Het uitstelbericht onderzoek naar aangetroffen documenten bij de Belastingdienst op nationaliteit en postcode |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom het onderzoek naar de aangetroffen documenten op nationaliteit en postcode, dat volgens uw eerdere antwoorden uiterlijk 16 juni 2025 aan de Auditdienst Rijk (ADR) zou worden opgeleverd, nu is uitgesteld tot medio december 2025?
In de antwoorden van mijn ambtsvoorganger waar u aan refereert is opgenomen dat het onderzoek van de Belastingdienst naar RAM-spreadsheets met een selectie op nationaliteit en postcode niet in juni 2025 beschikbaar is, maar na de zomer van 2025. Mijn ambtsvoorganger meldde daarbij als oorzaak dat het onafhankelijk laten bekijken van dit onderzoek door de Auditdienst Rijk daarmee een langere doorlooptijd kent.
Kunt u aangeven welke specifieke belemmeringen zijn opgetreden die het onmogelijk maakten om de oorspronkelijke planning (oplevering juni 2025, beoordeling ADR zomer 2025) na te komen?
Zoals onder antwoord 1 genoemd, is reeds bij de beantwoording van uw vragen van 7 april 2025 aangegeven dat juni 2025 niet haalbaar is. Eerder was juni 2025 toegezegd, omdat op dit moment nog geen sprake was van externe partij die het onderzoek zou bekijken. Met motie Ergin werd verzocht een onafhankelijke partij te betrekken, hetgeen tot een extra stap in dit onderzoek leidde.
Kunt u tevens per processtap, die u eerder beschreef (totstandkoming onderzoekspopulatie, steekproef, geautomatiseerde analyse, handmatige analyse en rapportage) inzichtelijk maken welke stappen inmiddels zijn afgerond, welke nog lopen en welke nog moeten worden gestart?
Alle door u genoemde stappen zijn afgerond. Op dit moment bekijkt de ADR het door de Belastingdienst uitgevoerde onderzoek. De Belastingdienst levert daarvoor extra informatie om daarmee de doorlopen stappen te onderbouwen. Op het moment dat de ADR deze extra informatie heeft beoordeeld, hoor- en wederhoor heeft toegepast en haar rapportage heeft uitgebracht, kan het onderzoek van de Belastingdienst worden afgerond en zal ik dit aan de Kamer aanbieden.
Wanneer zijn deze belemmeringen voor het eerst bekend geworden binnen de Belastingdienst en wanneer is de Kamer daarover geïnformeerd?
Zoals onder antwoord 1 en 2 genoemd, bent u reeds geïnformeerd bij beantwoording van uw Kamervragen op 7 april 2025 dat het onderzoek niet in juni 2025 beschikbaar is, maar na de zomer 2025. Nadien is de Kamer met de brief van 10 juli 20251 geïnformeerd dat mijn ambtsvoorganger verwachtte dat het onderzoek naar RAM-spreadsheets in oktober aan de Kamer wordt aangeboden. Met de Stand van zakenbrief Belastingdienst van 13 november 20252 meldde ik dat ik de Kamer over moties en toezeggingen aangaande RAM voor het einde van het jaar informeer. In de bijlage bij die brief nam ik op dat de Belastingdienst in samenspraak met de ADR heeft vastgesteld dat er meer tijd nodig is en dat ik verwacht de Kamer uiterlijk na het kerstreces van 2025 te kunnen informeren over het onderzoek naar de RAM-spreadsheets.
Kunt u aangeven of de ADR zelf heeft verzocht om uitstel, dan wel dat de ADR heeft meegedeeld dat de ADR het onderzoek nog niet kan beoordelen door vertraging bij de Belastingdienst? Zo ja, kunt u deze correspondentie delen?
Naar aanleiding van motie Ergin is contact opgenomen met de ADR of zij bereid zijn het onderzoek naar RAM-spreadsheets te bekijken. Vanzelfsprekend heeft de ADR daar een tijdsinschatting bij gegeven, wat leidde tot het uitstel tot na de zomer van 2025. De huidige vertraging is gelegen in de onderbouwing van de gezette stappen door de Belastingdienst. Pas als die documentatie volledig is opgeleverd, kan de ADR haar onderzoek afronden.
Ik beschouw uw verzoek om correspondentie te delen over dit uitstel en het contact tussen de Belastingdienst en de ADR hierover, als een vraag om inlichtingen overeenkomstig artikel 68 uit de Grondwet. Hieraan zal ik voldoen en de betreffende correspondentie verzamelen. Ik verwacht die met de brief die ik na het kerstreces 2025 verstuur, met u te kunnen delen.
Hoe wordt in het onderzoek vastgesteld of sprake is geweest van schendingen van grondrechten en kunt u de volledige onderzoeksopzet (toetsingskaders, methodiek en onderliggende beoordelingscriteria) met de Kamer delen?
Deze informatie is onderdeel van de rapportage die de Belastingdienst oplevert. Zoals in mijn onderhavige Kamerbrief is opgenomen, verwacht ik die rapportage na het kerstreces 2025 met de Kamer te kunnen delen.
Kunt u bevestigen dat het onderzoek naar de 14 spreadsheets met selectie op nationaliteit volgens uw eerdere antwoorden zou worden uitgevoerd conform de methodiek van Selectie aan de Poort? Welke onderdelen van deze methodiek kunnen nu – door het uitstel – niet tijdig of niet volledig worden uitgevoerd?
Het onderzoek vindt inderdaad plaats op basis van de methodiek die werd gebruikt om de Wet compensatie wegens selectie aan de poort uit te voeren. Het uitstel van het onderzoek heeft niet geleid tot een andere werkwijze en worden dus volledig uitgevoerd.
Kunt u bevestigen dat de 35 spreadsheets met selectie op postcode inmiddels eveneens onderdeel uitmaken van de juridische toetsing? Wat is de stand van deze juridische analyse en hoe verhoudt die zich tot het aangekondigde uitstel?
Er vindt onderzoek plaats naar de spreadsheets op basis van postcode en nationaliteit. Het aantal RAM-spreadsheets dat is onderzocht is inmiddels naar boven bijgesteld. Die aanpassing licht ik toe bij aanbieding van het onderzoek aan de Kamer. De juridische toetsing is afgerond en heeft geen invloed op het uitstel gehad.
In uw recente brief schrijft u dat er 49 spreadsheets zijn aangetroffen met selecties op nationaliteit en postcode. Kunt u toelichten op welke wijze deze 49 spreadsheets zijn betrokken bij het lopende onderzoek en of de bestaande onderzoeksopzet is aangepast aan deze grotere omvang?
Alle RAM-spreadsheets waarvan is toegezegd dat die onderzocht worden en die in motie Ergin zijn opgenomen, zijn in het onderzoek betrokken. Daarnaast zijn extra RAM-spreadsheets in het onderzoek betrokken. Ik zal dat toelichten op het moment dat ik het onderzoek aanbied aan de Kamer.
Bent u bereid de volledige onderzoeksopzet, inclusief de beoordelingskaders, steekproefmethode en geautomatiseerde analysecodes, integraal met de Kamer te delen, conform mijn eerdere verzoek?
In de rapportage die de Belastingdienst heeft opgesteld wordt de onderzoeksmethodiek en steekproefmethode uitvoerig toegelicht. Daarnaast bekijkt de ADR deze punten in haar onderzoek. U ontvangt deze rapportages na het kerstreces. Indien u na het lezen van deze rapportages vragen houdt over deze punten, ben ik uiteraard bereid tot een nadere toelichting. Als integrale openbaarmaking van documenten daarvoor nodig is, ben ik daartoe bereid.
Kunt u deze vragen separaat van elkaar en voor de procedurevergadering van de vaste commissie voor Financiën op 4 december 2025 beantwoorden?
Aan dit verzoek heb ik voldaan.
Wat is uw reactie op het bericht «Geen hulp voor ex-vuurwerkramprechercheur: Kamerleden ontstemd over besluit Staatssecretaris»1?
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane (hierna: FBD), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) en ik begrijpen dat het een vervelende boodschap is dat er geen mogelijkheid bestaat om tegemoet te komen aan het verzoek om af te zien van belastingheffing, zeker gezien de in het bericht beschreven omstandigheden. Uit het bericht valt op te maken dat sprake is van een transitievergoeding (ook wel: ontslagvergoeding) die in een stamrecht is omgezet. Het lijkt de Staatssecretaris van FBD, ook gezien de context, goed om op deze plaats de fiscale behandeling te schetsen van een ontslagvergoeding die in een zogeheten stamrecht-bv (besloten vennootschap) is gestort. Als iemand een ontslagvergoeding krijgt, is deze op dat moment en voor het volledige bedrag belast. Degene die uitbetaalt, de inhoudingsplichtige, houdt loonbelasting in op de vergoeding, die vervolgens verrekenbaar is met de inkomstenbelasting over het jaar waarin de vergoeding is ontvangen. Tot 1 januari 2014 kon met gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling een ontslagvergoeding in een bv worden gestort zonder belastingheffing op dat moment. De belastingheffing vindt vervolgens plaats op het moment dat er uitkeringen door de stamrecht-bv worden gedaan. Er gelden wel voorwaarden om de belastingheffing te waarborgen. Door van een stamrecht-bv gebruik te maken, kon uitstel en matiging van belastingheffing worden bewerkstelligd. Uitstel tot het moment waarop de uitkeringen worden uitbetaald en matiging doordat niet in een keer een hoog bedrag progressief belast wordt in het jaar van ontvangst, maar de lagere periodieke uitkeringen in de jaren waarin zij ontvangen worden. Op het moment dat dit systeem wordt doorbroken moet echter alsnog worden afgerekend over het stamrecht. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat iemand om welke reden dan ook geld onttrekt aan de stamrecht-bv, bij afkoop van het stamrecht of bij opheffing van de bv voordat alle uitkeringen zijn gedaan. Zo wordt geborgd dat uiteindelijk over de gehele ontslagvergoeding wordt geheven. Er ontstaat dus bij gebruik van een stamrecht-bv geen afstel van belastingheffing.
Kunt u toelichten op welke gronden het verzoek om coulance in de zaak van de heer Paalman is afgewezen?
Is er een intern advies, rapport of toetsingsdocument opgesteld over de redelijkheid en billijkheid van het verzoek? Zo ja, kunt u dit (desnoods vertrouwelijk) met de Kamer delen?
Welke beleidsregels of richtlijnen zijn toegepast bij de beoordeling van dit specifieke verzoek?
In hoeverre is bij de oorspronkelijke regeling rekening gehouden met de status van de heer Paalman als klokkenluider of melder van misstanden binnen het politieonderzoek naar de vuurwerkramp?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Erkent u dat er een groot maatschappelijk belang is dat klokkenluiders beschermd worden en geen negatieve gevolgen ondervinden van het onthullen van een maatschappelijke misstand? Hoe kijkt u met die blik naar de zaak van de heer Paalman?
Net als de Staatssecretaris van FBD en de Minister van BZK erken ik het grote maatschappelijke belang dat gediend is bij de bescherming van klokkenluiders. Klokkenluiders spelen een essentiële rol bij het aan het licht brengen van maatschappelijke misstanden, bijvoorbeeld op het gebied van fraude en corruptie, en zij verdienen daarom bescherming.
Om klokkenluiders beter te beschermen tegen negatieve gevolgen van het doen van een melding geldt in Nederland sinds 2016 regelgeving. Destijds gold de Wet Huis voor klokkenluiders en deze is in 2023 vervangen door de Wet bescherming klokkenluiders, waarmee de positie van klokkenluiders verder is versterkt. Met deze wet is de bewijslast bij benadeling van klokkenluiders verschoven naar de werkgever.
Met betrekking tot de zaak van de heer Paalman past het mij en mijn collega-bewindspersonen, gelet op onze respectievelijke verantwoordelijkheden, niet om te oordelen over dit individuele geval.
Zijn er andere gevallen bekend waarin ambtenaren of medewerkers die misstanden aan de kaak stelden een vergelijkbare afkoopregeling troffen? Wat was in die situaties de handelwijze van het ministerie en/of de politieorganisatie?
De Minister van BZK heeft een coördinerende beleids- en kaderstellende rol als het gaat om de toepassing van de Wet bescherming klokkenluiders. Vanuit die verantwoordelijkheid kunnen vragen met betrekking tot individuele casuïstiek niet beantwoord worden.
Voor een algemeen beeld over meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders bij ministeries attendeer ik u graag op de jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) die door het Ministerie van BZK jaarlijks wordt opgesteld2. In de JBR wordt bijgehouden hoeveel meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming Klokkenluiders worden gedaan. Er zijn in de periode 2020 tot en met 2024 drie meldingen gedaan bij ministeries waarvan is aangetoond dat sprake was van een misstand in de zin van de voornoemde wet.
De politie stelt in veel verschillende situaties vaststellingsovereenkomsten op waarin afkoopsommen kunnen worden vastgelegd. (Oud-)medewerkers van de politie kunnen zich hierbij altijd juridisch laten adviseren. Er wordt niet geregistreerd wat de grondslag is voor een afkoopsom, waardoor een vergelijking niet te maken is.
Heeft destijds enige vorm van onafhankelijke toetsing of juridische begeleiding plaatsgevonden bij de totstandkoming van de regeling, gelet op de machtsverhouding tussen overheid en werknemer?
Politiemedewerkers kunnen zich altijd juridisch laten adviseren bij het treffen van dergelijke regelingen, waarbij een vaststellingsovereenkomst wordt opgesteld. Die ruimte is er. Dat kan bijvoorbeeld via de politievakbond. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Op welke wettelijke basis is de Belastingdienst gerechtigd om (een deel van) de destijds ontvangen afkoopsom terug te vorderen?
Zie het antwoord op vraag 2 t/m 4.
In welke mate is binnen die regeling rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden, zoals financiële draagkracht en gezinssituatie?
De Staatssecretaris van FBD gaat ervan uit dat hier de fiscale regeling is bedoeld waardoor belasting is verschuldigd bij het afrekenen over een stamrecht. Anders dan het bericht suggereert zij vermeld dat de Belastingdienst niets van de afkoopsom/ontslagvergoeding zelf terugvordert. Zoals in het antwoord op vraag 1 is beschreven, vindt belastingheffing plaats over de afkoopsom/ontslagvergoeding plaats op het moment van ontvangst daarvan of, bij inbreng in een stamrecht-bv, op het moment dat de uitkeringen uit het stamrecht vloeien. Net als bij andere fiscale regelgeving geldt dat bij het tot stand brengen ervan alle aspecten worden meegewogen, dus ook de gevolgen voor draagkracht en persoonlijke omstandigheden van de burgers die van de regeling gebruikmaken of erdoor worden geraakt. Zo nodig worden flankerende maatregelen getroffen. Zo is bij de beëindiging van de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 in uitgebreid overgangsrecht voorzien.
In aansluiting op de antwoorden op de vragen 2, 3, 4 en 9 geldt ook voor deze vraag dat de Staatssecretaris van FBD niet in kan gaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Bestaan binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijkheden voor kwijtschelding, aanpassing of opschorting van terugvorderingen in schrijnende of uitzonderlijke situaties zoals deze?
Ja, er bestaan mogelijkheden om een belastingschuld met een betalingsregeling te voldoen of voor kwijtschelding van een belastingschuld. Als mensen hun belastingschuld niet ineens kunnen betalen, kunnen zij een betalingsregeling bij de ontvanger aanvragen van maximaal twaalf maanden. Deze termijn kan worden verlengd als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn. Te denken is aan de situatie dat een belastingschuldige onder het bestaansminimum komt, uit huis gezet dreigt te worden of hoge medische kosten heeft. Als uit het verzoek om de betalingsregeling blijkt dat de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Of iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding, hangt af van iemands persoonlijke situatie. In zijn algemeenheid komt iemand in aanmerking voor kwijtschelding als diegene geen of onvoldoende vermogensbestanddelen heeft om de openstaande belastingschuld te voldoen en geen of onvoldoende betalingscapaciteit om de belastingschuld te voldoen. Ook moet zijn voldaan aan alle andere vereisten. De Staatssecretaris van FBD kan ook in antwoord op deze vraag niet ingaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Onder welke voorwaarden kan in individuele gevallen coulance of maatwerk worden toegepast buiten bestaande standaardregelingen?
Bij het opleggen en invorderen van aanslagen past de Belastingdienst binnen de grenzen van wet- en regelgeving zo veel mogelijk maatwerk toe, en daarbij hoort ook coulance. Waar dat niet kan, heeft de Staatssecretaris van FBD de mogelijkheid om de zogeheten hardheidsclausule toe te passen (art. 63 AWR). De hardheidsclausule kan evenwel alleen worden toegepast als sprake is van een «onbillijkheid van overwegende aard». Daarvan is sprake als het gaat om een gevolg dat de wetgever had voorkomen als hij dat bij het maken van de wet had voorzien. De wet had dan dus anders geluid. De hardheidsclausule wordt in zeer uitzonderlijke gevallen toegepast. Het gaat bij de toepassing van de hardheidsclausule uitdrukkelijk niet om gevallen waarin iemand de belastingheffing persoonlijk als onbillijk ervaart.
Bent u bereid de zaak van de heer Paalman opnieuw te bezien met oog voor redelijkheid, billijkheid en de bijzondere context waarin de regeling destijds tot stand kwam?
Bij verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule of coulance worden altijd alle feiten en omstandigheden meegewogen en dus ook de eventuele bijzondere context. Het opnieuw bezien zal – hoe vervelend ook voor betrokkene – niet kunnen leiden tot een andere toepassing van de fiscale regelgeving.
Het fiscaal belasten van persoonlijk pensioenadvies |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het standpunt van de Kennisgroep loonheffingen van de Belastingdienst dat persoonlijke pensioenadviezen, betaald door de werkgever, als belast loon worden beschouwd?1
Ja.
Hoe verhoudt dit standpunt zich tot de doelstellingen van de Wet toekomst pensioenen, die juist inzet op meer maatwerk en persoonlijke begeleiding bij pensioenkeuzes?
Met de inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) is verplichte keuzebegeleiding geïntroduceerd. Pensioenuitvoerders worden verplicht om werknemers te begeleiden bij het maken van een keuze binnen de pensioenregeling door middel van een (digitale) keuzeomgeving. Pensioenuitvoerders kunnen hierin bijvoorbeeld informatie verstrekken die werknemers enerzijds activeert, maar anderzijds ook keuze-ondersteunend is, met als doel werknemers in staat te stellen passende keuzes te maken.
