie en hebben aangegeven zich hiervoor te zullen inspannen. Ik verwacht dat deze stappen de transparantie in de sector vergroten en daarmee de positie van ouders versterken. Ik zal in gesprek blijven met de brancheorganisaties over de voortgang van deze stappen. Parallel ga ik onderzoeken of toezicht en nadere regelgeving gericht op kinderopvangorganisaties wenselijk is.
Daarnaast zal ik om meer inzicht te krijgen op welke schaal uitbreiding van openingstijden voorkomt, in samenwerking met de branche een steekproef opzetten. Deze steekproef zal aansluiten bij het bestaande uurprijsonderzoek van BoinK en Waarborgfonds Kinderopvang. Eveneens zal ik, om meer duiding te krijgen bij de in het artikel geschetste praktijken, in gesprek gaan met de Geschillencommissie Kinderopvang.
Wie is verantwoordelijk de controle dat het aantal uren dat kinderopvangorganisaties en ouders opgeven ook daadwerkelijk wordt gebruikt?
Ouders sluiten met hun kinderopvangorganisatie een privaatrechtelijke overeenkomst, waarin het aantal contracturen wordt vastgelegd. De ouder betaalt en heeft recht op kinderopvangtoeslag voor het aantal uren overeengekomen in het contract. Een ouder kiest zelf wanneer het kind naar de opvang wordt gebracht binnen de overeengekomen uren. Deze flexibiliteit acht ik wenselijk. Dit stelt de ouder bijvoorbeeld in staat om ervoor te kiezen het kind de ene dag om 16:00 uur op te halen, en de andere dag om 17:00. Het is ondoenlijk voor de ouder om elke mutatie door te geven. Daarnaast heeft de kinderopvangorganisatie, kosten voor de opvang voor het gehele tijdvak dat opvang wordt aangeboden. Uiteraard moet voor het recht op toeslag, de kinderopvang tijdens de overeengekomen uren wel daadwerkelijk beschikbaar zijn, met uitzondering van erkende feestdagen. Als ouders het oneens zijn met pakketaanpassingen, uitbreidingen van openingstijden of de uren die worden gefactureerd, dan is er de ruimte om dit te melden. Het antwoord op vraag 9 gaat in op de mogelijkheden die ouders hiervoor hebben.
Er wordt vanuit de overheid geen toezicht gehouden op of de opvang tijdens alle gefactureerde uren daadwerkelijk open is. Dienst Toeslagen houdt wel toezicht op of het aantal uren dat kinderopvangorganisaties doorgeven, overeenkomt met wat ouders opgeven. Als er daarbij grote excessen zijn of er sprake lijkt te zijn van bewust oneigenlijk gebruik of samenspanning tussen ouder en kinderopvangorganisatie kunnen er via Dienst Toeslagen controle of toezichthoudende bevoegdheden worden ingezet. Daarnaast ziet de GGD erop toe dat een kinderopvang voldoet aan kwaliteitseisen als de kinderopvang open is. De GGD controleert niet gericht of kinderopvangorganisaties open zijn op de dagen die zij vermelden.
Hoe wordt voorkomen dat ouders kinderopvangtoeslag zouden moeten terugbetalen als het aantal gebruikte uren lager is dan het aantal opgegeven uren?
Ouders ontvangen kinderopvangtoeslag voor de uren die zijn overeengekomen in het contract, betaald zijn en waarop de opvang beschikbaar is. Ouders kunnen ervoor kiezen om minder uren gebruik te maken van de opvang dan oorspronkelijk is overeengekomen in het contract. Dit betekent niet dat er toeslag terugbetaald moet worden. Voor het recht op KOT is het aantal uren dat in het contract is overeengekomen leidend. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, is er voor het recht op KOT wel de voorwaarde dat de kinderopvangorganisatie daadwerkelijk beschikbaar is op de uren die in het contract zijn aangegeven. Sluitingen vanwege erkende feestdagen vormen daarop een uitzondering.
Wat doet u om te voorkomen dat kinderopvangorganisaties de tarieven verhogen, in tegenstelling tot wat is toegezegd door de sector2, vanwege de verhoging van het maximum uurtarief?
Ik vind het niet wenselijk als de tarieven en daarmee de kosten voor ouders stijgen als gevolg van de extra verhoging van de maximum uurprijzen. Belastinggeld dient netjes besteed te worden. Dat heb ik ook benadrukt in het bestuurlijk overleg met de kinderopvangbranche op 14 december 2023. Zoals ik echter heb aangegeven bij de behandeling van de SZW-begroting in de Tweede Kamer, kan ik niet afdwingen dat kinderopvangorganisaties hun tarieven niet verhogen. Aangezien kinderopvang een private markt is, zijn aanbieders vrij om hun eigen tarieven te bepalen. Prijsafspraken zijn vanuit het mededingingsrecht niet toegestaan. Het is aan kinderopvangorganisaties om zelfstandig afwegingen te maken over keuzes omtrent de bedrijfsvoering. Bij beslissingen over tariefaanpassingen spelen kosten van personeel en huisvesting een belangrijke rol.
Hoeveel kinderopvangtoeslag hebben ouders aangevraagd en gekregen voor tegoeddagen bij de kinderopvang? Hoe zijn deze tegoeddagen verwerkt op de begroting?
Ik ben ervan op de hoogte dat sommige kinderopvangorganisaties een «ruildagenconstructie» als service aanbieden aan ouders. Het is aan een kinderopvangorganisatie om zo’n service aan te bieden en aan ouders om akkoord te gaan met de voorwaarden hierbij. Ik adviseer ouders de ruildagen alleen te accepteren als zij deze daadwerkelijk kunnen inzetten. Omdat dit om afspraken in een privaatrechtelijke overeenkomst gaat, worden deze dagen niet centraal bijgehouden. Het is dus niet bekend hoeveel tegoeddagen worden aangeboden en hoeveel kinderopvangtoeslag ouders hiervoor hebben aangevraagd.
Indien een kinderopvangorganisatie incidenteel zijn deuren moet sluiten, bijvoorbeeld vanwege personeelstekorten, kan de organisatie besluiten om ouders extra ruil- of tegoeddagen aan te bieden. Ouders zijn echter niet verplicht om deze dagen te accepteren. Als de ouders de tegoeddagen accepteren terwijl deze uren niet beschikbaar zijn om afgenomen te worden, dan bestaat er voor deze uren geen recht op KOT. Indien deze uren wel beschikbaar zijn en op een later moment kunnen worden afgenomen, is er wel recht op KOT.
Op welke manier worden declaraties van extra uren kinderopvang die niet daadwerkelijk zijn verleend zichtbaar in de prijsmonitor en kwaliteitsmonitor van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)?
Zoals benoemd in vraag 2, wordt er vanuit de overheid geen toezicht gehouden op of de opvang tijdens alle gefactureerde uren daadwerkelijk open is. Voor het recht op KOT is het aantal uren dat in het contract is overeengekomen leidend. Het gaat hierbij dus niet om het aantal uren dat het kind daadwerkelijk op de opvang is. Zoals aangekondigd in het antwoord op vraag 1 heb ik de branche gevraagd om de uurprijzen en openingstijden op de website van kinderopvangorganisaties te vermelden en ga ik in samenwerking met de sectorpartijen een steekproef uitvoeren.
Klopt het dat er nog steeds sprake is van tekorten aan plekken op de kinderopvang in veel gemeenten? Welke acties neemt u om deze tekorten verder te verminderen en hoe relateert het teveel factureren van uren door kinderopvangorganisaties zich tot de aanpak van tekorten op de kinderopvang?
Het klopt dat er in de kinderopvang sprake is van een personeelstekort. In 2023 was er een tekort van circa 6.000 medewerkers. Hierdoor kunnen ouders niet altijd (direct) een plek voor hun kind vinden. Daardoor hebben kinderopvangorganisaties mogelijk meer marktmacht. Ik kan me voorstellen dat ouders door de tekorten druk kunnen voelen om contractaanpassingen te accepteren. Ik wil daarom nogmaals benadrukken dat ouders het recht hebben om bezwaar te maken tegen wijzigingen in hun contract. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 zal ik mij in samenwerking met de branche inspannen om de bekendheid te vergroten van stappen die ouders kunnen nemen in het algemeen en in situaties zoals die in het artikel worden beschreven.
In eerdere brieven heb ik uw Kamer meegenomen in de acties die ik samen met de sector onderneem om de personeelstekorten te verminderen.3 Deze aanpak loopt langs drie pijlers: nieuw personeel aantrekken, huidig personeel behouden en personeel stimuleren tot meer uren werken. Zo heb ik samen met de branchepartijen en het Ministerie van OCW een Ontwikkelpad kinderopvang vormgegeven. Hierin kunnen mensen instromen in de kinderopvang als groepshulp (zonder kwalificaties). Indien zij dit willen en kunnen, kunnen zij zich stapsgewijs ontwikkelen tot pedagogisch professional door het volgen van (delen van) opleidingen via praktijkleren in het mbo. Ook ontwikkel ik in dit kader een subsidieregeling voor kinderopvangorganisaties, om de inzet en doorontwikkeling van groepshulpen te stimuleren. De regeling zal naar verwachting begin 2024 in consultatie gaan. Een overzicht van alle lopende en aangekondigde acties om het personeelstekort in de kinderopvang te verminderen, kan worden geraadpleegd in de Kamerbrief Voortgang aanpak personeelstekort in de kinderopvang van april 2023.4 Ik ben voornemens om in het tweede kwartaal van dit jaar een voortgangsbrief te versturen over de aanpak van het personeelstekort in de kinderopvang. In deze brief zal ik uw Kamer informeren over de nieuwe en lopende arbeidsmarktinitiatieven.
Wat doen de verschillende gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’s) en gemeenten om te voorkomen dat kinderopvangorganisaties meer uren factureren dan er kinderopvang wordt gegeven? Hoe werken verschillende GGD’s en gemeenten hierbij samen?
Op grond van de Wko houden GGD’en toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen. Controle op openingstijden valt daar niet onder. Wel kan de GGD erop toezien of kinderopvangorganisaties hun wettelijke verplichting nakomen om wijzigingen in openingstijden of tarieven voor advies voor te leggen aan de oudercommissie.
Waar kunnen ouders die geconfronteerd worden met gedwongen ondertekening van een nieuw contract met ongunstige voorwaarden, om hun plek op de kinderopvang te behouden, terecht met een klacht of melding? Hoe worden ouders over deze mogelijkheid geïnformeerd en hoe vaak is er reeds gebruik van gemaakt?
Ouders kunnen ervoor kiezen om niet akkoord te gaan met een contractwijziging en hebben het recht om bezwaar te maken tegen deze wijzigingen. Desondanks bevinden sommige ouders zich in een lastige positie tegenover hun kinderopvangorganisatie. Zij zijn dagelijks afhankelijk van de kinderopvangorganisatie voor goede en vertrouwde zorg voor hun kinderen. En dat terwijl het voor veel ouders moeilijk is een plek te bemachtigen en zij soms de keuze hebben uit slechts één aanbieder. Ik kan mij goed voorstellen dat een ouder in zo’n situatie een drempel ervaart om bezwaar te maken tegen een contractwijziging. Het is de realiteit dat de krapte in de markt niet gunstig is voor de positie van ouders en dat zij een drempel kunnen ervaren om stappen te nemen. Ik heb daar ook in overleggen met de branche aandacht voor, door te benoemen welke mogelijkheden ouders hebben. Als ouders het oneens zijn met pakketaanpassingen, uitbreidingen van openingstijden of de uren die worden gefactureerd, dan is er de ruimte om dit te melden. In eerste instantie kan een ouder hierover in gesprek gaan binnen de organisatie zelf. Ook kan het signaal gemeld worden bij de oudercommissie van de betreffende organisatie. Oudercommissies hebben adviesrecht op de tarieven en openingstijden, maar kunnen geen rol spelen bij klachtenprocedures inzake overeenkomsten tussen een individuele ouder en de KOO. Ouders kunnen daarnaast een formele klacht indienen bij de kinderopvangorganisatie. Een klachtenregeling is voor iedere kinderopvangorganisatie verplicht. Als dit niet tot een bevredigende uitkomst leidt, is een volgend meldpunt het Klachtenloket Kinderopvang.5 Dit loket geeft advies en informatie, en kan bemiddelen tussen ouder en kinderopvangorganisatie. Mocht de klacht hierna nog niet zijn opgelost, dan kan deze worden ingediend door de ouder bij de Geschillencommissie Kinderopvang.6 Zij geeft vervolgens een bindend advies. Naast deze opties hebben ouders ook de mogelijkheid om, buiten de KOO om, een melding te doen bij de ACM Consuwijzer.7
Tijdens een overleg met de sectorpartijen op 14 december 2023 heb ik aangegeven dat het van groot belang is dat ouders weten wat hun rechten zijn aangaande contractwijzigingen. De oudervertegenwoordiging doet veel aan informatievoorziening. Bovendien is parallel aan deze beantwoording een nieuwsbericht uitgegaan in samenwerking met de oudervertegenwoordiging en branchepartijen. Hierin staat informatie over welke opvanguren KOT kan worden aangevraagd en welke stappen ouders kunnen zetten indien zij het niet eens zijn met een contractwijziging. Branchepartijen zullen deze informatie verder onder de aandacht brengen.
Hoe verhouden de meldingen zich tot het aantal ouders dat een nieuw contract moest tekenen om de plek op de kinderopvang te behouden? Hoe wordt voorkomen dat kinderopvangorganisaties deze vormen van marktmacht kunnen misbruiken?
De gemaakte afspraken zijn onderdeel van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen ouder en kinderopvangorganisatie, daarom worden deze afspraken niet centraal vastgelegd en wordt niet bijgehouden hoeveel nieuwe contracten worden afgesloten. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, heb ik tijdens het bestuurlijk overleg op 14 december 2023 de praktijken met de kinderopvangbranche besproken, en heb ik toegelicht dat ik gesprek ga met de Geschillencommissie Kinderopvang om meer duiding te krijgen bij de in het artikel geschetste praktijken. Zoals ik heb aangegeven in antwoord op vraag 7, kan ik mij voorstellen dat kinderopvangorganisaties meer marktmacht hebben vanwege de schaarste aan plekken. Daarom vind ik het belangrijk om de mogelijkheden voor ouders te blijven benoemen als zij het oneens zijn met aanpassingen van hun contract. Het antwoord op vraag 9 gaat in op deze mogelijkheden.
Wat doet u om de pakkans van kinderopvangorganisaties die meer uren factureren dan er kinderopvang wordt verleend te verhogen? Wat is de pakkans op dit moment en wat is uw doel?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 2, wordt er vanuit de overheid geen toezicht gehouden op of de opvang tijdens alle gefactureerde uren daadwerkelijk open is. Dienst Toeslagen houdt wel toezicht op of het aantal uren dat kinderopvangorganisaties doorgeven overeenkomt met wat ouders opgeven. Als er daarbij grote excessen zijn of er sprake lijkt te zijn van bewust oneigenlijk gebruik of samenspanning tussen ouder en kinderopvangorganisatie kunnen er vanuit Dienst Toeslagen controle of toezichthoudende bevoegdheden worden ingezet. Daarnaast ziet de GGD erop toe dat een kinderopvang voldoet aan kwaliteitseisen als de kinderopvang open is. De GGD controleert niet gericht of kinderopvangorganisaties open zijn op de dagen die zij vermelden.
