De overname van containercapaciteit in de Rotterdamse haven naar aanleiding van een bericht in Hollands Welvaren van 23 januari 2026 |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Trump en Xi spelen Risk met de Rotterdamse haven – en wij willen niet meespelen» in Hollands Welvaren?1
Ja.
Bent u op de hoogte van onderhandelingen tussen Amerikaanse- en Chinese bedrijven en overheid over de eigendomssituatie van Rotterdamse containerterminals?
Het kabinet is op de hoogte van signalen dat internationale marktpartijen in gesprek zijn en onderhandelen over de (her)structurering van het eigendom van bepaalde containerterminals in de Rotterdamse haven. Gezien het belang van de Rotterdamse haven voor onze economie en veiligheid, volgt het kabinet deze ontwikkelingen nauwlettend.
Wat is de huidige stand van zaken rond de onderhandeling en mogelijke overname van de containerterminals in de Rotterdamse haven door buitenlandse partijen?
Het betreft private transacties waar het kabinet geen inzage in heeft. Daarom kan het kabinet geen uitspraken doen over de stand van zaken. Eventuele voorgenomen transacties die onder het toepassingsbereik van nationale of Europese wetgeving vallen, dienen tijdig bij de bevoegde autoriteiten te worden gemeld.
Welke rol speelt de Nederlandse overheid op dit moment bij het waarborgen van nationale en Europese economische belangen in de Rotterdamse haven?
De Nederlandse overheid borgt nationale en Europese belangen in de Nederlandse zeehavens door onder meer de implementatie van de CER- en NIS2-richtlijnen in respectievelijk de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet. Hiermee wordt beoogd de brede weerbaarheid – economisch, fysiek en cyber – van geïdentificeerde vitale processen te versterken. Daarnaast vindt structureel overleg plaats met de Rotterdamse haven en andere relevante stakeholders, evenals afstemming met Europese partners en de Europese Commissie over strategische autonomie, economische veiligheid en leveringszekerheid.
Tot slot worden geopolitieke ontwikkelingen en potentiële strategische afhankelijkheden van niet-EU-landen expliciet meegewogen in de rijksbrede beleidsvorming.
Wat zijn de mogelijke economische risico’s voor Nederland bij een overname van de Rotterdamse containerterminals door Cosco, inclusief vetorecht?
In het algemeen kan een overname van een strategisch Nederlands bedrijf door een (buitenlandse) partij risico’s met zich meebrengen, zoals ongewenste strategische afhankelijkheid van een buitenlandse staat gelieerde partij, invloed op logistieke besluitvormingen en datatoegang en prioritering van goederenstromen.
Is er een risicoanalyse uitgevoerd over wat een dergelijke overname zou betekenen voor de Nederlandse economische weerbaarheid en veiligheid?
Nee, een dergelijke analyse is niet uitgevoerd voor deze overname, aangezien de overname niet binnen het toepassingsbereik van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (wet Vifo) valt. Er wordt echter wel breder gekeken naar de weerbaarheid van vitale infrastructuur in havens. Het antwoord op vraag 7 gaat verder in op de vraag of dit aanleiding geeft tot aanpassingen van de Wet Vifo.
In hoeverre zijn er wettelijke instrumenten (zoals de Wet Vifo (Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames)), die kunnen worden ingezet om kritische haveninfrastructuur te beschermen en bent u bereid die toe te passen of de toepassing voor te bereiden?
Bepaalde transacties in vitale infrastructuur in Nederland zijn meldingsplichtig op grond van de Wet Vifo en mogen uitsluitend doorgang vinden na goedkeuring door de Minister van Economische Zaken. De betreffende overname valt niet binnen de reikwijdte van de huidige Wet Vifo omdat containerterminals niet zijn opgenomen in artikel 7 van de wet. De Ministeries van Economische Zaken en Infrastructuur en Waterstaat onderzoeken momenteel of het toepassingsbereik van de Wet Vifo kan worden uitgebreid met (aanvullende) cruciale infrastructuur, zoals belangrijkste containerterminals. Hierbij wordt, op verzoek van de Kamer, nadrukkelijk rekening gehouden met de administratieve lasten en regeldruk voor bedrijven.2
Heeft u overleg met de Europese Commissie over de gevolgen van deze overname – en met deze deal mogelijke andere in Europa – en stappen die Nederland, al dan niet, in Europees verband kan zetten?
Nee, omdat deze overname niet valt binnen het toepassingsbereik van de Wet Vifo is er geen overleg geweest met de Europese Commissie hierover.
In Europees verband bestaat een breed instrumentarium voor de aanpak van ongewenste buitenlandse invloed binnen vitale infrastructuur. De Europese Commissie komt naar verwachting begin maart met nadere invulling hiervan voor specifiek zeehavens in de Europese Havenstrategie. Uw Kamer zal hierover via het BNC-traject worden geïnformeerd.
De invloed van de suikertaks op sportsupplementbedrijven zoals XXL Nutrition en de gevolgen voor het Nederlandse ondernemersklimaat. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsitem van Nieuws van de Dag waarin wordt gesteld dat de suikertaks ertoe leidt dat het bedrijf XXL Nutrition overweegt om naar het buitenland te verhuizen vanwege de toenemende regeldruk?1
Ja. Voorafgaand aan de verdere beantwoording wil ik u meegeven dat ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht2 en mogelijk lopende procedures niet op individuele gevallen kan ingaan.
Acht u het wenselijk dat steeds meer bedrijven overwegen om Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk?
Nee, ik acht het in beginsel niet wenselijk dat bedrijven overwegen Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk. Uit de meest recente Monitor Ondernemingsklimaat3 blijkt dat het aandeel bedrijven dat overweegt te vertrekken vergelijkbaar hoog is met voorgaande jaren. Wel laten de bevindingen zien dat de plannen van deze bedrijven om daadwerkelijk stappen te zetten concreter en serieuzer worden. Dat acht ik een zorgelijke ontwikkeling.
Het kabinet hecht groot belang aan een gunstig ondernemingsklimaat met optimale randvoorwaarden, want dat is cruciaal voor het succes en groei van bedrijven. Dat is niet alleen van belang voor de bedrijven, maar ook voor ons verdienvermogen. Het kabinet zet zich daarom in voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden, zoals bijvoorbeeld vermindering regeldruk, beschikbaarheid van talent of netcongestie. Belangrijk daarbij is dat we met elkaar de urgentie van een sterk ondernemingsklimaat blijven onderkennen en de aanpak van al deze randvoorwaarden hoog op de politieke agenda houden.
In het geval van XXL Nutrition moet suikertaks worden betaald over eiwit- en maaltijdshakes, omdat deze door de overheid worden aangemerkt als «limonade»; bent u het ermee eens dat een eiwitshake – en ook een maaltijdshake – niet gelijk te stellen zijn aan limonade of frisdrank?
De in het bericht genoemde «suikertaks» betreft de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, opgenomen in de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Dit is een belasting op alcoholvrije dranken (in vaste of vloeibare vorm) met een vlak tarief van € 26,13 per hectoliter, ongeacht het suikergehalte van de drank. Op dit moment kennen wij in Nederland geen belasting of heffing op basis van het suikergehalte van een drank. Er is dan ook geen sprake van een «suikertaks».
Onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken worden kort gezegd gearomatiseerde alcoholvrije dranken belast die zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken.4 Mineraalwater en zuivel- en sojadranken zijn van de verbruiksbelasting uitgezonderd.5 Ook alcoholvrije dranken in vaste vorm (bijvoorbeeld poeder) of als concentraat waarvan door aanlenging (bijvoorbeeld met water) alcoholvrije drank kan worden gemaakt, vallen onder de verbruiksbelasting. Eiwit- en maaltijdshakes die zijn bestemd om te worden gedronken als gearomatiseerde alcoholvrije drank zoals hierboven bedoeld, zijn daarom met verbruiksbelasting belast. Dat over dit soort producten verbruiksbelasting is verschuldigd, is al het geval sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993.6
In de wet wordt dit soort dranken inderdaad gedefinieerd als limonade. In het taalgebruik wordt onder het begrip limonade echter veelal verstaan «verkoelende drank van water, suiker en vruchtensap». In de praktijk zijn er daarom verschillende alcoholvrije dranken die niet bekendstaan als limonade, maar wel onder de definitie van limonade vallen zoals opgenomen in de WVAD. Dit geldt bijvoorbeeld voor alcoholvrij bier, havermelk en, afhankelijk van de samenstelling van de drank, mogelijk ook voor bepaalde maaltijdshakes. Het kabinet is zich bewust van het feit dat het voornoemde kan zorgen voor onduidelijkheden. Mede om die reden heeft het kabinet in het Belastingplan 2026 aangekondigd dat het begrip limonade per 2027 wordt vervangen door «overige alcoholvrije drank».7 Het gaat hierbij om een verduidelijkende, tekstuele aanpassing zonder inhoudelijke gevolgen. Dat gearomatiseerde eiwit- en maaltijdshakes die zijn bestemd om te worden geconsumeerd als alcoholvrije drank («kennelijk bestemd om onverwarmd te worden gedronken») worden belast met verbruiksbelasting, verandert hiermee niet. Dit beoogt het kabinet ook niet.
Indien het antwoord op vraag 3 ja luidt, acht u het dan niet rechtvaardiger om eiwit- en maaltijdshakes uit te zonderen van de suikertaks?
Volgens de definitie van de wet zijn eiwit- of maaltijdshakes die zijn bedoeld om gearomatiseerde alcoholvrije dranken te maken die zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken, belast met verbruiksbelasting. Zoals eerder opgemerkt is dit al sinds 1993 het geval.8 Dit is geen onbedoeld gevolg van de wet.
Op basis van welke juridische basis wordt een eiwitshake momenteel aangemerkt als «limonade» voor de toepassing van de suikertaks?
Zoals beschreven in de beantwoording van vraag 3 betreft dit artikel 9, eerste lid van de Wet verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Ook in vaste vorm of als concentraat vallen deze dranken onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, zie hiervoor artikel 9, tweede lid, WVAD.
Acht u het wenselijk dat producten die primair bedoeld zijn voor sport en gezondheid onder dezelfde fiscale categorie vallen als frisdrank?
In zijn algemeenheid geldt het advies om water te drinken voor de vochtbehoefte tijdens en na het sporten. Wat betreft producten zoals eiwit- en maaltijdshakes geldt dat deze geen onderdeel uitmaken van de richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Er zijn dan ook geen gezondheidsargumenten om deze producten een uitzonderingspositie te geven.
Kunt u inzichtelijk maken of de invoering van de suikertaks daadwerkelijk het beoogde effect heeft gehad op het gezonder maken van de bevolking?
De huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken heeft een vlak tarief ongeacht het suikergehalte van de drank. De belasting heeft dus in zijn algemeenheid geen beoogd effect van het gezonder maken van de bevolking.
Wel wordt momenteel nagedacht over een mogelijke omzetting van de huidige verbruiksbelasting met één vlak tarief voor alle belaste alcoholvrije dranken naar een belasting op basis van het suikergehalte van de drank.9 De beoogde omzetting heeft wel een gezondheidsdoel, namelijk het verminderen van de suikerconsumptie via alcoholvrije dranken. Zoals toegezegd bij de behandeling van de het Pakket Belastingplan 2026 informeert het kabinet uw Kamer medio februari over de te maken keuzes met betrekking tot deze omzetting. De uiteindelijke keuze of wordt overgegaan tot de omzetting laat ik aan een nieuw kabinet of aan uw Kamer.
In hoeverre acht u deze interpretatie in lijn met het rechtszekerheidsbeginsel, gezien de onduidelijkheid voor ondernemers?
Vooropstaat dat de wet altijd leidend is. Die wet wordt geacht kenbaar te zijn voor belastingplichtigen. Wat betreft terminologie en de producten die onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken vallen, geldt dat de wet sinds 1993 zo goed als ongewijzigd is gebleven.10 Het kabinet acht dit dus ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Kunt u aangeven welke extra administratieve lasten de suikertaks met zich meebrengt voor middelgrote en grote producenten van voedingssupplementen?
Op basis van de WVAD geldt dat voor de productie van verbruiksbelastinggoederen de ondernemer een vergunning «Inrichting voor verbruiksbelastinggoederen» (IVV) moet hebben aangevraagd bij de inspecteur. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, geeft de inspecteur deze vergunning af. De vergunninghouder stelt zekerheid voor de belasting die verschuldigd is of kan worden (het belastingbelang). Voor goederen die zijn uitgezonderd van de verbruiksbelasting is een dergelijke vergunning wettelijk niet vereist.
Producenten van bijvoorbeeld voedingssupplementen die zijn belast met verbruiksbelasting dienen ook aangifte verbruiksbelasting te doen. Vergunninghouders IVV doen periodieke aangifte (maandaangifte).
Bent u het ermee eens dat de suikertaks in de praktijk vooral een middel is gebleken om meer belastinginkomsten te genereren, in plaats van een effectief instrument voor de volksgezondheid?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 7, kent de huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken primair geen gezondheidsdoelstelling. Er is op dit moment geen sprake van een suikertaks maar van een gelijke belasting van alle belaste alcoholvrije dranken (€ 26,13 per hectoliter).
Hoe rijmt u de suikertaks met uw beleid om oneerlijke concurrentie voor Nederlandse bedrijven tegen te gaan, aangezien diverse andere landen geen suikertaks kennen?
De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is een nationale (verbruiks)belasting. Deze belasting is niet op Europees niveau geharmoniseerd zoals de accijns en btw. Buiten de accijns en btw kunnen EU-lidstaten andere indirecte belastingen heffen. De keuze om dergelijke nationale belastingen wel of niet te hanteren, betreft een nationale aangelegenheid waarbij EU-lidstaten verschillende keuzes kunnen maken. Zo heeft Nederland een verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, maar Duitsland niet. Duitsland heeft bijvoorbeeld wel een belasting op koffie, die Nederland niet heeft.
In het genoemde voorbeeld overweegt XXL Nutrition een verhuizing naar Duitsland, mede vanwege de daar ervaren grotere ondernemingsvrijheid; hoe gaat u zorgen voor een aantrekkelijker vestigingsklimaat in Nederland, zodat bedrijven als XXL Nutrition niet vertrekken of juist terugkeren?
Zie antwoord 2
U heeft op 15 december 2025 aangekondigd om vóór de zomer van 2026, 500 regels te willen schrappen die het ondernemen bemoeilijken; valt de suikertaks hier ook onder?2
De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken maakt geen deel uit van de eerste 218 regels die ik voor de kerst naar uw Kamer heb gestuurd. De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken ligt primair op het terrein het Ministerie van Financiën.
Volgens het item van Nieuws van de Dag zijn tot op heden slechts zeven van de beoogde 500 regels aangepast; hoe verklaart u deze beperkte voortgang?
Dat tot op heden niet alle beoogde 500 regels zijn aangepast, komt doordat de met deze aanpassingen samenhangende wetstrajecten de nodige zorgvuldigheid vereisen en daarmee tijd vergen. Voor 27 van deze regels is de voortgang van regeldrukvermindering wel al beschreven, en de teller laat daarnaast zien dat 191 regels door het kabinet in behandeling zijn genomen om de daarmee samenhangende regeldruk te verminderen. Hiermee is sprake van duidelijke voortgang binnen de nieuwe 500-regel aanpak.12
Hoe bent u concreet van plan om uw doelstelling – het schrappen van 500 regels vóór de zomer van 2026 – alsnog te realiseren?
Doordat het hele kabinet zich heeft gecommitteerd aan de target van 500 regels, hebben we na een paar maanden al de eerste 218 bestaande regels kunnen identificeren waar we regeldruk gaan verminderen. De komende maanden zal het hele kabinet hard blijven doorwerken aan het schrappen en administratief luwer maken van de regels die reeds in kaart zijn gebracht, en het in kaart brengen van meer regels om het target van 500 regels voor de zomer te halen.
Op welke wijze kan deze fractie u ondersteunen bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen, zodat ondernemen in Nederland weer aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven behouden blijven voor Nederland?
Het verminderen en voorkomen van regeldruk is een opgave voor het hele kabinet. Veel regels waar ondernemers last van hebben, liggen op het terrein van mijn collega’s in het kabinet. Kamerleden kunnen in alle commissies van uw Kamer aandacht blijven geven aan dit thema. Hiermee ondersteunt de Kamer het kabinet bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen.
De kansen voor Nederland en Curaçao om te profiteren van de aanlanding en opslag van Venezolaanse olie |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Rijkaart , van Marum , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een tanker met Venezolaanse olie is aangemeerd op Curaçao en dat deze olie daar tijdelijk wordt opgeslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling Curaçao opnieuw positioneert als een strategisch knooppunt voor energieopslag en -logistiek in het Caribisch gebied? Zo ja, welke kansen ziet u hierin voor het Koninkrijk der Nederlanden als geheel?
Het is op basis van de berichtgeving nog te vroeg om dat te concluderen. Het gaat immers vooralsnog om tijdelijke activiteiten. Daarnaast is de situatie in Venezuela nog hoogst onzeker. Er bestaan verschillende scenario’s voor een Venezuela post-Maduro. Deze onzekerheid heeft ook betrekking op de olie-industrie. Tegelijkertijd beschikt Curaçao door zijn geografische ligging en bestaande haven- en opslaginfrastructuur over kenmerken die het eiland mogelijk interessant maken voor energielogistiek in de regio. Economische aangelegenheden vallen echter binnen de autonome bevoegdheden van Curaçao en dus buiten het mandaat van Nederland en het Koninkrijk.
Ziet u mogelijkheden om de bestaande olie- en haveninfrastructuur op Curaçao structureel beter te benutten voor opslag, overslag en doorvoer van energieproducten, mede gezien de gunstige geografische ligging van het eiland?
Op dit moment wordt de olie- en haveninfrastructuur hiervoor al benut. Er zijn geen aanwijzingen dat Curaçao meer bedrijvigheid zal kennen als fossiele doorvoerhaven door de huidige ontwikkelingen. Structurele economische keuzes liggen bij Curaçao.
In hoeverre ziet u kansen voor Nederland en Nederlandse bedrijven – onder meer actief in havenontwikkeling, maritieme dienstverlening, energie-logistiek, opslagtechnologie en engineering – om te profiteren van de toegenomen rol van Curaçao in internationale energiestromen, waarbij recente ontwikkelingen meer ruimte hebben gecreëerd voor opslag, overslag en doorvoer, in het licht van de vergrote Amerikaanse betrokkenheid bij de Venezolaanse olie-industrie?
