Het bericht dat een eruchte moordmakelaar betrapt in cel met telefoon: ’Jomairo D. regelde extreem gewelddadige delicten |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Beruchte moordmakelaar betrapt in cel met telefoon: «Jomairo D. regelde extreem gewelddadige delicten»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een beruchte moordmakelaar vanuit de penitentiaire inrichting (PI) Zaanstad hoogstwaarschijnlijk met een telefoon opdrachten tot gewelddadige delicten kon geven?
Het is onacceptabel wanneer een gedetineerde met binnengesmokkelde telefoons criminele activiteiten voortzet. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zet zich hier dan ook hard voor in om dit te voorkomen met nieuwe technieken en verschillende vormen van controles. Ik kan echter niet ingaan op de situatie rondom individuele gedetineerden.
Hoe kan het dat op een crimineel van dit kaliber niet in de Afdeling Intensief Toezicht of de Extra Beveiligde Inrichting is geplaatst?
Zoals aangegeven ga ik niet in op situaties van individuele gedetineerden. Wel kan ik in algemene zin een toelichting geven op het plaatsingsproces. Bij de eerste plaatsing wordt door DJI conform de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (Rspog) een risicoprofiel vastgesteld op basis van concrete en actuele informatie waarbij er naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie (OM) en de politie. DJI bepaalt vervolgens op grond van de Rspog welke inrichting en regime het meest veilig en passend is. Voor plaatsing op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) of de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) geldt dat elk jaar opnieuw wordt getoetst of de gedetineerde nog steeds voldoet aan de plaatsingscriteria zoals omschreven in de Rspog. Bij deze beoordeling wordt onder meer gekeken naar actuele informatie van politie, OM en van de Penitentiaire Inrichting (PI).
Wat is volgens u de oorzaak dat al jaren een grote hoeveelheid contrabande de PI Zaanstad binnen blijft komen?
Het Justitieel Complex Zaanstad (JCZ) is een zeer grote inrichting en biedt plaats aan circa 900 justitiabelen. Dat neemt niet weg dat ook ik zorgen heb over de hoeveelheid gevonden contrabande. Daarom werkt DJI hard om contrabande te voorkomen, dat geldt ook voor het JCZ. Ik hecht eraan te benadrukken dat niet alle aangetroffen contrabande bij gedetineerden terecht zijn gekomen. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt. Dit zijn bijvoorbeeld contrabande die zijn aangetroffen bij de fouillering na bezoek, een controle na deelname aan een buitenactiviteit of bij de controles van de post.
Middels een gelaagd proces wordt er op de volgende wijze op contrabande gecontroleerd:
De hierboven genoemde controles vormen een belangrijk onderdeel van het bestrijden van contrabande. Hierbij geldt dat als bij een eerdere inzet telefoons zijn aangetroffen, dit reden kan zijn om nogmaals te controleren, wat vervolgens weer nieuwe contrabande op kan leveren. Op deze wijze wordt, conform de motie van het lid Ellian, verscherpte controles uitgeoefend.2
Ik vind het van groot belang dat inrichtingen controles uitoefenen en blijf hier dan ook op inzetten middels bovenstaande werkwijze.
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat telefoons en andere informatiedragers niet meer de PI Zaanstad binnengebracht worden?
Het weren van contrabande is blijvend onder de aandacht en in ontwikkeling. Er wordt dan ook vanuit de in het regeerprogramma toegekende middelen flink geïnvesteerd in technieken om contrabande tegen te gaan.
Naast de in antwoord 4 genoemde controles, wordt ingezet op het treffen van technische maatregelen bij het tegengaan van contrabande.
Vanuit veiligheidsoverwegingen kan ik niet alle maatregelen omschrijven, anders worden criminelen onnodig wijzer en verliezen maatregelen hun effectiviteit. Enkele maatregelen, zoals ook eerder gedeeld met uw Kamer, die ik kan noemen zijn
overgooidetectie, GSM-detectie en de inzet van bodyscanners3. Verder wordt gewerkt aan verscherpte toegangscontroles en zoekacties, detecteren van drones/ telefoons en de jamming van telefoons.
Bent u bereid om de PI Zaanstad onder extra toezicht te stellen, waarbij intensieve onaangekondigde controles worden uitgevoerd onder exclusief toezicht van de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid? Zo ja of nee, waarom?
Conform de eerdere motie van het Kamerlid Ellian4 worden er verscherpte controles uitgeoefend door de inzet van risico en informatie gestuurde inzet van controles. De gelaagde werkwijze, zoals in antwoord drie is omschreven, waarbij er meerdere keren op onvoorspelbare wijze wordt gecontroleerd draagt bij aan snelle interventies en concrete vondsten. Dit levert het meeste resultaat op. Ik zal uw Kamer, conform aangenomen motie van Kamerlid Ellian5, in september 2026 informeren over de inzet van de verscherpte controles.
Waarom vinden er zelden vervolgingen plaats op basis van informatie die op telefoons staat die gevonden worden in een PI?
Ik deel de zorgen over voortgezet crimineel handelen in detentie. Ik ga echter niet over de beslissing om over te gaan tot opsporing en vervolging. Dit is aan het Openbaar Ministerie. Wel kan ik aangeven dat de samenwerking tussen het OM, politie en DJI met de komst van Detentie Intelligence Unit (DIU) is versterkt. In de DIU werken zij samen aan analyses en aan het opmaken van informatieproducten over gedetineerden. Deze informatieproducten kunnen vervolgens worden gebruikt bij plaatsingsbeslissingen en het treffen van gepaste maatregelen in de verschillende fasen van detentie, maar eveneens om strafbare feiten, ook in de buitenwereld, op te sporen. Het delen van intelligence levert een belangrijke bijdrage aan de kennispositie van DJI, politie en het OM over (hoog)risicogedetineerden om daarmee maximaal in te kunnen zetten op het aanpakken van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie.
Bent u bereid om bij het Openbaar Ministerie erop aan te dringen dat criminele opdrachten vanuit de gevangenis onacceptabel zijn en dat, ondanks dat een gedetineerde al een hoge straf heeft gehad, maximaal ingezet moet worden op opsporing en vervolging van alle personen die betrokken zijn bij criminele opdrachten vanuit de gevangenis? Zo ja of nee, waarom?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk eind november 2025 beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Koop nu, baal later: hoe Klarna-klanten vastlopen in dubieuze incassotrajecten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de werkwijze van incassobedrijven, zoals Alektum (aan wie BNPL-bedrijf (Buy Now Pay Later) Klarna vorderingen heeft overgedragen), die duizenden rechtszaken aanhangig maken, vaak zonder deugdelijke onderbouwing, niet verschijnen bij de rechtbank en schuldenaren confronteren met torenhoge rente- en incassokosten?1
Ik ben bekend met de beschrijving hierover in het artikel van Follow the Money van 8 november 2025. Dit beeld is ook terug te zien in verschillende rechterlijke uitspraken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze in het licht van de beginselen van een behoorlijke procesorde en de bescherming van schuldenaren? In hoeverre is hier volgens u sprake van (structureel) misbruik van procesrecht?
Het is aan de rechter om te beoordelen of er bij de handelwijze van incassobedrijven zoals Alektum sprake is van misbruik van procesrecht. Dit zal per individueel geval door de rechter moeten worden beoordeeld.
Hieronder benoem ik een aantal verschillende (wettelijke) waarborgen in het rechtssysteem die ervoor zorgen dat het incasseren van private vorderingen goed verloopt en er geen misbruik wordt gemaakt van het procesrecht. Deze waarborgen zien zowel op de buitengerechtelijke incassofase als op de gerechtelijke fase.
In het algemeen geldt dat een schuldeiser en schuldenaar zich jegens elkaar dienen te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Dat geldt evenzeer voor incassodienstverleners.
Per 1 april 2024 geldt de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Deze stelt eisen aan incassodienstverleners, onder meer voor de communicatie met schuldenaren, de informatie die aan hen moet worden verstrekt, de administratie van dossiers en de deskundigheid van personeel. De Wki is van toepassing op buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die worden verricht bij in Nederland woonachtige natuurlijke personen voor een derde of na overdracht van een vordering. Dit betekent dat wanneer een partij voor of als rechtsopvolger van de (oorspronkelijke) schuldeiser een vordering buitengerechtelijk probeert te incasseren bij een natuurlijk persoon, deze werkzaamheden onder de reikwijdte van de Wki vallen.2 Onder buitengerechtelijke incassowerkzaamheden wordt onder andere verstaan het bellen en/of schriftelijk aanmanen van de schuldenaar, ongeacht of hiervoor bij de schuldenaar kosten in rekening worden gebracht. De Inspectie Justitie en Veiligheid houdt toezicht op naleving van de eisen die de Wki aan deze ondernemingen stelt.
Als een vordering niet buitengerechtelijk wordt voldaan, kan de schuldeiser een gerechtelijke procedure starten. Het uitgangspunt is dat eenieder in beginsel toegang heeft tot de rechter, zolang diegene voldoende belang bij een rechtsvordering heeft.3 Het burgerlijk procesrecht bevat meerdere wettelijke waarborgen die moeten voorkomen dat partijen procederen zonder deugdelijke onderbouwing of wanneer zij daar, gelet op de onevenredigheid tussen de betrokken belangen, in redelijkheid geen belang bij hebben («geen belang, geen actie»). Van misbruik van procesbevoegdheid is niet snel sprake. Het enkele feit dat een vordering weinig kans maakt, levert geen misbruik van procesrecht op. De rechter kan besluiten om een vordering af te wijzen indien wordt geconstateerd dat er misbruik wordt gemaakt van het procesrecht.4 Hiervan kan sprake zijn als een eisende partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden en hij in redelijkheid niet tot het instellen van de rechtsvordering had kunnen komen.5 De rechter past dit principe terughoudend toe, gelet op het belang van de toegang tot de rechter.
Daarnaast kan de rechter tot het oordeel komen dat er sprake is van rauwelijks dagvaarden. Hierbij wordt een schuldenaar zonder voorafgaande mogelijkheid tot een buitengerechtelijke oplossing gedagvaard. Indien daarvan sprake is, kan dit aanleiding zijn voor een afwijkende proceskostenveroordeling, omdat van een schuldeiser mag worden verwacht dat hij geen onnodige kosten veroorzaakt.
De rechter kan voorts een hardheidsclausule toepassen bijvoorbeeld wanneer enkel wordt geprocedeerd om een executoriale titel te verkrijgen voor het geval een overeengekomen betalingsregeling niet zou worden nagekomen, of wanneer – zoals hiervoor toegelicht – sprake is van rauwelijks dagvaarden.6
Daar komt bij dat rechters in zaken ter bescherming van consumenten ambtshalve toetsen of personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf (handelaren) hebben voldaan aan de dwingendrechtelijke verplichtingen van het consumentenrecht. Dit omvat onder meer de toetsing van algemene voorwaarden (oneerlijke bedingen) en de naleving van wettelijke informatieplichten, zoals onder andere de correcte toepassing van de wettelijke incassokosten en de onderbouwing van de gevorderde kosten. Indien deze verplichtingen niet zijn nageleefd, kan de rechter de vordering geheel of gedeeltelijk afwijzen.
Kunt u toelichten welke maatregelen momenteel bestaan om te voorkomen dat incassobureaus op dergelijke wijze misbruik maken van het rechtssysteem?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze heeft u de aangenomen motie Ceder c.s. (Kamerstuk 35 915, nr. 27) afgedaan? Acht u de genomen maatregelen afdoende om het doorverkopen van schulden als verdienmodel te hebben bestreden? Zo nee, welke maatregelen bent u voornemens te nemen en/of te laten onderzoeken?
Schulden mogen geen verdienmodel zijn. Alle stappen binnen de keten zijn opzichzelfstaand gerechtvaardigd, maar kunnen als
optelsom soms tot excessen leiden. In de Kamerbrief Aanpak Civiele invordering Kamerstukken II, 2024/25, 24 515, nr. 798. zijn maatregelen aangekondigd, waaronder het collectief afbetalingsplan, de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders en de herziening van de financierings- en tariefstructuur van gerechtsdeurwaarders. Deze maatregelen zijn erop gericht om de kostenoploop voor de schuldenaar te beperken en onwenselijke verdienprikkels in het invorderingsproces tegen te gaan. In lijn met de toezegging aan uw Kamer is recent de wetsevaluatie van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten (WIK) door het WODC gestart.7 De Kamer wordt in de eerste helft van 2026 nader geïnformeerd over de verdere uitwerking van de maatregelen.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 29 maart 20248 uiteen is gezet, is de verkoop en overdracht van vorderingen een gebruikelijke handeling in het handelsverkeer die bijdraagt aan solvabiliteit en liquiditeit van ondernemingen. In die brief is uiteengezet dat de verkoop van vorderingen een breed palet aan varianten omvat en ook veel positieve effecten heeft. Daarbij komt dat de oploop van kosten in het traject van invordering geen verband houdt met de verkoop van de vorderingen, maar met de inning van een vordering. Verdere kostenoploop door invorderingsmaatregelen die niet meer bijdraagt aan het komen tot betaling van de hoofdsom kan leiden tot een ongewenst verdienmodel.9 De maatregelen zijn er dan ook op gericht deze kostenoploop aan te pakken.
Tevens verzocht de motie Ceder c.s. om concrete maatregelen uit te werken waarmee de te vorderen rente bij schulden jegens consumenten wordt gemaximeerd. Dit onderwerp is ook aan de orde gekomen tijdens het Commissiedebat armoede- en schuldenbeleid op 22 mei 2025.10 De voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft aan de Kamer toegezegd om te identificeren of er situaties zijn waarin sprake is van disproportionele renteoploop die in het individuele geval door het wettelijk kader onvoldoende geadresseerd kan worden. Hierbij is specifiek het veld (evenals uw Kamer) uitgenodigd om casuïstiek aan te reiken. Tot dusver zijn er nog geen concrete casussen gemeld.
Bent u bekend met de algemene consumentenvoorwaarden van Klarna, waarin staat dat de vordering van de (web)winkel op de consument wordt overgedragen aan Klarna Bank AB? Deelt u dat een dergelijke overdracht van een vordering valt onder de reikwijdte van artikel 2, sub b, van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?2
Ik ben bekend met het feit dat Klarna verschillende sets algemene voorwaarden hanteert voor de uiteenlopende betaalmethoden die zij aanbiedt.12 Een van die betaalmethoden betreft Buy Now Pay Later (hierna: BNPL). Hierbij gaat Klarna als BNPL-aanbieder een kredietovereenkomst aan met de consument én neemt daarbij de vordering over uit de consumentenovereenkomst (een koopovereenkomst of overeenkomst tot het verrichten van diensten) van de handelaar (derde partij) waarmee de consument de consumentenovereenkomst is aangegaan.13
Doordat sprake is van overdracht van een vordering vallen eventuele door Klarna verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die voortvloeien uit BNPL-overeenkomsten onder de reikwijdte van de Wki en rust op Klarna in beginsel een registratieplicht. Klarna staat op het moment dat deze vragen worden beantwoord niet in het register van incassodienstverlening.14 Ik hecht eraan te benadrukken dat het oordeel of het bedrijf voldoet aan de verplichtingen die de Wki stelt bij de Inspectie van Justitie en Veiligheid ligt en niet bij mij.
De toezichthouder kan op grond van artikel 3 Wki (de registratieplicht) handhavend optreden. Verder is de registratieplicht strafrechtelijk gesanctioneerd in de Wet op de economische delicten.
Bent u van mening dat de activiteiten van Klarna onder de Wet kwaliteit incassodienstverlening vallen? Zo ja, voldoet het bedrijf, naar uw oordeel, aan de verplichtingen die de wet stelt? Is het juist dat Klarna niet geregistreerd staat in het register van incassodienstverleners?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat Klarna, in het kader van haar BNPL-activiteiten, aan consumenten betalingsherinneringen en aanmaningen verstuurt wanneer facturen onbetaald blijven? Deelt u de opvatting dat het versturen van herinneringen en aanmaningen moet worden aangemerkt als het verrichten van «buitengerechtelijke incassowerkzaamheden» in de zin van artikel 1 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Ja, ik ben bekend met het versturen van dergelijke betalingsherinneringen en aanmaningen. In de door vier BNPL-aanbieders opgestelde Gedragscode BNPL is onder meer afgesproken dat consumenten kosteloos minimaal één betalingsherinnering ontvangen. Zoals in antwoord op vragen 2 en 3 is aangegeven, vallen het opnemen van contact en het sturen van betalingsherinneringen en aanmaningen voor een derde of na overdracht van een vordering onder de Wki.15
Is het correct dat de reikwijdte van de wet gebaseerd is op de feitelijke uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden richting natuurlijke personen, ongeacht door wie deze worden uitgevoerd? Zijn er organisaties uitgezonderd van de reikwijdte van deze wet?
Ja, de Wki heeft betrekking op de uitvoering van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden met betrekking tot voldoening door in Nederland woonachtige natuurlijke personen (zie vraag 6). De enige structurele uitzondering betreft publiekrechtelijke incassanten zoals het CJIB en de zogenoemde zelfincassanten. Dit zijn de primaire schuldeisers die de eigen vorderingen zelf innen in plaats van de buitengerechtelijke incassowerkzaamheden uitbesteden aan een geregistreerde incassodienstverlener. Dat wil zeggen dat op deze partijen geen registratieplicht rust. Deze schuldeisers dienen zich te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Klopt het, zoals in het artikel gepubliceerd door Follow the Money staat, dat u in gesprek bent met het bedrijf Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Nee, dat klopt niet. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is niet in gesprek met Klarna over de naleving van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki). Dat acht ik ook niet wenselijk. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb benadrukt, is dit ook niet aan mij. Wel heeft mijn ministerie een toelichting gegeven aan onder andere Klarna over de civielrechtelijke gevolgen en wat in de memorie van toelichting bij de Wki is opgenomen over de definitie van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, ongeacht of voor deze werkzaamheden kosten in rekening worden gebracht bij de schuldenaar. Dit nadat in een regulier overleg met de Vereniging van financieringsondernemingen in Nederland (Vfn) was aangegeven dat schuldeisers een belangrijke rol hebben in het naleven van de wet door enkel incassowerkzaamheden te laten verrichten door geregistreerde partijen. Ook omdat hier vanaf 1 oktober 2026 civielrechtelijke gevolgen aan verbonden zijn die ook impact hebben op de schuldeisers zelf.
Omdat het gesprek een toelichtend karakter had en niet zag op een beoordeling van de werkwijze van Klarna, is ervoor gekozen de Inspectie niet bij het gesprek te betrekken.
Wat is de reden voor dit overleg? Is het gebruikelijk en wenselijk dat er overleg plaatsvindt tussen u en een bedrijf over naleving van de wet? Wat is hierin de rol van de Inspectie Justitie en Veiligheid? Is de Inspectie (al dan niet op handhavende wijze) betrokken bij dit overleg?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven waarom met Klarna wordt «overlegd» terwijl in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid staat dat «incassodienstverleners die niet zijn geregistreerd hun werkzaamheden met onmiddellijke ingang [moeten] staken en gestaakt houden»?3
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op de vragen 9 en 10 heb ik geen overleg gehad met Klarna over haar naleving van de Wki.
Op grond van artikel 4 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (Wki), is het verboden voor incassodienstverleners zonder geldige registratie buitengerechtelijke incassowerkzaamheden te verrichten of aan te bieden. Dit wordt eveneens benadrukt in het nieuwsbericht van de Inspectie Justitie en Veiligheid. In dit kader wil ik toevoegen dat het van groot belang is dat ook BNPL- partijen (waaronder Klarna) zich alsnog inschrijven als zij hun incassowerkzaamheden in de toekomst willen continueren.
Klopt het dat het overtreden van de registratieplicht in het incassoregister wordt aangemerkt als een economisch delict in de zin van de Wet op de economische delicten (WED)? Kunnen burgers in dit geval zelf aangifte doen van een vermoedelijke overtreding van deze registratieplicht door een incassodienstverlener?
Ja, het overtreden van de registratieplicht is een economisch delict op grond van de Wet op de economische delicten.17 Het Openbaar Ministerie (hierna OM) is bevoegd hiertegen op te treden. Iedereen die een vermoeden heeft van het niet naleven door een incassobedrijf van de registratieplicht in de zin van de Wki kan daarvan aangifte doen bij de politie.
De Inspectie JenV ziet erop toe dat de incassosector de registratieplicht naleeft en heeft eveneens een meldpunt Wki, zodat burgers met individuele problemen met een incassodienstverlener hiervan melding kunnen maken.18
Op welke wijze wordt er gehandhaafd op de Wet kwaliteit incassodienstverlening? Kunt u cijfers delen van de hoeveelheid boetes et cetera die zijn opgelegd?
De Inspectie JenV beschikt over verschillende handhavingsinstrumenten, waaronder de last onder dwangsom, bestuurlijke boete en doorhaling en/of schorsing van een registratie. Naast dit formele handhavingsinstrumentarium beschikt de Inspectie JenV ook over informele instrumenten zoals het voeren van een normoverdragend gesprek met een onderneming en het uitdelen van waarschuwingen. In het geval het geboden is om strafrechtelijk op te treden, is het OM aan zet.
De Inspectie heeft in 2025 tot op heden vijftien keer geïntervenieerd naar aanleiding van geconstateerde overtredingen. In elf gevallen betrof het de inzet van een informeel handhavingsinstrument (waarschuwingsbrief en/of normoverdragend gesprek) en in vier gevallen de inzet van een formeel handhavingsinstrument (last onder dwangsom of bestuurlijke boete).
Heeft de Inspectie Justitie en Veiligheid volgens u voldoende instrumenten en capaciteit om adequaat te kunnen handhaven om een afschrikwekkende werking te hebben waardoor bedrijven zich genoodzaakt voelen om te voldoen aan de wet?
De Inspectie JenV heeft bij het ministerie kenbaar gemaakt dat zij voor een effectieve uitvoering van haar toezichtstaak aanvullende instrumenten en capaciteit wenselijk acht. In 2026 heb ik, net als vorig jaar, met het oog op een effectieve uitvoering extra middelen beschikbaar gesteld voor de Inspectie JenV ter ondersteuning van haar toezichttaak, waaronder voor uitbreiding van capaciteit en het Meldpunt Wki van de Inspectie JenV.
Ook herkent de Inspectie JenV dat de reikwijdte van de Wki in de praktijk tot vragen en knelpunten leidt. In dat kader wil ik benoemen dat de Invoeringstoets Wki waarin de knelpunten uit de uitvoeringspraktijk zijn geïnventariseerd nagenoeg af is en dat ik momenteel werk aan de kabinetsreactie daarop. De reikwijdte van de wet vormt een expliciet onderdeel van deze toets. Ik verwacht de resultaten dit voorjaar aan uw Kamer te sturen. Ik wil hier nog niet op vooruitlopen. Vooralsnog ga ik ervan uit dat de huidige wetgeving voldoende instrumentarium biedt om de kwaliteit van incassodienstverlening te verbeteren. Tegelijkertijd zal de opgedane ervaring in de praktijk met het toezicht de komende periode moeten uitwijzen of deze instrumenten in de uitvoering toereikend zijn.
Op basis van deze bevindingen kan bij de evaluatie van de wet worden beoordeeld of aanvullende regelgeving en toezicht noodzakelijk is. Bovendien treedt het laatste onderdeel van de wet – de civielrechtelijke gevolgen – pas op 1 oktober 2026 in werking.
Wat vindt u van de suggestie die gedaan wordt in het artikel om de wetgeving aan te scherpen ten aanzien van de wijze waarop zogeheten BNPL-bedrijven mogen samenwerken met incassobureaus? Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende regelgeving of toezicht nodig is om consumenten beter te beschermen tegen agressieve incassopraktijken in deze sector?
Zie antwoord vraag 14.
Het illegale gokplatform Polymarket en de normalisatie van gokken op politiek |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een bekende Nederlandse ondernemer in een podcast openlijk vertelde 8.000 euro te hebben gewonnen door te gokken op de Tweede Kamerverkiezingen via het Amerikaanse platform Polymarket?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat een ondernemer en opiniemaker publiekelijk reclameachtige aandacht genereert voor een illegaal gokplatform? Acht u dit wenselijk in het licht van de maatschappelijke verantwoordelijkheid die publieke figuren dragen?
De Ksa heeft kenbaar gemaakt dat zij van mening is dat Polymarket illegaal kansspelen aanbiedt. Het aanbieden van online kansspelen zonder vergunning is niet alleen onwenselijk, dit is ook verboden. Het bevorderen van kansspelen die zonder vergunning worden georganiseerd, is eveneens verboden. Onder het bevorderen van kansspelen wordt in ieder geval wervings- en reclamediensten ten behoeve van (illegale) kansspelen verstaan.2 Werving voor een verboden product is in navolging daarvan eveneens niet toegestaan en is des te zorgelijker wanneer dit wordt gedaan door mensen die bekend zijn onder een breed publiek. Dergelijke uitlatingen en in het bijzonder het wekken van de indruk dat het om een financieel product zou gaan, kunnen daarnaast bijdragen aan de normalisatie en miskenning van het feit dat het om gokken gaat. Daarom zijn ook voor vergunde kansspelaanbieders reeds strenge reclameregels van kracht, waaronder het verbod op de inzet van rolmodellen bij reclame voor risicovolle kansspelen.
Deelt u de mening dat dit soort uitlatingen kunnen bijdragen aan de normalisatie van online gokken en daarmee ook het risico op gokverslaving vergroot, zeker onder jongeren en jongvolwassenen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat Polymarket zonder vergunning actief is in Nederland en dat de Kansspelautoriteit (Ksa) het bedrijf als illegaal kansspelbedrijf beschouwt? Zo ja, welke stappen onderneemt de Ksa op dit moment tegen Polymarket?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) om te beoordelen of er sprake is van illegale kansspelen. Zoals genoemd in het antwoord op vragen 2 en 3 is de Ksa van mening dat op deze website sprake is van de mogelijkheid tot gokken. De Ksa beraadt zich op vervolgstappen. Over al dan niet lopende onderzoeken doet de Ksa als onafhankelijke toezichthouder geen uitspraken.
Wordt hierbij ook onderzocht of het platform zich actief richt op Nederlandse gebruikers, onder meer via influencers en Nederlandse content?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom bestaat er in Nederland geen zwarte lijst waarop illegale gokbedrijven openbaar worden vermeld zoals in België bestaat en waar Polymarket op is geplaatst?
De Ksa publiceert geen zwarte lijst met illegale gokbedrijven. Ten eerste omdat hiermee het risico kan ontstaan dat mensen onnodig worden geattendeerd op deze sites. Ten tweede zou een dergelijke lijst, gezien de snelle omloop van illegaal aanbod, continue aangepast moeten worden. De Ksa heeft op haar website en op haar informatieplatform «OpenOverGokken» een overzicht geplaatst van vergunde kansspelaanbieders, genaamd de Kansspelwijzer. Daarnaast publiceert zij informatie over opgelegde sancties aan illegale aanbieders.
In het licht van bovenstaande overweeg ik niet om een zwarte lijst in te voeren in Nederland, maar werk ik juist aan maatregelen om illegaal aanbod beter tegen te gaan, zoals het op zwart kunnen zetten of blokkeren van illegale websites. In de brief van 14 februari jl. is nader uiteengezet om welke maatregelen het gaat.3
Overweegt u zo’n lijst alsnog in te voeren, bijvoorbeeld naar Belgisch model, zodat consumenten beter kunnen worden gewaarschuwd?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat (online) gokken op politiek in Nederland verboden is, ook voor vergunninghoudende aanbieders? Zo ja, welke sancties kunnen worden opgelegd aan bedrijven die dit verbod overtreden? Wordt er onderzocht hoeveel Nederlanders via buitenlandse platforms hebben gegokt op de Nederlandse verkiezingen?
Het klopt dat gokken op politiek in Nederland verboden is. In Nederland zijn weddenschappen bij vergunde kansspelaanbieders toegestaan op sportwedstrijden en elementen van sporten die niet gemakkelijk gemanipuleerd of voorspeld kunnen worden. Indien bedrijven zich hier niet aan houden, treedt de Ksa op. Zij heeft een breed handhavingsinstrumentarium dat varieert van normoverdragende gesprekken tot het opleggen van boetes. De Ksa kan niet zien hoeveel Nederlanders via buitenlandse platforms hebben gegokt op de Nederlandse verkiezingen.