Het is niet de bedoeling dat kinderopvangorganisaties contracten wijzigen zonder dat ouders daar behoefte aan hebben. Ik vind het dan ook van groot belang dat ouders in dit geval effectief hun positie als contractpartner kunnen innemen. Het is essentieel dat ouders de middelen die daarvoor beschikbaar zijn, zoals vermeld in antwoord op vraag 9, goed kunnen benutten.
Welke gevolgen heeft de invoering van bijna-gratis kinderopvang voor de prijsvorming en het aantal uur dat aan ouders in rekening gebracht wordt? Hoe wordt voorkomen dat bij invoering van bijna-gratis kinderopvang meer uren worden gefactureerd dan er gebruikt worden?
In het coalitieakkoord van het huidige (demissionaire) kabinet is afgesproken een nieuw financieringsstelsel voor de kinderopvang vorm te geven. Het doel van de herziening is om het stelsel eenvoudiger en begrijpelijker te maken voor ouders en de toekenningszekerheid te vergroten. Daarnaast zou dit nieuwe stelsel gepaard gaan met een inkomensonafhankelijke vergoeding van 96% voor werkende ouders.
Een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding van 96% maakt kinderopvang voor veel ouders (veel) goedkoper. Hierdoor bestaat het risico dat ouders op papier meer dagdelen of dagen gaan afnemen, om ervoor te zorgen dat er een plek beschikbaar is als zij deze extra opvang een keer nodig hebben. Dit kan aantrekkelijk zijn voor ouders, omdat het hen meer flexibiliteit geeft en hen relatief weinig kost. Maatschappelijk gezien is dit onwenselijk omdat structureel plekken bezet worden gehouden door kinderen die er in de praktijk niet of nauwelijks zijn en omdat overheidsgeld wordt besteed aan niet geleverde diensten.
In het huidige stelsel zijn er geen signalen dat er structureel plekken bezet worden gehouden door kinderen die er niet of nauwelijks zijn. In het huidige stelsel is het risico hierop ook vele malen kleiner. Kinderopvang is namelijk te kostbaar om structureel dagdelen of dagen af te nemen waarbij er geen daadwerkelijke opvang tegenover staat. Wel kunnen kinderopvangorganisaties ouders verzoeken meer uren af te sluiten in een contract dan daadwerkelijk worden afgenomen. Bijvoorbeeld door te rekenen met hele dagen in plaats van halve dagen. De verwachting is dat ouders hier sneller mee akkoord gaan in een situatie van lagere kosten en toenemende schaarste. Als de kinderopvangvergoeding in een nieuw stelsel omhoog gaat, is het belangrijk om rekening te houden met dit risico.
In mijn brief van 26 april 2023 «voortgangsrapportage herziening financieringsstelsel kinderopvang»8 geef ik aan dat mogelijkheden worden verkend om het doelmatig gebruik van de gecontracteerde uren in het nieuwe stelsel te borgen. In het concept-stelselontwerp werd uitgegaan van monitoring en zelfregulering, gecombineerd met een nader uit te werken bepaling om op te treden bij grote afwijkingen tussen gecontracteerde uren en aanwezigheidsuren die kinderopvangorganisaties bij de overheid aanleveren. Als variatie hierop valt bijvoorbeeld te denken aan een normstelling ten aanzien van verschillen tussen contracturen, gefactureerde uren en aanwezigheidsuren. Dit zijn complexe maatregelen met grote impact op de sector die samenhangen met besluitvorming over het nieuwe stelsel. Met het oog op een (mogelijk) nieuw stelsel wordt onderzocht was het risico op oneigenlijk gebruik is, evenals mogelijke oplossingen hiervoor.
Door de val van het kabinet heeft er geen besluitvorming plaatsgevonden over het vervolg van de herziening van het financieringsstelsel van de kinderopvang. In mijn brief van 15 september 2023 «Stand van zaken herziening financieringsstelsel kinderopvang» heb ik bouwstenen meegegeven op weg naar een nieuw financieringsstelsel in de kinderopvang.9 Het is aan het volgende kabinet om keuzes te maken voor het definitieve ontwerp, waar het vraagstuk omtrent het doelmatig gebruik van gecontracteerde uren onderdeel van uitmaakt.
Hoe wordt het aantal uren dat wordt gefactureerd meegenomen in het onderzoek naar prijsregulering in de kinderopvang? Herkent u dat snelle duidelijkheid van belang is om onzekerheid in de sector, die kan leiden tot verdere prijsstijgingen, zoveel mogelijk weg te nemen?
Zoals ik heb aangegeven in de Kamerbrief10 van 15 september 2023, was een van de doelen van de herziening van het financieringsstelsel om een betaalbaardere en financieel toegankelijkere kinderopvang te creëren. Op basis van de impactanalyses zijn er
zorgen over prijsstijgingen en de daarmee samenhangende verdringingsrisico’s.
Tariefregulering is één van de maatregelen die verkend wordt om dit risico te verkleinen. Indien voor tariefregulering wordt gekozen, zal de dienst kinderopvang in min of meerdere mate moeten worden afgebakend. Hierbij zullen keuzes moeten worden gemaakt over het aantal uren of dag(del)en die kinderopvangorganisaties bij ouders in rekening mogen brengen, en het al dan niet mogen aanbieden van aanvullende diensten. Komende maanden wordt een aantal onderzoeken uitgezet, waaronder een kostprijsonderzoek.
Deze onderzoeken zullen meer inzicht geven in hoeverre de huidige financieringssystematiek aansluit bij de kostenstructuren in de kinderopvang en potentiële afbakeningen van de dienst. De verwachting is dat de onderzoeken begin 2025 worden afgerond. De resultaten helpen een nieuw kabinet met de afweging of tariefregulering een wenselijke en uitvoerbare optie is, en hoe daarbij recht kan worden geworden aan de wensen van ouders omtrent urengebruik.
Het bericht ‘Duitse regeringspartij: Antisemieten mogen geen Duitser worden’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Duitse regeringspartij: Antisemieten mogen geen Duitser worden» van 29 november 2023?1
Ja.
Deelt u de mening dat we alles in het werk moeten stellen om de import van antisemitisme in Nederland te voorkomen?
Antisemitisme dient met kracht te worden bestreden. Antisemitisme is helaas in geen enkele zin nieuw in Nederland, maar sinds de terreuraanvallen van 7 oktober 2023 in Israël is een duidelijke toename van antisemitisme zichtbaar. Deze toename is niet alleen een zorg voor de Joodse gemeenschap, maar voor de hele samenleving.
Hoe wordt op dit moment aandacht besteed aan antisemitisme in de asielprocedure en het daaropvolgende inburgerings- en integratieproces? Acht u deze aandacht toereikend?
Een ieder die zich in Nederland bevindt, moet zich houden aan de Nederlandse wet en moet de Nederlandse waarden respecteren. Dit geldt ook voor asielzoekers. In de achterliggende jaren is een groot aantal maatregelen getroffen om op te kunnen treden tegen asielzoekers die zich misdragen. Ook zijn al eerder de voorwaarden aangepast waaronder een verblijfsvergunning asiel kan worden geweigerd of ingetrokken als een asielzoeker of vluchteling de wet heeft overtreden. Om ervoor te zorgen dat asielzoekers zich houden aan de wet en geldende normen en waarden respecteren is het essentieel dat vanaf het moment dat zij in Nederland zijn, volstrekt helder is wat er van hen wordt verwacht en dat zij weten wat de gevolgen zijn als zij zich hier niet aan houden. Dit geldt ook voor hun verblijf in de opvang. Asielzoekers in de opvang worden geïnformeerd over de huisregels tijdens het zogenoemde rechten en plichtengesprek, met bijzondere aandacht voor artikel 1 van de Grondwet.
In hoeverre wordt onderzocht of immigranten betrokken zijn geweest bij delicten met een antisemitische achtergrond, en welke consequenties worden hieraan verbonden? Kunt u uw antwoord voorzien van voorbeelden of concrete aantallen?
Bij elke overweging tot het verlenen van verblijf vindt een zogeheten openbare orde-toets plaats. Daarbij wordt op basis van beschikbare geautomatiseerde systemen de gegevens uit het asielrelaas en middels een antecedentenverklaring onderzocht of sprake is van eerdere vergrijpen en veroordelingen.
Hoe beoordeelt u het Duitse wetsvoorstel om antisemitische migranten te weren door vast te leggen dat antisemitisch gemotiveerde uitingen en handelingen leiden tot uitsluiting van de inburgeringsprocedure?
De voorwaarden om Nederlander te kunnen worden middels naturalisatie zijn opgenomen in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Een voorwaarde om Nederlander te kunnen worden is dat op grond van het gedrag van de verzoeker geen ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk. Hieronder valt mogelijk ook antisemitisme, wanneer dat zich uit in een vorm die strafbaar is gesteld. Voor andere procedures om het Nederlanderschap te verkrijgen, zoals optie, gelden vergelijkbare regels.
Hoe beoordeelt u het onderdeel van het voorstel om migranten die na hun inburgering zich te buiten gaan aan antisemitisme het staatsburgerschap te ontnemen?
De gronden voor intrekking van het Nederlanderschap zijn limitatief opgenomen in artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Onder meer betreft dit een onherroepelijke veroordeling wegens:
Op basis van deze intrekkingsgronden zal een vergrijp op antisemitische motieven niet snel kwalificeren als grond voor intrekking, maar is dit evenmin uitgesloten. Aangezien het intrekken van Nederlanderschap een zeer grote stap is, meen ik dat de huidige intrekkingsgronden in dat verband passend zijn.
Bent u bereid over dit voorstel in contact te treden met uw Duitse ambtsgenoot?
Ik zie daartoe geen aanleiding. Gevaar voor de openbare orde is reeds onderdeel van de afwijzingsgronden voor verlening/verkrijging van het Nederlanderschap. Zoals hiervoor genoemd vallen vergrijpen op antisemitische gronden daar mogelijk ook onder.
Welke mogelijkheden ziet u voor een vergelijkbaar voorstel in Nederland?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid de mogelijkheden hiervoor verder te verkennen, in overleg met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding, en de Kamer over de resultaten van deze verkenning op de hoogte te houden?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3 t/m 6.
Het artikel ‘Leesvaardigheid Nederlandse 15-jarigen verder achteruitgegaan' |
|
Claudia van Zanten (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Leesvaardigheid Nederlandse 15-jarigen verder achteruitgegaan»?1 Wat is uw reactie op deze situatie?
Ik ben bekend met het artikel dat ingaat op de resultaten van het PISA-onderzoek dat 5 december uitkwam. De resultaten zijn zorgelijk. Het kan en moet echt veel beter, want goed kunnen lezen en rekenen is ontzettend belangrijk om volwaardig mee te kunnen doen in de samenleving. We zien al langer dat het niet goed gaat met de beheersing van de basisvaardigheden door leerlingen in het funderend onderwijs.
Het meetmoment van PISA valt samen met de start van het Masterplan basisvaardigheden in het voorjaar van 2022. Dit is een structurele en integrale aanpak om te komen tot een verbetering van de basisvaardigheden van leerlingen. We helpen scholen in het funderend onderwijs om de basisvaardigheden van hun leerlingen duurzaam te verbeteren. We investeren € 1 miljard structureel in de verbetering van de onderwijskwaliteit. Er is een subsidieregeling basisvaardigheden beschikbaar en we ondersteunen scholen om een aanpak op maat op te stellen en uit te voeren op basis van kennis uit de onderwijspraktijk en wetenschappelijk onderzoek (evidence informed).
Daarbij gaat de lat in het toezicht voor alle scholen omhoog. Vanaf 1 augustus 2023 is een aparte standaard basisvaardigheden (OP0) opgenomen in de onderzoekkaders van de Inspectie van het Onderwijs. Dit geeft de inspectie de mogelijkheid om herstelopdrachten te geven in het geval dat scholen onvoldoende presenteren voor de basisvaardigheden. In het kader van het Masterplan wordt verder gewerkt aan een duidelijker opdracht aan scholen via de bijstelling van het curriculum, een beter zicht op de prestaties voor de basisvaardigheden op leerling- school- en stelselniveau, een intensivering van de Bibliotheek op school en de verbetering van de kwaliteit van leraren. U kunt over deze integrale aanpak lezen in de voortgangsbrief van 28 november jl.2.
Tegelijkertijd zijn scholen vanuit het Nationaal Programma Onderwijs nog hard aan de slag om met bewezen effectieve maatregelen de leervertragingen door corona weg te werken en het mentale welzijn van leerlingen te verbeteren, waardoor zij tot betere leerprestaties kunnen komen. Tenslotte doen we er alles aan om het lerarentekort aan te pakken, zodat alle leerlingen een goede leraar voor de klas hebben.3
We werken dus op meerdere fronten met een nieuwe en structurele aanpak aan verbetering van de taal- en leesvaardigheid van leerlingen.
Welke invloed heeft het verdwijnen van de ambachtsschool, de mulo en de hbs, waar sterk de nadruk werd gelegd in een overzichtelijk curriculum op het aanleren van basisvaardigheden gehad op het achteruitgaan van de leesvaardigheden?
Of het ten tijde van de ambachtsschool, de mulo en de hbs beter gesteld was met de leesvaardigheid van leerlingen is niet bekend. Onze samenleving is sindsdien zo veranderd dat een vergelijking niet mogelijk is. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de digitalisering. Wel is uit een (niet representatieve) vergelijking van eindexamens bekend dat leerlingen op de HBS veel meer vakken hadden dan leerlingen nu hebben en dat de kennis die leerlingen vandaag de dag in het onderwijs opdoen, diepgaander is dan de kennis die leerlingen vroeger opdeden.4
We zien wel de noodzaak van een overzichtelijk curriculum, waarin de basisvaardigheden taal en rekenen-wiskunde een fundamentele plaats hebben. De huidige kerndoelen voor het onderwijs dateren uit 2006 en zijn dus sterk verouderd. Bovendien zijn ze te globaal geformuleerd, zodat leraren te weinig duidelijkheid hebben over wat moet en wat mag in het onderwijs. Daarom werken we momenteel aan nieuwe, concrete kerndoelen zodat duidelijker wordt wat een leerling aan het eind van de schooltijd moet kunnen en weten. Met deze nieuwe kerndoelen kunnen scholen de leerlingen beter voorbereiden op deelname aan de samenleving. Juist vanwege het belang van de basisvaardigheden zijn we gestart met de actualisering van de kerndoelen voor Nederlands en rekenen-wiskunde. Die zijn inmiddels opgeleverd en worden in het voorjaar 2024 beproefd in de praktijk. De conceptkerndoelen voor burgerschap en digitale geletterdheid worden voorjaar 2024 opgeleverd.
Onderkent u de noodzaak om de verwatering van het curriculum tegen te gaan zodat er weer ruimte ontstaat om de basisvaardigheden voorop te stellen?
