De overlast van invasiewaterplanten |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overlast invasieve waterplanten. «Boosdoeners» én methoden van bestrijding in beeld» in het mei-nummer 2026 van het VISblad?1
Ja
Deelt u de constatering dat invasieve uitheemse waterplanten, zoals de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), zich steeds verder verspreiden in Nederlandse wateren en daarbij inheemse flora en fauna verdringen?
Ja
Kunt u een actueel overzicht geven van de verspreiding in Nederland van invasieve waterplanten, waaronder watercrassula (Crassula helmsii) en grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), en aangeven hoe deze verspreiding zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
Op verspreidingsatlas.nl2 is de verspreiding van een groot aantal soorten (water)planten binnen Nederland door de tijd te volgen. Zowel watercrassula (Crassula helmsii)3 als grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides)4 nemen sterk toe.
Welke ecologische gevolgen hebben deze invasieve waterplanten voor visstanden, waterkwaliteit en biodiversiteit?
De exacte effecten verschillen per gebied en per soort. Sommige invasieve waterplanten kunnen bijvoorbeeld waterlichamen met een dichte mat van stengels en bladeren overgroeien. Hierdoor worden inheemse planten verdrongen, onderwaterplanten sterven af en aanwezige dieren verdwijnen. De dichte matten en het afsterven van grote massa’s waterplanten kunnen leiden tot zuurstofgebrek in het water. Dit heeft een negatieve invloed op andere waterorganismen en kan leiden tot vissterfte.
In hoeverre belemmeren invasieve waterplanten het recreatief gebruik van wateren, waaronder sportvisserij, waterrecreatie en onderhoud van watergangen?
Bij overvloedige groei van invasieve waterplanten kunnen watergangen en waterinlaten verstopt raken. Planten kunnen hinder veroorzaken voor de pleziervaart en recreatieve mogelijkheden zoals zwemmen, duiken en sportvisserij beperken. Het beheer en onderhoud van watergangen wordt bemoeilijkt door verstopping van waterlopen en ophoping van plantenmassa bij kunstwerken, wat kan leiden tot wateroverlast.
Recreatie kan zelf ook een bron van verdere verspreiding van invasieve exoten vormen, doordat (delen van) planten meeliften met bijvoorbeeld scheepsschroeven en visgerei.
Welke rol spelen waterschappen bij de signalering, beheersing en bestrijding van invasieve waterplanten en op welke wijze vindt landelijke coördinatie plaats?
In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten5, dat door voormalig Staatssecretaris Rummenie in januari van dit jaar naar de Tweede Kamer is gestuurd, staat beschreven hoe de aanpak van invasieve exoten in ons land is georganiseerd.
Vanuit hun verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de waterveiligheid, voldoende waterafvoer en een goede waterkwaliteit, monitoren waterschappen actief de aanwezigheid en ontwikkeling van waterplanten. Hierdoor zijn waterschappen vaak de eerste overheden die nieuwe vestigingen van invasieve waterplanten signaleren.
Wanneer invasieve soorten de doorstroming negatief beïnvloeden, kunnen de waterschappen vanuit hun waterbeheertaak maatregelen treffen om verspreiding te voorkomen en schade te beperken, bijvoorbeeld preventieve maatregelen, snelle verwijdering bij nieuwe introducties of beheersing van gevestigde populaties.
De uitvoering van bestrijdings- en beheersmaatregelen van invasieve uitheemse soorten is in Nederland grotendeels gedecentraliseerd naar provincies. Provincies zijn primair verantwoordelijk voor het natuurbeleid en de aanpak van de meeste invasieve uitheemse soorten van de Europese Unielijst, met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
De landelijke afstemming vindt plaats via verschillende overleg- en samenwerkingsstructuren, waaronder interbestuurlijke overleggen tussen Rijk, provincies en waterschappen en gezamenlijke programma’s.
Welke bestrijdings- en beheersmaatregelen worden momenteel toegepast en wat is bekend over de effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen?
Waterschappen en provincies geven aan dat zij diverse methodes toepassen, zoals machinaal en handmatig verwijderen, peilverlaging en machinaal afgraven. Er wordt ook geëxperimenteerd met nieuwe methodes zoals elektrocutie en bevriezen met droogijs.
De effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen zijn in de praktijk echter vaak beperkt. Veel invasieve waterplanten kunnen zich snel herstellen en verspreiden zich via fragmenten, waardoor herhaald beheer noodzakelijk is. Bestrijding leidt zelden tot volledige uitroeiing en het langdurig treffen van beheersmaatregelen blijft vaak nodig. Om die reden wordt veelal ingezet op het beperken van schade en risico’s in plaats van volledige eliminatie.
Zijn er volgens u voldoende financiële en personele middelen beschikbaar bij waterschappen en andere beheerders om de problematiek van invasieve waterplanten effectief aan te pakken?
In het kader van het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is over specifieke invasieve exoten die de waterschappen aangaan (waaronder invasieve uitheemse waterplanten) tussen LVVN, provincies en de Unie van Waterschappen (UvW) ambtelijk afstemming geweest. Voor waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
De aanpak van invasieve waterplanten vraagt om een structurele inzet van financiële en personele middelen. Hoewel waterschappen en andere beheerders zich actief inzetten, staan deze middelen in de praktijk onder druk. Bestrijding is arbeidsintensief, langdurig en moet vaak worden herhaald, terwijl de effectiviteit van maatregelen beperkt kan zijn. In de praktijk wordt de inzet gericht op prioritering en het beheersen van de grootste risico’s.
Ik heb geen zicht op de financiële en personele middelen bij beheerders. Waterschappen hebben echter aangegeven in 2024 € 6,1 mln. uitgegeven te hebben aan de bestrijding van invasieve waterplanten, uitgevoerd door externe partijen. Ten algemene geldt dat LVVN en provincies vanuit het natuurbeleid (waaronder het exotenbeleid) afspraken maken over prioritering en de aanpak van invasieve exoten, met daarbij de ambities per soort en een financieringsopgave voor de komende vier jaar. Deze afspraken zijn opgenomen in het aanvalsplan invasieve exoten. Met de beschikbare middelen wordt prioriteit gegeven aan preventie en vroegtijdige detectie en eliminatie van invasieve exoten waarvoor eliminatie het doel is. Daarnaast heb ik dit jaar specifiek voor de aanpak van invasieve waterplanten in natuurgebieden door provincies € 6,5 mln. euro gereserveerd op de LVVN-begroting, om in een aantal natuurgebieden een eerste start te maken.
In hoeverre draagt de verkoop van potentieel invasieve waterplanten via tuincentra en webshops bij aan verdere verspreiding in het Nederlandse watersysteem?
Van een aantal invasieve waterplanten is bekend dat ze in het verleden verhandeld werden in de vijver- en aquariumhandel. Hoewel de handel in soorten van de Europese Unielijst van zorgwekkende invasieve exoten (verder: Unielijst) inmiddels is verboden, worden nog steeds waterplanten aangeboden waarvan bekend is dat ze onder bepaalde omstandigheden invasief kunnen worden. De handel heeft dus bijgedragen aan de aanwezigheid van invasieve waterplanten in Nederland. Daadwerkelijke introductie in het milieu gebeurt veelal door bewust of onbewust weggooien van invasieve vijver- of aquariumplanten door consumenten. Verdere verspreiding kan vervolgens op uiteenlopende manieren plaatsvinden, onder andere door werkzaamheden en recreatie. Vanuit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten worden daarom acties voorbereid die gericht zijn op preventie en bewustwording van onder andere consumenten en tuinbranche.
Kunt u toelichten hoe Nederland uitvoering geeft aan de Europese exotenverordening (Verordening (EU) nr. 1143/2014) voor wat betreft invasieve waterplanten?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd, binnen Nederland en in Europees verband. Het bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid.
Rijk, provincies en waterschappen werken samen om invasieve exoten aan te pakken. Ze hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheden. Het Ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor nationaal beleid op het gebied van natuur en biodiversiteit en systeemverantwoordelijk voor het exotenbeleid. Met betrekking tot invasieve exoten vallen onder de verantwoordelijkheid van LVVN taken zoals preventie, onderzoek, monitoring, communicatie, toezicht en handhaving, risicobeoordelingen, rapportage aan Brussel.
Uitvoering van het natuurbeleid is in Nederland in 2012 grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Na de inwerkingtreding van de Exotenverordening is vervolgens in 2018 ook de verantwoordelijkheid voor het treffen van bestrijdings- en beheersmaatregelen tegen de meeste invasieve exoten van de Unielijst gedecentraliseerd naar de provincies. Provincies zijn ook verantwoordelijk voor herstelmaatregelen in natuurgebieden met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
Het Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt over het ambitieniveau per soort van de Unielijst. Voor een aantal soorten van de Unielijst is artikel 17 van de Europese Exotenverordening van toepassing. Dit zijn soorten die nog niet in Nederland voorkomen of in een vroeg stadium van invasie zijn en waarvoor een eliminatiedoelstelling geldt. Soorten die wijdverspreid zijn, zijn meestal niet meer volledig te verwijderen en vallen onder artikel 19 van de Europese Exotenverordening. De Exotenverordening schrijft voor dat lidstaten beheersmaatregelen moeten treffen tegen deze soorten. Lidstaten hebben beleidsruimte om zelf te bepalen hoe zij hier invulling aan geven.
De goede ecologische waterkwaliteit conform de Kaderrichtlijn Water (KRW) valt onder de systeemverantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW. In de Rijkswateren is de uitvoering van deze taak belegd bij Rijkswaterstaat (RWS).
De waterschappen zien toe op het functioneren van het waterbeheer in regionale wateren. Beheer vindt plaats vanuit hun taken op gebied van waterbeheer (aan- en afvoer) en waterkwaliteit (KRW). Voor invasieve waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
Klopt het dat verbodsbepalingen uit de Europese exotenverordening uitsluitend gelden voor soorten die zijn opgenomen op de zogeheten Unielijst en dat invasieve uitheemse soorten die niet op deze lijst staan nog steeds verhandeld mogen worden?
