De overname van Solvinity door Kyndryl |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitsluiten dat buitenlandse mogendheden met de overname van Solvinity door Kyndryl toegang krijgen tot vertrouwelijke en gevoelige informatie van Nederlandse staatsburgers, constaterende dat DigiD en MijnOverheid beheerd worden door de servers van Solvinity en overwegende dat de Verenigde Staten via de ClOUD Act, data bij Amerikaanse bedrijven kan vorderen, ook als deze in het buitenland zijn opgeslagen? Zo ja, kunt u uitleggen hoe u tot dit antwoord gekomen bent? Zo nee, ziet u dit als een probleem?
Onder meer de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) en Executive Order 12333 maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming met moedermaatschappij in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
Momenteel worden gesprekken gevoerd met Solvinity en Kyndryl over het treffen van maatregelen die er, mede, op zijn gericht om het risico op toegang door een buitenlandse autoriteit tot de gegevens die Solvinity verwerkt ten behoeve van de Nederlandse overheid zoveel mogelijk te mitigeren. Over de resultaten van deze gesprekken verwacht ik te kunnen berichten nadat deze gesprekken zijn afgerond. Op dit moment valt nog niet in te schatten wanneer dat zal zijn.
Had u deze overname aan kunnen zien komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft u er niet tijdig voor gezorgd om gevoelige overheidsprojecten onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Hierbij is de naam van de overnamekandidaat niet door Solvinity gedeeld. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025. Het Ministerie van BZK heeft de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Voor een aantal organisaties geldt dat het verplaatsen van de huidige diensten naar een andere provider op korte termijn niet haalbaar is vanwege de complexiteit en afhankelijkheid van de huidige infrastructuur.
Bent u alsnog in staat om op korte termijn gevoelige overheidsprojecten die thans in beheer zijn van Solvinity onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
Met Solvinity worden gesprekken gevoerd over verschillende maatregelen om de veiligheid van gegevens en applicaties te bewerkstelligen.
Het op korte termijn onderbrengen van gevoelige overheidsprojecten bij andere partijen vraagt het doorlopen van aanzienlijke procedures, juridisch, technisch en financieel.
Hebben u of uw ambtenaren op enige wijze betrokkenheid gehad in de onderhandelingen omtrent de overname, aangezien het Ministerie van Economische Zaken een grote opdrachtgever van Solvinity is?
Nee. Daarnaast heeft het Ministerie van EZ geen contracten met Solvinity en/of Kyndryl.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, hierbij zijn uw vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig beantwoord.
De situatie omtrent de ingreep bij Nexperia |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de betrokkenheid binnen het kabinet bij het besluit om de Wet beschikbaarheid goederen in te zetten bij Nexperia (wie is wanneer geïnformeerd, welke besluitvorming heeft waar plaatsgevonden)?
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl.1 met uw Kamer gedeeld. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Kunt u een overzicht geven van de vraag welke landen en Europese instellingen wanneer betrokken zijn geweest bij dit dossier en op welke wijze?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is gebruikelijk in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van vooraf geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken gezien de bedrijfsgevoelige aard van deze zaak. Echter, de wereldwijde gevolgen van de exportcontrolemaatregelen en het besluit van Wingtech om de kwestie wereldkundig te maken, leidden ertoe dat de casus in de openbaarheid kwam.
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten welke objectieve criteria en signaleringsindicatoren u heeft gehanteerd om te bepalen dat sprake was van omstandigheden «ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties», zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wet beschikbaarheid goederen?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen.
Kon u vooraf bevestigen dat de juridische handhaafbaarheid van het bevel onzeker was en aanvullende rechterlijke inmenging nodig zou zijn om naleving te garanderen, en waarom is desondanks voor dit instrument gekozen?
Het is onjuist dat vooraf bekend was dat aanvullende rechterlijke inmenging vereist was om de naleving van het bevel te garanderen. De Wet beschikbaarheid goederen en het uitgevaardigde bevel kan in vergaande mate de beschikbaarheid van productiemiddelen veiligstellen, ook als deze buiten de EU gelegen zijn. De effectiviteit van het bevel werkt via de zeggenschap die het hoofdkantoor (Nexperia Holding B.V.) heeft over de dochtermaatschappijen en vestigingen van Nexperia in binnen- en buitenland. Medewerking van het bestuur van Nexperia is daarbij van groot belang. De onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer maakten die medewerking waarschijnlijker, omdat de CEO, wiens handelen de dreiging vormde voor de leveringszekerheid, mogelijk zou worden geschorst. Dat zou ondersteunend zijn aan de werking van het bevel. Ook vanuit die gedachte heeft de Staat zich als belanghebbende in de enquêteprocedure gemeld en de verzoeken van de bestuurders ondersteund. Dit heb ik ook in het debat in de Kamer op 4 december jl. zo uiteengezet.
Welke andere instrumenten of interventies zijn overwogen om de risico’s bij Nexperia te beperken, en op welke gronden zijn deze niet ingezet?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Welke beoordeling heeft u vooraf gemaakt van het risico dat China het bevel op grond van de Wet beschikbaarheid goederen zou aanmerken als de facto nationalisatie van een Chinees bedrijf en als aanleiding zou zien voor exportmaatregelen?
De gevoeligheid van het bevel in de relatie met China is van tevoren onderkend. Daarom zijn de Chinese autoriteiten zo spoedig mogelijk geïnformeerd over mijn bevel, waarin benadrukt werd dat de maatregel gebaseerd was op het nemen van een geschikte maatregel die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO mitigeert en niet tegen is China gericht.
Welke onderbouwing hanteert u voor de proportionaliteit van het Wet beschikbaarheid goederen bevel, gezien de diplomatieke en economische gevolgen, waaronder verstoringen in de levering van halfgeleiders?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving zeer concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, daarin gesteund door de aandeelhouder, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Waarom is het Wet beschikbaarheid goederen bevel nog zo lang gehandhaafd, nadat de Ondernemingskamer had ingegrepen, de CEO was geschorst en de continuïteit van de onderneming was geborgd?
Bij een enquêteprocedure en de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en – na onderzoek – eindmaatregelen die gelast kunnen worden, staat het belang van de onderneming voorop. De door de Ondernemingskamer in de eerste fase te beantwoorden hoofdvraag is of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij de onderneming. Ook de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en de eindmaatregelen worden vanuit het ondernemingsbelang ingegeven. Het bevel krachtens de Wet beschikbaarheid goederen beoogt daarentegen iets anders: het veiligstellen van de productiemiddelen van de onderneming voor de productie van chips in en voor Nederland en Europa. Daarmee ziet het bevel op een publiek belang. Dat is iets anders dan het belang van de onderneming. Het belang van de onderneming en het publieke belangen hoeven niet samen te vallen. Daarom houdt het kabinet het bevel achter de hand, zodat het uiteindelijke doel, namelijk het behouden van zeer strategische capaciteit op legacy chips, ook op de lange termijn verwezenlijkt kan worden.
Welke toetsings- en afwegingskaders worden structureel toegepast om te bepalen of en wanneer de Wet beschikbaarheid goederen ook moet worden overwogen bij andere ondernemingen in Nederland die van strategisch belang zijn voor de economische veiligheid?
Hoe zorgt u ervoor dat er geen precedent is ontstaan voor de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen, maar dat de toepassing van deze wet voorspelbaar, zorgvuldig en uitzonderlijk blijft, zodat de bijdrage van buitenlandse investeringen aan innovatie en strategisch vermogen in Nederland niet wordt ontmoedigd?
Welke criteria hanteert u om te beoordelen of herinzet van het bevel noodzakelijk is bij eventuele nieuwe risico’s of gedragingen?
Het bevel wordt echt alleen ingezet wanneer andere juridische middelen onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen te waarborgen, zoals bijvoorbeeld de leveringszekerheid van cruciale chips. Als die leveringszekerheid opnieuw in het geding komt, dan zal het kabinet opnieuw beoordelen of de inzet van dit instrument of van andere instrumenten noodzakelijk en/of proportioneel zijn.
Kunt u toelichten in welke mate Europese partners voorafgaand aan uw besluit formeel zijn betrokken bij de risico-analyse, de weging van mogelijke maatregelen en de uiteindelijke besluitvorming over het bevel?
Bij dit soort besluiten is het wenselijk en gebruikelijk om de kring van geïnformeerden zo klein mogelijk te houden. Het eventueel naar buiten komen van het voornemen tot dit besluit kon grote nadelige gevolgen hebben.
Het is dan ook niet gebruikelijk dat landen in dergelijke tijdsgevoelige en bedrijfsvertrouwelijke gevallen elkaar van tevoren op de hoogte stellen en elkaar meenemen in analyses en afwegingen.
Wel zijn direct na het uitvaardigen van het bevel onze meest betrokken partners op de hoogte gesteld, nog ruim voordat dit in de openbaarheid kwam. De Europese Commissie is ook spoedig geïnformeerd. Het had, ook na het nemen van het bevel, nadrukkelijk niet de voorkeur van het kabinet dat deze casus in de openbaarheid zou komen; mede om dat te voorkomen is de kring zo klein mogelijk gehouden.
Hoe is de structurele coördinatie van diplomatieke acties en strategische communicatie met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie richting China ingericht gedurende en na de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt binnen de EU om te voorkomen dat nationale maatregelen ter bevordering van Europese strategische autonomie in de toekomst opnieuw kunnen leiden tot acute risico’s voor de leveringszekerheid van cruciale technologieën?
Zoals aangeven in de brief aan uw Kamer op 19 november jl.2 was mijn ingrijpen erop gericht verplaatsing ten aanzien van de productiemiddelen van de Nexperia groep te voorkomen. Op basis van het bevelschrift kunnen beslissingen tegengehouden worden indien deze (potentieel) schadelijk zijn voor de productiecapaciteit, kennispositie of continuïteit van het bedrijf. Wat het bevelschrift niet doet, is het in de weg staan van het reguliere productieproces van Nexperia. Het bevelschrift is zo ontworpen dat de reguliere productie in alle fabrieken wereldwijd en dat alle export door Nexperia gewoon doorgang kan en zelfs moet vinden. Het bevel leidde tot een tegenreactie van China, in de vorm van een exportmaategel, die heeft geleid tot wereldwijde problemen in de toeleveringsketens.
Als het kabinet niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips (die van Nexperia) geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de front end) is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid (front end in Europa en back end in Azië) is cruciaal voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Pas als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in eenzijdige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil het kabinet voorkomen.
Hoe legt u uit dat de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen bedoeld is om leveringszekerheid te beschermen, maar op korte termijn heeft geleid tot nieuwe kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders?
Het is duidelijk dat deze situatie de kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders heeft blootgelegd voor het brede publiek. Kwetsbaarheden die bovendien groter waren geworden als ik niet had ingegrepen op basis van de Wbg. Waar het namelijk om gaat is dat Europa de capaciteit moet behouden om dit type chips te kunnen blijven produceren, ook in de toekomst.
Wat zijn de economische gevolgen voor Nederland als gevolg van deze ingreep? Wat zijn de langere-termijngevolgen van dit dossier voor het versterken van de Europese strategische autonomie?
De genomen maatregel is uitzonderlijk en is weloverwogen toegepast. Met het opgelegde bevel is het weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa een halt toegeroepen. Als deze risico’s zich hadden verwezenlijkt, had dat tot het verlies van productiecapaciteit voor cruciale chips gezorgd en daarmee tot een strategische afhankelijkheid geleid. Dat zou grote negatieve gevolgen voor de economie en daarmee het vestigingsklimaat hebben gehad.
Welke beleidsmatige lessen trekt u uit dit dossier om toekomstige ingrepen effectiever, voorspelbaarder en diplomatiek minder riskant te maken?
Deze casus zal zeker waardevolle lessen bieden die ons helpen toekomstige besluiten verder te verbeteren. Het kabinet acht het van belang dat deze casus, zodra deze in rustiger vaarwater terecht is gekomen, goed geëvalueerd zal worden. Daarbij geldt in algemene zin dat het verhogen van de weerbaarheid van onze economie te allen tijde gepaard zal gaan met kosten, van financieel-economische en/of diplomatieke aard.
Beschikt het ministerie over een structureel beoordelingskader om continu mogelijke risico’s te monitoren op het gebied van (i) cruciale technologie en productiecapaciteit, (ii) strategische afhankelijkheden en (iii) verplaatsing van kennis, intellectueel eigendom of bedrijfsvestigingen uit Nederland of Europa?
Technologieën en mogelijke risicovolle strategische afhankelijkheden ontwikkelen zich in hoog tempo. Ontwikkelingen op technologiegebied worden daarom continu gemonitord. Op basis daarvan wordt bezien of het bestaande instrumentarium moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden, zoals eerder is gebeurd met de AMvB bij de Wet vifo. Zoals aangegeven in de Kamerbrief3 over de voortgang van de kabinetsaanpak op strategische afhankelijkheden, richt het kabinetsbeleid zich op het in kaart brengen van risicovolle strategische afhankelijkheden en het inventariseren van mogelijke mitigatieopties. Een afhankelijkheid is risicovol en strategisch, als het betreffende product, de dienst of de technologie cruciaal is voor het borgen van onze publieke belangen, en als het risico van leveringsonderbrekingen hoog is. Het beoordelingskader strategische afhankelijkheden is 29-05-2024 nader toegelicht in de technische briefing over dit onderwerp.
Welke interdepartementale, internationale en Europese samenwerkingsstructuren worden hierbij gebruikt om dergelijke risico’s tijdig te signaleren en gezamenlijk te adresseren?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief Voortgang Kabinetsaanpak Economische Veiligheid van 1 juli 20254, kent de kabinetsaanpak economische veiligheid verschillende uitgangspunten. Het instrumentarium bevindt zich primair op nationaal niveau, waarbij coördinatie en samenwerking in Europees en internationaal verband de inzet versterkt. Het kabinet streeft daarom bij maatregelen op het gebied van economische veiligheid (en kennisveiligheid) naar samenhang op EU- en internationaal niveau. Dit komt de effectiviteit van maatregelen ten goede en is belangrijk voor een gelijk speelveld. Het beleid is landenneutraal, conform internationale principes, rechtsbeginselen en verplichtingen zoals het non-discriminatiebeginsel.
Naar analogie van het EU-kader vereist het realiseren van de doelstellingen een geïntegreerde aanpak langs drie sporen: protect (beschermen), promote (versterken) en partner (samenwerken), die worden versterkt door actieve ondersteuning van het bedrijfsleven en kennisopbouw op dit thema.
Bent u bereid het genoemde beoordelingskader, inclusief de gehanteerde criteria voor interventie, publiekelijk of ten minste vertrouwelijk met de Kamer te delen, om de voorspelbaarheid en democratische controle op toekomstige afwegingen onder de Wet beschikbaarheid goederen te vergroten?
Zoals aangegeven in de beantwoording Kamervragen over Nexperia van 11 november jl.5 zijn het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom open strategische autonomie, ook wel een weerbare economie genoemd.
Het beleid op dit onderwerp wordt uiteengezet in een aantal Kamerbrieven; Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie, 6 Kamerbrief Open Strategische Autonomie 7 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.8
In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van het beleid en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van het beleid en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke manier het kabinet haar afwegingen maakt ten aanzien van open strategische autonomie.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
De uitvoering van motie Ceder 19637, nr. 3488 |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen motie Ceder (Kamerstuk 19 637, nr. 3488) die een verkenning verzoekt van een aanpassing van het Vreemdelingenbesluit zodat een ambtshalve toets op artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bij minderjarigen verplicht wordt en daarin de belangen van het kind waaronder geworteldheid in de Nederlandse samenleving expliciet worden gewogen; tevens een verkenning verzoekt hoe een uitwerking van deze ambtshalve toetsing in de vreemdelingencirculaire en de werkinstructie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moet worden uitgewerkt, waarin wordt uitgewerkt wat artikel 8 EVRM voor minderjarige kinderen betekent op een wijze dat een aanzuigende werking voorkomen wordt, en een juridische uitwerking vraagt van een wijze waarop het perspectief van een positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving ook een overweging van toekenning kan zijn?
Op welke manier voert u deze motie uit? Welke stappen gaat u zetten om deze verkenningen te realiseren? Worden gemeenten, onderwijs- en werkgeversorganisaties hierbij betrokken? Op welke termijn kan de Kamer over uw bevindingen worden geïnformeerd?
Erkent u dat er ongedocumenteerde kinderen met en zonder asielverleden zijn die Nederlands spreken, goed opgeleid zijn en de Nederlandse normen en waarden onderschrijven? Klopt het dat dit momenteel nog geen zwaarwegend belang wordt toegekend? Klopt het tevens dat een potentieel positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving nog niet wordt meegewogen?
Erkent u dat het veel minder moeite en inspanning van toekomstige werkgevers en de samenleving vraagt als deze kinderen in Nederland uiteindelijk gaan werken dan als er migranten met een werkvisum tijdelijk de Nederlandse arbeidsmarkt op komen, zonder verplichtingen tot integratie en participatie?
Wat vindt u in het licht van toenemende arbeidstekorten in cruciale sectoren ervan dat er ongedocumenteerde jongeren/jong-volwassenen niet eenvoudig een verblijfsvergunning kunnen krijgen terwijl zij klaar staan om een bijdrage te leveren aan de Nederlandse samenleving?
Op welke manier wordt de toets aan het belang van het kind in vreemdelingrechtelijke procedures momenteel vormgegeven? Wat vindt ervan om deze toets verplicht te maken, bijvoorbeeld voor alle minderjarigen en/of als er een bepaald substantieel deel van het leven in Nederland is doorgebracht?
Neemt u in de verzochte verdere uitwerking mee welke rechten een kind heeft op basis van artikel 8 EVRM, waarbij de individuele belangen van het kind worden betrokken en aan welke inkadering denkt u?
Kunt u bevestigen dat er nu geen expertise bij de IND aanwezig is om de toets aan het belang van het kind uit te voeren? Krijgen vreemdelingen op die manier voldoende rechtsbescherming? Zijn er plannen om expertise aan de IND toe te voegen?
Het FD-bericht 'Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het FD-artikel «Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis»1
Wat is volgens u het verband tussen onvoorziene klimaatschade en de stabiliteit van de financiële sector in Europa, zowel nu als in de toekomst?
Deelt u de conclusie uit het FD-artikel dat klimaatverandering op de lange termijn een groot risico vormt voor de stabiliteit van de financiële sector? Zo ja, welke mogelijke risico’s voorziet u? Kunt u hierop een toelichting geven?
Bent u van mening dat deze risico’s extra klimaatactie vereisen vanuit Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties onderneemt u momenteel en welke acties bent u bereid te nemen in de toekomst?
Op welke manier beïnvloedt de invloed van klimaatschade op de stabiliteit van de financiële sector uw inzet tijdens de Klimaatconferentie van Belém 2025 (COP30)?
Op welke manier wordt momenteel het risico voor de Nederlandse economie van toekomstige klimaatschade accuraat meegewogen in kabinetsbesluiten? Bent u bereid aanvullende acties te ondernemen om deze factor beter mee te wegen? Waarom wel of niet?
Worden de premies van verzekeringsmaatschappijen ook in Nederland al verhoogd als gevolg van klimaatgebeurtenissen zoals beschreven in het artikel? Zo ja, kunt u hiervan data verschaffen?
In hoeverre zijn Europese verzekeraars, net zoals Amerikaanse verzekeraars, blootgesteld aan het risico van hogere verzekeringspremies enerzijds en dalende vastgoedwaarde anderzijds?
Is Nederland bereid bij te dragen aan de vergroening van de elektriciteitsproductie van opkomende economieën? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Mobiel bereik in de grensstreek |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Michon-Derkzen (VVD) over het bericht «Geen mobiel bereik in grensstreek: 77-jarige man ligt na val machteloos half uur op de grond»?1
Ja.
Acht u het reëel om bij de beoordeling van 112-bereikbaarheid in grensregio’s te blijven uitgaan van alternatieven zoals wifi-bellen, de 112NL-app of vaste lijnen, wanneer uit signalen blijkt dat deze voorzieningen juist in deze gebieden structureel ontbreken?
Bellen via WiFi en de 112NL-app zijn uiteraard geen alternatief als er geen WiFi beschikbaar is of als er geen mobiele netwerkdekking is. Deze opties, en een vaste lijn, zijn met name een mogelijke oplossing als mobiele netwerkdekking in of om het huis tekortschiet, maar er wel verbinding is met een WiFi-netwerk.
Voor andere plekken waar mobiele netwerkdekking lokaal achterblijft zijn alternatieve oplossingen nodig. Het verbeteren van de mobiele netwerkdekking is er daar één van, maar er zijn natuurkundige en technische grenzen aan hetgeen daarmee mogelijk is. Omdat mobiele netwerken nationaal zijn, zijn ter voorkoming van onderlinge verstoringen afspraken gemaakt tussen buurlanden over het maximale zendvermogen op de grens. Om dat in de praktijk na te leven is het onvermijdelijk om kleine concessies te doen op (de kwaliteit van) de netwerkdekking.
De Nederlandse mobiele netwerkaanbieders zijn bovendien niet eigenstandig in staat om de mobiele netwerkdekking in de grensregio’s naar een hoger niveau te brengen. Daarvoor is het namelijk ook noodzakelijk dat de mobiele netwerken in Duitsland en België van voldoende kwaliteit zijn om dekking te bieden aan de Duitse en Belgische kant van de grens.2 Bij onvoldoende dekking van de Nederlandse netwerken wordt ook gebruikgemaakt van aanwezige buitenlandse netwerken door middel van roaming.
Een technologische en marktontwikkeling die op korte termijn potentie toont is die van satellietsystemen die 4G ondersteunen, en in de toekomst waarschijnlijk ook 5G. Satellieten kunnen immers eenvoudig grote geografische gebieden van dekking voorzien. Ook voor deze systemen geldt overigens dat de dekking wordt beïnvloed door zaken als de natuurkundige aard van radiocommunicatie, seizoensinvloeden, boombladeren en bebouwing. Een vrije zichtlijn met een satelliet is belangrijk voor goede dekking.
Steeds meer smartphones die op de markt komen ondersteunen communicatie via deze satellietsystemen. Sommige toestelfabrikanten bieden gebruikers nu al de mogelijkheid om via die satellietsystemen een SOS bericht te versturen naar hulpdiensten. Zo bieden Apple en Google hiervoor ondersteuning op iPhones vanaf versie 14, en Google Pixels 9 en 10-modellen.3 Het is mogelijk dat deze diensten in de toekomst beschikbaar komen in meer goedkopere toestellen. Dit kan op termijn de mobiele bereikbaarheid van 112 in de grensstreken verder verbeteren.