De noodzaak om de resultaten van leerlingen voor de basisvaardigheden te verbeteren wordt absoluut onderkend. Daartoe hebben we het Masterplan basisvaardigheden gelanceerd, dat scholen helpt om de resultaten van de leerlingen te verbeteren voor taal en rekenen met subsidie en ondersteuning om een passend plan van aanpak op te stellen, dat gebaseerd is op wetenschappelijke inzichten over effectief onderwijs. Daarnaast werken we aan een overzichtelijk en actueel curriculum met heldere doelen voor scholen, zodat nog duidelijker wordt wat leerlingen aan het eind van hun schooltijd moeten kunnen en weten. Bij de bijstelling van het curriculum krijgen de basisvaardigheden prioriteit. Zo worden de kerndoelen als eerste opgeleverd en wordt geborgd dat ook in de kerndoelen van de andere leergebieden taal en rekenen een prominente plek krijgen. De conceptkerndoelen maken ook duidelijk wat scholen niet hoeven te doen, zo ontstaat er ruimte in de curriculum voor de basisvaardigheden.
Wat is het verband tussen de achteruitgang van de leesvaardigheid en het gebruik van digitale media onder Nederlandse jongeren? Overweegt u maatregelen te nemen om het lezen van boeken en literatuur te stimuleren?
Digitale media zijn mogelijk één van de oorzaken van de dalende leesvaardigheid van leerlingen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mobiele telefoons in de klas zorgen voor afleiding en tot slechtere leerprestaties leiden.5 Daarom is recent bepaald dat mobiele telefoons niet langer gebruikt worden in de klas in het funderend onderwijs, tenzij dit in specifieke lessen educatieve doeleinden dient. Daar komt bij dat kinderen en jongeren online voornamelijk korte teksten lezen. Ze komen daardoor niet toe aan «diep» lezen. In het nieuwe curriculum is daarom opgenomen dat scholen rijke teksten moeten aanbieden. Dat zijn originele teksten van goede kwaliteit die niet aangepast zijn voor onderwijsdoeleinden. Rijke teksten vind je in kranten, tijdschriften en in (kinder- en jeugd)literatuur. Om ervoor te zorgen dat leerlingen niet alleen rijke teksten lezen tijdens de lessen taal of Nederlands, zijn taal en rekenen in het nieuwe curriculum geïntegreerd in de overige leergebieden.
Aan de andere kant bieden digitale media ook kansen om verhalen op een andere manier te beleven en om kinderen te ondersteunen bij het lezen. Daar wordt op dit moment onderzoek naar gedaan in het Nationaal Onderwijslab AI, een project van het Nationale Groeifonds. Overigens zijn er meer mogelijke oorzaken aan te wijzen voor de achteruitgang van de leesvaardigheid van leerlingen, zoals het toenemend aantal opdrachten voor de school, het tekort aan leraren en schoolleiders, een verouderd en onduidelijk curriculum en maatschappelijke trends, zoals minder lezen in de vrije tijd.
Om het lezen in en om de school te bevorderen, investeert het kabinet tot en met 2026 € 74 miljoen uit het Masterplan basisvaardigheden in BoekStart in de kinderopvang en de Bibliotheek op school. Dat zijn landelijke leesbevorderingsprogramma’s die bewezen effectief zijn. Zo’n 1.800 kinderdagverblijven en scholen in het po, het vmbo en het praktijkonderwijs kunnen de komende drie schooljaren een samenwerking met de lokale bibliotheek opstarten. Daarnaast kunnen ruim 6.000 scholen en kinderdagverblijven hun bestaande samenwerking verder uitbouwen. Scholen worden benaderd door de lokale bibliotheek, die de school voor een periode van drie jaar ondersteunt met een aantrekkelijke en passende collectie boeken en een deskundige leesconsulent die kennis heeft over kinder- en jeugdboeken en hoe je daarmee werkt in de klas.
Hoe gaat u de betrokkenheid van ouders bij het bevorderen van leesvaardigheid vergroten? Zijn er plannen om ouders beter te informeren over het belang van lezen en tips te geven voor het stimuleren van lezen thuis?
Er is een positief verband aangetoond tussen de leesvaardigheid van een kind en het aantal boeken dat thuis aanwezig is. Uit onderzoek blijkt bovendien dat (jonge) kinderen die thuis veel worden voorgelezen, een betere taal- en leesvaardigheid hebben dan kinderen bij wie dat niet het geval is.6 Om kansengelijkheid te bevorderen is er in het Masterplan basisvaardigheden dan ook aandacht voor de betrokkenheid van ouders, in het bijzonder die van het jonge kind. In het kader van het leesbevorderingsprogramma de Bibliotheek op school organiseren scholen samen met de bibliotheek activiteiten om ouders te informeren over het belang van lezen en voorlezen en om ouders bij het lezen te betrekken. Daarnaast zijn wij in gesprek met gemeenten, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ouderorganisaties over de vraag hoe wij ouders kunnen betrekken bij het verbeteren van de taal- en leesvaardigheid van leerlingen.
Wordt er samengewerkt met andere landen die ook te maken hebben/hadden met een afname van leesvaardigheid onder jongeren? Zijn er goede voorbeelden of best practices waar Nederland van kan leren?
We leren zowel van landen die te maken hebben met een dalende trend in leesvaardigheid, als van landen waar leerlingen goede resultaten behalen voor lezen. België heeft bijvoorbeeld ook een dalende trend in leesvaardigheid en leesplezier van leerlingen. In het voorjaar van 2023 vond een Nederlands-Vlaamse top plaats, waar de bewindslieden onderwijs van Nederland en Vlaanderen met elkaar spraken over het verbeteren van de resultaten voor leesvaardigheid en de overige basisvaardigheden. In vervolg daarop organiseren het Vlaamse Departement voor Onderwijs en Vorming en het Ministerie van OCW begin 2024 een werkbijeenkomst om kennis uit te wisselen en te onderzoeken hoe wij samen zouden kunnen werken om het leesniveau weer op peil te brengen.
Er zijn ook landen in Europa die het gelukt is om het tij te keren. Ierland is daar een voorbeeld van. Wat opvalt aan de Ierse aanpak is de lange-termijnfocus, de concrete doelen en de samenwerking tussen verschillende partijen om die doelen te bereiken. Deze succesfactoren zijn overgenomen in het Masterplan basisvaardigheden. Daarnaast zien we dat taal en rekenen een centrale plaats hebben in het curriculum. Ierse leerlingen krijgen ook taal- en rekenonderwijs tijdens de geschiedenis- of aardrijkskundeles. De integratie van taal en rekenen in de overige leergebieden is opgenomen in de nieuwe kerndoelen voor Nederlands en rekenen-wiskunde, zodat leerlingen niet langer alleen tijdens de les begrijpend lezen aan hun leesvaardigheid werken, maar ook bij de andere vakken.
Ook leerlingen in Scandinavië scoren goed in internationale peilingen voor leesvaardigheid. Wij kijken daar goed naar en leren daarvan. We zien echter dat het onderwijsstelsel in Nederland veel verschillen vertoont met de stelsels in Ierland en de Scandinavische landen. Dat maakt dat hun succesvolle aanpak niet één op één over te nemen is. Wat ze gemeen hebben is dat er op meerdere fronten aan de verbetering van leesvaardigheid is gewerkt en dat daarvoor een lange periode is uitgetrokken. Met het meerjarige Masterplan basisvaardigheden zijn wij de goede weg ingeslagen om de basisvaardigheden structureel te verbeteren, maar we staan nog aan het begin. Er zal tijd en focus nodig zijn om de leesvaardigheid van alle leerlingen op peil te krijgen.
In de lopende begroting van 2023 is er een meevaller is van € 15,7 miljoen op het programma leesbevordering bij de bibliotheek op school, wat onderdeel is van het masterplan basisvaardigheden. Hoe kan het dat subsidieregelingen voor het verbeteren van leesvaardigheid onbenut blijven? Wat gaat hier volgens u fout?
Er is geen sprake van het onbenut blijven van de subsidieregeling voor leesbevordering. De subsidie voor de Bibliotheek op school is toegekend voor het schooljaar 2023/2024. Ons voornemen is om de € 15,7 miljoen in het tweede deel van het schooljaar (2024) uit te geven.
Het artikel 'Stijgende kosten, dalende omzet: kartonfabrikant Solidus sluit vestiging Hoogkerk' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Solidus inderdaad van plan is om zijn vestiging in Hoogkerk te sluiten en kunt u informatie verstrekken over de redenen achter deze voorgenomen sluiting?1
Uit diverse (openbare) berichtgevingen heb ik vernomen dat Solidus inderdaad voornemens is de vestiging te Hoogkerk te sluiten.
Wat betreft de achterliggende redenen bij het voornemen van Solidus tot sluiting van de vestiging Hoogkerk beschik ik niet over meer (of andersluidende) informatie dan uit mediaberichten bekend is geworden. Uit deze berichten is op te maken dat Solidus zich door stijgende energie- en milieukosten plus een dalende omzet zich genoodzaakt heeft gezien tot het treffen van ingrijpende maatregelen. Daarbij is aangegeven dat de reden dat juist de vestiging in Hoogkerk moet sluiten te maken heeft met de specifieke afzetmarkt waarvoor op deze vestiging geproduceerd wordt, te weten: karton voor bordspellen en kantoorartikelen. Juist in die afzetmarkten is sprake van verminderde vraag.
Sluiting van de vestiging Hoogkerk heeft volgens de mediaberichten tot gevolg dat de productie bij de andere vestigingen kan worden verhoogd. Solidus zou er naar streven werknemers zoveel mogelijk onder te brengen bij andere vestigingen.
Wat is de reactie van het kabinet op de aankondiging van Solidus om de vestiging in Hoogkerk in het eerste kwartaal van volgend jaar te sluiten?
Een bedrijfssluiting is altijd een ingrijpende gebeurtenis voor alle betrokken partijen. Dat geldt des te meer voor werknemers wanneer zij als gevolg hiervan hun baan verliezen en genoodzaakt zijn op zoek te gaan naar ander werk.
Tegelijkertijd is het besluit om over te gaan tot het staken van de bedrijfsactiviteiten een ondernemersbeslissing. Dit betreft een bedrijfseconomische beslissing die, rekening houdende met geldende wet- en regelgeving, door de ondernemer genomen moet kunnen worden. Dat neemt niet weg dat ik me kan voorstellen dat werknemers van de vestiging Hoogkerk het besluit tot sluiting als ingrijpend beschouwden en met teleurstelling van dit besluit kennis hebben genomen.
Kunt u aangeven welke stappen het kabinet overweegt te ondernemen om te voorkomen dat er banen verloren gaan en om de gevolgen voor de werknemers in de kartonindustrie te verzachten?
Het is primair de verantwoordelijkheid van de werkgever om met werknemers, doorgaans vertegenwoordigd door de vakbonden, afspraken te maken over de gevolgen van een sluiting, vermindering van werk of verlies van werkgelegenheid. Ander werk, omscholing en herplaatsing zijn onderwerpen die naar hun aard thuishoren in het gesprek tussen werkgever en werknemer.
Het vinden van nieuw werk kan worden ondersteund door de werkgeversdienstverlening vanuit UWV en gemeenten, van waaruit goed zicht is op vraag naar personeel binnen de desbetreffende arbeidsmarktregio en via dienstverlening aan werkzoekenden vanuit een Regionaal Mobiliteits Team (RMT). Binnen deze teams werken werkgeversorganisaties, werknemersorganisaties, gemeenten, UWV, onderwijsinstellingen en de samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) samen. Zij kunnen gebruik maken van elkaars expertise en van de inzet van dienstverlening bij de gerichte ondersteuning naar nieuw werk.
Van UWV en de gemeente Groningen heb ik begrepen dat er contacten lopen tussen het Werkgevers Servicepunt van UWV in de arbeidsmarktregio Groningen, de gemeente Groningen en de werkgever om te werken aan de gerichte ondersteuning naar nieuw werk in deze casus. Het RMT staat in deze casus ook klaar om waar nodig ondersteuning te bieden voor medewerkers van Solidus die te maken hebben met het verlies van hun baan.
Ik ga er van uit dat de inspanningen van de diverse partijen bijdragen aan het zo beperkt mogelijk houden van de gevolgen van de voorgenomen sluiting voor de betrokken werknemers.
Hoe beoordeelt het kabinet de impact van de sluiting op de werkgelegenheid in de regio, gezien het streven van Solidus om zoveel mogelijk medewerkers onder te brengen bij andere vestigingen?
Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
UWV geeft aan dat de werkgelegenheid zich in de regio Groningen (macro bezien) positief heeft ontwikkeld. Tussen 2020 en 2022 groeide het aantal werknemersbanen in de regio Groningen met 21.500 (+6,5%) tot ruim 352.000. Dat is iets sterker dan de landelijk gemiddelde groei van 5,7% over deze periode. In 2023 kwam de arbeidsmarkt in Groningen in een lagere versnelling terecht met een banengroei van 1,3%. Groningen bevindt zich met een banengroei van 1,3% in 2023 in de middenmoot van de 35 arbeidsmarktregio’s. Landelijk bedraagt de banengroei 1,5% in 2023. De regionale banengroei in Groningen over 2023 ligt dus iets lager dan het landelijk gemiddelde.
In de regionale industrie van Groningen nam het aantal banen van werknemers in 2023 af, tegelijkertijd ziet UWV wel kansen in de industrie. De sector is sterk vergrijsd in de regio, waardoor er de komende jaren veel mensen met pensioen gaan. Bovendien is de arbeidsmarkt al jaren krap voor veel technische beroepen; veel werkgevers hebben moeite om personeel te vinden. Mensen die hun baan kwijtraken, komen volgens Arbeidsmarktinformatie van UWV daardoor vaak snel weer aan het werk.
Wat is uw reactie op het standpunt van Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV-)bestuurder Albert Kuiper, die aangeeft nog niet helemaal overtuigd te zijn van de nut en noodzaak van de voorgenomen sluiting? Welke rol ziet u voor de overheid in het bemiddelingsproces tussen de directie van Solidus en de vakbonden?
Het is goed wanneer werkgever en vakbond(en) in overleg zijn over nut en noodzaak van een voorgenomen sluiting en om te zien of het mogelijk is afspraken te maken over bijvoorbeeld een sociaal plan. Ik zie geen rol voor het kabinet in het bemiddelingsproces tussen de directie van Solidus en de vakbond(en). Dat is aan partijen onderling.
Een voorgenomen bedrijfsbeëindiging, zoals hier aan de orde is, betreft een besluit dat in beginsel behoort tot de verantwoordelijkheid van de ondernemer.
Voordat een ondernemer kan overgaan tot het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten dienen er verschillende stappen gezet te worden. Zo moet een voorgenomen besluit om arbeidsplaatsen te laten vervallen doorgaans ter advisering aan de ondernemingsraad worden voorgelegd. Ook moeten op grond van de Wet melding collectief ontslag (WMCO) bij collectief ontslag van 20 of meer werknemers (indien aanwezig) de belanghebbende vakbonden worden geraadpleegd over het voorgenomen collectieve ontslag. Doel hiervan is onder meer het maken van afspraken over de wijze waarop de gevolgen van het ontslag voor de werknemers kunnen worden opgevangen of verzacht (bijvoorbeeld middels een sociaal plan).
