De maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de maatschappelijke kosten van PFAS-vervuiling in Europa kunnen oplopen tot honderden miljarden euro’s?1 Hoe beoordeelt u dit Europese rapport en deze raming voor Nederland?
Klopt het dat een aanzienlijk deel van deze kosten momenteel bij waterschappen, gemeenten en dus bij belastingbetalers terechtkomt? Acht u dit in lijn met het beginsel «de vervuiler betaalt»?
Heeft u een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse gemaakt van een vergaand nationaal PFAS-verbod? Zo ja, hoe verhouden de huidige kosten voor monitoring, zuivering en sanering zich tot de economische baten van het gebruik van PFAS in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dit alsnog te laten doen?
Hoe reflecteert u op het eigen handelen van het Rijk en de snelheid waarmee stappen worden gezet, terwijl de maatschappelijke kosten en effecten voor de gezondheid van natuur en mens steeds groter worden?
Ziet u door het nieuwe onderzoek aanleiding om het beleid rondom een verbod en de snelheid waarmee het wil handelen aan te passen?
Bent u het ermee eens eens, dat door niet adequaat handelen van de overheid, de samenleving opdraait voor de kosten van vervuiling van bedrijven? Hoe eerlijk acht u dit?
Deelt u de opvatting dat uitstel van streng beleid leidt tot hogere toekomstige kosten, zoals sanerings- en zorgkosten? Zo ja, hoe wordt dit meegewogen in huidige beleid?
Deelt u de stelling dat elke jaar uitstel van streng beleid betekent dat de rekening verder oploopt voor toekomstige generaties?
Bent u bereid voortaan sneller in te grijpen door bijvoorbeeld nationale maatregelen te treffen, nu steeds duidelijker wordt hoe groot de schade is, ook als Europese besluitvorming langer duurt?
Deelt u de conclusie dat het, gezien de omvang van de huidige en toekomstige kosten, ook economisch niet langer te verantwoorden is om de productie en toepassing van niet-essentiële PFAS toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Waarom kiezen we er nog steeds voor om niet-essentiële PFAS-toepassingen toe te staan, terwijl de kosten voor gezondheid en milieu blijven stijgen?
Wat zijn volgens u essentiële toepassingen en belangrijker nog, niet-essentiële toepassingen en hoe verhouden die twee zich tot elkaar in volumen?
Als strengere PFAS-voorschriften die leiden tot minder PFAS-vervuiling, bedrijven geld kosten, en geen nieuwe voorschriften bedrijven geld besparen, bent u het er dan mee eens, dat burgers met hun gezondheid betalen voor deze kostenbesparing van bedrijven? Vindt u dit, alles afwegende, nog economisch en moreel te verdedigen?
Het onderbrengen van nareizigers in hotels door het COA |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u nauwgezet aangeven welke stappen er gezet zijn door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en u sinds uw aankondiging in december rond het onderbrengen van nareizigers in hotels?1
Klopt het dat het COA voornemens is om deze of volgende week de eerste lichting nareizigers gaat onderbrengen in een hotel in de gemeente Schouwen-Duiveland?2 Zo nee, wanneer dan wel?
Kunt u de Kamer voorzien van een overzicht van voorgenomen plaatsingen die op dit moment bekend zijn en/of reeds verricht zijn? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer tevens voorzien van alle communicatie vanuit het Rijk en/of het COA richting gemeenten over deze regeling?
Klopt het dat gemeenten hooguit geïnformeerd worden door het COA wanneer er nareizigers in een hotel worden ondergebracht, maar verder geen zeggenschap hebben?
Bij hoeveel procent van de nareizigers die u voornemens bent in hotels te plaatsen is er sprake van dat het nagereisde familielid al wel huisvesting heeft in de koppelgemeente, maar dat deze niet geschikt wordt geacht voor meerdere bewoners?
Wat wordt in dezen verstaan onder al dan niet geschikt voor meerdere bewoners? Welke criteria gelden hiervoor en wie bepaalt deze?
Deelt u de mening dat het onuitlegbaar is om nareizigers op kosten van de belastingbetaler onder te brengen in hotels wanneer hun familielid al huisvesting in diezelfde gemeente heeft, ook als die misschien niet ideaal is voor meerdere bewoners? Zo nee, waarom niet?
Waarom geeft u het COA expliciet de opdracht om nareizigers in hotels in of nabij de koppelgemeente te plaatsen, terwijl u op 23 september jl. in uw Kamerbrief nog sprak over intrekken door de nareizigers bij hun familielid of het samen met de gemeente zoeken naar andere huisvesting in de buurt (Kamerstuk 19 637, nr. 3476)? Deelt u de conclusie dat uw Kamerbrief op essentiële onderdelen afwijkt van de manier waarop deze regeling vervolgens is uitgerold?
Wat heeft u doen besluiten om de koers te verleggen naar onderbrengen van nareizigers in hotels buiten gemeenten om?
Wat is uw reactie geweest op gemeenten, waaronder in ieder geval de gemeente Castricum, die u hebben aangesproken op deze koerswijziging en de onduidelijkheid daaromtrent?
Wat zijn de totale voorziene kosten van deze hele operatie, inclusief het financieren van het hotelverblijf gedurende de eerste zes maanden door het COA?
Kunt u nauwgezet uiteenzetten hoe het semipermanent (ten minste een half jaar) huisvesten van nareizigers in hotels zich verhoudt tot landelijke en lokale wet- en regelgeving?
Wat is uw inschatting van de economische schade voor ondernemers in gemeenten waar hotelkamers worden gehuurd voor nareizigers in plaats van door toeristen en andere bezoekers?
Wat verwacht u van gemeenten met betrekking tot de financiering van de huisvesting van nareizigers in hotels wanneer het hen niet lukt om binnen zes maanden vervangende huisvesting voor hen te regelen?
Hoe verhoudt het onderbrengen van nareizigers in hotels zich tot de reguliere wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders? Deelt u de conclusie dat u met deze werkwijze de reguliere interventieladder omzeilt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke gronden denkt u dit te kunnen doen?
Deelt u de conclusie dat het buiten de gemeente om huisvesten van nareizigers in hotels een maatregel is die feitelijk neerkomt op indeplaatsstelling conform de hoogste trede op de interventieladder? Zo nee, waarom niet en wat is het verschil?
Indien u ook voornemens bent nareizigers te plaatsen in hotels in gemeenten die zich op een lagere trede van de interventieladder bevinden, erkent u dan dat u dergelijke gemeenten hiermee opzadelt met een bovenwettelijke last? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat deze maatregel opnieuw een schoolvoorbeeld is van dweilen met de kraan open? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie dat Nederland de 53.000 verzoeken om nareis die momenteel in de pijplijn zitten simpelweg niet aankan? Zo ja, bent u bereid om in navolging van Oostenrijk alle mogelijkheden aan te grijpen om nareis te stoppen, in plaats van de hotelbranche voor astronomische bedragen om te vormen tot onderdeel van het COA?
Banden tussen het World Economic Forum en Jeffrey Epstein |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dick Schoof (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Epstein, zoals uit de miljoenen vrijgegeven documenten is gebleken, banden had met het World Economic Forum (WEF) in het algemeen en de huidige voorzitter van het World Economic Forum, de heer Brende, in het bijzonder?
Ik ben ervan op de hoogte dat er contacten zijn geweest tussen Jeffrey Epstein en Børge Brende. Ik heb tevens vernomen dat de heer Brende inmiddels heeft besloten af te treden als president en CEO van het World Economic Forum.
Bent u ervan op de hoogte dat Epstein op 16 september 2018 een e-mail heeft gestuurd naar de heer Brende waarin hij stelt dat het WEF («Davos») de Verenigde Naties (VN) kan vervangen, een suggestie waar de heer Brende een dag later per e-mail positief op reageert: «Exactly – we need a new global architecture. World Economic Forum (Davos) is uniqely [sic] positioned-public private»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat, nog geen jaar later, op 13 juni 2019, de VN en het WEF een «strategisch samenwerkingsverband» hebben ondertekend voor het versneld invoeren van «Agenda 2030»?
Ja.
Bent u nog steeds van mening dat het WEF geen eigen agenda heeft en slechts een neutraal platform biedt voor discussie, of, in de woorden van oud-premier Rutte «slechts de zaaltjes regelt»?
Ja.
Bent u het eens met de voorzitter van het WEF, met andere woorden, zou de premier het ook een goede zaak vinden als het WEF de VN zou vervangen?
Het kabinet zou het geen goede zaak vinden als het WEF de VN zou vervangen, en acht dit ook onrealistisch.
Bent u, ook na het vrijkomen van de Epstein files, in navolging van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), (nog steeds) van mening dat de bewering dat er een «kwaadaardig elite» zou bestaan «feitelijk onjuist» is?
Ja, mijn mening is daarbij onveranderd. Daarbij hecht ik er aan te benadrukken dat er in de Epstein-files zelf afschuwelijke feiten aan het licht zijn gekomen en het van belang is dat er zorgvuldig onderzoek wordt gedaan in alle gevallen van seksueel misbruik. Tevens wil ik benadrukken dat het van belang is dat er erkenning is voor de slachtoffers van deze misdrijven.
Overwegende dat het onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) is gefinancierd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ISN Academie, een onderdeel van de Islamitische Stichting Nederland (ISN), de Nederlandse tak van Diyanet, het Turkse Presidium voor Godsdienstzaken, dat moskeeën beheert, imams opleidt en de politieke ideologie van de AKP-partij van president Recep Tayyip Erdogan uitdraagt, waarom is gekozen voor samenwerking met Diyanet? Graag een toelichting welke overwegingen en opvattingen daaraan ten grondslag liggen.1
In deze set Kamervragen worden vragen gesteld over twee onderzoeken. Het onderzoek van Regioplan en de Universiteit Utrecht is uitgevoerd naar aanleiding van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 20222 en het daaropvolgende amendement van het lid Van Baarle (DENK) van 13 oktober 2022, waarin is verzocht om een onafhankelijk nationaal onderzoek naar moslimdiscriminatie.3 Met dit onderzoek is de wens van uw Kamer uitgevoerd.
Het onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) van 10 februari 2026 en het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Regioplan en de Universiteit Utrecht van 31 januari 2025.
KIS ontvangt op basis van een vastgesteld werkplan jaarlijks een instellingssubsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Een onderdeel van dat werkplan is de uitvoering van het zogenoemde KIS-portaal, waar vraagstukken uit de samenleving aangaande integratie en samenleven gesteld kunnen worden en door KIS worden onderzocht. Deze vragen kunnen leiden tot zogenaamde portaalprojecten.
Het portaalproject-onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» is uitgevoerd naar aanleiding van vragen van vijf organisaties: ISN Academie, Stichting School & Veiligheid, SPIOR/K9, Collectief Jonge Moslims en Moslimstudenten Associatie Nederland. Eén van deze partijen heeft het onderzoek voor een deel mede gefinancierd, ISN Academie (zie ook vraag 5).
KIS is onafhankelijk en maakt eigen afwegingen. Bij navraag bij KIS naar de aard van de samenwerking met ISN Academie geeft KIS aan dat ISN Academie het onderzoek alleen mede gefinancierd heeft en geen inhoudelijke betrokkenheid heeft gehad bij het onderzoek. De uitvoering van het onderzoek lag bij KIS.
Na publicatie van het rapport is bekend geworden dat er een huwelijksverband bestaat tussen de hoofdonderzoeker van het onderzoek en de directeur van ISN Academie. Zoals ik uw Kamer reeds heb geïnformeerd, heb ik KIS gevraagd om een tweetal onderzoeken uit te laten voeren om dit goed uit te zoeken (een accountantsonderzoek en een onafhankelijke wetenschappelijke review) en waar nodig maatregelen te treffen.4
Volgens de wetenschapster Semiha Sözeri van de Universiteit Utrecht e.a. vormen de imams en de koranscholen van Diyanet een schild tegen wat als «assimilatiekrachten» in de Nederlandse samenleving wordt ervaren. Vindt u dat Diyanet in het licht van deze achtergrond een geschikte partner is om mee samen te werken in een onderzoek naar moslimdiscriminatie?