In de tussentijd ben ik uiteraard bereid om in samenwerking met provincies en gemeenten te kijken wat in concrete gevallen de oorzaak van een gebrekkige mobiele netwerkdekking is en of er oplossingen mogelijk zijn. Daarvoor is in het verleden de Handreiking mobiele bereikbaarheid opgesteld die concrete handvatten biedt.4 De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) is beschikbaar om gemeenten te helpen in de toepassing daarvan.
Het is tegelijkertijd onverminderd van belang dat mensen gebrekkige mobiele bereikbaarheid van 112 melden bij het Centraal Informatiepunt 112. Dat stelt de RDI in staat om te onderzoeken wat in concrete gevallen de oorzaak van problemen is. Uit de meldingen die tot nog toe zijn ontvangen blijkt bijvoorbeeld dat de mobiele netwerkdekking niet altijd de oorzaak is. Dankzij meldingen kan worden verzekerd dat de beschikbare tijd en middelen worden gericht op de gevallen waarin de mobiele netwerkdekking van de Nederlandse netwerken de oorzaak is, en er mogelijkheden bestaan om die te verbeteren.
Desondanks zal niet voor alle locaties een oplossing mogelijk zijn door verdere verbetering van de Nederlandse mobiele netwerken. Daarom vind ik de aandacht die u en de media aan dit onderwerp geven, zeer belangrijk. Het is belangrijk dat mensen weten dat de mobiele netwerkdekking niet altijd en overal in Nederland kan worden gegarandeerd. Zelfs al behoren die netwerken tot de wereldtop en vinden er voortdurend investeringen en innovaties plaats om de mobiele bereikbaarheid in het algemeen en in het verlengde daarvan 112 verder te verbeteren.
Deelt u de zorg dat het aantal meldingen bij het meldpunt mobiele bereikbaarheid geen representatief beeld geeft van de situatie in de grensstreken, onder meer vanwege onbekendheid met het meldpunt en meldmoeheid? Bent u bereid om, mede op basis van signalen van gemeenten, toch te kijken naar aanvullende analyse?
Voor een goed beeld baseer ik mij op verschillende informatiebronnen, waaronder de meldingen bij het Centraal Informatiepunt 112, de metingen die de RDI verricht om te controleren of de drie mobiele netwerkaanbieders voldoen aan de dekkings- en snelheidsverplichting en signalen vanuit de samenleving. Het Centraal Informatiepunt 112 biedt de mogelijkheid om meldingen te doen bij het ervaren van mobiele onbereikbaarheid van 112. Zoals opgenomen in de beantwoording van vraag 2 is het van belang dat mensen meldingen doen bij dergelijke situaties.
Ik erken dat meldingen bij het Centraal Informatiepunt 112 niet altijd een volledig beeld geven van de situatie op sommige locaties. Bij het Centraal Informatiepunt Mobiele Bereikbaarheid 112 wordt, op basis van de informatie die per melding beschikbaar is, een eerste inschatting gemaakt van de mogelijke oorzaak van de ervaren onbereikbaarheid 112. Daaruit komt het beeld naar voren dat dit verschillende oorzaken kan hebben. Niet in alle gevallen hangt dit samen met de mobiele dekking ter plaatse; ook het gebruikte toestel, de kwaliteit van de spraakverbinding of het verloop van het contact nadat de verbinding tot stand is gekomen kan daarbij een rol spelen.
Om de bekendheid van het informatiepunt te vergroten, is de RDI in 2024 een mediacampagne gestart. Dit heeft geleid tot een toename in de bekendheid van het informatiepunt, maar niet tot een grote toename aan meldingen.
In hoeverre erkent u dat papieren dekkingspercentages – zoals de 98% buitenshuisdekking – onvoldoende inzicht geven in de werkelijke situatie in grensstreken, waar buitenlandse netwerken het Nederlandse signaal verdringen en zendvermogens worden geminimaliseerd?
De 98% buitenshuisdekking is de opgelegde geografische dekkingsverplichting aan de drie mobiele netwerkaanbieders. Het toezicht van de RDI, ook in grensgemeenten, geeft inzicht in de werkelijke situatie op basis van metingen. Hieruit blijken alle drie de mobiele netwerkaanbieders te voldoen aan deze 98% dekkingsverplichting.
De RDI heeft zeer recent metingen uitgevoerd in drie grensgemeenten in de provincies Gelderland en Limburg. Uit deze metingen komt naar voren dat de drie mobiele netwerkaanbieders in deze gemeenten voldoen aan de dekkings- en snelheidsverplichting en de dekking in grensgemeenten grosso modo niet wezenlijk afwijkt van andere metingen elders in het land. Tegelijkertijd blijkt uit de metingen dat op lokaal niveau wel verschillen bestaan tussen aanbieders als het gaat om netwerkdekking in de grensgemeenten, zoals dat ook in andere gemeenten doorgaans het geval is. Deze verschillen hebben onder andere te maken met de locaties van de antenne-opstelpunten, het aantal antenne-opstelpunten en ook de gebruikte frequentiebanden.
Daarbij is relevant dat dit de individuele gemeten dekking is van iedere aanbieder voor mobiele telefoongesprekken en mobiel internetgebruik van diens abonnees, terwijl bij noodoproepen gebruik gemaakt kan worden van alle beschikbare netwerken. Deze gestapelde dekking geeft voor 112-oproepen een hoger dekkingspercentage dan de individuele netwerken. Ook is het goed om op te merken dat de dekkingsverplichting wordt gemeten met een minimale snelheid van 8 Megabit per seconde. Bij een lagere signaalsterkte is het signaal mogelijk nog steeds voldoende om een telefoongesprek op te zetten.
Desalniettemin kan in grensstreken de bereikbaarheid van 112 lokaal minder goed zijn dan op andere plekken in Nederland, mede gelet op de noodzakelijke afstemming van frequentiegebruik met onze buurlanden. Ik ben mij er ook van bewust dat de metingen van de RDI een momentopname vormen en dat de ervaring van burgers en bedrijven hiervan kan verschillen. Dit heeft er onder andere mee te maken dat mobiele dekking afhankelijk is van invloeden als het weer en de seizoenen. Maar ook van het gebruikte toestel, de manier waarop mensen een toestel vasthouden, het abonnementstype en het andere (data)verkeer op het netwerk. Ook hoeven de mobiele netwerkaanbieders niet op elke locatie in een gemeente dekking en capaciteit aan te bieden, zolang aan de eis van 98% van het grondgebied wordt voldaan. Daartegenover staat dat, hoewel Natura 2000-gebieden in een gemeente formeel zijn uitgezonderd van de dekkings- en snelheidsverplichting, uit de metingen van de RDI blijkt dat in de praktijk vaak wel mobiele dekking is in deze gebieden. Tot slot merk ik op dat de dekkings- en snelheidsverplichting buitenshuis geldt, terwijl burgers en bedrijven vaak dekking binnenshuis verwachten.
Kunt u toelichten hoe de automatische netwerkkeuze bij 112-oproepen functioneert in praktijk, met name in situaties waarin geen bruikbaar Nederlands netwerk beschikbaar is en het buitenlandse netwerk 112-roaming niet ondersteunt?
Op het moment dat een toestel een 112-oproep start, zal dit via ieder Nederlands mobiele netwerk afgehandeld kunnen worden, afhankelijk van de signaalsterkte. Indien het eigen netwerk onvoldoende signaalsterkte biedt dan zal het toestel zoeken naar andere beschikbare mobiele netwerken. De telefoon zal verbinding maken met een mobiel netwerk dat voldoende signaalsterkte heeft. Dit kan ook een buitenlands mobiel netwerk zijn. Er is daarmee, in tegenstelling tot reguliere oproepen, geen afhankelijkheid van het eigen netwerk en bijbehorende netwerkdekking. Voor zover technisch mogelijk, ondersteunen de buitenlandse netwerken altijd 112-roaming.
In hoeverre acht u het realistisch om gemeenten verantwoordelijk te maken voor verbetermaatregelen in witte gebieden via de Handreiking mobiele bereikbaarheid, als er zonder aanvullende steun vanuit het Rijk geen zicht is op investeringen zoals zendmasten, grensafstemming of alternatieve infrastructuur?
Doorlopend ben ik met de mobiele netwerkaanbieders en gemeenten in gesprek over de plaatsing van zendmasten. Het Rijk schept daarbij de landelijke wettelijke kaders en randvoorwaarden en biedt ondersteuning aan gemeenten, onder andere in de vorm van gemeentelijk voorbeeldbeleid voor antenneplaatsing.5 Ook de genoemde Handreiking mobiele bereikbaarheid kan helpen om de netwerkdekking in (grens)gemeenten te verbeteren. In de basis is het aan de mobiele netwerkaanbieders om te bepalen waar zij zendmasten willen plaatsen, afhankelijk van de eigen (radio)planning. Gemeenten kunnen dit faciliteren aangezien zij de bevoegde instantie zijn voor het verlenen van vergunningen voor de plaatsing van zendmasten. Ook kunnen (grens)gemeenten ingaan op de jaarlijkse uitnodiging van Monet (het samenwerkingsverband van de mobiele operators) om te spreken over de voorgenomen plaatsing van nieuwe antenne-installaties in hun gemeente.
Bent u bereid om in gebieden waar mobiele dekking aantoonbaar tekortschiet, zoals in Ven-Zelderheide, nader te verkennen of aanvullende veiligheidsvoorzieningen zoals alarmpalen alsnog een rol kunnen spelen als vangnet in levensbedreigende situaties?
Vooropgesteld, de mobiele dekking en bereikbaarheid van 112 in Nederland zijn, over het algemeen, zeer goed. Dit is ook het geval in Ven-Zelderheide, onderdeel van de gemeente Gennep, blijkt uit de recente metingen van de RDI.6 Ook zijn er al diverse maatregelen getroffen en alternatieve manieren om 112 te kunnen bereiken, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. Ik waardeer het zeer dat u meedenkt in mogelijke oplossingen, en hoewel uw suggestie om bijvoorbeeld alarmpalen in te zetten sympathiek is, ben ik niet overtuigd dat de oplossing ligt in dergelijke vaste infrastructuren naast het reguliere (vaste) telefoonnet. Dit laat onverlet dat ik graag in gezamenlijkheid met provincies en gemeenten kijk naar mogelijke oorzaken en oplossingen voor lokaal achterblijvende mobiele netwerkdekking. Zoals opgenomen in de beantwoording van vraag 2 is het van belang dat mensen meldingen doen bij het ervaren van mobiele onbereikbaarheid van 112. Ik moet daarbij nogmaals benadrukken dat volledige mobiele netwerkdekking onmogelijk overal in Nederland kan worden gegarandeerd. Daarom is op de website van de rijksoverheid een aantal handelingsperspectieven opgenomen.7
Het bericht ‘Consortium wil wettelijke bezorgtaak van PostNL overnemen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van het FD dat verschillende partijen de wettelijke bezorgtaak van PostNL willen overnemen?1
Ik waardeer het initiatief van deze postvervoerders, Business Post en Spotta, (hierna «het beoogde consortium»), maar de komende periode staat in het teken van het politieke debat en keuzes over ingrijpende wijzigingen in de voorwaarden van de Universele Postdienst (UPD) en in de Postwet 2009.2 Daarmee verhoudt het zich niet goed om nu besluiten te nemen die de bestaande marktordening fundamenteel zouden veranderen. Een selectieprocedure en intrekking van de UPD-aanwijzing kunnen pas worden overwogen zodra de Kamer zich heeft uitgesproken over de voorgestelde maatregelen en keuzes heeft gemaakt over de toekomstige inrichting van de postmarkt. Pas dan kan worden beoordeeld hoe dit verzoek zich tot die keuzes verhoudt.
Ten overvloede merk ik op dat het beoogde consortium op korte termijn nog niet in staat is om landelijk alle onder de UPD gedefinieerde diensten te leveren. Zo dekt het beoogde consortium momenteel niet alle huishoudens en is er vooralsnog geen definitieve partner voor de pakketbezorging van de UPD. Het beoogde consortium suggereert dat het opknippen en (regionaal) aanbesteden van de UPD ook een mogelijke vorm van marktordening is maar beleidsmatig vind ik dat onwenselijk. Ik streef naar een systeem met eenvoud en efficiëntie in uitvoering en handhaving. Dat pleit ervoor om de UPD-dienstverlening bij één partij te beleggen. Dit schept tevens duidelijkheid over wie verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het naleven van de wettelijke verplichtingen, zoals bezorgnormen, landelijke dekking en tariefregulering.
Wel zie ik kansen voor verbetering van de huidige samenwerking tussen regionale vervoerders en de huidige UPD-verlener binnen de bestaande kaders, bijvoorbeeld in de vorm van onderaanneming. Dit vergt geen aanpassing van wet- en regelgeving en kunnen deze partijen nu al onderling oppakken.
Kunt u een tijdslijn geven van de gesprekken met PostNL over de bezorgplicht en wanneer Spotta en BusinessPost contact met het ministerie hebben gezocht?
Op 23 september jl. heeft een gesprek plaatsgevonden met Business Post en het ministerie, waarin Business Post heeft aangegeven in een consortium samen met Spotta de UPD te willen uitvoeren. Tijdens dit gesprek heeft Business Post namens het beoogde consortium een verzoek ingediend om de aanwijzing van PostNL in te trekken en een selectieprocedure te starten, waarin het beoogde consortium kan meedingen.
Op 2 oktober jl. heeft een telefonisch gesprek plaatsgevonden tussen PostNL en het ministerie, waarin de ontvangst van haar verzoek tot intrekking van de UPD is bevestigd.
Op 1 december jl. heeft een hoorzitting plaatsgevonden met het ministerie en PostNL over haar verzoek en het verzoek van het beoogde consortium.
Op 9 december jl. heeft een hoorzitting plaatsgevonden met het ministerie en beoogde consortium over hun verzoek.
Op 19 december jl. heb ik de verzoeken van PostNL en het beoogde consortium afgewezen. Het bezwaar van PostNL tegen de afwijzing van haar subsidieverzoek, het verzoek van PostNL om de UPD-aanwijzing in te trekken en het verzoek van het beoogde consortium om een nieuwe selectieprocedure te starten worden daarmee niet gehonoreerd.
Welke risico’s ziet u voor de continuïteit van de postbezorging wanneer de Universele Postdienst (UPD) wordt opgeknipt in meerdere uitvoerders? Kunt u dit per risico – logistiek, kwaliteitscontrole, arbeidsmarkt, aansprakelijkheid – uiteenzetten?
De beantwoording van vraag 3 en 4 zijn samengenomen.
Zijn er juridische of logistieke belemmeringen voor meerdere partijen om gezamenlijk de UPD uit te voeren, bijvoorbeeld rond aansprakelijkheid, foutafhandeling, uniforme tarieven en landelijke dekking?
Ondanks de gevoerde gesprekken ben ik niet overtuigd van de haalbaarheid en betaalbaarheid van de door het beoogde consortium gepresenteerde alternatieve postvisie.3 Het opknippen en (regionaal) aanbesteden van de UPD acht ik beleidsmatig onwenselijk. Een dergelijke inrichting leidt waarschijnlijk tot hogere maatschappelijke kosten, een zwaardere belasting voor toezichthouders en overheid en grotere complexiteit in borging van tarieven, kwaliteit en landelijke dekking. In een krimpende markt acht ik het bovendien niet haalbaar om meerdere (regionaal of landelijk) dekkende postnetwerken in stand te houden. Eén landelijk dekkend netwerk bevordert efficiëntie, continuïteit en betaalbaarheid, zoals ook blijkt uit ACM-onderzoek4 en mijn bredere beleidsvisie5 waarin post-, pakket- en andere bezorgnetwerken beter op elkaar aansluiten.
Wanneer meerdere partijen gezamenlijk in het beoogde consortium verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de UPD, ontstaan daarnaast onduidelijkheden rond aansprakelijkheid, kwaliteitsborging, klachtenafhandeling en logistieke afstemming. Onduidelijkheden hierover bemoeilijken effectief toezicht en kunnen ten koste gaan van consumenten, die gebaat zijn bij één duidelijk aanspreekpunt. De voorgestelde «neutrale regierol» roept vragen op over verdeling van verantwoordelijkheden. Ook zijn de effecten op de arbeidsmarkt onzeker: regionale aanbestedingen kunnen leiden tot verschuivingen in volumes en werkgelegenheid, met mogelijk gedwongen ontslagen, terwijl tegelijkertijd extra coördinatiecapaciteit nodig kan zijn. Deze onzekerheden onderstrepen de risico’s van een dergelijke marktinrichting.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat, mochten deze gesprekken toch plaatsvinden, de werknemerspositie van zowel de huidige postbodes als de nieuwe werknemers hetzelfde blijven en waar mogelijk versterkt? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de huidige postbodes hun baan behouden ongeacht welk effect dit heeft voor PostNL?
Ik zet mij in voor realistische kaders voor de UPD, die uitvoerbaar zijn binnen de beschikbare capaciteit van de markt. Daarmee wil ik bijdragen aan het zoveel mogelijk duurzaam behouden van werkgelegenheid in de sector, met oog voor de realiteit van een krimpende postmarkt. De maatregelen die ik in het Postbesluit6 heb voorgesteld, en die momenteel ter voorhang aan uw Kamer zijn aangeboden, vormen daarbij een belangrijke stap.
Daarnaast dienen werkgevers zich daarbij te houden aan alle relevante wet- en regelgeving, waaronder bepalingen op het gebied van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. Vakbonden en werkgevers kunnen onderling afspraken maken over arbeidsvoorwaarden. De naleving van deze regels wordt bewaakt door de toezichthoudende instanties. De Nederlandse Arbeidsinspectie ziet toe op de naleving van de arbeidswetten door werkgevers.
Hoe verantwoordt u concurrentie rondom de UPD als dat een belangrijk onderdeel is van de taken van het Rijk? Bent u bereid de concurrentie tegen te gaan? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het wenselijk dat op bepaalde delen van de postmarkt ruimte blijft voor concurrentie. Concurrentie kan bijdragen aan het borgen van publieke belangen door innovatie te stimuleren en marktpartijen te prikkelen om diensten betaalbaar en van hoge kwaliteit te leveren die aansluiten bij de behoeften van gebruikers. Ik zie er daarbij op toe dat de UPD toegankelijk blijft en voldoet aan de vastgestelde kwaliteitsnormen. Wanneer concurrentie risico’s oplevert voor het borgen van publieke belangen die samenhangen met de UPD, kan de overheid waar nodig ingrijpen via wet- en regelgeving.
Daarnaast verandert de postmarkt snel: het aantal brieven en kaarten neemt af, terwijl de kosten voor postbezorging stijgen. Dit maakt het steeds moeilijker om een haalbaar businessmodel te behouden. Een tweede landelijke postnetwerk is in een krimpende markt niet haalbaar, zo constateert ook de ACM in haar onderzoek.7 Ik streef daarom naar een transitie van een traditionele postmarkt naar een brede bezorgmarkt, waarin post via verschillende netwerken (zoals pakket- en foldernetwerken) kunnen worden bezorgd. Dit stimuleert concurrentie en innovatie, en maakt het mogelijk om efficiënter te werken in een krimpende markt en post toegankelijk te houden voor de gebruiker.
Hoe beschermt u de arbeidsvoorwaarden van werknemers in een markt die alleen maar verder concurreert? Bent u bereid hier stappen in te ondernemen als blijkt dat werknemers de dupe zijn van de concurrentiestrijd?
Er bestaan in Nederland verschillende waarborgen om werknemers te beschermen, ook in markten waar concurrentie een rol speelt. Werkgevers dienen te voldoen aan de geldende arbeidswetgeving, waaronder regels over loon, arbeidstijden, arbeidsomstandigheden en gelijke behandeling. Daarnaast worden cao-afspraken tussen sociale partners breed toegepast in de sector. Zoals ook op vraag 5 is geantwoord, zien sociale partners toe op de naleving van cao’s en de Arbeidsinspectie op naleving van de arbeidswetten door de werkgevers.
Daarnaast kan concurrentie ook gepaard gaan met betere arbeidsvoorwaarden, met name als postbedrijven concurreren met andere sectoren om arbeidskrachten die passen bij het profiel van de postbezorger. Als er binnen dit segment van de arbeidsmarkt ook sprake is van krapte, heeft deze groep de mogelijkheid om elders beter betaalde of aantrekkelijkere banen te vinden, wat bedrijven in de postsector prikkelt om hun arbeidsvoorwaarden te verbeteren om personeel aan te trekken en te behouden.
Het ontwikkelen van verdere aanvullende sectorspecifieke regulering voor de postmarkt acht ik niet noodzakelijk en bovendien onwenselijk. Allereerst bestaat er al sectorspecifieke regelgeving: postbedrijven zijn verplicht ten minste 80% van hun werknemers in vaste dienst te hebben. Verdere sectorspecifieke regelgeving specifiek voor werknemers in de postmarkt is niet nodig ten opzichte van de reeds bestaande generieke bescherming. Die biedt een solide basis voor alle werknemers, ongeacht de sector waarin zij werkzaam zijn.
Deelt u de analyse dat de voortdurende problemen met PostNL – zoals verlieslatende uitvoering, druk op arbeidsvoorwaarden, teruglopende kwaliteit en het herhaaldelijk vragen om staatsteun – laten zien dat de liberalisering en verzelfstandiging van de postmarkt mislukt is? Zo nee, waarom niet?
Nee, die conclusie deel ik niet. Nederland behoort al jaren tot de best presterende landen in de ranglijsten van de Wereldpostunie (Universal Postal Union) en wordt internationaal gezien als een voorbeeld van hoogwaardige en toegankelijke postdienstverlening tegen relatief lage kosten. Deze resultaten wijzen er niet op dat de liberalisering en verzelfstandiging van de postmarkt is mislukt.
Dat neemt niet weg dat de markt substantieel veranderd is door de voortdurende en forse daling van het postvolume. Dit legt druk op de uitvoering van de UPD, de kostendekkendheid en de bedrijfsmodellen van marktpartijen, waaronder PostNL. Deze uitdagingen zijn echter primair het gevolg van structurele marktontwikkelingen, en niet van het principe van liberalisering zelf.
Het blijft daarom van belang dat het wettelijke kader tijdig wordt aangepast aan deze veranderende omstandigheden. Met de beoogde maatregelen die ik met de wijziging van het Postbesluit 2009 en de voorliggende wijziging van de Postwet 2009 voorstel, werk ik aan een toekomstbestendig stelsel dat ruimte biedt voor een duurzame uitvoering van de postdienstverlening.
Bent u het ermee eens dat essentiële en publieke diensten, zoals de postbezorging, geborgd moeten worden door te functioneren zonder winstoogmerk en concurrentie in plaats van afhankelijk te zijn van commerciële belangen die primair gericht zijn op winst in een krimpende markt?
Ik ben het ermee eens dat de postdienstverlening in Nederland moet worden geborgd. Dat gebeurt echter niet door de dienstverlening zonder winstoogmerk te organiseren, maar door duidelijke wet- en regelgeving en toezicht. Hierdoor blijven toegankelijkheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid gewaarborgd, ook in een krimpende markt.
