De publicatie van de Handelsmonitor 2025 |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie van de Handelsmonitor 2025, opgesteld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) waaruit blijkt dat 45% van de Nederlandse ondernemers een (sterk) negatieve impact ervaart als gevolg van het handelsbeleid van de VS?
Deelt u de zorgen van deze ondernemers? Zo ja, welke concrete stappen bent u voornemens te zetten om hen te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een lastenverlichting voor internationaal opererende Nederlandse ondernemers te onderzoeken, bijvoorbeeld in de vorm van verlaging van de vennootschapsbelasting of door het opzetten van exportgerelateerde aftrekposten, teneinde hun concurrentiepositie te versterken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid exportbevorderende maatregelen te intensiveren, bijvoorbeeld door uitbreiding van het budget voor handelsmissies en RVO-subsidieregelingen gericht op markttoegang?
In hoeverre acht u de huidige garantieregelingen van RVO, zoals de Exportkredietverzekering en Borgstelling MKB-kredieten (BMKB), toereikend voor ondernemers die als gevolg van de veranderende geopolitieke verhoudingen moeilijker toegang hebben tot financiering? Bent u bereid deze regelingen te verruimen?
Bent u bereid te onderzoeken of de innovatieboxregeling en de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) uitgebreid kunnen worden voor bedrijven die actief investeren in het diversifiëren van hun afzetmarkten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken of een aanvullende fiscale aftrek mogelijk is voor mkb-bedrijven die kosten maken voor het verkennen en betreden van nieuwe exportmarkten? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Artsen lanceren onlineportaal voor bestelling van abortuspil: ‘Zelfbeschikking in optima forma’' |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Artsen lanceren onlineportaal voor bestelling van abortuspil: «Zelfbeschikking in optima forma»»?1
Ja.
Erkent u dat het verstrekken van abortuspillen via het internet zonder behandelrelatie met de vrouw is verboden op grond van de Geneesmiddelenwet? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Geneesmiddelenwet en de Beleidsregel voorschrijven via internet mag een arts, onder bepaalde voorwaarden, via internet medicatie voorschrijven. Een van deze voorwaarden is dat de arts moet beschikken over de actuele medicatiehistorie. Er hoeft echter geen sprake te zijn van een reeds bestaande behandelrelatie.
Erkent u dat, indien er wel een behandelrelatie is, de in de Wet afbreking zwangerschap neergelegde eisen omtrent zorgvuldigheid en kwaliteit eraan in de weg staan dat de abortuspil via het internet kan worden verstrekt? Zo nee, waarom niet?
De Wet afbreking zwangerschap (Wafz) sluit abortuszorg op afstand niet expliciet uit.2 Het is aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere algemene wetten en regels voor goede en veilige zorg. De werkwijze van thuisabortus.nl roept vragen op over de naleving van deze zorgvuldigheidseisen. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct onder de aandacht gebracht bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Bent u bereid er zorg voor te dragen dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) handhavend op zal treden tegen het onlineportaal voor bestelling van de abortuspil? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht dus zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Het bericht 'Toename geweld Israël in Gaza sinds Iran-oorlog: 'De wereld kijkt andere kant op'' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de toename van geweld in Gaza in de afgelopen weken?1
Deelt u het oordeel dat juist nu extra moet worden ingezet op steun aan bestaande hulpstructuren in Gaza?
Is het kabinet nog steeds van plan de relatie met UNRWA te herstellen, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn zal hier uitvoering aan worden gegeven?
Welke financiële consequenties zijn verbonden aan deze coalitieafspraak voor de komende jaren?
Hoe bent u van plan om te gaan met de wens van de Eerste Kamer om de BNI-koppeling in de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking te herstellen?
De wens van de Eerste Kamer is goed gehoord. Het kabinet actualiseert het ODA-budget op basis van een koppeling aan het BNI, investeert in ontwikkelings-samenwerking en zet zo een stap richting de internationale OESO-norm. De motie Huizinga-Heringa (Kamerstuk 36 600 XVII, M) is hiermee uitgevoerd, de moties die vragen om een koppeling aan 0,7% van het BNI niet (motie Holterhues in de Eerste Kamer, Kamerstuk 36 725, F; motie Hirsch in de Tweede Kamer, Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 51).
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat een Nederlands schip wapens of onderdelen zou hebben geleverd in Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat een Nederlands schip deze week wapens of onderdelen zou hebben geleverd in Israël?1
Kunt u bevestigen of dit Nederlandse schip wapens of onderdelen daarvoor heeft afgeleverd in Israël, en zo ja, welk type goederen, met welke eindgebruiker? Zo niet, bent u bereid dat te verifiëren bij Hartel, de Nederlandse eigenaar van dat schip?
Zijn afgelopen jaren vaker Nederlandse schepen gebruikt voor levering van wapens of onderdelen daarvoor in Israël? Zo ja, hoe vaak? Als dit niet bekend is, waarom is hier geen kennis over?
Deelt u de opvatting dat Nederlandse bedrijven geen transporten mogen faciliteren wanneer die een duidelijk risico vormen op inzet bij schendingen van het internationaal humanitair recht?
In hoeverre heeft het kabinet vooraf kennis gehad van dit transport, en welke mogelijkheden heeft het kabinet om dergelijke transporten te voorkomen of tegen te houden, wanneer een schip onder Nederlandse vlag vaart? Zijn deze mogelijkheden in dit geval benut?
Is de afgelopen jaren ooit opgetreden tegen een Nederlands schip dat wapens of onderdelen daarvoor levert in Israël?
Hoe verhoudt deze casus zich tot de verplichtingen van Nederland onder het Genocideverdrag, in het bijzonder de verplichting om genocide te voorkomen?
Deelt u de opvatting dat ook indirecte betrokkenheid, zoals transport of logistieke ondersteuning, kan bijdragen aan schendingen van het internationaal humanitair recht? Zo nee, waarom niet?
Is voor dit transport sprake van een vergunningplicht, bijvoorbeeld voor een export- of doorvoervergunning, of een vergunning strategische diensten? Zo ja, is die ook aangevraagd en verleend, en op basis van welke criteria? Zo niet, waarom niet?
Bent u bekend met het bericht dat via de haven van Rotterdam een schip wapens of onderdelen naar Israël zou hebben vervoerd? Klopt dit, wat was de exacte lading, en welke afweging is gemaakt om dit transport via de Rotterdamse haven toe te staan?2
In hoeverre kan de Nederlandse overheid vooraf controleren of via Nederlandse havens of onder Nederlandse vlag wapens of militaire goederen worden vervoerd naar conflictgebieden waar oorlogsmisdaden worden gepleegd?
Welke rol en verantwoordelijkheid heeft de haven van Rotterdam in het controleren of faciliteren van transporten met mogelijk militaire lading richting Israël?
Welke instrumenten hebben havenautoriteiten en gemeenten momenteel om dergelijke transporten te stoppen, en acht u deze voldoende?
Is het kabinet van mening dat lokale overheden en havenautoriteiten voldoende instrumenten hebben om transporten met mogelijk risicovolle lading te weigeren of te stoppen? Zo ja, welke zijn dat concreet?
Hoe wordt uitgesloten dat Nederlandse schepen of via Nederlandse havens militair materieel dat ingezet kan worden in Gaza naar Israël vervoerd wordt?
Is het kabinet bereid aanvullende maatregelen te onderzoeken om te voorkomen dat via Nederlandse havens of onder Nederlandse vlag transporten plaatsvinden die bij kunnen dragen aan oorlogsmisdaden?
Hoe gaat er worden opgetreden tegen schepen en rederijen die via Nederlandse havens wapens of militaire goederen naar Israël vervoeren, gezien de risico’s op betrokkenheid bij schendingen van het internationaal humanitair recht in Gaza en Libanon?
Verplicht afstaan van landbouwgrond voor maaipaden door Waterschap Noorderzijlvest |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van Waterschap Noorderzijlvest om vanaf 2028 standaard vier meter brede maaipaden langs watergangen in te voeren?1
Klopt het dat het waterschap hierbij gebruik wil maken van de wettelijke gedoogplicht, waardoor agrariërs verplicht moeten toestaan dat deze stroken worden gebruikt zonder dat het waterschap de grond aankoopt of een marktconforme vergoeding betaalt?
Realiseert u zich dat hiermee productieve landbouwgrond structureel uit productie wordt gehaald, met directe gevolgen voor opbrengst, inkomen en bedrijfscontinuïteit van agrarische ondernemers?
Hoe verhoudt het verplicht afstaan van landbouwgrond via een gedoogplicht zich volgens u tot het uitgangspunt dat eigendomsrechten van boeren moeten worden gerespecteerd?
Deelt u de mening dat een maatregel die structureel landbouwgrond aan het gebruik van de boer onttrekt, feitelijk sterk lijkt op onteigening van gebruik, maar dan zonder de gebruikelijke procedures en zonder volledige schadeloosstelling?
Deelt u de mening dat zo erg ingrijpen in het eigen eigendom onwenselijk is?
Welke juridische grenzen gelden voor waterschappen bij het opleggen van een gedoogplicht voor onderhoudspaden, en vindt u het proportioneel dat deze bevoegdheid wordt ingezet voor een generieke maatregel van vier meter breed in een heel beheergebied?
Klopt het dat binnen het bestuur van het waterschap aanvankelijk ook een drie-meteroptie is besproken, maar dat uiteindelijk toch direct is gekozen voor vier meter?
Waarom is volgens het waterschap drie meter niet voldoende, terwijl dit in veel situaties jarenlang als gangbare werkbreedte voor onderhoud gold?
Is het besluit genomen zonder eerst het gebied in te gaan en met agrariërs te kijken naar de praktische situatie per watergang?
Hoe beoordeelt u het dat een dergelijke maatregel met grote gevolgen voor agrariërs vanachter de bestuurstafel wordt opgelegd zonder een zorgvuldig gebiedsproces?
Kunt u aangeven op welke concrete veiligheidsnormen deze keuze voor vier meter gebaseerd is, mede gelet op het feit dat het waterschap zich beroept op onder andere veiligheid voor medewerkers, en waarom veiligheid niet met maatwerk of smallere paden geborgd zou kunnen worden?
Hoe realistisch is het volgens u dat grote onderhoudscombinaties overal kunnen werken als watergangen doodlopend zijn en machines moeten draaien op aangrenzende landbouwpercelen?