Hoe groot acht u het risico dat cryptogeld en buitenlandse platforms worden gebruikt om de Wet kansspelen op afstand te omzeilen?
De laatste monitoringsrapportage van de Ksa laat zien dat op dit moment ongeveer de helft van het geld wordt ingezet bij illegaal aanbod. Dit kan ook met cryptovaluta zijn.4
Wordt hier structureel op gehandhaafd, bijvoorbeeld in samenwerking met De Nederlandsche Bank of de Financial Intelligence Unit (FIU)?
Ik werk momenteel aan uitbreiding van de instrumenten van de Ksa om illegale aanbieders aan te pakken, zoals geschetst in de brief van mijn ambtsvoorganger van 14 februari jl.5 Daarbij kijk ik ook naar mogelijkheden om effectiever derde partijen, zoals internetserviceproviders, betaaldienstverleners of mediapartijen aan te kunnen spreken op het aanbieden van hun diensten aan illegale aanbieders.
Aangezien het realiseren van nieuwe wet- en regelgeving tijd kost, en omdat bestrijding van illegaliteit urgent is, heeft de Ksa het initiatief genomen in een Alliantie te kijken wat binnen de huidige wet- en regelgeving aanvullend mogelijk is. Dit heb ik eerder geschetst in de beantwoording van Kamervragen over illegale gokaanbieders die zich richten op jongeren.6
Deelt u de zorgen dat de huidige toezichtcapaciteit van de Ksa onvoldoende is om effectief op te treden tegen buitenlandse gokplatforms die zich richten op Nederlandse spelers?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10 werk ik aan uitbreiding van de instrumenten van de Ksa om illegale aanbieders aan te pakken. In de afgelopen jaren heeft de Ksa haar capaciteit stevig uitgebreid, met name op het gebied van toezicht en handhaving. Conform de toezichtagenda 2025 zet de Ksa met prioriteit in op het frustreren van de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken om hun illegale diensten aan te bieden. Ook verboden reclame, onder meer door affiliates of influencers, krijgt het komende jaar extra aandacht.7
Kunt u toelichten of er sinds de legalisering van online kansspelen extra middelen of bevoegdheden aan de Ksa zijn toegekend om dit type internationale handhaving te versterken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11, heeft de Ksa de afgelopen jaren haar capaciteit voor toezicht en handhaving stevig uitgebreid. In de brief van 14 februari jl. is daarnaast toegelicht dat de aanpak van illegaal aanbod en deelname daaraan een van de speerpunten is van de nieuwe visie op het kansspelbeleid. Daarom wordt geïntensiveerd door middel van het versterken van het handhavingsinstrumentarium. De Ksa werkt daarnaast samen met haar internationale counterparts om illegaliteit samen terug te dringen. De Ksa neemt deel aan diverse samenwerkingsverbanden, Europees en wereldwijd, waarbij samen wordt opgetrokken richting derde partijen en informatie wordt gedeeld.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met aanbieders van podcasts en mediaplatforms over hun verantwoordelijkheid om geen ruimte te geven aan promotie of verheerlijking van illegaal online gokken?
Het is aan de Ksa als onafhankelijke toezichthouder om aanbieders van podcasts of mediaplatforms erop aan te spreken wanneer via hun platforms wordt geworven voor illegaal aanbod van kansspelen. De Ksa heeft contact gehad met verschillende personen die publiekelijk Polymarket hebben gepromoot rondom de Nederlandse verkiezingen en ze hierop aangesproken. Met deze personen is gesproken over de kwalijkheid daarvan en ze hebben toegezegd zich in de toekomst van dergelijke activiteiten te onthouden.
Kunt u toezeggen de Kamer op korte termijn te informeren over de voortgang van het onderzoek van de Kansspelautoriteit naar Polymarket, inclusief de vervolgstappen en/of sancties?
Over al dan niet lopende onderzoeken van de Ksa kan ik geen uitspraken doen. Wanneer de Ksa sanctiebesluiten neemt die openbaar kunnen worden gemaakt, dan publiceert de Ksa deze op haar website.
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam1, waarin advocaat de kinderrechter tijdens de zitting een geluidsfragment heeft voorgelegd waarop een pleegmoeder zich op schokkende en vernederende wijze uitlaat tegen een kind die aan haar zorg was toevertrouwd?
Wat doet het met u als stelselverantwoordelijke bewindspersoon dat een kinderrechter de kwalificatie gebruikt dat de uitlatingen van de pleegmoeder «alle grenzen van fatsoen overschreden» en dat «dit niet is hoe de opvang van een kwetsbaar kind mag gaan»? Welke gevolgen zou een dergelijke constatering volgens u moeten hebben binnen de pleegzorgketen en de positie van een pleegzorgouder die zich zo opstelt naar een kind?
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat kinderen of ouders zich genoodzaakt voelen opnames te maken om gehoord te worden door jeugdbeschermers, raadsonderzoekers of de rechter? En dat het in deze zaak een geluidsfragment van het kind zelf was dat leidde tot erkenning van de misstanden, terwijl eerdere signalen van het kind kennelijk niet serieus zijn genomen? Zo nee, waarom niet?
Bent u ermee bekend dat ook advocaten soms vastlopen als zij zorgen hebben over de situatie binnen een kinderbeschermingsmaatregel en dat ook zij niet gehoord of serieus genomen worden door de gecertificeerde instelling (GI) of de Raad voor de Kinderbescherming omdat zij gezien worden als een verlengstuk van ouders en/of kinderen? Deelt u de mening dat dit geen recht doet aan de neutrale positie die advocaten innemen en de gedragsregels waar advocaten zich aan dienen te houden? Waar kunnen advocaten zich volgens u melden als zich zo’n situatie zich voordoet?
Bent u ervan op de hoogte dat kinderen, ouders of pleegouders in sommige gevallen worden berispt of gesanctioneerd als zij dergelijke opnames maken en willen inbrengen in de procedure om zo gehoord te worden? Vindt u dit in lijn met artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK) dat bepaalt dat kinderen het recht hebben hun mening vrijelijk te uiten en dat daaraan passend belang moet worden gehecht?
Hoe beoordeelt u het verschil tussen rechtbanken waar kinderen wel of niet de mogelijkheid krijgen om via geluidsfragmenten hun stem te laten horen? Vindt u dat wenselijk? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Bent u ervan op de hoogte dat sommige rechtbanken, waaronder de Rechtbank Den Haag2, 3, dergelijke geluidsfragmenten niet accepteren als onderdeel van het dossier omdat zij als onrechtmatig worden beschouwd? En bent u ervan op de hoogte dat en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden4 het niet per definitie als onrechtmatig beschouwd maar dat er wel terughoudendheid betracht moet worden? Deelt u de mening dat dergelijke geluidsfragmenten niet als onrechtmatig beschouwd moeten worden en dat die terughoudendheid niet wenselijk is nu blijkt dat het vaak misgaat en dat juist de geluidsopnames kunnen bijdragen aan het gehoor geven aan de stem en de ervaringen van het kind, zoals vastgelegd in artikel 12 van het IVRK?
Deelt u de mening dat dit verschil in interpretaties in de rechtspraak als een vorm van rechtsongelijkheid kan worden ervaren? En bent u het eens met dit standpunt van de rechtbank Den Haag dat hiervan het gevolg is dat de stem van het kind niet of onvoldoende gehoord wordt of dat de ervaringen van kinderen buiten beeld blijven?
Bent u bereid met de Raad voor de Rechtspraak te verkennen of er een uniform toetsingskader kan komen voor de omgang met geluidsopnamen in civiele jeugdrechtzaken, zodat kinderen in gelijke omstandigheden ook gelijke rechtsbescherming genieten?
In hoeverre beschikken jeugdbeschermingsinstellingen en pleegzorgaanbieders over duidelijke protocollen over hoe om te gaan met geluids- of beeldmateriaal dat door kinderen wordt ingebracht als bewijsmiddel van onveiligheid of mishandeling? Wat bent u van plan te doen als hierin vermeld wordt dat dergelijke opnames niet als bewijs mogen dienen, ook wanneer zij aantoonbare misstanden laten zien?
Klopt het dat er geen landelijke richtlijn of toezichtkader bestaat dat regelt hoe dergelijke opnames moeten worden gewogen in (familie)rechtszaken of interne klachtenprocedures? Zo ja, bent u bereid zo’n richtlijn op te laten stellen?
Bent u ermee bekend dat veel kinderen en ouders geen klachten durven in te dienen tegen pleegouders of jeugdbeschermers als er sprake is van dergelijk grensoverschrijdend gedrag omdat zij zich door het gedrag zelf al niet veilig voelen en daarnaast bang zijn voor repercussies zoals het afzeggen van omgang of het verlengen van een maatregel? Welke mogelijkheden hebben kinderen of ouders momenteel om anders dan bij de eigen pleegzorgorganisatie veilig melding te doen van grensoverschrijdend gedrag binnen pleegzorg, buiten de instelling of GI om?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken hoeveel meldingen er de afgelopen vijf jaar zijn gedaan van onveiligheid of emotioneel geweld binnen pleegzorg en in hoeveel van die gevallen de stem van het kind doorslaggevend is geweest?
Herkent u het bredere signaal dat kinderen en ouders binnen de jeugdbescherming zich vaak niet gehoord of geloofd voelen, ook wanneer zij herhaaldelijk melding maken van misstanden? Wat zegt dit volgens u over de rechtspositie van gezinnen in het jeugdbeschermingsstelsel?
Acht u het wenselijk dat kinderen of jongeren procesrechtelijke bijstand krijgen bij het inbrengen van eigen bewijs of geluidsopnames, zodat zij dit op rechtmatige wijze kunnen doen zonder afhankelijk te zijn van toestemming van hun jeugdbeschermer of pleegzorgaanbieder?
Ziet u aanleiding om, samen met de Raad voor de Rechtspraak en de Inspecties, een landelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de omgang met kind signalen en geluidsopnamen in jeugdbeschermingszaken, met bijzondere aandacht voor de uiteenlopende rechtspraak in Den Haag en Rotterdam?
Hoe waarborgt u dat in toekomstige jeugdbeschermingsprocedures de stem van het kind niet afhankelijk is van een opname, maar vanzelfsprekend wordt gehoord, serieus genomen en gewogen?
De pilot ‘gratis advocaat’ bij uithuisplaatsing en gezagsbeëindiging |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Proef met betere rechtsbijstand in jeugdzorg werkt averechts: vertrouwde advocaat uit beeld» van 9 juni 2023 in het Algemeen Dagblad? Zo nee, kunt u dit lezen?1
Ja.
Kunt u de Kamer nogmaals kort uitleggen wat het beoogde doel is van de pilot kosteloze rechtsbijstand voor ouders bij (spoed)uithuisplaatsingen en gezagsbeëindigingen en hoe de «verbeterde rechtsbescherming» daarin concreet wordt gemeten?
Het beoogde doel van de pilot was om te onderzoeken in hoeverre kosteloze rechtsbijstand van een advocaat ouders de benodigde juridische ondersteuning en rechtsbescherming biedt en met welke kosten, uitvoeringslasten en neveneffecten dit gepaard gaat. Uit de evaluatie van Pro Facto blijkt dat rechtsbijstand meerwaarde heeft vóór, tijdens en na de zitting bij de kinderrechter. Voorafgaand aan de zitting zijn ouders dankzij de advocaat beter geïnformeerd en weten zij duidelijker wat hen te wachten staat. Tijdens de zitting zorgt rechtsbijstand ervoor dat de standpunten en belangen van ouders duidelijker worden verwoord. Met de ondersteuning van een advocaat hebben ouders een evenwichtiger positie ten opzichte van de RvdK of GI en ze voelen zich beter gehoord en hun zienswijze bij instanties verwoord. Het draagt daardoor bij aan een meer gelijkwaardige positie op zitting. Na afloop van de zitting heeft rechtsbijstand waarde omdat de advocaat de uitspraak van de kinderrechter kan uitleggen en ouders kan informeren en adviseren over mogelijke vervolgstappen. Hierdoor draagt rechtsbijstand in belangrijke mate bij aan procedurele rechtvaardigheid.2
Kunt u leggen hoe de pilot moet worden uitgevoerd/toegepast?
Bij de start van de pilot is met de rechtspraak, advocatuur, Gecertificeerde Instellingen (GI), Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de Raad voor Rechtsbijstand een werkproces opgesteld rond gegevensuitwisseling. Dat werkproces bevat twaalf stappen: vanaf dat de RvdK of een GI een verzoekschrift indient tot het opvragen van de stukken door de advocaat die is toegewezen. Als ouders een voorkeursadvocaat hebben, wordt dit opgenomen op het bijzonderhedenformulier van de RvdK of de GI. De griffie van de rechtbank controleert of de voorkeursadvocaat staat opgenomen op de verwijzingslijsten van de Raad voor Rechtsbijstand (en daarmee voldoet aan de specialisatie vereisten) en of de advocaat de ouder wil bijstaan. Als de ouder geen voorkeursadvocaat heeft, wordt «willekeurig» bij toerbeurt een advocaat toegewezen op basis van de actuele verwijzingslijsten met daarop de namen van advocaten met de specialisaties civiel jeugdrecht en/of personen- en familierecht. De advocaat neemt vervolgens contact op met de ouder om te vragen of hij/zij de ouder rechtsbijstand mag geven. Nadat de ouder aan de advocaat heeft aangegeven bijstand te willen, deelt de rechtbank het dossier met de advocaat.
Klopt het dat rechtbanken in het kader van de pilot zelf een advocaat aanwijzen voor ouders «die zo snel mogelijk contact opneemt»? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het recht op vrije advocaatkeuze?
Ja, tenzij sprake is van een voorkeursadvocaat (zie ook de beantwoording van vraag 3). Met deze werkwijze wordt beoogd dat als de ouder al een (voorkeurs)advocaat heeft, deze ook wordt toegewezen. Bovendien staat het de ouder te allen tijde vrij een toegewezen advocaat op voorhand te weigeren, of de opdracht met de advocaat te beëindigen, om zelf een andere advocaat voor te dragen (die wel moet voldoen aan de specialisatie vereisten).
Hoe is geborgd dat de pilot niet leidt tot verdringing van reeds betrokken of door ouders gekozen advocaten? Welke instructies zijn hierover aan de rechtbanken verstrekt? Kunt u deze instructies delen met de Kamer?
Zie de beantwoording van vraag 3 en 4.
Het werkproces rond gegevensuitwisseling is als bijlage bij de beantwoording bijgevoegd.
Herkent u de signalen dat ouders zich overvallen voelen door een aangewezen advocaat en ervaren dat hun voorkeursadvocaat buitenspel komt te staan? Wat is daarop uw reactie?
Dit signaal hebben mr. Krol en mr. Korver met mij gedeeld op 26 november (zie beantwoording vraag 21). Naar aanleiding hiervan gaan we in gesprek met de rechtspraak, Jeugdzorg Nederland (voor de GI’s) en de RvdK om zorg te dragen dat beter geborgd wordt dat de voorkeursadvocaat van ouders wordt doorgegeven aan de griffie van de rechtbanken.
Welke waarborgen bestaan er dat – zodra een ouder een voorkeursadvocaat meldt – de rechtbank die keuze honoreert, ook binnen de pilot?
Zie de beantwoording van vraag 3 en 4.
Kan het zijn dat de uitvoering van de pilot, zoals wordt gemeld, in de verschillende arrondissementen anders of verschillend geïnterpreteerd of uitgevoerd worden? Zo ja, kunt u per arrondissement de werkwijze schetsen en verschillen duiden? Kunt u de Kamer hier een overzichtstabel van toesturen?
Ja, dat kan. Uit de eindevaluatie van de regeling blijkt dat de pilot grotendeels wordt uitgevoerd zoals beoogd, maar dat er in de praktijk ook verschillen bestaan tussen arrondissementen in de wijze waarop de werkwijze wordt toegepast. Voor de rechtspraak is uniformiteit het uitgangspunt, maar lokale verschillen in de administratieve werkprocessen die onder de landelijke kaders liggen zijn niet uit te sluiten.
Er is geen gedetailleerd inzicht beschikbaar in de uitvoering per afzonderlijk arrondissement. Daardoor kan ik uw Kamer geen overzichtstabel per arrondissement toesturen.
Deelt u de mening dat als de arrondissementen de pilot inderdaad verschillend toepassen dat dit impact op heeft op rechtsgelijkheid?
Het uitgangspunt van de pilot is dat iedere ouder die hiervoor in aanmerking komt kosteloos wordt bijgestaan door een advocaat. In die zin is er sprake van gelijke toegang tot rechtsbijstand. Dat arrondissementen de pilot op onderdelen verschillend uitvoeren, betekent niet automatisch dat ouders ongelijk worden behandeld of dat hun rechtspositie verschilt.
Deelt u de mening dat ouders zelf capabel genoeg zijn om een keuze te maken voor een advocaat? En deelt u de mening dat ouders eerst zelf akkoord moeten geven voordat de advocaat definitief gekoppeld wordt?
De werkwijze is dat de griffie een gespecialiseerde advocaat aanwijst, waarmee ouders moeten instemmen, tenzij een voorkeursadvocaat bekend is of alsnog wordt aangedragen. Het in beginsel volledig aan de ouder overlaten om zelf een advocaat te benaderen of te zoeken verdraagt zich niet met het spoedkarakter en de korte termijnen die in procedures van uithuisplaatsing gelden en kan ertoe leiden dat ouders niet tijdig worden bijgestaan door een advocaat.
Hoe wordt in alle communicatie aan ouders zichtbaar en begrijpelijk gemaakt dat zij zelf een advocaat mogen kiezen en hoe zij dat praktisch regelen binnen de pilot? Kunt u de Kamer inzicht geven in hoe dit nu gecommuniceerd aan ouders?
Voor de RvdK en de GI’s zijn visuals ontwikkeld, die aan ouders overhandigd worden en waarmee ouders geïnformeerd worden over de pilot kosteloze rechtsbijstand. In de visual wordt ook toegelicht dat ouders een eigen advocaat kunnen aandragen. Ook in de brief vanuit de rechtspraak, waarin de ouder wordt opgeroepen voor een zitting, wordt uitgelegd hoe de voorkeursadvocaat van de ouder zich kenbaar kan maken bij de rechtbank.
Hoe waarborgt u dat bij spoed (art. 800 Rv) de aanwijzing/toegang tot eigen advocaat niet illusoir wordt? Welke termijnvereisten en praktische voorzieningen (bijvoorbeeld de piketregeling jeugdrecht) gelden hiervoor?
Voor toewijzing van een advocaat bij een spoedmachtiging uithuisplaatsing geldt dezelfde werkwijze als bij een reguliere uithuisplaatsing. De ouder kan indien nodig bij de hem toegewezen advocaat aangeven dat hij een voorkeursadvocaat heeft.
Deelt u de mening dat het een goed voorstel is om ouders eerst zelf de tijd te geven een voorkeursadvocaat te kiezen en als dat als er bijvoorbeeld 10 dagen voor de zitting nog geen advocaat is, de rechtbank alsnog een advocaat aanwijst?
Dit voorstel is nader verkend in overleg met de Rechtspraak en met vertegenwoordigers van de vFAS en de VNJA. Daarbij is geconcludeerd dat een werkwijze waarbij ouders, nadat zij door de Rechtspraak zijn opgeroepen voor een zitting, eerst zelf een voorkeursadvocaat kunnen doorgeven en de rechtbank pas kort voor de zitting een advocaat aanwijst als zich geen advocaat heeft gemeld, in de praktijk niet haalbaar is. De korte termijnen in deze procedures en het gegeven dat communicatie per post verloopt, maken dat onvoldoende kan worden gewaarborgd dat ouders tijdig van rechtsbijstand zijn voorzien, en voor zover dat wel het geval is, er niet voldoende voorbereidingstijd is tussen advocaat en ouders vanwege de korte termijnen.
Bent u bekend met het feit dat als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen, de aangewezen advocaat vaak al in bezit is van het dossier en vervolgens overnamepunten vraagt voor overname van het dossier? Wat is uw mening hierover en vindt u dit wenselijk? Deelt u de mening dat hierdoor de kosten onnodig verhoogd worden?
Voor dergelijke situaties hanteert de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: RvR) een specifiek beleid.
Ontvangt de RvR een overnameverzoek binnen twee kalenderweken na afgifte van de eerste last/aanwijzing van het gerecht, dan neemt de RvR aan dat de eerst toegewezen advocaat geen inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht. Dat houdt in dat de Raad de opvolgingstoeslag van 2 punten niet toekent. Blijkt dat de eerste advocaat wel inhoudelijk werkzaamheden heeft verricht, dan beoordeelt de RvR of de toeslag alsnog wordt toegekend.
Als de rechtbanken een advocaat aanwijzen en ouders hebben al een advocaat of willen een eigen voorkeursadvocaat kiezen dan is het aannemelijk dat de overname van de zaak vaak binnen 2 weken plaatsvindt.
De twee weken termijn is in algemene zin bij alle lasten een check op onnodig uitkeren van een opvolgingstoeslag. Tegen deze achtergrond deel ik niet de mening dat de kosten door het aanwijzen van een advocaat en een eventuele latere overstap onnodig worden verhoogd.
Bent u bekend met het feit dat de rechtbanken de dossiers al versturen aan de toegewezen advocaten nog voordat ouders akkoord gaan met de gekoppelde advocaat? Wat is hiervoor de juridische grondslag volgens u? En hoe verhoudt dit zich tot bijvoorbeeld met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)? Vindt u het überhaupt wenselijk dat rechtbanken dossiers vol vertrouwelijk informatie delen met een advocaat zonder dat ouders daar toestemming voor hebben verleend? En deelt u de mening dat als een dossier verzonden wordt aan een advocaat zonder toestemming van de ouders er sprake is van een datalek en dat hiervan melding gemaakt moet worden bij de AVG?
In de beantwoording op vraag 3 is het werkproces rondom het delen van dossiers toegelicht. Hieruit volgt dat de rechtbank pas het dossier deelt op het moment dat de ouder toestemming heeft gegeven aan de advocaat. Mij zijn signalen bekend dat in de praktijk in enkele gevallen al stukken worden verstrekt aan de advocaat voordat de ouder toestemming heeft gegeven. Dat is niet wenselijk. Ik zal hierover navraag doen bij de rechtspraak en hierover in gesprek gaan. Indien persoonsgegevens worden verwerkt, dient dit te gebeuren in overeenstemming met de AVG. Of in een concreet geval sprake is van een datalek in de zin van de AVG hangt af van de omstandigheden van het geval en kan niet in algemene zin worden vastgesteld.
Acht u het proportioneel en noodzakelijk om zonder uitdrukkelijke toestemming dossiers aan een niet-gekozen advocaat te verstrekken, gelet op het minimale-gegevens-principe en het vertrouwensbeginsel? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
In de werkprocesbeschrijving is opgenomen dat met de advocaat uitsluitend een beperkte set persoonsgegevens, te weten contactgegevens, wordt gedeeld. Door uitsluitend een beperkte set persoonsgegevens te delen wordt invulling gegeven aan het «minimale gegevens principe» en is sprake van een redelijke verhouding tussen het beoogde doel en het ingezette middel.
Mocht het onverhoopt toch gebeuren dat een dossier gedeeld wordt met de advocaat, zonder voorafgaande toestemming van de ouder, is de advocaat gebonden aan geheimhouding volgens de advocatenwet.
Herkent u de signalen dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) voor zitting met betrekking tot een verzoek voor een kinderbeschermingsmaatregel de dossiers of (delen van) informatie deelt met een gecertificeerde instelling (GI)? Past dit binnen de AVG/het wettelijk kader? Kunt u dit duiden met een verwijzing naar de juridische grondslagen?
Op dit moment buig ik me over het dilemma dat zich voordoet bij het delen van informatie tussen RvdK en GI voordat een kinderbeschermingsmaatregel is uitgesproken. Het is in het belang van het kind en diens ouders dat een GI in staat wordt gesteld voortvarend uitvoering te kunnen geven aan een kinderbeschermingsmaatregel. Daarvoor is het belangrijk dat gegevens vroegtijdig worden gedeeld, zodat de GI zich kan voorbereiden en aan de termijnen die wettelijk zijn bepaald kan voldoen. Ook is de bescherming van persoonsgegevens van belang; dat wordt voldaan aan de privacywetgeving en dat informatiedeling plaatsvindt op basis van een juridische grondslag. Ik ben met betrokken partijen en deskundigen in beraad over passende oplossingen en de risico’s en impact daarvan. Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de voortgang hiervan.
Hoe borgen u en de RvdK dat in verzoeken die met de GI gedeeld worden geen gevoelige persoonsgegevens bevatten (art. 9 AVG) en dat betreft niet alleen over NAW-gegevens en BSN-nummers, maar ook persoonskenmerken die toezien op gedragingen of informatie uit het verleden waarvan niet vaststaat of die relevant is om te delen? Hoe borgt u dat kwaliteitskaders en werkprocessen van RvdK conform de AVG zijn en niet feitelijk (prejudiciële) dossierdeling normaliseren? Wat vindt u van het feit dat de kwaliteitskaders van de RvdK al voorzien in het feit dat zij op voorhand al informatie naar de GI sturen, terwijl de GI nog geen belanghebbende is en dus geen recht heeft op de gegevens maar wel al die kennis heeft? En is het geen risico dat als er geen ondertoezichtstelling wordt uitgesproken er toch persoonlijke en vertrouwelijke informatie die onder de AVG valt al gedeeld is met andere procespartijen? Bent u van mening dat hier dan sprake is van een datalek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 17.
Bent u bereid om – indien nodig – het kwaliteitskader van de RvdK te (laten) herzien wanneer bepalingen/werkpraktijken de AVG of het procesrecht doorkruisen? Zo ja, op welke termijn denkt u dit te gaan doen?
Zie antwoord vraag 17.
Kunt u een landelijke uitvoeringsinstructie publiceren met heldere normen over vrije advocaatkeuze, toestemming voor dossierdeling en communicatie aan ouders – en toezien op naleving door rechtbanken en ketenpartners? Tegen welke datum?
Het werkproces is bij de beantwoording van deze Kamervragen als bijlage gevoegd.
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met o.a. jeugdrechtadvocaten Mieke Krol en Richard Korver, die herhaaldelijk publiekelijk op knelpunten hebben gewezen (vrije keuze, dossierdeling, procedurele waarborgen)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u de Tweede Kamer informeren over de uitkomst van dat gesprek en welke procesaanpassingen u daaruit laat volgen?
Ja, op woensdag 26 november heeft mijn ministerie gesproken met mr. Krol en mr. Korver over de door hen gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de regeling kosteloze rechtsbijstand. Daarbij is onder meer gesproken over de vrije advocaatkeuze, de dossierdeling en verschillen in de uitvoering tussen rechtbanken. Ten aanzien van de vrije advocaatkeuze signaleren zij dat ouders zich niet altijd vrij voelen zelf een advocaat te kiezen wanneer de rechtbank een advocaat aanwijst. Het knelpunt bij dossierdeling is dat het dossier met de toegewezen advocaat wordt gedeeld voordat ouders toestemming hebben gegeven. De signalen uit dit gesprek worden betrokken bij het verbeteren en verduidelijken van de huidige werkwijze.
Indien blijkt dat dossiers onrechtmatig zijn gedeeld, bent u dan bereid ouders te informeren, incidenten te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en – waar passend – herstelmaatregelen (inclusief vernietiging/herstel van procespositie) te treffen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 15 ga ik in gesprek met de rechtspraak om na te gaan in hoeverre in de praktijk wordt afgeweken van de afgesproken werkwijze. Afhankelijk van de uitkomsten van deze gesprekken zal worden beoordeeld of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn.
Bent u bekend met het feit dat ook minderjarige kinderen vaak volledige procesdossiers ontvangen vanuit de rechtbank? Vindt u het wenselijk dat het kind het gehele procesdossier krijgt en zo bijvoorbeeld de gehele strijd tussen ouders kan lezen? En indien u van mening dat kinderen het volledige dossier moeten ontvangen, zou het dan niet wenselijker zijn dit in een meer kindvriendelijke vorm te doen?