Daarnaast heeft liberalisering van de postmarkt ook belangrijke voordelen opgeleverd. Concurrentie stimuleert efficiëntie, innovatie binnen de sector. Marktpartijen worden geprikkeld om hun dienstverlening te verbeteren, processen te optimaliseren en in te spelen op veranderende behoeften van consumenten en bedrijven. Dit heeft in het verleden geleid tot lagere kosten, snellere bezorging en een breder aanbod van post- en pakkettenservices. Een volledig publieke uitvoering zonder ruimte voor marktwerking zou het risico met zich meebrengen dat innovatie afneemt en de sector minder flexibel kan inspelen op technologische en economische ontwikkelingen. Door publieke belangen wettelijk te verankeren en marktwerking binnen duidelijke kaders toe te staan, ontstaat een evenwicht tussen maatschappelijke waarborgen en economische dynamiek. Op die manier blijft de postvoorziening toekomstbestendig, ook in een snel veranderende communicatiemarkt.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de UPD zou functioneren in publieke handen of als een niet-commerciële organisatievorm, bijvoorbeeld een publiek bedrijf, zodat continuïteit, betaalbaarheid en arbeidsvoorwaarden voorop staan? Zo nee, waarom niet?
Nee, een andere vorm van marktordening is op dit moment niet aan de orde. Het publieke belang dat raakt aan post als communicatiemiddel neemt richting de toekomst af, aangezien steeds minder mensen hiervan gebruikmaken en communicatie in toenemende mate digitaal plaatsvindt. In een krimpende markt met een kleiner wordende relevantie voor het publiek belang is een dergelijke ingrijpende stelselwijziging niet passend.
De borging van de belangen rond de UPD, zoals continuïteit, betaalbaarheid en arbeidsvoorwaarden zijn bovendien al verankerd via het bestaande wettelijke kader en het toezicht daarop. Binnen dit stelsel kunnen eventuele knelpunten effectief worden aangepakt zonder dat een niet-commerciële of volledig publieke organisatievorm noodzakelijk is.
Deelt u de mening dat binnen scherpe marktomstandigheden, zoals op de postmarkt, concurrentie lage prijzen tot gevolg heeft die zullen worden ingelost op arbeid, zoals bijvoorbeeld CNV aangaf bij de intrede van Spotta op de postmarkt?2 Zo ja, wat gaat u hier tegen doen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel niet de conclusie dat concurrentie per definitie leidt tot lagere arbeidsvoorwaarden. Concurrentie kan weliswaar druk zetten op kosten, maar in Nederland bestaan er meerdere robuuste borgingsmechanismes die werknemers beschermen, ook in markten met scherpe concurrentie. Daarnaast kan concurrentie ook gepaard gaan met een verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Werkgevers moeten zich altijd houden aan de arbeidswetgeving en ook cao-afspraken tussen sociale partners zijn breed van toepassing. Hierop houden verschillende organisaties toezicht: de Arbeidsinspectie op naleving van de arbeidswetten door werkgevers, de sociale partners op cao-naleving.
Het is daarom niet noodzakelijk noch wenselijk om aanvullende sectorspecifieke regulering voor de postmarkt in te voeren ter bescherming van de arbeidsvoorwaarden. Allereerst bestaat er al sectorspecifieke regelgeving: postbedrijven zijn verplicht ten minste 80% van hun werknemers in vaste dienst te hebben. Daarnaast bieden bestaande horizontale regels en het bijbehorende toezicht een solide en generiek beschermingskader voor alle werknemers, ongeacht marktomstandigheden of de mate van concurrentie. Indien er desondanks signalen ontstaan dat werknemers daadwerkelijk worden benadeeld, kunnen deze binnen het huidige kader adequaat worden opgepakt, bijvoorbeeld via interventies van sociale partners of door handhavend optreden van toezichthouders.
Erkent u de waarschuwing van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en de Raad voor de Rechtspraak dat de postbezorging miljoenen brieven te laat gaat bezorgen door het opheffen van de Postwet en zelfs in strijd is met Europese eisen en rechtsbescherming?3, 4 Zo ja, volgt u de adviezen van de ACM op? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het niet eens met dit geschetste beeld. De postdienstverlening blijft voor burgers toegankelijk en van voldoende kwaliteit. Tegelijkertijd neem ik de signalen en aanbevelingen van de ACM en de Raad voor de Rechtspraak serieus en onderhoud ik nauw contact om hier opvolging aan te geven. In de nota van toelichting bij de wijziging van het Postbesluit 2009 ga ik nader in op deze punten, waarbij de standpunten van beide partijen worden meegenomen.
Onderschrijft u de negatieve ketteneffecten die het opheffen van de UPD zullen hebben op de betrouwbaarheid van de postbezorging? Zo ja, hoe vangt u deze op? Zo nee, waarom niet?
De effecten die het lid van Dijk omschrijft kan ik niet goed plaatsen. Ook is het opheffen van de UPD momenteel niet aan de orde.
Het slopen van de privacybescherming in de nieuwe Europese Omnibus-wetgeving |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
van Marum , Arno Rutte (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU Commission internal draft would wreck core principles of the GDPR» en de brandbrief van 127 organisaties over de Digitale Omnibus?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bovenstaande bericht en de brandbrief? Kunt u ingaan op de inhoudelijke bezwaren en zorgen die hierin worden geuit?
Wij hebben kennisgenomen van de bezwaren en zorgen en nemen deze opmerkingen serieus. De bezwaren en zorgen waren evenwel gericht op een nog niet gepubliceerde versie van de zevende omnibus verordening. Alhoewel het kabinet bij de gepubliceerde voorstellen veel aanpassingen binnen de Omnibus AI en Omnibus Digitaal kan steunen omdat deze in lijn zijn met de Nederlandse inzet, heeft het kabinet vooral bij een aantal fundamentele wijzigingen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) serieuze zorgen, omdat deze wijzigingen het niveau van gegevensbescherming wezenlijk verminderen, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk. Via een versnelde Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-route is uw Kamer op 12 december met een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet op de Omnibus Digitaal. In het antwoord op vraag 3 wordt hierop nader ingegaan.
Wat is uw zienswijze op de Digitale Omnibus, die ook aanpassingen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de voorgestelde e-Privacyverordening bevat?
In navolging van een vierde Omnibuspakket, waarin ook sprake was van een aantal gerichte vereenvoudigingen voor de AVG heeft de Europese Commissie (EC) op 19 november 2025 het zevende Omnibuspakket (ook wel het «Digitale Pakket») gepubliceerd. Zoals aangegeven in het BNC-fiche, verwelkomt het kabinet dat de Commissie met de omnibussen erop inzet digitale wetgeving te vereenvoudigen en stroomlijnen. Dit past binnen de bredere doelstelling van het kabinet om de regeldruk terug te dringen. Het kabinet ziet dat het pakket mogelijk ook kansen biedt voor de ontlasting van de uitvoeringsorganisaties en de vereenvoudiging van de uitvoering van beleid. Het kabinet zet erop in dat deze omnibussen zich focussen op versimpeling, verduidelijking en stroomlijning van wetgeving en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG geven wel aanleiding tot zorgen, omdat deze kunnen leiden tot een wezenlijke vermindering van het niveau van gegevensbescherming, zonder dat er sprake is van een effectieve bijdrage aan het verlagen van regeldruk.
Zal de Digitale Omnibus de privacybescherming van burgers verzwakken? Kunt u antwoorden met een heldere ja of nee, en dit vervolgens onderbouwen?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. Het ontbreken van een impact assessment maakt het moeilijk om deze vraag met een helder ja of nee te beantwoorden. Het kabinet zal opheldering vragen bij de Commissie en de gevolgen voor regeldruk, uitvoerbaarheid en bescherming van grondrechten verder in kaart brengen, voordat het tot een definitief oordeel komt op deze onderdelen. Het kabinet hecht er dan ook aan dat er in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming en grondrechten gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt daarnaast dat het nog te verschijnen advies van de Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) moet worden betrokken bij de bespreking van dit voorstel.
Deel u de mening dat «simplificatie» van wetgeving nooit mag leiden tot deregulering en een feitelijke verzwakking van de privacybescherming?
Met betrekking tot de Omnibus Digitaal en Omnibus AI zet het kabinet erop in dat de omnibussen digitale wetgeving versimpelen, verduidelijken en stroomlijnen en dat de doelen van de wetgeving daarbij overeind blijven.
Het kabinet steunt het doel van simplificatie van digitale wetgeving en zal zich hier proactief voor inzetten in het kader van de omnibus, maar in het bijzonder voor wijzigingen met impact op gegevensbescherming hecht het kabinet er als gezegd aan dat er gelegenheid is om de voorstellen en de gevolgen daarvan gedegen te analyseren en deze inhoudelijk te bespreken.
Deelt u de opvatting dat het beschermen van privacy een kernwaarde is van de Europese Unie, een uitvloeisel is van een gezamenlijk wereldbeeld én de lessen getrokken uit de Tweede Wereldoorlog, en dat dit onder geen enkele voorwaarde geweld mag worden aangedaan?
Het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (het «recht op privacy»), daaronder begrepen het recht op gegevensbescherming, is een grondrecht dat onder meer is neergelegd in artikel 10 Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, is het recht op gegevensbescherming in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een op zichzelf staand grondrecht, expliciet ontkoppeld van het recht op privacy. In artikel 7 Handvest Grondrechten EU staat het recht op eerbiediging van het privéleven, in artikel 8 het recht op bescherming van persoonsgegevens. De Unierechtelijke uitwerking is gedaan in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding (overweging 4 AVG). Zo kan het recht bij wet worden ingeperkt, mits voldaan is aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit en de inperkingen voldoende voorspelbaar en voorzienbaar zijn voor de betrokkenen. Dat onder geen enkele voorwaarde inbreuk mag worden gemaakt op dit grondrecht, onderschrijven wij derhalve niet.
Op welke manieren en op welke momenten heeft Nederland haar zienswijze over de Digitale Omnibus gedeeld met de Europese Commissie? Kunt u deze contactmomenten uiteenzetten?
Het versimpelen van (onderdelen van de) digitale wetgeving is onderwerp geweest van diverse Raadsbesprekingen waar de Europese Commissie aan deelnam en besprekingen in EU-verband. Potentiële wijzigingen aan de AVG waren daarbij niet altijd onderwerp van gesprek. Versimpeling van de AI-verordening is besproken tijdens meetings van de AI-Board en versimpeling van de Dataverordening, Datagovernanceverordening en de Free Flow of Dataverordening is onderwerp geweest van de Raadswerkgroep Telecom. Het kabinet heeft het non-paper regeldruk en digitale wetgeving onder de aandacht gebracht bij de informele Telecomraad van 9 en 10 oktober en in hoogambtelijke besprekingen met de Commissie.
Kunt u alle relevante documenten, die betrokken zijn bij het bepalen van de Nederlandse inzet delen met de Kamer? Heeft u ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij betrokken?
Het kabinet heeft u via een versnelde BNC-route geïnformeerd over de inzet ten aanzien van de Omnibuswetgeving. Vanwege de snelle doorlooptijd van het omnibusvoorstel en brede betrokkenheid van meerdere departementen is er geen overzicht van alle input die is ontvangen en betrokken. Het kabinet krijgt soms van stakeholders, zoals belangenorganisaties, proactief input toegestuurd. Daarnaast neemt het kabinet ook input in beschouwing die hem via de media bereikt, zoals de brandbrief waar u in vraag 1 naar verwijst. Het kabinet betrekt ook adviezen van burgerrechtenorganisaties hierbij.
Acht u het verantwoord en acceptabel dat AI-bedrijven, waaronder Amerikaanse techgiganten als Google en Meta, meer mogelijkheden krijgen om gegevens van Europese burgers te gebruiken om AI-modellen te trainen?
In het voorstel van de Commissie wordt een artikel 88c aan de AVG toegevoegd, waarin het expliciet de grondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6 lid 1 onder f) wordt aangewezen als de grondslag voor – kort gezegd – het ontwikkelen en toepassen van AI-modellen. Om de gevolgen van deze voorgestelde wijziging goed te overzien, is meer duidelijkheid daarover nodig en Nederland heeft op dat punt vragen gesteld aan de Commissie. De mogelijkheid om persoonsgegevens te gebruiken voor het trainen van AI-modellen bestaat overigens ook nu al. De EDPB, waarin de Europese toezichthouders samenwerken, heeft hierover op 18 december 2024 een advies aangenomen.2 Uit dat advies volgt dat de AVG ruimte biedt om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» (artikel 6, eerste lid, onder f AVG) persoonsgegevens voor dit doel te verwerken. Of van deze grondslag gebruik kan worden gemaakt, wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Zo moet worden vastgesteld dat de beoogde verwerking noodzakelijk is ter behartiging van het gerechtvaardigde belang én dat de belangen of fundamentele rechten en vrijheden van betrokkenen die door de verwerking van persoonsgegevens worden geraakt, niet zwaarder wegen dan het gerechtvaardigde belang dat met de verwerking wordt gediend. Ook moet elke verwerkingsverantwoordelijke aantoonbaar maatregelen nemen om de impact van de verwerking op de belangen van betrokkenen te verkleinen. Daarbij speelt de toegang tot rechten van betrokkenen onder de AVG een rol, zoals het recht op inzage en het recht op bezwaar. De toezichthouder beoordeelt uiteindelijk of een dergelijke vorm van verwerking rechtmatig is. Of deze mogelijkheden verder moeten worden verruimd, vergt nadere beoordeling. Dit zou alleen aan de orde kunnen zijn als de gevolgen voor fundamentele rechten voldoende gewaarborgd zijn.
Deelt u de mening dat bescherming van gevoelige gegevens, zoals politieke voorkeur, seksuele oriëntatie, en gezondheidsdata, geen geweld mag worden aangedaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 hanteert het kabinet in het kader van de omnibus het uitgangspunt dat de omnibus moet focussen op verduidelijking, versimpeling en het vergroten van consistentie van digitale wetgeving. De inzet is dat daarbij de doelen van de wetgeving niet worden afgezwakt. Onder de AVG is de verwerking van deze bijzondere categorieën van persoonsgegevens verboden, vanwege de impact die dit kan hebben. Verwerking kan alleen plaatsvinden, als er een wettelijke uitzonderingsgrond bestaat. Met het voorstel worden twee nieuwe uitzonderingsgronden opgenomen in de AVG. Deze worden op dit moment nog beoordeeld. Uw Kamer is hierover geïnformeerd met het BNC-fiche.
Welk signaal geeft het verzwakken van de AVG en de e-Privacyverordening af aan het Nederlandse en Europese midden- en kleinbedrijf dat volop inzet op het ontwikkelen van verantwoorde en privacyvriendelijke AI conform deze regelgeving?
De voorgestelde wijzigingen aan de AVG en de e-Privacyverordening zijn nog onderwerp van onderhandeling. Deze wetten zijn dus nog niet gewijzigd. Het kabinet heeft het streven om de regeldruk terug te dringen. Regeldruk zet een rem op de productiviteitsgroei van bedrijven en dus ook op het concurrentievermogen van onze economie. Dit kan op den duur ook de financiering van publieke taken onder druk zetten. Het kabinet zet zich daarom constructief in voor het versimpelen van digitale wetgeving, waarbij één van de uitgangspunten is dat de bescherming van grondrechten gewaarborgd blijft. Dit betekent dat het kabinet kritisch beziet of de voorstellen het doel van verlaagde regeldruk daadwerkelijk dienen en welke gevolgen dit heeft voor het niveau van gegevensbescherming. Het kabinet hecht waarde aan duidelijkheid en rechtszekerheid voor het bedrijfsleven. Bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, hecht het kabinet aan een impact assessment zodat het kabinet kan beoordelen of voorgestelde wijzigingen noodzakelijk, proportioneel en subsidiair zijn en de gevolgen voorspelbaar en voorzienbaar.
Deelt u de mening dat het verduidelijken van wet- en regelgeving voor het midden- en kleinbedrijf niet ten koste hoeft te gaan van privacybescherming? Is dit ook uw uitgangspunt?
Ja. Het is al langere tijd een doel van het kabinet om regeldruk terug te dringen en daartoe zijn ook al oplossingsrichtingen in kaart gebracht. Hierbij kan worden gedacht aan praktische hulpmiddelen, zoals sjablonen en praktische richtsnoeren van de toezichthouder, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), om naleving van de wet- en regelgeving voor kleinere organisaties te vereenvoudigen. Ook kunnen lijsten van verwerkingsactiviteiten met een laag risico die door toezichthoudende autoriteiten worden verstrekt, meer duidelijkheid verschaffen en kan de ontwikkeling en het gebruik van gedragscodes en certificering worden gestimuleerd. Ten aanzien van het gebruik van gedragscodes en certificering, overweeg ik om hier nader onderzoek naar te laten doen. Het uitgangspunt van het kabinet bij de Omnibus Digitaal is dat bij het versimpelen van de wetgeving de doelen, inclusief de bescherming van grondrechten, van de wetgeving niet worden afgezwakt.
Bent u bereid om in gesprek te treden met onafhankelijke experts, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en burgerrechtenorganisaties op het gebied van privacy, om de Digitale Omnibus te beoordelen en in kaart te brengen of deze in de praktijk zal leiden tot een verzwakking van de privacybescherming?
Het is vanzelfsprekend dat het kabinet goede contacten onderhoudt met het veld, met inbegrip van burgerrechtenorganisaties, maar ook met partijen zoals VNO-NCW. Ten aanzien van de omnibus betrekken wij in elk geval de informatie van deze organisaties die zij publiceren bij de zelfstandige oordeelsvorming, en is er contact met de AP. Waar het om gegevensbescherming gaat kijken wij uit naar het gezamenlijke advies van de EDPB/EDPS.
Bent u bereid om een voorbehoud te maken op het steunen van de Digitale Omnibus, zolang niet is uitgesloten dat deze de privacybescherming verzwakt?
Het kabinet is het voorstel nog aan het bestuderen en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal. In beginsel steunt Nederland voorstellen om digitale wetgeving te vereenvoudigen en de regeldruk ervan te verlagen. Daarbij is het wel belangrijk dat de doelen, met inbegrip van het niveau van gegevensbescherming, van de wetgeving overeind blijven en er gelegenheid is om de voorstellen, en de gevolgen daarvan voor onder andere de bescherming van grondrechten, gedegen te analyseren, de impact ervan te kunnen doorgronden, en goed inhoudelijk te bespreken. Het kabinet vindt het in het algemeen van belang dat bij fundamentele wijzigingen aan wetgeving, zeker als die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, een impact assessment wordt gedaan. Ook is het van belang om bij wijzigingen die impact hebben op het recht op gegevensbescherming, het advies van Europees Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) al dan niet in samenspraak met het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) te betrekken bij de verdere analyse en bespreking, om te voorkomen dat de bescherming van grondrechten, waaronder gegevensbescherming, wordt verlaagd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden, en toezeggen om geen definitief standpunt in te nemen over de Digitale Omnibus zolang de Kamer zich hierover niet heeft uitgesproken?
De vragen zijn zo snel als mogelijk en separaat beantwoord. Het kabinet bestudeert momenteel het gepubliceerde voorstel van de EC en heeft uw Kamer via het BNC-fiche geïnformeerd over zijn positie op de Omnibus Digitaal.
De Amerikaanse overname van het Nederlandse cloudbedrijf Solvinity |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Onrust bij overheden over verkoop cloudbedrijf aan Amerikaanse IT-gigant»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Wat is uw reactie op de overname van het cloudbedrijf Solvinity door het Amerikaanse techbedrijf Kyndryl?
Het waarborgen van onze digitale autonomie is een belangrijke ambitie van het kabinet, zoals ook is beschreven in de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie2. Voor onze digitale autonomie is het van belang dat we een sterkere Nederlandse (en Europese) techsector opbouwen. Voor een klein handelsland als Nederland zijn een open economie en toegang tot internationale kapitaalmarkten hiervoor essentieel. Dat zorgt ervoor dat Nederlandse bedrijven internationaal innovatief en concurrerend kunnen zijn. Tegelijkertijd betekent dit dat bedrijven overgenomen kunnen worden door buitenlandse partijen. Waar investeringen in Nederlandse marktpartijen impact hebben op onze nationale veiligheid, hebben we instrumenten tot onze beschikking om die impact te toetsen en – indien noodzakelijk – ons hiertegen te beschermen, zoals de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet Vifo) en de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT).
Was u vooraf op de hoogte van de overname van Solvinity? Zo ja, sinds wanneer wist u dat het bedrijf door een Amerikaanse onderneming zou worden overgenomen?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Hierbij is de naam van de overnamekandidaat niet door Solvinity gedeeld. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025. Het Ministerie van BZK heeft de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Heeft u voorafgaand aan de overname van Solvinity gepoogd om het bedrijf in Nederlandse handen te houden? Heeft Solvinity hierover gesprekken gehad met de Nederlandse overheid?
Het in Nederlandse handen houden van alle bedrijven is op zichzelf geen doel van het kabinet. Nederland hanteert een stelsel van investeringstoetsingen gericht op het mitigeren van risico’s voor de nationale veiligheid. Mocht de beoogde overname onder het bereik van de investeringstoetsing vallen zal het reguliere, zorgvuldige proces daartoe gevolgd worden.
Het management van Solvinity en het management van Kyndryl voeren, na de openbare aankondiging, met verschillende contracthouders gesprekken over de voorgenomen overname.
Welke diensten neemt de rijksoverheid momenteel van Solvinity af? In welke kritieke processen spelen de clouddiensten van Solvinity momenteel een aanzienlijke rol?
Bekend is dat Solvinity diensten levert aan meerdere departementen, waaronder BZK (Logius), JenV, SZW, VWS, Financiën. Momenteel wordt geïnventariseerd of er kritieke processen afhankelijk zijn van de dienstverlening door Solvinity. Door deze inventarisatie wordt inzicht in het totale risicobeeld verkregen. Op basis hiervan kunnen afwegingen gemaakt worden ten aanzien van het handelingsperspectief. De verwachting is dat de inventarisatie in de komende twee weken wordt afgerond.
Levert Solvinity momenteel diensten gebaseerd op Amerikaanse Platform-as-a-Service (PaaS) producten zoals Azure? Bestaat er in de huidige situatie al een mogelijk weglekken van overheidsinformatie naar Amerikaanse partijen? Kunt u onderbouwen dat dit (niet) het geval is?
Voor enkele departementen levert Solvinity toegang tot de genoemde PaaS diensten op Microsoft Azure. Bij gebruik van dit soort cloud diensten is er vrijwel altijd een risico dat data mogelijk wordt opgevraagd door Amerikaanse autoriteiten. Zoals eerder met uw Kamer gedeeld in reactie op de Initiatiefnota «Wolken aan de horizon», is op basis van onderzoek vastgesteld dat de kans laag is dat gegevens van Europese burgers op basis van de CLOUD Act verstrekt zullen worden aan de Amerikaanse overheid3. De mogelijke overname van Solvinity door Kyndryl maakt geen verschil met betrekking tot dit risico.