Bent u ermee bekend dat in het eerste jaar van het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). en de daaruit voortvloeiende bufferstroken, boeren deze stroken konden benutten voor eco-regelingen en -punten, maar dat deze mogelijkheden het jaar daarna door het waterschap weer zijn weggenomen?
Deelt u de frustratie van boeren dat zij enerzijds door Europees en nationaal beleid worden verplicht bufferstroken en natuurmaatregelen aan te leggen, terwijl dezezelfde stroken vervolgens door andere overheden weer worden afgepakt voor ander gebruik?
Klopt het dat door regels rond bloemrijke bufferstroken vaak niet door deze stroken gereden of gemaaid mag worden, waardoor het onderhoud door het waterschap in de praktijk juist lastiger kan worden?
Bent u ermee bekend dat loonwerkers en boeren in sommige gebieden hebben geïnvesteerd in smalspoormachines, juist om onderhoud op smallere paden mogelijk te maken?
Wat vindt u ervan dat deze investeringen door een plotselinge beleidswijziging feitelijk waardeloos dreigen te worden?
Klopt het dat het waterschap voornemens is deze stroken vaker te gebruiken dan nu het geval is, bijvoorbeeld meerdere keren per jaar?
Wat betekent dit voor het gebruik van deze stroken door agrariërs en voor de opbrengstderving op hun percelen?
In hoeverre heeft het waterschap een economische impactanalyse gemaakt van de gevolgen voor agrarische bedrijven in het gebied?
Hoe zijn volgens u de maatschappelijke baten voor het waterschap afgewogen tegen de economische lasten die eenzijdig bij boeren terechtkomen?
In hoeverre past een uniforme verplichting van vier meter bij het rijksbeleid dat inzet op maatwerk, gebiedsgericht werken en het versterken van de positie van boeren in het landelijk gebied?
Bent u bereid om met Waterschap Noorderzijlvest in gesprek te gaan over alternatieven?
Bent u bereid zich ervoor in te zetten dat boeren niet eenzijdig worden geconfronteerd met verplichtingen zonder compensatie?
Kunt u toezeggen dat u de Kamer informeert over de uitkomsten van dit gesprek en over eventuele aanpassingen van juridische kaders om te voorkomen dat landbouwgrond via een gedoogplicht structureel aan boeren wordt onttrokken?
De inzet op blauwe waterstof in de industrie |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oost-Groningen zet in op blauwe waterstof als betaalbare stap richting duurzame industrie. «Wie tempo wil maken kan hier niet omheen»»1?
Deelt u de constatering dat de ontwikkeling van blauwe waterstof in Nederland achterblijft, terwijl dit volgens het rapport «Naar een eerste regionaal industrieel waterstofcluster rond Oost-Groningen» van de New Energy Coalition wél een noodzakelijke tussenstap is om CO2-reductie te bewerkstelligen in de industrie?
Kunt u verduidelijken welke concrete rol u ziet voor blauwe waterstof in het energiesysteem van de toekomst, zowel als vervanger in het opschalen van de Nederlandse waterstofketen en als tijdelijk alternatief voor aardgas?
Hoe beoordeelt u de huidige ontwikkeling en de concurrentiepositie van blauwe waterstof in Nederland ten opzichte van omringende landen?
Hoe verklaart u het huidige trage tempo van projecten voor blauwe waterstof, mede in het licht van recente uitstel of afstel van grootschalige initiatieven?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat projecten op het gebied van blauwe waterstof uitwijken naar het buitenland vanwege ongunstige randvoorwaarden in Nederland?
In hoeverre ziet u het gebrek aan stabiel en voorspelbaar beleid als belangrijke belemmering voor investeringsbeslissingen in o.a. de industrie op het gebied van blauwe waterstof?
Hoe voorkomt u dat een te absolute focus op groene waterstof op korte termijn de ontwikkeling van blauwe waterstof vertraagt, terwijl deze ontwikkeling juist kan bijdragen aan snelle CO2-reductie?
Hoe voorkomt u dat de volgorde die u tijdens het commissiedebat Waterstof, groen gas en andere energiedragers op 4 maart 2026 schetste met betrekking tot de voorwaarden voor de inzet van blauwe waterstof (eerst het systeem en pas daarna concrete randvoorwaarden en ondersteuning) in de praktijk leidt tot uitstel en vertraging, terwijl snelheid maken met CO2-reductie juist een reden is om blauwe waterstof in te zetten?
Bent u bereid om vooruitlopend op het volledige systeemplaatje op korte termijn in ieder geval de voorlopige kaders en voorwaarden voor de productie en inzet van blauwe waterstof te schetsen, zodat kansrijke projecten niet onnodig vertragen of Nederland verlaten? Zo nee, waarom niet?
De mobiele eenheid voor Utrecht |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Dijksma wil eigen ME, Minister geschrokken van impact ongeregeldheden Overvecht op agenten»1 en «Sneller inzetbare ME: waarom Utrecht naar Den Haag en Rotterdam kijkt»2?
Ja.
Op grond van welke criteria wordt bepaald of een stad een eigen paraat peloton van de Mobiele Eenheid (ME) krijgt?
In de bijlagen bij de Regeling ME 2025 zijn de basiseenheden, watergetrainde eenheden en specialistische eenheden van de ME verdeeld over de verschillende regionale eenheden en de Eenheid landelijke expertise en operaties. Binnen deze kaders kan elke regionale eenheid zelf besluiten hoe de paraatheid van de ME binnen de regio is georganiseerd. De regeling wijst geen «paraat ME-peloton» toe aan specifieke steden, zoals Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Er zijn ook geen criteria op basis waarvan wordt bepaald of een stad een eigen «paraat ME peloton» krijgt.
Artikel 13, eerste lid, Regeling mobiele eenheid politie 2025 bepaalt dat de korpschef ervoor zorgdraagt dat in iedere regionale eenheid ten minste één sectie van een basiseenheid ME binnen anderhalf uur op de opkomstlocatie aanwezig en gereed voor inzet is. «Gereed voor inzet» betekent dat de leden van de mobiele eenheden de benodigde kleding en uitrusting aan hebben en dat zij gebriefd zijn. Een peloton ME bestaat uit twee secties (artikel 2, lid 4 Regeling mobiele eenheid 2025).3
Het is aan de eenheden zelf om in overleg met de lokale bevoegde gezagen te bepalen of zij een sectie of een peloton ME direct in plaats van binnen anderhalf uur klaar heeft staan voor inzet in een specifieke stad.
Waarom heeft Utrecht geen eigen paraat ME-peloton? Wat betekent dat voor de ME-paraatheid in die stad?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de genoemde politiesocioloog dat een paraat ME-peloton het verschil kan maken bij een effectieve aanpak van ongeregeldheden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het voordeel van een direct inzetbare sectie of peloton ME is dat zij direct naar de locatie kunnen gaan waar een openbare ordeverstoring plaatsvindt. Of en in hoeverre dat een verschil kan maken bij het optreden tegen ongeregeldheden, hangt af van de schaal, de omstandigheden en de complexiteit van de openbare ordeverstoring. De keuze voor een direct inzetbare sectie of peloton ME zal gevolgen hebben voor de beschikbare politiecapaciteit op andere plekken.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat bij gebrek aan een eigen ME-peloton agenten in Utrecht langer moeten wachten op ondersteuning van de ME dan in andere grote steden? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor eerder in het antwoord op vraag 2 en 3 is aangeven, moet in elke eenheid ten minste één sectie ME binnen anderhalf uur inzet gereed zijn. Hoe sneller zo’n sectie of peloton gereed is voor inzet, hoe korter agenten in de Basispolitiezorg moeten wachten op assistentie van de ME. De lengte van de tijdsduur waarbinnen een sectie of peloton binnen een politie-eenheid inzet gereed is op een specifieke locatie of in een stad, is een keuze die op lokaal niveau wordt gemaakt. De burgemeester van Utrecht zal hierover in gesprek moeten gaan met de politiechef en de andere burgemeesters binnen de eenheid. Ik treed daar niet in.
Deelt u de mening van de burgemeester van Utrecht dat er ook voor Utrecht een paraat peloton ME beschikbaar moet komen? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u dat bewerkstellingen? Zo nee, waarom niet en hoe wordt er dan wel voor een snellere inzet van de ME in die stad gezorgd?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op het bericht dat PostNL met winsten zou schuiven tussen het post- en het pakketdeel van het bedrijf?
Ik herken dat de geïntegreerde bedrijfsvoering van PostNL een eenduidige scheiding van kosten en winsten binnen PostNL complex maakt. Op dit moment hebben zowel de ACM als ik geen concrete aanwijzingen dat PostNL met winsten schuift tussen het post- en het pakketdeel van het bedrijf. In de beantwoording van vraag 4 ga ik nader in op het gehanteerde systeem en het toezicht van ACM.
Artikel 22 van de Postwet 2009 verplicht – overeenkomstig artikel 14 van de Postrichtlijn – PostNL als UPD-verlener een boekhoudkundige scheiding aan te brengen tussen kosten en opbrengsten van de UPD en andere activiteiten, en deze inzichtelijk te maken aan de ACM. Nadere regels over de inrichting en toerekening van de boekhouding en over de wijze waarop de toerekening van kosten en opbrengsten inzichtelijk moet worden gemaakt, zijn vastgelegd in de Postregeling 2009 (artikelen 13 en 13a). Binnen deze wettelijke kaders houdt ACM toezicht en kan PostNL bepalen welke kosten aan de UPD worden toegerekend.
Voor de kostentoerekening hanteert PostNL een kostentoerekeningsysteem (KTS) dat in 2015 is goedgekeurd door de ACM. Onder het door de ACM goedgekeurde KTS vallen alle kosten die uitsluitend worden gemaakt voor het uitvoeren van diensten die onder de UPD vallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de kosten die PostNL maakt voor het legen van de brievenbussen. Andere kosten die zowel worden gemaakt voor de uitvoering van UPD-diensten als voor andere activiteiten, mag PostNL uitsluitend toerekenen voor zover de Postregeling 2009 dit toestaat. PostNL legt hier jaarlijks achteraf een door een accountant gecontroleerde financiële verantwoording over af.