De huidige ontwikkelingen betreffen vooralsnog tijdelijke activiteiten in een specifieke geopolitieke context. Dit maakt het te vroeg om te spreken over structurele kansen voor Nederland of Nederlandse bedrijven. Dat Curaçao beschikt over bestaande haven- en opslagfaciliteiten en een strategische ligging kan het eiland in algemene zin relevant maken als energiehub in de regio. Of en in hoeverre hieruit concrete economische kansen ontstaan, is afhankelijk van verdere ontwikkelingen en betreft in de eerste plaats een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
Is er vanuit het Rijk actief contact met de regering van Curaçao over het versterken van economische samenwerking op het gebied van energie-logistiek en strategische infrastructuur? Zo ja, hoe krijgt deze samenwerking concreet vorm?
De primaire verantwoordelijkheid voor economische keuzes en haven- en industriële activiteiten ligt bij het Land Curaçao. De rol van het Koninkrijk is daarbij onder meer om, waar aan de orde, de Rijksbrede belangen te bewaken (zoals internationale verplichtingen en veiligheid).
Tegelijkertijd is er de afgelopen jaren actief ingezet om samenwerking op het gebied van energielogistiek en strategische infrastructuur te versterken. Zo zijn via de SDE++ middelen beschikbaar gesteld voor het versterken en uitbreiden van de energie-infrastructuur, waaronder netverzwaring en batterijopslag, met als doel de betrouwbaarheid en flexibiliteit van het energiesysteem te vergroten. Daarnaast is de BMKB-regeling opengesteld voor Curaçao om de toegang tot financiering voor het midden- en kleinbedrijf te verbeteren en zo de bredere economische ontwikkeling te ondersteunen. Deze inzet is gericht op het creëren van voorwaarden waarbinnen Curaçao zelfstandig verdere keuzes kan maken.
Ziet u mogelijkheden om Curaçao binnen het Koninkrijk te ontwikkelen tot een structurele energie-hub, vergelijkbaar met de rol die Nederland zelf vervult binnen Noordwest-Europa?
Hoewel Curaçao historisch een rol heeft gespeeld in de regionale energie-infrastructuur, is het op basis van de huidige informatie te vroeg om te spreken over de ontwikkeling van Curaçao tot een structurele energiehub binnen het Koninkrijk. De recente activiteiten geven daarvoor onvoldoende aanknopingspunten en kennen een tijdelijk karakter. De ontwikkeling van een dergelijke rol vergt langdurige investeringen, beleidskeuzes en stabiliteit, waarvoor de verantwoordelijkheid bij het autonome land Curaçao ligt. Nederland kan binnen de bestaande verhoudingen ondersteunen waar dat passend is, maar stuurt hier niet op.
Welke kansen ziet u om deze ontwikkelingen te benutten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao, en daarmee voor een versterking van de sociaaleconomische positie van het eiland binnen het Koninkrijk?
Gezien het vooralsnog tijdelijke karakter van de huidige activiteiten is het op dit moment moeilijk te bepalen wat de exacte mogelijkheden zijn om deze ontwikkelingen in te zetten voor economische groei, werkgelegenheid en kennisontwikkeling op Curaçao. Dit betreft in de eerste plaats ook een autonome afweging van het land Curaçao en marktpartijen.
In hoeverre wordt bij deze ontwikkelingen gekeken naar synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken en kennisinstellingen, zodat toegevoegde waarde zo veel mogelijk binnen het Koninkrijk blijft?
Op dit moment is er geen sprake van concrete trajecten gericht op structurele synergie met Nederlandse havens, logistieke netwerken of kennisinstellingen. Zolang onduidelijk is of de huidige activiteiten een duurzaam karakter krijgen, ligt de focus op het volgen van de ontwikkelingen. Indien zich op termijn meer bestendige economische activiteiten aandienen, kan worden bezien of en hoe samenwerking binnen het Koninkrijk toegevoegde waarde kan hebben, met respect voor de autonome bevoegdheden van Curaçao.
Bent u bereid om, samen met Curaçao, te verkennen hoe deze ontwikkelingen kunnen worden ingebed in een bredere economische en strategische visie voor het Koninkrijk der Nederlanden op het gebied van energie en logistiek?
Ik ben bereid om hierover met Curaçao in gesprek te blijven, binnen de bestaande overlegstructuren in het Koninkrijk. Daarbij geldt dat een eventuele bredere economische visie rekening moet houden met internationale en juridische kaders (waaronder sanctieregimes voor zover van toepassing), veiligheid en weerbaarheid van strategische infrastructuur; en milieu- en gezondheidsaspecten.
Kunt u aangeven welke vervolgstappen u ziet om deze kansen actief te benutten, en op welke termijn de Kamer hierover nader kan worden geïnformeerd?
De berichtgeving laat zien dat de ontwikkelingen rond Venezolaanse olie in de Cariben veranderlijk zijn en geopolitieke gevoelig liggen. Daarom blijf ik goed in contact met het land Curaçao over de actuele ontwikkelingen en mogelijke implicaties voor het Koninkrijk. Het is aan het autonome land Curaçao om eventuele economische kansen te benutten. Indien Nederland hier een actieve rol in krijgt, breng ik de Kamer hiervan op de hoogte stellen.
Bent u bekend met het bericht «Chemiereus Sabic verkoopt twee fabrieken: gevolgen voor honderden werknemers nog niet duidelijk»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe taxeert u de langetermijneffecten van deze transacties op de basisindustrie in Nederland in het algemeen?
Op 8 januari jl. heeft SABIC aangekondigd voornemens te zijn haar Europese assets grotendeels te verkopen. Het gaat hierbij om twee transacties. De Europese petrochemische activiteiten worden verkocht aan het Duitse AEQUITA en de Europese en Amerikaanse activiteiten in engineering thermoplastics (ETP) aan het Duitse Mutares. Vanuit het Ministerie van KGG staan we in nauw contact met SABIC over deze ontwikkelingen en de komende periode zullen we ook met deze nieuwe eigenaren in gesprek gaan over hun toekomstplannen. De inzet daarbij is zoveel mogelijk (hoogwaardige) activiteiten en werkgelegenheid die bijdragen aan versterking van de Nederlandse basisindustrie te behouden. De precieze langetermijneffecten zijn nu nog niet bekend.
Wel is reeds bekend dat AEQUITA recent ook soortgelijke Europese assets van LyondellBasell heeft gekocht. De investeringsmaatschappij heeft daarmee straks een significant deel van de Europese petrochemiemarkt in handen. In haar persbericht spreekt AEQUITA uit te willen consolideren naar een nieuwe Europese plastics speler. De geplande grote onderhoudsstop in 2026 wordt uitgevoerd volgens planning. Dit straalt vertrouwen uit naar de toekomst.
Mutares heeft geen andere chemieactiviteiten. De installaties die Mutares overneemt van SABIC, waaronder de fabriek in Bergen op Zoom, richten zich op meer gespecialiseerde materialen en vormen ook binnen SABIC een zelfstandig bedrijfsonderdeel met een eigen markt.
Tegelijkertijd staat het investeringsklimaat voor de basisindustrie in Europa, en zeker ook in Nederland, op dit moment sterk onder druk. AEQUITA en Mutares betalen aan SABIC een lage overnameprijs, waarbij betaling ook (deels) voorwaardelijk is aan toekomstige prestaties. Dit laat de zeer uitdagende concurrentiepositie van deze Europese installaties zien. Het is belangrijk op Europees niveau te zoeken naar gezamenlijke oplossingen. Hiervoor is op initiatief van de Europese Commissie recent de Critical Chemical Alliance opgericht, waarin Nederland een grote rol speelt.
Hoe taxeert u het langetermijneffect op het samenhangende basisindustrie ecosysteem van de Chemelot campus in Geleen in het bijzonder?
De transacties zullen waarschijnlijk pas in Q4 2026 worden afgerond. Met verkoop lijkt sluiting van de kraker voorlopig van de baan, al moet wel rekening worden gehouden met mogelijke sluitingen en reorganisaties binnen het bredere portfolio van AEQUITA in de toekomst. Sluiting van de kraker zou grote gevolgen hebben voor de site Chemelot. Daarom is vanuit het Ministerie van KGG nauw contact met SABIC en zullen ook contacten worden gelegd met de nieuwe eigenaren, zoals eerder aangegeven in antwoord op vraag 2.
Bent u van plan zich in te zetten voor het in Nederland vestigen van het hoofdkantoor van de chemische activiteiten van Aequita, net zoals het hoofdkantoor van Sabic zich op dit moment al in Amsterdam bevindt?
Het hoofdkantoor van SABIC, de productie van een aantal speciale polymeren in Bergen op Zoom en de R&D faciliteit van SABIC in Bergen op Zoom en op Chemelot zijn geen onderdeel van de transacties. Deze blijven in Nederland.
De hoofdkantoren van AEQUITA en Mutares bevinden zich momenteel in Duitsland. Door de gesprekken met deze partijen proberen we een beter beeld te krijgen van hun toekomstplannen. Mocht oprichting van een zelfstandig hoofdkantoor voor de chemische activiteiten van AEQUITA aan de orde komen, dan is gezien het belang van deze activiteiten voor Nederland de verwachting dat ingezet zal worden op aantrekken van dit nieuwe hoofdkantoor. De uiteindelijke inzet zou in samenwerking met de Netherlands Foreign Investment Agency2 worden bepaald en uitgevoerd, op basis van de verwachte toegevoegde waarde voor Nederland. Het is nu nog te vroeg hier verder uitspraken over te doen.
Kunt u faciliteren dat relevante arbeidsmarktregio’s en de nieuwe eigenaar om de tafel gaan om de effecten op personeelsgebied zo snel mogelijk in kaart te brengen?
Dit is niet aan de orde. De verantwoordelijkheid ligt bij de betreffende werkgever en de nieuwe eigenaar om met de betrokken vakbonden in gesprek te gaan over de effecten op personeelsgebied en een eventueel sociaal plan.
Kunt u aangeven welke stappen u zet om, samen met werkgevers, vakbonden en regionale overheden, alles in het werk te stellen om de werkgelegenheid en de economische vitaliteit in de betrokken regio’s te borgen, nu de Nederlandse SABIC-activiteiten zijn verkocht aan investeerders?
Regio Zuid Limburg zet in op een grensoverstijgende circulaire en innovatieve (kennis)economie. In het kader van o.a. Regiodeals en het Nationaal Programma Vitale Regio’s werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor bij het benutten van grensoverstijgend economisch potentieel in chemie, life sciences&health, medtech en smart services/AI, bij de verdere ontwikkeling van de campussen in Maastricht, Geleen en Heerlen, bij de Einstein telescoop, bij de verduurzaming van Chemelot en bij de Limburg Defensie Agenda.
Regio West Brabant zet in op een innovatieve plantaardige economie met toegepaste technologie als speerpunt en biotechnologie als focus voor de toekomst. In het kader van o.a. Regiodeals werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor op terreinen als voeding, bouw, chemie en farma.
Het artikel 'Groei maskeert kwetsbaarheid kleinbedrijf: microbedrijven lopen op cashmuur af' |
|
Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Groei maskeert kwetsbaarheid kleinbedrijf: Microbedrijven lopen op cashmuur af» in het Financiële Dagblad van 9 januari 2026, waaruit blijkt dat de financiële positie van micro- en kleine mkb-bedrijven (tot € 2 miljoen omzet) snel verslechtert, ondanks omzetgroei?1
Ja
Herkent u het geschetste beeld dat deze bedrijven steeds minder rendement halen en nauwelijks nog financiële buffers hebben?
Uit de langjarige cijfers van de Conjunctuurenquête2 van het CBS blijkt dat sinds 2022, na de coronacrisis, een aantal bedrijven in alle grootteklassen aangeeft financiële beperkingen te ondervinden. Het aandeel nam toe van ongeveer 5% in 2022 tot ongeveer 10% eind december 2025. Het aandeel specifiek in het kleinbedrijf (met 5–50 werkzame personen) dat financiële beperkingen ervaart nam toe van 6,8% in 2022 naar 12,9% in 2025. Dit brengt het aandeel terug richting percentages die voor corona zijn gemeten. Het aandeel bedrijven dat financiële beperkingen ervaart, blijft nog steeds een kleine minderheid.
Deze trend wordt bevestigd in recente enquêtes van de Kamer van Koophandel3 en panelonderzoek4 uit oktober 2025 van Qredits. Tegelijkertijd blijkt uit de Conjunctuurenquête dat 90% van de ondervraagde bedrijven niet aangeeft financiële beperkingen te ervaren. Via de Financieringsmonitor en de Conjunctuurenquête, beiden uitgevoerd door het CBS, en andere onderzoeken blijf ik continu de financiële positie van het mkb monitoren.
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het onderzoek dat veel ondernemers hun coronasteun en andere leningen hebben moeten gebruiken om kosten te dekken in plaats van te investeren?
Zoals de onderzoekers van Teamleader aangegeven is er onvoldoende data om deze conclusie te trekken. Wel hebben de onderzoekers aangegeven dit te vermoeden. Ik zie dit als een logisch gevolg van de uitzonderlijke omstandigheden tijdens en na de coronaperiode. Voor veel ondernemers was het noodzakelijk om steun en leningen in te zetten om acute verplichtingen na te komen.
De coronasteunmaatregelen waren hoofdzakelijk gericht op het behoud van banen en werkgelegenheid, de voortgang van bedrijfsactiviteiten en het behoud van economische groei. De steunmaatregelen droegen bij aan een verbetering van de liquiditeit en solvabiliteit van bedrijven. Afgelopen jaar heb ik uw Kamer de evaluatie van de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS) en Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) gestuurd.5 Recentelijk heeft ook de Minister van Financiën, mede namens het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), uw Kamer de synthesestudie coronasteunmaatregelen6 gestuurd. Dit syntheseonderzoek concludeert, op basis van eerdere evaluaties, dat het coronasteunpakket als geheel doeltreffend was in het behoud van werkgelegenheid en waardeketens.
Welke lessen trekt u hieruit voor de opzet en de inzet van toekomstige steun- of stimuleringsregelingen?
Alle maatregelen en financiële instrumenten voor het bedrijfsleven worden (periodiek) geëvalueerd en lessen hieruit zullen worden meegenomen bij een eventuele crisis.
In hoeverre deelt u de zorgen dat microbedrijven als «kanarie in de kolenmijn» bij een kleine tegenvaller al in grote problemen komen, mede doordat marges onder druk staan en vaste lasten en rentes stijgen?
Ik onderschrijf het grote belang van het microbedrijf. De financiële knelpunten die zich nu voordoen, hebben meerdere oorzaken, zoals stijgende lonen, energie- en huurprijzen. Alle bedrijven hebben te maken met deze prijsstijgingen. Echter, in combinatie met de smalle marges die door de kostenstructuur in een aantal sectoren bestaan, zoals horeca en detailhandel, kunnen de kostenstijgingen daar meer effect hebben. Onder reguliere omstandigheden is het een gebruikelijk proces dat bedrijven verdwijnen die financieel niet gezond zijn, een zwak businessmodel hebben of zich niet kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden. De huidige stijging van het aantal bedrijven dat vrijwillig stopt, kan een indicatie zijn dat er nu een inhaalslag plaatsvindt. Hierdoor blijven financieel gezonde bedrijven over die een stabiele basis vormen voor de economie. Ik blijf de ontwikkelingen in het mkb zorgvuldig monitoren.
Ziet u aanleiding voor aanvullend beleid om deze bedrijven weerbaarder te maken?
Ik zie nu geen aanleiding tot aanvullend beleid. Op verschillende manieren ondersteunen we al het mkb. Denk bijvoorbeeld aan Qredits, dat zich richt op mkb-ondernemers die financiering of coaching nodig hebben, maar niet in het reguliere financieringscircuit terecht kunnen. Of aan de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB). Er is een samenhangend palet van instrumenten om financiële problemen tijdig te herkennen en aan te pakken. Zo speelt het Ondernemersklankbord (OKB) een belangrijke rol bij het vroegtijdig signaleren van financiële kwetsbaarheid en het bieden van onafhankelijke begeleiding aan ondernemers. Daarnaast biedt Geldfit Zakelijk ondernemers laagdrempelig inzicht in hun financiële situatie en toegang tot passende ondersteuning bij (dreigende) schulden. OKB en Geldfit Zakelijk worden financieel ondersteund door Economische Zaken en dragen eraan bij dat ondernemers eerder hulp zoeken en problemen niet onnodig escaleren. Ook zijn er fiscale instrumenten die zich specifiek richten op het mkb, zoals de Zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling.
Hoe kijkt u aan tegen de verslechterende toegang tot financiering voor met name micro-ondernemingen?
Uit de meeste recente CBS-Financieringsmonitor blijkt geen verslechtering in de toegang tot financiering voor het microbedrijf. De afgelopen jaren weet het microbedrijf juist vaker aan financiering te komen. Zo zijn er meer microbedrijven overgegaan tot een financieringsaanvraag en hebben deze aanvragen ook vaker geleid tot financiering. Dit is goed nieuws. Toch blijven er microbedrijven, die lastig financiering weten te vinden. Voor deze ondernemers is er onder andere de FinancieringsGids (voor informatie en advies) en Qredits (voor microkredieten).
Welke concrete stappen neemt u om de toegang tot krediet, inclusief non-bancaire financieringsvormen, te verbeteren?
Allereerst kunnen ondernemers terecht bij de FinancieringsGids. Hier vinden ondernemers informatie over kredietverleners (bancair en non-bancair) en financieringsadviseurs. Daarnaast staat er op de FinancieringsGids ook informatie over, bijvoorbeeld, hoe je het beste een financieringsaanvraag kunt indienen. Voor ondernemers die meer hulp nodig hebben is er ook de optie om een financieringsadviseur van de KvK te spreken of contact op te nemen met een private financieringsadviseur die is aangesloten bij het keurmerk Erkend Financieringsadvies MKB. Net als vorig jaar blijf ik dit jaar de FinancieringsGids door ontwikkelen.
Voor directe kredieten is er bovendien Qredits. Qredits verstrekt met name microkredieten, vooral aan starters en microbedrijven. In 2025 heb ik hierom een garantie afgegeven op een lening van de Europese Investeringsbank (EIB) aan Qredits. Met deze lening van € 40 mln. kan Qredits kredieten aan ondernemers verstrekken.
Ook stimuleer ik de professionalisering van de non-bancaire sector en financieringsadviseurs via stichting Finankeur. Deze stichting heeft drie gedragscodes: Erkend MKB Financier, Kort Zakelijk Krediet en Erkend Financieringsadvies MKB. Door deze gedragscodes wordt het voor ondernemers overzichtelijker welke financiers en financieringsadviseurs betrouwbaar zijn. Finankeur gaat komend jaar in gesprek met de sector over de versterking van de codes.
In hoeverre herkent u het belang van goed betalingsgedrag in de keten als essentieel instrument om de liquiditeitspositie van kleine ondernemers te verbeteren? Welke aanvullende maatregelen overweegt u om dit te bevorderen, bijvoorbeeld via strengere handhaving van betaaltermijnen?