Nee, dat is bij mij niet bekend. Volgens artikel 2.2 van het procesreglement civiel jeugdrecht ontvangen belanghebbenden per procedure twee kopieën van het verzoekschrift met bijlagen. Zijn belanghebbenden woonachtig op eenzelfde adres, dan kan worden volstaan met twee kopieën gezamenlijk. Een minderjarige van twaalf jaar of ouder ontvangt een eigen kopie van het verzoekschrift, maar zonder bijlagen. Hieruit volgt dat minderjarigen niet het volledige procesdossier ontvangen.
De Veiligheid van procespartijen en rechtsgelijkheid bij jeugdbeschermingsprocedures |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Judith Tielen (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10004)1, waarin de meervoudige kamer expliciet stelt dat de rechtbank geen taak of wettelijke bevoegdheid heeft om tijdens of na een zitting de veiligheid van procespartijen te waarborgen?
Komt het standpunt van de meervoudige kamer overeen met formeel beleid van de gerechten of de raad voor de rechtspraak?
Deelt u de mening dat deze uitspraak feitelijk betekent dat procespartijen – waaronder ouders, kinderen, advocaten, medewerkers van de gecertificeerde instelling (GI), de Raad voor de Kinderbescherming en zelfs rechters – tijdens de zitting en na afloop van de zitting zonder enige bescherming het gerechtsgebouw verlaten, ook als er sprake is van expliciete bedreigingen?
Acht u het wenselijk dat een rechterlijke instantie die op de hoogte is van een concrete bedreiging, zeker als die in de zitting wordt uitgesproken, zich beperkt tot de constatering dat er «geen wettelijke bevoegdheid» bestaat om maatregelen te treffen?
Worden deze bedreigingen ook geregistreerd waardoor het zichtbaar is hoe vaak dit voor komt? Is er bijvoorbeeld bekend hoe vaak rechters of griffiers bedreigt worden? Of andere procesdeelnemers? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, overweegt u om dit vast te laten leggen waardoor er niet alleen een preventieve werking van uit gaat, maar ook dat er onderzoek kan worden gedaan naar de herkomst en omstandigheden waar dit vandaan komt?
Wordt er ook geregistreerd wat de bedreigingen zijn, waar ze vandaan komen zodat niet alleen inzichtelijk is hoe vaak het voorkomt maar ook wat de achtergronden en of er mogelijk een patroon of recidive is van bepaalde ouders?
Hoe wordt in de praktijk bepaald of een dergelijke dreiging wordt beschouwd als een strafrechtelijke of veiligheidskwestie en wie neemt daartoe het initiatief – de rechtbank, de griffier, de Raad, de GI of de politie?
Bestaat er een protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie? Zo ja, kunt u de kamer dit protocol toezenden?
Indien het antwoord op vraag 8 nee is, kunt u aangeven welk protocol er wél geldt, wie dit handhaaft en hoe vaak dit wordt toegepast?
Hoe wordt de veiligheid van de betrokken rechters, advocaten en hulpverleners gewaarborgd bij vertrek uit de zittingszaal of het gerechtsgebouw, zeker wanneer er sprake is van een emotioneel beladen jeugdzorgzaak waar dergelijk bedreigingen zijn geuit?
Hoe vaak komt het voor dat rechters bedreigd worden in zittingen of daarbuiten via bijvoorbeeld mail of sociale media? Hoe gaat de rechtspraak ermee om als rechters bedreigd worden? Hoe wordt dan de veiligheid van de rechters gewaarborgd? Welke maatregelen neemt de rechtbank dan in het belang van de veiligheid van de rechters? Waar kunnen rechters terecht als zij bedreigd worden en hoe verhoudt zich dat weer ten aanzien van de geheimhoudingsplicht die rechters hebben in het kader van de beslotenheid van jeugd- en familierechtszaken?
Wordt er in dergelijke situaties overleg gevoerd tussen rechtbanken en lokale politie of het Openbaar Ministerie om acute dreiging te beoordelen en maatregelen te treffen? Zo ja, hoe vaak gebeurt dat en hoe is die samenwerking geborgd?
Acht u het wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van procespartijen in dit soort zaken niet bij één instantie is belegd, waardoor iedereen op elkaar wacht en feitelijk niemand handelt?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige taakafbakening tussen rechtbank, GI, Raad en politie leidt tot rechtsongelijkheid en veiligheidsrisico’s voor partijen die deelnemen aan jeugdbeschermingsprocedures?
Hoe beoordeelt u het risico dat slachtoffers van bedreiging (zoals de moeder in deze zaak, maar ook de advocaat van moeder en de bijzonder curator) zich niet vrij voelen om hun standpunt te uiten en dat dit de kern van een eerlijk proces ondermijnt (artikel 6 EVRM)? Deelt u de mening dat hiermee ook de belangen van de minderjarige in het geding komen? En daarmee het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind niet kan worden nageleefd?
Kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot de zorgplicht van de overheid om veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, waaronder kinderbeschermingszaken?
Bent u bereid in overleg met de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse orde van advocaten, de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en alle andere belanghebbenden om te komen tot een goede borgingsafspraken en indien nodig landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen?
Kunt u garanderen dat los van het eventuele beleid concrete stappen worden gezet om de veiligheid van rechters en andere professionals binnen de rechtsgebouwen, wanneer er concrete aanwijzingen zijn voor hun onveiligheid, worden beschermd?
Zo ja, op welke termijn verwacht u dit te kunnen realiseren en bent u bereid de Kamer hierover voor het einde van het eerste kwartaal van 2026 te informeren?
Het bericht dat 10 procent van de gevangenen ongewenst vreemdeling is. |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 10% van alle gevangenen is vreemdeling zonder geldige verblijfsstatus: 800 gedetineerden kosten tonnen per dag»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat deze vreemdelingen wel eenvoudig ons land binnen kunnen komen, maar het u niet lukt om ze na criminele feiten ons land weer uit te zetten?
De terugkeer van veroordeelde vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS-ers) zonder rechtmatig verblijf heeft prioriteit in het vertrekbeleid. In 2023 zijn circa 840 VRIS-ers, die in de caseload van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) zaten, aantoonbaar vertrokken. In 2024 is dit aantal circa 960.2
VRIS-ers kunnen direct na het uitzitten van hun straf worden uitgezet of vertrekken soms tijdens het uitzitten van hun straf middels strafonderbreking of strafoverdracht. Bij strafonderbreking krijgen vreemdelingen de mogelijkheid om tijdens het uitzitten van hun straf te vertrekken uit Nederland. Aan strafonderbreking is als voorwaarde verbonden dat, wanneer zij opnieuw naar Nederland reizen, het restant van de straf moet worden uitgezeten. Bij strafoverdracht is er een verdrag met het land naar welke de vreemdeling wordt overgedragen en zit de vreemdeling zijn straf uit in dat land.
Evenals bij andere vertrekplichtige vreemdelingen kan het realiseren van vertrek van VRIS-ers complex zijn. Het kan moeilijk zijn om de identiteit en/of nationaliteit van vreemdelingen vast te stellen doordat zij geen geldige documenten hebben of weigeren deze prijs te geven. Daarnaast kan het land van herkomst weigeren de vreemdeling terug te nemen, vooral wanneer er onzekerheid is over de identiteit en/of nationaliteit of wanneer er geen diplomatieke samenwerking is tussen Nederland en het betreffende land van herkomst. Nederland mag voorts geen vreemdelingen uitzetten naar een land waar deze persoon risico loopt op ernstige schade. Ook juridische procedures, zoals herhaalde of opeenvolgende asielaanvragen kunnen de uitzetting vertragen of blokkeren.
Desalniettemin lukt het om VRIS-ers vaker aantoonbaar te laten vertrekken dan andere vreemdelingen uit de caseload van de DTenV. Dit komt voornamelijk doordat al tijdens de strafrechtelijke detentie aan het vertrek van VRIS-ers kan worden gewerkt.
Hoeveel criminele vreemdelingen met en zonder geldige verblijfsstatus die eigenlijk in de cel of een tbs-kliniek hadden moeten zitten lopen er vrij rond?
Alle tbs-passanten wachten in het gevangeniswezen op een plaatsing in een tbs-kliniek en lopen dus niet vrij rond, ongeacht de verblijfsstatus. Als gevolg van de capaciteitsproblematiek worden momenteel niet alle zelfmelders opgeroepen. Bij deze groep wordt niet de verblijfsstatus geregistreerd.
Wat is de exacte dagelijkse kostprijs per illegale gedetineerde, en wat is het totale bedrag dat deze 800 illegale gedetineerden de Nederlandse samenleving jaarlijks kosten? Graag een gedetailleerde berekening, inclusief gratis juridische bijstand, dagprogramma’s, medische zorg en alle overige uitgaven?
De kostprijs voor een reguliere plek binnen het gevangeniswezen is € 447,–.3
Een exacte doorvertaling naar jaarlijkse kosten is lastig te maken. Het aantal gedetineerde vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf heeft door het jaar heen geen vaste omvang. Ingeschat wordt dat de jaarlijkse kosten tussen de 125 tot 130 miljoen bedragen.4
Vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf die gedetineerd zijn na strafrechtelijke veroordeling hebben recht op gesubsidieerde rechtsbijstand. De kosten die voor deze groep worden gemaakt voor juridische bijstand kunnen niet uit de systemen van de Raad voor Rechtsbijstand worden gefilterd.
Hoeveel van deze 800 illegale gedetineerden komen uit islamitische landen, en hoeveel hebben een asielachtergrond? Wilt u dit exact uitsplitsen per land van herkomst en misdrijf?
Bij DJI is niet bekend hoeveel gedetineerden een asielachtergrond hebben. Er wordt niet geregistreerd of gedetineerden uit een islamitisch land komen. Daarom kan ik uw vraag niet beantwoorden.
Deelt u de mening dat het falende asiel- en migratiebeleid direct verantwoordelijk is voor deze oververtegenwoordiging van illegalen in onze gevangenissen? Bent u bereid om direct de grenzen te sluiten voor asielzoekers en immigranten uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij uw Kamer bekend, zet dit kabinet in op het beperken van migratie naar Nederland. De buitengrensprocedures uit het Asiel- en Migratiepact bieden hiertoe handvatten en het versterken van de Europese buitengrenzen is voor Nederland een belangrijke prioriteit. Het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen voor bepaalde doelgroepen, is echter geen realistische of wenselijke oplossing voor het complexe migratievraagstuk. Op grond van internationale verdragen en afspraken hebben alle asielzoekers recht op een eerlijke asielprocedure waarin wordt beoordeeld of zij wel of niet recht op bescherming en dus verblijfsrecht in Nederland dienen te krijgen. Als het gaat om reguliere migranten dan is er sprake van diverse criteria waar zij aan dienen te voldoen om toegang te krijgen tot Nederland. Vanzelfsprekend is elke vorm van overlast en criminaliteit volstrekt onacceptabel en zet ik samen met onder meer partijen uit de migratieketen, de politie, het Openbaar Ministerie en gemeenten in op een harde aanpak van VRIS-ers. Ook zet ik me in voor het intensiveren van terugkeer van vreemdelingen zonder verblijfsrecht. De terugkeer van VRIS-ers zonder rechtmatig verblijf heeft prioriteit in het vertrekbeleid.
Wat is uw reactie op het bericht «Geen hulp voor ex-vuurwerkramprechercheur: Kamerleden ontstemd over besluit Staatssecretaris»1?
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane (hierna: FBD), de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) en ik begrijpen dat het een vervelende boodschap is dat er geen mogelijkheid bestaat om tegemoet te komen aan het verzoek om af te zien van belastingheffing, zeker gezien de in het bericht beschreven omstandigheden. Uit het bericht valt op te maken dat sprake is van een transitievergoeding (ook wel: ontslagvergoeding) die in een stamrecht is omgezet. Het lijkt de Staatssecretaris van FBD, ook gezien de context, goed om op deze plaats de fiscale behandeling te schetsen van een ontslagvergoeding die in een zogeheten stamrecht-bv (besloten vennootschap) is gestort. Als iemand een ontslagvergoeding krijgt, is deze op dat moment en voor het volledige bedrag belast. Degene die uitbetaalt, de inhoudingsplichtige, houdt loonbelasting in op de vergoeding, die vervolgens verrekenbaar is met de inkomstenbelasting over het jaar waarin de vergoeding is ontvangen. Tot 1 januari 2014 kon met gebruikmaking van de stamrechtvrijstelling een ontslagvergoeding in een bv worden gestort zonder belastingheffing op dat moment. De belastingheffing vindt vervolgens plaats op het moment dat er uitkeringen door de stamrecht-bv worden gedaan. Er gelden wel voorwaarden om de belastingheffing te waarborgen. Door van een stamrecht-bv gebruik te maken, kon uitstel en matiging van belastingheffing worden bewerkstelligd. Uitstel tot het moment waarop de uitkeringen worden uitbetaald en matiging doordat niet in een keer een hoog bedrag progressief belast wordt in het jaar van ontvangst, maar de lagere periodieke uitkeringen in de jaren waarin zij ontvangen worden. Op het moment dat dit systeem wordt doorbroken moet echter alsnog worden afgerekend over het stamrecht. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat iemand om welke reden dan ook geld onttrekt aan de stamrecht-bv, bij afkoop van het stamrecht of bij opheffing van de bv voordat alle uitkeringen zijn gedaan. Zo wordt geborgd dat uiteindelijk over de gehele ontslagvergoeding wordt geheven. Er ontstaat dus bij gebruik van een stamrecht-bv geen afstel van belastingheffing.
Kunt u toelichten op welke gronden het verzoek om coulance in de zaak van de heer Paalman is afgewezen?
Is er een intern advies, rapport of toetsingsdocument opgesteld over de redelijkheid en billijkheid van het verzoek? Zo ja, kunt u dit (desnoods vertrouwelijk) met de Kamer delen?
Welke beleidsregels of richtlijnen zijn toegepast bij de beoordeling van dit specifieke verzoek?
In hoeverre is bij de oorspronkelijke regeling rekening gehouden met de status van de heer Paalman als klokkenluider of melder van misstanden binnen het politieonderzoek naar de vuurwerkramp?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Erkent u dat er een groot maatschappelijk belang is dat klokkenluiders beschermd worden en geen negatieve gevolgen ondervinden van het onthullen van een maatschappelijke misstand? Hoe kijkt u met die blik naar de zaak van de heer Paalman?
Net als de Staatssecretaris van FBD en de Minister van BZK erken ik het grote maatschappelijke belang dat gediend is bij de bescherming van klokkenluiders. Klokkenluiders spelen een essentiële rol bij het aan het licht brengen van maatschappelijke misstanden, bijvoorbeeld op het gebied van fraude en corruptie, en zij verdienen daarom bescherming.
Om klokkenluiders beter te beschermen tegen negatieve gevolgen van het doen van een melding geldt in Nederland sinds 2016 regelgeving. Destijds gold de Wet Huis voor klokkenluiders en deze is in 2023 vervangen door de Wet bescherming klokkenluiders, waarmee de positie van klokkenluiders verder is versterkt. Met deze wet is de bewijslast bij benadeling van klokkenluiders verschoven naar de werkgever.
Met betrekking tot de zaak van de heer Paalman past het mij en mijn collega-bewindspersonen, gelet op onze respectievelijke verantwoordelijkheden, niet om te oordelen over dit individuele geval.
Zijn er andere gevallen bekend waarin ambtenaren of medewerkers die misstanden aan de kaak stelden een vergelijkbare afkoopregeling troffen? Wat was in die situaties de handelwijze van het ministerie en/of de politieorganisatie?
De Minister van BZK heeft een coördinerende beleids- en kaderstellende rol als het gaat om de toepassing van de Wet bescherming klokkenluiders. Vanuit die verantwoordelijkheid kunnen vragen met betrekking tot individuele casuïstiek niet beantwoord worden.
Voor een algemeen beeld over meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders bij ministeries attendeer ik u graag op de jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk (JBR) die door het Ministerie van BZK jaarlijks wordt opgesteld2. In de JBR wordt bijgehouden hoeveel meldingen van misstanden in de zin van de Wet bescherming Klokkenluiders worden gedaan. Er zijn in de periode 2020 tot en met 2024 drie meldingen gedaan bij ministeries waarvan is aangetoond dat sprake was van een misstand in de zin van de voornoemde wet.
De politie stelt in veel verschillende situaties vaststellingsovereenkomsten op waarin afkoopsommen kunnen worden vastgelegd. (Oud-)medewerkers van de politie kunnen zich hierbij altijd juridisch laten adviseren. Er wordt niet geregistreerd wat de grondslag is voor een afkoopsom, waardoor een vergelijking niet te maken is.
Heeft destijds enige vorm van onafhankelijke toetsing of juridische begeleiding plaatsgevonden bij de totstandkoming van de regeling, gelet op de machtsverhouding tussen overheid en werknemer?
Politiemedewerkers kunnen zich altijd juridisch laten adviseren bij het treffen van dergelijke regelingen, waarbij een vaststellingsovereenkomst wordt opgesteld. Die ruimte is er. Dat kan bijvoorbeeld via de politievakbond. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om uitspraken te doen over individuele casuïstiek.
Op welke wettelijke basis is de Belastingdienst gerechtigd om (een deel van) de destijds ontvangen afkoopsom terug te vorderen?
Zie het antwoord op vraag 2 t/m 4.
In welke mate is binnen die regeling rekening gehouden met persoonlijke omstandigheden, zoals financiële draagkracht en gezinssituatie?
De Staatssecretaris van FBD gaat ervan uit dat hier de fiscale regeling is bedoeld waardoor belasting is verschuldigd bij het afrekenen over een stamrecht. Anders dan het bericht suggereert zij vermeld dat de Belastingdienst niets van de afkoopsom/ontslagvergoeding zelf terugvordert. Zoals in het antwoord op vraag 1 is beschreven, vindt belastingheffing plaats over de afkoopsom/ontslagvergoeding plaats op het moment van ontvangst daarvan of, bij inbreng in een stamrecht-bv, op het moment dat de uitkeringen uit het stamrecht vloeien. Net als bij andere fiscale regelgeving geldt dat bij het tot stand brengen ervan alle aspecten worden meegewogen, dus ook de gevolgen voor draagkracht en persoonlijke omstandigheden van de burgers die van de regeling gebruikmaken of erdoor worden geraakt. Zo nodig worden flankerende maatregelen getroffen. Zo is bij de beëindiging van de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 in uitgebreid overgangsrecht voorzien.
In aansluiting op de antwoorden op de vragen 2, 3, 4 en 9 geldt ook voor deze vraag dat de Staatssecretaris van FBD niet in kan gaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Bestaan binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijkheden voor kwijtschelding, aanpassing of opschorting van terugvorderingen in schrijnende of uitzonderlijke situaties zoals deze?
Ja, er bestaan mogelijkheden om een belastingschuld met een betalingsregeling te voldoen of voor kwijtschelding van een belastingschuld. Als mensen hun belastingschuld niet ineens kunnen betalen, kunnen zij een betalingsregeling bij de ontvanger aanvragen van maximaal twaalf maanden. Deze termijn kan worden verlengd als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden zijn. Te denken is aan de situatie dat een belastingschuldige onder het bestaansminimum komt, uit huis gezet dreigt te worden of hoge medische kosten heeft. Als uit het verzoek om de betalingsregeling blijkt dat de belastingschuldige over onvoldoende betalingscapaciteit beschikt om binnen twaalf maanden zijn schuld te betalen, dan neemt de ontvanger dat verzoek ambtshalve in behandeling als een verzoek om kwijtschelding. Bij de beoordeling daarvan neemt hij de gehele belastingschuld in beschouwing. Of iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding, hangt af van iemands persoonlijke situatie. In zijn algemeenheid komt iemand in aanmerking voor kwijtschelding als diegene geen of onvoldoende vermogensbestanddelen heeft om de openstaande belastingschuld te voldoen en geen of onvoldoende betalingscapaciteit om de belastingschuld te voldoen. Ook moet zijn voldaan aan alle andere vereisten. De Staatssecretaris van FBD kan ook in antwoord op deze vraag niet ingaan op de individuele situatie van de heer Paalman (geheimhoudingsplicht; art. 67 AWR).
Onder welke voorwaarden kan in individuele gevallen coulance of maatwerk worden toegepast buiten bestaande standaardregelingen?
Bij het opleggen en invorderen van aanslagen past de Belastingdienst binnen de grenzen van wet- en regelgeving zo veel mogelijk maatwerk toe, en daarbij hoort ook coulance. Waar dat niet kan, heeft de Staatssecretaris van FBD de mogelijkheid om de zogeheten hardheidsclausule toe te passen (art. 63 AWR). De hardheidsclausule kan evenwel alleen worden toegepast als sprake is van een «onbillijkheid van overwegende aard». Daarvan is sprake als het gaat om een gevolg dat de wetgever had voorkomen als hij dat bij het maken van de wet had voorzien. De wet had dan dus anders geluid. De hardheidsclausule wordt in zeer uitzonderlijke gevallen toegepast. Het gaat bij de toepassing van de hardheidsclausule uitdrukkelijk niet om gevallen waarin iemand de belastingheffing persoonlijk als onbillijk ervaart.
Bent u bereid de zaak van de heer Paalman opnieuw te bezien met oog voor redelijkheid, billijkheid en de bijzondere context waarin de regeling destijds tot stand kwam?
Bij verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule of coulance worden altijd alle feiten en omstandigheden meegewogen en dus ook de eventuele bijzondere context. Het opnieuw bezien zal – hoe vervelend ook voor betrokkene – niet kunnen leiden tot een andere toepassing van de fiscale regelgeving.
De huidige staat en de toekomst van de sociaal advocatuur |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de huidige staat van de sociaal advocatuur? Hoe ernstig is volgens u het tekort aan sociaal advocaten, die in verschillende regio’s in het land op uiteenlopende rechtsgebieden de niet rijke inwoners van ons land zouden moeten kunnen bijstaan bij juridische problemen?
Er is een dalende trend in het aanbod van sociale advocaten zichtbaar. Dat tij moet worden gekeerd om de rechtsbijstand voor eenieder toegankelijk te houden. In de Kamerbrief van 26 juni 20251 is geschetst welke maatregelen hiervoor in gang zijn gezet. Aanvullend is van belang de in- en uitstroom van sociaal advocaten te monitoren. De commissie-Van der Meer II beveelt dit ook aan in haar rapport.2 Op verzoek van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) is het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand (hierna: het kenniscentrum) gevraagd nader onderzoek te doen naar de ontwikkeling van het aanbod van sociaal advocaten en daarbij onder meer te differentiëren naar rechtsgebied en regio. De resultaten van dit onderzoek zullen begin 2026 worden opgeleverd.
Klopt het dat er in sommige gebieden nog maar één sociaal advocaat op 25.000 mensen beschikbaar is?1
Feitelijke gegevens hierover zijn nog niet bekend bij het Kenniscentrum.
In het in het antwoord op vraag 1 genoemde onderzoek wordt momenteel het aantal ingeschreven en actieve sociaal advocaten in de verschillende regio’s in kaart gebracht met daarbij per regio de inwonersaantallen.
Klopt het feit ook dat ongeveer één op de drie sociaal advocaten binnen afzienbare tijd met pensioen gaat?2
Dat klopt. Uit cijfers van het Kenniscentrum van juni 20245 blijkt dat meer dan 30% van de advocaten die op dat moment stonden ingeschreven bij de RvR, binnen 12 jaren de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Het betreft advocaten die op dat moment 55 jaar of ouder waren.
Welke plannen en voorstellen van u gaan daar op korte termijn iets aan doen? Zijn uw maatregelen volgens u voldoende om de problemen op te lossen of is er meer nodig? Wie is er aan zet, wiens verantwoordelijkheid is dat?
De afgelopen jaren zijn al verschillende maatregelen genomen om de sociale advocatuur te versterken.6 Zoals vermeld in de Kamerbrief van 26 juni 2025 worden verschillende aanbevelingen van de commissie-Van der Meer II opgevolgd.7 Het gaat onder meer om de aanbevelingen ten aanzien van de puntenaantallen, toeslagen en het punttarief. De hiervoor benodigde wetswijziging treedt naar verwachting begin 2026 in werking. Ik verwijs u voor de goede orde naar die Kamerbrief.
In de eerder genoemde brief van 26 juni 2025 zijn tevens verschillende korte en lange termijn maatregelen vermeld die door mijn ministerie samen met de RvR en de NOvA in gang zijn gezet om het tekort aan sociaal advocaten aan te pakken, waaronder een visietraject voor de toekomst van de sociale advocatuur. Ik zal uw Kamer in het eerste kwartaal van 2026 over de uitkomsten van dit traject informeren.
Deelt u de mening dat in ieder geval gewerkt moet worden aan het laten toenemen van de instroom, de jonge aanwas van bevlogen juristen, en dat er op de rechtenopleidingen al meer gedaan kan worden om de bekendheid van het belang van de sociaal advocatuur te laten toenemen?
Ja. Meer aandacht voor de sociaal advocatuur in het onderwijs is van groot belang en nodig voor het vergroten van de jonge aanwas. Daarom werkt mijn ministerie al een aantal jaren samen met de RvR, NOvA en de Vereniging Sociaal Advocatuur Nederland (VSAN) om de aandacht voor de sociale advocatuur in het rechtenonderwijs te vergroten. Er is onder meer een sprekerspoule opgezet, een standaardpresentatie ontwikkeld en op 1 december 2025 is een campagne voor op universiteiten gelanceerd.
Wat is nu de stand van zaken met initiatieven in rechtenopleidingen om de aandacht voor de sociaal advocatuur te versterken? Kunt u een overzicht geven van alle initiatieven? Volstaan deze volgens u? Hoe vrijblijvend zijn deze?
Op dit moment zijn er verschillende initiatieven bij acht van de tien rechtenfaculteiten aan universiteiten. Hierbij moet gedacht worden aan gastcolleges, presentaties, moot courts, career events, banenmarkten, lunchlezingen en afstudeeropdrachten. Hetzelfde geldt voor een groot aantal HBO-rechtenopleidingen, waar naast het voornoemde in een enkel geval ook stages kunnen worden ingevuld. Het komend jaar blijven de RvR, NOvA, VSAN en mijn ministerie, zich inzetten om zo vroeg mogelijk in de rechtenstudie zo veel mogelijk studenten te laten kennismaken met de sociale advocatuur.
Vindt u ook dat eigenlijk van alle rechtenopleidingen gevraagd en verwacht mag worden in het curriculum rechtsgeleerdheid permanente aandacht aan sociale advocatuur te besteden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind het belangrijk dat in de rechtenopleidingen aandacht wordt besteed aan de sociale advocatuur. Uit onderzoek onder studenten is gebleken dat zij vaak niet bekend zijn met de sociale advocatuur.8 Mijn ministerie benadrukt dit belang ook in gesprekken met de Raad der Decanen Rechtsgeleerdheid (RDR). Het is echter niet aan mij als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om mij te mengen in de inrichting van het curriculum voor de opleiding rechtsgeleerdheid.
Hoe kijkt u naar het voorstel om via een (al dan niet verplichte) stage bij een rechtswinkel of een sociaal advocatenkantoor dit belang onder de aandacht te brengen?
Een stage bij een sociaal advocaat of werken bij een rechtswinkel is een goed middel om kennis te maken met het beroep van sociaal advocaat. Het is niet aan mij als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om een oordeel te geven of dergelijke stages verplicht moeten worden. Uit gesprekken van de RvR met onderwijsinstellingen en sociaal advocaten komt de wens naar voren voor een subsidie voor studentstages. Ook wordt nagedacht over het organiseren van kantoorbezoeken om rechtenstudenten kennis te laten maken met de sociale advocatuur.