Is voor de overheidsdiensten die nu geleverd worden door Solvinity een exitstrategie opgesteld? Zo ja, treedt deze in werking nu er een Amerikaanse overname dreigt? Zo nee, waarom is er geen exitstrategie opgesteld / treedt deze niet in werking?
Het rijksbreed cloudbeleid vereist dat er een exitstrategie opgesteld wordt bij het gebruik van clouddiensten. Organisaties stellen risicoanalyses op ten aanzien van de afgenomen dienstverlening, hierin worden onder meer de gevoeligheid van de data en de toepassing meegenomen.
Logius heeft eisen gesteld aan de retransitie4 en een retransitieplan opgesteld dat gevolgd moeten worden als het contract met Solvinity wordt beëindigd. Dit ziet niet specifiek op overnames. Verder heeft Logius, in lijn met de NDS, begin 2025 een nieuwe visie voor infrastructuur opgesteld. Daarbij heeft Logius de voorkeur uitgesproken om haar infrastructuurdienstverlening af te nemen bij een andere overheidsorganisatie en in uiterste geval – indien de Overheidscloud niet tijdig beschikbaar is – het beheer van de dienstverlening die door Solvinity wordt geleverd opnieuw Europees aan te besteden.
Voor een aantal organisaties geldt dat het verplaatsen van de huidige diensten naar een andere provider op korte termijn niet haalbaar is vanwege de complexiteit en afhankelijkheid van de huidige infrastructuur.
Welke gevolgen heeft de overname van Solvinity door een Amerikaans bedrijf voor de vertrouwelijkheid en veiligheid van overheidsinformatie die bij dit bedrijf worden ondergebracht, en het bedrijf vermoedelijk onder Amerikaanse wetgeving zoals de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA)2 en Executive Order 12333 komt te vallen?
Er zijn met Solvinity afspraken gemaakt over de vertrouwelijkheid en veiligheid van de bij deze onderneming ondergebrachte gegevens. Een overname van Solvinity door een partij in de VS betekent dat die afspraken nader moeten worden ingevuld, om te voorkomen dat de vertrouwelijkheid en veiligheid van die gegevens in het geding kan komen.
De drie genoemde wettelijke instrumenten maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
De overeenkomsten tussen de Staat en Solvinity bieden aanknopingspunten om ten minste van Solvinity te verlangen dat er technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de gegevens waartoe zij toegang heeft op een wijze worden verwerkt die voldoet aan de in de EU geldende regels, zoals die uit de Algemene verordening gegevensbescherming. Welke maatregelen dat zullen zijn vormt onderwerp van de gesprekken tussen de Staat en Solvinity.
Vindt u het acceptabel dat, met de Amerikaanse overname van Solvinity, nog meer overheids-ict onder Amerikaanse surveillancewetgeving komt te vallen?
Door toenemende digitalisering en oplopende geopolitieke spanningen moeten we alert zijn op de weerbaarheid van overheidsorganisaties. In dit kader is het bovendien belangrijk om het bredere belang van digitale autonomie te benadrukken. Overheidsorganisaties zijn sterk afhankelijk van digitale infrastructuur en technologieën, die vaak buiten Europa worden ontwikkeld of beheerd. Het versterken van digitale autonomie vergt daarom een Europese aanpak.
Geeft de recente Amerikaanse overname van Zivver en Solvinity aanleiding om meer kerntaken van de digitale overheid, zoals het beheren van burgerinformatie, in publiek beheer te brengen?
De Rijksoverheid streeft naar vermindering van de afhankelijkheid van techgiganten, binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt verkend hoe een soevereine overheidscloud eruit kan zien. Een voorbeeld hiervan is de casus omtrent de migratie van SSC-ICT, waar documenten en mail in de eigen datacenters zijn blijven staan.
Bent u bereid om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om te voorkomen dat kritieke processen, zoals Logius, DigiD en de dienstverlening aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder Amerikaanse surveillancewetgeving gaan vallen?
Ik ben bereid passende maatregelen te treffen op basis van een zorgvuldige risico-gebaseerde aanpak. Zodra de kritieke processen geduid worden als een «te beschermen belang» is aanvullende regelgeving van kracht.
Is in de lopende contracten met Solvinity een ontbindende voorwaarde opgenomen in het geval het bedrijf wordt overgenomen door een bedrijf dat onder niet-Europese surveillancewetgeving valt?
Op dit moment worden verschillende contracten beoordeeld door de Landsadvocaat.
Zijn er andere mogelijkheden om de contracten met Solvinity te ontbinden, als inderdaad blijkt dat door de Amerikaanse overname de vertrouwelijkheid en veiligheid van kritieke overheidsinformatie in het geding komt?
Indien de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten 2022 (ARBIT-2022)6 van toepassing verklaard is op de overeenkomst is er een ontbindingsgrond als er sprake is van een ingrijpende wijziging in de zeggenschap (wat het geval kan zijn bij fusies en overnames) met betrekking tot de onderneming van de wederpartij/opdrachtnemer. Door de landsadvocaat wordt momenteel onderzocht in hoeverre dit het geval is.
Indien door de overname de nakoming van de verwerkersovereenkomst en de naleving van de AVG wordt bemoeilijkt of zelfs onmogelijk wordt, kan dit een grond vormen om de dienstverleningsovereenkomst respectievelijk de verwerkersovereenkomst te ontbinden.
Dit laat overigens onverlet de mogelijkheid om in een concreet geval een overeenkomst op basis van de Algemene Rijksvoorwaarden op te kunnen zeggen.
Indien de overname door een niet-Europese partij geen ontbindende voorwaarde is, bent u dan bereid om dit voortaan altijd als voorwaarde op te nemen in contracten met Europese cloudleveranciers?
Een bepaling in het contract opnemen m.b.t. «change of control» door een niet-Europese partij is een aanvullende optie en moet worden onderzocht. Per aanbesteding wordt bekeken of dit proportioneel is, gelet op de inhoud van de opdracht.
In de Verzamelbrief Aanbesteden7 is aangegeven dat de voorkeur ligt bij de gerichte inzet van kwalitatieve eisen om de vraag naar producten van EU-bedrijven te bevorderen in strategische sectoren. Doelstelling in de Nederlandse Digitaliseringsstrategie is het zorgen voor een overheidsbrede samenwerking waarmee mogelijkheden ontstaan om (soevereine) overheids ICT diensten overheidsbreed te kunnen gebruiken en elkaar te helpen bij de implementatie hiervan. Hiervoor is een visie in ontwikkeling.
Daarnaast moet ermee rekening gehouden worden dat het afbouwen van de huidige ongewenste afhankelijkheden een traject is dat de nodige tijd in beslag zal nemen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en met spoed beantwoorden?
Ja. Op 11 december jl. heb ik uw Kamer bericht over de uitstel van de beantwoording.
De beoogde AI fabriek in Groningen |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe de 200 miljoen euro die de regering voornemens is in de AI (kunstmatige intelligentie)-fabriek te investeren, besteed zal worden?1
Een groot deel van de investering gaat naar de hardware en alle operationele kosten van de AI-geoptimaliseerde supercomputer. In totaal gaat dit om ruim 150 miljoen euro. Het overige deel van de investering, 50 miljoen euro, zal naar het expertisecentrum gaan, die samen met de supercomputer de AI-fabriek zal vormen om geavanceerde AI-modellen te trainen.
Kunt u een toelichting geven over de technische specificaties van de beoogde AI-fabriek in Groningen?
De AI-fabriek bestaat uit een AI-geoptimaliseerde supercomputer waarin grafische processor units (GPU’s) centraal staan. Deze supercomputer wordt speciaal ontworpen voor high-performance AI-training en efficiënte, laag-latente inferentietaken. Dit wordt ondersteund door een veilig, hoogsnelheidsnetwerk en door dataopslagsystemen. Hoe de supercomputer er precies technisch uit zal komen te zien, is nog afhankelijk van de aanbesteding die door de EuroHPC Joint Undertaking (EuroHPC JU) zal worden uitgevoerd in samenwerking met SURF namens het consortium.
Naast de supercomputer bestaat de AI-fabriek uit een expertisecentrum dat erop is gericht om het verantwoord gebruik van de supercomputer zo goed mogelijk te organiseren, ondersteunen en stimuleren, met het leveren van expertise aan (potentiële) gebruikers, en het organiseren van processen voor toegang tot rekenkracht en kennisdeling binnen het brede nationale AI-ecosysteem.
Hoe bent u van plan de High Performing Computing (HPC) (supercomputers) te realiseren die noodzakelijk zijn om geavanceerde AI-modellen te ontwikkelen?
De investering in de AI-fabriek in Groningen zal onderdeel worden van het Europese netwerk van AI-geoptimaliseerde (high performance) supercomputers bestaande uit GPU’s, met bijdragen van EuroHPC. Een dergelijk netwerk van krachtige supercomputers en expertisecentra is nodig voor de ontwikkeling van geavanceerde AI-modellen in Nederland en Europa.
Hoe beziet u de Tsjechische AI-fabriek waar gekozen is voor de installatie van een supercomputer genaamd Karolina, met circa 1.600 centrale verwerkingseenheden (CPU’s) en circa 500 grafische processor units (GPU’s), overwegende dat juist GPU’s voornamelijk gebruikt worden voor het ontwikkelen van geavanceerde AI-modellen? Ziet u deze setup als voorbeeld voor de implementatie van de hardware in Groningen? Zo ja, waarom?
De beoogde supercomputer in Groningen zal net als de Tsjechische AI- supercomputer beschikken over zowel GPU’s als CPU’s. Het precieze aantal is nog afhankelijk van de aanbesteding van de supercomputer, maar in het ontwerp zal de supercomputer in ieder geval over meer GPU’s beschikken dan CPU’s.
Heeft u invloed op de technische uitwerking van AI-fabriek Groningen? Zo nee, wie beslist hierover? Zo ja, aan welke criteria moet de AI-fabriek Groningen voldoen?
De verantwoordelijkheid voor de technische uitwerking van de AI-fabriek Groningen ligt bij het consortium bestaande uit de Stichting Nederlandse AI-fabriek, SURF BV, Stichting AIC4NL, Samenwerking Noord en TNO. Zoals in de beantwoording van vraag 2 benoemd, zal de EuroHPC JU de aanbesteding uitvoeren in afstemming met SURF. SURF heeft veel ervaring met het ontwerpen, inkopen en exploiteren van high performance computers voor onderzoek en innovatie, zoals de nationale supercomputer Snellius. SURF heeft ook veel ervaring met deelname in EuroHPC.
Kunt u aangeven of het klopt dat een gebruiker van de AI-fabriek deel moet zijn van het EU Horizon 2020 programma? Zo ja, kunnen nieuwe bedrijven zich hier nog voor aanmelden en hoe? Zo nee, welke personen en bedrijven kunnen in aanmerking komen voor het gebruik van een EU AI-fabriek?
De Nederlandse AI-fabriek maakt onderdeel uit van het EuroHPC-programma, dat Europese samenwerking op het gebied van supercomputing en AI faciliteert. De financiering en het eigenaarschap zijn verdeeld tussen nationale en Europese bijdragen. Een deel van de AI-fabriek wordt nationaal beheerd. Dit betekent dat het consortium en de nationale en regionale financiers bepalen hoe dit deel van de supercomputer en het bijbehorende expertisecentrum gebruikt wordt. Het andere deel valt onder de EuroHPC Joint Undertaking (JU). Voor dit deel gelden de regels en criteria van EuroHPC. Voor zover bekend is het geen verplichting voor een gebruiker van de AI-fabriek om deelnemer te zijn van het Horizon 2020 programma. Voor het nationale deel kunnen innovatieve mkb-bedrijven, onderzoekers en overheden toegang aanvragen. De toegang verloopt via een call-mechanisme, dat nog moet worden ingericht. Dit mechanisme bepaalt hoe aanvragen worden ingediend, beoordeeld en ondersteund.
Kunt u toelichten waarom de verleende subsidie door zes verschillende ministeries wordt verstrekt?
De AI-fabriek in Groningen richt zich op het ontwikkelen en beschikbaar stellen van hoogwaardige rekenkracht en AI-expertise die relevant is voor meerdere maatschappelijke en economische sectoren. De zes ministeries (en regio Groningen en Noord-Drenthe) die bijdragen aan deze subsidie hebben ieder een specifiek belang bij de toepassingen van AI binnen hun beleidsdomeinen, zoals economie/industrie, defensie/veiligheid, gezondheidszorg, landbouw, publieke diensten en onderzoek en onderwijs. Door gezamenlijk te investeren, kunnen de ministeries de benodigde schaal en impact van de AI-fabriek realiseren, die afzonderlijk door één ministerie niet mogelijk zouden zijn.
Mag de Nederlandse overheid aanspraak maken op het gebruik van de AI-fabriek in Groningen? Zo ja, in welke hoedanigheid?
Ja, de Nederlandse overheid kan gebruik maken van de AI-fabriek in Groningen. Dat kan op verschillende manieren. Via de inhoudelijke calls voor aanvragen voor rekenkracht, door het aanvragen van rekenkracht voor AI-modeltraining en door gebruik te maken van de mogelijkheden van het AI-expertisecentrum.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Nationale toepassing staatssteunregels bij scale-ups (OIM problematiek) |
|
Vincent Verouden (NSC) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Regeldrukreductie in perspectief: wat is nou echt belangrijk?»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Deelt u de mening dat de toekenning van subsidies aan jonge bedrijven (bv. innovatie- en projectsteun aan scale-ups) vaak aanloopt tegen een specifiek «Nederlands» probleem bij de toepassing van EU-staatssteunregels, in die zin dat de Nederlandse regelgeving en toepassingspraktijk er andere, meer stringente, maatstaven op na lijkt te houden bij de beoordeling of een bedrijf al dan niet in financiële moeilijkheden verkeert («OIM problematiek»), waardoor veel van deze bedrijven (naar schatting wel 25%) steun mislopen?
Ik zie dat jonge (innovatieve) bedrijven aanlopen tegen de definitie van «onderneming in moeilijkheden» (OIM), zoals opgenomen in de Europese staatsteunkaders. Dit is een probleem en aanpassing van de EU-staatssteunregels acht ik zeer noodzakelijk. Aanpassing van de Nederlandse regels biedt helaas geen oplossing.
Dat komt omdat bij het toekennen van staatssteun elke lidstaat zich namelijk moet houden aan de Europese regels en de uitleg daarvan door Europese en nationale rechters. De Nederlandse regelgeving en praktijk hanteert geen strengere of afwijkende maatstaven.
Om te bepalen of een onderneming een OIM is, wordt gekeken naar de verhouding tussen het geplaatste aandelenkapitaal en het eigen vermogen van een onderneming. Het begrip «eigen vermogen» moet volgens het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de gehele EU op autonome en uniforme wijze worden uitgelegd.2 Totdat de definitie op Europees niveau is aangepast, dient NL zich te houden aan deze uitspraak van het CBb. Werken met een ruimere interpretatie biedt dus geen oplossing voor ondernemers. Dit kan zelfs tot gevolg hebben dat de subsidie – met rente – moet worden teruggevorderd omdat de subsidie dan kwalificeert als onrechtmatige staatssteun.
Mijn voorgangers en ik dringen dan ook al geruime tijd bij de Europese Commissie (EC) aan op verandering van deze definitie – en met mij verschillende andere lidstaten. Mede door onze inzet is het probleem erkend door de EC en opgenomen in de recent gepubliceerde start- en scale-up strategie van de EC. De aankondiging van de EC om de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun, met daarin de OIM-definitie, eind 2026 te herzien is ook unaniem verwelkomd door de lidstaten. Hetzelfde geldt voor de aankondigde herziening van de Algemene groepsvrijstellingsverordening waarin deze definitie ook is opgenomen.
Acht u het gewenst dat Nederland er andere, meer stringente, maatstaven op na lijkt te houden bij de beoordeling of een bedrijf al dan niet in financiële moeilijkheden verkeert?
Ik acht het niet wenselijk om meer stringente maatstaven te hanteren bij de beoordeling of een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. De huidige definitie van OIM sluit juist bepaalde jonge (innovatieve) bedrijven uit van toegang tot het verkrijgen van steun. De huidige Europese definitie is dus te ruim. Nederland wil een aanpassing van deze definitie zodat deze innovatieve ondernemingen steun kunnen ontvangen. Het is uiteraard niet wenselijk om strengere maatstaven in Nederland te hanteren dan in andere EU lidstaten. Ik vind het wel belangrijk om te handelen in overeenstemming met de Europese staatssteunregels. De aanpassing van deze definitie is daarom nodig op Europees niveau, ook gelet op de uitspraak van het CBb. Mij is geen informatie bekend waaruit blijkt dat Nederland op dit moment een meer stringente maatstaf hanteert dan andere lidstaten. Dit komt ook niet terug uit contact met andere lidstaten.
Bent u bereid om op korte termijn – en vooruitlopend op de huidige consultatieronde op Europees niveau – alvast de nationale obstakels uit de weg te ruimen die de toekenning van projectsubsidies aan jonge bedrijven (bv. innovatiesteun aan scale-ups) verhinderen?
Ik kijk al enige tijd naar wat, binnen de geldende juridische kaders, mogelijk is om de problematiek rondom de definitie «OIM» zo veel mogelijk te verminderen.
Ondernemingen kunnen ter ondersteuning in gesprek gaan met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wanneer zij de uitvoerder is van de betreffende subsidieregeling. Samen kunnen zij de benodigde acties uitzoeken voor het oplossen van de juridische OIM-kwalificatie. Zo wordt er, bij de indiening van een subsidieaanvraag waaruit blijkt dat een bedrijf als OIM kwalificeert, proactief met bedrijven gekeken of de balanspositie voorafgaand aan de subsidieverlening verbeterd kan worden. Dit heeft meerdere malen een positief effect gehad.
Deelt u de mening dat een nieuwe beleidsinstructie (bv. in de vorm van een spoed-AMvB) over het kwalificeren van achtergestelde leningen als eigen vermogen hiertoe een nuttige of zelfs noodzakelijke stap zou zijn?
Nee, in de hierboven genoemde uitspraak van het CBb komt naar voren dat leningen zoals in die zaak aan de orde, niet vallen onder de Europese definitie van «eigen vermogen». De uitspraak draait om achtergestelde aandeelhoudersleningen binnen de groep van ondernemingen. Een nieuwe beleidsinstructie, of AMvB, biedt geen oplossing omdat deze ook in lijn moet zijn met het Europees recht, en dus rekening moet houden met de uitspraak van het CBb.
Deelt u de mening dat scale-ups wel vaker te maken hebben met een boekhoudkundig negatief vermogen (bijv. als gevolg van de gekozen ontwikkelingsstrategie met hoge initiële investeringskosten), maar dat zij bij opeenvolgende financieringsrondes toch nieuw kapitaal weten op te halen omwille van de al bij al gunstige groeivooruitzichten?
Ik deel deze mening. Dit is ook één van de argumenten die ik enige tijd geleden met de EC heb gedeeld om hen ervan te overtuigen over te gaan tot herziening van de definitie.
In welke mate zouden EU staatssteunregels meer rekening moeten houden met dit inzicht en bijvoorbeeld een scale-up als «niet in moeilijkheden» moeten beschouwen indien het bedrijf in kwestie er blijk van geeft dat het parallel aan het ontvangen van de subsidiemaatregel ook in significante mate nieuw privékapitaal weet op te halen?
De OIM-definitie uit de Europese staatssteunregels moet in grote mate rekening houden met deze inzichten. Deze maken ook deel uit van de input die ik heb gegeven op de recente consultatie van de EC over de OIM-definitie. In de consultatie pleit ik voor het aanpassen van de definitie aan de hand van de volgende drie voorstellen:
Wilt u de Kamer per ommegaande informeren over wat de inbreng van uw ministerie zal zijn bij de huidige consultatieronde op het niveau van de EU-staatssteunregels?
Ja, op 14 november heb ik de Nederlandse reactie op de OIM-consultatie naar de EC gestuurd. Deze reactie stuur ik ook als bijlage bij deze beantwoording mee. Hiermee geef ik tegelijkertijd uitvoering aan de motie-Thijssen over het aanpassen van de definitie «onderneming in moeilijkheden»3. Eerder dit jaar heb ik informatie met u gedeeld over mijn inzet voor dit onderwerp in de eerste en derde EU-kwartaalrapportage van 20254.
Kunt u elk van deze vragen binnen drie weken beantwoorden?
Nee, helaas is het niet gelukt deze antwoorden binnen de gevraagde termijn te beantwoorden.
De resultaten van PostNL |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de resultaten van PostNL over het derde kwartaal van 2025, die op 3 november jl. zijn gepubliceerd?
Ja.
PostNL gebruikt zijn infrastructuur en werknemers om zowel post als pakketten rond te brengen en van het onderdeel post zowel universele postdienst (UPD)-post als niet-UPD post; kunt u aangeven welk deel van de infrastructuur hiervoor wordt gebruikt en welk deel van de arbeidskosten gemaakt wordt voor het bezorgen van pakketten, voor UPD post en voor niet-UPD post? Kunt u dit onderbouwen? Als u dit niet kunt aangeven, waarom niet?
Voor de kostentoerekening hanteert PostNL een kostentoerekeningssysteem (KTS) die in 2015 is goedgekeurd door de ACM. Binnen deze kaders houdt ACM toezicht en kan PostNL bepalen welke kosten aan de UPD worden toegerekend. De Postregeling 2009 stelt nadere voorwaarden voor het KTS en daarmee de voorwaarden voor het toerekenen van kosten aan de UPD. Onder de door het ACM goedgekeurde KTS vallen in beginsel alle kosten die uitsluitend worden gemaakt voor het uitvoeren van diensten die onder de UPD vallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de kosten die PostNL maakt voor het legen van de brievenbussen. Andere kosten die zowel worden gemaakt voor de uitvoering van UPD-diensten als voor andere activiteiten, mag PostNL uitsluitend toerekenen voor zover de Postregeling 2009 dit toestaat. PostNL legt hier jaarlijks achteraf een door een accountant gecontroleerde financiële verantwoording over af.
Het verdergaand uitsplitsen van infrastructuur- en arbeidskosten naar afzonderlijke activiteiten zoals UPD-post, niet-UPD-post en pakketten is geen onderdeel van het KTS en raakt direct aan concurrentiegevoelige informatie over de interne procesinrichting, capaciteitsbenutting en kostprijsopbouw van het hele bedrijf van PostNL. Naast het feit dat ACM en ik geen toegang hebben tot deze verdergaande uitsplitsing, zal openbaarmaking van dergelijke gedetailleerde gegevens de marktpositie van PostNL in de concurrerende pakkettenmarkt aantasten. Dit is ook strijdig met het uitgangspunt dat bedrijfsgevoelige informatie alleen wordt gedeeld wanneer hiervoor een expliciete wettelijke grondslag bestaat.