Goed betalingsgedrag is essentieel voor de liquiditeitspositie van kleine ondernemers en speelt een belangrijke rol in het voorkomen van schulden. Ik onderschrijf het belang van tijdige betalingen en blijf inzetten op de bewustwording en naleving van wettelijke betaaltermijnen. Daarnaast wordt er gekeken naar mogelijkheden om handhaving en transparantie rondom betaalgedrag verder te versterken.
De Kamerbrief Side-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25087, 359) |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VS bedingen uitzonderingen op minimumbelasting multinationals»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de in het artikel opgenomen stelling dat Amerikaanse multinationals zijn uitgezonderd van de wereldwijde minimumbelasting van 15% waarover in 2021 door ruim 130 landen een akkoord is gesloten, en dat deze uitzonderingspositie de minimumbelasting voor multinationals verwatert?
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het zogeheten Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende Side-by-Side veiligehavenregel niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig is aan Pijler 2.
Kunt u reflecteren op de in hetzelfde artikel opgenomen stelling dat onder meer Polen, Tsjechië en Estland aanvankelijk bezwaar hebben gemaakt tegen deze uitzonderingspositie vanwege de vrees voor een verslechtering van de concurrentiepositie van Europese concerns?
Het kabinet begrijpt dat er bij sommige EU-lidstaten vrees bestond voor een akkoord over de Side-by-Side veiligehavenregel omwille van de concurrentiepositie van Europese multinationals. Niettemin vindt het kabinet dat met het akkoord het best mogelijke resultaat is bereikt waarbij de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen in stand kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband. Dat is ook van belang voor het EU-concurrentievermogen. De EU is immers niet gebaat bij een nieuwe race naar de bodem in de winstbelasting.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van Van Weeghel dat het hanteren van een samengesteld wereldwijd gemiddeld effectief belastingtarief Amerikaanse ondernemingen een voordeel verschaft ten opzichte van concurrenten uit landen die de OESO-minimumbelasting per jurisdictie toepassen, waaronder de EU-lidstaten, Japan, het Verenigd Koninkrijk en Canada?
Het IF heeft geconcludeerd dat het Amerikaanse belastingstelsel aan de overeengekomen voorwaarden voldoet en de status krijgt van een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van het Amerikaanse NCTI2-systeem wordt in voorkomende gevallen belasting geheven over de niet-uitgekeerde winsten van buitenlandse dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals. Voor de berekening van die belasting wordt onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van die dochterondernemingen wereldwijd en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinational in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het Amerikaanse NCTI-systeem minder belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Echter, gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van De Wilde dat de Verenigde Staten bij het bepalen van de binnenlandse effectieve belastingdruk fiscale stimulansen buiten beschouwing laten, terwijl deze onder de OESO-regels juist meetellen, en dat deze systematiek investeren in de Verenigde Staten aantrekkelijker maakt voor Amerikaanse bedrijven dan voor ondernemingen uit EU-landen en andere early adopters?
Voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals is van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives onder Pijler 2 er naar verwachting toe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen in de Verenigde Staten fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde voorwaarden kunnen opereren als Amerikaanse multinationals.
Hoe rijmt u de in het artikel opgenomen passages, waarin wordt gesteld dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals leidt tot concurrentievoordelen en een verwatering van de minimumbelasting, met de stelling in de Kamerbrief dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die Pijler 2 wel implementeren (p.2?
Voor de Side-by-Side veiligehavenregel zijn robuuste en strikte criteria afgesproken. Daarnaast is de werking van de binnenlandse bijheffing onveranderd. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Kunt u, ter toelichting op de werking van het Side-by-Side-regime, een uitgewerkt rekenvoorbeeld (met expliciet vermelde aannames) verstrekken waarin u eenzelfde multinationale groep onder (i) de reguliere Pijler 2-systematiek (per jurisdictie-toets met toepassing van IIR/UTPR) en (ii) het Side-by-Side-regime (met vrijstelling van IIR/UTPR voor de uiteindelijke moederentiteit in een kwalificerende jurisdictie) vergelijkt en daarbij inzichtelijk maakt in welke gevallen en waarom deze benadering in de praktijk kan leiden tot een lagere (of anders verdeelde) effectieve belastingdruk?
Ten eerste hangt de uitkomst van een vergelijking af van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime. Tot nu toe is alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. De kenmerken en de technische vormgeving van Pijler 2 zijn niet goed vergelijkbaar met de kenmerken en de technische vormgeving van het Amerikaanse belastingstelsel. Om enigszins recht te doen aan de gevallen in de praktijk zou moeten worden uitgegaan van een groot aantal variabelen zoals de belastbare winstgrondslag, de aanwezigheid van «substance», de belastingheffing in de eigen jurisdictie en in de jurisdicties van de dochterondernemingen alsmede de mogelijkheid tot verrekening van in het buitenland geheven belastingen. Als gevolg daarvan zouden steeds verschillende aannames moeten worden gemaakt. Een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld zou geen betrouwbaar beeld geven in welke gevallen in de praktijk het Amerikaanse belastingstelsel kan leiden tot een lagere of anders verdeelde belastingdruk.
Kunt u in het in de vorige vraag gevraagde rekenvoorbeeld tevens uitgaan van een situatie waarin de multinationale groep activiteiten ontplooit in ten minste één laagbelastende jurisdictie, en inzichtelijk maken hoe de effectieve belastingdruk onder de reguliere Pijler-2-systematiek zich in dat geval verhoudt tot de belastingdruk onder het Side-by-Side-regime?
Ook hier geldt dat de uitkomst van een vergelijking afhangt van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime en dat tot nu toe alleen het Amerikaanse belastingstelsel is aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Ook in geval van een multinationale groep met een dochteronderneming in ten minste één laagbelastende jurisdictie geeft een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld om de hiervoor genoemde redenen geen betrouwbaar beeld hoe de belastingdruk onder Pijler 2 zich in de praktijk verhoudt tot de belastingdruk onder het Amerikaanse belastingstelsel.
Acht u het vanuit het oogpunt van gelijke concurrentieverhoudingen verdedigbaar dat Amerikaanse multinationals kunnen volstaan met een wereldwijd gemiddeld effectief tarief, terwijl Europese multinationals per jurisdictie aan de 15%-toets zijn onderworpen?
Op grond van het Amerikaanse NCTI-systeem wordt voor de berekening van de toepasselijke belasting onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van de tot een Amerikaanse multinationale groep behorende dochterondernemingen buiten de VS en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende andere landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinationale groep in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het NCTI-systeem minder of meer belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Het IF heeft vastgesteld dat er geen materieel risico is dat de buitenlandse winsten van Amerikaanse multinationale groepen die gezien hun omvang onder Pijler 2 zouden vallen, onderworpen zijn aan een effectief tarief van minder dan 15%. Het uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarbij is de toekomstige evaluatie van belang om te volgen hoe dit in de praktijk uitpakt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete waarborgen het kabinet ziet om te voorkomen dat de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime leidt tot structurele concurrentieverstoringen ten nadele van in de EU gevestigde concerns en in hoeverre deze waarborgen naar uw oordeel toereikend zijn?
Als onderdeel van het akkoord is afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden ondervangen. Daartoe zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken in hoeverre jurisdicties binnenlandse bijheffingen behouden of invoeren. Verder zal worden gekeken naar eventuele onbedoelde effecten zoals materiële concurrentieverstoringen tussen multinationale groepen en negatieve gedragseffecten, zoals een toename van winsten in laagbelastende jurisdicties zonder een binnenlandse bijheffing. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Kunt u uiteenzetten welke mitigerende maatregelen (fiscaal en niet-fiscaal) het kabinet voorziet om eventuele structurele concurrentieverstoringen te beperken die kunnen voortvloeien uit de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime ten opzichte van in de EU gevestigde concerns?
Welke maatregelen eventueel aangewezen zouden zijn, hangt ervan af welke elementen in welk systeem een eventuele structurele concurrentieverstoring zouden veroorzaken. Dat is op voorhand niet te zeggen en zou moeten blijken uit de evaluatie. Dat neemt niet weg dat altijd gekeken kan worden naar fiscale maatregelen ten gunste van het vestigingsklimaat voor zover die passen in het Pijler 2-raamwerk.
In hoeverre acht u het risico reëel dat multinationals hun winstallocatie aanpassen om optimaal gebruik te maken van de vrijstelling van IIR en UTPR onder het Side-by-Side-regime en welke kwantitatieve inschatting ligt hieraan ten grondslag?
Het is niet geheel duidelijk wat in dit verband wordt bedoeld met de aanpassing van de winstallocatie nu de voor Pijler 2 relevante winst wordt bepaald aan de hand van de commerciële jaarrekening. Het is denkbaar dat een multinational met hoofdkantoor in een kwalificerende Side-by-Sidejurisdictie besluit om winstgevende activiteiten in een voorheen laagbelastende jurisdictie die een binnenlandse bijheffing heeft ingevoerd, te verplaatsen naar een andere, nog steeds laagbelastende jurisdictie (zonder binnenlandse bijheffing). Maar of dat werkelijk een reëel risico is, is moeilijk in te schatten omdat voor een dergelijke verplaatsing verscheidene factoren een rol kunnen spelen. De aangekondigde evaluatie in 2029 zal hier naar verwachting meer inzicht in geven.
Indien bij deze risico-inschatting wordt uitgegaan van mogelijke gedragseffecten, betreft dit dan een aanvullende derving bovenop de in de Kamerbrief geraamde circa € 120 miljoen per jaar die voortvloeit uit het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel, of zijn deze gedragseffecten reeds in die raming verdisconteerd?
Het akkoord zal naar verwachting in eerste instantie met name effect hebben op multinationals met een Amerikaans hoofdkantoor en op multinationals die kunnen profiteren van de gunstigere behandeling van belastingvoordelen. De positieve gedragseffecten van de minimumbelasting, zoals winstverschuiving (terug) naar Nederland, zullen bij deze bedrijven naar verwachting in mindere mate optreden. Dit is al meegenomen in de budgettaire raming. Dit inzicht zorgt dus niet voor een aanvullende derving bovenop de geraamde € 120 miljoen.
Bent u voornemens om, naast de in het Inclusive Framework afgesproken evaluatie («stocktake») in 2029, een nationale evaluatie uit te voeren naar de effecten van het Side-by-Side-regime, in het bijzonder ten aanzien van concurrentieverhoudingen, gedragseffecten en budgettaire opbrengsten voor Nederland?
Het is van belang dat het IF zal monitoren hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en -als nodig actie kan ondernemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te adresseren. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om bij die evaluatie in het oog te houden dat Nederlandse bedrijven onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale bedrijven in Side-by-Side- of UPE Safe Harbour-jurisdicties. Uiteraard zal uw Kamer te zijner tijd worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze evaluatie en zullen bij de Nederlandse weging van de uitkomsten waar relevant ook eigen gegevens en analyses worden betrokken. Daarbij zal het kabinet ook de signalen vanuit de praktijk in de gaten houden.
Welke gevolgen verwacht u dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
Het is niet de verwachting dat de Side-by-Side veiligehavenregel grote gevolgen heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat. In het algemeen geldt dat het IF-akkoord van belang is om zekerheid en stabiliteit te waarborgen in het internationale belastingsysteem. Daar heeft ook het Nederlandse vestigingsklimaat baat bij.
Welke signalen ontvangt u vanuit het Nederlandse bedrijfsleven over de gevolgen van deze uitzonderingspositie voor hun internationale concurrentiepositie?
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.3 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het bedrijfsleven erop dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het kabinet wijst in dit verband op de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in een Side-by-Side veilige haven jurisdictie.
In hoeverre leidt deze uitzonderingspositie er naar uw oordeel toe dat Nederlandse en Europese ondernemingen structureel op achterstand komen ten opzichte van Amerikaanse concurrenten?
De positie, in het bijzonder de fiscale positie, van Nederlandse en Europese ondernemingen hangt af van verscheidene nationale en internationale factoren. Het kabinet denkt niet dat Nederlandse en Europese ondernemingen als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel structureel op achterstand komen. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarnaast zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Welke concrete maatregelen onderneemt u om te voorkomen dat Nederland economisch nadeel ondervindt van de uitzonderingspositie voor de Verenigde Staten?
Het is voorbarig om op voorhand te stellen dat Nederland een beduidend economisch nadeel ondervindt als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel zoals ook in de beantwoording van vraag 17 geschetst. Het IF zal een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Acht u het wenselijk dat Nederland onderdeel blijft van internationale afspraken die ertoe kunnen leiden dat het Nederlandse vestigingsklimaat minder aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven in een nadeliger positie komen ten opzichte van Amerikaanse ondernemingen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals, zoals de wereldwijde minimumbelasting, het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De OESO-modelregels voor de wereldwijde minimumbelasting zijn binnen de Europese Unie opgenomen in Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie. Nederland heeft deze richtlijn geïmplementeerd door middel van de Wet minimumbelasting 2024. Nederland is hiermee gehouden aan de regels van de wereldwijde minimumbelasting. Nog los daarvan: in het hypothetische geval waarin Nederland de regels van de minimumbelasting niet zou toepassen, zouden andere jurisdicties de minimumbelasting die Nederland als gevolg daarvan niet zou heffen, wel kunnen heffen. Het kabinet is daarnaast van mening dat het opnemen van de het Side-by-Side pakket in de Nederlandse wetgeving zorgt voor eenduidigheid en belastingplichtigen zekerheid biedt, wat ook ten goede kan komen aan het vestigingsklimaat.
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze uitzonderingspositie, de haalbaarheid en geloofwaardigheid van toekomstige mondiale belastingafspraken wanneer de Verenigde Staten structureel een eigen uitzonderingspositie afdwingen en andere landen zich daaraan aanpassen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals of de uitwisseling van gegevens tussen landen het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De betrokkenheid van de Verenigde Staten is daarbij van groot belang, zeker voor zover hun belastingsysteem als gelijkwaardig kan worden gezien.
Kunt u deze vragen binnen twee weken en elk van de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn elk afzonderlijk beantwoord. Helaas is het niet gelukt om de vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden.
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Felix Klos (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
van Marum , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Google en Microsoft verzwijgen energiegebruik van hyperscale-datacenters; Datacentra Techbedrijven zwijgen over energieverbruik»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Microsoft en Google rapportages weigeren over het energieverbruik van hun datacenters in Nederland in Eemshaven en bij Middenmeer niet aanleveren?
Deelt u de opvatting dat zonder gedetailleerde verbruiksdata geen goed beleid mogelijk is voor energie-infrastructuur?
Deelt u de analyse in het artikel dat gebrek aan transparantie over het energieverbruik van datacenters goed onderzoek naar netcapaciteit, de maatschappelijke impact van digitalisering, waaronder AI belemmert?
Waarom wordt er gesteld dat openbaarmaking van deze energiegegevens juridisch niet kunnen worden afgedwongen bij tech bedrijven zoals Microsoft en Google, terwijl Europese regels dit wel verplichten? Is hier sprake van onwil of onduidelijkheid in de uitvoering?
Hoe kan het dat de Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bedrijven verplicht om energie- en waterverbruik te rapporteren, maar dat grote datacenters in Nederland lege formulieren kunnen indienen zonder gevolgen?
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan bedrijven die niet voldoen aan Europese transparantie-eisen over energieverbruik?
Bent u bereid om, in het licht van de groei van AI en het toenemende energieverbruik daarvan, strengere nationale eisen te stellen aan transparantie van (Amerikaanse) grootverbruikers?
Kunt u toezeggen dat het kabinet actief gaat afdwingen dat Europese openbaarmakingsregels voor energieverbruik van datacenters van Big Tech, daadwerkelijk worden nageleefd?
Deelt u de analyse in het artikel dat Microsoft en Google Europese transparantieregels over energieverbruik ondermijnen en dat Nederland daarin te weinig tegenwicht biedt?
Bent u bereid om de energieverbruik gegevens van de datacenters van Amerikaanse tech bedrijven, waaronder die van Microsoft en Google, alsnog op te eisen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid»?1
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving, als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap heeft over de technologie?
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence' (AI) ook bredere maatschappelijke doelen, zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel is om het als middel te gebruiken?
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor behoud van werk?
Het artikel 'Van ‘arrogant takkewijf’ tot ‘val dood’: Delta-schandaal veel groter, provider start meldpunt' |
|
Jimmy Dijk |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over agressieve en mogelijk misleidende verkoopmethoden door medewerkers van DELTA Fiber, waaronder intimidatie, bedreigingen en het onder valse voorwendselen afsluiten van abonnementen?1
Ja.
Deelt u de kwalificatie dat hier sprake lijkt van structurele problematiek in plaats van op zichzelf staande incidenten?
Toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) en de Consumentenbond krijgen al jaren veel klachten over colportage.2 Deze klachten zien onder meer op de verkoop van contracten voor energie, loterijen, internet, televisie en telefonie. Deze klachtenstroom is serieus en aanhoudend. Zo krijgt de ACM elke maand tientallen signalen over deurverkoop, bijvoorbeeld over agressieve bejegening of het negeren van een geen-colportage-sticker. Dat gaat over verschillende bedrijven en verschillende sectoren.
Welke specifieke normen gelden voor colportage en huis-aan-huisverkoop in de telecomsector (waaronder omgang met nee/nee- en geen-colportage-stickers)? Worden deze normen naar uw oordeel effectief gecontroleerd en gehandhaafd? Zo nee, welke middelen heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) nodig om dit wel effectief te doen?
De consument heeft bij colportage onder meer recht op een bedenktijd van veertien dagen en de verkoper is verplicht om de consument hierover duidelijk te informeren voor het sluiten van de overeenkomst.3 Doet de verkoper dit niet, dan wordt de bedenktijd verlengd met maximaal twaalf maanden. Daarnaast kan de consument een overeenkomst vernietigen die onder invloed van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als een verkoper zich agressief opstelt jegens de consument, onwaarheden vertelt bedoeld om de consument te overtuigen of een geen-colportage-sticker negeert. Deze regels gelden (met uitzondering van de in de wet voorziene uitzonderingen) voor alle sectoren die colportage gebruiken. Er gelden geen specifieke wettelijke colportageregels voor de telecomsector.
Dit wettelijk kader wordt aangevuld met zelfregulering, in de vorm van de Code Fieldmarketing die onder de vlag van de Reclame Code Commissie is opgesteld. De sector heeft hierin afgesproken dat consumenten die geen prijs stellen op colportage dit kunnen aangeven via een sticker aan de deur. Verkopers moeten dergelijke stickers en andere ondubbelzinnige mededelingen respecteren. Wanneer deze code wordt overtreden of wanneer een consument een andere klacht heeft over colportage kan hij of zij dit melden bij de ACM. De ACM kan dan handhavend optreden.
Wat vindt u ervan dat juist ouderen en andere kwetsbare groepen doelwit lijken te zijn van deze verkooppraktijken? Welke aanvullende beschermingsmaatregelen acht u hier passend?