Bent u het met hoogleraar Wibier eens, die vindt dat studenten onderwijzen over de toegang tot het recht en sociale advocatuur «misschien zelfs wel een van de kerntaken van een rechtenfaculteit» is, omdat: «iedereen ongeacht de omvang van de portemonnee recht op rechtsbijstand [heeft]. De sociale advocatuur speelt daarbij een onmisbare rol en is een van de fundamenten van onze rechtsstaat. Het is aan rechtenfaculteiten, die grotendeels met publiek geld zijn gefinancierd, om bij te dragen aan de oplossing van het probleem dat nog steeds te veel mensen het zonder behoorlijke rechtsbijstand moeten doen. Een probleem dat erger wordt wanneer er onvoldoende studenten kiezen voor de sociale advocatuur»?3 Kunt u hier een uitgebreide reactie op geven?
Ja, ik hecht er belang aan dat rechtenstudenten op universiteiten en de hoge scholen onderwezen worden over onze rechtsstaat en de toegang tot het recht, waarvan het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand een belangrijk onderdeel uitmaakt. Uit onderzoek onder studenten blijkt dat zij vaak niet bekend zijn met de sociale advocatuur en een negatief beeld hebben van het vak.10 Terwijl uit gedragsonderzoek van het ministerie is gebleken dat een stabiele 30% van de studenten interesse heeft in het vak van sociaal advocaat om kwetsbare burgers te helpen. Daarom werkt mijn ministerie ook samen met de RvR, NOvA en VSAN om de aandacht voor de sociale advocatuur in het onderwijs te vergroten en vraagt mijn ministerie hier aandacht voor in gesprekken met de RDR. Zoals gezegd in het antwoord op vraag 7, ga ik echter niet over de inrichting van het curriculum.
Bij wie ligt het initiatief voor het laten toenemen van de aandacht voor de sociaal advocatuur bij rechtenopleidingen? Zijn we daarbij enkel afhankelijk van de opstelling van enkele universiteiten? Wat is uw rol hierin, wat kunt en gaat u doen om dit te benadrukken? Wat is uw ideaal (op middellange of lange termijn) hierin en hoe gaat u dat bereiken?
Zie het antwoord op vraag 5, 7 en 9.
Wat is uw oordeel over de kwaliteit van de huidige beroepsopleiding en bent u bekend met de initiatieven vanuit de advocatuur om deze te laten toenemen? Hoe beoordeelt u die?
De visitatiecommissie Beroepsopleiding Advocaten heeft in september 2025 positief geoordeeld over de beroepsopleiding.11 Het inrichten van de beroepsopleiding is een per wet vastgelegde bevoegdheid van de NOvA.12 Het is dan ook niet aan mij om een oordeel te geven over de kwaliteit van die beroepsopleiding.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de huidige sociaal advocaten behouden blijven door het vak aantrekkelijker te maken?
De opvolging van een groot deel van de aanbevelingen van de commissie-Van der Meer II vanaf begin 2026 draagt bij aan het bieden van een redelijk inkomen voor sociaal advocaten. Daarnaast is het hiervoor genoemde visietraject erop gericht het vak aantrekkelijker te maken en houden voor de toekomst. Zoals gezegd informeer ik uw Kamer over de uitkomsten van dit traject in het eerste kwartaal van 2026.
In hoeverre wordt toegewerkt naar een garantiefonds voor de advocaat-stagiair ondernemer omdat deze juist van groot belang zijn in de regio’s, waar geen kantoren zijn die de stagiairs in loondienst kunnen opleiden?
Ik wacht eerst de uitkomst van het hiervoor genoemde visietraject voor de toekomst van de sociale advocatuur af voordat ik alle aanvullende ideeën, waaronder een garantiefonds voor de advocaat-stagiair, af zal wegen.
Hoe staat u tegenover een eerdere aanbeveling van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland om de subsidieregeling beroepsopleiding sociaal advocaten en de begeleidingsvergoeding patroon uit te breiden?
Ik verwijs naar de genoemde Kamerbrief van 26 juni 2025 waarin de voormalig Staatssecretaris Rechtsbescherming op de door de VSAN voorgestelde maatregel is ingegaan.13 Binnen het visietraject is ook aandacht voor het belang van het goed opleiden van advocaat-stagiaires en de tijd en kosten die daarmee gepaard gaan. Over de te nemen maatregelen die voortvloeien uit het visietraject informeer ik uw Kamer zoals ik hierboven heb gemeld nog nader.
Wat is de stand van zaken met het voornemen om de voorschotregeling weer terug te laten keren?
Ik verwijs u naar de eerder genoemde brief van 26 juni 2025 waarin uw Kamer is geïnformeerd over de bevoegdheid die de RvR krijgt om in uitzonderlijke gevallen in positieve zin af te wijken van de voorschotregeling zoals neergelegd in het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Deze wijziging maakt onderdeel uit van de wetswijziging voor de opvolging van verschillende aanbevelingen van de commissie-Van der Meer II, die naar verwachting begin 2026 in werking treedt. Hiermee wordt deels opvolging gegeven aan de motie van de Kamerleden Temmink en Van Nispen van 18 maart 2023 waarin zij de regering verzoeken om de voorschotregeling zoals deze ook vroeger van toepassing was bij de sociaal advocaten weer in te voeren.14
Kunt u toelichting geven op de 30 miljoen euro die in het kader van de commissie-Van der Meer II wordt vrijgemaakt in 2027: wat zien we hiervan al terug in 2026 (zoals beloofd) en hoe is dat te lezen in de begroting?
Bij de Voorjaarsnota 2025 is vanaf 2027 30 miljoen euro structureel beschikbaar gemaakt voor de sociale advocatuur. Zoals vermeld in de brief van 26 juni 2025 worden voor 2026 ook middelen beschikbaar gesteld om een deel van de aanbevelingen van commissie-Van der Meer II door te voeren.15 Het gaat onder meer om de aanbevelingen ten aanzien van de puntenaantallen, toeslagen en het punttarief. In 2026 zal gaan om een beperkter bedrag dan 30 miljoen euro. Het exacte bedrag hangt af van het moment van inwerkingtreding van de benodigde wetswijziging om de maatregelen door te voeren en het aantal toevoegingen dat in 2026 wordt gedeclareerd. De middelen voor 2026 komen uit de beschikbare reserves van de RvR en zijn daarom niet zichtbaar op de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Heeft u het idee dat de maximaal 1.200 declarabele uren een barrière kan zijn voor sociaal advocaten? Is het niet apart om deze norm te hanteren waar dit in een commercieel kantoor niet gemaximeerd is?4
Ik ben bekend met signalen waarin onvrede wordt geuit over het maximum aan toevoegingseenheden dat de RvR wordt gehanteerd. Dat dit een barrière vormt voor sociaal advocaten is mij niet bekend.
Ik vind het niet vreemd dat de RvR een maximum aan toevoegingseenheden17 hanteert. Dit maximum is een kwaliteitsinstrument. Het waarborgt de tijd en aandacht die nodig is voor goede, zorgvuldige rechtsbijstandsverlening. De vergoedingen gaan sinds 1 januari 2022 uit van een gemiddelde tijdsbesteding van inmiddels 8,5 (declarabele) uren per toevoeging.18 Voorheen waren dit zes uren. Om die reden verlaagt de RvR het maximum in 2026 naar 225 en in 2027 naar 200 eenheden. In de praktijk hanteert de RvR een ruimer maximaal aantal toevoegingseenheden. Voor 2025, 1500 declarabele uren bij een maximum van 250 toevoegingseenheden, voor 2026 1900 declarabele uren bij een maximum van 225 toevoegingseenheden en vanaf 2027 1.700 declarabele uren bij een maximum van 200 toevoegingseenheden.19 Overigens ontvangt de overgrote meerderheid van de bij de RvR ingeschreven advocaten jaarlijks minder dan 200 toevoegingseenheden.
Bent u bekend met de kritiek op de inschrijvingseisen/deskundigheidseisen/specialisatie- en opleidingseisen waar sociaal advocaten nu aan moeten voldoen om in rechtsgebieden werkzaam te mogen zijn om vergoeding te mogen ontvangen via de Raad voor rechtsbijstand? Is het, met alle goede bedoelingen uit het verleden om de kwaliteit te waarborgen, in de huidige tijd nog wel haalbaar om aan sociaal advocaten zulke vergaande eisen te stellen waardoor er steeds meer afhaken en er witte vlekken zijn ontstaan in dorpen en regio’s waar geen advocaten meer zijn of bepaalde rechtsgebieden niet meer worden gedaan?
Ja daar ben ik mee bekend. De afgelopen 15 jaar heeft de RvR de inschrijvingsvoorwaarden aangescherpt en uitgebreid. Dit onder meer naar aanleiding van de adviezen van de commissies Wolfsen (2015)20 en Van der Meer I (2017).21 Het is voor een effectieve toegang tot het recht niet alleen van belang om voldoende aantal sociaal advocaten te hebben, maar ook voldoende op een specifiek rechtsgebied deskundige sociaal advocaten. Het dalend aanbod van sociaal advocaten heeft verschillende redenen, waaronder de vergoedingen, de vergrijzing en weinig jonge aanwas en is niet een op een te wijten aan de inschrijvingsvoorwaarden van de RvR. Naar mijn mening is het waarborgen van kwaliteit van rechtsbijstand van groot belang en moet daar niet op worden ingeleverd.
Vindt u het redelijk dat advocaten van volledig zelf betalende cliënten niet aan bepaalde eisen moeten voldoen terwijl sociaal advocaten (die op toevoegingsbasis werken) voor dezelfde type zaken wél aan zware kwaliteitseisen moeten voldoen?
Sociaal advocaten staan de meest kwetsbare mensen van onze samenleving bij. Juist daarom is waarborgen van de kwaliteit binnen het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand met inschrijvingsvoorwaarden van groot belang.
Overigens moeten alle op het tableau staande advocaten voldoen aan de (kwaliteits)eisen van de NOvA. Zo moeten advocaten voldoen aan een jaarlijkse kwaliteitstoets door intervisie of peer review22 en jaarlijks ten minste twintig opleidingspunten behalen, waarvan ten minste tien punten die zien op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied.23
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de Raad voor rechtsbijstand en vertegenwoordigers uit de advocatuur om te bezien of, als onderdeel van een noodplan sociaal advocatuur, bepaalde eisen versoepeld kunnen worden om meer advocaten op meer rechtsgebieden actief te laten worden in het stelsel, of hen in ieder geval te behouden?
Ik ben voortdurend met de RvR in gesprek, waar ook dit onderwerp voorbij komt. De RvR en NOvA bekijken samen voortdurend hoe de zij de vereisten van beide organisaties zo goed mogelijk op elkaar kunnen afstemmen en waar mogelijk versoepelen. Naar mijn mening vormt dat geen onderdeel van een noodplan maar is dit van doorlopend belang.
De inspectierapporten van Jeugdbescherming Noord, Gelderland en West en het functioneren van het Keurmerkinstituut (KMI) |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente rapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over Jeugdbescherming Gelderland(JBG), Jeugdbescherming West (JBw) en het eerdere rapport over Jeugdbescherming Noord (JBN)?1, 2, 3
Ja
Hoe beoordeelt u het feit dat de IGJ bij alle drie de instellingen tot nagenoeg dezelfde structurele tekortkomingen komt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Justitie en Veiligheid (in het vervolg: de inspecties) hebben op basis van risicoselectie bij vijf instellingen (waaronder de drie door u aangehaalde instellingen) verdiepend onderzoek uitgevoerd. De Inspecties hebben deze GI’s geselecteerd op basis van de bij hen beschikbare toezichtinformatie en op basis van het beeld uit de GI-monitor van 1 oktober 2024 van het Ministerie van JenV over wachttijden, personeelsbezetting en tijdige inzet van passende hulp. Het is gezien de selectie op basis van deze risico’s voorstelbaar dat bij deze instellingen vergelijkbare problemen zijn geconstateerd, zoals «geen vaste jeugdbeschermer», krapte in de personeelsbezetting en onvoldoende passende hulp. In totaal hebben de inspecties bij vijf van de dertien GI’s verdiepend onderzoek uitgevoerd. Bij deze GI’s deden zich ruim 70% van alle wachtlijsten voor op 1 oktober 2024.
De inspecties geven aan dat de belangrijkste oorzaken van de problemen gelegen zijn in arbeidsmarkttekorten en in tekorten bij de jeugdhulp die noodzakelijk is bij het uitvoeren van jeugdbescherming. De inspecties geven aan dat hierbij sprake is van stelselproblematiek, in de zin dat oplossingen veelal buiten de invloedssfeer van de individuele instellingen liggen. De inspecties geven daarnaast aan dat GI’s wel aan de slag moeten met oplossingen die wel binnen hun invloedssfeer liggen en die te maken kunnen hebben met de wijze van organiseren van de betreffende GI.
Naast de meer bedrijfsmatige aspecten waarin verbetering mogelijk is, is er een structurele verandering van de gezamenlijke werkwijze in de jeugdbeschermingsketen nodig om tot verbeteringen te komen. Hieraan werken we via het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming, de Hervormingsagenda Jeugd en de verbetering van de rechtsbescherming. De inspecties roepen het Rijk op om de implementatie van het Toekomstscenario voortvarend ter hand te nemen zodat de opbrengsten van deze aanpak zo snel mogelijk ten goede komen aan de gezinnen. De werkwijze die hierin beoogd wordt, is om al in een vroeg stadium kinderen én gezinnen te helpen met hun problemen en daarmee te voorkomen dat een maatregel voor kinderbescherming noodzakelijk wordt. Met deze aanpak wordt ook beoogd de druk op de jeugdbescherming te verminderen waardoor er meer ruimte komt om de kinderen waarvoor nog wel een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is, adequaat te kunnen helpen en beschermen.
Welke lessen trekt u uit het gegeven dat het hierbij gaat om verschillende regio’s, maar telkens dezelfde patronen zichtbaar worden (geen vaste jeugdbeschermer bij start, wachttijden, gebrekkige analyse en planvorming, onvoldoende passende hulp)?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze tekortkomingen volgens u vooral te maken hebben met capaciteitstekorten of/en in hoeverre deze ook met cultuur, organisatie en bestuurlijke keuzes binnen de gecertificeerde instellingen (GI’s) zelf te maken hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de analyse dat er een bredere systemische/culturele oorzaak speelt die verder reikt dan alleen personele onderbezetting?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat Jeugdbescherming Noord onder verscherpt toezicht is gesteld, terwijl Jeugdbescherming Gelderland en Jeugdbescherming West, waar dezelfde tekortkomingen spelen, dat (nog) niet zijn?
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij afgewogen hebben wat effectieve interventies zijn om de normafwijkingen te verhelpen. Het uitgangspunt is dat handhaving bij een instelling niet effectief is als de oorzaken van de normafwijkingen buiten de invloedssfeer van de instelling liggen. De inspecties hebben daarom afgewogen welke oorzaken van de normafwijkingen binnen de invloedssfeer van de instellingen zijn en welke daarbuiten liggen. Bij vier van de vijf bezochte instellingen komen de inspecties tot de conclusie dat de oorzaken van de normafwijkingen grotendeels buiten de invloedssfeer van de instelling liggen (zoals de arbeidsmarktproblematiek en het ontbreken van een toereikend hulpaanbod).
Bij Jeugdbescherming Noord geven de inspecties daarnaast aan ook interne oorzaken te zien. Vanwege de ernst en de hoeveelheid van de tekortkomingen en de opgave die het bestuur heeft om verbeteringen door te voeren die binnen de eigen invloedssfeer van de organisatie liggen, vonden de inspecties het noodzakelijk om Jeugdbescherming Noord onder verscherpt toezicht te stellen.
De inspecties geven tot slot aan in alle rapporten te hebben benoemd dat zij er geen vertrouwen in hebben dat de GI’s erin slagen om alle geconstateerde normafwijkingen op korte termijn weg te nemen. Onderliggende oorzaken liggen deels buiten de invloedssfeer van de GI’s en zijn het gevolg van problemen in het jeugdbeschermingsstelsel. De oorzaken waar het bestuur wel invloed op heeft, moeten snel aangepakt worden.
Welke criteria hanteert de IGJ bij het bepalen of verscherpt toezicht nodig is?
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij de aard en de ernst van de normafwijking en het vertrouwen in de verbeterkracht van de instelling meewegen. De verbeterkracht hangt niet alleen samen met «goed bestuur», maar ook met de (on)mogelijkheid te verbeteren als gevolg van externe factoren.
Ziet u verschillen in bestuurscultuur tussen de instellingen en welke rol speelt dit bij het verschil in oordeel?
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij de bestuurscultuur beoordeeld hebben onder het thema «goed bestuur» en de conclusies hierover opgenomen hebben in de rapporten. Zij beoordelen dit in hun rapport (van 24 juli 2025) bij Jeugdbescherming Noord als grotendeels onvoldoende, bij de overige GI’s als grotendeels voldoende.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Keurmerkinstituut (KMI) het certificaat voor jeugdbescherming en jeugdreclassering opnieuw heeft verleend aan Jeugdbescherming Noord (JBN)?4
Ja
Hoe kan het dat instellingen als JBN, JBG en JBw, ondanks certificering door het KMI, zulke ernstige tekortkomingen kennen? Kunt u verklaren waarom de tekortkomingen bij JBw en JBG wel door de IGJ zijn geconstateerd en niet door het KMI, terwijl het KMI regelmatig audits doet en de IGJ minder vaak toetst?
Beide instanties hebben andere rollen en bevoegdheden. De certificerende instelling (CI), in dit geval het Keurmerkinstituut (KMI), toetst aan de normen die zijn vastgelegd in het normenkader voor toetsing van het kwaliteitsmanagement-systeem van GI’s5. De inspecties houden toezicht op de uitvoering van de GI’s volgens de wettelijke eisen. Het KMI toetst het kwaliteitsmanagementsysteem (KMS) van een GI en toetst of die GI voldoende «in control» is om haar wettelijke taken voldoende uit te kunnen voeren. Hierbij kan de volgende vergelijking worden gemaakt: het KMI is als het ware het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen die toetst of iemand rijvaardig is en de IGJ is dan als het ware de politie, die zicht heeft op het feitelijke rijgedrag en ingrijpt bij een overtreding.
In het concrete geval van JBN hebben de inspecties begin maart 2025 bij JBN toezicht uitgevoerd. Het KMI heeft begin september 2025 een audit uitgevoerd. Op dat moment had JBN al negen maanden gewerkt aan de noodzakelijke verbeteringen ten behoeve van het certificaat.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit en waarde van de certificering door het KMI, gezien deze discrepantie? Deelt u de mening dat als het KMI deze tekortkomingen niet ziet er iets mis kan zijn met het toezicht en de audits? Kunt u zich indenken dat ouders en gemeenten zich ongerust maken als blijkt dat het toezicht dergelijke belangrijke zaken niet signaleert en toch certificeringen afgeeft?
Ik deel niet de mening dat er sprake is van een discrepantie. Het KMI en de inspecties kijken naar andere aspecten van kwaliteit; zie ook het antwoord op vraag 10. Door verschillende doelstellingen van de inspecties en het KMI, is het dus mogelijk dat KMI en inspectie tot verschillende conclusies komen. De hercertificering bij JBN is volgens de geldende procedures voor certificering verlopen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit niet op een juiste wijze heeft plaatsgevonden, en ook niet dat «men bij andere GI’s misstanden over hoofd ziet». Ik begrijp dat het voor ouders en andere betrokkenen verwarrend kan zijn dat beide vormen van toezicht naast elkaar bestaan maar ze dienen een ander doel.
Kunt u zich voorstellen dat ouders die te maken hebben met JBN zich zorgen maken over de juistheid van de hercertificering als blijkt dat men bij andere GI’s dezelfde misstanden over het hoofd zien? In hoeverre kunnen ouders, gemeenten en andere toezichthouders erop aan dat het bij JBN nu allemaal klopt terwijl de zelfde misstanden elders gemist zijn?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u uitleggen hoe het toezicht op het KMI zelf is ingericht en hoe de onafhankelijkheid van dat toezicht wordt geborgd?
Het KMI is een zelfstanding bestuursorgaan (zbo) en voert haar wettelijke taak onafhankelijk uit. De IGJ houdt toezicht op het functioneren van het KMI. Hiernaast is het KMI als certificerende instelling geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie (RvA). Deze accreditatie borgt dat het KMI voldoet aan de internationale normen voor deskundigheid en onpartijdigheid op gebied van certificering. De RvA – die ook een zelfstandig bestuursorgaan is – beoordeelt periodiek of het KMI aan deze eisen voldoet.
Hoe weegt u het IGJ-rapport van oktober 2023, waarin werd gesteld dat het KMI onvoldoende transparant is in zijn afwegingen en gevoelig lijkt voor politieke en bestuurlijke druk?5
Voor dit antwoord verwijs ik naar de beleidsreactie op het genoemde rapport van de inspectie die is opgenomen in de brief over jeugdzorg van de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 oktober 20237.
Bent u het eens met de constatering van de IGJ dat hierdoor de onafhankelijkheid en navolgbaarheid van de certificeringsbesluiten in het geding zijn? Graag een inhoudelijke reactie.
Ik deel die constatering niet. De bevindingen van de IGJ laten zien dat er verbetering nodig was in transparantie en motivering, maar dat betekent niet dat de onafhankelijkheid en de navolgbaarheid van certificeringsbesluiten in het geding zijn geweest. De aanbevelingen van de IGJ zijn betrokken bij de aanbesteding van de certificerende instantie om daarmee tot een betere transparantie en motivering van besluiten van de certificerende instelling te komen.
In hoeverre herkent u signalen dat bestuurlijke druk een rol speelt bij certificeringsbesluiten van het KMI? Kunt u uw antwoord motiveren?
Ik herken die signalen niet. Certificeringsbesluiten dienen plaats te vinden op basis van het vastgestelde normenkader. Het KMI dient haar taak onafhankelijk uit te voeren volgens de accreditatie-eisen en wettelijke kaders waaraan het KMI is gebonden. De Raad voor Accreditatie houdt toezicht op de uitvoering volgens die accreditatie-eisen.
Kunt u concreet aangeven of en hoe bewindspersonen, ministeries of koepelorganisaties druk hebben uitgeoefend op het KMI in de afgelopen jaren? Zo ja, waar is dat gebeurd? Zo nee, kunt dit duidelijk maken?
Er is geen sprake van dat bewindspersonen of ministeries druk hebben uitgevoerd op het KMI. Het KMI voert haar taak als zelfstandig bestuursorgaan (zbo) onafhankelijk uit.
Acht u het wenselijk dat een privaatrechtelijk instituut met een monopoliepositie als het KMI zo’n cruciale rol vervult in de jeugdbeschermingsketen? Deelt u de mening dat het afgeven van dergelijke certificeringen feitelijk een overheidstaak moet zijn die niet aan marktpartijen kan worden overgelaten gezien het feit dat een kinderbeschermingsmaatregel een zeer ernstige ingreep is die allen met toestemming van een rechter mag worden uitgesproken en uitgevoerd?
Ik deel die mening niet. Het KMI vervult deze taak als privaatrechtelijke zbo met een wettelijk toegekende taak. De certificering vindt plaats volgens wettelijk vastgestelde eisen en onder accreditatie. Daarmee is de onafhankelijkheid, de legitimiteit en de kwaliteit van de certificering geborgd. Er is door de wetgever gekozen voor één certificerende instantie om zorg te dragen dat elke GI op dezelfde wijze wordt beoordeeld. Ik wijs erop dat certificatie een breed toegepaste methode is om publieke belangen te borgen (bijv. bij veiligheid van producten en diensten).
Bent u op de hoogte van het feit dat toezichthouders, gemeenten, cliëntenraden en media geen inzicht krijgen, ook niet desgevraagd, in de resultaten van de audits?
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. De conclusie van het certificeringsbesluit wordt openbaar gemaakt. Volgens het Aanwijzingsbesluit certificerende instelling jeugdwet 2024 publiceert het KMI op zijn website welke GI’s zijn gecertificeerd en welke een aanvraag voor een certificering hebben ingediend. De auditrapporten worden niet openbaar gemaakt; deze kunnen bedrijfsgevoelige informatie bevatten. Het is bij toezicht op individuele bedrijven en organisaties overigens gebruikelijk dat er geen individuele informatie openbaar wordt gemaakt. De Wet open overheid biedt hiervoor een weigeringsgrond. GI’s zijn privaatrechtelijke organisaties en openbaarmaking van deze informatie kan hun concurrentie en onderhandelingspositie schaden. Toezichthouders, zoals de inspecties en de Raad voor Accreditatie, hebben uiteraard wel de bevoegdheid om auditrapporten bij het KMI op te vragen in het kader van het door hen uit te voeren toezicht.
Acht u het wenselijk dat de onderbouwing van deze certificeringsbeslissing geheim wordt gehouden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 19.
Erkent u dat het ongewenst is dat zowel toezichthouders als de inspecties, gemeenten (als opdrachtgevers), als cliëntenraden en ouders niet kunnen inzien op basis waarvan een certificering is afgegeven? Kunt u dit toelichten?
Certificeringsbesluiten worden genomen op basis van het door de Minister vastgestelde normenkader. Het auditrapport is een individuele beoordeling over een instelling en kan bedrijfsgevoelige informatie bevatten (zie antwoord op vraag 19 en8 en wordt daarom niet openbaar gemaakt. Dit doet niets af aan de kwaliteit en de legitimiteit van het certificeringsbesluit. Het KMI toetst niet alleen of een GI aan het normenkader voldoet, maar ziet ook toe via vervolg-audits of eerder geconstateerde afwijkingen zijn opgelost. Een certificaat kan bijvoorbeeld niet worden toegekend als kritische constateringen niet adequaat zijn opgepakt.
Transparantie is van belang voor het vertrouwen in het stelsel. Ik deel de conclusie niet dat het gebrek aan openbaarmaking van de onderliggende auditinformatie leidt tot wantrouwen richting de GI’s of het certificeringsstelsel. De werking van de certificering wordt getoetst door de Raad voor Accreditatie.
Deelt u de mening dat het gebrek aan transparantie bijdraagt aan wantrouwen richting de GI’s als het certificeringssysteem in zijn geheel? Zo, nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Kunt u toelichten op welke wijze GI’s momenteel worden beoordeeld op de individuele punten van het normenkader en waarom deze scores niet openbaar beschikbaar zijn?
Zie antwoord vraag 21.
Is het volgens u wenselijk dat onbekend blijft welke verbeterpunten het KMI heeft vastgesteld en of deze inmiddels aantoonbaar zijn opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Kunt u aangeven om welke inhoudelijke redenen het KMI eind 2024 heeft besloten om het volledige certificaat van JBN in te trekken en te vervangen door een overbruggingscertificaat? Waarom heeft men dat niet gedaan bij JBG en JBw? Of heeft het KMI deze misstanden niet geconstateerd bij de audits? Kunt u verklaren hoe deze ernstige misstanden eventueel gemist zijn door het KMI?
Uit de audit van het KMI kwam naar voren dat JBN een aantal kritische afwijkingen (van het normenkader) had. Het KMI heeft destijds besloten om een overbruggingscertificaat af te geven. Het KMI geeft alleen een overbruggingscertificaat af als zij de verwachting heeft dat de betreffende organisatie, binnen de gestelde termijn, de situatie kan verbeteren. Bij de laatste audit is gebleken dat JBN door de door hen doorgevoerde verbeteringen binnen de gestelde termijn weer voldeed aan de normen van het normenkader.
Bij andere GI’s heeft het KMI geen vergelijkbare afwijkingen van het normenkader geconstateerd die aanleiding gaven tot de afgifte van een overbruggingscertificaat. Zie ook het antwoord op vraag 10 voor de toelichting op het verschil tussen certificering door het KMI en het toezicht door de inspecties.
Wat zijn concreet de redenen dat het KMI nu, minder dan een jaar later, opnieuw een volledig certificaat aan JBN heeft toegekend?
Zie antwoord vraag 25.
Kunt u bevestigen dat de schemabeheerder voor het certificeringssysteem Jeugdzorg Nederland is? Zo nee, wie is dan de schemabeheerder?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid stelt het normenkader vast. Daaraan voorafgaand wordt advies gevraagd aan de Commissie van Belanghebbenden9 en de Raad voor Accreditatie. Het normenkader is onderdeel van het certificatieschema. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is hiervan de eigenaar en is schemabeheerder van het normenkader.
Deelt u de zorg dat de schemabeheerder, als vertegenwoordiger van de sector zelf, hiermee in feite de regie heeft over het certificeringssysteem? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 27.
Deelt u de mening dat dit een ongewenste situatie oplevert waarin Jeugdzorg Nederland toezicht uitoefent op zichzelf? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 27.
Wat vindt u van de afspraak dat auditrapporten en onderliggende bevindingen niet openbaar mogen worden gemaakt, zelfs niet aan toezichthouders, gemeenten of cliëntenraden?
Zie antwoord vraag 21.
Deelt u de mening dat het KMI nooit met een dergelijke afspraak had mogen instemmen, juist gezien de publieke verantwoordelijkheid die zij namens de overheid vervult? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Erkent u dat hiermee feitelijk het certificeringssysteem in handen is gekomen van de sector zelf, en dat daarmee de samenleving en toezichthouders op afstand worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 27.
Bent u bereid om een aanwijzing te geven aan het KMI en de GI’s om per direct en met terugwerkende kracht vanaf de instelling van het certificeringssysteem in 2015 alle auditrapporten openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Indien nee, welke alternatieve maatregelen gaat u nemen om alsnog te zorgen voor transparantie en publieke verantwoording?
Zie het antwoord op vraag 11.
Hoe beoordeelt u de opstelling van het KMI, dat aangeeft naar mensen die op transparantie vragen wel «meer openheid te willen bieden», maar dit voorlopig niet te doen vanwege «beleidsregels»? Bent u op de hoogte van deze beleidsregels en wat is uw mening over deze beleidsregels?
Ja, ik ben op de hoogte van de beleidsregels van het KMI. Deze beleidsregels vallen binnen de normen waarbinnen het KMI als privaatrechtelijke zbo, haar taak onafhankelijk uitvoert. Het is niet aan mij om een inhoudelijk oordeel te geven over de wijze waarop het KMI haar beoordelingskader invult, zolang het binnen de kaders van de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) valt. Het KMI heeft aangegeven de komende periode, samen met de commissie van belanghebbenden, de mogelijkheden te onderzoeken om meer transparantie te kunnen bieden over de uitkomsten van de audits.
Deelt u de mening dat bij een publieke taak die zo ingrijpend is als jeugdbescherming, volledige transparantie de norm moet zijn en geheimhouding onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Transparantie is belangrijk, maar als het om auditrapporten gaat niet altijd. Deze kunnen bedrijfsgevoelige informatie bevatten. Zie ook het antwoord op vraag 19 en 20.
Bent u bereid per direct op te treden tegen de huidige praktijk waarbij auditrapporten geheim blijven, en te zorgen dat betrokken ouders, cliëntenraden, gemeenten en inspecties toegang krijgen tot deze informatie?
Zie antwoord vraag 21.
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat certificering in de jeugdzorg een papieren exercitie blijft, terwijl in de praktijk ouders en kinderen nog steeds ernstige schade ondervinden van het handelen van gecertificeerde instellingen?
Zowel het KMI als de IGJ heeft een eigen rol in het toezicht op de GI’s. Het KMI toetst of een organisatie voldoet aan het normenkader voor toetsing van het kwaliteitsmanagementsysteem van gecertificeerde instellingen10. De IGJ ziet toe op de uitvoering van het handelen van de gecertificeerde instellingen volgens wettelijke vereisten en kan ingrijpen bij signalen of tekortkomingen wanneer de situatie erom vraagt. In het kader van het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming laat ik onderzoeken welke alternatieven er voor het huidige certificeringsstelsel mogelijk zijn.
Welke alternatieven ziet u om het certificerings- en toezichtproces onafhankelijker, transparanter en minder manipuleerbaar in te richten?
Zie antwoord vraag 38.
Hoe reflecteert u op de bredere bestuurscultuur in de jeugdbescherming, waarin organisaties ondanks herhaalde waarschuwingen structureel tekortschieten maar tegelijkertijd bestuurlijk overeind blijven?
De jeugdbescherming kampt met grote uitdagingen. Het inspectierapport «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» benoemt de grootste tekortkomingen in de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Kinderen en hun ouders moeten vaak wachten op een vaste jeugdbeschermer, er is onvoldoende betekenisvol contact met jeugdigen en gezinnen en passende jeugdhulp wordt niet of niet tijdig ingezet. De inspecties geven daarbij ook aan dat de oorzaak hiervan niet bij de jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders ligt. Tegelijkertijd worden de instellingen ook aangesproken op onderdelen die beter moeten en dan constateer ik dat deze bestuurders zich inzetten om dat te verbeteren. De inspecties geven ook aan dat enkele oorzaken niet binnen de beïnvloedingsmogelijkheden van de GI’s zelf liggen.
De inspecties hebben de bestuurscultuur beoordeeld onder het thema «goed bestuur» en de conclusies hierover opgenomen in de rapporten. Zij beoordelen dit bij JB Noord als grotendeels onvoldoende en bij de overige GI’s als grotendeels voldoende.
Welke verantwoordelijkheid neemt u als kabinet voor het feit dat deze structurele tekortkomingen al jarenlang bekend zijn maar zich blijven herhalen?
De jeugdbescherming kampt met grote en complexe uitdagingen en daar voelen we ons ook verantwoordelijk voor. Die verantwoordelijkheid vullen we in met de inzet op de Hervormingsagenda Jeugd, het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en de verbetering van de rechtsbescherming.
Hoe verklaart u dat jeugdigen en gezinnen nog steeds slachtoffer worden van dezelfde systeemfouten, ondanks eerdere toezeggingen van verbeteringen?
Het eerlijke antwoord is dat er geen maatregelen zijn die op korte termijn deze complexe tekortkomingen kunnen oplossen. Dat betekent dat het risico bestaat er onvoldoende zicht is op de ontwikkeling en veiligheid van jeugdigen.
Wat zijn volgens u de belangrijkste drie systeemingrepen die noodzakelijk zijn om daadwerkelijk verbetering te realiseren?
De belangrijkste ingrepen zijn het versterken van de lokale teams, het verbeteren van de beschikbaarheid van jeugdhulp en hulp voor het hele gezin en (daarmee) het terugbrengen van de vraag naar jeugdbescherming.
Kunt u toezeggen dat de Kamer jaarlijks een overzicht ontvangt van gecertificeerde instellingen met daarbij de bevindingen van IGJ en KMI, zodat de Kamer kan toetsen of certificering en inspectie in de pas lopen?
Wanneer er een aanleiding voor is, zoals bij rapporten van de inspecties, zal ik de Kamer informeren volgens de gebruikelijke wijze.
Bent u bereid in uw antwoord een inhoudelijke reflectie te geven op de vraag of de huidige bestuurscultuur in de jeugdbescherming toereikend is om echte verandering te realiseren, of dat een meer fundamentele herziening nodig is?
Met de programma’s Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming zijn we een beweging begonnen waarin we met elkaar, ieder vanuit zijn/haar verantwoordelijkheid, de situatie in de jeugdzorg (waaronder de jeugdbescherming) structureel willen verbeteren. We hebben daarbij alle betrokkenen nodig en ik volg de inspecties die oproepen tot stevig leiderschap van GI’s, gemeenten en Rijk om samen tot duurzame oplossingen te komen voor de aanpak van de onderliggende oorzaken.
Het bericht 'Jongeren verslaafd aan online gokken kloppen massaal aan voor hulp: 'Soms al vanaf 16 jaar’' |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht in Tubantia van 7 oktober 2025 waarin experts de noodklok luiden dat steeds meer mensen in de regio in de problemen komen door online gokken?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat grote aantallen online gokkers én gokverslaafden, niet alleen in de randstad maar ook op het platteland voorkomen?
Ik ben mij ervan bewust dat deelname aan online kansspelen en de problematiek die daarmee gemoeid kan gaan niet beperkt zijn tot bepaalde regio’s in Nederland. De inzet op betere bescherming tegen gokschade, waaronder verslaving, is dan ook gericht op alle mensen in Nederland.
Herkent u de constatering dat met name jongeren, zeker ook op middelbare scholen, sinds de legalisering van online gokken dit in groten getale zijn gaan doen en in de problemen komen?
Sinds de opening van de online gokmarkt zijn meer mensen, waaronder jongeren, online gaan gokken. Er zijn geen exacte cijfers over het aantal jongeren, waaronder minderjarigen, dat online is gaan gokken sinds oktober 2021. Uit onderzoek is wel gebleken dat het aantal jongeren dat online gokt is oververtegenwoordigd ten opzichte van de gehele populatie online gokkers. Daarnaast is het aantal jongeren dat online gokt in 2025 gestegen ten opzichte van 2024.2 Met name het aantal minderjarigen dat online is gaan gokken is in 2025 gestegen. Dat vind ik een zeer zorgwekkende ontwikkeling. Jongeren behoren tot een kwetsbare groep die extra gevoelig is voor de verleidingen van gokken. Dit geldt in het bijzonder voor minderjaren, voor wie het om die reden ook verboden is om te gokken.
Het is niet duidelijk of de jongeren waaraan wordt gerefereerd in het aangehaalde bericht illegaal hebben gegokt, of het speelaccount van een meerderjarig persoon hebben gebruikt, of dat zij de strenge identificatieplicht die bij legaal aanbod geldt hebben kunnen omzeilen. Momenteel doet de Kansspelautoriteit (Ksa) verdiepend onderzoek naar deelname van minderjarigen aan online kansspelen bij legale aanbieders. Hierbij wordt onder meer met hulp van de banken gekeken naar mogelijke betalingen van minderjarigen naar kansspelaanbieders. De vraag hoe minderjarigen deelnemen aan online kansspelen wordt tevens meegenomen in het onderzoek Perspectief van Nederlanders op kansspelen 2025 dat dit najaar wordt opgeleverd.
Ten aanzien van eventuele regionale verschillen in deelname en problemen door online gokken merk ik het volgende op: de Stichting Informatievoorziening Zorg (IVZ) verzamelt in Nederland gegevens over het aantal mensen in behandeling voor verslaving in het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS). In haar jaarlijkse rapport «Kerncijfers verslavingszorg» wordt ook de regionale spreiding van het aantal personen in behandeling voor gokproblematiek in kaart gebracht.3 Uit het rapport blijkt dat in sommige regio’s relatief meer mensen in behandeling zijn voor gokproblematiek. Dit moet echter met voorzichtigheid worden geduid. Niet alle mensen met gokproblematiek zijn in behandeling bij de verslavingszorg. Daarnaast kan het lang duren voordat mensen op het punt komen dat ze hulp zoeken. Daarom zet ik met het kansspelbeleid in op het voorkomen van problemen en goede geleiding naar hulp. In het onderzoek naar de deelname aan (online) kansspelen, dat uitgevoerd is door Ipsos I&O in opdracht van het WODC, is ervoor gezorgd dat de uitkomsten representatief zijn voor alle Nederlanders van 16 jaar en ouder als het gaat om onder andere de regio waar respondenten vandaan komen.4 Hierbij wordt niet nader ingegaan op mogelijke regionale verschillen.
Kunt u de cijfers omtrent deze zorgwekkende trend delen, en bij de analyse hiervan ook ingaan op regionale verschillen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat doet u om deze zorgelijke ontwikkelingen te keren? En hoe zet u zich in om ervoor te zorgen dat juist ook instellingen in de regio de middelen hebben om slachtoffers te helpen?
De zorgelijke cijfers benadrukken hoe belangrijk het is om in te zetten op het voorkomen van gokschade, zoals ook is aangegeven in de brief over de visie op het kansspelbeleid, die in februari 2025 aan uw Kamer is gestuurd.5 In deze brief zijn ook maatregelen aangekondigd om de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) te herzien. De nieuwe visie kent als belangrijkste doelstelling het beschermen van mensen tegen schade door gokken, met specifieke aandacht voor jongvolwassenen en minderjarigen. Deze doelgroepen zijn, zoals genoemd in het antwoord op vraag 3 en 4, extra gevoelig voor de verleidingen van gokken en eventuele gokschade kan nog lange tijd doorwerken in hun latere leven. Daarnaast wordt ingezet op intensievere bestrijding van het illegale aanbod en deelname daaraan.
De Ksa zet ook specifiek in op het beschermen van minderjarigen en jongvolwassenen en heeft dit als prioriteit opgenomen in haar Toezichtsagenda 2025.
Voorts wordt ingezet op andere preventieve maatregelen, zoals gerichte bewustwordingsactiviteiten om met name jongvolwassenen en hun omgeving bewust te maken van de risico’s van gokken. Daarnaast werk ik samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Ksa aan een meerjarenagenda bescherming tegen gokschade ter opvolging van de werkagenda verslavingspreventie kansspelen.6 In dat kader worden ook vanuit het Verslavingspreventiefonds onverminderd initiatieven mogelijk gemaakt of ondersteund, waaronder verbetering van de samenwerking tussen regionale partijen. Zoals door mijn voorganger is aangegeven in zijn brief van 3 juli 2025 is de zorgelijke groei van gokken onder minderjarigen tevens onder de aandacht gebracht bij Verslavingskunde Nederland (VKN). In het programma van VKN gericht op preventie en vroegsignalering van verslavingsproblematiek, waarbij VKN onder meer nauw samenwerkt met gemeenten, wordt ook ingezet op het tegengaan van gokproblematiek. VKN gaat bekijken of en hoe zij in hun bestaande preventietrajecten meer aandacht kan hebben voor het voorkomen van gokken onder minderjarigen.
Op welke manier is dit Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hierbij betrokken? Wie houdt toezicht op het aantal verslavingen in de regio, en zorgt ervoor dat adequate zorg en begeleiding beschikbaar is?
De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport is verantwoordelijk voor preventie van schade door gebruik van genotsmiddelen zoals drugs, alcohol en tabak. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 5 werk ik samen met het Ministerie van VWS aan de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade en betrek ik daarbij hun expertise.
Daarnaast is het Ministerie van VWS stelselverantwoordelijk voor de verslavingszorg, waaronder ook zorg bij gokverslaving. Binnen dit stelstel kan de huisarts een jongere of volwassene met (online gok)verslaving verwijzen naar verslavingszorg, maar ook andere zorgverleners zoals bedrijfsartsen, psychiaters en soms gemeenten of jeugdhulporganisaties (voor jeugd) mogen verwijzen.
De zorgverzekeraar dient vanuit diens zorgplicht voldoende verslavingszorg in te kopen, zodat hun verzekerden binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang hebben tot zorg. Wanneer er knelpunten optreden in een bepaalde regio moeten zorgverzekeraars hier proactief mee aan de slag. Hierbij is het ook van belang dat zorgaanbieders tijdig signaleren wanneer er knelpunten zijn in capaciteit of toegankelijkheid en hierover in overleg treden met zorgverzekeraars, zodat gezamenlijk naar oplossingen kan worden gezocht. In het stelsel houdt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht op de kwaliteit, de veiligheid en de continuïteit van de zorg. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ziet toe op de zorgplicht van verzekeraars.
Zoals gemeld in het antwoord op vraag 3 en 4 houdt IVZ in het LADIS bij hoeveel mensen in behandeling zijn voor gokverslaving, waarbij ook onderscheid gemaakt wordt tussen regio’s.
Bent u voornemens om onverkort de, door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, aangekondigde maatregelen om de (online) gokmarkt te beteugelen uit te voeren, en daar waar nodig een schepje bovenop te doen?
Op dit moment werk ik de aangekondigde maatregelen uit de brief van 14 februari 2025 uit, op basis van onder meer de meest recente en nog lopende onderzoeken. Ik streef ernaar uw Kamer op korte termijn te informeren over de contouren voor wet- en regelgeving op basis waarvan het wetsvoorstel zal worden uitgewerkt. Dan zal ik uw Kamer ook informeren over de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade.
De beschietingen van humanitaire reddingsschepen door de Libische kustwacht en de Nederlandse/Europese verantwoordelijkheid. |
|
Marieke Koekkoek (D66), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Arno Rutte (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat de Libische kustwacht op 24 augustus 2025 in internationale wateren gedurende circa 15–20 minuten met scherp heeft geschoten op het reddingsschip Ocean Viking van SOS Méditerranée, terwijl er tientallen geredde mensen en bemanning aan boord waren, met aanzienlijke schade maar zonder fysieke gewonden?1 Zo ja, hoe duidt u dit incident?
Ik heb kennisgenomen van dit incident. Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie hierover. Het kabinet veroordeelt geweld tegen hulpverleners altijd. Daarom is het van belang dat de Libische autoriteiten dit incident nader onderzoeken, de daders straffen en gepaste maatregelen nemen. Hier hebben de Nederlandse ambassade en de EU-delegatie in Tripoli bij de Libische autoriteiten op aangedrongen.
Klopt het dat kort daarna opnieuw een humanitair reddingsschip, de Sea-Watch 5, onder vuur is genomen door een Libische patrouilleboot vlak na een redding, terwijl er tientallen mensen waren gered? Wat is uw reactie hierop?
Ook dit incident is bekend bij het kabinet. Zie verder antwoord bij vraag 1.
Wat doet Nederland concreet om het internationaal humanitair recht te beschermen in Europa en langs de Europese buitengrenzen, inclusief – maar niet beperkt tot – de Middellandse Zee, waar dit soort incidenten zich voordoen?
Nederland zet zich actief in voor de bescherming van het internationaal recht en de mensenrechten langs de Europese buitengrenzen, waaronder de Middellandse Zee. Dit wordt door het Kabinet ook bij samenwerking met de landen rondom de buitengrenzen onder de aandacht gebracht.
Het kabinet hecht tevens waarde aan de bescherming van hulpverleners wereldwijd. Op 3 juni 2025 verstuurde het Ministerie van Buitenlandse Zaken een adviesaanvraag aan de AIV en aan de CAVV voor een gezamenlijk advies over het bestrijden van straffeloosheid voor geweld tegen hulpverleners. In dit advies worden de AIV en de CAVV gevraagd welke diplomatieke, juridische, financiële en eventueel andere instrumenten Nederland kan inzetten om de straffeloosheid voor geweldpleging tegen hulpverleners te bestrijden.2
Kunt u bevestigen of er bij deze incidenten Nederlandse burgers aan boord waren (als bemanningslid, vrijwilliger of waarnemer)? Wat heeft de Minister van Buitenlandse Zaken gedaan om hun veiligheid te beschermen, en welk plan ligt er klaar om bescherming te bieden bij eventuele toekomstige situaties of om te voorkomen dat deze zich voordoen?
Het kabinet heeft geen bericht ontvangen dat Nederlandse staatsburgers aan boord van deze schepen waren tijdens deze incidenten.
Bij consulaire hulpverzoeken van Nederlanders in het buitenland bekijkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar gelang de mogelijkheden en specifieke omstandigheden hoe consulaire bijstand kan worden verleend.
Hoe beoordeelt u dit soort aanvallen juridisch in het licht van het internationaal zeerecht en de plicht tot redding op zee, mede gezien dat de Ocean Viking in internationale wateren opereerde? Welke (strafrechtelijke of diplomatieke) stappen acht u passend richting betrokken autoriteiten?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie over het incident. In algemene zin onderschrijft het kabinet dat het tegengaan van verlies van levens op zee en de internationaalrechtelijke plicht om mensenlevens op zee te redden te allen tijde de uitgangspunten blijven.
Dit incident is daarom zorgelijk. Om die reden, en zoals genoemd in antwoord op vraag 1, heeft de Nederlandse ambassade in Tripoli de autoriteiten opgeroepen tot een gedegen onderzoek, bestraffing van de daders en het nemen van gepaste maatregelen.
Hoe kijkt Nederland naar de financiering voor de Europese Unie (EU) en internationale erkenning van de Libische kustwacht, terwijl die herhaaldelijk heeft gefaald om conform de internationale standaard voor zeeredding te handelen, met verlies van mensenlevens en nu ook een directe aanval op hulpverleners tot gevolg?
De steun van de Europese Commissie is gericht op het versterken van de zoek- en reddingscapaciteit en capaciteit op het gebied van grensbeheer van de Libische kustwacht. Deze EU-inzet in Libië heeft tot doel verlies van levens op zee te voorkomen, irreguliere migratie naar de EU te verminderen en mensensmokkel- en handel aan te pakken. De steun is daarnaast onderdeel van de bredere Europese inzet in Libië en op de Centraal Mediterrane Route om migratie in goede banen te leiden. Daarbij is versterking van mensenrechtenstandaarden nadrukkelijk een onderdeel van de inzet.
Libië heeft een eigen kustwacht en is verantwoordelijk voor het uitvoeren en coördineren van reddingsoperaties in de eigen Search and Rescue (SAR) zones. Naast dat niet met zekerheid is vastgesteld dat de Libische kustwacht de beschietingen heeft gedaan, is het voor het kabinet niet met zekerheid vast te stellen in hoeverre het specifieke incident waarbij NGO-schepen zijn beschoten direct, dan wel indirect is gefaciliteerd door Europese steun. SAR-operaties vallen onder de verantwoordelijkheid van de Libische autoriteiten, die autonoom handelen. Dit gaat echter gepaard met risico’s. Dit soort incidenten laat dan ook opnieuw zien dat het essentieel is dat Europese steun gepaard gaat met adequate monitorings- en evaluatiemechanismen. Nederland pleit hier consequent voor. De Europese Commissie monitort de uitvoering van programma’s en voert hier een dialoog over met de betrokken implementerende partners en overheden. Het kabinet blijft er ook op aandringen dat de EU-samenwerking met de Libische kustwacht periodiek wordt geëvalueerd.
Welke informatie heeft Nederland ontvangen via EU-kanalen (Europese Commissie/Frontex) over de toedracht van de beschietingen, en hoe beoordeelt u de reactie van de Europese Commissie dat zij eerst de reactie van de Libische autoriteiten afwacht? Acht u die houding voldoende, gelet op de ernst?
Nederland staat in voortdurend contact met de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden in zowel Tripoli als in Brussel. De incidenten zijn besproken. De woordvoerder van de Commissie veroordeelde het incident eerder en gaf aan dat er contact is opgenomen met de Libische autoriteiten om een onderzoek uit te voeren. Tevens zijn er door het Europees parlement vragen gesteld aan de Raad van de Europese Unie over het voorval.
Welke inzet pleit Nederland in de Raad (JBZ/RBZ) voor een onafhankelijk en transparant onderzoek naar beide incidenten (Ocean Viking en Sea-Watch 5), inclusief de keten van verantwoordelijkheid aan Libische en Europese zijde, en voor mogelijke consequenties, zoals herziening van steun, sancties of restricties op overdracht van materieel?
Nederland heeft zowel zelfstandig als in EU-verband het belang van een gedegen onderzoek benadrukt in gesprekken met de Libische autoriteiten.
Bent u bereid om – in afwachting van structurele EU-maatregelen – nationaal te bevorderen dat Nederlandse publieke middelen niet bijdragen aan steun die kan leiden tot schendingen van mensenrechten en het zeerecht door actoren in Libië en dit ook actief uit te dragen richting partnerlanden?
Het kabinet acht het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Hiertoe heeft het kabinet bilateraal en in EU-verband opgeroepen. Tegelijkertijd zal er naar het oordeel van het kabinet niets verbeteren als de EU zich terugtrekt uit de samenwerking met Libië. De inzet van de EU en lidstaten is er (mede) op gericht de activiteiten van de kustwacht op het gebied van mensenrechten te verbeteren. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Het is vanDeze incidenten onderstrepen belang om voortdurend te blijven monitoren. Daarnaast is het noodzakelijk om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Hoe beoordeelt u de operationele gevolgen van deze aanvallen voor de reddingscapaciteit in het centrale Middellandse Zeegebied (zoals schepen die tijdelijk in haven blijven of missies afgelasten)? Welke maatregelen kan Nederland (bilateraal of via EU/International Maritime Organization) ondersteunen om te waarborgen dat levensreddende operaties veilig kunnen doorgaan?
Zie ook antwoord op vraag 5.
De operationele gevolgen van deze aanvallen zijn op dit moment nog niet bekend. Nederland zal het SAR systeem evenals de conventies die betrekking hebben op SAR en SOLAS bij de relevante landen en instanties onder de aandacht blijven brengen.
Is Nederland bereid in EU-kader te pleiten voor duidelijke rode lijnen (bijvoorbeeld het verbod op het gebruik van vuurwapens tegen civiele reddingsschepen) met concrete consequenties voor samenwerking met de Libische kustwacht wanneer die lijnen worden overschreden?
Het kabinet wil irreguliere migratie naar Nederland en Europa terugdringen. Het kabinet pleit daarom ook binnen de EU voor een stevige aanpak. De bescherming van migranten op migratieroutes loopt in dat kader als een rode draad door de inzet om uitbuiting, misbruik en mishandeling van migranten te voorkomen. Het gebruik van geweld tegen civiele reddingsschepen is onaanvaardbaar. Het kabinet zal hier ook in de toekomst aandacht voor vragen, in EU-verband en bilateraal richting de Libische autoriteiten.
Welke stappen zet Nederland, samen met partnerstaten, om de criminalisering en bestuurlijke detentie van NGO-reddingsschepen door nationale autoriteiten (zoals Italië) tegen te gaan en de vrijheid van humanitaire hulp op zee te beschermen conform internationaal recht?
Het kabinet acht het van belang dat er een gedegen onderzoek naar de incidenten plaatsvindt. Bij incidenten zoals de beschieting van de Sea-Watch 5 is het van belang dat de Libische overheid gedegen onderzoek uitvoert, de daders bestraft en gepaste maatregelen neemt. Het kabinet blijft in EU-verband en bilateraal aandacht vragen voor (gewelds)incidenten waar de Libische kustwacht mogelijk bij betrokken is. Deze incidenten onderstrepen het belang van voortdurende monitoring, evenals de noodzaak om de voorwaarden en uitvoering van Europese steun aan Libische autoriteiten kritisch te blijven volgen en indien nodig bij te stellen.
Het kabinet waardeert de inzet van NGO’s om mensen in nood op zee te redden. Tegelijkertijd moeten we voorkomen dat de activiteiten van private schepen, die in SAR-zones drenkelingen aan boord nemen, criminele activiteiten van mensensmokkelaars die mensenlevens op het spel zetten juist in stand houden. Dit is een delicate balans waarbij er volgens het kabinet oog moet zijn voor beide aspecten.
Bent u bereid de Kamer te rapporteren over: (a) eventuele Nederlandse betrokkenheid (burgers/organisaties) bij de getroffen schepen; (b) uw diplomatieke contacten met de Europese Commissie, Italië en de Libische autoriteiten; (c) de stand van juridische stappen (bijvoorbeeld onderzoeken door Italiaanse autoriteiten); en (d) uw inzet voor structurele veiligheidsprotocollen voor civiele reddingsschepen in internationale wateren?
Daar waar beschikbaar en mogelijk, zal ik op verzoek van de Kamer nadere informatie over deze incidenten verstrekken.
Bent u bekend met de publiekscampagne «Waar Ben Je» waarbij omstanders en potentiële slachtoffers zich kunnen melden bij de 24/7 chatlijn van Veilig Thuis?
Ja.
Bent u het eens dat deze campagne ontzettend goed is en dat het van groot belang is dat meisjes en vrouwen en omstanders die bellen voor hulp bij signalen van femicide, ook echt goed en direct geholpen worden?
ook van belang dat wanneer iemand aan de bel trekt, direct de juiste hulp en ondersteuning geboden wordt. Bij Veilig Thuis kan iedereen terecht voor advies of voor het doen van een melding. Veilig Thuis beschikt over veel expertise en deskundigheid om mee te denken over specifieke situaties. Bij acute onveiligheid is het van belang dat de politie wordt ingeschakeld.
Op welke wijze wordt gemonitord hoeveel meer meldingen er worden gedaan naar aanleiding van de campagne of sinds het live gaan van de campagne «Waar Ben Je» en hoe deze worden opgepakt? Bent u bereid de Kamer periodiek over de ontwikkeling van meldingen te informeren?