Hoe kijkt u naar het subsidieverzoek van PostNL, met deze verschuivingen in het achterhoofd?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 uiteengezet, hebben de ACM en ik geen aanwijzingen dat PostNL in strijd met het KTS handelt. Ik zie verder geen direct verband tussen deze berichtgeving en het subsidieverzoek van PostNL. Het subsidieverzoek van PostNL is door mijn ambtsvoorganger in 2025 afgewezen, omdat subsidie onnodig is bij realistische kaders voor de uitvoering van de UPD. Realistische kaders ontstaan door de voorgenomen versoepelingen van de bezorgeisen in het Postbesluit 2009.2
Bent u er nog steeds van overtuigd dat het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat of de Autoriteit Consument & Markt (ACM) een duidelijk beeld hebben van de omrekeningfactor van de universele postdienst (UPD) binnen het bedrijf? Hebben zij een duidelijk beeld van de feitelijke omzetten en winsten binnen de stromingen bij PostNL?
De ACM houdt toezicht op een juiste toerekening van kosten door PostNL binnen het KTS. De ACM heeft het KTS in 2023 globaal bekeken en geen afwijkingen ten opzichte van de huidige wet- en regelgeving geconstateerd. Wel geeft de ACM aan dat er vooraf een bepaalde toerekeningsratio voor gedeelde kosten wordt vastgesteld en dat deze niet altijd in lijn hoeft te zijn met de daadwerkelijke ratio aan kosten die voor UPD en niet-UPD werkzaamheden gemaakt worden. Zo kan het bijvoorbeeld wettelijk toegestaan zijn om 50% van de kosten van het loon van de postbode of de kosten van het sorteercentrum toe te rekenen aan de UPD, terwijl de tas van de postbode en de sorteermachine niet altijd voor 50% met UPD-post gevuld hoeft te zijn. Naast de toerekening van kosten is er sprake van onderlinge leveringen tussen de post- en pakketdivisie (en vice versa). Deze worden in eerste instantie op marktconforme tarieven bij elkaar in rekening gebracht. Aan het einde van het jaar worden deze onderlinge leveringen tegen (integrale kostprijs) opnieuw berekend en als zodanig in de financiële verantwoording verwerkt. Volgens ACM is deze werkwijze van herberekening naar integrale kostprijs in overeenstemming met het KTS. Ten slotte ziet de ACM dat het huidige KTS-model complex en onnodig gedetailleerd is.
Ik ben in gesprek met de ACM om te verkennen of en hoe dit systeem versimpeld kan worden, zodat toezicht door de ACM eenvoudiger en effectiever kan worden uitgevoerd.
Wat doet dit bericht met uw visie op de toekomst van de postmarkt? Geeft dit bericht aanleiding om in de Postwet 2009 op te nemen dat de aanbieder van de UPD een gescheiden boekhouding moet voeren zodat de ACM goed toezicht kan houden?
Artikel 22 van de Postwet 2009 verplicht PostNL al om een boekhoudkundige scheiding aan te brengen tussen kosten en opbrengsten van de UPD en andere activiteiten en deze inzichtelijk te maken aan de ACM. Zoals in de beantwoording van vraag 2 en 4 nader toegelicht houdt ACM hierop toezicht.
Daarnaast kan de ACM in principe op ieder moment besluiten tot een herbeoordeling van het kostentoerekeningsysteem dat wordt gehanteerd; de specifieke meldingen en informatieverplichtingen in de Postregeling zijn slechts voorbeelden van logische momenten voor toetsing, en doen niets af aan haar bevoegdheid om ook tussentijds gegevens op te vragen en handhavend op te treden. Naast deze specifieke informatiebepalingen heeft de ACM ook de algemene bevoegdheid om alle gegevens en inlichtingen op te vragen die zij nodig heeft om het toezicht op de Postwet 2009 uit te kunnen voeren.3 Zoals hierboven beschreven ziet de ACM dat het huidige KTS-model complex en onnodig gedetailleerd is. Herbeoordeling is daarom een intensief proces waarbij discussies kunnen ontstaan tussen de ACM en PostNL over de noodzaak en proportionaliteit van een herbeoordeling.
In gesprekken met de ACM wordt bekeken of zij in de praktijk voldoende toegerust is om toezicht te houden op de kostentoerekening en de naleving van de regels rond de UPD. Als uit de gesprekken blijkt dat aanvullende taken of bevoegdheden nodig zijn om het publiek belang beter te borgen, zal ik bezien hoe hieraan opvolging kan worden gegeven. De ACM geeft aan dat om toezicht te houden op (de ontwikkeling van) de kosten van de UPD het van belang is dat er een transparant KTS door PostNL wordt opgesteld dat vooraf wordt goedgekeurd door de ACM. Na ingebruikname is het van belang dat dit KTS periodiek wordt geactualiseerd en opnieuw vooraf wordt beoordeeld door de ACM.
Wanneer kan de Kamer uw visie op de postmarkt verwachten?
Zoals verzocht in de motie van Kisteman c.s.4 zal ik een routekaart uitwerken voor de toekomst van de postmarkt. Mijn voornemen is om deze voor de zomer naar de Kamer te sturen.
Een visie op de postmarkt op hoofdlijnen, waaronder het creëren van ruimte voor concurrentie en de transitie naar een brede bezorgmarkt is op 10 februari jl. gegeven in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Postwet 20095. Kort samengevat is deze visie dat het primair aan marktpartijen is om te bepalen hoe zij actief zijn op de postmarkt. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om de wettelijke kaders zó vorm te geven dat zij ruimte bieden voor vernieuwing, samenwerking en nieuwe vormen van dienstverlening. Alleen zo kan een bredere bezorgmarkt ontstaan waarin niet alleen efficiëntie, maar ook innovatie en toekomstbestendige werkgelegenheid een plek krijgen, en waarin het ook in de toekomst vanzelfsprekend blijft dat mensen elkaar een kaartje of brief kunnen sturen. Deze transitie naar een bredere bezorgmarkt vraagt om realisme. De UPD is geen exclusief recht en kan niet worden ingezet als instrument om marktposities te verdelen. Door het wettelijk kader te moderniseren, ontstaat ruimte voor meer partijen om op een verantwoorde manier postdiensten aan te bieden. Dat vergroot de kans dat nieuwe aanbieders – zoals folder en pakketbezorgers – daadwerkelijk toetreden tot relevante postsegmenten, zoals brievenbuspakketjes, aangetekende post en prioriteitspost, voor zover daar in de markt blijvend vraag naar bestaat. De rol van de overheid is in dit proces het wegnemen van belemmeringen en het bewaken van een evenwichtig speelveld, zodat deze ontwikkeling kan plaatsvinden zonder dat de continuïteit van de UPD in gevaar komt. Zo kan de bezorgmarkt zich geleidelijk verbreden, terwijl de publieke dienstverlening geborgd blijft.
De politiepublicatie 'Game Over?!' en het profiel van verdachten van bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de politiepagina «Game Over?!», waarin tientallen verdachten van onder meer bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken herkenbaar in beeld worden gebracht?1
Ja
Herkent u een bepaald daderprofiel bij deze daders? Zo ja, hoe ziet dit profiel eruit? Zo nee, worden wij dan bedrogen door onze eigen ogen?
Zoals de campagne heeft laten zien zijn nepagenten en fraudeurs een groot probleem, met soms ingrijpende gevolgen. Niet alleen in verband met de financiële gevolgen van oplichting, maar ook het verlies van de samenleving in het vertrouwen dat je de deur kan openen of gegevens kan delen. Dit kabinet geeft prioriteit aan de aanpak van criminaliteit die burgers raakt, zowel offline als online. Met de actie Game Over?! wil de politie zaken oplossen, oplichters aanpakken, criminele netwerken verstoren en laten zien dat deze criminaliteit niet zonder gevolgen blijft. In het strafrecht staat het handelen van een verdachte centraal. Herkomst, culturele achtergrond of geloof spelen geen rol.
Kunt u bevestigen dat binnen deze dadergroep sprake is van oververtegenwoordiging van mensen met een bepaalde herkomst? Zo nee, waarom wordt hier niet explicieter over gerapporteerd?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wordt in publieke communicatie over deze criminaliteit terughoudend omgegaan met het benoemen van daderprofielen, terwijl dit relevant is voor preventie en bewustwording?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is er bij dit type criminaliteit sprake van georganiseerde structuren en welke rollen worden daarin onderscheiden? Indien sprake is van georganiseerde structuren, zijn deze duidelijk in beeld bij de politie?
Bij oplichtingen door nepagenten is meestal sprake van een georganiseerde structuur met een aantal rollen. De meeste fraudes verlopen volgens een vast stramien en met een vaste rolverdeling. De rollen die je kunt onderscheiden zijn: de beller, de nepagent, de chauffeur en de coördinator. Deze rollen zijn duidelijk. De «Game Over?!» campagne focust zich specifiek op de rol van nepagent.
Kunt u toelichten in hoeverre bij deze vormen van fraude sprake is van grensoverschrijdende of internationaal georganiseerde criminaliteit? Indien hiervan sprake is, op welke vlakken schieten opsporingsbevoegdheden en de samenwerking met andere landen tekort in het aanpakken van deze criminaliteit?
De internationale component verschilt per type oplichting. Bij telefonische helpdeskfraude (waar nepagenten en bankhelpdeskfraude onder vallen) is juist vaak sprake van Nederlandse daders in alle rollen. Vloeiend en netjes Nederlands spreken is een vereiste om geloofwaardig over te komen.
Er is ook een internationale context: Nederlandse daders plegen hun delicten ook in België, zowel het oplichten, als het ronselen van personeel. Ook worden Nederlandse loopjongens ingezet voor oplichtingen in België.
Bent u voornemens de korpschef op te roepen, bij effectiviteit van deze maatregel van publicatie, dit veel vaker in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Politie en Openbaar Ministerie gaan de «Game Over?!» campagne evalueren. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zullen zij beslissen over een vervolg.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over ontwikkelingen in daderprofielen en trends binnen deze vorm van criminaliteit?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek levert maandelijks de kenmerken van bij de politie geregistreerde verdachten naar incidentsoort. Deze zijn openbaar beschikbaar via de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek.2
Het bericht 'Misbruikverdachte Jan B. kon ondanks schorsing in de kinderopvang blijven werken’ |
|
Elles van Ark (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat een kinderopvangmedewerker die bij een eerdere werkgever op non-actief is gesteld en is ontslagen vanwege meldingen van misbruik met kinderen op het kinderdagverblijf, vervolgens in de kinderopvang actief kan blijven wanneer de signalen niet leiden tot vervolging?1
Laat ik vooropstellen dat ik de situatie ten zeerste betreur. Omdat deze zaak nog onder de rechter is, kan ik bij de beantwoording niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke casus. Ik wil wel graag toelichten hoe het systeem in de kinderopvang werkt en op die manier antwoord geven op uw vraag.