De verplichte keuzebegeleiding is een open norm, maar het is niet zo dat deze keuzebegeleiding ook een verplichting bevat om persoonlijk individueel advies te geven. Met een persoonlijk individueel advies doel ik dan op advies waar informatie voor nodig is naast de pensioenregeling, zoals persoonlijke informatie over de hypotheek of aangifte inkomstenbelasting.
De nieuwe open norm van keuzebegeleiding zit als het ware tussen informeren en adviseren in. Adviseren gaat net een stapje verder. Er is voor de pensioenuitvoerder op grond van de Pensioenwet geen plicht tot adviseren, maar de Pensioenwet verbiedt dit niet. Een pensioenuitvoerder mag adviseren over keuzes die voortvloeien uit de pensioenregeling zelf of de pensioenregelgeving maar mag geen productgerelateerd advies (zogeheten Wft-advies) geven.
Ook de werkgever heeft geen plicht tot adviseren, maar heeft op basis van goed werkgeverschap een zorgplicht als het gaat om pensioen. De werkgever is op basis van goed werkgeverschap gehouden de werknemer te begeleiden bij de keuzes in de aan hem toegekende pensioenregeling. In de praktijk zal een werkgever vaak niet zelf de keuzebegeleiding aanbieden, maar zal de pensioenuitvoerder deze taak op zich nemen.
Een werkgever kan besluiten de werknemers toch te (laten) adviseren over de verschillende keuzemogelijkheden binnen de pensioenregeling. Anders dan bij keuzebegeleiding kan vervolgens ook de persoonlijke financiële situatie van de werknemer in de advisering worden betrokken. Daartoe bestaat voor de pensioenuitvoerder dus geen verplichting.
Wanneer de werkgever een financieel adviseur in aanvulling op de verplichte keuzebegeleiding vraagt om de werknemer persoonlijk te adviseren is sprake van een persoonlijk pensioenadvies. Dit persoonlijk pensioenadvies levert werknemers een «voordeel» op. De werkgever neemt immers in deze situatie privéuitgaven van de werknemer voor zijn rekening. Fiscaal gezien kwalificeert dit persoonlijke advies als belast loon (in natura), omdat dit voordeel voortvloeit uit de dienstbetrekking. Een werkgever kan er, onder voorwaarden, mogelijk ook voor kiezen om de kosten van dit persoonlijke advies ten laste te brengen van de vrije ruimte (generieke vrijstelling binnen de werkkostenregeling). Daardoor blijft het advies onbelast voor de werknemer.
De kosten die gepaard gaan met keuzebegeleiding zoals verplicht wordt voorgeschreven in de Pensioenwet, vormen geen «voordeel» voor de werknemer. De werknemers besparen zich immers geen privéuitgaven bij enkel voorlichting over de keuzes binnen de pensioenregeling.
Deelt u de mening dat het fiscaal belasten van persoonlijke pensioenadviezen, die werknemers helpen weloverwogen keuzes te maken binnen hun pensioenregeling, een drempel opwerpt voor adequate keuzebegeleiding?
Nee, die mening deel ik niet. Het doel van de verplichte keuzebegeleiding is om werknemers te helpen om weloverwogen keuzes te maken binnen hun pensioenregeling. Met de Wtp is voorzien in die verplichte keuzebegeleiding. Dat is wat anders dan een uitgebreid persoonlijk pensioenadvies.
Kunt u toelichten waarom de Belastingdienst onderscheid maakt tussen «verplichte keuzebegeleiding» (onbelast) en «persoonlijk pensioenadvies» (belast), terwijl de grens tussen informeren en adviseren in de Pensioenwet bewust open is gelaten?
Kennisgroepen van de Belastingdienst beantwoorden rechtsvragen. De Belastingdienst baseert zich daarbij op het geldende wettelijke fiscale kader. Het verstrekken van keuzebegeleiding en persoonlijk pensioenadvies is door de Belastingdienst beoordeeld in relatie tot het loonbegrip (wanneer is er sprake van belast loon). In oktober 2023 is hierover een standpunt van de Kennisgroep loonheffing algemeen gepubliceerd.2 In het nu gepubliceerde standpunt wordt nader ingegaan op de vraag of de voorgelegde variant van een pensioen APK-gesprek valt te kwalificeren als een (belast) persoonlijk pensioenadvies. Dat is het geval, zo volgt uit het standpunt, als een dergelijk gesprek keuzebegeleiding overstijgt. Overigens is de precieze vertaling van een standpunt naar de praktijk ter beoordeling aan de inspecteur en afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Alleen een standpunt maakt dus niet of iets wel of niet belast is. Daarvoor is ook een weging van de feiten en omstandigheden nodig in het concrete geval.
Op welke wijze is dit standpunt van de Belastingdienst afgestemd met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Wet toekomst pensioenen?
De kennisgroepen van de Belastingdienst publiceren met enige regelmaat standpunten. Het is ter afweging aan de Belastingdienst een standpunt breder af te stemmen. Bijvoorbeeld als er ergens (beleidsmatige) onduidelijkheid over is. In dit geval is het standpunt niet afgestemd met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het gaat bij dit standpunt om een vervolg op het eerdere standpunt uit 2023. Daarnaast is de strekking van dit standpunt van de Belastingdienst eerder bij de parlementaire behandeling van de Wijziging van de Pensioenwet in verband met de verlenging van de transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel aan de orde geweest.3 Tijdens het plenaire debat op 23 april 2025 is hierbij het volgende aangegeven: «Als een werkgever in aanvulling op de keuzebegeleiding van de uitvoerder de kosten van een persoonlijk financieel pensioenadvies voor zijn rekening neemt, vormt dat een voordeel voor de werknemer. (...) Omdat de werknemer hier een voordeel aan ontleent, zijn de kosten voor het pensioenadvies belast met loonbelasting. Dat volgt uit het loonbegrip dat is vastgelegd in de fiscale wetgeving. Financieel advies vanuit de werkgever valt daarmee onder loon. Hier is geen ruimte voor een andere interpretatie. Vrijstellen van het financieel advies voor de heffing van loonbelasting vraagt om een wetswijziging. Omdat met die wijziging het fiscale kader wordt verruimd, heeft het ook nog weer budgettaire consequenties die berekend moeten worden. Een eerste inschatting is dat het mogelijk miljoenen tot tientallen miljoenen euro's betreft. Die budgettaire effecten zijn inkomstenkaderrelevant. Dat betekent dat ze gedekt moeten worden. Verder zou dit een nieuwe fiscale regeling inhouden, wat in het kader van transparantie en vereenvoudiging niet wenselijk is.»
Acht u het wenselijk dat werkgevers, die werknemers juist willen helpen om beter financieel inzicht te krijgen, hierdoor extra loonheffingen moeten afdragen?
In antwoorden op voorgaande vragen is reeds naar voren gekomen dat adequate keuzebegeleiding binnen de pensioenregeling niet tot het belaste loon hoort. Het verstrekken van een daarop aanvullend financieel advies door een werkgever aan een werknemer kan bijdragen aan een beter financieel inzicht. Daar sta ik positief tegenover. Dat neemt niet weg dat een dergelijke verstrekking tot het belaste loon behoort, omdat dergelijke adviezen privékosten vormen. Ik zie geen aanleiding dat te veranderen.
Bent u bereid te onderzoeken of persoonlijke adviezen, mits gericht op het totale arbeidsvoorwaardenpakket van de werkgever inclusief pensioenkeuzes, onder een gerichte vrijstelling van loonbelasting kunnen vallen?
Ik zie geen aanleiding voor een dergelijk onderzoek. Verplichte keuzebegeleiding leidt niet tot belast loon zoals hiervoor aangegeven. Deze keuzebegeleiding biedt werknemers adequate begeleiding bij de door hen te maken keuzes in de pensioenregeling. Dat sluit aan bij de doelstellingen van de Wtp. Het in aanvulling op de verplichte keuzebegeleiding door de werkgever aan de werknemer verstrekken van een persoonlijk pensioenadvies gaat echter verder dan keuzebegeleiding.
Zou het volgens u fiscaal en maatschappelijk wenselijk zijn om (persoonlijk) pensioenadvies fiscaal aftrekbaar te maken?
Voor een werkgever zijn de kosten van een pensioenadvies voor de werknemer aftrekbaar. Ik begrijp de vraag dan ook zo dat wordt gevraagd naar een gerichte vrijstelling in de loonbelasting zodat het verstrekken van persoonlijk pensioenadvies door de werkgever aan de werknemer niet tot het belaste loon van de werknemer wordt gerekend. In het antwoord op vraag 7 ben ik reeds gedeeltelijk ingegaan op deze vraag. Het belang van persoonlijk pensioenadvies zie ik zeker in bepaalde gevallen. De vraag om een persoonlijk pensioenadvies generiek belastingvrij te kunnen verstrekken aan de werknemer is echter een andere vraag. Voor dat laatste zie ik geen aanleiding.
Hoe waarborgt u dat de Belastingdienst geen beleidslijn hanteert die feitelijk het beoogde maatwerk en de keuzebegeleiding van de Wet toekomst pensioenen belemmert?
Het standpunt van de Kennisgroep loonheffing algemeen van de Belastingdienst betreft de beantwoording van een rechtsvraag. Het is aan de inspecteur om in het concrete geval aan de hand van de feiten en omstandigheden te toetsen of er sprake is van een product zoals behandeld in het kennisgroepstandpunt en daarmee van belast loon. Dit standpunt belemmert de verplichte keuzebegeleiding die de Wtp voorschrijft niet. Het standpunt geeft alleen aan wanneer vanuit de fiscaliteit bezien keuzebegeleiding en persoonlijk pensioenadvies tot het belaste loon behoren en wanneer niet.
Bent u bereid de Kamer te informeren over mogelijke beleidsopties of aanpassingen, zodat pensioenadvies en -begeleiding niet fiscaal worden ontmoedigd?
Zoals in het antwoord op vraag 5 is aangegeven vraagt het opnemen van een gerichte vrijstelling in de loonbelasting voor persoonlijk pensioenadvies om een wetswijziging met budgettaire consequenties. Daarnaast is de regering niet van mening dat pensioenadvies fiscaal wordt ontmoedigd. Het feit dat een verstrekking tot het belaste loon behoort is wat anders dan ontmoedigen. In het antwoord op vraag 7 heb ik al aangegeven geen aanleiding te zien met een onderzoek te komen naar een gerichte vrijstelling in de loonbelasting voor persoonlijk pensioenadvies. Ik zie om dezelfde redenen ook geen aanleiding om met beleidsopties of aanpassingen te komen van fiscale wetgeving. Overigens en wellicht ten overvloede kan een werkgever onder voorwaarden wel de vrije ruimte binnen de werkkostenregeling benutten, mits die voldoende is, om een persoonlijk pensioenadvies zonder loonheffingen te verstrekken.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Door afstemming met andere departementen konden de vragen niet binnen de reguliere termijn van drie weken worden beantwoord.
De overstap van de Belastingdienst naar Microsoft |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Heijnen , van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belastingdienst verplaatst mail naar Microsoft, ondanks zorgen over meekijken VS»?1
Ja.
Maakt de overstap van de Belastingdienst naar Microsoft 365 onze overheid meer of minder afhankelijk van de Verenigde Staten?
De overstap naar M365 betekent inderdaad een vergroting van de afhankelijkheid van de Verenigde Staten. De Belastingdienst heeft de overgang naar de cloud afgewogen conform het cloudbeleid van de overheid. In de huidige situatie en in andere afgewogen scenario’s, zoals de keuze voor een on-premises oplossing, is ook sprake van (grote) afhankelijkheid van de Verenigde Staten.
Om de risico’s zoveel mogelijk te reduceren heeft de Belastingdienst een exitstrategie uitgewerkt voor het geval er (plotseling) een vertrek uit de cloudomgeving moet plaatsvinden. Door het inrichten van een lokale back-up functionaliteit zorgt de Belastingdienst ervoor dat documenten altijd beschikbaar blijven. De exitstrategie wordt vertrouwelijk aan uw Kamer ter inzage aangeboden.
Is er, conform de aangenomen motie-Kathmann c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1315), een onafhankelijke onderbouwing opgesteld voor de noodzaak van de overstap naar Microsoft? Zo ja, kunt u deze delen?
De motie-Kathmann2 is in maart 2025 aangenomen. De Belastingdienst is reeds in 2021 begonnen met het vervangen van de werkplekken bij de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. Het traject is daarmee ingezet voordat deze motie, waarin wordt verzocht om een onafhankelijke onderbouwing, is aangenomen.
Bij de aanvang van het traject is uitgegaan van de toen geldende (markt)standaard van Microsoft Windows 11 en M365. De uitrol van de nieuwe werkplekken is inmiddels afgerond. De huidige situatie is dat er vanaf de nieuwe 40.000 werkplekken wordt doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving omdat M365 nog niet is geïmplementeerd. Dit terwijl er bij de inrichting van de nieuwe werkplekken rekening is gehouden met de implementatie van M365. Doordat M365 nog niet is geïmplementeerd bestaan er nu inefficiënte manieren om vanaf de nieuwe werkplekken met de beperkingen van de oude werkomgevingen om te gaan. Deze workarounds resulteren in een productiviteitsverlies.
Gezien de recente (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen heeft de Belastingdienst de overstap naar M365 op de nieuwe werkomgeving getemporiseerd en eerst een aantal alternatieve scenario’s zorgvuldig uitgewerkt en afgewogen. Daarbij heeft de Belastingdienst onderzocht of het mogelijk was om af te wijken van het voorgenomen scenario de overstap naar M365 te maken. Dit blijkt niet realistisch, omdat de nieuwe werkplekken inmiddels al breed zijn uitgerold
In het geval dat er in de toekomst een Europese oplossing beschikbaar komt dat wel geschikt wordt bevonden voor de Belastingdienst, dan kost het nog twee tot drie jaar om deze te implementeren. Gedurende deze tijd wordt er dan nog steeds doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving via werkplekken die zijn ingericht voor M365. Daarmee blijft er dus sprake van een productiviteitsverlies.
In bijlage 1 vindt u een nota van 27 juni jl. gericht aan de Bestuursraad van het Ministerie van Financiën. Daarin wordt uitgebreid ingegaan op de uitgewerkte en afgewogen scenario’s.
Waarom houdt u het mailverkeer niet in eigen beheer, zoals verzocht in de motie-Kathmann/Six Dijkstra (Kamerstuk 36 740, nr. 20)? Hoe bent u van plan om deze motie alsnog uit te voeren?
De Belastingdienst heeft de optie om het mailverkeer in eigen beheer te houden verkend. Zowel het continueren van de huidige werkomgeving, als het implementeren van een hybride on-premises oplossing zoals SSC-ICT reeds heeft gedaan. Zoals u heeft kunnen lezen in de Kamerbrief van 2 oktober jl. heeft de Belastingdienst ook een verkenning gedaan naar de mogelijkheid om de functionaliteiten voor onder andere de mail onder te brengen bij SSC-ICT. Deze opties zijn niet realiseerbaar op de korte of middellange termijn.
Om uitvoering te geven aan deze motie volgt de Belastingdienst de ontwikkelingen van Europese en soevereine alternatieven.
Acht u de keuze voor de Belastingdienst om de eigen ICT te verhuizen naar Microsoft in het belang van de strategische autonomie, waarover de demissionaire premier op 30 september 2025 nog uitsprak dat bestuurders dit prioriteit moeten geven?2
Ik onderschrijf de uitspraak van de Minister-President om prioriteit te geven aan strategische autonomie. Daarom wil ik graag nogmaals benadrukken dat de applicaties binnen de primaire processen voor de belastingheffing, -inning en opsporing blijven draaien in hun huidige omgeving in de datacenters van de Belastingdienst. De overstap heeft betrekking op de kantoorautomatisering. Daarvoor verwijs ik naar de reeds gegeven antwoorden en de brief die u op 2 oktober jl. heeft ontvangen.
Acht u het onafhankelijk en onomstotelijk bewezen dat er geen Europese oplossing voor de Belastingdienst beschikbaar is? Uit welke onafhankelijke onderbouwing blijkt dit?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, heeft de Belastingdienst een aantal alternatieve scenario’s uitgewerkt en zorgvuldig afgewogen, maar er is op dit moment en binnen afzienbare termijn geen geschikt alternatief beschikbaar voor de huidige situatie waarin de Belastingdienst zich bevindt. Bij de inrichting van de nieuwe werkplekken is rekening gehouden met de implementatie van M365. Door dat de werkplekken inmiddels zijn uitgerold, maar M365 nog niet is geïmplementeerd, wordt er doorgewerkt in de oude omgeving. De nieuwe werkplekken zijn daarvoor niet ingericht. Het doorwerken in de verouderde en inefficiënte werkomgeving via de nieuwe werkplekken resulteert in workarounds. Daardoor is er nu sprake van productiviteitsverlies.
In het geval dat er in de toekomst wel een oplossing beschikbaar komt dat geschikt is voor de situatie waarin de Belastingdienst zich bevindt, dan kost het nog twee tot drie jaar om dit te implementeren. Gedurende deze tijd wordt er dan doorgewerkt vanaf de nieuwe werkplekken in de verouderde werkomgeving en blijft er sprake van een productiviteitsverlies.
Hoeveel en welke Europese alternatieven heeft u precies onderzocht en waarom waren deze ontoereikend? Kunt u de documentatie delen waaruit blijkt dat deze alternatieven niet voldoen aan de gestelde eisen?
Zoals u heeft kunnen lezen in de Kamerbrief van 2 oktober jl. en het antwoord op vraag 3 is de Belastingdienst reeds in 2021 begonnen met het vervangen van de werkplekken. De (geo)-politieke situatie was destijds anders, waardoor het versterken van de autonomie in de afwegingen een beperktere rol speelde. Daarom heeft destijds geen uitgebreide verkenning naar Europese alternatieven plaatsgevonden en is er uitgegaan van de toen geldende (markt)standaard van Microsoft Windows 11 en M365 en heeft de Belastingdienst deelgenomen aan de contractonderhandelingen met het Strategisch Leveranciersmanagement voor de Rijksoverheid (SLM Rijk). Het SLM Rijk helpt onderdelen van de Rijksoverheid om zich beter te positioneren tegenover leveranciers door middel van het bundelen van de onderhandelings- en inkoopkracht. Namens het rijk heeft SLM Rijk via deze weg gunstige (contract)voorwaarden bedongen bij Microsoft.