Voorts geldt er een preventieve toets bij ontslag. Indien werkgever en werknemer geen overeenstemming bereiken over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dient de werkgever vooraf toestemming te vragen aan UWV om de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. UWV toetst in dat geval of de onderneming daar, op grond van de bestaande wet- en regelgeving, toe over mag gaan. Daarbij toetst UWV ook of aan de vereisten uit de WMCO is voldaan.
Welke rol ziet het kabinet voor zichzelf in het faciliteren van gesprekken tussen Solidus, vakbonden en de ondernemingsraad om de gevolgen van de sluiting zo goed mogelijk op te vangen, met speciale aandacht voor een eventueel sociaal plan?
Zie mijn antwoord op vraag 5 voor de partijen die bij dit gesprek een rol hebben. Ik zie hierbij geen rol voor het kabinet.
Op wat voor wijze is het kabinet bereid regie te nemen over het verduurzamen van productie ter bevordering van zeggenschap, duurzaamheid en baanzekerheid?
Verduurzaming van de Nederlandse industrie is een speerpunt van de Minister van Economische Zaken en Klimaat waarvoor verschillende instrumenten worden ingezet om de klimaatdoelen te realiseren. Met de introductie van het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI) vorig jaar heeft het kabinet de regie op het verduurzamen van de industrie versterkt. De centrale ambitie van het NPVI is het tijdig verduurzamen van de industrie in Nederland, in het belang van het klimaat en gezondheid en in het belang van de Nederlandse economie. De strategie om dit te bereiken is gebaseerd op nauwe samenwerking tussen industrie, overheid en relevante belanghebbenden. Het NPVI richt zich op het oplossen van uitdagingen, zoals het afstemmen van vraag en aanbod van groene energie en groene grondstoffen en het versnellen van investeringsbesluiten in het bedrijfsleven.
Verduurzaming van de papierindustrie valt onder de zogenoemde Cluster 6 aanpak voor zover het bedrijven betreft die verplicht deelnemen aan het Europese Emissions Trading System (ETS). De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft hiervoor vorig jaar, samen met de sectoren, een actieplan Cluster 6 opgesteld om deze bedrijven te helpen verduurzamen.2 Cluster 6 bedrijven lopen tegen knelpunten aan bij het realiseren van concrete plannen. Het actieplan focust op specifieke casussen om knelpunten weg te nemen en zorgt ervoor dat de geleerde lessen vervolgens breder onder alle betrokken sectoren en bedrijven worden verspreid. Bovendien is er een uitgebreid verduurzamingsinstrumentarium ontwikkeld (w.o. subsidieregelingen) waar bedrijven gebruik van kunnen maken. Dit alles ook met het oog op het voorkomen van onnodig baanverlies.
Het bericht ‘Kinderdagverblijven en bso's gebruiken vaker trucs om omzet te verhogen’ |
|
André Flach (SGP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kinderdagverblijven en bso's gebruiken vaker trucs om omzet te verhogen»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat kinderdagverblijven en de buitenschoolse opvang (bso’s) steeds vaker gebruik maken van trucs om de omzet te verhogen, bijvoorbeeld door extra uren te rekenen? Wat is uw oordeel hierover?
Ik zie graag dat de dienstverlening van kinderopvang goed aansluit bij de behoeften van ouders en aanbieders. Daarbij is het van belang dat veranderingen in de dienstverlening in goede afstemming tussen ouders, oudercommissies en kinderopvangorganisaties plaatsvinden. Een situatie waarbij openingstijden worden verruimd zonder dat daar gebruik van wordt gemaakt, is niet de bedoeling. Net als het aanpassen van pakketten waarbij ouders een buitensporige hoeveelheid uren in vakanties dienen af te nemen. Er is geen recht op kinderopvangtoeslag voor uren waarop de opvang gesloten is, met uitzondering van erkende feestdagen.
In het NOS-artikel worden de volgende praktijken beschreven: (1) pakketaanpassingen, (2) uitbreiding van openingstijden en (3) factureren van incidentele sluitingen. Voorbeelden zijn aangeboden contracten of contractwijzigingen waarin studiedagen worden opgenomen of openingstijden worden aangepast. De ouder heeft recht op kinderopvangtoeslag (KOT) voor betaalde uren, die zijn overeengekomen in het contract en waarbij de kinderopvang daadwerkelijk de dienst aanbiedt. Praktijken 1 en 2 betreffen aanpassingen die kinderopvangorganisaties kunnen doen, ouders hebben hierbij verschillende mogelijkheden om hun standpunt te uiten (zie antwoord op vraag 5). Er is recht op kinderopvangtoeslag voor door de ouder betaalde kosten van kinderopvang. Andere door de ouder betaalde kosten, waar geen kinderopvang tegenover staat, geven geen recht op kinderopvangtoeslag. Voor praktijk 3, bestaat geen recht op kinderopvangtoeslag, omdat slechts de kosten voor kinderopvang in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. Er is dus geen recht op kinderopvangtoeslag op dagen waarop de opvang gesloten is, zoals bij studiedagen. Studiedagen horen verdisconteerd te zijn in het uurtarief net zoals andere personeelskosten. Sluitingen op erkende feestdagen vormen daarop een uitzondering. In de Kamerbrief van 25 februari 20132 is aangekondigd dat het recht op kinderopvangtoeslag blijft bestaan indien gecontracteerde uren op een feestdag vallen waarbij de opvang gesloten is. Over de uitzondering blijkt onduidelijkheid te bestaan. Daarom ben ik voornemens de regelgeving op dit punt te verduidelijken.
Hoe beoordeelt u de relatie met het vanaf dit jaar loslaten van de koppeling gewerkte uren voor de kinderopvangtoeslag? Bent u het ermee eens dat dergelijke trucs een onwenselijk effect zijn van het loslaten van genoemde koppeling?
De koppeling gewerkte uren (kgu) is per 1 januari 2023 losgelaten. Hierdoor is de complexiteit van het stelsel sterk afgenomen, met name voor de ouders met onzekere of wisselende arbeidsuren. Deze maatregel is genomen, omdat juist deze groep het lastig vindt om vooraf in te schatten hoeveel uur zij per maand werken. Dit leidde in het verleden tot terugvorderingen. Door het loslaten van de kgu is dit knelpunt nu weggenomen. Het is niet te zeggen of kinderopvangorganisaties, vanwege het loslaten van de kgu, vaker hun openingstijden verruimen. Er zijn voor ouders altijd kosten verbonden aan de uitbreiding van openingstijden. Uiteindelijk is het aan de ouder om akkoord te gaan met dit soort wijzigingen. Zoals eerder aangegeven is een situatie waarbij openingstijden worden verruimd zonder dat ouders daar gebruik van maken, niet de bedoeling.
Wat vindt u ervan dat ouders onder druk lijken te worden gezet om een contract te tekenen met meer uren of andere aanpassingen van het pakket?
Ik acht een situatie waarbij openingstijden worden verruimd of pakketten worden aangepast zonder dat daar gebruik van wordt gemaakt, onwenselijk. Ik vind het onbehoorlijk als ouders onder druk worden gezet om akkoord te gaan met contracten.
Ouders kunnen ervoor kiezen om niet akkoord te gaan met een contractwijziging en hebben het recht om bezwaar te maken tegen deze wijzigingen. Desondanks bevinden sommige ouders zich in een lastige positie tegenover hun kinderopvangorganisatie. Zij zijn dagelijks afhankelijk van de kinderopvangorganisatie voor goede en vertrouwde zorg voor hun kinderen. En dat terwijl het voor veel ouders moeilijk is een plek te bemachtigen en zij soms de keuze hebben uit slechts één aanbieder. Ik kan mij goed voorstellen dat een ouder in zo’n situatie een drempel ervaart om bezwaar te maken tegen een contractwijziging. Het is de realiteit dat de krapte in de markt niet gunstig is voor de positie van ouders en dat zij een drempel kunnen ervaren om stappen te nemen. Ik heb daar ook in overleggen met de branche aandacht voor, door te benoemen welke mogelijkheden ouders hebben. Als ouders het oneens zijn met pakketaanpassingen, uitbreidingen van openingstijden of de uren die worden gefactureerd, dan is er de ruimte om dit te melden. In eerste instantie kan een ouder hierover in gesprek gaan binnen de organisatie zelf. Ook kan het signaal gemeld worden bij de oudercommissie van de betreffende organisatie. Oudercommissies hebben adviesrecht op de tarieven en openingstijden, maar kunnen geen rol spelen bij klachtenprocedures inzake overeenkomsten tussen een individuele ouder en de KOO. Ouders kunnen daarnaast een formele klacht indienen bij de kinderopvangorganisatie. Een klachtenregeling is voor iedere kinderopvangorganisatie verplicht. Als dit niet tot een bevredigende uitkomst leidt, is een volgend meldpunt het Klachtenloket Kinderopvang.3 Dit loket geeft advies en informatie, en kan bemiddelen tussen ouder en kinderopvangorganisatie. Mocht de klacht hierna nog niet zijn opgelost, dan kan deze worden ingediend door de ouder bij de Geschillencommissie Kinderopvang.4 Zij geeft vervolgens een bindend advies. Naast deze opties hebben ouders ook de mogelijkheid om, buiten de KOO om, een melding te doen bij de ACM Consuwijzer.5
In het NOS-artikel staat dat kinderopvangorganisaties aangeven dat het aantrekkelijk is om extra uren te rekenen, omdat ouders over die uren kinderopvangtoeslag ontvangen. Dat zou voor ouders voordeliger zijn dan wanneer het uurtarief verhoogd zou worden. Ik wil hier graag benadrukken dat het rekenen van extra uren ouders ook geld kost. Iedere ouder betaalt namelijk een eigen bijdrage. Ouders sluiten een privaatrechtelijke overeenkomst met de kinderopvangorganisatie waarin het aantal contracturen is vastgelegd. In het artikel wordt genoemd dat als een kinderopvangorganisatie uren in rekening brengt die ouders niet kunnen afnemen, dit zou kunnen leiden tot terugvorderingen. Dit is niet de bedoeling. De ouder heeft recht op KOT voor betaalde uren, die zijn overeengekomen in het contract, en waarbij de kinderopvang daadwerkelijk de dienst aanbiedt. Ouders zullen uiteraard alleen akkoord willen gaan met contracten voor uren die afgenomen kunnen worden. De kinderopvangtoeslag is bedoeld voor uren waarop kinderopvang wordt aangeboden. Sluitingen op erkende feestdagen vormen daarop een uitzondering.
Hoe kijkt u aan tegen de positie van ouders in de kinderopvang en de mogelijke gevolgen van dergelijke trucs? Kunt u daarbij ook ingaan op de mogelijkheid van terugvorderingen of extra kosten voor ouders met een hoge eigen bijdrage?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeverre onderkent u dat het risico op doorrekenen van meer uren nog groter wordt bij het voorgestelde, nieuwe kinderopvangstelsel? Bent u daarom bereid deze plannen te heroverwegen of aanvullende maatregelen te nemen op dit punt?
In het coalitieakkoord van het huidige (demissionaire) kabinet is afgesproken een nieuw financieringsstelsel voor de kinderopvang vorm te geven. Het doel van de herziening is om het stelsel eenvoudiger en begrijpelijker te maken voor ouders en de toekenningszekerheid te vergroten. Daarnaast zou dit nieuwe stelsel gepaard gaan met een inkomensonafhankelijke vergoeding van 96% voor werkende ouders.
Een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding van 96% maakt kinderopvang voor veel ouders (veel) goedkoper. Hierdoor bestaat het risico dat ouders op papier meer dagdelen of dagen gaan afnemen, om ervoor te zorgen dat er een plek beschikbaar is als zij deze extra opvang een keer nodig hebben. Dit kan aantrekkelijk zijn voor ouders, omdat het hen meer flexibiliteit geeft en hen relatief weinig kost. Maatschappelijk gezien is dit onwenselijk omdat structureel plekken bezet worden gehouden door kinderen die er in de praktijk niet of nauwelijks zijn en omdat overheidsgeld wordt besteed aan niet geleverde diensten.
In het huidige stelsel zijn er geen signalen dat er structureel plekken bezet worden gehouden door kinderen die er niet of nauwelijks zijn. In het huidige stelsel is het risico hierop ook vele malen kleiner. Kinderopvang is namelijk te kostbaar om structureel dagdelen of dagen af te nemen waarbij er geen daadwerkelijke opvang tegenover staat. Wel kunnen kinderopvangorganisaties ouders verzoeken meer uren af te sluiten in een contract dan daadwerkelijk worden afgenomen. Bijvoorbeeld door te rekenen met hele dagen in plaats van halve dagen. De verwachting is dat ouders hier sneller mee akkoord gaan in een situatie van lagere kosten en toenemende schaarste. Als de kinderopvangvergoeding in een nieuw stelsel omhoog gaat, is het belangrijk om rekening te houden met dit risico.
In mijn brief van 26 april 2023 «voortgangsrapportage herziening financieringsstelsel kinderopvang»6 geef ik aan dat mogelijkheden worden verkend om het doelmatig gebruik van de gecontracteerde uren in het nieuwe stelsel te borgen. In het concept-stelselontwerp werd uitgegaan van monitoring en zelfregulering, gecombineerd met een nader uit te werken bepaling om op te treden bij grote afwijkingen tussen gecontracteerde uren en aanwezigheidsuren die kinderopvangorganisaties bij de overheid aanleveren. Als variatie hierop valt bijvoorbeeld te denken aan een normstelling ten aanzien van verschillen tussen contracturen, gefactureerde uren en aanwezigheidsuren. Dit zijn complexe maatregelen met grote impact op de sector die samenhangen met besluitvorming over het nieuwe stelsel. Met het oog op een (mogelijk) nieuw stelsel wordt onderzocht was het risico op oneigenlijk gebruik is, evenals mogelijke oplossingen hiervoor.
Door de val van het kabinet heeft er geen besluitvorming plaatsgevonden over het vervolg van de herziening van het financieringsstelsel van de kinderopvang. In mijn brief van 15 september 2023 «Stand van zaken herziening financieringsstelsel kinderopvang» heb ik bouwstenen meegegeven op weg naar een nieuw financieringsstelsel in de kinderopvang.7 Het is aan het volgende kabinet om keuzes te maken voor het definitieve ontwerp, waar het vraagstuk omtrent het doelmatig gebruik van gecontracteerde uren onderdeel van uitmaakt.
Welke maatregelen neemt u op korte en langere termijn om onwenselijke trucs om de omzet te verhogen tegen te gaan?
De signalen over deze praktijken heb ik 14 december 2023 met de kinderopvangbranche besproken, daarbij heb ik het belang van goede afstemming met ouders alsmede de voorwaarden voor het ontvangen van KOT benadrukt. Tevens heb ik de branche gevraagd in te zetten op: 1) verbetering van transparantie: kinderopvangorganisaties zouden uurprijzen en openingstijden op de website moeten vermelden, 2) het vergroten van de bekendheid van stappen die ouders kunnen nemen bij een geschil of klacht.
De brancheorganisaties delen het belang van transparantie en hebben aangegeven zich hiervoor te zullen inspannen. Ik verwacht dat deze stappen de transparantie in de sector vergroten en daarmee ook de positie van de ouders versterken. Ik zal in gesprek blijven met de brancheorganisaties over de voortgang van deze stappen. Parallel ga ik onderzoeken of toezicht en nadere regelgeving gericht op kinderopvangorganisaties wenselijk is.