De professionals in de kinderopvang werken elke dag hard om verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang te bieden. Er zijn veiligheidseisen om dat zoveel mogelijk te waarborgen, waaronder:
Het vierogenprincipe betekent dat er altijd een tweede volwassene moet kunnen meekijken of meeluisteren met de ander. Dit betekent overigens niet dat medewerkers altijd met zijn tweeën op de groep staan, zolang een tweede volwassene maar op ieder moment mee kan kijken of luisteren. Dit kan bijvoorbeeld door ramen bij de verschoonruimte of door gebruik te maken van camera’s. Het vierogenprincipe geldt niet in de buitenschoolse opvang en gastouderopvang.
Mede door het vierogenprincipe kan een medewerker iets zien of horen bij een collega. Daarnaast kan ook bijvoorbeeld een ouder iets aankaarten bij een medewerker of de houder van de kinderopvangorganisatie (hierna: houder). Bij een vermoeden van seksueel misbruik of mishandeling van een opgevangen kind door een medewerker of gastouder geldt vervolgens de meld-, overleg- en aangifteplicht (MOA). De MOA werkt als volgt:
Voordat iemand aan de slag kan binnen de kinderopvang2 moet diegene zich laten inschrijven in het Personenregister Kinderopvang (PRK). De persoon moet voor inschrijving beschikken over een actuele en geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Screeningsautoriteit Justis beoordeelt de VOG-aanvragen. De VOG is echter een momentopname. Om de veiligheid van kwetsbare kinderen in de kinderopvang extra te waarborgen vindt er aanvullend continue screening plaats. Continue screening heeft als doel om bij directe risico’s snel en effectief te kunnen handelen, nog voordat is besloten over te gaan tot vervolging. Na inschrijving in het PRK en koppeling met de houder start de continue screening.
Continue screening houdt in dat Justis wordt geïnformeerd door de Justitiële Informatiedienst bij een mutatie in de justitiële documentatie van een persoon uit het PRK. Justis beoordeelt of het feit een risico vormt voor de uitoefening van de functie of rol van de betreffende persoon. Als dat het geval is, stuurt Justis een signaal naar Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Op zijn beurt blokkeert DUO de persoon in het PRK en informeert de toezichthouder(s) (de betreffende GGD-regio(s)). De toezichthouder informeert de houder of het gastouderbureau. De houder stelt de persoon op non-actief tot deze een nieuwe VOG kan voorleggen. Indien de VOG niet verleend wordt, volgt ontslag.
De houder kan daarnaast ook (buiten het continue screening-proces om) een medewerker op non-actief stellen en ontslaan indien daar voldoende aanleiding voor is. Hierover zijn afspraken gemaakt in de CAO kinderopvang 2025, artikel 3.6.
Met de continue screening, het vierogenprincipe en de MOA heeft de Wet kinderopvang een stevig fundament voor verantwoorde, gezonde en veilige kinderopvang. Er zijn echter wel situaties mogelijk waarbij een medewerker na ontslag bij een eerdere werkgever vanwege meldingen van misbruik met kinderen wel werkzaam in de kinderopvang kan blijven. Bijvoorbeeld als een melding niet geleid heeft tot een aangifte bij de politie of omdat er na aangifte onvoldoende bewijslast is gevonden. Ik vind het van belang om samen met de kinderopvangsector te blijven leren wat er beter kan en moet om veiligheidsrisico’s in de kinderopvang te minimaliseren. Daarvoor ga ik graag in gesprek met de sector om te bezien welke processen we kunnen verbeteren. Daarnaast blijft het belangrijk dat alle medewerkers elk vermoeden van mishandeling of misbruik meteen melden bij de houder.
Vindt u dat nieuwe werkgevers het recht hebben om te weten dat bij vorige werkgevers sprake is geweest van meldingen en onderzoek naar kindermisbruik door de medewerker, ook als zij niet zijn vervolgd en de VOG schoon is?
Ik kan de wens goed begrijpen. Ik adviseer daarom alle werkgevers, dus ook houders en uitzendbureaus, om referenties aan sollicitanten te vragen en deze ook te verifiëren. Dat betekent niet dat werkgevers het recht hebben om alle bedenkingen van vorige werkgevers te vernemen. Er zitten namelijk (privacy)grenzen aan wat een vorige werkgever mag delen over de voormalige medewerker. Ik ga in gesprek met de sector over welke informatie gedeeld kan worden over de vorige werkplek(ken) van medewerkers.
Bent u het ermee eens dat een «schone» VOG van een medewerker na meerdere meldingen van kindermisbruik onvoldoende is om de veiligheid van kinderen te kunnen garanderen in de opvangsector?
Ik ben het ermee eens dat een VOG niet alles zegt over een persoon. Daarom zijn er in de kinderopvang meerdere veiligheidseisen, zie antwoord 1. Deze eisen zijn opgesteld mede op advies van commissie Gunning n.a.v. de zedenzaak in Amsterdam uit 2011.3
Uit de VOG blijkt dat iemands justitiële verleden geen bezwaar vormt voor een bepaalde functie of rol in de kinderopvang. Dat is momentopname. In combinatie met continue screening op strafbare feiten wordt continu gescreend of deze persoon geen risico vormt voor het uitvoeren van de functie. Dit is wezenlijke informatie voor een houder, maar een VOG zegt niet alles over een persoon. Er kunnen ook andere risico’s zijn dan uit iemands strafblad blijkt. Daarom is het bijvoorbeeld ook van belang om als houder te vragen naar referenties en deze ook te verifiëren.
De huidige veiligheidseisen vormen een stevig fundament voor de veiligheid in de kinderopvang. Helaas blijkt dat ondanks deze verstrekkende veiligheidseisen dergelijke situaties zich nog kunnen voordoen. Daarom is het belangrijk dat sector en overheid gezamenlijk bezien wat er beter kan en moet. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind veilig achterlaten. En kinderen moeten zich op een veilige en gezonde omgeving kunnen ontwikkelen. Ik ga daarom graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat in een sector waarin veiligheid van jonge kinderen voorop staat, extra waarborgen ter bescherming zouden moeten worden ingebouwd?
Het staat voor mij als een paal boven water dat we (sector en overheid) er alles aan moeten doen om de veiligheid van kinderen binnen de kinderopvang zoveel mogelijk te waarborgen. Het gaat om een kwetsbare doelgroep. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kinderen elke dag weer in veilige handen achterlaten. Daar zetten de overheid en de kinderopvangsector zich in nauwe samenwerking voor in. De kinderopvang kent niet voor niets vele voorwaarden om de veiligheid van opgevangen kinderen te beschermen. Zie de voorbeelden in antwoord 1. Ik ga en blijf graag in gesprek met de sector om te bezien welke verbetermogelijkheden er zijn.
Bent u het ermee eens dat onvoldoende waarborgen in niemands belang zijn, zowel niet in dat van de kinderen, maar ook niet in het belang van daders, die beter buiten de risicovolle omgeving kunnen blijven?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het met de directie van Eigen&Wijzer eens dat de kinderopvangsector de plicht heeft om te onderzoeken hoe het risico verder geminimaliseerd kan worden?
Ik zie het als onze (overheid en sector) gezamenlijke plicht om te blijven kijken hoe veiligheidsrisico’s binnen de kinderopvang zoveel mogelijk geminimaliseerd kunnen worden. Graag ga en blijf ik dan ook in gesprek met de sector om te bezien welke lessen we kunnen leren. En welke verbetermogelijkheden we gezamenlijk zien om de praktijk te optimaliseren. Daarbij ben ik bereid om (juridisch) te verkennen welke maatregelen mogelijk aanvullend getroffen kunnen worden. Ik zal uw Kamer in het najaar infomeren over de uitkomsten van de gesprekken en verkenning.
Bent u bereid om in te gaan op de uitnodiging tot gesprek tussen opvangsector en overheid om te bezien of procedures en richtlijnen aangepast moeten worden, of een waarschuwingssysteem moet worden ingesteld?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid te onderzoeken of een intern waarschuwingssysteem binnen de sector juridisch mogelijk en wenselijk is? Kunt u hierin ook de alternatieve maatregelen om risico’s in de kinderopvang te verkleinen meenemen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om de Kamer een brief te sturen over de conclusies van het gesprek met de sector, het onderzoek over de juridische mogelijkheden, en andere alternatieve maatregelen?
Zie antwoord vraag 6.
De uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 (ECLI ECLI:NL:RVS:2026:1600) |
|
Ulysse Ellian (VVD), Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uitspraak 202600650/2/V6 (ECLI:NL:RVS:2026:1600) van de Raad van State?1
Ja.
Welke impact heeft deze uitspraak op andere Gazanen die een Machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben om naar Nederland af te reizen en in Nederland willen verblijven op grond van een reguliere verblijfsvergunning?
De uitspraak ziet op een voorlopige voorziening in een specifieke casus en betreft de vraag naar consulaire ondersteuning en de juridische kwalificatie daarvan. Dit dient niet te worden opgevat als een algemeen oordeel over consulaire bijstand aan alle personen in Gaza met een mvv-inwilliging. De afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de daaropvolgende toelating tot Nederland blijven onverkort plaatsvinden op basis van de geldende wettelijke criteria en individuele toetsing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Bestaat het risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland komen op enig moment tijdens hun verblijf in Nederland een asielaanvraag zullen indienen? Zo ja, deelt u de mening dat dit oneigenlijk gebruik is van een door Nederland afgegeven mvv?
Het kan niet worden uitgesloten dat personen die op basis van een regulier verblijfsdoel naar Nederland komen, op enig moment een asielaanvraag indienen. Het indienen van een asielaanvraag is een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkele feit dat iemand eerder op reguliere gronden is toegelaten, maakt het indienen van een asielaanvraag op zichzelf niet onrechtmatig of oneigenlijk. Wel wordt iedere aanvraag individueel beoordeeld op basis van de geldende criteria.
Deelt u de mening dat er geen mvv afgegeven mag worden als het gevaar bestaat dat iemand eenmaal in Nederland asiel aanvraagt? Hoe zorgt u dat dit niet gebeurt?