Onderzoek moet altijd onafhankelijk, transparant en boven iedere twijfel verheven zijn. Dat betekent dat zowel financiering als betrokkenheid van partners nooit de schijn van beïnvloeding mogen oproepen. In dit geval is die schijn wél ontstaan, en dat is onwenselijk.
De Islamitische Stichting Nederland (ISN) speelt voor veel mensen een religieuze en sociale rol. Tegelijkertijd is er al jaren een maatschappelijke discussie over de zorgen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding. Het ministerie heeft dit in het verleden ook besproken ten aanzien van de structuur van de betreffende organisatie.
Bij wetenschappelijk onderzoek is het essentieel dat de onafhankelijkheid en transparantie boven iedere twijfel zijn verheven. Juist om de uitkomsten van dergelijke onderzoeken niet te schaden te en waarborgen. In deze context vind ik de samenwerking met ISN geen verstandige keuze. Dit betekent overigens niet dat binnen andere context samenwerking met ISN is uitgesloten.
Het nieuwe kabinet werkt, zoals aangekondigd in de Voortgangsbrief van 2 maart 2026, aan een herijking van de koers en prioriteiten op het gebied van inburgering, integratie en samenlevingsvraagstukken, waaronder de samenwerking met maatschappelijke partners. Ik hoop uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk verder te kunnen informeren.
Overwegende dat de onderzoeken van Regioplan en de Universiteit Utrecht en van het Kennisplatform Inclusief Samenleven berusten op zeer bescheiden steekproeven (het gaat om respectievelijk 38 en 57 respondenten), en zijn aangevuld met een literatuurstudie, bent u van mening dat onderzoek met een dergelijke beperkte opzet de conclusie kan rechtvaardigen dat moslimdiscriminatie in Nederland een «structureel probleem» is? Zo ja waarom bent u die opvatting toegedaan?
Een oordeel over de robuustheid van een specifiek onderzoek laat ik graag aan de wetenschap.
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) heeft de 57 respondenten voor «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» deels geworven via een oproep op sociale media en deels gebruik gemaakt van personen die eerder meewerkten aan onderzoek van KIS; bent u van mening dat deze methode voldoende robuust is? Zo ja, waar baseert u dat op?
Zie antwoord vraag 3.
Wat heeft het ministerie uitgegeven aan beide onderzoeken? Meent u dat dit geld welbesteed is?
Voor het KIS onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» is 40.000 euro subsidie van het Ministerie van SZW. De totale kosten van dat onderzoek bedroegen 45.000 euro.
Met betrekking tot het KIS onderzoek gaat het om, zoals bij antwoord 1 aangegeven, een portaalonderzoek welke KIS op basis van aanvraag van vijf maatschappelijke organisaties heeft uitgevoerd.
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Universiteit Utrecht en Regioplan (2025)5 kostte 302.500 euro en is gegund na een openbare aanbesteding volgens de richtlijnen van Europese aanbestedingen. Het kabinet heeft op 12 december 2025 opvolging gegeven aan dit onderzoek middels de Kabinetsreactie «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie en versterking aanpak moslimdiscriminatie».6
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» is zoals bij antwoord 1 aangegeven uitgevoerd naar aanleiding van een verzoek van uw Kamer en het Nationale Programma tegen Discriminatie en Racisme 2022.
Bent u bekend met het werk van de Franse antropologe en kenner van de netwerken van de Moslimbroederschap in Europa Florence Bergeaud-Blackler, die erop wijst dat de klacht over islamofobie een cruciaal onderdeel is van een «soft power strategie» van islamistische lobbyisten? En dat deze lobbyisten steeds herhalen dat men slachtoffer is van haat en discriminatie omdat zij op die manier de kans denken te vergroten dat hun eisen voor bijvoorbeeld gebedsruimtes op scholen en hoofddoeken bij de politie worden ingewilligd? Bergeaud-Blackler waarschuwt autoriteiten om zich niet te laten lenen voor deze agenda. Wat vindt u van deze analyse?
De analyse waarnaar wordt gerefereerd raakt aan bredere zorgen over buitenlandse beïnvloeding, religieus geïnspireerde druk en organisaties die proberen invloed uit te oefenen op onze open samenleving. Die zorgen neem ik serieus.
Tegelijkertijd weten we dat discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie, in Nederland voorkomt en dat dit een reëel probleem is dat we moeten aanpakken. Om te zorgen dat iedereen, wat je achtergrond ook is, een eerlijke kans krijgt om mee te doen en aan het werk te gaan.
Het bericht 'Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer maar regeling voelt als mager compromis' |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Eindelijk PTSS-erkenning voor brandweer, maar regeling voelt als mager compromis»?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Kunt u toelichten hoe dit bericht zich verhoudt tot het aangenomen amendement-Mutluer/Van Nispen, dat beoogt te komen tot een gelijkwaardige en uniforme landelijke ondersteuning en regeling voor brandweerlieden met PTSS, waarvoor 1,75 miljoen euro is vrijgemaakt?2
Kunt u gespecificeerd uiteenzetten wat er met deze middelen is gebeurd? Waaraan zijn ze concreet besteed?
Welke PTSS-regeling is voorts per 1 januari 2026 ingevoerd? Kunt u de kernonderdelen van deze regeling beschrijven? Is deze regeling zowel voor brandweerlieden als voor vrijwilligers begrijpelijk, uitvoerbaar en snel toegankelijk?
Klopt het dat in tegenstelling tot regelingen voor politie en defensie, in de PTSS-regeling voor brandweerpersoneel geen recht op automatische immateriële schadevergoeding (smartengeld) is opgenomen en dat de hoogte van eventuele vergoeding afhankelijk blijft van de specifieke veiligheidsregio (25 regio’s)? Zo ja, waarom is hiervan afgeweken en welke overwegingen hebben tot deze keuze geleid? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat hierdoor rechtsongelijkheid kan ontstaan? Zo ja, welke maatregelen treft u om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is de financiering zoals voorzien in het amendement-Mutluer/Van Nispen, toereikend voor de daadwerkelijke uitvoering van een landelijke regeling? Welke signalen ontvangt u van veiligheidsregio’s over uitvoerbaarheid en kosten? Wat is er (financieel) nodig om te komen tot een regeling die daadwerkelijk uniform en gelijkwaardig is, inclusief een vorm van immateriële schadevergoeding?
Welke activiteiten onderneemt u om ervoor te zorgen dat ook vrijwilligers binnen de veiligheidsregio’s op gelijke wijze kunnen profiteren van de regeling en dat eventuele praktische belemmeringen bij hun toegang tot ondersteuning worden weggenomen?
Het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann |
|
René Claassen (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann waarin wordt gesteld dat meerdere theaters en zalen onder druk zijn gezet door linkse actiegroepen vanwege geplande optredens van Rogier Kahlmann en dat dit in diverse gevallen heeft geleid tot de annulering van voorstellingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat culturele instellingen door georganiseerde druk en dreigementen worden bewogen om programmering aan te passen of te schrappen?
Ik zie dit als een ongewenste en zorgwekkende ontwikkeling die de artistieke vrijheid van makers en culturele instellingen onder druk zet. Artistieke vrijheid vormt een fundament van onze democratische rechtstaat, waarin iedereen de ruimte moeten krijgen om zichzelf te uiten, ook als dit schuurt.
Deelt u de opvatting dat het intimideren van podia en programmeurs vanwege de inhoud van een voorstelling een ernstige aantasting vormt van de artistieke vrijheid en de vrijheid van meningsuiting?
Ja, die opvatting deel ik.
In hoeverre acht u het wenselijk dat een kleine, activistische linkse minderheid via dreiging met klachten, reputatieschade of meldingen bij instanties feitelijk een veto kan uitspreken over culturele programmering?
Culturele instellingen hebben de vrijheid om zelf te bepalen wie zij wel of niet programmeren. Burgers hebben de vrijheid om iets van deze programmering te vinden, maar dat moet wel op een correcte wijze. Ik acht iedere inmenging die culturele instellingen onder druk zet om hun keuzes aan te passen onwenselijk.
Kunt u aangeven of en hoe vaak gesubsidieerde culturele instellingen zich bij uw ministerie hebben gemeld vanwege druk, bedreiging of intimidatie rondom programmering in de afgelopen jaren?
Er zijn mij enkele incidenten bekend van door OCW gesubsidieerde culturele instellingen die te maken kregen met druk, bedreiging of intimidatie vanwege hun programmering. Bezien vanuit een breder perspectief constateer ik dat makers en culturele instellingen druk ervaren op hun artistieke vrijheid, bijvoorbeeld in polariserende discussies over programmeringskeuzes. Deze signalen ontving de Raad voor Cultuur ook en bewogen hem ertoe om een advies uit te brengen over artistieke vrijheid, dat de Raad 21 januari jl. aan uw kamer heeft aangeboden.2 Op dit moment bereid ik een reactie op dit advies voor.
Welke verantwoordelijkheid ziet u voor de overheid om culturele instellingen te beschermen tegen ongeoorloofde druk en intimidatie, juist wanneer deze instellingen afhankelijk zijn van publieke middelen?
Ik vind het belangrijk een inclusieve, pluriforme en toegankelijke culturele sector te waarborgen. Als de samenleving polariseert en de spanningen toenemen, moet de culturele en creatieve sector een veilig podium blijven bieden voor het vrije woord, artistieke expressie en dialoog. Om instellingen hierin te ondersteunen heeft mijn ambtsvoorganger de Handreiking Weerbare Cultuursector3 van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt. Deze handreiking en het onderliggende onderzoek bieden culturele instellingen houvast om zorgvuldige afwegingen te maken in de dynamiek van maatschappelijke spanningen, polarisatie en toenemende druk om positie te kiezen.
Deelt u de zorg dat het normaliseren van dergelijke actiemethoden leidt tot zelfcensuur binnen de culturele sector, waarbij instellingen uit angst voor repercussies bepaalde artiesten of thema’s mijden?
Ik deel de zorg dat acties die culturele instellingen onder druk zetten bepaalde keuzes te maken de druk op de artistieke vrijheid vergroot. In tijden van maatschappelijke spanningen en polarisatie is het daarom extra belangrijk om culturele instellingen handvatten te bieden voor de omgang met maatschappelijke druk. Hiervoor heeft mijn voorganger onlangs de handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt.
Bent u bereid in overleg te treden met de culturele sector over richtlijnen of ondersteuning voor instellingen die te maken krijgen met georganiseerde intimidatie of dreiging rondom hun programmering?
Hierover ben ik reeds in gesprek met de sector. De handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut is het resultaat van een onderzoek dat tot stand is gekomen aan de hand van meerdere gesprekken met de sector.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om culturele instellingen te beschermen tegen druk en intimidatie rondom hun programmering?
Ik neem dit onderwerp zeer serieus. Daarom beraad ik me op dit moment goed op het eerder genoemde advies van de Raad voor Cultuur over artistieke vrijheid. Ik zal in mijn reactie op dit advies ook ingaan op de druk en intimidatie rondom programmering van culturele instellingen.
Het bericht ‘Walibi laat medewerkers document ondertekenen waarin staat dat arbeidsvoorwaarden 'redelijk' zijn: 'Te bizar voor woorden' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Walibi laat medewerkers document ondertekenen waarin staat dat arbeidsvoorwaarden «redelijk» zijn: «Te bizar voor woorden»» van maandag 16 februari 2026?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat Walibi Holland werknemers een verklaring laat tekenen waarin wordt gesteld dat zij de arbeidsvoorwaarden «redelijk» vinden?
