De opvangomstandigheden voor asielkinderen |
|
Nine Kooiman (SP), Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Asielkinderen doodongelukkig»?1
Sinds het verschijnen van het bedoelde onderzoek van onder andere Unicef zijn er vele stappen gezet ter verbetering van de situatie van kinderen in asielzoekerscentra. Ik deel de mening van de directeur van Vluchtelingenwerk, zoals die in het bericht in Spits is weergegeven, dan ook niet. Ik attendeer u hierbij op de vragen van de Algemene Commissie voor Immigratie en Asiel van uw Kamer naar aanleiding van het genoemde onderzoek, welke mij zijn gesteld bij brief van 2 februari 2011 met kenmerk 011Z02013/2011D05147. Deze vragen, waarin uitgebreid wordt ingegaan op de aanbevelingen uit het rapport, zijn inmiddels bij brief van 22 maart 2011 door mij beantwoord.
Deelt u de mening van Vluchtelingenwerk dat, ondanks het verschijnen van het rapport «Kind in het centrum» van Unicef twee jaar geleden, er sinds 2009 aan de onveilige, onstabiele en ongezonde situatie van ongeveer 7 000 kinderen in asielzoekerscentra (AZC’s), nauwelijks iets is gedaan? Zo ja, wat gaat u doen om dit te verbeteren? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening van Vluchtelingenwerk dat kinderen van asielzoekers lopende de asielprocedure te vaak verhuizen van asielzoekerscentrum naar asielzoekerscentrum? Wat is volgens u de reden voor de vele verhuizingen? Kunt u deze antwoorden toelichten?
Een van de conclusies van het inmiddels twee jaar oude rapport luidde dat kinderen veelvuldig verhuizen. Sinds de inwerkingtreding van de nieuwe asielprocedure is de opvang van asielzoekers zo geregeld dat zij tijdens het grootste deel van de procedure op dezelfde locatie kunnen verblijven. Bij de aanvang en eventueel het einde van de verblijfsperiode in de opvang zijn specifieke lokaties ingericht (Aanmeldcentrum, Centrale ontvangstlocatie, Proces opvanglocatie en eventueel vrijheidsbeperkende locatie voor uitgeprocedeerde asielzoekers). Nadat de asielzoeker vanuit de Proces opvanglocatie in een asielzoekerscentrum is geplaatst, blijft hij zoveel mogelijk op één locatie.
Het was overigens voordat de nieuwe asielprocedure van start ging reeds COA-beleid om het aantal verhuizingen te minimaliseren en, als er al verhuizingen moesten plaatsvinden, deze zoveel mogelijk tijdens de schoolvakanties te laten plaatsvinden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat kinderen niet noodgedwongen zo vaak moeten verhuizen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat elk AZC geschikte ruimten heeft voor kinderen om hun huiswerk te maken? Zo nee, waarom niet?
In ieder asielzoekerscentrum zijn reeds ruimten aangewezen waar kinderen hun huiswerk kunnen maken. Ik verwijs u hierbij ook naar de specifieke beantwoording van de vragen naar aanleiding van het reeds genoemde onderzoeksrapport.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat op elk AZC een vertrouwenspersoon voor kinderen is zodat kinderen daar altijd kunnen aankloppen bij problemen? Zo nee, waarom niet?
Ieder gezin beschikt over een aanspreekpunt. Meer specifiek gericht op de procedure wordt ondersteuning verleend door advocatuur en Vluchtelingenwerk.
Daarnaast staan reguliere instanties zoals Jeugdzorg ter beschikking aan (gezinnen met) kinderen in de opvang. Een afzonderlijke vertrouwenspersoon acht ik dan ook niet nodig.
Bent u bereid de opmerkingen van Vluchtelingenwerk in de Spits te betrekken bij uw reactie op de praktische haalbaarheid van de 65 aanbevelingen uit het onderzoek «Kind in het centrum» van Unicef?2
Ja. De opmerkingen van de directeur van Vluchtelingenwerk in het artikel in de Spits zien op het gevoelen als zou er met de aanbevelingen uit het rapport sinds de verschijning ervan nauwelijks iets zijn gedaan. In de reactie op eerdergenoemde brief van de Algemene Commissie voor Immigratie en Asiel wordt ingegaan op alle 65 aanbevelingen. Ik verwijs hier daarom graag naar mijn reactie hierop.
Scholarships |
|
Klaas Dijkhoff (VVD), Afke Schaart (VVD), Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bedrijfsleven snakt naar talent» en het onderzoek van PwC «14e CEO Survey» dat daarin wordt aangehaald en de constatering dat «door de aantrekkende arbeidsmarkt en de komende vergrijzingsgolf laait de «war for talent» ook in Nederland op» van Robert Swaak, voorzitter van PwC Nederland?1
Deelt u de mening dat het introduceren van scholarships, zoals bedoeld in de motie-Lucas-De Rouwe van 29 november 20102, kan bijdragen aan een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt?
Deelt u de mening dat de uitwerking van scholarships in de kabinetsreactie op het advies van commissie-Veerman3 zeer summier is, ondanks uw eerdere toezegging dat u aan zou geven hoe u bovengenoemde motie uit zult voeren? Bent u bereid middels een brief alsnog aan te geven welke mogelijkheden u ziet voor het instrument scholarships en welke rol het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan spelen bij het stimuleren van scholarships?
Bent u bereid met de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in gesprek te gaan over de mogelijkheden die scholarships bieden voor het versterken van de gouden driehoek van bedrijfsleven, overheid en onderwijs in de negen door de minister van EL&I aangewezen topgebieden, en over het verkennen van de mogelijkheden voor dit instrument binnen het topgebiedenbeleid?
Bent u bereid ook met uw collega van Buitenlandse Zaken in overleg te gaan over welke wijze het aanbieden van scholarships aan buitenlandse studenten uit ontwikkelingslanden kan bijdragen aan de beleidsdoelen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, mede gezien de sterke punten van Nederland zoals kennis over watertechnologie en deltamanagment? In hoeverre zouden dergelijke scholarships kunnen vallen binnen de ODA-criteria?4
Het lek van de website van de Postcodeloterij |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Martijn van Dam (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat de website van de Postcodeloterij al dagenlang lek is, waardoor iedereen persoonsgegevens van deelnemers van de Postcodeloterij heeft kunnen inzien?1
Ja.
Is het u ook opgevallen dat de woordvoerder van de Postcodeloterij in het artikel vertelt dat de organisatie willens en wetens de site heeft aangepast op een manier waarvan men wist dat derden gegevens van deelnemers zouden kunnen inzien?
Over de bedoelde reclameactie heb ik informatie ingewonnen bij de Nationale Postcode Loterij (NPL). Volgens NPL was de actie als volgt opgezet: consumenten kregen een achtcijferige «gelukscode» thuisgestuurd, waarmee via internet aan de actie kon worden deelgenomen en waarbij vervolgens prijzen onder de deelnemers werden verloot. Na het invullen van de unieke code verschenen naam en adresgegevens van de consument in beeld, die desgewenst door de desbetreffende consument konden worden gecorrigeerd. Bij vaste deelnemers van de NPL waren deze gegevens na het invullen van de gelukscode overigens niet zichtbaar, omdat deze al in het bezit zijn van NPL.
Blijkens het artikel in de Volkskrant heeft een van de deelnemers aan de actie op een gegeven moment drie «gelukscodes» met de daarbij bijbehorende adresgegevens (in geanonimiseerde vorm) op een weblog op het internet gepubliceerd en daarbij vermeld dat de website van NPL, nu deze adresgegevens na het intoetsen van de code zichtbaar werden, onvoldoende is beveiligd. NPL heeft niet kunnen achterhalen hoe deze consument in het bezit van deze codes is gekomen. Na deze publicatie heeft NPL meteen maatregelen getroffen om te voorkomen dat deze adresgegevens zichtbaar worden of blijven voor derden. Overigens heeft NPL kunnen vaststellen dat pogingen zijn gedaan via willekeurige codes adresgegevens te genereren. Eén van die pogingen, waarbij gebruik is gemaakt van 80 000 automatisch gegenereerde codes, heeft slechts 8 werkende codes opgeleverd. In deze gevallen waren de adresgegevens vervolgens niet zichtbaar via de site, omdat het codes behorende bij reeds bestaande deelnemers van NPL betrof.
NPL heeft mij meegedeeld door het incident te hebben moeten vaststellen dat deze achtcijferige code onvoldoende beveiliging bood. NPL heeft mij verzekerd in de toekomst bij dergelijke acties te zorgen voor een betere beveiliging. Op grond van het voorgaande meen ik dat van het willens en wetens zichtbaar maken of onbeschermd plaatsen van persoonsgegevens op de site geen sprake is.
Vindt u het ook onbegrijpelijk en onvoorstelbaar onverantwoordelijk van de Postcodeloterij om bewust persoonsgegevens onbeschermd op de website te plaatsen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het de PvdA-fractie eens dat de vergelijking van de woordvoerder van de Postcodeloterij met de Telefoongids onzin is, aangezien mensen voor opname in de bestanden van de Telefoongids zelf toestemming kunnen verlenen of onthouden, wat bij deze onbezonnen actie van de Postcodeloterij niet het geval was? Wat vindt u ervan dat de Postcodeloterij op deze manier deze grove fout probeert goed te praten?
NPL heeft mij desgevraagd laten weten niet gelukkig te zijn met de wijze waarop haar reactie in de krant is weergegeven. Zij heeft mij meegedeeld de gang van zaken zeer te betreuren en zo snel mogelijk actie te hebben ondernomen om de onverhoopte openbaarmaking van persoonsgegevens te beëindigen. Voorts hecht NPL eraan op te merken dat persoonlijke gegevens zoals geboortedata en bankgegevens nooit zichtbaar zijn geweest.
Is het waar dat de Postcodeloterij hiermee de voorschriften uit de wet Bescherming Persoonsgegevens heeft overtreden, denk daarbij bijvoorbeeld aan artikel 13 dat verwerkers van persoonsgegevens verplicht zijn deze te beschermen tegen verlies en enige vorm van onrechtmatige verwerking?
Het ligt niet op mijn weg om een oordeel te geven over de vraag of NPL in dit concrete geval de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) heeft overtreden, dan wel over de eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid van NPL. Het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) is belast met het toezicht op de naleving van de Wbp en kan zonodig handhavend optreden. Het is aan de rechter om te beoordelen of klanten van NPL een eventueel recht op schadevergoeding toekomt.
Klopt het dat de Wet Bescherming Persoonsgegevens voor deze overtreding geen andere sanctie kent dan de last onder dwangsom, die het College Bescherming Persoonsgegevens slechts op kan leggen om de overtreding te laten beëindigen en er dus geen straf mogelijk is voor deze begane overtreding?
Het Cbp is belast met het toezicht op de naleving en de bestuursrechtelijke handhaving van de Wbp. Het Cbp is ingevolge de artikelen 65 en 66 van de Wbp uitgerust met de bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang, en daaraan gekoppeld het opleggen van een last onder dwangsom, alsmede, bij het niet naleven van een aantal formele verplichtingen uit de Wbp, zoals de meldplicht, de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
Op dit moment wordt de effectiviteit van het sanctie-instrumentarium van de Wbp en de wenselijkheid tot uitbreiding daarvan binnen mijn ministerie nader bestudeerd. Ik bericht u graag nader over de uitkomsten hiervan in een – reeds door mij toegezegde – brief over het privacybeleid. Ik ben voornemens om deze brief op korte termijn aan uw Kamer te doen toekomen.
Deelt u de opvatting dat het ontbreken van een sanctie als straf voor het bewust openbaar maken van persoonsgegevens in deze tijd niet meer te verdedigen valt?
Zie antwoord vraag 6.
Vindt u ook niet dat het op straat gooien van persoonlijke gegevens mensen kwetsbaar maakt voor identiteitsdiefstal en een inbreuk is op de privacy en alleen om die redenen al straf verdient? Zo ja, bent u bereid een wijziging van de Wet Bescherming Persoonsgegevens voor te bereiden om overtreding van de voorschriften uit de Wet die nu niet te bestraffen zijn, te kunnen laten bestraffen met een bestuurlijke boete of in zeer uitzonderlijke gevallen via het strafrecht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Is er een juridische grond voor klanten van de Postcodeloterij om de organisatie civielrechtelijk aan te spreken en een schadevergoeding te eisen voor het openbaar maken van persoonsgegevens?
Zie antwoord vraag 5.
Opsporingsproblemen bij politie |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Zembla «Opsporing verzocht» waarin een zeer verontrustend beeld wordt geschetst van de opsporing van misdrijven door de politie?1
Ja.
Wat is uw reactie op de problemen die in de uitzending van Zembla zijn aangekaart waaronder het beperkt invoeren van informatie in de Basisvoorziening Handhaving (BVH) en de Basisvoorziening Opsporing (BVO), de gebrekkige heterdaadkracht door een tekort aan politiemensen en de lage pakkans?