Daarnaast zal ik, om meer inzicht te krijgen op welke schaal het uitbreiden van openingstijden voorkomt, in samenwerking met de branche een steekproef opzetten. Deze steekproef zal aansluiten bij het bestaande uurprijsonderzoek van BOinK en Waarborgfonds Kinderopvang. Eveneens zal ik, om meer duiding te krijgen bij de in het artikel geschetste praktijken, in gesprek gaan met de Geschillencommissie Kinderopvang.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de kinderopvangsector?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Opnieuw pro-Palestijnse sit-ins op stations, dit keer op Joodse feestdag: 'Zorgwekkend en intimiderend'' |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht getiteld «Opnieuw pro-Palestijnse sit-ins op stations, dit keer op Joodse feestdag: «Zorgwekkend en intimiderend»»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Heeft u kennisgenomen van de antisemitische leuzen die tijdens de voorgaande sit-ins op stations zijn geuit?
Ja, ik heb kennis genomen van de leuzen die bij voorgaande sit-ins zijn geuit. Ik veroordeel elke discriminerende uiting.
Kunt u begrijpen dat deze sit-ins als bedreigend worden ervaren door Joodse Nederlanders?
Ik weet dat er binnen de Joodse gemeenschap zorgen leven en dat is zeker begrijpelijk. De leden van het kabinet staan vanuit hun verschillende verantwoordelijkheden in nauw contact met de Joodse gemeenschap, alsook de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB).
Daarnaast zijn burgemeesters geadviseerd om preventief en proactief extra alert te zijn op veiligheidsrisico’s gerelateerd aan het gewelddadige conflict in Israël en de Palestijnse gebieden. Hieronder valt ook het treffen van beveiligingsmaatregelen voor specifieke locaties of personen als daar aanleiding toe is. Om die reden houden de NCTV, politie en Inlichtingen- en veiligheidsdiensten de ontwikkelingen in het buitenland en de uitstraling daarvan op (de veiligheidssituatie in) Nederland nauwlettend in de gaten. De NCTV blijft hierover ook in nauw contact met burgemeesters, veiligheidspartners en de Joodse gemeenschap.
Deelt u de opvatting dat Nederlandse stations gevrijwaard moeten blijven van antisemitische leuzen? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te treffen?
Antisemitische leuzen zijn te allen tijde onacceptabel. Elke ruimte zou gevrijwaard moeten zijn van Jodenhaat. Op het moment dat tijdens een demonstratie (mogelijke) strafbare feiten worden gepleegd, zoals opruiing of het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld, kan worden opgetreden. De burgemeester, de hoofdofficier en de politiechef zullen in deze kwesties afspraken maken en waar nodig handhaven.
Het bericht 'GLB-premie fors omlaag: voorlopig bedrag basispremie € 150' |
|
Eline Vedder (CDA) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u exact aangeven hoe het kan dat er een verkeerde inschatting is gemaakt van de benodigde budgetten? Is het aantal boeren dat zich heeft aangemeld voor deelname aan het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) groter dan verwacht? Zo ja, waar was de oorspronkelijke inschatting op gebaseerd?1
De deelname aan zowel de basisinkomenssteun als de ecoregeling ligt hoger dan verwacht (zie ook mijn brief van 16 november 20232). Voor de basisinkomenssteun zijn meer hectares aangevraagd dan waarmee in het Nationaal Strategisch Plan rekening is gehouden. Voor de ecoregeling zijn meer hectares aangevraagd, maar is ook de verdeling van de hectares over de categorieën goud, zilver en brons anders dan verwacht. Substantieel meer boeren dan verwacht zijn voor goud gegaan. Dat verdient een compliment. Het feit dat verdeling van de beschikbare budgetten over meer hectaren en hogere medailles leidt tot verlaging van de tarieven is dan ook zuur.
De inschatting voor de basisinkomenssteun in het Nationaal Strategisch Plan was gebaseerd op de ervaringsgegevens uit de voorgaande GLB-periode. Het aantal hectares waarvoor GLB-steun wordt aangevraagd, is tot 2.023 jaar op jaar stabiel. Wat dat betreft laat 2023 een trendbreuk zien. Ik had deze trendbreuk niet voorzien. Het toevoegen van landschapselementen en het vervallen van toeslagrechten heeft vermoedelijk geleid tot meer aangevraagde hectares. Terwijl de striktere conditionaliteiten kennelijk niet hebben geleid tot een afname van de deelname.
De ecoregeling is geheel nieuw. De inschatting in het Nationaal Strategisch Plan was gebaseerd op pilotprojecten en praktijkproeven, zoals onder andere toegezonden als bijlage bij de brief van mijn ambtsvoorganger van 17 juni 20223 waarin de afgelopen jaren is getest welke maatregelen door boeren kunnen worden toegepast, welke vergoeding daarvoor moet worden gehanteerd en hoeveel animo er is. Bij de totstandkoming van het Nationaal Strategisch Plan zijn ook maatschappelijke organisaties, waaronder agrarische sectorpartijen, betrokken geweest. Er is een zo goed mogelijke inschatting gemaakt met de toen beschikbare informatie. Begin dit jaar hebben sectororganisaties nog gewaarschuwd dat deelname zou achterblijven. Achteraf is de inschatting te laag gebleken.
Wat was het geschatte budget en hoe groot is het tekort als de premies blijven zoals deze waren voorgesteld?
Het beschikbare EU-budget in 2023 bedraagt 386,5 miljoen euro voor de basisinkomenssteun en 152 miljoen euro voor de ecoregeling. Het is nog niet mogelijk om een nadere inschatting te maken van het tekort, omdat het definitieve beeld nog bepaald moet worden.
Wanneer zijn de definitieve premies bekend? Is het mogelijk dat deze nog lager uitvallen dan nu de verwachting is?
In het voorjaar van 2024 stel ik de definitieve tarieven vast. Deze kunnen niet lager uitvallen dan de gepubliceerde voorlopige tarieven.
Kunt u toelichten hoe uw onderzoek naar de mogelijkheden voor het ophogen van het budget eruitziet? Wanneer verwacht u hier de resultaten van?
Ik zoek, zonder garanties te kunnen geven, voor de ecoregeling naar mogelijkheden om de boeren volledig voor de geleverde maatschappelijke diensten te belonen (zie ook mijn brief van 16 november4). Dat is belangrijk omdat de subsidies van het GLB ervoor bedoeld zijn om bij te dragen aan de transitie naar een duurzamere landbouw. Maar het is niet eenvoudig, omdat Europese regels aanvulling van het budget in de eerste pijler met nationale middelen (cofinanciering) niet zonder meer toestaan. Daarom ben ik in gesprek met de Europese Commissie over staatssteun en kijk ik naar de mogelijkheden in de begroting. In lijn met de motie-Van der Plas over «verkennen hoe de verlaging van de GLB-premies via de Landbouwbegroting kan worden opgevangen»5, zal ik uw Kamer in januari hierover informeren.
Is het denkbaar dat de eisen die worden gesteld om voor deelname in aanmerking te komen volgend jaar nog strenger worden, omdat anders het aantal aanmeldingen te groot is voor het beschikbare budget?
In 2023 is er een aanpassing van de instapeis geweest, (zie ook de Kamerbrief hierover van 14 november 20226). Deze verlaging is niet meer van toepassing in 2024, wat de facto leidt tot een beperkte verhoging van de instapeisen. Omdat het belangrijk is boeren tijdig duidelijkheid geven over de voorwaarden voor de regeling is een aanvullende verhoging voor 2024 niet meer mogelijk. Daarom wil ik nog duidelijker communiceren over de tarieven per hectare behorende bij goud, zilver en brons en de bandbreedtes die daarvoor gelden. Voor 2025 kijken we wel nadrukkelijk opnieuw naar de verhouding tussen activiteiten, waardes en punten, de instapeisen en de tarieven.
Vindt u dat dit moet worden voorkomen, omdat er dan veel boeren die zich nu wel hebben aangemeld dan zullen afhaken, terwijl we dergelijke extra inspanningen juist willen stimuleren? Zo ja, hoe gaat u daar concreet voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
De verlaging van de tarieven is een vervelende boodschap voor alle boeren, vooral die boeren die willen verduurzamen. Boeren hebben investeringen gedaan om te werken aan de verduurzaming van de landbouw. Ik wil voorkomen dat boeren afhaken. Ik onderzoek daarom alle mogelijkheden om de verlaging te beperken, omdat de subsidies van het GLB ervoor bedoeld zijn om bij te dragen aan de transitie naar een duurzamere landbouw. Ik kan echter geen garantie geven dit lukt.
Heeft u in beeld welk effect het niet nakomen van het uitbetalen van de gesuggereerde basispremie en ecopremie heeft op de bereidheid van boeren om te investeren in natuurinclusieve landbouw? Hoe gaat u voorkomen dat de bereidheid niet afneemt, maar juist toeneemt?
De bekendmaking van de voorlopige tarieven voor de basisinkomenssteun en de aanvullende herverdelende inkomenssteun hebben helaas tot de nodige onrust geleid. Ik betreur dat. Het gaat om voorlopige tarieven die de uitbetaling van een deel van de basispremie in december van dit jaar mogelijk maken. Het definitieve beeld moet nog bepaald worden. Zoals aangegeven in mijn brief van 16 november 20237 en in het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad van 7 december zoek ik, zonder garanties te kunnen geven, voor de ecoregeling naar mogelijkheden om de boeren voor de geleverde maatschappelijke diensten te belonen met de voorgespiegelde tarieven.
Wat vindt u ervan dat boeren investeringen hebben gedaan en hun bedrijfsplannen hebben aangepast om voor de premies in aanmerking te komen, terwijl deze plotseling veel lager uitvallen dan voorgespiegeld? Hoe verhoudt dit zich tot het herstellen van vertrouwen in de overheid en het toewerken naar langetermijnperspectief en voorspelbaar beleid?
De verlaging van de tarieven is een vervelende boodschap voor alle boeren, vooral die boeren die willen verduurzamen. Boeren hebben investeringen gedaan om te werken aan de verduurzaming van de landbouw. De subsidie van het GLB zijn er juist voor bedoeld om bij te dragen aan de transitie naar een duurzamere landbouw. Ik kan mij voorstellen dat verlaging van de tarieven niet aanmoedigt.
Het definitieve beeld moet nog bepaald worden. In het voorjaar van 2024 stel ik de definitieve tarieven vast. Het feit dat er meer hectares zijn aangevraagd, maakt het dat beschikbare budget over meer hectares verdeeld moet worden. Zoals aangegeven onderzoek ik mogelijkheden om de verlaging te beperken.
Hoe gaat u boeren die, wederom als gevolg van een fout van de overheid, veel geld mislopen tegemoet te komen?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat het niet zo kan zijn dat er een regeling wordt opengesteld en dat pas nadat alle aanmeldingen binnen zijn, wordt gekeken hoe hoog de premies worden?
Voor elke subsidieregeling geldt dat er een plafond is. Als er meer wordt aangevraagd dan er aan budget beschikbaar is, zijn er verschillende manieren om daarmee om te gaan. Dat kan onder meer rangschikking zijn, loting, toekenning op volgorde van binnenkomst (wie het eerst komt, het eerst maalt) of evenredige verdeling. Het budget voor de hectaresteun uit het GLB wordt evenredig verdeeld over het totaal aantal hectaren, dit is niet gewijzigd met de introductie van het nieuwe NSP. Dat betekent dat er geen aanvragers afvallen maar dat de subsidie voor iedereen lager wordt. Daarom zijn plafondkortingen ook al jaren gebruikelijk in het GLB, alleen niet in deze orde van grootte.
Ziet u in dat het voor een ondernemer essentieel is om (van tevoren) te weten waar hij of zij aan toe is, om daar het bedrijfsplan op aan te kunnen passen?
Ja. Ik investeer, samen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), in zo goed mogelijke communicatie met betrekking tot het GLB en de regelingen die hierin zijn opgenomen, zodat boeren geïnformeerde keuzes over hun bedrijfsvoering kunnen maken. Dit blijf ik doen. Voor dit jaar geldt dat inschattingen van de deelnamebereidheid aan de ecoregeling vooraf geen indicatie gaven van deze hoge inschrijvingen. Achteraf moet ik concluderen dat we daarom te stellig over de tarieven hebben gecommuniceerd.
Bent u met de kennis van nu tevreden over de keuze voor het systeem van regelingen zoals dat er nu ligt of had u achteraf toch liever gekozen voor een minder complex systeem, zoals voorgesteld door het CDA in het commissiedebat over de Herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid in oktober 2021 (Kamerstuk 28 625, nr. 299)? Bent u alsnog voornemens om het systeem te vereenvoudigen?
Subsidieregelingen in de eerste pijler (waaronder o.a. basisinkomenssteun en de ecoregeling) van het GLB zijn gebonden aan het budget wat daar voor beschikbaar is gesteld, zoals aangegeven in het NSP. Nationale cofinanciering is niet toegestaan. De totale deelname aan de regeling zal altijd invloed hebben op de definitieve vaststelling van de hoogte van de tarieven. De inschatting over de deelnamebereidheid voor 2023 kwam niet overeen met de ambitie binnen de sector. Daarom heb ik de Europese Commissie opgeroepen om meer ruimte te geven binnen het GLB. De huidige complexiteit van de regeling is nodig om een integrale verduurzaming te behalen. Deelnemers moeten een combinatie van activiteiten uitvoeren om deel te kunnen nemen. De deelnamenbereidheid geeft aan dat voor de agrariërs de complexiteit hen niet weerhoudt zich hiervoor in te zetten. Ik blijf de komende jaren werken aan verbetering van de ecoregeling, zoals ook is afgesproken in het Nationaal Strategisch Plan van het GLB. Het is belangrijk dat we daarbij leren van de ervaringen in dit eerste uitvoeringsjaar en te zorgen dat de ambitie, de vergoeding die er tegenover staat en het beschikbare budget in lijn met elkaar liggen.
Kunt u toelichten hoe u uitvoering heeft gegeven aan uw toezegging om het eerste jaar flexibel om te gaan met fouten bij het invullen van de gecombineerde opgave? Met welke fouten gaat u flexibel om en met welke niet?
Het sanctiebeleid van het GLB is per 2023 anders dan in de vorige periode omdat er uit wordt gegaan van het bewustwordingsmechanisme. Ik heb dit in mijn brief van 14 november 20228 nader toegelicht. Zo zijn bij het niet voldoen aan nieuwe voorwaarden, veelal waarschuwingen gegeven en geen sancties. Met de introductie van het nieuwe GLB zijn er voorwaarden ingevoerd waarop de boer niet tijdig kon anticiperen. In de beoordeling houdt RVO hier rekening mee en daarom is het is niet mogelijk exact aan te geven met welke fouten flexibel wordt omgegaan wanneer niet. Dat hangt onder meer af van de context en de individuele situatie van de aanvrager.
Deelt u de mening dat de simulatietool eco-regelingen voor het GLB verkeerde verwachtingen heeft gewekt, aangezien werd gesuggereerd dat ondernemers een idee van de eco-activiteiten zouden krijgen die goed passen bij het bedrijf en dat daarmee ook kon worden gezien hoeveel punten daarmee werden gehaald, inclusief een schatting van de eco-premie?