De overstap naar M365 is getemporiseerd naar aanleiding van recente (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen zodat onderzocht kon worden of er afgeweken kon worden van dit scenario. Daaruit blijkt, dat zelfs als er een geschikt Europees alternatief bestaat voor de Belastingdienst, de implementatie daarvan nog steeds twee tot drie jaar in beslag neemt. Gedurende deze tijd wordt er dan nog steeds doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving vanaf de nieuwe werkplekken die daarvoor niet zijn ingericht. Daarmee blijft er dus sprake van een significant productiviteitsverlies.
De Belastingdienst volgt de bewegingen en ontwikkelingen in de buitenwereld nauwlettend en kijkt actief naar de mogelijkheden van soevereine en of Europese cloudoplossingen. In dit kader volgt de Belastingdienst onder andere de ontwikkelingen bij BZK rondom «Mijn Bureau». Mijn Bureau is een open source samenwerkingsplatform voor de overheid, publieke sector en bedrijven dat wordt ontwikkeld onder regie van het Rijksbrede programma Beter Samen Werken (OpenBSW). De Belastingdienst neemt actief deel aan de ontwikkelingen rond dit platform. Momenteel bevindt dit platform zich echter nog in een vroege testfase. Zie voor de stand van ontwikkelingen in Europa ook de Kamerbrieven van de Minister van Economische Zaken van 17 januari 20254 en 23 mei 2025.5
Welke eisen voor functionaliteit, veiligheid en continuïteit hanteert de Belastingdienst? Zijn deze zodanig geformuleerd dat ze niet voorsorteren op een overstap naar Microsoft 365?
De eisen voor functionaliteit, veiligheid en continuïteit volgen uit de vereisten van alle rijksbrede relevante wetgeving. Voorbeelden hiervan zijn o.a. ISO-standaarden, DUTO, BIO, NIS 2 en Archiefwet. De Belastingdienst maakt gebruik van het framework contract van de overheid (SLM Rijk) met Microsoft waarin waarborgen zijn opgenomen om te voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving.
Kunt u alle documentatie over de risico-afweging die is gemaakt om de keuze voor Microsoft 365 te onderbouwen met de Kamer delen, waaronder de aanvullende afspraken die zijn gemaakt met de leverancier?
De risico-analyse wordt vertrouwelijk ter inzage aan uw Kamer aangeboden.
Kunt u de gekozen exitstrategie met de Kamer delen? Is negen maanden om over te stappen van de Microsoft 365-omgeving snel genoeg in het geval van een acute stopzetting van de dienstverlening door de leverancier?
De exitstrategie wordt vertrouwelijk ter inzage aan uw Kamer worden aangeboden.
De exitstrategie kent twee scenario’s: een scenario voor gepland vertrek als gevolg van contractbeëindiging door de Belastingdienst in het geval er een overstap wordt gemaakt naar een andere aanbieder en een scenario waarin er een acuut vertrek moet plaatsvinden als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen. De door u genoemde negen maanden horen bij het scenario voor een gepland vertrek, bijvoorbeeld in het geval dat er een migratie plaatsvindt naar een andere aanbieder. De Belastingdienst heeft conform het contract met Microsoft negen maanden de tijd om de data uit de M365-omgeving over te zetten naar de gewenste omgeving.
Voor de situatie waarin er acuut een vertrek uit de cloudomgeving moet plaatsvinden zijn diverse maatregelen getroffen om dat mogelijk te maken en de gevolgen voor de dienstverlening zoveel mogelijk te beperken.
Bent u zich ervan bewust dat Amerikaanse bedrijven die gegevens op Europees grondgebied stallen, alsnog moeten voldoen aan surveillanceverplichtingen die volgen vanuit nationale wetgeving, zoals de CLOUD Act en de Foreign Intelligence Surveillance Act?
Ja. De CLOUD-act maakt het mogelijk dat de Amerikaanse overheid, waaronder opsporingsdiensten, toegang krijgen tot (persoons-)gegevens van Nederlandse burgers. Gelet op de extraterritoriale werking van de CLOUD-act is toegang ook mogelijk als de data buiten de Verenigde Staten staat. Er zijn ook andere landen met dergelijke wetten en bijbehorende verplichtingen. Om eventuele risico’s hieromtrent tegen te gaan, bevat het Rijksbreed cloudbeleid 2022 en het bijbehorende implementatiekader «risicoafweging cloudgebruik» onder meer de plicht om een risicoafweging te maken. Ook bevat het specifieke eisen voor omgang met persoonsgegevens en is het niet toegestaan staatsgeheim gerubriceerde gegevens in de cloud te plaatsen. Een risicoafweging kan als uitkomst hebben dat dit risico acceptabel is.
Ten aanzien van de CLOUD-act geldt dat uit onderzoek van Greenberg Traurig blijkt dat: «[...]het risico dat de Amerikaanse overheid toegang krijgt tot Europese (persoons)gegevens, specifiek op basis van de CLOUD-act, weliswaar voorstelbaar, maar in de praktijk ook (heel) klein is».
Een adequate risicoafweging, waaronder het doen van een gedegen Data Protection Impact Assessment (DPIA) en een Data Transfer Impact Assessment (DTIA), blijft echter nodig om het risico in een concreet geval te beoordelen.
Is, met inachtneming van vraag 9, het stallen van gegevens op Microsoft-datacentra binnen de Europese Economische Ruimte een legitiem middel om risico’s voor de autonomie en nationale veiligheid weg te nemen?
Het stallen van gegevens in datacenters binnen de Europese Economische ruimte is, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 2 oktober jl., een voorbeeld van een genomen maatregel om risico’s voor de autonomie en nationale veiligheid te beperken. In diezelfde brief is aangegeven dat risico’s nooit volledig kunnen worden weggenomen. Dat geldt overigens voor elk scenario dat door de Belastingdienst is overwogen, waaronder ook het on-premises scenario. Elk scenario brengt eigen risico’s met zich mee op diverse vlakken. Daarom is het te alle tijden een belangenafweging welk scenario het meest geschikt is.
Graag wijs ik u erop dat de risico’s ten aanzien van de toegang tot gegevens van de overheid beperkt zijn. Dit blijkt uit de in het antwoord op vraag 9 genoemde risico-analyse, de DPIA’s op M3656, de contracten die SLM Rijk met Microsoft heeft uitonderhandeld en een analyse van de CLOUD-act die door het Ministerie van Justitie en Veiligheid is gepubliceerd.7 Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangegeven wordt het risico dat de Amerikaanse overheid op basis van de CLOUD-act toegang verkrijgt tot Europese (persoons-)gegevens in de praktijk op (heel) klein geschat.
Tot slot wil ik nog opmerken dat de Belastingdienst met M365 een hoger volwassenheidsniveau op het gebied van informatiebeveiliging kan implementeren. Daarmee wordt de kans op ongeoorloofde toegang van kwaadwillenden tot de gegevens van de Belastingdienst zoveel mogelijk beperkt.
Kunt u alle documentatie over de afweging die is gemaakt voor de andere drie scenario’s in volledigheid met de Kamer delen?3
De nota voor de Bestuursraad Financiën vindt u in bijlage 1. De exitstrategie en risico-analyse worden vertrouwelijk aan uw Kamer aangeboden.
Op basis van het onderzoek dat is verricht naar Europese alternatieven, op welke termijn wordt een migratie naar Europese alternatieven mogelijk? Zet u zich actief in om dit te bewerkstelligen?
Ik kan uw Kamer geen termijn geven waarop een migratie naar een Europees alternatief mogelijk is. Wel kan ik u toezeggen, zoals ik ook reeds in het antwoord op vraag 7 heb gedaan, dat de Belastingdienst de ontwikkelingen en bewegingen in de buitenwereld nauwlettend volgt. De Belastingdienst kijkt actief naar de mogelijkheden van soevereine en of Europese oplossingen voor cloud en andere software. De Belastingdienst vervult een cruciale rol in de maatschappij en kan daarom als organisatie niet lichtvaardig omgaan met keuzes die de continuïteit van de systemen en processen kunnen raken.
De Belastingdienst wil in deze context niet vooruit lopen op technologische ontwikkelingen en baseert zijn keuzes op zorgvuldige afwegingen en de kaders en richtlijnen die door BZK worden gesteld. Nieuwe technologieën en software worden door de Belastingdienst pas toegepast na een zorgvuldige afweging en zodra er voldoende zekerheid is dat deze oplossingen veilig en uitvoerbaar zijn. In dat kader, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, kijkt de Belastingdienst onder andere naar de ontwikkelingen rondom «Mijn Bureau» van BZK.
Eén van de strategische doelen uit de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) is om gezamenlijk te werken aan een verkenning om een overheidsbrede soevereine clouddienst in samenwerking met bestaande overheidsdienstverleners te realiseren. De Belastingdienst kijkt uit naar de resultaten van deze verkenning. Daarmee ontstaat handelingsperspectief en meer duidelijkheid over de termijn waarop een dergelijke migratie realiseerbaar is.
De Belastingdienst levert, als eigenaar van een Overheidsdatacenter, in het kader van betere rijksbrede samenwerking graag een belangrijke en noodzakelijke bijdrage aan een meer autonome oplossing voor de langere termijn.
Waarom bent u slechts voornemens om te migreren naar Europese alternatieven als zij op een vergelijkbaar niveau zitten als Microsoft, als u het belang van digitale autonomie en nationale veiligheid onderschrijft?
De overstap naar M365 is het resultaat van een complexe en veelzijdige belangenafweging. Zoals u heeft kunnen lezen in het antwoord op vraag 12 zijn autonomie en nationale veiligheid twee aspecten, welke beiden zijn meegewogen door de Belastingdienst. Naast het versterken van de digitale autonomie en nationale veiligheid maakten aspecten zoals de beschikbaarheid, niveau van functionaliteit, geldende wet- en regelgeving, schaalbaarheid, en kosten ook onderdeel uit van de belangenafweging.
Zoals u heeft kunnen lezen in mijn antwoord op vraag 3 en in de brief die u op 2 oktober jl. heeft ontvangen heeft de Belastingdienst gezien de (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen de overstap naar M365 getemporiseerd. Eerst heeft de Belastingdienst zorgvuldig een aantal alternatieve scenario’s afgewogen. Daarbij is het belang van het versterken van de digitale autonomie en de nationale veiligheid opnieuw nadrukkelijk meegenomen.
In hoeverre bent u bereid om digitale autonomie, kennisbehoud en data- en nationale veiligheid in te leveren ten behoeve van functionaliteit en productiviteit?
Zie antwoord vraag 15.
Welke delen van het werkproces komen in de Amerikaanse cloud te staan? Komen ook «rulings» van de Belastingdienst, die gevoelige informatie over belastingheffing bevatten, en bedrijfsgevoelige informatie in de Microsoft-omgeving te staan?
Zoals u heeft kunnen lezen in het antwoord op vraag 5 betreft de overstap de kantoorautomatisering. Met kantoorautomatisering doel ik op applicaties (zoals Teams, OneDrive, en Outlook) die medewerkers ondersteunen in hun dagelijkse werkzaamheden, (interne) communicatie en samenwerking. Applicaties voor beheer en security vallen hier ook onder.
De applicaties binnen de primaire processen voor de belastingheffing, -inning en opsporing blijven draaien in hun huidige omgeving in de datacenters van de Belastingdienst. Voor de archivering van rulings heeft de Belastingdienst een apart systeem. Daarnaast blijven er voor de medewerkers opties om (gevoelige) informatie veilig on-premises op te slaan en onderling (en met een derde) te delen via het Belastingdienst-file-transfer. Communicatie over casuïstiek tussen de Belastingdienst en ondernemingen en/of hun gemachtigden en tussen medewerkers onderling met betrekking tot ruling verzoeken vindt via diverse wijzen plaats waaronder e-mail. Dit is ook het geval bij rulings.
Is het migreren van maildiensten naar Microsoft een reden om bepaalde informatie niet binnen de werkomgeving van de Belastingdienst te bespreken, communiceren, of op te slaan?4
Nee, er zijn ook alternatieve opslaglocaties voor het bewaren van informatie en met hulp van de zogenaamde datalek-preventie-oplossing in de M365-suite, wordt voorkomen dat gevoelige informatie als bijlage bij een e-mail meegestuurd kan worden. Voor het verzenden van gevoelige informatie zijn er alternatieven beschikbaar in het dienstenaanbod. Zo is er de beschikking over de Belastingdienst-file-transfer, waarmee een veilige verzending en ontvangst van informatie tussen Belastingdienst/Toeslagen/Douane en een derde mogelijk is via het openbare internet.
Zoals u heeft kunnen lezen in het antwoord op vraag 5 en 17 blijven de applicaties voor de primaire processen in de on-premises omgeving draaien. Met de overstap naar M365 krijgt de Belastingdienst meer mogelijkheden om data te beheersen die buiten de applicaties voor de primaire processen wordt verwerkt.
Is het risico op weglekken van data naar derden onderzocht? Kan u bewijzen dat er géén risico’s zijn dat gevoelige informatie onbeveiligd wordt uitgewisseld in de nieuwe situatie?
De ervaring leert dat op het vlak van informatiebeveiliging het weglekken van data nooit volledig kan worden voorkomen. De overstap naar M365 maakt het mogelijk om aanvullende en beterebeheersmaatregelen te implementeren.
Naast de al eerder met uw Kamer gedeelde maatregel van het afsluiten van de USB-poorten biedt de nieuwe M365 omgeving meer mogelijkheden om het delen van informatie te beperken. Voor het uitwisselen van informatie met derden op grond van een wettelijke basis heeft de Belastingdienst speciale voorzieningen die voldoen aan de wettelijke vereisten, zoals Belastingdienst-file-transfer. Zie ook antwoord op uw vraag 18.
Kunt u toelichten welke primaire processen nog wel in het Nederlandse datacentrum blijven draaien en welke afweging daarbij is gemaakt? Welke beheer- en beveiligingsapplicaties worden verplaatst naar de publieke cloud en waarom vallen deze niet onder primaire processen?
Zoals is aangegeven in eerdere antwoorden blijven de applicaties binnen de primaire processen voor de belastingheffing, -inning en opsporing draaien in hun huidige omgeving in de datacenters van de Belastingdienst. De wijzigingen zien toe op de kantoorautomatisering. Met de overgang naar M365 worden de documenten die worden verwerkt in de kantoorautomatisering opgeslagen op een server van Microsoft. De genoemde beheer- en beveiligingsapplicaties betreffen de applicaties die horen bij de kantoorautomatisering en het beheren van de cloudomgeving. Voorbeelden hiervan zijn de virusscanner en een beheerprogramma om regels in te stellen voor het bepalen wat er met informatie mag gebeuren (zogenaamde «data leakage prevention regels»). Ik wil met nadruk aangeven dat beveiligings- en beheerprogrammatuur voor de systemen die in het eigen datacentrum staan, niet vervangen worden door cloud-varianten van die apparatuur.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en toezeggen dat de Belastingdienst geen onomkeerbare stappen zet totdat deze vragen zijn beantwoord?
De vragen zijn zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord. De Belastingdienst is nog niet gestart met de daadwerkelijke uitrol van M365. Het stoppen en/of vertragen van dit traject is echter niet zonder consequenties. Er is, zoals u heeft kunnen lezen in de brief van 2 oktober jl., jarenlang geïnvesteerd in en rekening gehouden met de overstap naar M365. In de situatie dat de Belastingdienst een overstap zou maken naar een alternatief, dan zou dit gepaard gaan met aanzienlijke kosten en een doorlooptijd van twee tot drie jaar.
De Belastingdienst heeft namelijk de nieuwe werkplekken al uitgerold binnen de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. Zolang de Belastingdienst, Douane en Toeslagen blijven doorwerken in de verouderde en inefficiënte werkomgeving vanaf deze nieuwe werkplekken die zijn ingericht op het gebruik van M365 zal er sprake blijven van workarounds en daarmee productiviteitsverlies.
De brief van de staatsecretaris van Financiën aan de kamer ‘Overstap kantoorautomatisering naar M365’ |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Heijnen , van Marum |
|
|
|
|
In de brief wordt gesteld dat Europese alternatieven binnen afzienbare termijn niet voldoen aan het niveau van Microsoft 365; welke Europese alternatieven zijn onderzocht voordat de keuze gemaakt is voor Microsoft?
De Belastingdienst is sinds 2021 bezig met het vervangen van de werkplekken bij de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. De (geo)politieke situatie was destijds anders, omdat het versterken van de autonomie in de afwegingen een beperktere rol speelde. Daarom heeft destijds geen uitgebreide verkenning naar Europese alternatieven plaatsgevonden en is er uitgegaan van de toen geldende (markt)standaard van Microsoft Windows 11 en M365.
De uitrol van de nieuwe werkplekken, in de vorm van nieuwe laptops die zijn ingericht op het gebruik van M365, is inmiddels afgerond. De huidige situatie is dat er vanaf de nieuwe 40.000 werkplekken wordt doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving omdat M365 nog niet is geïmplementeerd. Dit terwijl er bij de inrichting van de nieuwe werkplekken rekening is gehouden met de implementatie van M365. Doordat M365 nog niet is geïmplementeerd bestaan er nu inefficiënte manieren om vanaf de nieuwe werkplekken met de beperkingen van de oude werkomgeving om te gaan. Deze workarounds resulteren in een geschat productiviteitsverlies van 15 tot 30 minuten per medewerker per dag.
Gezien de recente (geo)politieke en maatschappelijke ontwikkelingen heeft de Belastingdienst de overstap naar M365 op de nieuwe werkomgeving getemporiseerd en een aantal alternatieve scenario’s zorgvuldig uitgewerkt en afgewogen, zie daarvoor bijlage 1. Echter, op korte termijn is geen Europees alternatief beschikbaar dat geschikt is voor de situatie waar de Belastingdienst zich momenteel in bevindt.
In het geval dat er in de toekomst een Europese oplossing beschikbaar komt dat wel geschikt zou zijn voor de Belastingdienst, dan kost het nog twee tot drie jaar om deze te implementeren. Gedurende deze tijd wordt er dan nog steeds doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving via werkplekken die zijn ingericht voor M365. Daarmee blijft er dus sprake van productiviteitsverlies.
