Het bericht 'School van Anneloes kost ouders 7100 euro per jaar: ‘Dag begint niet met wiskunde, maar meditatie’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «School van Anneloes kost ouders 7.100 euro per jaar: «Dag begint niet met wiskunde, maar meditatie»»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Hoeveel aanvragen zijn er de laatste jaren geweest voor een B3-school en hoeveel zijn er hiervan af- en toegewezen?
Particulieren die een onderwijsvoorziening oprichten (primair en voortgezet onderwijs), moeten dit melden aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, afdeling Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) legt vervolgens een kennismakingsbezoek af en kort daarna een adviesbezoek, waarna de inspectie een (bindend) advies uitbrengt aan de leerplichtambtenaar van de vestigingsplaats van de school.
In de periode van 2020 tot en met 2023 heeft de inspectie 85 adviesbezoeken gedaan. Er waren meer aanvragen, maar de aanvragers zetten die niet in alle gevallen door. Wanneer de aanvraag niet doorgezet wordt, legt de inspectie ook geen adviesbezoek af.
De onderstaande tabel bevat een uitsplitsing per jaar en in positieve en negatieve adviezen. In de periode van 2020 tot en met 2023 is er dus zes keer een negatief besluit afgegeven. Dit aantal negatieve besluiten betreft echter maar vier scholen, omdat er sprake is van twee herhaalde aanvragen voor dezelfde school.
2020
11
10
1
2021
15
14
1
2022
39
36
3
2023
20
19
1
Hoe komt het dat er steeds meer ontheffingen worden gegeven voor een B3-school?
Er is geen sprake van ontheffingen, maar van erkenning van b3-scholen. Er worden steeds meer b3-scholen als zodanig erkend, omdat er steeds meer b3-scholen starten die voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen.
We weten uit eerder onderzoek dat ouders verschillende redenen hebben om hun kind in te schrijven op een b3-school.2 Voorbeelden hiervan zijn een keuze voor kleinschaliger onderwijs of onderwijs dat beter aansluit bij de levens- of opvoedingsovertuiging van de ouder. Dit jaar voert de inspectie ook een onderzoek uit naar beweegredenen van ouders, leraren en oprichters die kiezen voor een b3-school. Hierbij is onder meer aandacht voor een mogelijke verandering in die beweegredenen. Naar verwachting zal de inspectie eind 2024 de eerste resultaten presenteren. Hier zal uw Kamer uiteraard van op de hoogte worden gesteld.
Wat is de reden dat ouders ervoor kiezen hun kinderen in te schrijven voor een B3-school?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe ontwikkelen leerlingen op een B3-school, waar over het algemeen een beperkt aantal leerlingen zit, hun sociale vaardigheden?
Net als reguliere scholen hebben b3-scholen de wettelijke taak om de ontwikkeling van sociale vaardigheden van leerlingen te bevorderen.3 De inspectie houdt toezicht op de kwaliteitseisen die gesteld worden aan b3-scholen en zo ook op de eis op het gebied van sociale vaardigheden.4
B3-scholen mogen aan minder eisen voldoen dan het bekostigde onderwijs, wat is hier de reden van en welke eisen gelden niet voor B3-scholen?
Het particulier onderwijs, waar b3-scholen onder vallen, heeft met minder wet- en regelgeving te maken dan het reguliere onderwijs, omdat er geen bekostigingsrelatie bestaat tussen de overheid en particuliere scholen. Dit leidt tot een belangrijk verschil tussen bekostigde scholen en particuliere scholen, dat ook in artikel 23 van de Grondwet tot uitdrukking komt. In het regulier onderwijs zorgt de bekostigingsrelatie ervoor dat de beschikbare publieke middelen zo rechtvaardig mogelijk over alle reguliere scholen verdeeld worden. Daartegenover staat dat de scholen aan bepaalde eisen moeten voldoen om die bekostiging te kunnen krijgen.
In het particulier onderwijs bestaat die bekostigingsrelatie niet; b3-scholen ontvangen geen geld van de overheid en hoeven dus ook aan minder eisen te voldoen. Dat neemt niet weg dat voor particuliere scholen wel degelijk regels gelden, aangezien het ook op deze scholen gaat om het onderwijs aan leerplichtige kinderen, waarvoor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verantwoordelijkheid draagt. Deze regels zijn bedoeld om ook op particuliere scholen een aantal minimumwaarborgen aan goed en veilig onderwijs te kunnen garanderen. In artikel 1a1, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 staan alle eisen die van toepassing zijn op b3-scholen. Alle andere eisen uit de WPO en WVO 2020 zijn niet van toepassing op die scholen.
Hoe houdt de onderwijsinspectie toezicht bij B3-scholen op de basisvaardigheden die kinderen moeten leren en hoe zijn de ontwikkelingen en resultaten van de basisvaardigheden van kinderen die staatsexamen hebben gedaan?
Alle erkende b3-scholen worden iedere twee jaar door de inspectie onderzocht aan de hand van het onderzoekskader niet-bekostigd onderwijs van de betreffende sector (primair onderwijs of voortgezet onderwijs). In dit onderzoekskader is opgenomen dat scholen moeten zorgen voor een ononderbroken ontwikkeling van de leerlingen. Daarnaast dienen scholen een aanbod in Nederlandse taal en rekenen-wiskunde te hebben dat dekkend is voor de kerndoelen en de referentieniveaus als uitgangspunt heeft.
Hoeveel docenten werken als zzp-er op B3-scholen en wat is de reden dat zij kiezen voor een B3-school en niet voor het reguliere basisonderwijs? Hoe kijkt u er tegenaan dat deze docenten kiezen om zzp-er te zijn op een B3-school terwijl er enorm veel tekorten zijn in het reguliere onderwijs?
Het Ministerie van OCW heeft geen overzicht van het aantal docenten dat op een b3-school werkt, en dus ook niet of docenten op een b3-school in vast dienstverband of als zzp-er werken.
De beweegredenen van docenten om te kiezen voor een b3-school hoop ik in beeld te krijgen middels het lopende onderzoek van de inspectie waar ik eerder naar verwees.
Bent u het ermee eens dat meer toezicht en vooral strengere eisen op het thuisonderwijs nodig zijn in het belang van het kind? Zo ja, wanneer komt het toegezegde wetsvoorstel over meer eisen aan thuisonderwijs naar de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit ben ik met u eens. In de huidige situatie zijn geen wettelijke eisen gesteld aan het thuisonderwijs. Daarom wordt momenteel een wetsvoorstel uitgewerkt, zoals ik ook aangegeven heb in de verzamelbrief van 27 juni jl.5 Met dit wetsvoorstel wil ik minimale eisen stellen aan het thuisonderwijs voor kinderen die zijn vrijgesteld van de leerplicht vanwege richtingsbezwaren van de ouders. Het is immers van belang dat ook deze leerlingen het onderwijs ontvangen waar ze recht op hebben. De Tweede Kamer wordt later dit jaar over de voortgang van dit wetsvoorstel geïnformeerd.
Het bericht 'Zó passen supermarkten en tankstations razendsnel hun prijzen aan: ’Ik kan dit beter niet zeggen’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Dirk Beljaarts (minister ) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Zó passen supermarkten en tankstations razendsnel hun prijzen aan: «Ik kan dit beter niet zeggen»»?1
Ik ben bekend met dit nieuwsbericht.
Wat vindt u ervan dat sommige eigenaren van pompstations prijsdalingen uitsmeren over enkele dagen, met als gevolg dat consumenten meer betalen aan de pomp?
Uit onderzoek van de ACM blijkt dat de consument in de periode 2007–2023 2,2 tot 4,8 eurocent per liter benzine te veel heeft betaald, doordat olieprijsstijgingen sneller doorwerken in de benzineprijs aan de pomp dan olieprijsdalingen. Deze situatie waarbij prijsstijgingen direct en prijsdalingen vertraagd worden doorgevoerd in de verkoopprijs wordt ook wel het «rockets and feathers»-effect genoemd. Dit effect ontstaat door specifieke kenmerken van een markt.
In het geval van de benzinemarkt geeft de ACM aan dat het effect kan zijn ontstaan door zoekgedrag van consumenten, mogelijk stilzwijgende collusie of beperkingen aan de opslag en knelpunten in de productieketen. Dat het «rockets and feathers»-effect zich kennelijk voordoet in de benzinemarkt wordt veroorzaakt door een marktstructuur die minder goed werkt. Dit leidt ertoe dat eigenaren van pompstations prijsdalingen kunnen uitsmeren over enkele dagen en minder concurrentiedruk ervaren om de prijsdalingen eerder door te voeren in de prijs aan de pomp.
Marktfalen dat wordt veroorzaakt door een marktstructuur die minder goed werkt kan momenteel niet gericht worden aangepakt door de ACM. Ik ontvang geregeld signalen dat het mogelijk wel gewenst is dat dit marktfalen kan worden aangepakt. In de Kamerbrief die tegelijkertijd met de beantwoording van deze Kamervragen is verstuurd ga ik nader in op die signalen en zet ik uiteen welke stappen ik in dit kader neem.
Zijn er voorgeschreven regels/termijnen voor eigenaren van pompstations waarin zij prijswijzigingen moeten doorvoeren?
Dit soort regels en termijnen zijn er niet. Er bestaat enkel een plicht tot het plaatsen van een prijspaal bij benzinestations waarop de brandstofprijzen duidelijk staan vermeld.2
Hoe kijkt u er tegenaan dat supermarkten elkaar continue in de gaten houden en niet bezig zijn met elkaar te concurreren op prijs maar proberen de prijzen zo dicht mogelijk bij elkaar te hebben, met als gevolg dat de consument meer moet betalen voor boodschappen door een bedrijfsstrategie?
Goed werkende markten zijn van groot belang voor consumenten: ze zorgen voor lage prijzen, goede kwaliteit en innovatie. De winstmarges bij supermarkten zijn niet opvallend hoog3 en consumenten hebben keus uit meerdere aanbieders. Ook maken consumenten bewuste keuzes over de producten die ze kopen, zoals blijkt uit het groeiende aandeel van huismerken.4
Als er niettemin serieuze signalen zijn dat de concurrentie stokt, is het belangrijk dat de ACM beschikt over het instrumentarium dat nodig is om indien nodig concurrentie te bevorderen. Ik onderzoek daarom momenteel of het instrumentarium van de ACM moet worden herzien (zie ook mijn antwoord op vraag 2).
De gevolgen voor de consument aan de pomp komt duidelijk in het artikel naar voren, maar wat zijn de gevolgen van flexibele prijzen in de supermarkt voor de consument?
Ik heb geen exact beeld van de gevolgen van flexibele prijzen in de supermarkt voor consumenten. Flexibele prijzen zijn niet per se problematisch: ze kunnen verspilling tegengaan en ook juist bijdragen aan concurrentie, omdat het de drempel verlaagt om op prijs te concurreren met andere aanbieders. In algemene zin lijkt er gezonde concurrentie te zijn tussen supermarkten (zie het antwoord op vraag 4).
Wat zijn de gevolgen van het concurrerend vermogen van bedrijven als deze meer op zoek zijn naar de prijs die een consument nog bereid is om te betalen dan een zo laag mogelijke prijs aan te bieden?
Concurrentie zorgt niet alleen voor lage prijzen en producten van goede kwaliteit, maar is ook een belangrijke prikkel voor innovatie. In een goed werkende markt dagen bedrijven elkaar immers continu uit met verbeteringen van producten en competitieve prijzen. In zo’n markt zullen bedrijven nog steeds beogen om hun marges te verhogen, maar zorgt concurrentie ervoor dat prijzen zo laag mogelijk zijn.
