De Amerikaanse MATCH Act en de gevolgen daarvan voor ASML |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden ingediende MATCH Act, waarin Republikeinse en Democratische politici voorstellen de exportbeperkingen voor chipfabricage machines naar China verder aan te scherpen?
Ja.
Klopt het dat dit wetsvoorstel beoogt ook voor bedrijven uit bondgenootschappelijke landen, waaronder Nederland en Japan, dezelfde beperkingen te laten gelden als voor Amerikaanse bedrijven?
De MATCH Act is een wetsvoorstel van het Amerikaanse Congres dat zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat wordt geïnitieerd. Het gaat op dit moment om conceptwetgeving, die zowel in het Huis als de Senaat nog de formele processen moet doorlopen. Het gaat bovendien nog om twee eigenstandige teksten in het Huis en de Senaat. De teksten kunnen gedurende de behandeling in zowel het Huis als de Senaat nog worden aangepast.
In de kern stelt de MATCH Act exportcontroles op bepaalde halfgeleiderproductieapparatuur en componenten via diplomatie multilateraal te «harmoniseren». De tekst richt zich daarbij op Amerikaanse bondgenoten en partners. De conceptwetteksten specificeren niet om welke landen het gaat en richten zich op alle partnerlanden die belangrijke («chokepoint») halfgeleiderproductietechnologie maken.
Het Nederlandse bedrijfsleven heeft een positie in halfgeleiderproductieapparatuur, samen met bedrijven uit onder andere Verenigde Staten, Japan, Zuid-Korea, Duitsland en andere Europese landen. In het wetsvoorstel wordt de Amerikaanse regering opgedragen om in coördinatie met bondgenoten en partners tot meer restrictief beleid te komen, met landen-specifieke exportcontroles met als uitgangspunt dat alle aanvragen worden afgewezen («country-wide controls with presumption of denial»). Dit zou moeten gelden voor China, Rusland, Iran, Noord-Korea en andere landen die door het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken als «land van zorg» worden gezien.
De huidige versie van de MATCH Act omvat ook voorstellen omtrent service- en onderhoudsdiensten voor geavanceerde halfgeleiderapparatuur. Dit zou kunnen betekenen dat voor onderhoud van dergelijke apparatuur bij bepaalde eindgebruikers een vergunning vereist wordt. Dit voorstel van het VS-congres kan ertoe leiden dat bedrijven, ook voor reeds geleverde machines, geen onderhoud of ondersteuning meer mogen verrichten zonder vergunning, en stelt dat bij de vergunningbehandeling het uitgangspunt zou moeten gelden dat deze niet worden verleend («presumption of denial»). De uiteindelijke impact hangt af van de nadere uitwerking in uitvoeringsregelgeving en eventuele uitzonderingen.
Het initiatief voorziet erin dat, als bondgenoten en partners binnen de vastgestelde periodes niet tot geharmoniseerde controles komen, de Verenigde Staten via Amerikaanse wetgeving extraterritoriaal beperkingen kunnen op leggen op export uit deze landen. Het kabinet kijkt daarom met zorg naar de MATCH Act.
Het is aan de leden van het Amerikaanse Congres om hun eigen standpunt over deze conceptwetgeving te bepalen. Gezien de mogelijke impact van de MATCH Act op Nederland bij aanname in huidige vorm, heeft Nederland zijn bezwaren, in het bijzonder over de extraterritorialiteit, zowel bij leden van het Amerikaanse Congres als bij de Amerikaanse regering neergelegd (zie ook vraag 6).
Klopt het dat de MATCH Act er in de praktijk toe kan leiden dat ASML geen immersie-DUV-lithografiemachines meer aan China mag verkopen en evenmin onderhoud of service mag verrichten aan reeds geleverde machines, onder meer aan bedrijven als SMIC, Hua Hong, Huawei, CXMT en YMTC?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een verbod op onderhoud en service van reeds verkochte machines feitelijk kan neerkomen op gedwongen contractbreuk en daarmee grote juridische en economische risico’s voor ASML met zich mee kan brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van dit wetsvoorstel voor ASML, de Nederlandse toeleveringsketen en de werkgelegenheid, mede in het licht van het gegeven dat China in 2025 goed was voor 33 procent van de omzet van ASML en ASML zelf aangaf dat dit aandeel in 2026 naar circa 20 procent zou dalen?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die uitgaat van het Amerikaanse voorstel. Elk land is verantwoordelijk voor zijn eigen exportcontrolewetgeving.
Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten.
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat de Verenigde Staten via eigen wetgeving feitelijk verdere beperkingen opleggen aan de exportmogelijkheden en dienstverlening van een Nederlands bedrijf?
Het kabinet hecht aan goede samenwerking met partners. Nederland heeft als uitgangspunt dat ieder land verantwoordelijk is voor zijn eigen wetgeving en is dus geen voorstander van extraterritoriale wetgeving. Dat maken we altijd duidelijk in onze diplomatieke contacten met andere landen, zo ook met de Verenigde Staten.
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen voor ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik.
De EU Dual Use Verordening is het leidende juridische kader voor Nederland. Daaruit vloeit voort dat het Europese en Nederlandse exportcontrolebeleid landenneutraal is, elke vergunningaanvraag op zijn eigen merites («case-by-case») wordt beoordeeld en exportcontrole geen exportverbod is. Internationaal overleg over exportcontrole is de standaard en de inzet van Nederland is om met zoveel mogelijk landen tot overeenstemming te komen. Uiteindelijk gaat elk land zelf over de exportcontrolemaatregelen die nodig zijn om zijn nationale veiligheid te beschermen. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Is het kabinet hierover reeds in gesprek met de Verenigde Staten, Japan, Taiwan, Zuid-Korea en de Europese Commissie, en wat is daarbij concreet de Nederlandse inzet?
Nederland staat in het kader van exportcontrole continu en op alle niveaus in contact met andere technologiehoudende landen, bilateraal alsook via de multilaterale exportcontroleregimes zoals het Wassenaar Arrangement. De MATCH Act is daar onderdeel van, gezien de nauwe verwevenheid van de internationale halfgeleidersector en de potentiële scope van de MATCH Act. Wegens de diplomatieke vertrouwelijkheid kan het kabinet niet in detail treden over de inhoud deze gesprekken.
Kunt u aangeven wat de verwachte verdere behandeling van de MATCH Act in de Verenigde Staten is, zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat, en op welke termijn hierover meer duidelijkheid wordt verwacht?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de concept wettekst nadrukkelijk onder de aandacht te brengen op alle niveaus.
Het artikel ‘Besteding van innovatiegeld moet doelmatiger’ |
|
Judith Buhler (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Besteding van innovatiegeld moet doelmatiger»1 en de onderliggende analyse van Innovatiespotter in het artikel «Whitepaper Regionale groeimatrix»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat met name kleine innovatieve ondernemers relatief weinig gebruik maken van het beschikbare ondersteuningsinstrumentarium? Zo ja, wat zijn volgens u de belangrijkste oorzaken hiervan op basis van de signalen die bij het ministerie zelf binnenkomen?
Nee, voor zover het mijn eigen instrumentarium betreft herken ik dat beeld niet. Uit de periodieke rapportage die ik recent naar uw Kamer heb gestuurd,3 blijkt dat het grootste deel van het EZK innovatie- en ondernemerschapsinstrumentarium doeltreffend is, waarbij doelgroepbereik is meegewogen. Voor zover het financiële ondersteuning betreft (subsidies en dergelijke) is de uitputting van de daarvoor beschikbare middelen op mijn begroting voor de meeste regelingen goed, in het bijzonder voor regelingen die (in belangrijke mate) gericht zijn op het innovatieve mkb. Hiermee kunnen dus niet meer, maar hooguit andere ondernemers bereikt worden.
Ik heb geen beeld van het doelgroepbereik van het regionale ondersteuningsinstrumentarium, wat de meerderheid is van alle ondersteuning. Daar zit ook veel instrumentarium bij dat geen financiële ondersteuning aan bedrijven biedt. Daarbij merk ik op dat onduidelijk is in hoeverre de groep innovatieve bedrijven die Innovatiespotter heeft geïdentificeerd ook doelgroep is van het beschikbare ondersteuningsinstrumentarium. Het doel van het instrumentarium is niet om zoveel mogelijk bedrijven te bereiken, maar om die bedrijven te bereiken die een knelpunt hebben waar een maatschappelijk belang is om dat op te lossen. Niet iedere innovatieve ondernemer heeft ook behoefte aan ondersteuning vanuit de overheid.
Het voorgaande wil niet zeggen dat ik het doelgroepbereik niet verder tracht te verbeteren. Ik verwijs daarbij naar het antwoord op vraag 4 en 5 hierna.
Deelt u de conclusie dat dit problematisch is en om verbetering vraagt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u voornemens om de toegankelijkheid en de vindbaarheid van het ondersteuningsinstrumentarium te verbeteren en zo ja, wat is hierop uw inzet?
Ja, ik vind het van groot belang dat een zo groot mogelijk deel van de doelgroep van ondersteuningsinstrumentarium bereikt wordt. Daarbij zijn er verschillende acties vanuit publieke dienstverleners, zowel individueel als gezamenlijk, al dan niet ook samen met private dienstverleners.
Om publieke dienstverleners beter met elkaar en private ondersteuners samen te laten werken ten behoeve van de ondersteuning van ondernemers bestaat de Actieagenda mkb-dienstverlening. Dit programma richt zich op een vernieuwde samenwerking tussen bestuurslagen en private partijen binnen het stelsel van ondernemersdienstverlening voor het brede mkb. Binnen de Actieagenda wordt geëxperimenteerd met regionale, laagdrempelige ondersteuning dicht bij de ondernemer, via vertrouwde adviseurs en met meer praktische oplossingen, kennisdeling en inspiratie van andere ondernemers.
Daarnaast wordt ook gewerkt aan het beter regionaal te ontsluiten van informatie en advies waaronder over subsidieregelingen voor het brede mkb. Binnen het project Programma Generieke Digitale Infrastructuur – bouwsteen AI4 wordt een AI-infrastructuur met een datalaag, interface en ai-kennislaag opgezet waarmee ondernemers eenvoudig inzicht krijgen in voor hen relevante landelijke, provinciale en regionale informatie, advies en (al dan niet financiële) regelingen. Een eerste prototype wordt dit jaar verwacht. Daarbij wordt ingezet op een interface die regionaal kan worden ingezet, want uit onderzoek van KVK blijkt dat bijvoorbeeld voor digitalisering mkb-ers niet zoeken op overheidswebsites, maar eerder informatie halen bij collega ondernemers of brancheverenigingen. Er wordt dus ingezet om de informatie dáár juist ook te ontsluiten in plaats van in te zetten op één overheidswebsite. Een aanvullend onderzoek acht ik daarom niet noodzakelijk.
Dienstverleners werken ook nauw samen binnen het Ondernemersplein om versnippering van dienstverlening tegen te gaan. Op het Ondernemersplein kunnen ondernemers alle informatie en advies van de overheid voor ondernemers vinden. Hier is centraal de informatie beschikbaar van de KvK, Belastingdienst, RVO, CBS en andere overheidsorganisaties.
Naast deze gezamenlijke initiatieven van dienstverleners om het stelsel van ondernemersdienstverlening te verbeteren, werken individuele dienstverleners ook aan het verbeteren van de toegankelijkheid en de vindbaarheid van het ondersteuningsinstrumentarium. Zo maakt RVO zijn aanbod beschikbaar via de Open Data-website en werkt intern aan optimalisatie, zodat regionale en landelijke partijen het makkelijker kunnen integreren in hun platforms. Dit traject helpt om dubbelingen en tegenstrijdigheden te signaleren, waarna RVO actie onderneemt om de toegankelijkheid en vindbaarheid te verbeteren, in samenwerking met andere dienstverleners. Tevens stelt de KvK voor mkb ondernemers de financieringsgids beschikbaar om ondernemers beter te helpen in het vinden van passende financiering en werken de ROM’s binnen de strategie Bovenregionale Samenwerking aan betere aansluiting over de regio-grenzen heen.
Bent u daarbij bereid te onderzoeken of relevante regelingen en subsidies van het Rijk, regionale overheden en de Europese Unie (EU) beter centraal kunnen worden ontsloten, bijvoorbeeld via één overzichtelijk platform, om versnippering tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze wordt bij het ontwikkelen van regelingen en subsidies, en bij de communicatie daarover, rekening gehouden met de specifieke noden en behoeften van kleinere ondernemingen en wordt er ook gekeken of een maatregel inderdaad echt aanvullend is aan wat er al is?
Zoals in het antwoord op vragen 2 en 3 aangegeven is het doel van ondersteunende maatregelen om in te spelen op knelpunten van ondernemers waarbij er een maatschappelijke meerwaarde is om daar als overheid wat aan te doen. Daarbij streef ik naar de juiste balans tussen zo min mogelijk instrumentarium om het aantal regelingen en subsidies overzichtelijk te houden en gelijktijdig zo goed mogelijk in te spelen op de verschillende knelpunten van verschillende ondernemers. Als kleinere ondernemingen specifieke knelpunten hebben, dan wordt daar op ingespeeld, maar te veel maatwerk voor specifieke doelgroepen met vergelijkbare problematiek leidt tot versnippering, minder overzicht en hogere uitvoeringslasten. Qua communicatie wordt altijd een communicatiestrategie bepaald waarmee de doelgroep zo goed mogelijk bereikt wordt.
In hoeverre worden complexiteit en regeldruk voor aanvragers meegenomen in het ontwerp en de evaluatie van dergelijke regelingen?