Het is inherent aan de verkoopmethode colportage dat consumenten een bepaalde mate van druk voelen om een besluit te nemen over een overeenkomst terwijl de verkoper aan de deur of op straat staat. Met name kwetsbare consumenten, zoals ouderen of consumenten die moeite hebben met «nee» zeggen, lopen het risico een overeenkomst te ondertekenen, waarvan zij de gevolgen niet volledig kunnen overzien.
In april 2024 heeft mijn voorganger een voorstel voor een afkoelperiode aangekondigd.4 Consumenten krijgen daarmee drie werkdagen de tijd om rustig een besluit te nemen of zij een overeenkomst willen aangaan waarover zij buiten de verkoopruimte zijn aangesproken. De verkoper mag de consument tijdens de afkoelperiode niet benaderen. De afkoelperiode legt de regie voor het aangaan van de overeenkomst bij de consument, stelt hem in de gelegenheid om de informatie die hij heeft ontvangen in alle rust te lezen en te begrijpen (zonder druk van de meekijkende verkoper) en de informatie eventueel ook te vergelijken met andere aanbiedingen. Dit wetsvoorstel is in de tweede helft van 2025 in internetconsultatie geweest. De reacties uit deze consultatie worden momenteel verwerkt.
In aanvulling daarop ga ik, conform de motie van het lid Van Lanschot (CDA)5, in kaart brengen welke opties er zijn, landelijk en lokaal, om ongevraagde commerciële verkoop aan de deur zo veel mogelijk te beperken, waarbij ruimte blijft voor goede doelen en kleinschalige initiatieven.
Een verbod op colportage is Europeesrechtelijk op dit moment niet mogelijk. Ik zet mij er daarom in Brussel voor in dat lidstaten de mogelijkheid krijgen om colportage sectoraal of geheel te verbieden.
Hoe beoordeelt u de meldingen over ongevraagde graaf- en installatiewerkzaamheden in tuinen en woningen, met schade en kosten voor bewoners tot gevolg? Vindt u dat telecombedrijven voldoende zorgvuldig omgaan met toestemming en herstel?
Ik ga ervan uit dat bij deze vraag gedoeld wordt op graaf- en installatiewerkzaamheden in de eigen tuin en woning van bewoners. Om dergelijke werkzaamheden uit te voeren is het nodig dat de bewoner aangesloten wil worden en hiervoor toestemming geeft. Ik vind het belangrijk dat telecompartijen zorgvuldig omgaan met aanleg in eigen tuinen en woningen van bewoners en wijs daarbij op hun verplichting voor toestemming en herstel. In het geval van klachten over ongevraagde werkzaamheden kunnen bewoners zich melden bij de ACM, die bij veel klachten over een specifieke partij, die partij daarop kan aanspreken. Navraag bij de ACM leert dat de ACM in beperkte mate meldingen ontvangt over ongevraagde werkzaamheden, maar dat personen mogelijk ook niet altijd melding doen.
Wat betreft eventuele schade als gevolg van werkzaamheden, is het aan de telecompartijen om deze te herstellen dan wel te vergoeden. Telecompartijen geven aan dat dit doorgaans ter plaatse direct in overleg met de bewoner wordt opgelost. Bij dergelijke schade die niet (volledig) wordt vergoed of hersteld, kunnen bewoners zich wenden tot de civiele rechter.
Wat is uw reactie op signalen dat monteurs contante betalingen zonder factuur vragen («zwart geld»), onder het mom van aanvullende werkzaamheden?
Het is niet toegestaan om zwart te werken of mensen onder druk te zetten om contant geld af te staan. Het is ook niet toegestaan om kosten in rekening te brengen voor werkzaamheden, die feitelijk niet (of niet controleerbaar) hebben plaatsgevonden en waartoe bewoners geen opdracht of toestemming hebben gegeven.
Acht u de door Delta geopende meldpuntregeling een toereikende reactie? Hoe wordt voorkomen dat klachten blijven liggen of intern worden weggeboekt zonder daadwerkelijke oplossing?
Ik ga ervan uit dat Delta naar aanleiding van de berichtgeving passende en effectieve maatregelen neemt om klachten van consumenten te registreren en op te lossen. Daarnaast heeft de ACM naar aanleiding van de berichtgeving contact opgenomen met Delta om de klachten te bespreken en naar oplossingen te kijken. Dit beschouw ik als een stok achter de deur.
Bent u bereid om een verdiepend onderzoek te doen naar de wervingspraktijken in de glasvezelmarkt, inclusief de rol van ingehuurde verkooporganisaties en onderaannemers?
Het is aan de ACM als onafhankelijke toezichthouder om te bepalen of en wanneer een onderzoek naar de wervingspraktijken in de glasvezelmarkt wordt uitgevoerd.
Overweegt u aanscherping van regelgeving, bijvoorbeeld een verbod of zwaardere beperking op huis-aan-huisverkoop in telecom, verplichte cooling off (herroepingsrecht) bevestigingen via onafhankelijke kanalen, zwaardere boetes bij misleiding van kwetsbare consumenten, een verplicht klachtenregister dat openbaar wordt gemaakt, etc.?
Ja. Zie verder de beantwoording van vraag 4.
Wat is bekend over deur-aan-deurverkoop in andere sectoren zoals energie, mobiele telefonie en internetdiensten?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2, krijgt de ACM elke maand tientallen signalen over deurverkoop. Dat gaat over verschillende bedrijven en verschillende sectoren.
In welke mate wordt deze deur-aan-deurverkoop in deze sectoren gecontroleerd en gehandhaafd, en door welke toezichthouders?
De ACM is als onafhankelijk markttoezichthouder verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de regels voor deur-aan-deurverkoop. De ACM kan niet alle zaken oppakken en bepaalt zelf haar prioriteiten.6 De ACM heeft in de afgelopen jaren herhaaldelijk in het openbaar opgetreden tegen handelaren die gebruikmaken van colportage en zich niet aan de regels houden.7
Hoe beoordelen consumenten deze verkooppraktijken, bijvoorbeeld wat betreft transparantie, ervaren druk aan de deur en het risico op misleiding?
Uit onderzoek in 2022 van de ACM blijkt dat een aanzienlijk deel van de ondervraagden die wel eens een verkoper aan de deur kreeg, dit contact als negatief heeft ervaren (45%).8 Slechts een klein deel van de ondervraagden gaf aan een (zeer) positieve ervaring met colportage gehad te hebben (9%). Van de ondervraagden die wel eens een verkoper aan de deur kreeg, gaf meer dan 90% aan dat zij dit heeft ervaren als onprettig, onbetrouwbaar of niet nuttig.
Een onderzoek van de Consumentenbond in 2025 onder 7500 panelleden bevestigt het negatieve beeld van consumenten rondom verkoop aan de deur.9 Hieruit blijkt dat 92% van de panelleden zich stoort aan de verkoop van producten en diensten aan de deur. Vooral omdat ze er niet om gevraagd hebben, verkopers erg opdringerig kunnen zijn en vaak op een ongelukkig moment aanbellen. Daarnaast blijkt dat 63% van de panelleden met een bel-niet-aan-sticker alsnog verkopers aan de deur hebben gehad.
Ziet u in de gesignaleerde agressieve verkooppraktijken een verband met sterke commerciële prikkels zoals concurrentie op groei, marktaandeel en winst? Zo ja, welke voorstellen heeft u om deze prikkels weg te nemen?
Ik herken de sterke commerciële prikkels in de markt voor het aanleggen van glasvezel. Deze prikkels zorgen op zichzelf voor een snelle aanleg van een landelijk dekkend glasvezelnetwerk met een hoge technische capaciteit. Vanwege de hoge kosten voor het aanleggen van het netwerk, is het voor marktpartijen aantrekkelijk om zo snel mogelijk een groot netwerk aan te leggen met zo veel mogelijk aansluitingen per wijk (een hoge bezettingsgraad). Commerciële prikkels mogen echter nooit leiden tot agressieve handelspraktijken. In de beantwoording van vraag 4 geef ik aan welke stappen ik neem om dergelijke verkooppraktijken tegen te gaan.
Acht u deze dynamiek van commerciële prikkels problematisch voor diensten die feitelijk essentieel zijn voor burgers?
Zie antwoord vraag 13.
In hoeverre acht u het wenselijk om, ter voorkoming van dit soort praktijken en ter verhoging van efficiëntie, deze voorzieningen meer publiek of collectief te organiseren?
Ik acht het onnodig en onwenselijk om het aanleggen van het glasvezelnetwerk meer publiek of collectief te organiseren. Nederland heeft gekozen voor de aanleg van een glasvezelnetwerk door marktpartijen, met strenge eisen van de ACM over onder andere het openstellen van het netwerk. Op dit moment zijn er bijna 9 miljoen glasvezelaansluitingen in Nederland en de ACM verwacht een volledige dekking in 2030. Ik voorzie een sterke vertraging van het proces en hoge uitvoeringskosten als zou worden overgestapt op een model waarbij de uitrol meer publiek of collectief zou worden georganiseerd.
Bent u bereid scenario’s en beleidsopties voor zulke vormen van publieke of collectieve organisatie te laten uitwerken en naar de Kamer te sturen?
Zie antwoord vraag 15.
De aanschaf van Chinese slimme meters door netbeheerders. |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat netbeheerders Alliander (Liander), Enexis en Stedin onderdelen voor circa vier miljoen (slimme) meters betrekken van Kaifa uit China?1, 2, 3
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen over deze berichtgeving (Kamerstuk 2025Z227414) gaat het in dit nieuwsbericht over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten. Zie voor een verdere toelichting op dataveiligheid ook de antwoorden op vraag 7, 8 en 9 in Kamerstuk 2025Z22741.5
Is deze gunning volgens uw beoordeling wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat het hier gaat om een aanbesteding/gunning voor «sensoronderdelen» en kunt u de Kamer een feitenoverzicht sturen met scope, aantallen, contractwaarde, looptijd, opties en betrokken entiteiten, inclusief Kaifa Technology Netherlands?
Zoals toegelicht in het voorgaande antwoord gaat het hier over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet.
De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – deze component gegund middels een aanbesteding met openbare selectie. Het gevraagde feitenoverzicht is te vinden in het door de netbeheerders openbaar gepubliceerde aanbestedingsdocument. In het aanbestedingsdocument is opgenomen dat de verwachte aantallen voor deze meetmodule 7.933.740 eenheden zijn en de contractwaarde € 592.517.432 is. De totale opdracht zal worden geleverd door 2 leveranciers: 60% door Kaifa Technology Netherlands B.V. uit China en 40% door Sagemcom Energy & Telecom uit Frankrijk. De afzonderlijke netbeheerders zijn overeenkomsten aangegaan voor een initiële periode van acht jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met 3 keer 2 jaar. Het is aan de netbeheerders om te beslissen of zij gebruik maken van deze verlengingsoptie. Verdere details zijn te vinden in het aanbestedingsdocument dat is opgesteld door de netbeheerders.6
Kunt u toelichten welke onderdelen van de meter(s) uit China komen (sensor, printplaten, communicatiemodule, firmware, etcetera) en welke onderdelen in Nederland en de Europese Unie worden geproduceerd of geassembleerd?
In de nieuwe generatie slimme meter zijn in de basis vijf separate componenten te onderscheiden die ieder apart worden ingekocht.
(1) Basis elektriciteit meetmodule (hardware). Deze inkoop is verlopen zoals beschreven in de beantwoording van deze Kamervragen en in Kamerstuk 2025Z227417.
(2) De gateway (hardware met een besturingssysteem). Voor dit onderdeel loopt op dit moment de aanbestedingsprocedure. Als eis is assemblage en productie van kritieke onderdelen in een GPA-land opgenomen.8
(3) De applicatielaag (software). Dit onderdeel is gegund aan een Nederlandse partij.
(4) De gasmeter (hardware). Dit onderdeel is gegund aan twee Europese leveranciers.
(5) De Public Key Infrastructure (encryptie). Bij dit onderdeel zijn vertrouwelijke veiligheidsmaatregelen toegepast en het onderdeel wordt geleverd door een Nederlandse partij.
Kunt u bevestigen welke (in)directe staatsinvloed er is en hoe dit is meegewogen in de risicoafweging, aangezien in de berichtgeving wordt gesteld dat China Electronics Corporation (CEC) een belang van 35% heeft in Kaifa?
Dat er mogelijk sprake kan zijn van (in)directe staatsinvloed is een van de redenen geweest waarom de netbeheerders een risicoanalyse hebben uitgevoerd. Hierbij is onder andere gekeken naar cyber- en energie leveringszekerheidsrisico’s, zoals beïnvloeding op afstand, ongeautoriseerde toegang tot meterdata, alsook naar productleveringszekerheidsrisico’s.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Om zo goed mogelijk te verifiëren of er eventueel sprake zou zijn van een inschrijving onder kostprijs, hebben de netbeheerders een uitvraag gedaan bij de Europese Commissie in het «Foreign Subsidies Regulation» mechanisme. Het Foreign Subsidies Regulation (FSR) is een EU-verordening die bedoeld is om oneerlijke concurrentie op de interne markt tegen te gaan wanneer bedrijven financiële steun krijgen van landen buiten de EU. Uit deze melding heeft de Europese Commissie geen belemmeringen waargenomen en gecommuniceerd aan de netbeheerders.
Is vooraf door of namens het kabinet een nationale veiligheids- of ketenafhankelijkheidsanalyse uitgevoerd voor deze aanbesteding (AIVD/MIVD/NCTV/RDI of anders)? Zo ja, door wie en met welke hoofdconclusies? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook toegelicht in beantwoording van eerdere Kamervragen9 hebben de netbeheerders een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter.
De nieuwe generatie slimme meters is opgebouwd uit verschillende hard- en softwarecomponenten en voor ieder van deze componenten geldt een ander risicoprofiel. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274110, kent de elektriciteit meetmodule daardoor een laag risicoprofiel. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is. Het betreft mitigerende maatregelen ten aanzien van de energie- en productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Heeft u in dit dossier geïntervenieerd of een toets gevraagd, aangezien in 2022 door het kabinet is gesteld dat de overheid bij een Nederlands project kan interveniëren als de nationale veiligheid in het geding is? Zo nee, waarom is dit niet als «veiligheidsdossier» behandeld?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u (slimme) energiemeters, gezien hun rol in netbeheer en gegevensverwerking, onderdeel van vitale infrastructuur of «kritieke ketencomponenten»? Welke definitie hanteert u, en wie beslist daarover?
Binnen de Aanpak Vitaal11 zijn door het kabinet processen binnen de energiesector aangemerkt als vitaal. Het betreft elektriciteit (transport, distributie en productie van elektriciteit op land en op zee) en gas (transport, distributie, productie, hervergassing en opslag van gas op land en op zee)12. Een vitaal proces is een proces waarvan uitval, verstoring of manipulatie tot dusdanig ernstige effecten kan leiden dat dit de nationale veiligheid kan schaden en daarmee maatschappelijke ontwrichting kan veroorzaken.
Binnen deze processen gelden de regionale netbeheerders als vitale aanbieders. De regionale netbeheerders Alliander, Enexis en Stedin verwerven gezamenlijk de nieuwe slimme meter. De netbeheerders hebben zelf de verantwoordelijkheid om de mate waarin een component kritiek is vast te stellen en daar ook rekening mee te houden bij hun verwervingstrategieën. De Minister van Klimaat en Groene Groei kan, indien nodig, de netbeheerders opdragen om maatregelen te treffen.
Netbeheer Nederland stelt dat het om een meetsensor zonder schakelaar of telecommunicatietechnologie gaat en dat audits niets hebben opgeleverd; welke audits waren dit (scope, frequentie, onafhankelijke partij, bevindingen) en kan de Kamer inzage krijgen?
De audit rapporten zijn vertrouwelijk omdat deze bedrijfsgevoelige informatie bevatten. De netbeheerders hebben contractueel vastgelegd deze concurrentiegevoelige informatie niet te delen.
Kunt u uitsluiten dat via deze componenten (direct of indirect) manipulatie van meetwaarden, (direct of indirect) aanvallen op de toeleveringsketen of ongeautoriseerde toegang tot meterdata mogelijk is? Zo nee, zijn er mitigatieplannen aanwezig door het Rijk dan wel de netbeheerders, die de risico’s zoveel als mogelijk beperken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe borgt u dat burgers niet worden gedwongen een meter te accepteren waarvan de risico’s niet transparant zijn beoordeeld, aangezien de Energiewet per 1 januari 2026 is ingegaan en de vervanging van analoge meters verplicht maakt (meewerkingsplicht)?
Bij de vervanging van de laatste analoge meters wordt dit jaar en volgend jaar nog de huidige (5e generatie) slimme meter aangeboden en nog niet de nieuwe meter, aangezien de bestaande voorraad naar verwachting strekt tot in het najaar van 2027. Consumenten kunnen de vervanging van een oude analoge meter met de Energiewet niet meer weigeren, maar er zijn wel twee alternatieven als iemand bezwaar heeft tegen het op afstand uitlezen van de meter. Zo kan de communicatiefunctionaliteit van de slimme meter op verzoek van de afnemer worden uitgezet. Ook kan worden gekozen voor een zogeheten digitale meter. Beide meten verbruik en invoeding apart. Als consumenten hiervoor kiezen, moeten ze net als nu wel de meterstanden zelf blijven doorgeven aan de energieleverancier.
Welke aanbestedingsruimte hebben netbeheerders benut om leveringszekerheid, staatsinvloeden en cybersecurity als (uitsluitings)criteria te hanteren, en welke ruimte is volgens u onbenut gebleven?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274113 is de slimme meter modulair ontworpen en is voor de afzonderlijke componenten een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn Europese leveranciers in dit traject aantoonbaar in staat geweest om mee te dingen en te leveren (volume/tijd), en kunt u de Kamer informeren welke Europese aanbieders zijn afgevallen en om welke redenen?
Ja, Europese aanbieders hebben zich kunnen inschrijven voor deze aanbesteding. De netbeheerders hebben – conform Europese aanbestedingsregels – dit onderdeel gegund middels een openbare aanbesteding. Er is geen restrictie geweest op deelname uit landen. Iedere aanbieder heeft kunnen inschrijven voor de selectiefase van de aanbesteding. Gekwalificeerde aanbieders konden in de gunningsfase van de aanbesteding een aanbieding doen.
Kandidaten kunnen niet openbaar gemaakt worden. Deze gegevens zijn bedrijfsvertrouwelijk en concurrentiegevoelig. De gegunde leveranciers bestaan uit Kaifa Technology Netherlands B.V. en Sagemcom Energy & Telecom SAS. Dit is weergegeven op Tenderned.14
Is onderzocht of sprake is van een abnormaal lage inschrijving (onder kostprijs) en/of een verstorend effect van staatssteun? Zo ja, wat was de uitkomst. Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke scenario’s zijn uitgewerkt voor het geval leveringen/onderhoud/updates vanuit China (tijdelijk) wegvallen door geopolitieke spanningen, en welke buffer/alternatieve leveranciers zijn (contractueel) geborgd?