Ja. Wel geldt sinds 2022 in Nederland ook een nationaal handelsverbod voor drie Aziatische duizendknopen. Deze staan sinds augustus 2025 ook op de Unielijst.
Acht u het wenselijk dat ernstig schadelijke invasieve waterplanten die (nog) niet op de Unielijst staan nationaal beperkender worden gereguleerd, bijvoorbeeld via verkoopverboden of aanvullende beheersmaatregelen?
Voor soorten die (nog) niet op de Unielijst staan kan overwogen worden om een nationaal handelsverbod in te stellen. In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten staat dat een mogelijk nationaal handelsverbod op «typisch Nederlandse» invasieve exoten, waaronder de gele bieslelie, wordt verkend. De gele bieslelie staat deels in het water, meestal op de oever, maar ook op de hogere droge delen.
Een handelsverbod kan een effectieve maatregel zijn om nieuwe introducties binnen Nederland tegen te gaan. Hier dient wel een goede onderbouwing aan ten grondslag te liggen. Een nationaal handelsverbod kan ook uitwerking hebben op het ónopzettelijk verspreiden of importeren van deze invasieve exoten. Zoals in het geval dat de invasieve exoot of delen daarvan (zaden, stengel- of worteldelen) onopzettelijk meelift in andere producten of materialen (zoals potplanten, grond of bagger).
Hoe zijn de verantwoordelijkheden op het terrein van invasieve waterplanten verdeeld tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en leidt deze verdeling in de praktijk tot knelpunten in de aanpak?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Welke rol spelen maatschappelijke organisaties, waaronder hengelsportorganisaties en natuurbeheerders, bij het signaleren en bestrijden van invasieve waterplanten?
Deze organisaties kunnen bijdragen aan het signaleren, melden en vrijwillig bestrijden van invasieve waterplanten. Samenwerking tussen waterbeheerders en deze partijen is van groot belang omdat invasieve waterplanten zich makkelijk via het water kunnen verspreiden. Deze organisaties hebben een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van verdere verspreiding via onzorgvuldig gebruik of onderhoud van onder meer scheepshuiden, -schroeven, ballastwater of visgerei.
Wordt het effect van bestrijding en beheer van invasieve waterplanten structureel gemonitord en zo ja, hoe worden deze resultaten gebruikt voor beleidsverbetering?
Er vindt monitoring van verspreiding plaats via een landelijk systeem waarin de kennisorganisaties een belangrijke rol spelen. De resultaten van deze monitoring worden gebruikt om verspreiding en effectiviteit van maatregelen te volgen, beheerstrategieën en prioriteiten bij te stellen en beleid gericht te verbeteren. Monitoring en kennisuitwisseling vormen daarmee een essentieel onderdeel van de doorontwikkeling van het exotenbeleid. Ik ben in overleg met provincies over het ontwikkelen van een online tool waarmee de verspreiding, de bestrijding en het beheer van invasieve exoten en het effect van die aanpak structureel gemonitord gaat worden. Invasieve waterplanten kunnen hier ook een plek in krijgen. Ik ben van plan om voor de ontwikkeling middelen vrij te maken, als een van de maatregelen uit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten. De waterschappen monitoren de invasieve waterplanten in het kader van de Bedrijfsvergelijkingen. Deze cijfers worden gebruikt voor het volgen van trends en ontwikkelingen ten behoeve van het eigen beheer.
Bent u bereid te komen tot een nationale strategie voor invasieve waterplanten, waarin preventie, handel, bestrijding, verantwoordelijkheidsverdeling en samenhang met doelen uit de Kaderrichtlijn Water expliciet worden betrokken?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten dat in januari 2026 door Staatssecretaris Rummenie naar de Tweede Kamer is gestuurd beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd (binnen Nederland en in Europees verband), welke acties genomen gaan worden om de aanpak te versterken en welke financiële consequenties daaraan verbonden zijn. Het aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid. De aanpak van invasieve waterplanten vormt hier een integraal onderdeel van. Onderliggend doel van het exotenbeleid en van het aanvalsplan is de nadelige gevolgen van invasieve exoten voor de biodiversiteit en voor ecosysteemdiensten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. Daarbij draagt het aanvalsplan direct en indirect ook bij aan andere maatschappelijke doelstellingen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Erkent u dat snelgroeiende waterplanten in onder andere het Markermeer en de Randmeren leiden tot onveilige situaties voor watersporters en zwemmers?
Het is mij bekend dat watersporters en zwemmers hinder kunnen ondervinden van waterplanten en dat dit in sommige gevallen kan leiden tot onveilige situaties.
Hoe beoordeelt u het feit dat boten regelmatig vastlopen en zelfs reddingsboten hinder ondervinden van waterplanten?
Dat is vervelend, maar niet altijd te voorkomen. Inheemse waterplanten maken deel uit van en dragen bij aan een gezond ecosysteem.
Kunt u aangeven hoe vaak hulpdiensten, zoals de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM), moeten uitrukken vanwege problemen met waterplanten en hoe deze trend zich ontwikkelt?
Hierover zijn binnen mijn ministerie geen cijfers bekend.
Bent u bereid om met de KNRM in gesprek te gaan over de overlast van waterplanten zodat voorkomen kan worden dat ze onnodig veel moeten uitrukken.
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaarwegen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Ik zie daarin geen rol voor mij weggelegd.
Deelt u de zorg dat watersporters soms risicovolle handelingen verrichten om hun schroef vrij te maken, met mogelijk levensgevaarlijke situaties tot gevolg?
Dat is zorgelijk, maar het is ook de eigen verantwoordelijkheid van de recreant om eventuele waterplanten op een veilige manier te verwijderen.
Waarom worden waterplanten voornamelijk gemaaid in hoofdvaargeulen, terwijl recreatiegebieden en zwemlocaties relatief onbehandeld blijven?
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaargeulen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Beheersing van waterplanten is erg intensief en daardoor kostbaar. Bovendien zijn inheemse waterplanten onderdeel van en dragen ze bij aan een gezond water ecosysteem. Daarom moeten keuzes worden gemaakt waar welke inzet op wordt gepleegd. Waterplanten worden in de praktijk vooral door vaarwegbeheerders gemaaid in hoofdvaargeulen omdat hier doorstroming, waterafvoer en veiligheid leidend zijn. Het vrijhouden van deze geulen is noodzakelijk om het waterbeheer te kunnen uitvoeren en om risico’s voor wateroverlast en scheepvaart te voorkomen.
Welke concrete maatregelen neemt u om de veiligheid buiten de hoofdvaargeulen te verbeteren, waar juist veel recreanten aanwezig zijn?
Dit valt niet onder mijn verantwoordelijkheid als Minister van LVVN, maar is primair een taak van de waterbeheerders.
Het bericht ‘Pensioenfondsen lopen door ‘verkeerde beslissingen’ miljarden aan rendement mis: ‘Op een bepaald moment is het geen toeval meer’' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen lopen door «verkeerde beslissingen» miljarden aan rendement mis: «Op een bepaald moment is het geen toeval meer»»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen te weinig terugkijken op hun beleggingsbeslissingen? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Pensioenfondsen toetsen jaarlijks vooraf of hun strategisch beleggingsbeleid nog in lijn is met het beleggingsrisico dat deelnemers en gepensioneerden willen en kunnen nemen. Op deze manier zorgen pensioenfondsen ervoor dat het beleggingsbeleid in het belang van deelnemers en gepensioneerden wordt gevoerd. DNB houdt ook toezicht op deze jaarlijkse toetsing van het beleggingsbeleid. De uitkomst van het nagestreefde beleggingsbeleid kan achteraf mee- of tegenvallen door onverwachte ontwikkelingen op financiële markten. Ik verwijs verder naar de kamerbrief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» voor uitgebreide uitleg van het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen.
Deelt u de mening dat pensioenfondsen in hun jaarverslagen duidelijk zouden moeten opschrijven waarin is geïnvesteerd en wat dat wel of niet heeft opgeleverd? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Pensioenfondsen geven reeds in hun jaarverslagen aan hoe het pensioenvermogen wordt belegd. Daarbij kan er in de jaarverslagen ook worden gevonden wat de beleggingsresultaten van de verschillende beleggingscategorieën zijn geweest.
Wat vindt u van het feit dat pensioen deelnemers zelf heel weinig te zeggen hebben over waar hun pensioengeld in wordt geïnvesteerd, en dus welke risico’s er met hun geld wordt genomen?
Het pensioenfondsbestuur belegt in het belang van de deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden en dient bij het bepalen van het beleid hun belangen zorgvuldig af te wegen. Over het beleid en de wijze waarop het beleid is uitgevoerd legt het pensioenfondsbestuur verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan, waar onder andere deelnemers zitting in hebben, beoordeelt het uitgevoerde beleid, waaronder het beleggingsbeleid, en de gemaakte beleidskeuzes voor de toekomst. Daarbij toetst het verantwoordingsorgaan of het pensioenfondsbestuur een evenwichtige afweging heeft gemaakt tussen de belangen van alle belanghebbenden.
Verder is een duidelijke en evenwichtige communicatie aan deelnemers van belang. Door transparant te zijn over het beleggingsbeleid, de gemaakte keuzes en de bijbehorende risico’s, kunnen deelnemers meer inzicht krijgen hoe hun pensioen wordt beheerd. In combinatie met de rol van het verantwoordingsorgaan, waarin deelnemers zitting hebben en invloed kunnen uitoefenen, draagt het ook bij aan een gecontroleerde uitvoering van het gevoerde beleid.
Bent u het eens dat pensioendeelnemers hier meer over zouden moeten kunnen meebeslissen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de vorige beantwoording is aangegeven nemen deelnemers via verantwoordingsorganen deel aan de besluitvorming binnen het pensioenfonds over het beleggingsbeleid.
Welke stappen neemt het kabinet om deze positie te verbeteren?