De Inspectie OOV heeft begin 2010 in het onderzoek naar de stand van zaken van de uitvoering van de Samenwerkingsafspraken 2008 geconstateerd dat medewerkers soms informatie niet invoeren in de BVH en BVO, of informatie in andere systemen invoeren. Beperkte invoer in de BVH en BVO is onwenselijk, omdat hierdoor informatie-uitwisseling tussen korpsen en medewerkers wordt belemmerd. De gebruiksvriendelijkheid en betrouwbaarheid van de BVH en BVO wordt op de korte termijn verbeterd. Na afronding van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer zal ik een besluit nemen over de verdere verbetering dan wel vervanging van beide systemen.
Klopt het dat niet alle relevante informatie wordt ingevoerd in de BVH en in de BVO? Zo ja, wat wordt er ondernomen om dit te ondervangen? Zo nee, wat is uw reactie op de bewering dat niet alle relevante informatie in het systeem wordt opgenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de BVH en de BVO niet of slechts in beperkte mate op elkaar zijn aangesloten en informatie die verzameld wordt op straat niet bij rechercheurs terecht komt? Zo ja, hoe kan het dat beide relatief nieuw ontwikkelde systemen niet op elkaar zijn aangesloten? Zo nee, wat is uw reactie op de bewering dat de systemen niet op elkaar aansluiten en op basis waarvan kan worden gesteld dat niet klopt?
De Inspectie OOV heeft in het bovengenoemde onderzoek geconstateerd dat de BVH en de BVO niet zijn gekoppeld. De korpsbeheerders hebben er destijds voor gekozen om de BVH en BVO te realiseren op basis van de bestaande systemen, waarbij de opzet was om de systemen van de korpsen voor handhaving en opsporing te uniformeren, maar niet om de systemen te vernieuwen. Het op elkaar aansluiten van beide systemen zou een aanzienlijke verzwaring van de realisatie van de basisvoorzieningen Handhaving en Opsporing zijn geweest en niet hebben gepast binnen de bovenstaande opzet van de ontwikkeling van de basisvoorzieningen. Het onderzoek van de Algemene Rekenkamer zal meer helderheid verschaffen over de besluitvorming over de totstandkoming van de basisvoorzieningen.
Klopt het dat door de problemen met de BVH en de BVO minder zaken zijn opgelost en zo’n 20 000 minder zaken zijn aangeleverd bij het Openbaar Ministerie (OM)? Zo ja, hoe komt dit? Zo nee, waarom klopt dit niet?
De invoering van de systemen BVH en BVO heeft tijdelijk veel capaciteit gekost om medewerkers vertrouwd te maken met deze nieuwe systemen. Vertraging in de registratie van zaken is daarvan een van de gevolgen geweest. Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat de criminaliteit is afgenomen in 2010, zoals ook blijkt uit de Integrale Veiligheidsmonitor 2010. Ook dat kan een verklaring zijn voor een verminderd aanbod van zaken. Exacte informatie over het aantal verdachten OM over 2010 komt binnenkort beschikbaar.
Klopt het dat nog geen 3% van in totaal 8,5 miljoen misdrijven wordt opgelost? Zo ja, hoe komt het dat dit percentage zo laag is? Wat is het streefpercentage van dit kabinet? Wat gaat u concreet doen om dit percentage omhoog te krijgen? Zo nee, wat is dan wel het oplospercentage en hoe is dat gemeten?
Het aantal van 8,5 miljoen misdrijven is een schatting van het totaal aantal veel voorkomende misdrijven. Dit geschatte aantal is gebaseerd op de uitkomsten van twee enquêtes. De eerste is een jaarlijkse slachtofferenquête, de Integrale Veiligheidsmonitor, die onder een steekproef uit de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder wordt afgenomen. De tweede is een jaarlijkse slachtofferenquête die onder het bedrijfsleven wordt uitgevoerd, de zogenaamde Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven. Van deze geschatte 8,5 miljoen veel voorkomende misdrijven wordt lang niet altijd aangifte bij de politie gedaan, in 2009 registreerde de politie ruim 1,2 miljoen misdrijven. Over dit aantal geregistreerde misdrijven wordt het ophelderingspercentage berekend. Het ophelderingspercentage verschilt sterk per type misdrijf. Voor de geweldsmisdrijven bedroeg dit in 2007 bijvoorbeeld 59%, terwijl voor alle misdrijven samen het percentage in dat jaar uit kwam op 23%. Dit kabinet wil het ophelderingspercentage van zware misdrijven met een kwart verhogen. Daartoe gaat met name het ophelderingspercentage van gewelddadige vermogenscriminaliteit omhoog van 23% naar 40% in 2015.
Klopt het dat jaarlijks zo’n 150 000 zaken op de plank blijven liggen en dat zaken worden weggegooid? Zo ja, om wat voor zaken gaat het? Hoe lang blijven deze zaken gemiddeld op de plank liggen? Wat gebeurt er uiteindelijk met deze zaken? Wat wordt concreet door u ondernomen om dit aantal te verlagen? Zo nee, hoeveel zaken blijven er volgens u op de plank liggen? Om wat voor zaken gaat het? Hoe lang blijven deze zaken op de plan liggen? Wat gebeurt er uiteindelijk met deze zaken? Wat wordt concreet door u ondernomen om dit aantal te verlagen?
Er bestaat geen landelijk overzicht van plankzaken. Het aantal van 150 000 kan ik daarom niet bevestigen, maar als dergelijke aantallen worden genoemd vat ik dat vanzelfsprekend op als een serieus signaal. Om meer zicht te krijgen op instroom, werkvoorraden en afdoening van zaken werk ik op dit moment aan de oprichting van de Nationale Politie. Daarnaast moet de invoering van een landelijk systeem: Betere Opsporing door Sturing op Zaken (BOSZ) bijdragen aan een beter zicht op het verloop van opsporingsproces. BOSZ is een «zicht op zaken» applicatie en heeft betrekking op de stuurmomenten in het opsporingsproces. Door de invoering BOSZ ontstaat een permanent en actueel zicht op aantallen, doorlooptijden, werkvoorraden, rendement, zaakstatus en interventies. Met behulp van de invoering van BOSZ, in combinatie met de vorming van de Nationale Politie, wordt het mogelijk om een beter inzicht te krijgen in de aard en omvang van de zaken die blijven liggen en wordt tegelijkertijd een betere sturing op de opsporing mogelijk. De Raad van Korpschefs heeft inmiddels besloten om BOSZ landelijk in te voeren. Uitrol van BOSZ wordt meegenomen in de landelijke invoering van Basisvoorziening Informatie (BVI).
Klopt het dat bij de 250 000 zaken die jaarlijks bij het OM moeten worden aangeleverd geen selectie plaatsvindt op de ernst van de zaak en dat dit tot gevolg heeft dat met name de makkelijk oplosbare zaken worden aangeleverd? Zo ja, wat vindt u van deze praktijk? Zo nee, kunt u inzichtelijk maken op basis waarvan deze bewering niet zou kloppen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 10 van de Kamervragen gesteld door het lid Marcouch (vraagnummer 2011Z03675).
Erkent u dat de politie te maken heeft met een onderbezette slagkracht in verhouding tot het aantal misdrijven dat jaarlijks wordt gepleegd?
Ik ben niet van mening dat er sprake is van onderbezetting bij de politie. De operationele sterkte van de politie is niet eerder zo groot geweest. Politiecapaciteit is per definitie schaars. Er zullen dus altijd keuzes moeten worden gemaakt.
Komt u nog voor de zomer met een aanvalsplan om de problemen met de BVH en de BVO aan te pakken?
Voor de maatregelen die ik op korte termijn zal nemen voor de genoemde systemen verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4 van het lid Marcouch (vraagnummer 2011Z03675). Verder zal ik na de zomer komen met een plan van aanpak voor de problemen van de BVH en BVO mede op basis van de conclusies en aanbevelingen van het onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de ICT bij de politie.
Een levensgevaarlijk mysterieus reclamebord langs de A4 bij Leiderdorp |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat op dit moment langs de rijksweg A4 bij Leiderdorp een mysterieus reclamebord met zwarte en witte vlakken staat, een zogeheten Quick Response-code?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat deze code alleen met een smartphone ontcijferd kan worden en dat rijdende automobilisten de telefoon moeten pakken om de boodschap te ontcijferen? Deelt u de mening dat dit tot levensgevaarlijke situaties kan leiden?
Rijkswaterstaat hanteert als richtlijn dat een object wat niet relevant is voor de rijtaak de aandacht maximaal twee seconden mag vasthouden.
Wanneer een bestuurder besluit een foto van dit object te maken wordt in de eerste plaats de regel betreffende het gebruik van een mobiele telefoon in de auto overtreden. Daarnaast zal naar alle waarschijnlijkheid de aandacht meer dan twee seconde van het verkeer zijn afgeleid waardoor de verkeersveiligheid negatief beïnvloed kan worden.
Deelt u de mening dat dit soort borden niet langs een (autosnel-)weg hoort? Zo nee, waarom niet?
Gelet op hetgeen ik aangeef in mijn antwoord op vraag twee ben ik van mening dat dit bord niet thuis hoort langs de snelweg.
Bent u bereid om onmiddellijk actie te ondernemen en dit bord vandaag nog (te laten) verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Aangezien het bord op het grondgebied van de gemeente Leiderdorp staat heb ik geen bevoegdheid om dit bord te verwijderen. Desondanks heb ik de eigenaar van het bord, ontwikkelaar Bohemen, bereid gevonden om het bord te verwijderen.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat borden als deze langs de (autosnel-)wegen geplaatst worden?
Het staande beleid van Rijkswaterstaat is dat er geen commerciële uitingen zijn toegestaan binnen de eigen beheergrenzen. Een uitzondering hierop vormen borden met een vooraanduiding voor tankstations en de merkaanduiding. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de plaatsing van objecten op het eigen grondgebied.
Binnen mijn departement wordt momenteel gewerkt aan een beleidskader «afleiding». Dit kader beschrijft criteria om van (geplande) objecten langs auto(snel) snelwegen vast te stellen of zij de verkeersveiligheid negatief kunnen beïnvloeden. Met objecten worden in dit kader o.a. gebouwen, windturbines, billboards en kunstobjecten bedoeld. Wanneer objecten de verkeersveiligheid negatief kunnen beïnvloeden is dit een grond voor Rijkswaterstaat om een aanvraag voor een vergunning te weigeren. Wanneer het object buiten het beheergebied van Rijkswaterstaat wordt gerealiseerd, zoals in deze casus het geval is, zal dit beleidskader worden gebruikt om een standpunt in te nemen richting de betreffende decentrale overheid.
Dit beleidskader zal besproken worden met de VNG en mijn verwachting is dat het rond de zomer wordt vastgesteld waarna het aan alle gemeenten over wiens grondgebied een auto (snel) weg loopt wordt aangeboden.
Vergoedingen in de kinderopvangsector |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hermans krijgt twee ton van Kanteel»?1, waaruit blijkt dat een – naar de mening van de rechter op legitieme gronden – ontslagen directrice van een kinderopvangorganisatie in totaal 2,5 ton krijgt uitgekeerd?
Wat is uw oordeel over het feit dat er in de (indirect gesubsidieerde) kinderopvangsector dit soort vergoedingen bij een legitiem ontslag wordt uitbetaald, terwijl de betrokken ouders in de afgelopen jaren steeds zijn geconfronteerd met prijsverhogingen?
Bent u van mening dat de Raad van Commissarissen en het bestuur van de stichting waaronder Kanteel Kinderopvang valt, in deze kwestie juist hebben gehandeld door een dergelijk bedrag uit te keren? Bestond daartoe een contractuele verplichting?
Op welke wijze kunnen verontruste en boze ouders de betrokken bestuurders aanspreken op hun handelen in deze kwestie? Bent u van mening dat oudercommissies voldoende zijn uitgerust om hun controlerende taak richting bestuurders uit te oefenen?
Bent u in het algemeen van oordeel dat er voldoende transparantie in de markt voor kinderopvang is, bijvoorbeeld als het gaat om prijs en kwaliteit in relatie tot het behaalde financiële rendement van een instelling, zodat ouders zich een oordeel kunnen vellen over de noodzaak van prijsstijgingen?
Bent u bereid om de Kamer nader te informeren over de schaalvergroting, concentraties en overnames door investeringsmaatschappijen die momenteel in de sector plaatsvinden? Wat is uw oordeel over het feit dat betrokken ouders van bestuurders steeds minder inzicht lijken te krijgen in de kosten voor kinderopvang in relatie tot de prijs, met het argument dat het bedrijfsgeheimen betreft? Wat betekent dit naar uw mening voor de keuzevrijheid van ouders en de mogelijkheden om (via ouderraden) invloed uit te oefenen op prijs en kwaliteit?
Bent u van mening dat marktwerking in de kinderopvang zonder echt keuzevrijheid ouders te zeer in een afhankelijkheidspositie plaatst, en dat de positie van ouders versterkt dient te worden om invloed te kunnen uitoefenen? Op welke wijze bent u van plan de positie van ouders te versterken?
Het bericht dat er sprake is van corruptie en hoge kosten bij zorgverzekeraar Agis |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht «Corruptie en te hoge kosten: veel mis bij Agis in Marokko»?1 Zo ja, deelt u de mening dat de geschetste cultuur van steekpenningen, monopolies en vriendjespolitiek, onder toeziend oog van de directeur van het Agis-steunpunt ter plaatse, onacceptabel is?
Het bericht in de Volkskrant van 18 februari jl. dat Agis zaken doet met een corrupt netwerk van klinieken in Marokko en dat deze zorgverzekeraar Nederlandse verzekerden dwingt zich te laten behandelen door bevriende artsen tegen te hoge kosten is naar ik heb begrepen niet in overeenstemming met de werkelijkheid.
Agis heeft een servicecentrum in Marokko gevestigd, net zoals in Turkije en Suriname. Verzekerden die zich bij zo’n servicecentrum melden, krijgen op basis van hun diagnose een advies over een te kiezen kliniek waarmee Agis een overeenkomst heeft gesloten.
Agis heeft mij laten weten alleen overeenkomsten te sluiten met klinieken waarvan de kwaliteit van de zorg, de transparantie van de administratieve afhandeling en de prijsstelling is getoetst en positief beoordeeld. Adviserend geneeskundigen vanuit Nederland bezoeken en beoordelen de klinieken op deze punten. Agis spreekt met hen prijzen af conform de Marokkaanse prijsstelling die ruim onder het Nederlandse tarief ligt.
Verzekerden hebben in het buitenland, net als in Nederland, vrije artsenkeuze, dus ze hoeven dit advies van het servicecentrum niet op te volgen. Als verzekerden naar een door Agis gecontracteerde kliniek gaan, hoeven ze de kosten van de behandeling niet voor te schieten. Als verzekerden ervoor kiezen naar een kliniek van hun eigen keuze te gaan, dan kunnen ze de gemaakte kosten, uiteraard alleen indien de behandeling binnen de dekking van de verzekering valt, achteraf in Nederland declareren.
Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat er geen sprake kan zijn van de beschuldigingen die zijn geuit in het betreffende Volkskrant artikel.
Zoals u weet is het Kabinet voornemens de werelddekking van de ziektekostenverzekering af te schaffen en de vergoeding te beperken tot de landen van de Europese Unie. Als deze maatregel geëffectueerd is, vervalt de wettelijke grondslag van bovenstaande afspraken voor wat betreft het basispakket.
Deelt u de mening dat Agis de uitkomsten van het onderzoek per direct openbaar moeten maken?
Van Agis heb ik begrepen dat er geen sprake is van een onderzoek. Wel is het zo dat zorgverzekeraars standaard controles uitvoeren om te bezien of zorgaanbieders zich aan de met hen gemaakte afspraken houden. Uit regulier onderzoek door de interne accountantsdienst van Agis en uit de controle door de externe accountant blijkt dat de handelwijze van het servicekantoor en de financiële stromen in overeenstemming zijn met de afspraken die met de gecontracteerde zorgverleners zijn gemaakt.
Bent u bereid de ten onrechte uitgegeven Nederlandse premiegelden terug te vorderen bij zorgverzekeraar Agis? Zo nee, waarom niet?
De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgkantoren en zorgverzekeraars en op de gedeclareerde zorg in de Zvw en AWBZ. De NZa heeft mij laten weten dat zij naar aanleiding van de nu voorliggende informatie en het contact dat zij hierover met Agis hebben gehad, geen aanleiding ziet om een aanvullend onderzoek in te stellen. Zodra er in de toekomst nadere informatie boven water zou komen zal de NZa hierop alert zijn en zal zij zonodig handhavend en eventueel corrigerend optreden.
Uitzendbureaus die knoeien met buitenlandse arbeidskrachten |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Noodklok illegale arbeid»?
Ja.
Is het u bekend dat de Arbeidsinspectie bij controles zelfs illegale arbeiders aantreft die werken via gecertificeerde arbeidsbureaus? Op welke schaal komt dit voor?
Ja. Het is mij bekend dat ook gecertificeerde ondernemingen zich niet altijd aan de regels houden. De Arbeidsinspectie heeft in 2009 in totaal 1535 uitzendbureaus gecontroleerd. Hiervan waren er 687 gecertificeerd. Tegen deze gecontroleerde gecertificeerde uitzendbureaus zijn 49 boeterapporten opgemaakt voor illegale tewerkstelling. In 43 gevallen is een boeterapport opgemaakt tegen een gecertificeerd uitzendbureau voor een andere overtreding, zoals onderbetaling of het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Het percentage overtredingen Wav en Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml) bedraagt bij de gecontroleerde gecertificeerde uitzendbureaus 13%. Deze resultaten hebben uitsluitend betrekking op de door de Arbeidsinspectie geïnspecteerde ondernemingen. Zij geven geen representatief beeld van de sector of van de gecertificeerde ondernemingen als geheel.
Wat gaat u eraan doen zodat het certificaat van uitzendbureaus betrouwbaar is?
In een overleg met de Uitzendbranche heb ik mijn zorg hierover uitgesproken en verzocht om concrete maatregelen te nemen. Daarnaast vinden op ambtelijk niveau periodiek gesprekken plaats met de branche over de verbetering van de kwaliteit van het certificaat. De branche heeft aangegeven dat de controlesystematiek zal worden verbeterd. Ik bereid, in samenwerking met mijn collega van Financiën, een wetsvoorstel voor waarin wordt geregeld dat Arbeidsinspectie en Belastingdienst de namen van bedrijven die in overtreding zijn gaan doorgegeven aan de Stichting Normering Arbeid die het register beheert van gecertificeerde bedrijven. Hierdoor kunnen overtredende bedrijven uit het register worden geweerd.
Is het u bekend dat Bulgaarse zzp’ers werken voor veel te lage tarieven? Zo ja, op welke schaal komt dit voor? Zo ja, hoe vaak wordt informatie opgevraagd in de lidstaat van vestiging? Hoe lang duurt het, voordat deze informatie boven tafel is?
Voor zelfstandig werkende ondernemers, en overigens ook voor onderdanen uit de EU-landen, gelden geen minimumtarieven. Het Kabinet is niet voornemens minimumtarieven voor zelfstandigen in te voeren. Kortheidshalve verwijs ik u hiervoor naar de Kabinetsreactie «SER-advies «zzp’ers in beeld» die op 4 maart 2011 aan uw Kamer is verzonden.
Is het u bekend dat de Wet Arbeidsvoorwaarden bij grensoverschrijdende arbeid (WAGA) niet wordt nageleefd door bedrijven die in Nederland opdrachten aannemen? Zo ja, hoe pakt u deze problematiek aan? Hoe vaak wordt door de Arbeidsinspectie informatie opgevraagd in de lidstaat van vestiging? Hoe lang duurt dit, voordat deze informatie boven tafel is?
De tijdelijk in Nederland gedetacheerde werknemers hebben op grond van de Wet arbeidsvoorwaarden grensoverschrijdende arbeid recht op de «harde kern» van arbeidsvoorwaarden, volgens de algemeen verbindend verklaarde cao in de betreffende sector: cao-loon (betaald door de dienstverlener), vakantiedagen, rusttijden, maximale werktijden, regels en voorwaarden voor uitzendwerk, veiligheidsmaatregelen en gelijke behandeling.
De Arbeidsinspectie ziet toe op de naleving van de wettelijke arbeidsvoorwaarden (i.c. wettelijk minimumloon) en voert jaarlijks circa 30 000 inspecties uit. Werkgevers worden gecontroleerd op illegale tewerkstelling, arbeidsomstandigheden, werktijden en onderbetaling.
In de detacheringsrichtlijn (richtlijn 96/71/EG) is geregeld dat de Europese lidstaten een verbindingsbureau oprichten voor samenwerking en informatie-uitwisseling over grensoverschrijdende detachering van werknemers. In Nederland is dit bureau ondergebracht bij de Arbeidsinspectie. Als tijdens inspecties sprake is van grensoverschrijdende arbeid, kan de Arbeidsinspectie via de verbindingsbureaus informatie opvragen over de aangetroffen bedrijven en werknemers. In 2010 heeft de Arbeidsinspectie 55 verzoeken om informatie gedaan bij de verbindingsbureaus in 12 verschillende lidstaten. De gemiddelde behandeltijd van deze vragen bedroeg circa anderhalve maand.
Het is aan cao-partijen om toe te zien op de naleving van arbeidsvoorwaarden zoals vastgelegd in de cao’s. Voor meer informatie over de handhaving van cao’s verwijs ik naar de Kamerbrieven over dit onderwerp (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 29 544 en 32 123 XV, nr. 219).
Deelt u de mening dat de informatie uitwisseling tussen de lidstaten de problemen van illegale arbeid onvoldoende is om illegale arbeid te bestrijden? Zo ja, wat voor verdere stappen wilt u nemen?
Nee, de ervaring van de Arbeidsinspectie is dat de informatie-uitwisseling met de buitenlandse liaisonbureaus goed verloopt. Dit betreft zowel de kwaliteit als de termijn van beantwoording. Vanuit de Europese Commissie zijn recentelijk voorstellen gedaan voor een elektronisch systeem voor informatie-uitwisseling tussen de lidstaten. Naar verwachting wordt de internationale gegevensuitwisseling tussen verbindingsbureaus hierdoor versneld. Ik zie dan ook geen aanleiding voor verdere stappen op dit punt.
Deelt u de mening dat er met meer daadkracht tegen illegale arbeid en onderbetaling en uitbuiting moet worden opgetreden? Deelt u tevens de mening dat het eigenlijk te gek voor woorden is dat Nederlandse bedrijven die in Nederland werkzaam zijn zich blijkbaar genoodzaakt voelen een fair trade sticker in het leven te roepen, zoals in de champignonsector gebeurt?
Ik deel de mening dat illegale tewerkstelling krachtig bestreden moet worden. Op 10 maart jl. heb ik uw Kamer dan ook geïnformeerd over de voornemens voor een intensivering van de fraudeaanpak. In de uitwerking van deze voorstellen wordt bezien hoe notoire overtreders van wetgeving hard kunnen worden aangepakt, onder meer door verhoging van de boetes (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 17 050, nr. 403). Verder staat het ieder bedrijf vrij zich op de markt te onderscheiden, bijvoorbeeld door het voeren van een keurmerk.
Deelt u de mening dat de omvang van de geconstateerde problemen duidt op een structurele ondercapaciteit bij de Arbeidsinspectie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer wordt deze capaciteit uitgebreid?
Nee, die mening deel ik niet. De meer gerichte inzet van de Arbeidsinspectie heeft juist geleid tot een toename van het aantal geconstateerde overtredingen. In antwoord op de vraag over uitbreiding van de inspectiecapaciteit verwijs ik u kortheidshalve naar mijn brief aan uw Kamer van 22 maart j.l inzake de amendementen Spekman c.s ingediend bij de begroting SZW 2010.
De zogenaamde studiereis naar Zwitserland |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten hoe het idee voor de «studiereis» met zorgbestuurders tot stand is gekomen?1
De opgaven waar de langdurige zorg voor staat zijn groot, en de overheid kan daaraan niet alleen het hoofd bieden. Daarvoor is betrokkenheid van het veld van de langdurige zorg noodzakelijk.
Veel uitdagingen in de westerse wereld zijn hetzelfde. Kijken in de keuken bij anderen geeft een beeld van verschillende oplossingsmogelijkheden en voorkomt dat verschillende landen en partijen eigenstandig steeds opnieuw het wiel uitvinden, terwijl we moeten leren van elkaars fouten. Hiervoor komen mensen bij ons op bezoek en gaan wij op bezoek bij anderen. Bij deze reis hebben zowel werkbezoeken aan de overheid als aan het veld plaatsgevonden om maximaal rendement te halen.
Aan het begin van mijn ministerschap heb ik aangegeven het belangrijk te vinden dat beleidsambtenaren buiten het departement kijken. Dit heeft over het algemeen in Nederland plaats, maar in bijzondere gevallen kan een bezoek aan het buitenland veel informatie opleveren. In dergelijke gevallen wordt een zorgvuldige afweging gemaakt of de kosten opwegen tegen de baten. Derhalve deel ik uw kwalificatie niet dat dit kan worden aangemerkt als potverteren.
Kunt u uiteenzetten wat er zo inspirerend is aan de zorg in Zwitserland om daar vijf dagen naar af te reizen?
In Zwitserland is na een langdurige discussie over marktwerking, overheidsverantwoordelijkheid, gemeentelijke verantwoordelijkheid en eigen betalingen van de burger, het stelsel voor langdurige zorg gewijzigd. Omdat in Nederland een vergelijkbaar debat plaats heeft met vergelijkbare dilemma’s, is voor Zwitserland gekozen. Bezocht zijn het kanton en de gemeenten Zurich en Basel, die een hoofdrol speelden in de vertaling van de nieuwe wetgeving naar de decentrale regelgeving en het beleid. Ook zijn bezoeken gebracht aan geïntegreerde care/cure centra, een innovatieve ggz-instelling, een instelling voor verstandelijk gehandicapten en revalidatie- en aan woonzorgcentra.
Overigens nam de studiereis drie dagen in beslag, dinsdag, woensdag en donderdag. De vluchten van en naar het land vonden plaats op maandagavond (om 19.05 uur) resp. vrijdagochtend (om 10.15 uur).
Kunt u toelichten op grond van welke criteria de meegereisde bestuurders en mensen uit het zorgveld op de aanwezigheidslijst zijn geselecteerd? Is het waar dat deze mensen zijn «uitverkoren» en dat er geen open inschrijving voor deze reis is geweest?
De deelnemers aan de reis zijn mensen die werken in de langdurige zorg en er blijk van hebben gegeven zich nadrukkelijk te willen verdiepen in genoemde vraagstukken. Derhalve is geen sprake geweest van een open inschrijving.
Bij mijn aantreden was een aantal geplande bezoeken, zoals deze, qua organisatie al in een vergevorderd stadium. Het aanbestedingstraject was vergevorderd en deelnemers waren geattendeerd. Voor annuleren bestond geen aanleiding omdat voor het meest kosteneffectieve aanbod is gekozen.
Is het waar dat de deelnemers voor de reis begin 2011 benaderd zijn? Zo ja, hoe verklaart u de uitspraak van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in de berichtgeving dat de reis niet meer te annuleren is geweest? Zo nee, wanneer zijn de deelnemers uitgenodigd?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre past het organiseren van kostbare reisjes voor selecte gezelschappen in uw beleidsdoelstelling om in de kosten van het ministerie van VWS te snijden, zoals u veelvuldig heeft aangekondigd in debatten?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Begrijpt u dat bij mensen de indruk ontstaat dat het ministerie van VWS leuke reisjes organiseert en aan potverteren doet? Zo ja, waarom is dit reisje niet geannuleerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wie heeft de reis van de deelnemers betaald, het ministerie van VWS, de zorginstelling of de deelnemers zelf? Kunt u ons een overzicht geven?
De reis van de deelnemers (reis- en verblijfkosten) is betaald door de deelnemers. De factuur is door de organisator verzonden aan de organisatie waar de deelnemer werkt. Het is aan deze organisatie of en in welke mate de deelnemer zelf meebetaalt aan de reis. VWS heeft de organisatie en logistieke kosten betaald.
Indien de reis is betaald door zorginstellingen of zorgorganisaties, wat is uw oordeel daarover? Kunt u uiteenzetten waar in de zorgfinanciering – via de zorgzwaartepakketten bijvoorbeeld – de overhead voor dit soort reisjes is opgenomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onderdeel van de bekostiging van zorg is kennisontwikkeling, opleiding enz. voor de mensen die in de zorg werken. Hoe zorginstellingen deze middelen inzetten is hun verantwoordelijkheid. Hiervoor is aangegeven dat het aan de zorginstellingen is, of en in welke mate de deelnemer zelf meebetaalt aan de reis.
Kunt u toelichten waarom de directeur Langdurige Zorg deel heeft genomen aan deze reis? Welke meerwaarde heeft dat voor uw ministerie, gelet op het feit dat deze per 1 maart 2011 overstapt naar een zorgverzekeraar? Kunt u uw antwoord toelichten?
De directeur Langdurige Zorg heeft de reis voorbereid, buitenlandse contacten gelegd en was delegatieleider. Het was de doelstellingen van de reis niet ten goede gekomen als de directeur Langdurige Zorg niet was meegegaan.
Wat is er besproken op de diners, lunches en andere bijeenkomsten? Welke deals zijn er gesloten tussen het ministerie van VWS en de zorgbestuurders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Tijdens de reis is veelvuldig gesproken over hetgeen in Zwitserland naar voren kwam, de mogelijke betekenis daarvan voor Nederland en het eigen werk. Meer in de diepte zijn drie thema’s aan de orde gekomen. Allereerst is op dinsdag aan de orde geweest: de financiering, solidariteit en organisatie van langdurige zorg in Zwitserland in vergelijking met de situatie in Nederland en de mate waarin zorgaanbieders zelf daarin het voortouw nemen in Zwitserland en Nederland. Op woensdag is gesproken over de noodzaak om de relatie tussen professionals in de zorg en cliënten centraal te plaatsen, wat daarvoor nodig is, hoe dat in Zwitserland gebeurt en hoe met name zorgaanbieders hieraan handen en voeten kunnen geven. Tot slot is op donderdag hetgeen is gezien, geleerd en besproken, vertaald naar een inhoudelijke agenda waaraan de deelnemers willen gaan werken.
De rode draad was dat het met name aan zorgaanbieders is de kwaliteit en de doelmatigheid in de zorg te vergroten. De vraagstukken in de langdurige zorg in Nederland zijn vergelijkbaar met die in Zwitserland. Van belang is hoe de Zwitsers deze vraagstukken hebben opgelost (of niet) en hoe daarvan door ons kan worden geleerd.
Waarom moesten er twee mensen mee van adviesbureaus Plexus en BKB? Is hun reis ook door uw ministerie betaald?
Zowel van BKB als Plexus is er één begeleider mee geweest. Deze zorgden voor de logistiek. De kosten voor de begeleiders maakten onderdeel uit van de opdracht.
Wanneer zijn de plannen voor de reis gemaakt? Is de reis aanbesteed en zo ja, wanneer is de aanbesteding gegund?
De reis is aanbesteed op basis van een programma van eisen dat in de periode augustus en september 2010 is ontwikkeld. De offertes zijn op 20 september 2010 aangevraagd bij vijf bedrijven. De offertes zijn op 7 oktober 2010 ontvangen. Van deze vijf vielen er twee af. Er is gesproken met drie van de partijen die een offerte hebben uitgebracht. De informele gunning en afwijzing vond plaats op 18 oktober 2010. Na de informele gunning en/of afwijzing geldt een wachttijd om een partij, die is afgewezen in de gelegenheid te stellen bezwaar te maken. De formele gunning heeft op 16 november 2010 plaatsgevonden. Het noemen van de organisaties die zijn afgewezen is bedrijfsgevoelige informatie. De combinatie van BKB en Plexus kwam als beste uit de aanbesteding omdat deze de hoogste kwaliteit tegen de laagste prijs bood.
Zijn er andere organisaties dan Plexus en BKB geweest die hebben meegedaan aan de aanbesteding voor de organisatie van deze reis? Zo ja, welke en waarom hebben zij de aanbesteding niet gegund gekregen? Zo nee, hoe verklaart u dat er geen andere organisaties hebben ingeschreven?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u een overzicht geven van alle opdrachten die Plexus en/of BKB uitvoeren in opdracht van het ministerie van VWS? Zo nee, waarom niet?
Hieronder treft u een overzicht aan van opdrachten aan Plexus Medical Group die op dit moment nog in uitvoering zijn.
Omschrijving
Omvang contract
Zichtbaar maken beleidsresultaten (samen met BKB)
1 917 796,64
Chronisch zieken beleid
604 155,85
Ontwikkelen signaal vlaggen VVT
30 731,16
Kernset prestatie indicatoren GGZ (Zichtbare Zorg)
74 027,52
Totaal
2 626 711,17
De enige opdracht die BKB op dit moment in uitvoering heeft is de studiereis naar Zwitserland, waarin BKB samenwerkt met Plexus Medical Group (€ 44 744).
Volledigheidshalve treft u hieronder aan een opgave van de opdrachten die Plexus Medical Group vanaf 2009 van VWS heeft gekregen welke inmiddels zijn afgerond. Opdrachten met een omvang groter dan € 50 000,= zijn gespecificeerd.
Omschrijving
Bedrag
Praktijktoets levelindicatoren spoedeisende hulp
105 000,00
Koppeling indicaties Care-ZZP
103 964,35
Internationale benchmark bloedprijzen
127 334,34
Vergelijkbare data GGZ
67 199,15
Chronisch zieken beleid
383 525,11
Verbetering kwaliteitskader VVT
132 374,92
Budgettaire effecten betere naleving richtlijnen
77 568,96
Ontwikkeling prestatieindicatoren verloskunde (Zichtbare Zorg)
132 816,49
Ontwikkeling indicatoren (Zichtbare Zorg)
374 916,05
Ontwikkeling substitutiemodel eerstelijnsdiagnostiek
129 032,00
Nadere uitwerking ontwikkeling indicatoren (Zichtbare Zorg)
63 874,44
Diverse opdrachten kleiner dan 50 000,–
543 080,83
Totaal
2 240 686,64
Hieronder vindt u een opgave van de opdrachten die BKB vanaf 2009 van VWS heeft gekregen welke inmiddels zijn afgerond. Opdrachten met een omvang groter dan € 50 000,– zijn gespecificeerd.
Omschrijving
Bedrag
Congres langdurige zorg
445 105,41
Diverse opdrachten kleiner dan 50 000,–
2 280,00
Totaal
447 385,41
Welke andere soortgelijke reizen hebben in de afgelopen jaren plaatsgevonden? Waar gingen ze heen, wat waren de kosten en welke mensen hebben deelgenomen?
VWS-ambtenaren onderhouden verschillende internationale contacten, zowel multilateraal als bilateraal.
In EU-verband vindt een groot aantal vergaderingen van EU werkgroepen plaats in Brussel, Kopenhagen of, met het Hongaars voorzittersschap, in Boedapest. Daarnaast vinden er (EU) expertmeetings plaats oa op het gebied van voedselveiligheid, geneesmiddelen, curatieve zorg en langdurige zorg. Verder nemen ambtenaren van het ministerie, indien nodig, deel aan vergaderingen en bijeenkomsten van internationale organisaties zoals de OECD, de Verenigde Naties en meer specifiek de WHO. Het VWS-werkterrein heeft bovendien een internationaal karakter zoals bijvoorbeeld bij sport. Deze bijeenkomsten vinden over de hele wereld plaats. Omdat VWS ook verantwoordelijk is voor beleid met betrekking tot oorlogsgetroffenen en in die rol voorzitter is van ITF3, hebben ambtenaren de afgelopen jaren bezoeken gebracht aan vergaderingen van het ITF in o.a. Israël, Warschau en Parijs.
Verder zijn er bilaterale contacten voor operationele doeleinden, over beleidsvorming en internationale afspraken (zoals het tekenen van verdragen en het sluiten van overeenkomsten) met diverse landen. Daarnaast worden deze bilaterale contacten gebruikt voor de uitwerking van internationale regelgeving. Momenteel staat het ministerie voor een groot aantal vraagstukken, zoals meer innovatie in de zorg, de stelselherziening Jeugdzorg en de herzieningen in de AWBZ. Soms kan het waardevol zijn hiervoor buiten de landsgrenzen te kijken naar mogelijke oplossingen. Zo is over de ontwikkeling van de Zorgverzekeringswet contact geweest met andere landen, waaronder de Verenigde Staten. Veel landen sturen hiervoor ook delegaties naar Nederland.
Door de directe leidinggevende en/of de dienstleiding wordt per keer afgewogen of eventuele kosten van een reis op wegen tegen de baten, hoewel die niet altijd meetbaar zijn. Ik zal met het oog op de financiële situatie van de Rijksoverheid op dit moment, in het algemeen waar mogelijk nog kritischer afwegen. In die geest zullen de afwegingen per keer worden gemaakt. Daar waar de kosten opwegen tegen de baten zie ik geen reden waarom VWS-medewerkers geen dienstreizen gericht op kennisvermeerdering meer zouden kunnen maken.
Een zo compleet mogelijk overzicht van de afgelopen jaren van buitenlandse dienstreizen van ambtenaren van het ministerie van VWS gericht op kennisvermeerdering (inclusief congressen, conferenties etc.) is bijgevoegd4. Hiervoor geldt een voorbehoud, omdat er geen afzonderlijke registratie van dit type reizen plaatsvindt. In een aantal gevallen treden VWS deelnemers daarbij op als spreker. Tevens is bijgevoegd een voorlopige planning voor 2011. In deze overzichten zijn niet opgenomen de buitenlandse dienstreizen die gericht zijn op andere doeleinden, zoals hierboven toegelicht.
Hoeveel reizen staan er nog gepland en bent u bereid deze te annuleren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 15.
Kunt u de vragen beantwoorden vóór 1 maart 2011, 12.00 uur?
Nee, dat is helaas niet gelukt.
Het aanstaande bankroet van de Hoge Selheidslijn (HSL) en de gevolgen hiervan voor de staatskas |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Bankroet HSL nabij»?1
Ja.
Bent u het eens met de in het artikel geuite stelling dat een vervoerder nooit meer zo een hoge gebruiksvergoeding zal betalen voor exploitatie van de HSL-Zuid?
Zoals blijkt uit mijn brief aan uw Kamer van 31 januari 2011 (Kamerstuk 22 026 nr. 327) bekijk ik momenteel alle mogelijke oplossingsrichtingen. Ik kan deze vraag nu dus nog niet beantwoorden.
Kunt u aangeven op welke posten van de begroting de concessieopbrengsten van de HSL-Zuid nu staan ingeboekt en welke projecten hiermee in gevaar zullen komen?
Nee. De concessieopbrengsten van de HSL-Zuid (i.c. de HSL-heffing) gelden als inkomsten voor het Infrafonds en worden verantwoord op artikel 13.09 (Ontvangsten op het gebied van Spoorwegen). De concessieopbrengsten zijn niet één op één gekoppeld aan de uitgaven aan specifieke projecten.
Kunt u aangeven welke van deze projecten voor u dusdanige prioriteit hebben, dat u alvast kunt aangeven dat de uitvoering van deze projecten niet in gevaar zal komen?
Nee. Dit kan ik nog niet aangeven. Zie de beantwoording van vraag 3.
Risico's door uitzendkrachten op ambulances |
|
Attje Kuiken (PvdA), Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Uitzendkrachten op ambulance levensgevaarlijk»1 en «Met patiënt achterin op zoek naar het ziekenhuis»?1
Ja.
Wat vindt u van de noodkreet van Abvakabo FNV dat op steeds meer plekken uitzendkrachten op ambulances moeten rijden?
Naar aanleiding van deze berichten heb ik contact gehad met Ambulancezorg Nederland (AZN). Zij heeft mij te kennen gegeven zich niet te herkennen in het beeld dat in het Algemeen Dagblad wordt geschetst. Volgens AZN zijn er voldoende waarborgen in de opleiding van chauffeurs om de kwaliteit te waarborgen. De opleiding tot ambulancechauffeur is verplicht voor alle chauffeurs, ook voor uitzendkrachten. Verder werkt de sector met landelijke protocollen om de kwaliteit van de ambulancezorg te waarborgen en wordt een ambulancechauffeur in zijn werk ondersteund door geavanceerde navigatiesystemen.
Hoe beoordeelt u de risico’s van de inzet van uitzendkrachten als ambulancechauffeur die de verkeerssituatie en het stratenplan in de regio waar ze werken niet kennen? Wat zijn volgens u de gevolgen voor aanrijtijden? Vindt u het acceptabel dat uitzendkrachten zonder voldoende stratenkennis worden ingezet op ambulances?
De inzet van personeel is primair een verantwoordelijkheid van de Regionale ambulancevoorziening (RAV). De RAV moet beoordelen of een uitzendkracht ingezet kan worden in een specifieke regio. Landelijk zijn er opleidingseisen om de kwaliteit van de ambulancezorg te waarborgen. De risico’s worden hiermee naar mijn mening beheerst. Eventuele gevolgen voor de aanrijdtijden door het inzetten van uitzendkrachten zouden zichtbaar moeten worden in de prestaties van de RAV-en. Jaarlijks wordt door AZN de benchmark «Ambulances in-zicht» uitgebracht. Dit rapport geeft inzicht in de prestaties van de individuele ambulancediensten. Waar de prestaties niet aan de gestelde normen voldoen moet een RAV dit kunnen uitleggen.
Vindt u dat werkgevers voldoende doen om te voorkomen dat uitzendkrachten die de verkeerssituatie en het stratenplan niet goed genoeg kennen op ambulances rijden? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, hoe gaat u ze hiertoe aansporen?
Ja, naar mijn mening worden de risico’s voldoende beheerst.
Zie verder antwoord op vraag 2 en 3.
Is het waar dat steeds vaker verpleegkundigen een verkorte opleiding tot ambulancemedewerker krijgen aangeboden en/of al als ambulancemedewerker aan het werk zijn voordat de opleiding is afgerond?
Nee, dit is niet waar. De opleidingseisen en competenties van de ambulanceverpleegkundigen zijn afgestemd op de inhoud van hun functie en de eisen in het kader van de Wet BIG. Het Koninklijk Besluit 524 van 29 oktober 1997 regelt de deskundigheid van ambulanceverpleegkundigen op het gebied van voorbehouden handelingen in het kader van artikel 39 Wet BIG. Een ambulanceverpleegkundige is op basis van dit besluit een verpleegkundige die in het bezit is van het getuigschrift ambulanceverpleegkundige dat is afgegeven door de Stichting Opleidingen Scholing Ambulancehulpverlening (SOSA).
De gewenste minimale deskundigheid, in termen van (basis)opleiding en noodzakelijke kennis en vaardigheden is sectoraal vastgesteld. De zorgprofessionals werkzaam in het primaire proces, starten zo spoedig mogelijk na indiensttreding met een sectoraal erkende (vervolg) opleiding aan de Academie voor Ambulancezorg. De opleiding tot ambulanceverpleegkundige is zodanig ingericht dat de cursist aan het einde van de opleiding in staat is het beroep ambulanceverpleegkundige zelfstandig uit te voeren en is daarmee ook deskundig en bekwaam voor het functioneel zelfstandig uitvoeren van bepaalde voorbehouden handelingen.
Is het toegestaan om verpleegkundigen zonder afgeronde opleiding tot ambulancemedewerker in te zetten als ambulancemedewerker? Zo ja, vindt u dit wenselijk/acceptabel? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen tegen werkgevers die niet-opgeleide verpleegkundigen inzetten?
Nee, dit is niet toegestaan. RAV-en onderzoeken en initiëren met de ketenpartners nieuwe zorgproducten. Voorbeelden hiervan zijn Mobiele Intensieve Care Unit (MICU), de rapid responder en de hulp- zorg ambulance. Daarbij wordt taakherschikking zoveel mogelijk op het niveau van de werkvloer georganiseerd waarbij kwaliteit en doelmatigheid belangrijke criteria zijn. De RAV-en spelen hierop in door middel van een verantwoorde zorg- en opleidingsdifferentiatie. Sectoraal is afgesproken dat de RAV voor externe toetsing en certificatie gebruik maakt van een branchespecifiek certificatieschema. De RAV laat zich, op basis van dit schema en conform de eisen voor (her)certificering van de certificerende organisatie, periodiek toetsen.
Heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg(IGZ) onderzoek gedaan naar het halen van de bereikbaarheidsnorm door ambulances die met uitzendkrachten of niet gekwalificeerd personeel werken? Zo ja, wat is de uitkomst van het onderzoek?
De IGZ heeft tot nu toe geen onderzoek gedaan.
Bent u bereid de IGZ te vragen onmiddellijk onderzoek te doen naar het halen van de bereikbaarheidsnorm door ambulances die met uitzendkrachten of niet gekwalificeerd personeel werken? Zo ja, Kunt u de resultaten van dit onderzoek vóór 1 oktober 2011 aan de Kamer zenden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb aan de IGZ gevraagd om in de komende periode extra alert te zijn op signalen uit het veld of de sector die kunnen wijzen op tekortschietende zorg of risico’s dat normen en afspraken niet worden gehaald. De IGZ zal mij informeren wanneer er nieuwe informatie is die een nader onderzoek en daarmee gerichte actie wenselijk of noodzakelijk maakt.
Bent u bekend met artikel 54 van de Pensioenwet waarin ex-werknemers de mogelijkheid geboden wordt om hun pensioenregeling vrijwillig voort te zetten?
Ja.
Als civielrechtelijk een Zzp’er nog tien jaar pensioen mag opbouwen en fiscaal maar drie jaar wordt gefaciliteerd, deelt u de mening dat de civiele regeling voor zeven jaar effectief daarmee een «wassen neus» is en dat fiscale en civiele regelingen parallel dienen te lopen, in lijn met het SER-advies?1
Ik deel uw mening dat het ophouden van de fiscale facilitering na 3 jaar, niet bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van de voortzetting van de pensioenopbouw bij de oude pensioenuitvoerder. Hoewel er vanuit de fiscaliteit goede redenen bestaan om grenzen te stellen aan de mate waarin van de omkeerregel gebruik kan worden gemaakt, vind ik het in deze situatie wenselijk om te faciliteren wat op grond van de Pensioenwet mogelijk is.
Kunt u nog vóór de kabinetsreactie op het SER-advies aangeven of u van plan bent om de voorgestelde verlenging daadwerkelijk te realiseren? Zo ja, wanneer?
Ik ben bereid de fiscale begeleiding van vrijwillige voortzetting te verlengen van 3 naar 10 jaar, zodat de in de Pensioenwet genoemde mogelijkheid ook fiscaal wordt gefaciliteerd. Voor de budgettaire dekking van deze maatregel, die ik met het Belastingplan 2012 wil realiseren, heb ik wel de steun nodig van uw Kamer.
Bij de invulling van de verlenging van de vrijwillige voortzetting wil ik nog onderzoeken of mogelijk is de pensioengrondslag na het derde jaar te maximeren op het actuele inkomen en met als bovengrens het laatstverdiende loon van de gewezen werknemer.
Het is de bedoeling dat vanaf 2012 gebruik kan worden gemaakt van de uitbreiding van de fiscale facilitering bij vrijwillige voortzetting.
De financiële schade voor waterschap Brabantse Delta vanwege de brand bij Chemie-Pack |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Inwoners West-Brabant betalen kosten reinigen brand Chemie-Pack»?1 Kloppen de beschreven feiten?
Op beide vragen luidt het antwoord ja.
Onderschrijft u de stelling dat door snel en adequaat handelen van het waterschap veel schade aan bodem en grond- en oppervlaktewater in de omgeving van Moerdijk en aan het riool is voorkomen?
Op dit moment worden verschillende onderzoeken naar de brand bij Chemie-Pack te Moerdijk uitgevoerd. Voordat ik oordeel over het optreden, wacht ik de uitkomsten van deze onderzoeken af.
Onderschrijft u de stelling dat dit snelle en adequate handelen onvermijdelijk was en dat wachten op duidelijkheid over eventuele financiële vergoedingen ernstige gevolgen voor natuur, milieu en volksgezondheid had opgeleverd?
Zie de beantwoording bij de vorige vraag.
Acht u het eerlijk dat het waterschap zelf voor de financiële consequenties van dit snelle en adequate handelen moet opdraaien?
Waterschappen zijn binnen hun beheergebied belast met onder meer de zorg voor de kwaliteit van oppervlaktewater- en grondwater. Zij kunnen de kosten daarvan omslaan over de belastingplichtigen in dat gebied. Dus in algemene zin en in beginsel past het binnen het stelsel dat het waterschap voor de financiële consequenties opdraait. Daarbij geldt dat het waterschap een verhaalsmogelijkheid heeft (en zelfs een verhaalsplicht op grond van artikel 17.16 Wet milieubeheer voor zover het milieuschade in de zin van artikel 17.6 Wet milieubeheer betreft) op de veroorzaker van de schade. Dit moet de inzet zijn. Als dat niet lukt, is er reden voor nader overleg.
Deelt u de mening dat het een staaltje «stank voor dank» zou zijn als het waterschap voor zijn goede gedrag de rekening gepresenteerd krijgt, indien zou blijken dat Chemie-Pack de financiële schade niet (volledig) kan compenseren waardoor de ingezetenen met een verhoging van de waterschapslasten met 40% worden geconfronteerd? Zo nee, hoe gaat u er dan voor zorgen dat die financiële compensatie anderszins plaats vindt?
Allereerst zal moeten worden vastgesteld wat de daadwerkelijke kosten voor het Waterschap Brabantse Delta zijn. Daarna moet worden bezien of door verhaal en eventueel bestaande regelingen deze kosten kunnen worden gedekt. Voor het restantschadebedrag geldt dan dat indien dit leidt tot een (eenmalige) extreme verhoging van de waterschapslasten in het waterschap Brabantse Delta, dit aanleiding kan zijn om te kijken welke mogelijkheden er zijn voor financiële compensatie. Ik zal hierover dan met de ministers van Veiligheid en Justitie en Financiën in overleg treden.
Nederlandse belangen in Wit-Rusland |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Is het waar dat het Russische bedrijf Gazprom op 18 mei 2007 een aandeel van 50% in het Wit-Russische distributienetwerk Beltransgaz nam ter waarde van 2,5 miljard dollar? Is het waar dat deze overname in 2010 is afgerond?1 Is het waar dat ABN AMRO deze aankopen van Gazprom direct of indirect heeft gefinancierd door middel van het verstrekken van omvangrijke kredieten? Indien nee, wat zijn dan de feiten?