Zoals beantwoord in Kamerstuk 2025Z2274115 zijn betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA).16 In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Welke concrete artikelen en AMvB’s in de huidige Energiewet geven netbeheerders nu wél/geen handvatten om hoog-risico leveranciers te weren bij (digitale/slimme) meters, aangezien in 2022 het kabinet aangaf dat wijzigingen (o.a. mogelijkheid tot gebruik Aanbestedingswet Defensie en Veiligheid) in de Energiewet zouden landen?
Netbeheerders hebben op grond van de Energiewet de verplichting om de veiligheid en betrouwbaarheid van de netten en het transport over de netten op de meest doelmatige wijze te waarborgen. Daarnaast geldt de verplichting de netten te beschermen tegen invloeden van buitenaf. Dit is een wettelijke taak van netbeheerders.
De netbeheerders kunnen via drie kaders producten of diensten aanschaffen. Deze kaders hebben ieder in meer of mindere mate mogelijkheden om de veiligheid van de producten en diensten en daarmee de nationale veiligheid te waarborgen.17 Er zijn veiligheidsmaatregelen mogelijk in de Aanbestedingswet 2012 (AW2012), de Aanbestedingswet op Defensie en Veiligheidsgebied (ADV) en er kan gebruik gemaakt worden van het inroepen van artikel 346 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.18
Om een veilige energietransitie te borgen, heeft het kabinet besloten de mogelijkheden voor de netbeheerders om veiligheidsmaatregelen te nemen uit te breiden en te uniformeren. Er wordt tevens verkend in hoeverre harmonisatie van bevoegdheden op termijn mogelijk en wenselijk is, met het oog op een meer uniforme en uitvoerbare systematiek. De nieuwe Energiewet creëert onder artikel 3.18 de bevoegdheid voor de Minister van Klimaat en Groene Groei om aanvullende eisen te stellen aan kritieke processen van de netbeheerders ter bescherming van de nationale veiligheid. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving. Hierdoor wordt het voor de netbeheerders gemakkelijker om gebruik te maken van de veiligheidsmaatregelen in de hierboven beschreven wettelijke kaders.
Daarnaast heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid momenteel in de onderliggende conceptwetgeving van de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet, te weten het Besluit weerbaarheid kritieke entiteiten en het Cyberbeveiligingsbesluit, een artikel opgenomen waarbij entiteiten verplicht kunnen worden om bepaalde producten of diensten van specifieke leveranciers niet te gebruiken. De desbetreffende vakminister kan een dergelijke bevoegdheid inzetten – in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid – indien dat noodzakelijk is om risico’s voor de nationale veiligheid te voorkomen, te beperken of te beheersen. De vakminister dient hiervoor een beoordelingskader te doorlopen en aan de hand daarvan te bepalen of er al dan niet sprake is van de noodzaak om de verplichting op te leggen.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met een kader voor vertrouwde leveranciers voor vitale energiecomponenten (incl. meters) te komen, met heldere criteria (staatsinvloed, ketentransparantie, cybersecurity) en een toetsingsproces voor netbeheerders?
Zie antwoord vraag 16.
De nieuwe fiscale regeling om medewerkersparticipatie voor startups en scale-ups te stimuleren |
|
Maes van Lanschot (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de beoogde regeling bij een IPO met lock-up voorwaarden er pas na afloop van de lock-up periode fiscaal afgerekend hoeft te worden (Kamerstuk 32 140, nr. 285)?
Ja, het is beoogd dat in de nieuwe fiscale regeling bij een beursgang rekening wordt gehouden met bepalingen die ervoor zorgen dat de aandelen tijdelijk nog niet verhandelbaar zijn, zoals een lock-up. Hierbij wordt ook beoogd een maximale periode te hanteren om onbedoeld gebruik en misbruik uit te sluiten.
Hoe geldt dit voor een reguliere bedrijfsverkoop die non-cash is (bijvoorbeeld een aandelenruil) of op een earn-out regeling gebaseerd is?
Het kabinet wil een aantrekkelijke en internationaal concurrerende regeling introduceren, een wens die ook door uw Kamer is geuit. Daarnaast is het belangrijk dat de Belastingdienst de fiscale regeling effectief kan handhaven. De exacte vormgeving van de fiscale regeling is op dit moment nog niet volledig uitgewerkt. Bij de vormgeving van de fiscale regeling wordt met dit soort situaties zo veel als mogelijk rekening gehouden. Daarbij heeft het kabinet oog voor de voorkoming van liquiditeitsknelpunten.
Hoe voorkomt het kabinet dat de aanbiedingsplicht van een individuele werknemer een blokkade wordt bij een beoogde overname van alle aandelen in de start / scale-up door een derde partij?
Het kabinet wil dit mogelijke knelpunt juist ondervangen. Door de aanbiedingsplicht is de (ex)-werkgever in staat om de aandelen terug te kopen. Dit helpt ook in het geval van een eventuele overname. Daarnaast zijn in optieplannen vaak drag-along bepalingen opgenomen waardoor minderheidsaandeelhouders worden gedwongen om mee te verkopen bij een overname.
Bij verlopen van de status wordt teruggevallen op de bestaande regeling, waarin belastingheffing uiterlijk plaatsvindt bij verhandelbaarheid van aandelen, valt een beperkte interne verkoop-ronde ook onder de definitie van deze regeling?
In de praktijk zal het moment van de verhandelbaarheid en de verkoop van de aandelen vaak dicht bij elkaar liggen. Aansluiten bij het moment van verhandelbaarheid zal dus niet vaak leiden tot een knelpunt. Bij het heffingsmoment wordt tijdsevenredig rekening gehouden met de belastingkorting. Het begrip verhandelbaarheid is uitgewerkt in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals gewijzigd per 2023, met het doel om voor startups en scale-ups zoveel mogelijk liquiditeitsknelpunten weg te nemen.
Hieruit volgt dat wordt verstaan onder het verhandelbaar worden van de bij uitoefening verkregen aandelen: het eerste moment waarop de betreffende werknemer de mogelijkheid heeft deze aandelen te vervreemden. Dat is niet alleen het geval wanneer de aandelen aan een willekeurige derde verkocht kunnen worden, maar ook wanneer de aandelen slechts aan een selecte groep verkocht kunnen worden zoals aan andere personen die binnen de onderneming werkzaam zijn.1
Hoe mitigeert het kabinet het liquiditeitsrisico voor medewerkers bij het verlopen van de status (met bijvoorbeeld een betalingsregeling)?
Indien de startup status vervalt, betalen medewerkers belasting op het moment dat zij ook daadwerkelijk in staat zijn om hun belasting te betalen (moment van verhandelbaarheid). In de meeste gevallen zal dit moment samenvallen met het moment waarop liquide middelen beschikbaar zijn om de verschuldigde belasting te betalen. Een specifieke betalingsregeling voor dergelijke gevallen acht het kabinet daarmee niet noodzakelijk.
Het artikel ‘Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt», waarin wordt beschreven dat de blijvende betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij de import en doorvoer van Russische nikkel en koper direct bijdraagt aan de Russische staatsinkomsten en oorlogseconomie?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie, door Russische nikkel- en koperimport niet te sanctioneren, Rusland jaarlijks met miljarden euro’s aan exportinkomsten blijven voorzien, terwijl Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne?
In reactie op de Russische agressie tegen Oekraïne heeft de Europese Unie tot op heden negentien omvangrijke sanctiepakketten aangenomen, waarbij Nederland steeds een voortrekkersrol gespeeld heeft. Als gevolg van deze sancties is in het derde kwartaal van 2025 de totale import van de EU uit Rusland met 89% afgenomen ten opzichte van het vierde kwartaal van 2021. Hiermee loopt Rusland reeds zeer veel inkomsten mis. Op bepaalde producten, zoals nikkel en koper, gelden inderdaad nog geen EU-sancties. Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheid van sanctie-uitbreiding waarbij in principe alle opties op tafel liggen. Hiervoor is wel steeds voldoende draagvlak binnen de EU vereist.
Deelt u de mening dat dit het imago van Nederland en de Europese Unie, evenals de geloofwaardigheid van onze inzet ter ondersteuning van Oekraïne, ondermijnt?
Het kabinet twijfelt niet aan de geloofwaardigheid van de zeer substantiële inzet van Nederland en de Europese Unie ter ondersteuning van Oekraïne.
Ziet u mogelijkheden om, in navolging van de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK), in EU-verband de import van Russisch nikkel en koper alsnog aan banden te leggen, bijvoorbeeld door Russische producenten zoals Norilsk Nickel op EU-sanctielijsten te plaatsen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? En waarom kunnen de VS en het VK dit wél?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheden om de sancties tegen Rusland te verzwaren en spant zich hier in EU-verband actief voor in. Harmonisatie van sancties met G7-partners als VS en VK hebben hierbij bijzondere aandacht van het kabinet. Randvoorwaarde hierbij is dat voor EU-sancties unanimiteit vereist is. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in meer detail in te gaan op de besprekingen die hierover binnen de EU gevoerd worden.
Hoe beoordeelt u het feit dat voor het vervoer van Russisch nikkel naar Nederland gebruik wordt gemaakt van schimmige constructies met ondoorzichtige eigendomsstructuren en recent opgerichte rederijen, terwijl de daaropvolgende opslag, doorvoer en herexport vanuit Nederland volledig legaal plaatsvinden?
Het kabinet acht het onwenselijk wanneer handel plaatsvindt via ondoorzichtige eigendomsstructuren, mede omdat dit risico’s op sanctie-ontwijking, witwassen en fraude kan vergroten. Waar er signalen zijn van mogelijke overtredingen is het aan de bevoegde autoriteiten om onderzoek te doen en zo nodig handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven direct en indirect bijdragen aan het in stand houden van mondiale waardeketens die deze lucratieve export mogelijk maken, en daarbij zelf financieel profiteren van handel die bijdraagt aan de voortzetting van de Russische agressie tegen Oekraïne?
Het kabinet deelt de mening dat het onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven bijdragen aan waardeketens die inkomsten genereren voor Rusland. Daarom spant het kabinet zich voortdurend in voor het verzwaren van de EU-sancties tegen Rusland, opdat dergelijke activiteiten verboden worden. Voor wat betreft ongesanctioneerde handel met Rusland geldt dat deze weliswaar legaal is, maar dat het kabinet deze niet stimuleert doordat het alle handelsbevordering met Rusland gestaakt heeft. Daarnaast roept het kabinet bedrijven op zich waar mogelijk terug te trekken uit Rusland.
Heeft u deze bedrijven daarop aangesproken?
Het kabinet doet geen uitspraken over contacten met individuele bedrijven. Wel wordt in brede zin met sectoren en relevante partijen gesproken over sanctienaleving, risico’s op ontwijking en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen.
Ziet u mogelijkheden om werk te maken van het verbieden of beperken van de herexport van Russische metalen vanuit Nederland of de Europese Unie naar landen buiten de EU? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderzoekt voortdurend de mogelijkheden om de sancties tegen Rusland te verzwaren en spant zich hier in EU-verband actief voor in. Randvoorwaarde hierbij is dat voor EU-sancties unanimiteit vereist is. Het is niet in het belang van de Nederlandse onderhandelingspositie om in meer detail in te gaan op de besprekingen die hierover binnen de EU gevoerd worden.
Wilt u deze vragen één voor één, op zo kort mogelijke termijn beantwoorden?
Ja.
De aangekondigde tegenreactie van de Verenigde Staten gericht op Europese techbedrijven |
|
Tom van der Lee (GL), Laurens Dassen (Volt), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VS dreigen met wraak om EU-acties tegen Amerikaanse techbedrijven»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de aankondiging dat de Verenigde Staten tegenmaatregelen wil nemen tegen de zogenaamde «discriminatie» van Amerikaanse techbedrijven in de Europese Unie?
Europese digitale wetgeving geldt voor alle bedrijven die actief zijn in de EU, ongeacht hun vestigingsplaats. Van ongelijke behandeling van Amerikaanse bedrijven is dus geen sprake. Mogelijke tegenmaatregelen vanwege vermeende ongelijke behandeling, inclusief mogelijke maatregelen gericht op Europese techbedrijven, ziet dit kabinet als onterecht.
Is deze aankondiging, naast in een publieke tweet op X, ook formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten? Zo ja, wanneer werd u hiervan op de hoogte gesteld?
Voor zover bekend is de aankondiging om tegenmaatregelen te nemen tegen Europese techbedrijven, naast het bericht van de United States Trade Representative (USTR) op X, niet formeel overgebracht aan de Europese Commissie of aan afzonderlijke lidstaten.
Heeft u contact gehad met de bedrijven die in de tweet van de vertegenwoordiger van de Verenigde Staten worden genoemd? Wat is uw boodschap richting deze Nederlandse en Europese bedrijven?
In zijn algemeenheid heeft het kabinet geregeld contact met Nederlandse en Europese bedrijven. Onze boodschap is dat het kabinet blijft staan achter de Europese digitale regels die zorgen voor een veilige, eerlijke en gelijkwaardige concurrentie tussen bedrijven en de handhaving daarvan. De EU stelt zelf de regels op voor diensten die in de Unie worden aangeboden en handhaaft deze regels ook. Eventuele tegenacties tegen Nederlandse en Europese bedrijven zal het kabinet volgen en uiteraard zal het kabinet daarbij in gezamenlijkheid met de Europese Commissie en lidstaten opkomen voor hun belangen.
Deelt u de opvatting van de indieners dat de waarschuwing van de Verenigde Staten past in een bredere strategie om de Europese Unie onder druk te zetten om digitale wet- en regelgeving af te zwakken?
De positie van de VS ten aanzien van Europese digitale wet- en regelgeving is bij ons bekend. Het is daarom van belang om actief in gesprek te blijven met de VS en Amerikaanse techbedrijven over het belang (van naleving) van digitale wet- en regelgeving voor zover het de diensten betreft die in Unie worden geleverd, en om te proberen om zorgen over vermeende ongelijke behandeling van Amerikaanse techbedrijven weg te nemen.
Hoe geeft u, in het licht van de druk uit de Verenigde Staten, uitvoering aan de motie-Kathmann die verzoekt om ondubbelzinnig aan te dringen op de maximale naleving, handhaving en versteviging van regelgeving van grote onlineplatforms?2
Het kabinet zet zich binnen de EU actief in om de Commissie te ondersteunen in het daadkrachtig optreden in haar rol als toezichthouder voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Tevens heeft Nederland begin vorig jaar met tien andere lidstaten een brief gestuurd aan de Commissie waarin wordt gevraagd volledig gebruik te maken van de handhavingscapaciteiten van de Digital Services Act (DSA). Er is ook gesproken met Eurocommissaris Virkkunen, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de DSA en de Digital Markets Act (DMA). Tijdens dit gesprek is, in lijn met de motie Kathmann, aandacht gevraagd voor het belang van naleving van, en handhaving op de zeer grote onlineplatforms en de zeer grote onlinezoekmachines, ongeacht waar ze vandaan komen. Inmiddels heeft de Commissie ook daadwerkelijk handhavingsbesluiten genomen wegens overtredingen van de DMA respectievelijk de DSA. Op nationaal niveau geldt dat dat de bevoegde toezichthouders, de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), hun taken onafhankelijk uitvoeren. Wel blijft het kabinet in gesprek met zowel de Europese Commissie als de nationale toezichthouders, volgt het kabinet hun werkzaamheden, en biedt het kabinet waar mogelijk en nodig ondersteuning.
Hoe geeft u tevens uitvoering aan de motie-Kathmann/Dassen die verzoekt om aanvullende Nederlandse voorwaarden te stellen in de onderhandelingen over de Digitale Omnibus?3 Hoe voorkomt u dat de druk van de Verenigde Staten leidt tot aanvullende afzwakkingen van wet- en regelgeving in de Digitale Omnibus?
De EU gaat over haar eigen wet- en regelgeving. In het kader van de simplificatie-agenda werkt de EU aan het verminderen van onnodige regelgeving. Dit doet het kabinet waar mogelijk en nodig om de Europese concurrentiepositie te versterken, niet om concessies te doen aan derde landen. De Kamer is middels een BNC-fiche geïnformeerd over de positie van het kabinet ten aanzien van de digitale omnibus.4
Bent u bereid om, samen met andere EU-lidstaten, erop aan te dringen dat digitale wet- en regelgeving onder geen enkele voorwaarde wordt afgezwakt of vertraagd naar aanleiding van druk uit de Verenigde Staten?
Zie antwoord op vraag 7. Daarbij vindt het kabinet dat aanpassing van regelgeving onder druk van derde landen niet moet gebeuren. Aanpassing van regelgeving is gerechtvaardigd wanneer regelgeving ook bedrijven onnodig of disproportioneel in de weg kan zitten, wat zeer noodzakelijke investeringen in de EU en daarmee samenhangende economische groei kan belemmeren.
Komt er een officiële en eenduidige Europese reactie op dit dreigement van de Verenigde Staten? Zo ja, wanneer wordt deze geformuleerd?
Een officiële gezamenlijke Europese reactie op de aankondiging op X om tegenmaatregelen te nemen gericht op Europese techbedrijven is (vooralsnog) niet voorzien. Wel heeft de Europese Commissie op 24 december 2025 een publiek statement gepubliceerd, waarin zij de visa-restricties afkeurt die de VS heeft opgelegd aan een vijftal Europeanen vanwege beschuldigingen van censuur, waaronder voormalig Eurocommissaris Thierry Breton.5 Ook dit kabinet en andere individuele Europese leiders, hebben hun zorgen uitgesproken en de actie veroordeeld.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het Rapport Wennink |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens Netbeheer Nederland het aantal unieke verzoeken op de wachtlijst midden- en laagspanning in 2025 is opgelopen tot 14.044 en het wachtlijstvermogen tot 9,1GW?1
Ja. Volgens de laatste cijfers van Netbeheer Nederland (stand op 1 juli 2025) en zoals gecommuniceerd in de Kamerbrief Aanpak Netcongestie van oktober jl. staan er 14.044 verzoeken van grootverbruikers in de wachtrij voor midden- en laagspanning bij de regionale netbeheerders, voor afname van in totaal 9,1 GW. Daarnaast staan er 8.539 verzoeken van grootverbruikers voor invoeding op midden- en laagspanning bij de regionale netbeheerders op de wachtrij, met een totaal vermogen van 4,6 GW.2 In maart 2026 zal Netbeheer Nederland met een update van deze cijfers komen.
Hoeveel aanvragen op wachtlijsten betreffen (a) MKB, (b) grootverbruik/industrie, (c) maatschappelijke instellingen, en wat zijn de mediane wachttijden per categorie en regio?