Nee, dat deel ik niet. De simulatietool was bedoeld als hulpmiddel om inzage te geven in boven genoemde zaken, als invulling op de uitvoering van de motie Van Campen9, om de agrariër te informeren over de keuzes in de ecoregeling. In het Nationaal Strategisch Plan van het GLB en bij de Gecombineerde opgave in het voorjaar is een verwacht tarief gehanteerd van 200 euro voor goud, 100 euro voor zilver en 60 euro voor brons. Vervolgens zijn er meer hectares aangevraagd dan verwacht en komen meer boeren op basis van hun aanvraag in aanmerking voor de goud-premie. Dat leidt tot lagere tarieven. Dit staat los van de eco-simulatietool.
Kunt u aangeven wat u in het vervolg exact anders gaat doen om beleid voorspelbaarder en consistenter te maken, zodat ondernemers vooruit kunnen?
Zoals ik uw Kamer eerder heb gemeld in het tweeminutendebat van 7 december, doe ik mijn uiterste best om verlaging te beperken en boeren te belonen voor hun inspanningen. Ik ben dit eerste jaar continu aan het evalueren en ga in ieder geval de communicatie verbeteren.
Strijd tegen Islamofobie |
|
Hind Dekker-Abdulaziz (D66), Fonda Sahla (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de toename van islamofobie in Nederland, zoals beschreven in verschillende artikelen in het Parool1, NOS2 en Trouw3?
Registraties van discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie, worden door de verschillende meldingsinstanties in Nederland jaarlijks bijeengebracht in de rapportage Discriminatiecijfers. Deze rapportage bevat de cijfers van de politie, de antidiscriminatievoorzieningen, het College voor de Rechten van de Mens, Meld.Online Discriminatie, de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman. De cijfers over 2023 zullen in april 2024 worden gepubliceerd en aan uw Kamer worden aangeboden. Er kunnen dus nog geen uitspraken over een mogelijke toename in 2023 ten opzichte van 2022 worden gedaan.
Dat neemt niet weg dat het een ernstige zaak is dat Stichting Meld Islamofobie meldt dat zij tientallen meldingen per week binnen krijgt, en dat er onder moslims en moskeebesturen in Nederland angst en gevoelens van onveiligheid leven.
Wat is uw reactie op de specifieke incidenten van islamofobie genoemd in deze artikelen?
De artikelen laten zien dat het wegzetten van groepen als «de ander» een grote impact op het leven van mensen kan hebben. Het artikel in Trouw laat zien hoe diepgeworteld bij sommige mensen in onze samenleving negatieve denkbeelden over moslims kunnen zijn en hoe vooroordelen uit het verleden over groepen mensen doorwerken in hedendaagse stereotypen, vooroordelen en discriminerend gedrag. Discriminatie en racisme, haat zaaien en mensen wegzetten als de «ander», dat is niet onze samenleving. Aandacht voor diversiteit en inclusie in het kabinetsbeleid en gelijke behandeling als fundamenteel grondrecht zijn cruciaal voor een gelijkwaardige en eerlijke samenleving.
Voor wat betreft mijn reactie op het NOS-artikel «Problemen op het werk door uitspraken over Gaza-Israël, soms zelfs ontslag» verwijs ik u graag naar de antwoorden op Kamervragen van de leden El Abassi en Ergin (beiden DENK) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het NOS-bericht «Problemen op werk door uitspraken over Gaza-Israël, soms zelfs ontslag».4
Ik vind het ten slotte verontrustend om te horen dat mede door de uitslag van de verkiezingen moslims in Nederland zich onveilig kunnen voelen, zoals het Parool beschrijft. Een klimaat van haat en intimidatie richting mensen met een islamitisch geloof, of elke andere grond, is altijd volstrekt onacceptabel.
Deelt u de mening dat in een samenleving waar diversiteit en inclusie als fundamentele waarden worden gekoesterd, het van cruciaal belang is om aandacht te besteden aan kwesties zoals islamofobie, die de harmonie en gelijkheid binnen onze gemeenschap kunnen ondermijnen?
Ja.
Zijn er gevallen bekend waarbij islamitische instellingen hun beveiliging hebben verhoogd vanwege een verhoogde dreiging?
De verantwoordelijkheid van de beveiliging van religieuze instellingen in Nederland ligt in de eerste plaats bij die instellingen zelf. Ik heb geen volledig zicht op de mate waarin islamitische instellingen zelf hun beveiliging hebben verhoogd.
Daar waar nodig kunnen er aanvullende beveiligingsmaatregelen worden getroffen bij religieuze instellingen. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij het lokaal bevoegd gezag, in samenspraak met de lokale driehoek. De NCTV kan de lokaal bevoegde gezagen hierbij desgevraagd van advies voorzien en heeft dit in voorkomende gevallen ook gedaan.
Zo ja, is de toegenomen beveiliging van islamitische instellingen het resultaat van ontoereikende capaciteit bij de beveiligingsdiensten?
De beslissing om een persoon of object vanuit de overheid aanvullend te beveiligen wordt altijd gemaakt op basis van actuele dreigingsinformatie van de politie en/of inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De genomen beveiligingsmaatregelen bieden het niveau van weerstand dat nodig wordt geacht op basis van de dreigingsinformatie. Daarin is de op dat moment beschikbare capaciteit niet bepalend.
Hoe verhoudt de huidige situatie zich tot de eerdere beloften van de overheid om islamitische gemeenschappen extra te beveiligen?
Deze belofte blijft onverminderd in stand, daar waar de situatie er om vraagt. Zoals hierboven beschreven worden beslissingen over beveiligingsmaatregelen gemaakt op basis van actuele dreigingsinformatie. In het geval van islamitische instellingen is er op dit moment geen aanleiding om extra algemene beveiligingsmaatregelen in te stellen. Daar waar nodig op basis van specifieke informatie zal het lokaal bevoegd gezag altijd maatregelen treffen. Wel kan gemeld worden dat verschillende gemeenten reeds extra maatregelen hebben getroffen in het kader van openbare orde. Dit zijn zichtbare en onzichtbare maatregelen. Over de invulling van deze veiligheidsmaatregelen worden nooit uitspraken in het openbaar gedaan.
Aanvullend heeft de NCTV op 7 oktober en 17 november 2023 in brieven het lokaal bevoegd gezag ook geadviseerd om preventief en proactief extra alert te zijn op veiligheidsrisico’s gerelateerd aan de situatie in Israël en de Palestijnse gebieden.
Hebben veiligheidsdiensten een duidelijk beeld van de bronnen van dreigingen tegen islamitische gemeenschappen? Zo ja? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
De recente ontwikkelingen in het binnen- en buitenland en de eventuele uitstraling daarvan in Nederland hebben vanzelfsprekend de aandacht van de NCTV, de politie en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zij zijn alert op eventuele veiligheidsrisico’s die hieruit voortkomen.
Zoals u weet worden geen uitspraken in het openbaar gedaan over de werkwijze en informatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Welke maatregelen zijn genomen voor begeleiding en nazorg voor degenen die getroffen zijn door islamofobie?
Discriminatie kan een grote impact op iemands leven hebben. Iedereen in Nederland kan daarom terecht bij een gemeentelijke antidiscriminatievoorziening (ADV). Bij deze ADV’s werken professionele consulenten die expert zijn in het behandelen van discriminatieklachten. Zij bieden niet alleen een luisterend oor voor melders, maar staan hen ook bij in het oplossen van een discriminatieklacht. Zo kan een ADV een hoor- en wederhoorprocedure opstarten, bemiddelingsgesprekken initiëren of een melder bijstaan bij een procedure bij het College voor de Rechten van de Mens of bij het doen van aangifte bij de politie. De rol van de ADV’s bij de aanpak van discriminatie is groot, het is daarom dat ik de ADV’s wil versterken. Tijdens mijn werkbezoek op 9 januari jl. aan een ADV heb ik de nieuwe naam en het landelijk telefoonnummer 0800-0880 gelanceerd. Alle ADV’s die lid zijn van de branchevereniging Discriminatie.nl (meer dan 90% van het land) werken nu ook onder de naam Discriminatie.nl. Dit draagt eraan bij om het melden van discriminatie makkelijker te maken.
Daarnaast werk ik momenteel aan een stelselvernieuwing voor de ADV’s. Hierover zal ik voor de zomer een hoofdlijnennotitie naar uw Kamer sturen. Ik zal daarbij nagaan in hoeverre het mogelijk is om in het nieuwe ADV-stelsel, al dan niet in samenwerking met andere (maatschappelijke) organisaties aan mensen met discriminatie- en/of racisme-ervaringen actief nazorg te bieden die aansluit bij hun achtergrond en behoefte5.
Indien er sprake is van een strafbaar feit kan een ieder aangifte doen bij de politie in Nederland. Slachtoffers van strafbare feiten kunnen voor emotionele steun, hulp in het strafproces en ondersteuning bij het vergoed krijgen van de schade terecht bij Slachtofferhulp Nederland. Deze hulp is gratis. Slachtofferhulp Nederland heeft goede netwerkcontacten met antidiscriminatievoorzieningen en andere belangenorganisaties.
De ADV’s, de politie en het Openbaar Ministerie vormen gezamenlijk ook een Regionaal Discriminatie Overleg (RDO). Deze RDO’s zijn per politie-eenheid georganiseerd en hebben als doel om tot een betekenisvolle afdoening te komen bij een discriminatiemelding, incident of aangifte. Dat vereist interventies die zichtbaar, merkbaar en herkenbaar zijn voor slachtoffers, daders en hun omgeving.
Vindt u het acceptabel dat in Nederland angst bestaat voor aanvallen op islamitische instellingen, gezien de recente gebeurtenissen in Israël en Palestina?
Ik vind het verontrustend om te horen dat sinds de recente gebeurtenissen in Israël en de Palestijnse gebieden meer moslims in Nederland zich onveilig voelen. Een klimaat van haat en intimidatie richting moslims, of andere gelovigen, is volstrekt onacceptabel. De Minister van Justitie en Veiligheid en ik zullen ons er dus ook hard voor blijven maken om zoveel mogelijk zorgen over veiligheid onder moslims en moskeeën weg te nemen. Daarbij vertrouw ik er ook op dat het lokaal bevoegd gezag maatregelen zal treffen daar waar nodig.
Bent u bereid om maatregelen te treffen om islamofobie sneller en strenger aan te pakken?
Zowel in het demissionair kabinet als in uw Kamer en in de samenleving wordt de noodzaak gevoeld om de huidige aanpak van discriminatie en racisme te versterken. Op 15 december 2023 heeft de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) het tweede Nationaal Programma tegen discriminatie en racisme aan uw Kamer verzonden.6 Het Nationaal Programma geeft een overzicht van nieuwe en lopende versterkingen. Deze versterkingen zijn generieke maatregelen, die gericht zijn op alle discriminatiegronden, aangevuld met specifieke maatregelen, die gericht zijn op de aanpak van discriminatie van een bepaalde groep of op een bepaald terrein. Moslimdiscriminatie heeft nadrukkelijk de aandacht van de NCDR. Dat is hard nodig. 55% van de moslims in Nederland ervaart op dagelijkse basis discriminatie.7
In opdracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voeren het onderzoeksbureau Regioplan en de Universiteit Utrecht momenteel een nationaal onderzoek naar moslimdiscriminatie uit. Dit onderzoek verdiept zich in de vraag of we in de aanpak van moslimdiscriminatie de juiste dingen doen of dat we nog mogelijkheden onbenut laten. Vooruitlopend hierop wordt momenteel, eveneens in opdracht van het Ministerie van SZW, een verdiepend onderzoek afgerond door de Radboud Universiteit naar discriminatie van vrouwen met een hoofddoek op de arbeidsmarkt. Deze onderzoeken zijn van belang om in kaart te brengen of, en zo ja waar en hoe, versterkende maatregelen tegen moslimdiscriminatie noodzakelijk zijn.
Wanneer strafbare feiten gepleegd zijn, kan een strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld naar een verdachte. Dit is het sluitstuk in de aanpak van discriminatie en gericht op individuele strafzaken. Een strafrechtelijk onderzoek naar een verdachte kan aan de orde zijn wanneer het bijvoorbeeld gaat om het aanzetten tot haat, geweld of discriminatie of om groepsbelediging. Dit zijn voorbeelden van specifieke discriminatiedelicten. Bij commune delicten, zoals vernieling, mishandeling of bedreiging, is bij de politie en het Openbaar Ministerie ook oog voor een eventueel discriminatoir aspect. Bij commune delicten met een discriminatieaspect (codis-delicten) gaat het om delicten waarbij een discriminatieaspect als motief of aanleiding heeft gespeeld om het delict te plegen, of als het is gebruikt om het delict indringender te plegen. Bij ingrijpende codis-delicten is het uitgangspunt dat een strafverzwaring van 100% wordt toegepast door het Openbaar Ministerie.
Wat is uw reactie op de pro-Palestijnse demonstraties in Nederland, waarbij melding wordt gemaakt van islamofobische uitingen?
Het recht op demonstratie en de vrijheid van meningsuiting zijn fundamentele grondrechten. Op het moment dat tijdens een demonstratie (mogelijke) strafbare uitingen worden gepleegd, zoals opruiing, groepsbelediging of het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld, kan altijd worden opgetreden door de politie en het Openbaar Ministerie. Ook wanneer een bepaalde uiting binnen de grenzen van de (straf)wet blijft, kan deze door anderen als kwetsend of onfatsoenlijk worden ervaren. Uit respect voor elkaars – soms botsende – meningen benadruk ik het belang van een open en tolerante houding naar elkaar en het voeren van de dialoog. Dat zijn wezenlijke elementen in een pluriforme samenleving om met de spanningen en verschillen om te gaan.
Bent u bekend met situaties in andere landen waar pro-Palestijnse demonstraties verboden zijn vanwege de risico's van verstoring van de openbare orde?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe wordt in Nederland de aanpak van islamofobie bij demonstraties gehandhaafd en gemonitord?
Het faciliteren en reguleren van demonstraties is een lokale verantwoordelijkheid. Tegen strafbare feiten gepleegd tijdens een demonstratie kan (ter plaatse of achteraf) worden opgetreden door de politie en het Openbaar Ministerie.
Heeft u vertrouwen in de huidige strategieën om islamofobie tijdens demonstraties te voorkomen?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat het bevoegde gezag op lokaal niveau onvoldoende aandacht heeft voor de aanpak van moslimdiscriminatie. Bij mijn weten zet dat gezag zich blijvend en alert in tegen moslimdiscriminatie.
Hoe waarborgt u dat de overheid zich blijft inzetten voor de veiligheid van islamitische gemeenschappen en het bestrijden van islamofobie?
Voor moslimdiscriminatie, noch voor andere vormen van discriminatie, racisme of uitsluiting, is absoluut geen plaats in Nederland. Het is belangrijk dat iedereen zichzelf kan zijn, ongeacht iemands religie- of levensovertuiging, seksuele gerichtheid, afkomst, of welke grond dan ook. Zoals hierboven aangegeven wordt vanuit het kabinet op verschillende manieren ingezet om moslimdiscriminatie tegen te gaan. Als het gaat om de veiligheid van moskeeën en de islamitische gemeenschap treft het lokaal bevoegd gezag altijd daar waar nodig aanvullende maatregelen. Zoals bij vraag 6 genoemd zijn er in verschillende gemeenten reeds extra maatregelen getroffen in het kader van de openbare orde.