Is het tevens waar dat ABN AMRO in 2006 taxateur werd in het gasconflict tussen Rusland en Wit-Rusland? Is het waar dat het gasconflict werd beslecht doordat Gazprom voor 50% aandelen kreeg in Beltransgaz, waarmee Gazprom het distributienetwerk voor 50% in handen kreeg? Indien nee, wat zijn dan de feiten? Deelt u de opvatting dat ABN AMRO en Gazprom daarmee grote economische en financiële belangen in Wit-Rusland verwierven? Indien nee, waarom niet?
Is het tevens waar dat ABN AMRO sinds 1 juni 2007 een lange termijn samenwerking met Wit-Rusland is aangegaan en daarmee een rol in de Wit-Russische investerings- en kapitaalmarkt en de oliesector heeft verworven?2 Indien nee, wat zijn dan de feiten?
Is het waar dat de ABN AMRO vanaf 2007 de Wit-Russische regering adviseert over internationale kredietwaardigheid van de Wit-Russische economie, teneinde een betere uitgangspositie voor de Wit-Russische regering te verwerven op de internationale kredietmarkt? Is het waar dat ABN AMRO voor deze werkzaamheden is aangetrokken vanwege zijn betrouwbare reputatie?3
Is het tevens waar dat ABN AMRO de modernisering van de Mazyr- en van de Novapolotsk-olieraffinaderij financierde en een lening van 1 miljard euro verstrekte aan de Belarussian Oil Company? Zo ja, wanneer, en wat is de stand van deze projecten?4
Welke aankopen heeft ABN AMRO gefinancierd in Wit-Rusland sinds 2005? Om welke belangen gaat het daarbij voor ABN AMRO?
Heeft ABN AMRO ook leningen verstrekt aan de Wit-Russische regering en Wit-Russische staatsbedrijven in Wit-Rusland? Zo ja, welke en wanneer, om welke projecten gaat het en welke bedragen zijn daarbij in het geding? Op welke wijze is de Nederlandse regering betrokken bij de garantstelling van deze investeringen?
Welke gezamenlijke projecten zijn er sindsdien verder afgesloten? Welke projecten zijn er sinds de verkiezingen van december 2010 gesloten? Hoe lang duurt deze samenwerking nog en wat is in het licht van het feit dat ABN AMRO genationaliseerd is, de consequentie hiervan voor de Nederlandse regering? Deelt u de mening dat de Nederlandse regering een grote invloed kan uitoefenen op de samenwerking tussen ABN AMRO en Wit-Rusland? Welk beleid voert u in dit opzicht?
Is het waar dat Shell Global Solutions en CRI-Criterion de raffinaderij van Novopolotsk heeft gemoderniseerd?5 Indien neen, wat zijn dan de feiten? Heeft Shell of hebben Shell-dochters nog andere olie- en gasinstallaties in Wit-Rusland gemoderniseerd of hebben zij bezittingen in Wit-Rusland verworven? Zo ja, welke? Is daarbij samengewerkt met ABN AMRO in de financiering van deze werkzaamheden en/ of acquisities? Zo ja, op welke wijze is dat gedaan? Kunt u dat toelichten?
Is het waar dat Wit-Rusland voor een bedrag van 2,4 miljard dollar aan goederen naar Nederland uitvoert? Is het los van de bedragen waar dat Nederland de tweede handelspartner is van Wit-Rusland, in termen van exportbestemmingen van dat land?6 Hoeveel olie, olieproducten en gas wordt uit of via Wit-Rusland naar Nederland geëxporteerd? Welke bedrijven in Nederland importeren en/of verwerken deze producten? Kunt u dat per bedrijf expliciteren? Welk bedrag aan olie importeert Nederland jaarlijks uit Wit-Rusland? Wat is de rol van Nederlandse oliebedrijven bij de import/verwerking van die olie?7
In de periode januari-oktober 2010 bedroeg de uitvoer van Wit-Rusland naar Nederland USD 2,3 miljard. Nederland is daarmee na de Russische Federatie de tweede handelspartner in termen van export. Bij deze uitvoer vanuit Wit-Rusland gaat het vermoedelijk om transito-stromen van Russische olie en gas dat via Wit-Rusland, al dan niet met tankers via de Baltische Zee (olie) of via pijpleidingen (gas) wordt uitgevoerd en Nederland bereikt. Omdat deze olie- en gasproducten niet oorspronkelijk uit Wit-Rusland komen maar veelal gekocht zijn in Rusland, kunnen deze stromen niet in de Nederlandse statistieken teruggevonden worden met Wit-Rusland als land van origine. Welke specifieke bedrijven hierbij betrokken zijn, valt om die reden, maar ook om redenen van vertrouwelijkheid van commerciële gegevens, niet nader aan te geven. Op welke wijze de transito-stromen in de Wit-Russische statistieken terugkomen is onduidelijk, maar de genoemde bedragen kunnen er op duiden dat Wit-Rusland op een andere manier registratie bijhoudt, en dat de export van Russische olie en gas ten onrechte ook nog eens als Wit-Russische export wordt geboekt.
Blijft u van mening dat «geostrategische afwegingen op dit moment ondergeschikt zijn aan de mensenrechtensituatie»? Blijft u tevens van mening dat het «gedrag van de Wit-Russische autoriteiten volstrekt onaanvaardbaar is in het Europa van deze eeuw»?8 Deelt u de mening dat het steunen van Loekasjenko neerkomt op het in steek laten van democratische ontwikkelingen in Wit-Rusland? Welke maatregelen bent u alsnog bereid te nemen of om in EU-verband voor te stellen om te voorkomen dat het regime in Wit-Rusland gesteund wordt door export van Wit-Russische olie en andere producten naar Nederland en Nederlandse export naar Wit-Rusland? Kunt u dat toelichten?
Op uw eerste drie vragen is mijn antwoord bevestigend. Wat betreft de maatregelen tegen het regime heeft de EU op 31 januari jl. de sancties aangescherpt door het opnieuw instellen van het EU-inreisverbod voor president Loekasjenko en zijn getrouwen. De sanctielijst werd hierbij uitgebreid van 41 naar 158 personen. Mede op aandringen van Nederland zijn hierbij ook de tegoeden van betrokkenen bevroren en is het EU-beleid van engagement ten aanzien van het Wit-Russische regime opgeschort, terwijl contact met onafhankelijke krachten in Wit-Rusland door de EU wordt geïntensiveerd. Het kabinet is tevens van mening dat het Wit-Russische regime vooralsnog geen aanspraak mag maken op financiële steun vanuit de EU en (Europese) financiële instellingen. Indien de situatie daar aanleiding toe geeft, zal Nederland met EU-partners spreken over mogelijke verdere maatregelen. Leidraad hierbij zal zijn dat maatregelen gericht moeten zijn tegen het regime en dat de bevolking niet moet worden getroffen.
Euroterminal Coevorden en spoorcapaciteit Zwolle-Coevorden-Emmen |
|
Arie Slob (CU) |
|
|
|
|
Heeft ProRail op grond van artikel 8 van het Besluit Capaciteitsverdeling Hoofdspoorweginfrastructuur wel de bevoegdheid gedurende zo’n groot deel van de dag een spoorverbinding te sluiten voor goederenvervoer?1
Nee. ProRail heeft niet de bevoegdheid om een baanvak te sluiten op grond van artikel 8. ProRail heeft het baanvak ook niet gesloten; er waren in de jaardienst voor overdag (7.00 – 20.30 uur), m.u.v. zondag, geen goederentreinen aangevraagd. De ad-hoc aanvraag van deze vervoerder kan, gegeven de in de jaardienst reeds verdeelde capaciteit, niet overdag worden ingepast. Zie hiervoor verder het antwoord op vraag 2 van de heer Haverkamp (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1712).
Hoeveel goederentreinen kunnen nu niet rijden op de gewenste tijden? Is het waar dat deze goederentreinen niet kunnen rijden omdat de nieuwe vervoerder niet twee maar één locomotief per trein inzet?
In eerste aanleg betrof dit 3 treinen die in de ad-hoc fase zijn aangevraagd. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2 van de heer Haverkamp.
Afhankelijk van het gewicht van de trein zal de vervoerder één of twee locomotieven moeten inzetten om voldoende snelheid te kunnen halen om binnen de beschikbare tijdsperiode te rijden. Hierbij gelden de definities van de verschillende soorten goederenvervoer zoals opgenomen in het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur. Voor conventioneel vervoer wordt uitgegaan van een dienstregeling waarin treinen van 1 600 ton met een kruissnelheid van 85 km/u kunnen rijden. Indien de vervoerder op een trein onvoldoende locomotieven inzet, kan dit tot gevolg hebben dat zijn aanvraag niet past.
Deelt u de mening dat de capaciteit op een spoorverbinding te krap is, als blijkbaar het inzetten van twee locomotieven noodzakelijk is om de dienstregeling te kunnen rijden; en dat de uitvoering van de dienstregeling bij zo’n krappe marge wel erg gevoelig wordt voor vertragingen?
Ik deel die mening niet. Het is niet ongebruikelijk om met meer dan één locomotief te rijden. In het onderhavige geval rijdt de vervoerder met een type locomotief waarmee de dienstregeling niet gehaald kan worden met de inzet van één locomotief. Er zijn ook typen locomotieven in Nederland toegelaten die over voldoende trekkracht beschikken om de dienstregeling met één locomotief te rijden. Die keuze ligt bij de vervoerder.
Deelt u de mening dat op grond van de regelgeving over spoorcapaciteit niet van een goederenvervoerder kan worden gevraagd twee locs in te zetten en dat railterminal Coevorden zich uit de markt zou prijzen als dit wel zou worden geëist?
De regelgeving stelt geen eisen aan het aantal locs. Dit aantal is van meerdere factoren afhankelijk zoals type materieel, lading en snelheid. De businesscase is per vervoerder anders en onder andere afhankelijk van lading en inzet van materieel. Op basis van deze case is dan ook geen algemene uitspraak te doen over de marktomstandigheden voor de railterminal Coevorden.
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over de spoorcapaciteit Zwolle-Herfte Aansluiting-Emmen van 17 november 2010?2
Ja, ik herinner mij die antwoorden.
Deelt u de mening dat het niet mogelijk is gebleken om alle capaciteitsaanvragen op deze spoorverbinding naar tevredenheid van de gebruikers af te handelen?
Ik deel die mening niet. In de jaardienst zijn alle aanvragen naar tevredenheid van alle gebruikers afgehandeld. Ook in de ad-hoc fase is in overeenstemming met de vervoerder een oplossing gevonden voor gewenste wijzigingen.
Is de spoorverbinding Zwolle–Coevorden–Emmen op grond van de recente besluiten over het beperken van het goederenvervoer inmiddels overbelast verklaard? Zo nee, waarom niet? Kunt u in dat geval onderbouwen dat u hiermee nog handelt binnen de kaders van de Europese richtlijnen op dit punt en wat er dan wel moet gebeuren om deze spoorlijn overbelast te verklaren nu al jaren bekend is dat er een capaciteitsknelpunt is?
Deze verbinding is niet overbelast verklaard omdat alle aanvragen in de jaardienst van 2011 naar tevredenheid van de aanvragers (conform artikel 22 van Europese Richtlijn 2001/14) konden worden afgehandeld. In de komende jaardienstverdeling zal blijken of er sprake is van een situatie waarin voor 2012 of in de nabije toekomst niet alle aanvragen naar tevredenheid kunnen worden afgehandeld. In dat geval zal ProRail tot een overbelastverklaring moeten overgaan.
Is de spoorverbinding Zwolle–Coevorden–Emmen in uw ogen robuust? Zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Ja, ProRail is er tot heden in geslaagd om in de jaardienstfase binnen de dienstregelingsontwerpnormen (die de robuustheid borgen) de aanvragen voor capaciteit op deze verbinding in te plannen.
Nederlandse wapenexport naar Bahrein |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bloody crackdown smashes Bahrain protesters»1 en beelden op YouTube en via Twitter?2
Ja.
Klopt dat in de periode tussen 1994–1997 Nederland 35 M-113 en 25 YPR pantservoertuigen aan Bahrein heeft geëxporteerd?
In de jaren negentig is meermaals overtollig defensie materieel geleverd aan Bahrein. Hier behoorden ook 35 M-113 en 25 YPR-pantservoertuigen toe.
Klopt het dat de Nederlandse regering de wapenexport van voornamelijk overtollig defensie-materieel destijds verantwoord vond?
Nederland voert alleen overtollig defensiematerieel uit als dit verantwoord wordt bevonden. Dit wordt bepaald aan de hand van een zorgvuldige toets aan acht criteria, die oorspronkelijk zijn vastgesteld door de Europese Raden van Luxemburg (1991) en Lissabon (1992), en sinds die tijd worden gehanteerd. In 2008 is de Gedragscode inzake wapenexport, waarin deze criteria lagen vastgelegd, omgezet in een juridisch bindend EU Gemeenschappelijk Standpunt. De criteria hebben onder andere betrekking op de mensenrechtensituatie, en de binnenlandse en regionale stabiliteit van het land van eindbestemming.
Welke garanties heeft de regering dat door Nederland geleverd militair materieel niet wordt ingezet voor schendingen van mensenrechten?
De regering kan nooit de garantie krijgen dat door Nederland geleverd militair materieel niet wordt ingezet voor schendingen van mensenrechten. Om deze reden toetst Nederland zeer sterk aan het mensenrechtencriterium (criterium 2 van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Als een risico wordt voorzien dat de goederen worden ingezet bij eerder in het land van eindbestemming geconstateerde mensenrechtenschendingen, zullen de goederen niet worden uitgevoerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de aard van het goed, de eindgebruiker en de mensenrechtensituatie in het land van eindbestemming.
Deelt u de mening dat, gezien de ontwikkelingen in het Midden-Oosten, wapenexportbeleid naar Noord-Afrika en het Midden-Oosten moet worden herzien?
Elke individuele aanvraag voor de export van militair materieel naar Noord-Afrika en het Midden-Oosten wordt, als altijd, zorgvuldig getoetst aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Bij nieuwe vergunningaanvragen voor uitvoer van militair materieel naar landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, zal in het licht van de huidige ontwikkelingen worden gekeken of er een risico bestaat dat het uit te voeren materieel gebruikt zal worden voor mensenrechtenschendingen of binnenlandse onderdrukking. In veel gevallen zal dit op basis van de criteria tot een afwijzing leiden. Inmiddels is zowel in VN- als in EU-verband een wapenembargo ten aanzien van Libië afgekondigd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het algemeen overleg wapenexport op 16 maart 2011?
Ja.
Het schrappen van elektronisch huisarrest |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Teeven wil elektronisch huisarrest veroordeelde schrappen»?1
Ja.
Ligt dit bericht in het verlengde van uw antwoorden over elektronisch huisarrest in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel in verband met wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling (Kamerstuk 32 319)?2
Ja. Ik heb aangekondigd dat dit kabinet, het omzetten van een door de rechter opgelegde gevangenisstraf in elektronisch bewaakt huisarrest (thuisdetentie) geen geloofwaardige vorm acht van tenuitvoerlegging van straffen.
Deelt u de mening dat straffen, naast vergelding, ook preventief van aard moeten zijn? Zo ja, hoe ziet u dit in verhouding tot uw voorstel om elektronisch huisarrest te schrappen? Zo nee, waarom niet?
Het opleggen van een straf heeft inderdaad meerdere doelen. Bij elektronisch huisarrest is naar mijn mening sprake van een wijze van tenuitvoerlegging die afwijkt van hetgeen de rechter als straf heeft opgelegd, namelijk insluiting in een gevangenis. Veroordeelden tot een vrijheidsstraf zouden in het kader van het wetsvoorstel thuisdetentie hun straf thuis mogen uitzitten. Dat doet geen recht aan de rechterlijke uitspraak en aan de belangen van de slachtoffers.
Dit kabinet acht het principieel onjuist dat de administratie beslist dat een gevangenisstraf op andere wijze ten uitvoer wordt gelegd dan in een gevangenis. De rechter heeft er immers bewust voor gekozen om tot oplegging van de vrijheidsstraf over te gaan. Hij had ook een geldboete, taakstraf en/of voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen opleggen, maar heeft dat niet gedaan. Het eigenstandig omzetten van een door de rechter opgelegde vrijheidsstraf in elektronisch huisarrest doet afbreuk aan het vergeldingsaspect van deze straf en de beveiliging van de samenleving. Hiermee is volgens dit kabinet de geloofwaardigheid van de sanctietoepassing niet gediend.
Deelt u de mening dat vanwege de confrontatie met de eigen omgeving en situering in de eigen buurt, thuisdetentie minstens zo confronterend en bestraffend kan zijn als een korte gevangenisstraf? Zo ja, waarom kiest u dan toch voor het afschaffen van thuisdetentie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de samenleving er meer baat bij heeft als kortgestraften door hun straf op het rechte pad terugkomen? Zo ja, waaruit blijkt dat korte gevangenisstraf effectiever is dan thuisdetentie? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het kabinet zet in op het bevorderen van de toepassing van bijzondere voorwaarden gericht op gedragsverandering in het kader van een voorwaardelijke bestraffing. Binnenkort bespreek ik het daartoe strekkende wetsvoorstel met uw Kamer. Het stimuleren van voorwaardelijke trajecten zal er aan kunnen bijdragen dat het aantal korte vrijheidsstraffen wordt teruggedrongen en heeft tot doel het verminderen van de recidive en daarmee het verhogen van de maatschappelijke veiligheid.
Blijkt uit wetenschappelijk onderzoek dat factoren zoals het hebben van werk, inkomen, huisvesting en een adequaat sociaal netwerk, een belangrijke rol vervullen bij het voorkomen van recidive? Zo ja, past hierbij elektronisch huisarrest niet veel beter dan celstraf? Zo nee, uit welk wetenschappelijk onderzoek blijkt dat deze factoren geen belangrijke rol vervullen bij het voorkomen van recidive?
Deelt u de mening dat dankzij elektronische detentie kortgestraften beter hun huis en baan kunnen houden dan wanneer zij in de cel verdwijnen? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat hierdoor het risico van recidive aanzienlijk kleiner is? Zo nee, hoe gaat u in het kader van het motto «uit de bak, is aan de bak» zorgen dat gedetineerden na hun detentie meteen weer aan werk gaan?
In hoeverre breekt celstraf voor kortgestraften reeds ingezette trajecten om recidive te voorkomen af en in hoeverre doet elektronisch huisarrest dit niet?
Is het schrappen van thuisdetentie ook een poging om aan uw schrikbeeld van lege cellen te ontkomen? Zo ja, acht u dit een gerechtvaardigde reden voor het schrappen van thuisdetentie? Zo nee, waarom niet?
De directe aanleiding voor de start van de proef met elektronische detentie was destijds het cellentekort. Daarvan is nu geen sprake meer. In 2010 is de praktijk van toepassing van elektronische detentie voor zelfmelders met een korte gevangenisstraf beëindigd, zoals gemeld in antwoord op vragen van het toenmalige lid van de Tweede Kamer Van Velzen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2009–2010, nr. 2947). De toenmalige minister van Justitie heeft destijds aangekondigd dat hij het niet langer wenselijk achtte dat deze proef zonder wettelijke normering plaatsvond. Het huidige kabinet is van mening dat het indienen van dit wetsvoorstel niet langer gewenst is.
Wat zijn de kosten van elektronische detentie per dag en wat zijn de kosten van een gevangenisstraf per dag?
Elektronische detentie kostte € 43,– per dag per persoon. ED werd uitsluitend toegepast bij personen die anders een oproep zouden hebben gekregen zichzelf te melden om hun vrijheidsstraf te ondergaan in een beperkt beveiligde inrichting (BBI). De dagprijs van een BBI is € 231,– per dag per persoon.
Uitzendkrachten op de ambulance |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat er als gevolg van bezuinigingen op de ambulancezorg steeds vaker uitzendkrachten worden ingezet om ambulances te rijden terwijl ze niet goed bekend zijn met het gebied waarin ze moeten rijden?1 Zo ja, wat is hierover uw oordeel?
Vorig jaar is met de ambulancesector een convenant afgesloten waarin een efficiencytaakstelling overeen is gekomen betrekking hebbende op de budgetjaren 2011 tot en met 2013. Er is naar mijn mening, en ik heb dit bij de sector geverifieerd, op dit moment geen verband tussen het inzetten van uitzendkrachten en deze taakstelling. Redenen om uitzendkrachten in te schakelen hebben meestal te maken met uitval van eigen personeel.
Hoe groot is het aantal uitzendkrachten waarvan de ambulancediensten in Nederland gebruik maken in absolute aantallen en in percentages?
Deze aantallen worden niet landelijk bijgehouden en ik kan u deze cijfers dan ook niet geven. Voor de volledigheid wijs ik erop dat personeelsbeleid de verantwoordelijkheid is van de individuele ambulancediensten.
Vertonen deze aantallen een stijgende lijn? Zo ja, vindt u dit een wenselijke ontwikkeling?
Zie antwoord vraag 2, ik heb hier geen gegevens over.
Hoe worden deze uitzendkrachten geworven?
Er zijn binnen de sector ambulancezorg een aantal gespecialiseerde uitzendbureaus werkzaam die zich toeleggen op het uitzenden van ambulancechauffeurs en ambulanceverpleegkundigen.
Wat vindt u van het oordeel van de vakbond AbvaKabo dat werkgevers veel te laks omspringen met dit probleem en dat zij rigoreus bezuinigen op het personeel zonder dat zij nadenken over het verlies aan kwaliteit?
Het verband tussen de bezuiniging en uitzendkrachten is naar mijn mening niet aangetoond. Het inhuren van uitzendkrachten is in het algemeen niet goedkoper dan personeel in vaste dienst. Zoals gezegd liggen er mogelijk andere redenen ten grondslag aan het inhuren van personeel, bijvoorbeeld ziekte van eigen personeel enzovoorts. Landelijk zijn er opleidingseisen voor chauffeurs, verpleegkundigen en meldkamercentralisten om de kwaliteit van de ambulancezorg te waarborgen. Deze eisen gelden ook voor uitzendkrachten. De risico’s worden hiermee naar mijn mening beheerst.
Welke controle is er op de bekwaamheden en bevoegdheden van uitzendkrachten? Welke rol speelt de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in deze?
Een uitzendkracht moet voldoen aan dezelfde (landelijk geldende) opleidingseisen als personeel in vaste dienst. Ook een uitzendkracht die als ambulancechauffeur in een regio werkzaam is heeft een landelijke opleiding tot ambulancechauffeur gevolgd. Een chauffeur wordt middels een geavanceerd navigatiesysteem ondersteund in het vinden van de weg.
De kwaliteit waaraan ambulancezorg moet voldoen is vastgelegd in onder andere de Kwaliteitswet zorginstellingen en in de veldnormen en richtlijnen van de ambulancesector. De ambulancediensten zijn uiteraard primair zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit en de IGZ houdt hier toezicht op.
Wie is verantwoordelijk als het gaat om niet BIG-geregistreerde medewerkers?
De ambulancedienst onder wiens verantwoordelijkheid het personeel wordt ingezet.
Bent u bereid actie te ondernemen om dit probleem te tackelen? Zo ja, wat gaat u ondernemen? Zo neen, waarom niet?
Ik heb aan de IGZ gevraagd om in de komende periode extra alert te zijn op signalen uit het veld of de sector die kunnen wijzen op tekortschietende zorg of risico’s dat normen en afspraken niet worden gehaald. De IGZ zal mij informeren wanneer er nieuwe informatie is die een nader onderzoek en daarmee gerichte actie wenselijk of noodzakelijk maakt.
Het Dokkumer Lokaaltje |
|
Arie Slob (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de sloop door ProRail van het laatste stukje authentieke Noord-friesche locaalspoorweg (Dokkumer Lokaaltje)?
Op 1 december 2003 heeft mijn ambtsvoorganger bij brief aan de voorganger van ProRail (N.V. Nederlandse Spoorwegen) gevraagd om de sanering van de spoorlijn Leeuwarden-Stiens ter hand te nemen. ProRail had daartoe de geldende procedure inclusief het raadplegen van gerechtigden doorlopen. Aan het verzoek was geen termijn verbonden. ProRail heeft, gezien de huidige gunstige prijs van grondstoffen, besloten om de sloop nu ter hand te nemen.
Is het waar dat er plannen zijn om delen van deze historische spoorlijn te reactiveren als museumlijn en dat om het project te promoten binnen enkele maanden zou worden gestart met spoorfietsen tussen Stiens en Jelsum?
Ik heb deze plannen uit de krantenberichten mogen vernemen.
Wat is de reden dat ProRail dit spoor nu opbreekt?
Zoals bij het antwoord op vraag 1 al aangegeven neemt ProRail de sanering nu ter hand in verband met de gunstige grondstofprijzen; de saneringskosten kunnen nu gedekt worden uit de opbrengsten.
Is het waar dat hiermee de stichting, die de spoorfietsen en de museumtrein wil introduceren, hiermee op extra kosten wordt gejaagd om het spoor weer terug te krijgen?
Gezien het feit dat het spoor gesaneerd zou worden, is er al jaren geen onderhoud aan gepleegd. Helaas is het daardoor in zo’n slechte staat, dat het onbruikbaar is geworden voor spoorvervoer. Als er opnieuw treinen zouden gaan rijden, zou het spoor sowieso vervangen moeten worden. Daarom kan niet gesproken worden van extra kosten.
Bent u bereid ProRail te vragen onmiddellijk te stoppen met de sloop? Zo nee, waarom niet?
De Stichting heeft in haar brief aan ProRail1 aangegeven dat zij vooral graag de grondposities zou willen verwerven. ProRail laat weten dat er nog geen grond is verkocht. Alleen de sporen zijn, om eerder genoemde redenen, verwijderd.
Bent u bereid deze vragen vóór 1 maart te beantwoorden?
Helaas heb ik de termijn van 1 maart niet kunnen halen. Hierbij ontvangt u alsnog de antwoorden.
Het verband tussen narcolepsie en vaccinatie tegen Mexicaanse griep |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over een verband tussen vaccinatie tegen Mexicaanse griep en het voorkomen van narcolepsie bij kinderen en jongeren?1 Kunt u zich voorstellen dat mensen zich ongerust maken over deze mogelijke bijwerking van een vaccin dat werd aangeraden door de Nederlandse overheid?
Ja. De resultaten van onderzoek in Zweden en Finland naar narcolepsie (slaapziekte) laten een mogelijk verband zien met het gebruik van het pandemisch vaccin Pandemrix in de leeftijdsgroep 4 t/m 19 jaar.
In Finland wordt narcolepsie negen keer vaker gerapporteerd in de gevaccineerde groep (een toename van 1 naar 9 gevallen per 100 000). Ook in Zweden is een verhoogd risico op narcolepsie gevonden bij de leeftijdsgroep tussen 4 en 19 jaar die met Pandemrix gevaccineerd is. De resultaten zijn in lijn met de Finse data, maar met een kleinere omvang; er is een toename van 1 naar 4 gevallen per 100 000. In totaal zijn 229 gevallen van narcolepsie na vaccinatie gemeld in Europa2.
Het Committee for Medicinal Products for Human Use (CHMP), het wetenschappelijke comité van het EMA, adviseert voorschrijvers bij deze leeftijdsgroep rekening te houden met de voorlopige resultaten uit Finland en Zweden en om een individuele baten/risico analyse te maken.
Zowel het Europese geneesmiddelenagentschap (EMA) als het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) doen studie naar het verband tussen vaccinatie met Pandemrix en het voorkomen van narcolepsie3.
In een brief van het ECDC aan de EMA vraagt de directeur aan het EMA o.a. om het gebruik van Pandemrix voorlopig op te schorten, wachtend op definitieve resultaten en om een validatie van de Finse, Zweedse en VAESCO studie. De directeur van het ECDC wijst erop dat er nu geen reden voor gebruik van Pandemrix meer is. Dit vaccin is alleen tegen Nieuwe Influenza A (H1N1) gericht en was dus vooral bruikbaar tijdens de pandemie in 2009. Nu hebben we – zoals altijd – een seizoensgriepvaccin dat uit drie vaccinstammen bestaat, waaronder het Nieuwe Influenza A (H1N1) virus.
In Nederland is Pandemrix in 2009 gebruikt ter voorkoming van de Mexicaanse griep, met name bij kinderen tussen 0 t/m 5 jaar oud. Een signaal zoals gezien in Zweden en Finland wordt in Nederland niet gezien.
Ik kan mij goed voorstellen dat een bijwerking als gevolg van vaccinatie mensen die vaccinatie ontvangen hebben ongerust kan maken.
Is het waar dat onderzoeken er op wijzen dat het verband tussen het optreden van narcolepsie en vaccinatie tegen Mexicaanse griep naar alle waarschijnlijkheid wordt veroorzaakt door de toevoeging van de stof adjuvans aan het vaccin?
Het toevoegen van een adjuvans (een hulpstof) aan een vaccin wordt gedaan om het vaccin «sterker» te maken. In Pandemrix is een dergelijk adjuvans verwerkt. Op dit moment is het nog te vroeg om een definitieve conclusie te kunnen trekken over een mogelijk verband tussen vaccinatie met Pandemrix en het optreden van narcolepsie. Het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) houdt voortdurend, samen met haar Europese collega registratieautoriteiten, de vinger aan de pols.
Is het waar dat in Nederland gekozen is voor vaccinatie met het vaccin met adjuvans, op aanbeveling van de heer Osterhaus? In hoeverre was de bemoeienis van de heer Osterhaus van doorslaggevend belang bij de keuze voor een vaccin met adjuvans? Kan precies worden toegelicht op welke gronden de keuze voor dit vaccin tot stand is gekomen?
De beslissing om – wanneer tot aanschaf van vaccins over zou worden gegaan – geadjuveerde vaccins aan te kopen is gedaan op basis van een advies van de Gezondheidsraad4. Over de rol van prof. dr. Osterhaus bij de totstandkoming van dit advies van de Gezondheidsraad heb ik u op 30 september 2009 een brief5 gestuurd waarnaar ik u verwijs.
De Gezondheidsraad onderbouwt het advies als volgt:
Is het waar dat de heer Osterhaus heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van een adjuvans en adjuvantia voor tal van bedrijven, waaronder GlaxoSmithKline (GSK), het bedrijf dat het geadjuveerde vaccin tegen de Mexicaanse griep maakte dat in Nederland en België werd gebruikt?
Prof. Osterhaus is in de wetenschappelijke wereld bekend om zijn bijdragen aan de ontwikkeling van alternatieve klassen adjuvantia. Dit werk bevindt zich nog in het experimentele stadium, het heeft nog niet tot producten op de markt geleid. Dit laatste is ook niet op korte termijn te verwachten. Hoewel enige bemoeienis met de ontwikkeling van adjuvantia door anderen dus niet in zijn eigen wetenschappelijke – en commerciële – belang is, heeft hij zonder twijfel door middel van bezoek aan congressen en vergaderingen kennis gedeeld met andere onderzoekers en bedrijven.
Is het waar dat het Europees Agentschap dat het vaccin met adjuvans goedkeurde wist dat er geen klinisch onderzoek bekend was bij kinderen, jongeren en ouderen, precies de groep die gevaccineerd is? Was bij de Nederlandse overheid bekend dat het vaccin onvoldoende getest was, toen de keuze voor dit vaccin werd gemaakt? Zo ja, waarom is deze keuze toch gemaakt? In hoeverre speelden financiële afwegingen daarbij een rol? Zo nee, waarom niet?
Pandemrix is gebaseerd op een zogenaamd «mock-up vaccin». Deze vaccins zijn gebaseerd op de formulering van de al jarenlang gebruikte seizoensgriepvaccins. Hieraan zijn geregistreerde adjuvantia toegevoegd. Deze mock-up vaccins zijn o.a. bij meer dan 8 000 proefpersonen getest, waaronder volwassenen, ouderen en kinderen. Op basis hiervan en op basis van jarenlange ervaring met het registeren en gebruiken van de seizoensgriepvaccins zijn deze vaccins in de Europese Unie goedgekeurd. Tijdens de pandemie is het specifieke vaccindeel voor het Nieuwe Influenza A (H1N1) virus aan het mock-up vaccin toegevoegd.
Financiële afwegingen spelen geen rol bij de toelating van geneesmiddelen tot de Europese markt. Het Europese geneesmiddelenagentschap (EMA) heeft een onafhankelijke positie en besluit, evenals het CBG, dat in de EMA is vertegenwoordigd, louter op basis van wetenschappelijke afwegingen tot registratie.
De registratiestatus was de Gezondheidsraad bij advisering bekend.
Deelt u de mening dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft burgers te informeren en zo nodig gerust te stellen, nu het gaat om een ernstige bijwerking van een vaccin dat op aanraden van de overheid werd toegediend? Zo ja, op welke wijze heeft voorlichting en communicatie plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet?
Het CBG heeft via zijn website burgers, maar daarmee ook artsen en apothekers, vanaf 10 september 2010 bij herhaling geïnformeerd over het mogelijk optreden van narcolepsie bij het gebruik van Pandemrix. Op maandag 14 februari heeft de voorzitter van het CBG, Bert Leufkens, in het televisieprogramma ÉénVandaag een toelichting gegeven op de stand van zaken. Daarbij is bevestigd dat er op dat moment geen reden tot zorgen zouden zijn ten aanzien van de Nederlandse situatie betreffende Pandemrix en narcolepsie.
Het Nederlands bijwerkingen centrum Lareb plaatste op 3 februari 2011 een bericht op de website6.
Deelt u de mening dat de overheid de verantwoordelijkheid heeft alle artsen in Nederland er op te wijzen alert te zijn op verschijnselen van narcolepsie bij risicogroepen en dat het optreden van narcolepsie centraal gemeld moet worden? In hoeverre gebeurt dat op dit moment? Welke stappen zijn ondernomen om artsen in Nederland te informeren? Op welke wijze worden nieuwe gevallen geregistreerd en opgespoord?
Via de CBG-website en door alle aandacht in de media (televisie en schrijvende [vak-]pers) zijn de verschijnselen van narcolepsie en het optreden hiervan in mijn ogen voldoende bekend geraakt bij de artsen in Nederland. De belangrijkste reden om hier niet actief de aandacht op te vestigen is dat het vaccin in Nederland éénmalig is gebruikt en nu niet meer wordt toegepast. Daarnaast is de leeftijdsgroep waarin in het buitenland de vermeende bijwerking gevonden wordt (5 t/m 19 jaar) een andere dan waarin het vaccin in Nederland is toegepast (0 t/m 4 jaar). Een signaal zoals gezien in Zweden en Finland wordt in Nederland niet gezien.
Meldingen van narcolepsie gebeuren centraal bij het Nederlands bijwerkingencentrum Lareb. Er kan daar zowel worden gemeld door artsen, apothekers als patiënten. Lareb heeft hiervoor een meldingenformulier op de website geplaatst7.
Daarnaast bestaat er het systeem van de zogenaamde «industriemeldingen»: farmaceutische bedrijven zijn verplicht bijwerkingen op hun geneesmiddelen te melden in Europees verband. Nieuwe gevallen worden geregistreerd en voortdurend wordt bekeken of de voordelen van een vaccin nog opwegen tegen de mogelijke nadelen.
Deelt u de mening dat er nog veel onduidelijk is over de hele gang van zaken rond Mexicaanse griep en dat het aanbeveling verdient dat een onafhankelijke onderzoekscommissie de hele gang van zaken in kaart brengt? Zo ja, bent u bereid een commissie in te stellen die de Kamer bericht welke invloeden ten grondslag lagen aan de beslissing van de World Health Organization (WHO) om de uitbraak van Mexicaanse griep tot een pandemie te verklaren, hoe vervolgens de besluitvorming in Nederland precies tot stand is gekomen, wie daar een rol in hebben gespeeld en in welke mate daarbij sprake was van belangenverstrengeling of financiële overwegingen? Zo nee, waarom niet? Kunt u zich voorstellen dat deze kennis van belang kan zijn voor de toekomst?
Op 14 maart jl. heb ik de Tweede Kamer het rapport gezonden van de Evaluatie Nieuwe Influenza A (H1N1), uitgevoerd door bureau Berenschot. In mei zullen wij een inhoudelijke reactie daarop aan de Tweede Kamer sturen.
In april 2010 is een omvangrijke, onafhankelijke evaluatie gestart naar de mondiale reactie op de pandemie, inclusief de rol van de World Health Organization (WHO) hierbij. Het definitieve rapport wordt gepresenteerd tijdens de World Health Assembly van mei 2011. Één van de onderzoeksvragen van deze evaluatie is of commerciële belangen een rol hebben gespeeld in de besluitvorming van de WHO.
Deze evaluaties leveren voldoende antwoord op de door u gestelde vragen. Ik zie daarom geen toegevoegde waarde in het instellen van een nieuwe commissie om deze vragen nogmaals te beantwoorden.
Wilt u de Kamer zo spoedig mogelijk berichten wanneer en op welke wijze de motie-Arib inzake een wettelijk register met banden tussen de farmaceutische industrie en artsen/onderzoekers, wordt uitgevoerd?2
Samenwerking tussen artsen en de farmaceutische industrie is noodzakelijk in het kader van de ontwikkeling en toepassing van geneesmiddelen. In het kader van deze samenwerking zijn er banden tussen artsen en farmaceutische bedrijven. Op 3 november 2009 is een motie9 van Kamerlid Arib aangenomen die verzoekt om te komen tot volstrekte helderheid over de banden die er zijn tussen artsen/
onderzoekers en farmaceutische bedrijven. Mijn beleid is er ook op gericht om tot deze transparantie te komen. De stichting Code Geneesmiddelenreclame (CGR) waarin de farmaceutische industrie, artsen en apothekers vertegenwoordigd zijn, legt momenteel de laatste hand aan een regeling om tot deze transparantie te komen. Ik heb begrepen dat deze regeling volgende maand gereed zal zijn. Ik vind het een groot voordeel dat partijen zelf met een dergelijke regeling komen. Dit betekent dat er draagvlak voor bestaat en dat de regeling in de praktijk voor partijen uitvoerbaar zal zijn. Mogelijk hadden partijen meer vaart in het tot stand komen van deze regeling mogen zetten. De materie is echter ingewikkeld, mede met het oog op de bepalingen van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) en de internationale context waarin de farmaceutische bedrijven opereren. Ik zal de Tweede Kamer de regeling toesturen zodra ik daarover beschik.