Bij het ontwerpen van regelingen wordt scherp gekeken hoe deze zo eenvoudig mogelijk vormgegeven kunnen worden, zowel qua administratieve lasten voor ondernemers als qua uitvoeringslast voor de betreffende uitvoeringsorganisatie. Gelijktijdig moeten regelingen doeltreffend en doelmatig zijn, wat met zich meebrengt dat ik aan uw Kamer kan verantwoorden dat daarmee gemoeide middelen een goede en efficiënte besteding van belastinggeld zijn. Dat brengt enige verantwoordingslast voor ondernemers met zich mee, passend bij de omvang van subsidie die een ondernemer ontvangt. Hier zijn regels voor vastgelegd in het Uniform Subsidiekader.5
Onderdeel van evaluaties is onderzoek naar de doelmatigheid. Onderdeel daarvan is onderzoek naar in hoeverre de administratieve lasten en uitvoeringskosten van een regeling in verhouding staan tot de daarmee gemoeide beleidsmiddelen. Een negatief oordeel daarover is altijd aanleiding om de vormgeving van de regeling daarop aan te passen.
Hoe beoordeelt u het feit dat veel bedrijven zich genoodzaakt zien subsidieadviesbureaus in te huren bij het aanvragen van innovatiegelden?
Dat veel bedrijven gebruik maken van een subsidieadviesbureau is wat mij betreft niet per definitie negatief. De redenen waarom ondernemers een beroep doen op subsidieadviesbureaus of intermediairs is divers en bedrijven maken daarin hun eigen afweging. In de laatste evaluatie van de WBSO is onderzoek gedaan naar de beweegredenen om gebruik te maken van een intermediair. Daaruit blijkt dat andere redenen dan onbekendheid met de regelingen dominant zijn om gebruik te maken van een intermediair. Intermediairs hebben een belangrijke rol in het vergroten van het doelgroepbereik en kunnen ondernemers veel werk uit handen nemen. Dat neemt niet weg dat er bedrijven zijn die gebruik maken van subsidieadviesbureaus, omdat ze geen goed beeld hebben van de subsidiemogelijkheden. Om ondernemers daarbij te helpen lopen er dus verschillende acties zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 en 5.
Uit de WBSO-evaluatie bleek dat 80 procent van de WBSO-aanvragers gebruik te maken van een intermediair, maar bij andere regelingen voor het innovatieve mkb zoals het Innovatiekrediet en de regeling Mkb-innovatiestimulering Topsectoren (MIT) wordt 15 à 30 procent van de aanvragen ingediend met behulp van een intermediair. Bij de overige aanvragen kunnen intermediairs soms ook een rol spelen, maar daar is geen zicht op omdat de ondernemer de aanvraag vervolgens wel zelfstandig indient.
Heeft u inzicht in de vraag welk aandeel van de subsidieaanvragen (bijvoorbeeld binnen de innovatie-instrumenten) tot stand komt met ondersteuning van subsidieadviesbureaus?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU), Mona Keijzer |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van dit bericht.
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Bij de invulling van de open normen in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) speelt de medisch-professionele normering een belangrijke rol. Het is aan de beroepsgroep om te bepalen of de geldende medisch-professionele normering aanpassing behoeft.
De professionele standaard voor euthanasie bij psychisch lijden zoals neergelegd in de richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis (2018) van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) wordt momenteel herzien. Gezien de zorgen die er in de samenleving en onder een deel van de beroepsgroep zijn (en die door de beroepsgroep herkend worden), heeft de NVvP een brede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactieve dialoogsessies over euthanasie op psychische grondslag bij jongeren om verdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening. De opbrengst van deze dialoogsessies wordt benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel. Het kabinet ziet het essay «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» als onderdeel van de discussie in de beroepsgroep over de aanpassing van de medisch-professionele normering. Het is niet aan het kabinet om hier inhoudelijk op te reageren. Het kabinet wacht de uitkomsten van de richtlijnherziening met belangstelling af.
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet is bekend met de desbetreffende aangenomen motie en de reactie van het vorige kabinet hierop, zoals verwoord in de brief aan de Kamer van 9 oktober 2025.3 Het essay vormt voor het kabinet geen aanleiding om het oordeel over een dergelijk noodventiel te heroverwegen.
In het essay wordt niet gepleit voor een categorale afwijzing van euthanasie op grond van psychisch lijden bij jongeren en een ingrijpen op de professionele autonomie van de arts. In plaats daarvan wordt de «nu niet»-benadering geadviseerd als een basishouding (vanuit de beroepsgroep) van terughoudendheid en temporisering ten aanzien van euthanasieverzoeken van jonge mensen tot de jongvolwassenheid (ongeveer 25 jaar). Hierbij dient individueel bepaald te worden hoe lang de «nu-niet»-benadering wordt gehanteerd.4
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Ja, het kabinet is bekend met de desbetreffende motie, die destijds is verworpen. De motie Boomsma c.s. verzocht de regering om met de beroepsgroep tot een moratorium te komen van drie jaar op euthanasie bij jonge mensen tot 30 jaar die psychisch lijden, totdat meer duidelijkheid is over de zorgvuldigheidscriteria voor euthanasie bij deze groep. De toenmalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport heeft deze motie destijds ontraden en benoemd als zeer onwenselijk en niet nodig. Het kabinet onderschrijft deze appreciatie nog steeds. Een moratorium is onwenselijk omdat het een open gesprek over de doodswens van mensen tot 30 jaar in de weg staat, terwijl juist door een open gesprek over de doodswens weer perspectief op het leven kan ontstaan. Ook is een moratorium niet in lijn met het wettelijk stelsel aangezien het aan de uitvoerend arts is om te bepalen of hij een euthanasieverzoek inwilligt. Een moratorium is ook niet nodig, omdat uit de vier evaluaties van de Wtl, de toetsingspraktijk van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) en het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie (OM) blijkt dat de Wtl goed functioneert en dat er in Nederland sprake is van een zorgvuldige euthanasiepraktijk. Bij euthanasieverzoeken op basis van psychisch lijden is bovendien extra behoedzaamheid vereist. Hierover is consensus binnen de beroepsgroep en dit staat ook in de huidige NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis. In deze richtlijn wordt verder geadviseerd grotere terughoudendheid te betrachten naarmate de patiënt jonger is.
Een moratorium zou een (tijdelijke) stop op euthanasie betekenen bij jonge mensen tot 30 jaar die psychisch lijden. Dat is niet waar in het essay voor wordt gepleit. In de door de auteurs voorgestelde «nu niet»-benadering wordt namelijk niet gepleit voor een categorale afwijzing van euthanasie op grond van psychisch lijden bij jongeren. Gedurende de «nu niet»-fase dient de doodswens verder expliciet als reële optie bespreekbaar te blijven, en er moet ook openlijk over de dood zelf gesproken kunnen worden. De auteurs geven aan dat de uitkomst van zo’n voortdurende en zorgvuldig gevoerde dialoog uiteindelijk kan zijn dat behandelaren, samen met de jongere en diens naastbetrokkenen, tot het moreel beladen inzicht komen dat euthanasie daadwerkelijk het ultimum remedium vormt. Zij adviseren in dit geval om een moreel beraad te organiseren om nog eens systematisch en met aandacht voor de normatieve dimensie te reflecteren op de situatie, en gezamenlijk te komen tot een zorgvuldig onderbouwd besluit om al dan niet een euthanasietraject te starten.
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Wetenschappelijk is niet aangetoond dat terughoudendheid bij het inwilligen van een euthanasieverzoek verband houdt met suïcide. Suïcide is (bijna) altijd het gevolg van een stapeling van factoren en (complexe) problematiek. De manier waarop hulpverleners reageren op een geuite doodswens kan één van die factoren zijn, maar dat hoeft niet. Op dit moment wordt door 113 Zelfmoordpreventie en Expertisecentrum Euthanasie het SUNSET-onderzoek uitgevoerd. Hierin wordt onder andere onderzocht hoe suïcidaliteit en euthanasiewensen met elkaar samenhangen, hoe door hulpverleners op een doodswens wordt gereageerd, en of/hoe dit invloed heeft op de doodswens. De eerste resultaten van het SUNSET-onderzoek worden in 2027 verwacht. Er zijn meerdere bewezen effectieve strategieën die een hulpverlener in de spreekkamer kan toepassen wanneer iemand een doodswens uit, waaronder het gesprek over de doodswens aangaan, aandachtig luisteren, aandacht houden voor hoop, en het betrekken van naasten. Dit alles kan worden gedaan met een basishouding van grote terughoudendheid met betrekking tot het inwilligen van een euthanasieverzoek.
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Uit het essay volgt volgens het kabinet inderdaad niet dat de «nu niet»-benadering betekent dat psychiaters niets hoeven te doen. Het essay beoogt juist praktische handvatten aan te reiken voor psychiaters hoe zij kunnen handelen bij een euthanasieverzoek van een jongere op grond van psychisch lijden. Zoals in antwoord op vraag 3 is aangegeven, adviseren de auteurs van het essay de «nu niet»-benadering als een basishouding (vanuit de beroepsgroep) van terughoudendheid en temporisering ten aanzien van euthanasieverzoeken van jonge mensen tot de jongvolwassenheid (ongeveer 25 jaar) waarbij euthanasie als optie bespreekbaar blijft.
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Het kabinet onderschrijft dat het belangrijk is dat jongeren en hun naasten altijd goede zorg en begeleiding krijgen, die aansluiten bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet herkent de elementen die de auteurs aanhalen en het belang van een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen.
De opgave op het gebied van mentale gezondheid en ggz vraagt om meer samenhang en meer samenwerking. Het kabinet zet daarbij in op preventie, (laagdrempelige) ondersteuning en passende zorg. Zowel het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) als het IBO mentale gezondheid en ggz6 hebben daar aandacht voor.
Aanvullend richt de «Versterkingsagenda mentale gezondheid en ggz»7 zich op aanvullende acties die binnen het bestaande stelsel snel(ler) uit te voeren zijn. Een onderdeel hiervan is het (beter) bespreekbaar maken van mentale gezondheid onder jongeren door onder meer (waar mogelijk) opvolging te geven aan de aanbevelingen vanuit het rapport van Praatpower, dat eind vorig jaar is opgeleverd. Langs de lijn van Praatpower gingen ruim 3.000 jongeren en jongvolwassenen in gesprek over wat hen helpt om mentaal gezond op te groeien en te blijven. Het rapport biedt diverse aanbevelingen voor verschillende doelgroepen en thema’s. Zo bevat het rapport ook aanbevelingen rondom het thema prestatiedruk. Op dit moment onderzoekt het kabinet of en hoe we de aanbevelingen op kunnen pakken en/of breder kunnen verspreiden. De inzet vanuit de Versterkingsagenda richt zich daarnaast op het ondersteunen van gemeenten bij het opzetten en toegankelijker maken van laagdrempelige inloopmogelijkheden voor jongeren, betere ondersteuning van mensen die op een wachtlijst staan met bestaande initiatieven voor wachttijdondersteuning en verbetering van de continuïteit van zorg voor jeugdigen door initiatieven die sturen op een soepele overgang van jeugdhulp naar volwassen ggz zonder onderbreking.
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Zoals aangegeven in de brief aan de Kamer van 11 maart 2026, vindt er momenteel een herziening plaats van specifieke modules van de NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis, te weten de modules 4.1 – Second opinion door onafhankelijke psychiater, 5.1 – Beoordeling door onafhankelijk consulent en 7 – Specifieke patiëntgroepen levensbeëindiging. Bij deze laatste module wordt specifiek ingegaan op jongeren. Zoals in antwoord op vraag 2 is aangegeven, heeft de NVvP, gezien de zorgen die er in de samenleving en onder een deel van de beroepsgroep zijn (en die door de beroepsgroep herkend worden), een brede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactieve dialoogsessies over euthanasie op psychische grondslag bij jongeren om verdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening. De opbrengst van deze dialoogsessies wordt, naast de gebruikelijke input voor het modulaire onderhoud, benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel. Het streven is de herziening van module 7 eind 2026 af te ronden en begin 2027 te autoriseren/goed te keuren.8
Bij de samenstelling van de werkgroep die de richtlijnherziening begeleidt is er expliciet rekening mee gehouden dat de verschillende standpunten in het veld vertegenwoordigd worden. De herziene richtlijn vertegenwoordigt daarmee straks de huidige medische inzichten en is daarmee geen weergave van een minderheidsstandpunt.
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Nee, dit klopt niet.
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen2 van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan.
De Schijf van Vijf combineert al langer gezondheid, duurzaamheid en veiligheid. De afgelopen jaren zijn er steeds meer wetenschappelijke data over duurzaamheid en veiligheidsaspecten beschikbaar gekomen. Dit maakte het mogelijk voor het Voedingscentrum om duurzaamheid en voedselveiligheid geïntegreerd mee te nemen in de aanpassingen van de meest recente Schijf van Vijf.
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Het kabinet hecht aan individuele keuzevrijheid: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding.
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Nee, de vernieuwde Schijf van Vijf is net als voorheen een goede houvast om gezond te eten. De adviezen van het Voedingscentrum voldoen aan de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en leveren alle voedingsstoffen en energie die nodig zijn voor een gezond voedingspatroon.
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan. De Wereldgezondheidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) adviseren landen gezondheid en duurzaamheid samen te bekijken in de voedingsrichtlijnen, met als duidelijke afspraak dat dit nooit ten koste mag gaan van gezondheid.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?