Concurrentie draagt om die reden bij aan het concurrerend vermogen van bedrijven, en daarmee aan de productiviteitsgroei en welvaartsgroei in Nederland. Indien deze concurrentie stokt, en bedrijven niet op prijs hoeven te concurreren, kan dat op termijn daarom het concurrerend vermogen van het Nederlandse bedrijfsleven als geheel schaden.
Zijn er meer bedrijfstakken waar de bedrijfsstrategie erop is gericht de prijs zo hoog en dicht mogelijk bij de concurrent te hebben en waar het concurrerend vermogen lijkt weg te vallen?
Ik heb hierover geen signalen ontvangen.
Hoe kunnen consumenten beter beschermd worden tegen bedrijfsstrategieën die er op zijn gericht de consument een zo hoog mogelijke prijs te laten betalen?
Het mededingingstoezicht is o.a. bedoeld om effectieve concurrentie te bewaken, bevorderen en beschermen. Door concurrentie ervaren ondernemers een drijfveer om kwalitatief hoge producten en dienstverlening te leveren en lage prijzen te stellen waar consumenten en andere ondernemers van kunnen profiteren. Zo kunnen we met z’n allen de vruchten plukken van effectieve concurrentie. Die positieve effecten zien we in talloze markten terug. Tegelijkertijd ontvang ik steeds meer signalen dat de effectieve concurrentie mogelijk beter beschermd moet worden. In de Kamerbrief die tegelijkertijd met de beantwoording van deze Kamervragen is verstuurd, ga ik nader in op die signalen en zet ik uiteen welke stappen ik in dit kader neem.
Het bericht 'Tien jaar Passend Onderwijs: hogere kosten en meer thuiszitters' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Tien jaar Passend Onderwijs: hogere kosten en meer thuiszitters»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in de afgelopen tien jaar steeds meer leerlingen gebruikmaken van het speciaal onderwijs, ondanks dat de ambitie van passend onderwijs juist was om meer leerlingen in het reguliere klaslokaal passend onderwijs te bieden?
Na de invoering van passend onderwijs is er de eerste jaren een (lichte) daling geweest van het aantal leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs, de afgelopen jaren zien we weer een lichte stijging. Inmiddels zijn er ook wachtlijsten voor instroom in het gespecialiseerd onderwijs en dat vind ik ongewenst, omdat hierdoor leerlingen niet op de gewenste school terecht kunnen of zelfs helemaal thuis komen te zitten. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat de mogelijkheid om naar het gespecialiseerd onderwijs te gaan, blijft bestaan voor die kinderen die dat nodig hebben.
De stijging van het aantal leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs is onderdeel van bredere maatschappelijke ontwikkelingen en de krapte in de gehele keten van kinderopvang, onderwijs en zorg. Hiernaast heeft het onderwijs met grote uitdagingen te maken zoals het lerarentekort.
Ik heb uw Kamer via de voortgangsrapportage over de verbeteraanpak passend onderwijs2 eerder geïnformeerd over welke stappen er op korte en (middel)lange termijn gezet worden om de groei van het gespecialiseerd onderwijs aan te pakken. In het kort wordt gewerkt aan:
Hoe verklaart u de stijging van het aantal kinderen op het speciaal onderwijs sinds de invoering van de Wet Passend Onderwijs?
Het onderzoek Druk op de Keten3 laat zien dat de toename van leerlingen binnen het gespecialiseerd onderwijs geen op zichzelf staand probleem is, maar onderdeel van bredere maatschappelijke ontwikkelingen en de krapte in de gehele keten van kinderopvang, onderwijs en zorg. Het onderzoek geeft aan dat er verschillende verklarende factoren zijn die bijdragen aan de druk op de keten. Zo neemt de druk op gezinnen toe door instabiliteit in het gezin, bijvoorbeeld door vechtscheidingen of geldzorgen. Dat heeft invloed op de ontwikkeling van kinderen en de ondersteuning die ze nodig hebben. Andere verklarende factoren zijn de psychologisering, medicalisering en individualisering van maatschappelijke problemen, de prestatiedruk in het onderwijs en de individualisering van de samenleving. Of betere vroegsignalering, zodat sneller duidelijk wordt welke kinderen extra ondersteuning nodig hebben.
Kunt u deze groei uitsplitsen naar de verschillende clusters en hoe verhoudt dit zich tot de leerlingaantallen in het speciaal basisonderwijs en het praktijkonderwijs?
De cijfers van de Staat van het Onderwijs uit 20234 laten zien dat de stijging van leerlingen vooral in de clusters 3 (zeer moeilijk lerende en meervoudig beperkte leerlingen) en cluster 4 (psychische stoornissen en gedragsproblemen) zit. In cluster 1 en cluster 2 neemt het totaal aantal leerlingen nog altijd af, omdat het daar vaak lukt om leerlingen op een reguliere school met ondersteuning een plek te geven.
Cijfers van DUO vanaf 2014 laten deze ontwikkeling ook zien. In 2014 zat 1,4 procent van het aantal leerlingen in het funderend onderwijs op het speciaal basisonderwijs, 1,1 procent in het praktijkonderwijs en 2,8 procent van de leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs. In 2023 is het aantal leerlingen procentueel gelijk gebleven in het speciaal basisonderwijs, een kleine stijging naar 1,2 procent in het praktijkonderwijs en is het deelnamepercentage in het (voortgezet) speciaal onderwijs gestegen naar 3,1 procent. Deze stijging is vooral zichtbaar in het speciaal onderwijs binnen scholen voor cluster 3 waar een stijging van 0,3 procentpunt heeft plaats gevonden. De uitsplitsing per verschillende clusters in leerlingenaantallen zijn als bijlage bijgesloten.
Deelt u de conclusie van schoolbesturen dat kinderen vaker kampen met psychische of mentale problemen dan voorheen en welke oorzaken ziet u voor de toename van leerlingen met een hulpvraag?
Uit onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut naar de mentale gezondheid van jongeren en studenten in Nederland blijkt inderdaad dat er sprake is van een verslechtering in de mentale gezondheid van tieners (vooral meisjes) en jongvolwassenen en dat de cijfers over leerlingen aan het eind van het basisonderwijs ook een dalende trend laten zien.5 Er zijn verschillende oorzaken, die op hun beurt niet per se met elkaar te maken hoeven hebben. Naast de meer concrete schooldruk door toetsen en huiswerk spelen het belang dat de samenleving als geheel hecht aan presteren, en de druk die jongeren daardoor ervaren een grote rol. Op 23 april jl. is uw Kamer nader geïnformeerd over de verschillende oorzaken en over welke acties het kabinet in gang heeft gezet om het welzijn van jongeren en studenten te verbeteren.6
Klopt het dat u met de pilot Zorg in onderwijstijd al bezig bent met ontschotting tussen budgetten voor kinderen met een hulpvraag en wat zijn de voorlopige resultaten hiervan?
De pilot Zorg in Onderwijstijd (ZiO) en bijbehorend onderzoek zijn afgerond. Uit het onderzoek van DSP/Oberon blijkt dat een groot deel van de (v)so-scholen knelpunten ervaart in de organisatie en financiering van ZiO. De pilot Hart van Brabant is een succesverhaal van het collectief organiseren van zorg op school, maar laat ook zien dat het veel afstemming en energie vraagt. In de Kamerbrief van 30 maart 2023 is een uitgebreide beleidsreactie gegeven op het onderzoeksrapport van DSP/Oberon.7
Op basis van de resultaten van het onderzoek zijn VWS en OCW bezig met het aanpassen van wet- en regelgeving zodat het op meer plekken eenvoudiger wordt om ZiO collectief te organiseren zoals in Hart van Brabant. Ook wordt gewerkt aan een handreiking om beleidsmakers en professionals te ondersteunen bij het maken van afspraken over zorg en onderwijs. Hierover heb ik u eerder geïnformeerd met de brief aan de Tweede Kamer over de verbeteraanpak passend onderwijs van 10 mei 20248.
Hoe verhoudt de toenemende vraag naar gespecialiseerd onderwijs zich tot de ambitie voor thuisnabij onderwijs en welke stappen neemt u hiervoor?
Ik vind het belangrijk dat elk kind de ondersteuning kan krijgen die nodig is om naar school te kunnen. Een van de oplossingsrichtingen om op de lange termijn het aantal doorverwijzingen naar het gespecialiseerd onderwijs te doorbreken is om ervoor te zorgen dat op meerdere scholen de mogelijkheden van ondersteuning omhoog gaat. Hierover, en over welke stappen er op korte en (middel)lange termijn gezet kunnen worden om de wachtlijsten terug te dringen, heb ik uw Kamer via de voortgangsrapportage over de verbeteraanpak passend onderwijs9 eerder al over geïnformeerd. Een korte weergave van deze stappen vindt u ook bij mijn antwoord op vraag 2. Hier wordt bijvoorbeeld aan gewerkt door het vormgeven van een multidisciplinair schoolteam, daarbij wordt de expertise van het gespecialiseerd onderwijs of de (jeugd)zorg onderdeel van het netwerk om de school heen. Ook via de inzet van de brugfunctionaris en de formulering van een landelijke norm voor basisondersteuning dragen we hier aan bij.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat, ondanks de ambitie om het aantal thuiszitters terug te dringen, steeds meer kinderen thuiszitten en hoe verklaart u de stijging van het aantal kinderen dat thuis komt te zitten?
Het is schrijnend wanneer een kind thuis zit, zonder goed onderwijs. Het is dan ook mijn nadrukkelijke ambitie om dit terug te dringen, maar het is helaas de afgelopen jaren ook een taai probleem gebleken. Ik zet in op concrete maatregelen die er voor zorgen dat leerlingen nu al weer naar school kunnen. Ik doe dat bijvoorbeeld via WEL in ontwikkeling, de subsidieregeling die ik voorbereid voor onderwijsaanbod voor niet-ingeschreven kinderen en jongeren («rommelpotje») en via het experiment onderwijszorgarrangementen.
Daarnaast werk ik aan het wijzigen van de wet op een aantal onderdelen:
Klopt het dat 13.700 kinderen nu thuiszitten, nog exclusief het aantal kinderen dat met toestemming thuiszit, en hoeveel kinderen zitten er momenteel in totaal thuis en ontvangen dus geen onderwijs?
De meest actuele cijfers over het aantal kinderen en jongeren die thuiszitten zijn van de «Leerplichttelling» over het schooljaar 2022–2023. Deze cijfers zijn begin mei met de Kamer gedeeld samen met de Kamerbrief verbeteraanpak passend onderwijs. Het aantal leer- en kwalificatieplichtige kinderen dat tijdens het einde van schooljaar 2022–2023 niet stonden ingeschreven op een school en ook geen vrijstelling hadden (absoluut verzuim) was 13.707. Van deze groep volgden 4440 kinderen aan het einde van het schooljaar weer onderwijs. Daarnaast waren er 3881 kinderen die 4 weken of langer niet naar school gingen. Aan het einde van het schooljaar 2022–2023 waren dit nog 1682 kinderen. Echter, zijn deze aantallen exclusief het aantal kinderen dat met toestemming thuiszit.
Ook ik wil volledig inzicht in het aantal leerlingen dat niet naar school gaat. Alleen als we leerlingen echt in beeld hebben, kunnen we samen met hen kijken wat ze nodig hebben om te leren. Daarom dien ik binnenkort het wetsvoorstel Terugdringen Verzuim in. In dit wetsvoorstel krijgen scholen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs, leerplicht en OCW beter inzicht in de aanwezigheid van leerlingen (ook de leerlingen die nu langdurig geoorloofd – vaak ziek gemeld – verzuimen). Op dit moment is het nog niet mogelijk omdat het niet verplicht is voor scholen om geoorloofd verzuim te registreren. Daarnaast wil ik zoals toegezegd in het debat passend onderwijs van dit voorjaar beter zicht krijgen op de leerlingen in de categorie absoluut verzuim, en ben ik voornemens daar aanvullend onderzoek naar te laten doen.