De beoordeling van een mvv-aanvraag vindt plaats aan de hand van de voorwaarden die gelden voor het specifieke verblijfsdoel, bijvoorbeeld voor gezinsmigratie, arbeid of studie. Het mogelijk indienen van een asielaanvraag vormt in die toets geen zelfstandig afwijzingscriterium. De IND voert vooraf een uitgebreide toets uit, waaronder een beoordeling van de openbare orde en nationale veiligheid. Hiermee wordt geborgd dat alleen personen die aan de voorwaarden voldoen, worden toegelaten.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het indienen van een asielaanvraag een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkel feit dat er een kans bestaat dat iemand een asiel aanvraag indient is geen reden voor weigering van een mvv.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat het diplomatiek bijstaan of zelfs het evacueren van mensen met een mvv een normale procedure wordt in het kader van consulaire bijstand?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken biedt in algemene zin consulaire bijstand aan Nederlands paspoorthouders en in voorkomende gevallen aan personen die in bezit zijn van een verblijfsvergunning. Het is uiteindelijk aan de Minister van Buitenlandse Zaken aan wie en op welke wijze consulaire bijstand wordt verleend.
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening en aangedrongen op een zo spoedig mogelijke agendering van de bodemprocedure. In de bodemprocedure zal dit standpunt nader verdedigd worden. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Deelt u de mening dat consulaire bijstand niet bedoeld is voor het evacueren van mvv-houders en dat deze uitspraak dus ook geen precedent mag zijn voor toekomstige mvv-houders?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kunt u doen om te voorkomen dat de studenten tijdens of na afloop van hun studie alsnog asiel aanvragen in Nederland?
Er bestaan geen mogelijkheden om het indienen van een asielaanvraag te voorkomen, nu dit een fundamenteel recht betreft. Wel wordt voorafgaand aan toelating zorgvuldig getoetst of aan alle voorwaarden voor het verblijfsdoel wordt voldaan, waaronder voldoende middelen van bestaan en inschrijving bij een erkende onderwijsinstelling. Indien een persoon gedurende of na afloop van het verblijf niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
Ziet u wettelijke mogelijkheden om mensen die met een mvv naar Nederland zijn gereisd het recht om asiel aan te vragen in ons land te ontzeggen?
Het recht om een asielaanvraag in te dienen is verankerd in internationale verdragen, waaronder het Vluchtelingenverdrag, en in Europese regelgeving. Dit recht kan niet worden ontzegd aan personen die met een mvv zijn ingereisd.
Kunt u toelichten hoe u oordeelt over deze uitspraak gedaan door de bestuursrechter, terwijl consulaire bijstand geen onderdeel is van het bestuursrecht en in beginsel bedoeld is voor onderdanen van ons land en dus niet voor mensen die een visum voor Nederland hebben gekregen?
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening. Daarbij wordt ook aangegeven dat hier volgens de Minister geen taak voor de bestuursrechter ligt. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Bestaat er een risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland af kunnen reizen zullen proberen om via gezinshereniging nareizigers naar Nederland te laten komen? Zo ja, wat kunt u doen om dat te voorkomen?
Indien een persoon een verblijfsstatus verkrijgt die recht geeft op gezinshereniging, kan hij of zij onder de daarvoor geldende voorwaarden een aanvraag indienen. Daarbij is van belang onderscheid te maken tussen nareis in het kader van asiel en reguliere gezinshereniging. In de hier bedoelde situatie is geen sprake van nareis voor asielstatushouders, maar van reguliere migratie. Dit betekent dat betrokkenen, indien zij gezinsleden willen laten overkomen, zijn aangewezen op de reguliere gezinsherenigingsprocedure. Deze procedure kent eigen, strikte voorwaarden, waaronder het aantonen van een daadwerkelijk gezinsverband, het voldoen aan het middelenvereiste en een toets aan openbare-ordeaspecten. Iedere aanvraag wordt individueel aan deze wettelijke vereisten getoetst. Dit kader geldt generiek en is niet specifiek voor deze groep.
Hoe beoordeelt u overweging 7.1 van bovengenoemde uitspraak, waarin wordt gesteld dat Nederland mogelijk gedwongen kan worden om Gazanen tot ons land toe te laten die naar Jordanië afreizen om hun mvv af te halen, maar waarvan vervolgens blijkt dat zij hebben gelogen over hun identiteit? Op grond van welk wettelijk voorschrift zou Nederland deze plicht hebben?
In algemene zin geldt dat toelating tot Nederland altijd afhankelijk is van het voldoen aan de wettelijke voorwaarden, waaronder identificatie en verificatie van de identiteit. Deze controle vindt zowel voorafgaand aan de afgifte van de mvv op de post plaats als bij verdere toelatingsprocedures. Indien blijkt dat onjuiste of misleidende informatie is verstrekt, kan dit leiden tot weigering of intrekking van de mvv of verblijfsvergunning. Er bestaat geen algemene wettelijke plicht om personen toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt.
Indien er aanwijzingen zijn dat een persoon een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, wordt de aanvraag afgewezen dan wel een eerdere inwilliging heroverwogen en zo nodig ingetrokken. Deze aspecten worden voorafgaand aan de afgifte van een mvv getoetst aan de hand van nationale en internationale systemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem. Tegelijkertijd geldt dat ook op de post, voorafgaand aan feitelijke afgifte van de mvv, opnieuw wordt beoordeeld of nog aan alle voorwaarden wordt voldaan. Indien zich feiten of omstandigheden voordoen waaruit blijkt dat dit niet het geval is, wordt dit gemeld aan de IND en kan dit alsnog leiden tot weigering van afgifte of intrekking van de eerdere beslissing. De bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde heeft daarbij een zwaarwegend karakter. Personen die een dergelijk risico vormen, komen niet in aanmerking voor toelating.
Nederland kan in beginsel niet worden verplicht om personen tot het grondgebied toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste of misleidende informatie hebben verstrekt over hun identiteit bij de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) of als de identiteit niet overeenkomt met de desbetreffende mvv. In het geval van ondersteuning bij vertrek uit Gaza, staat Nederland garant voor het vertrek van deze personen naar Nederland binnen de kaders die afgesproken zijn in bilaterale afspraken met Jordanië. Indien deze personen niet naar Nederland kunnen vertrekken, kan dat negatieve gevolgen hebben voor de relatie met Jordanië.
Geldt deze plicht ook voor Gazanen waarvan pas in Jordanië blijkt dat zij lid zijn (geweest) van een terroristische organisatie, die verdacht worden van het plegen van een terroristisch misdrijf of die op enige andere manier een gevaar vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid? Deelt u de mening dat dit een volstrekt onwenselijke situatie is? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid om te nemen om dit risico bij Gazanen maximaal te beperken?
Zie antwoord vraag 11.
Op welke manier bent u van plan invulling te geven aan de door de voorzieningenrechter opgelegde «inspanningsverplichting» om te bereiken dat de verzoeker de grens kan oversteken? Kunt u bevestigen dat de inspanningsverplichting uitsluitend ziet op het gebruik van de «diplomatieke weg» en geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning behelst?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal conform de uitspraken uitvoering geven aan de voorlopige voorzieningen getroffen door de voorzieningenrechter van de Raad van State. De voorzieningen verplichten de Minister van Buitenlandse Zaken om zich via diplomatieke weg in te spannen om ervoor te zorgen dat de verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen. In dat kader zal geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning worden georganiseerd, in lijn met de inspanningsverplichting opgelegd door de voorzieningenrechter en met het verzoek van betrokkenen.
In hoeverre verwacht u dat deze uitspraak, waarin de lage drempel van de inspanning wordt benadrukt, zal leiden tot een toename van soortgelijke verzoeken van Gazanen die reeds over een mvv-toezegging beschikken? Deelt u de mening dat zo’n toename onwenselijk is?
Het staat personen met een mvv-inwilliging vrij om een verzoek in te dienen voor ondersteuning bij vertrek uit Gaza. Op dit moment biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken deze ondersteuning echter niet.
In hoeverre acht u de zorg terecht dat deze uitspraak een aanzuigende werking kan hebben op aanvragen van personen uit Gaza en andere conflictgebieden die voor studie naar Nederland willen komen?
Er is op dit moment geen significante stijging van het aantal studieaanvragen van personen uit Gaza. Niet kan worden uitgesloten dat bredere bekendheid met de mogelijkheden tot vertrek uit Gaza kan leiden tot meer verzoeken. Daarbij geldt nog steeds dat elke aanvraag individueel wordt beoordeeld en dat de toelatingscriteria onverkort van toepassing blijven.
Klopt het dat deze personen daarbij ook familieleden mee mogen nemen indien zij daar de voogdij over dragen, zoals het geval was bij een student aan de Universiteit Maastricht?
Het meereizen van familieleden is uitsluitend mogelijk indien wordt voldaan aan de geldende wettelijke kaders. Voor reguliere verblijfsdoelen, zoals studie, geldt dat gezinsleden alleen onder specifieke voorwaarden kunnen meereizen, bijvoorbeeld als sprake is van een kerngezin. Constructies waarbij voogdij wordt overgedragen worden kritisch beoordeeld en moeten voldoen aan regelgeving. Er is geen generiek recht om via dergelijke constructies familieleden mee te laten reizen.
Deelt u de mening dat het onlogisch is om studenten uit Gaza de mogelijkheid te bieden aan Nederlandse universiteiten te studeren, terwijl Joodse studenten zich op Nederlandse universiteiten momenteel zeer onveilig en zelfs bedreigd voelen?
Nee. De onveiligheid die Joodse studenten op universiteiten ervaren is onacceptabel. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in voor de veiligheid van deze studenten en voor een veilige leer- en werkomgeving in het onderwijs. De toelating van buitenlandse studenten aan Nederlandse universiteiten staat hier los van. Het is aan de instellingen om, binnen de kaders van wet- en regelgeving, te bepalen welke studenten zij toelaten op hun instelling.
Het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot' |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg , van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het kennisgroep-standpunt van de Belastingdienst inzake gefaseerde bedrijfsoverdracht en het inbrengen van de onderneming in een BV?1
Klopt het dat gefaseerde bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector vaak voorkomen en soms jaren kunnen duren?
Klopt het dat de familievrijstelling in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) inhoudt dat geen overdrachtsbelasting wordt geheven bij de verkrijging van onroerende zaken als die onderdeel zijn van een onderneming, die binnen de familiekring wordt overgedragen?
Klopt het dat de rechtsvorm van de onderneming hierbij geen materieel verschil maakt, omdat de vrijstelling behouden blijft als na gefaseerde overdracht een subjectieve onderneming wordt ingebracht in een BV?
Kunt u toelichten waarom op grond van het kennisgroepstandpunt de vrijstelling dan wel wordt teruggenomen als tijdens de gefaseerde overdracht de rechtsvorm wordt aangepast?