Mensen zijn vrij om zelf te kiezen wat zij op hun bord willen hebben. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het Voedingscentrum biedt, voor wie dit wil, praktische tips hoe je stapsgewijs meer volgens de Schijf van Vijf kan eten. Het kabinet zet zich in om de gezonde keuze makkelijker maken. Maar nogmaals, de keuze is aan mensen zelf.
Erkent u dat de Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden, Francesca Albanese, het mikpunt is van een aanhoudende lastercampagne van pro-Israëlische lobbyisten?1 Zo ja, veroordeelt u deze lastercampagne? Zo nee, waar baseert u dit op?
Zoals aangegeven in beantwoording van eerdere Kamervragen is het kabinet bekend met de in de artikelen genoemde vermeende uitspraak van mevrouw Albanese.2 Het blijkt dat zij deze uitspraak zo niet heeft gedaan. Het is voor het kabinet niet mogelijk te beoordelen of het hier een bewuste poging tot misleiding – en daarmee een eventuele lastercampagne – betrof. Evenwel is het kabinet kritisch op de gedane uitspraken en roept het de Speciaal Rapporteur op om af te zien van polariserende uitspraken in het publieke domein.
Erkent u dat dat de pro-Israëlische lobbygroep UN Watch desinformatie als wapen heeft gebruikt tegen deze onafhankelijke VN-mensenrechtenrapporteur?2 Zo nee, wat was het wel en waar baseert u dit oordeel op?
Zoals gesteld in antwoord op vraag 1 bleek dat mevrouw Albanese de betreffende uitspraak niet zo heeft gedaan. Het is voor het kabinet niet mogelijk te beoordelen of het hier een bewuste poging tot misleiding betrof.
Wat vindt u ervan dat de Franse Minister van Buitenlandse Zaken, Jean-Noël Barrot, naar aanleiding van deze desinformatie Albanese opriep om af te treden, en dat Oostenrijkse, Tsjechische, Duitse en Italiaanse Ministers daarop soortgelijke uitspraken deden?3
Het is aan deze landen zelf om te bepalen hoe zij de uitspraken van mevrouw Albanese beoordelen.
Erkent u dat Francesca Albanese als Speciaal VN-mensenrechtenrapporteur voor de Palestijnse gebieden een onafhankelijke positie heeft en werkt in opdracht van de VN-mensenrechtenraad? Zo nee, waarom niet?
Ja. VN Speciaal Rapporteurs zijn onafhankelijke deskundigen die opereren op basis van een mandaat van de VN-mensenrechtenraad. Speciaal Rapporteurs werken onbezoldigd maar krijgen ondersteuning van het kantoor van de Hoge Commissaris (OHCHR). Speciaal Rapporteurs spreken niet namens de VN als organisatie. Zij dienen zich wel te houden aan de VN-gedragscode.
Deelt u de opvatting van meer dan 150 (oud-) politici en diplomaten dat het legitimeren van deze desinformatiecampagne tegen Albanese het instituut van de Verenigde Naties ondermijnt en dat het essentieel is om de legitimiteit van internationale instituties te beschermen om ervoor te zorgen dat het internationaal recht kan functioneren?4 Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Onderschrijft u de oproep van deze 150 (oud-) diplomaten en politici dat de valse beschuldigingen aan het adres van de speciaal VN-rapporteur voor de Palestijnse gebieden moeten worden gecorrigeerd? Zo ja, waarom heeft u zich nog niet uitgesproken tegen het gebruik van desinformatie als wapen tegen deze onafhankelijke VN-mensenrechtenrapporteur? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de opvatting dat de eerdere weigering van het toenmalige Nederlandse kabinet in februari 2025 om Albanese te ontmoeten een ondermijning is van het VN-instituut en een gevaar vormt voor de legitimiteit van Nederland binnen de VN en binnen de internationale rechtsorde? Zo nee, waarom niet?
Voor alle VN Speciaal Rapporteurs hanteert Nederland – net als de overgrote meerderheid van VN-lidstaten – een zogenaamd «standing invitation» beleid. Dit betekent dat alle Speciaal Rapporteurs altijd welkom zijn om Nederland te bezoeken. De afweging om al dan niet op politiek of op hoog ambtelijk niveau in gesprek te gaan met een Speciaal Rapporteur wordt van geval tot geval bekeken. Mevrouw Albanese heeft het kabinet geïnformeerd voorafgaand aan haar meest recente bezoek aan Nederland op 23 en 24 maart 2026. Hierbij heeft zij niet verzocht om een onderhoud met een lid van het kabinet.
Heeft het nieuwe kabinet, dat onder uw leiding staat, VN-rapporteur Albanese uitgenodigd voor een officieel bezoek om de schade te herstellen?
Zie antwoord vraag 7.
Onderschrijft u het oordeel van het VN-coördinatiecomité dd. 28 maart 2025, en in de notulen van de bijeenkomst van het dagelijks bestuur van de Mensenrechtenraad, dd. 1 april 2025, dat er geen schending van de gedragscode is vastgesteld? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft geen reden om van deze vaststelling af te wijken.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken voor het respecteren van het mandaat van Francesca Albanese als Speciaal VN-rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse gebieden en zo bij te dragen aan het bevorderen van het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt zich binnen de VN met regelmaat uit voor het belang van het werk en de onafhankelijkheid van alle VN-Speciaal Rapporteurs, waaronder ook het mandaat van de «Special Rapporteur on the situation of human rights in the Palestinian territory occupied since 1967». Dit VN-mandaat bestaat als sinds 1993 en Nederland heeft dit mandaat altijd ondersteund.
Bent u bereid Francesca Albanese uit te nodigen voor een bezoek en steun over te brengen, om op deze wijze te laten zien dat Nederland pal staat voor het internationaal recht en voor het mandaat van de Speciaal VN-mensenrechtenrapporteur van de Palestijnse gebieden? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7 en 8.
Bent u bereid om Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië, Duitsland en Italië op te roepen zich alsnog publiekelijk te verontschuldigen, hun oproepen tot het aftreden van Francesca Albanese te corrigeren en het gevaar van desinformatie te erkennen?
Het is aan deze landen zelf om te bepalen hoe zij de vermeende uitspraken van mevrouw Albanese beoordelen.
Bent u bereid deze landen ook op te roepen zich, in plaats van het luidkeels naroepen van desinformatie, luid en duidelijk uit te spreken tegen de Israëlische regering die zich schuldig maakt aan genocide, illegale bezetting en apartheid en om maximale sancties daartegen in te stellen? En bent u bereid om als Nederlands kabinet hetzelfde te doen? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 12. Het kabinet zet in op een combinatie van druk en dialoog om de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden te verbeteren, zowel bilateraal als in breder verband.
Wat gaat uw kabinet doen om (de verspreiding van) dit soort schadelijke desinformatie met betrekking tot de Palestijnse gebieden te voorkomen, dan wel zo snel mogelijk de kop in te drukken of te ontzenuwen wanneer dit wordt ingezet door pro-Israëlische lobbygroepen zoals UN-Watch en/of wordt rondgepompt door bepaalde media? Mogen we van uw kabinet een pro-actieve houding verwachten op dit punt? Zo ja, hoe gaat die pro-actieve houding eruitzien? Zo nee, waarom denkt u dat een pro-actieve houding ten aanzien van het bestrijden van schadelijke desinformatie ten aanzien van de (VN-rapporteur voor de) Palestijnse gebieden niet nodig is voor het bevorderen van de internationale rechtsorde en de mensenrechten, gezien uw kabinet in het coalitieakkoord dit beloofde te gaan doen en wat bovendien uw grondwettelijke plicht is?
Het is niet primair de taak van de overheid om berichten te fact checken en te ontkrachten. Dat is een taak voor onder andere onafhankelijke media en organisaties uit het maatschappelijk middenveld. Het kabinet acht het van belang dat deze organisaties hun werk adequaat kunnen doen. Daarom steunt het kabinet bijvoorbeeld het fact-check-netwerk BENEDMO. Ook gaat de Europese Commissie onder het European Democracy Shield 5 miljoen euro aan subsidies verlenen aan onafhankelijke fact checking. Ook het Mensenrechtenfonds wordt onder meer ingezet voor de steun aan het maatschappelijk middenveld en onafhankelijke media.
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Verschillende Europese lidstaten hebben wetsvoorstellen aangekondigd om een minimumleeftijd in te stellen voor sociale media. Lidstaten hebben de bevoegdheid om een minimumleeftijd voor te schrijven voor toegang tot bepaalde producten of online diensten, met inbegrip van sociale mediadiensten.
In het coalitieakkoord is het voornemen geuit voor een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. Een minimumleeftijd op Europees niveau heeft mijn voorkeur, omdat sociale mediabedrijven grensoverschrijdend opereren. Het is daarom efficiënter om te kiezen voor een gezamenlijke oplossing en uniforme Europese regels, omdat dit versnippering tussen lidstaten voorkomt.
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Nederland heeft tijdens de Informele Telecomraad van 29 en 30 april 2026 het belang uitgedragen van een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. De Kamer zal hier op korte termijn via een verslag nader over worden geïnformeerd.
Daarnaast ga ik de komende periode mogelijkheden voor samenwerking verder verkennen door met verschillende lidstaten in gesprek te gaan. Ik heb onder meer een bijeenkomst op initiatief van Frankrijk bijgewoond, waar ik met andere Europese leiders en de Europese Commissie sprak over een Europese minimumleeftijd voor sociale media.
Tot slot voert de Universiteit van Amsterdam (UvA) momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Ik zal de resultaten van dit onderzoek uiterlijk voor het zomerreces publiceren.
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Het is belangrijk om tot een gezamenlijke Europese aanpak te komen, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vragen 2 en 3.
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, zal ik met verschillende lidstaten in gesprek gaan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor samenwerking. Na deze gesprekken en de resultaten van het onderzoek van de UvA zal ik nagaan wat de meest geschikte vorm van samenwerking is.
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voert de UvA momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Daarbij wordt uiteraard ook ingegaan op de relatie tot de DSA als hoeksteen van het Europese platformrecht. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen bij de uitvoering van het coalitieakkoord.
Voor wat betreft de technische handhaafbaarheid, geldt dat online leeftijdsverificatie een belangrijk instrument kan zijn, mits fundamentele rechten en grondrechten zoals privacy, gegevensbescherming, non-discriminatie en digitale toegankelijkheid worden gewaarborgd. De toepassing moet proportioneel zijn en steeds per context worden afgewogen; er is geen one size fits all-oplossing. Om de ontwikkeling van privacyvriendelijke leeftijdsverificatie te ondersteunen, heeft de Europese Commissie een blauwdruk voor een Europese white-label leeftijdsverificatie-app gepubliceerd. Het kabinet verkent momenteel of de EU-blauwdruk app in Nederland geïmplementeerd kan worden of dat er ook andere mogelijkheden zijn voor implementatie van leeftijdsverificatie.
De arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw antwoorden van 16 maart 2026 over de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland?1
Ja.
Kunt u het door u aangehaalde rapport van de Nederlands Arbeidsinspectie (NLA) over de laatste inspectie bij Walibi Holland met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van haar laatste bezoek aan het bedrijf geen rapport opgemaakt, omdat toen geen overtredingen zijn vastgesteld. In de beantwoording van de onder vraag 1 genoemde Kamervragen wordt overigens niet verwezen naar een rapport, maar alleen naar de uitkomst van het betreffende bezoek.
Welke onderdelen van de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland zijn er toen door de NLA onderzocht?
Walibi Holland B.V. heeft op 17 juni 2025 een arbeidsongeval bij de Arbeidsinspectie gemeld. Hierop is een inspecteur op 19 juni 2025 ter plaatse gegaan. Hij heeft de locatie bekeken en het ongeval besproken met het bedrijf en de betreffende medewerker. Hij heeft geconstateerd dat het ongeval niet te voorzien was en dat de werkgever redelijkerwijze niets had kunnen doen om het ongeval te voorkomen. Dit is door de Arbeidsinspectie op 23 juni 2025 in een brief aan het bedrijf kenbaar gemaakt.
Is er door de NLA ook gekeken naar de contractvormen bij Walibi Holland? Zo ja, waarop baseert de NLA de conclusie dat er geen overtredingen zijn geconstateerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, vond het laatste bezoek van de Arbeidsinspectie plaats naar aanleiding van een arbeidsongeval. Het onderzoek was daarop gericht en zag niet op de contractvormen bij het bedrijf, omdat het gemelde arbeidsongeval hier geen relatie mee had.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zie hierboven.
Bent u op de hoogte van de hack bij ChipSoft, het bedrijf dat software voor patiëntendossiers en andere digitale systemen voor ziekenhuizen levert?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de ernst is van de hack en hoeveel ziekenhuizen, huisartsenpraktijken en eventuele andere zorgverleners zijn geraakt door de hack?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Chipsoft voert momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uit om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. ChipSoft levert software aan ongeveer 70% van de Nederlandse ziekenhuizen. Uit voorzorg zijn sinds 8 april 20:00 uur de verbindingen met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar geweest. Inmiddels is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het gefaseerd opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met de klanten die dat betrof dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd3. ChipSoft heeft geen gedetailleerde inzage gegeven in welke klanten op welke wijze getroffen zijn. In de zojuist genoemde Kamerbrief heb ik ons inzicht met u gedeeld. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
Wat zijn de gevolgen van de hack voor zorgverleners en hun patiënten, bijvoorbeeld doordat zorginstellingen hun systemen offline hebben moeten halen?
Navraag bij de betrokken zorginstellingen leert dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien. Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen digitale verwijzingen niet goed plaatsvinden.
Ziekenhuizen zijn hier echter op dit soort incidenten voorbereid en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel.
Is bepaalde zorg uitgesteld vanwege de hack en zo ja, op welke schaal?
Nee, de zorgprocessen lopen door.
Is er gevoelige data, zoals patiëntgegevens, in handen gekomen van criminelen?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Welke exacte patiëntgegevens hierbij zijn buitgemaakt is nog in onderzoek. Ik heb de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april hierover geïnformeerd.4 Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe verklaart u de verschillende aanpak van ziekenhuizen na de hack, bijvoorbeeld in het wel of niet offline halen van systemen?
Ziekenhuizen die klant zijn bij ChipSoft hebben op advies van Z-CERT, het expertisecentrum cybersecurity in de zorg, preventieve maatregelen genomen en hebben monitoring op hun lopende systemen geïntensiveerd. De keuzes die gemaakt worden, zijn door de ziekenhuizen of organisaties zelf gemaakt op basis van eigen specifieke situatie en risico inschatting.
Verschilt de impact van de hack tussen ziekenhuizen die hun gegevens lokaal, hybride of juist in een cloudomgeving opslaan? Kunt u uitleggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt?
De gegevens van de zorgaanbieders die gebruikmaken van de cloudomgeving van ChipSoft zijn gestolen. Van instellingen die de software van ChipSoft in eigen beheer uitvoeren of door derden laten beheren, zijn geen gegevens gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd.5
Er valt niet in z’n algemeenheid te zeggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt. Dit hangt af van de lokale context van de zorgaanbieder en de risicoafweging die gedaan is en de beheersmaatregelen die daarbij genomen zijn.
Welke rol speelt de overheid in de afwikkeling van de hack?
Wat betreft de afwikkeling van de hack en opsporing en/of vervolging ligt de verantwoordelijkheid bij de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Diverse toezichthouders doen onderzoek naar de hack. Vanuit onze stelselverantwoordelijkheid ondersteunen we de koepelorganisaties die in het Informatieberaad Zorg zitten met informatie over de digitale aanval en een woordvoeringslijn die zij kunnen gebruiken naar hun leden.
Ook worden bijvoorbeeld handelingsperspectieven uitgewisseld. VWS en organisaties die gesubsidieerd worden door VWS ondersteunen de getroffen zorginstellingen zoveel als mogelijk. Zo financiert de overheid Z-CERT, het expertise centrum cybersecurity in de zorg. Z-CERT, biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie. Vanuit het ministerie volgen we de ontwikkelingen zeer nauw, adviseren we koepels en zorgaanbieders en duiden we de rollen en bevoegdheden, waar nodig.
Zijn er alternatieven voorhanden bij een hack als deze, bijvoorbeeld alternatieve software waar ziekenhuizen en andere zorgverleners op kunnen terugvallen?
Ziekenhuizen hebben draaiboeken en protocollen voor als systemen niet werken om te zorgen dat het zorgproces door kan blijven gaan. Dit volgt uit de verplichte risico analyse die zij moeten doen. Zo gaan bijvoorbeeld verwijzingen van huisartsen naar Chipsoft-ziekenhuizen niet meer digitaal, maar per mail of telefonisch. Zie ook het antwoord op vraag 3. Het is aan zorgverleners zelf om deze protocollen, gegeven de specifieke situatie van de betreffende zorgverlener, in te richten. De ingebruikname van een ander elektronisch patiëntendossier of andere alternatieve software is niet iets wat in enkele dagen of weken geregeld kan worden. Dit is technisch zeer complex en kent een lange doorlooptijd. Bovendien brengt het hoge kosten en andere risico’s met zich mee.
Welke eisen gelden er voor leveranciers van cruciale zorg-ICT?
Nederlandse zorgaanbieders zijn wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat.
In de nabije toekomst zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2-richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. De European Health Data Space-verordening (EHDS) draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening6.
Is de ketenweerbaarheid op het gebied van ICT in de zorg wat u betreft op orde, onder andere in de domeinen hosting, beheer, en koppelingen? Waarom wel of niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast gaat de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, verplichten om hun leveranciersketen in kaart te brengen, en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen. De Cbw is voorzien medio 2026 in te gaan.
Deelt u de opvatting dat dit geen incident is, maar een symptoom van te grote afhankelijkheid van een paar dominante leveranciers in de zorg, waarbij een incident bij één leverancier meteen een nationale zorgvraag wordt?
Nee, ik deel die opvatting niet. Zorgaanbieders dienen afspraken te maken met zorg-ICT-leveranciers en hierbij risico’s af te wegen. Het is wel zo dat de omvang van een hack groter kan zijn wanneer een leverancier met een groot marktaandeel wordt getroffen waarbij ook nog eens patiëntgegevens zijn opgeslagen.
Deelt u de zorgen over de risico’s wanneer één dominante marktpartij de infrastructuur levert voor zorginstellingen of andere essentiële publieke voorzieningen?
Het is belangrijk dat er sprake is van een gezonde marktwerking op de zorg-ICT-markt. Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze marktconcentratie zorgt voor minder concurrentie, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook is er een definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM7 gepubliceerd. Het Ministerie van VWS maakt hieruit op dat het voor nieuwe innovatieve spelers moeilijk is voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico’s te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in onze zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan overwegingen van digitale autonomie.
In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 2026 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken, ga ik de komende tijd aan de slag om de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT te vergroten. Ook wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden. Daarnaast wordt er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel opgezet. Daar kunnen signalen over zorg-ICT worden gedeeld en kan vanuit bestaand instrumentarium bekeken worden of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is. Naast de hierboven genoemde acties zet ik in op de European Health Data Space (EHDS) om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en aan een verplicht loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden op zorg-ICT.
Zijn er maatregelen die u neemt om dergelijke marktdominantie tegen te gaan, bijvoorbeeld door afspraken te maken over het inkoop- en aanbestedingsbeleid in de zorgsector? Waarom wel of niet?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering van zorg-ICT. Wel blijkt uit het NZa rapport «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT» januari 2025 dat de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarom wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door de inzet van externe expertise om gezamenlijke inkoop van een kernapplicatie te laten slagen. Dit zorgt voor schaalvoordelen en vergroot de kans op samenwerking. Over dit soort onderwerpen heeft mijn ministerie ook regelmatig overleg met de ICT-gebruikersverenigingen van de ziekenhuizen.
Hoe zorgt u voor voldoende diversificatie tussen ICT-leveranciers bij zorginstellingen? Is het uw verantwoordelijkheid om monopolievorming in de zorg-ICT tegen te gaan?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op eerlijke concurrentie en marktwerking, zo ook op de zorg-ICT markt. In eerste instantie is zij de toezichthouder op basis van de Mededingingswet die toezicht houdt op de markt en ook concentraties (fusies/overnames) beoordeelt. Zij heeft in haar brief op 28 januari 20258 aangegeven dat de zorg-ict markt niet goed werkt omdat ICT-systemen gesloten zijn. De ACM geeft aan dat zij op dit moment onvoldoende instrumenten heeft om eerlijke concurrentie en marktwerking structureel af te dwingen en adviseert het Ministerie van VWS om openheid van digitale informatiesystemen via wetgeving te verplichten.
Ik vind het belangrijk dat de zorg-ICT-markt toegankelijk is, zodat concurrentie en innovatie worden gestimuleerd. Met de EHDS wordt ook ingezet op een zo open mogelijke markt voor onder andere EPD-leveranciers. Ik onderzoek de mogelijkheden om als randvoorwaardelijk onderdeel van de EHDS, te komen tot additionele regulerende instrumenten.
Is het wenselijk dat zorginstellingen individueel ICT-diensten inkopen en hierover onderhandelen? Welke voor- en nadelen ziet u bij een meer gezamenlijke vorm van inkoop?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering. Gezamenlijke inkoop kan schaalvoordelen opleveren, vergroot de kans op samenwerking en versterkt de positie van de zorgaanbieders. Een nadeel kan zijn dat er minder maatwerk wordt geleverd.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Bevers om bij de evaluatie van de Wet vifo te bezien of bij fusies en overnames vanuit het buitenland van digitale zorginfrastructuur vergelijkbare voorwaarden gesteld kunnen worden als bij andere cruciale sectoren, zoals de chip-, energie- en telecomsector?2
Sinds juni 2023 is de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (vifo) van kracht. De Wet vifo introduceerde een mechanisme voor investeringstoetsing in Nederland. Recent is de wet, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, geëvalueerd.
Tevens is in december 2025 de herziene Foreign Direct Investment (FDI)-screeningsverordening vastgesteld. Met de wijziging van de Verordening worden de reikwijdte en procedures van de nationale investeringstoetsingsregimes in de Europese Unie gestroomlijnd om economische veiligheidsrisico’s van investeringen op een meer coherente manier aan te pakken. Nadat de herziene FDI verordening formeel is vastgesteld, start de termijn voor omzetting van de Verordening in nationale wetgeving. In Nederland wordt deze Verordening geïmplementeerd in de Wet vifo. Ik koers aan op een verwijzing in de wet vifo naar de (terminologie van de) Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Hiermee zullen kritieke entiteiten in de zorg in het geval van vijandige investeringen, fusies of overnames kunnen worden getoetst.
Deelt u de zorgen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over gesloten datastandaarden bij ICT-aanbieders in de zorg, aangezien systemen daardoor niet goed met elkaar communiceren en zorgaanbieders minder keuze hebben in hun leveranciers, met monopolievorming tot gevolg?
Ja ik deel deze zorgen. Het niet gebruiken van open standaarden en de geslotenheid van ICT-systemen bevordert niet de door de Nationale, Visie en Strategie10 gewenste interoperabiliteit op weg naar databeschikbaarheid. Om dat te veranderen zal een mix van Europese verplichtingen en nationale keuzes nodig zijn. Met de European Health Data Space (EHDS) verordening wordt ingezet op een zo open mogelijke markt voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen. Vanuit de NVS-ambitie stuur ik op openstelling van systemen via open gestandaardiseerde koppelvlakken: publiek beschikbare koppelvlakken,
zodat data veilig, herbruikbaar en leverancier-onafhankelijk kan stromen door het hele stelsel. De specificaties van deze open koppelvlakken zijn een publieke verantwoordelijkheid. Zo nodig zal ik deze koppelvlakken ook als open source laten ontwikkelen en beschikbaar stellen aan marktpartijen.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Kathmann over een routekaart waarlangs ICT-leveranciers in de zorg de komende jaren verplicht worden gebruik te maken van open datastandaarden?3
In mijn brief «stand van zaken landelijk dekkend netwerk» die ik voor het commissiedebat digitale zorg (gepland op 21 mei) naar uw Kamer zal sturen, zal ik dieper ingaan op dit vraagstuk.
Welke structurele problemen in de zorg-ICT legt deze hack bloot? Wie is er aan zet om deze op te lossen?
Het onderzoek naar deze hack is nog in volle gang. Het is daarmee te vroeg om een verband te leggen tussen deze hack en structurele problemen in de zorg-ICT.
Welke maatregelen neemt u om de cyberveiligheid en weerbaarheid van zorginstellingen structureel te vergroten?
In het versterken van de cyberweerbaarheid van de zorg neem ik een kader stellende, toezichthoudende, stimulerende en faciliterende rol in. In de brief over informatieveiligheid in de zorg van 4 december 2025 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die mijn ministerie neemt12. Ik ondersteun zorginstellingen bij het voorkomen van incidenten door het verhogen van bewustzijn van zorgmedewerkers in het programma Informatieveilig gedrag in de zorg. Een groot deel van cyberincidenten zijn mede veroorzaakt door menselijk handelen. Daarnaast bied ik hulpmiddelen aan om te voldoen aan de NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg. Deze norm schrijft organisatorische, mensgerichte, fysieke en technologische beheersmaatregelen voor die de digitale weerbaarheid van een organisatie concreet verhogen. Dit met het doel om dreigingen te voorkomen, detecteren of erop te reageren. Tot slot helpt het expertisecentrum cybersecurity in de zorg (Z-CERT) zorginstellingen in het voorkomen van incidenten door te monitoren en eventuele dreigingsinformatie te delen. Daarnaast biedt Z-CERT ondersteuning bij het beperken van de gevolgen wanneer er onverhoopt een incident heeft plaatsgevonden.
Wat wordt de rol van de Cyberbeveiligingswet, zodra deze is aangenomen, om dergelijke hacks te voorkomen en sneller af te wikkelen? Wat gaat er concreet veranderen in een casus zoals deze?
Voor alle zorgaanbieders is de NEN 7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, nu al wettelijk verplicht. De Cyberbeveiligingswet (Cbw) gaat bredere eisen stellen aan netwerk- en informatiebeveiliging voor diverse sectoren waaronder de sector zorg. Zodra de Cbw van kracht is (voorzien medio 2026), hebben organisaties die onder de wet vallen een meldplicht. Dit houdt in dat een significante cyberincident13 binnen 24 uur wordt gemeld bij het portaal van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Het NSCS werkt nauw samen met Z-CERT, het expertisecentrum op het gebied van het cybersecurity in de zorg. Deze meldplicht zorgt ervoor dat alle significante meldingen worden gemonitord en er tijdig wordt gewaarschuwd tegen cyberdreigingen. Daarnaast stelt de Cbw een zorgplicht voor organisaties verplicht. Dit houdt in dat organisaties vallend onder Cbw maatregelen moeten nemen om hun netwerk- en informatiesystemen te beschermen tegen significante incidenten. De Cbw zal cyberincidenten niet voorkomen, maar de cyberweerbaarheid in Nederland en daarmee ook in de sector zorg wordt verhoogd doordat significante cyberincidenten worden gemonitord en vervolgens snel wordt gehandeld om de beveiliging van informatiesystemen en bedrijfscontinuïteit te waarborgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over digitale ontwikkelingen in de zorg van 21 mei 2026 beantwoorden?
Ja.
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Letschert |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De wanordelijkheden rond de wedstrijd Go Ahead Eagles – PEC Zwolle |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de wanordelijkheden rond Go Ahead Eagles – PEC Zwolle, waaronder het bericht dat uiteindelijk moest worden ingegrepen door de ME?1 Wat is uw reactie op het verloop van deze gebeurtenissen?
Ja.
Hoe kan het dat, ondanks vooraf aangekondigde strengere controles en overleg met supporters, toch wanordelijkheden zijn ontstaan? Waar is het volgens u concreet misgegaan?
Voordat ik deze vragen beantwoord, wil ik schetsen hoe de beslisstructuur op het gebied van veilig en gastvrij voetbal plaatsvindt. De wedstrijdvoorbereiding is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek, bestaande uit de burgemeester, het Openbaar Ministerie, de politie en de betaald voetbal organisatie (BVO). Hier ben ik niet bij betrokken en hier hoor ik ook niet bij betrokken te zijn. De landelijke overheid neemt wel deel aan de Regiegroep Voetbal en Veiligheid.2 Binnen de Regiegroep worden afspraken gemaakt en adviezen gegeven om de veiligheid en gastvrijheid in en rond Nederlandse voetbalstadions te verbeteren en de samenwerking tussen de deelnemende partners te bevorderen. De Regiegroep treedt echter niet in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van decentrale overheden. Tegen deze achtergrond beperk ik mij tot een toelichting op algemene beleidslijnen en ga ik niet in op de concrete omstandigheden van deze situatie. De burgemeester van Deventer legt daarover desgevraagd verantwoording af aan de gemeenteraad.
In de wedstrijdvoorbereiding op decentraal niveau worden er heldere afspraken gemaakt over de voorwaarden voor de toelating van het maximaal aantal supporters in het gastenvak. Het verdient waardering dat op decentraal niveau vooraf in goede onderlinge afstemming alles in het werk is gesteld om een gastvrije en veilige ontvangst van supporters te waarborgen. Helaas hebben deze voorwaarden in dit geval niet het beoogde effect gehad op het gedrag van een deel van de uitsupporters. De evaluatie van de wedstrijd is nog niet afgerond. Op dit moment valt daarom niet aan te geven waarom deze groep supporters de gemaakte afspraken en regels heeft genegeerd.
Zoals aangegeven is de wedstrijdvoorbereiding een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek waar ik vanuit mijn rol niet betrokken bij ben. Van de voetbalvierhoeken van Deventer en Zwolle heb ik overigens begrepen dat zij voorafgaand aan deze wedstrijd nauw met elkaar samen hebben gewerkt om de derbywedstrijd veilig en gastvrij te laten verlopen. De lokale vierhoeken zien deze derby namelijk al jaren als een hoog-risicowedstrijd.
Welke risico-inschatting is vooraf gemaakt ten aanzien van deze wedstrijd, en in hoeverre is daarbij rekening gehouden met de specifieke spanningen rond deze derby?
Zie antwoord vraag 2.
Welke rol heeft het advies van de politie gespeeld in de voorbereiding, en in hoeverre zijn deze adviezen overgenomen door de gemeente mede in het licht van het latere besluit om zonder uitpubliek te spelen?
In het algemeen kan ik aangeven dat de politie deel uitmaakt van de lokale vierhoek en dat hun adviezen bij de wedstrijdvoorbereiding worden meegenomen en direct invloed hebben op de besluitvorming over de voorwaarden waaronder een wedstrijd gespeeld wordt.
Kunt u toelichten hoe de voorbereiding en afstemming tussen burgemeester, politie, Openbaar Ministerie, clubs en de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) is verlopen, en of er op enig moment daarin is bijgestuurd?
Zoals hierboven aangegeven heb ik inhoudelijk geen bemoeienis met de wedstrijdvoorbereidingen van de verschillende wedstrijden. Dat betekent dat ik niet beschik over de bevoegdheid om in dit proces bij te sturen en dat ik niet kan ingaan op de wijze waarop de afstemming in dit specifieke geval is verlopen.
Hoe beoordeelt u het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot het uiteindelijk spelen zonder uitpubliek? Had dit besluit, gelet op de beschikbare informatie en risico-inschattingen, eerder genomen kunnen dan wel moeten worden?
De wedstrijdvoorbereiding en het besluitvormingsproces is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek. Het past niet dat ik daar een oordeel over geef. Het is aan de gemeenteraad van Deventer en/of Zwolle om hier desgewenst een oordeel over te vellen. Wel vind ik het lovenswaardig dat de vierhoeken hier nauw hebben samengewerkt.
Waren de getroffen maatregelen, waaronder toegangscontroles, supportersscheiding en inzet van stewards en politie, naar uw oordeel voldoende en proportioneel gezien het risicoprofiel? Zo nee, waar schoot dit tekort?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete lessen trekt u uit dit incident voor de voorbereiding en besluitvorming rond risicowedstrijden, en hoe worden deze vertaald naar structurele verbeteringen en betere verankering van risicobeperking?
Op dit moment is de gemeente Deventer de casus aan het evalueren. De burgemeester van Deventer zal hierover, indien door de gemeenteraad gewenst, verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.
De gemeenten met een BVO overleggen na iedere speelronde gezamenlijk over incidenten, en komen daarnaast tweemaal per jaar bij de KNVB bijeen en onderhouden onderling goed contact. De geleerde lessen na incidenten worden doorgaans onderling gedeeld en meegenomen bij wedstrijdvoorbereidingen. Binnen dit proces heeft mijn departement via de Regiegroep enkel een ondersteunende rol.
Kunt u verklaren hoe vuurwerk en rookbommen ondanks een dubbele fouillering het stadion zijn binnengekomen? Zijn er aanvullende maatregelen of best practices bekend om deze producten nog beter te kunnen weren?
In het algemeen kan ik aangeven dat het fouilleren bij de toegangscontrole tot een (voetbal)stadion wettelijk is beperkt tot een oppervlakkige controle van kleding en controle van tassen en jassen. Ontkleding en het fouilleren van intieme zones is niet toegestaan. De ervaring leert dat compact vuurwerk daardoor lastig is op te sporen. In hoeverre dit in dit geval een rol heeft gespeeld, zal mogelijk uit de evaluatie blijken.
Zoals aangegeven in de Voortgangsbrief veilig en gastvrij betaald voetbal van 19 december 2025 voert het Auditteam Voetbal en Veiligheid3 momenteel een onderzoek uit naar de impact van het illegaal gebruik van vuurwerk bij voetbal.4 Tevens heeft mijn ministerie verzocht om een aanvullend onderzoek uit te voeren naar de samenstelling van vuurwerk en de mogelijke effecten op de gezondheid van stadionbezoekers en medewerkers. De resultaten zullen in samenhang worden bezien met het onderzoek van het Auditteam, zodat beide trajecten elkaar kunnen versterken en kunnen worden meegenomen bij het nieuwe plan van aanpak. De uitkomsten van deze onderzoeken worden naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 opgeleverd. Tevens worden hierbij de inzichten van de nieuwe, landelijk geldende KNVB-richtlijnen met betrekking tot het gebruik van vuurwerk in stadions meegenomen.
Het artikel waarin wordt vermeld dat werken aan het spoor, drie jaar na het ongeval in Voorschoten, nog steeds onveilig is |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de inhoud van dit artikel?1
Ja, ik ben op de hoogte van de inhoud van dit artikel.
Hoe is het mogelijk dat de Arbeidsinspectie bij 11 van de 12 onderzochte locaties, twee jaar na het verschijnen van het OVV-rapport over het ongeval in Voorschoten, moet concluderen dat er geen verbeteringen ten aanzien van de veiligheid hebben plaatsgevonden?
De verkenning heeft weliswaar raakvlakken met het onderzoek van de OvV, zoals het aantal zzp’ers dat in de nacht werkt en de aandacht voor de arbeidstijden. De verkenning kijkt ook breder naar de gezondheidsrisico’s en veiligheid bij het werk op en rond het spoor in de nacht. Daar is nu nog onvoldoende aandacht voor. De sector onderschrijft dit ook. Het Ministerie van SZW en het Ministerie van IenW voeren het gesprek met de sector hoe dit kan verbeteren. Daarbij gaat het onder meer over een betere balans tussen werk overdag en in de nacht. Dit kost wel tijd. Het Ministerie van SZW verkent naar aanleiding van de motie Van Kent en de motie Heutink in hoeverre zpp’ers onder de Arbeidstijdenwet kunnen worden gebracht2. De verkenning van de Arbeidsinspectie wordt daarbij betrokken.
Bent u het met de stelling uit het artikel eens dat goederen en passagiers centraal staan en dat de veiligheid van werknemers achteraan komt? Zo ja, waarom en zo nee waarom niet?
Het beeld dat goederen- en passagiersvervoer centraal zouden staan ten koste van de veiligheid van werknemers wordt niet herkend. In de beheerconcessie met ProRail is veiligheid expliciet als basisrandvoorwaarde opgenomen voor alle werkzaamheden. Werkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd als deze veilig kunnen plaatsvinden, zowel voor reizigers als voor werknemers. Veiligheid is daarmee het uitgangspunt bij alle keuzes in het spoorbeheer.
Bent u van mening dat u gefaald heeft in het tijdig implementeren van de aanbevelingen van het OVV-rapport, nu uit het artikel blijkt dat de veiligheid niet beter is geworden tijdens spoorwerkzaamheden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben deze mening niet toegedaan. Het is belangrijk dat alle werkenden gezond en veilig kunnen werken. Naar aanleiding van het ongeval bij Voorschoten en het OvV-rapport zijn door de sector (o.a. ProRail) en het Ministerie van IenW eerste stappen gezet om verbeteringen door te voeren.
ILT monitort de aanbevelingen aan niet-bestuursorganen, in het geval van het ongeval bij Voorschoten zijn dat de aanbevelingen aan ProRail. Dit monitoringsrapport wordt tegelijkertijd met de beantwoording van deze vragen met u gedeeld. In de monitoringsrapportage concludeert de ILT dat ProRail heeft laten zien opvolging te geven aan de aanbevelingen. Dat stond in 2025 nog in het teken van het zoeken naar de samenwerking met de branche, het doen van onderzoeken en het inventariseren en bepalen van oplossingsrichtingen. Voor een deel van de maatregelen geldt dat het meerdere jaren gaat duren voordat die afgerond kunnen worden, waardoor de ILT deze dus in 2026 zal blijven monitoren.
In de Kamerbrief spoorveiligheid die ook met de Kamer wordt gedeeld, wordt ingegaan op de opvolging van de aanbeveling aan het Ministerie van IenW. Daarin is onder andere aangegeven dat het ministerie in het kader van het basiskwaliteitsniveau spoor heeft afgesproken om onderhoudswerkzaamheden vaker overdag uit te voeren. Verder wordt er samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Nederlandse Arbeidsinspectie, de ILT, ProRail en stichting railAlert gekeken naar hoe de balans tussen dag- en nachtwerk veranderd kan worden, welke knelpunten daarbij een rol spelen en hoe die aangepakt zouden kunnen worden. Voor het registratiesysteem van incidenten en ongevallen heeft het ministerie een voorkeursoptie uitgesproken met betrekking tot bij wie dit moet worden belegd. Deze optie moet de komende tijd onderzocht worden op haalbaarheid. In de Kamerbrief spoorveiligheid wordt hier meer in detail op ingegaan.
Afgelopen januari heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie (Arbeidsinspectie) in een verkenning geconcludeerd dat er nog te weinig aandacht is voor de arbeidsveiligheid van spoorwerkzaamheden in de nacht. De verkenning heeft raakvlakken met het onderzoek van de OvV, zoals het aantal zzp’ers dat in de nacht werkt en de aandacht voor de arbeidstijden. De verkenning ziet ook breder op arbeidsveiligheid. Daarbij gaat het onder meer om het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en de aanwezigheid van coördinatoren Veilig & Gezond werken. De bevindingen van de Arbeidsinspectie liggen grotendeels op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het Ministerie van SZW zal nog met een reactie komen op de verkenning in relatie tot de motie van Van Kent en de motie van Heutink om zzp’ers onder de Arbeidstijdenwet te brengen.
Waarom is de aangenomen motie-Heutink, die de regering opdraagt om spoorwerkers onder de Arbeidstijdenwet te laten vallen, niet uitgevoerd?
Zoals in de Kamerbrief van 27 juni 20253 (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aangegeven, verkent het Ministerie van SZW in hoeverre zzp’ers onder de Arbeidstijdenwet gebracht kunnen worden. Dit gelet op het belang van gezond en veilig werken voor alle werkenden. Het opleggen van aanvullende regelgeving, specifiek voor zzp’ers in de spoorsector, mag echter niet tot gevolg hebben dat te veel vakbekwame mensen de sector verlaten. Dit is in het bijzonder van belang waar het gaat om zzp’ers die toezien op de veiligheid in de nacht. Voorkomen moet worden dat de belangrijke opgave om het spoor veilig, betrouwbaar en toekomstbestendig te maken hierdoor onder druk komt te staan.
Bij de uitwerking wordt de verkenning van de Arbeidsinspectie naar nachtwerk op het spoor betrokken. Het Ministerie van SZW blijft, mede naar aanleiding van de verkenning, in gesprek met de sector en het Ministerie van IenW over hoe de gezondheid en veiligheid op het spoor voor alle werkenden beter kan.
Bent u van mening dat het ongeval in Voorschoten in 2023 niet van zodanige ernstige aard was dat het opvolgen van OVV-aanbevelingen niet nodig is? Zo nee, waarom is de situatie op veel locaties dan nog zo onveilig?
Het spoorwegongeval bij Voorschoten is een tragisch ongeval met tot op de dag van vandaag grote impact voor alle betrokkenen. Het Ministerie van IenW, de sector en het Ministerie van SZW zijn naar aanleiding van het ongeval en het rapport van de OvV aan de slag gegaan om zaken te bespreken en aan te passen. Zo onderzoeken het Ministerie van IenW en het Ministerie van SZW samen met de sector hoe de mogelijkheden om meer overdag te werken vergroot kunnen worden. Het Ministerie van SZW verkent ook of zzp’ers onder de Arbeidstijdenwet gebracht kunnen worden. De sector werkt goed samen aan het realiseren van verbetering. Dit is belangrijk omdat de sector primair verantwoordelijk is voor veilig en gezond werken.
Dit zijn echter complexe aanpassingen die bredere gevolgen kunnen hebben. Deze aanpassingen moeten daarom zorgvuldig bekeken worden. Er wordt door veel partijen hard gewerkt aan het realiseren van verbeteringen. Tegelijkertijd is er het besef dat het tijd kost om het goed en zorgvuldig te doen. De eerste concrete verbeteringen zijn er al en meer zullen de komende jaren volgen. Zo zijn er eerste maatregelen genomen bij railinzetplaatsen (zie ook vraag 8) en is er een werkgroep opgericht voor het samen leren van incidenten en ongevallen. Zie hiervoor ook de ILT-monitoringsrapportage en de Kamerbrief spoorveiligheid die met de Kamer wordt gedeeld.
Kunt u een lijst doen toekomen waarin u per OVV-aanbeveling weergeeft of er in de afgelopen twee jaar stappen zijn gezet? Zo ja, wat er precies is gedaan of waarom er met een aspect uit het OVV-rapport juist niets gedaan is?
In de Kamerbrief Spoorveiligheid wordt ingegaan op wat de status is van de opvolging van de aanbeveling aan het Ministerie van IenW. Daarin wordt ook ingegaan op wat er de afgelopen tijd is gebeurd. Voor een korte samenvatting daarvan, zie vraag 4. Daarnaast is de (onafhankelijke) monitoringsrapportage meegestuurd. Deze stelt ILT elk jaar op, met daarin de stand van zaken van de opvolging van aanbevelingen van de OvV aan niet-bestuursorganen. In het geval van het ongeval bij Voorschoten zijn dat de 4 aanbevelingen aan ProRail. ILT geeft voor alle aanbevelingen aan dat er stappen zijn gezet, maar dat het tijd kost om deze af te kunnen ronden. ILT blijft de opvolging daarom het komende jaar monitoren. Voor meer details wordt verwezen naar de monitoringsrapportage.
Welke concrete maatregelen bent u van plan op korte termijn te nemen om de veiligheid van alle spoorwerkers te verbeteren?
Als opdrachtgever van de werkzaamheden is ProRail verantwoordelijk voor de veiligheid van de spoorwerkers en maatregelen die dit kunnen verbeteren. Het is goed om te zien dat ProRail daarmee aan de slag is gegaan en stappen heeft gezet. Hierover bent u via de Kamerbrief spoorveiligheid en de ILT-monitoringsrapportage nader geïnformeerd.
Een voorbeeld van concrete maatregelen waar ProRail mee aan de slag is gegaan zijn de railinzetplaatsen, de plek waar materieel wordt in- en uitgezet. Het ongeval in Voorschoten heeft duidelijk gemaakt dat er specifieke risico’s bestaan bij het in- en uitzetten van werkmaterieel. Stichting railAlert heeft daarom direct na het incident tijdelijke maatregelen getroffen, zoals het stellen van eisen over toezicht en aanvullende begeleiding op railinzetplaatsen waar risico’s bestaan bij het oversteken. Parallel heeft ProRail een risico-inventarisatie uitgevoerd waarbij de risico’s voor alle railinzetplaatsen in kaart zijn gebracht, zodat in de Veiligheids- & Gezondheidsplannen (V&G-plannen) in de voorbereiding maatregelen genomen kunnen worden. Daarnaast lopen er onderzoeken om te bepalen welke structurele maatregelen voor railinzetplaatsen er moeten komen. Dit vraagt tijd, financiering en afstemming met grondeigenaren, en kan gevolgen hebben voor de beschikbare capaciteit op het spoor. Daarom doorloopt ProRail in 2026 een zorgvuldig voorbereidingsproces.
Vanuit het Ministerie van IenW, de sector en het Ministerie van SZW wordt er naar aanleiding van het ongeval en het rapport van de OvV onderzocht hoe de mogelijkheden om meer overdag te werken vergroot kunnen worden. Het verminderen van onnodig nachtwerk is cruciaal voor veilig, gezond en uitvoerbaar werk. Het realiseren van meer dagwerk vraagt om een aanpassing waarbij beschikbaarheid, hinder, veiligheid en gezondheid opnieuw moeten worden afgewogen. Deze gesprekken lopen en vormen de basis voor de verdere vervolgstappen.
De vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk op de verpakking wordt vermeld?1
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking, namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct is?
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding, nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een grotendeels plantaardig product krijgen?
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde eiwittransitie?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten?
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken vanwege stijgende vleesprijzen?
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking zou moeten worden vermeld?
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen of misleidende etiketten?
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om dit te garanderen?
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?
Het bericht 'Nederlands grootste pensioenfonds stapt uit techbedrijf dat zaken doet met ICE' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het besluit van het grootste Nederlandse pensioenfonds (ABP) om zich terug te trekken uit Palantir vanwege zorgen over mensenrechten en ethisch verantwoord investeren?1
Deelt u de zorg dat afhankelijkheid van buitenlandse technologiebedrijven zoals Palantir de digitale soevereiniteit van Nederland kan ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten waar binnen de overheid de diensten en producten van Palantir worden gebruikt en waarvoor deze worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het gebruikmaken door Nederlandse (semi-)overheidsorganisaties van technologie van bedrijven zoals Palantir, waarover ernstige zorgen bestaan over betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen? En op welke gronden wordt dit beoordeeld?
Welke ethische kaders hanteert het kabinet bij de inkoop en inzet van data-analyse- en AI-systemen van commerciële partijen zoals Palantir, en hoe worden deze kaders in de praktijk toegepast en gehandhaafd?
Welke concrete waarborgen, zoals toezicht, impact assessments en transparantiemechanismen, worden ingezet om te voorkomen dat het gebruik van dergelijke technologie leidt tot discriminatie, profilering of schending van privacyrechten?
Bent u bereid om aanvullende richtlijnen of toetsingskaders te ontwikkelen voor samenwerking met technologiebedrijven die actief zijn in veiligheids- en surveillancedomeinen, die de digitale soevereiniteit ten goede komen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in navolging van het besluit van ABP, voortaan expliciet en vooraf te toetsen of samenwerkingen met technologiebedrijven zoals Palantir verenigbaar zijn met Nederlandse en Europese normen, en deze toets openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zou u deze vragen afzonderlijk van elkaar kunnen beantwoorden?
Het nieuwsbericht 'Wees alert bij afkeuring eco-regeling' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Wees alert bij afkeuring eco-regeling», waarin staat dat er steeds meer zorgelijke signalen zijn dat eco-activiteiten voor het jaar 2025 worden afgekeurd terwijl de onderbouwing van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) minimaal is en dat een aantal boeren hierover recent een beschikking hebben gekregen van de RVO?1
Ja, dit bericht en de signalen zijn mij bekend.
Deelt u de mening dat het moment van beschikken te laat is, gezien het feit dat de Gecombineerde opgave 2026 van de RVO op 1 maart reeds gestart is en vele duizenden boeren reeds de aanvraag hebben ingediend en op land bezig zijn met zaaien, planten en bemesten? Wat wilt u doen om het proces te versnellen?
Ik begrijp dat het voor boeren vervelend is als beschikkingen laat komen, juist in een periode waarin zij al volop bezig zijn met zaaien, planten en bemesten. Die onzekerheid wil ik net als RVO zoveel mogelijk beperken. RVO kon vanaf 10 maart 2026 beginnen met het definitief beschikken van de aanvragen en heeft nu 94% van de aanvragen uit 2025 beschikt.
Voor 2026 zetten we extra in op verdere versnelling. Daarbij blijft het uitgangspunt dat boeren tot 18 mei voor deze Gecombineerde Opgave hun aanvraag kunnen indienen.
Klopt het dat RVO voor de beoordeling van eco-activiteiten gebruik maakt van een algoritme? Klopt het ook dat dit voor de eerste keer is?
Voor de beoordeling van een aantal eco-activiteiten is in 2025 voor het eerst gebruik gemaakt van het Areaalmonitoringssysteem (AMS). Dat systeem combineert gegevens uit satellietbeelden en remote sensing en maakt een geautomatiseerde beoordeling van percelen aan de hand van een algoritme.
Is dit algoritme rijp voor gebruik in de praktijk, gezien de vele klachten? Indien niet, wanneer wel?
De inzet van het Areaalmonitoringssysteem (AMS) en de onderliggende algoritmes is gericht op het ondersteunen van de uitvoering en is gebaseerd op uitgebreide ontwikkeling, testen en validatie met historische en actuele gegevens. Met de bredere toepassing van AMS op de controle van eco-activiteten zijn ook kwaliteitscontroles geïmplementeerd om na te gaan of de AMS-controle voldoende functioneert. Tegelijkertijd blijft het systeem in ontwikkeling en wordt het continu gemonitord en waar nodig verbeterd. Gezien eerder geconstateerde niet-nalevingen door steekproeven in het veld liggen de huidige aantallen afwijzingen in lijn der verwachting.
Tijdens het groeiseizoen worden eco-activiteiten soms ingetrokken: de boer kiest dan bijvoorbeeld voor het inzaaien van een ander gewas; worden die wijzigingen door de RVO meegenomen in de beoordeling van de aanvraag?
Boeren moeten voor de eco-regeling gedurende de periode 15 mei tot en met 15 oktober hun aanvraag actueel houden. Dit betekent dat boeren die niet aan de voorwaarden van een eco-activiteit voldoen en dus het resultaat niet halen, deze zelf moeten terugtrekken uit de aanvraag. Wijzigingen die boeren aanbrengen worden meegenomen in de definitieve aanvraag op 15 oktober en de beoordeling daarvan door RVO.
Als het algoritme een eco-activiteit afwijst, kan een boer met eigen fotomateriaal dan alsnog bezwaar maken en aantonen dat de eco-activiteit wel is uitgevoerd?
Als boeren het niet eens zijn met de beoordeling van hun aanvraag door RVO kunnen zij bezwaar maken.
Telt dode bodembedekking, bijvoorbeeld een doodgevroren gewas, mee voor de berekening van het percentage bodembedekking, gegeven het feit dat voor bepaalde eco-activiteiten minimaal 80 procent bodembedekking door een gewas gedurende een bepaalde periode is vereist? Zo nee, waarom niet?
Voor de eco-activiteit Groenbedekking telt een doodgevroren gewas mee voor de bodembedekking. Dit staat ook expliciet in de subsidievoorwaarden. Het doodvriezen van het gewas is als mogelijkheid opgenomen voor het vernietigen van het gewas voorafgaand aan de volgende teelt. Het levende of doodgevroren gewas moet het perceel wel voor 80% bedekken.
Hoeveel procent van de aanvragen van de eco-regeling wordt namens de boer gedaan door een adviseur of andere tussenpersoon?
In 2025 is iets meer dan de helft van de Gecombineerde opgaves verstuurd door een gemachtigde. Het is mij niet bekend bij hoeveel procent van de aanvragen van de Eco-regeling een adviseur of bedrijfsaccountant is betrokken.
Deelt u de mening dat de eco-regeling in principe en eenvoudig door de boer zelf gedaan moet kunnen worden? Wat wilt u doen om dit te bevorderen?
Die mening deel ik. De norm dient wat mij betreft te zijn dat boeren zelfstandig de opgave kunnen doen. Hier is volop ondersteuning toe. Zo is er veel informatie beschikbaar over de activiteiten en werking van de eco-regeling. Ook zijn er in de aanvraag verwijzingen naar informatie die benodigd is. Hiernaast wordt er hard gewerkt om informatievoorziening uit te breiden met (meer) voorbeelden van hoe activiteiten uitgevoerd dienen te worden, informatie over de werking van de resultaatverplichting in de eco-regeling en het klantvriendelijker maken van de RVO dienstverlening. Ook zijn automatische meldingen en validaties ingebouwd om boeren te helpen. Ik ben mij ervan bewust dat de huidige Eco-regeling complex is. Stabiel en voorspelbaar beleid, vereenvoudiging van regels en investeringen in betere ICT ondersteuning zijn daarom blijvende aandachtspunten.
De positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Longevity Shift: A New Era of Physician Engagement in Longevity Medicine» (Ipsos, maart 2026), waaruit blijkt dat artsen in toenemende mate worden geconfronteerd met patiënten die vragen stellen over longeviteitsgeneeskunde, maar dat zij daarvoor onvoldoende zijn opgeleid, en dat bestaande bekostigingsstructuren preventieve en op gezondheidsoptimalisatie gerichte zorg structureel ontmoedigen?
Deelt u de analyse dat de huidige fee-for-servicebekostiging een structurele drempel opwerpt voor preventieve en longeviteitsgerichte zorg, doordat artsen niet of nauwelijks worden gecompenseerd voor tijdsintensieve consulten bij gezonde patiënten zonder gediagnosticeerde aandoening? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit knelpunt weg te nemen?
In hoeverre is longeviteitsgeneeskunde als interventioneel vakgebied geïntegreerd in de basisopleiding en nascholing van huisartsen en medisch specialisten in Nederland? Bent u bereid dit te onderzoeken (met de Minister van OCW) en of de opleidingseisen op dit punt aanvulling behoeven, mede in het licht van de toenemende vraag vanuit de samenleving naar gezondheidsoptimalisatie en verlenging van de gezonde levensduur?
Bent u bekend met het signaal uit het rapport dat artsen bij longeviteitsgeneeskunde interventies voorschrijven aan mensen die zich gezond voelen, zonder dat er sprake is van een vastgestelde aandoening, terwijl de standaard van zorg op dit terrein grotendeels ongedefinieerd blijft? Welke rol ziet u voor de overheid bij het ontwikkelen van klinische richtlijnen en evidence-based standaarden voor longeviteitsgerichte preventiezorg, zodat artsen niet zonder professioneel kader opereren?
Bent u bereid te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg binnen de Nederlandse bekostigingssystematiek een structurele plek kan krijgen, bijvoorbeeld via uitkomstbekostiging of een gerichte aanvulling op de Zorgverzekeringswet, naar voorbeeld van ouderenzorgmodellen in Denemarken en Finland.
In hoeverre acht u het wenselijk dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken van een vergoedingsstructuur, primair ontwikkelt in de cash-pay en conciergegeneeskunde en daarmee feitelijk voorbehouden blijft aan vermogenden? Welke maatregelen overweegt u om de toegankelijkheid van preventieve longeviteitszorg voor een breed publiek te waarborgen?
Bent u bereid te bezien hoe longeviteitsgerichte preventiezorg beter kan worden ingebed in bestaande beleidskaders, zoals het Nationaal Preventieakkoord, het Integraal Zorgakkoord en de Wet publieke gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad, beroepsverenigingen en relevante wetenschappelijke instituten, een Nationale Strategie Longeviteitsgeneeskunde te ontwikkelen, met concrete doelstellingen voor de integratie van longeviteitsgerichte preventiezorg in het zorgstelsel, de opleiding van zorgprofessionals, wetenschappelijk onderzoek en de toegankelijkheid van deze zorg voor alle Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken hoe de bestaande onderzoeksinfrastructuur van onder andere Maastricht University en Maastricht UMC+, waaronder The Maastricht Study met haar grootschalige biobanking en deep phenotyping en het MERLN Institute for Technology Inspired Regenerative Medicine, strategisch kan worden ingezet als nationaal expertisecentrum voor longeviteitsgeneeskunde, door koppeling van biobankdata, biomarkers van biologische veroudering en klinische toepassingen? En hoe deze kennisinfrastructuur structureel kan worden ingebed in de nationale onderzoeks- en zorgagenda?
Bent u bereid de Kamer te faciliteren met een technische briefing over longeviteitsgeneeskunde, waarbij in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad en academische centra de stand van de wetenschap, de klinische toepasbaarheid, de ethische en maatschappelijke implicaties en de mogelijke inbedding in het Nederlandse zorgstelsel integraal worden toegelicht?
Het bericht dat werkgevers in de zorg twijfelachtige certificaten blijven accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De zorg blijft twijfelachtige certificaten accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in de zorg nog steeds actief gezocht wordt naar potentiële werknemers met EVC-certificaten?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat er nog steeds actief wordt gezocht naar werknemers op basis van EVC-certificaten. De dringende oproep die ik samen met mijn collega bewindspersonen heb gedaan is gebaseerd op verschillende signalen en onderzoeken waaruit blijkt dat het huidige EVC-stelsel onvoldoende kwaliteitsborging kent en ruimte laat voor misbruik. Een EVC-certificaat biedt daarom op dit moment geen betrouwbare garantie voor de vereiste kennis en vaardigheden.
Hoe rijmt u de dringende oproep vanuit vier collega bewindspersonen om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten met het feit dat werkgevers in de zorg nog steeds actief zoeken naar kandidaten met deze certificaten?
Het kabinet begrijpt het belang van het erkennen van leer- en werkervaring in brede zin. Echter, in het geval van het erkennen van leer- en werkervaring op basis van EVC-certificaten is gebleken dat dit in de praktijk vaak een «papieren exercitie» is, waardoor de deur open wordt gezet voor fraude met deze certificaten. Dat is ook de aanleiding geweest voor onze dringende oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten. Tegelijkertijd is het EVC-stelsel privaat en kunnen werkgevers er daarom voor kiezen om hier toch gebruik van te maken. Maar het accepteren van een EVC-certificaat neemt de verantwoordelijkheid van partijen niet weg om zelf te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is. Werkgevers en onderwijsinstellingen blijven verantwoordelijk voor de inzet van deskundige medewerkers (in de zorg) en voor het verlenen van vrijstellingen. Dit is ook nadrukkelijk onderdeel van onze oproep geweest.
Wat vindt u ervan dat er hierdoor nog steeds personen zonder de vereiste kennis en ervaring toegang krijgen tot functies, opleidingen en voorzieningen waarvoor zij onvoldoende gekwalificeerd of bevoegd zijn?
Dat is zorgelijk. De geconstateerde fraudegevoeligheid in het EVC-stelsel maken dat EVC-certificaten geen betrouwbare weergave zijn van iemands competenties. Het is daarom onacceptabel dat personen hierdoor toegang krijgen tot functies of opleidingen waarvoor zij niet voldoende zijn gekwalificeerd. Dit onderstreept de noodzaak om gehoor te geven aan de oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten en te kijken naar andere mogelijkheden om leer- en werkervaring te erkennen. Ik benadruk nogmaals, als werkgevers ervoor kiezen om gebruik te blijven maken van EVC-certificaten, dan ontslaat dat hen niet van de verantwoordelijkheid om zelf te beoordelen dat hun personeel bekwaam en bevoegd is. De verantwoordelijkheid om te borgen dat (potentiële) werknemers over de kennis en vaardigheden beschikken om het werk uit te voeren blijft bij de werkgever.
Wat vindt u ervan dat volgens Trouw voor onder andere vacatures voor pedagogisch hulpverlener (voor uithuisgeplaatste jongeren) en jeugdzorgwerker EVC-certificaten nog steeds worden gebruikt terwijl deze medewerkers juist met kwetsbare jongeren werken?
De kwaliteit en veiligheid van kwetsbare jongeren die jeugdhulp ontvangen moeten zo goed als mogelijk worden gewaarborgd. Als er nog werkgevers en jeugdhulpaanbieders zijn die professionals werven op een EVC-certificaat, zonder te controleren of deze echt bekwaam en bevoegd zijn, dan is dat zorgwekkend. Onze brief van februari 2026 over fraude met EVC-certificaten, is gebaseerd op onderzoeken van het Openbaar Ministerie, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie van Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De dringende oproep om niet langer te vertrouwen op EVC-certificaten is gericht aan alle branches binnen de zorg, ook jeugdhulpaanbieders. Om de veiligheid, kwaliteit en integriteit van zorg te waarborgen is de inzet van werkgevers nodig en dienen zij zorgvuldig te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is om zorg te verlenen.
Hoe verhoudt het feit dat er jeugdzorgwerkers worden gezocht met EVC-certificaten zich tot het voornemen van Jeugdzorg Nederland om niet langer gebruik te maken van EVC-certificaten? Welke status heeft dit voornemen van de brancheorganisatie?
Uit afstemming met Jeugdzorg Nederland blijkt dat niet zonder meer is vast te stellen of het de leden van Jeugdzorg Nederland zijn die nog professionals met EVC-certificaten zoeken. Het standpunt van Jeugdzorg Nederland is dat zolang de kwaliteit van EVC-certificaten niet betrouwbaar getoetst kan worden, men zeer terughoudend moet zijn in het aannemen/inzetten van mensen met EVC-certificaten. Jeugdzorg Nederland heeft haar leden opgeroepen kandidaten en hun dossiers met werkervaring en opleiding grondig te controleren. Jeugdzorg Nederland blijft dit standpunt onderstrepen. Dat standpunt komt overeen met strekking van de brief die in februari dit jaar door mij en mijn collega bewindspersonen is verzonden aan veldpartijen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat kwaadwillenden middels deze certificaten dus nog steeds de mogelijkheid hebben om kwetsbare jongeren te ronselen voor criminele activiteiten?
Ik deel de zorgen over fraude en de signalen over het ronselen van kwetsbare jongeren binnen de jeugdhulp. Jongeren moeten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van jeugdzorg en de professionals die deze bieden. Het is onaanvaardbaar dat jongeren de dupe zijn van fraude met certificaten en niet de zorg krijgen die zij nodig hebben. Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan. De problematiek van fraude en zware georganiseerde criminaliteit gaat helaas veel verder dan het zorgdomein en vraagt een brede integrale aanpak. Zo werk ik structureel samen met andere departementen, toezichthouders, gemeenten en opsporingsdiensten. Onderdeel daarvan is de brief van mij en mijn collega bewindspersonen van februari dit jaar, waarin veldpartijen wordt opgeroepen terughoudend te zijn met de inzet van professionals op basis van EVC-certificaten.
Wat vindt u ervan dat verschillende zorgopleidingen nog steeds reclame maken voor deze vorm van diplomering?
Onderwijsinstellingen zijn door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in een brief op 19 juni 2025 geïnformeerd over het misbruik met EVC-certificaten in de «onderwijsroute». Examencommissies zijn er met de brief extra op gewezen om alleen een vrijstelling te verlenen als boven alle twijfel verheven is dat iemand geheel voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen. Dit laat onverlet dat laagdrempelig om- en bijscholen mogelijk moet blijven. Onderwijsinstellingen blijven de ruimte houden om zelf betrouwbare valideringstrajecten in te zetten gericht op het (h)erkennen van relevante eerder opgedane leer- en werkervaring en het bieden van maatwerktrajecten aan zij-instromers die aansluiten op wat zij al kennen en kunnen. Ik blijf in nauw overleg met de Minister van OCW over waar dit goed gaat en waar niet, waar we indien nodig passende maatregelen treffen.
Hoe wilt u uitvoering geven aan het amendement-Synhaeve/Wendel aangaande EVC fraude?
Middels het amendement Synhaeve/Wendel trek ik in 2026 elk geval 200.000 euro uit voor het vervolgonderzoek naar onvolkomenheden in de onderliggende dossiers behorend bij EVC-certificaten van professionals in de jeugdhulp. Momenteel ben ik in gesprek met onder andere de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd om tot afspraken te komen over de inzet van deze middelen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat werknemers zich gemakkelijk kunnen bij- of omscholen op een manier waarop dat wel vertrouwd is, nu u heeft opgeroepen om geen EVC-certificaten meer te accepteren en we tegelijkertijd zien dat verschillende werkgevers dit nog wel doen vanwege krapte op de arbeidsmarkt?
Ik vind het lovenswaardig om te zien hoe veldpartijen, zoals Jeugdzorg Nederland, Actiz, VGN en de Nederlandse GGZ zich hebben verbonden om de fraude aan te pakken en alternatieven te bedenken voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. Hierbij vind ik het van belang dat een eventueel alternatief geen ruimte laat voor fraude. Erkenning van werkervaring, competenties of vaardigheden is zowel voor onze zorgverleners als ook voor de werkgevers belangrijk. Hierbij gaat het dan om status, doorgroeimogelijkheden, salaris en ook behoud van mensen voor zorg en welzijn.
Ik zal veldpartijen faciliteren bij het vinden van betrouwbare alternatieven, bijvoorbeeld door goede voorbeelden aan te reiken. In het kader van het Transformatieplan Limburg wordt bijvoorbeeld ingezet op «bekwaam is inzetbaar». Hierbij wordt uitgegaan van skillsgerichte inzet en verschuift de focus van diploma-eis naar beheersing van de vaardigheden voor de taken waarvoor men wordt ingezet. De gemeente Nijmegen heeft in het aanbestedingsproces de diploma-eis losgelaten en zij hebben hiermee positieve resultaten voor wat betreft inzet en beschikbaarheid geboekt. In plaats van de diploma-eis is gekeken wat wettelijk vereist is en is de verantwoordelijkheid voor goede kwaliteit bij de opdrachtnemer gelegd. Die kan hierdoor taken toebedelen op basis van vakbekwaamheid in combinatie met de aard en zwaarte van de hulpvraag. De gemeente Nijmegen is nu een traject gestart om dit ook bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten onder de aandacht te brengen, met het doel dit verder uit te rollen. Ook heeft de overheid, met de landelijk beschikbare skillstaal Competent NL een mooi instrument ontwikkeld dat partijen op de arbeidsmarkt kan helpen om vak- en kennisvaardigheden eerder te herkennen. Onder leiding van VNO-NCW/MKB wordt daarnaast door sociale partners gewerkt aan afspraken over het valideren van skills. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt hiervan op de hoogte gehouden. Zoals ook door mijn voorgangers toegezegd zal ik in nauw contact blijven met het veld en meedenken met alternatieven.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De onbevredigende antwoorden op de mondelinge vragen over de taalgids op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen hoe het bedrag van 40.000 euro voor het maken van de taalgids is opgebouwd?1
Wat zijn de totale kosten die gemaakt zijn voor de productie en verspreiding van de taalgids, inclusief personeelskosten?