Informatie over hoeveel partijen er van verschillende categorieën op de wachtlijst staan is niet beschikbaar. In de meest recente voortgangsrapportage netcongestie3 is wel aangegeven dat er 362 partijen in de prioriteitscategorie nationale veiligheid en 295 partijen in de prioriteitscategorie basisbehoeften op de wachtrij staan. Dit zijn met name (maatschappelijke) instellingen, maar kunnen ook bedrijven zijn die vallen onder een van deze categorieën uit het prioriteringskader. De netbeheerders werken aan het verbeteren van het inzicht in de categorieën van bedrijven op de wachtrij. De mediane wachttijd van partijen op de wachtrij is niet beschikbaar. De capaciteitskaart van Netbeheer Nederland4 laat wel zien wanneer de belangrijkste knelpunten per gebied zijn opgelost en geven daarmee een indicatie van de wachttijd per gebied.
Deelt u de analyse dat netcongestie zowel schaalvergroting als verduurzaming vertraagt en dat in regionale industrie bijna driekwart van verduurzamingsplannen niet tijdig kan doorgaan door tekort aan energie-infrastructuur?
Netcongestie zit inderdaad zowel uitbreiding als verduurzaming van bedrijven in de weg. In de cluster energiestrategie (CES) van cluster 6, waar de regionale industrie gevestigd is, is inderdaad opgenomen dat 73% van de verduurzamingsplannen niet voor 2030 kan doorgaan door het ontbreken van energie-infrastructuur (publicatie januari 2025). De grootste knelpunten die in het rapport worden genoemd zijn, naast netcongestie, de lange afstand tot de hoofdinfrastructuur, het uitblijven van tijdige infrastructuur voor waterstof en CO2, en onvoldoende beschikbaarheid van bio/groen gas en warmte.
Welke concrete stabiliteits- en veiligheidsmarges leiden er volgens u toe dat netten gemiddeld slechts 30% benut worden, en welke ruimte ziet u voor risicogebaseerde herijking zonder leveringszekerheid te schaden?2
Stabiliteits- en veiligheidsmarges hebben betrekking op het aanhouden van reservecapaciteit. TenneT is wettelijk verplicht om voor het hoogspanningsnet extra componenten aan te leggen (de zogenaamde «vluchtstrook» of reservecapaciteit) zodat stroom beschikbaar blijft tijdens onderhoud of een storing. Uitval op het TenneT-net kan namelijk uitval voor een hele provincie betekenen. Door de grote uitbreidingsopgave van het net zal de gereserveerde ruimte voor onderhoud ook de komende jaren hard nodig zijn. Het Ministerie van KGG onderzoekt samen met de ACM en de netbeheerders de mogelijkheden om het elektriciteitsnet zwaarder te belasten. Hierbij wordt ook geanalyseerd hoeveel procent van het net momenteel gebruikt wordt. Het onderzoek verkent ook de mogelijkheden rondom het nemen van meer risico en mogelijke beleidsopties rondom het zwaarder belasten van het net. Het onderzoek zal eind maart bij de komende voortgangsrapportage worden gedeeld met de Kamer. Hierbij wordt ook gekeken naar de daadwerkelijke gemiddelde benutting van het net. Of dit daadwerkelijk 30% is, is nog niet bekend. Een gemiddelde benutting zegt overigens weinig over de daadwerkelijke benutting in een specifiek gebied. Dit is immers sterk afhankelijk van de specifieke situatie, veiligheidseisen en bijvoorbeeld hoe groot de verwachte groei achter de meter is tot het moment van uitbreiding.
Veiligheidsmarges hebben ook betrekking op de wijze waarop netbeheerders omgaan met de verwachte elektriciteitsvraag. Deze prognoses zijn van belang bij het bepalen of er netcongestie kan optreden. Dit betreft bijvoorbeeld de verwachte toename van de elektriciteitsvraag bij bestaande aansluitingen. Daarbij zijn de voorspellingen en onzekerheden rondom deze groei cruciaal. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders, de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net. Het verbeteren van de prognoses maakt hier onderdeel van uit. De Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Hoeveel «Zeeland-achtige» flexibiliteitsdeals (zoals TenneT-Air Liquide) zijn sinds 2024 gesloten, en welke juridische/financiële/ACM-belemmeringen remmen opschaling?
TenneT heeft nog één andere vergelijkbare afspraak gesloten.6 In beide gevallen werd (een deel van) reeds toegekende vaste («firm») capaciteit omgezet naar een tijdsduurgebonden contract (TDTR). Hierbij kan TenneT het transportrecht maximaal 15% van het aantal uren in het jaar beperken en krijgt het bedrijf een korting op de nettarieven. In beide gevallen was er sprake van specifieke omstandigheden: het bedrijf was bereid reeds toegekende firm capaciteit om te zetten naar flexibele capaciteit en er was genoeg capaciteit beschikbaar op de rustige momenten om de aanvraag in te kunnen passen. De vrijgekomen transportcapaciteit kon vervolgens worden uitgegeven aan partijen op de wachtrij. Deze nieuwe contractvorm is mogelijk sinds 2024.
Naast deze twee zijn er sindsdien nog negentien andere TDTR-contracten gesloten. Dit betreft partijen op de wachtrij die met dit contract (flexibel) konden worden aangesloten, zonder effect op andere partijen op de wachtrij. Flexibiliteit via alternatieve transportrechten zoals de TDTR is vooral aantrekkelijk voor een bedrijf als oplossing om, ondanks de wachtrij, toch (flexibele) transportcapaciteit te kunnen krijgen.
Ruimte voor nieuwe of zwaardere aansluitingen wordt wel gerealiseerd met congestiemanagementproducten (capaciteitssturingscontract en redispatch). Hierbij passen bestaande grote netgebruikers, tegen vergoeding, hun elektriciteitsbehoefte aan wanneer het net overbelast dreigt te raken. Dit maakt het voor de netbeheerder mogelijk om extra aan te sluiten. Bij de volgende voortgangsrapportage in maart wordt het aantal in 2025 afgesloten congestiemanagementcontracten bij de landelijke en regionale netbeheerders gepubliceerd.
In de laatste brief over de voortgang aanpak netcongestie7 zijn de knelpunten benoemd die grootschalige uitrol van alternatieve transportcontracten in de weg staan. Netbeheerders moeten ervaring opdoen met het aan de man brengen van deze nieuwe producten. Zij moeten daarvoor meer transparantie bieden in waar welke flexibiliteit nodig is. Marktpartijen moeten worden bewogen om flexibeler met gebruik en invoeding van elektriciteit om te gaan. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders, de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net. Oplossingen om deze knelpunten te doorbreken maken hier onderdeel van uit. De Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Erkent u dat regionale afstemming over locaties voor energieprojecten tot 10 jaar kan duren en dat dit samenhangt met te weinig ruimtelijke regie op elektriciteitsinfrastructuur? Welke maximale doorlooptijden gaat u hanteren voor locatiekeuze en vergunningen voor netprojecten?3
Het kabinet herkent de duur van 10 jaar voor het gehele realisatieproces van energie-infrastructuurprojecten. Dit omvat meer dan alleen afstemming over locaties. Hierin zit ook technische verkenning, milieu-effectonderzoeken, vergunningverlening volgend op het locatiebesluit, bezwaar- en beroepsprocedures, en de bouw van het project. Het kabinet werkt aan het verkorten van deze totale doorlooptijd, zoals aangegeven in de Kamerbrief «sneller uitbreiden elektriciteitsnet» van 25 april 20259. Onderdeel hiervan is het wetgevingsprogramma netcongestie. Per 1 januari 2026 geldt bijvoorbeeld een standaard gedoogplicht voor onderzoekswerkzaamheden waardoor de voorbereidingen tot locatiekeuze minder vertraging kunnen oplopen.
Het uitgangspunt blijft een zorgvuldig doorlopen proces. Voor vergunningverlening en bezwaar- en beroepsprocedures bestaan vrij scherpe maximale termijnen. Daarom wordt onderzocht hoe processtappen simultaan kunnen verlopen en zo efficiënt mogelijk ingericht om de doorlooptijd te minimaliseren. Met de wettelijke maatregel «Versnelde beroepsprocedure voor elektriciteitsprojecten vanaf 21kV» die uiterlijk begin 2027 in werking treedt, worden stappen in de beroepsprocedure overgeslagen met mogelijk 1,5 jaar verkorting van doorlooptijden. Uiteindelijke inwerkingtreding is afhankelijk van de grondslag in de Wet Regie Volkshuisvesting die momenteel voor behandeling in de Eerste Kamer ligt.
Het kabinet werkt ook aan versnelling van de locatiekeuze binnen de projectprocedure. Een groot deel van deze procedure is door (Europese) wetgeving verplicht, het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om binnen deze kaders te versnellen. De doorlooptijd van dit proces kan één of meerdere jaren duren. In verband met de complexiteit en beslag op de ruimte kan dit proces sneller bij 110/150kV projecten dan 220/380kV. Het kabinet werkt aan versnelling met afspraken over het trechteren van locaties. Met steun van gemeenten en provincies kaderen we het afwegen van alternatieve locaties en de inrichting van een zo snel mogelijke én zorgvuldige procedure. Om de ruimtelijke regie verder te versterken wordt er aan de hand van de projectenaanpak ook gewerkt aan het sneller aanwijzen van bevoegd gezag. KGG faciliteert deze snellere aanwijzing door in een vroeg stadium gesprekken te organiseren tussen TenneT en decentrale overheden. Met deze beleidsmatige en wettelijke stappen voorkomen we te lange procedures, versnelt tussentijdse besluitvorming en kan het Rijk ingrijpen bij impasses.
Ook het formatierapport «Routes naar realisatie: keuzes voor het klimaat en de energietransitie»10 gaat in op knelpunten t.a.v. de lange doorlooptijden van energieprojecten en brengt beleidsopties in kaart, zoals proactieve ruimtelijke sturing via actief grondbeleid.
Kunt u bevestigen dat elektriciteitskosten in Nederland 20–50% hoger liggen dan buurlanden en dat industriële elektriciteitsprijzen tot de helft hoger kunnen zijn? Welke maatregelen neemt u om prijspariteit met België en Duitsland te bereiken en op welke termijn?4
In 2024 en 2025 heeft het kabinet onderzoek laten uitvoeren naar de elektriciteitskosten in Nederland ten opzichte van buurlanden. Hieruit blijkt inderdaad dat de elektriciteitskosten voor industriële grootverbruikers in Nederland fors hoger liggen. In de Kamerbrieven van 25 april 202512 en 16 september 202513 is de Kamer over verschillende maatregelen geïnformeerd die het kabinet op nationaal niveau neemt om de energierekening voor bedrijven en consumenten te verlagen. Zo is de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) verlengd tot en met 2028 en werkt het kabinet opties uit om de nettarieven te verlagen, gericht op besluitvorming door een nieuw kabinet.
Deelt u de inschatting dat nettarieven richting 2040 meer dan verdubbelen bij ~5% groei per jaar? Hoeveel komt hiervan neer bij huishoudens, MKB en industrie, en welke dempingsopties onderzoekt u?5
De elektriciteitsnettarieven kunnen bij ongewijzigd beleid inderdaad meer dan verdubbelen. Het kabinet heeft dit in de kabinetsreactie op het IBO-rapport Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur eveneens aangegeven.15 De geraamde stijging richting 2040 is echter met aanzienlijke onzekerheden omgeven. In de kabinetsreactie op het IBO heeft het kabinet meerdere opties geschetst om de kosten van netbeheerders, en daarmee de tarieven van aangeslotenen, te dempen. Deze opties zijn onder meer energiebesparing, het flexibiliseren van het netgebruik door aangeslotenen, het beter benutten en zwaarder belasten van de netten, locatiesturing en het maken van andere keuzes voor het toekomstig energiesysteem. Zie in onderstaande figuur de verdeling van de groei van de netkosten per categorie aangeslotenen.
Ook het anders verdelen van de kosten in de tijd in de vorm van een zogenoemde amortisatierekening is onderzocht. Hierbij wordt een deel van de kosten doorgeschoven naar toekomstige gebruikers. Op Prinsjesdag heeft het kabinet moeten concluderen dat de rationale en juridische mogelijkheid hiervoor ontbreekt.16 In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat ook een eventuele subsidie aan TenneT tot de mogelijkheid behoort om de netkosten te dempen. Een dergelijke maatregel heeft significante en langjarige budgettaire consequenties, zoals ook blijkt uit het formatierapport «Routes naar Realisatie»17. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Bent u bereid de optie uit te werken om de energiebelasting op elektriciteit voor grootverbruik richting het EU-minimum te brengen?
Het kabinet onderschrijft het belang van concurrerende energieprijzen en een gelijk speelveld voor de industrie. Het verlagen van de energiebelasting op elektriciteit kan hieraan bijdragen, zoals ook beschreven in het in het vorige antwoord genoemde rapport Routes naar Realisatie. Het belang van een dergelijke belastingverlaging voor de industrie zal moeten worden afgewogen tegen de doelstellingen van de energiebelasting, namelijk het genereren van overheidsinkomsten en het stimuleren van energiebesparing. Daarbij is ook relevant dat een verlaging van de energiebelasting op elektriciteit slechts een beperkt effect zou hebben op de elektriciteitskosten van grote industriële bedrijven, doordat net- en elektriciteitstarieven een groter onderdeel vormen van de energiekosten, en doordat een deel van de industrie al is vrijgesteld van energiebelasting. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Welke nationale koppen bovenop Europees beleid dragen volgens u aantoonbaar bij aan concurrentienadeel, en welke koppen heroverweegt u in het licht van investeringszekerheid en industriebehoud?6
Er zijn diverse factoren die bijdragen aan concurrentienadeel. Dat kunnen nationale koppen zijn, zoals de CO2-heffing voor de industrie, maar ook een hoger tarief in de energiebelasting of het feit dat in Nederland de volumecorrectieregeling (VCR) – conform EU-regels – is afgeschaft terwijl andere landen deze nog steeds hanteren. Een uitgebreid overzicht van factoren die invloed hebben op het concurrentievermogen is te vinden in de Speelveldtoets19. Daaruit blijkt dat de hoge elektriciteitskosten in vergelijking met buurlanden één van de belangrijkste factoren zijn. Het kabinet probeert dit speelveld gelijker te trekken door onder andere de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) te verlengen. Met het pakket voor Groene Groei20 heeft het kabinet eerder al ingezet op het herstellen van het gelijk speelveld en verbeteren van het concurrentievermogen door het effectief buiten werking stellen van de CO2-heffing en niet invoeren van de plasticsheffing. Tegelijkertijd heeft Nederland relatief veel subsidies voor de industriesector ten opzichte van buurlanden21 en zijn er andere factoren die een positief effect op de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie hebben zoals opgebouwde expertise, logistieke hubs, goede infrastructuur en een hoog opgeleide bevolking.
Deelt u dat netcongestie een belangrijk obstakel is voor AI-proposities en dat hyperscale-datacenters door beleid feitelijk in 340 van 342 gemeenten niet mogelijk zijn?7
Het kabinet erkent dat netcongestie een belangrijk obstakel is. Voldoende datacentercapaciteit is randvoorwaardelijk voor het realiseren van de Nederlandse AI-ambities. Wachtlijsten voor aansluitingen en bouwstops belemmeren de groei van deze sector. Het recente advies van Peter Wennink benadrukt terecht de urgentie om netcongestie aan te pakken via betere netbenutting, flexibiliteit, prioritering en publiek-private samenwerking.
In 2023 is in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 5.1.7.7) een instructieregel opgenomen waaruit volgt dat de bouw van hyperscale datacenters – met een vermogen van meer dan 70 MW en een ruimtebeslag van meer dan 10 hectare – op dit moment inderdaad feitelijk in slechts twee gemeenten mogelijk is. Dit beleid voorziet in landelijke regie op deze zeer grootschalige faciliteiten vanwege hun impact op leefomgeving, energievoorziening en infrastructuur, en is daarmee niet toe te schrijven aan netcongestie. Er bestaan geen landelijke restricties voor vestiging van datacenters onder de drempelwaardes van hyperscale datacenters uit deze AMvB. Grote datacenters kunnen worden gebouwd zolang zij niet tegelijk aan beide criteria voldoen. De besluitvorming hierover is een bevoegdheid van gemeenten en provincies. Zij bepalen of, en onder welke voorwaarden zij datacenters op hun grondgebied toestaan.
Datacenters die onder de criteria van deze AMvB ontwikkeld mogen worden kunnen evengoed een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van AI-capaciteit en digitale infrastructuur.
Gezien het projectvoorstel «AI Gigafabriek» >100.000 GPU’s en 250–750 MW IT-capaciteit noemt, welke harde randvoorwaarden stelt het kabinet aan netinpassing, flexibiliteit en restwarmte zodat dit niet tot extra congestie leidt?
De precieze grootte van de omvang van een AI-gigafabriek staat niet vast en kan verschillen per projectvoorstel. AI-infrastructuur vormt de fundering onder moderne AI-modellen en -toepassingen. Het kabinet verwelkomt daarom AI-infrastructuur initiatieven en investeringen waar zij positief bijdragen aan een evenwichtige ontwikkeling van het nationale en Europese AI-ecosysteem.
Dit kunnen volledig private AI-infrastructuur projecten zijn.
Met betrekking tot het specifieke publiek-private Europese AI-gigafabrieken initiatief heeft het kabinet nog geen definitieve besluitvorming afgerond of formele keuze gemaakt om mee te financieren aan een AI-gigafabriek binnen de EuroHPC call voor AI-gigafabrieken die nog opengesteld moet worden.23 De precieze randvoorwaarden voor ondersteuning en co-financiering van een AI-gigafabriek worden op dit moment nog uitgewerkt door de Europese Commissie en zullen bij openstelling van de call bekend zijn. Wel is in de amendering van de EuroHPC-verordening al benadrukt dat voor AI-gigafabrieken energie-efficiëntie en duurzaamheid deel zullen uitmaken van de criteria die de Commissie wil meenemen in het selectieproces.
Het bericht dat de Chinese overheid de namen van enkele medewerkers van inlichtingendiensten AIVD en MIVD heeft gepubliceerd |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe escalatie in Nexperia-vete: China publiceert namen Nederlandse spionnen» van 9 december jl. in de Volkskrant?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er namen van AIVD- en MIVD-medewerkers bekend zijn gemaakt op een Chinese nieuwswebsite in Hongarije?
De conclusies die in het Volkskrant artikel getrokken worden over een verband met het Nexperia-dossier zijn voor rekening van de betreffende journalist. In algemene zin doen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gezien de aard van hun werk in het openbaar nooit uitspraken over personen die al dan niet bij de diensten werken of over internationale samenwerkingen die de diensten al dan niet zouden hebben. Om die reden kan het kabinet ook niet speculeren over hypothetische maatregelen en reacties die het kabinet al dan niet heeft genomen of zal nemen.