Wat maakt het volgens u materieel uit of iemand tijdens de gefaseerde bedrijfsoverdracht zijn onderneming in een BV laat overgaan, of daarna, omdat in beide situaties op enig moment enkel de rechtsvorm verandert, terwijl de materiële onderneming die onder de bedrijfsopvolgingsregeling is overgegaan juist blijft voortbestaan binnen de familiekring?
Hoe past dit standpunt volgens u bij de bedoeling van de familievrijstelling?
Bent u het ermee eens dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn waarom een ondernemer zijn subjectieve onderneming wil inbrengen in een BV, bijvoorbeeld bij investeringsplannen, uitbreiding of willen beperken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid?
Vindt u het terecht dat dit standpunt een ondernemer dwingt gedurende vele jaren persoonlijk risico te blijven dragen, terwijl dit mogelijk niet verstandig is vanuit het ondernemersperspectief?
Waarom heeft de kennisgroep volgens u het standpunt ingenomen dat dit toch een andere behandeling vereist, en waar zien zij de verschillen en risico’s?
Wat zijn volgens u de gevolgen van dit standpunt voor de agrarische praktijk?
Kunt u over dit standpunt in gesprek met de agrarische sector?
Het rapport 'Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen; effecten van beleid' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen; effecten van beleid»?1
Kunt u bevestigen dat in dit rapport wordt gesteld dat bij aanwezigheid van wolven interacties met recreanten voor de hand liggen en dat (zelfs dodelijke) ongelukken met mensen, waaronder kinderen, niet volledig kunnen worden uitgesloten?
Hoe beoordeelt u deze constatering in het licht van de huidige situatie waarin wolven zich structureel in Nederland lijken te vestigen?
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer sprake is van een voorzienbaar risico voor burgers door de aanwezigheid van wolven?
Waar zijn deze criteria beleidsmatig of juridisch vastgelegd?
Erkent u dat een expliciete afweging tussen deze belangen noodzakelijk is wanneer bescherming van een diersoort structureel botst met grondrechten van burgers?
Op welke wijze wordt binnen het wolvenbeleid rekening gehouden met de veiligheid van recreanten in drukbezochte natuurgebieden, waaronder gezinnen met kinderen?
Zijn er actuele risicoanalyses uitgevoerd naar mogelijke interacties tussen wolven en mensen in Nederlandse natuurgebieden? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt binnen het wolvenbeleid invulling gegeven aan de zorgplicht van de overheid voor de bescherming van het recht op leven en veiligheid van burgers, zoals onder meer beschermd in artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)?
Hoe worden het recht op privéleven en woning (artikel 8 EVRM) en het eigendomsrecht (artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM) betrokken bij de afwegingen binnen het wolvenbeleid?
Welke protocollen en interventiemaatregelen bestaan er voor situaties waarin wolven afwijkend of potentieel gevaarlijk gedrag vertonen richting mensen?
Wie draagt bestuurlijk en juridisch de verantwoordelijkheid indien zich een ernstig (mogelijk dodelijk) incident voordoet tussen een wolf en een mens en hoe is deze verantwoordelijkheid vastgelegd?
Kunt u toelichten welke mogelijkheden burgemeesters hebben om op te treden in situaties waarin wolven mogelijk een gevaar vormen voor inwoners of recreanten?
In hoeverre acht u deze mogelijkheden in de praktijk toereikend?
Kunt u daarnaast verklaren waarom burgemeesters in de praktijk terughoudend lijken te zijn om van deze bevoegdheden gebruik te maken?
Deelt u de opvatting dat onduidelijkheid over bevoegdheden kan leiden tot handelingsverlegenheid bij burgemeesters?
Waarom worden incidenten, angstbeleving, aantasting van leefbaarheid en economische schade in het wolvendossier vaak aangeduid als «maatschappelijke acceptatieproblemen» en niet als beleidsrelevante indicatoren voor veiligheid en leefbaarheid?
Het Argos-bericht 'Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Derk Boswijk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen» van Argos?1
Ja.
In uw Kamerbrief (Kamerstuk 36 592, nr. 60) geeft u aan: «Bij wijze van uitzondering en omdat ik in deze casus extra waarde hecht aan transparantie, informeer ik uw Kamer vooraf.» Klopt het dat u tot een brief over bent gegaan na vragen van Argos? Zo nee, waarom maakt u dan deze uitzondering?
Het besluit om de Kamer vooraf te informeren is gemaakt omdat ik voornemens ben om een Letter of Acceptance (LOA) te tekenen op 8 april aanstaande en zoals in de brief vermeld, waarde hecht aan transparantie en het tijdig informeren van de Kamer.
Welke commitment geeft Nederland aan het CCA-programma, nu en in de toekomst, bij het tekenen van de letter of acceptance?
Defensie gaat met het tekenen van de LOA een eenmalige verplichting aan richting de Amerikaanse overheid in de bandbreedte 50–250 miljoen2. Daarmee krijgen Defensie en betrokken kennisinstellingen TNO en NLR als deelnemer aan het programma kennis en toegang tot data over het CCA testprogramma.
In hoeverre zullen de vergaarde kennis en onderzoeksresultaten uit dit programma intellectueel eigendom zijn van de Nederlandse overheid?
Het programma deelt de experimentele data en analyses van het Amerikaanse testprogramma CCA met Nederland. Op grond van de LOA worden nadere samenwerkingsafspraken, onder andere op gebied van intellectueel eigendom, uitgewerkt.
Op welke manier zullen de vergaarde kennis en onderzoeksresultaten later gebruikt kunnen worden ter bevordering van een Europees alternatief?
De opgebouwde kennis stelt Defensie in staat om in de toekomst beter geïnformeerde afwegingen te maken t.a.v. toekomstige materiaalverwerving. En geeft Nederland de mogelijkheid om beter geïnformeerd in eventuele andere Europese programma's te kunnen deelnemen, indien dit opportuun is in de toekomst.
Kunt u aangeven waarvoor het benodigde budget van € 50–100 miljoen wordt gebruikt?
Om als partner in het Amerikaanse programma deel te nemen, betaalt Defensie een Buy in Fee in de vorm van een financiële bijdrage. Defensie en betrokken kennisinstellingen TNO en NLR krijgen als deelnemer aan het programma kennis en toegang tot data over CCA.
Bent u voornemens om twee testtoestellen aan te schaffen?
Door Defensie worden geen testtoestellen aangeschaft, maar wordt toegang verkregen tot het Amerikaanse CCA-programma.
Oorspronkelijk, voorafgaand aan het ondertekenen van de LOI op 16 oktober 2025, ging Defensie er vanuit dat deelname aan het onderzoeksprogramma mogelijk was door middel van aanschaf van twee testtoestellen. Dit bleek anders, zoals ook in de LOA is verwoord. Er is door de Verenigde Staten gevraagd om een financiële bijdrage ter hoogte van de aankoop van twee testtoestellen voor deelname aan het CCA programma, waarna Nederland de beschikking krijgt over de testdata en analyse. De testtoestellen blijven eigendom van de Verenigde Staten.
Waarom is de Kamer in de voorgaande Kamerbrief (Kamerstuk 36 592, nr. 56) over CCA niet ingelicht over het aanschaffen van testtoestellen?
Het aanschaffen van testtoestellen is niet aan de orde, zie vraag 7.
Worden er binnen het ministerie momenteel al vervolgstappen besproken om het inkooptraject van het CCA te vorderen, naast het aanschaffen van de twee testtoestellen? Zo ja, welke?
Nee, daar is hier geen sprake van.
Op basis van welke gronden kan de Nederlandse overheid nog uit het project stappen?
Na ondertekening van de LOA zullen nadere afspraken gemaakt worden over de inrichting van de Nederlandse deelname middels een Project Arrangement. Volgens de LOA is het mogelijk om uit het project te stappen met inachtneming van annuleringskosten. De details van de annuleringsgronden- en kosten staan in de LOA toegelicht en zijn commercieel vertrouwelijk.
Welke afspraken zijn daaromtrent gemaakt en welke kosten zijn daarmee gemoeid?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de zorg dat de verdere integratie van CCA met de vijfde generatie jachtvliegtuigen onze afhankelijkheid van het Amerikaanse defensie-ecosysteem vergroot? Waarom wel, waarom niet?
De doorontwikkeling van het vijfde generatie jachtvliegtuig staat los van Nederlandse deelname aan dit Amerikaanse CCA programma. Nederland maakt op dit moment geen aanschafkeuze in onbemenste jachtvliegcapaciteit.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is, gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen, dat Nederland verder geïntegreerd raakt in het Amerikaanse defensie-ecosysteem? Indien u deze zorg deelt, kunt u dan uitleggen hoe deze verdere integratie bijdraagt aan het onafhankelijker worden?
Als Nederland en Europa nemen we meer verantwoordelijkheid t.a.v. onze veiligheid en de verdediging van ons eigen continent. In het regeerakkoord is afgesproken om afhankelijkheden van buiten Europa af te bouwen en dat we voorop blijven in het toewerken naar een versterkte Europese pijler binnen de NAVO. Het Kabinet streeft daarom naar een meer gelijkwaardige trans-Atlantische relatie en een meer evenwichtige verdeling van de lasten binnen de NAVO. Echter houdt Defensie belang bij materieel- en industriesamenwerking met de VS, omdat we op bepaalde capaciteitsgebieden voorlopig afhankelijk zijn van kennis, onderdelen en ondersteuning vanuit de VS.
Bent u ermee bekend dat Anduril nauw samenwerkt met Palantir?
Ja.
Bent u bekend met de uitspraken van Anduril CEO Palmer Luckey: «So, to me, there's no moral high ground in using inferior technology, even if it allows you to say things like, «We never let a robot decide who lives and who dies,»» en van Palantir CEO Alex Karp «I love the idea of getting a drone and having light fentanyl-laced urine spraying on analysts that tried to screw us.»? In hoeverre bent u comfortabel met het uitbesteden van onze AI-defensiecapaciteiten aan deze personen?
Met deelname aan het programma wil Defensie kennis en data vergaren voor de mogelijke aanschaf, integratie en inzet van CCA in de verdere toekomst. Het gaat hier niet over het uitbesteden van defensiecapaciteiten. Daarnaast ga ik niet in op uitspraken van personen die geen betrekking hebben op CCA of de overeenkomst die ik van plan ben te sluiten met de Amerikaanse overheid.