Hebben deze leerlingen allemaal een onderwijsvrijstelling ontvangen en zo ja, op welke gronden?
Nee, de meeste van bovenstaand genoemde leerlingen hebben geen onderwijsvrijstelling. Als een leerling wegens lichamelijke of psychische redenen niet in staat is onderwijs te volgen, kan een leerling vrijstelling op basis van artikel 5 onder a van de Leerplichtwet krijgen. Deze vrijstelling vijf onder a wordt door de jeugdarts afgegeven. En krijgt een leerling dus niet zomaar. Er bestaat geen uitgesplitst overzicht op welke specifieke gronden leerlingen deze onderwijsvrijstelling krijgen. Andere kinderen of jongeren zitten thuis zonder vrijstelling, bijvoorbeeld omdat zij wachten tot er een plek vrijkomt op een andere school of omdat er geen passende ondersteuning kan worden geboden.
Vindt u het acceptabel dat zoveel leerlingen vrijgesteld zijn van onderwijs?
Nee, het uitgangspunt is wat mij betreft dat zo min mogelijk leerlingen een vrijstelling moeten krijgen. En de praktijk laat zien dat een vrijstelling vaak ook niet nodig is. Met het wetsvoorstel Terugdringen verzuim neem ik dan ook een aantal maatregelen om onnodige vrijstellingen (als een onderwijsaanbod wel mogelijk en passend is) tegen te gaan:
Op deze manier wordt er beter bekeken wat een kind wel kan en waar dat zou kunnen. Zo ontstaat er een ander perspectief op ontwikkeling in plaats van dat er geen perspectief is en dus een volledige of permanente vrijstelling wordt gegeven.
Kunt u uitleggen wat de gevolgen zijn dat de samenwerkingsverbanden de gelden verdelen tussen het reguliere onderwjs en het passend onderwijs, waarbij meer kinderen die naar het speciaal onderwijs gaan tot gevolg heeft dat er minder geld is voor passend onderwijs binnen het reguliere onderwijs?
Samenwerkingsverbanden en scholen in de regio hebben in het kader van passend onderwijs gezamenlijk de opdracht om ervoor te zorgen dat er voor elk kind een onderwijsplek is. Het doel van passend onderwijs is dat alle kinderen een plek krijgen die past bij hun ondersteuningsbehoefte. In het regulier onderwijs waar het kan, soms met extra ondersteuning, en in het speciaal onderwijs als intensievere begeleiding nodig is.
De samenwerkingsverbanden ontvangen bekostiging voor de inrichting van de ondersteuningsstructuur en -voorzieningen voor de lichte en zware ondersteuning. Kinderen met een lichte of zware ondersteuningsbehoefte kunnen zowel in het regulier als in het gespecialiseerd onderwijs zitten. Dit betekent dat samenwerkingsverbanden de bekostiging de zij hiervoor ontvangen, zowel inzetten voor ondersteuning in het regulier onderwijs als voor het gespecialiseerd onderwijs. De gedachte hierachter is dat het samenwerkingsverband een integrale afweging kan maken op welke schoolsoort een leerling het best tot zijn of haar recht komt en mogelijk welke ondersteuning daarbij nodig is. Deze bekostiging wordt bepaald op basis van het totaal aantal leerlingen dat is ingeschreven op de scholen die zijn aangesloten bij het samenwerkingsverband.
Bij de doorverwijzing van leerlingen naar het gespecialiseerd onderwijs, wordt een bedrag in mindering gebracht op de bekostiging van het samenwerkingsverband. Als een samenwerkingsverband voor een leerling een toelaatbaarheidsverklaring (tlv) afgeeft, ontvangt de school in het speciaal basisonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs een vast bedrag, op basis van de categorie van de tlv voor de ondersteuning van de leerling. Het doorverwijzen van leerlingen naar het gespecialiseerd onderwijs leidt dus binnen het samenwerkingsverband tot een lager beschikbaar budget voor ondersteuning van leerlingen in het regulier onderwijs. Het is aan het samenwerkingsverband om te bepalen hoe de resterende bekostiging wordt verdeeld over de ondersteuning in het reguliere onderwijs.
Hoe verklaart u dat volgens onderzoek kinderen in het voortgezet speciaal onderwijs minder vaak een diploma of certificaat ontvangen dan kinderen op het reguliere onderwijs?
In het artikel wordt aangegeven dat leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs minder vaak een startkwalificatie halen dan kinderen in het regulier onderwijs. Een groep leerlingen die in het gespecialiseerd onderwijs zitten is vrijgesteld van de kwalificatieplicht, daarmee is deze voorzichtige conclusie dus niet geheel onverwacht. Tegelijkertijd zijn er sterke signalen dat de kansen van jongeren uit het vso minder gunstig zijn. Dit beeld blijkt ook uit de jaarlijkse Staat van het Onderwijs van de Inspectie van het Onderwijs waarin ieder jaar aandacht wordt gevraagd voor ongunstigere kansen voor leerlingen met een vso-achtergrond op aansluiting op de arbeidsmarkt of bij het behalen van een volledig diploma. Er is meer onderzoek nodig naar deze signalen. Het beeld uit de jaarlijkse Staat van het Onderwijs onderstreept het belang van de ingezette koers naar inclusief onderwijs.
Welk deel van de leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs stroomt door naar een vervolgopleiding?
Gemiddeld stroomt ongeveer de helft van de leerlingen gelijk uit het voortgezet speciaal onderwijs door naar vervolgonderwijs, tussen de 35 en 38 procent daarvan volgt een mbo-opleiding. Net iets meer dan de helft – variërend over de jaren tussen 51 tot 54 procent – stroomt niet of niet gelijk door naar vervolgonderwijs. Sommige van deze jongeren gaan later alsnog door met vervolgonderwijs. Als we specifiek kijken naar de jongeren die het uitstroomprofiel vervolgonderwijs volgen dan stroomt het overgrote deel (56%) door naar het mbo, een klein deel van de leerlingen (4%) door naar het hbo, stroomt een deel van de jongeren door naar het regulier voortgezet onderwijs (12%) of het volwassenonderwijs (2%). Ruim een kwart van deze groep (tussen 21% en 31%) heeft na uitstroom geen inschrijving bij vervolgonderwijs. Van de resterende één procent is niet geregistreerd wat de leerlingen zijn gaan doen.
Bent u bekend met het nieuwsbericht «PostNL mag tarieven voor brieven en pakketten volgend jaar verhogen1» en «PostNL neemt twee keer zoveel tijd voor bezorging zakelijke post»?2
Ja.
Hoe is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) tot de conclusie gekomen dat er volgend jaar minder post zal zijn?
Bij de inschatting wat met de toekomstige postvolumes gebeurt, kijkt de ACM naar de gerealiseerde postvolumes uit het verleden.
Hoe is de ACM tot de conclusie gekomen dat de kosten voor PostNL volgend jaar gaan stijgen?
Van de ACM begrijp ik dat zij deze conclusie niet heeft getrokken. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de jaarlijkse tariefruimte niet wordt gebaseerd op de kostenontwikkeling van PostNL.
Om tot een berekening van de tariefruimte te komen maakt de ACM gebruik van een in de Postregeling 2009 voorgeschreven rekenformule.3 Uit deze formule volgt dat onder andere wordt gerekend met verwachte waardes. Bij de berekening van de tariefruimte voor het jaar 2025 wordt om deze reden gewerkt met een geraamde volumeontwikkeling. Hierbij wordt aangesloten bij de volumeontwikkeling uit de meest recente financiële verantwoording Universele Postdienst van PostNL (dat is in dit geval die over het jaar 2023). Wanneer de daadwerkelijke volumeontwikkeling over 2025 is vastgesteld wordt deze gebruikt bij het bepalen van toekomstige tariefruimtes.
Op welke manier kan de ACM bepalen welke kosten van PostNL kunnen worden toegerekend aan de Universele Post Dienst (UPD)?
De ACM stelt op basis van wettelijk vastgestelde formules de jaarlijkse tariefruimte vast. Dit is een maximumtarief van een gewogen gemiddelde van de verschillende diensten die onder de universele postdienst (UPD) vallen. De tariefruimte bestaat uit twee delen. Een basistariefruimte die in 2015 is vastgesteld en de aanvullende tariefruimte. Deze aanvullende tariefruimte wordt jaarlijks door de ACM berekend. De aanvullende tariefruimte wordt bepaald op basis van (de daling van) het geleverde postvolume en de inflatie (consumentenprijsindex).
Door de basistariefruimte aan te vullen met de aanvullende tariefruimte stelt de ACM jaarlijks de nieuwe tariefruimte vast. Voor het laatst is dit nu gebeurd voor 2025. Bij een dalend volume en een stijgende inflatie is de uitkomst van de wettelijke rekenformule dat de tariefruimte toeneemt.
Voor de kostentoerekening hanteert PostNL op dit moment een kostentoerekeningssystematiek (KTS) die in 2015 is goedgekeurd door de ACM. Ook de basis tariefruimte is toen vastgesteld. Binnen deze kaders houdt ACM toezicht en PostNL kan bepalen welke kosten aan de UPD worden toegerekend.
De Postregeling 2009 stelt nadere voorwaarden voor de KTS en daarmee de voorwaarden voor het toerekenen van kosten aan de UPD.
Onder de door de ACM goedgekeurde KTS vallen in beginsel alle kosten die uitsluitend worden gemaakt voor het uitvoeren van diensten die onder de UPD vallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de kosten die PostNL maakt voor het legen van de brievenbussen. Andere kosten die zowel worden gemaakt voor de uitvoering van UPD-diensten als voor andere activiteiten, mag PostNL uitsluitend toerekenen voor zover de Postregeling 2009 dit toestaat.4
Hoe weet de ACM zeker dat deze kosten kunnen worden toegerekend aan de UPD en dat deze niet onder andere delen van de bedrijfsvoering van PostNL vallen?
Zoals hierboven beschreven rekent PostNL de kosten van de UPD toe volgens de in 2015 door de ACM goedgekeurde KTS. De Postregeling 2009 stelt nadere voorwaarden voor de KTS en daarmee de voorwaarden voor het toerekenen van kosten aan de UPD. PostNL legt hier jaarlijks achteraf een door een accountant gecontroleerde financiële verantwoording over af.
De huidige systematiek van de Postwet 2009 schrijft niet voor dat de KTS zelf periodiek door de ACM wordt beoordeeld. In artikel 14a van de Postregeling 2009 staat dat de ACM uitsluitend de KTS opnieuw beoordeelt wanneer de KTS door PostNL wordt gewijzigd, of wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat de KTS van PostNL niet in lijn is met de wettelijke eisen. De kaders voor kostentoerekening, de KTS, het toezicht van ACM hierop en de jaarlijkse accountantscontrole moeten ervoor zorgen dat kosten op correcte wijze worden toegerekend.
De ACM voert op mijn verzoek momenteel onderzoeken uit naar de kosten van post in den brede (zowel voor de gebruikers als voor de UPD-verlener (PostNL)) en naar marktontwikkelingen op de postmarkt. Mogelijk volgt uit deze onderzoeken dat de reikwijdte van de UPD aanpassing behoeft en dat eventueel een nieuw financieringsmodel voor de uitvoering van postbezorging nodig is. Dit zou gevolgen hebben voor kostentoerekening en in het verlengde daarvan zou de huidige KTS mogelijk moeten worden aangepast. Deze onderzoeken zullen begin 2025 worden afgerond. Op basis hiervan zal ik beleidskeuzes maken over de toekomst van de postmarkt en te nemen structurele maatregelen. Hierbij speelt uw Kamer een belangrijke rol en zal ik uw Kamer tijdig betrekken.