Onderschrijft u het feit dat deze actie vanuit China het gevolg is van uw handelen op het Nexperia-dossier?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u het feit dat het opschorten van de maatregelen jegens Nexperia als «blijk van goede wil» tegenover China dus mogelijk niet genoeg is geweest om de situatie te de-escaleren?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u, diplomatiek of anderszins, gereageerd op deze Chinese provocatie?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u al zicht op een reis naar China om de diplomatieke banden te herstellen? Zo ja, wanneer gaat deze reis plaatsvinden en wat zal uw inzet zijn? Zo niet, waarom niet?
Op dit moment zijn er doorlopend en op verschillende niveaus gesprekken, met China over Nexperia.
Zoals toegezegd in het debat van 4 december zal ik de Kamer op de hoogte houden over een bezoek aan China.
Hoe wapent u zich tegen mogelijke verdere vijandige acties vanuit China?
Zoals eerder aangegeven kan de inhoud van de berichtgeving bevestigd noch ontkend worden.
Als het kabinet de vragen kan beschouwen in de bredere zin van dreigingen van statelijke actoren, kan het kabinet het volgende antwoorden.
Veiligheid behoort tot de kerntaken van de overheid. Het is daarom van groot belang dat het kabinet structureel en zorgvuldig reflecteert op de weerbaarheid en veiligheid van Nederland, zeker in de huidige geopolitieke context. Diverse statelijke actoren bedreigen de Nederlandse veiligheidsbelangen via een breed palet aan methodes. In het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren en de jaarverslagen van de AIVD en de MIVD komt dit ook duidelijk naar voren.
Het is cruciaal dat Nederland, in nauwe samenwerking met EU-partners, bondgenoten en gelijkgezinde landen, in staat is om vijandige acties, hybride en statelijke dreigingen nu en in de toekomst het hoofd te bieden. Hiervoor moeten we beschikken over een effectief en samenhangend instrumentarium om dreigingen te voorkomen, te mitigeren en hierop te reageren. De Rijksbrede Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden legt hiervoor de basis. De strategie is een integraal beleidskader om Nederland en het hele Koninkrijk te beschermen tegen een breed scala aan dreigingen, door de weerbaarheid te versterken, verschillende vormen van dreiging te adresseren en samenwerking tussen publieke en private partijen te versterken.
Ook de Rijksbrede aanpak statelijke dreigingen vormt een belangrijk onderdeel van ons instrumentarium. Onder coördinatie van de NCTV wordt de inzet van overheidspartijen, het bedrijfsleven en kennisinstellingen verbonden en wordt ingezet op het versterken van het vermogen om dreigingen te detecteren, het voorkomen van kwetsbaarheden en het waar nodig voorzien in een reactie, in nationaal en internationaal verband.
De dreiging verandert continu. Daarom hecht het kabinet eraan te blijven bezien of de aanpak voldoende aansluit op de veranderende dreiging. De aanpak wordt daarom momenteel doorontwikkeld.2 Uw Kamer wordt op een later moment dit jaar geïnformeerd over deze doorontwikkeling. Indien daar aanleiding toe is, zullen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten uw Kamer via de geëigende kanalen informeren.
Wat doet u om hybride dreigingen zoals deze tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u het idee dat het kabinet voldoende is geëquipeerd om te reageren op dit soort dreigingen waarbij diplomatieke, economische en militaire acties in elkaar overlopen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo niet, wat is er aanvullend nodig?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat APG meer dan 1000 banen schrapt voornamelijk in Heerlen. |
|
Maes van Lanschot (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Massaontslag APG harde klap voor personeel en regio» van L1 Nieuws d.d. 10 december 2025?1
Ja
Welke gevolgen, gezien het bredere patroon van grote ontslagen in Zuid-Limburg zoals eerder bij Nedcar en op Chemelot, ziet u voor de werkgelegenheid en economie in Zuid-Limburg?
In algemene zin is mijn verwachting dat de gevolgen voor de werkgelegenheid en economie beperkt blijven, hoewel het natuurlijk ingrijpend blijft voor mensen die het treft. Limburg heeft nu, maar zeker ook in de toekomst te maken met krapte op de arbeidsmarkt.
Bij het eerdere massaontslag bij VDL Nedcar had 90% van de 4000 ontslagen werknemers binnen een jaar een nieuwe baan.2 Een deel van de mensen die nog geen baan had gevonden zat in opleidingstrajecten om arbeidsmarktrelevante vaardigheden op te doen.
Het is nog onduidelijk wat het profiel is van mensen die hun baan bij APG gaan verliezen, maar gezien de krapte op de arbeidsmarkt, verwacht ik dat ook voor hen goede kansen op ander werk zijn.
Kunt u een inschatting geven in welke mate dergelijke ontslagen druk op de arbeidsmarktregioinfrastructuur in Zuid-Limburg opleveren? Kunt u daarbij ook ingaan op de druk op de arbeidsmarktregioinfrastructuur in Zuid-Limburg in vergelijking tot andere arbeidsmarktregio’s?
De inschatting is dat het massaontslag bij APG geen grote aanvullende druk zal opleveren op het Werkcentrum omdat:
De druk op de op de arbeidsmarktinfrastructuur is vergelijkbaar met andere regio’s. Ook in andere regio’s zijn massaontslagen, bijvoorbeeld de sluiting van Bandenfabriek Vredestein in Enschede en de reorganisatie bij Tata Steel in IJmuiden.
Is er naar uw oordeel de arbeidsmarktregio Zuid-Limburg voldoende uitgerust om te ondersteunen van werk naar werk? En welke extra druk brengen de eerdergenoemde grootschalige ontslagen daarbij mee?
Ja. De eerder genoemde grootschalige ontslagen bij VDL Nedcar hebben aanvankelijk extra druk met zich meegebracht. Door de krappe arbeidsmarkt en de periode waarover de reorganisaties plaatsvonden was en is deze druk goed op te vangen. Inmiddels hebben de meeste mensen al ander werk gevonden.
Kunt u aangeven welke impact het verdwijnen van dit soort banen op de sociaaleconomische ontwikkeling? En daarbij ook ingaan op het mogelijke «braindrain» effect?
APG neemt deze maatregel om zich aan te passen aan nieuwe economische omstandigheden. Wanneer in goed overleg met de getroffen werknemers sterk ingezet wordt op om- en bijscholing kan dit juist positieve effecten hebben voor de regio. Dat neemt niet weg dat op persoonlijk vlak het verliezen van je baan een grote impact heeft.
Een mogelijk braindraineffect is op dit moment niet in te schatten en hangt af van factoren die nu nog niet bekend zijn: welke banen verdwijnen, welke mensen verliezen hun baan (wel of niet inwoners van Zuid Limburg) en in hoeverre de mensen die het betreft wel of niet naar ander werk binnen of net buiten de regio begeleid kunnen worden. De regio wil talent voor de regio behouden en zal zich daarvoor inspannen.
Welke bredere economische kansen ziet het kabinet in Zuid-Limburg om deze ontwikkelingen te keren?
Regio Zuid Limburg zet in op een grensoverstijgende circulaire en innovatie (kennis)economie. In het kader van o.a. Regio Deals en het Nationaal Programma Vitale Regio’s werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor bij het benutten van grensoverstijgend economisch potentieel in chemie, life sciences & health, medtech en smart services/AI, bij de verdere ontwikkeling van de campussen in Maastricht, Geleen en Heerlen, bij de Einstein telescoop, bij de verduurzaming van Chemelot en bij de Limburg Defensie Agenda.
Bent u bereid een monitor te maken van de ontwikkeling van de sociaaleconomische status in Zuid-Limburg over de afgelopen 20 jaar?
Een nieuwe monitor maken heeft geen toegevoegde waarde omdat er al veel platformen en kennisbronnen zijn, mede in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio’s (NPVR). Zoals het Nationaal netwerk brede welvaart, de regionale leer- en kennisinfrastructuren (PLEK), en kennisbronnen zoals Zicht op wijken, Wijkwijzer, Leefbarometer, de Regionale monitor brede welvaart van het CBS en Regio in Beeld van UWV.
Bent u van mening dat het verdwijnen van overheidswerkgelegenheid in Limburg meer aandacht verdient? Indien ja, hoe gaat u dat concreet vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Het verdwijnen van overheidswerkgelegenheid uit regio’s, met name buiten de Randstad, heeft onze volle aandacht. Voor de spreiding van rijkswerkgelegenheid is in 2024 een kabinetsbrede aanpak vastgesteld en besproken met uw Kamer. De kabinetsinzet is erop gericht dat inwoners in heel Nederland bij de Rijksoverheid vertegenwoordigd zijn. Dat kan onder meer door overheidsdienstverlening verspreid over Nederland te organiseren en door medewerkers de mogelijkheid te bieden deels vanuit huis of een rijksontmoetingsplein in de regio te werken.
Over de acties die de afgelopen periode zijn ingezet, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Kamer op 19 september 2025 geïnformeerd.3 In de Kamerbrief wordt gemeld dat de rijkswerkgelegenheid in de provincie Limburg in 2024 met 2,6% is gegroeid. Op meerdere plekken in het land wordt gewerkt aan casussen om te komen tot een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid. Daar zit ook een casus in Heerlen bij, met een forse investering in rijksvastgoed voor huisvesting van de Belastingdienst, het CIBG en het nieuwe Instituut Mijnbouwschade Limburg. Het Ministerie van BZK is tevens in gesprek met regionale bestuurders zoals de burgemeesters van Heerlen en Roermond over de kansen voor meer rijkswerkgelegenheid in Limburg.
Kunt u deze vragen één voor één en afzonderlijk beantwoorden?
Conform uw verzoek zijn bovenstaande vragen één voor één en afzonderlijk beantwoord.
Het bericht 'Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten' |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Aukje de Vries (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Het Financieele Dagblad van 12 november 2025, getiteld «Servische regering treitert buitenlandse supermarkten, Ahold Delhaize gaat winkels sluiten»?1
Ja.
Klopt het dat Ahold Delhaize in Servië vanwege aanzienlijke financiële verliezen 25 winkels heeft moeten sluiten en dat honderden werknemers hun baan verliezen als direct gevolg van het prijsplafond dat de Servische regering heeft ingevoerd? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Volgens Ahold Delhaize heeft het door de Servische regering ingestelde prijsplafond aanzienlijke gevolgen gehad voor de activiteiten van Delhaize Servië, waaronder de sluiting van een aantal winkels. Nederland volgt de situatie met zorg en heeft het belang van een voorspelbaar investerings- en ondernemingsklimaat op verschillende niveaus bij Servië onder de aandacht gebracht. Servië voerde deze maatregel in, vanwege hoge inflatiecijfers. Deze zijn echter weer gedaald.
Zo heb ik persoonlijk bij de Servische Ministers van Handel en van Financiën mijn zorgen geuit over de impact van het retail margin cap-decreet op het zaken- en investeringsklimaat in Servië en de gevolgen voor Ahold Delhaize in Servië.
Deelt u de mening dat de Servische regering met deze maatregel ingrijpt in de vrije interne markt?
Het kabinet acht de maatregel marktverstorend en is van mening dat deze op gespannen voet staat met de economische criteria bij EU-toetreding, zoals ook benoemd in de recente kabinetsappreciatie van het jaarlijkse uitbreidingspakket (Kamerstuk 23 987, nr. 398). Nederland weegt dit daarom zeker mee bij het EU-toetredingsproces van Servië. Servië maakt geen onderdeel uit van de interne markt van de EU.
Bent u bereid de Servische regering op te roepen deze maatregel zo spoedig mogelijk in te trekken, omdat deze in strijd is met de Stabilisatie- en associatieovereenkomst met Servië en de nodige vragen oproept over het Servische EU-kandidaat-lidmaatschap?
Ik heb er bij mijn Servische collega’s voor gepleit de maatregelen zo snel mogelijk in te trekken en geen andere maatregel in te voeren met vergelijkbare gevolgen en impact op het zaken- en investeringsklimaat in Servië.
Bent u bereid de Servische ambassadeur te ontbieden om uitleg te vragen over deze maatregel, die verliezen voor supermarkten veroorzaakt en banen op het spel zet?
Nederland heeft de Servische autoriteiten op verschillende niveaus aangesproken om uitleg te vragen over deze maatregelen en de Servische autoriteiten aan te sporen deze zo spoedig mogelijk op te heffen.
Deelt u de kritiek op Servië, zoals verwoord in het recente toetredingsrapport van de Europese Commissie, dat maatregelen als een prijsplafond de markt verstoren en buitenlandse investeringen ontmoedigen?
Ja, het kabinet deelt de zienswijze dat de maatregelen marktverstorend zijn en een negatieve impact kunnen hebben op het ondernemings- en investeringsklimaat in Servië, en daarmee buitenlandse investeringen ontmoedigen.
Welke acties ondernemen het kabinet en de Europese Commissie om ervoor te zorgen dat marktverstorende maatregelen door de regering-Vucic zo snel mogelijk worden beëindigd?
Het kabinet heeft de Servische autoriteiten hier op verschillende niveaus op aangesproken. Ook heeft het kabinet de Europese Commissie opgeroepen om haar contacten met Servië aan te wenden om de kwestie ter discussie te stellen. Zowel het kabinet als de Europese Commissie zijn in contact met de Servische autoriteiten over de negatieve gevolgen van het maatregelenpakket.
Het artikel 'Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?' |
|
Maes van Lanschot (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Tieman , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op. Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?» van Follow the Money?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de in het artikel genoemde casus en daarbij ook ingaan op gevolgen voor de jachtbouwers wiens bedrijfsgevoelige gegevens bij de desbetreffende keuringsinstantie bekend waren?
DCI heeft begin dit jaar de Raad van Accreditatie verzocht om de accreditatie voor het keuren van pleziervaartuigen en scheepsuitrustingen in te trekken. Per 1 september 2025 is deze accreditatie ingetrokken en is DCI geen erkende instelling (Notified Body – NoBo) meer. DCI heeft echter ten tijde van het laten intrekken van de accreditatie niet de technische dossiers overgedragen aan een andere NoBo of aan de markttoezichthouder, zoals voorgeschreven in de wet. Dit resulteerde in de situatie dat DCI, zonder te beschikken over de juiste accreditatie, nog in het bezit was van de technische dossiers. Het ministerie heeft geen berichten ontvangen dat deze situatie tot nadelige gevolgen voor jachtbouwers heeft geleid. Het ministerie en de markttoezichthouder (ILT) achtten het onwenselijk dat technische dossiers in het bezit waren van een organisatie waarvan de accreditatie – op eigen verzoek – was ingetrokken. De markttoezichthouder is dan ook een procedure gestart om de overdracht van de technische dossiers mogelijk te maken. Op 8 december jl. heeft de markttoezichthouder alle fysieke en digitale technische dossiers overgedragen gekregen. De dossiers met betrekking tot pleziervaartuigen zijn overgedragen aan een andere Nederlandse NoBo. De dossiers met betrekking tot scheepsuitrustingen zijn momenteel in het bezit van de markttoezichthouder. Deze dossiers staan ter beschikking van de betreffende eigenaren c.q. fabrikanten van deze dossiers. De fabrikanten zullen een nieuwe NoBo moeten vinden die beschikt over de juiste erkenning voor wat betreft scheepsuitrustingen. Binnen de EU zijn voldoende instellingen aanwezig die deze taak over kunnen nemen.
Kunt u aangegeven hoeveel private keuringsinstituten, ook wel notified bodies, geprivatiseerde controleurs of aangemelde instanties, zijn er in Nederland?
Nederland kent op dit moment één NoBo voor de richtlijn pleziervaartuigen. Voor de richtlijn scheepsuitrustingen kent Nederland op dit moment vier NoBo’s, maar geen van deze instellingen beschikt over de accreditatie scope «reddingsmiddelen», waar het in dit geval om gaat.
Kunt u aangegeven hoeveel hiervan in buitenlandse handen zijn, uitgesplitst in Europese Unie (EU), niet-EU en Chinees?
De in antwoord 3 genoemde NoBo’s zijn in Nederlandse handen.
Erkent u dat er risico’s zijn ten aanzien van onder andere kennislekkage bij verkoop van private keuringsinstanties aan buitenlandse actoren?
In antwoord op vragen d.d. 25 november 2020 over het bericht «Keuringsinstantie DCI Joure (NKIP) in Chinese handen» heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Justitie en Veiligheid, aangegeven dat het kabinet in de overname van dit instituut dat toeziet op de kwaliteit van plezierjachten geen risico’s ziet voor de nationale veiligheid. Dit antwoord is nog steeds van toepassing op deze overname.
Welke mate van toetsing of screening vooraf geldt er op dit moment bij de verkoop van private keuringsinstituten aan buitenlandse actoren?
Investeringstoetsing wetgeving is in Nederland ingevoerd om risico's voor de nationale veiligheid te beheersen. Private keuringsinstituten vallen buiten het toepassingsbereik van de nationale investeringstoetsing wetgeving.
Welke inzet pleegt u in Europees verband om de overname van private keuringsinstituten door buitenlandse bedrijven aan banden te leggen?
Het wordt niet opportuun geacht om in Europees verband een verbod te bedingen op buitenlandse overname van NoBo’s. Voor wat betreft scheepsuitrusting is deze casus voorgelegd aan de Europese Commissie, de lidstaten en de branche organisaties. Hierbij is afgesproken dat de komende revisie van de Richtlijn Scheepsuitrusting in 2026 extra aandacht zal besteden aan het handelingsperspectief van lidstaten voor die gevallen waarbij keuringsinstanties regels niet nakomen.
De overname van Solvinity door Kyndryl |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitsluiten dat buitenlandse mogendheden met de overname van Solvinity door Kyndryl toegang krijgen tot vertrouwelijke en gevoelige informatie van Nederlandse staatsburgers, constaterende dat DigiD en MijnOverheid beheerd worden door de servers van Solvinity en overwegende dat de Verenigde Staten via de ClOUD Act, data bij Amerikaanse bedrijven kan vorderen, ook als deze in het buitenland zijn opgeslagen? Zo ja, kunt u uitleggen hoe u tot dit antwoord gekomen bent? Zo nee, ziet u dit als een probleem?
Onder meer de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) en Executive Order 12333 maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming met moedermaatschappij in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
Momenteel worden gesprekken gevoerd met Solvinity en Kyndryl over het treffen van maatregelen die er, mede, op zijn gericht om het risico op toegang door een buitenlandse autoriteit tot de gegevens die Solvinity verwerkt ten behoeve van de Nederlandse overheid zoveel mogelijk te mitigeren. Over de resultaten van deze gesprekken verwacht ik te kunnen berichten nadat deze gesprekken zijn afgerond. Op dit moment valt nog niet in te schatten wanneer dat zal zijn.