Waarom is er tot op heden geen Nationaal Coördinator Islamofobie aangesteld in Nederland, gezien de gemelde toename van islamofobie incidenten en de behoefte aan een gecoördineerde aanpak om deze vorm van discriminatie te bestrijden?
De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme gaat over alle gronden en domeinen, waaronder moslimdiscriminatie. De aanpak van moslimdiscriminatie is nadrukkelijk onderdeel van het tweede Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme, dat op 15 december 2023 aan uw Kamer is verzonden.8
Ziet u een relatie tussen het registreren van «niet-westerse migratieachtergrond» van Nederlanders die hier geboren zijn en de toename van discriminatie en islamofobie?
Nee, ik zie daar geen relatie tussen. Voor zover hier wordt gedoeld op het onderscheid naar herkomst van mensen met een migratieachtergrond in onderzoeken van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wijs ik er bovendien op dat het onderscheid «Westers» en «niet-Westers» niet meer door het CBS wordt gemaakt.
Beïnvloeding van en door de overheid op social media mbt de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november 2023 |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Is er contact geweest tussen overheidsorganen en sociale media platforms voorafgaand aan en tijdens de campagneperiode voor de Tweede Kamerverkiezingen van 22 november 2023? Zo ja, met welke platforms is er contact geweest door wie en/of welk departement van de Rijksoverheid en wat heeft dit contact behelst? Betrof dit contact (ook) specifiek de verkiezingen van 22 november zo ja, op welke manier?
Het Ministerie van BZK heeft voorafgaand aan de verkiezingen op ambtelijk niveau gesproken met vertegenwoordigers van Google, Meta, Microsoft, Snapchat, TikTok en X. Het doel van deze gesprekken was om te begrijpen hoe de platformen de risico’s van hun systemen rondom de verkiezingen beoordelen en om inzicht te krijgen in de mitigerende maatregelen die de platformen nemen en de effectiviteit daarvan. Tijdens deze gesprekken is bijvoorbeeld het beleid van platformen besproken, zoals vastgelegd in de eigen gebruikersvoorwaarden, om des- en misinformatie rondom de verkiezingen tegen te gaan.
Ook is er in het kader van de opkomstbevorderende campagne «Elke Stem Telt» van het Ministerie van BZK op Google, Meta en Snapchat geadverteerd met als doel kiesgerechtigden te attenderen op de verkiezing en hen te motiveren om te gaan stemmen. Over het effect van de campagne wordt gerapporteerd in de evaluatie van de Tweede Kamer verkiezing. Daarnaast hebben Google, Meta en Snapchat op eigen initiatief op hun platformen de verkiezingen gepromoot. Dit hebben zij ter kennisgeving voorafgaand aan de verkiezingen bij het Ministerie van BZK gemeld. Het initiatief hiervoor kwam van de platformen.
In de ochtend van 15 november heeft het Ministerie van BZK telefonisch contact opgenomen met een vertegenwoordiger van Meta. Reden hiervoor was de melding die gebruikers van Facebook kregen waarin stond «vandaag zijn de verkiezingen». Daarmee was het sociale medium een week te vroeg. Twee uur na dit telefonisch contact was het bericht op Facebook aangepast.
Op 22 november heeft het Ministerie van BZK éénmaal gebruik gemaakt van een «trusted flagger status». Dit betrof een melding bij X, gedaan via het Urgent Escalation Channel, over een bericht waarin werd opgeroepen tot het inkleuren van twee vakjes op het stembiljet. Dit leidt tot een ongeldige stem. Een rapportage over deze melding en een afschrift van de melding zelf en de reactie van X zal volgens staand protocol worden meegezonden met de evaluatie van de Tweede Kamer verkiezing. Deze wordt dit voorjaar aan uw Kamer verzonden.
Zijn er afspraken gemaakt met deze social media platforms over aan de verkiezingen gerelateerde content, de personen van wie deze content afkomstig was en de inhoud van deze content? Zo ja, welke afspraken zijn hierover gemaakt, door wie en op basis van welke overwegingen? Kunt u deze afspraken gespecificeerd inzichtelijk maken?
Nee, dergelijke afspraken zijn niet gemaakt.
Is er door de overheid met social media platforms gesproken over het beperken van het bereik van bepaalde accounts/personen? Zo ja, wat is hierover besproken, om welke personen/accounts is dit exact gegaan, op basis van welke overwegingen?
Nee, daar is niet over gesproken.
Is er aan de verkiezingen van 22 november gerelateerde informatie/content onderdrukt door social media platforms en zo ja, is dit in overleg/op aandringen/advies van de overheid gebeurd en op basis van welke overwegingen en rechtvaardiging?
Waar het gaat over content van platformen zelf, heeft het Ministerie van BZK één keer contact opgenomen met een platform en wel op 15 november met Meta en geadviseerd de melding die gebruikers van Facebook kregen waarin stond «vandaag zijn de verkiezingen», aan te passen. Dit omdat het van belang is dat burgers juist geïnformeerd worden over de correcte datum van de verkiezingen, ook door platformen.
Waar het gaat om content van gebruikers van platformen, kan het Ministerie van BZK via haar trusted flagger status een melding doen van mogelijke des- of misinformatie over het verkiezingsproces. De bedrijven waarbij een melding wordt gedaan maken vervolgens een eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van hun gebruikersvoorwaarden en bepalen op basis daarvan of verwijdering, labelen of een andere actie noodzakelijk is. Over de inzet van de trusted flager status is uw Kamer eerder geïnformeerd.1
Is er op social media platforms gebruik gemaakt van specifieke algoritmen om aan de verkiezingen van 22 november 2023 gerelateerde content niet/minder/wel/vaker te laten zien?
Waar het gaat om de advertenties voor de opkomstbevorderende campagne heeft het Ministerie van BZK bij de inkoop ingezet op advertenties voor de volgende doelgroepen:
Het Ministerie van BZK heeft geen inzicht in de algoritmen die platformen gebruiken om deze doelgroepen te bereiken en geen zicht op algoritmen die door platformen al dan niet worden ingezet om content gerelateerd aan de verkiezing niet/minder/wel/vaker te laten zien. Over het effect van de campagne wordt gerapporteerd in de evaluatie van de Tweede Kamer verkiezing.
Hadden ambtenaren via portals toegang tot sociale media escalatie-channels of andere methodes en kanalen? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke methodes en kanalen dat waren en wat de reden was dat ambtenaren hierop actief waren?
Ja. Zoals eerder gecommuniceerd aan uw Kamer heeft het Ministerie van BZK de status van «trusted flagger» bij Meta, Google, TikTok en Snapchat. Voor X wordt sinds deze verkiezingen gebruik gemaakt van een Urgent Escalation Channel. Het Ministerie van BZK hanteert voor dit kanaal dezelfde standaard werkwijze als bij vergelijkbare trusted flagger statussen bij andere sociale media platformen. Voor informatie over de werkwijze, de verschillende kanalen en de redenen dat ambtenaren hierop actief zijn verwijs ik u graag naar de antwoorden op eerdere Kamervragen en de Kamerbrieven die ik hierover aan de Kamer heb verzonden.2
Is dergelijke inmenging van de overheid en het beïnvloeden van de berichtgeving op social media volgens u te verenigen met het uitgangspunt van eerlijke verkiezingen? Zo ja, kunt u dit uitgebreid uitleggen?
Er vindt geen beïnvloeding of inmenging door de overheid plaats. Het Ministerie van BZK zet de trusted flagger status zeer terughoudend in, en alleen wanneer er een risico bestaat voor de organisatie, uitvoering en integriteit van het verkiezingsproces. Het ministerie kijkt niet naar, en doet geen uitspraken over, andere onderwerpen gerelateerd aan de verkiezingen. De bedrijven waarbij het ministerie een melding doet over mogelijke des- of misinformatie over het verkiezingsproces maken vervolgens hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden en bepalen op basis daarvan of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is.
Op welke manier waren de verkiezingen van 22 november een onderdeel van de werkbezoeken van de Staatssecretaris aan het Caribisch gebied? Kunt u vertellen welke afspraken met welke personen er tijdens die werkbezoeken hebben plaatsgevonden die te maken hadden en/of op enige manier gerelateerd waren aan de verkiezingen van 22 november en wat deze afspraken hebben behelsd?
Het onderwerp verkiezingen stond bij de bezoeken dit najaar niet op de agenda.
Het artikel ‘Achterstanden lopen op: verzekeringsartsen dreigen met afsplitsing UWV’ |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Kuipers |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Achterstanden lopen op: verzekeringsartsen dreigen met afsplitsing UWV» waarin wordt gesteld dat er grote achterstanden zijn bij de verzekeringsartsen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)? Wat is uw reactie op deze situatie?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe groot de huidige achterstanden zijn bij de verzekeringsartsen van het UWV? Is er sprake van een structureel probleem of betreft het tijdelijke achterstanden?
In augustus 2023 wachtten bijna 14.700 mensen langer dan de beslistermijn van 8 weken op een WIA claimbeoordeling. Het aantal mensen dat langer wacht is in de periode vanaf 2015 tot en met 2022 sterk opgelopen. Het betreft een structureel probleem, met onwenselijke gevolgen voor werkgevers en werknemers die te lang in onzekerheid blijven over hun uitkering. Samen met UWV heb ik daarom besloten tot een aantal tijdelijke maatregelen om deze achterstanden terug te dringen, zoals de maatregel 60+ (waarbij voor 60-plussers onder voorwaarden een vereenvoudigde WIA claimbeoordeling plaats kan vinden). In het kader van het terugdringen van de achterstanden werkt UWV ook aan procesoptimalisaties, onder meer door te gaan werken in sociaal medische centra waarin de verzekeringsarts regievoerder is in een multidisciplinair team. Mede dankzij de ingezette maatregelen en de vrijwillige overwerkafspraken kon in de kamerbrief van 6 oktober 2023 worden gemeld dat na een stabilisatie van de achterstand in 2022 in de eerste helft van 2023 een lichte afname te zien is.
Zijn er voldoende verzekeringsartsen beschikbaar om de achterstanden bij het UWV weg te werken? Indien dit niet het geval is, hoe kijkt u aan tegen een studiekorting voor studenten die zich specialiseren als verzekeringsgeneeskundige?
Er is sprake van een mismatch tussen de vraag naar en het aanbod van sociaal-medische-beoordelingen. Die mismatch heeft verschillende oorzaken, waar onvoldoende beschikbaarheid van verzekeringsartsen er één van is. Over de mismatch is uw Kamer door mij en mijn voorgangers in diverse brieven geïnformeerd. In de «Voortgangsbrief maatregelen sociaal-medisch beoordelen en relevante WIA onderwerpen» van 6 oktober 2023 geef ik de meest recente beschrijving van de stand van zaken.2
De afgelopen periode heb ik een divers pakket aan maatregelen getroffen gericht op het terugdringen van de achterstanden. Daarbij wordt voortgebouwd op aanbevelingen die EY heeft gedaan in een onafhankelijk onderzoek naar de optimalisatie van de WIA-claimbeoordeling3.
EY concludeerde dat er bij een geoptimaliseerd proces, een forse inkorting van de tijd per beoordeling te realiseren is.
Deze procesoptimalisatie krijgt onder meer vorm door de implementatie van een nieuw regiemodel bij UWV, waarbij er gewerkt wordt in sociaal medische centra. Dit nieuwe regiemodel moet het vak van verzekeringsarts (VA) ook aantrekkelijker maken door het bieden van veel professionele ruimte aan de VA. Naast de procesoptimalisatie, heb ik (tijdelijke) beleidsmaatregelen genomen met als doel de druk op de sociaal-medische beoordelingscapaciteit te verminderen. Daarbij gaat het onder meer, maar niet uitsluitend, om de vereenvoudigde WIA-claimbeoordeling voor 60-plussers. In het kader van het terugdringen van de achterstanden is op 17 november 2023 nog een nieuwe voorgenomen maatregel voor internetconsultatie gepubliceerd (de maatregel Praktisch Beoordelen).
Tegelijkertijd wordt er via verschillende trajecten gezocht naar nieuwe maatregelen om de achterstand terug te dringen. Ook maatregelen gericht op het opleiden van meer verzekeringsartsen kunnen daar onderdeel van uitmaken. UWV spant zich volop in om artsen te werven en op te leiden tot verzekeringsarts. Dat gebeurt onder andere met een landelijke wervingscampagne, samenwerking met wervingsbureaus, referral recruitment, een ambassadeursnetwerk, het aanbieden van coschappen en door in te zetten op campusrecruitment ten behoeve van de positionering als werkgever en het specialisme voor de lange termijn. Een steeds grotere groep geneeskundestudenten kiest voor oriëntatie in het sociale domein en daarop speelt UWV in. In 2023 zijn er (tot nu toe) 121 artsen geworven.
In het najaar van 2022 heb ik de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) ingesteld. Deze commissie voert een fundamentele, integrale verkenning uit om te komen tot een houdbaar stelsel voor de lange termijn, dat duurzaam uitvoerbaar is en ruimte laat voor nieuwe beleidswensen. Ik heb de commissie gevraagd te komen met oplossingsrichtingen voor hervorming van het stelsel voor ziekte en arbeidsongeschiktheid, zowel binnen het huidige stelsel als meer fundamenteel en afwijkend daarvan. Daarbij dient de commissie in ieder geval oog te houden voor de uitvoerbaarheid, uitlegbaarheid en betaalbaarheid van het stelsel. Ik verwacht in het eerste kwartaal van 2024 een advies van OCTAS. Ik verwacht dat de commissie onder andere zal komen met oplossingsrichtingen die een bijdrage leveren aan het verminderen van de druk op de uitvoering met betrekking tot sociaal-medische beoordelingen.
Heeft de vertraging in de beoordelingen van verzekeringsartsen gevolgen voor de mensen die afhankelijk zijn van een uitkering? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor hen en hoe gaat u hiermee om?
De achterstanden bij UWV maken dat mensen soms lang moeten wachten op een WIA-claimbeoordeling. Dit geeft onzekerheid over het mogelijke recht op een uitkering en daarmee ook over inkomenszekerheid. Ook voor werkgevers leidt de huidige situatie tot onzekerheid. De druk bij UWV is op dit moment hoog. Dat vind ik onwenselijk en het terugdringen van de mismatch heeft dan ook mijn hoogste prioriteit.
Om in de tussentijd de gevolgen en onzekerheid voortkomend uit een lange wachttijd zoveel mogelijk te beperken heb ik verschillende maatregelen getroffen, waaronder:
Naast maatregelen om de onzekerheid tijdens de wachttijd te beperken, heb ik diverse maatregelen getroffen om de achterstanden terug te dringen. Deze set maatregelen leidt er sinds de afgelopen zomer toe dat er een voorzichtige daling van de achterstanden zichtbaar is.