Het is in principe aan werknemer en werkgever om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Hierbij dient wel rekening gehouden te worden met de wettelijke kaders, waaronder de wetgeving voor een gelijke behandeling tussen tijdelijke en vaste werknemers, en de geldende cao’s. Daarnaast dienen werkgevers zich te houden aan de in Nederland geldende beginselen waaronder ook goed werkgeverschap. Het is uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of daaraan wordt voldaan.
In hoeverre druist het ondertekenen van een verklaring zoals die is opgesteld door Walibi Holland in tegen bijvoorbeeld het stakingsrecht?
Het recht op collectieve actie is verankerd in artikel 6, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest. Daarin staat dat werkgevers en werknemers het recht hebben om collectief op te treden als sprake is van een belangengeschil, met inbegrip van het stakingsrecht. De werkgever kan zijn werknemers niet zomaar verbieden te staken of beperkingen opwerpen. Het is aan de rechter om te toetsen of bij het ondertekenen van een bepaalde verklaring sprake is van een inbreuk op het stakingsrecht. Tevens kan de rechter toetsen of een dergelijke verklaring in strijd is met andere wettelijke kaders, desbetreffende cao en de rechtsbeginselen.
Welke bescherming hebben werknemers wanneer zij na het ondertekenen van het contract toch in actie komen tegen de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland?
Het ondertekenen van het contract laat onverlet dat een werknemer in actie kan komen tegen onredelijke arbeidsomstandigheden. In dat geval worden zij op meerdere manieren beschermd. In algemene zin zijn werknemers beschermd tegen oneigenlijke behandeling van hun werkgever. Zo geldt voor veel gelijke behandelingsregels, waaronder die tussen tijdelijke en vaste werknemers, bescherming tegen benadeling. Zie ook het antwoord op vraag 8. In deze gevallen kunnen werknemers zich wenden tot het College voor de Rechten van de Mens. In andere gevallen kan de werknemer zich, al dan niet met hulp van de vakbond of rechtsbijstandverlener richten tot de rechter. De wet bevat meerdere artikelen (bijvoorbeeld artikel 6:248, tweede lid BW) die het contract tussen werknemer en werkgever kunnen aantasten. Daarnaast biedt het arbeidsrecht een bepaalde minimumbescherming (bijvoorbeeld ontslagbescherming) die dwingendrechtelijk van aard is. In veel gevallen zullen werkgevers dit goed willen oplossen en is het niet nodig om hier juridische stappen op te ondernemen.
Bent u het eens met de Horecabond dat op deze manier druk uitoefenen kan bijdragen aan een angstcultuur waarin werknemers terughoudend worden om misstanden aan te kaarten en dat dit in strijd is met goed werkgeverschap?
Iedere situatie waarin er oneigenlijk druk uitgeoefend wordt op werknemers om misstanden niet aan te kaarten vind ik onwenselijk, en kan geen onderdeel zijn van een gezonde bedrijfscultuur. In hoeverre dat in deze situatie het geval is, kan ik niet beoordelen.
Wat vindt u van de uitspraken van Marc Guffens, directielid bij Walibi Holland, die stelt dat medewerkers akkoord moeten gaan met de arbeidsvoorwaarden en anders niet in dienst mogen komen?
Het is in principe aan werknemers en werkgevers om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Wel gelden hiervoor wettelijke kaders, cao’s en algemene beginselen. Deze regels zien in het bijzonder op bescherming tegen ongelijke behandeling, waaronder ook die tussen tijdelijke en vaste werknemers. In hoeverre dat in deze situatie het geval is, kan ik niet beoordelen.
Bent u het ermee eens dat de uitspraken van Guffens op gespannen voet staan met de praktijk van arbeidsverhoudingen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord bij vraag 6.
Wat vindt u van het feit dat Walibi Holland bij seizoensmedewerkers niet kiest voor de horeca-cao waardoor deze minder goede arbeidsvoorwaarden hebben dan vaste krachten?
Ik kan deze specifieke situatie niet beoordelen. Tegelijkertijd wil ik in algemene zin wel benadrukken dat het een werkgever verboden is om onderscheid te maken tussen werknemers in de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomst, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Dit is geregeld in artikel 7:648 BW. Indien een werknemer denkt dat hier sprake van is, kan hij of zij zich tot het College voor de Rechten van de Mens wenden. Het College kan onderzoeken of een dergelijk verboden onderscheid is of wordt gemaakt. Het is een werkgever verboden om een werknemer te benadelen die een beroep doet op dit gelijke behandelingsrecht.
Wanneer heeft de laatste inspectie van de Nederlandse Arbeidsinspectie plaatsgevonden bij Walibi Holland? Zijn er toen fouten geconstateerd rond arbeidsomstandigheden?
De Arbeidsinspectie was voor het laatst in juni 2025 bij Walibi Holland. Er zijn toen geen overtredingen geconstateerd.
Kunt u hierbij schriftelijk verklaren dat wanneer werknemers in actie komen tegen de arbeidsomstandigheden bij Walibi Holland zij dit recht mogen uitoefenen en vanwege een (vakbonds)actie dus niet op straat kunnen komen te staan?
Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3. Het recht op collectieve actie is verankerd in artikel 6, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest. Daarin staat dat werkgevers en werknemers het recht hebben om collectief op te treden als sprake is van een belangengeschil, met inbegrip van het stakingsrecht. Dit recht mag niet zomaar worden beperkt of bestraft. Het is aan de rechter om te toetsen of sprake is van een inbreuk op het stakingsrecht.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De miljoenen euro’s aan dwangsommen die worden uitgekeerd aan asielzoekers |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (VVD), Mona Keijzer |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van NOS van 14 januari jl., waaruit blijkt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in 2024 in totaal 36,8 miljoen euro aan dwangsommen heeft uitgekeerd aan asielzoekers?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat voor miljoenen euro’s aan dwangsommen worden uitgekeerd aan asielzoekers en dat deze dwangsommen per zaak kunnen oplopen tot 37.000 euro?
Het is onwenselijk dat de kosten oplopen. Daarnaast is de lange wachttijd onwenselijk vanuit het perspectief van de aanvrager die recht heeft op tijdige behandeling van zijn of haar aanvraag.
De IND geeft bovendien aan dat dwangsomprocedures het proces niet bespoedigen. Het afschaffen van de rechterlijke dwangsom is onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet, die momenteel voorligt ter behandeling bij de Eerste Kamer. De maatregel kan direct na inwerkingtreding van de wet geïmplementeerd worden. Tot die tijd geef ik uitvoering aan bestaande wetgeving en daaruit volgende rechterlijke uitspraken.
Hoeveel heeft de IND in 2025 uitgekeerd aan dwangsommen en wat was het maximum per zaak?
De IND heeft in 2025 in totaal2 79 miljoen euro aan dwangsommen betaald. Het maximum per zaak is afhankelijk van de vraag of de vreemdeling wel of geen (opvolgend) «beroep niet tijdig beslissen (BNTB)» indient en wat de rechter in de individuele zaak aan dwangsom oplegt.
Voor wat betreft de zaken waarin de IND nog een bestuurlijke dwangsom op basis van ingebrekestelling (zonder tussenkomst van de rechter) moet uitbetalen3, bedraagt dit maximaal € 1.442,– per zaak. Voor wat betreft de rechterlijke dwangsom heeft de rechter de vrijheid om te bepalen hoe hoog de dwangsommen zijn, maar volgt daarbij normaliter de beleidslijnen die binnen de rechtspraak zijn afgesproken4.
Wanneer na een eerdere uitspraak (Beroep Niet Tijdig Beslissen – BNTB) nog steeds niet is beslist op de aanvraag, kan de vreemdeling een opvolgend BNTB indienen bij de rechtbank. Het aantal keer dat een vreemdeling een opvolgend BNTB kan indienen is – zolang niet is beslist op de aanvraag – niet aan een maximum verbonden.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat asielzoekers tienduizenden euro’s kunnen ontvangen via dwangsommen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven bij vraag 2 is het onwenselijk dat asielzoekers te maken hebben met lange wachttijden en draagt dit bij aan de inzet tot het afschaffen van de rechterlijke dwangsom.
Het gevolg daarvan is dat IND in gebreke kan worden gesteld en dat een beroep niet tijdig beslissen kan worden ingediend. Dit draagt niet bij aan het verkorten van de wachttijden en heeft oplopende kosten tot gevolg. De IND werkt hard aan het verminderen van de wachttijden en daarmee het beperken van de oplopende kosten.
Deelt u de opvatting, van zowel het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de dwangsomregeling is bedoeld als bestuurlijke prikkel voor tijdige besluitvorming en niet als financiële tegemoetkoming of inkomensbron voor asielzoekers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik volg de lijn van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2026.
Deelt u de mening van de indiener dat de huidige dwangsomregeling een perverse prikkel kan vormen, waarbij het voor asielzoekers aantrekkelijk wordt om hun procedure zo veel mogelijk te dwarsbomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Op het moment dat aanvragers niet meewerken aan hun procedure kan dit reden tot afwijzing zijn. Gevallen waarbij de aanvrager de procedure vertraagt om een dwangsom te verbeuren zijn mij niet bekend. Indien dit zich wel zou voordoen kan de IND het besluit en daarmee de dwangsom onder (bij wet) bepaalde voorwaarden, zoals overmacht, toerekening of instemming opschorten.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om dwangsommen aan asielzoekers af te schaffen of in elk geval te verlagen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen is onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet, die momenteel voorligt ter behandeling bij de Eerste Kamer.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om dwangsommen niet langer uit te keren aan asielzoekers, maar aan werkende Nederlanders in de vorm van een jaarlijkse belastingkorting? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een onderzoek naar de vraag of een dergelijke handelwijze (juridisch) haalbaar is bevindt zich buiten mijn beleidsterrein. Daarnaast ligt het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen ter behandeling voor bij de Eerste Kamer.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat omwonenden van azc Lochem 1000 euro krijgen om hun eigen veiligheid te regelen. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat omwonenden van het asielzoekerscentrum (azc) in Lochem maximaal 1.000 euro per huishouden krijgen van de gemeente om zelf «preventieve maatregelen» te nemen voor hun veiligheid, zoals camera’s en hekken, vanwege de onrust en onveiligheid veroorzaakt door asielzoekers?1
Erkent u dat dit het keiharde bewijs is dat asielzoekers structureel zorgen voor overlast, intimidatie, bedreigingen en onveiligheid in Nederland, en dat omwonenden nu letterlijk met hun eigen portemonnee (via belastinggeld) hun bescherming moeten regelen tegen deze asielwaanzin? Zo nee, waarom ontkent u de verschrikkelijke realiteit die talloze Nederlanders dagelijks ervaren?
Kunt u exact uiteenzetten hoeveel incidenten van geweld, diefstal, bedreigingen, aanrandingen en andere overlast door asielzoekers in en rond het azc Lochem zijn gemeld bij de politie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en hoeveel van deze meldingen zijn verzwegen of niet serieus zijn genomen?
Deelt u de mening dat het volstrekt absurd en schandalig is dat belastinggeld wordt verspild om omwonenden te «compenseren» voor de onveiligheid die dit kabinet veroorzaakt door overlastgevers niet uit te zetten, de Spreidingswet te handhaven en geen asielstop in te voeren?
Bent u het ermee eens dat de enige oplossing het sluiten van het azc is? Zo nee, hoeveel slachtoffers van intimidatie, diefstal of geweld moeten er nog bijkomen?
Bent u bereid om alsnog de Spreidingswet per direct in te trekken en een volledige asielstop in te stellen? Zo nee, waarom prioriteert u asielzoekers boven de veiligheid van de eigen bevolking?
Het bericht dat de NAVO-troepen niet voorbereid zijn op de toekomst van oorlogsvoering |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in The Wall Street Journal getiteld «NATO Has Seen the Future and Is Unprepared», waarin op basis van een simulatie van drone-oorlogsvoering wordt geconcludeerd dat de NAVO onvoldoende lessen heeft getrokken uit de oorlog in Oekraïne?1
Bent u van mening dat de Nederlandse troepen voldoende getraind en uitgerust zijn om een grote confrontatie effectief aan te gaan?
Beschikt de Nederlandse krijgsmacht op grote schaal over kamikaze-FPV-drones die niet alleen geschikt zijn voor surveillance, maar ook voor directe aanvallen, zoals deze worden ingezet door zowel Russische als Oekraïense strijdkrachten?
Beschikt de Nederlandse krijgsmacht over drones met fiber-optische verbindingen, zoals die in de oorlog tussen Rusland en Oekraïne worden gebruikt?
Welke samenwerkingsverbanden bestaan er met Oekraïne dan wel andere NAVO-partnerlanden om geavanceerde technologieën, zoals fiber-optische drones en FPV-kamikazedrones, te integreren in de Nederlandse krijgsmacht en wat is de concrete planning en tijdlijn voor deze integratie?
Op welke wijze wordt de opleiding en training van Nederlandse militairen aangepast aan de realiteit van moderne drone-oorlogsvoering, inclusief electronic warfare en jamming-technieken, teneinde te voorkomen dat Nederlandse eenheden in een reëel conflict op grote schaal worden uitgeschakeld, zoals gesimuleerd in recente NAVO-oefeningen?
Welke concrete maatregelen treft u om te waarborgen dat Nederland en de NAVO wel voorbereid zijn en standhouden in een scenario dat geschetst is tijdens de oefening Hedgehog 2025 in Estland?
De mogelijke arrestatie van een Nederlandse staatsburger in Syrië |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichten dat een Nederlandse staatsburger, genaamd Max van den Berg, zich momenteel in Syrië bevindt en daar mogelijk is gearresteerd door lokale autoriteiten?
Ja.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat deze persoon daadwerkelijk is gearresteerd, en zo ja, door welke autoriteit, op welke grond en op welke locatie? Indien dit nog niet is vastgesteld: welke concrete stappen zijn sinds het bekend worden van deze berichten ondernomen om duidelijkheid te verkrijgen over zijn verblijfplaats en status?
Het kabinet kan niet ingaan op individuele gevallen vanwege de privacy van betrokkene(n).
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt doorgaans geïnformeerd over de detentie van Nederlanders in het buitenland via de lokale autoriteiten. Bij het uitblijven daarvan, ondanks concrete signalen die wijzen op de detentie van een Nederlander in het buitenland, verzoekt het ministerie zelf om informatie bij de lokale autoriteiten, die deze bij instemming van betrokkene dienen te overhandigen.
Welke informatie is u bekend over de detentieomstandigheden (zoals medische zorg, rechtsbijstand, contact met de buitenwereld en risico op foltering of onmenselijke behandeling) indien betrokkene in Syrië wordt vastgehouden?
In algemene zin is er beperkte informatie beschikbaar over de omstandigheden in detentiecentra in Syrië. Openbare bronnen beschrijven dat de situatie na de val van Assad nog steeds problematisch is, met ernstige tekortkomingen in voedsel, medische zorg, hygiëne en rechtsbescherming. Ook zijn risico’s op mishandeling en inhumane behandeling gedocumenteerd door EU- en VN-rapporten als onderdeel van structurele problemen in het Syrische detentiesysteem, ook onder de Syrische overgangsautoriteiten.1
Erkent u dat de Staat een bijzondere verantwoordelijkheid heeft tegenover personen met de Nederlandse nationaliteit, ook als de Staat geen rechtsmacht heeft? Hoe geeft u invulling aan deze verantwoordelijkheid?
Het kabinet erkent dat de Staat een bijzondere verantwoordelijkheid heeft tegenover personen met de Nederlandse nationaliteit. Deze verantwoordelijkheid geldt ook, zij het op een andere wijze en in mindere mate, in landen waar de Staat geen rechtsmacht heeft. Het kabinet geeft onder andere invulling aan deze verantwoordelijkheid middels het verlenen van consulaire bijstand aan Nederlanders in het buitenland waar gewenst en mogelijk.
Erkent u dat, indien de mensenrechten van een Nederlandse staatsburger worden geschonden, of dreigen te worden geschonden, daaruit kan voortvloeien dat de Staat een inspanningsverplichting heeft om deze schending of dreigende schending te beëindigen of af te wenden? Erkent u dat, naarmate de belangen die in het geding zijn zwaarder wegen, van de Staat meer mag worden verwacht? Wat is daarover, in deze concrete zaak, uw oordeel?
Het kabinet kan niet ingaan op individuele gevallen. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 4.
In algemene zin gaat het kabinet uit van de zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van Nederlanders in het buitenland. Zo is het de eigen verantwoordelijkheid van Nederlanders om zich goed te informeren over de risico’s in het buitenland en zich voor te bereiden op hun reis. Bij een consulair hulpverzoek kijkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken vervolgens naar de mogelijkheden en specifieke omstandigheden hoe consulaire bijstand kan worden verleend.
Daarbij geldt dat de mogelijkheden voor het verlenen van consulaire bijstand in Syrië zeer beperkt zijn. De kleurcode van het reisadvies voor Syrië van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is rood. Dat betekent dat Nederlanders wordt geadviseerd om niet naar Syrië te reizen, ongeacht de situatie. Ook staat in het reisadvies vermeld dat de Nederlandse ambassade in Syrië is gesloten en niet kan helpen als Nederlanders in de problemen komen.
Welke vormen van (consulaire) bijstand zijn in de praktijk mogelijk wanneer er geen (volwaardige) diplomatieke betrekkingen bestaan?
Bij een consulair hulpverzoek kijkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken naar de mogelijkheden en specifieke omstandigheden hoe consulaire bijstand kan worden verleend.
In landen of gebieden waar Nederland geen diplomatieke contacten met de lokale autoriteiten heeft of geen (consulaire) vertegenwoordiging heeft, zijn de mogelijkheden tot het verlenen van consulaire bijstand beperkt. Het is in dat geval soms mogelijk dat Nederlanders consulaire bijstand kunnen ontvangen van een andere lidstaat van de Europese Unie die wel een diplomatieke vertegenwoordiging heeft in het betreffende land of gebied, op dezelfde wijze als waarop onderdanen van die lidstaat consulaire bijstand zouden ontvangen. In geval van detentie, kan dat bijvoorbeeld gedetineerdenbezoek omvatten.
Bent u bereid om alle mogelijke inspanningen te leveren om in dit geval de nodige bijstand te verlenen, bijvoorbeeld via derde staten, internationale organisaties of multilaterale kanalen? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin zet het kabinet zich in om desgewenst consulaire bijstand te verlenen aan alle Nederlanders in het buitenland volgens de bestaande consulaire praktijk. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 6.
Kunt u deze vragen met de grootst mogelijke spoed beantwoorden?
Het bericht 'Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis' |
|
Harmen Krul (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis»?1
Hoe beoordeelt u het gegeven dat van de ongeveer 130.000 meldingen per jaar bij Veilig Thuis slechts ongeveer 350 meldingen afkomstig zijn van kraamverzorgers en verloskundigen, terwijl zij juist bij gezinnen achter de voordeur komen?
Bent u het ermee eens dat de kraamtijd een kwetsbare periode is waarin onveilige situaties kunnen ontstaan, waardoor vroegsignalering van onveilige situaties essentieel is? Zo ja, hoe kunt u die signaleringsfunctie versterken?
Welke rol speelt volgens u de angst voor represailles en welke maatregelen neemt u om de veiligheid van zorgprofessionals die melden, te waarborgen?
Hoeveel gevallen zijn er bekend waarbij de melder te maken heeft gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld na contact met Veilig Thuis?
Bent u van mening dat het niet anoniem kunnen doen van een melding meespeelt in de terughoudendheid van kraamverzorgers en verloskundigen?
Bent u het met Veilig Thuis eens dat anoniem melden niet past bij professioneel handelen van de zorgverlener? Zo nee, waarom niet?
Is het volgens u voldoende bekend dat kraamverzorgers wel altijd anoniem kunnen bellen met Veilig Thuis voor advies, zonder dat officieel een melding hoeft te worden gemaakt? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat die bekendheid toeneemt?
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat toch sneller meldingen worden gemaakt van onveilige situaties bij gezinnen door zorgverleners, om erger te voorkomen en op tijd in te kunnen grijpen?
Welke rol spelen personeelstekorten en werkdruk in de kraamzorg bij het missen of niet melden van signalen van onveiligheid? En welke maatregelen kunt u nemen om dit te verbeteren?
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld, middelengebruik of verwaarlozing in de eerste levensfase van kinderen onopgemerkt blijven?
De F-35 |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Is het technisch mogelijk een F-35, net zoals een iPhone, te «jailbreaken»? Zo nee, waarom zegt u dit dan?
De uitspraak van de vorige Staatssecretaris van Defensie was een reactie in een gesprek over een zeer onwaarschijnlijke en ongewenste situatie, en moet in de bredere context van het interview worden geplaatst. De vorige Staatssecretaris heeft niet gepleit voor het schenden van de ondertekende F-35 overeenkomsten. Nederland blijft het F-35 programma onverminderd steunen. Het kabinet hecht groot belang aan voortzetting van de nauwe samenwerking en onderlinge vertrouwensband met de Verenigde Staten en andere partners binnen het F-35 programma.
Laten de contracten die met de Verenigde Staten zijn getekend in verband met de aankoop van de F-35 door Nederland een «jailbreak» toe?
Zie antwoord vraag 1.
Is het kabinet bereid, zoals u stelt, eventueel tot een «jailbreak» van de F-35 over te gaan?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er, voor zover bij het kabinet bekend, Nederlandse oud-militairen (veteranen) die op contractbasis voor Oekraïne (in de F-16) gevechtsmissies vliegen?
Het kabinet doet geen uitspraken over de berichtgeving omtrent Nederlandse vliegers die actief zijn in Oekraïne. Het kabinet heeft sinds het uitbreken van de oorlog meermaals aangegeven dat het onverstandig is om naar Oekraïne af te reizen en mee te vechten. Het kabinet kan echter geen beperkingen opleggen aan de bewegingsvrijheid van Nederlanders die dit op eigen initiatief doen. Tevens geldt er een negatief reisadvies voor geheel Oekraïne. Tot slot benadrukt het kabinet dat deze personen op geen enkele wijze Nederland vertegenwoordigen in de eventuele gevechtshandelingen die zij ondernemen.
Het gebrek aan passende leermiddelen in het speciaal onderwijs |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat leerlingen in het speciaal onderwijs les krijgen uit schoolboeken die niet geschikt voor hen zijn, omdat commerciële uitgevers van schoolboeken het financieel niet interessant genoeg vinden passende schoolboeken uit te geven?1
Ja.
Deelt u de mening dat commercialisering er nooit toe mag leiden dat leerlingen afhankelijk zijn van lesmateriaal dat niet geschikt voor hen is en zelfs averechtse gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling en zelfbeeld? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat iedere leerling toegang heeft tot kwalitatief goed en toegankelijk lesmateriaal dat aansluit bij zijn of haar ontwikkelbehoefte.
Ziet u dit als een voorbeeld van het falen van marktwerking in het onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Het gespecialiseerd onderwijs kent een heel diverse populatie aan leerlingen, met specifieke behoeften. Daardoor zijn leermiddelen vaak alleen geschikt voor een kleine groep en is soms tot op leerlingniveau maatwerk nodig. Ik zie dat marktpartijen niet altijd in staat zijn om oplossingen te bieden die aansluiten bij wat leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs nodig hebben. Daarom zet ik voor deze groepen extra stappen om het bieden van maatwerk te ondersteunen.
Ik ondersteun bijvoorbeeld Dedicon, die schoolboeken voor blinde en slechtziende leerlingen toegankelijk maakt en ondersteuning biedt voor leerlingen met dyslexie.
Via het Nationaal Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal (IOL) realiseer ik met vele partners een brede kwaliteitsimpuls in het hele funderend onderwijs voor het effectief gebruiken van open leermiddelen. Het voordeel van open leermateriaal is dat leraren dit zelf kunnen aanpassen aan de behoeften van hun leerlingen, om zo meer maatwerk mogelijk te maken, maar het niet helemaal zelf te hoeven doen.
Het project GOpen wordt binnen het programma Impuls Open Leermateriaal ondersteund met als doel om open leermiddelen voor het gespecialiseerd onderwijs te verbeteren en toegankelijk te maken. Leraren kunnen dit materiaal hierdoor eenvoudig vinden, hergebruiken en aanpassen aan de specifieke onderwijsbehoeften van hun leerlingen. Het combineren en arrangeren met open en methodisch materiaal kan leiden tot kwalitatief goed en passend materiaal, juist ook voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs. Hierover vinden verkennende gesprekken plaats, onder andere tussen IOL, de sectorraad GO en Neon. Ik volg deze ontwikkeling om te zien of dit nu voldoende impact heeft.
Daarnaast vind ik het belangrijk om structurele verbeteringen in de toegankelijkheid van leermiddelen voor alle leerlingen met diverse ondersteuningsbehoeften te realiseren. Daarom onderzoekt OCW via een nulmeting naar de toegankelijkheid van leermiddelen wat er nog meer nodig is om leermiddelen voor alle leerlingen toegankelijk te maken. Zoals verzocht in de motie Ceder (ChristenUnie)2, wordt daarbij ook gekeken naar het oplossen van één van de bestaande knelpunten: het ontbreken van standaarden, normen en richtlijnen voor de toegankelijkheid van digitale leermiddelen.
Wat vindt u ervan dat docenten nu in hun vrije tijd zelf geschikt lesmateriaal maken om alsnog te zorgen dat deze leerlingen op een passende manier les kunnen krijgen?
Ik waardeer alle inzet van leraren in het gespecialiseerd onderwijs die er veel tijd en energie in steken om hun leerlingen het beste en meest passende te bieden. Tegelijkertijd vind ik het niet wenselijk als het passend maken van lesmateriaal structureel in de vrije tijd van leraren plaatsvindt. Daarom is GOpen een belangrijk initiatief. Dit geeft scholen en leraren de mogelijkheid om gezamenlijk lesmateriaal te ontwikkelen op een professionele manier. Krachten worden gebundeld en leraren houden regie over hun eigen leermateriaal, wat tijd kan besparen en de kwaliteit kan verhogen.
Bent u in gesprek gegaan met het onderwijsveld om na te gaan hoeveel docenten dergelijke taken bovenop hun functie uitvoeren? Zo nee, waar wordt de uitspraak dat dit geen structureel probleem is op gebaseerd en bent u bereid hier onderzoek naar te laten uitvoeren?
Ik ben in gesprek met de sectorraad GO. Uit onderzoek van de sectorraad GO blijkt dat leraren veelal materiaal aanpassen of ontwikkelen voor hun eigen leerlingen. Leraren geven aan structureel bezig zijn met lesmateriaal geschikt maken voor hun lessen. Exacte aantallen ontbreken. Ook is onbekend of leraren dat als een structureel probleem ervaren3. Uit de meest recente Monitor Digitalisering Onderwijs (MDO) blijkt dat het aandeel leraren dat zelf materiaal ontwikkelt gelijk is aan leraren in het po. Ook blijkt uit de MDO dat de tevredenheid over de leermiddelenmarkt in het gespecialiseerd onderwijs hoger is dan in het vo.4
Deelt u de mening dat structurele problemen om een structurele oplossing vragen?
Ik vind het belangrijk om problemen te helpen oplossen.
Deelt u de mening dat een tijdelijke subsidie van nog onbekende hoogte onvoldoende en te onzeker is om het initiatief van scholen voor een eigen landelijk platform met passend lesmateriaal goed te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. Het programma Impuls Open Leermateriaal en het project GOpen zijn ingericht om een kwaliteitsimpuls te geven aan open leermateriaal via bestaande initiatieven en organisaties. Er is voldoende budget beschikbaar om de beoogde kwaliteitsimpuls te realiseren, aanvullend op bestaande middelen van initiatieven en organisaties. Het is in eerste instantie aan deze partijen zelf om te voorzien in borging van de kwaliteitsimpuls na afloop van het programma. Recent heeft de Minister van EZK aangekondigd € 38 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het programma Impuls Open Leermateriaal t/m 2030. Dat biedt meerjarig financiële zekerheid. Het programma werkt momenteel aan een verdere concretisering van de plannen. Dat betekent dat ook GOpen kan rekenen op voortgezette ondersteuning binnen deze programmaperiode, mits passend binnen de programmadoelen.
Heeft u contact gehad met de sectorraad GO om te kijken wat zij nodig hebben om een dergelijk platform structureel te kunnen laten voortbestaan? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst?
Het programma Impuls Open Leermateriaal en de sectorraad GO zijn in constructief overleg over de plannen voor GOpen tot en met 2030. Omdat het programma als een tijdelijke kwaliteitsimpuls is ingericht, is daarbij ook aandacht voor de borging van de opbrengsten na afloop van deze periode.
Wat is de hoogte van het subsidiebedrag dat de sectorraad GO kan verwachten of, indien dit nog niet bekend is, wanneer kan de sectorraad GO hier meer informatie over verwachten?
De plannen en bijbehorende budgetten worden uitgewerkt in het gesprek tussen Impuls Open Leermateriaal en GOpen. In de loop van 2026 zal daar meer over bekend worden.
Deelt u de mening dat een subsidie voor een kwaliteitsimpuls voor een structureel en wezenlijk onderdeel van het speciaal onderwijs de werkdruk voor de desbetreffende docenten die de leermiddelen ontwikkelen niet vermindert en te weinig is om een structurele tekortkoming op te lossen?
Nee, zoals hierboven toegelicht deel ik deze mening niet.
Wordt in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat doen naar marktwerking rondom leermiddelen ook specifiek gekeken naar het aanbod van leermiddelen voor het speciaal onderwijs? Zo nee, kan dit nog meegenomen worden?
Ja, in het onderzoek dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap samen met het Ministerie van Economische Zaken laat uitvoeren, wordt ook het gespecialiseerd onderwijs meegenomen. De onderzoekers van Dialogic, Oberon en eConomics zijn gevraagd om de marktwerking van het gehele funderend onderwijs, inclusief gespecialiseerd onderwijs, in beeld te brengen.
Wat gaat u naast de subsidie voor een kwaliteitsimpuls doen om te garanderen dat elke leerling op het speciaal onderwijs in de toekomst les kan krijgen op basis van voor hen geschikte leermiddelen?
Op grond van artikel 23, zesde lid, van de Grondwet hebben scholen vrijheid in de keuze van hun leermiddelen. Het is daarmee in eerste instantie aan leraren en scholen om te voorzien in passende leermiddelen. Schoolbesturen ontvangen hiervoor een bekostiging waarmee zij het onderwijs kunnen organiseren. Hier valt ook de aanschaf van leermiddelen onder. In het antwoord op vraag 3 is toegelicht op welke wijze ik het onderwijs ondersteun om leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs van passende leermiddelen te voorzien.
Het bericht ‘Hack bij Odido, gegevens miljoenen klanten in handen van criminelen’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de cyberaanval bij Odido waarbij gegevens van circa 6,2 miljoen accounts zijn buitgemaakt door criminelen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de omvang en ernst van dit datalek, mede gezien het feit dat ook gevoelige persoonsgegevens, zoals identiteitsdocumentnummers en rekeningnummers, mogelijk zijn gelekt?
De schaal van dit datalek, de hoeveelheid getroffen burgers en de soms gevoelige aard van de gelekte persoonsgegevens maken dit tot een bijzondere situatie. Het maakt duidelijk dat datalekken grote gevolgen kunnen hebben. Zonder iets te willen of kunnen zeggen over de oorzaken van het onderhavige datalek, maakt dit in meer algemene zin duidelijk dat een goede bescherming van persoonsgegevens zoals onder meer vereist in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) noodzakelijk is en een integraal onderdeel moet zijn van primaire bedrijfsprocessen. De gevraagde beoordeling van dit datalek is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als onafhankelijke toezichthouders. Daarnaast doet de politie onder leiding van het Landelijk Parket onderzoek naar de aanval en de daders.
In hoeverre heeft deze cyberaanval gevolgen voor de digitale veiligheid en weerbaarheid van Nederland, gezien de maatschappelijke rol van telecomproviders?
De AP heeft laten weten geen informatie te verstrekken over individuele zaken. In zijn algemeenheid houdt de AP bij omvangrijke datalekken onder meer toezicht op de naleving van de meldplicht datalekken en onderzoekt daarbij ook de beveiliging ten tijde van het lek en genomen vervolgstappen. Maar ook andere aspecten die specifiek zijn voor de datalekzaak kunnen door de AP worden onderzocht. Daarbij wordt ook rekening gehouden met signalen uit openbare bronnen en signalen uit klachten die de AP heeft ontvangen.
De AP beschikt over voldoende handhavende bevoegdheden vanuit de AVG om in te grijpen wanneer een (voorgenomen) verwerking van persoonsgegevens niet rechtmatig, behoorlijk en/of transparant plaatsvindt. Bijvoorbeeld door het bevestigen van normen, het geven van waarschuwingen, stilleggen van verwerkingen of het opleggen van boetes.
Hoe beoordeelt u het risico dat de bij Odido gestolen persoonsgegevens in de toekomst alsnog openbaar worden gemaakt, en welke gevolgen kan dit hebben voor de veiligheid en privacy van betrokken burgers?
De bij Odido gestolen persoonsgegevens zijn inmiddels gepubliceerd.2 In algemene zin geldt dat een dergelijke grootschalige publicatie in ieder geval het risico verhoogt op diverse vormen van oplichting en fraude zoals gerichte phishing en social engineering. Onder andere Odido, Veiliginternetten.nl, de politie en de AP communiceren naar aanleiding van het datalek actief waarvoor gestolen gegevens kunnen worden misbruikt en geven tips om gevolgen van het datalek zoveel mogelijk tegen te gaan.3
Heeft Odido het datalek tijdig gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en andere relevante instanties, en bent u op de hoogte van eventuele lopende onderzoeken?
De AP heeft laten weten dat Odido het datalek tijdig heeft gemeld bij de AP. Odido geeft aan daarnaast proactief relevante overheidsinstanties, waaronder de RDI, te hebben geïnformeerd. De RDI is op basis van de verkregen informatie mogelijke vervolgstappen aan het onderzoeken. De AP meldt op haar website dat zij aanleiding ziet om tot formeel onderzoek over te gaan.4
Is er volgens uw inschatting sprake van nalatigheid of onvoldoende naleving van de Europese privacy- en beveiligingsverplichtingen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), door Odido?
Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen. Dit is in eerste instantie aan de AP. De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhaven, advies verstrekken, samenwerken met andere toezichthoudende autoriteiten en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. De AP toetst daarnaast of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels.
Welke risico’s lopen getroffen klanten en acht u de door Odido genomen maatregelen voldoende om deze risico’s te beperken?
Zie het antwoord op de vraag 4. De vraag of Odido voldoende maatregelen heeft genomen om te voldoen aan de zorgplicht uit de Telecommunicatiewet en de AVG is aan de toezichthouders om te beoordelen.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan telecomproviders ten aanzien van cyberbeveiliging en gegevensbescherming en voldoen deze volgens u nog aan de huidige dreigingscontext?
Het toepasselijke normenkader stelt de strikte vereisten die noodzakelijk zijn voor een goede bescherming in een steeds veranderende dreigingscontext. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 valt Odido onder de zorgplicht van de Telecommunicatiewet. Onder de zorgplicht dienen aanbieders passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om risico’s voor de beveiliging van hun netwerken of diensten te beheersen. Dit moet zorgen voor een veiligheidsniveau dat is afgestemd op risico's die zich voordoen. De RDI ziet toe op de naleving van de vereisten van deze zorgplicht.
Daarnaast zijn telecomproviders gebonden aan de AVG, waaronder de beginselen van behoorlijke gegevensverwerking. Het beginsel van dataminimalisatie houdt bijvoorbeeld in dat organisaties alleen persoonsgegevens mogen verzamelen en verwerken die strikt noodzakelijk zijn voor een vooraf bepaald, specifiek doel. Op verwerkingsverantwoordelijken rust daarnaast de verplichting om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen om persoonsgegevens te beveiligen. Deze beveiligingsmaatregelen dienen een op de risico’s voor de rechten en vrijheden van personen afgestemd beveiligingsniveau te waarborgen en rekening te houden met de stand van de techniek, alsook met de aard, omvang, context en doeleinden van de verwerking. Het waarborgen van passend bewustzijn van de beveiligingsrisico's bij personen die toegang hebben tot de te verwerken gegevens is daarbij van belang. Verwerkingsverantwoordelijken dienen hun beveiligingsmaatregelen doorlopend te evalueren en zo nodig aan te passen aan nieuwe risico’s, waaronder nieuwe cyberdreigingen. Op grond van de AVG fungeert de Functionaris gegevensbescherming (FG) als onafhankelijk adviseur en ziet toe op de naleving van het gegevensbeschermingsrecht waaronder de te nemen maatregelen.
Het Nationaal Cyber Security Centrum staat rond actuele kwetsbaarheden en cyberdreigingen in nauw contact met partners binnen de telecomsector en werkt onder meer samen via het telecomgerichte Information Sharing and Analysis Center (ISAC).
EZK werkt samen met de telecomoperators in het Nationaal Continuïteit Overleg Telecom (NCOT) om gezamenlijk aan de continuïteit van de telecomdienstverlening te werken in het kader van de huidige dreiging.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen of toezichtmaatregelen te treffen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen?
Op dit moment ziet de Staatssecretaris van Economische Zaken geen aanleiding om aanvullende eisen te stellen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 8 zijn onder de toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de Telecomwet en de AVG, organisaties zelf verantwoordelijk voor het nemen van passende maatregelen om, mede gelet op de huidige dreigingscontext, (grootschalige) datalekken te voorkomen. Het is aan de toezichthouders om daarop toe te zien en in dit verband de nodige toezichtmaatregelen te treffen. Dit is niet aan mij als bewindspersoon.
Welke rol ziet u voor de overheid bij het ondersteunen van bedrijven en burgers bij het beperken van schade na grootschalige datalekken?
De AP ziet als onafhankelijke toezichthouder toe op de naleving van de AVG en kan handhavend optreden wanneer organisaties tekortschieten. Daarnaast heeft de toezichthouder een belangrijke rol in voorlichting. Door het geven van uitleg, richtsnoeren en praktische handvatten ondersteunt de toezichthouder organisaties en burgers bij de toepassing van de AVG en het uitoefenen van hun rechten.
Ook Veiliginternetten.nl geeft adviezen in deze casus. Dit is een publiek-private website om neutrale informatie over digitale veiligheid te verstrekken aan burgers. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) deelt via openbare kanalen diverse adviezen en richtlijnen over cybersecurity, zoals beveiligingsadviezen, dreigingsinformatie en maatregelen om digitale incidenten te voorkomen of te beperken. Het Ministerie van EZK verstrekt jaarlijks via Mijn Cyberweerbare Zaak subsidie aan kleinere mkb’ers ter versterking van hun digitale weerbaarheid.
Mensen die vermoeden dat ze slachtoffer zijn geworden van diefstal van hun gegevens kunnen op de site van de politie controleren of hun data in handen is gevallen van criminelen.
Acht u de oproep van Odido aan klanten om «extra alert» te zijn voldoende, of ziet u een verantwoordelijkheid voor aanvullende beschermingsmaatregelen richting getroffen klanten?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 8, stelt het toepasselijke normenkader, in het bijzonder de AVG, de nodige strikte vereisten. De AP ziet toe op de naleving van dat kader.
Bestaan er landelijke richtlijnen of protocollen voor ondersteuning van burgers die slachtoffer zijn van grootschalige datalekken waarbij identiteitsgegevens zijn buitgemaakt? Zo ja, worden deze in dit geval toegepast?
Het handelingskader voor slachtoffers van datalekken wordt vormgegeven door de AVG. De AVG verplicht verwerkingsverantwoordelijke organisaties om betrokkenen te informeren over een «hoog risico» datalek. De wijze waarop betrokkenen in lijn met de AVG dienen te worden geïnformeerd, wordt uitgewerkt in richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB). Het is aan de AP om daarop toe te zien. Tevens heeft de AP op grond van de AVG de eigen wettelijke taak om voorlichting te geven aan burgers over hun rechten en handelingsmogelijkheden uit hoofde van de AVG bij datalekken. De website van de AP biedt een overzicht van mogelijkheden voor betrokkenen bij een datalek.
Daarnaast zal het kabinet met een reactie komen in lijn met de gedane toezegging door de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit en de aangenomen motie van het lid Rajkowski die opriep voor een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken en de gedane toezegging5.
Op welke wijze houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op de opvolging van dit incident, en beschikt de toezichthouder volgens u over voldoende bevoegdheden en capaciteit om effectief toezicht te houden bij grootschalige datalekken?
Welke lessen trekt u uit dit incident voor het beleid richting de markt op het gebied van de weerbaarheid van organisaties die grote hoeveelheden persoonsgegevens verwerken?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: ’Gezondheid patiënten staat op het spel’' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Erkent u de uitkomsten van het onderzoek door het SIR instituut en de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) dat jaarlijks circa vier miljoen patiënten worden geconfronteerd met medicijntekorten en dat in meer dan zeventig procent van de gevallen het gaat om preferent aangewezen medicijnen die niet leverbaar zijn?1
Het kabinet is bekend met het onderzoek. In het onderzoek van het SIR instituut en LEF wordt geconstateerd dat 56,7% van de geregistreerde tekorten plaatsvond in een groep van geneesmiddelen waarop preferentiebeleid wordt gevoerd2. Het verbaast mij niet dat een groot deel van de in de «meldweek» gemelde tekorten en leveringsproblemen gaat om preferente geneesmiddelen. Het aandeel van de geneesmiddelenmarkt waarover preferentiebeleid wordt gevoerd is namelijk groot: in 2023 werd op 86% van de extramuraal geleverde geneesmiddelen preferentiebeleid gevoerd3. Het percentage uit het onderzoek van het SIR instituut en LEF zegt niets over een eventueel oorzakelijk verband tussen het voeren van het preferentiebeleid en het ontstaan van geneesmiddelentekorten of andere leveringsproblemen.
Het kabinet deelt met mevrouw Coenradie dat, ondanks dat de tekorten teruglopen, nog steeds te veel patiënten geraakt worden door geneesmiddelentekorten. Dit vindt het kabinet onwenselijk. Het kabinet zet zich dan ook onverminderd in om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid te verbeteren. Nog dit voorjaar informeert het kabinet de Kamer, zoals gebruikelijk, over de voortgang van de ingezette maatregelen en over de verdere plannen om de beschikbaarheid en leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren.
Deelt u de opvatting dat voor het welzijn van al deze patiënten slechts één relevante definitie bestaat: een tekort is een tekort zodra de apotheek het medicijn niet kan leveren, ongeacht wat er administratief wordt geregistreerd?
Het kabinet deelt deze opvatting grotendeels. Uiteraard is ook voor dit kabinet het belangrijkst dat de patiënt over diens geneesmiddel kan beschikken. Maar op meer plekken in de keten kunnen problemen ontstaan met de beschikbaarheid van geneesmiddelen, waar de patiënt niets van hoeft te merken. Bijvoorbeeld bij de producent of groothandel. Ook op die plekken wil het kabinet de beschikbaarheid van geneesmiddelen verbeteren. Om ervoor te zorgen dat álle partijen in de keten sneller en duidelijker kunnen communiceren, handelen en monitoren, en zo uiteindelijke tekorten voor patiënten te voorkomen, is binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) de afspraak gemaakt om uniforme definities van geneesmiddelentekorten op te stellen.
Het kabinet deels overigens niet de stelling uit het Telegraaf-artikel dat er sprake is van een tekort als er een bepaald merk van een geneesmiddel niet beschikbaar is, terwijl andere merken van hetzelfde geneesmiddelen wel beschikbaar zijn. In verreweg de meeste gevallen kan een patiënt overstappen naar een ander merk van hetzelfde geneesmiddel zonder dat dat gevolgen heeft voor diens gezondheid.4
Deelt u de signalen uit de apotheekpraktijk dat apothekers met de rug tegen de muur worden gezet: het preferente middel is er niet, een alternatief ligt wel op de plank, maar als de apotheker dat alternatief verstrekt riskeert hij een boete van de zorgverzekeraar?
Het kabinet kent de signalen dat apothekers zich in dergelijke situaties soms klemgezet kunnen voelen en dat dit (financiële) onzekerheid voor hen creëert. Daarom neemt het kabinet deze signalen mee in gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid.
Deze onzekerheid wordt onder andere veroorzaakt doordat de aanduiding van deze situatie in informatiesystemen niet gestandaardiseerd is en anders wordt beoordeeld door zorgverzekeraars. Een andere oorzaak ligt in de snelheid waarmee informatiesystemen aangepast kunnen worden. Om te zorgen voor een betere en snellere aansluiting tussen leverbaarheid en vergoedingsstatus is in het AZWA afgesproken dat de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) gaan zorgen voor snelle aanpassing van de vergoedingsstatus door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is. Ook werken zij aan meer frequente updates van de informatie hierover in informatiesystemen. Zodra zij dit gerealiseerd hebben is het voor apothekers veel sneller dan nu duidelijk welk alternatief zij binnen het preferentiebeleid kunnen afleveren. Ook neemt hierdoor de administratieve last voor apothekers af doordat hun ICT-systemen sneller actueel zijn. Het kabinet is blij dat de KNMP en ZN dit oppakken en spoort hen aan hier voortvarend mee aan de slag te gaan.
Het is van belang dat er heldere, realistische en eenduidige afspraken zijn over de situaties waarin een preferent aangewezen merk van een geneesmiddel niet voorradig is. Uiteindelijk is het aan de zorgverzekeraars en apotheken zelf om hier in de inkoopgesprekken afspraken over te maken, voor zover dat niet al gebeurt. Het kabinet vraagt daar bij beide partijen aandacht voor.
Vind u deze situatie verdedigbaar en zo ja, hoe legt u dat uit aan de patiënt die met lege handen naar huis moet?
Het komt zelden voor dat patiënten zonder behandeling komen te staan als een preferent aangewezen middel niet voorradig is. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.5
Bent u bereid om per direct, zonder te wachten op lopend onderzoek, een noodmaatregel in te voeren waarbij apothekers geen boetes van zorgverzekeraars krijgen wanneer zij in dringende situaties een beschikbaar alternatief verstrekken, aangezien wat op papier beschikbaar is in de praktijk niet aan de balie bestaat? Zo nee, wat is dan uw alternatieve oplossing voor de patiënt die morgen zijn hartmedicatie nodig heeft maar niet gaat krijgen?