In 2014 was de prijs van een postzegel € 0,64. Per 1 juli 2024 is de prijs € 1,14. Hoe kijkt u tegen deze ontwikkeling aan?
Binnen de geldende regelgeving stelt PostNL zelf haar prijzen vast, waaronder die voor de UPD-diensten en daarmee ook de postzegelprijs. De ACM heeft niet de bevoegdheid om de prijzen van de UPD-diensten vast te stellen. De ACM controleert wel of deze prijzen binnen de geldende tariefruimte vallen, zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 3.
De prijs van de postzegel is inderdaad sinds 2014 gestegen. Tegelijkertijd zijn de kosten in het algemeen door allerlei oorzaken, zoals inflatie, ook gestegen. Het is mede daarom logisch dat de prijs van de postzegel ook gestegen is. Uit opeenvolgende evaluaties van de UPD blijkt overigens dat Nederland goed scoort als de verhouding tussen prijs en kwaliteit van post wordt vergeleken met andere EU lidstaten. Het doel blijft dat consumenten op een betrouwbare postdienst kunnen vertrouwen die breed toegankelijk blijft.
Hoe kijkt u er tegenaan dat PostNL heeft besloten de zakelijke post vanaf volgend jaar binnen twee dagen te bezorgen in plaats van binnen 1 dag?
Voor bezorging van de zakelijk post gelden geen wettelijke eisen. Het is aan PostNL om daarin tot een afweging te komen voor de bezorging. Voor de zakelijke post lopen gesprekken tussen PostNL en gebruikers over hun contracten. Overheidsinstellingen zijn in dat verband de klanten van PostNL. Over de aangepaste bezorgtijd van PostNL zullen zij gesprekken met PostNL voeren om tot wederzijds goede afspraken te komen.
Zoals staat in de Kamerbrief van mijn voorganger van 17 mei 2024 doet ACM momenteel onderzoek naar de reikwijdte en kwaliteit van de UPD voor de toekomst. Hierbij zal tevens worden gekeken naar de behoeften van gebruikers als RIVM, Belastingdienst, UWV, DUO, rechters en advocaten.5 Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken van de ACM zal ik bezien of en hoe voor de toekomst de reikwijdte van de UPD eventueel zou moeten worden aangepast, met oog voor de gevolgen hiervan op de kosten van de uitvoering van postbezorging.
Verwachten overheidsinstellingen die veel zakelijke post versturen problemen als de post minder snel wordt bezorgd?
Zie antwoord vraag 7.
Bedrijven kunnen als ze de post wel binnen 24 uur bezorgd willen hebben een hoger tarief betalen, worden bedrijven nu niet met hun rug tegen de muur gezet omdat er voor hun geen landelijk alternatief is?
Het klopt dat er naast het netwerk van PostNL geen landelijk dekkend netwerk is. Daarom houdt de ACM toezicht op PostNL op grond van de Postwet en de Mededingingswet. Als de ACM van mening is dat PostNL misbruik zou maken van haar positie jegens gebruikers en marktpartijen, kan zij daartegen optreden op grond van art. 24 van de Mededingingswet. Dit kan de ACM uit eigen beweging doen, maar ook op grond van signalen en/of klachten van gebruikers en marktpartijen.
Daarnaast heb ik om gebruikers van post te beschermen onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijkheid tot invoering van een maximum rendement voor het gehele postbedrijf, dus voor zowel de UPD diensten als voor de zakelijke diensten. Ik zal voorstellen om dit te introduceren in de nieuwe Postwet. Daarnaast geldt dat de prijsstijging van de postzegel wettelijk beperkt is, zoals ik in de antwoorden op de vragen hiervoor heb toegelicht.
PostNL geeft aan veel maatregelen te moeten nemen omdat het bezorgen van post anders niet meer rendabel is, in hoeverre houdt PostNL zich nog aan de Postwet?
Voor de postmarkt houdt de ACM toezicht op i) de algemene wettelijke (kwaliteits)eisen,6 ii) de norm voor de overkomstduur7 en iii) de spreidingseisen van dienstverleningspunten en brievenbussen.8 De ACM kan, op verzoek of uit eigener beweging, een onderzoek starten als er indicaties zijn dat PostNL zich niet aan de wet houdt. Over lopende onderzoeken en procedures kan de ACM momenteel geen uitspraken doen totdat deze openbaar kunnen worden gemaakt. Uit de jaarlijks door de ACM gepubliceerde Post- en Pakketmonitor blijkt dat PostNL de afgelopen jaren deze kwaliteitseisen niet heeft gehaald.9
PostNL geeft in haar jaarverslagen aan dat zij de wettelijke kwaliteitseisen niet kan halen door de krappe arbeidsmarkt en een hoog verzuim.10 Daarbij geeft PostNL aan dat zij continu blijf zoeken naar manieren om ervoor te zorgen dat zij wel voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen van de UPD.
In mijn Kamerbrief van 2 oktober ga ik in op deze problematiek. Hierin geef ik aan hoe ik ervoor wil zorgen dat consumenten en klein zakelijke gebruikers weer op een betrouwbare postdienst kunnen vertrouwen voor de korte termijn. Ook geef ik een vooruitblik op het proces voor een lange termijn visie.
Over deze Kamerbrief voer ik graag met uw Kamer het gesprek tijdens het Commissiedebat op 9 oktober aanstaande.
Wat zijn de gevolgen voor de particuliere als de zakelijke gebruiker?
De gevolgen hangen af van de behoeftes van gebruikers van post. Deze behoeftes zijn veranderd in de loop van de tijd, zowel van consumenten als van (klein) zakelijke gebruikers. Dit blijkt uit evaluaties. Het Ministerie van Economische Zaken voert iedere drie á vijf jaar een evaluatie van de UPD uit om dit voor de consumenten in kaart te brengen. Tevens worden hierbij de zakelijke gebruikers meegenomen.
Daarnaast is PostNL met haar eigen klanten in gesprek over hun behoeften en worden afspraken hierover vastgelegd in contracten. Al langere tijd is een verschuiving gaande dat het volume van 24 uurspost afneemt en het volume van 48 uurspost stijgt. Het merendeel van de zakelijke post betreft niet-24 uurspost. Voor de zakelijke post kan PostNL in samenspraak met haar klanten afspraken maken over de bezorgtijd. Hiervoor gelden geen wettelijke regels.
Het bericht 'Basisscholen bestookt met ‘linkse’ lespakketten: Het is echt dagelijkse spam’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Basisscholen bestookt met «linkse» lespakketten: Het is echt dagelijkse spam»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat scholen tientallen lespakketten per week aangeboden krijgen? Wat vindt u ervan dat deze lespakketten ook ongevraagd worden opgestuurd?
Ik deel de mening dat wetenschappelijk onderbouwde lespakketten ondersteunend kunnen zijn aan het voldoen aan de kerndoelen.
Ik maak me in algemene zin zorgen over de grote hoeveelheid lespakketten die op basis van goede bedoelingen actief aan het onderwijs wordt aangeboden. Het is belangrijk dat scholen zich in de eerste plaats kunnen richten op lezen, schrijven en rekenen en die zaken die belangrijk zijn voor kinderen om zichzelf te kunnen ontwikkelen. Dit kabinet wil de overladenheid tegengaan, daarom moeten bedrijven en maatschappelijke organisaties terughoudend zijn bij het aanbod van ongevraagde lesmaterialen aan scholen.
Overigens is het goed om te vermelden dat de Week van de Lentekriebels geen lespakket in zichzelf is. Het is een themaweek en initiatief van expertisecentrum seksualiteit Rutgers en de regionale Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD). Deze week is bedoeld om op een positieve manier aandacht te vragen voor relationele en seksuele vorming (RSV). Als onderdeel van de Week van de Lentekriebels kunnen scholen gebruik maken van lespakketten Kriebels in je Buik, Wonderlijk Gemaakt of Veiligwijs. Deze lespakketten sluiten aan bij Europese standaarden voor effectief en leeftijdsadequaat onderwijs over relaties en seksualiteit.
Deelt u de mening dat wetenschappelijk onderbouwde lespakketten zoals «de Week van de Lentekriebels» ondersteunend kunnen zijn aan het voldoen aan de kerndoelen voor het onderwijs? Deelt u tevens de mening dat er veel lespakketten zijn die weinig relevantie hebben voor het curriculum?
Zie antwoord vraag 2.
Moeten lespakketten aan bepaalde voorwaarden voldoen voordat deze door basisscholen mogen worden gebruikt? Zo nee, hoe kunnen basisscholen lespakketten toetsen voordat zij besluiten deze te gaan gebruiken?
Scholen zijn verplicht om aandacht te besteden aan alle kerndoelen, maar mogen zelf bepalen hoe en met welk lesmateriaal zij dat doen. Dit past bij de autonomie die scholen onder artikel 23 van de Grondwet hebben. Scholen blijven echter verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs en de afstemming op de ontwikkeling van hun leerlingen. Leraren en schoolleiders kunnen vanuit hun expertise uitstekend beoordelen of een methode geschikt is voor hun leerlingen.
Om scholen en docenten te ondersteunen bij de effectieve inzet van leermiddelen in de klas werk ik aan heldere kerndoelen en een kwaliteitskader voor leermiddelen dat kennisgedreven gebruik van leermiddelen versterkt.
Als basisscholen hier vrij in zijn, hoe worden de kinderen op basisscholen beschermd tegen eenzijdige informatie of commerciële belangen?
Leerlingen hebben recht op kwalitatief goed onderwijs waarin meerdere perspectieven aan bod komen, zodat zij beschermd worden tegen eenzijdige informatie of commerciële belangen. Scholen zijn vrij in de keuze van leermiddelen maar hebben zich daarbij uiteraard wel te verhouden tot de geldende wet- en regelgeving. De burgerschapsopdracht verplicht scholen om zich binnen hun onderwijsaanbod onder meer herkenbaar te richten op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Daar dienen zij ook bij de keuze van leermiddelen zich rekenschap van te geven. Leermiddelen die aanzetten tot haat of discriminatie zijn daarmee niet in lijn, daar trek ik dan ook een grens.
Daarom moeten leraren toegang hebben tot een breed aanbod aan (wetenschappelijk onderbouwd) lesmateriaal, zodat zij hun leerlingen verschillende perspectieven en invalshoeken kunnen leren. Leerkrachten hebben de expertise en vakkennis om zorgvuldig af te wegen welke lesmaterialen zij moeten gebruiken om een compleet en genuanceerd beeld te geven in hun lessen. In het geval van lesmateriaal waar commercieel belang bij zit kan de Reclame Code Commissie waar nodig uitspraken doen, en heeft in voorkomende gevallen uitspraken gedaan, over misleidende en onjuiste informatie in lesmateriaal.
Op welke manier ondersteunt u leraren en scholen bij het verantwoord gebruikmaken van lespakketten? Deelt u de mening dat lespakketten bewezen effectief zouden moeten zijn?
Zie antwoord op vraag 4.
Bent u het ermee eens dat leraren zelf het lesprogramma zouden moeten invullen en dat lespakketten maximaal een ondersteunende rol daarin zouden moeten spelen?
Ja, de leraar is het meest bepalend in de kwaliteit van het onderwijs. Ik vind het belangrijk dat leraren lesmaterialen naar eigen inzicht kunnen gebruiken en inzetten. Waar zij dat willen kunnen ze ook zelf lesmateriaal ontwikkelen zodat zij dit kunnen gebruiken ten behoeve van kwalitatief goede lesprogramma’s. Bij de keuzes die leraren en schoolleiders maken in de invulling van hun onderwijs is het van belang dat ze deze weloverwogen maken en daarbij de best beschikbare (wetenschappelijke) kennis betrekken.