In de bestaande besluitvormingsprocessen van pensioenfondsen zijn verschillende checks and balances opgenomen om een evenwichtige belangenafweging te borgen. Om te bezien of de vertegenwoordiging door de belanghebbenden, waaronder deelnemers, in het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor de evenwichtige besluitvorming binnen het stelsel van de Wet toekomst pensioenen, wordt momenteel een onderzoek uitgezet. Over de bevindingen wordt uw Kamer naar verwachting in de eerste helft van 2027 geïnformeerd.2
Wat vindt u van de stelling dat sommige fondsen bij een risicovrije belegging vaak al beter af waren geweest?
Achteraf is het makkelijk te zien dat een bepaalde portefeuille een betere prestatie heeft geleverd dan een andere, maar vooraf is dit niet evident. Het is de vraag of een theoretisch portefeuille, zoals deze in het artikel wordt aangehaald, te vergelijken is met een portefeuille van een pensioenfonds. Pensioenfondsen houden onder andere rekening met de fluctuaties in de rentestand, waarvoor ze instrumenten in zetten ter afdekking van rentedalingen zoals rentederivaten. Fondsen boeken bij een stijgende rentestand een negatief rendement op deze instrumenten. Dit leidt tot een lager rendement op de totale portefeuille. Daarnaast belegt een fonds in verschillende beleggingscategorieën om risico te spreiden in omvang, tijd en geografisch. Dit maakt dat portefeuilles van pensioenfondsen minder goed vergelijkbaar zijn met een portefeuille die is samengesteld uit enkel risicovrije beleggingen, dan wel een mix van risicovrije beleggingen en liquide aandelen.
Wat vindt u van het in het artikel aangehaalde feit dat pensioenfondsen vaak grotere beleggingsrisico’s nemen dan nodig?
Pensioenfondsen dienen conform de wettelijke vereisten, te handelen in belang van deelnemers en gepensioneerden en moeten het beleggingsbeleid afstemmen op de risicohouding van deelnemers. Hierbij wordt rekening gehouden met het beleggingsrisico dat deelnemers willen en kunnen nemen. Om inzicht te hebben in het beleggingsrisico dat deelnemers willen nemen wordt een risicopreferentieonderzoek periodiek verricht door de pensioenfondsen en de AFM houdt hier toezicht op. Ik verwijs verder naar de kamerbrief «Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsen» voor uitgebreide uitleg van het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Mij zijn geen signalen bekend dat fondsen niet hebben voldaan aan de wettelijke waarborgen.
Ziet u dit ook als het nemen van onnodig risico’s met pensioengeld van deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij de vorige vraag heb aangegeven houdt het fonds rekening met de risicohouding van deelnemers, waarbij DNB vervolgens toezicht houdt op het naleven van het prudent person-beginsel, wat inhoudt dat het beleggingsbeleid in het belang van de deelnemers wordt gevoerd.
Bij hoeveel pensioenfondsen heeft het nemen van een hoger beleggingsrisico de afgelopen vijf jaar ook echt een hoger pensioen opgeleverd? Bij hoeveel gevallen niet?
Er is geen openbare informatie beschikbaar voor alle pensioenfondsen in hoeverre ze meer beleggingsrisico vooraf hebben genomen de afgelopen vijf jaar en welk rendement deze verandering van beleggingsrisico hen achteraf heeft opgeleverd.
Welke gesprekken heeft u of uw voorganger het afgelopen jaar gevoerd met pensioenfondsen over het nemen van onnodige risico’s? Indien hierover geen gesprekken zijn gevoerd, waarom niet?
Ik deel uw mening niet dat er door pensioenfondsen onnodig risico’s zijn genomen. Het risico dat fondsen nemen in hun beleggingsbeleid moet overeenkomen met de risicohouding van deelnemers, waarbij wordt gekeken naar welk risico ze willen, maar ook kunnen nemen. DNB houdt hierbij toezicht op dat fondsen het prudent person-beginsel hanteren. Mij zijn geen signalen bekend dat fondsen niet aan de wettelijke waarborgen hebben voldaan.
Bent u het eens dat pensioenbestuurders door pensioendeelnemers geconfronteerd zouden moeten kunnen worden over waar hun pensioengeld in is geïnvesteerd, welk rendement dat heeft opgeleverd en welke risico’s daarbij zijn genomen?
Pensioenfondsen leggen in de jaarverslagen verantwoording af over de resultaten die het gevoerde beleggingsbeleid heeft opgeleverd. DNB ziet erop toe dat de voorgeschreven stappen om te komen tot een passend beleggingsbeleid door het fonds zijn doorlopen en het bestuur de strategie periodiek herijkt indien nodig. Daarbij wordt ook gekeken of verantwoordingsorganen (waarin deelnemers en werkgevers zitting hebben) in voldoende mate betrokken zijn in het beslissingsproces.3 Zo moet worden aangegeven en onderbouwd hoe met de verschillende inzichten van de verantwoordingsorganen is omgegaan.4
Welke gesprekken heeft u of uw voorganger het afgelopen jaar gevoerd over het verhogen van de pensioen nu het rentepercentage weer stijgt? Indien hierover geen gesprekken zijn gevoerd, waarom niet?
Binnen de kaders van de Pensioenwet besluiten pensioenfondsbestuurders eigenstandig over de indexatie aan deelnemers en gepensioneerden. In dit besluit betrekken ze de evenwichtige belangenafweging voor alle deelnemers, het reglementair vastgelegde indexatiebeleid en de financiële positie van het fonds. DNB houdt toezicht op of het pensioenfonds zich aan de wettelijke kaders houdt. Onder het nieuwe stelsel wordt het voor fondsen makkelijker om de pensioenen te verhogen bij goede financiële resultaten, maar daarbij zal er ook een belangenafweging plaats moeten vinden voordat uitkeringen worden verhoogd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het 'Oranje Boekje' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Kamer het zogenaamde «Oranje Boekje» met werkinstructies voor medewerkers van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) toegestuurd krijgen (of in vertrouwen inzien)?
De artikelen 'Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af' en 'Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië' |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af»1 en «Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de opstelling van de directeur van de Biënnale die stelt dat de Biënnale boven geopolitieke conflicten staat en dat kunst de dialoog op gang brengt?
Het kabinet gaat niet in op uitspraken van de directeur van een autonome culturele instelling. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de aanwezigheid van Rusland ten zeerste veroordeeld, net als vele andere Europese Ministers. Tegelijkertijd is het evenement benut om steun te betuigen aan Oekraïne.
Is over de aanwezigheid van het Koninklijk paar bij de opening een bewust besluit genomen waar u als Minister van Buitenlandse Zaken bij betrokken was? Zo ja, is kunt u toelichten wat uw afweging was om hiermee in te stemmen?
Er is afstemming geweest binnen het kabinet over de aanwezigheid van het Koninklijk Paar en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij de opening van het Nederlandse paviljoen voorafgaand aan de opening, gezien het zestigste jubileum van de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale. Er was geen Nederlandse delegatie aanwezig bij de algemene opening van de Biënnale.
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne. Zo hebben het Koninklijk Paar en de Minister een ontmoeting gehad met de Oekraïense Minister van cultuur.
Tegelijkertijd is de Biënnale één van de belangrijkste evenementen op de internationale culturele agenda. De Biënnale is in essentie het platform van kunstenaars, waarbij artistieke vrijheid belangrijk is. Die vrijheid moeten we beschermen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is er ook geweest om dat te benadrukken.
Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen en tegelijkertijd te blijven benadrukken dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren.
Deelt u de zorg dat de aanwezigheid van het staatshoofd bij de opening van een evenement waar tegelijkertijd officiële, door het Kremlin gefinancierde kunst te zien is, onbedoeld een signaal van legitimering of normalisering van de Russische aanwezigheid kan afgeven?
Zoals eerder benoemd is deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen voor Nederland onaanvaardbaar. Daarom heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, samen met 21 andere Europese cultuurministers en in afstemming met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een protestbrief gestuurd aan de organisatoren van de Biënnale en een verklaring ondertekend vanuit Oekraïne tegen de deelname van Rusland. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne.
Er zijn daarnaast verschillende maatregelen genomen om interactie met Rusland te voorkomen in overeenstemming met bestaand beleid. Uiteraard waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending vanzelfsprekend niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl. Ook heeft Nederland niet deel genomen aan de algemene opening van de Biënnale op 9 mei jl. Daarnaast heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in haar openingsspeech van het Nederlands paviljoen ook nog expliciet aangegeven dat de Russische deelname aan de Biënnale voor Nederland onacceptabel is.
Hoe rijmt u de aanwezigheid van het staatshoofd met het Nederlandse beleid om Rusland internationaal zoveel mogelijk te isoleren zolang de agressieoorlog in Oekraïne voortduurt?
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen, Oekraïne te ondersteunen en tegelijkertijd aan te geven dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren. Ook werd elk contact vermeden met de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending. Tevens waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl.
Als de Biënnale boven geopolitieke conflicten gaat, hoe rijmt u dat dan met de opstelling van de jury om geen prijzen toe te kennen aan landen die door het Internationaal Strafhof worden beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de deelname van Rusland aan de Biënnale, een land dat een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, sinds 2022 om die reden is uitgesloten van deelname en nu deelneemt met een volledig door de Russische regering gefinancierde delegatie kunstenaars?
Zoals eerder benoemd is deelname vanuit Rusland aan internationale culturele evenementen onaanvaardbaar. Hierover heeft Nederland zich uitgesproken, zie hiervoor vraag 4.
Wat zegt u dit over hoe Italië kijkt naar de Russische oorlog in Oekraïne, aangezien ook bij de paralympics in Milaan opeens Russische sporters weer onder Russische vlag mochten deelnemen? Is dit onderwerp van gesprek met uw Italiaanse counterpart?
Italië is gastland van de Biënnale en afgelopen jaar van de Paralympics. Beide events worden georganiseerd door onafhankelijke organisaties, namelijk het bestuur van de Biënnale en het Internationaal Paralympisch Comité (IPC). De internationale sport en cultuursector opereren autonoom. Besluiten van internationale sportfederaties of cultuurinstellingen over deelname aan internationale evenementen zijn in beginsel aan hen, en die autonomie hebben wij te respecteren.
Italië heeft ook haar onvrede uitgesproken over deelname van Rusland aan de Biënnale en de paralympics en heeft het bestuur van de Biënnale en het IPC opgeroepen het besluit te herzien, in overeenstemming met andere landen en de Europese Commissie. Verder heeft zij ook aangegeven als gastland in gesprek te zijn met beide organisaties en na te gaan in hoeverre zij druk kunnen uitoefenen om tot herziening van besluit te komen. Over beide evenementen heeft Nederland in nauw contact gestaan met Europese partners inclusief Italië.
Deelt u de analyse dat in het huidige autocratische Rusland kunst en cultuur nooit losstaan van de staat, maar juist door het Kremlin worden ingezet als instrument voor (binnenlandse) propaganda en het normaliseren van een paria-status?
Het kabinet deelt de analyse dat het Kremlin kunst en cultuur actief inzet als instrument van de staat. Onder president Poetin is de ruimte voor onafhankelijke kunst en cultuur sterk ingeperkt en worden grote, door de staat gesteunde instellingen en projecten nadrukkelijk gebruikt voor binnenlandse propaganda, imperiale beeldvorming en het legitimeren van het huidige beleid.
Tegelijk is het belangrijk te onderstrepen dat niet alle Russische kunstenaars en culturele instellingen met het regime vereenzelvigd kunnen worden. Er zijn nog altijd onafhankelijke en kritische stemmen, zowel binnen Rusland als in de ballingschap. Onder grote druk en risico’s blijven zij hun werk voortzetten.
Deelt u de mening dat het toestaan van een officiële Russische delegatie ontmoedigend is voor de Oekraïense bevolking die vecht voor hun en onze vrijheid, omdat Rusland hiermee als een gelijkwaardige partner wordt behandeld?
Oekraïne heeft delegaties van andere landen actief verzocht om aanwezig te zijn bij de Biënnale, om een tegengeluid te geven aan de Russische deelname. Nederland heeft mede daarom ervoor gekozen om aanwezig te zijn en Oekraïne in hun oproep te steunen.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor het opschorten van Europese subsidies aan de Biënnale zolang een officiële Russische delegatie wordt toegelaten, in lijn met de eerdere waarschuwing van de Europese Commissie?
De Commissie heeft in de Raad Buitenlandse Zaken van april aangegeven dat het besloten heeft om de EU-financiering aan de Biënnale stop te zetten. Zoals eerder benoemd betreurt Nederland de deelname van Rusland aan de Biënnale. Nederland heeft het bestuur van de Biënnale in EU-verband opgeroepen het besluit om Rusland toe te laten te herzien.
Het bericht 'Gifzones belemmeren bouw van tienduizenden woningen in zeker 40 gemeenten' |
|
Robert van Asten (D66), Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat gemeenten verschillend omgaan met spuitvrije zones voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen op landbouwgrond en dat het aanhouden van een minimale afstand van 50 meter in de praktijk regelmatig leidt tot vertraging en het stikvallen van woningbouwprojecten?1
Kunt u een beeld geven van de schaal waarop woningbouw wordt geremd door de instelling van deze spuitvrije zones of door de onduidelijkheid die hierover ontstaat voor ontwikkelaars en woningzoekenden?
Klopt het dat gemeenten onder de Omgevingswet zorg dragen voor de gezondheid van hun inwoners en dat deze zorgplicht ook veelal wordt gezien als reden om spuitvrije zones in te stellen, of voor inwoners om gemeenten daartoe op te roepen?
Klopt het dat de stijging van de grondprijs en de diverse uitkoopregelingen ervoor zorgen dat er de laatste jaren meer intensieve teelt (zoals bollenteelt), met relatief veel middelengebruik, is gekomen en dat deze teelten (dus) ook vaker in de buurt van beoogde woningbouwlocaties zijn?
Herkent u het beeld dat ook boeren die geen gebruik maken van bestrijdingsmiddelen de huidige onduidelijkheid inzetten om te zorgen dat woningbouw niet naast hun perceel wordt gevestigd? Op welke schaal gebeurt dit?
Bent u bereid om, op basis van het onderzoek van het RIVM en de WUR naar risico’s en mogelijke richtlijnen, in gesprek te gaan met de VNG over duidelijke richtlijnen of een afwegingskader, zodat duidelijker en consistenter wordt omgegaan met afstanden tussen (bestaande en nieuwe) woningbouw en landbouwgrond, waarbij zowel gezondheid als woningbouwopgave geborgd zijn?
Kunt u zich voorstellen dat de huidige onduidelijkheid vanuit het Rijk op dit vlak en de vele zorgen die er (daardoor) bij omwonenden leven, er ook voor zorgen dat de vraag om spuitvrije zones toeneemt? Zo ja, bent u bereid in samenwerking met de VNG ook expliciet te kijken naar andere manieren waarop zorgen en onduidelijkheden rond het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan worden verholpen (te denken valt aan verplichtingen rond transparantie en communicatie bij gebruik)?
Bent u het eens dat de huidige urgente woningbouwopgave én maatschappelijke zorgen rond een gezonde leefomgeving vragen om een zorgvuldige afweging in de ruimtelijke ordening en dat ook dit wil zeggen dat niet iedere vorm van agrarisch grondgebruik overal kan? Op welke wijze kan dit worden meegenomen in de definitieve Nota Ruimte?
Op welke termijn kunt u de Kamer informeren over concrete maatregelen om te voorkomen dat deze «spuitvrije zones» de woningbouwopgave verder vertragen?
Amsterdam dat tot 9 miljard euro van het Rijk wil voor de aanleg van een warmtenet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de Amsterdamse wethouder Zita Pels dat de stad 9 miljard euro nodig heeft voor de aanleg van warmtenetten en dat het Rijk voor een deel van deze kosten zou moeten opdraaien?1
Bent u reeds door de gemeente Amsterdam, de gemeente Diemen of een van de andere stakeholders benaderd over een investering in dit warmtenet? Om welk bedrag zou dit gaan?
Hoe verhoudt deze claim van slechts twee gemeenten zich tot het totale landelijke budget dat beschikbaar is voor de warmtetransitie in de gehele gebouwde omgeving?
Hoe worden deze budgetten gefinancierd? Welke uitvoerende partijen zijn hiervoor verantwoordelijk? Welke rol speelt Energie Beheer Nederland (EBN) hierin?
Is er een onafhankelijke businesscase bekend die aantoont dat een investering van 9 miljard euro maatschappelijk rendabel is vergeleken met andere verduurzamingsopties, zoals individuele (hybride) warmtepompen?
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de specifieke infrastructurele keuzes en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
In hoeverre vindt u het moreel verdedigbaar dat de landelijke belastingbetaler opdraait voor de versnelde verduurzamingsdoelen, zoals aardgasvrij in 2040, en de daaruit voortvloeiende tekorten van de gemeente Amsterdam?
Hoe legt u aan burgers in krimpregio’s of landelijke gebieden uit dat Amsterdamse infrastructuur met miljarden aan landelijk belastinggeld wordt gesubsidieerd, terwijl deze regio’s achterblijven?
Is het niet de verantwoordelijkheid van de gemeente zelf om, indien zij kiest voor een gemeentelijk warmtebedrijf, de financiering hiervan rond te krijgen zonder het Rijk als pinautomaat te gebruiken?
In hoeverre verstoort een dergelijke enorme staatssteun de marktwerking en de concurrentiepositie van andere, wellicht goedkopere, duurzame warmtebronnen?
Bent u bereid om te eisen dat Amsterdam eerst álle alternatieve, minder kostbare scenario’s (zoals all-electric of hybride warmtepompen) onderzoekt voordat er überhaupt over steun vanuit het Rijk gesproken kan worden?
Hoe groot acht u het risico op lock-in-effecten, waarbij bewoners decennialang vastzitten aan een duur warmtenet omdat de overheid er 9 miljard in heeft gestoken, terwijl er in de toekomst betere technieken beschikbaar komen?
Wat zijn de gevolgen voor de energierekening van de Amsterdamse burger als deze 9 miljard niet door het Rijk, maar via de tarieven van het warmtebedrijf zou worden opgehaald?
Wat zijn de gevolgen voor de rekening van de Nederlandse belastingbetaler wanneer deze moet opdraaien voor deze Amsterdamse kosten?
Gelooft u dat de 9 miljard euro daadwerkelijk voldoende is, gezien de historie van grote infrastructurele projecten in Amsterdam (zoals de Noord/Zuidlijn)?
Is er een maximumbedrag per woning dat het Rijk bereid is bij te dragen aan de warmtetransitie? Zo ja, hoe verhoudt de Amsterdamse claim per aansluiting zich tot dit maximum?
Hoe beoordeelt u de dreiging van wethouder Pels over «de komende winter» in relatie tot een infrastructureel project dat decennia in beslag neemt?
Bent u bereid om klip-en-klaar uit te spreken dat het Rijk deze onredelijke financiële eisen niet gaat honoreren?
Hoe rijmt u deze miljardenclaim met de noodzaak tot bezuinigingen en een behoedzaam begrotingsbeleid zoals afgesproken in het coalitieakkoord?
Is het niet effectiever om de 9 miljard euro te investeren in een landelijke isolatieaanpak, waardoor bij miljoenen huishoudens de energiekosten dalen, in plaats van in de financiering van een duur en onrendabel warmtenet dat ook nog duurder is voor de gebruikers?
Kunt u toezeggen dat het Rijk pas over enige vorm van financiële ondersteuning praat nadat er een volledige, onafhankelijke audit is uitgevoerd naar de doelmatigheid van het Amsterdamse transitiebeleid tot nu toe en de Kamer hier volledig over geïnformeerd is?
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe (SP), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
Het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend zouden zijn?
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding, aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe) informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen deze middelen zijn verstrekt?
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke omvang en periode?
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes, demonstraties of academische programma’s?
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort is geschoten?
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren en waar nodig te stoppen?
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte en het resultaat is geweest?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties zoals Hamas?
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk de regie op voert?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
VPN |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Is de Staatssecretaris bekend met deze uitspraken van mevrouw Virkkunen1, Vice-President van de Europese Commissie, waarin ze stelt dat het niet zo kan zijn dat straks in de Europese Unie VPN’s gebruikt kunnen gaan worden voor het omzeilen van leeftijdsverificatie op het internet?
Wat is het standpunt hieromtrent van de Nederlandse regering? Is het beperken of zelfs verbieden van VPN’s in de Europese Unie voor de Nederlandse regering bespreekbaar?
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
Onvrede onder toeslagenouders |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin wordt gesteld dat gedupeerde ouders die hun vaststellingsovereenkomst willen laten herzien eerst (grote delen van) ontvangen bedragen zouden moeten terugbetalen?1 Klopt deze weergave van de huidige praktijk, en hoe verhoudt dit zich tot het civielrechtelijke uitgangspunt dat bij dwaling niet zonder meer sprake is van volledige terugbetaling, maar van het opheffen van het zogenoemde dwalingsnadeel?
Kunt u uiteenzetten op basis van welke juridische grondslag van ouders wordt verlangd dat zij ontvangen bedragen terugbetalen voordat zij een overeenkomst kunnen laten herzien?
In hoeverre acht u het verenigbaar met het beginsel van effectieve rechtsbescherming dat ouders eerst financieel moeten terugkeren naar de uitgangssituatie voordat zij toegang krijgen tot herbeoordeling?
Klopt het dat in vaststellingsovereenkomsten een zogeheten novumclausule is opgenomen? Zo ja, hoe wordt deze clausule momenteel toegepast in situaties waarin nieuwe informatie uit de datakluis beschikbaar komt?
In hoeverre klopt het dat de datakluis documenten bevat die eerder niet betrokken zijn geweest bij beoordelingen, bezwaarprocedures of herstelroutes, en hoe wordt vastgesteld of deze documenten alsnog relevant zijn voor individuele dossiers?
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ouders na het tekenen van een overeenkomst constateren dat schadeposten ontbreken, berekeningen onjuist zijn en vergelijkbare schade verschillend is beoordeeld of later is aangepast?
Deelt u de opvatting dat in dergelijke gevallen niet gesproken kan worden van «spijt», maar van mogelijk onvolledige of onjuiste besluitvorming?
Kunt u ingaan op signalen van zowel ouders als de Stichting Gelijkwaardig Herstel (SGH) dat schade van kinderen in de praktijk niet (volledig) is meegenomen, ondanks eerdere uitlatingen dat dit onder het begrip «gezin» zou vallen?
Indien blijkt dat schade van kinderen structureel niet is meegenomen, wat betekent dit volgens u voor de rechtsgeldigheid en de volledigheid van reeds gesloten vaststellingsovereenkomsten?
Op welke wijze is bij het sluiten van deze overeenkomsten gewaarborgd dat ouders volledig en juist zijn geïnformeerd over hun rechtspositie en mogelijke alternatieven?
In hoeverre was er volgens u sprake van een gelijkwaardige onderhandelingspositie tussen de overheid en gedupeerde ouders bij het sluiten van deze overeenkomsten?
Hoeveel verzoeken tot herziening van vaststellingsovereenkomsten zijn tot op heden ingediend, en hoeveel daarvan zijn gehonoreerd?
Wordt ouders actief gewezen op de mogelijkheid van herziening op basis van nieuwe feiten of omstandigheden? Zo ja, hoe?
Deelt u de mening dat uiteindelijk de rechter bepaalt of en onder welke voorwaarden een vaststellingsovereenkomst kan worden aangetast of aangepast? Zo ja, waarom wordt richting ouders dan de indruk gewekt dat terugbetaling vooraf een noodzakelijke voorwaarde is?
Bent u bereid om de huidige werkwijze rondom herziening van vaststellingsovereenkomsten te heroverwegen, zodat recht wordt gedaan aan nieuwe informatie en onvolledige dossiers zonder dat ouders eerst grote bedragen moeten terugbetalen?
Binnen welke termijn worden herzieningsverzoeken op grond van de novumclausule behandeld, en hoeveel ouders wachten inmiddels langer dan drie maanden op een inhoudelijke reactie?
Het bericht dat Defensie steevast wegkijkt bij racisme. |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Fatimazhra Belhirch (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Defensie kijkt steevast weg bij racisme, zeggen deze militairen»?1
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme bij Defensie onacceptabel zijn, dat er hiervoor binnen Defensie geen plek is en dat iedere vorm en uitlating ervan resoluut aangepakt moet worden?
Wat is uw reactie op de ervaringen van de betrokken militairen dat meldingen van racisme onvoldoende worden opgepakt en in hoeverre herkent u deze signalen?
Hoe verklaart en beoordeelt u dat militairen met een migratieachtergrond drempels ervaren om discriminatie en racisme te melden, mede vanwege angst voor repercussies of negatieve gevolgen voor hun loopbaan? En wat zegt dit volgens u over het vertrouwen in de organisatie?
In hoeverre duiden deze signalen volgens u op een breder cultuurprobleem binnen (delen van) Defensie, en welke elementen van die cultuur dragen hier volgens u aan bij?
Welke concrete verantwoordelijkheid dragen leidinggevenden bij het signaleren en aanpakken van racisme, en op welke wijze worden zij hier aantoonbaar op beoordeeld en afgerekend?
In hoeverre wordt in het kader hiervan uitvoering gegeven aan de motie Bamenga (Kamerstuk 36 250, nr. 422) over het bevorderen dat in beoordelingscycli van leidinggevenden wordt opgenomen dat zij actief zorg dragen voor een veilige en inclusieve werkomgeving vrij van racisme en discriminatie?
Kunt u uiteenzetten hoe het huidige meldsysteem (zoals het COID) functioneert in de praktijk, en in hoeveel gevallen meldingen van racisme de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot concrete maatregelen of sancties?
Hoe wordt geborgd dat daders consequent worden aangesproken (inclusief maatregelen) en dat melders van racisme daadwerkelijk worden beschermd tegen benadeling?
In hoeverre acht u het wenselijk dat meldingen en onderzoeken naar racisme volledig onafhankelijk van de hiërarchische lijn plaatsvinden? Hoe is dit nu geborgd?
Overwegende dat twee (oud) medewerkers refereren aan diverse racistische uitspraken: hoe beoordeelt u de volgende uitspraken? Deelt u de opvatting dat dergelijke uitspraken racistisch en absoluut onacceptabel zijn, en dat hier altijd consequent tegen moet worden opgetreden?
Hoe beoordeelt u de opmerking die gemaakt zou zijn door het COID (namelijk de vraag aan Zaahir om de melding over het afslachten van moslims te laten vallen omdat anders de persoon die dat gezegd zou hebben zijn baan kwijt zou raken)?
Bent u bereid met betrokkenen in gesprek te gaan om hun ervaringen te horen, excuses aan te bieden voor de gang van zaken en te bezien of herstel of vervolgacties (mocht daar behoefte aan bestaan) passend zijn?
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van de nazi-uitingen binnen Defensie in 2018 (en tot welke concrete resultaten heeft dat geleid)?
Welke concrete actie is er ondernomen naar aanleiding van het artikel van 10 klokkenluiders bij Defensie uit 2023 over hoe het melden van misstanden bij Defensie erin resulteert dat je zelf onder de loep wordt genomen (en tot welke tastbare resultaten heeft dat geleid)?
Kunt u een overzicht geven van alle onderzoeken, rapporten en Kamerbrieven over misstanden, racisme en discriminatie binnen Defensie in de afgelopen 15 jaar? Kunt u per document aangeven welke aanbevelingen zijn gedaan, welke zijn opgevolgd en welke concrete resultaten zijn bereikt?
Welke lessen trekt Defensie uit andere organisaties (nationaal of internationaal) die succesvol discriminatie hebben aangepakt, en op welke wijze vertaalt u deze lessen naar concrete maatregelen binnen Defensie?
Bent u bereid nog dit jaar te komen met een lijst van concrete maatregelen (inclusief planning) hoe Defensie racisme en discriminatie gaat aanpakken, de meldingsbereidheid gaat worden verhoogd en hoe gaat worden voorkomen dat melders uiteindelijk slachtoffer worden van hun eigen melding?
In hoeverre is er bij Defensie een discriminatietoets verricht door de Staatscommissie Discriminatie en Racisme?
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van de aanpak van racisme en discriminatie binnen Defensie?
De bekladding van het Nationaal Monument op de Dam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bekladding van het Nationaal Monument op de Dam met rode verf, vlak voor de Nationale Dodenherdenking?1
Hoe beoordeelt u deze daad, mede gezien de symbolische waarde van het monument en het moment waarop deze plaatsvond?
Hoe is het mogelijk dat een nationaal monument op een dergelijk gevoelig moment niet afdoende beveiligd is gebleken en deelt u de mening dat dit in het vervolg anders aangepakt moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
In hoeverre was er vooraf rekening gehouden met het risico op dergelijke acties, mede gezien eerdere incidenten en maatschappelijke spanningen?
Klopt het dat het Nationaal Monument de afgelopen jaren vaker doelwit is geweest van vandalisme en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Deelt u de mening dat herhaalde incidenten wijzen op tekortschietende beveiliging en handhaving rond dit nationale symbool? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen en acht u de huidige aanpak en strafmaat afschrikwekkend genoeg? Zo ja, hoe rijmt u dat met het feit dat het herhaalde incidenten zijn? Zo nee, bent u bereid deze flink aan te scherpen?
Kabelinterceptie AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
In het jaarverslag 2025 schrijft de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) op pagina 14 «De verhouding tussen de inbreuk op grondrechten enerzijds en de achterblijvende opbrengst anderzijds baart de TIB bij kabelinterceptie nog altijd zorgen»; maakt u zich hier ook zorgen over? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u met deze zorgen doen?