Hoeveel ambtenaren waren betrokken bij het produceren en verspreiden van de taalgids?
Wie heeft de opdracht gegeven tot het vervaardigen van de taalgids?
Is het maken van de taalgids onderwerp geweest van besluitvorming binnen het ministerie?
Is de taalgids reeds verspreid op het Ministerie van OCW of op andere ministeries?
Is de taalgids door een externe partij geschreven? Zo ja, welke?
Welke mensen of organisaties zijn geraadpleegd bij het schrijven van de taalgids?
Bestaat er een relatie tussen de taalgids en de Amerikaanse WOKE-ideologie?
Is de wens om zwart met een hoofdletter Z te schrijven ingegeven door het Amerikaanse WOKE-verlangen black met een hoofdletter B te schrijven?
Wat is de huidige status van de taalgids? Is de taalgids inmiddels ingetrokken of wordt het nog steeds gebruikt op het ministerie?
Welke initiatieven worden er op het gebied van discriminatie en racisme de komende periode nog meer uitgerold?
Zijn de portretten van de blanke Ministers op het ministerie nu inderdaad verwijderd?
De sterk achterblijvende bouw van zorgwoningen voor ouderen |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw ouderenwoningen blijft fors achter»?1
Begrijpt u de terughoudendheid van de zorgaanbieders vanwege risicovollere investeringen door de aangekondigde aanpassing van de volledig pakket thuis (vpt) vergoeding? Zo nee, waarom niet?
Wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de aanpassing van de vpt-vergoeding?
Bent u bereid gezamenlijk met de woningcorporaties en zorgaanbieders tot een oplossing te komen om een structureel tekort aan passende woonzorgplekken voor ouderen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie d.d. 8 april aangaf dat het ontbreken van middelen op de begroting de doorslaggevende reden was om niet deel te nemen aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Ja, ik herinner mij het debat. Daarin heb ik onder andere aangeven dat er geen middelen zijn om aan de Europese tender voor een gezamenlijke inkoop van rekenkracht mee te doen. Daarnaast heb ik aangegeven positief te staan tegenover AI-infrastructuur die vanuit private middelen gefinancierd kan worden, zoals ook in het rapport-Wennink wordt aangegeven. Ook heb ik aangegeven dat ik daarom in gesprek blijf met de partijen die AI-infrastructuur initiatieven proberen te realiseren en over de randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn.
Klopt het dat in de beslisnota d.d. 23 maart bij de Kamerbrief «Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief» (Kamerstuk 26 643-1499) staat dat in de StafEZ van 10 maart 2026 is vastgesteld dat binnen de huidige begroting geen ruimte bestaat voor de vereiste financiële verplichtingen?
Ja.
Klopt het dat eerst is geconcludeerd dat er geen geld beschikbaar was, en dat pas daarna inhoudelijke argumenten, waaronder een verwijzing naar het rapport-Wennink, zijn gebruikt om dit besluit te onderbouwen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies uiteenzetten in welke volgorde de budgettaire en inhoudelijke afwegingen zijn gemaakt?
Nee. De conclusie dat er geen middelen beschikbaar waren, is niet los van de inhoudelijke afwegingen bereikt. In 2025 heeft Ecorys in opdracht van EZK de potentiële meerwaarde van een AI-gigafabriek onderzocht. Dit rapport schetst verschillende scenario’s en benoemt zowel kansen als onzekerheden en randvoorwaarden voor publieke betrokkenheid. Daarbij plaatst het rapport kanttekeningen bij de publieke meerwaarde en wijst het onder meer op de verhouding tussen training en inferentie, en de rol die marktpartijen zelf kunnen vervullen. Ook andere inzichten, waaronder het rapport-Wennink, geven aan dat substantiële private betrokkenheid bij de realisatie van dergelijke infrastructuur voor de hand ligt.
Parallel hieraan heeft EZK de budgettaire mogelijkheden verkend. Daaruit bleek dat er geen middelen beschikbaar waren. In samenhang hebben deze inhoudelijke bevindingen en de budgettaire beperkingen geleid tot het besluit om niet deel te nemen aan een gezamenlijke aanbesteding via EuroHPC.
Kan de Staatssecretaris alsnog de stukken openbaar maken die ten grondslag lagen aan het overleg in de StafEZ van 10 maart 2026, conform het eerder gedane informatieverzoek van de Kamer gedaan tijdens het commissiedebat Digitale infrastructuur en economie, waaronder memo’s, notities, berekeningen, scenario’s en de stukken waarmee de Staatssecretaris en de betrokken ambtenaren dat overleg zijn ingegaan? Indien volledige openbaarmaking niet mogelijk is, is de Staatssecretaris dan bereid om ten aanzien van het deel waarvan openbaring niet mogelijk is, deze stukken vertrouwelijk ter inzage te geven?
De belangrijkste basis voor de inhoudelijke afweging waren diverse gesprekken met consortia over hun plannen, de Europese EuroHPC regelgeving en het Ecorys-rapport, dat in opdracht van het Ministerie van EZK is opgesteld en op 19 december jl. met de Tweede Kamer is gedeeld. Ook andere inzichten, zoals het rapport-Wennink, dat ook openbaar is, zijn hierin meegenomen.
Herinnert u zich dat u zich zowel in het debat, als in de Kamerbrief betreft de Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief, beriep op het rapport-Wennink, en dat dat rapport volgens het kabinet geheel in lijn zou zijn met het standpunt van het kabinet om AI-gigafabrieken volledig door de markt te laten financieren?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nieuwe initiatieven [...] zijn (nog) niet volledig privaat te financieren door hoge opstartkosten en lange, onzekere terugverdientermijnen.»?
Ja. Daarbij wordt echter op pagina van 90 van het rapport de kanttekening gemaakt dat dit met name geldt voor nieuwe initiatieven in nog onbewezen markten. Tegelijkertijd vermeldt het rapport dat de AI Gigafabriek, vanwege haar sterke commerciële oriëntatie, in beginsel wél volledig privaat gefinancierd kan worden en marktconforme rekenkracht kan aanbieden.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Publieke financiering – en cofinanciering door EU-instrumenten – kan een vliegwieleffect hebben.»?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nederland heeft grootschalige private én publieke investeringen nodig.»?
Ja.
Deelt u de mening dat u stelt te handelen in lijn met het rapport-Wennink, terwijl datzelfde rapport expliciet aangeeft dat grootschalige digitale infrastructuur juist níet volledig privaat te financieren is en publieke cofinanciering noodzakelijk is om investeringen los te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink maakt een onderscheid tussen verschillende typen digitale infrastructuur. Waar het voor een deel van de grootschalige infrastructuur inderdaad wijst op het belang van publieke cofinanciering, wordt in het geval van AI-gigafabrieken expliciet benoemd dat deze in beginsel volledig privaat gefinancierd kunnen worden. Dat beeld wordt ondersteund door recente marktontwikkelingen. Zo halen Europese AI-(neo)cloudbedrijven zelfstandig kapitaal op voor de bouw van AI-infrastructuur. Dit laat zien dat er binnen dit specifieke segment voldoende private investeringsbereidheid bestaat.
Is hier niet gewoon sprake van het gebruiken van het rapport-Wennink als dekmantel voor een besluit dat puur budgettair is genomen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink is niet gebruikt als dekmantel voor een budgettaire keuze. Aan de kabinetspositie ligt, naast de gesprekken met de geïnteresseerde consortia, in de eerste plaats het rapport van Ecorys ten grondslag, waarin de relevante economische en investeringsafwegingen zijn geanalyseerd, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dit de indruk wekt van «cherry picking»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Die indruk deel ik niet, omdat er niet uitsluitend naar het rapport-Wennink is gekeken om tot deze conclusie te komen.
Herinnert u zich dat u zich in het debat ook beriep op het Ecorys-rapport? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Ecorys niet concludeert dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is, maar juist dat de meerwaarde afhangt van ontwerp, gebruiksdoel en strategische inbedding? Waarom wordt dit rapport dan door het kabinet wel gebruikt als argument om af te haken?
Ja, dat kan ik mij herinneren en dat kan ik bevestigen. Het Ecorys-rapport stelt inderdaad niet dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is. Het benadrukt juist dat de meerwaarde en businesscase sterk afhangen van het ontwerp, het beoogde gebruik en de strategische inbedding. Ecorys geeft daarbij aan dat een gecentraliseerde AI-gigafabriek vooral meerwaarde kan hebben voor de training van zeer grote modellen, maar plaatst daar tegelijkertijd de kanttekening dat het aantal partijen dat deze schaal van trainingscapaciteit daadwerkelijk benut in de Nederlandse context gering is.
Het kabinet gebruikt dit rapport niet als oordeel dat dergelijke infrastructuur «niet wenselijk» zou zijn, maar als onderbouwing voor de conclusie dat voor de varianten die juist meerwaarde hebben en op de Nederlandse markt zijn gericht, publieke financiering niet noodzakelijk is, omdat de markt daarin zelf kan voorzien. Op basis daarvan, tezamen met de budgettaire situatie, is de afweging gemaakt om geen publieke rol te nemen in een aanbesteding met financiële verplichtingen waarbij het initiatief in de specifieke vorm nog onduidelijk is.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat ook in dit geval dit de indruk wekt van cherry picking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de toelichting in de beantwoording op vraag 12.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet ervan uitgaat dat Nederlandse partijen later ook rekenkracht kunnen inkopen bij AI-gigafabrieken elders in Europa? Waarop baseert het kabinet de aanname dat die capaciteit bij toenemende schaarste daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden, in plaats van dat Nederland achteraan aansluit in de rij?
Ja, het kabinet gaat er in beginsel van uit dat Nederlandse partijen toegang kunnen krijgen tot rekenkracht bij AI-gigafabrieken elders in Europa. Die aanname is gebaseerd op de afspraken en de EuroHPC-verordening, het wetgevingskader dat de EuroHPC Joint Undertaking reguleert.
Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat dit geen vanzelfsprekendheid zonder voorwaarden is. Het kabinet onderkent dat bij toenemende schaarste in rekencapaciteit private aanbieders geneigd kunnen zijn om prioriteit te geven aan contractueel gebonden gebruikers.
Kan de Staatssecretaris ingaan op de analyse van het The Hague Centre for Strategic Studies dat toegang tot kritieke digitale infrastructuur in toenemende mate afhankelijk is van geopolitieke verhoudingen en dat bij schaarste landen primair hun eigen belangen zullen beschermen? Hoe rijmt de Staatssecretaris dit met de aanname dat Nederlandse partijen bij toenemende vraag en schaarste probleemloos gebruik kunnen blijven maken van rekenkracht in andere lidstaten of daarbuiten?
Zoals ik bij de vorige vraag heb toegelicht, baseer ik mij op de afspraken binnen de EuroHPC Joint Undertaking en het daarbij behorende Europese wettelijke kader. Dat kader is er juist op gericht om gezamenlijke Europese toegang tot high-performance computing en aanverwante digitale infrastructuur te borgen, ook in situaties van toenemende schaarste of geopolitieke spanning. Lidstaten hebben zich daaraan gecommitteerd, inclusief afspraken over beschikbaarheid en gedeeld gebruik van capaciteit.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet kiest voor AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd? Hoe realistisch acht de Staatssecretaris dat, gelet op het feit dat het rapport-Wennink juist wijst op achterblijvende private investeringen?
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
In de genoemde Kamerbrief schrijft het kabinet dat het kiest voor een ontwikkeling van AI-infrastructuur die meegroeit met de marktvraag; hoe verhoudt zich dat tot de constatering in de onderliggende analyses dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur juist sterk aanbodgedreven kan zijn, en dat investeringen in capaciteit zelf vraag, innovatie en ecosysteemvorming aanjagen? Loopt Nederland door deze afwachtende houding niet juist het risico achter te blijven omdat vraag pas ontstaat waar capaciteit al aanwezig is?
Ik ben het met u eens dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur in bepaalde gevallen aanbodgedreven kan zijn en daarmee juist ook vraag, innovatie en ecosysteemvorming kan stimuleren. Dat is ook precies de reden dat het kabinet wél inzet op de realisatie van de publiek gefinancierde AI-fabriek in Groningen, waar sprake is van een strategische Europese investering in rekenkracht en kennisopbouw.
Tegelijkertijd geldt dat niet alle typen AI-infrastructuur dezelfde dynamiek kennen. In veel segmenten kan de markt zelf goed inspringen op groeiende vraag, mits de randvoorwaarden op orde zijn, zoals voldoende beschikbare energie, ruimte en een voorspelbaar vergunningsproces.
Is de Staatssecretaris, gelet op het feit dat de doorslaggevende overweging blijkens de beslisnota budgettair was en rapporten waarachter het kabinet zich verschuilt het kabinet lijken te tegenspreken, bereid het besluit alsnog te heroverwegen en de Kamer een scenario te sturen waarin Nederland wél, al dan niet gefaseerd, kan aansluiten bij het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Nee. Deelname aan de door EuroHPC geleide aanbesteding zou een substantiële financiële verplichting met zich meebrengen, die het kabinet op dit moment niet wil aangaan. De inhoudelijke afwegingen zoals toegelicht in deze beantwoording geven geen aanleiding om de positie van het kabinet te herzien. Daarbij wil ik bovendien benadrukken dat deelname aan het Europese traject geen garantie biedt op de realisatie van een AI-gigafabriek in Nederland, maar primair ziet op het indienen van een voorstel in competitie met voorstellen uit andere lidstaten.
Kunt u deze vragen in ieder geval voor het tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie, een voor een, beantwoorden?
Ja.