Er wordt niet landelijk gemonitord hoeveel meer meldingen er worden gedaan specifiek naar aanleiding van de campagne. Wel geven individuele Veilig Thuis organisaties aan dat er sprake lijkt te zijn van een toename in het aantal telefoontjes en chatberichten dat zij ontvangen, al kan niet met zekerheid worden gesteld dat dit een direct gevolg is van de campagne. Wel kan gezegd worden dat het online platform van Veilig Thuis 4 dagen voor de lancering van de campagne in werking is getreden. Van dit platform wordt, uiteraard anoniem en onherleidbaar, bijgehouden welke bezoekersaantallen het platform bezoeken. Daarnaast wordt ook het aantal adviesvragen en meldingen dat Veilig Thuis ontvangt altijd nauwgezet geregistreerd en via de reguliere wijze twee maal per jaar bekend gemaakt via het CBS. Wanneer er vanaf de start van de campagne een toename te zien is, kan dat wijzen op een gevolg van de campagne.
Herkent u het beeld dat sommige gemeentebesturen er momenteel voor kiezen om richting Veilig Thuis te communiceren de 24/7 chatfunctie gedeeltelijk, of zelfs helemaal uit te zetten?
Op dit moment bestaat er nog geen 24/7 chatfunctie bij Veilig Thuis. Het verbeteren van de bereikbaarheid en toegankelijkheid van Veilig Thuis is belangrijk. Om deze reden wordt vanuit het Landelijk Netwerk Veilig Thuis momenteel hard gewerkt om de mogelijkheden voor een 24/7 chatfunctie en de daarbij benodigde randvoorwaarden uit te werken. Wel is er nu, door de komst van het recent gelanceerde digitale platform op www.veiligthuis.nl, een online hulpmiddel waar mensen met behulp van AI snel geholpen worden de juiste informatie te vinden. Dit platform is 24/7 bereikbaar en telefonisch is Veilig Thuis dat ook.
Aanvullend heb ik inderdaad signalen gekregen dat diverse Veilig Thuis organisaties moeite hebben de huidige chatfunctie te bemensen, waardoor in sommige gemeenten de chatfunctie niet altijd op de aangegeven tijden bereikbaar is. Het Landelijk Netwerk Veilig Thuis is, samen met de VNG en met mij, hard aan het werk om hier een landelijke oplossing voor de realiseren.
Herkent u het beeld dat sommige gemeentebesturen ervoor kiezen om geen 24/7 beschikbaarheid te hebben bij Veilig Thuis en daardoor Politie en Veilig Thuis niet op ieder moment van de dag samen kunnen optrekken in acute situaties?
Ik herken dat beeld niet. Het klopt dat Veilig Thuis niet 24/7 bereikbaar is via de chat, zie ook het antwoord op vraag 4. Wel heeft Veilig Thuis de wettelijke taak om te allen tijde bereikbaar en beschikbaar te zijn in situaties waarin onmiddellijk uitvoering van de wettelijke taken geboden is. Op dit vlak is er geen beleidsvrijheid voor gemeenten om hier van af te wijken. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat Veilig Thuis daarmee in acute situaties altijd bereikbaar en beschikbaar is, ook om met de politie op te trekken wanneer de situatie daar om vraagt.
Kunt u inventariseren in welke gemeenten in Nederland de 24/7 chatfunctie van Veilig Thuis ook werkelijk 24/7 bereikbaar is en waar niet?
Zoals al aangegeven is er op dit moment nog geen 24/7 chatfunctie, maar is de chat veelal tussen 9 en 17 bereikbaar. Voor zover bij mij bekend zijn er op dit moment enkele regio’s waar de chatfunctie niet altijd op de aangegeven tijden bereikbaar is. De redenen daarvoor zijn wisselend. Zo zijn er gemeenten die in deze regio’s hebben aangegeven dat de chat daar onvoldoende werd gebruikt en er zodoende voor is gekozen om de capaciteit in plaats daarvan in te zetten om meldingen op te pakken. Bij andere regio’s gaat het om specifieke momenten waarop er geen bemensing is. Veilig Thuis organisaties maken onderling, waar mogelijk, afspraken om een achtervang in te richten zodat chatberichten eventueel door een Veilig Thuis uit een andere regio beantwoord kunnen worden.
Kunt u inventariseren in welke gemeenten in Nederland de beschikbaarheid van Veilig Thuis 24 uur per dag geldt?
Er is momenteel nog geen enkele gemeente waar Veilig Thuis 24/7 per chatfunctie bereikbaar is. Hier wordt landelijk aan gewerkt om dit z.s.m. te realiseren. Wel zijn alle Veilig Thuis organisaties 24/7 telefonisch bereikbaar.
Is het kabinet bereid te inventariseren wat het zou betekenen als de wettelijke taak van Veilig Thuis wordt uitgebreid naar 24 uur beschikbaarheid voor acute hulpvragen rond veiligheid? Zo ja, heeft u hier nog iets nodig vanuit de Kamer? Zo niet, waarom niet?
Veilig Thuis heeft nu al de wettelijke taak om te allen tijde bereikbaar en beschikbaar te zijn in situaties waarin onmiddellijk uitvoering van de wettelijke taken geboden is. Het is aan Veilig Thuis om bij deze hulpvragen een inschatting te maken van de directe onveiligheid en te bepalen wat er nodig is om directe onveiligheid op te heffen en structurele veiligheid te realiseren. Belangrijk blijft om te noemen dat Veilig Thuis zelf geen hulpverlening biedt: Veilig Thuis kijkt waar de specifieke zorgen over gaan, welke hulpverlening nodig is en verwijst vervolgens door. De taak van Veilig Thuis richt zich specifiek op huiselijk geweld en kindermishandeling. Ik zie geen reden om dat te veranderen. Uiteraard helpt Veilig Thuis mensen die bellen over andere veiligheidsvraagstukken de juiste plek te vinden voor die signalen.
Kunt u gelet op de urgentie van de beschikbaarheid van hulp, deze set schriftelijk binnen vier weken beantwoorden?
Ja.
Spoeduithuisplaatsingen door Veilig Thuis zonder rechterlijke toetsing |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief van 18 november 2022 waarin u onder meer wees op het gebrek aan rechtsbescherming bij spoeduithuisplaatsingen en aankondigde dat advocatenbijstand bij de eerste uithuisplaatsing zou worden ingevoerd?
Ja, de brief van mijn voorganger.
Is het u bekend dat Veilig Thuis Oost-Brabant (VTOB), en mogelijk ook andere Veilig Thuis-organisaties, in de praktijk spoeduithuisplaatsingen blijven realiseren zonder rechterlijke toetsing en zonder wettelijke grondslag alsmede dat hier geen advocaten bij betrokken zijn?
We hebben kennisgenomen van de specifieke casus met betrekking tot Veilig Thuis Oost-Brabant en de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch1. Daarnaast herken ik de gevoeligheid en complexiteit rondom vrijwillige (spoed)uithuisplaatsingen in bredere zin. Dergelijke onderwerpen en actualiteiten worden geregeld besproken in overleggen met het landelijk netwerk van Veilig Thuis. Deze casus heeft daarbij onze bijzondere aandacht.
Kinderen kunnen vrijwillig uit huis worden geplaatst, bijvoorbeeld tijdelijk of voltijds bij een familielid of pleeggezin. Als de vrijwillige uithuisplaatsing plaatsvindt in overeenstemming en zonder dwang, brengt dit geen rechtelijke toetsing of betrokkenheid van een advocaat met zich mee. Dit is alleen mogelijk op verzoek van de ouder(s) of het kind, of wanneer de ouder(s) met gezag daar vrijwillig mee instemmen2. Ouders moeten daarbij begrijpelijke informatie krijgen over de redenen, duur, gevolgen en alternatieven om, zonder druk, geïnformeerde toestemming te kunnen geven. Het is cruciaal dat zij zich gehoord voelen en vrijelijk toestemming kunnen geven. Duidelijke informatie en communicatie door professionals is essentieel om keuzevrijheid te waarborgen.
Een uithuisplaatsing in het vrijwillig kader kan en mag niet plaatsvinden tegen de wil van een gezaghebbende ouder. Dat geldt ook wanneer sprake is van zorgen over de acute onveiligheid van een kind, waardoor een kind met spoed uit huis wordt geplaatst. Hoewel deze specifieke situatie vraagt om snel en adequaat handelen, is en blijft het van groot belang dat er sprake is van geïnformeerde toestemming van de gezaghebbende ouder(s). Wanneer partijen hier gezamenlijk niet met elkaar uit komen of als consensus ontbreekt, kan een professional bij grote zorgen over de ontwikkeling of veiligheid van een kind een verzoek tot onderzoek naar de noodzaak tot een kinderbeschermingsmaatregel indienen bij de Raad voor de Kinderbescherming. Daar is de bevoegdheid belegd om in te schatten of een gedwongen maatregel met uithuisplaatsing noodzakelijk wordt geacht. Wanneer deze van oordeel is dat een (spoed)uithuisplaatsing inderdaad noodzakelijk is, kan een (spoed)verzoek worden ingediend bij de kinderrechter. In dat geval vindt een rechterlijke toetsing plaats en kunnen ouders aanspraak maken op kosteloze rechtsbijstand. Wij vinden het van groot belang dat te allen tijde duidelijk is voor ouders en kinderen wanneer hulp vanuit het vrijwillige of het gedwongen kader wordt ingezet. Veilig Thuis mag zoals beschreven niet meewerken aan een niet-vrijwillige uithuisplaatsing zonder rechterlijke toetsing.
Deelt u de mening dat het uitvoeren van dergelijke spoeduithuisplaatsingen door Veilig Thuis, zonder rechterlijke machtiging en vaak onder geheimhouding van de verblijfplaats, een ernstige schending vormt van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (recht op gezinsleven) en van de nationale wettelijke kaders? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening niet dat een vrijwillige uithuisplaatsing een ernstige schending zou vormen van artikel 8 EVRM en de nationale wetten en kaders. Voorwaarde hierbij is dat een dergelijke plaatsing buiten het gezin – mits aan alle eerder beschreven randvoorwaarden en zorgvuldigheden is voldaan – een vrijwillig karakter heeft. Er doen zich ook situaties voor waarbij de gezaghebbende ouder(s) zelf vinden dat zij de zorg voor hun kind (tijdelijk) niet kunnen dragen en hulp nodig hebben. Een geheime plaatsing verhoudt zich niet tot het karakter van een vrijwillige uithuisplaatsing, aangezien de vrijwillige plaatsing juist plaats hoort te vinden in wederzijds overleg en op basis van geïnformeerde toestemming.
Een vrijwillige uithuisplaatsing kan alleen wanneer de gezaghebbende ouder(s) in alle vrijheid (geïnformeerde) toestemming geven en zonder dat zij daar druk toe ervaren. Dit principe geldt nog meer in de gevallen dat een snelle beslissing nodig is. Dit vraagt zodoende om goede gesprekstechnieken van de betrokken professional en dat betrokkenen kunnen beschikken over betrouwbare en begrijpelijke informatie. Om de informatiepositie van de direct betrokkenen te versterken, werken we in overleg met ouders, jongeren en professionals aan eenduidig en helder voorlichtingsmateriaal over hulpverleningssituaties op het snijvlak van het vrijwillig en gedwongen kader. Naar verwachting is dit voorlichtingsmateriaal begin 2026 gereed.
Tegelijk merken wij dat er regelmatig maatschappelijke zorgen en vragen zijn over situaties waarin gezaghebbende ouders zich onder druk gezet kunnen voelen, vooral bij dringende adviezen voor een vrijwillige uithuisplaatsing. Daarom willen we dit aspect meenemen in de uitvoering van de motie van het lid Ceder c.s., die pleit voor het instellen van een staatscommissie om uithuisplaatsingen te onderzoeken.
Kunt u bevestigen dat ouders in deze situaties verstoken zijn van rechtsbijstand, onder grote druk staan en zich in een oneigenlijke machtsverhouding bevinden, waardoor geen sprake kan zijn van vrijwilligheid? Zo nee, waarom niet?
Helder moet zijn dat de gezaghebbende ouder(s) zélf beslissen over vrijwillige uithuisplaatsing en over het verblijf van een kind buiten het gezin en dat zij altijd op deze beslissing mogen terugkomen. De gesprekken tussen betrokken professionals en het gezin zijn vaak niet makkelijk, zeker als de zorgen over mogelijke onveiligheid tegelijkertijd groot zijn. Het gaat in deze gesprekken om het overbrengen en bespreken van de zorgen en het samen zoeken naar passende oplossingen en mogelijkheden. Veilig Thuis begrijpt zijn positie en relatie ten opzichte van het gezin goed, en is zich bewust dat het wordt vaak betrokken in emotionele en kwetsbare situaties voor een gezin. Ervaringsdeskundigen geven tegelijkertijd met regelmaat aan dat deze situaties, hoe lastig ook, juist het moment kunnen zijn om negatieve patronen te doorbreken en positieve verandering in gang te zetten. Dit vraagt veel zorgvuldigheid van Veilig Thuis. Deze context is bij uitstek ook het terrein waar Veilig Thuis in werkt en waar het veel ervaring in heeft. Veilig Thuis moet zich daarom maximaal inzetten op transparantie, duidelijke communicatie en het waarborgen van keuzevrijheid, zodat de eventuele toestemming daadwerkelijk vrijwillig kan worden gegeven.
Daarbij is het belangrijk dat ouders en kinderen weten wat hun rechten en plichten zijn en daarbij ondersteuning kunnen krijgen, bijvoorbeeld van de vertrouwenspersonen van Jeugdstem. Een goede informatiepositie versterkt de rechtspositie van ouders en draagt bij aan het maken van een vrijwillige en weloverwogen keuze.
Hoeveel kinderen zijn in 2024 en 2025 door VTOB uit huis geplaatst zonder rechterlijke machtiging, en hoeveel kinderen in Nederland in totaal door Veilig Thuis-organisaties (al dan niet in samenwerking met de Raad voor de Kinderbescherming) zonder rechterlijke toetsing? Wat zeggen deze cijfers u?
Veilig Thuis registreert geen specifieke regionale of landelijke cijfers over wanneer het een vrijwillige uithuisplaatsing adviseert. In 2022 heeft het CBS naar aanleiding van een extra uitvraag een rapportage gemaakt over het aantal jongeren dat in vrijwillig kader jeugdhulp met verblijf ontvangt (inclusief een uitsplitsing naar pleegzorg, gezinsgericht, gesloten plaatsing en verblijf overig). Een jongere kan op een specifieke peildatum namelijk niet zowel in vrijwillig kader als in gedwongen kader jeugdhulp met verblijf ontvangen. Op peildatum 31 december 2022 ging het om 17.785 jongeren die jeugdhulp met verblijf ontvingen zonder kinderbeschermingsmaatregel (vrijwillig kader). Dat bij een jeugdige sprake is van jeugdhulp met verblijf zegt echter niets over de omstandigheden in het gezin, de reden voor het vrijwillige verblijf en/of dit mogelijk als niet vrijblijvend is ervaren. Bij een deel van de jongeren kan het gaan om intensieve bemoeienis van hulpverlening vanwege onveiligheid in het gezin, maar bijvoorbeeld ook om opnames van jongeren bij verslaving of een eetstoornis. Er zijn daarom vanuit de beschikbare data geen gegevens over de groep jongeren die uit huis zijn geplaatst in vrijwillig kader waarbij sprake is van zorgen over onveiligheid thuis.
Is het u bekend dat in ten minste één casus een meisje driemaal door VTOB is overgeplaatst zonder dat ouders enig zicht hadden op de situatie, terwijl de kinderrechter pas na meer dan een maand door tussenkomst van de Raad werd ingeschakeld?
Bij ons is bekend dat Veilig Thuis Oost Brabant een interne evaluatie uitvoert naar aanleiding van deze specifieke casus. De resultaten van de interne evaluatie van VT Oost-Brabant worden gedeeld met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis. Wij betrekken deze resultaten in de periodieke overleggen met het Landelijk Netwerk om de werkwijze rondom vrijwillige uithuisplaatsingen te verbeteren.
Bent u bereid deze praktijken per direct te laten beëindigen en de betrokken instanties te instrueren dat spoeduithuisplaatsingen uitsluitend door of na tussenkomst van de kinderrechter kunnen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet bereid om de instanties te instrueren dat spoeduithuisplaatsingen uitsluitend door of na tussenkomst van de kinderrechter kunnen plaatsvinden. Belangrijkste reden is dat een vrijwillige plaatsing buiten het gezin – mits aan alle eerder beschreven randvoorwaarden en zorgvuldigheden is voldaan – ook in het belang van het kind en het gezin kan zijn. Wanneer de gezaghebbende ouder(s) in goed overleg akkoord gaan met een vrijwillige uithuisplaatsing, dan is er (vooralsnog) geen reden om de gang naar de kinderrechter te maken. Zoals in antwoord op vraag 3 al verwoord zien wij ook dat er situaties zijn waarbij de gezaghebbende ouder(s) zich onverhoopt toch onder druk gezet voelen, juist in die situatie waar een vrijwillige uithuisplaatsing met spoed/direct wordt geadviseerd. Daarom ga ik hier met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis over in gesprek hoe we dit risico kunnen beperken. Ook geven wij uitvoering aan de motie3 van het lid Ceder c.s., over het instellen van een staatscommissie die onderzoek doet naar uithuisplaatsingen. Onderdeel van de opdracht van deze staatscommissie is een fundamentele herbezinning op de rol en legitimiteit van de overheid bij ingrijpen in gezinnen en huishoudens in gevallen van (vermoedelijke) onveiligheid.
Bent u het eens met de stelling dat een dergelijke handelwijze van Veilig Thuis in feite neerkomt op een onttrekking aan het ouderlijk gezag als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht? Zo nee, waarom niet?
De beoordeling of aan de bestanddelen van artikel 279 Sr is voldaan, is aan het Openbaar Ministerie en vervolgens de (straf)rechter. Het uitoefenen van ouderlijk gezag, inclusief het bepalen van de verblijfplaats van een kind, is een fundamenteel onderdeel van het recht op gezinsleven zoals vastgelegd in artikel 8 EVRM. Het is daarom belangrijk dat Veilig Thuis bij het adviseren van een vrijwillige uithuisplaatsing werkt met geïnformeerde toestemming: de uitdrukkelijke, vrije en ondubbelzinnige toestemming van de gezaghebbende ouder(s) en, waarbij ook de stem van het kind – afhankelijk van de leeftijd4 – wordt meegenomen. Als aan de randvoorwaarden van geïnformeerde toestemming is voldaan, zal geen sprake zijn van het (tegen de wil van ouders) onttrekken aan het gezag.
Hoe gaat u voorkomen dat medewerkers van Veilig Thuis, ouders en kinderen opnieuw in onveilige en juridisch onhoudbare situaties belanden doordat uithuisplaatsingen plaatsvinden buiten de wettelijke kaders?
Wanneer aan alle eerdergenoemde randvoorwaarden en zorgvuldigheden is voldaan, is er geen sprake van vrijwillige uithuisplaatsingen buiten de wettelijke kaders. Wanneer Veilig Thuis niet over uitdrukkelijke, vrije en ondubbelzinnige toestemming van de gezaghebbende ouder(s) beschikt, die is gebaseerd op geïnformeerde toestemming – zal Veilig Thuis zoals eerder genoemd niet kunnen overgaan tot het adviseren van een vrijwillige uithuisplaatsing. Zoals bij antwoord op vraag 7 is vermeld wordt dit thema onderdeel van de opdracht van de in te richten staatscommissie en is dit op de kortere termijn ook onderwerp van gesprek met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis.
Bent u bekend met het artikel van kinderrechter en hoogleraar Bart Tromp uit het Nederlands Juristenblad van 17 mei 2024 waarin hij pleit voor een totaal andere aanpak van de spoeduithuisplaatsingspraktijk?
Ja.
Deelt u de mening dat, met deze voorbeelden en cijfers, er snel verandering moet komen in de uitvoeringspraktijk van (spoed)uithuisplaatsingen en dat de lijn die Tromp voorstelt nader onderzocht moet gaan worden voor wat betreft wenselijkheid en uitvoerbaarheid? Zo nee waarom niet?
Het artikel van Bart Tromp gaat over spoedverzoeken bij kinderbeschermingsmaatregelen. In het wetsvoorstel «Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming» van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wordt de wettelijke termijn waarbinnen een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ter zitting moet worden behandeld verkort van veertien naar zeven dagen, als verbeterstap in de rechtsbescherming bij spoedmaatregelen5. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in kosteloze rechtsbijstand voor ouders vanaf het moment dat om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht, zodat zij adequaat juridisch worden ondersteund.
Deelt u de mening dat bij organisaties die bij een uithuisplaatsing de wettelijke kaders schenden, de organisatie, in casu de bestuurder, hoofdelijk aansprakelijk gesteld moet worden voor alle schade en kosten die als gevolg van het niet volgen van de vigerende wet en regelgeving ontstaat? Ben u bereid om dit in wetgeving vast te leggen? Zo nee waarom niet?
Het uitgangspunt in ons recht is dat de organisatie als rechtspersoon aansprakelijk is voor schade die ontstaat door onrechtmatig handelen bij de uitvoering van zijn taken. Dit geldt ook voor instellingen die (in dit geval) namens het college van Burgemeesters en Wethouders publieke taken uitvoeren, zoals Veilig Thuis. Het aansprakelijkheidsrecht biedt nu al ruimte om de rechtspersoon aan te spreken voor schadevergoeding.
Voor bestuurders geldt een aanvullend regime. Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een bestuurder alleen persoonlijk aansprakelijk kan zijn indien sprake is van een ernstig persoonlijk verwijt. Dat doet zich slechts voor in uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld wanneer een bestuurder bewust buiten de wettelijke kaders treedt of met opzet of grove schuld derden benadeelt. Of aan de criteria voor bestuurdersaansprakelijk wordt voldaan, hangt af van de omstandigheden en is in een voorkomend geval ter beoordeling aan de rechter. In algemene zin is hierop geen bevestigend antwoord te geven.
Verder bestaat er op basis van de wet (artikel 298 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek) de mogelijkheid voor een belanghebbende of het openbaar ministerie om de rechtbank te verzoeken een bestuurder van een stichting te ontslaan wegens (voor zover hier relevant) verwaarlozing van zijn taak of andere gewichtige redenen.
De huidige wettelijke regeling biedt voldoende mogelijkheden om de organisaties en/of hun bestuurders aansprakelijk te stellen of anderszins op te treden in geval van schending van wet- of regelgeving. Ik zie daarom geen reden voor nadere wetgeving.
De opbrengsten van zoekacties in Justitiële Inrichtingen |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel telefoons zijn er door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid aangetroffen tussen 1 januari 2025 en 1 september 2025 in Penitentiaire Inrichtingen?
Om een volledig beeld te geven van de controles op telefoons in de penitentiaire inrichtingen (PI) die hebben plaatsgevonden worden naast de aangetroffen telefoons door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid ook de aangetroffen telefoons bij de inzet van enkel de speurhonden gedeeld. Door de LBB zijn tussen 1 januari 2025 en 31 augustus 2025 42 telefoons aangetroffen. Hierbij heeft de LBB soms ook speurhonden ingezet. Daarnaast hebben er ook acties met enkel speurhonden plaatsgevonden. Hierbij zijn tussen 1 januari 2025 en 31 augustus 2025 82 telefoons aangetroffen.
In zijn algemeenheid kan ik u meegeven dat de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) jaarlijks de totale cijfers omtrent de aangetroffen contrabande publiceert op haar website. De opbrengsten van de controles uitgevoerd door de LBB van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) maken onderdeel uit van deze totale cijfers.
De LBB is een onderdeel van de Landelijke Dienst Specialistische Taken (LDST) van de DV&O en bestaat uit verschillende specialistische teams. Zij kunnen onder andere ingezet worden op basis van intelligence, ten behoeve van de controles op datadragers of specifiek ten behoeve van andere contrabande. Ook de speurhonden worden met regelmaat ingezet en maken naast de LBB onderdeel uit van de LDST. Inzet van de LBB en van de speurhonden vindt plaats op basis van inzetmatrixen. Door middel van deze inzetmatrixen wordt bepaald hoeveel geplande en ongeplande inzetten er ten minste op jaarbasis plaats dienen te vinden per penitentiaire inrichting (PI). Daarnaast vinden er aanvullend risicogestuurde inzetten plaats indien er signalen zijn dat er mogelijk telefoons aanwezig zijn. Informatie omtrent aangetroffen telefoons worden onderling gedeeld en gebruikt voor volgende controles. Het risicogestuurd inzetten van de speurhonden is naar aanleiding van de motie van Dijk1 geïntensiveerd.
Tot slot wil ik nog opmerken dat zoals reeds eerder aan uw Kamer is meegegeven, er door het kabinet vanuit de regeerprogrammamiddelen ook flink wordt geïnvesteerd in technieken om contrabande tegen te gaan. Te denken valt aan overgooidetectie, GSM-detectie en de inzet van bodyscanners.2 Kortom het weren van contrabande en specifiek het tegengaan van voortgezet crimineel vanuit detentie blijvend onder de aandacht en in ontwikkeling.
Kunt u per Penitentiaire Inrichting per maand aangeven hoeveel telefoons gevonden zijn?
Het is niet mogelijk om de gevonden telefoons door de LBB en door de speurhonden uit te splitsen per maand, deze worden niet op maandelijkse wijze geregistreerd. Cijfers omtrent contrabande worden op jaarbasis gepubliceerd. Hieronder treft u een overzicht aan per PI van het aantal keer dat er een inzet van de LBB heeft plaatsgevonden, soms in combinatie met de inzet van speurhonden en hoeveel telefoons er zijn aangetroffen. Ook is in het overzicht opgenomen het aantal inzetten van enkel speurhonden per PI en het daarbij behorende aantal aangetroffen telefoons.
Ten aanzien van de cijfers hecht ik eraan om de volgende context mee te geven. Een geplande of ongeplande inzet kan de ene keer niets opleveren en een volgende keer juist in verhouding veel opleveren. Ook kan het feit dat er bij een eerdere inzet telefoons zijn aangetroffen reden zijn om nogmaals in te zetten, wat weer nieuwe aangetroffen telefoons op kan leveren. Op deze wijze wordt, conform de motie van het lid Ellian3 een verscherpt toezicht uitgeoefend. Bij inrichtingen met in verhouding veel aangetroffen telefoons zullen er in de regel ook meer inzetten plaatsvinden. Daar staat tegenover dat «relatief» veel inzetten niet hoeft te resulteren in meer aangetroffen telefoons. Ook op basis van andere signalen dan eerder aangetroffen telefoons kan besloten worden om nogmaals in te zetten.
2
0
28
0
30
5
0
23
0
28
5
3
61
8
66
1
0
20
0
21
1
0
42
0
43
4
0
47
1
51
2
0
63
1
65
6
0
33
0
39
2
0
47
1
49
4
0
30
11
34
0
0
50
0
50
0
0
24
0
24
1
0
4
0
5
7
9
41
16
48
1
0
37
1
38
1
0
43
1
44
2
2
41
0
43
2
0
22
0
24
3
2
34
7
37
0
0
22
0
22
10
8
33
6
43
2
0
25
1
27
4
2
41
5
45
2
0
36
0
38
0
0
12
0
12
0
0
39
0
39
2
2
39
20
41
4
0
53
0
57
5
3
47
3
52
1
0
19
0
20
2
11
37
0
39
0
0
1
0
1
Hoeveel contrabande is aangetroffen tussen 1 januari 2025 en 1 september 2025?
Tussen 1 januari 2025 en 1 september 2025 zijn er 1.714 contrabande aangetroffen in de verschillende PI’s en twee Rijks Justitiële Jeugdinrichtingen (RJJI). Ten aanzien van de twee andere RJJI’s zijn er geen eenduidige gegevens bij het Bureau Veiligheid en Integriteit (BV&I) van DJI beschikbaar. Voor de twee Rijks Forensische Psychiatrische Centra (FPC) geldt dat zij contrabande melden door middels van een melding bijzonder voorval (MBV). In 2025 zijn er geen MBV’s opgemaakt ten aanzien van contrabande. Voor het opmaken van een MBV gelden andere criteria dan voor de meldingen vanuit een PI. DJI spant zich in om voor de zomer van 2026 de eerst resultaten van een uniforme registratie zichtbaar te hebben.
Middels een gelaagd proces wordt er op contrabande gecontroleerd binnen een PI. Dit gelaagd proces bestaat onder andere uit de basis controles die plaatsvinden bij binnenkomst van justitiabelen maar ook van die van bezoekers en medewerkers van DJI. Ook de periodieke (cel)inspecties maken deel uit van dit gelaagd proces, naast de zoekacties van het interne bijstandsteam en de zoekacties die samen met of enkel door de LBB en de inzet van speurhonden plaatsvinden.
De hierboven vermelde contrabande zijn aangetroffen tijdens de reguliere celinspecties, deze kunnen zowel dagelijks als maandelijks plaatsvinden en tijdens de celinspecties op indicatie. Ook betreft het de contrabande die zijn aangetroffen in de gemeenschappelijke ruimtes zoals de luchtplaats, de arbeidszaal en andere ruimtes, en na fouillering nadat bezoek heeft plaatsgevonden of nadat er deel is genomen aan een activiteit. Daarnaast betreft het tevens de contrabande die zijn aangetroffen bij de controles van de buitenronde. Hierbij valt te denken aan het dak van een inrichting en de ruimte tussen de muur van een inrichting en het penitentiaire hek. Ook de contrabande die zijn aangetroffen bij de controles van de post, bezoekers, invoer en de inkomsten zijn in de aantallen opgenomen.
Kunt u per Penitentiaire Inrichting, Justitiële Jeugdinrichting en TBS-kliniek per maand aangeven hoeveel contrabande is aangetroffen en de contrabande uitsplitsen per categorie?
Het is niet mogelijk om de aangetroffen contrabande uit te splitsen per maand aangezien deze niet maandelijks worden geregistreerd. Cijfers omtrent contrabande worden op jaarbasis gepubliceerd. Wel is het mogelijk om de aangetroffen contrabande per inrichting te geven. Het betreft hier enkel de contrabande aangetroffen in Rijksinrichtingen. Van twee RJJI’s en de twee FPC’s ontbreken de aantallen. Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 3 spant DJI zich in de registratie op korte termijn te realiseren.
0
5
46
0
1
0
0
3
0
12
118
0
0
0
0
4
2
40
176
8
1
0
0
1
0
0
0
0
0
0
0
0
0
8
30
0
0
0
0
1
0
3
15
0
0
0
0
0
0
3
95
1
0
1
1
4
0
0
21
0
0
0
0
0
0
0
73
2
2
0
0
10
1
33
78
9
0
1
0
16
0
3
107
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
0
31
10
0
0
0
0
0
0
0
49
0
0
0
0
0
0
0
55
0
0
0
0
0
0
10
4
0
0
0
0
0
0
3
26
0
0
0
0
0
0
39
83
1
4
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
25
73
1
0
0
0
0
0
15
83
0
0
0
0
0
6
18
49
0
2
0
0
0
1
3
7
2
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
7
15
0
0
0
0
0
0
6
23
0
1
0
0
3
0
2
18
3
0
0
0
0
0
14
6
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
0
3
0
0
1
0
0
0
4
9
0
2
59
0
0
Kunt u in ieder geval vraag 1,2 en 3 voor het commissiedebat gevangeniswezen van 24 september 2025 beantwoorden?
Door de korte periode tussen het moment van indienen van de vraag en het commissiedebat gevangeniswezen van 24 september 2025 is het niet mogelijk gebleken de vragen te beantwoorden voor het betreffende commissiedebat.
De subsidieregeling voor geadopteerden |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Geld voor zoektocht na adoptie komt maar bij handjevol geadopteerden terecht»?1
Ja daarmee ben ik bekend.
In hoeverre is de door u eerder genoemde morele verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid om geadopteerden te ondersteunen in de zoektocht naar hun afkomst in de praktijk waargemaakt?
Het rapport van de «Commissie onderzoek interlandelijke adoptie» heeft, in afstemming met uw Kamer, onder meer geleid tot de oprichting van een Expertisecentrum voor interlandelijk geadopteerden (INEA). Dé centrale plek waar alle interlandelijk geadopteerden en overige betrokkenen terecht kunnen voor ondersteuning bij vragen over interlandelijke adoptie en afkomst, met bijzondere aandacht voor diegenen die rondom hun adoptie problemen ervaren. Na een zorgvuldig traject, samen met belangenorganisaties en Fiom, ervaringsdeskundigen, experts, wetenschappers, de centrale autoriteit, dossierhouders en betrokken ministeries zijn bouwstenen opgesteld voor de functies van dit expertisecentrum. Een van die bouwstenen is gericht op «zoektochten en landenaanpak». Daarbij is vastgesteld dat elke zoektocht sterk wordt bepaald door de context waarbinnen de interlandelijke adoptie heeft plaatsgevonden en die ook per land verschilt. Een specifieke aanpak per land van herkomst is dan ook nodig en het in kaart brengen daarvan is arbeidsintensief.
INEA is druk doende om zoekinfrastructuren in landen van herkomst in kaart te brengen. Bij de uitvoering van deze complexe opgave is een nauwe samenwerking tussen INEA en de belangenorganisaties van interlandelijk geadopteerden uitgangspunt. De belangenorganisaties beschikken tenslotte over waardevolle kennis, expertise, netwerken en ervaring, onder andere met betrekking tot zoektochten. Ter versterking van deze samenwerking is de subsidieregeling voor de belangenorganisaties beschikbaar gesteld. Met de subsidie worden belangenorganisaties in staat gesteld zich enerzijds verder te professionaliseren en anderzijds geadopteerden in Nederland ondersteuning te bieden. Bijvoorbeeld door thema- of lotgenotenbijeenkomsten te organiseren of door ondersteuning te bieden bij zoektochten of rootsreizen, zoals de inzet van een veldwerker of tolk.
Subsidieaanvragen die betrekking hebben op ondersteuning van geadopteerden worden op grond van artikel 7 van de subsidieregeling altijd voorzien van een advies van INEA. INEA wordt daarmee betrokken bij de activiteiten die belangenorganisaties ontplooien en INEA vraagt ook om een terugkoppeling van de ervaringen van de belangenorganisaties met die activiteiten. INEA deelt deze ervaringen ook op de website, zodat andere belangenorganisaties daar ook kennis van kunnen nemen en inspiratie kunnen opdoen. Ondertussen is het ondersteuningsaanbod van INEA op het gebied van zoektochten volop in ontwikkeling. Daarbij zoekt INEA niet alleen de samenwerking met belangenorganisaties, maar wordt ook gebouwd aan een internationaal netwerk. In dat kader heeft INEA recent onder meer een internationale werkconferentie georganiseerd. Daarmee kan INEA op den duur geadopteerden uit steeds meer landen van herkomst ondersteuning bieden bij zoektochten, bijvoorbeeld door begeleiding te bieden bij het vinden van biologische familieleden of dossiers in het land van herkomst.
Hoeveel geadopteerden hebben inmiddels gebruik gemaakt van de subsidieregeling om onderzoek te kunnen doen naar hun afkomst?
Belangenorganisaties die, kort gezegd, de belangen behartigen van interlandelijk geadopteerden in Nederland, kunnen jaarlijks een subsidie aanvragen van maximaal € 35.000,=. Op grond van de subsidieregeling kan jaarlijks maximaal € 10.000,= subsidie worden aangevraagd voor de professionalisering van de eigen organisatie en om de bekendheid van de organisatie te vergroten. Daarnaast kan een belangenorganisatie jaarlijks maximaal € 25.000,= subsidie aanvragen om het ondersteuningsaanbod aan interlandelijk geadopteerden te versterken (bijvoorbeeld door het organiseren van thema- of lotgenotenbijeenkomsten) of om ondersteuning te bieden aan interlandelijk geadopteerden bij zoektochten of rootsreizen voor een groep van ten minste vijf geadopteerden. Ik vind het belangrijk daarbij te benadrukken dat met de subsidie geen individuele rootsreizen worden gesubsidieerd. De regeling bepaalt dat geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die gericht zijn op het verstrekken van individuele tegemoetkomingen of vergoedingen voor individuele kosten van individuele geadopteerden (artikel 3 onder c). Belangenorganisaties bepalen zelf waarvoor subsidie wordt aangevraagd en welke activiteiten zij daarmee willen bekostigen. Niet alle belangenorganisaties bieden ondersteuning bij zoektochten en soms blijken plannen van een belangenorganisatie in de praktijk niet haalbaar, bijvoorbeeld vanwege de veiligheidssituatie in het land van herkomst. Artikel 8 van de subsidieregeling bepaalt dat de gesubsidieerde activiteiten binnen twee jaar na subsidieverlening moeten worden uitgevoerd. In de meeste gevallen loopt die bestedingstermijn nog. Daarna wordt dus pas duidelijk welke activiteiten gedurende de bestedingstermijn daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
Hoeveel geadopteerden willen gebruik maken van die subsidieregeling maar komen daar nu nog niet voor in aanmerking?
Zoals in het antwoord op vraag 3 al is weergegeven kan de subsidie worden benut ter ondersteuning van zoektochten, maar onder meer ook voor de professionalisering van de belangenorganisatie of het organiseren van een evenement. Belangenorganisaties maken autonoom keuzes over de activiteiten die zij met behulp van de subsidie willen organiseren. Dat hoeft dus niet altijd ondersteuning bij zoektochten te zijn. De belangenorganisaties bepalen ook zelf hoe zij de activiteiten uitvoeren. Daarvan is mede afhankelijk hoeveel geadopteerden worden ondersteund.
Naar welke landen kunnen met behulp van de subsidie reizen worden georganiseerd? Hoeveel herkomstlanden komen niet in aanmerking voor gesubsidieerde reizen?
In beginsel kan de subsidie worden benut om ondersteuning te bieden bij rootsreizen naar ieder land van herkomst. Belangenorganisaties maken zelfstandige keuzes met betrekking tot het aanvragen van een subsidie en de daarmee te financieren doelen of activiteiten. Dit jaar heb ik drie subsidieaanvragen ontvangen van belangenorganisaties die eerder geen subsidie hebben aangevraagd. Indien zij voornemens zijn ondersteuning te bieden bij rootsreizen, dan vereist de subsidieregeling dat deze ondersteuning wordt geboden ten behoeve van minimaal vijf geadopteerden. Er zijn belangenorganisaties die zich tot dat minimum beperken. Er zijn ook belangenorganisaties die de subsidie benutten om een groter aantal geadopteerden te ondersteunen. De plannen van een belangenorganisatie om een rootsreis te ondersteunen kunnen worden beïnvloed door de situatie in het land van herkomst, bijvoorbeeld omdat de veiligheid van de geadopteerden in het land niet gegarandeerd kan worden. Als blijkt dat de subsidie gedurende de bestedingstermijn niet kan worden benut voor een geplande rootsreis, dan is overleg over de subsidiering van andere vormen van ondersteuning altijd mogelijk.
Welk deel van de geadopteerden is afkomstig uit herkomstlanden waarvoor wel dan wel niet gesubsidieerde reizen mogelijk zijn?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Hoeveel van het beschikbare subsidiegeld wordt nu niet besteed? Blijft dat deel beschikbaar voor het doel om geadopteerden te helpen bij hun zoektocht? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Voor het tijdvak 2025 is een maximaal subsidiebudget beschikbaar van
€ 600.000,=. Tot op heden is in 2025 aan subsidies uitgekeerd een bedrag van
€ 280.932,=. Op een aantal subsidieaanvragen moet nog worden beslist. Mijn inschatting is dat niet het volledige voor dit tijdvak beschikbare subsidiebudget van € 600.000,=, dat ook in 2026 en 2027 beschikbaar zal zijn, wordt benut. Met INEA ben ik daarom in overleg over de vraag op welke wijze resterend budget kan worden benut ter ondersteuning van geadopteerden. In samenwerking met INEA is in juni van dit jaar een bijeenkomst gehouden voor belangenorganisaties en belangstellenden, waarin de subsidieregeling is besproken en toegelicht. Tijdens die bijeenkomst zijn de aanwezigen uitgenodigd om contact op te nemen met een contactpersoon van het ministerie, indien zij vragen hebben over de subsidieregeling. Dat kunnen bijvoorbeeld vragen zijn over de reikwijdte van de regeling en de te subsidiëren activiteiten of over de aanvraag of verantwoording van de subsidie na afloop van de bestedingstermijn.
Deelt u de mening dat de zoektocht van geadopteerden niet afhankelijk mag zijn van de vraag of er een belangenorganisatie is die reizen organiseert? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben mij ervan bewust dat niet alle geadopteerden uit de verschillende landen van herkomst worden vertegenwoordigd door een belangenorganisatie en dat niet alle belangenorganisaties een subsidie aanvragen of de subsidie benutten voor het bieden van ondersteuning ten behoeve van zoektochten of rootsreizen. INEA is druk doende internationale zoekinfrastructuren in kaart te brengen en het ondersteuningsaanbod van INEA op het gebied van zoektochten is daarmee volop in ontwikkeling. Daardoor zullen geadopteerden voor de ondersteuning bij zoektochten minder afhankelijk worden van het bestaan van belangenorganisaties.
Bent u bereid om al op korte termijn en nog gedurende de looptijd van de bestaande subsidieregeling de werking daarvan te herzien met als doel dat alle geadopteerden die dat willen in staat worden gesteld om onderzoek te gaan doen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet en op welke wijze kunnen die geadopteerden dan wel financieel geholpen worden bij het doen zoektochten of rootsreizen?
De tussenevaluatie van de subsidieregeling, waarover uw Kamer bij brief van 4 maart 20252 is geïnformeerd, heeft hiertoe geen aanleiding gegeven. Zoektochten en de mogelijkheden en beperkingen daarvan binnen de subsidieregeling zullen onderdeel zijn van de evaluatie van de subsidieregeling naar de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling. De resultaten daarvan worden meegenomen in de overwegingen over de eventuele verlenging van de regeling na oktober 2027. Uw Kamer wordt daar te zijner tijd over geïnformeerd. In de tussenliggende periode kunnen geadopteerden zich vanzelfsprekend wenden tot INEA voor ondersteuning bij hun zoektocht.
Het bericht ‘2 op 3 kinderen met gescheiden ouders merken daar jaren later nog gevolgen van’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van EenVandaag en Villa Pinedo naar de gevolgen van scheidingen op kinderen?1
Ja.
Wat is uw reflectie op de conclusie dat 2 op de 3 kinderen met gescheiden ouders in hun volwassen leven nog de gevolgen merken van de scheiding?
Veel ouders lukt het gelukkig om op een goede manier uit elkaar te gaan, waarbij de kinderen er zo min mogelijk last van hebben. We realiseren ons dat er ook ouders zijn waarbij het minder goed gaat en dat dit soms (langdurig) effect heeft op de betrokken kinderen. Het onderzoek van EenVandaag en Villa Pinedo bevestigt dat en laat zien hoe belangrijk ondersteuning vanuit de directe omgeving is voor een kind. De Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en ik blijven ons daarom inzetten voor het beperken van schade bij kinderen als gevolg van een scheiding van hun ouders. Dat kunnen we niet alleen, daar zijn betrokken partijen zoals kenniscentra, (jeugd)hulpverlening, belangenorganisaties en gemeenten hard voor nodig. De inzet is onder meer gericht op verdere verspreiding in het land van de ontwikkelde ondersteuning en deskundigheid die gemeenten en professionals kunnen benutten bij het contact met jeugdigen en ouders. Graag verwijzen we u naar de recente kamerbrief waarin een stand van zaken wordt gegeven van de aanpak van complexe scheidingen.2
Kunt u een inschatting maken hoe groot het maatschappelijke probleem is dat door scheidingen wordt veroorzaakt? Kunt u aangeven wat de meest recente cijfers zijn over het aantal kinderen dat jaarlijks te maken krijgt met een scheiding? Hoe groot is de groep mensen van wie de ouders ooit gescheiden zijn?
Veel kinderen in Nederland hebben in hun opgroeiende leven te maken met de scheiding of het uit elkaar gaan van hun ouders. Scheidingen kunnen ingrijpende effecten hebben op het kind. Gegevens zijn niet beschikbaar van de groep mensen van wie de ouders ooit gescheiden zijn. Wel weten we dat in het jaar 2024 van 23.637 kinderen de ouders scheidden na een huwelijk. Daarnaast zijn er jaarlijks naar schatting ruim 20 duizend kinderen van wie de ouders uit elkaar gaan zonder dat ze getrouwd waren.3
Deelt u de mening dat, mede gelet op de onderzoeksresultaten, het huidige beleid onvoldoende werkt om scheidingen en gevolgen daarvan tegen te gaan?
Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor hun relatie en het goed uit elkaar gaan. Het is daarmee aan ouders om het belang van hun kind(eren) daarbij voortdurend in het oog te houden. Daar waar ouders er niet uitkomen is hulp en ondersteuning mogelijk. In de recente Kamerbrief complexe scheidingen4 staat uitgebreid beschreven hoe we ons inzetten voor ondersteuning voor kinderen en ouders die te maken krijgen met een complexe scheiding. Allereerst wordt ingezet op het beperken van complexe scheidingen met de recent opgeleverde en beproefde werkwijze, «Duurzaam Ouderschap na Scheiding» (DOnS). De werkwijze heeft tot doel om bij ouders in scheiding een duurzame vorm van samenwerking rondom het ouderschap op gang te brengen. Een samenwerking waarbij het belang van het welzijn en de ontwikkelkansen van het kind centraal staan, en waarbij ouders verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen aandeel en het invullen van het ouderschap. Uit recent onderzoek van TNO is gebleken dat de werkwijze DOnS werkzame elementen bevat.5 Het onderliggende denkkader «Duurzaam Samenwerken na Scheiding» is daarnaast behulpzaam voor gemeenten, organisaties en professionals die te maken hebben met ouders in scheiding.6 Om hen hiermee al laagdrempelig kennis te laten maken, werden de afgelopen jaren 28 inspiratiesessies gehouden voor jeugd- en wijkteams, jeugdzorgorganisaties, gemeenten en regionale samenwerkingsverbanden. Ook hebben we op 18 september 2025 een landelijk congres georganiseerd. Het congres diende als plek voor kennisdeling en aandacht voor het onderwerp (complexe) scheidingen breed in het land. Voor verdere kennisdeling worden er vijf regionale bijeenkomsten georganiseerd om het denkkader en de werkwijze DOnS verder onder de aandacht te brengen van professionals.
Als het ouders niet lukt om er samen uit te komen en (preventieve) ondersteuning niet volstaat, kan het nodig zijn dat een rechter moet beslissen over het gezag en omgang na scheiding. Deze juridische procedures hebben vaak een grote impact op de betrokken kinderen. In 2024 is door het Ministerie van Justitie en Veiligheid de projectgroep «kindvriendelijke scheidingsprocedures» in het leven geroepen. In de projectgroep wordt samengewerkt met de rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming, stichting Villa Pinedo en de advocatuur (vertegenwoordigd door de vFAS) aan een rapport waarin is geanalyseerd op welke onderdelen juridische procedures kindvriendelijker ingericht kunnen worden. Naar verwachting zal dit rapport begin 2026 worden opgeleverd. Voor meer informatie over lopende inzet om gezinnen in scheiding te ondersteunen verwijzen we uw Kamer graag naar de Kamerbrief van 3 oktober 2025.7
Kunt u aangeven wat de actuele cijfers zijn als het gaat om de relatie tussen scheidingen en jeugdhulpgebruik, en scheidingen en de vraag naar geestelijke gezondheidszorg (ggz)?
Uit onderzoek op basis van cijfers van het CBS uit 20238 blijkt dat er een samenhang is tussen scheidingen van ouders en jeugdzorggebruik bij de kinderen. Deze samenhang zien we ook terug in het onderzoek van Significant9.Bij alle vormen van jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering is te zien dat de kans op de behoefte aan/vraag naar jeugdzorg groter is bij kinderen van gescheiden ouders.
De relatie tussen een scheidingssituatie en de vraag naar GGZ is niet onderzocht. Wel blijkt uit een ander onderzoek van het CBS uit 202510 dat in de huishoudens waarin GGZ-medicatie en/of GGZ-zorg wordt gebruikt, 21,5% van de jongeren (0–18 jaar) jeugdhulp krijgt en 2,1% van de jongeren jeugdbescherming. In huishoudens zonder GGZ-medicatie en/of GGZ-zorg krijgen 10,7% van de jongeren jeugdhulp en 0,7% jeugdbescherming. Bij jeugdreclassering is de samenhang met GGZ-medicatie en/of GGZ-zorg in het huishouden minder groot: 0,5% van de jongeren (12–23 jaar) krijgt jeugdreclassering in huishoudens met GGZ, en 0,3% van de jongeren krijgt jeugdreclassering zonder GGZ-gebruik in het huishouden.
Gelet op de schade die door scheidingen wordt aanricht, deelt u de opvatting dat de overheid de ambitie zou moeten hebben om het aantal scheidingen in Nederland te verminderen?
Nee. De keuze om een relatie te beginnen dan wel te beëindigen is een fundamenteel onderdeel van de autonomie van burgers. Een scheiding heeft bovendien niet altijd negatieve gevolgen. Een scheiding is vaak wel een ingrijpende gebeurtenis, die met name voor kinderen gevolgen heeft. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het werken aan en onderhouden van een goede relatie, of als dit niet lukt het goed uit elkaar gaan en zorg blijven dragen voor de kinderen. Daar waar een scheiding dreigt te escaleren tot een complexe scheiding die gepaard kan gaan met langdurige juridische procedures, heeft de overheid een rol in het beperken van de bijkomende negatieve gevolgen.
Bent u bereid om het kabinetsbeleid meer te richten op het versterken van relaties en huwelijken en het voorkomen van scheidingen, en niet slechts het beperken van de schadelijke effecten van (complexe) scheidingen?
Zoals hierboven al aangegeven zijn ouders in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het op een goede manier uit elkaar gaan en het maken van afspraken over het invullen van het ouderschap. Scheiden gaat vaak gepaard met een emotionele, stressvolle periode in het leven, waardoor het ouders niet altijd lukt om er op een goede manier met elkaar uit te komen. Het kan voor een gezin een moeilijke periode zijn, waarin spanningen kunnen oplopen. Kinderen kunnen soms worden ondersteund met jeugdzorg. Daarmee wordt de oorzaak van het probleem niet weggenomen. Voor ouders en kinderen kan informele steun van familie, vrienden of buren of informele gezinssteun via maatschappelijke organisaties11 helpen om met de scheiding om te gaan. Als deze informele (gezins)steun niet voldoende is, kan er ook ondersteuning vanuit de gemeente worden geboden, bijvoorbeeld via het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en in de lokale wijkteams.
Bij veel gemeenten zien we al veel mooie initiatieven. Het aanbod verschilt per gemeente. In sommige gemeenten biedt het CJG spreekuren aan over relaties en scheidingen, waar ouders vragen kunnen stellen en onafhankelijk advies kunnen krijgen van een professional. Een ander voorbeeld is het Kenniscentrum Kind en Scheiding, dat in de regio Haaglanden (laagdrempelige) ondersteuning en hulp biedt aan gezinnen in scheiding. De Staatssecretaris Justitie en Veiligheid en ik zetten ons in voor de verspreiding van dit soort goede voorbeelden in het land.
Deelt u de mening dat de overheid de toegankelijkheid van relatie- en gezinstherapie zou kunnen vergroten, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat de kosten hiervan gedeeltelijk of geheel vergoed worden?
Ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het goed uit elkaar gaan in het belang van het kind en kunnen zelf de keuze maken voor relatie- en gezinstherapie. Vanuit de aanvullende zorgverzekering is het soms mogelijk om relatietherapie vergoed te krijgen. Dit hangt af van de gekozen verzekeraar. Systeemtherapie wordt op dit moment onder voorwaarden door zorgverzekeraars vergoed. Zo wordt systeemtherapie in de GGZ bijvoorbeeld alleen als onderdeel van een GGZ-behandeling ingezet en vergoed. Er moet dan sprake zijn van een psychiatrische stoornis.
Wat is de stand van zaken van het wetenschappelijk onderzoek naar de (kosten)effectiviteit van relatie- en gezinstherapie?2
Zoals toegezegd is het verzoek in de motie van het lid Van Dijk12 om onderzoek te doen naar de effectiviteit van systeemtherapie, doorgeleid naar het Zorginstituut Nederland om hier vanuit de wettelijke taak naar te kijken. Ter uitvoering van het verzoek heeft het Zorginstituut Nederland de volgende acties ondernomen:
Het is bekend dat 50% van de kinderen die te maken hebben met jeugdbescherming, ouders heeft met mentale kwetsbaarheden.13 Daarnaast maakt de inventarisatie van het Zorginstituut inzichtelijk dat er aanwijzingen zijn dat gezinstherapie kostenbesparend is bij kinderen en jongeren met gedragsproblemen, verslavingsproblemen en delinquentie en bij volwassen personen met schizofrenie/psychose. Daarom zal ik aanvullend onderzoek uitzetten naar hoe gezins- of systeemtherapie zouden kunnen bijdragen aan het voorkomen of verminderen van de inzet van jeugdzorg of jeugdbeschermingsmaatregelen. Over de uitkomsten daarvan zal ik uw Kamer in een van de voortgangsbrieven Jeugd op de hoogte stellen.
Bestaat er een ondersteuningsaanbod voor mensen die als kind een scheiding hebben meegemaakt, daar nooit hulp bij kregen en op latere leeftijd nog steeds de gevolgen ervan dragen? Zo nee, bent u bereid om te onderzoeken in hoeverre er behoefte bestaat aan een dergelijk hulpaanbod?
Soms komen gevoelens van onzekerheid, verlatingsangst of moeite met het aangaan van hechte relaties pas naar boven wanneer iemand volwassen is, zelf een gezin vormt of door moeilijke levensmomenten gaat.
Er is binnen de reguliere geestelijke gezondheidszorg hulp beschikbaar voor mensen bij wie een psychische aandoening is ontstaan door gebeurtenissen uit hun jeugd, waaronder een scheiding van ouders. Zorgprofessionals kunnen begeleiding bieden bij het verwerken hiervan of het herstellen van patronen die in relaties blijven terugkeren. Met name contextuele therapie richt zich op het begrijpen van hoe loyaliteit, rechtvaardigheid en verbondenheid binnen families doorwerken in het volwassen leven. Ook rouw- of hechtingstherapie kan helpen om gemis of onveiligheid uit het verleden een plek te geven. Ik zie op dit moment geen noodzaak om extra onderzoek te doen naar specifieke subdoelgroepen binnen dit hulp- en zorgaanbod.
Kunt u aangeven op welke wijze het kabinet expertise en ervaring rondom scheiden door het land verspreid? Hoe kunnen bijvoorbeeld zorgprofessionals en leerkrachten beter toegerust worden om kinderen met gescheiden ouders te ondersteunen?
In ons antwoord op vraag 4 en in de Kamerbrief complexe scheidingen van 3 oktober jl. kunt u lezen hoe kennisverspreiding over de ontwikkelde en onderbouwde kennis en werkwijze plaatsvindt, o.a. door een landelijk congres en het organiseren van in totaal 28 inspiratiesessies. Daarnaast zijn we voornemens om de werkwijze verder onder de aandacht te brengen tijdens vijf regionale bijeenkomsten verspreid door het land.
Het Kenniscentrum Kind en Scheiding is verder bereid om tot en met medio 2026 richting gemeenten en andere organisaties en zorgprofessionals als centrale vraagbaak te fungeren en ondersteuning te bieden bij vragen over het denkkader en de toepassing van de ontwikkelde werkwijze in de eigen praktijk. Ook zal er over het toepassen van deze scheidingsexpertise in de eigen regio of gemeente een webinar worden gegeven.
Naast de kennisverspreiding richting gemeenten en professionals, erkennen wij het belang van de rol van de leerkracht in het leven van een kind. Voor kinderen op de basisschool zijn de programma’s Stoere Schilpadden (4–6 jaar) en Dappere Dino’s (6–8 jaar) ontwikkeld. Daarnaast is informatie voor scholen en leraren beschikbaar via het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesubsidieerde kanalen als Leraar24 en ook het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Daar worden onder meer de taken, maar ook tips en goede voorbeelden gedeeld.
Kunt u aangeven wat de lessen zijn uit de proeftuinen gericht op de aanpak van complexe scheidingen in het kader van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming? Hoe is hier inmiddels een gevolg aan gegeven?
In verschillende proeftuinen wordt gewerkt aan vormen van hulp bij complexe scheidingsproblematiek. Proeftuinen leggen daarbij verschillende accenten afhankelijk van de ontwikkelingen in de regio. Voorbeelden van proeftuinen waar actief wordt ingezet op scheidingsproblematiek zijn de proeftuinen Hart van Brabant en Utrecht-West. De regio Hart van Brabant werkt samen met de Gezinsadvocaat. De Gezinsadvocaat werkt als een duo van een gezinsadvocaat en een gedragswetenschapper die recht en zorg combineren om de scheiding zo goed mogelijk te begeleiden voor alle gezinsleden. Deze samenwerking zorgt ervoor dat juridische én emotionele aspecten van de scheiding in samenhang worden aangepakt, met het belang van het kind centraal.
De regio Hart van Brabant was een van de eerste gebieden waar de Gezinsadvocaat werd geïntroduceerd. In Utrecht West zijn een visie en werkwijze ontwikkeld ten aanzien van een scheidingsaanpak.14 De visie gaat ervan uit dat de nadruk moet liggen op onderliggende problematiek van ouders en of ouders een gezamenlijke wens tot verbetering hebben.
Vanuit het Toekomstscenario worden de opgehaalde kennis en lessen uit de proeftuinen meegenomen in het zogenaamde handelingskader. Dit handelingskader geeft richting aan de noodzakelijke verandering en biedt houvast en ruimte om te doen wat nodig is voor een gezin/huishouden. In het handelingskader komt een module specifiek gericht op complexe scheidingen.
Het bericht ‘Vrouwen hebben genoeg aan veel lagere dosis medicijn tegen hartfalen’ |
|
Arno Rutte (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vrouwen hebben genoeg aan veel lagere dosis medicijn tegen hartfalen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de richtlijn moet worden aangepast zodra blijkt dat de optimale dosering van een geneesmiddel bij vrouwen anders is dan bij mannen? Zo ja, op welke wijze kunt u de aanpassing van de richtlijnen bevorderen?
Het opstellen en naleven van behandelrichtlijnen behoort tot de verantwoordelijkheid van de betreffende beroepsgroepen. Ik ga ervan uit dat de beroepsgroepen actuele onderzoeken – zoals waaraan nu wordt gerefereerd – nader zullen bestuderen en zullen betrekken bij de verdere richtlijnontwikkeling.
Op welke wijze spelen inzichten in sekseverschillen een rol in de ontwikkeling en het gebruik van gepersonaliseerde geneesmiddelen?
Uit klinische ervaring weten we dat patiënten niet allemaal op dezelfde manier op een behandeling reageren. Het is daarom van belang om bij de ontwikkeling en toepassing van geneesmiddelen rekening te houden met eventuele subpopulaties (inclusief mannen/vrouwen verschil) bij welke de werkzaamheid en/of risico’s kunnen verschillen en zo nodig anders te doseren. Waar duidelijk wordt dat sekseverschillen bij de behandeling van belang zijn, biedt dat ook mogelijke aangrijpingspunten voor de ontwikkeling en meer gerichte toepassing van geneesmiddelen voor een bepaalde subpopulatie.
Wat zijn de resultaten van de uitwerking van de motie van het lid Arno Rutte (Kamerstuk 29 477, nr. 379) over een leidende rol voor Nederland bij klinisch geneesmiddelenonderzoek met vrouwen en comorbide patiënten? Ziet u mogelijkheden hier een extra impuls aan te geven?
Zoals ik tijdens het algemeen overleg geneesmiddelenbeleid van 6 juni jl. heb aangegeven, verwacht ik u nog dit jaar te kunnen informeren over een concreet voorstel van de Dutch Clinical Research Foundation en de topsector Life Science and Health voor het wegnemen van knelpunten, die een sterke positie van Nederland als onderzoeksland in Europa in de weg staan.
Tevens heb ik toen aangegeven dat het klinische onderzoek waar de motie van de heer Rutte op doelt, een plaats zal hebben in een nieuw voorstel om Nederland een aantrekkelijk onderzoeksland te laten zijn of te laten blijven, waaraan ik nog samen met de collega’s van EZK en OCW werk.
Valt het onderzoek waar het artikel naar verwijst ook onder de kennisagenda Gender en Gezondheid? Zo nee, krijgt dit onderwerp ook aandacht in een van de onderzoeken in dit programma en hoe wordt gezorgd voor het verbinden en delen van kennis?
Het gerefereerde onderzoek past prima binnen deze kennisagenda. Dit specifieke onderzoek is echter niet gefinancierd door het ZonMw Kennisprogramma Gender en Gezondheid, maar financieel ondersteund door de Europese Commissie2. Dit illustreert dat gender en gezondheid bredere aandacht krijgt. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen 6 en 7.
Kunt u een update geven van de stand van zaken van het programma Gender en Gezondheid? Lopen de verschillende onderzoeken op schema? Volgt er nog een nieuwe subsidieronde binnen dit programma?
Het ZonMw Kennisprogramma Gender en Gezondheid richt zich op 12 thema’s ten behoeve van het verkleinen van de kennisachterstand over m/v-verschillen in gezondheid en zorg. Sinds de start in zomer 2016 zijn 6 open rondes uitgezet voor onderzoeks- en implementatieprojecten, al dan niet in samenwerking met andere programma’s binnen en buiten ZonMw. In totaal zijn er 213 aanvragen ingediend, waarvan er 143 van goede kwaliteit en relevantie waren en er inmiddels 49 projecten zijn toegekend.
Geneesmiddelen is één van de twaalf thema’s en krijgt specifiek aandacht vanwege de onduidelijkheid waar de grootste m/v-verschillen liggen bij veelgebruikte medicijnen en wat de achterliggende reden is voor de geobserveerde verschillen.
Binnen het programma zijn, voor een deel in samenwerking met de Hartstichting, 5 onderzoeksprojecten gericht op Geneesmiddelen toegekend.
De meeste onderzoeken lopen op schema, enkele onderzoeken hebben enige maanden vertraging opgelopen. Twaalf projecten zijn afgerond, waaronder zeven kennissyntheses over psychische problemen, reuma, migraine, geneesmiddelen en drie over hart- en vaatziekten. De resultaten van de overige onderzoeks- en implementatieprojecten zullen naar gelang de startdatum en loopduur tussen nu en begin 2022 vrijkomen.
In het najaar zal, in samenwerking met het ZonMw Preventie Programma een laatste subsidieronde uitgezet worden gericht op onderzoek naar m/v-verschillen bij preventie op basis van bestaande databases.
Hoe is voorzien in het borgen en delen van opgedane kennis na 2021, aangezien de kennisagenda Gender en Gezondheid een looptijd heeft tot de zomer van 2021?
Het programma heeft de noodzaak van aandacht voor sekse en gender in al het gezondheids(zorg)onderzoek (mede) geagendeerd.
Het is van belang dat binnen toekomstig onderzoek (ook als dat niet binnen het Kennisprogramma Gender en Gezondheid wordt uitgevoerd) op een goede manier aandacht wordt besteed aan relevante verschillen tussen vrouwen en mannen.
Binnen het Kennisprogramma is nadrukkelijk ingezet op het verbinden en delen van kennis.
Dit moet primair een plaats krijgen in de opleidingscurricula. Het vaststellen daarvan is een verantwoordelijkheid van de UMC’s (als het gaat om de artsenopleiding) en van de wetenschappelijke verenigingen (als het gaat om specialistische vervolgopleidingen en postacademisch onderwijs).
Het artikel ‘Zorgfraudeurs hebben vaak al een strafblad’ |
|
Arno Rutte (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zorgfraudeurs hebben vaak al een strafblad»?1
Ja.
Hoe kijkt u naar de resultaten van het onderzoek van het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ), die lijken te suggereren dat er sprake is van een verband tussen frauderen in de zorg en de aanwezigheid van strafrechtelijke antecedenten? Deelt u de mening dat het onderzoek waardevol is voor het verbeteren van de kwaliteit van de zorg voor kwetsbare mensen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het waardevol dat het IKZ heeft onderzocht of fraudeurs in de zorg ook een strafblad hebben. Het is schokkend om te lezen dat er een verband lijkt te zijn tussen bestuurders die frauderen met geld dat bedoeld is voor zorg aan kwetsbare mensen en de aanwezigheid van strafrechtelijke antecedenten. Er zijn personen die willens en wetens misbruik maken van zorggelden en frauderen. Dit dupeert patiënten, verzekerden en de belastingbetaler en zet de solidariteit en betaalbaarheid van het zorgstelsel onder druk. Wij zien het vervolgonderzoek van het IKZ dan ook graag tegemoet.
Hoe spelen strafrechtelijke antecedenten van zorgbestuurders op dit moment een rol bij de vergunningsprocedure voor nieuwe zorgaanbieders? Brengt de invoering van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) daar verandering in? Geven de resultaten van het IKZ onderzoek aanleiding om de Wtza verder aan te scherpen? Zo ja, waarom en hoe? Zo nee, waarom niet?
Bij de huidige WTZi-toelating spelen strafrechtelijke antecedenten van zorgbestuurders geen rol. Met de invoering van de Wtza bestaat de mogelijkheid de Wtza-vergunning te weigeren of in te trekken als de bestuurder na een verzoek geen VOG kan verstrekken. Deze mogelijkheid tezamen met de mogelijkheid om de vergunning te weigeren of in te trekken op basis van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob), voorkomen dat door het verlenen van vergunningen fraude wordt gefaciliteerd. De resultaten van het IKZ-onderzoek geven geen aanleiding om de Wtza aan te scherpen.
Zoals aangegeven in de brief van 9 juli 20192 zullen we de vergunningplicht in de Wtza in de toekomst wel verder uitbreiden. Gezien de complexiteit en impact pakken we dit op in een apart traject dat moet uitmonden in een nieuw aanvullend wetsvoorstel dat voortbouwt op de Wtza. Bij deze verdere uitbreiding en inrichting is van belang een goede balans te vinden tussen regeldruk en uitvoeringslasten en de effectiviteit van de vergunningplicht.
Hoe spelen strafrechtelijke antecedenten van zorgbestuurders een rol bij de bestrijding van fraude met PGB’s? Mag de inspectie SZW om strafrechtelijke antecedenten vragen? Zo nee, waarom niet?
De bestrijding van fraude met Pgb’s vindt in eerste aanleg plaats door verstrekkers (gemeenten, zorgkantoren en zorgverzekeraars). Het Pgb kenmerkt zich door het feit dat de cliënt een overeenkomst sluit met een zorgaanbieder. De verstrekker is geen partij bij deze overeenkomst. Indien er sprake is van fraude waarbij de cliënt het slachtoffer is van de zorgaanbieder kan de verstrekker een civielrechtelijke procedure starten teneinde het geld dat niet is besteed aan zorg terug te vorderen van de zorgaanbieder. De ISZW verricht strafrechtelijk onderzoek onder gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (OM). Het OM kan een strafrechtelijke procedure starten als de cliënt of zorgaanbieder strafbare feiten heeft gepleegd, zoals valsheid in geschrifte, oplichting, witwassen, fiscale delicten. Daarbij kunnen door de ISZW strafrechtelijke antecedenten worden opgevraagd.
Hoe worden zorgbestuurders die eerder bewezen zorgfraude hebben gepleegd gecontroleerd als zij elders in de zorg opnieuw aan de slag willen bij een bestaande zorgorganisatie of een nog op te richten zorgorganisatie? Indien die controle niet plaatsvindt, deelt u dan de mening dat dit wel zou moeten? Vindt u dat het mogelijk moet zijn om mensen die zijn veroordeeld voor bepaalde delicten te verbieden om een zorgbedrijf te starten? Kunt u uitleggen waarom wel of niet?
De raad van toezicht van een zorginstelling dient op basis van de Governancecode Zorg 2017 zich voorafgaand aan de benoeming van een bestuurder te vergewissen van het werkverleden van de bestuurder, diens integriteit, kwaliteit en geschiktheid voor de functie. Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, is in de Wtza de mogelijkheid opgenomen de Wtza-vergunning te weigeren of in te trekken als de bestuurder na een verzoek geen VOG kan verstrekken. Deze wet biedt tevens de mogelijkheid om een onderzoek te starten op grond van de Wet Bibob, waarna ook op basis van die bevindingen tot weigering of intrekking van een vergunning kan worden overgegaan. Daarnaast geldt onder de Wet kwaliteit, klachten geschillen zorg (Wkkgz) een vergewisplicht voor zorgaanbieders. Zij dienen zich ervan te vergewissen dat de wijze waarop zorgverleners in het verleden hebben gefunctioneerd niet in de weg staat aan het inzetten van de zorgverleners bij het verlenen van zorg. Tot slot moeten zorgaanbieders op grond van de Wkkgz een VOG overleggen voor alle zorgverleners en andere personen die met cliënten in contact kunnen komen, indien zij langdurige zorg leveren of ggz zorg verlenen in een instelling waar mensen ook ’s nachts kunnen verblijven.
Hoe kan de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) bijdragen aan de aanpak van zorgfraude? Wat kan de zorg daarbij leren van het onderwijs als het gaat om het inzetten van de Wet Bibob, waar het instrument onlangs is ingezet (in geval van het Haga lyceum) maar wel als ongebruikelijk werd gezien?
Met het wetsvoorstel Wtza en bijbehorend wetsvoorstel Aanpassingswet Wet toetreding zorgaanbieders wordt de Wet Bibob van toepassing op de vergunningverlening voor het leveren van zorg (artikel 5, tweede lid Wtza). Daarnaast wordt het met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet Bibob mogelijk om de Wet Bibob toe te passen op alle overheidsopdrachten, waaronder ook die in de zorgsector.3 Dit wetsvoorstel is op 4 maart 2019 aan uw Kamer verzonden. De toepassing van de Wet Bibob geeft bestuursorganen de mogelijkheid om haar eigen integriteit te beschermen door te voorkomen dat zij ongewild criminele activiteiten faciliteert. Een Bibob-onderzoek kan gestart worden wanneer een bestuursorgaan een vermoeden heeft dat er een risico bestaat op misbruik van een vergunning of een subsidie, een overheidsopdracht of een vastgoedtransactie. Als er een ernstig gevaar dreigt dat bijvoorbeeld een vergunning wordt misbruikt, kan het bevoegde bestuursorgaan de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning intrekken. Het toepassen van de Wet Bibob is een discretionaire bevoegdheid van bestuursorganen en geeft hen ruimte om in concrete individuele gevallen naar eigen inzicht een besluit te nemen.
Wat betreft het leren van de inzet van de Wet Bibob op andere domeinen kan ik in algemene zin opmerken dat bestuursorganen zich hierbij kunnen laten voorlichten, adviseren en/of ondersteunen door het Landelijk Bureau Bibob (LBB). Het LBB heeft een belangrijke rol in het bewaken en waarborgen van een uniforme toepassing van de Wet Bibob en de kwaliteit van het onderzoek door bestuursorganen en heeft daarmee in de loop der tijd veel kennis, expertise en ervaring opgebouwd. Voorts valt ook onderwijsbekostiging onder de reikwijdte van de Wet Bibob. Met het voorliggende voorstel tot wijziging van de Wet Bibob wordt dit voor de rechtszekerheid geëxpliciteerd.4
Neemt u de aanbevelingen van het IKZ over vervolgonderzoek over? Zo ja, hoe gaat dit vervolgonderzoek er uit zien en wanneer kunnen we de publicatie hiervan verwachten? Zo nee, waarom niet?
Ik neem de aanbevelingen van het IKZ over een vervolgonderzoek over. Het IKZ beslist echter zelf wanneer en in welke vorm zij tot publicatie van dit vervolgonderzoek zullen overgaan.
Desgevraagd heeft het IKZ aangegeven dat zij ernaar streven om deze zomer een voorstel voor een vervolgonderzoek uit te werken en dat dit voorstel in het najaar van 2019 aan haar partners zal worden voorgelegd. Zodra de uitkomsten van dit vervolgonderzoek bekend zijn, zullen wij dit delen met uw Kamer.
Het bericht ‘Bijkleuren van tonijn brengt risico voor de volksgezondheid met zich mee’ en de uitzending van het televisieprogramma Kassa |
|
Arno Rutte (VVD), Helma Lodders (VVD), Arne Weverling (VVD) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bijkleuren van tonijn brengt risico voor de volksgezondheid met zich mee»?1
Ja.
Bent u bekend met de inhoud van het televisieprogramma Kassa van 25 mei 2091?2
Ja.
Is het bijkleuren van geelvintonijn in Nederland verboden? Zo ja, op basis van welke regelgeving is dit verboden?
Bijkleuren van levensmiddelen kan middels kleurstoffen (additieven) of middels kleurende levensmiddelen. In zijn algemeenheid geldt dat indien tonijn wordt bijgekleurd om bederf te maskeren, er sprake is van risico’s voor de gezondheid en misleiding of zelfs fraude. Dit is verboden op basis van algemene levensmiddelenwetgeving met betrekking tot voedselveiligheid en de voedselinformatiewetgeving. Daarnaast is het bijkleuren van tonijn ook verboden op basis van specifieke EU wetgeving, richtsnoeren en «statements» van de Europese Commissie en de lidstaten.
Volgens Europese wetgeving over additieven, Verordening (EG) Nr. 1333/2008, is het toevoegen van kleurstoffen aan verse tonijn verboden. Als vervanging van kleurstoffen worden soms kleurende levensmiddelen gebruikt (bijvoorbeeld bietenconcentraat), waarvoor geen specifieke wetgeving is opgesteld. Wel is door de Europese Commissie een richtsnoer opgesteld. In dit richtsnoer wordt het onderscheid tussen kleurstoffen en kleurende levensmiddelen uitgelegd. Daarnaast wordt expliciet aangegeven dat het gebruik van kleurende levensmiddelen de consument niet mag misleiden. Omdat verse tonijn niet met kleurstoffen bijgekleurd mogen worden, wordt het bijkleuren van verse tonijn met kleurende levensmiddelen gezien als misleiding.
Ook door behandeling met koolmonoxide (CO) kan de kleur van tonijn worden beïnvloed. Het toevoegen van CO aan tonijn is niet toegestaan, omdat dit wordt gezien als niet-toegestaan additief gebruik. Ook het behandelen van verse tonijn door het proces «light smoking/licht roken» is niet toegestaan. Deze behandeling van verse tonijn is geen vorm van roken. Conform artikel 8 van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen mag alleen met «echte» rook, verkregen uit hout of houtachtige gewassen, gerookt worden, waarbij het levensmiddel de kenmerkende kleur- geur-, en smaakeffecten van het rookproces heeft gekregen. Een behandeling met koolmonoxide voldoet hier niet aan. Bovendien zou er na het roken geen sprake meer zijn van verse tonijn maar van gerookte tonijn.
Ook het toevoegen van groente-extracten aan tonijn, met de bedoeling om een technologische functie in de tonijn te vervullen (bijvoorbeeld conservering vanwege het aanwezige nitraat en nitriet), is niet toegestaan. Dergelijke groente-extracten worden feitelijk gebruikt als additief (in dit geval als vervanger van nitraat/nitriet en/of kleurstoffen), maar voldoen niet aan de zuiverheidseisen en specificaties van de toegelaten additieven. Bovendien zijn de additieven die ze vervangen (nitraat/nitriet en/of kleurstoffen) niet toegestaan in verse tonijn. Feitelijk worden dus niet toegelaten additieven gebruikt. Deze interpretatie is vastgelegd in een «statement» van het Permanent Comité voor de voedsel- en diervoederketen van de Europese Commissie. Dit is geen wetgeving, maar een gezamenlijke verklaring van de lidstaten hoe de wetgeving dient te worden geïnterpreteerd.
Een dergelijk «statement» is ook opgesteld over het gebruik van anti-oxidanten, waarin is aangegeven hoeveel anti-oxidant maximaal nodig is om de functie als anti-oxidant goed te kunnen vervullen. Als meer dan deze hoeveelheid wordt toegevoegd, dan wordt dat gezien als overmatig gebruik dat niet is toegelaten. Het gebruik van het anti-oxidant is dan bedoeld om conserveermiddelen te vermijden en toch de houdbaarheid te verlengen en de tonijn verser te doen lijken dan hij is.
Deelt u de zorgen van voedingsmiddelenexperts, visserijbiologen en visimporteurs met betrekking tot het bijkleuren van geelvintonijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de zorgen van de voedingsmiddelenexperts, visserijbiologen en visimporteurs met betrekking tot het bijkleuren van geelvintonijn.
Hoe kunnen de additieven die de tonijn bijkleuren worden herkend of opgespoord door inkopers en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?
Bedrijven zijn er zelf verantwoordelijk voor dat levensmiddelen die zijn verhandelen voldoen aan de wettelijke eisen. Bedrijven moeten de mogelijke voedselveiligheidsrisico’s erkennen en opnemen in hun HACCP plan. Ook moeten ze zorgen dat ze die risico’s beheersen. Het risico op het bijkleuren van tonijn is een bekend risico, en inkopers moeten hier dus rekening mee houden in hun voedselveiligheidsplan. Tonijn die bestemd is voor inblikken maar verkocht wordt als verse tonijn (wat overigens verboden is), of tonijn die bedorven is of van inferieure kwaliteit, en die is bijgekleurd om dit te maskeren, wordt vaak voor een lagere prijs verkocht. Inkopers dienen hier scherp op te zijn, en niet te gaan voor de laagste prijs maar voor kwaliteit. Verder kunnen inkopers eisen stellen aan datgene wat zij inkopen, navraag doen bij leveranciers over hoe zij de tonijn behandelen, werken met vaste en betrouwbare leveranciers, audits uitvoeren bij leveranciers, et cetera. Ook monsterneming en analyse is een manier om controles uit te voeren.
De NVWA voert controles uit op de naleving van de additievenwetgeving door middel van inspecties. De inspecteur kijkt naar de receptuur, de specificaties van de ingrediënten en het etiket. Op basis hiervan wordt vastgesteld of de toegevoegde additieven wettelijk zijn toegestaan, en of ze juist worden geëtiketteerd. Indien nodig wordt het bedrijf verzocht informatie na te vragen bij haar leveranciers, of voert de NVWA zelf een inspectie uit bij leveranciers. Ook neemt de NVWA monsters van tonijn in de markt, en analyseert op verschillende parameters, waaronder histamine.
Controleert de NVWA op additieven die tonijn kunnen bijkleuren?
De NVWA is al een aantal jaren bezig met inspecties gericht op additieven. Per jaar wordt een andere doelgroep gekozen voor de inspecties. Dit najaar zal de NVWA bij visverwerkende bedrijven gaan controleren of de additieven wetgeving wordt nageleefd, volgens de werkwijze die bij vraag 5 beschreven is. Hoewel de inspecties zich richten op verschillende vissoorten en verschillende bedrijven, zal er speciale aandacht zijn voor bedrijven die tonijn verhandelen.
Ook zal de NVWA doorgaan met monsters nemen en analyseren op histamine, CO, nitraten en nitrieten.
Daarnaast is de NVWA bezig met het maken van een webdossier met uitleg over de additievenwetgeving. Dit dossier bevat informatie en uitleg over de additievenwetgeving, en uitleg van bepaalde standpunten van de NVWA. Er zal ook aandacht zijn voor het bijkleuren van levensmiddelen met kleurende ingrediënten, in het bijzonder tonijn. Bedrijven kunnen de informatie gebruiken om te zorgen dat zij de wet naleven. In het webdossier wordt aangegeven dat het bijkleuren van tonijn niet is toegestaan. Het webdossier wordt in juni 2019 gepubliceerd op de website van de NVWA.
De NVWA zal het webdossier toelichten in diverse bijeenkomsten met stakeholders.
Kan er goed onderscheid gemaakt worden tussen conserveringsmethodes of bijkleuren om kleur te versterken/behouden?
Ja, over het algemeen kan dat. Dit neemt niet weg dat er altijd «grijze gebieden» zijn waar de lidstaten in de EU verschillend mee om kunnen gaan. In vergaderingen van de werkgroep additieven in Brussel heeft dit onderwerp de aandacht en wordt gewerkt aan verdere verduidelijking van de voorwaarden/hoeveelheden van het gebruik van additieven in tonijn.
Tot welke ziektes kan de stof histamine (die in bedorven tonijn te vinden is) leiden?
Histamine kan verschijnselen geven zoals misselijkheid, braken, darmkrampen, diarree, hartkloppingen, verhitte rode huid en hoofdpijn.
Zijn er gevallen bekend in Nederland waarbij de inname van histamine tot de dood heeft geleid? Zo ja, in hoeveel gevallen was hier sprake van en kunt u een overzicht hiervan voor de afgelopen vijf jaar verstrekken?
Er zijn mij geen histamine vergiftigingen met dodelijke afloop bekend. Voor de afgelopen vijf jaar rapporteert het RIVM op basis van gegevens van NVWA en GGD 1 uitbraak in 2015, 3 uitbraken in 2016 en 2 uitbraken in 2017. Daarbij zijn respectievelijk 2, 31 en 9 mensen ziek geworden.
Klopt het dat de NVWA jaarlijks onderzoek doet naar het histaminegehalte in tonijn? Zo ja, wanneer worden de resultaten over het jaar 2018 verwacht en welke onderzoeksvragen worden bij dit onderzoek gebruikt?
Ja, dat klopt.
In 2018 is naar aanleiding van de problematiek over het kleuren van tonijn en niet correct gebruik van additieven een specifiek project ondernomen waarin 78 monsters zijn onderzocht op histamine, CO en nitraat/nitriet.
De resultaten van dit onderzoek zijn:
In 2 monsters is een te hoog gehalte aan histamine gevonden, in 6 monsters is CO geconstateerd, in geen van de monsters is nitraat/nitriet gevonden.
Naast dit specifiek project zijn in 2017 middels een aselecte steekproef 48 monsters tonijn (vers en diepvries) onderzocht op histamine, waarbij in 3 monsters een overschrijding van het procescriterium is geconstateerd.
In 2018 zijn middels een aselecte steekproef 20 monsters tonijn (vers, bevroren of blik) onderzocht op histamine, er zijn geen overschrijdingen van het procescriterium geconstateerd.
Klopt het dat in de laatste jaren minder wordt gecontroleerd op tonijn en het gehalte histamine in dit product? Zo ja, wat is hier de reden voor?
Dit beeld herken ik niet. Er is juist meer aandacht voor het probleem van bijkleuren in tonijn, in Nederland maar ook in de EU. Al sinds 2016 is er in de EU aandacht voor en in 2018 is er in de EU een gecoördineerde actie geweest over fraude met tonijn. Op de website van het Europese Food Fraud Network (https://ec.europa.eu/food/safety/food-fraud/coord-act_en) kunt u meer informatie vinden hierover in de vorm van rapportgages, infographics, question & answers en video’s.
Is het wat u betreft nodig om extra te controleren op de kwaliteit van tonijn naar aanleiding van de recent geuite zorgen?
Er is de afgelopen jaren al meer aandacht geweest en het is van belang dat we dit continueren.
Zijn er Europese regels om ervoor te zorgen dat de controle en handhaving binnen Europa op eenduidige manier verloopt?
De handhaving van Europese wetgeving is de competentie van de lidstaten. Afhankelijk van het consumptiepatroon, de marktsituatie en de nationale belangen in een bepaalde lidstaat, kunnen lidstaten verschillende prioriteiten stellen in het toezicht en handhaving. Van belang is wel dat de interpretatie van de wetgeving eenduidig is in alle lidstaten. De Europese Commissie en de lidstaten werken hier continu aan. Ook Nederland spant zich hiervoor in.
De Europese Commissie controleert via audits op verschillende onderwerpen of de lidstaten de wetgeving handhaven en of zij de wettelijke eisen juist interpreteren. Verslagen van deze auditmissies zijn openbaar en worden gepubliceerd op de website van de Europese Commissie.