Had u deze overname aan kunnen zien komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft u er niet tijdig voor gezorgd om gevoelige overheidsprojecten onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
In maart 2025 heeft Solvinity onder embargo de directeur van Logius medegedeeld dat de eigenaar van Solvinity op zoek was naar een overnamekandidaat. Hierbij is de naam van de overnamekandidaat niet door Solvinity gedeeld. Op verzoek van de directeur Logius is dit embargo deels opgeheven, zodat hij dit bericht met een beperkt aantal personen van het kerndepartement van het Ministerie van BZK kon delen in mei 2025. Het Ministerie van BZK heeft de naam van de overnamekandidaat vernomen op de dag van de bekendmaking van de overname in de media (5 november jl.).
Voor een aantal organisaties geldt dat het verplaatsen van de huidige diensten naar een andere provider op korte termijn niet haalbaar is vanwege de complexiteit en afhankelijkheid van de huidige infrastructuur.
Bent u alsnog in staat om op korte termijn gevoelige overheidsprojecten die thans in beheer zijn van Solvinity onder te brengen bij een ander Nederlands bedrijf?
Met Solvinity worden gesprekken gevoerd over verschillende maatregelen om de veiligheid van gegevens en applicaties te bewerkstelligen.
Het op korte termijn onderbrengen van gevoelige overheidsprojecten bij andere partijen vraagt het doorlopen van aanzienlijke procedures, juridisch, technisch en financieel.
Hebben u of uw ambtenaren op enige wijze betrokkenheid gehad in de onderhandelingen omtrent de overname, aangezien het Ministerie van Economische Zaken een grote opdrachtgever van Solvinity is?
Nee. Daarnaast heeft het Ministerie van EZ geen contracten met Solvinity en/of Kyndryl.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, hierbij zijn uw vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig beantwoord.
De situatie omtrent de ingreep bij Nexperia |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de betrokkenheid binnen het kabinet bij het besluit om de Wet beschikbaarheid goederen in te zetten bij Nexperia (wie is wanneer geïnformeerd, welke besluitvorming heeft waar plaatsgevonden)?
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl.1 met uw Kamer gedeeld. Daarin staat vermeld dat er voorafgaande aan het bevel contact is geweest met de Minister-President, de vicepremiers, de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp.
Kunt u een overzicht geven van de vraag welke landen en Europese instellingen wanneer betrokken zijn geweest bij dit dossier en op welke wijze?
Vanwege de gevoeligheid van de casus is er aanvankelijk voor gekozen om de kring van betrokkenen zo klein mogelijk te houden. Dit is gebruikelijk in dit soort gevallen. Er was namelijk sprake van acute dreigingen en hoe breder de cirkel van vooraf geïnformeerden, hoe groter de kans dat de risico’s zich daadwerkelijk zouden manifesteren.
Er is zeer vroegtijdig contact geweest met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, omdat zich daar belangrijke productielocaties van Nexperia bevinden. Contact met deze landen zag daardoor o.a. op het realiseren van adequaat toezicht in deze landen op naleving van mijn bevel. De Europese Commissie is spoedig daarna geïnformeerd. Het was aanvankelijk niet de bedoeling de kwestie veel breder te trekken, of om nadrukkelijk de publiciteit te zoeken gezien de bedrijfsgevoelige aard van deze zaak. Echter, de wereldwijde gevolgen van de exportcontrolemaatregelen en het besluit van Wingtech om de kwestie wereldkundig te maken, leidden ertoe dat de casus in de openbaarheid kwam.
Een volledig overzicht van de tijdlijn, inclusief wie op welk moment is geïnformeerd, is op 2 december jl. met uw Kamer gedeeld.
Kunt u uiteenzetten welke objectieve criteria en signaleringsindicatoren u heeft gehanteerd om te bepalen dat sprake was van omstandigheden «ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties», zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wet beschikbaarheid goederen?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen.
Kon u vooraf bevestigen dat de juridische handhaafbaarheid van het bevel onzeker was en aanvullende rechterlijke inmenging nodig zou zijn om naleving te garanderen, en waarom is desondanks voor dit instrument gekozen?
Het is onjuist dat vooraf bekend was dat aanvullende rechterlijke inmenging vereist was om de naleving van het bevel te garanderen. De Wet beschikbaarheid goederen en het uitgevaardigde bevel kan in vergaande mate de beschikbaarheid van productiemiddelen veiligstellen, ook als deze buiten de EU gelegen zijn. De effectiviteit van het bevel werkt via de zeggenschap die het hoofdkantoor (Nexperia Holding B.V.) heeft over de dochtermaatschappijen en vestigingen van Nexperia in binnen- en buitenland. Medewerking van het bestuur van Nexperia is daarbij van groot belang. De onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer maakten die medewerking waarschijnlijker, omdat de CEO, wiens handelen de dreiging vormde voor de leveringszekerheid, mogelijk zou worden geschorst. Dat zou ondersteunend zijn aan de werking van het bevel. Ook vanuit die gedachte heeft de Staat zich als belanghebbende in de enquêteprocedure gemeld en de verzoeken van de bestuurders ondersteund. Dit heb ik ook in het debat in de Kamer op 4 december jl. zo uiteengezet.
Welke andere instrumenten of interventies zijn overwogen om de risico’s bij Nexperia te beperken, en op welke gronden zijn deze niet ingezet?
Vanzelfsprekend zijn er verschillende mogelijkheden onderzocht en gewogen op onder andere geschiktheid, inzetbaarheid en effectiviteit. Doel was een geschikte maatregel te kunnen nemen die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO voor de beschikbaarheid in Nederland en Europa van de productie- en R&D faciliteiten, de know-how en de intellectuele eigendomsrechten van de onderneming (de productiemiddelen) konden mitigeren op een manier die bedrijfsprocessen zo min mogelijk zou verstoren. Van de onderzochte maatregelen is de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen de enige geschikte en proportionele maatregel.
Welke beoordeling heeft u vooraf gemaakt van het risico dat China het bevel op grond van de Wet beschikbaarheid goederen zou aanmerken als de facto nationalisatie van een Chinees bedrijf en als aanleiding zou zien voor exportmaatregelen?
De gevoeligheid van het bevel in de relatie met China is van tevoren onderkend. Daarom zijn de Chinese autoriteiten zo spoedig mogelijk geïnformeerd over mijn bevel, waarin benadrukt werd dat de maatregel gebaseerd was op het nemen van een geschikte maatregel die de risico's verbonden aan het optreden van de CEO mitigeert en niet tegen is China gericht.
Welke onderbouwing hanteert u voor de proportionaliteit van het Wet beschikbaarheid goederen bevel, gezien de diplomatieke en economische gevolgen, waaronder verstoringen in de levering van halfgeleiders?
Het Ministerie van Economische Zaken ontving zeer concrete aanwijzingen van handelingen van de CEO, daarin gesteund door de aandeelhouder, die een direct risico vormden voor de productie, kennis en intellectueel eigendom in Europa. Het betreft hier het verplaatsen van productie en geld naar een buitenlandse partij buiten de Nexperia groep. Door de ernst van deze concrete aanwijzingen ontstond een direct risico voor de Europese productiecapaciteit en de beschikbaarheid van cruciale chips, waardoor het noodzakelijk was om in te grijpen. Dit was een weloverwogen en onderbouwd besluit waarbij voorafgaand uiteraard verschillende mogelijke scenario’s zijn doorgenomen evenals de kans dat deze zich voor zouden doen.
Waarom is het Wet beschikbaarheid goederen bevel nog zo lang gehandhaafd, nadat de Ondernemingskamer had ingegrepen, de CEO was geschorst en de continuïteit van de onderneming was geborgd?
Bij een enquêteprocedure en de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en – na onderzoek – eindmaatregelen die gelast kunnen worden, staat het belang van de onderneming voorop. De door de Ondernemingskamer in de eerste fase te beantwoorden hoofdvraag is of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij de onderneming. Ook de tijdelijke onmiddellijke voorzieningen en de eindmaatregelen worden vanuit het ondernemingsbelang ingegeven. Het bevel krachtens de Wet beschikbaarheid goederen beoogt daarentegen iets anders: het veiligstellen van de productiemiddelen van de onderneming voor de productie van chips in en voor Nederland en Europa. Daarmee ziet het bevel op een publiek belang. Dat is iets anders dan het belang van de onderneming. Het belang van de onderneming en het publieke belangen hoeven niet samen te vallen. Daarom houdt het kabinet het bevel achter de hand, zodat het uiteindelijke doel, namelijk het behouden van zeer strategische capaciteit op legacy chips, ook op de lange termijn verwezenlijkt kan worden.
Welke toetsings- en afwegingskaders worden structureel toegepast om te bepalen of en wanneer de Wet beschikbaarheid goederen ook moet worden overwogen bij andere ondernemingen in Nederland die van strategisch belang zijn voor de economische veiligheid?
Hoe zorgt u ervoor dat er geen precedent is ontstaan voor de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen, maar dat de toepassing van deze wet voorspelbaar, zorgvuldig en uitzonderlijk blijft, zodat de bijdrage van buitenlandse investeringen aan innovatie en strategisch vermogen in Nederland niet wordt ontmoedigd?
Welke criteria hanteert u om te beoordelen of herinzet van het bevel noodzakelijk is bij eventuele nieuwe risico’s of gedragingen?
Het bevel wordt echt alleen ingezet wanneer andere juridische middelen onvoldoende zijn om de Nederlandse en Europese belangen te waarborgen, zoals bijvoorbeeld de leveringszekerheid van cruciale chips. Als die leveringszekerheid opnieuw in het geding komt, dan zal het kabinet opnieuw beoordelen of de inzet van dit instrument of van andere instrumenten noodzakelijk en/of proportioneel zijn.
Kunt u toelichten in welke mate Europese partners voorafgaand aan uw besluit formeel zijn betrokken bij de risico-analyse, de weging van mogelijke maatregelen en de uiteindelijke besluitvorming over het bevel?
Bij dit soort besluiten is het wenselijk en gebruikelijk om de kring van geïnformeerden zo klein mogelijk te houden. Het eventueel naar buiten komen van het voornemen tot dit besluit kon grote nadelige gevolgen hebben.
Het is dan ook niet gebruikelijk dat landen in dergelijke tijdsgevoelige en bedrijfsvertrouwelijke gevallen elkaar van tevoren op de hoogte stellen en elkaar meenemen in analyses en afwegingen.
Wel zijn direct na het uitvaardigen van het bevel onze meest betrokken partners op de hoogte gesteld, nog ruim voordat dit in de openbaarheid kwam. De Europese Commissie is ook spoedig geïnformeerd. Het had, ook na het nemen van het bevel, nadrukkelijk niet de voorkeur van het kabinet dat deze casus in de openbaarheid zou komen; mede om dat te voorkomen is de kring zo klein mogelijk gehouden.
Hoe is de structurele coördinatie van diplomatieke acties en strategische communicatie met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie richting China ingericht gedurende en na de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen?
Op 2 december jl. is een tijdlijn gedeeld met uw Kamer. Hierin is opgenomen welke informatie beschikbaar was op het moment dat bepaalde keuzes werden gemaakt, wie daarbij betrokken was en hoe er is afgestemd met buitenlandse partners.
Welke afspraken zijn inmiddels gemaakt binnen de EU om te voorkomen dat nationale maatregelen ter bevordering van Europese strategische autonomie in de toekomst opnieuw kunnen leiden tot acute risico’s voor de leveringszekerheid van cruciale technologieën?
Zoals aangeven in de brief aan uw Kamer op 19 november jl.2 was mijn ingrijpen erop gericht verplaatsing ten aanzien van de productiemiddelen van de Nexperia groep te voorkomen. Op basis van het bevelschrift kunnen beslissingen tegengehouden worden indien deze (potentieel) schadelijk zijn voor de productiecapaciteit, kennispositie of continuïteit van het bedrijf. Wat het bevelschrift niet doet, is het in de weg staan van het reguliere productieproces van Nexperia. Het bevelschrift is zo ontworpen dat de reguliere productie in alle fabrieken wereldwijd en dat alle export door Nexperia gewoon doorgang kan en zelfs moet vinden. Het bevel leidde tot een tegenreactie van China, in de vorm van een exportmaategel, die heeft geleid tot wereldwijde problemen in de toeleveringsketens.
Als het kabinet niet had ingegrepen was de laatste capaciteit, kennis en kunde die er in Europa is voor dit type chips (die van Nexperia) geheel verdwenen. Een deel van deze capaciteit en know-how (in het bijzonder de front end) is nu in Europa aanwezig. Deze wederzijdse afhankelijkheid (front end in Europa en back end in Azië) is cruciaal voor de voorzienings- en leveringszekerheid. Pas als deze wederzijdse afhankelijkheid omslaat in eenzijdige Europese afhankelijkheid, neemt het risico voor de voorzienings- en leveringszekerheid van dit type chips sterk toe. Dat wil het kabinet voorkomen.
Hoe legt u uit dat de inzet van de Wet beschikbaarheid goederen bedoeld is om leveringszekerheid te beschermen, maar op korte termijn heeft geleid tot nieuwe kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders?
Het is duidelijk dat deze situatie de kwetsbaarheden in de waardeketen van halfgeleiders heeft blootgelegd voor het brede publiek. Kwetsbaarheden die bovendien groter waren geworden als ik niet had ingegrepen op basis van de Wbg. Waar het namelijk om gaat is dat Europa de capaciteit moet behouden om dit type chips te kunnen blijven produceren, ook in de toekomst.
Wat zijn de economische gevolgen voor Nederland als gevolg van deze ingreep? Wat zijn de langere-termijngevolgen van dit dossier voor het versterken van de Europese strategische autonomie?
De genomen maatregel is uitzonderlijk en is weloverwogen toegepast. Met het opgelegde bevel is het weglekken van cruciale technologische kennis en verlies van essentiële productiecapaciteit voor Europa een halt toegeroepen. Als deze risico’s zich hadden verwezenlijkt, had dat tot het verlies van productiecapaciteit voor cruciale chips gezorgd en daarmee tot een strategische afhankelijkheid geleid. Dat zou grote negatieve gevolgen voor de economie en daarmee het vestigingsklimaat hebben gehad.
Welke beleidsmatige lessen trekt u uit dit dossier om toekomstige ingrepen effectiever, voorspelbaarder en diplomatiek minder riskant te maken?
Deze casus zal zeker waardevolle lessen bieden die ons helpen toekomstige besluiten verder te verbeteren. Het kabinet acht het van belang dat deze casus, zodra deze in rustiger vaarwater terecht is gekomen, goed geëvalueerd zal worden. Daarbij geldt in algemene zin dat het verhogen van de weerbaarheid van onze economie te allen tijde gepaard zal gaan met kosten, van financieel-economische en/of diplomatieke aard.
Beschikt het ministerie over een structureel beoordelingskader om continu mogelijke risico’s te monitoren op het gebied van (i) cruciale technologie en productiecapaciteit, (ii) strategische afhankelijkheden en (iii) verplaatsing van kennis, intellectueel eigendom of bedrijfsvestigingen uit Nederland of Europa?
Technologieën en mogelijke risicovolle strategische afhankelijkheden ontwikkelen zich in hoog tempo. Ontwikkelingen op technologiegebied worden daarom continu gemonitord. Op basis daarvan wordt bezien of het bestaande instrumentarium moet worden aangepast aan nieuwe omstandigheden, zoals eerder is gebeurd met de AMvB bij de Wet vifo. Zoals aangegeven in de Kamerbrief3 over de voortgang van de kabinetsaanpak op strategische afhankelijkheden, richt het kabinetsbeleid zich op het in kaart brengen van risicovolle strategische afhankelijkheden en het inventariseren van mogelijke mitigatieopties. Een afhankelijkheid is risicovol en strategisch, als het betreffende product, de dienst of de technologie cruciaal is voor het borgen van onze publieke belangen, en als het risico van leveringsonderbrekingen hoog is. Het beoordelingskader strategische afhankelijkheden is 29-05-2024 nader toegelicht in de technische briefing over dit onderwerp.
Welke interdepartementale, internationale en Europese samenwerkingsstructuren worden hierbij gebruikt om dergelijke risico’s tijdig te signaleren en gezamenlijk te adresseren?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief Voortgang Kabinetsaanpak Economische Veiligheid van 1 juli 20254, kent de kabinetsaanpak economische veiligheid verschillende uitgangspunten. Het instrumentarium bevindt zich primair op nationaal niveau, waarbij coördinatie en samenwerking in Europees en internationaal verband de inzet versterkt. Het kabinet streeft daarom bij maatregelen op het gebied van economische veiligheid (en kennisveiligheid) naar samenhang op EU- en internationaal niveau. Dit komt de effectiviteit van maatregelen ten goede en is belangrijk voor een gelijk speelveld. Het beleid is landenneutraal, conform internationale principes, rechtsbeginselen en verplichtingen zoals het non-discriminatiebeginsel.
Naar analogie van het EU-kader vereist het realiseren van de doelstellingen een geïntegreerde aanpak langs drie sporen: protect (beschermen), promote (versterken) en partner (samenwerken), die worden versterkt door actieve ondersteuning van het bedrijfsleven en kennisopbouw op dit thema.
Bent u bereid het genoemde beoordelingskader, inclusief de gehanteerde criteria voor interventie, publiekelijk of ten minste vertrouwelijk met de Kamer te delen, om de voorspelbaarheid en democratische controle op toekomstige afwegingen onder de Wet beschikbaarheid goederen te vergroten?
Zoals aangegeven in de beantwoording Kamervragen over Nexperia van 11 november jl.5 zijn het huidige kabinet en uw Kamer, evenals vele voorgangers, al enkele jaren bezig met het vraagstuk rondom open strategische autonomie, ook wel een weerbare economie genoemd.
Het beleid op dit onderwerp wordt uiteengezet in een aantal Kamerbrieven; Kamerbrief Visie op de toekomst van de Nederlandse industrie, 6 Kamerbrief Open Strategische Autonomie 7 en Voortgang kabinetsaanpak risicovolle strategische afhankelijkheden.8
In deze brieven wordt ook regelmatig verwezen naar welke capaciteiten er belangrijk zijn voor Nederland en Europa, waarbij om bijvoorbeeld bedrijfsvertrouwelijke redenen niet altijd alles openbaar wordt gemaakt. Centraal uitgangspunt van het beleid en de daarin genoemde voorstellen, zijn gericht op het beschermen van productiecapaciteiten, kennisposities of continuïteit van bedrijven. U kunt hierbij denken aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Vifo). Aan de hand van het beleid en ontwikkelde strategieën is er ook nauwer contact met bedrijven en kennisinstellingen die in de voor Nederland belangrijk geachte industrieën opereren. Met uw Kamer is hiermee dus al gedeeld op welke manier het kabinet haar afwegingen maakt ten aanzien van open strategische autonomie.