Kunt u reflecteren op de uitspraak over Palantir van Italiaanse onderzoeker Francesca Bria in Follow the Money: «Het is een arm van de Amerikaanse veiligheidsstaat: een particulier instrument van geopolitieke macht. Als Europese overheden hun tools kopen, kopen ze niet alleen software: ze geven soevereiniteit op. Als je in zo’n bedrijf investeert, financier je de oorlog tegen Europese democratie.»?
Er is geen sprake van aanschaf van Amerikaans materiaal, enkel deelname aan een programma. Hiermee kan Defensie de benodigde kennis en data vergaren om later de juiste investeringskeuzes te kunnen maken. Door deelname aan het Amerikaanse programma, vergaren we ook kennis die we in Nederland en in Europees verband kunnen benutten of inzetten. Binnen het programma krijgen de kennisinstituten TNO en NLR mogelijkheden voor samenwerking, het opdoen van de nodige kennis en het vergaren van data.
Hoe verhoudt de samenwerking met deze bedrijven zich tot de verklaring over het gebruik van AI op Responsible AI in the Military Domain (REAIM), welke Nederland wel en de VS niet getekend hebben?
De software is gebaseerd op een open architectuur en geen eigendom van betrokken bedrijven, maar van de Amerikaanse overheid. Defensie behoudt de mogelijkheid om in samenwerking met de Nederlandse en Europese kennisinstellingen en industrie software te ontwikkelen conform de verklaring over Responsible AI in the Military Domain (REAIM).
Hoe verhoudt de samenwerking zich met de uitspraken van Pete Hegseth, Amerikaanse Minister van Oorlog: «De AI van het Ministerie van Oorlog zal niet woke zijn.» en «Geen domme gevechtsregels, geen moeras van natie-opbouw, geen oefening in het bouwen van democratie, geen politiek correcte oorlogen»?
Defensie voert zijn activiteiten op het gebied van AI uit conform de verklaring over Responsible AI in the Military Domain.
Heeft het ministerie contact gezocht met Italië, het Verenigd Koninkrijk, dan wel met Japan, om te verkennen wat hun plannen zijn voor onbemenste vliegtuigen en of Nederland daaraan kan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Defensie doet sinds 2023 onderzoek en heeft veelvuldig informeel contact gehad met verschillende partijen. Hieruit blijkt o.a. dat het Global Combat Air Program (GCAP) in een conceptstadium zit met een initiële focus op bemenste zesde generatie vliegtuigen als opvolger van de vierde generatie jachtvliegtuigen van Italië, het Verenigd Koninkrijk en Japan. Dit past nu niet bij de wens van Defensie om kennis te vergaren over onbemenste gevechtsvliegtuigen en daarom is niet formeel de vraag gesteld voor samenwerking.
In de Kamerbrief van 19 maart schrijft u dat: «[twee Europese samenwerkingsprogramma’s] bieden op dit moment geen mogelijkheden tot deelname aan een kennis- en innovatieprogramma voor onbemenste gevechtsvliegtuigen.»; waarom heeft u er niet voor gekozen om deze in samenwerking met andere landen op te zetten en in plaats daarvan uit te wijken naar de Amerikanen?
Defensie verkent de mogelijkheden van deelname aan programma’s in de ontwikkeling van onbemenste systemen binnen en buiten Europa in het MOBIUS project, zoals vermeld in Kamerstuk 36 592 nr.60. Het doel is waar mogelijk kennis en ervaring op te doen, om in de toekomst beter geïnformeerde materiaalverwerving te kunnen doen. Het Amerikaanse CCA programma biedt nu de kans om kennis, data en analyses in de concept, test en ontwikkelfase te vergaren. Overige programma’s bieden dit vooralsnog niet, maar blijven nauwlettend gevolgd worden.
Kunt u deze vragen apart en voor 8 april 2026 beantwoorden?
Ja.
De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Henk Jumelet (CDA), Ulaş Köse (D66) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
Het bericht ‘Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen’ |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen»?1
Ja.
Hoe voorziet u, naast toetreding tot het Amerikaanse CCA-programma, concreet aan te sluiten op Europese ontwikkelingen? Kunt u een plan van aanpak aan de Kamer verstrekken?
In de brief van 19 maart jl. (Kamerstuk 36 592 nr. 60) is toegelicht dat Defensie door deelneming in het CCA-programma nu concrete kansen kan benutten voor het opdoen van kennis tijdens de fase van test, onderzoek en ontwikkeling van onbemenste gevechtsvliegtuigen die kunnen samenwerken met bemenste jachtvliegtuigen. De twee genoemde grotere internationale samenwerkingsprogramma’s voor toekomstige jachtvliegtuigen, waar eventuele onbemenste gevechtscapaciteit onderdeel van uitmaakt, zijn in een beginstadium en bieden deze mogelijkheden (nog) niet. Dit neemt niet weg dat Defensie in het programma MOBIUS de mogelijkheden blijft verkennen van deelname aan andere programma’s voor kennisopbouw en ontwikkeling van dit soort systemen, wereldwijd en specifiek in Europees verband. Defensie werkt daarnaast in NAVO en in EU-verband en bilateraal met verschillende partners nauw samen op kennis- en innovatiegebied in het luchtdomein en wisselt in dit kader informatie uit over het opzetten van kansrijke projecten en initiatieven, waaronder op de gebieden van onbemenste systemen en autonomie.
Wat betreft de ambitie om aan te sluiten op Europese alternatieven; hoe gaat u om met het risico dat het ene Europese alternatief, «Future Combat Aircraft System» met daarbij behorende onbemenste systemen («Remote Carriers»), zo goed als stukgelopen is, en het andere Europese alternatief «Global Combat Air Program» zich met name richt op een volgende generatie bemenste jachtvliegtuig?
Geïntegreerde onbemenste luchtsystemen kunnen de effectiviteit van bemenste gevechtsvliegtuigen aanzienlijk vergroten en zijn sneller en goedkoper te produceren dan traditionele bemenste gevechtsvliegtuigen. De ontwikkelingen gaan snel en het is daarom aannemelijk dat bestaande trajecten van Europese landen worden doorontwikkeld of aangevuld met nieuwe initiatieven voor de toekomstige integratie van onbemenste luchtsystemen. Door deelname aan het Amerikaanse programma kan Defensie nu kennis vergaren waarmee we voorop lopen in deze ontwikkeling. Dit kan ook van nut zijn bij eventueel toekomstige deelname aan programma’s met Europese partners.
De wet- en regelgeving voor het gebruik van kunstmatige intelligentie bij militaire inzet staat nog in de kinderschoenen; wat is uw plan als de kunstmatige intelligentie in het Amerikaanse CCA-programma niet aansluit op Europese of Nederlandse standaarden? Hoe gaat u om met de risico’s? Bent u voornemens om, indien het niet aansluit, zelf alternatieven binnen Europese standaarden te ontwikkelen?
Het Amerikaanse CCA programma ontwikkelt de software in een open architectuur. Defensie behoudt de mogelijkheid om in samenwerking met de Nederlandse en Europese kennisinstellingen en industrie software te ontwikkelen conform Nederlandse dan wel Europese standaarden.
In uw recente Kamerbrief van 19 maart 2026 (Kamerstuk 36 592, nr. 60) schrijft u mogelijkheden te onderzoeken om de Nederlandse innovatieve industrie aan te laten sluiten bij de ontwikkeling van CCA in de toekomst; bent u bereid te verkennen of Nederland het voortouw kan nemen in de Europese ontwikkeling van onbemenste systemen zoals «Collaborative Combat Aircraft» of «Remote Carriers», overwegende dat dit complementair kan zijn aan huidige internationale initiatieven en de kennis en kunde in Nederland beschikbaar is?
Defensie verkent de mogelijkheden van deelname aan programma’s in de ontwikkeling van onbemenste systemen binnen en buiten Europa in het MOBIUS project. Deelname aan het Amerikaanse CCA programma biedt unieke kansen op kennisopbouw om deze verkenning zorgvuldig uit te kunnen voeren.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Palantir CEO Makes Shocking Confession on Disrupting Democratic Power» van The New Republic?1
Hoe beoordeelt u het gegeven in het artikel dat het bedrijf Palantir doelbewust inzet op discriminerende aspecten van hun technologie waarmee democratische verhoudingen worden verslechterd?
Welke rol spelen bedrijven als Palantir Technologies momenteel in Nederlandse overheidsprocessen, bijvoorbeeld op het gebied van data-analyse, veiligheid of publieke dienstverlening?
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat technologiebedrijven die nauw samenwerken met overheden of veiligheidsdiensten ook uitgesproken politieke visies hebben over de werking van democratieën?
Hoe is er in de aanbesteding van de software van Palantir nagedacht over de impact van deze samenwerking op de democratie en maatschappij?
In referentie naar de aangenomen motie van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van Palantir, wat is de status van de uitvoering van de drie gevraagde actielijnen uit deze motie2?
Kunt u een plan aanleveren om de verschillende functionaliteiten van Palantir waar de Nederlandse overheid gebruik van maakt om te zetten naar volwaardige alternatieven, en welke EU-bedrijven dit kunnen leveren? Zo ja, kan er ook een overzicht gemaakt worden welke EU-bedrijven deze functionaliteiten kunnen leveren, en kunt u de Kamer dit doen toekomen?
Is het kabinet bereid, als de benodigde capaciteiten nog niet op de Europese markt beschikbaar zijn, om te verkennen of de talenten binnen JIVC (Joint Informatievoorziening Commando) benut kunnen worden om de benodigde capaciteiten zelf te ontwikkelen, al dan niet in samenwerking met het Nederlandse of Europese bedrijfsleven?
Is het kabinet bereid te onderzoeken of aanvullende transparantie- of governance-eisen nodig zijn voor technologiebedrijven die AI-systemen leveren aan overheden, zeker wanneer deze bedrijven ook actief zijn in defensie- en veiligheidssectoren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht dat er nog meer misstanden waren bij een vruchtbaarheidskliniek in Leiderdorp |
|
Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Oud zaad» en liegen tegen de Inspectie: meer misstanden in kliniek Leiderdorp»?1
Klopt het dat de kliniek jarenlang bewust in strijd handelde met de richtlijn ten aanzien van het maximumaantal kinderen per donor?
Klopt het dat de kliniek in 2015 bewust loog tegen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over het beleid ten aanzien van massadonatie?
Klopt het dat de kliniek tot op heden nooit zelf melding heeft gemaakt bij de IGJ ten aanzien van de overschrijdingen van de richtlijnen?