Nee, het kabinet ziet geen noodzaak tot het instellen van een noodmaatregel. Contractuele afspraken over de omgang met dit soort situaties zijn een zaak tussen apothekers en zorgverzekeraars. Het kabinet begrijpt dat er onzekerheid ontstaat bij apotheken doordat niet alle zorgverzekeraars op dezelfde manier met deze situaties omgaan. Het kabinet gaat hiervoor aandacht vragen bij de koepels van apotheken en zorgverzekeraars.
Kunt u uitleggen waarom een patiënt in het huidige systeem niet mag bijbetalen voor een vertrouwd medicijn, maar wel de volledige kosten zelf moet betalen als hij dat middel wil blijven gebruiken?
Een systeem waarin patiënten kunnen bijbetalen voor niet-preferent aangewezen middelen creëert ongelijke toegang tot zorg en verhoogt de totale zorgkosten. Dat wordt hieronder nader toegelicht.
In het huidige systeem vergoedt de zorgverzekeraar per groep geneesmiddelen met dezelfde werkzame stof in ieder geval één variant volledig. Op deze variant krijgt de zorgverzekeraar korting van de leverancier. Het preferentiebeleid is nu zo vormgegeven dat bijbetaling binnen zo’n groep niet toegestaan is. Dit houdt de uitvoering eenvoudig en de zorgkosten beheersbaar. Een niet-preferent geneesmiddel valt buiten de basisdekking, dus de verzekerde betaalt het hele bedrag zelf.
Dit kan oneerlijk lijken omdat een bekend, maar duurder geneesmiddel niet vergoed wordt. Ook niet voor een deel. Het huidige systeem is juist solidair en rechtvaardig omdat iedere verzekerde met dezelfde aandoening dezelfde behandeling volledig vergoed krijgt, ongeacht inkomen. Bijbetaling zou ongelijke toegang tot zorg creëren, omdat niet iedereen uit eigen portemonnee kan bijbetalen. En het zou de totale zorgkosten verhogen door voorkeur voor varianten waarop de zorgverzekeraar geen korting krijgt.
Ook zou vaker kiezen voor duurdere geneesmiddelen waarop de zorgverzekeraar geen korting ontvangt de totale zorgkosten verhogen, waardoor premies voor iedereen stijgen. Daarnaast zou deze mogelijkheid betekenen dat de zorgverzekeraar zich niet aan haar afspraken met de leverancier kan houden. De zorgverzekeraar krijgt namelijk korting van de leverancier omdat eerstgenoemde garandeert dat het betreffende merk van het geneesmiddel voor al diens verzekerden het preferent aangewezen middel is. Dat is niet meer het geval als een verzekerde door bijbetaling een ander geneesmiddel kan krijgen. Dit zou de onderhandelingspositie van zorgverzekeraars ten opzichte van leveranciers verslechteren, opnieuw met hogere zorgkosten als gevolg.
Waarom acht u deze situatie rechtvaardiger dan een systeem waarbij iemand alleen het prijsverschil bijbetaalt?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met het pleidooi van de apothekersbranches voor een systeem van «laagste prijs + bandbreedte», waarbij meerdere merken van een medicijn volledig worden vergoed en waarvoor geen jarenlang onderzoek maar een beleidsbesluit nodig is? Bent u bereid om uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 met zorgverzekeraars concrete afspraken te maken over de implementatie van dit model? Zo nee, wat is uw bezwaar tegen een systeem dat leveringszekerheid vergroot zonder afbreuk te doen aan kostenbeheersing?
Ja, het kabinet is bekend met het pleidooi voor een «laagste prijs + bandbreedte»-model. De stellingname die de schrijvers van het pleidooi doen dat dit model de leveringszekerheid vergroot zonder kostenstijging vraagt om meer onderbouwing. Doorgaans brengen bredere vergoedingen hogere zorguitgaven met zich mee.
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om afspraken te maken over de implementatie van dit model. Het kabinet werkt op dit moment aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet verwacht u in lijn met de motie eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie. Het lijkt mij zinvol om deze evaluatie af te wachten. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan, kan dan overwogen worden alternatieven zoals dit model nader te verkennen.
Kunt u, aangezien zorgverzekeraars rapporteren over de besparingen van het preferentiebeleid, ook inzichtelijk maken wat de totale maatschappelijke kosten zijn: extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames door medicatiewisselingen, uitvoeringslasten voor apothekers, en de menselijke tol van patiënten die zonder medicatie zitten?
Ja, de evaluatie van het preferentiebeleid die op verzoek van de Kamer wordt uitgevoerd beoogt naast de besparingen ook de maatschappelijke kosten en baten van het preferentiebeleid in beeld te brengen. Het kabinet verwacht u eind 2026 te kunnen informeren over de uitkomsten van de evaluatie.
Erkent u dat «goedkoop op papier» niet hetzelfde is als «doelmatig in de praktijk»?
Als het lid Coenradie bedoelt dat aan het preferentiebeleid behalve baten ook kosten verbonden kunnen zijn, dan deelt het kabinet dat. Zoals hierboven aangegeven is het doel van de evaluatie van het preferentiebeleid om de totale kosten en baten inzichtelijk te maken. Dit omvat niet alleen de directe besparingen op papier, maar ook effecten op de administratieve lasten voor apothekers, op de beschikbaarheid van geneesmiddelen en op de patiëntenzorg.6
Bent u bereid om uiterlijk eind februari 2026 een spoedoverleg te beleggen met zorgverzekeraars, apothekersbranches en patiëntenvertegenwoordigers, met als concrete opdracht: het vaststellen van afspraken die per 1 april 2026 operationeel zijn, zodat patiënten niet langer met lege handen naar huis gaan terwijl alternatieven op de plank liggen?
Het kabinet ziet geen toegevoegde waarde in het inlassen van een spoedoverleg. Er vindt namelijk al regelmatig overleg met hen plaats. Specifiek werkt het kabinet bijvoorbeeld met de zorgverzekeraars, apothekersbranches en andere relevante partijen aan verbeteringen van het inkoop- en preferentiebeleid. En werkt het kabinet met veldpartijen (met vertegenwoordigers van patiënten, leveranciers, groothandels, zorgverzekeraars, zorgaanbieders, voorschrijvers, apothekers en de overheid) voortvarend aan de structurele verbetering van de beschikbaarheid van geneesmiddelen. Zo wordt in het kader van het AZWA gewerkt aan snelle aanpassing van de vergoeding door zorgverzekeraars wanneer een preferent product niet leverbaar is én aan een frequente update van de informatie hierover in informatiesystemen zoals de G-standaard. Alle veldpartijen zijn zich bewust van de urgentie en dragen naar vermogen bij aan het oplossen van de beschikbaarheidsproblematiek.
Hoe verklaart u aan miljoenen Nederlanders dat, als zij in een levensbedreigende situatie terechtkomen, ze niet geholpen mogen worden vanwege beleid, terwijl een alternatief medicijn beschikbaar is?
Deze vraag wekt de suggestie dat miljoenen Nederlanders, als zij in een levensbedreigende situatie terecht komen, niet geholpen mogen worden. Dat is onjuist. Uit cijfers van KNMP Farmanco blijkt dat bij 99% van de leveringsproblemen een alternatief beschikbaar is in de apotheek. Bijvoorbeeld een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of met een middel dat geïmporteerd is uit het buitenland.7
De oproep van MiGreat tot het aangaan van schijnhuwelijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van niet-gouvernementele organisatie (ngo) MiGreat om schijnhuwelijken aan te gaan om een verblijfsvergunning te krijgen?1
Bent u het eens met de stelling dat het aangaan van een schijnhuwelijk met het oog op verblijfsrecht huwelijksfraude is en dus strafbaar is?
Bent u bereid alles op alles te zetten om huwelijksfraude tegen te gaan en, als hiervan sprake is, verblijfsvergunningen en/of paspoorten onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat het publiekelijk oproepen tot het plegen van een strafbaar feit strafbaar is? Zo ja, doet het Openbaar Ministerie onderzoek naar deze oproep?
Hoe beoordeelt u de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling) die deze ngo geniet, gelet op de strafbare oproep en het nalaten van het voldoen aan de wettelijk verplichte jaarverslagen, zoals beschreven in het artikel van NieuwRechts?2
Bent u bereid om, in overleg met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, de ANBI-status te onderzoeken en deze in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Plan van aanpak Leiderschap bij uitluiting en racisme binnen de politie' |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de relatieve prioriteit die de politie geeft aan intern leiderschapsontwikkeling versus de kernveiligheidsopdracht?1
Is het niet zo dat een teveel aan interne cultuuronderzoeken kan afleiden van de primaire taakuitvoering? Hoe reflecteert u op dit spanningsveld?
Welke concrete meetbare resultaten verwacht u op korte termijn?
Is er rekening gehouden met effectmeting op misdaaddruk en burgerveiligheid?
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat agenten terughoudend optreden uit angst voor beschuldigingen?
Zijn er plannen voor training gericht op daadkrachtig en rechtmatig optreden in plaats van een focus op «inclusiezaken»?
Kunt u toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang?
Hoeveel capaciteit (in fte en middelen) wordt ingezet voor zaken rondom inclusiviteit, diversiteit en racisme binnen de politie? Kunt u dit ook per functieprofiel op een rijtje zetten?
Hoe weegt u het tegengaan van discriminatie tegenover een krachtige politie-aanwezigheid?
Hoe voorkomt u bureaucratisering ten koste van zichtbare handhaving?
Het bericht 'Harde conclusies over Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge: ’Benadeelt huishoudens die geen huis kunnen kopen’' |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Harde conclusies over Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge: «Benadeelt huishoudens die geen huis kunnen kopen»»?1
Ja. Het artikel verwijst naar het rapport «perspectief op de woningmarkt» van het Centraal Planbureau (CPB). Het artikel uit de Telegraaf wijdt enkel uit over wat het rapport over de Wet betaalbare huur schrijft. De Wet betaalbare huur is slechts één van de maatregelen die in het rapport besproken wordt. De publicatie gaat in brede zin in op hoe de verdeling van woonruimte en het ontstaan van woningaanbod samenhangen, en hoe overheidsbeleid deze processen beïnvloedt. Het onderliggende uitgangspunt van het rapport is dat het verschil tussen insiders2 en outsiders3 op de woningmarkt moet worden verkleind. De onderzoekers concluderen dat dit het best kan worden gedaan door de voordelen van insiders af te schaffen en woningen bij te bouwen. Het rapport gaat in op hoe beleidsmaatregelen hieraan bij kunnen dragen, in zowel positieve als negatieve zin. In de koopsector ligt het volgens de onderzoekers voor de hand de subsidiering van de eigen woning te verminderen. In de sociale huur kunnen huishoudens met een hoger inkomen meer huur betalen. Ten aanzien van huurregulering geeft het rapport aan dat dit kan leiden tot een kleiner huuraanbod, wat nadelig is voor huishoudens die graag willen huren maar geen gereguleerde huurwoning kunnen vinden.
Kan u reflecteren op de conclusie van het Centraal Planbureau dat zonder aanpassingen van de Wet betaalbare huur de overheid de knip moet trekken omdat private investeringen in huurwoningen onaantrekkelijk zijn geworden?