Leidt de overvloed aan willekeurige lespakketten niet enorm af van de belangrijke onderwerpen die kinderen op de basisschool moeten leren zoals taal, rekenen en burgerschap?
Bedrijven en maatschappelijke organisaties moeten zich bewust zijn van de overladenheid in het funderend onderwijs en terughoudend zijn bij het aanbod van lesmaterialen.
Het is belangrijk dat scholen zich in de eerste plaats richten op lezen, schrijven en rekenen en die zaken die belangrijk zijn voor kinderen om zichzelf te kunnen ontwikkelen. Dat betekent niet dat andere onderwerpen niet belangrijk zijn, maar wel dat we moeten oppassen dat de school niet de eerst aangewezene is om alle maatschappelijk problemen op te lossen. Ook de ouder, zorgmedewerker of de omgeving spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van kinderen. Dat wordt vaak vergeten.
Bent u bereid te inventariseren hoe vaak verschillende lespakketten gebruikt worden en hoeveel tijd scholen hieraan besteden?
Vanuit de stelselverantwoordelijkheid van de overheid laat ik onafhankelijk onderzoek uitvoeren naar de ontwikkeling in prijs en kosten van leermiddelen. Ik zal uw Kamer dit najaar hierover informeren.
Gezien de grondwettelijke onderwijsvrijheid ten aanzien van leermiddelen past het niet bij mijn verantwoordelijkheid om een inventarisatie te doen naar het gebruik van lespakketten. De verantwoordelijkheid van het departement richt zich op de kerndoelen en examenprogramma’s. De invulling van deze kerndoelen en examenprogramma’s ligt bij de school en de leraar.
Herkent u het beeld dat lespakketten vaak gratis worden aangeboden in combinatie met andere deals, zoals gratis fruit op school? Is het wel wenselijk dat scholen min of meer onder druk worden gezet met deals, zoals gratis fruit, waaraan vervolgens een verplicht pakket gekoppeld zit waarbij zij geen invloed hebben op de inhoud? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
Scholen moeten in gevallen van lesmateriaal waar enige vorm van sponsoring bij betrokken is instemming vragen van de medezeggenschapsraad, zoals het sponsorconvenant stelt.
De EU-Schoolregeling voor schoolfruit- en groente, stimuleert kinderen samen in de klas fruit en groente te eten. Deelnemende scholen ontvangen 20 weken lang iedere week 3 porties groente en fruit voor alle leerlingen. Als scholen zich voor deze regeling aanmelden ontvangen scholen ook lesmateriaal.
Scholen kunnen zich vrijwillig aanmelden voor de EU-Schoolregeling. Vooraf weten zij dat er lesmateriaal verbonden is aan de regeling en zij kunnen op basis daarvan besluiten of ze al dan niet mee willen doen aan de regeling.
Het is geenszins de bedoeling dat scholen onder druk gezet worden om lesmateriaal af te nemen. Bij mijn weten is dat bij de EU-Schoolregeling ook niet het geval.
Op welke manier worden onterechte claims van lespakketten tegengegaan, bijvoorbeeld van aanbieders die ten onrechte claimen dat een school voldoet aan de burgerschapsopdracht bij gebruik van hun pakket? Hoe zorgt u ervoor dat scholen niet meer dit soort pakketten ontvangen?
Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de burgerschapsopdracht. Het is in de eerste plaats hun taak scherp te zijn op de eisen van de burgerschapsopdracht wanneer ze lesmateriaal kiezen. Daarbij moeten schoolbesturen zich ervan bewust zijn dat de burgerschapsopdracht gaat over de inhoud van de lessen, maar ook over de cultuur binnen de school, die moet aansluiten bij de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Dat betekent automatisch dat een school nooit volledig aan de burgerschapsopdracht kan voldoen door slechts één specifiek lespakket te gebruiken.
Verder is het niet aan de aanbieders van lesmateriaal om te bepalen wanneer een school aan de burgerschapsopdracht voldoet; dit is de taak van de Onderwijsinspectie. Ook dit is belangrijk voor zowel scholen als voor aanbieders van lesmateriaal om te weten. In dat kader roep ik aanbieders van lesmateriaal op om niet onterecht de claim te maken dat hun materiaal voldoende is om aan de burgerschapsopdracht te voldoen. Laat ik nog eens benadrukken: het gebruik van één lespakket is nooit voldoende om aan de burgerschapsopdracht te voldoen.
Het bericht “Steeds meer Twentse scholen vinden Paarse Vrijdag maar gedoe” |
|
Arend Kisteman (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Steeds meer Twentse scholen vinden Paarse Vrijdag maar gedoe»?1
Ja.
Deelt u de mening dat aandacht besteden aan seksuele diversiteit op school belangrijk is en niet voor niets is opgeschreven in de kerndoelen?
Absoluut, want zo leren leerlingen dat iedereen er mag zijn en je verliefd mag worden op wie je wil. Door aandacht te besteden aan seksuele diversiteit op school leren kinderen zelf keuzes te maken op het gebied van hun lichaam, verliefdheid en seksualiteit, worden zij zich bewust van verschillen in normen en waarden en leren zij zelf verantwoorde keuzes te maken en respectvol met elkaar om te gaan. Dit is onderdeel van burgerschapsvorming, waarin leerlingen zich leren verhouden tot de waarden vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit en van het creëren van een sociaal veilig klimaat voor alle leerlingen. Leerlingen kunnen alleen komen tot leren als zij in vrijheid en veiligheid zichzelf kunnen zijn. Het is daarom erg belangrijk dat scholen en schoolbesturen zich hardmaken voor hun lhbtiq+ leerlingen en vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit uitdragen als onbetwistbare waarden.
Deelt u de mening dat Paarse Vrijdag een prachtig initiatief is waardoor leerlingen samen met docenten kunnen stilstaan bij het feit dat verschillen er mogen zijn, je altijd jezelf mag zijn en mag houden van wie je wil?
Het is belangrijk dat álle jongeren geaccepteerd worden en zichtbaar zichzelf kunnen zijn. We kunnen het niet toestaan dat daarop wordt ingeboet, daarom vind ik het ontzettend belangrijk om op een positieve manier aandacht te besteden aan diversiteit, waaronder seksuele- en genderdiversiteit. Zo laten we namelijk zien dat iedereen erbij hoort. En dat is ontzettend belangrijk. Niemand mag gepest of uitgesloten worden om wie die is. Het staat scholen vrij om dat via Paarse Vrijdag of op een andere manier te doen.
Kunt u met de Kamer delen hoeveel scholen in Nederland meedoen aan het initiatief van Paarse Vrijdag en hoe zij hier richting ouders en leerlingen over communiceren?
Ik heb dit nagevraagd bij COC Nederland, omdat zij dit project coördineren. COC ondersteunt de deelnemende scholen met informatiemateriaal, zowel digitaal als fysiek. COC gaf aan dat bijna 3.000 schoollocaties jaarlijks meedoen aan Paarse Vrijdag. Dit getal is gebaseerd op het aantal Paarse Vrijdag pakketten dat jaarlijks wordt verstuurd op aanvraag van individuele schoollocaties.
Op welke manier ondersteunt uw ministerie initiatieven om de veiligheid van lhbti-leerlingen te bevorderen?
Het ministerie ondersteunt onder andere Stichting School & Veiligheid. Deze organisatie zet zich in voor een sociaal veilig schoolklimaat en ondersteunt scholen bij het bevorderen daarvan. Dat doen ze bijvoorbeeld door het geven van actuele informatie en deskundig advies via de website, conferenties en een adviespunt. Ook onderhoudt SSV de website www.gendi.nl met inspiratie, (les)materialen en kennis voor leraren, schoolleiders en onderwijspersoneel op het gebied van gender-en seksuele diversiteit in de klas.
Daarnaast subsidieert het ministerie COC Nederland. Zij bieden ondersteuning door onder andere het jaarlijks organiseren van Paarse Vrijdag, het faciliteren van Gender & Sexuality Alliances (GSA’s) en het bouwen van een GSA-docentennetwerk.
Is u bekend of en op welke wijze en in welke specifieke regio’s weerstand tegen dit initiatief bestaat vanuit ouders en leerlingen en/of de omgeving van de school en wat daarbij redenen zijn?
Er loopt op dit moment een onderzoek bij de Rijksuniversiteit Groningen, waarbij een vragenlijst is ingevuld door ruim 1.000 lhbtiq+ jongeren. Het onderzoek is nog niet gepubliceerd, maar uit de voorlopige resultaten blijkt dat er een verschil zit in lhbtiq+ acceptatie tussen een school in de stad en een school op het platteland: scholen in de stad doen vaker mee aan Paarse Vrijdag en hebben vaker een GSA.2 Ook heeft het SCP in 2022 een onderzoek gepubliceerd waaruit bleek dat bewoners van stedelijke gebieden over het algemeen positiever over seksuele en genderdiversiteit waren dan bewoners van het platteland.3 Ik hoor ook geluiden dat dit bijvoorbeeld zou komen door de invloed van sociale media en conservatieve (culturele) denkbeelden. Deze en mogelijk andere oorzaken wil ik nader uitgezocht hebben.
Hoe duidt u de weerstand in de Twentse regio?
De resultaten uit het onderzoek zijn verontrustend. Uit de monitor blijkt dat 35% van de jongeren homoseksualiteit (helemaal) niet goed vindt en ook denken 21% van de meisjes en 34% van de jongens dat leerlingen die zich identificeren als lhbtiq+, dit niet eerlijk op school kunnen vertellen. Ook uit de Landelijke Veiligheidsmonitor in het funderend onderwijs (2021/2022) blijkt dat lhbtiq+ leerlingen vaker gepest worden dan leerlingen die dat niet zijn. Leerlingen moeten zichzelf kunnen zijn op school. Ik wil er alles aan doen om de dalende acceptatie onder jongeren tegen te gaan. Daarom wil ik in samenspraak met COC meer inzicht krijgen in mogelijke oorzaken en oplossingen, want iedereen in Nederland mag houden van wie die wil houden en zijn wie die wil zijn.
Bent u bereid om naar aanleiding van deze berichtgeving in contact te treden met Twentse middelbare scholen over deze zorgwekkende ontwikkeling?
Ja, ik ga hier graag over in gesprek met de Twentse middelbare scholen en het Programma Gezonde School, welke ook in het artikel wordt genoemd.
Wanneer komt de Twentse Gezondheidsmonitor lhbtqi+ uit en kunt u deze met de Kamer delen?
De vragenlijst van de Gezondheidsmonitor Jeugd bestaat uit twee delen: een landelijk gedeelte en een regionaal gedeelte. De onderzoeksresultaten uit het landelijke gedeelte van de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 vindt uw Kamer op VZ Info en RIVM Statline. Daarnaast publiceren alle GGD’en deze landelijke resultaten op hun website en dashboards, samen met de resultaten van het regionale gedeelte van de vragenlijst. GGD Twente heeft de resultaten van de Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 gepubliceerd op een dashboard. Deze is online te vinden via: https://www.twentsegezondheidsverkenning.nl/dashboard/dashboard-twentse-gezondheidsverkenning/seksuele-gezondheid-3
Welk handvatten ontvangen scholen uit de evaluatie van het Actieplan Veiligheid lhbti 2019–2022 om lhbti-onderwerpen beter bespreekbaar te maken in de klas in plaats van te besluiten de onderwerpen niet of minder te bespreken omdat er weerstand zou spelen?
De evaluatie bevat 14 aanbevelingen. Geen van deze aanbevelingen ziet specifiek op het beter bespreekbaar maken van lhbtiq+ onderwerpen in klas. Wel wordt aangehaald dat in diverse onderzoeken is aangetoond dat de inzet van Gender and Sexuality Alliances (GSA’s) op scholen effectief is in het verbeteren van het sociale klimaat voor lhbtiq+ jongeren. Ook wordt opgemerkt dat er in Nederland veel interventies bestaan gericht op het vergroten van de zichtbaarheid en verbeteren van de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen in het onderwijs. Zoals aangegeven in de brief van de voormalig Minister van Justitie en Veiligheid van 14 mei jl. (Kamerstukken II, 2023–2024, 20 420, nr. 396) zal uw Kamer na de zomer de inhoudelijke beleidsreactie op de evaluatie ontvangen met de vervolgstappen die genomen gaan worden.
Welke plannen liggen er op het ministerie om de aanbevelingen uit bovengenoemde evaluatie over te nemen en te implementeren?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe kijkt u aan tegen Gender & Sexuality Alliance (GSA) samenwerkingen op scholen waarbij leerlingen zelf zorgen dat lhbti-leerlingen veilig zichzelf kunnen zijn op scholen? Bent u bereid deze initiatieven te ondersteunen en in de toekomst te borgen?
Ik ondersteun deze initiatieven via COC Nederland en hecht groot belang aan de activiteiten van deze organisatie. GSA’s leveren een heel belangrijke en bijzondere bijdrage op school, omdat leerlingen hierbij zelf aan zet zijn. Zo laten ze elkaar zien welke waarden de school heeft ten opzichte van gender en seksualiteit. Uit onderzoek van Movisie en de Universiteit van Amsterdam uit 2018 blijkt dat leerlingen veel baat hebben bij GSA's. Leerlingen ervaren daardoor meer sociale steun van andere leerlingen en het schoolpersoneel waardoor hun zelfvertrouwen groeit en ze beter weten wie ze zijn.4
Het artikel 'Schuldhulpverlening ziet fors meer bedrijven met geldzorgen' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Micky Adriaansens (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Schuldhulpverlening ziet fors meer bedrijven met geldzorgen»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat steeds meer kleine ondernemers (met name eenmanszaken) schuldhulpverlening aanvragen?
Ja, ik ben bekend met de toename van het aantal kleine ondernemers, met name eenmanszaken, die schuldhulpverlening aanvragen. Dit is een ontwikkeling die mijn aandacht heeft.
Herkent u het probleem dat stijgende kosten zoals personeelskosten, huur en energie tot betalingsproblemen leidt?
Ja, ik herken dit probleem. Stijgende kosten voor personeel, huur en energie kunnen aanzienlijk bijdragen aan de betalingsproblemen die ondernemers ervaren. Deze kostenstijgingen kunnen de financiële draagkracht van bedrijven, vooral kleine bedrijven en eenmanszaken, onder druk zetten.
In september 2023 verscheen het rapport Activeren en faciliteren van de aanjager aanpak problematische schulden ondernemers. Bij een aantal van deze adviezen is een pilot gestart zoals bij het waarborgfonds saneringskredieten en de Wet schuldsanering natuurlijke personen(Wsnp). Is het mogelijk aan de hand van tussentijdse evaluaties conclusies te verbinden en stappen te nemen?
Ja, het is mogelijk om aan de hand van tussentijdse evaluaties conclusies te trekken en passende stappen te ondernemen.
De pilot Saneringskredieten voor ondernemers, uitgevoerd door het Waarborgfonds Saneringskredieten en de NVVK, loopt goed. Monitoring vindt ook in de komende periode nog plaats op risico’s en effectiviteit. De eerste resultaten laten zien dat het een waardevolle aanvulling lijkt op het instrumentarium van de schuldhulpverlener. De NVVK geeft aan dat voor de ondernemer, de schuldhulpverlener en de schuldeiser de kredietvorm rust en duidelijkheid biedt.
De voortgang van de pilots wordt nauwlettend gevolgd en tussentijdse evaluaties zullen inzicht geven in de effectiviteit van de maatregelen. Zodra die beschikbaar zijn zullen we die naar de Kamer sturen. Indien nodig kunnen op basis van deze evaluaties verdere stappen worden ondernomen om de schuldhulpverlening aan ondernemers te verbeteren.
Wat is de stand van zaken van het toegangspunt dat het rapport adviseert?
De ontwikkeling van het toegangspunt zoals geadviseerd in het rapport is in volle gang. Er wordt gewerkt aan een centraal punt waar ondernemers terecht kunnen voor ondersteuning en informatie over schuldhulpverlening. Dit toegangspunt moet bijdragen aan een efficiëntere en toegankelijkere dienstverlening voor ondernemers met financiële problemen.
Daarnaast ben ik momenteel volop bezig met de Actieagenda MKB-dienstverlening die tot doel heeft om de komende jaren een vraag gestuurd stelsel van publieke dienstverlening te creëren dat ondernemers beter bereikt, activeert en ondersteunt bij het toekomstbestendig maken en behouden van hun bedrijf. Ik zal de Kamer in Q1 2025 middels een Kamerbrief verder informeren hierover.
Zou het, ondanks uw negatieve appreciatie van het advies uit het rapport om een voucherregeling om ondernemers in staat te stellen hun boekhouding op orde te krijgen, toch beter zijn deze regeling te maken zodat deze ondernemers in staat zijn hun boekhouding bij te laten werken? Zo nee, waarom niet?
Hoewel het advies voor een voucherregeling voor het bijwerken van de boekhouding van ondernemers begrijpelijk is, blijft mijn standpunt negatief. Het belang van bijgewerkte administratie staat niet ter discussie. Op basis hiervan wordt immers de levensvatbaarheid van een onderneming vastgesteld. Echter, het bijhouden van een goede administratie is in beginsel een ondernemersverantwoordelijkheid, daar heeft de overheid geen rol in. Voorts ligt het probleem van financiële administratie vaak dieper dan enkel een tijdelijk gebrek aan middelen om de boekhouding bij te werken. Daarnaast voorziet de markt voldoende in informatie en scholing over dit onderwerp. Het is belangrijk om structurele oplossingen te bieden die ondernemers helpen bij het duurzaam verbeteren van hun financiële management, bijvoorbeeld door educatie en langdurige ondersteuning in plaats van eenmalige vouchers.
Wat is de stand van zaken van een verbeterde publieke dienstverlening aan het midden- en kleinbedrijf? Hoe zouden andere gemeentes het goed lopende initatief Ondernemer Centraal uit Utrecht kunnen volgen om tot een goed ecosysteem te komen?
Gemeentes doen meer op het gebied van schuldhulpverlening en betalingsachterstanden dan vaak bekend is bij ondernemers. De ondernemersdienstverlening richt zich zowel op preventie als op actieve ondersteuning en begeleiding bij financiële moeilijkheden, zowel op persoonlijk als op zakelijk vlak. Ondernemers kunnen bij hun gemeente terecht voor tijdelijke inkomenssteun, het herfinancieren van schulden of investeringen via het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz), of een minnelijk schuldhulpverleningstraject.
De verbetering van de publieke dienstverlening aan het midden- en kleinbedrijf (mkb) is een doorlopend proces. Er zijn verschillende initiatieven en projecten gestart om de ondersteuning van het mkb te versterken. Gemeentes kunnen succesvolle initiatieven zoals Ondernemer Centraal uit Utrecht volgen door kennis en best practices te delen, samen te werken met lokale ondernemersorganisaties en specifieke behoeften van lokale ondernemers te inventariseren. Door een op maat gemaakte benadering kunnen gemeentes bijdragen aan een gezond en ondersteunend ecosysteem voor ondernemers. De VNG ondersteunt gemeentes hierbij via diverse ondersteuningsproducten, zoals een Handreiking Ondernemers met financiële zorgen en een toolkit communicatie met ondernemers in zwaar weer (samen ontwikkeld met de KVK, het Digitaal Ondernemersplein en de Belastingdienst).
Daarnaast is het de doelstelling van de actieagenda mkb-dienstverlening om de dienstverlening aan ondernemers te verbeteren door deze logischer te ordenen en makkelijker vindbaar te maken. Hierin werken we intensief samen met onder andere gemeentes.
Tot slot hebben het kabinet, de VNG, de NVVK en Divosa op 21 maart 2024 hun handtekening gezet onder een gezamenlijk plan om de schuldhulpverlening in Nederland nog verder te versterken. Onder de basisdienstverlening schuldhulpverlening2 valt onder andere een hulpaanbod dat toegespitst is op verschillende doelgroepen, waaronder ondernemers.3
Het nieuwsbericht ‘Winkelstraat loopt verder leeg: al 433.000 vierkante meter niet meer gebruikt’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Winkelstraat loopt verder leeg: al 433.000 vierkante meter niet meer gebruikt» in het Algemeen Dagblad van 25 april 2024?
Ja.
Hoe kijkt u naar de toenemende leegstand in de winkelstraat, met name in vooral kleine stadscentra?
Voor Corona was sprake van een duidelijke trend; groeiende populariteit van de grote winkelsteden als populaire shopbestemming, ten koste van kleinere stadscentra, die langzaam hun regionale centrumfunctie kwijt raakten. Tijdens Corona zette deze trend zich niet door en leken de kleinere stadscentra juist weer aan populariteit te winnen. Dat gold zeker ook voor de verspreid liggende winkelcentra op wijkniveau. Volgens de laatste gegevens van Locatus is dit Corona-effect nu echt uitgewerkt. De drukte in de grote winkelsteden is weer op het niveau van voor Corona, terwijl de drukte in de kleinere stadscentra achterblijft. Het lijkt erop dat we daarmee weer terug zijn bij de trend van voor de Corona-periode. In algemene zin is daarom de verwachting dat kleinere stadscentra in de toekomst steeds verder onder druk zullen komen te staan.
Wat is volgens u de reden dat vooral kleine stadscentra het extra zwaar hebben?
De afgelopen decennia hebben de stadscentra, ook de kleinere, geprofiteerd van de steeds verder toenemende vraag van consumenten naar retail-producten. Door een strikt ruimtelijk beleid nam het aantal winkels in vooral de non-food in stadscentra gestaag toe. Middelgrote steden profiteerden als regionaal centrum sterk van deze groei. De vraag van consumenten is echter aan het veranderen. Bijvoorbeeld door de opkomst van online winkelen, de vergrijzing van het winkelpubliek en de veranderende behoefte aan vrijetijdsbesteding. En als gekozen wordt voor een dagje shoppen, dan wordt steeds vaker de voorkeur gegeven aan de grote steden, die naast meer en een grotere verscheidenheid aan winkels, ook meer te bieden hebben op het gebied van horeca en cultuur. Het gevaar bestaat dat kleinere centra hierbij in een negatieve spiraal raken, die lastig te doorbreken is. Dit vraagt om een integrale aanpak, waar alle stakeholders bij betrokken worden en waarbij een waaier van elkaar versterkende instrumenten wordt ingezet. Zo is het belangrijk om een breed gedragen visie te ontwikkelen als gemeenschappelijke leidraad voor de toekomst van de binnenstad en te investeren in een gezamenlijke aanpak.
Soms is het nodig om delen van het binnenstedelijk winkelgebied te herstructureren en te transformeren, omdat zowel de kwaliteit van de openbare ruimte, als dat van het privaat eigendom achterblijft. Herstructurering en binnenstedelijke transformatie zijn echter kostbaar en complex, onder meer vanwege de verdeelde eigendomssituatie en de noodzakelijke maatwerkaanpak. De Impulsaanpak Winkelgebieden maakt een integrale, publiek-private aanpak mogelijk van zowel de plint als de bovenliggende woonlagen. Hierdoor wordt zowel leegstand teruggedrongen, als plaats gemaakt voor andere functies zoals wonen. Met de Impulsaanpak worden nu al 87.000 m2 winkelmeters gesaneerd en worden meer dan 2.000 woningen gerealiseerd. De vierde en laatste openstellingsronde is 21 mei geopend. Eind november zullen de laatste beschikkingen worden afgegeven.
Hoe vindt u ervan dat veel ondernemers de coronabeperkingen nog niet te boven zijn en de hogere lonen, inkoopkosten en huren nu alsnog hun tol eisen?
Het terugbetalen van te veel ontvangen steunmaatregelen is voor veel retail-ondernemers lastig, zeker in combinatie met de gestegen kosten, die niet alle ondernemers (snel) konden doorberekenen aan hun klanten. De verwachte faillissementsgolf na Corona is echter uitgebleven. Een economische crisis is na de inval in Oekraïne en de daaropvolgende periode met sterke inflatie eveneens uitgebleven en de drukte in de winkelstraten gaat langzamerhand weer naar de niveaus van voor Corona. De vooruitzichten voor de sector als geheel lijken daarom redelijk positief. Vanuit macro-economisch perspectief is het toegenomen aantal faillissementen geen directe reden tot zorg. Ook al omdat het aantal faillissementen de afgelopen jaren historisch laag was. Een stijging moet dus gezien worden ten opzichte van deze bijzondere periode. Maar ik zie ook dat op individueel niveau een faillissement vaak een drama is voor de betrokkenen. Een faillissement gaat altijd gepaard met schade, voor eigenaren en toeleveranciers, verhuurders, klanten, maar ook voor de werknemers.
Maakt u zich zorgen over de stijgende leegstand in de Nederlandse winkelstraten?
De stijgende leegstand in vooral de kleinere stadscentra is een belangrijk signaal om lokaal aan de slag te gaan met alle betrokken stakeholders, omdat oude oplossingsrichtingen niet langer werken. Dat betekent dat nagedacht moet worden over nieuwe ontwikkelrichtingen, die passen bij lokale kansen en mogelijkheden. Maatwerk is daarbij het uitgangspunt, waarbij gemeenten elkaar zeker kunnen inspireren. Het negeren van het signaal van stijgende leegstand kan stilstand en uiteindelijk een fase van verloedering inluiden.
Hoe kijkt u tegen de rol van gemeentes aan?
De gemeenten spelen een uiterst belangrijke rol door lokaal de regie te nemen en alle stakeholders bij elkaar te brengen. Daarnaast spelen ze een belangrijke rol bij het scheppen van de voorwaarden om noodzakelijke veranderingen in gang te zetten om binnensteden toekomstbestendig te maken.
Zijn gemeentes zich bewust van hun urgente rol in het leefbaar houden van de binnensteden?
Ja, het is mijn overtuiging dat gemeenten zich bewust zijn van de urgentie van hun rol. Dat wil niet zeggen dat alle gemeenten in dezelfde ontwikkelfase verkeren. Juist daarom kunnen gemeenten veel van elkaar leren.
Ben u op de hoogte van het feit dat startende ondernemers met nieuwe concepten vaak tegen het probleem aanlopen dat het bestemmingsplan op bepaalde winkelpanden niet past bij hun activiteiten en zij daarom niet kunnen starten, maar dat gemeentes een afwachtende houding lijken te hebben voor nieuwe concepten? Hoe kijkt u hier tegenaan?
Uit de aard van de zaak is het logisch en niet te vermijden dat gemeenten «achterlopen» op nieuwe ontwikkelingen. En het is ook niet verkeerd dat gemeenten een zekere prudentie in acht nemen. Niet elke nieuwe ontwikkeling is per se een verrijking, zoals de razendsnelle opkomst van de flitsbezorging liet zien. Waar veel gemeenten de afgelopen jaren gekozen hebben voor een brede «binnenstadsbestemming» die nieuwe ontwikkelingen weinig in de weg legde, betreuren veel van deze gemeenten nu dat ze daarmee ook de mogelijkheden hebben ingeleverd om te sturen op ontwikkelingen die nu als ongewenst worden gezien. Zo is het belangrijk om het kernwinkelgebied compact te houden en niet te veel te «verdunnen» door de komst van (te veel) (dag)horeca en dienstverleners als kappers en nagelstudio’s. Dit soort ontwikkelingen laat zich slecht reguleren met een brede binnenstadsbestemming. Bestemmingsplannen geven in het algemeen een bestemming op hoofdlijnen, dat wil zeggen een bepaald type gebruik. Het ligt niet in de rede om de bestemming voor een bepaald gebied (telkens) aan te passen wanneer één mogelijke gebruiker niet in het gekozen bestemmingsprofiel past. In het verleden hebben we echter gezien dat er veel mogelijk is wanneer de nieuwe gebruiker en gemeente echt met elkaar in gesprek gaan over maatwerkoplossingen.
Is er al zicht op een eerste evaluatie van de Impuls Winkelgebieden? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze verwachten?
In 2027 zal de eerste wettelijk verplichte tussenevaluatie van de Impulsaanpak plaatsvinden, 5 jaar na de start van de regeling. De eindevaluatie zal plaats vinden na het beëindigen van de regeling in 2032. Na afgifte van de beschikking hebben gemeenten namelijk 7 jaar de tijd om hun project te realiseren. Eind dit jaar zullen de beschikkingen voor de 4e en laatste openstellingsronde worden afgeleverd.
Daarnaast is ervoor gekozen om gemeenten elk jaar voortgangrapportages op te laten stellen, die de basis vormen voor de jaarlijkse voortgangsgesprekken. Op die manier kunnen de projectplannen, binnen kaders, meebewegen met wijzigingen in de omstandigheden. Op deze manier wordt ook de voortgang van de projecten als geheel gemonitord. De voortgangsrapportages en -gesprekken vormen daarnaast een belangrijke informatiebron voor de communicatie van opgedane ervaringen en inzichten naar andere gemeenten.
Het bericht 'Tandarts en andere mkb’ers wacht nog een berg bureaucratie' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Tandarts en andere mkb’ers wacht nog een berg bureaucratie»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen alle regeldruk waarmee ondernemers te maken hebben?
Met regelgeving komt regeldruk. In een complexe maatschappij zijn spelregels nodig om met elkaar samen te leven en gedeelde doelstellingen te realiseren. De afweging of de regeldruk die met een nieuwe regeling gepaard gaat, opweegt tegen de inhoudelijke beleidswens, is een politieke, of het nu gaat over bijvoorbeeld de gezondheidszorg, de bescherming van werknemers of het klimaat.
Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat de ondernemers uit de voeten kunnen met de verplichtingen die we ze opleggen. Zijn die werkbaar? Ook is relevant of de kosten die ermee gepaard gaan niet te hoog worden. Voor kleine bedrijven kan generieke regelgeving een te grote last zijn. Daarmee heeft de overheid rekening te houden. Het is de kunst om de balans te vinden tussen regels die werken en de lasten die met die regels gemoeid zijn.
Om de verplichtingen waar ondernemers in de praktijk mee te maken hebben in kaart te brengen, heb ik recent in zes sectoren het MKB-indicatorbedrijvenonderzoek laten uitvoeren. Daarbij is onderzocht welke verplichtingen zij als meest belastend ervaren. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek bekijk ik welke maatregelen mogelijk zijn om knelpunten op te lossen of regeldrukkosten te verminderen. In het najaar wordt u hier nader over geïnformeerd via de jaarlijkse voortgangsrapportage van het Programma vermindering regeldruk ondernemers.
Wat zijn de gevolgen van de toenemende regeldruk voor ondernemers voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
De geluiden hierover wisselen. Enerzijds zijn er bronnen die de noodklok luiden over de gevolgen van regeldruk voor het Nederlandse vestigingsklimaat, terwijl anderzijds de concurrentiepositie van het Nederlandse vestigingsklimaat op het internationale toneel sterk lijkt.
Zo is aan de ene kant naar buiten gekomen dat naast de fiscale druk en de betrouwbaarheid van de overheid, de toenemende regeldruk een belangrijke oorzaak is voor het vertrek van ondernemers uit Nederland2. Aan de andere kant blijkt uit de Burden of Government Regulation indicator van het World Economic Forum3 (WEF) dat regeldruk als gevolg van overheidsverplichtingen in Nederland vooralsnog geen negatieve invloed heeft op het vestigingsklimaat. Deze indicator is onderdeel van de Global Competitiveness Index en komt tot stand door een enquête onder zowel grote als kleine ondernemingen waarbij respondenten wordt gevraagd in welke mate het belastend is om aan overheidsverplichtingen te voldoen. Nederland staat op plaats 16 van 141 landen in de ranking van de Burden of Government Regulation indicator.
Hoewel de berichten dus tweezijdig zijn, deel ik de zorgen die in de media komen. Daarom zet ik mij voortdurend in om de effecten van regeldruk te verminderen en te mitigeren. Ik ben hierover doorlopend in gesprek met brancheorganisaties en mijn collega bewindspersonen.
Hoe kijkt u aan tegen de stijgende kosten die gemoeid zijn bij het implementeren van nieuwe regels voor ondernemers?
Uit het eerder genoemde onderzoek naar MKB-indicatorbedrijven is naar voren gekomen dat ondernemers te maken hebben met veel verplichtingen en dat de regeldrukkosten die zij ervaren direct van invloed kunnen zijn op de winstgevendheid. De verplichtingen die de meeste regeldrukkosten voor bedrijven veroorzaken hangen samen met generieke werkgeversverplichtingen. Niet alle regeldrukkosten kunnen echter voorkomen worden. Wel moet een ondernemer er zo min mogelijk last van hebben. Het onderzoek biedt voor diverse verplichtingen die tot hoge kosten leiden suggesties om de regeldrukkosten te reduceren. De wijze waarop deze regeldrukkosten kunnen worden aangepakt in een nieuw programma, is aan een volgend kabinet.
De regeldrukmonitor (www.regeldrukmonitor.nl) laat zien dat een goot deel van de regeldrukkosten die ondernemers ervaren, wordt veroorzaakt door Europese regelgeving. De Europese Commissie werkt momenteel aan een reductieprogramma om de regeldrukkosten als gevolg van Europese rapportageverplichtingen met 25% te verminderen.
Het gegeven dat we wel enige invloed op de totstandkoming van Europese regelgeving hebben, maar deze invloed beperkt is, is een aanleiding om kritischer te kijken naar de voorstellen die uit Brussel komen. Vandaar dat ik in de concept-Instellingswet van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heb opgenomen dat ATR ook een rol heeft bij de beoordeling of de regeldruk van EU-voorstellen goed in beeld is gebracht.
Zijn er mogelijkheden voor ondernemers om nieuwe wet- en regelgeving voor ondernemers kostenneutraal te implementeren? Zo ja, bent u bereid hier handvaten voor aan te leveren?
Alle wetgeving gaat gepaard met regeldrukkosten. Daarom is het van belang dat departementen bij het vormgeven van nieuwe wet- en regelgeving goed nadenken over de mogelijke gevolgen voor bedrijven. De mogelijkheid om nieuwe regelgeving kostenneutraal te implementeren of in ieder geval tegen zo gering mogelijke kosten, wordt per voorstel door de betrokken bewindspersoon getoetst en toegelicht. Vervolgens toetst het Adviescollege toetsing regeldruk de voorgenomen regeling op nut en noodzaak, minder belastende alternatieven, werkbaarheid en inzichtelijkheid van de regeldrukkosten. Verder worden vanuit mijn ministerie de nodige instrumenten geboden die daarbij behulpzaam kunnen zijn, zoals de Bedrijfseffectentoets (BET) en de MKB-toets. Mijn ambtenaren zijn in samenspraak met de beleidsambtenaren op andere departementen voortdurend op zoek naar mogelijkheden om regeldruk aan te pakken.
Wat vindt u van het bericht dat wantrouwen vanuit de overheid de reden is dat bedrijven over van alles en nog wat moeten rapporteren? Deelt u de mening dat ondernemers meer vertrouwen verdienen?
Wantrouwen is geen goede drijfveer voor beleid. Het is goed om scherp op elkaar te zijn en spelregels te stellen. Rapportageverplichtingen zijn er om zicht te krijgen en te houden op beleidseffecten en bedrijfshandelen in het kader van het realiseren van beleidsdoelen. Vertrouwen staat in deze niet gelijk aan onbeperkte handelingsvrijheid of het ontbreken van controle- en handhavingsinstrumenten.
In het artikel worden een paar voorbeelden van regelingen genoemd die direct of indirect voor onnodig veel regeldruk gaan zorgen, de Regeling openbare jaarverantwoording WMG, de Carbon Border Adjustment Mechanism, Rapportageplicht werkgebonden mobiliteit en de Corporate Sustainability Reporting Directive. Wat kunt u concreet doen om de regeldruk die voortkomt uit deze regels voor ondernemers zo minimaal mogelijk te houden?
Met de implementatie en naleving van nieuwe regels zijn kosten gemoeid. Bij de totstandkoming van nieuwe regelgeving is het de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon de incidentele en structurele regeldrukkosten inzichtelijk te maken. Ook is de betrokken bewindspersoon verantwoordelijk voor een toelichting op de subsidiariteit en proportionaliteit van de berekende regeldrukkosten in relatie tot de te realiseren beleidsdoelen. Dit geldt voor de totstandkoming van alle regelgeving, dus ook voor de voorbeelden die in het artikel en de vraag hierboven worden genoemd.
Ik neem mijn verantwoordelijkheid hierin door met mijn collega bewindspersonen het gesprek te blijven voeren over de regeldrukeffecten van voorgenomen regelgeving. Via de website Regeldrukmonitor geeft de overheid inzicht in de ontwikkeling van de regeldrukkosten in voorgenomen regelgeving, en wat zij doet om deze zoveel mogelijk te beperken.
Als dit speelt bij andere departementen, bent u dan bereidt om in gesprek te gaan met collega-ministers om de regeldruk voor ondernemers minimaal te houden?
Vanuit mijn ministerie wordt er, middels het periodieke interdepartementale regeldrukcoördinatoren overleg, regeldruk gerelateerde ontwikkelingen gedeeld. Bovendien zijn er binnen EZK accounthouders die voor ieder departement fungeren als aanspreekpunt.
Gesprekken over regeldruk met betrekking tot individuele voorstellen voor regelgeving worden gevoerd met dossierhouders en in de ambtelijke voorportalen die leiden naar de ministerraad. Ook waar het gaat over Europese voorstellen zijn de verschillende betrokken departementen met elkaar in overleg, mede over regeldruk, in de procedure Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.
Binnen het kabinet draag ik de coördinerende verantwoordelijkheid voor onze inzet om regeldruk voor ondernemers zoveel mogelijk te verminderen. Uiteraard spreek ik over dit onderwerp waar nodig met andere Ministers. Zo spreek ik eind mei en begin juni met de collega bewindslieden van Infrastructuur en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Dus de bereidheid is er en die blijft er.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk krijgt een prominentere plaats in het tegengaan van regeldruk voor ondernemers. Denkt u dat dit voldoende is om de continue komende stroom aan regels voor onze ondernemers te doorbreken of is daar meer voor nodig?
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) adviseert Staten-Generaal en kabinet en ziet toe op een juiste, transparante informatievoorziening zodat het kabinet en Staten-Generaal onderbouwd kunnen beslissen over regelgeving. ATR kijkt onder andere naar de vraag of nut en noodzaak van een nieuwe regeling voldoende is onderbouwd. Als dat onvoldoende kan worden aangetoond dan adviseert ATR doorgaans om de regeling niet in te dienen. Als een departement er toch toe overgaat om de regeling in te dienen, dan is het aan de Kamer om te bepalen of de regeling alsnog moet worden gehandhaafd. Ik zie hier dus ook een duidelijke verantwoordelijkheid van de Kamer zelf.
Door de extra versterking zoals beoogd in de concept-Instellingswet kan ATR nog beter toe zien op transparantie in regelgeving ten aanzien van regeldruk en de werkbaarheid. De beslissing is echter aan de Staten-Generaal en kabinet bij regelgeving. Derhalve zal de ontwikkeling in regeldruk ook afhangen van de wijze waarop de Staten-Generaal en kabinet om gaan met de adviezen van ATR.
De zero-emissiezones |
|
Arend Kisteman (VVD), Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met de aangenomen motie van het lid Erkens c.s. over een ontheffing tot ten minste 2028 voor kleine mkb'ers bij nieuwe zero-emissiezones (Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 41)?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe heeft u uitvoering gegeven aan deze motie?
In de Kamerbrief van 29 januari 2024 heb ik aangegeven hoe ik uitvoering heb gegeven aan de motie (Kamerstuk 30 175, nr. 459). Daarnaast is op 15 maart jl. door de ondertekenaars van de Uitvoeringsagenda Stadslogistiek besloten om een extra ontheffing toe te voegen aan het ontheffingenbeleid, die tegemoetkomt aan de motie. Er is besloten dat bakwagens met emissieklasse 6 en een Datum Eerste Tenaamstelling (DET) van tussen 1-1-2017 tot 31-12-2019 een ontheffing krijgen voor de zero-emissiezones tot 2028.
Daarbij dient opgemerkt te worden dat de rol van het Rijk zit in het harmoniseren van het beleid. Het Rijk wil uniformiteit bieden aan ondernemers zodat zij overal hetzelfde beleid terug zien en niet met een lappendeken aan regels worden geconfronteerd. Gemeenten bepalen vervolgens zelf of zij al dan niet een zero-emissiezone invoeren.
Heeft u in navolging van uw contact met gemeenten over het ontheffingsbeleid ook contact gehad met ondernemers(organisaties)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat vinden ondernemers(organisaties) van het huidige ontheffingsbeleid?
Ja, ik spreek regelmatig met ondernemers en brancheorganisaties over de zero-emissiezones en het ontheffingenbeleid. Het valt me op dat ondernemers moeite hebben met de overgang naar zero-emissiezones, niet omdat ze niet willen, maar vanwege verschillende obstakels die ze moeten overwinnen. Deze obstakels omvatten technische en financiële uitdagingen, evenals de toenemende problemen met netcongestie. Echter, voor iedereen waar de transitie (nog) niet mogelijk is, is een oplossing beschikbaar. Ondernemers die de overstap nog niet kunnen maken, kunnen altijd een beroep doen op een passende ontheffing. Dit ontheffingenbeleid is opgesteld in uitgebreid overleg met gemeenten en brancheorganisaties zoals Transport en Logistiek Nederland (TLN), RAI Vereniging, Bovag en evofenedex. Het Rijk en de partners van de Uitvoeringsagenda Stadslogistiek communiceren zo veel als mogelijk over dit beleid. Voor ondernemers is het belangrijk om in contact te treden met hun gemeenten en eventueel met een logistiek makelaar die hen kan helpen om een transitie-plan op maat te maken. Dat gebeurt al en wordt gestimuleerd door gemeenten.
Bent u het ermee eens dat het openen van het Centraal loket ZE-zones om ontheffingen aan te vragen vanaf eind 2024 voor onze mkb-ers in Nederland een niet werkbare situatie oplevert, gelet op het feit dat de meeste zero-emissiezones vanaf 1 januari 2025 ingaan?
Het openstellen van het Centraal Loket moet zorgvuldig worden getimed, zodat ondernemers voldoende tijd hebben om zich voor te bereiden op de transitie naar emissievrije voertuigen en om tijdig de benodigde ontheffingen aan te vragen. Het openen van het Centraal Loket voor het aanvragen van ontheffingen vanaf eind 2024 kan een niet werkbare situatie opleveren. Daarom zet ik mij samen met de RDW en de gemeenten in om al vanaf 1 juli 2024 een functionerend loket gereed te hebben.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het eerder openen van het Centraal loket ZE-zones per 1 juli 2024? Welke stappen heeft u met de RDW ondernomen om dit te realiseren?
Mijn ministerie, in samenwerking met de RDW en gemeenten, is intensief bezig met deze kwestie zodat een opening van het Centraal Loket per 1 juli 2024 mogelijk is. Gemeenten hebben aangegeven bereid te zijn om een rol te spelen in het proces door het ontvangen, beoordelen en uitgeven van ontheffingsaanvragen aan ondernemers. De exacte invulling van deze aanpak wordt momenteel zorgvuldig uitgewerkt. Over de stand van zaken wordt uw Kamer voor de zomer geïnformeerd.
Bent u het ermee eens dat het een onwenselijke situatie is dat het Centraal Loket ZE-zones ontheffingen per jaar afgeeft, gelet op de continuïteit van bedrijven, de administratieve rompslomp voor ondernemers en investeringsplannen die over jaren heengaan?
De geldigheidsduur van een ontheffing varieert, afhankelijk van het type ontheffing en de bijbehorende situatie. Zo wordt een dagontheffing slechts voor één dag verleend, terwijl een ontheffing voor situaties waar geen zero-emissie alternatieven beschikbaar zijn, geldig zijn tot 2030.
Bent u het ermee eens dat als het invoeren van zero-emissiezones leidt tot omzetverlies bij kleine mkb-ers, dit onwenselijk is?
In 2019 is reeds een analyse uitgevoerd naar de Maatschappelijke Kosten en Baten van zero-emissiezones1. Uit deze analyse blijkt dat het investeren in de invoering van een nul-emissiezone voor stadslogistiek leidt tot belangrijke collectieve baten op het gebied van milieu en klimaat én tot meer maatschappelijk rendement. Op individueel niveau kunnen ondernemers die echt niet mee kunnen in de transitie aanspraak maken op ontheffingen, ook op basis van financiële omstandigheden. Bovendien is het belangrijk op te merken dat de Total Cost of Ownership (TCO) voor elektrische voertuigen steeds gunstiger wordt en dat deze in het geval van bestelvoertuigen vanaf volgend jaar zelfs positief uitpakt in het voordeel van de elektrische variant.
Hoe groot acht u de kans dat het ingaan van de zero-emissiezones in 2025 ervoor zal zorgen dat bakkers, slagers, bloemisten, ambulante handel en vele andere ondernemers uit het straatbeeld verdwijnen, omdat zij niet kunnen voldoen aan de voorwaarden van de zero-emissiezones? Wat vindt u hiervan?
Deze transitie brengt inderdaad uitdagingen met zich mee, met name voor bedrijven die afhankelijk zijn van voertuigen die momenteel nog niet volledig emissievrij zijn. Echter, het is belangrijk op te merken dat de overheid zich bewust is van deze uitdagingen en verschillende maatregelen neemt om de overgang naar zero-emissievoertuigen te vergemakkelijken. Dit omvat onder meer vrijstellingen en het verstrekken van ontheffingen. Ik vind het belangrijk dat deze overgang geleidelijk en inclusief verloopt, waarbij rekening wordt gehouden met de diversiteit aan bedrijven en hun specifieke behoeften. Het verdwijnen van deze kleine ondernemingen uit het straatbeeld zou een verlies betekenen voor de lokale economie en het sociale weefsel van buurten. Daarom wordt er nauw samengewerkt met belanghebbenden, om ervoor te zorgen dat er passende oplossingen worden gevonden en dat de negatieve impact op bedrijven tot een minimum wordt beperkt.