Welke tekortkomingen zijn vastgesteld bij deze Europese aanbieders die ertoe hebben geleid dat zij niet als toereikend alternatief zijn aangemerkt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten aan welke vereisten en prestatienormen Europese aanbieders moeten voldoen om wel als een toereikend alternatief te kunnen gelden voor Microsoft 365?
Om als volwaardig alternatief te kunnen dienen, moeten de voorgestelde oplossingen kunnen voldoen aan strikte eisen op het gebied van integratie, continuïteit, geïntegreerde gebruikerservaring plus naleving van o.a. ISO-standaarden, DUTO, BIO, NIS 2 en Archiefwet. Daarnaast is het belangrijk dat er voldoende functionaliteiten zijn voor medewerkers om goed, flexibel en effectief (samen) te kunnen werken.
Is er perspectief op een Europees alternatief dat wel kan dienen als een alternatief voor Microsoft 365? Zo ja, welke aanbieder(s) worden dan als kansrijk beschouwd?
De Belastingdienst volgt de bewegingen in de buitenwereld en kijkt ook naar mogelijkheden van soevereine en of Europese cloudoplossingen.
Zoals u heeft kunnen lezen in de antwoorden op vraag 1 en 2 zou het in het geval dat er in de toekomst een Europese oplossing beschikbaar komt dat wel geschikt wordt bevonden voor de Belastingdienst, nog steeds twee tot drie jaar kosten om deze te implementeren. Gedurende deze tijd wordt er dan nog steeds doorgewerkt in de verouderde en inefficiënte werkomgeving via werkplekken die zijn ingericht voor M365. Daarmee blijft er dus sprake van een productiviteitsverlies.
In dit kader volgt de Belastingdienst onder andere de ontwikkelingen bij BZK rondom «Mijn Bureau». Mijn Bureau is een open source samenwerkingsplatform voor de overheid, publieke sector en bedrijven dat wordt ontwikkeld onder regie van het Rijksbrede programma Beter Samen Werken (OpenBSW). De Belastingdienst neemt actief deel aan de ontwikkelingen rond dit platform. Momenteel bevindt dit platform zich echter nog in een vroege testfase.
Welke maatregelen worden er op dit moment genomen om de ontwikkeling en verbetering van Europese cloud- en software-alternatieven te stimuleren en te versnellen, zodat deze in de toekomst als volwaardig alternatief voor Microsoft 365 kunnen dienen?
In de Nederlandse Digitaliseringsstrategie is cloud als een van de hoofdthema’s opgenomen. Hierbij zijn specifiek twee strategische doelen benoemd, met als overkoepelende uitkomst minder afhankelijk te worden van een klein aantal externe leveranciers. Er wordt gewerkt aan een verkenning van het realiseren van een overheidsbrede soevereine clouddienst in samenwerking met bestaande overheidsdienstverleners en de markt. Daarnaast wordt er gestreefd naar een centrale overheidsmarktplaats voor cloudtechnologieën. Ten aanzien van een federatief Europees cloudecosysteem is immers ook van belang hoe dit aan afnemers wordt aangeboden. Afnemers hebben over het algemeen geen belang bij contracten met meerdere marktpartijen, aangezien dit een bijzonder ingewikkelde kwestie kan worden in het kader van aansprakelijkheid. Eén van de primaire redenen waarom er vaak van de hyperscalers als one-stop-shop gebruik gemaakt wordt. Zoals in de NDS opgenomen, kan een marktplaats voor clouddiensten (als een – hopelijk – meer geavanceerde versie van een cloudbroker) hier aan bijdragen om een dergelijk ecosysteem tot een succes te maken.
Het laatst benoemde doel weergeeft de al bestaande behoefte aan een marktplaats voor clouddiensten, in plaats van de opzet van een Bijenkorf Megascaler cloud aan de hand van de verworpen motie Bruyning.1 Hierin wordt het verzoek gedaan tot het bevorderen van de cloudautonomie middels het Bijenkorf Megascaler Cloudmodel van Instituut Clingendael.2
De Europese Commissie vindt tevens voldoende datacapaciteit voor cloud- en AI-diensten essentieel voor het verdienvermogen en de economische veiligheid van de EU. De Commissie heeft daarom een Cloud & AI Development Act (CADA) aangekondigd, met als doel private duurzame datacentercapaciteit in de EU in 5 tot 7 jaar te verdriedubbelen. Verder wil de Commissie met de CADA de Europese industrie stimuleren om zelfstandige cloudalternatieven te ontwikkelen en vermarkten, en wil ze mogelijk instrumenten opnemen ter bevordering van Europese alternatieven voor de meest strategische en kritische use cases van cloudgebruik. Nederland is actief betrokken bij de ontwikkeling van de CADA.
In berichtgeving van NRC wordt gesteld dat een van de redenen dat het gebruik van Microsoft 365 toch is doorgezet, is dat er al een aanbetaling was gedaan. In hoeverre heeft dit een rol gespeeld in de uiteindelijke besluitvorming?1
Nee, dit heeft geen rol gespeeld in de besluitvorming. De Belastingdienst heeft sinds 2020 een contract met Microsoft voor verschillende diensten. M365 is één van de onderdelen in dit bredere pakket. Bij de uiteindelijke besluitvorming zijn verschillende scenario’s zorgvuldig onderzocht, waarbij is geconcludeerd dat de overstap naar M365 de enige uitvoerbare optie is gezien de situatie waarin de Belastingdienst zich bevindt.
Welke technische en contractuele maatregelen zijn getroffen om te zorgen dat de Amerikaanse overheid niet zomaar toegang heeft tot Nederlandse overheidsdata?
De Amerikaanse cloudwetgeving kan de leverancier die gevestigd is in de Verenigde Staten verplichten om data te leveren, daarom is dit niet 100% uit te sluiten. Zie in dit verband ook de analyse van de Cloud Act die door het Ministerie van Justitie en Veiligheid is gepubliceerd, waaruit blijkt dat het risico zeer beperkt is4. Daarnaast blijkt uit onderzoek van Greenberg Traurig dat: «[...]het risico dat de Amerikaanse overheid toegang krijgt tot Europese (persoons)gegevens, specifiek op basis van de CLOUD-act, weliswaar voorstelbaar, maar in de praktijk ook (heel) klein is». Dit beeld komt ook terug uit de door de Belastingdienst opgestelde risico-analyse en de DPIA’s op M365.
Bovendien zijn er door SLM Rijk5 in het framework agreement met Microsoft uitgebreide technische, organisatorische en contractuele afspraken met Microsoft gemaakt die toegang tot Nederlandse overheidsdata beperken. Voorbeelden van deze afspraken zijn het opslaan van data op servers in de EER (hoewel dit de toegang door de VS niet volledig belet kan dit het wel bemoeilijken) en afspraken over encryptie van data in transit. Microsoft committeert zich dat het zich waar mogelijk (juridisch) zal verzetten tegen bevelen tot afgifte van data en geeft aan nog nooit data van een EU-overheidsklant verstrekt te hebben aan enige overheid (inclusief de Amerikaanse overheid).
Het bericht 'Door angst voor schijnzelfstandigheid worden wachtlijsten bij UWV nog langer' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Claire Martens-America (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Heijnen , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het UWV per 1 oktober afscheid neemt van tientallen verzekeringsartsen die als zzp’er hun werkzaamheden verrichtten? Wat heeft u gedaan om dit te voorkomen?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Zoals uiteengezet in de voortgangsbrief van 11 juni jl.2 zijn er bij UWV-verzekeringsartsen die werken als zzp’ers. UWV heeft deze artsen de afgelopen tijd meerdere keren een aanbod gedaan om bij UWV in dienst te treden, omdat in deze gevallen sprake kan zijn van schijnzelfstandigheid. Slechts een klein deel is hierop ingegaan. Uiteraard is dit uiteindelijk een individuele afweging van de betreffende artsen.
In de motie-Aartsen c.s.2 werd de regering verzocht de handhavingsstrategie zo te wijzigen dat risicogericht gehandhaafd wordt, met de focus op probleemgevallen zoals gedwongen zelfstandigheid, onderbetaling en evidente schijnzelfstandigen; is daar naar uw oordeel en dat van de Belastingdienst sprake van bij verzekeringsartsen die in opdracht van het UWV werken? Zo nee, waarom worden deze contracten dan beëindigd? Handhaaft de Belastingdienst op dit soort gevallen?
UWV houdt bij de inhuur van verzekeringsartsen rekening met de regels voor het werken met zelfstandigen, maar onderkent ook dat het werk kenmerken heeft die kunnen wijzen op schijnzelfstandigheid (zie ook het UWV-jaarverslag 2023). UWV is tot het oordeel gekomen dat inhuur van verzekeringsartsen een groot risico op schijnzelfstandigheid oplevert. Daarom wil UWV-artsen niet langer inhuren als zelfstandigen.
De Belastingdienst handhaaft risicogericht. Dat is niet veranderd op 1 januari 2025 en ook de wet- en regelgeving rondom de kwalificatie van de arbeidsrelatie is niet gewijzigd op 1 januari 2025. Het enige dat veranderd is, is dat het handhavingsmoratorium voor de Belastingdienst op de kwalificatie van de arbeidsrelaties voor de loonheffingen is opgeheven. De Belastingdienst kan op grond van zijn geheimhoudingsplicht niet beantwoorden of van handhaving sprake is bij verzekeringsartsen die in opdracht van UWV werken.
Is er door juristen in opdracht van het UWV per individuele zzp’er besloten of deze aan de hand van het geldend wettelijk kader als zzp’er opdrachten bij het UWV mag aannemen? Zo ja, is er ook met elke individuele zzp’er een gesprek opgestart om te kijken wat de mogelijkheden zijn om wél aan het wettelijk kader te voldoen? Zo nee, waarom niet? Het wettelijk kader en de holistische weging laat immers ruimte voor individuele weging. Geeft de handhavingsstrategie van de Belastingdienst reden tot generieke beëindiging van alle opdrachtovereenkomsten?
Zoals toegelicht bij de beantwoording van vraag 2 heeft UWV geconstateerd dat het verrichten van werkzaamheden als verzekeringsarts bij UWV door een zelfstandige tot schijnzelfstandigheid kan leiden. Om deze reden is een besluit genomen om niet langer UWV-artsen in te huren als zelfstandigen. Dit besluit is in een gesprek met elke zelfstandige verzekeringsarts toegelicht. In deze gesprekken is aan iedere goed functionerende zelfstandige verzekeringsarts die ingezet was bij UWV de mogelijkheid geboden om in dienst te treden.
Het is niet aan de Belastingdienst of opdrachtovereenkomsten al dan niet beëindigd moeten worden. Het is aan contractpartijen (in dit geval UWV en de zzp’er) om een beslissing te nemen over het al dan niet beëindigen of aanpassen van contracten.
Vindt u het proportioneel dat de Belastingdienst, met beperkte handhavingscapaciteit, de reikwijdte van de handhaving op alle segmenten en sectoren van de arbeidsmarkt legt in plaats van risicogericht op gevallen van kwade trouw en onderbetaling?
Schijnzelfstandigheid komt in alle sectoren voor. Daarom handhaaft de Belastingdienst risicogericht. Bovendien is het vooraf niet bekend of er sprake is van kwade trouw of onderbetaling. Dat kan pas vastgesteld worden als de Belastingdienst een boekenonderzoek heeft gedaan. Verder is het onderbetalen op zich niet relevant voor de vraag of er sprake is van een arbeidsrelatie die voor de loonheffingen kwalificeert als een dienstbetrekking. Daarvoor zijn alle feiten en omstandigheden van het individuele geval relevant, de hoogte van de beloning en de wijze waarop de beloning tot stand is gekomen (heeft de zzp’er veel of weinig onderhandelingsruimte over het tarief) zijn slechts enkele elementen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de arbeidswetten, waaronder ook eventuele onderbetaling op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). De Arbeidsinspectie doet dit risicogericht.
Bent u bereid om, indien nodig, de handhavingsstrategie van de Belastingdienst aan te scherpen om ontwrichtende en onwenselijke gevolgen van de handhaving op schijnzelfstandigheid te voorkomen?
Er zijn geen signalen bekend dat de handhavingsstrategie van de Belastingdienst leidt tot ontwrichtende en onwenselijke gevolgen. Het opheffen van het handhavingsmoratorium is met de hoogst mogelijke zorgvuldigheid gedaan. Het opheffen van het handhavingsmoratorium is lang van tevoren aangekondigd (2022), zodat de markt voldoende ruimte heeft gehad om zich hierop voor te bereiden. We hebben veel energie gestoken in de samenwerking met de markt en in de communicatie om zo veel mogelijk duidelijkheid te geven over wanneer er al dan niet sprake is van een dienstbetrekking. Er is sprake van een ingroeimodel, hetgeen betekent dat de Belastingdienst pas in 2030 weer tot 5 jaar terug correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen loonheffingen kan opleggen. Voor 2025 geldt verder een zachte landing.
Dat betekent dat de Belastingdienst in beginsel start met een bedrijfsgesprek, in beginsel kiest voor een onderzoek van het meest recente tijdvak en er over 2025 geen boetes worden opgelegd. Verder heeft de Belastingdienst in zijn handhaving ruimte voor maatwerk en oog voor de menselijke maat.
Wat is de rationale dat er bij de UHT nog generiek met zzp’ers gewerkt wordt, maar bij het UWV in zijn geheel niet? Was dit een besluit van de Staatssecretaris van Financiën – Herstel en Toeslagen? Zijn er andere (lagere) overheidsorganisaties (uitvoering of niet) waar zzp’ers nog wel opdrachten krijgen? Zo ja, waarom daar wel en bij het UWV niet?
De UHT is een tijdelijke organisatie die vanaf 2020 is opgericht om de hersteloperatie voor gedupeerde ouders vorm te geven. De inhuur van zzp’ers via bemiddelingsbureaus was hierbij noodzakelijk om ouders herstel te kunnen bieden. In de voortgangsrapportages Hersteloperatie Toeslagen die uw Kamer vanaf 2020 ontvangt van de Staatssecretaris van Herstel en Toeslagen en haar voorgangers is hier ook melding van gemaakt. Per 1 september 2025 zijn er geen schijnzelfstandigen meer werkzaam bij UHT. Daarmee is voldaan aan de toezegging aan uw Kamer om het aantal potentieel schijnzelfstandigen binnen de herstelorganisatie uiterlijk eind 2025 volledig af te bouwen. Een deel van de – voorheen (potentieel) – schijnzelfstandigen is behouden voor de hersteloperatie door indiensttreding bij UHT ofwel door detachering via een broker.
Er zijn zeker overheidsorganisaties waar zzp’ers nog opdrachten krijgen. Ook worden nog altijd zzp’ers ingezet bij UWV. U kunt dan bijvoorbeeld denken aan opdrachten met een resultaatsverplichting die kortdurend van aard zijn. De inzet vindt met name plaats op ICT-opdrachten, maar ook op een aantal andere domeinen.
In algemene zin is het voorstelbaar dat organisaties hun bestaande samenwerkingen beoordelen en zo nodig aanpassen als zij twijfels hebben of er in lijn met de geldende wetgeving wordt gewerkt. Dat is ook de oproep die aan werkgevenden en werkenden wordt gedaan, bijvoorbeeld via de publiekscampagne en www.hetjuistecontract.nl. Dit geldt ook voor overheidsorganisaties. Deze zijn in het bijzonder door de Minister van BZK opgeroepen om schijnzelfstandigheid tegen te gaan. De Minister van BZK zal op korte termijn uw Kamer informeren over de voortgang op het afbouwen van schijnzelfstandigheid binnen de Rijksoverheid.
Hoe vordert de uitvoering van de motie-Aartsen c.s. waarin de regering werd verzocht een publiekscampagne op te starten om opdrachtgevers te wijzen op de mogelijkheden die er wél zijn om met zzp’ers te werken?3
In augustus 2025 is de publiekscampagne gestart. Dit betreft een vervolg op de eerdere campagne die in de maanden november en december 2024 heeft plaatsgevonden. De huidige campagne bestaat uit twee delen, waarbij het tweede gedeelte in november en december 2025 zal plaatsvinden.
In deze campagne wordt onder meer gebruik gemaakt van advertenties op online media, podcasts en radio. De inzet van deze campagne is tweeledig. Er wordt ingezet op het informeren over het voorkomen van schijnzelfstandigheid, maar ook op hoe juist wel met of als zelfstandige(n) kan worden gewerkt. Zo wordt er geadverteerd met artikelen op nieuwssites waar wordt uitgelegd wanneer sprake is van werken als zelfstandige, ook om onnodige angst bij opdrachtgevers en werkenden tegen te gaan. De effectiviteit van de campagne wordt gemonitord en zal na afloop (na december 2025) bekend worden. Ook is er in de gesprekken met sectorpartijen en de voorlichtingsbijeenkomsten die door de Belastingdienst en het Ministerie van SZW worden georganiseerd voortdurend aandacht voor wanneer juist wel met zelfstandigen gewerkt kan worden. Ook in 2026 zal hiervoor – in lijn met de motie Aartsen c.s. – nadrukkelijk aandacht blijven.
Vindt u oplopende wachtlijsten bij het UWV een wenselijk en proportioneel gevolg van de handhaving op schijnzelfstandigheid?
Het is belangrijk om schijnzelfstandigheid te bestrijden en dat ook de overheid daarin zijn verantwoordelijkheid neemt. Er worden bij de aanpak van schijnzelfstandigheid ook geen uitzonderingen gemaakt. UWV neemt afscheid van verzekeringsartsen, omdat mogelijk sprake zou kunnen zijn van schijnzelfstandigheid. Deze artsen hebben allemaal het aanbod gekregen om bij UWV in dienst te komen, maar een groot deel is niet op dat aanbod ingegaan. Zoals uiteengezet in de voortgangsbrief van 11 juni jl. heeft het vertrek van verzekeringsartsen impact op het aantal mensen dat te lang wacht op een sociaal-medische beoordeling en op de duur van de wachttijden. UWV blijft zich maximaal inzetten voor de werving van artsen, en we werken samen aan oplossingen voor de mismatch tussen vraag en aanbod van sociaal-medische beoordelingen. Dit uiteraard binnen de kaders van wet- en regelgeving.
Hoe verhoudt het besluit van het UWV om helemaal niet meer met zzp’ers te werken zich tot de breed aangenomen motie-Aartsen c.s. die de regering verzocht om rijksbreed, op voorhand en categorisch geen zzp’ers meer uit te sluiten bij opdrachten?4 Worden zzp’ers door het UWV categorisch uitgesloten?
Zoals vermeld bij antwoord 6 zijn er nog altijd zzp’ers werkzaam bij het UWV.
Het feit dat de vergoeding van vervoerskosten voor een deel van de mensen met een beperking is verlaagd |
|
Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Heijnen , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de onderhands meegestuurde brief, waaruit blijkt dat de desbetreffende persoon er dit jaar fors op achteruit gaat als gevolg van de aanpassing van de aftrekpost voor medische vervoerskosten?1
Wij hebben kennisgenomen van de zorgen die de schrijver van de meegestuurde brief uit en begrijpen dat de aanpassing van de regeling voor sommige mensen ingrijpend kan zijn. De wijziging van de regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten ten aanzien van vervoerskosten, is bedoeld om de regeling te vereenvoudigen, beter uitvoerbaar te maken en aan te sluiten bij de gebruikelijke normbedragen voor reiskostenvergoedingen.
Met ingang van 2025 wordt in de regeling onderscheid gemaakt tussen zogenoemde «zorgkilometers» en «leefkilometers». Zorgkilometers zien op het vervoer voor het verkrijgen van genees -en heelkundige hulp (medische behandeling) of voor het verkrijgen van (farmaceutische) hulpmiddelen. Leefkilometers zien op het extra vervoer dat nodig is voor mensen die door ziekte of invaliditeit, al dan niet met hulpmiddelen, niet meer dan 100 meter zelfstandig kunnen lopen. De bedragen die sinds 2025 voor zorgkilometers en leefkilometers voor aftrek in aanmerking komen vervangen de vroegere berekening op basis van werkelijke kosten, die in de praktijk complex en foutgevoelig bleek te zijn.
Het forfaitaire bedrag van € 0,23 per kilometer is vastgesteld om aan te sluiten bij de gebruikelijke normbedragen voor reiskostenvergoedingen en om de regeling te vereenvoudigen. Dit bedrag past bij de variabele kosten (in enge zin) van autogebruik van een middenklasser en vormt daarmee een gemiddelde benadering. Daarbij is onderkend dat dit bedrag niet in alle individuele situaties volledig kostendekkend zal zijn, maar het forfaitaire karakter zorgt voor eenvoud en duidelijkheid voor mensen en in de uitvoering. Hiermee vervalt de noodzaak voor belastingplichtigen om hun werkelijke vervoerskosten afzonderlijk te berekenen en te onderbouwen. Deze berekening was niet voor elke belastingplichtige even gemakkelijk te maken en leidde vaak tot discussies. Met deze vereenvoudiging wordt beoogd dat de regeling beter uitvoerbaar, doelmatiger en minder foutgevoelig wordt voor zowel burgers als de Belastingdienst.
We realiseren ons dat de vereenvoudiging in individuele gevallen kan leiden tot een lagere aftrek dan voorheen. De regeling is toegankelijker gemaakt voor burgers die de werkelijke kosten per kilometer lastig konden bepalen en bereikt daarmee meer mensen die dat nodig hebben. Naast de aftrek van € 0,23 per kilometer blijven de werkelijk gemaakte parkeer-, tol- en veergelden aftrekbaar, zoals tijdens de wetsbehandeling vorig jaar bij nota van wijziging is verduidelijkt.
In hoeverre is er bij het aanpassen van deze regeling rekening gehouden met het feit dat een deel van de mensen die hier gebruik van maken er hierdoor fors op achteruit zou gaan?
Bij de voorbereiding van de aanpassing is nadrukkelijk gekeken naar de gevolgen voor verschillende groepen belastingplichtigen. In de evaluatie van de regeling «aftrek specifieke zorgkosten» uit 2022 door Dialogic is geconcludeerd dat de toenmalige systematiek met werkelijke kostenberekening, naast complex en foutgevoelig leidt tot onduidelijkheid en een enorme administratieve last voor zowel burgers als de Belastingdienst.
De voorgestelde aanpassingen van de aftrek van vervoerskosten beogen de regeling te vereenvoudigen. Daarbij is onderkend dat sommige mensen minder aftrek zullen ontvangen. Door de vereenvoudiging zullen naar verwachting meer mensen de regeling benutten en neemt het niet-gebruik af. Er is € 1 miljoen euro extra structureel beschikbaar gemaakt. Dit laat zien dat de verwachting is dat de regeling als geheel juist meer gebruikt zou worden.
Deze aanpassing past binnen de eerder aan de Kamer toegezegde vereenvoudiging van de regeling voor de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op de evaluatie.2 Daarbij zijn de gevolgen voor de verschillende groepen in kaart gebracht.
Deelt u de mening dat mensen met een beperking toegang moeten hebben tot goed en betaalbaar medisch vervoer?
Ja. Mensen met een beperking moeten kunnen rekenen op goed en betaalbaar vervoer naar medische zorg. De fiscale aftrek is een van de instrumenten die daaraan kan bijdragen, maar niet de enige. Indien gebruik wordt gemaakt van ander vervoer dan een auto (niet zijnde een taxi) blijven de werkelijke vervoerskosten aftrekbaar. Onderkend is dat dit niet voor iedereen een optie zal zijn. In dat verband wordt gewezen op andere (vergoedings)mogelijkheden zoals via de Zorgverzekeringswet (Zvw-vervoer)en de Wmo, of via aanvullende regelingen van gemeenten of zorgverzekeraars. Met de vereenvoudiging van de fiscale regeling wordt beoogd dat deze beter aansluit bij het bestaande stelsel van voorzieningen en voor meer mensen begrijpelijk en toepasbaar is.
Voor mensen met relatief hoge vervoerskosten die mogelijk nadeel ondervinden van de forfaitaire regeling, kunnen deze bestaande voorzieningen een aanvullende tegemoetkoming bieden. Deze regelingen zijn niet nieuw, maar bestonden al voorafgaand aan de aanpassing van de fiscale aftrek.
Hoe verhoudt deze aanpassing zich tot het «standstill»-principe uit het VN-Verdrag Handicap, dat stelt dat de positie van mensen met een beperking niet mag verslechteren?
Het kabinet acht de aanpassing in overeenstemming met het VN-verdrag Handicap. Het zogeheten «standstill» principe verplicht staten om geen maatregelen te nemen die leiden tot een verslechtering van de positie van mensen met een beperking.
De wijziging van de regeling beoogt geen verslechtering, maar een vereenvoudiging en verduidelijking van de fiscale ondersteuning. Daarbij is het vaste bedrag voor de zogenoemde leefkilometers verhoogd naar € 925, en is aanvullend € 1 miljoen structureel beschikbaar gesteld. Hierdoor verwacht het kabinet dat de regeling als geheel beter toegankelijk wordt en de doelgroep er per saldo op vooruitgaat. De overige vervoersvoorzieningen via de Zvw en de Wmo blijven ongewijzigd beschikbaar, waardoor het recht op toegankelijk en betaalbaar vervoer behouden blijft.
Zoals ook in de kabinetsreactie op de evaluatie van de regeling is aangegeven, wordt de werking van de aftrek specifieke zorgkosten onderdeel van structurele monitoring en evaluatie. Daarnaast zal bij de herziening van de onbelaste reiskostenvergoeding in 20283 specifiek aandacht worden besteed aan de hoogte van de kilometervergoeding en de vaste bedragen in de fiscale vervoersregeling, waaronder deze aftrekpost.
Bent u bereid om stappen te zetten, waardoor deze achteruitgang voor mensen met een beperking hersteld wordt? Zo ja, wat gaat u hiervoor doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het artikel ‘Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken’ |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Spaarders en woningbeleggers kunnen vermogenstaks eenvoudig ontwijken»1 en het artikel «Al is de leugen nog zo snel ...»2?
Ja.
Klopt het dat een belastingplichtige met veel spaargeld een deel van de box 3-heffing in het overbruggingsstelsel kan ontwijken door rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te laten betalen en in jaren waarin weinig rente wordt uitgekeerd gebruik te maken van de tegenbewijsregeling? Zo ja, ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Bij sommige banken is het mogelijk om via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.3 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Klopt het dat de mogelijkheden tot «belastingoptimalisatie» al bekend waren bij de parlementaire behandeling van de tegenbewijsregeling, zoals het Financieel Dagblad schrijft? Hoe is de Kamer daar destijds over geïnformeerd?
Bij de parlementaire behandeling was bekend dat een keuzeregime altijd tot mogelijkheden voor belastingoptimalisatie leidt. In paragraaf 7.2 van de memorie van toelichting4 bij het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 staat dat in jaren waarin een hoger werkelijk rendement dan het forfaitaire rendement wordt behaald maximaal het forfaitaire rendement kan worden belast. In jaren dat de belastingplichtige een lager rendement behaalt, kan dat lagere werkelijke rendement worden belast. Vervolgens wordt in die paragraaf toegelicht dat dit gedragseffecten zal hebben. Als voorbeeld wordt genoemd dat belastingplichtigen meer vermogensbestanddelen met fluctuerende rendementen zullen aanhouden in plaats van vermogensbestanddelen die gedurende meerdere jaren een stabiel rendement opleveren, omdat op die manier optimaal gebruikgemaakt kan worden van de combinatie van het forfait met mogelijkheid tot tegenbewijs.
Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door huurtermijnen te verkopen, al dan niet aan een eigen bv? Kan dat ook door een huurder simpelweg de huur vooruit te laten betalen?
Hieronder wordt eerst ingegaan op het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen en daarna op vooruitbetaling van de huur.
In de in vraag 1 genoemde berichten wordt de indruk gewekt dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een verkoop van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een verkoop van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder de toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20095 en in de bij dit arrest horende conclusie.6 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.7 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.8 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend «genotsrecht»,9 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,10 hetzij als reguliere schuld.11 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.12 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is «elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen».13 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.14 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.15 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.16 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.17 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.18 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.19 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.20 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.21 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.22 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.23 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.24 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.25 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.26 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.27 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.28 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.29 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
Een verhuurder kan aan zijn huurder vragen om de huur vooruit te betalen met als doel om zo min mogelijk huurinkomsten te laten vallen in een belastingjaar waarin de verhuurder van plan is om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling. Het zal van tevoren niet altijd voorzienbaar zijn voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken. De verhuurder zal dan onder andere een goede inschatting moeten maken van de waardestijging van zijn onroerende zaken, aangezien in de tegenbewijsregeling voor box 3 niet alleen reguliere voordelen maar ook de waardeaanwas van onroerende zaken tot het werkelijke rendement wordt gerekend. Bovendien is het vooruit laten betalen van de huur door een huurder alleen mogelijk als de huurder hiermee akkoord gaat. Huurders hebben hier in principe geen belang bij en zullen ook lang niet altijd de financiële middelen hebben om de huur lange tijd vooruit te betalen. Hierbij is van belang dat box 3 niet van toepassing is bij verhuur aan de eigen bv. In dat geval is namelijk de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van toepassing. Dat betekent dat de inkomsten van de verhuurder niet in box 3, maar in box 1 worden belast.
Bij een vooruitbetaling van de huur voor een langere periode dan een jaar is de nihilwaardering van het genotsrecht van de huurder die voor de meeste huurovereenkomsten geldt, niet meer van toepassing30 en moet de huurder een bezitting in de vorm van een genotsrecht opgeven in box 3. De verhuurder heeft in dat geval in het jaar van de vooruitbetaling niet alleen een regulier voordeel (de vooruitbetaalde huur), maar ook een negatieve vermogensaanwas als gevolg van een waardedaling van zijn vermogen.31 De waarde van het vermogen van de verhuurder neemt vervolgens gedurende de looptijd van de vooruitbetaling steeds toe. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Hoe verklaart u het door het Financieel Dagblad aangehaalde standpunt van de Belastingdienst, waarin zou zijn aangegeven dat de verkoopopbrengst van toekomstige huurtermijnen in het jaar van verkoop in één keer in de belastingheffing meegenomen dient te worden? Hoe is dit standpunt volgens u verenigbaar met de uitspraak dat hiermee geen belasting kan worden ontweken?
Het is niet helemaal duidelijk welk standpunt wordt bedoeld. Vlak voor de publicatie in het Financieel Dagblad is door de Belastingdienst een kennisgroepstandpunt gepubliceerd over de verkoop van toekomstige termijnen (nummer KG:213:2025:9 over de verkoop van een royaltystroom32 Dit standpunt gaat echter over de vennootschapsbelasting en niet over box 3.
Welke mogelijkheden ziet u om belastingontwijking in het overbruggingsstelsel box 3 door te schuiven met huuropbrengsten tegen te gaan?
Hoe kijkt u naar de stelling van de heer E. van Uunen dat voor de overbruggingswet box 3 niet het kasstelsel zou moeten worden gehanteerd, maar het matching-beginsel? Klopt het dat de beschreven ontwijkingsroutes dan niet mogelijk zouden zijn? Welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Er is overgangsrecht opgenomen in het toekomstige stelsel voor box 3 (Wet werkelijk rendement box 3) dat aan de ene kant als doel heeft om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan en aan de andere kant moet voorkomen dat er een dubbele heffing plaatsvindt. In het kader van de berichtgeving en deze Kamervragen is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.33 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
Klopt het dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt zijn reguliere inkomsten in de eerste jaren van het nieuwe stelsel voor box 3 (onder de Wet werkelijk rendement) kan minimaliseren door toekomstige huurtermijnen te verkopen of huur vooruit te laten betalen, waardoor het voordeel wordt genoten onder het overbruggingsstelsel en dus over het forfaitair rendement belasting kan worden betaald in plaats van over het werkelijk rendement? Ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Dit is in het kader van het tegengaan van belastingontwijking niet nodig. Het zou wel negatieve gevolgen hebben voor het doenvermogen en de uitvoerbaarheid. Gebruikmaken van de WOZ-waarde sluit aan bij de huidige systematiek van box 3 en is eenvoudig voor zowel de belastingplichtige als voor de Belastingdienst.
Vindt u het wenselijk om de waarde in het economische verkeer van vastgoed te hanteren als inbrengwaarde in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028, in plaats van de WOZ-waarde, zoals betoogd wordt in het genoemde artikel in het Weekblad voor fiscaal recht? Is deze optie uitvoerbaar, en welke voor- en nadelen zou dit volgens u hebben?
Het bericht dat spaarders en woningbeleggers de vermogenstaks eenvoudig kunnen ontwijken |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u reageren op de in het geciteerde bericht beschreven ontwijkingsroutes en kunt u de constatering bevestigen dat deze scenario’s daadwerkelijk kunnen worden als resultaat van de invoering van de nieuwe box 3-heffing?1
In het geciteerde bericht worden twee scenario’s in box 3 beschreven, namelijk de mogelijkheid om de huur van enkele jaren te cederen en de mogelijkheid om een rentetermijn in december te laten uitbetalen in plaats van in januari. Hieronder wordt eerst ingegaan op de cessie van huurtermijnen en daarna op de rentebetaling.
In het geciteerde bericht wordt de indruk gewekt dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een cessie van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn. Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een cessie van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement over de looptijd van de cessie wordt verdeeld. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
Een recht van een verhuurder op toekomstige huurtermijnen is een toekomstige vordering van die verhuurder op een huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Het verkopen van een recht op toekomstige huurtermijnen vindt plaats door middel van een cessie. Dit is een juridische term voor het overdragen van een vordering. Toekomstige vorderingen kunnen bij voorbaat worden gecedeerd. Indien de verhuurder deze toekomstige vordering cedeert, wordt het recht op huurtermijnen door de verhuurder overgedragen aan een nieuwe schuldeiser (de cessionaris). Na een zogenoemde openbare cessie betaalt de huurder de huurtermijnen voortaan aan de cessionaris. De verhuurder ontvangt na de cessie gedurende de overeengekomen periode (bijvoorbeeld een aantal jaren) geen huurtermijnen meer van de huurder. In ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering betaalt de cessionaris een vergoeding (overdrachtsprijs) aan de verhuurder. Bij een zakelijke transactie zal de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Een zogenoemde stille cessie is ook mogelijk. In dat geval betaalt de huurder na de cessie aan de verhuurder en heeft de verhuurder de verplichting om de door de huurder betaalde bedragen meteen door te betalen aan de cessionaris. De verhuurder mag de huurtermijnen niet zelf houden; hij heeft alleen nog maar een kassiersfunctie. Ook bij stille cessie betaalt de cessionaris in ruil voor het overdragen van de toekomstige vordering een overdrachtsprijs aan de verhuurder. Ook hier zal bij een zakelijke transactie de overdrachtsprijs gelijk zijn aan de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen. Voor de fiscale gevolgen maakt het derhalve in beginsel geen verschil of sprake is van een openbare cessie of een stille cessie.
De gevolgen van een cessie van huurtermijnen voor het forfaitaire box 3-stelsel komen aan de orde in een arrest van de Hoge Raad uit 20092 en in de bij dit arrest horende conclusie.3 De Hoge Raad wijdt één overweging aan box 3, waaruit blijkt dat een cessie van huurtermijnen bij de verhuurder leidt tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen.4 In de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest wordt uitgebreider op box 3 ingegaan.5 Volgens de conclusie wordt de verlaging van de grondslag van de box 3-heffing veroorzaakt doordat de cessie van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend «genotsrecht»,6 hetzij als met de bezitting samenhangende schuld,7 hetzij als reguliere schuld.8 Gelet op de ruime definitie van genotsrechten die voor de inkomstenbelasting wordt gehanteerd, gaat de Advocaat-Generaal er in de conclusie van uit dat er sprake is van een waardedrukkend persoonlijk genotsrecht.9 De definitie van een genotsrecht voor de inkomstenbelasting is «elke gerechtigdheid tot voordelen uit goederen».10 Deze definitie is van toepassing bij een cessie van toekomstige huurtermijnen, aangezien het recht op toekomstige huurtermijnen een gerechtigdheid tot voordelen is (en uiteraard een onroerende zaak een goed is). Volgens de parlementaire geschiedenis is de definitie van een genotsrecht een ruime, materieel geformuleerde omschrijving die niet beperkt is tot bijvoorbeeld het recht van vruchtgebruik of andere beperkte zakelijke rechten uit het Burgerlijk Wetboek.11 Deze definitie geldt niet alleen voor het forfaitaire systeem, maar ook voor het bepalen van het werkelijke rendement in box 3. De verkoop van toekomstige huurtermijnen leidt in box 3 dus zowel bij het bepalen van het forfaitaire rendement als bij het bepalen van het werkelijke rendement tot de vestiging van een genotsrecht op de onroerende zaak. Hierna wordt nader toegelicht wat de precieze gevolgen zijn van de vestiging van dit genotsrecht voor het bepalen van het werkelijke rendement van de verhuurder. Voor de volledigheid wordt ook ingegaan op het werkelijke rendement van de cessionaris. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat zowel de verhuurder als de cessionaris box 3-belastingplichtigen zijn.
Een recht op toekomstige huurtermijnen is een bezitting in box 3.12 De verkoop van een recht op toekomstige huurtermijnen is dus de verkoop van een bezitting. Als gevolg van deze verkoop ontstaat een genotsrecht op de onroerende zaak, dit leidt tot een waardedaling van de onroerende zaak en dus ook tot een waardedaling van het box 3-vermogen van de verhuurder.13 Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.14 Bij het bepalen van de vermogensaanwas wordt het saldo van bezittingen en schulden vermeerderd met de onttrekkingen.15 De waardedaling op het tijdstip van de cessie heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.
De overdrachtsprijs die de verhuurder ontvangt in ruil voor de verkoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verhoogt op het tijdstip van de betaling bij de verhuurder de banktegoeden. Hetzelfde bedrag wordt bij het bepalen van het werkelijke rendement als storting in aanmerking genomen, waardoor op het tijdstip van deze betaling (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.16 De overdrachtsprijs die wordt betaald bij de verkoop van een bezitting is geen regulier voordeel. In de tegenbewijsregeling voor box 3 staat: de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden.17 De bron waaruit reguliere voordelen worden getrokken bestaat dus uit alle bezittingen en schulden in box 3. De verkoop van een bezitting leidt ertoe dat de bron niet in stand blijft en er dus geen sprake is van een regulier voordeel.18 In een vermogenswinstbelasting zou de verkoop van een bezitting (zoals bijvoorbeeld de vestiging van een genotsrecht) tot een vervreemdingsvoordeel leiden.19 Bij een vermogensaanwassystematiek moeten de gevolgen voor de vermogensaanwas worden bepaald. Alhoewel er op het tijdstip van de betaling van de overdrachtsprijs geen sprake is van vermogensaanwas, ontstaat er bij de verhuurder wel een jaarlijkse vermogensaanwas als gevolg van de cessie. Dat komt doordat de waarde van het genotsrecht gedurende de looptijd van de cessie afneemt totdat deze eindigt op nihil.20 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een waardestijging van de onroerende zaak en daarmee ook tot een waardestijging van het box 3-vermogen van de verhuurder. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Na de cessie bezit de cessionaris een genotsrecht, waardoor het box 3-vermogen van de cessionaris in waarde stijgt. Deze waardestijging is het directe gevolg van het tot het box 3-vermogen gaan behoren van een bezitting en vormt daarom een storting.21 Daardoor is op het tijdstip van de vestiging van het genotsrecht (nog) geen sprake is van vermogensaanwas.22 De overdrachtsprijs die de cessionaris betaalt voor de aankoop van het recht op toekomstige huurtermijnen, verlaagt op het tijdstip van de betaling bij de cessionaris de banktegoeden. Deze waardedaling is het directe gevolg van het niet meer tot het box 3-vermogen behoren van een bezitting en vormt daarom een onttrekking.23 De waardedaling op het tijdstip van de betaling heeft daarom niet tot gevolg dat er sprake is van negatieve vermogensaanwas.24 De huurtermijnen die de cessionaris periodiek ontvangt van de huurder (bij een openbare cessie) of van de verhuurder (bij een stille cessie) zijn reguliere voordelen.25 Daarnaast zal het genotsrecht van de cessionaris in de loop van de tijd in waarde afnemen tot nihil.26 De waardedaling van het genotsrecht leidt tot een daling van het box 3-vermogen van de cessionaris. Deze waardedaling wordt jaarlijks in de heffing betrokken als negatieve vermogensaanwas.
In het kader van de cessie van huurtermijnen wordt in het geciteerde bericht aandacht gevraagd voor het overgangsrecht dat geldt bij de invoering van het toekomstige stelsel voor box 3. Om die reden is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is, aangezien in de bepaling over de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 een verwijzing naar het artikel over genotsrechten ontbreekt. Zoals al is aangekondigd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, zal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet, waarin wetstechnische wijzigingen worden voorgesteld die nodig zijn in het kader van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.27 In deze aanpassingswetgeving zal een aanpassing worden opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen. Daardoor zal het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten in aanmerking worden genomen bij het bepalen van deze inbrengwaarde.
De tweede route die in het geciteerde bericht wordt genoemd, betreft de rente die wordt ontvangen op spaarrekeningen. Het is niet uitgesloten dat er belastingplichtigen zullen zijn die via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren. Dit is echter niet altijd het geval. Belastingplichtigen kunnen namelijk alleen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling als het totale werkelijke rendement van hun hele box 3-vermogen lager is dan het forfaitaire rendement. Het rendement op beleggen is in de regel hoger dan het rendement op sparen, waardoor het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed zal hebben op het totale werkelijke rendement in box 3. Ook is van tevoren niet voorzienbaar voor belastingplichtigen hoe hoog hun totale werkelijke rendement in box 3 het komende jaar zal zijn en in welk jaar het gunstig zal zijn om van de tegenbewijsregeling gebruik te maken.
Op dit moment kunnen belastingplichtigen in box 3 elk jaar kiezen tussen heffing over het forfaitaire rendement of over het werkelijke rendement. Een keuzeregime leidt altijd tot mogelijkheden tot belastingoptimalisatie. Belastingplichtigen met hogere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen kiezen voor het forfaitaire stelsel en belastingplichtigen met lagere werkelijke rendementen dan de forfaitaire rendementen zullen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Het kabinet wil daarom per 1 januari 2028 een stelsel op basis van werkelijk rendement invoeren. Daarin is geen keuzeregime meer opgenomen. Inmiddels is het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ingediend bij uw Kamer en is ook de nota naar aanleiding van het verslag met uw Kamer gedeeld.28 Om 1 januari 2028 te halen, is het noodzakelijk dat het wetsvoorstel op korte termijn behandeld wordt en uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen in de Tweede Kamer.
Op welke schaal vermoedt u dat beleggers gebruik zullen maken van de beschreven mogelijkheden om belasting te ontwijken? Hoeveel euro kost dit de schatkist?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is toegelicht, is de in het geciteerde bericht beschreven ontwijkingsroute voor beleggers met betrekking tot de cessie van huurtermijnen niet mogelijk. Het eerder laten uitbetalen van één rentetermijn van een spaarrekening zal in geval van aanwezige beleggingen relatief weinig invloed hebben op het totale werkelijke rendement in box 3.
Kunt u reageren op de twijfel die fiscalisten hebben bij de zienswijze van het Ministerie van Financiën dat met de verkoop van huurtermijnen geen belasting in box 3 kan worden ontweken en bent u bereid dit nader uit te laten zoeken, zodat aan de voorkant duidelijkheid bestaat over deze constructie om te voorkomen dat mensen achteraf bij de rechter gelijk krijgen?
De zienswijze van het Ministerie van Financiën is voorafgaand aan de beantwoording van deze Kamervragen nog niet uitgebreid toegelicht. Er is voor gekozen om de benodigde duidelijkheid te verschaffen door bij de beantwoording van vraag 1 een uitgebreide onderbouwing te geven van de fiscaal-juridische gevolgen in box 3 van een cessie van huurtermijnen.
Deelt u de mening dat het ongeacht de schaal onacceptabel is dat de beschreven ontwijkingsroutes mogelijk worden met de invoering van de nieuwe box-3 heffing?
Er is voor de tegenbewijsregeling in box 3 geen reparatiewetgeving nodig. Een uitgebreide toelichting hierop is opgenomen in het antwoord op vraag 1. In het antwoord op vraag 1 wordt ook toegelicht dat in een separaat wetgevingstraject voor de aanpassingswetgeving in verband met het toekomstige stelsel een aanpassing wordt opgenomen met betrekking tot de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 om de nu nog ontbrekende verwijzing naar het artikel over genotsrechten toe te voegen.
Deelt u de bevindingen uit het artikel dat de mogelijkheid voor beleggers om belasting te ontwijken bij de invoering van de nieuwe box 3-heffing lastig te ondervangen is? Zo ja, wat maakt het moeilijk?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat de wetgever een lek in het belastingstelsel aan de voorkant zou moeten repareren? Zo ja, hoe bent u dit van plan te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid een externe fiscaal-juridische analyse uit te laten voeren over de mogelijkheid van beschreven constructies en oplossingen in kaart te laten brengen om deze te mitigeren?
Ik neem signalen over fiscale constructies serieus en artikelen over belastingontwijkingsmogelijkheden worden op het Ministerie van Financiën zorgvuldig bestudeerd. Er is geen aanleiding voor het inhuren van een externe adviseur.
Het toevoegen van agri-PV aan landbouwgrond. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de landelijke overheid agri-PV, een techniek die landbouwgrond combineert met zonnepanelen om zowel duurzame energie op te wekken als voedsel te produceren, dient te stimuleren?
Agri-PV is een combinatie van landbouw en het opwekken van zonne-energie waarbij een zonnepark wordt aangelegd op de aanwezige cultuurgrond. Agri-pv kan bijdragen om de doelen op het gebied van energietransitie te behalen. Daarbij is volgens het kabinet van belang dat hiervoor de meest passende beleidsinstrumenten ingezet worden, zoals bijvoorbeeld subsidieregelingen.
Klopt het dat de Belastingdienst bij het toekennen van de landbouwvrijstelling een interpretatie hanteert waarbij enkel landbouwgrond die voor 90% dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling?
Ja, dat klopt. De waardeverandering van landbouwgrond die geheel of nagenoeg geheel dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf komt in aanmerking voor de landbouwvrijstelling.1 Dat de grond geheel of nagenoeg geheel dienstbaar moet zijn aan het eigen landbouwbedrijf volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad.2 In percentages uitgedrukt betekent dit dat de grond voor minimaal 90% wordt aangewend in het kader van het landbouwbedrijf.
Voor de toepassing van de landbouwvrijstelling wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op – kort gezegd – het voortbrengen van producten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw, of op het in het kader van de veehouderij fokken, mesten of houden van dieren.3
Klopt het dat alleen grond die nimmer ten behoeve van zonnepanelen gebruikt wordt in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling?
Het is afhankelijk van de feitelijke situatie of de landbouwvrijstelling kan worden toegepast. Zoals in antwoord 2 aangegeven, komt de waardeverandering van landbouwgrond die geheel of nagenoeg geheel (dus voor ten minste 90%) wordt aangewend in het kader van het eigen landbouwbedrijf in aanmerking voor de landbouwvrijstelling. Het opwekken van energie valt niet onder de wettelijke definitie van het landbouwbedrijf.
Voor grond in gemengd gebruik – bijvoorbeeld wanneer op het gehele perceel zonnepanelen zijn geplaatst waar schapen onder de panelen door kunnen lopen – geldt dat deze grond niet in aanmerking komt voor toepassing van de landbouwvrijstelling. In deze situatie kan namelijk niet worden voldaan aan de voorwaarde dat de landbouwgrond geheel of nagenoeg geheel wordt aangewend in het kader van het landbouwbedrijf. Als de funderingspalen en de zonnepanelen bijvoorbeeld op een (aparte) strook van het perceel zijn geplaatst, dan wordt, voor de bepaling of de grond geheel of nagenoeg geheel in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt, gekeken naar het feitelijke gebruik per vierkante meter en niet naar het perceel in het geheel. In de regel zal gekeken worden naar de oppervlakte van het perceel dat in gebruik is voor agrarische doeleinden en de oppervlakte van het perceel dat niet in gebruik is voor agrarische doeleinden. De grond waarop funderingspalen en zonnepanelen zijn geplaatst komen niet in aanmerking voor de landbouwvrijstelling, omdat de productie van energie niet onder de wettelijke definitie van landbouwbedrijf valt. Het laten grazen van dieren onder de panelen doet daar – zoals hiervoor aangegeven – niet aan af. De grond wordt dan gemengd gebruikt en daarmee kan niet meer worden voldaan aan de voorwaarde dat de grond geheel of nagenoeg geheel wordt aangewend in het kader van het eigen landbouwbedrijf.
Afhankelijk van de situatie is het mogelijk dat een deel van het perceel in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling, wanneer voor dat deel wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in de wet. Zo komt de cultuurgrond die niet ten behoeve van de zonnepanelen wordt gebruikt normaliter in aanmerking voor de toepassing van de landbouwvrijstelling (mits ook wordt voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden). De eigenaar van de grond, de agrarische ondernemer, beschikt over de gegevens die kunnen dienen om vast te stellen of de grond geheel of nagenoeg geheel dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beschikt over gegevens die zijn aangeleverd door de agrarische ondernemers zelf. Deze gegevens worden ingevoerd voor de gecombineerde opgave, de zogenoemde meitelling, ten behoeve van onder andere subsidieaanvragen. De agrarische ondernemer geeft hiermee aan hoeveel grond hij in gebruik heeft voor agrarische doeleinden. Een van de vragen in dit formulier is of er energieproductie plaatsvindt op zijn landbouwgrond. Als de agrariër funderingspalen en zonnepanelen op het perceel heeft, dient hij hiermee rekening te houden bij het aanleveren van gegevens bij RVO. Deze gegevens zijn ook bij de Belastingdienst bekend.
Hoe wordt überhaupt vastgesteld welk percentage van het perceel agrarisch wordt benut?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt de ruimte onder eventuele zonnepanelen meegenomen als grond dienstbaar aan het eigen landbouwbedrijf/hoofdactiviteit van de agro-ondernemer?
Zoals in de antwoorden 3 en 4 aangegeven is het afhankelijk van de feitelijke situatie of kan worden voldaan aan de voorwaarde dat de grond geheel of nagenoeg geheel gebruikt wordt in het kader van het landbouwbedrijf. Voor de grond waarop de funderingspalen en de zonnepanelen zijn geplaatst geldt dat deze niet wordt gebruikt in het kader van het landbouwbedrijf, maar dat de grond dient voor de productie van energie. Dat geldt in beginsel ook voor de ruimte onder de zonnepanelen, daarbij wordt de feitelijke situatie beoordeeld.
Zo nee, waarom kan voor de vrije grond onder de zonnepanelen geen beroep worden gedaan op de landbouwvrijstelling?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom wordt er geen onderscheid gemaakt tussen de vrije grond onder de zonnepanelen en funderingspalen bij een aanvraag voor toekenning van de landbouwvrijstelling?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat het toevoegen van agri-PV aan landbouwgrond, als waardevolle bijdrage in de energietransitie, voortaan geen negatieve fiscale effecten meer heeft voor boeren?
Het ligt niet voor de hand om de reikwijdte van de landbouwvrijstelling te verbreden waardoor naast de waardeverandering van de grond bij voorzetting van de aanwending ervan in een landbouwbedrijf ook de waardeverandering als gevolg van de exploitatie van een zonnepark is vrijgesteld. Een verruiming past niet bij het doel van de landbouwvrijstelling, draagt bij aan een verdere complexiteit van het belastingstelsel (afbakeningsproblematiek) en heeft budgettaire consequenties. Bovendien vergt een verruiming een wetswijziging en dit is op korte termijn niet te realiseren. De landbouwvrijstelling is vorig jaar geëvalueerd als niet doeltreffend en niet doelmatig. Het ligt in dat kader niet voor de hand om deze regeling verder uit te breiden naar andere activiteiten, waar deze regeling vanuit zijn oorsprong niet voor is bedoeld. Tot slot zal bij verruiming van de regeling afstemming met de Europese Commissie noodzakelijk zijn over de vraag of een dergelijke verruiming van de landbouwvrijstelling tot (ongeoorloofde) staatssteun leidt.
Verhuisberichten die niet goed doorkomen bij de Belastingdienst waardoor ondernemers in de financiële problemen komen |
|
Raoul White (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met ondernemers die hun verhuizing doorgeven aan de Kamer van Koophandel, waarna dit niet goed wordt doorgegeven aan de Belastingdienst en deze ondernemers in de financiële problemen komen?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeveel gevallen dit probleem zich de afgelopen jaren heeft voorgedaan en of dit structureel voorkomt?
Jaarlijks zijn er honderdduizenden adreswijzigingen die tussen de Kamer van Koophandel (KVK) en de Belastingdienst worden uitgewisseld. Daarbij kan het in een zeer beperkt aantal gevallen voorkomen dat er fouten, incidenteel onjuiste koppelingen of verwerkingen, ontstaan door een technische verstoring of menselijke fout. Zowel bij de Belastingdienst als KVK bestaan procedures om eventuele onjuiste koppelingen, verstoringen en fouten te herstellen. Gezien het kleine aantal gevallen en de bestaande procedures is het niet aan de orde om hier onderzoek naar te doen.
KVK en de Belastingdienst informeren elkaar over fouten die vermoedelijk toe te schrijven zijn aan een niet of onjuist verwerkte wijziging in de registratie. Dit vindt op ad hoc basis plaats via de wederzijdse aanspreekpunten. De analyse van het signaal kan leiden tot een aanpassing in de registratie, een herstelactie en/of verbetertraject om een dergelijke fout te voorkomen. Eventueel neemt de Belastingdienst contact op met de belastingplichtige – indien de contactgegevens bekend zijn – over de onjuiste registratie. Daarnaast geldt voor de Belastingdienst de terug meldplicht als er gerede twijfel is over de juistheid van een authentiek gegeven in het Handelsregister (bij KVK).
Hoe kan het dat een adreswijziging die bij de Kamer van Koophandel is doorgegeven niet correct wordt verwerkt bij de Belastingdienst?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de bankrekening van ondernemers in specifieke situaties geblokkeerd kan worden, ook als de oorzaak ligt bij een fout van de Belastingdienst of de Kamer van Koophandel? Zo ja, vindt u dat proportioneel?