Kan de Kamer een getalsmatig overzicht ontvangen van de stijging (aldus de TIB) sinds 2018 van de hoeveelheid data die jaarlijks door middel van kabelinterceptie wordt vergaard, liefst uitgedrukt in bijvoorbeeld GB per jaar of anders, als deze informatie vertrouwelijk is, in de vorm van indexcijfers (waarbij het beginjaar 2018 dus de waarde 100 krijgt)? Zo nee, waarom niet? Waarom kan de Kamer zelfs indexcijfers hierover, indexcijfers die immers slechts uitsluitend informatie geven over de stijging en niets zeggen over het absolute niveau van de kabelinterceptie, niet ontvangen?
Hoeveel procent (ongeveer, bij benadering) van alle data die vergaard wordt via kabelinterceptie wordt gedeeld met buitenlandse inlichtingendiensten?
Het bericht 'Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal' |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal»1 en wat betekent dit voor het aanbod aan middenhuurwoningen in Nederland?
Ik ben bekend met het artikel. Wanneer aandeelhouders kapitaal terugtrekken en de uitstroom niet gecompenseerd wordt door instroom van nieuwe investeerders, moet een fonds zijn beschikbare middelen anders aanwenden. Dit heeft impact op de investeringsruimte van een fonds en kan leiden tot liquiditeitsdruk. Afhankelijk van de omvang van de verzoeken en de wijze van afwikkeling kan dit leiden tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en/of tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt. De omvang van dit effect is niet generiek vast te stellen en hangt af van marktomstandigheden en fondskeuzes.
In welke mate veroorzaakt deze uitstroom liquiditeitsdruk bij Bouwinvest, en hoe verhoudt dit zich tot de situatie bij Vesteda, waar eerder eveneens kapitaaluitstroom heeft plaatsgevonden?
De redemptieverzoeken bij Vesteda zijn zowel relatief als absoluut aanzienlijk groter dan bij Bouwinvest. Bij Bouwinvest bedraagt de aangevraagde uitstroom per Q1 2026 circa 8% van het eigen vermogen van het fonds, terwijl bij Vesteda voor meer dan 50% van het eigen vermogen aan redemptieverzoeken is ingediend. Desondanks veroorzaakt deze redemptie bij Bouwinvest ook liquiditeitsdruk. Dit heeft een negatieve impact op de investeringsruimte van Bouwinvest.
Hoe groot acht u de kans dat Bouwinvest, net als Vesteda, woningen zal moeten verkopen om aan uitstapverzoeken te kunnen voldoen? Zo ja, in welke omvang?
De redemptieverzoeken kunnen worden ingevuld via verkoop van woningen, herfinanciering middels schuld of instroom van nieuw aandeelhouderskapitaal. Bouwinvest geeft aan dat het in de huidige markt lastig is om voldoende nieuwe investeerders aan te trekken. Daarom wordt in de praktijk regelmatig gewerkt met rotatie van kapitaal, waarbij verkoop van bestaande woningen wordt ingezet om nieuwe investeringen te financieren. Uiteindelijk gaat dit ten koste van de voorraad aan middenhuurwoningen. De uiteindelijke omvang waarin aanvullende woningverkoop noodzakelijk is, verschilt per situatie en is afhankelijk van de wijze waarop uittredingsverzoeken worden afgewikkeld.
Kunt u aangeven wat de mogelijke gevolgen zijn voor de beschikbaarheid van middenhuurwoningen en voor de ontwikkeling van de huurprijzen?
Indien de redemptieverzoeken leiden tot minder nieuwbouw huurwoningen heeft dat negatieve gevolgen van de beschikbaarheid middenhuurwoningen, omdat Bouwinvest voornamelijk in middenhuur investeert. Aangezien de middenhuur gereguleerd is, heeft dit in principe geen invloed op de ontwikkeling van de huurprijzen in dit segment. Wel kan een tekort aan middenhuurwoningen leiden tot meer vraag naar vrije sector huurwoningen. Aangezien in de vrije sector de huren niet gereguleerd zijn kan een groeiende vraag hier wel leiden tot hogere prijzen.
Deelt u de zorg dat gelijktijdige uitstroom bij meerdere woningfondsen kan leiden tot bredere effecten op de woningmarkt, zoals prijsdruk of een toename van uitponden?
Zoals toegelicht bij vraag 4 heeft de uitstroom geen effect op prijzen in het middensegment, maar kan het wel effect hebben op de prijsdruk in het vrije sector segment. Daarnaast kan uitstroom van kapitaal leiden tot uitponding van huurwoningen en afstel van nieuwbouw. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
In welke mate dragen nationale beleidsmaatregelen, zoals huurregulering en fiscale wijzigingen, volgens u bij aan het terugtrekken van investeerders uit Nederlandse woningfondsen?
Het is van belang onderscheid te maken tussen Nederlandse en buitenlandse investeerders. Hoewel Nederlandse institutionele beleggers aangeven moeite te hebben met het vinden van voldoende projecten die aan de minimale rendementseisen voldoen, is de belangrijkste reden voor hen om uit te stappen dat zij tegen de grenzen aanlopen van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd.
Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.2 Tegen deze achtergrond heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen.
Kunt u per relevante maatregel toelichten wat het effect is op de investeringsbereidheid van institutionele beleggers?
De aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat is een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. Het kabinet beschikt dan ook niet over een doorrekening van de impact van deze individuele maatregelen op de investeringen in woningbouw voor institutionele beleggers.
In hoeverre verlagen Nederlandse pensioenfondsen momenteel hun allocatie naar vastgoed, en specifiek naar woningbeleggingen? Indien dit het geval is, wat zijn daarvoor de belangrijkste oorzaken?
Nederlandse pensioenfondsen verlagen hun allocatie naar vastgoed en woningbeleggingen niet in algemene zin. Veel fondsen bevinden zich rond hun strategische doelallocatie voor wonen, waardoor de ruimte voor verdere groei beperkt is. Wel geeft een deel van de Nederlandse institutionele investeerders aan moeite te hebben met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Wat zijn de gevolgen van deze ontwikkeling voor fondsen als Bouwinvest, die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal?
Fondsen die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal kunnen hierdoor terughoudender worden in nieuwe investeringen. Wanneer pensioenfondsen hun allocatie aanpassen of belangen afbouwen, kan dit de investeringscapaciteit van vastgoedfondsen beïnvloeden. Het probleem ligt mijns inziens echter vooral bij de afwezigheid van buitenlandse investeerders, aangezien binnenlandse pensioenfondsen veelal al investeren in de Nederlandse huurwoningen rond hun strategische doelallocatie voor wonen. Dit is echter niet genoeg om de nieuwbouwdoelstellingen te halen. Hier is zowel binnenlands- als buitenlandskapitaal voor nodig.
Welke impact heeft dit op de financiering en realisatie van nieuwbouwprojecten, in het bijzonder binnen het middenhuursegment?
Indien minder kapitaal beschikbaar is voor nieuwbouw van middenhuurwoningen, heeft dit effect op de realisatie van projecten. Institutionele beleggers vervullen een belangrijke rol in de financiering en ontwikkeling van dit segment. Wanneer investeerders terughoudender worden of minder kapitaal beschikbaar hebben, kan dit de haalbaarheid van projecten beïnvloeden. Dit kan leiden tot uitstel, aanpassing of in sommige gevallen het niet doorgaan van projecten. De mate van impact verschilt per project en is afhankelijk van marktomstandigheden en financieringsstructuren.
Kunt u toelichten of en in welke mate projecten worden uitgesteld of afgeblazen als gevolg van teruglopende investeringen?
Het teruglopen van investeringen in private huurwoningen kan zorgen voor uitstel of uitval van woningbouwprojecten. Met name de projecten waar een groot aandeel private huurwoningen is voorzien kunnen zonder private investeerder (nog) geen doorgang vinden. Ik beschik echter niet over cijfers die aantonen of dit effect zich ook al in toenemende mate voordoet.
Deelt u de analyse dat Nederland minder aantrekkelijk wordt voor institutionele woningbeleggers ten opzichte van andere Europese landen?
In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3
Acht u het risico aanwezig dat kapitaal structureel verschuift naar andere markten, en welke gevolgen heeft dit voor de woningbouwopgave in Nederland?
De verwachting is dat als het Nederlandse investeringsklimaat verbetert, buitenlandse investeerders weer zullen terugkeren. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders belangrijk zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
In welke mate acht u de huidige structuur van open-end vastgoedfondsen met uitstapmogelijkheden kwetsbaar onder veranderende marktomstandigheden?
Voldoende investeringen in de bouw van (midden) huurwoningen door private partijen zijn essentieel om de investeringsopgave te halen. Tegelijkertijd heb ik geen voorkeur voor de wijze waarop deze investeringen worden gedaan. Het is aan individuele investeerders om te bepalen hoe zij willen investeren en aan fondsen om hun eigen voorwaarden te bepalen.
Acht u aanvullende maatregelen of aanpassingen in de regelgeving noodzakelijk om deze kwetsbaarheden te mitigeren?
Zie het antwoord op vraag 14.
In uw Kamerbrief van 20 april jl. (Kamerstuk 27 926, nr. 409) neemt u enkele maatregelen om voornamelijk het uitponden van middenhuur woningen tegen te gaan; welke andere maatregelen heeft u overwegen, waarom zijn deze afgevallen?
In het Regeerakkoord is afgesproken dat de Wet betaalbare huur vóór de evaluatie wordt geoptimaliseerd om het aantal huurwoningen op peil te houden. Bij de keuze voor de optimalisatie is gekeken naar waar verhuurders vooral knelpunten ervaren, en hoe deze kunnen worden opgelost waarbij de betaalbaarheid in acht is genomen. Dit betekent dat de maatregelen snel kunnen worden ingevoerd en gericht verlichting bieden. De al door mijn voorganger in gang gezette maatregelen sluiten hier passend op aan. Daarnaast heb ik ervoor gekozen om de nieuwbouwopslag te verlengen om ontwikkelaars zo snel mogelijk meerjarige duidelijkheid te geven. In 2027 wordt aan de hand van de evaluatie van de Wet betaalbare huur gekeken in hoeverre verdere aanpassingen noodzakelijk en wenselijk worden geacht.
Uit de enquête van Vastgoed Belang blijkt dat investeerders de aangekondigde maatregelen onvoldoende achten om het uitponden tegen te gaan; herkent de Minister deze signalen, waarom acht de Minister aanvullende maatregelen nu niet nodig?
Het optimaliseren van de Wet betaalbare huur is slechts een deel van de oplossing hiervoor en zal dus niet direct al het uitponden tegengaan. Daarom kijk ik tegelijkertijd breder hoe het investeringsklimaat kan worden verbeterd, onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het investeringsklimaat voor woningbouw op peil te houden, mede gezien de signalen van partijen als Bouwinvest?
Het kabinet werkt hard aan het verbeteren van het investeringsklimaat. De inzet is dat er in de toekomst meer investeerders in de Nederlandse woningmarkt willen investeren. Dit is essentieel om voldoende betaalbare huurwoningen te realiseren. Om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. Ook heb ik uw Kamer recent geïnformeerd over de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen.
Tegelijk wordt gekeken naar andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren. Die handschoen pak ik op in het kader van de Taskforce Versnelling Woningbouw en zal onderdeel zijn van het Actieplan. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen
Bent u bereid in overleg te treden met institutionele beleggers en pensioenfondsen om te verkennen hoe investeringen in de Nederlandse woningbouw kunnen worden behouden dan wel vergroot?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over het aantrekken van (buitenlandse) investeringen, bijvoorbeeld in het structureel overleg investeringsklimaat (SOI).
Welke maatregelen neemt de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw om te waarborgen dat investeren in middenhuurwoningen aantrekkelijk blijft voor institutionele beleggers, zodat woningzoekenden niet de negatieve gevolgen ondervinden van fiscale beleidsmaatregelen?
Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het Regeerakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.
Batchnummers van de coronavaccins |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Waarom zijn (alleen) de batchnummers van de coronavaccins in dit overzicht1 niet opgenomen?
De Google Spreadsheet waarnaar wordt verwezen is géén publicatie van het Ministerie van VWS, maar is door een X-gebruiker opgesteld op basis van een document dat in het kader van de Wet open overheid (Woo) openbaar is gemaakt.2 Dit originele document bevat ook batchnummergegevens van coronavaccins.
Kunnen deze batchnummers alsnog worden toegevoegd aan dit overzicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht 'Nato meetings with TV and film-makers promt claims it is seeking ‘propaganda’' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in The Guardian getiteld «Nato meetings with TV and film-makers promt claims it is seeking «propaganda»»?1
Ja.
Zijn er Nederlandse militairen aanwezig geweest bij deze gesprekken tussen de NAVO en televisie- en filmproducenten? Zo ja, waarom waren ze bij deze gesprekken? Wat brachten ze (eventueel) in namens Nederland?
Dergelijke gesprekken worden onder andere gevoerd met hooggeplaatste functionarissen binnen de NAVO, van wie een deel de Nederlandse nationaliteit kan hebben. Deze functionarissen schuiven aan vanuit hun eigen verantwoordelijkheid en inhoudelijke expertise, en spreken niet namens Nederland.
Wat was het doel van deze gesprekken? Waarom heeft de NAVO deze gesprekken georganiseerd?
Om berichtgeving over de NAVO zo actueel mogelijk te houden, is het voor televisie- en filmproducenten interessant om meer te weten te komen over wat de NAVO doet en hoe de besluitvorming binnen de NAVO werkt.
Wie waren aanwezig bij deze gesprekken? Kan de Kamer de deelnemerslijst ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van de deelnemerslijst aangezien dit een NAVO-aangelegenheid betreft.
Kunnen de gespreksverslagen van deze bijeenkomst naar de Kamer worden gestuurd? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van gespreksverslagen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
In het artikel wordt gesteld dat deze gesprekken tussen de NAVO en televisie- en filmproducenten zouden hebben geresulteerd in «drie afzonderlijke projecten», kan de Kamer een beschrijving van deze drie projecten ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is niet in het bezit van een beschrijving van de drie projecten. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Vindt u het wenselijk, gepast en logisch voor de NAVO om zich bezig te houden met het werk van televisie- en filmproducenten? Zo ja, waarom?
Het kabinet steunt de NAVO volmondig bij het publiekelijk communiceren over de doelstellingen en activiteiten van het bondgenootschap. Het kabinet acht het waardevol dat de NAVO zich binnen de daarvoor geldende kaders zo open en transparant mogelijk opstelt naar het publiek, de media en andere actoren in het publieke domein. De NAVO beschermt al sinds de oprichting de vrije en democratische samenleving, door de vrede en veiligheid binnen het gehele bondgenootschap te bewaken. In die vrije samenleving staat het geïnteresseerden vrij om met de NAVO in gesprek te gaan over de belangrijke uitdagingen die voor ons liggen, en staat het televisie- en filmproducenten vrij om de door de NAVO verschafte informatie naar eigen inzicht te gebruiken.
Het bericht dat mensen in Dordrecht-West vaker longkanker krijgen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» van de GGD Zuid-Holland Zuid?1
Het kabinet vindt het zorgelijk dat uit het rapport van de GGD Zuid-Holland Zuid «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» blijkt dat in meerdere buurten van Dordrecht-West meer longkanker voorkomt dan het landelijke gemiddelde. Het kabinet begrijpt daarom de zorgen van de bewoners over hun gezondheid. Gezondheidsschade door schadelijke emissies in de leefomgeving moet zo veel mogelijk worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het alarmerend is dat bij bewoners van Dordrecht-West longkanker zo vaak voorkomt?
Het rapport bevat een belangrijk signaal. Het is ernstig dat longkanker bij bewoners van Dordrecht-West vaker voorkomt dan het landelijk gemiddelde. Het is goed dat de GGD hier aandacht voor vraagt. Het kabinet neemt dit signaal serieus. Het onderzoek wijst op blootstelling aan schadelijke stoffen in het verleden, waaronder op het werk, en op schadelijke emissies in het heden en op leefstijlfactoren, waaronder roken. Gelukkig is de situatie op het werk en in de leefomgeving sterk verbeterd ten opzichte van het verleden en is er breed ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken. Het kabinet werkt aan een gezonde leefomgeving en stuurt zoveel mogelijk op een verbetering van de leefstijl, onder meer door het ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken.
Op hoeveel andere plekken in Nederland lopen bewoners gezondheidsrisico door luchtvervuiling door onder meer industrie?
Het is niet precies te zeggen op hoeveel plaatsen in Nederland de situatie vergelijkbaar is met die in Dordrecht-West. Het RIVM meet in samenwerking met GGD’en en Omgevingsdiensten op een aantal plekken verspreid door Nederland de luchtkwaliteit. Informatie uit de metingen en uit berekeningen zijn openbaar te vinden op de websites van het luchtmeetnet2 en de Atlas Leefomgeving3. Het is bekend dat luchtvervuiling de belangrijkste van alle milieufactoren is die de gezondheid negatief beïnvloedt. Naast milieufactoren dragen ook persoonsgebonden factoren en gedrag bij. Volgens berekeningen van het RIVM veroorzaakt luchtverontreiniging ongeveer 3,4% van de ziektelast in Nederland4.
Overal is de situatie anders en is die in het verleden ook anders geweest. De invloed van luchtverontreiniging is groter op plaatsen met veel verkeer en industrie in Nederland en waar emissies uit verschillende bronnen, onder meer uit de industrie, samenkomen. Voorbeelden zijn de IJmond en de regio Rotterdam.
De luchtkwaliteit in Nederland voldoet aan de op dit moment geldende EU-normen, en is daarmee op veel plekken op een goed niveau. Deze normen liggen momenteel nog boven het gezondheidskundig meest wenselijke niveau, zoals deze zijn vastgelegd in de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)5. Vanaf 2030 gelden dan ook nieuwe, aangescherpte grenswaarden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht, als gevolg van de in 2024 herziene richtlijn Luchtkwaliteit. Deze normen liggen een stuk dichter bij de advieswaarden van de WHO. Het is de inzet van het kabinet om in 2030 overal in Nederland aan deze nieuwe grenswaarden te voldoen. Daardoor zullen de gezondheidsrisico’s van luchtvervuiling verder afnemen.
Binnen Nederland werken sinds 2020 152 overheden (139 gemeenten, alle provincies en het Rijk) samen aan het Schone Lucht Akkoord (SLA). Doel is om 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 te bewerkstelligen, met name door het verlagen van emissies van luchtvervuilende stoffen, ook als al aan de huidige grenswaarden wordt voldaan. Elke twee jaar wordt door het RIVM gemonitord of de doelen van het Schone Lucht Akkoord binnen bereik liggen. Uit de laatste «voortgangsmeting», uit 20246, blijkt dat Nederland op koers ligt om de meeste doelen van het SLA te bereiken (met uitzondering van enkele sectorspecifieke doelen). Belangrijke voorwaarde bij deze resultaten is dat hierbij wel ervan uit wordt gegaan dat het beleid dat zowel in het SLA als in de klimaat- en stikstofaanpak is geformuleerd, doorgang vindt7. In 2026 komt er weer een nieuwe voortgangsmeting uit.
Hoe gaat u de aanbevelingen van de GGD Zuid-Holland Zuid opvolgen, graag specificeren per aanbeveling?
De GGD Zuid-Holland Zuid doet aanbevelingen, gericht op a) het verder verlagen van de emissies van vervuilende stoffen rond Dordrecht-West, b) aanvullende maatregelen in de woningen, zoals filters in ventilatiesystemen, c) maatregelen gericht op een prettige, gezonde en verkoelende leefomgeving, en d) maatregelen om roken te ontmoedigen. De gezamenlijke overheden geven hier op de volgende wijze invulling aan:
Deze aanpak richt zich op het meer houvast bieden voor het Rijk, provincies en gemeenten voor het treffen van maatregelen voor een gezonde luchtkwaliteit in zwaarder belaste gebieden, zoals omwonenden bij industrie.
Een door de GGD geopperde verlaging van de maximumsnelheid naar 80 kilometer per uur op de A16 en de N3, zal waarschijnlijk slechts een zeer beperkte invloed hebben op de luchtkwaliteit in Dordrecht-West. Emissies van personenauto's en vrachtverkeer op wegen met een maximumsnelheid van 100 km/u, zoals de A16 en de N3, verschillen niet of nauwelijks van emissies op wegen met een maximumsnelheid van 80 km/u8. Emissies van het wegverkeer zijn de afgelopen jaren flink gedaald, en met name emissies van NOx zullen in de komende jaren nog verder dalen. De concentraties van NO2 en fijnstof rond de A16 en N3 voldoen aan de huidige grenswaarden.
In 2030 zullen er op grond van de in 2024 herziene EU-richtlijn Luchtkwaliteit strengere grenswaarden gelden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht. Overheden nemen continu maatregelen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Om overal in Nederland aan deze nieuwe normen te kunnen voldoen, is richting 2030 nog extra inzet nodig. Dit zal ook ten goede komen aan de gezonde leefomgeving. Op dit moment wordt bekeken welke maatregelen dat kunnen zijn.
In het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden9, wordt via de verkenning positieve financiële prikkels in algemene zin onderzocht of het mogelijk is om bovenwettelijke maatregelen te nemen voor het terugdringen van negatieve gezondheidseffecten door de industrie financieel te ondersteunen. Het feit dat de GGD Zuid-Holland Zuid deze maatregelen als effectief aanwijst, zal in dit onderzoek worden meegenomen.
Welke stappen worden er gezet om ervoor te zorgen dat de kans op longkanker in Dordrecht niet langer boven het landelijke gemiddelde blijft?
De maatregelen die genomen worden in het kader van het Schone Lucht Akkoord en het halen van de aangescherpte grenswaarden uit de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit zullen de ziektelast van luchtverontreiniging in de nabije toekomst laten dalen. Dankzij die aanpak zullen mensen in Nederland, ook in Dordrecht-West, uiteindelijk langer en langer gezond leven.
Het is verder belangrijk te constateren dat mensen in lagere leefomgevingskwaliteit meer kans hebben op gezondheidsschade. Het is alle overheden er veel aan gelegen de gemiddelde leefomgevingskwaliteit in Nederland te verbeteren. De Omgevingswet is met deze insteek vormgegeven en dwingt alle overheden om expliciet rekening te houden met de gezondheid van hun inwoners. Ook in Dordrecht-West zal een verbetering van de leefomgevingskwaliteit gezondheidswinst opleveren.
Daarnaast zet het kabinet zich actief in om roken en vapen onder jongeren terug te dringen via voorlichting, normcampagnes, rook -en reclameverboden en beperking van verkooppunten. In algemene zin daalt het aantal rokers in Nederland al jaarlijks, helaas is het effect daarvan op het aantal mensen met longkanker pas na vele jaren merkbaar.
Het onderzoek van de GGD Zuid-Holland Zuid in Dordrecht-West, uitgevoerd in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) past in deze inzet. De thema’s waaraan het programma NPLV werkt in Dordrecht-West zijn het verkleinen van gezondheidsachterstanden en het investeren in goede woningen en een verbetering van de fysieke leefomgeving. Zowel landelijk als lokaal wordt aan deze uitdagingen gewerkt.
Als laatst heeft de gemeente Dordrecht de verantwoordelijkheid om onder de Wet Publieke Gezondheid elke vier jaar een nota gezondheidsbeleid op te stellen waarin de gezondheid van de inwoners wordt bevorderd.
Welke stappen gaat u zetten om in het algemeen de kans op kanker in dit soort wijken, met veel luchtverontreiniging, te verlagen?
Zie het antwoord op vraag 4a en 5.
Het bericht ‘Zware klap voor oliekartel Opec na vertrek Emiraten: wat betekent dit voor de olieprijs en het wereldtoneel?’ |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zware klap voor oliekartel Opec na vertrek Emiraten: wat betekent dit voor de olieprijs en het wereldtoneel?»?1
Hoe duidt u het besluit van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) om het Opec-kartel te verlaten in het licht van de structurele instabiliteit op de mondiale energiemarkt en de toenemende prijsvolatiliteit?
In hoeverre is de invloed van de Opec+ op de wereldwijde olieproductie de afgelopen jaren afgenomen ten gunste van producenten buiten dit kartel?
Welke rol speelt de nauwe samenwerking tussen Rusland en Saoedi-Arabië binnen de Opec+ momenteel bij het kunstmatig hooghouden van de olieprijs?
In hoeverre acht u het waarschijnlijk dat de verzwakking van de Opec – en daarmee de Opec+-alliantie – de effectiviteit van Russische marktmanipulatie inperkt en daarmee direct de financiering van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne bemoeilijkt?
Hoe beoordeelt u de informatie dat het vertrek van de VAE mede is ingegeven door fundamentele onenigheid binnen de Golfregio over de reactie op de oorlog met Iran en de voortdurende blokkade van de Straat van Hormuz?
Wat betekent het vertrek van de VAE uit de OPEC voor de GCC en wat betekent de eenheid binnen de Gulf Cooperation Council (GCC) voor de belangen van de Europese Unie (EU), niet alleen op het gebied van energiezekerheid maar ook voor de regionale veiligheid?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie in de straat van Hormuz een directe bedreiging vormt voor de mondiale leveringszekerheid en de stabiliteit van de wereldeconomie met inbegrip van de voedselzekerheid? Zo ja wat bent u bereid bij te dragen aan de verbetering van die situatie?
Wat verwacht u dat de toenemende rivaliteit tussen de VAE en Saoedi-Arabië als effect heeft voor de regionale veiligheid?
Verwacht u dat het besluit van de VAE om de OPEC te verlaten de onderlinge rivaliteit tussen de VAE en Saoedi-Arabië zal vergroten en daarmee de mogelijkheden voor samenwerking binnen de GCC bemoeilijkt?
Welke rol ziet u voor Nederland en de Europese Unie om bij te dragen aan het behoud van de eenheid van de GCC als strategische partner, juist nu de spanningen tussen de lidstaten over energie- en veiligheidsbeleid toenemen?
Kan de intensivering van de samenwerking tussen Nederland en de VAE op het gebied van energie-infrastructuur en maritieme veiligheid bijdragen aan de algehele stabiliteit in de regio en, zo ja, op welke manier?
Erkent u dat de toenemende volatiliteit op de oliemarkt de vraag naar alternatieve energiebronnen en technologieën, zoals elektrische voertuigen en zonnepanelen, onvermijdelijk versnelt?
Hoe zet het kabinet zich in om te voorkomen dat deze versnelling leidt tot een nieuwe, eenzijdige afhankelijkheid van onvrije staten zoals China voor de levering van kritieke grondstoffen en componenten?
Op welke wijze waarborgt u dat deze nieuwe afhankelijkheden niet opnieuw als geopolitiek wapen kunnen worden ingezet, naar het voorbeeld van de huidige Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz?
Dagelijks bewegen als kerndoel in het basisonderwijs |
|
Marijke Synhaeve (D66), Renilde Huizenga (D66), Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderen dupe van besluit Ministerie Onderwijs? Scherder wil rechtszaak om dagelijks bewegen te verplichten»?1
Is het juist dat het Landelijk Expertisecentrum voor het curriculum (SLO) dagelijks bewegen had opgenomen in de kerndoelen voor het basisonderwijs maar dat het Ministerie van OCW daar twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen, na anderhalf jaar vergaderen, plotseling een streep doorheen heeft gezet?2 Zo ja, wat was de exacte reden voor dit besluit en wie heeft dit besluit genomen?
Wat is de onderbouwing van om dagelijks bewegen niet als verplicht kerndoel op te nemen terwijl er in Nederland 400.000 kinderen met overgewicht zijn en dat aantal de laatste jaren sterk is toegenomen?
De Nederlandse Sportraad, de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving en de Onderwijsraad riepen in 2018 gezamenlijk al op om het lange zitten te onderbreken door middel van beweegbreaks, maar geen van de aanbevelingen uit dat advies zijn overgenomen door de afgelopen twee kabinetten.3 Bent u wel van plan gehoor te geven aan deze herhaaldelijke adviezen, en zo ja, op welke manier?
De Gezondheidsraad adviseert dat kinderen en jongeren tot 18 jaar dagelijks minstens 60 minuten matig intensief bewegen.4 Hoe verhoudt het besluit om dagelijks bewegen niet te verplichten zich tot dit advies?
Neuropsycholoog Erik Scherder en belangenorganisatie Defence for Children verkennen juridische stappen tegen de staat, omdat zij vinden dat de gezondheid van kinderen onvoldoende wordt beschermd. Bent u bereid in gesprek te gaan met Scherder en Defence for Children over hun zorgen?
Recente studies tonen een relatie aan tussen fitheid van kinderen en hun prestaties op rekenen en taal.5 Deelt u de opvatting dat bewegen en cognitieve ontwikkeling onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, en zo ja, hoe weegt u dit mee in het curriculumbeleid?
Bent u bereid het besluit te herzien en dagelijks bewegen alsnog als kerndoel op te nemen in het curriculum voor het basisonderwijs? Zo nee, welke alternatieve maatregelen neemt u om de beweegachterstand van kinderen structureel aan te pakken?
(Dagelijks) bewegen vraagt om inbedding in de schooldag, maar leraren staan al onder grote werkdruk. Hoe voorkomt u dat de verantwoordelijkheid voor het beweegbeleid volledig op het bord van de individuele leraar terechtkomt en welke structurele ondersteuning, zoals gymdocenten, beweegcoaches of schoolbrede programma’s, stelt u hiervoor beschikbaar?