In het rapport benoemen de onderzoekers dat woningen op binnenstedelijke locaties een hoge marktprijs hebben en alleen betaalbaar worden gebouwd doordat de prijs wordt gereguleerd. Dit gebeurt bijvoorbeeld door een bepaald aandeel sociale of middenhuur te eisen. De waarde van de grond in deze binnenstedelijke gebieden is echter hoog, en huurregulering en/of betaalbaarheidseisen zorgen ervoor dat de projecten niet meer rendabel zijn. Daarom stelt het CPB dat er een overheidsbijdrage nodig is om betaalbare woningbouw op binnenstedelijke locaties van de grond te krijgen. Zonder overheidsbijdrage kunnen hier alleen woningen worden gerealiseerd als de nieuwbouw niet betaalbaar hoeft te zijn.
Er zijn meerdere manieren om de businesscase van de bouw van een betaalbare woning te verbeteren. Dit kan naast subsidies ook door verbetering van het investeringsklimaat (zowel huurregulering als fiscaliteit). Maar ook bijvoorbeeld het versnellen van processen en procedures, het verminderen van regels, standaardisatie en maatregelen op de grondmarkt kan de businesscase verbeteren. Woningbouwprojecten worden op verschillende manieren financieel ondersteund. Zo wordt de bouw van betaalbare woningen gestimuleerd door de realisatiestimulans en de woningbouwimpuls. Tegelijkertijd zijn er al maatregelen genomen om het investeringsklimaat te verbeteren en is in het coalitieakkoord afgesproken dat wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat wordt aangepast zodat het investeringsklimaat verder verbetert.
Deelt u de conclusie dat de invoering van de Wet betaalbare huur heeft gezorgd voor massale verkoop van huurwoningen door private verhuurders? Zo ja, kan u een overzicht geven van deze cijfers? Zo niet, kan u deze conclusie weerleggen met cijfers?
Ik erken dat de Wet betaalbare huur gevolgen kan hebben voor het rendement van de verhuurders die hierdoor hun huurprijs moesten verlagen. Als verhuurders door een lagere huurprijs hun huurwoning besluiten te verkopen, heeft dit effect op het aanbod. Tegelijkertijd is deze wet niet zonder reden ingevoerd. De aanleiding voor het wetsvoorstel was dat huurprijzen steeds verder stegen en het betaalbare middensegment steeds kleiner werd. In de memorie van toelichting bij de Wet betaalbare huur is uitgelicht dat woningen die voorheen middenhuur waren bij een bewonerswisseling steeds vaker in het vrije huursegment verhuurd werden, met name in de grote steden.4 Het vinden van een betaalbare huurwoning is daardoor voor middeninkomens steeds lastiger geworden. Daarom is in tijden van schaarste een vorm van overheidsregulering nodig.
Uiteraard moet er ook aandacht zijn voor de neveneffecten. Ik volg de ontwikkelingen van de transacties van huurwoningen nauw. Ik zie dat private verhuurders vaker hun huurwoningen verkopen als die vrijkomen. Uit cijfers van het Kadaster blijkt dat investeerders in heel 2025 circa 65.000 huurwoningen verkochten. Dit is zo’n 28% meer dan in 2024. Private investeerders verkochten vooral aan eigenaar-bewoners: 61% van deze woningen werd verkocht aan een eigenaar-bewoner. We zien dat koopstarters nu vaker hun slag slaan: 59% van de eigenaar-bewoners die een woning van een investeerder koopt is koopstarter. Als wordt gekeken naar het aankoopgedrag van private investeerders zien we dat deze groep in dezelfde periode circa 27.000 woningen aankocht. Dat is zo’n 17% meer dan in 2024. Daarnaast werden er door private verhuurders ongeveer 25.000 woningen toegevoegd door nieuwbouw en transformatie.
Hoewel het totaalaantal huurwoningen in de huursector in 2025 (privaat en woningcorporaties) stabiel is gebleven (+1.200 woningen), is de private huursector ten opzichte van 2024 met ongeveer 13.000 woningen gekrompen. Deze krimp heeft een negatief effect op het woningaanbod voor huurders in de private sector. Deze ontwikkeling vraagt om aandacht. Het is belangrijk dat er voldoende huurwoningen beschikbaar blijven. Deze ontwikkeling komt niet enkel door de Wet betaalbare huur. De afgelopen jaren zijn er verschillende huur- en fiscale maatregelen genomen, waardoor verhuren minder aantrekkelijk is geworden. Daarnaast leiden de vele beleidswijzigingen tot onzekerheid bij investeerders. Ook economische omstandigheden, zoals de gestegen rente, zorgen ervoor dat het minder aantrekkelijk is om te investeren in vastgoed. In het regeerakkoord is opgenomen dat het kabinet het investeringsklimaat wil verbeteren om het aanbod aan huurwoningen weer te laten toenemen. Ik kijk hierbij naar het fiscale klimaat en naar huurregelgeving. Ik wil al voorafgaand aan de evaluatie van de Wet betaalbare huur in 2027 bekijken op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd om het aanbod van huurwoningen op peil te houden, waarbij ik expliciet kijk naar de knelpunten die private verhuurders ervaren. In april zal ik uw Kamer informeren over de ontwikkelingen in de huursector en de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur.
Wat vindt u van de conclusie dat lagere huurprijzen op korte termijn weinig betekenis hebben als er op lange termijn simpelweg geen huurwoningen meer beschikbaar zijn?
In de beantwoording van vraag 2 en 3 heb ik toegelicht dat de Wet betaalbare huur is ingevoerd omdat huurwoningen bij een bewonerswisseling steeds vaker duurder verhuurd worden en daarmee buiten het bereik komen van middeninkomen. Een vorm van overheidsregulering in tijden van deze schaarste is dus nodig. Tegelijkertijd onderschrijf ik dat het aanbod aan huurwoningen op peil moet blijven. Daarom is in regeerakkoord opgenomen dat het kabinet het investeringsklimaat wil verbeteren om het aanbod aan huurwoningen weer te laten toenemen. Dit doe ik onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Welke ontwikkeling ziet u in het aanbod huurwoningen in de middenhuursector, met name in binnenstedelijk gebied? Kan zij dit toelichten?
Ik heb geen cijfers van de ontwikkeling in het aanbod aan huurwoningen in de middenhuursector sinds invoering van de Wet betaalbare huur. De ontwikkeling van het aanbod zal worden meegenomen in de evaluatie van de wet.
Heeft u een voorkeur voor een goed werkend investeringsklimaat of subsidies om woningbouw mogelijk te maken, met name in binnenstedelijke gebieden? Kan u de keuze motiveren?
Er moeten snel meer betaalbare woningen worden gebouwd. Ik kies er daarom voor om financiële ondersteuning te verlenen aan woningbouwprojecten om meer betaalbare woningen mogelijk te maken zoals de realisatiestimulans en de woningbouwimpuls. En tegelijkertijd moeten we maatregelen nemen om het investeringsklimaat voor huurwoningen te verbeteren. In het coalitieakkoord is afgesproken dat de Wet betaalbare huur zal worden geoptimaliseerd. Het investeringsklimaat wordt echter niet alleen bepaald door huurregulering. Daarom kijkt dit kabinet naast huurregulering ook naar de fiscaliteit en andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren. Zo kan bijvoorbeeld ook door het versnellen van processen en procedures, het verminderen van regels, standaardisatie en maatregelen op de grondmarkt de businesscase verbeteren. De Taskforce Versnellen Woningbouw zal hier een belangrijke rol in spelen.
Hoe gaat u de conclusies van het Centraal Planbureau meenemen in de optimalisatie en evaluatie van de Wet betaalbare huur?
Het CPB gaat in op de neveneffecten die de Wet betaalbare huur heeft op het aanbod aan woningen. In de evaluatie zal ook worden gekeken naar de effecten van de Wet op het aanbod aan huurwoningen.
Wanneer kan de Kamer de evaluatie van de Wet betaalbare huur verwachten?
In overeenstemming met de motie Van Rooijen5 wordt binnen drie jaar na inwerkingtreding een verslag aan de Kamers gezonden over de doeltreffendheid en effecten van de wet. Ik ben daarom voornemens u dit verslag in de zomer van 2027 toe te doen komen.
Deelt u de conclusie dat huishoudens met een middeninkomen – die niet in aanmerking komen voor sociale huur en geen koopwoning kunnen financieren – door de Wet betaalbare huur klem worden gezet? Waarom wel, waarom niet?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 2 en 3 heb toegelicht, zie ik dit anders. De Wet betaalbare huur is ingezet juist om iets te doen aan de trend dat huurwoningen die qua kwaliteit in het middensegment thuishoren, steeds vaker werden verhuurd voor een prijs boven het middensegment. Het vinden van een betaalbare huurwoning is daardoor voor middeninkomens steeds lastiger geworden. Daarom is in tijden van schaarste een vorm van overheidsregulering nodig. Dat nu verhuurders vaker kiezen voor het verkopen van hun huurwoning bij een bewonerswisseling komt niet enkel door de Wet betaalbare huur, maar door de combinatie van verschillende huur- en fiscale maatregelen en de veranderende (macro)economische omstandigheden. Ook het CPB-rapport benoemt dat er sprake is van een combinatie van strengere huurregelgeving en fiscale maatregelen die zorgt voor deze verkoop. Daarom is in het regeerakkoord opgenomen dat het kabinet gaat kijken naar het fiscale klimaat en naar de huurregelgeving, waarbij ik specifiek voor Wet betaalbare huur voorafgaand aan de evaluatie in 2027 ga bekijken op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd.
Klopt het dat de wachttijden en de concurrentie in het middenhuursegment zijn toegenomen sinds invoering van de wet? Zo ja, heeft u daar cijfers van? Zo niet, kan u dat antwoord met cijfers motiveren?
Ik heb geen inzicht in de mate waarop wachttijden en de concurrentie in het middensegment is toegenomen. Zoals bij vraag 8 benoemd zal de evaluatie naar de Wet betaalbare huur binnen afzienbare tijd starten. Deze evaluatie zal meer inzicht geven in de ontwikkelingen en effecten van de wet.
Deelt u de mening dat deze wet vooral zittende huurders beschermt, maar woningzoekenden benadeelt?
Voor deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 9.
Welke concrete aanpassingen aan de Wet betaalbare huur zouden volgens u het verstoorde investeringsklimaat op de huurmarkt kunnen herstellen?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vormgeeft dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Voorafgaand aan de evaluatie van de Wet betaalbare huur in 2027 ga ik bekijken op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. In april zal ik uw Kamer verder informeren over de ontwikkelingen in de huursector en de optimalisatie van de Wet betaalbare huur. Zoals eerder gezegd kijk ik ook breder naar het verbeteren van het investeringsklimaat. Dit doe ik onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Kan u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat linkse activisten oproepen tot schijnhuwelijk. |
|
Marina Vondeling (PVV), Elmar Vlottes (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Heijnen , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het schandalige Instagram-bericht van de pro-migratieorganisatie MiGreat, waarin zij personen met een Nederlands paspoort oproepen om schijnhuwelijken aan te gaan met illegale migranten die geen verblijfsvergunning hebben of geen visum kunnen krijgen?1
Erkent u dat MiGreat hiermee aanzet tot het plegen van een strafbaar feit? Zo ja, bent u bereid om het Openbaar Ministerie (OM) onmiddellijk op te dragen een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen MiGreat? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat MiGreat al sinds 2022 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI-status) heeft? Zo ja, bent u bereid de ANBI-status per direct en met terugwerkende kracht in te trekken?
Kunt u onderbouwen, aan de hand van cumulatieve eisen voor het verkrijgen van een ANBI-status, hoe het mogelijk is dat MiGreat überhaupt een ANBI-status heeft verkregen?
Deelt u de mening dat organisaties als MiGreat deel uitmaken van een bredere asielindustrie die het terugkeerbeleid saboteren en onze grenzen nog verder open willen zetten en bent u bereid alle subsidies en fiscale voordelen voor dergelijke pro-migratiegroepen te schrappen?