Een ondernemer is zelf verantwoordelijk om de door hem verschuldigde loonheffingen en omzetbelasting tijdig op aangifte te voldoen. Als tijdige en volledige betaling op aangifte uitblijft, legt de Belastingdienst een naheffingsaanslag op. Als een aanslag niet binnen de daarvoor geldende termijn wordt betaald, ontvangt de ondernemer een aanmaning1 met het verzoek om alsnog binnen twee weken te betalen. Als daar geen gehoor aan wordt gegeven, volgt een dwangbevel met een laatste verzoek om te betalen. Als de ondernemer zijn schuld dan nog niet betaalt, kan de Belastingdienst verdere stappen ondernemen, zoals het leggen van een (vereenvoudigd) beslag op een bankrekening. Hierbij kan het saldo worden geblokkeerd door de bank.
De Belastingdienst heeft in de fase tot aan een beslaglegging verschillende contactmomenten ingebouwd, om de ondernemer te vragen zijn schuld te betalen. Er wordt handelingsperspectief geboden door te wijzen op de mogelijkheid om uitstel van betaling aan te vragen. Van een ondernemer mag worden verwacht dat hij zelf een van deze contactmomenten – die zich uitstrekken over een periode van gemiddeld acht weken – aangrijpt om te betalen of om uitstel van betaling te verzoeken. Daarmee wordt beslaglegging voorkomen.
Als een ondernemer wordt geconfronteerd met een beslag en hij heeft geen voorafgaande aanslag, aanmaning of dwangbevel ontvangen, kan hij het beste zo snel mogelijk contact opnemen met de Belastingdienst. Dan wordt nagegaan of er onverhoopt iets mis is gegaan bij de verzending. Als dat het geval is, wordt het beslag uiteraard opgeheven.
Vindt u het redelijk dat ondernemers na opheldering alsnog dagen tot weken geen toegang hebben tot hun eigen geld?
De Belastingdienst streeft er naar om de ontstane situatie zo kort mogelijk voor belastingplichtigen te laten duren. Wanneer er sprake is van een urgente en/of schrijnende situatie of als die dreigt te ontstaan, kan de belastingplichtige contact opnemen met het Stellateam van de Belastingdienst. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4, wordt het beslag opgeheven wanneer is gebleken dat de ondernemer geen aanslag, aanmaning of dwangbevel heeft ontvangen en er iets mis is gegaan bij de verzending.
Onderschrijft u het feit dat dit voor ondernemers een zeer frustrerende en stressvolle situatie kan zijn, waarin zij zich machteloos voelen tegenover deze instanties?
Ik kan mij goed voorstellen dat een dergelijke situatie stressvol kan zijn voor een ondernemer. Een ondernemer kan op elk moment contact opnemen met de Belastingdienst wanneer een urgente of schrijnende situatie ontstaat of dreigt te ontstaan.
Hoe kunnen de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst ervoor zorgen dat dit soort administratieve fouten in de toekomst worden voorkomen?
Tussen de Belastingdienst en KVK vinden reguliere overleggen plaats. Ik heb de Belastingdienst gevraagd om aan het onderwerp adresmutaties extra aandacht te besteden in overleg met KVK, om eventuele fouten in de gegevensoverdracht nog verder te verkleinen in dit massale proces van adresmutaties.
Welke mogelijkheden bestaan er voor ondernemers om compensatie of schadevergoeding te krijgen wanneer zij door een administratieve fout van de Belastingdienst of de Kamer van Koophandel financiële schade lijden?
Als een administratieve fout van de Belastingdienst leidt tot een onjuiste vaststelling van een aanslag of beschikking, dan staan hier bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen open. Lijdt een belastingplichtige anderszins schade door een fout van de Belastingdienst, dan komt deze schade voor vergoeding in aanmerking als wordt voldaan aan de civielrechtelijke vereisten voor een schadevergoeding. Hiervoor is onder meer van belang of sprake is van een onrechtmatige (overheids)daad, van geleden schade en van een causaal verband tussen die schade en de fout van de Belastingdienst. Dit zal van geval tot geval moeten worden bezien, waarbij de bewijslast bij de belastingplichtige ligt. Heeft een belastingplichtige dergelijke schade geleden dan kan deze een verzoek tot schadevergoeding indienen bij de Belastingdienst.
Voor fouten binnen het domein van KVK geldt hetzelfde als hierboven beschreven voor de Belastingdienst.
Hoe worden ondernemers momenteel geïnformeerd over de status van hun adreswijziging en de verwerking daarvan door de Belastingdienst?
Na een adreswijziging stuurt KVK altijd een bevestigingsbrief aan de betrokken ondernemer. Als er sprake is van een online mutatie, dan stuurt KVK statusupdates aan de indiener.
Daarnaast kan de belastingplichtige controleren of de adreswijziging is verwerkt door in te loggen in het «Mijn Belastingdienst Zakelijk» portaal om te zien of het adres daar correct staat genoteerd.
Wordt er binnen de Belastingdienst en de Kamer van Koophandel actief gemonitord of doorgegeven gegevens correct worden verwerkt? Zo nee, waarom niet?
KVK levert doorlopend informatie uit het Handelsregister aan de Belastingdienst via gegevensleveringen. De Belastingdienst controleert of alle in het Handelsregister geregistreerde ondernemingen en rechtspersonen bekend zijn in de klantenadministratie. Als gegevens in het Handelsregister niet overeenkomen met gegevens waarover de Belastingdienst beschikt, dan wordt hierop actief teruggemeld. Er is geen specifieke controle op de correcte verwerking van de adresgegevens die de KVK aan de Belastingdienst doorgeeft. Het uitsluiten van fouten is vanzelfsprekend wenselijk, echter gezien de incidentele aard van de fouten, waartoe reeds procedures zijn ingericht om deze spoedig mogelijk op te lossen, en de enorme hoeveelheid aan gegevensuitwisseling is dit niet realiseerbaar.
Bent u bereid maatregelen te treffen om de communicatie en samenwerking tussen de Belastingdienst, de Kamer van Koophandel en banken te verbeteren, zodat ondernemers niet de dupe worden van administratieve fouten?
Zoals beschreven in antwoord 7 hebben de Belastingdienst en KVK regulier overleg en zal de komende periode extra aandacht worden besteed aan de adresmutaties.
Hoe wordt voorkomen dat ondernemers in de tussentijd – door foutieve blokkades of achterstanden – boetes, rente of andere kosten moeten betalen?
Rente en kosten worden in rekening gebracht wanneer het volledige verschuldigde bedrag niet tijdig is ontvangen door de Belastingdienst. Wanneer blijkt dat deze ten onrechte in rekening zijn gebracht worden deze gecorrigeerd en in mindering gebracht.
Acht u het wenselijk om een spoedprocedure in te richten voor ondernemers die door administratieve fouten geen toegang hebben tot hun zakelijke rekening, zodat blokkades sneller kunnen worden opgeheven?
Wanneer bij een belastingplichtige een aantoonbare schrijnende situatie dreigt te ontstaan, kan de belastingplichtige contact opnemen met de Belastingdienst voor een maatwerkoplossing. Zoals aangegeven is in antwoord op vraag 4, wordt het beslag opgeheven wanneer is gebleken dat de ondernemer geen aanslag, aanmaning of dwangbevel heeft ontvangen en er iets mis is gegaan bij de verzending.
Het rapport 'Rechtsbescherming in het geding – Onderzoek informatieverstrekking aan de rechter, deel 2' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Hoe duidt u de constatering dat er binnen de Belastingdienst een cultuur heerst waarin het «winnen van de zaak» prevaleert boven het eerlijk en volledig informeren van rechter en burger?1
Zoals ik ook in de kabinetsreactie op het IBTD-rapport heb aangegeven, vind ik het belangrijk om de bevindingen van de Inspectie in context te plaatsen. Op basis van een vijftal casussen constateert de IBTD dat zij een (proces)houding ziet bij medewerkers van «willen winnen». Echter, zo constateert de IBTD zelf ook, op basis van vijf casussen kunnen geen generieke uitspraken worden gedaan over de Belastingdienst. Dat onderschrijf ik.
Daarbij moet worden opgemerkt dat «op de zaak betrekking hebbende stukken», zoals geformuleerd in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een open norm is. De wetgever heeft het begrip niet nader ingevuld. De Belastingdienst spant zich bij iedere (hoger) beroepsprocedure – waarvan er jaarlijks ongeveer zesduizend worden ingesteld – in om te voldoen aan die open norm en de geldende jurisprudentie. Soms oordeelt de rechter dat de Belastingdienst in een concreet geval art. 8:42 Awb niet juist heeft toegepast. Die uitspraken dragen bij aan de rechtsontwikkeling van het begrip «op de zaak betrekking hebbende stukken», waardoor incidenten waarbij niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter worden verstrekt, verder worden voorkomen.
Onderschrijft u de conclusie dat de Belastingdienst structureel tekortschiet in de informatieverstrekking aan de rechter, waardoor de rechtsbescherming van burgers in het geding komt?
In het eerste deel van haar onderzoek spreekt de Inspectie over incidenten waarbij stukken ten onrechte niet of niet tijdig aan de rechter worden verstrekt.5 In het tweede deel, dat op 2 september jl. is gepubliceerd, verwijst de IBTD naar 168 rechtszaken6 in de periode tussen 1 januari 2022 en 20 oktober 2023 waarbij de informatieverstrekking aan de rechter onderdeel was van het geschil. In vergelijking worden er jaarlijks zo’n zesduizend (hoger) beroepsprocedures ingesteld waarbij de Belastingdienst optreedt als procespartij. In het merendeel van die procedures is de informatieverstrekking van de Belastingdienst aan de rechter dan ook geen onderwerp van geschil. In de kabinetsreactie op het rapport spreek ik de suggestie die uitgaat van de titel van het IBTD-rapport dat de rechtsbescherming van burgers en bedrijven in het geding zou zijn, dan ook tegen.
Daarbij bestrijd ik dat de Belastingdienst structureel tekortschiet in de informatieverstrekking aan de rechter. Het gaat om incidenten waarbij stukken ten onrechte niet of niet tijdig aan de rechter worden verstrekt. Om deze incidenten te allen tijde te voorkomen heeft de Belastingdienst mede naar aanleiding van het eerste onderzoek verbetermaatregelen getroffen. Die heb ik in de kabinetsreactie nader toegelicht. Ook heb ik toegezegd dat de Belastingdienst zelf onderzoek doet naar de meest recente casussen om een actueel beeld te krijgen van de huidige praktijk en het effect van de implementatie van de verbeteracties. Daarover wordt uw Kamer in een stand-van-zakenbrief Belastingdienst geïnformeerd.
Wat gaat u doen aan de constatering van de Inspectie Belastingen, Toeslagen en Douane dat de informatiehuishouding van de Belastingdienst niet op orde is (meerdere systemen, conversieproblemen, ontbrekende e-mails), waardoor de informatieverstrekking aan de rechter en burgers en bedrijven in het geding komt?
Het programma Informatie Op Orde (IOO) van de Belastingdienst levert een belangrijke bijdrage aan de strategische doelstelling om de basis van de Belastingdienst verder op orde te brengen. De planning is om het programma eind 2026 af te ronden zodat de randvoorwaarden zijn ingevuld om de basis op orde te hebben. Het op orde houden van de informatiehuishouding zal voortdurend de aandacht blijven vragen. Daarom heeft het programma IOO een brede bewustwordingscampagne gelanceerd onder medewerkers.
Verder is op 22 augustus een nieuw systeem in gebruik genomen: het Generieke platform voor Document- en Archiefbeheer (GDA). Samen met de keten Omzetbelasting is daarmee de eerste aansluiting op GDA gerealiseerd. De keten Schenk- en Erfbelasting wordt deze week aangesloten op GDZ. Documenten worden na opmaak en verzending automatisch gearchiveerd in GDA. Geautoriseerde gebruikers van de keten kunnen zo eenvoudig de verzonden documenten opzoeken en inzien.
Medewerkers van de Belastingdienst worden met deze nieuwe, centrale voorziening ondersteund bij het verder op orde brengen van hun informatiehuishouding. Dit systeem helpt om ontvangen en verzonden documenten automatisch op te slaan en terug te vinden. Medewerkers kunnen zo gemakkelijk de juiste documenten opzoeken en veilig duurzaam archiveren. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet richting een toekomstbestendige informatievoorziening die voldoet aan wet- en regelgeving, waaronder de Modernisering Elektronisch Berichtenverkeer, de Keuzeregeling Elektronisch Berichtenverkeer en de in 2025 aangenomen nieuwe Archiefwet.
Voor het archiveren van e-mails bestaan werkinstructies en de Belastingdienst werkt aan een centrale voorziening voor e-mailarchivering.
Welke (directe) gevolgen verbindt u aan de bevinding dat artikel 8:42 Awb door de Belastingdienst te beperkt wordt toegepast?
Mede naar aanleiding van het eerste rapport van de IBTD heeft de Belastingdienst verbeteracties doorgevoerd om de informatieverstrekking aan de rechter te verbeteren. De werkinstructie over het verstrekken van op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechter is aangepast. Er worden sessies georganiseerd, bestaande uit een e-learning en workshops, die bijdragen aan de bewustwording over inzagerecht en transparantie onder medewerkers. En binnen het programma IOO lopen diverse initiatieven om de informatiehuishouding van de Belastingdienst verder te verbeteren.
De IBTD heeft geen onderzoek gedaan naar die verbeteracties, maar vijf casussen onderzocht die dateren van daarvóór. In de kabinetsreactie heb ik daarom een analyse aangekondigd naar de verbeteracties die de Belastingdienst heeft doorgevoerd. Deze analyse moet het gebruik van de werkinstructies, de verschillende sessies en andere hulpmiddelen voor medewerkers inzichtelijk maken. Over de uitkomsten van die analyse naar de verbeteracties en daaruit voortvloeiende maatregelen wordt uw Kamer geïnformeerd in een stand-van-zakenbrief Belastingdienst.
Herinnert u zich uw antwoord op de motie Inge van Dijk over een onderzoek naar de meerwaarde van het inrichten van een team monitoring hoger beroep (Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1463, bijlage 2025D09381)?
Ja.
Herinnert u zich de vraag dat uw onderzoek naar doorprocederen «aan het licht gebracht dat de Belastingdienst geen of weinig kwalitatieve informatie heeft over de afwegingen van de inspecteur om al dan niet in hoger beroep te gaan»? Kunt u dit onderzoek naar doorprocederen als bijlage bij uw antwoorden voegen?
De Tweede Kamer heeft in april 2024 de motie Inge van Dijk (CDA) aangenomen. Die motie verzoekt het kabinet te onderzoeken of het inrichten van een team, vergelijkbaar aan het Team Monitoring hoger beroep bij de Dienst Toeslagen, ook bij de Belastingdienst meerwaarde kan bieden bij het kritisch beoordelen wanneer de inspecteur hoger beroep instelt.7
Uit de ambtelijke verkenning die is verricht ter uitvoering van de motie blijkt dat er in belastingzaken meerdere waarborgen bestaan om onnodig doorprocederen door de inspecteur te voorkomen. Op grond van paragraaf 3 van het Besluit Beroep in Belastingzaken (BBIB) is de inspecteur verplicht zijn voornemen om hoger beroep in te stellen af te stemmen met de betrokken vaktechnisch coördinatoren. Paragraaf 4 van het BBIB schrijft verder voor dat als de belanghebbende hoger beroep instelt, de inspecteur nagaat of niet alsnog aan de grieven van de belanghebbende tegemoet gekomen kan worden.
De beschikbare informatie geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake is van onnodig doorprocederen. Mede gelet op een eerste inschatting van de benodigde capaciteit en de bestaande waarborgen, inclusief de vaktechnische infrastructuur en het bestaande Team Cassatie bij de Belastingdienst, zag mijn ambtsvoorganger daarom geen meerwaarde van een Team Monitoring hoger beroep bij de Belastingdienst. Deze verkenning is met de Kamer gedeeld in de stand-van-zakenbrief Belastingdienst van 6 maart jl.8
De verkenning heeft aan het licht gebracht dat de Belastingdienst geen of weinig kwalitatieve informatie heeft over de afwegingen van de inspecteur om al dan niet in hoger beroep te gaan. Het vastleggen van (meer) informatie over procedures wordt opgepakt als onderdeel van het programma Klant- en Zaakbehandeling (KZB). Op dit moment worden de processen binnen KZB verder uitgewerkt. Zodra daarover meer bekend is, informeer ik u in een stand-van-zakenbrief Belastingdienst.
Bent u na het rapport van de Inspectie alsnog bereid om het procederen door de fiscus meer aandacht te geven en waar mogelijk minder tegenover burgers en bedrijven te staan?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van verbetermaatregelen en specifiek te rapporteren over de naleving van artikel 8:42 Awb?
In de kabinetsreactie heb ik aangekondigd de Kamer in een stand-van-zakenbrief Belastingdienst te informeren over de uitkomsten van de analyse naar de verbeteracties en eventuele aanvullende maatregelen. Als de uitkomsten of de eventuele aanvullende maatregelen daar aanleiding toe geven, wordt uw Kamer daar aanvullend over geïnformeerd.
Kunt u aangeven of dezelfde risico’s (selectieve dossiervorming, niet aanleveren interne stukken, onvoldoende reflectie) ook spelen bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT)?
Dienst Toeslagen heeft monitoring (hoger)beroep ingesteld. Indien er op basis van uitspraken door rechters gesignaleerd wordt dat er structureel sprake is van het ontbreken van relevante stukken dan wordt daar op gehandeld. Dat maakt dat deze risico’s kunnen voorkomen, maar specifiek voor UHT geldt dat er waarborgen zijn ingebouwd om deze risico’s zoveel mogelijk te ondervangen. Op verzoek kan de ouder het ouderdossier ontvangen dat alle mogelijke relevante gegevens uit de systemen van de Dienst Toeslagen bevat die betrekking hebben op de integrale beoordeling. De inhoud van dit dossier is onder andere met de werkgroep toeslagenadvocaten afgestemd en wordt sinds april 2024 door UHT actief of op verzoek verstrekt. Dit dossier vormt dus de basis, waar nodig worden gedurende het proces stukken toegevoegd, uit eigen beweging of op verzoek.
Zijn er specifieke waarborgen ingebouwd bij de UHT om te voorkomen dat stukken worden achtergehouden of selectief aangeleverd aan de rechter?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u garanderen dat interne notities, e-mails en verslagen binnen de UHT in beginsel conform artikel 8:42 Awb worden verstrekt aan gedupeerden en de rechter, tenzij artikel 8:29 Awb wordt toegepast?
In beginsel worden alle op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekt. Als blijkt dat er stukken ontbreken, dan worden deze uit eigen beweging of op verzoek in bezwaar toegevoegd.