Voor de gehele systematiek van (het kwijtschelden van) voorschotten verwijs ik u naar mijn brief aan de kamer van 6 oktober 2023 («Voortgangsbrief maatregelen sociaal-medisch beoordelen en relevante WIA onderwerpen»).4
Kunt u bevestigen of de volgende uitspraak juist is: «Het gaat nu zelfs zover dat de Minister buitenwettelijke maatregelen heeft moeten nemen, en dat mensen uitkeringen krijgen toegekend zonder dat is beoordeeld of ze hier recht op hebben», en als dat het geval is, bent u zich ervan bewust dat mensen gratis geld ontvangen zonder dat ze worden beoordeeld?
Het klopt dat er tijdelijke buitenwettelijke maatregelen zijn getroffen. Ik heb uw Kamer daar onder meer over geïnformeerd in mijn brieven van 28 augustus 20225, 28 april 20236 en 6 oktober 20237.
Twee buitenwettelijke maatregelen licht ik hierbij toe:
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 3 voor de aanpak van de onderliggende oorzaken van de ontstane achterstanden en de structurele oplossingen die gezocht worden om de mismatch tussen vraag en aanbod van sociaal-medische beoordelingen op te heffen en de achterstanden terug te brengen.
Klopt het dat een groep verzekeringsartsen binnen het UWV dreigt met afsplitsing vanwege de aanhoudende problemen? Wat vindt u van dit signaal en het idee om de verzekeringsartsen te decentraliseren?
De NOVAG – de beroepsvereniging en vakbond van verzekeringsartsen binnen UWV – stelt inderdaad een afsplitsing voor van de medische beoordelingen van het UWV, naar een onafhankelijke medische dienst binnen de overheid. Het feit dat teveel mensen nu te lang moeten wachten op een sociaal-medische beoordeling van het UWV brengt onduidelijkheid en onzekerheid voor werknemers en werkgevers met zich mee. Dat is heel onwenselijk. Daarom heb ik – in overleg met onder meer het UWV, de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde (NVVG) en verzekeringsartsen – de afgelopen jaren verschillende maatregelen getroffen en blijven we in gezamenlijkheid zoeken naar en werken aan nieuwe maatregelen. We zien dat de inzet tot nu toe resultaat begint op te leveren. Er is een voorzichtige kentering zichtbaar in de omvang van de achterstanden, zoals ik meldde in mijn meest recente Kamerbrief8. En met het werken in sociaal medische centra, is de verwachting dat het werken als verzekeringsarts (VA) aantrekkelijker wordt, omdat er binnen dit model veel professionele ruimte is voor de VA.
Tegelijkertijd meldde ik in diezelfde brief ook dat er nog meer nodig is. Daar blijf ik mij samen met UWV voor inzetten. Ik heb de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) in het leven geroepen, die de opdracht heeft te komen met oplossingsrichtingen voor een stelsel dat houdbaar is voor de toekomst. Deze commissie heeft ook specifiek aandacht voor de mismatch met betrekking tot sociaal-medisch beoordelen. Ik verwacht mogelijke oplossingsrichtingen van OCTAS aan het begin van 2024.
Ik begrijp de zorg van de NOVAG over de huidige achterstanden. Hoewel de ingezette maatregelen een voorzichtige daling laten zien, is het ook duidelijk dat er de komende tijd nog méér nodig is. Alle ideeën die kunnen helpen om de mismatch op te lossen zijn welkom en ik vind het belangrijk hierover met elkaar in gesprek te blijven. Op dit moment loopt er een traject om vanuit verschillende perspectieven te zoeken naar aanvullende passende maatregelen en structurele oplossingen. Daarbij is het essentieel dat we bij oplossingsrichtingen denken vanuit het belang van de cliënt, nu en in de toekomst.
Welke maatregelen neemt u op de langere termijn om ervoor te zorgen dat er geen herhaling plaatsvindt van de achterstanden bij de verzekeringsartsen van het UWV?
Zoals ik in mijn antwoord op de derde vraag heb aangegeven zijn de afgelopen periode verschillende maatregelen getroffen om de mismatch terug te dringen. Deze aanpak heeft effect, maar het blijft de komende jaren een grote prioriteit om de mismatch tussen de vraag naar en het aanbod van sociaal-medische beoordelingen verder terug te dringen.
Ik heb, zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vraag 4, de Onafhankelijke Commissie
Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel in het leven geroepen, die de opdracht heeft te komen met oplossingsrichtingen voor een stelsel dat houdbaar is voor de toekomst. Doel daarbij is te komen tot aanpassingen of maatregelen die het stelsel duurzaam uitvoerbaar, uitlegbaar en betaalbaar maken. In het eerste kwartaal van 2024 wordt het advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel verwacht.
Het feit dat het niet noodgevallen nummer van de Brandweer in handen is van een commerciële partij |
|
Michiel van Nispen (SP), Nicole Temmink (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de KPN momenteel eigenaar is van het niet-noodgevallen nummer 0900-0904 van de brandweer?
KPN is geen eigenaar van het nummer 0900-0904. Het nummer 0900-0904 maakt gebruik van een KPN platform en is in beheer bij de Landelijke Meldkamer Samenwerking (LMS).
Waarom is ervoor gekozen om dit nummer van de brandweer in handen te geven van een commerciële partij die uiteraard ook commerciële tarieven vraagt?1
Het nummer 0900-0904 is niet in handen van een commerciële partij, maar in beheer bij de Landelijke Meldkamer Samenwerking (LMS).
Bent u het eens met de stelling dat dit nummer te belangrijk is om over te laten aan een commerciële partij die profiteert van het feit dat mensen dit nummer bellen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het logisch dat er momenteel 3 cent per minuut wordt gevraagd met een starttarief van 9,5 cent plus de reguliere kosten?
Een goed bereikbare politie en brandweer zijn van essentieel belang. Voor het melden van levensbedreigende situaties is het nummer 112 gratis te bereiken. Voor niet-spoedeisende gesprekken worden tarieven gehanteerd door de politie en brandweer. De meldingen die burgers via het algemene nummer 0900-8844 bij politie kunnen doen, zijn in hun aard minder urgent en bovendien divers. Dit geldt ook voor het niet-spoednummer van de brandweer. Hierin kan een rechtvaardiging worden gevonden dat er servicekosten voor het gebruik van deze nummers in rekening worden gebracht bij de burger. Op deze telefoonnummers wordt geen winst gemaakt. Het tarief geldt om de kosten die worden gemaakt voor dienstverlening via dit nummer (deels) te dekken.
Daarnaast vermeld ik graag dat burgers voor laagdrempelig contact met de politie gebruik kunnen maken van meerdere kanalen. Dat wil zeggen dat zij voor niet-spoedeisende zaken naast telefonisch contact ook gratis contact kunnen maken via bijvoorbeeld WhatsApp, Signal of politie.nl – en uiteraard ook fysiek. Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van de gratis telefoonnummers van Meld misdaad Anoniem (0800-7000), de opsporingstiplijn (0800-6070) en Team Criminele Inlichtingen (088-6617734).
Vindt u het rechtvaardig dat er überhaupt kosten in rekening worden gebracht als burgers een melding doen van zaken voor het maatschappelijke nut zoals bijvoorbeeld het melden van schade, natuurlijke wegblokkades, dieren in gevaar en waterlekkage, waarbij niet alleen de brandweer maar ook het niet-noodgevallen nummer van de politieke extra kosten met zich meebrengt?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u reflecteren op het feit dat de Koninklijke Marechaussee in tegenstelling tot de brandweer juist wél een gratis telefoonnummer heeft waarmee mensen dus zonder financiële hordes meldingen kunnen delen?2
Het al dan niet gratis aanbieden van een niet-spoednummer van de Koninklijke Marechaussee is een verantwoordelijkheid van het Ministerie van Defensie. Het gratis aanbieden van dit nummer en de keuze voor dit specifieke nummer vinden hun oorsprong in het gegeven dat in de oprichtingsperiode van het operationeel centrum van de Koninklijke Marechaussee (periode 2013–2015), het nummer 0800-1814 ook herkenbaar en laagdrempelig benaderbaar moest zijn voor niet alleen publiek maar ook (militaire) ketenpartners.
Bent u het eens met de stelling dat het zeer gewenst is dat dit soort telefoonnummers gratis zouden moeten zijn en in handen van de overheid zelf?
Zoals gemeld in het antwoord op vragen 4 en 5, is het noodnummer 112 gratis te bereiken gezien de urgente aard van de meldingen. De meldingen die burgers via het algemene nummer 0900-8844 bij politie kunnen doen, zijn in hun aard minder urgent en bovendien divers. Dit geldt ook voor het niet-spoednummer van de brandweer. Hierin kan een rechtvaardiging worden gevonden dat er servicekosten voor het gebruik van deze nummers in rekening worden gebracht bij de burger.
Bent u bereid zich in te zetten om ervoor te zorgen dat het telefoonnummer op korte termijn gratis zal worden aangeboden en hier ook middelen voor vrij te maken?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u tevens bereid om te kijken of deze nummers niet bij meerdere organisaties van publieke dienstverlening vanuit de overheid gratis kan worden gemaakt zoals bij de politie en de dierenpolitie?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u in kaart brengen hoeveel het structureel zou kosten om de niet-noodgevallen nummers van de brandweer, politie en dierenpolitie gratis te maken?
In het tweeminutendebat politie van 7 december 2022 heb ik naar aanleiding van de motie van Nispen3 met uw Kamer gesproken over het (onderzoeken van) het gratis aanbieden van het niet-spoednummer van de politie. Deze motie is door de Kamer verworpen.
Het gesprek met Klaus Schwab over kunstmatige intelligentie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Zoals gebruikelijk weigert de Minister-President op vragen over het World Economic Forum (WEF) inhoudelijk te antwoorden1; kan de Minister-President uitleggen waarom zoveel geheimzinnigheid wordt betracht over contacten van de Nederlandse overheid (die tot transparantie aan het Nederlandse volk verplicht is) met een buitenlandse private organisatie die zelf een groot voorstander van transparantie beweert te zijn? Zo nee, waarom niet?
De meeste bijeenkomsten tijdens het WEF worden via een live-stream uitgezonden. Daarnaast ben ik transparant over de bedrijven en regeringsleiders die ik spreek, voor zover de belangen van de staat zich daar niet tegen verzetten.
Indien de Minister-President een zwijgplicht heeft ten aanzien van wat hij bespreekt met Klaus Schwab, kan hij dan wellicht Klaus Schwab uit het oogpunt van transparantie en om het vertrouwen in de Nederlandse instituties te herstellen verzoeken om een toelichting dienaangaande te komen geven in een vergadering van de Tweede Kamer? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij om mensen uit te nodigen in de Tweede Kamer, dat is aan de Tweede Kamer zelf.
Waarom namen de Minister van Financiën (mevrouw Kaag), de heer Dusek, de heer Halberstadt (voormalig lid van de Bilderberg-steering committee) en de heer Sijbesma (biotechnoloog, lid van de toezichtsraad van het WEF, klimaatleider van de Wereldbank, met name gericht op CO2-beprijzing, en lid van de externe adviesraad van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), speciaal afgevaardigde van de regering tijdens corona met betrekking tot het testen, en lid van de VN Scaling Up Nutrition Movement Group) deel aan dit gesprek over kunstmatige intelligentie? Gezien hun functies en expertises is dat immers toch niet zo voor de hand liggend? Of wel?
Het gesprek had een informeel karakter en was bedoeld om vrij met elkaar van gedachten te wisselen. De aanwezigen hebben een internationaal profiel en achtergrond en zijn regelmatige bezoekers van het WEF. Het onderwerp AI sluit tevens aan bij de thematiek van de 54e jaarlijkse bijeenkomst van het WEF in januari aanstaande. De bijeenkomst zal dan mede gaan over de kansen die worden geboden door dergelijke nieuwe technologieën.
Betekent de deelname van de bovengenoemde personen dat het onderwerp kunstmatige intelligentie tijdens dit gesprek in verband is gebracht met de voorgenomen implementatie van de One Health filosofie? Zo nee waarom niet?
Tijdens dit gesprek is de One Health filosofie niet aan de orde geweest. Het betrof een informeel gesprek over de kansen en risico’s van het gebruik van Artificial Intelligence (AI).
Of betekent het wellicht dat kunstmatige intelligente in verband is gebracht met de invoering van een Europese Digitale Identiteit? Zo nee waarom niet?
Tijdens dit gesprek is de Europese Digitale Identiteit niet aan de orde geweest. Het betrof een informeel gesprek over de kansen en risico’s van het gebruik van Artificial Intelligence (AI).
Of betekent het dat kunstmatige intelligente in verband is gebracht met de invoering van biometrische identificatie op wereldniveau? Zo nee waarom niet?
Tijdens dit gesprek is biometrische identificatie niet aan de orde geweest. Het betrof een informeel gesprek over de kansen en risico’s van het gebruik van Artificial Intelligence (AI).
Of betekent het misschien dat kunstmatige intelligente in verband is gebracht met de invoering van de Central Bank Digital Currency (CBDC)? Zo nee waarom niet?
Tijdens dit gesprek is CBDC is niet aan de orde geweest. Het betrof een informeel gesprek over de kansen en risico’s van het gebruik van Artificial Intelligence (AI).
Of betekent het tot slotte dat kunstmatige intelligente in verband is gebracht met de controle op online-informatiestromen? Zo nee waarom niet?
Tijdens dit gesprek is niet gesproken over controle op online-informatiestromen. Het betrof een informeel gesprek over de kansen en risico’s van het gebruik van Artificial Intelligence (AI).
Waarom weigeren de Minister-President en zijn regering stelselmatig ruimhartig informatie te delen over wat er inhoudelijk met het WEF en Bilderberg wordt gewisseld terwijl de Minister-President zelf heeft erkend dat de «rode lijnen» worden uitgezet in Davos en Washington?2
Zie de antwoorden op de overige vragen.
Met die uitspraak van 20 januari 2023 erkende de Minister-President toch dat het WEF een belangrijke rol speelt in het uitzetten van de beleidsagenda in Nederland? Zo nee waarom niet? Zo ja, dan heeft het Nederlandse volk er toch recht op te weten wat de Minister-President en andere machtige leden van de wereldelite onderling bedisselen? Zo nee, waarom heeft het Nederlandse volk daar dan geen recht op?
Tijdens de persconferentie na afloop van de ministerraad van 20 januari 2023 sprak ik over onderwerpen die in die week of in de ministerraad aan de orde waren gekomen. In dat kader sprak ik over de term «gemeenschappelijke thema’s». Daarmee bedoelde ik dat een aantal onderwerpen op meerdere momenten in die week de revue waren gepasseerd.
Kan de premier deze vragen afzonderlijk en voor de verandering inhoudelijk (dus zonder een beroep te doen op procedurele uitvluchten) beantwoorden?
Ja.
Kan de Minister-President namens de vragensteller aan zijn ambtenaren laten weten dat de vragensteller zich er bewust van is dat de vaak bijzonder gebrekkige en zelden inhoudelijke beantwoording van Kamervragen door zijn ministerie, waarvan de ronduit onbeschofte beantwoording van Kamervragen over het hijsen van vlaggen voor publieke gebouwen van woensdag jongstleden het meest recente voorbeeld is, vanzelfsprekend uitsluitend, altijd en alleen de verantwoording van de premier is en blijft en dat de vragensteller meeleeft met de ambtenaren die deze nietszeggende antwoorden hebben moeten opschrijven?
Waarvan akte.