In het externe jaarverslag van PostNL over 2024, op pagina 189, is aanvullende informatie te vinden over de financiële resultaten per segment. PostNL maakt hierin een indeling naar «Parcels» (Pakketten), «Mail in NL» (Post in Nederland) en «PostNL Other» (PostNL Overig), waarbij zowel opbrengsten als kosten per segment zijn uitgesplitst. Een verdere onderverdeling binnen het segment «Mail in NL» tussen UPD-post en niet-UPD-post wordt in dit verslag echter niet gemaakt.
Bij de jaarrekening wordt aangeven dat er binnen het bedrijf kosten voor verschillende divisies in rekening worden gebracht; welke kosten zijn dit? Wat is de onderbouwing voor deze kosten en vooral van de verdeling van deze kosten over de verschillende post- en pakketstromen? Hoe zijn deze kosten verdeeld in het derde kwartaal?
PostNL brengt binnen het bedrijf kosten in rekening tussen de verschillende divisies, zoals «Pakketten» en «Post in Nederland». Dit gebeurt omdat beide divisies gebruikmaken van hetzelfde netwerk en centrale diensten, zoals IT, HR en Financiën.
Zoals beschreven in de financiële stukken van PostNL gaat de kostenverdeling op basis van het daadwerkelijke gebruik van faciliteiten en diensten. Bijvoorbeeld logistieke kosten worden verdeeld naar volume of gewicht van post en pakketten, en centrale overhead wordt toegerekend op basis van omzet of aantal medewerkers. Hierdoor wordt een zo eerlijk mogelijk beeld van de kosten en winstgevendheid van iedere divisie verkregen.
In het derde kwartaal van 2025 was volgens PostNL het totaal van deze interne verrekeningen € 171 miljoen. Het segment «PostNL Overig», waar de centrale kosten worden verzameld, liet in deze periode een kleine negatieve EBIT zien van € 2 miljoen. Dit laat zien dat de meeste centrale kosten zijn verdeeld over de operationele divisies.
Uit de analistenpresentatie van het derde kwartaal is niet af te leiden hoe PostNL deze interne kosten exact heeft verdeeld over de verschillende post- en pakketstromen.
Zou het kunnen zijn dat het verlies bij de UPD-post groter wordt voorgesteld dan deze in werkelijkheid is?
Er zijn geen aanwijzingen dat het verlies op de UPD-post door PostNL groter wordt voorgesteld dan het daadwerkelijk is. De jaarlijkse financiële verantwoording van PostNL over de UPD wordt door een onafhankelijke accountant gecontroleerd, en de ACM ziet toe op de toepassing van de wettelijke kaders. Dit zijn belangrijke waarborgen voor de kostentoerekening.
Het KTS is in 2015 goedgekeurd en wordt sindsdien alleen opnieuw beoordeeld wanneer PostNL deze systematiek wijzigt of wanneer er signalen zijn dat deze niet meer in lijn zou zijn met de wettelijke eisen. Sinds 2015 is volgens PostNL de systematiek niet meer gewijzigd en is er dus ook geen aanleiding geweest voor PostNL om een verzoek in te dienen bij de ACM voor een nieuwe beoordeling van het KTS.
Herkent u het belangrijke signaal dat ik ook tijdens mijn werkbezoek bij postbezorger Ahmed weer hoorde, dat de arbeidsvoorwaarden (loon, mogelijkheid tot toiletbezoek, koffie, catering, vaste contracten, etc.) bij PostNL de afgelopen jaren dramatisch slechter zijn geworden en dat er volgens Ahmed sprake is van een «race to the bottom»? Wat vindt u hiervan? Kunt u toezeggen om nog dit jaar het gesprek aan te gaan met Ahmed en/of zijn collega’s en met de onafhankelijke vakbonden over de vraag hoe in de veranderende postmarkt goede banen gecreëerd kunnen worden?
Ik neem kennis van dit signaal over de arbeidsomstandigheden bij PostNL die tijdens uw werkbezoek aan de door u genoemde postbezorger naar voren zijn gebracht. Ik ga ervan uit dat dit signaal ook aan de vakbonden zal worden afgegeven. De ontwikkelingen in de postmarkt zetten de bedrijfsvoering van zowel PostNL als regionale postbedrijven onder druk, wat gevolgen kan hebben voor de arbeidsvoorwaarden.
Het blijft van belang onderscheid te maken tussen signalen over arbeidsomstandigheden en de inspanningen van werkgevers binnen de realiteit waarin zij opereren. PostNL geeft aan dat het bedrijf zich binnen de financiële kaders van een krimpende postmarkt en in overleg met de vakbonden inspanningen levert om goede en duurzame arbeidsvoorwaarden te bieden. Over loon, arbeidsvoorwaarden en werkdruk worden afspraken gemaakt tussen werkgevers- en werknemersorganisaties in cao-verband. Daarnaast houdt de Inspectie SZW toezicht op de naleving van wet- en regelgeving, waaronder met betrekking tot arbeidsomstandigheden.
Ik hecht waarde aan een zorgvuldige dialoog met werknemers en hun vertegenwoordigers. Mijn ministerie voert daarom gesprekken met werknemersvertegenwoordigers, waaronder de vakbonden, die hierbij ook de door Ahmed en zijn collega’s geschetste zorgen kunnen betrekken.
Nexperia |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een recente stand van zaken over de ontwikkelingen en de gevolgen van uw ingrijpen bij Nexperia naar de Kamer sturen? Verwacht u nog meer maatregelen vanuit China tegen Nederland, de Europese Unie of andere lidstaten?
Voor de meest recente ontwikkelingen verwijs ik u graag naar de Kamerbrief die op 19 november jl.1 met uw Kamer is gedeeld. Nadere info is ook met uw Kamer gedeeld tijdens de vertrouwelijke technische briefing op 27 november jl.
Met de Chinese autoriteiten worden gesprekken gevoerd op verschillende niveaus om te komen tot een duurzame oplossing. Het is in het belang van zowel China als Nederland, Europa, VS en economieën wereldwijd om hier gezamenlijk uit te komen.
Had u verschillende mogelijkheden om in te grijpen bij Nexperia? Zo ja, welke mogelijkheden lagen voor? Welke analyses van de voor- en nadelen van deze mogelijkheden zijn er? Kunt u die met de Kamer delen?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende maatregelen onderzocht en tegen elkaar afwogen op geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden verhinderen of corrigeren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Terecht waakt u over productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven en voor het behoud van cruciale spelers in de waardeketen voor Europa; heeft u een overzicht van productiecapaciteiten, kennisposities en bedrijven waarvan de continuïteit belangrijk is in Nederland en Europa? Zo ja, bent u bereid dit overzicht te delen met de Kamer? Zo nee, bent u ook van mening dat het noodzakelijk is om snel een dergelijk overzicht te maken? Zo ja, wanneer gaat u een dergelijk overzicht delen met de Kamer?
De wereld is de afgelopen jaren flink veranderd, en het geopolitieke klimaat is verhard. Economie en (geo)politiek worden steeds meer met elkaar verweven, en geo-economie als concept is in opkomst. Het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, zijn al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom «open strategische autonomie», ook wel een weerbare economie genoemd. Enkele voorbeelden van brieven waarin de kabinetsinzet op dit punt genoemd staat zijn de Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie2, Kamerbrief Open Strategische Autonomie3 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.4 In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van al deze brieven en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van de Kamerbrieven en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren.
In de Kamerbrief Industriebeleid met focus5 van 17 oktober jongstleden zet ik, via het nieuwe industriebeleid, in dat licht dan ook in op verdere versterking van de Nederlandse positie in zes sectoren waarin Nederland zich internationaal kan onderscheiden in de wereldeconomie, om daarin een strategische positie te verwerven ten behoeve van het creëren van (wederzijdse) afhankelijkheden, te weten: halfgeleiders, aan de DSII6 gerelateerde groeimarkten (in het bijzonder 6G, radar, lasersattelietcommunicatie, quantum), biotechnologie, digitale diensten (met name AI), machinebouw en innovatieve chemie. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke markten en technologieën het kabinet in het bijzonder inzet.
Naar aanleiding van dit overzicht, wat is de trend hoe het gaat met het behoud van deze cruciale spelers voor Nederland en Europa? Hoe beoordeelt u deze trend? Wat is het doel met betrekking tot deze cruciale spelers? Moeten zij allemaal behouden worden voor Nederland en Europa? Waarom wel of niet? Als er geen doel geformuleerd is, bent u bereid dit te doen zodat de Kamer inzicht kan krijgen in het behoud van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven en voor behoud van cruciale spelers in Nederland en in Europa? Als u niet bereid bent een doel te formuleren, hoe kan de Kamer dan toezicht houden op de voortgang, of achteruitgang, over onze economische veiligheid en strategische autonomie? Belangrijker, hoe kan de regering dan weten hoe het gesteld staat met de Nederlandse economische veiligheid en strategische autonomie?
Het beleid t.a.v. Open Strategische Autonomie en het creëren van een weerbare economie, inclusief strategisch relevante bedrijven, is een speerpunt van het kabinet. De inzet hierop is in meerdere Kamerbrieven vermeld, zoals ook in het antwoord op vraag 3 is aangegeven. Belangrijke onderdelen van dit beleid zijn, naast het protect beleid en het creëren van de juiste randvoorwaarden, het in specifieke gevallen treffen van actieve en gerichte stimulerende maatregelen om (technologische) leiderschapsposities en essentiële capaciteiten in strategische waardeketens te verkrijgen en te behouden. De wijze waarop dit vorm kan krijgen staat uitgewerkt in onder meer de Kamerbrief Industriebeleid met focus van 17 oktober jongstleden7. Het in het industriebeleid geformuleerde doel is tweeledig;
Dit houdt onder andere in dat we risicovolle strategische afhankelijkheden van andere landen verminderen. Het voorkomen of verminderen van álle risicovolle strategische afhankelijkheden is echter zowel onmogelijk als onwenselijk. Het is daarom van belang dat we in de wereldmarkt economisch gewicht in de schaal leggen. Dat betekent dat we essentiële capaciteiten in markten en technologieën moeten behouden en opbouwen waardoor wederzijdse afhankelijkheden ontstaan. Het kabinet heeft hiermee gekozen voor het selecteren van markten en technologieën. Zoals toegezegd in mijn Kamerbrief van 1 juli 2025 over economische veiligheid4, zal het kabinet uw Kamer jaarlijks informeren over de voortgang op het gebied van economische veiligheid. Ook het rapport van Draghi biedt handvatten voor inzet van Nederland.
Inflatie |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel op de website van de NOS van 31 oktober jl. «Ook in oktober zakt de inflatie maar niet verder terug»?1
Ja.
Wat is volgens u de oorzaak dat de inflatie relatief hoog blijft?
In november kwam de inflatie (cpi) uit op 2,9% bij de snelle raming van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Met name de prijzen van diensten (+4,3%) en voedingsmiddelen, dranken en tabak (+3,1%) droegen deze maand positief bij aan de prijsstijgingen.2
Voor 2025 raamt het Centraal Planbureau (CBP) de inflatie op 3,2%, en voor 2026 verwacht het Planbureau een verdere daling richting de 2,3%.3 Over het gehele jaar 2025 genomen hebben vooral de voedselinflatie, diensteninflatie en huren een opwaarts effect op de inflatie.
Hoe hebben de lonen en de inflatie zich de afgelopen 10 jaar elk jaar ontwikkeld? In de Miljoenennota 2024 schreef het kabinet dat mogelijk in 2025 de lonen de hoge inflatie van de afgelopen jaren zou inhalen; is dat ondertussen gebeurd? Zo ja, waar blijkt dat uit? Als dat inderdaad ondertussen is gebeurd, betekent dit dat sinds de coronatijd mensen minder te besteden hebben gehad vanwege de hoge inflatie?
Tussen 2015 en oktober 2025 is het prijsniveau met 36,4% gestegen.4 In dezelfde periode zijn de Cao-lonen met 40,3% gestegen. Vanaf 2019 tot oktober 2025 zijn de cao-lonen met 29,9% gestegen.5 In diezelfde periode is het prijsniveau met 28,5% gestegen. De lonen zijn de afgelopen periode dus sneller gestegen dan de inflatie.
Of mensen meer of minder te besteden hebben wordt gemeten door de koopkracht, die naast de loon- en prijsontwikkeling ook rekening houdt met inkomensbeleid vanuit het kabinet. De mediane koopkracht is sinds de corona-periode gestegen, met name door een forse stijging van 2,8% in 2024. Mensen in Nederland hebben dus meer te besteden sinds de coronatijd.
Kan het zijn dat in oktober 2025 de winsten vooral, weer, hebben gezorgd voor hogere prijzen; in 2024 in een ESB-artikel werd geconstateerd dat vooral de winsten en niet de lonen zorgden voor inflatie, en in de Miljoenennota van 2024 constateert het kabinet dat er inderdaad sprake van winstflatie kan zijn?2 Hoe staat het marco-economisch met de verdeling tussen geld voor lonen en mensen en geld voor lonen voor winsten en aandeelhouders? Wat is het verloop van deze verdeling (de arbeidsinkomensquote) over de afgelopen 10 jaar inclusief oktober 2025?
Een uitsplitsing van het CPB in het Centraal Economisch Plan eerder dit jaar laat zien dat vooral het bruto-exploitatiesaldo de inflatie tussen 2021 en 2023 verklaarde. Vanaf 2023 slaat dit beeld om en draagt de loonsom meer bij.7
Er zijn geen concrete aanwijzingen dat in oktober 2025 de inflatie voornamelijk werd gedreven door hogere winsten. Wel is het duidelijk dat de diensteninflatie dit jaar fors bijdraagt aan de inflatie; deze was 4,5% in oktober. Gegeven het hoge loonaandeel in de dienstensector, lijkt dit het beeld vanuit het CPB te bevestigen dat het juist de lonen zijn, en niet de winsten, die de inflatie stuwen.
Het CBS heeft nog geen cijfers gepubliceerd over de arbeidsinkomensquote (AIQ) in 2025. Het meest recente cijfer gaat over 2024, toen lag de AIQ-marktsector op 69,9 procent.8 De figuur hieronder laat de ontwikkeling zien van de afgelopen tien jaar.
Hoeveel geld zou er beschikbaar komen voor geld voor lonen en mensen als de verdeling tussen geld voor lonen en mensen en geld voor winst en aandeelhouders weer zou zijn zoals voor de coronacrisis? Hoeveel miljarden zouden er in dat geval nog steeds naar winst gaan?
Deze berekening is niet goed te maken. Winsten worden deels opnieuw geïnvesteerd in de economie en dragen daarmee bij aan de economische groei en productiviteitsgroei. Dit wordt vaak gevolgd door meer werkgelegenheid en hogere lonen. Het ingrijpen op de winsten kan leiden tot lagere investeringen en daarmee ook op de lonen. Hierdoor is het niet mogelijk om een accuraat antwoord te geven op deze vraag.
Wat betekent het voor het inkomen van de overheid als er meer van het geld dat verdiend wordt naar lonen gaat en minder naar winsten? Hoeveel belasting ontvangt de overheid gemiddeld voor elke euro die naar lonen gaan? Hoeveel belasting ontvangt de overheid gemiddeld voor elke euro die naar winsten gaat?
Zoals beschreven in antwoord vijf is deze vergelijking niet zomaar te maken. Bij een verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op winst moet namelijk rekening worden gehouden met het feit dat dit kan leiden tot lagere investeringen en verplaatsing van bedrijvigheid naar het buitenland. Het effect op de werkgelegenheid, lonen en inkomen voor de overheid is daarmee vooraf niet in te schatten.
Looninkomsten worden progressief belast in box 1 van de inkomstenbelasting. Daarnaast dragen werkgevers premies af over (een deel van) de loonsom. Winsten van bedrijven worden belast in de vennootschapsbelasting. Afhankelijk van de mate waarin een bedrijf gemaakte winst uitkeert, vindt aanvullend belastingheffing plaats over dit inkomen via de dividendbelasting (of box 2 van de inkomensheffing in het geval van een aanmerkelijk belang). Voor zover een euro extra winst ten koste gaat van een extra euro loon, staan tegenover hogere vpb-inkomsten dus inderdaad lagere belastinginkomsten op arbeid. Het netto effect op de belastinginkomsten is afhankelijk van de marginale belastingdruk van zowel het bedrijf als de werknemer. Deze belastingdruk verschilt sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Een kwantitatieve inschatting op macroniveau van een dergelijke schuif is niet beschikbaar.
De ingreep bij Nexperia en berichtgeving Bloomberg |
|
Vincent Verouden (NSC), Ilse Saris (CDA), Bram Kouwenhoven (NSC) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Dutch ready to drop control of Nexperia if chip supply resumes»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke onderdelen van dit bericht correct zijn en welke niet?
Ik verwijs hiervoor naar de reeds openbaar gemaakte toelichtingen in de brieven aan uw Kamer van 14 oktober en 19 november jl. , alsook het debat van 4 december jl.
Deelt u de mening dat u op grond van artikel 68 van de Grondwet de Kamer onmiddellijk, volledig en uit eigen beweging dient te informeren over relevante ontwikkelingen?
Graag verwijs ik naar de brieven die eerder aan uw Kamer zijn gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin geeft het kabinet onder andere aan dat het kabinet het van belang acht de Kamer zo goed mogelijk op de hoogte te houden. Vanwege de vertrouwelijkheid kan uw Kamer niet over alle details in het openbaar geïnformeerd worden. Daarom heeft op 27 november jl. een vertrouwelijke technische briefing plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat een conflict waardoor wereldwijd fabrieken stil kwamen te liggen relevant is en dat u de Kamer daarover uit eigener beweging en prompt had moeten informeren?
Zie antwoord vraag 3.
Wilt u de Kamer per ommegaande informeren over wat er de afgelopen weken in het Nexperia-dossier is gebeurd, over mogelijke onderhandelingen met China en over eventuele juridische stappen die zijn ondernomen?
Wij hebben de kamer geïnformeerd middels de brieven van 14 oktober, 19 november jl., de tijdslijn van 2 december jl.2 en het Kamerdebat van 4 december jl. Over relevante toekomstige ontwikkelingen zullen wij uw kamer informeren, indien noodzakelijk vertrouwelijk.
Welke juridische adviezen heeft u ontvangen vóór het besluit om bij Nexperia in te grijpen?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Het doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Kunt u deze adviezen allemaal openbaar maken, evenals de beslisnota over het besluit over de Wet beschikbaarheid goederen?
Vanwege het geclassificeerde karakter van dit dossier kan het kabinet deze adviezen niet openbaar maken. Dit vanwege het feit dat het hier vertrouwelijke bedrijfsinformatie betreft en openbaarmaking onwenselijk is.
Bent u van tevoren gewezen op de juridische risico’s voor de Staat? Zo ja, op welke wijze, en hoe schat u deze risico’s zelf in?
Het besluit is genomen op basis van een integrale afweging waarbij ook de mogelijke economische en juridische risico’s in ogenschouw zijn genomen. Bij deze afweging is ook meegenomen dat niet ingrijpen zou kunnen leiden tot weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productie- en onderzoekscapaciteit voor Europa. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Op welk moment en op welke wijze heeft u de Minister-President geïnformeerd over dit besluit?
Graag verwijs ik naar de gepubliceerde tijdslijn van 2 december jl. en de brieven die eerder aan uw Kamer zijn gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Op welk moment en op welke wijze heeft u het kabinet geïnformeerd over dit besluit?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven op basis van welke noodsituatie de Wet beschikbaarheid goederen in dit geval is ingeroepen, aangezien artikel 2 van deze wet luidt: «Ieder van Onze Ministers is, indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties, bevoegd aan de rechthebbende bij algemeen of bijzonder bevel te gelasten«?
De Wet beschikbaarheid goederen voorziet in de mogelijkheid om ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op een noodsituatie een bevel uit vaardigen. Een ernstige bedreiging van de Nederlandse economische veiligheid kan in voorkomend geval als noodsituatie worden aangemerkt. De wet schrijft niet voor dat er al uitzicht moet zijn op een concrete en specifiek geïdentificeerde noodsituatie, wel dat deze voorstelbaar is.
In het specifieke geval van Nexperia is er sprake van:
Op welk moment en op welke wijze is dit besluit besproken met leden van het campagneteam van de VVD?
Dit besluit is niet besproken met leden van het campagneteam van de VVD.
Kunt u alle documenten (onder documenten vallen ook app-verkeer, gespreksverslagen en persoonlijke aantekeningen) die betrekking hebben op de ingreep bij Nexperia – inclusief voorbereidingen, juridische adviezen en interne communicatie binnen de overheid – openbaar maken onder artikel 68 van de Grondwet?
Veel informatie is al gedeeld met uw Kamer via diverse brieven en het debat van 4 december jl. Mede vanwege de bedrijfsgegevens en het vertrouwelijke karakter van dit dossier is het niet mogelijk alle communicatie rondom dit dossier openbaar te maken.
Kunt u een chronologisch feitenrelaas overleggen van de besluitvorming die heeft geleid tot de toepassing van de Wet beschikbaarheid goederen bij Nexperia, inclusief data van interne adviezen, overleggen en besluiten?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke juridische adviezen (intern of extern) zijn ingewonnen voorafgaand aan het besluit van 30 september 2025, en welke scenario’s zijn daarin overwogen?
Meerdere maatregelen zijn onderzocht om de leveringszekerheid van Nexperia veilig te stellen waar het kabinet heeft gekeken naar een geschikt alternatief. Hierbij werd al gauw duidelijk dat de inzet van de Wbg de enige maatregel was die daadwerkelijk de leveringszekerheid voor Nederland en Europa direct kon veiligstellen door de productiemiddelen van het bedrijf te beschermen. Het kabinet wil de Wbg alleen inzetten wanneer andere instrumenten onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen – waaronder de leveringszekerheid van cruciale chips – te beschermen.
Op welk moment is de uitspraak van de Ondernemingskamer (betreffende de schorsing van CEO Zhang) bekendgemaakt aan het ministerie, en welke rol speelde die uitspraak in de timing van het ministerieel besluit?
De datum van de eerste uitspraak van de Ondernemingskamer waarbij de CEO werd geschorst, was op 1 oktober 2025. Dat is na de datum van het bevel dat op 30 september is vastgesteld en aan de onderneming is verstrekt. Vervolgens is bij de uitspraken van 7 en 8 oktober de schorsing van de CEO gehandhaafd. Op dezelfde dag dat de Ondernemingskamer de uitspraken deed, is het ministerie zoals gebruikelijk via het kantoor van de landsadvocaat over de uitspraken geïnformeerd.
Kan de Minister een overzicht geven van de betrokken departementen (zoals Buitenlandse Zaken, Binnenlandse Zaken, Financiën en Justitie en Veiligheid) en aangeven welk departement welke bijdrage heeft geleverd aan de risico-analyse of beslisnota’s?
Graag verwijs ik uw Kamer naar de gepubliceerde tijdslijn van 2 december jl. en de brieven die eerder aan uw Kamer heb gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Heeft de ministerraad als geheel hierover beraadslaagd of ingestemd, en zo ja: op welke datum?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden omdat er een geheimhoudingsplicht bestaat ten aanzien van hetgeen in de minsterraad besproken wordt of geschiedt. Dit is conform artikel 26 van het Reglement van orde voor de minsterraad. Wel kan ik aangeven dat dit dossier regelmatig aan de orde is geweest in het kabinet.
Kunt u toelichten waarom er, gezien het demissionaire karakter van het kabinet en het feit dat het besluit midden in de verkiezingscampagne viel, niet voor is gekozen om de fractievoorzitters van de belangrijkste partijen hierbij te betrekken?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Er was sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren. Zodra de ontwikkelingen dat toelieten is uw Kamer geïnformeerd.
Zoals ik ook in het debat van 4 december jl. heb aangegeven, is het gebruikelijk dat over dit soort bedrijfscasussen niet wordt gecommuniceerd. Ik heb met zeer veel bedrijfscasussen te maken. Deze blijven allemaal vertrouwelijk, in het belang van het bedrijf zelf en in het belang van de Nederlandse economie. Dat was ook bij deze casus de intentie.
Acht u de informatievoorziening aan de Kamer en aan de fracties in de Kamer in dat stadium volledig en tijdig?
Graag verwijs ik naar de brieven die eerder aan uw Kamer heb gestuurd op 14 oktober en 19 november jl. Daarin geeft het Kabinet onder andere aan dat het kabinet het van belang acht de Kamer zo goed mogelijk geïnformeerd te houden. Vanwege de vertrouwelijkheid kan uw Kamer niet over alle details in het openbaar geïnformeerd worden; daarom heeft op 27 november jl. een vertrouwelijke technische briefing plaatsgevonden.
Kunt u alle relevante interne memo’s, notities en e-mailwisselingen tussen het Ministerie van Economische Zaken, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en het Ministerie van Algemene Zaken openbaar maken waarin de besluitvorming over Nexperia wordt besproken (al dan niet vertrouwelijk)?
Veel informatie is al gedeeld met uw Kamer via diverse brieven en het debat van 4 december jl. Mede vanwege de bedrijfsgegevens en het vertrouwelijke karakter van dit dossier is het niet mogelijk alle communicatie rondom dit dossier openbaar te maken.
Wanneer zijn de Europese Commissie, Duitsland en Frankrijk formeel van het besluit op de hoogte gebracht door de Nederlandse regering?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is de gebruikelijke handelwijze in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het VK, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken.
Een volledig overzicht van de tijdslijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, heb ik op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Op welke momenten en via welke kanalen is voorafgaand aan het besluit overleg gevoerd met Europese partners, met name de Europese Commissie, Duitsland en Frankrijk?
Zie antwoord vraag 22.
Klopt het beeld dat Europese partners door de late informatievoorziening zijn overvallen door het besluit?
Zie antwoord vraag 22.
Wanneer en met welke vertegenwoordigers van de Chinese regering of het Chinese bedrijfsleven heeft u sinds het besluit over Nexperia ontmoetingen gehad?
Zie antwoord vraag 22.
Heeft de Europese Commissie, in het bijzonder commissaris Šefčovič (Handel en Economische Veiligheid, Interinstitutionele Betrekkingen en Transparantie), namens Nederland gesprekken gevoerd met China, en was Nederland bij die gesprekken aanwezig?
Er is intensief contact met de Europese Commissie, ook over de gesprekken die Nederland en de Europese Commissie voeren met de Chinese autoriteiten. Op de inhoud en precieze deelnemers aan deze gesprekken kan vanwege de vertrouwelijkheid niet ingegaan worden.
Kunt u aangeven welke analyse van de economische gevolgen is uitgevoerd voorafgaand aan het besluit om bij Nexperia in te grijpen, met name ten aanzien van de leveringszekerheid in de Europese halfgeleiderketen?
Als ik niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de «»front end»») is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid («front end» in Europa en «back end» in Azië) is niet bezwaarlijk voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in volledige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil ik voorkomen.
Op welk moment zijn de klanten en zakelijke partners van Nexperia (zoals autofabrikanten, elektronicabedrijven en chipproducenten) geïnformeerd over de schorsing van de CEO en de overheidsmaatregel, en door wie – het bedrijf zelf of de overheid?
Communicatie met de klanten van Nexperia werd en wordt gedaan door Nexperia zelf.
Is er bij het besluit geanticipeerd op mogelijke verstoringen in de aanvoer of productiecapaciteit van Nexperia, met name vanuit de fabrieken in China, en welke mitigerende maatregelen zijn voorbereid of besproken met Europese partners?
Meerdere maatregelen zijn onderzocht om de leveringszekerheid van Nexperia veilig te stellen waar ik heb gekeken naar een geschikt alternatief voor de Wbg. Hierbij is ook nagedacht over de mogelijke gevolgen de kans dat deze zich mogelijk zouden materialiseren. Mede vanwege bedrijfsgegevens is het niet mogelijk hier verder over uit te weiden.
Bent u bekend met signalen dat Nexperia China klanten van Nexperia Nederland of haar Europese dochterondernemingen onder druk zet om contracten te heronderhandelen of rechtstreeks met het Chinese moederbedrijf zaken te doen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoe beoordeelt u het risico dat betalingen of nieuwe contracten voortaan in Chinese renminbi (RMB) of onder Chinese rechtsmacht worden afgewikkeld, en welke gevolgen heeft dit voor leveringszekerheid en toezicht in Nederland en in de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 29.
Houdt u, gezien de bilaterale escalatie van het conflict, rekening met de mogelijkheid dat Nexperia zijn Nederlandse activiteiten (deels of geheel) afbouwt of verplaatst, en wat zou daarvan de economische en technologische impact zijn voor Nederland en Europa?
Zie antwoord vraag 29.
Houdt u rekening met mogelijke bilaterale economische tegenmaatregelen van China, bijvoorbeeld tegen Nederlandse bedrijven of investeringen in China, die de handelsrelatie verder onder druk kunnen zetten?
Het is niet in het Nederlandse belang om publiekelijk te speculeren over tegenmaatregelen van welke aard dan ook.
Wat heeft u gedaan gekregen van de Chinese autoriteiten om te voorkomen dat de risico’s die u initieel zag (en op basis waarvan u heeft ingegrepen) zich niet alsnog zullen voordoen in de toekomst?
Met de Chinese autoriteiten vinden constructieve gesprekken plaats om tot een oplossing te komen voor de verstoring van de waardeketen; dit is in het belang van de industrie in China, Europa, de VS en elders. Over de inhoud van deze gesprekken kan ik vanwege de vertrouwelijkheid geen uitspraken doen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden?
Vanwege de hoeveelheid en complexiteit van vragen, waarbij afstemming nodig was met meerdere stakeholders was het helaas niet mogelijk de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
De afhankelijkheid van de financiële sector van Amerikaanse techgiganten |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van DNB en de AFM waarin wordt gewaarschuwd voor de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven in de financiële sector?1
Wat is uw reactie op dit rapport?
Bent u het met de indiener eens dat de onafhankelijkheid en weerbaarheid van de financiële sector van algemeen belang is, en dus ook voorwerp van zorg moet zijn voor de regering? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om DNB en AFM te steunen door in een publiek-private samenwerking bij te dragen aan een financiële sector die minder afhankelijk is van Amerikaanse techgiganten? Zo ja, welke maatregelen kunt u hiertoe nemen?
Heeft de Rijksoverheid wat u betreft een voorbeeldfunctie in het verminderen van de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Zo ja, kunt u onderbouwen dat zij deze waarmaakt en er feitelijk afhankelijkheden teruggedrongen zijn?
Onderschrijft u de oproep van DNB en de AFM dat er scenario’s moeten worden uitgewerkt voor het geval onze afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven wordt misbruikt, bijvoorbeeld als de VS sancties oplegt of er een cyberaanval plaatsvindt?
Bent u bereid om, in samenwerking met DNB en de AFM, deze ontwrichtende scenario’s te onderzoeken om te weten welke structurele risico’s er aan de huidige afhankelijkheden kleven?
Bent u voorstander van een Europese gecoördineerde aanpak en inkoopstrategieën om digitale afhankelijkheden te verkleinen? Welke rol ziet u hierin voor Nederland?
Welke obstakels zitten verdere Europese samenwerking voor meer digitale autonomie nu in de weg? Hoe draagt Nederland bij aan het wegnemen daarvan?
Welke mogelijkheden heeft u om bij inkoop- en aanbestedingsprocedures grote niet-Europese techbedrijven, die ook onderhevig zijn aan surveillancewetgeving van niet-Europese landen, uit te sluiten? Hoe geeft u hierbij uitvoering aan de motie-Six Dijkstra c.s.2, de motie-Bruyning/Thijssen3 en de motie-Van der Werf c.s.4?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het artikel 'Sleutelrol voor Nederland in Europese lobby voor versoepeling regels gentech-voedsel' |
|
Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Sleutelrol voor Nederland in Europese lobby voor versoepeling regels gentech-voedsel» van Argos en de bijbehorende documentaire «Stille strijd om ons zaad»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en de uitzending van Argos over het NGT-voorstel.
Herinnert u zich de aangenomen motie van het lid Hertzberger c.s. (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 81), waarin de regering wordt verzocht zich in te zetten voor een interpretatie van de nieuwe genomische technieken (NGT)-verordening die voorkomt dat er patenten kunnen worden verleend op zowel conventioneel als genetisch geïntroduceerde eigenschappen?
Ja, ik ben bekend met deze aangenomen motie. De Minister van EZ heeft deze motie overeenkomstig de toezegging2 uitgevoerd en heeft u geïnformeerd over zijn inzet op deze motie3.
Hoe beoordeelt u de in het artikel beschreven actieve Nederlandse lobby voor versoepeling van NGT-regels, inclusief het weglaten van risicobeoordeling en etikettering bij NGT-gewassen, in het licht van deze en andere aangenomen moties die juist pleiten voor strikte kaders en bescherming van publieke belangen?
Het Ministerie van LVVN heeft voorafgaand aan de publicatie van het artikel en de uitzending van Argos van 7 september 2025 antwoord gegeven op de door Argos gestelde vragen. Argos heeft de antwoorden op die vragen niet inhoudelijk in het artikel verwerkt of deze behandeld in de uitzending. De antwoorden zijn bij het artikel als een weerwoord van het Ministerie van LVVN opgenomen. In die antwoorden licht ik toe dat de beleidsinzet in Brussel door mijn ambtenaren plaatsvindt conform het BNC-fiche en aangenomen moties over het NGT-voorstel.
Kunt u toelichten hoe uw ministerie en andere betrokken ministeries de uitvoering van deze Kameruitspraken hebben gewaarborgd in de Nederlandse inzet binnen de besloten triloog op 14 oktober 2025? Kunt u daarbij specifiek aangeven welke inzet is gepleegd om patenteerbaarheid van NGT-eigenschappen te voorkomen?
Het Nederlandse kabinet is niet direct betrokken bij de trilogen voor het NGT-voorstel. Deze worden gevoerd door het voorzitterschap van de Raad, op dit moment Denemarken. Wel zorgt het voorzitterschap voor terugkoppeling van de uitkomsten van de trilogen naar de Raad met alle lidstaten. Het kabinet heeft zich voorafgaand aan het bereiken van het Raadsakkoord ingezet conform het antwoord op de motie om in het NGT-voorstel een oplossing te bereiken dat octrooirechten geen blokkade zijn voor toegang tot genetische eigenschappen voor veredelaars en transparantie voor veredelaars te bieden in het octrooilandschap binnen de veredeling.
Hoe verhoudt het resultaat zich tot het Commissie milieubeheer, klimaat en voedselveiligheid (ENVI)-compromis van het Europees Parlement, dat octrooien op NGT-planten en -producten uitsluit? Steunt Nederland dit standpunt nog steeds actief in de onderhandelingen?
Het onderwerp octrooien is alleen nog verkennend besproken in de trilogen. Er zijn nog geen nieuwe voorstellen gedaan om een compromis te sluiten.
Is het waar dat zorgen van kleinere veredelaars en maatschappelijke organisaties structureel minder prioriteit kregen in de Nederlandse onderhandelingsinzet, zoals wordt gesuggereerd in het artikel? Zo nee, kunt u dat onderbouwen met concrete voorbeelden van hoe deze belangen zijn meegenomen?
Het vorige kabinet heeft een brede consultatie van stakeholders uitgevoerd over dit onderwerp en heeft een belangenafweging gemaakt in het BNC-fiche4. Hierin beschrijft het kabinet dat met het NGT-voorstel wordt beoogd om NGTs juist toegankelijk te maken voor alle veredelaars. Daarnaast respecteert het kabinet de wens van de biologische sector om vrij te blijven van NGT-planten. Ook is de inzet van het kabinet, mede door inbreng van maatschappelijke organisaties zoals de Natuur & Milieufederatie Noord-Holland en IUCN-NL, dat voor NGT-planten waarvan het niet waarschijnlijk is dat deze met conventionele veredeling tot stand kunnen komen (NGT-categorie 2 planten), een proportionele risicobeoordeling uitgevoerd moet worden.
Erkent u dat een toename van patenten op NGT-gewassen het risico met zich meebrengt van belemmering van veredelingsvrijheid, juridisering van de sector en machtsconcentratie bij enkele grote zadenbedrijven, zoals in het artikel wordt beschreven? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om een octrooi aan te vragen op een NGT-gewas of plantenras. Wel is het mogelijk om een octrooi aan te vragen op een technisch proces om een planteneigenschap in te brengen. Sinds 2017 geldt dat octrooien die worden aangevraagd voor eigenschappen die met behulp van genetische technieken worden geïntroduceerd, uitsluitend bescherming bieden voor eigenschappen die met behulp van die genetische technieken worden geïntroduceerd en niet voor dezelfde eigenschap die via traditionele veredeling tot stand is gekomen. Ik erken dat er zorgen leven over een mogelijke toename van octrooien en de gevolgen daarvan voor veredelingsvrijheid en concurrentie, en ik kijk ook kritisch naar het gebruik van octrooirecht in de plantenveredeling. Echter gaat het op dit moment om veronderstellingen en zijn duidelijke gevolgen van octrooien in de plantenveredeling niet aangetoond. Ik wacht de in 2026 geplande publicatie van de studie van de Europese Commissie over intellectueel eigendom in de plantenveredeling af. Deze studie zal een basis vormen voor het verdere gesprek over dit onderwerp.
Gezien de grote meerderheden die moties zoals de motie-Hertzberger c.s. hebben gekregen houdt u er rekening mee dat de Kamer u mogelijk per motie zal verzoeken om tegen een resultaat te stemmen waarin de oproepen tot heldere etikettering, voor keuzevrijheid en tegen octrooien van eigenschappen niet voldoende zijn gewaarborgd? Kunt u toezeggen gehoor te geven aan een dergelijk verzoek?
Ik zie het Raadsakkoord als een mooi compromis waarin heldere etikettering, keuzevrijheid en octrooien in de plantenveredeling op een proportionele manier worden gewaarborgd. Uiteraard zal ik eventuele nieuwe wensen van de Kamer zorgvuldig wegen, rekening houdend met de proportionaliteit en (juridische) uitvoerbaarheid van een dergelijke motie en in het licht van internationale verplichtingen van Nederland.
Kunt u toezeggen de Kamer tijdig te informeren over aankomende stemmingen zodat er voldoende gelegenheid is om uw inzet in Europa in lijn te brengen met de wens van een democratische meerderheid?
Ik informeer uw Kamer altijd over stemmingen in de Landbouw- en Visserij Raad middels de geannoteerde agenda, dit zal ik blijven doen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voordat er nieuwe overleggen plaatsvinden?
Ik heb uw vragen één voor één en met spoed beantwoord. Echter loopt het Europese proces altijd door, ik kan daarom niet garanderen dat er geen overleggen plaatsvinden in een bepaalde periode. In deze periode is het onderwerp Nieuwe Genomische Technieken niet besproken in de Landbouw- en Visserij Raad.
De sluiting van fabriek Fibrant op Chemelot |
|
Natascha Wingelaar (NSC) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Fabriek Fibrant op Chemelot gaat sluiten, honderd werknemers ontslagen: vrees voor domino-effect»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de sluiting van Fibrant, waarbij 100 banen verloren gaan en de productie wordt verplaatst naar China?
Het kabinet deelt de zorgen over de voorgenomen sluiting van een aantal fabrieken van Fibrant op Chemelot. Allereerst, voor de betrokken medewerkers die op dit moment in grote onzekerheid zijn over hun baan. Verder deelt het kabinet de zorgen van de Provincie Limburg en het cluster Chemelot, waar Fibrant één van de grotere bedrijven is. Chemelot is een sterk geïntegreerd cluster, waardoor een herstructurering bij één bedrijf mogelijk ook andere bedrijven op het cluster zal raken. Het is op dit moment echter te voorbarig om te spreken over een definitief besluit.
Op 21 oktober jl. heeft Fibrant in een persbericht het voorgenomen besluit tot herstructurering van de organisatie naar buiten gebracht. Door dit voorgenomen besluit zouden circa 100 medewerkers gedwongen hun baan verliezen. Fibrant heeft het voorgenomen besluit voorgelegd aan de ondernemingsraad (OR) voor advies. Pas na een advies van de OR zal er een definitief besluit worden genomen.
De ontwikkelingen bij Fibrant zijn zorgwekkend en passen in een beeld dat we helaas vaker zien, waarbij bedrijven in de energie-intensieve industrie (EII) in Nederland moeilijk kunnen concurreren. De financiële uitdagende situatie bij Fibrant komt volgens het bedrijf onder meer door aanhoudende druk op de productiekosten in combinatie met overcapaciteit op de (Europese) markt. Deze overcapaciteit is mede het gevolg van toenemende productiecapaciteit in landen zoals China, al is in dit specifieke geval geen sprake van verplaatsing van productie. Het kabinet herkent deze signalen over de concurrentiepositie van de industrie en deelt deze zorgen.
Hoe verhoudt deze sluiting zich tot de doelstellingen van het kabinet om de maakindustrie en werkgelegenheid in Nederland te behouden en om de regio Zuid-Limburg economisch te versterken?
Het voorgenomen besluit voor sluiting van de caprolactam-fabrieken van Fibrant op Chemelot laat zien dat het vestigingsklimaat in Nederland onder druk staat. Het kabinet heeft in haar recente brief met het Toekomstperspectief voor de EII benadrukt dat bedrijven gestimuleerd moeten worden om in Nederland te blijven produceren, maar wel anders dan nu: schoner, concurrerender en minder afhankelijk van fossiele energie en kwetsbare importketens.2 Het behouden van de EII is cruciaal voor het Nederlandse verdienvermogen en het streven naar strategische autonomie. Fibrant heeft de afgelopen jaren al grote investeringen gedaan om deze stap richting een schonere productie te realiseren en behoort tot de meest efficiënte en duurzame sites voor de productie van caprolactam in Europa. De sterke verwevenheid van Fibrant met het cluster Chemelot, waarbij bedrijven grondstoffen aan elkaar leveren of restwarmte met elkaar delen, maakt dat de gevolgen van een eventuele sluiting ook breder gevoeld zullen worden. De werkgelegenheid en economische activiteiten op het cluster zijn van groot belang voor de regionale economie.
Het belang van een sterke en groene basischemie voor het toekomstig verdienvermogen van Nederland wordt ook onderschreven door het Perspectief voor de chemiesector3 en innovatieve chemie is door het kabinet recent aangemerkt als strategische markt die van groot belang is voor onze economie, maatschappelijke uitdagingen en economische weerbaarheid.4 De eventuele sluiting van een aantal fabrieken van het bedrijf op Chemelot zou niet bijdragen aan deze beleidsdoelstellingen en het verlies van deze kennis en productiecapaciteit in Nederland zou betreurenswaardig zijn voor de regionale, nationale en Europese economie en autonomie.
Bent u ermee bekend dat Fibrant eerder dit jaar nog subsidie ontving in het kader van de regeling «Klimaat en Groene Groei» om de ammoniakuitstoot te reduceren, samen met OCI en Rockwool? Hoeveel subsidie is daadwerkelijk toegezegd en uitgekeerd aan Fibrant? Wat gebeurt er met die middelen nu de fabriek sluit?
Ja, dit is bekend. In maart 2025 heeft Fibrant vanuit de Rijksoverheid een subsidie van € 30 miljoen toegekend gekregen om haar ammoniakuitstoot significant te reduceren. Deze subsidie is verstrekt vanuit de Aanpak Piekbelasting Industrie (API) om bij te dragen aan een duurzamere en schonere basisindustrie.5 Zoals eerder is aangegeven ligt er op dit moment nog een aantal toekomstscenario's op tafel. Het is daarom nog te voorbarig om uitspraken te doen over de mogelijk impact voor dit reductieproject.
Na een beschikking wordt het subsidiebedrag, zoals gebruikelijk bij dergelijke subsidies, in tranches bevoorschot, in lijn met de voortgang van het betreffende project. Onderdeel van deze subsidiebeschikking is een prestatieafspraak. Indien het project niet wordt gerealiseerd, moet het eerder voorgeschoten bedrag door het bedrijf worden terugbetaald. Tot nog toe is circa € 5 mln. als voorschot aan Fibrant uitgekeerd. Zodra meer duidelijk is over de toekomst van Fibrant, kan ook inzicht worden gegeven in wat de mogelijke impact is op de voortgang van dit specifieke project.
Hoe beoordeelt u het dat overheidsgeld is ingezet om verduurzaming te ondersteunen, terwijl de buitenlandse eigenaar vervolgens besluit de productie volledig naar China te verplaatsen?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is aangegeven, betreft het voorgenomen besluit van Fibrant een mogelijke sluiting van de caprolactam-installaties op Chemelot en niet een verplaatsing (naar China of elders). Een eventuele sluiting van deze activiteiten ziet het kabinet, zoals hiervoor aangegeven, als zorgwekkend.
Het kabinet zet zich in voor het behoud van de EII in Nederland, door te zorgen voor de noodzakelijke randvoorwaarden voor investeringen in verduurzaming. Zoals het kabinet eerder heeft aangegeven moeten bedrijven in Nederland kunnen verduurzamen, een toekomst kunnen hebben en concurrerend kunnen zijn.6 Naast het verbeteren en realiseren van de randvoorwaarden, is een brede waaier aan instrumenten beschikbaar om bedrijven te ondersteunen bij het realiseren van hun verduurzamingsambities in Nederland.
Met de reeds genomen en aangekondigde maatregelen blijven er uitdagingen voor (de verduurzaming van) bedrijven in de industrie. Bij de (formatie van) een nieuwe kabinet zal ook gekeken moeten worden naar welke (nieuwe) maatregelen eventueel nodig zijn om bedrijven en banen in de industrie te behouden.
Welke gevolgen heeft deze sluiting voor andere bedrijven op Chemelot, waaronder OCI en SABIC, en voor de honderden toeleveranciers en onderhoudsbedrijven die afhankelijk zijn van deze keten?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt er momenteel interdepartementaal overleg gevoerd met de Ministeries van Economische Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en met de provincie Limburg om de gevolgen voor werkgelegenheid en regionale economie op te vangen? Zo ja, welke concrete stappen worden gezet? Zo nee, bent u bereid dit alsnog op te starten?
Het kabinet heeft, samen met Provincie Limburg, zeer intensief contact met de bedrijven over de ontwikkelingen op Chemelot. Zoals gezegd liggen er op dit moment nog meerdere scenario's op tafel, waarbij het doel is om zoveel mogelijk werkgelegenheid en economische activiteit te behouden. Het kabinet deelt de zorgen over de voorgenomen sluiting van een aantal van fabrieken van Fibrant op Chemelot.
Vooralsnog zal het kabinet inzetten op het voorkomen van ontslagen en het behoud van werkgelegenheid in het cluster. Indien er onverhoopt toch wordt overgegaan tot sluiting en daarmee gedwongen ontslagen voor werknemers, dan zal het kabinet, aansluitend op de afspraken tussen de werkgever en werknemers en de inzet op «van werk naar werk» en in nauwe samenwerking met de Ministeries van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, provincie Limburg, gemeenten, UWV en andere betrokken partijen, zich richten op goede begeleiding van getroffen medewerkers naar nieuw werk.
In dat geval kan, aansluitend op de afspraken tussen werkgever en werknemers, het vinden van nieuw werk worden ondersteund door de werkgeversdienst-verlening van UWV en gemeenten. Vanuit de regionale samenwerkingsverbanden in Zuid-Limburg is goed zicht op de arbeidsmarkt en op de beschikbare personeelsvraag bij andere bedrijven. Deze partners kunnen gezamenlijk maatwerk bieden, gericht op het voorkomen van langdurige werkloosheid en het benutten van kansen in en voor de regio.
Erkent u de uitspraak van de vakbonden dat dit een «zware klap» is voor de regio, en welke maatregelen overweegt u om de gevolgen voor de getroffen werknemers en de regio te beperken?
Zie antwoord op vraag 7.
Deelt u de zorg dat hoge energieprijzen, onzeker energiebeleid en complexe regelgeving bijdragen aan een verslechterd investeringsklimaat voor de Nederlandse industrie? Zo ja, wat gaat u daaraan doen om een gelijk speelveld met het buitenland te creëren?
Het kabinet herkent de signalen en deelt de zorgen over de verslechterde concurrentiepositie van de industrie in Nederland. De beschreven ontwikkelingen zijn herkenbaar: bij veel bedrijfstakken in de Nederlandse industrie staat de productie onder druk door een combinatie van factoren zoals de hoge energie-prijzen, complexe regelgeving en de sterk gestegen loonkosten. Een gunstig ondernemingsklimaat, met optimale randvoorwaarden en een gelijk speelveld, zijn van cruciaal belang voor het welslagen en de ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid in Nederland.
Deze factoren zijn immers bepalend voor de concurrentiepositie en marktkansen van bedrijven. Het is essentieel dat ondernemers kunnen opereren onder gelijkwaardige voorwaarden en niet worden verdrongen door buitenlandse concurrenten die onder gunstiger omstandigheden en regelgeving kunnen opereren. Dat is niet alleen van belang voor de bedrijven, maar ook voor ons verdienvermogen.
Voor de verbetering van het gelijke speelveld voor bedrijven in de EII heeft het kabinet met Prinsjesdag een aantal nieuwe maatregelen aangekondigd, een uitwerking van het Pakket voor Groene Groei gericht op een gelijker speelveld.7 Het kabinet heeft onder andere aangekondigd de subsidieregeling indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) te verlengen tot en met 2028, om de elektriciteitskosten concurrerender te maken. Verder heeft het kabinet een werkgroep ingesteld met als opdracht om tot een alternatief te komen voor de nationale CO2-heffing, waarmee invulling wordt gegeven aan de brede wens van de Kamer om verbetering van de concurrentiepositie van de industrie in Nederland te realiseren. Het kabinet erkent dat de hoge nettarieven in Nederland een uitdaging zijn voor de industrie en onderzoekt mogelijkheden om de hoge elektriciteitskosten voor de EII te verlagen.
Het kabinet zet zich ook in voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden, zoals vermindering van de regeldruk, beschikbaarheid van talent, netcongestie en betere werking van de EU interne markt. Bij investeringsbeslissingen is ook stabiliteit van beleid op de lange termijn voor bedrijven belangrijk. Naast inzet op randvoorwaarden is strategisch beleid nodig gericht op het stimuleren van investeringen in sectoren en gebieden relevant voor verdienvermogen, maatschappelijke opgaven en weerbaarheid. In dit licht is de Kamer recent geïnformeerd over de productiviteits-agenda8, het aanpakken van regeldruk9 en het nieuwe industriebeleid.10
Bent u bereid om samen met betrokken bedrijven, provincie en kennisinstellingen te werken aan een toekomstplan voor de Chemelot-site, gericht op behoud van hoogwaardige werkgelegenheid, innovatie en circulaire productie?
Het voorgenomen besluit van Fibrant om haar caprolactam-activiteiten te stoppen is nog niet definitief. Het kabinet is nauw betrokken bij de huidige ontwikkelingen rondom Fibrant, waarbij wordt gezocht naar passende en toekomstgerichte oplossingen, gericht op het beperken van de impact op de regio. Het kabinet heeft recent samen met de Provincie Limburg gevraagd aan Mark Verheijen, clusterregisseur Chemelot, en Koos van Haasteren, Executive Director Chemelot om samen met betrokken private partijen een gedragen plan uit te werken, waarbij zoveel mogelijk werkgelegenheid en economische activiteiten kunnen worden behouden voor een toekomstbestendig en duurzaam cluster. Het kabinet zal daarbij ook bezien hoe deze plannen, waar passend en mogelijk, eventueel kunnen worden ondersteund.
Er lopen momenteel ook verschillende (maatwerk)gesprekken met het cluster en de Provincie Limburg die passen binnen het bredere actieplan «Limburgs Bod voor een Duurzaam Chemelot». Het einddoel is een circulaire, CO2-neutrale én toekomstbestendige site rond 2040. Een goed voorbeeld van de maatwerkaanpak is de Joint Letter of Intent die op 8 juli jl. met AnQore en de Provincie Limburg is getekend. De nationaal groeifondsprogramma’s Circulair Plastics NL en BioBased Circular zijn voorbeelden van reeds bestaande publieke financiering in samenwerking met kennisinstellingen Brightlands Chemelot Campus, Universiteit Maastricht en TNO. Beide programma's zijn samen goed voor € 558 miljoen aan publieke financiering, naast regulier nationaal instrumentarium.
Welke lessen trekt u uit eerdere bedrijfssluitingen zoals Apollo Vredestein en Batavus? Waarom is het niet gelukt om soortgelijke besluiten te voorkomen, ondanks eerdere waarschuwingen?
Vooropgesteld moet worden geconstateerd dat deze casussen allemaal uniek zijn. Het voorgenomen besluit van Fibrant betreft een andere casus dan eerdere bedrijfssluitingen van de bedrijven Apollo Vredestein en Batavus. Met het bedrijf Apollo Vredestein is, zoals ook is toegelicht in de beantwoording van Kamervragen van de leden Saris en Postma, intensief contact geweest tussen de overheid en het bestuur van Vredestein.11 Het kabinet heeft geprobeerd het bedrijf te overtuigen van de voordelen van productie in Nederland, met name door te focussen op hoogwaardige, innovatieve productie. Daarbij is door het kabinet ondersteuning aangeboden om de business case hier aantrekkelijker te maken.
De eigenaren van Apollo Vredestein hebben echter steeds benadrukt dat het bedrijf zich, vanwege de ervaren concurrentiedruk, genoodzaakt ziet vooral op kosten te sturen. Deze aanpak sluit niet aan bij het Nederlandse industriebeleid, dat juist gericht is op een hoogwaardige, kennisintensieve maakindustrie. Uiteindelijk bleek het verschil in visie te groot om tot een gezamenlijke oplossing te komen.
In algemene zin bevestigt het voorgenomen besluit om de fabrieken van Fibrant te sluiten de noodzaak van het realiseren van een gelijk speelveld voor duurzame en concurrerende bedrijven. Het kabinet blijf zich inzetten voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden, zoals energiekosten en nettarieven, de vermindering regeldruk, de beschikbaarheid van talent, netcongestie en (Europese) marktcreatie voor duurzame producten.
Naast inzet op randvoorwaarden is strategisch beleid nodig gericht op het stimuleren van investeringen in sectoren en gebieden relevant voor verdienvermogen, maatschappelijke opgaven en weerbaarheid. In dit licht heeft het kabinet de Kamer de afgelopen periode geïnformeerd over haar productiviteitsagenda, het aanpakken van regeldruk, het toekomstperspectief voor de EII en chemie en het nieuwe industriebeleid.
Klopt het dat Fibrant de afgelopen jaren publieke steun heeft ontvangen van het Rijk of via Europese of provinciale regelingen voor verduurzaming of innovatie van productieprocessen? Hoe wordt binnen dergelijke regelingen geborgd dat bedrijven die publieke middelen ontvangen hun productie niet kort daarna beëindigen of verplaatsen? Wordt in dit geval onderzocht of terugvordering van (een deel van) de steun aan de orde is?
De afgelopen jaren heeft Fibrant vanuit de Rijksoverheid via nationale subsidies, deels uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), een aantal subsidies ontvangen of toegekend gekregen voor het verduurzamen van haar fabrieken op Chemelot. Dit betreft de eerder genoemde toekenning van een subsidie van € 30 miljoen in 2025 voor de reductie van ammoniakuitstoot, als onderdeel van de API. Daarnaast heeft het bedrijf een DEI+-subsidie toegekend gekregen van € 3,5 miljoen en heeft het bedrijf deelgenomen aan een PPS-toeslagproject, maar hiervoor ontvangt het bedrijf geen PPS-toeslag of subsidie. Er is ook een subsidie in de vorm van een renteloze lening van € 27 miljoen voor de reductie van Fibrant’s lachgasemissie gegeven door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Deze lening uit 2019 was onderdeel van het pakket Urgenda-maatregelen.
Bij het beoordelen van een subsidieaanvraag en tijdens de looptijd van een project wordt getoetst of een subsidieontvanger voldoet aan de verplichtingen of voorwaarden die zijn opgenomen in de regeling of subsidievoorwaarden. Subsidie-ontvangers hebben een meldingsplicht om substantiële afwijkingen hiervan proactief door te geven aan RVO of het Ministerie. Bij dergelijke wijzigingen in een project wordt er altijd getoetst of de wijziging in overeenstemming met de subsidieregeling is. Als dit niet het geval is, kan dat effect hebben op het vast te stellen subsidiebedrag.
Indien tijdens de looptijd van een project bedrijfsbeëindiging of bedrijfs-verplaatsing plaatsvindt, betekent dat dat het bedrijf (de subsidieontvanger) niet of niet langer aan de voorwaarden of verplichtingen uit de subsidieregeling voldoet. De subsidieaanvraag kan dan worden geweigerd, de subsidieverlening kan worden ingetrokken of de subsidie kan lager worden vastgesteld. Eventueel reeds bevoorschotte of ingezette subsidies kunnen dan worden teruggevorderd. Omdat er op dit moment alleen nog een voorgenomen besluit is kenbaar gemaakt over de eventuele sluiting van een aantal fabrieken van Fibrant, is het nog te vroeg om vooruit te lopen op terugvordering van de subsidies.
Houdt u systematisch bij hoeveel industriële bedrijven de afgelopen jaren hun productie geheel of gedeeltelijk hebben beëindigd in Nederland en wat de belangrijkste oorzaken daarvan zijn? Zo nee, bent u bereid dit structureel te monitoren en daarover periodiek aan de Kamer te rapporteren?
De Rijksoverheid heeft een redelijk goed beeld van dergelijke besluiten voor zover die publiekelijk kenbaar zijn, maar houdt die op dit moment niet systematisch bij. Dit gebeurt niet, omdat een dergelijke monitor een vertekend en eenzijdig beeld zou kunnen geven van de dynamiek binnen de industrie, waar altijd sprake is van volatiliteit in de productie. Dat neemt niet weg dat de trend goed inzichtelijk is voor de overheid. De Rijksoverheid staat via verschillende (overleg)structuren, bijvoorbeeld via het NPVI en de clusterorganisaties, in nauw contact met vertegenwoordigers uit het de industrie en het bredere bedrijfsleven in Nederland. Daarnaast worden de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten gehouden, met behulp van de Top 60-rapportage voor de inventarisatie van knelpunten bij CO2-reductieplannen in de EII, de Regeldrukmonitor en de bredere monitor Ondernemingsklimaat.
Als bedrijven op grote schaal besluiten om hun productie te verminderen of te beëindigen in Nederland vanwege randvoorwaarden die niet op orde zijn of vanwege een ongelijk speelveld is dat zorgelijk. Wel wijst het kabinet er op dat in een gezonde economie sprake is van voortdurende vernieuwing en herstructurering: sommige bedrijven verdwijnen of verplaatsen hun activiteiten, terwijl andere juist ontstaan of uitbreiden. Dat is inherent aan een goed functionerende economie. Dat neemt niet weg dat een inperking van bedrijfsactiviteiten – zeker op de korte termijn – ingrijpend en zeer vervelend kan zijn voor de betrokken medewerkers.
Kunt u deze vragen, gezien de ernst van de situatie, binnen een week beantwoorden?
Het kabinet heeft deze vragen zo snel mogelijk beantwoord. Helaas is dat niet gelukt binnen een week.
De berichten inzake de ingreep van de Nederlandse overheid bij het bedrijf Nexperia |
|
Bram Kouwenhoven (NSC), Ilse Saris (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in Telegraaf, AD en RTL Nieuws over de ingreep bij de chipmaker Nexperia? Zo ja, hoe kijkt u naar de ontstane (politieke) situatie?1, 2, 3
Ja. De ingreep vindt zijn oorsprong in specifieke handelingen van de CEO van de Nexperia Groep. Er was sprake van oneigenlijke verplaatsing van productie, geld, technologie en kennis (waaronder intellectuele eigendomsrechten) naar een buitenlandse entiteit van de CEO buiten de Nexperia groep. Ook de verschillende EU-onderzoeksafdelingen zouden worden afgeschaald. Het handelen van de CEO uitte zich als volgt 1) belangenverstrengeling en zelfverrijking door het verplaatsen van kennis en capaciteit naar een fabriek in persoonlijk eigendom van de CEO en niet in eigendom van Nexperia, 2) het in gevaar brengen van de financiën van de Nexperia groep, en 3) het op onjuiste wijze willen ontslaan van werknemers (o.a. bij de Europese R&D afdelingen) en medebestuurders. Dit vormde een direct risico voor de kennispositie, productie in de toeleveringsketen en daarmee de leveringszekerheid van microchips aan de Europese industrie en voor bestaande wederzijdse afhankelijkheden.
Om die situatie te ondervangen en stabiliteit van toeleveringsketens te waarborgen, heb ik op 30 september de Wet beschikbaarheid goederen (Wbg) toegepast. Ik heb uw Kamer hierover op 14 oktober jl. schriftelijk geïnformeerd. Dit besluit was mede aanleiding voor de Chinese overheid om vanaf 4 oktober jl. Nexperia exportrestricties op te leggen. Sindsdien is er, in nauwe afstemming en met steun van de Commissie en andere internationale partners, intensief contact met de Chinese autoriteiten om tot een oplossing te komen die voor beide zijden acceptabel is en leidt tot de hervatting van de export vanuit China om zodoende de verstoring van de waardeketens te kunnen verlichten. Op moment van schrijven is er voorzichtig optimisme n.a.v. een aantal berichten dat er weer Nexperia-chips geleverd worden.
Het AD-artikel (en verschillende andere artikelen) spreekt over dreigende chiptekorten bij Europese autobouwers; kunt u een overzicht geven van de economische gevolgen (voor Nederland of Europa) van het door China reeds aangekondigde exportverbod?
China heeft een bedrijfsspecifieke exportcontrolemaatregel afgekondigd voor alle Nexperia producten. Er is geen sprake van een exportverbod maar van een exportvergunningmaatregel. Voor alle producten moet een exportvergunning worden aangevraagd. Bij het niet of vertraagd verlenen van een vergunning zijn de economische gevolgen groot. De chips van Nexperia worden namelijk in een breed scala aan veelgebruikte producten gebruikt, waaronder auto’s en consumentenelektronica. Nexperia vormt daarmee een belangrijke producent in dit segment. Zonder hervatting van de export van de zogenoemde «legacy chips»4 vanuit China dreigen productielijnen in Europa en elders stil te vallen.
In hoeverre heeft het kabinet voorafgaand aan het besluit mogelijke diplomatieke of economische tegenmaatregelen van China geïnventariseerd (tegen Nederlandse bedrijven die ook belangrijke belangen hebben in China) en hoe zijn deze risico’s gewogen?
Het bevel ziet uitdrukkelijk niet op China maar naar aanleiding van de effecten van het handelen van de (thans door de Ondernemingskamer geschorste) CEO van het bedrijf. Ingrijpen was noodzakelijk om oneigenlijke verplaatsing van productie, geld, technologie en kennis te voorkomen. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen. Bij de vormgeving van het bevel is rekening gehouden met deze scenario's. Het bevel is dan ook zo ingericht dat er geen gevolgen zijn voor de normale productie en export van goederen door de onderneming.
Bent u voorafgaand aan de ingreep bij Nexperia geïnformeerd over de economische en juridische risico’s van uw besluit (uw beslisnota bij de brief «Inzet Wet beschikbaarheid goederen» geeft daar geen inzicht in)? Zo ja, welke risico’s heeft u meegewogen in het besluit om de CEO van Nexperia op een zijspoor te zetten en welke rol speelde uw ministerie bij het besluit van de Ondernemingskamer om de CEO te schorsen en een interim-bestuurder te benoemen?4
Het besluit is genomen op basis van een integrale afweging waarbij ook de mogelijke economische en juridische risico’s in ogenschouw zijn genomen. Bij deze afweging is ook meegenomen dat niet ingrijpen dermate grote risico’s had op weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa. Voor de duidelijkheid merk ik op dat ik de CEO niet op een zijspoor heb gezet. De Ondernemingskamer heeft als onafhankelijke rechtelijke instantie besloten tot het schorsen van de CEO als voorlopige maatregel, op basis van de daarvoor geldende wettelijke kaders. De zaak bij de Ondernemingskamer is gestart door de overige bestuursleden van Nexperia. Ingegeven door het daarvoor afgevaardigde bevelschrift, heeft de Nederlandse Staat zich, zoals juridisch in dit geval voor de hand lag, gevoegd als belanghebbende bij deze zaak om een toelichting te geven over het bevel en de publieke belangen die in het geding waren.
Op welke juridische grondslag is de overheid feitelijk tot het besluit gekomen Nexperia onder staatstoezicht te plaatsen en op welk moment is de Wet beschikbaarheid goederen voor het laatst geëvalueerd of geactualiseerd?
De juridische grondslag voor het bevel is de Wet beschikbaarheid goederen (Wbg). Met deze wet kunnen Ministers bevelen geven die de beschikbaarheid van goederen waarborgt door veranderingen aan goederen te verbieden dan wel verplichten tot het maken van veranderingen aan goederen. Ook kan het verbruik of verwerking van goederen verboden worden. En een doeltreffend onderhoud kan verplicht worden gesteld. Het kan hierbij gaan om algemene bevelen die voor groepen gelden of bijzondere bevelen die zich richten op één persoon of organisatie. Het kan zien op goederen waarmee weer andere goederen kunnen worden gemaakt (productiemiddelen) of geproduceerde eindproducten. Verder zijn de Ministers bevoegd om goederen te onderwerpen aan een onderzoek. De laatste meer inhoudelijke wijziging van de Wet beschikbaarheid goederen is in werking getreden op 16 maart 2005. Sindsdien is de wet nog zeven keer op meer technische punten gewijzigd en geactualiseerd, laatstelijk met ingang van 1 juli 2021. Het bevel stelt de staat in een rol als «toezichthouder» om beslissingen die in het nadeel van de bedrijfsbelangen zijn te kunnen beoordelen en waar nodig tegen te houden. Het bevelschrift is nadrukkelijk geen overname of overname van controle van het bedrijf, en staat het reguliere productieproces en de reguliere bedrijfsvoering niet in de weg.
Bent u vooraf geïnformeerd over de mogelijke gevolgen van dit besluit voor het Nederlandse vestigingsklimaat? Zo ja, welke analyses of adviezen heeft u hierover ontvangen en kunt u deze met de Kamer delen?
Er is ingegrepen op basis van concrete signalen dat er zich een direct risico op het voortbestaan van de resterende productiecapaciteit van Nexperia in Europa, en daarmee de leveringszekerheid van legacy chips. Een deel van de risico's blijken ook uit de stukken die in het kader van de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer zijn gewisseld. Niet ingrijpen had dermate grote risico’s op weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa dat ik uiteindelijk heb besloten om op grond van de Wet beschikbaarheid goederen (Wbg) een bevel af te vaardigen om de verwezenlijking van deze essentiële risico’s te voorkomen. Als ik dit niet had gedaan, dan waren er op langere termijn absoluut schadelijke gevolgen geweest voor het vestigingsklimaat in Nederland en de EU. Aangezien een aanzienlijk deel van de Europese industrie afhankelijk is van Nexperia-chips, had zo’n ontwikkeling Nederland en Europa in een kwetsbare positie gebracht. Het behoud van deze wederzijdse afhankelijkheid is namelijk van belang voor een hogere leveringszekerheid.
Heeft u met uw handelen het Nederlandse vestigingsklimaat schade toegebracht?
Nee, op lange termijn is een verslechtering van ons vestigingsklimaat hiermee juist voorkomen. Nederland staat voor een gezond en stabiel vestigingsklimaat, en beschermt dit ook waar nodig door oneerlijke handelspraktijken aan te pakken en te borgen wat voor Nederland en de EU van cruciaal belang is. Het kabinet blijft zich hiervoor inzetten. De genomen maatregel is uitzonderlijk en is weloverwogen toegepast. Met het opgelegde bevel is het weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa een halt toegeroepen. Als deze risico’s zich hadden verwezenlijkt, had dat tot een strategische afhankelijkheid geleid hetgeen het vestigingsklimaat negatief had beïnvloed.
In september jl. is de Amerikaanse «50% rule» ingegaan, op dezelfde dag waarop u dit besluit heeft genomen; kunt u uitsluiten dat er geen inspraak is geweest van de Amerikaanse autoriteiten, formeel of informeel, dienaangaande?5
Ter verduidelijking: de Amerikaanse Affiliates Rule, informeel bekend als de «50%-rule», is op 29 september jl. gepubliceerd. Het bevel op grond van de Wet beschikbaarheid goederen (Wbg) is op 30 september jl. afgegeven. De Amerikaanse maatregelen en het Nederlandse besluit zijn dus niet op dezelfde dag genomen. Daarnaast hebben de Amerikaanse autoriteiten geen enkele rol gespeeld bij de totstandkoming van mijn besluit over de toepassing van de Wbg. Het besluit is volledig zelfstandig genomen, op basis van risicoafwegingen voor Nederland en Europa. Het handelen van de CEO is hier leidend in geweest. Het is belangrijk te benadrukken dat het doel van het Nederlandse bevel is om de continuïteit en stabiliteit van het bedrijf te waarborgen. De toepassing van de Amerikaanse Affiliates Rule kan daarentegen juist beperkend werken.
Heeft Nederland informatie ontvangen of verzoeken gekregen van de Amerikaanse regering of veiligheidsdiensten over deze zaak, bijvoorbeeld in het kader van export- of sanctieregimes?
Eerdere gesprekken tussen de Verenigde Staten en Nederland gingen primair over Nederlandse zorgen over nadelige gevolgen van de Affiliates Rule voor Nexperia. Deze gesprekken vonden plaats ruim voordat het ministerie een completer beeld had van het handelen van de CEO van Nexperia en dus ook ruim voor de beslissing om de Wbg in te roepen. Daarbij wil ik benadrukken dat ik heb ingegrepen vanwege de effecten van het handelen van de CEO van Nexperia, en niet vanwege de Affilates Rule. Over de inhoud van contacten met de Amerikaanse regering in het kader van export- of sanctieregimes kan ik vanwege het vertrouwelijke karakter daarvan geen uitspraken doen. Verder doet het kabinet in het openbaar geen uitspraken over het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Kunt u een overzicht geven van de tijdslijn van dit besluit, inclusief de data waarop betrokken departementen, de NCTV en eventueel buitenlandse partners zijn geïnformeerd of geconsulteerd?
Vanaf december 2023 is mijn ministerie op initiatief van Nexperia in gesprek over de gepercipieerde veiligheidszorgen bij Nexperia. Tot zomer 2025 is gesproken over eventuele (governance)maatregelen die Nexperia zou kunnen nemen om deze zorgen te adresseren. In de tweede helft van september 2025 ontving EZ zeer concrete en feitelijke signalen over de risicovolle handelwijze van de CEO van Nexperia die ertoe zouden leiden dat laatste kennis, kunde en productiecapaciteit zou weglekken buiten Europa. Kort daarop heb ik besloten tot de inzet van de Wbg. De formele uitvaardiging van dit bevel vond plaats op 30 september 2025. Meteen na de afgifte van het bevel heb ik betrokken partners en overheden geïnformeerd over het bevel. Op 1 oktober jl. hebben bestuurders van de onderneming een verzoek ingediend voor een onafhankelijke enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof van Amsterdam (OK) inzake wanbeleid door de CEO. In de week daarop heb ik intensief contact gehad met betrokken partners en overheden. Op 4 oktober jl. kondigde China exportcontrolemaatregelen t.a.v. Nexperia aan. Op 14 oktober jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de ontstane situatie. Sindsdien wordt er intensief gewerkt op alle niveaus en met verschillende betrokken partijen aan een oplossing voor de ontstane situatie. Er lopen constructieve gesprekken met de Chinese overheid in het kader van het herstel van de toeleveringsketen van de chips en het vinden van een duurzame oplossing. In dat kader zijn deze week ambtelijke gesprekken gevoerd in China. Hierop ga ik ook nader in op de Kamerbrief die ik ook vandaag met de Kamer heb gedeeld.
Hoe verhoudt deze ingreep zich tot de Europese Chipverordening6 en de aangekondigde Europese richtlijnen voor screening van buitenlandse investeringen? Is hierover overleg geweest met de Europese Commissie?
Het opgelegde bevel staat los van de Europese Chips Act. Dit is een wetgevingspakket om de Europese halfgeleiderindustrie een impuls te geven, haar veerkracht te versterken en een veilige aanvoer van chips te garanderen. Dit staat ook los van de voorgestelde Europese verordening voor screening van buitenlandse investeringen, die ziet alleen op voorgenomen overnames of investeringen (door buitenlandse partijen). In deze casus was geen sprake van een (voorgenomen) investering of overname, maar is ingegrepen vanwege specifieke handelingen van de CEO van de Nexperia groep.
Wat zegt u tegen andere multinationals, gevestigd in Nederland, inzake de inzet van dit zware middel en wat is het precedent voor andere multinationale bedrijven in Nederland?
Het instrument van de Wet beschikbaarheid goederen is bij hoge uitzondering ingezet vanwege de risico’s voor de strategische autonomie van Nederland en Europa in deze zeer specifieke situatie. De inzet van de Wbg kwam tot stand vanwege deze zeer unieke bedrijfscasus en de daarmee samenhangende belangen. Dit markeert uitdrukkelijk geen beleidswijziging van het kabinet en het is hoogst onwaarschijnlijk dat het kabinet dit instrument nogmaals inzet.
Hoe gaat u de politieke stabiliteit voor (internationale) ondernemers, als fundament onder het vestigingsklimaat in Nederland, verder versterken?
Het kabinet werkt gericht aan een sterker investeringsklimaat door in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven en kennisinstellingen strategische sectoren zoals halfgeleiders, biotechnologie en andere sleuteltechnologieën te versterken, en door de regeldruk en fiscale lasten structureel te verlagen. Daarnaast richt het kabinet zich op het vergroten van het innovatievermogen en een structurele dialoog tussen overheid, bedrijfsleven en wetenschap. Met deze lange termijnaanpak beoogt het kabinet een stabiele en voorspelbare beleidsomgeving te creëren die essentieel is voor een robuust investeringsklimaat.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de Europese Commissie in het komende jaar een nieuw besluit zal nemen over de voorwaarden waaronder de 2GHz-radiofrequentie, ook wel bekend als het S-band spectrum, gebruikt mag worden?
Ja. Het gaat hier specifiek om de banddelen 1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz, die bij besluit van 14 februari 2007 op Europees niveau zijn geharmoniseerd voor de implementatie van systemen voor mobiele satellietdiensten.1 Beschikking 626/2008/EG2 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2008 bepaalt dat de rechten voor 18 jaar worden verleend, gerekend vanaf het moment van het selectiebesluit. Het selectiebesluit is genomen op 13 mei 2009 en de Commissie werkt op dit moment aan de vervolgstappen.3
Bent u ervan op de hoogte dat de twee bedrijven1 die in 2007 voor 20 jaar de licenties van het spectrum in handen kregen inmiddels zijn overgekocht door Amerikaanse partijen?2 Wat vindt u ervan dat deze licenties voor satellietcommunicatie niet meer in Europese handen zijn?
Ja, ik ben op de hoogte van de genoemde overnames. Ik vind het van belang dat het spectrum voor mobiele satellietdiensten na 2027 toegankelijk zal zijn voor partijen die interesse hebben in het aanbieden van diensten in deze band onder de door de Commissie gestelde voorwaarden. Ik zal richting de Europese Commissie bepleiten om zogenoemde «wholesale-verplichtingen» op te nemen in een eventuele nieuwe beschikking, dat wil zeggen dat andere partijen gebruik kunnen maken van het netwerk om diensten aan te bieden. Het opnemen van een dergelijke verplichting voorkomt het ontstaan van een risicovolle strategische afhankelijkheid van één of twee partijen.
Hoe reageert u op het gegeven dat het Amerikaanse SpaceX voor 17 miljard dollar aan communicatiefrequentie koopt bij EchoStar Corporation om particulier te gebruiken in het netwerk van Starlink?3 Is dit in lijn met uw visie op de vraag hoe de 2GHz-frequentie gebruikt zou moeten worden?
Het is nog onbekend of de Europese frequentierechten van EchoStar ten aanzien van de banddelen 1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz onderdeel uitmaken van de deal die EchoStar heeft gesloten met SpaceX. In algemene zin ben ik geen voorstander van het ontstaan van afhankelijkheid van één of twee individuele partijen. Zie hiertoe ook het antwoord onder 2.
Kunt u het vervolgproces toelichten over de vraag hoe de voorwaarden worden opgesteld waaronder de 2GHz-frequentie in de toekomst gebruikt mag worden? Op welke momenten vindt hierover besluitvorming plaats en wanneer worden er onomkeerbare besluiten genomen?
De Europese Commissie beschikt over de bevoegdheid om een voorstel te doen over voorwaarden van gebruik van de 2 GHz-banddelen die Europees geharmoniseerd zijn. De Europese Commissie wordt hierin bijgestaan door het Comité voor Communicatie («CoCom»), zoals vastgelegd in artikel 118 van de Telecomcode.7 Indien de commissie een voorstel doet voor aanpassing van de geldende besluiten is de gewone wetgevingsprocedure van toepassing.8 Dit betekent dat een nieuw voorstel wordt voorgelegd aan het Europees Parlement en de Europese Raad. De instemming van beide gremia is vereist voor de inwerkingtreding van een eventueel nieuw voorstel dat de huidige EU-besluiten met betrekking tot de 2 GHz-banddelen zou vervangen. De Europese Commissie heeft momenteel nog geen aankondiging gedaan ten aanzien van een nieuw voorstel.
Heeft de 2GHz-frequentie een strategisch belang, bijvoorbeeld voor defensieve of civiele doeleinden? Kunt u schetsen op welke manieren de frequentie in de komende 18 jaar gebruikt kan worden?
In februari 2024 heeft de Radio Spectrum Policy Group (hierna: «RSPG») de Europese Commissie geadviseerd over de toekomst van de 2 GHz-banddelen.9 De RSPG bestaat uit vertegenwoordigers uit alle lidstaten die de Europese Commissie adviseren over Europees spectrumbeleid. In dit advies zijn verschillende scenario’s gepresenteerd over op welke manier deze banddelen gebruikt zouden kunnen worden. De scenario’s zijn gebaseerd op input van Europese stakeholders, die tijdens de totstandkoming van het advies in de periode van 9 november 2023 tot 21 december 2023 zijn geconsulteerd.10 De gepresenteerde scenario’s zijn: 1. Geen nieuwe bandindeling, huidige situatie met twee vergunninghouders voortzetten; 2. Verschillende nieuwe bandindelingen voor meerdere satellietoperators of voor innovatieve toepassingen die minder bandbreedte dan satellietoperators nodig hebben. Per scenario is eveneens gekeken naar de mogelijke voordelen voor de Europese Unie. Met inachtneming van de bestemming zijn er verschillende toepassingen denkbaar zowel ten aanzien van commercieel- als overheidsgebruik van de frequentieruimte.
Is bij u bekend of door het directoraat-generaal Defensie en Ruimte (DEFIS) een behoefte is geformuleerd om de 2GHz-frequentie voor het IRIS2-netwerk te gebruiken? Zo ja, kunt u toelichten wat deze behoefte is?
Nee, er is geen formeel verzoek bij mij bekend.
Wat is uw visie op de ontwikkeling van een «direct-to-device» functie, waarmee communicatie tussen satellieten en doorsnee smartphones mogelijk wordt? Verwacht u dat dit een veelgebruikte toepassing gaat zijn voor consumenten of dat dit strategische toepassing voor defensie zal ondersteunen? Voor welk van deze doeleinden zal de 2GHz-frequentie in de toekomst worden ingezet?
Direct-to-device communicatie, ook wel D2D genoemd, kan in verschillende frequentiebanden verzorgd worden en niet alleen in de onderhavige specifieke banddelen van de 2 GHz (1.980–2.010 MHz en 2.170–2.200 MHz). In juni 2025 heeft de RSPG de Europese Commissie geadviseerd over direct-to-device connectiviteit en de mogelijke varianten daarvan.11 Hierin is onder andere onderscheid gemaakt in direct-to-device in IMT banden (banden bestemd voor mobiele communicatie) en in MSS banden (banden bestemd voor satellietdiensten). Het kabinet onderschrijft de analyse in het RSPG advies. De verwachting is dat er binnen Nederland weinig vraag zal zijn naar D2D-diensten met betrekking tot IMT. Gelet op de uitstekende dekking die de mobiele operators bieden zijn er nagenoeg geen gebieden waar er geen goede mobiele netwerkdekking aanwezig is.
Deelt u de zorgen dat Deutsche Telekom, een (toekomstig) afnemer van de «direct-to-device» diensten van Starlink,4 belang heeft bij het verlenen van de 2GHz-frequentie aan een bedrijf dat zaken doet met SpaceX en tegelijkertijd betrokken is bij de besluitvorming van de Europese Commissie?
Het besluitvormingsproces ligt bij de Europese Commissie. Indien de commissie een nieuw voorstel doet is de gewone wetgevingsprocedure hierbij van toepassing, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4. Het besluitvormingsproces ligt niet bij private partijen. Deutsche Telekom is als zodanig niet betrokken bij de besluitvorming van de Europese Commissie.
Heeft u kennisgenomen van het adviesrapport van Detecon, een consultancybedrijf dat onder Deutsche Telekom valt, waarin de Europese Commissie wordt geadviseerd over de voorwaarden waaronder de 2GHz-frequentie in de toekomst verleend moet worden?5 Wat is uw reactie op dat rapport?
Ja. Het rapport maakt onderdeel uit van het besluitvormingsproces en dient als advies aan de Europese Commissie.
Hoe borgen de Europese Commissie en lidstaten de onafhankelijkheid van de adviezen die worden betrokken bij de besluitvorming over het (mogelijke) toekomstige gebruik van de licenties voor de 2GHz-frequentie?
Het gaat hierbij om een advies aan de Europese Commissie met betrekking tot het (Europese) regelgevende kader ten aanzien van het geharmoniseerde deel van de 2 GHz-frequentieband. Het rapport is onder verantwoordelijkheid van de Europese Commissie tot stand gekomen. In algemene zin wijst de Europese Commissie onafhankelijke experts aan voor de beoordeling van inschrijvingen indien er sprake is van een aanbestedingsprocedure.14 In dit specifieke geval heeft de Commissie een tender met voorwaarden uitgeschreven.15
Welke kaders gelden er voor de wijze waarop de Europese Commissie de licenties voor dit spectrum vaststelt? Aan welke voorwaarden moeten de licentiehouders (gaan) voldoen? Hoe wordt gewaarborgd dat deze licenties ten goede komen aan de Europese economie en autonomie?
De kaders voor het gebruik van dit spectrum zijn vastgelegd in beschikking 626/2008/EG, waarin ook is vastgelegd aan welke voorwaarden partijen moeten voldoen.16 Er is vooralsnog geen nieuw kader opgesteld door de Europese Commissie.
Het huidige kader omvat een vergelijkende selectieprocedure, waarbij aanvragers onder andere moeten aantonen dat hun mobiele satellietsysteem het vereiste technische en commerciële ontwikkelingsniveau heeft bereikt.
In de beschikking waarin is bepaald dat de 2 GHz-banddelen Europees geharmoniseerd worden voor de implementatie van systemen voor mobiele satellietdiensten, is aangegeven welke doelen deze harmonisatie dient. Zo is hier onder andere in vermeld dat pan-Europese telecommunicatie een verbetering kan betekenen van de dienstverlening in plattelandsgebieden in de Europese Unie en zo de digitale kloof op geografisch niveau kunnen verkleinen. Ook is aangegeven dat de invoering van nieuwe MSS-systemen tevens een bijdrage zou kunnen leveren aan de ontwikkeling van de interne markt en de mededinging kunnen verbeteren door het aanbod en de beschikbaarheid van pan-Europese diensten en eind-tot-eindverbindingen uit te breiden en doelmatige investeringen aan te moedigen. Bij de weging in de vergelijkende selectieprocedure zijn de voordelen voor de consument en algemene belangen als veiligheid meegenomen.
Wat zijn de uitkomsten van de consultatieronde van de Commissie bij de belanghebbenden rond deze spectrumbanden?6 Welke belanghebbenden zijn er? Zijn er Nederlandse belanghebbenden en hoe worden hun belangen meegewogen in de besluitvorming?
Een samenvatting van de uitkomsten van de consultatieronde zijn op 10 november jl. gepubliceerd door de Europese Commissie: Summary report of the Targeted Consultation on Mobile Satellite Services | Shaping Europe’s digital future. Hierbij zijn ook de niet vertrouwelijke reacties op de consultatie gepubliceerd. Hier zit geen reactie van een Nederlandse belanghebbende bij. In aanvulling hierop is door mij aan de bekende Nederlandse belanghebbenden een uitvraag gedaan naar de behoefte om deze specifieke banddelen in gebruik te nemen. De uitkomsten van deze uitvraag zullen gebruikt worden ter bepaling van het Nederlandse standpunt richting de Europese Commissie.
Heeft Nederland een zienswijze over de voorwaarden waaronder de Europese Commissie voor de komende achttien jaar het gebruik van het 2GHz-frequentie moet aanbieden? Zo ja, kunt u die toelichten?
Het kabinet onderschrijft de adviezen over mogelijke scenario’s voor de 2 GHz-banddelen zoals deze zijn opgesteld door de RSPG. Zie hiervoor het antwoord op vraag 5.
Bent u het ermee eens dat toegang tot de 2GHz-frequentie niet aan de hoogste bieder moet worden verkocht, maar aan partijen die het maatschappelijk en strategische belang van de Europese Unie dienen?
De selectiecriteria in het huidige kader voor toegang tot de 2 GHz-banddelen zijn opgenomen in beschikking 626/2008/EG18, en betreffen een vergelijkende toets. Onderdelen van de weging zijn onder andere voordelen voor de consument en mededinging (met als subcriteria het aantal eindgebruikers en datum waarop de ononderbroken levering van commerciële diensten begint), spectrumefficiëntie (met als subcriteria de totale hoeveelheid van het vereiste spectrum en de geaggregeerde datastroomcapaciteit), pan-EU geografische dekking en de mate waarin overheidsbeleidsdoelstellingen worden bereikt (waaronder levering van diensten van algemeen belang die bijdragen tot de bescherming van de volksgezondheid, veiligheid of zekerheid van de burgers, integriteit en veiligheid van diensten). Een financieel bod is geen onderdeel van de vergelijkende selectieprocedure zoals in de beschikking is vastgelegd.
Bent u het ermee eens dat, gezien vanuit het perspectief van strategische autonomie en gezien de gespannen geopolitieke situatie, het van het grootste belang is dat de marktpartijen die toegang krijgen tot de 2GHz-frequentie volledig Europees zijn?
Ik ben het er mee eens dat Europese partijen toegang moeten krijgen tot dit spectrum. Het opleggen van een wholesale-verplichting zou dit kunnen bewerkstelligen. Zie hiertoe meer uitgebreid de antwoorden op vraag 2 en 3.
Bent u het ermee eens dat het niet wenselijk is dat slechts één of enkele zeer grote telecomaanbieder(s) uit de grootste Europese landen toegang hebben tot dit spectrum ten koste van aanbieders uit kleinere landen?
Ja, daar ben ik het mee eens. Zie ook mijn overweging over het invoeren van een wholesaleverplichting, zoals uiteengezet onder vraag 2. Ten algemene is in de kabinetsappreciatie op het witboek digitale infrastructuur van de Europese Commissie aangegeven dat het kabinet zich altijd hard heeft gemaakt voor aanmoedigen en behouden van voldoende concurrentie op de Europese telecommarkten.19 Het kabinet beschouwt de bestaande verplichtingen voor dominante aanbieders om concurrenten toe te laten op hun netwerken als een belangrijk onderdeel van het telecomkader, mits hiermee de nationale veiligheid niet in het geding komt. Dit speelt een belangrijke rol om betaalbare en hoogwaardige dienstverlening te waarborgen voor Europese consumenten, bedrijven en publieke instellingen.
Bent u het ermee eens dat het wenselijk is dat er rond de 2GHz-frequentie een volwaardige wholesalemarkt (groothandelsmarkt) ontstaat, waar ook telecomaanbieders uit kleinere Europese landen toegang tot hebben en hierop innovatieve diensten kunnen ontwikkelen?
Ja, zie hiertoe het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om aan te geven bij de Europese Commissie dat Nederland als voorwaarde stelt dat de 2GHz-frequentie alleen voor Europese partijen beschikbaar komt, en dat hierbij uitgesloten wordt dat bedrijven achteraf door niet-Europese partijen worden overgekocht?
Zoals vermeld in de antwoorden op vragen 2 en 3 ben ik in algemene zin geen voorstander van het ontstaan van afhankelijkheid van één of twee individuele partijen, en is mijn standpunt dat het van belang is dat het spectrum voor mobiele satellietdiensten na 2027 toegankelijk zal zijn voor partijen die interesse hebben in het aanbieden van diensten in deze band onder de door de Commissie gestelde voorwaarden.
Ik zal vanuit het perspectief van het voorkomen van afhankelijkheden richting de Europese Commissie bepleiten om zogenoemde «wholesale-verplichtingen» op te nemen, dat wil zeggen dat andere partijen gebruik kunnen maken van het netwerk om diensten aan te bieden, indien aanpassing van de onderliggende besluiten aan de orde is gericht op het aanwijzen van nieuwe partijen na 2027. Het opnemen van een dergelijke verplichting voorkomt het ontstaan van een risicovolle strategische afhankelijkheid van één of twee partijen.
Is het mogelijk om in de voorwaarden die de Europese Commissie stelt op te nemen dat de partijen die de 2GHz-frequentie mogen gebruiken, worden verplicht om andere betrouwbare partijen wholesale toegang tot de frequentie te verlenen, zodat zij hier ook gebruik van kunnen maken?
Vooralsnog geldt het huidige kader, zoals omschreven in het antwoord op vraag 11. Afhankelijk van de voorstellen van de Europese Commissie, die op dit moment nog niet bekend zijn, zullen er mogelijkheden zijn om de voorwaarden aan te passen. In dat geval zal ik richting de Europese Commissie pleiten voor het opnemen van «wholesale-verplichtingen». Zie hiertoe ook mijn antwoord op vraag 2.
Bent u eveneens bereid om ervoor te pleiten dat de gegunde partijen op nationaal en internationaal niveau toegang moeten verlenen tot de 2GHz-frequentie aan andere betrouwbare partijen, zodat er geen risico ontstaat op een mono- of duopolie in heel Europa?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden, nog vóórdat er onomkeerbare stappen worden gezet door de Europese Commissie?
Ja.