Indien zulke waarborgen ontbreken, bent u bereid die alsnog in te voeren?
Bij UHT zijn net als bij Dienst Toeslagen waarborgen ingebouwd met de monitoring van (hoger)beroep. Daarnaast is er sprake van advisering door specialisten uit de vaktechnische lijn. Vaktechniek monitort of de juiste type stukken in het ouderdossier zitten. Dat neemt niet weg dat het altijd kan voorkomen dat stukken in individuele gevallen ontbreken. Ook worden waar nodig werkinstructies aan medewerkers als waarborg voor de kwaliteit en samenstelling van de dossiers aangescherpt.
Het bericht ‘Fiscaal beleid bedreigt onze weerbaarheid op zee’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fiscaal beleid bedreigt onze weerbaarheid op zee» in het FD van 25 augustus 2025?
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse implementatie van de Global Tax Deal (Pijler 2) de beleidsdoelen van de tonnageregeling deels ondergraven? Bereiken u signalen dat Pijler 2 leidt tot bijheffing bij ondernemingen die de tonnageregeling toepassen? Zo nee, kunt u navraag doen bij de Belastingdienst en bij de sector?
De Wet minimumbelasting 2024 is op 31 december 2023 in werking getreden. Met deze wet is een minimumbelasting ingevoerd om te bewerkstelligen dat multinationale en binnenlandse groepen met een omzet van € 750 miljoen of meer ten minste effectief 15% belasting over hun winst betalen. Met deze wet is Richtlijn (EU) 2022/2523 (EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing) geïmplementeerd.1 Deze richtlijn is gebaseerd op de modelregels van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zoals aangenomen door het Inclusive Framework on BEPS (IF) op 14 december 20212 en komt daarmee in hoofdzaak overeen. Na publicatie van deze modelregels is het IF in februari 20233, juli 20234, december 20235, juni 20246 en januari 20257 administratieve richtsnoeren overeengekomen.8
Het doel van de minimumbelasting is tweeledig. Ten eerste beoogt de minimumbelasting de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen. Ten tweede beoogt de minimumbelasting een ondergrens te stellen aan de belastingconcurrentie tussen staten. Hiermee moet de race naar de bodem in de winstbelasting worden voorkomen en een gelijker speelveld worden gecreëerd voor internationaal opererende bedrijven. Naar de mening van het kabinet is een minimumbelasting in een zo groot mogelijk internationaal verband doeltreffend omdat hierdoor een ondergrens wordt gesteld aan belastingconcurrentie, waardoor het voordeel van kunstmatige winstverschuiving sterk wordt verkleind.
De winst uit scheepvaart wordt op verzoek van de belastingplichtige, in afwijking van het algemene systeem van winstbepaling in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, op basis van de tonnageregeling forfaitair bepaald. Uitgangspunt hierbij vormt de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald. Als voor de tonnageregeling wordt gekozen, geldt de regeling voor een periode van tien jaar. Doelstelling van deze regeling is het versterken van het maritieme cluster, het bevorderen van werkgelegenheid verbonden aan het varen onder Nederlandse vlag en het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie. De regeling is over de periode 2014–2019 geëvalueerd.9 Uit de evaluatie volgt dat de tonnageregeling, ondanks dat het statistisch lastig aan te tonen is, doeltreffend en doelmatig is.
Bijheffing van de minimumbelasting is alleen aan de orde indien het effectieve belastingtarief in een staat lager is dan het minimumbelastingtarief van 15%. De berekening van het effectieve belastingtarief vindt – kort gezegd – plaats door de zogenoemde gecorrigeerde betrokken belastingen te delen door het netto kwalificerende inkomen. De Wet minimumbelasting 2024 voorziet bij de berekening van het effectieve belastingtarief in een vrijstelling voor inkomen uit zowel de internationale scheepvaart, als uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart. De Wet minimumbelasting 2024 sluit – conform de OESO-modelregels voor de definitie van «internationale scheepvaart» – aan bij de definitie van artikel 8 OESO-modelverdrag en het commentaar daarop. De vrijstelling voor internationale scheepvaart is daarmee wereldwijd eenduidig geobjectiveerd en werkt daardoor hetzelfde voor alle internationale scheepvaartondernemingen in de wereld die onder de reikwijdte van de minimumbelasting vallen. Doordat deze definitie voor alle internationale scheepvaartondernemingen hetzelfde doorwerkt, is er een gelijk speelveld op dit vlak. Deze definitie is echter beperkter dan de definitie van «winst uit zeescheepvaart» voor de toepassing van de tonnageregeling voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Door verschillen tussen de genoemde definities kan inkomen uit zeescheepvaart voor de berekening van de bijheffing worden meegenomen in het kwalificerende inkomen (de noemer van de breuk) terwijl daar – door toepassing van de bredere tonnageregeling – beperktere vennootschapsbelasting (de teller van de breuk) tegenover staat. Hierdoor kan het mogelijk voorkomen dat in enkele specifieke situaties, gebruikers van de tonnageregeling geraakt worden door de minimumbelasting. In hoeverre er sprake is van belastingplichtigen die gebruik maken van de tonnageregeling en daardoor geraakt worden door de minimumbelasting is op dit moment nog niet bekend. Meer inzicht in deze gegevens is mogelijk op het moment dat de multinationale en binnenlandse groepen de bijheffing-informatieaangifte voor de minimumbelasting doen. De bijheffing-informatieaangifte bevat de hoogte van de bijheffing per staat. Voor de toepassing van de minimumbelasting dient de eerste bijheffing-informatieaangifte uiterlijk 30 juni 2026 ingediend te worden. De termijn voor het indienen van de eerste belastingaangifte voor de minimumbelasting is uiterlijk 31 augustus 2026. Wanneer de aangiftegegevens voorhanden zijn, zullen de gevolgen van de minimumbelasting voor Nederland in de jaarlijkse monitoringsbrief worden betrokken.10 Daarnaast is de verwachting dat ook de OESO de implementatie van de minimumbelasting in de verschillende jurisdicties zal monitoren.
In dit kader is ook van belang dat bij de Kamerbehandeling van de Wet minimumbelasting 2024 eveneens aandacht is gevraagd voor de samenloop tussen de tonnageregeling en de minimumbelasting.11 Een van de onderwerpen waarover het IF mogelijke additionele administratieve richtsnoeren heeft aangekondigd, is de mogelijkheid van een industriespecifieke uitleg voor het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid. Het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid is het inkomen dat geen onderdeel is van de grondslag voor de bijheffing. In dat kader heeft het vorige kabinet het belang van een sterke maritieme sector onderschreven en aangegeven bereid te zijn op te trekken met andere IF-lidstaten om te komen tot een billijke oplossing voor ondernemingen die gezien de aard van hun bedrijfsactiviteiten wereldwijd actief zijn.12 Momenteel hebben andere onderwerpen binnen het IF echter prioriteit, maar mocht hier meer duidelijkheid over komen, dan zal de Tweede Kamer hierover worden geïnformeerd.
Klopt het dat de tonnageregeling leidt tot stabiele budgettaire opbrengsten uit de zeescheepvaart? Is deze stabiliteit en zekerheid wenselijk voor zowel het Ministerie van Financiën als voor ondernemers?
Jaarlijks maken ongeveer 600 belastingplichtigen gebruik van de tonnageregeling in de vennootschapsbelasting. Zij kunnen op basis van de tonnageregeling aanspraak maken op een stabiele belastingheffing, die forfaitair wordt bepaald op basis van de tonnage van de schepen (ongeacht of er daadwerkelijk sprake is van winst of verlies). De belastingopbrengst van de tonnageregeling zelf is, met ongeveer € 4 miljoen tot € 5 miljoen, zeer beperkt. De betaalde vennootschapsbelasting door deze bedrijven, die tevens aanspraak maken op de tonnageregeling, is echter aanmerkelijk hoger. Deze belastingplichtigen betaalden gezamenlijk in de periode 2016–2019 gemiddeld € 26 miljoen per jaar aan vennootschapsbelasting over de activiteiten die niet rechtstreeks onder de tonnageregeling vallen. Dit laatste bedrag is in de periode 2020–2022 gestegen naar € 92 miljoen per jaar vanwege enkele nieuwe bedrijven die in deze periode gebruik zijn gaan maken van de tonnageregeling.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat beleidsdoelen van één stuk belastingwetgeving worden ondergraven door een ander stuk belastingwetgeving?
Met de tonnageregeling wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid om steun te verlenen aan ondernemingen die actief zijn in scheepvaart. Het doel van de tonnageregeling is het versterken van het maritieme cluster, het bevorderen van werkgelegenheid verbonden aan het varen onder Nederlandse vlag en het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie. De minimumbelasting strekt tot implementatie van de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing, die gebaseerd is op de OESO-modelregels en voorziet in een bijheffing als in een staat effectief te weinig winstbelasting is betaald. Het doel van de minimumbelasting is de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelastende staten te verminderen en een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Het kabinet onderschrijft beide doelen en is van mening dat beide doelen naast elkaar kunnen bestaan. Daarbij houdt het kabinet uiteraard oog voor het behoud van een internationaal gelijk speelveld en het EU-concurrentievermogen.
Wat is de directe en wat is de indirecte impact van het eventuele vertrek van de Nederlandse rederijen die onder de reikwijdte van Pijler 2 vallen voor de belastingopbrengsten? Kan dit worden uitgesplitst per belastingmiddel (Vpb, IB, loonbelasting, omzetbelasting, etc.)?
Van de ongeveer 600 vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling zijn circa 50 vennootschapsbelastingplichtigen onderdeel van een groep met een wereldwijde omzet van € 750 miljoen of meer waardoor zij mogelijk onder de reikwijdte van de minimumbelasting vallen. Dit betekent echter niet dat deze belastingplichtigen per definitie bijheffing op grond van de Wet minimumbelasting 2024 zijn verschuldigd. Dit is alleen het geval als er laagbelaste entiteiten onderdeel uitmaken van deze groep. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2, kan het mogelijk voorkomen dat in enkele specifieke situaties deze vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling geraakt worden door de minimumbelasting. Het exacte aantal is echter niet bekend. In 2022 betaalde deze groep van circa 50 vennootschapsbelastingplichtigen € 62 miljoen aan vennootschapsbelasting. Deze belastingplichtigen vielen niet onder de reikwijdte van de inkomstenbelasting. Daarnaast hadden deze belastingplichtigen ongeveer 24.000 werknemers in Nederland dienst, waarvoor zij € 367 miljoen aan loonbelasting afdroegen. De diensten die Nederlandse rederijen exterritoriaal, of in het buitenland verrichten, vallen hiervoor in de regel onder het btw-nultarief of zijn niet belastbaar in Nederland. Het gevolg is dat een eventueel vertrek een verwaarloosbaar effect heeft op de btw-inkomsten.
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 3, is het directe effect van de tonnageregeling (€ 4 tot € 5 miljoen) ten opzichte van de totale vennootschapsbelasting beperkt. Voor de vennootschapsbelastingplichtigen die onderdeel zijn van een groep met een wereldwijde omzet van € 750 miljoen of meer bedraagt de opbrengst van de tonnageregeling ongeveer € 1 miljoen. Het belang van belastingopbrengsten van deze groep belastingplichtigen ziet dan ook met name op de overige activiteiten, alsmede de werkgelegenheid met daarin de opbrengsten aan loonbelasting. Omdat op dit moment niet duidelijk is in hoeverre vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling geraakt zullen worden door de Wet minimumbelasting 2024, kan er ook geen inschatting gemaakt worden over welk deel van de activiteiten door rederijen meegenomen zou worden bij een vertrek uit Nederland.
Wat zijn de (on)mogelijkheden rondom de in het bericht gesignaleerde oplossingsrichtingen, te weten het uitsluiten van de tonnageregeling van de Wet minimumbelasting 2024, het invoeren van (qualified refundable) tax credits of het benutten van de substance-based income inclusion voor de sector? Wat zou voor elke optie de budgettaire derving zijn? Kan dit vóór de geplande evaluatie van de scheepvaartregelingen, bij voorkeur per ultimo 2025, nader uitgewerkt worden?
In het FD-bericht «Fiscaal beleid bedreigt onze weerbaarheid op zee» van 25 augustus 2025 wordt allereerst het opnemen van een uitzondering voor de tonnageregeling in de Wet minimumbelasting 2024 genoemd. Zoals ik heb beschreven in mijn antwoord op vraag 2, voorziet de Wet minimumbelasting 2024 bij de berekening van het effectieve belastingtarief in een vrijstelling voor inkomen uit zowel de internationale scheepvaart, als uit gekwalificeerde nevenactiviteiten in de internationale scheepvaart. Dit is vastgelegd in artikel 6.12 Wet minimumbelasting 2024. Dit artikel implementeert artikel 17 van EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing. Die bepaling sluit conform de OESO-modelregels voor de definitie van «internationale scheepvaart» aan bij de definitie van artikel 8 OESO-modelverdrag en het commentaar daarop. De vrijstelling voor internationale scheepvaart is daarmee wereldwijd eenduidig geobjectiveerd en werkt daardoor hetzelfde voor alle internationale scheepvaartondernemingen in de wereld die onder de reikwijdte van de minimumbelasting vallen. Deze definitie is echter beperkter dan de definitie van «winst uit zeescheepvaart» voor de toepassing van de tonnageregeling voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Hierbij wordt opgemerkt dat de OESO-modelregels mondiaal zijn vastgesteld en doeltreffend zijn wanneer deze in een zo groot mogelijk internationaal verband uniform worden geïnterpreteerd. Het maken van additionele uitzonderingen in Europees verband zou een averechts effect hebben gehad op de werking van deze regels en zou afbreuk hebben gedaan aan het creëren van een gelijk speelveld. Daarnaast is ook voor de kwalificatie van de nationale regels over de minimumbelasting in het OESO peer review proces van belang dat de OESO-modelregels eenduidig zijn geïmplementeerd.
De tweede oplossingsrichting die in het FD-bericht wordt beschreven, ziet op de invoering van kwalificerende belastingtegoeden in de winstbelasting voor ondernemingen die gebruikmaken van de tonnageregeling. Dit zou in theorie tot een verlaging van de belastingdruk kunnen leiden. Echter, zoals uiteengezet in de brief van 25 oktober 2024 van een van mijn ambtsvoorgangers, is bij de invoering van dergelijke tegoeden een zorgvuldige afweging vereist waarbij rekening moet worden gehouden met de vormgeving, de uitvoerbaarheid, de juridische houdbaarheid (inclusief de internationale en Europese kaders) en de budgettaire gevolgen.13 Bovendien bestaat de kans dat als een dergelijk belastingtegoed neerkomt op een rechtstreekse compensatie van de geheven minimumbelasting, dit tegoed door het IF als een onwenselijk verbonden voordeel («related benefit») zou worden aangemerkt. Dit zou het effect van het belastingtegoed weer teniet kunnen doen en zelfs nadelige gevolgen kunnen hebben voor de kwalificerende status van de Nederlandse maatregelen over de minimumbelasting.14
Als laatste wordt in het FD-bericht verwezen naar het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid waardoor de verschuldigde bijheffing onder de minimumbelasting kan worden beperkt. Het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid voor een groepsentiteit wordt bepaald aan de hand van de loonkosten van de werknemers die in de staat van de desbetreffende groepsentiteit activiteiten verrichten alsmede aan de hand van de materiële activa die in de staat van de desbetreffende groepsentiteit zijn gelegen. Voor ondernemingen in de maritieme sector die wereldwijd actief zijn, kan het daarom moeilijk zijn om te voldoen aan deze voorwaarden voor het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid. Binnen het IF is dit punt mede op verzoek van Nederland onder de aandacht gebracht met de bedoeling om tot een billijke oplossing te komen voor ondernemingen die gezien de aard van hun bedrijfsactiviteiten wereldwijd actief zijn. Momenteel hebben andere onderwerpen binnen het IF echter prioriteit, maar mocht hier meer duidelijkheid over komen, dan zal de uw Kamer hierover worden geïnformeerd.
Hoe verhoudt de eventueel verloren belasting bij het vertrek van rederijen uit Nederland zich tot de budgettaire derving van de verschillende gesignaleerde beleidsopties?
De heffing voor de minimumbelasting wordt bepaald over het netto kwalificerend inkomen van alle in Nederland gevestigde groepsentiteiten in een verslagjaar waarbij rekening wordt gehouden met het uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid. Zoals uiteengezet in voorgaande antwoorden, hebben de vennootschapsbelastingplichtigen die gebruikmaken van de tonnageregeling en die onderdeel zijn van een groep met een wereldwijde omzet van € 750 miljoen ook activiteiten die niet rechtstreeks onder de tonnageregeling vallen. Deze groep wordt dus naast de tonnageregeling voor hun andere activiteiten belast op basis van de normale vennootschapsbelastingregels. Omdat groepen dus ook winsten hebben die in Nederland tegen een hoger effectief tarief dan 15% worden belast, betekent dit dat slechts in enkele specifieke gevallen het effectieve belastingtarief onder de 15% komt. Bij hoeveel belastingplichtigen hiervan sprake is, is op dit moment niet met zekerheid te zeggen. Met de eerste (belasting)aangiftes, die naar verwachting volgend jaar zullen worden ingediend, zal daar inzicht in ontstaan. Bovendien hoeft een vertrek van een rederij uit Nederland niet te betekenen dat in het geheel geen groepsentiteiten in Nederland achterblijven die belastingplichtig zijn en blijven voor de minimumbelasting.
Hoe beoordeelt u de kwalificatie dat de Nederlandse zeescheepvaart van belang is voor de weerbaarheid van Nederland?
De Nederlandse zeescheepvaart is van belang voor de weerbaarheid van Nederland. De zeevaartsector draagt bij aan het borgen van nationale strategische belangen en autonomie, in de context van klimaatadaptatie, energietransitie, maar ook militaire veiligheid en bescherming van vitale infrastructuur op zee. De zeevaart is een belangrijke schakel in het hele maritieme cluster. Ook gelet op de huidige geopolitieke situatie, draagt een robuuste zeevaartsector bij aan de veerkracht van Nederland bij crisissituaties. Maritieme infrastructuur, zeeschepen en havens zijn bijvoorbeeld cruciaal voor het transport van militair materieel en personeel. Daarnaast dragen Nederlandse gevlagde schepen, maritieme kennis en technologieën bij aan de maritieme veiligheid en defensiecapaciteiten.