Als het antwoord op de vorige vragen bevestigend is, hoe kan dat een kliniek die jarenlang de richtlijn ten aanzien van het maximumaantal donoren aan de laars lapte, nog steeds geopend is?
Kunt u aangeven welke handhavingsmogelijkheden de IGJ heeft op het moment dat een zorgaanbieder bewust informatie achterhoudt of onjuiste informatie verstrekt aan de IGJ?
Wat is de stand van zaken van het lopende onderzoek van de IGJ naar deze kliniek? Wordt deze nieuwe informatie bij het onderzoek betrokken?
Vindt u het ook tijd om een grootschalig en onafhankelijk onderzoek te starten naar missstanden bij fertiliteitsklinieken in de afgelopen decennia?
De uitzending van Pointer over tabaksspeciaalzaken |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Pointer, waaruit blijkt dat verhitte tabak wordt aangeprezen als schoner alternatief voor sigaretten, dat het aantal tabaksspeciaalzaken flink groeit en dat Philip Morris hier een belangrijk aandeel in heeft?1
Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat winkeliers verhitte tabak als «beter», «schoner» of «gezonder» alternatief voor sigaretten aanprijzen? Deelt u dat dit onacceptabel is en klopt het dat dit in strijd is met de Tabaks- en rookwarenwet?
Kunt u klip en klaar aangeven dat het gebruik van verhitte tabak, zoals bij de genoemde IQOS-apparaten, helemaal niet gezonder, schoner of beter is dan sigaretten?
Wordt er door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gehandhaafd op dit soort illegale gezondheidsclaims? Zo ja, hoe kan het dat dit op zo’n grote schaal gebeurt?
Wat vindt u van de rol van Philip Morris hierin, als winkelpersoneel wordt getraind over de voordelen van verhitte tabak? Is dit toegestaan en zo nee, hoe wordt hierop richting Philip Morris gehandhaafd?
Herkent u het beeld dat er sinds 2021 minimaal 250 tabaksspeciaalzaken zijn bijgekomen? Welke cijfers heeft u over (de stijging van) het aantal tabaksspeciaalzaken en het aantal verkooppunten in totaal?
Deelt u de mening dat deze stijging direct ingaat tegen de doelstelling van het rookbeleid om het aantal verkooppunten terug te dringen?
Deelt u de mening dat snelle invoering van de registratieplicht essentieel is, om zicht te hebben op het aantal verkooppunten van tabak? Klopt het dat de vertraagde invoering hiervan leidt tot minder zicht op het aantal verkooppunten?
Wat vindt u ervan dat Philip Morris de stijging van het aantal tabaksspeciaalzaken faciliteert, door inrichtingen en verbouwingen te financieren?
Bent u bereid onderzoek te doen naar de betrokkenheid van tabaksfabrikanten bij tabaksspeciaalzaken en de Kamer hierover voor de zomer per brief te informeren?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het aantal tabaksspeciaalzaken niet meer, maar juist minder wordt en dat ook het totaal aantal verkooppunten verder afneemt?
Deelt u dat invoering van een vergunningstelsel voor de verkoop van rookwaren het meest effectieve instrument is om het aantal verkooppunten terug te dringen? Zo ja, bent u bereid de invoering hiervan voor te bereiden per 2032?
Het bericht 'Leiden scherpt de regels voor jeugdhulp aan; Zorg Minder snel doorverwijzen, meer eigen verantwoordelijkheid' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Leidse plan om de regels voor jeugdhulp aan te scherpen, met als doel duidelijker af te bakenen wat wel en niet onder jeugdhulp valt, het terugdringen van onterechte doorverwijzingen terug, en de kosten beter te beheersen? Zo ja, wat is uw oordeel over deze aanpak?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Een oordeel over de conceptverordening is in de eerste plaats aan de gemeenteraad van de gemeente Leiden. Op landelijk niveau zie ik dat deze beweging in lijn is met de Hervormingsagenda Jeugd en ik zie verschillende elementen uit het concept wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet terug. Bijvoorbeeld het inrichten van een stevig lokaal team met verschillende taken waaronder informatie en advies, toeleiding en het bieden van hulp en het voorliggend maken van jeugdhulp op groepsbasis.
Hoe beoordeelt u het voornemen in Leiden om verwijzingen naar jeugdhulp scherper te laten toetsen door gemeentelijke jeugdteams en eerder te kijken naar eigen kracht, het sociale netwerk en andere vormen van ondersteuning, voordat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet? Ziet u hierin elementen die landelijk navolging verdienen?
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet komen verschillende van deze voornemens terug, zoals de toets op eigen kracht, mogelijke inzet van het sociale netwerk en inzet van voorliggende voorzieningen. Met dit wetsvoorstel worden gemeenten verplicht stevige lokale teams in te richten die breed kijken naar hulpvragen van gezinnen en jeugdigen en zelf jeugdhulp kunnen bieden. Deze teams moeten daarnaast zorgvuldig beoordelen of aanvullende jeugdhulp nodig is, dan wel of een gezin voldoende ondersteuning heeft vanuit het sociale netwerk of dat voorzieningen in de pedagogische basis passend zijn, die voorliggend zijn op aanvullende jeugdhulp.
Deelt u de zorg dat binnen de jeugdhulp fraude en misbruik veelvuldig plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat zorgverleners zaken onterecht naar jeugdhulp doorschuiven, zorgtrajecten onnodig verlengen of oneigenlijk declareren, zoals in Leiden expliciet wordt benoemd? Hoe groot acht u dit probleem landelijk?
Ik deel de zorg over fraude en misbruik binnen de jeugdhulp. Fraude en misbruik tasten de betrouwbaarheid en de betaalbaarheid van de jeugdhulp en de zorg in het algemeen aan. Dit is onaanvaardbaar en moet worden voorkomen en effectief worden aangepakt. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Geld voor de zorg hoort in de zorg.
Het is niet mogelijk om tot een goed onderbouwde omvang van fraude in de zorg te komen. De exacte landelijke omvang van fraude en misbruik binnen de jeugdhulp is niet bekend. Helaas is wel duidelijk dat het om veel geld gaat en weten we ook dat we nog veel niet in beeld hebben.
Het Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) ontving in 2025 in totaal 678 signalen van fraude in de zorg, waarvan er 81 gerelateerd zijn aan de Jeugdwet. Voor de interpretatie van deze cijfers is het belangrijk te benoemen dat zij nog geen volledig beeld geven van de fraude in de jeugdzorg. Oorzaak daarvan is onder andere dat nog niet alle gemeenten zijn aangesloten bij het IKZ en de aangesloten partners nog niet alle signalen delen met het IKZ. Tot slot wordt binnen de jeugdzorg veel gewerkt met onderaannemers, wat het zicht op wanpraktijken soms belemmert.
Welk inzicht heeft u op dit moment in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp, in het bijzonder rond declaraties, persoonsgebonden budgetten, onnodige verlenging van zorgtrajecten en onjuiste verwijzingen? Kunt u daarbij aangeven waar de grootste blinde vlekken in toezicht en handhaving zitten?
Zie het antwoord op vraag 3. Er is geen volledig inzicht in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp. Ik wil hierbij benadrukken dat de uitvoering van de jeugdzorg decentraal is georganiseerd. Dit betekent dat het toezicht op de rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdzorg ook decentraal is belegd. Hierdoor ontbreekt een landelijk totaalbeeld.
De cijfers die ik van het IKZ heb ontvangen over 2025 geven de indruk dat het onder andere gaat om zorgverwaarlozing/onvoldoende kwaliteit van zorg, spookzorg (valse declaraties), upcoding (zwaardere behandeling declareren dan uitgevoerd) en het geven van een onjuiste voorstelling van zaken.
Welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen om fraude in de jeugdhulp keihard aan te pakken, frauderende aanbieders sneller op te sporen en van de markt te weren, onterecht besteed zorggeld terug te vorderen en gemeenten beter in staat te stellen misbruik direct te signaleren en te stoppen? Acht u het daarbij noodzakelijk om gemeenten meer ruimte, beleidsvrijheid, wettelijke bevoegdheden of handhavingsinstrumenten te geven op het gebied van opsporing en handhaving? Zo ja, welke?
Mijn voorgangers, de Minister en Staatssecretarissen van VWS, hebben uw Kamer op 3 oktober 2025 geïnformeerd over de aanpak van fraude in de zorg, waaronder de jeugdhulp2. De brief omschrijft de maatregelen die reeds genomen zijn of momenteel voorbereid worden om fraude in de zorg tegen te gaan. Ik zal deze hieronder kort samenvatten, waarbij ik specifiek focus op jeugdhulp.
Gemeenten hebben, als inkoper van jeugdzorg, instrumenten om fraude tegen te gaan. Het is aan gemeenten om bij het aangaan van contracten met zorgaanbieders nadere voorwaarden op te nemen, zoals nadere (kwaliteits-)eisen aan (pgb-) zorgaanbieders en regels voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de mogelijkheid een VOG te eisen, ook voor bestuurders. Bij zorgen over de integriteit van een zorgaanbieders kunnen gemeenten een Bibob toets uitvoeren. Naast goed contractmanagement is belangrijk dat de gemeente ook het rechtmatigheidstoezicht op de Jeugdwet professioneel organiseert.
De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj), die op 1 januari 2026 inwerking is getreden stelt bovendien strengere eisen aan de bestuursstructuur en een transparante financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen door de eis van een intern toezichthouder, transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording.
Ook het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), dat momenteel in voorbereiding is, beoogt extra voorwaarden en verplichting te stellen aan de bedrijfsvoering van aanbieders. De voorwaarden en verplichting hebben betrekking op het uitkeren van winst, het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen en op van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt over een breed, integraal pakket van maatregelen gericht op het voorkomen, stoppen en bestraffen van zorgfraude. Onder andere is in het AZWA opgenomen dat het (gemeentelijk) toezicht op de jeugdhulp verstevigd en geprofessionaliseerd zal worden en dat hiertoe een stimuleringsprogramma wordt opgezet. Daarnaast is in het AZWA en de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken dat verkend wordt of voor jeugdhulpaanbieders een vergunningsplicht ingevoerd dient te worden. Ik werk samen met branche- en beroepsorganisaties, inkopers van zorg, toezichthouders en opsporingsinstanties hard aan de uitwerking van deze maatregelen. We zetten erop in dat ze zo spoedig mogelijk en zoveel mogelijk effect hebben.
In het coalitieakkoord is aanvullend daarop over zorgfraude afgesproken dat: