Het bericht ‘Gerard van Olphen nieuwe baas APG’ |
|
Machiel de Graaf (PVV) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gerard van Olphen nieuwe baas APG»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, al helemaal in tijden waarin gepensioneerden keihard worden gepakt, het volstrekt ongepast is dat er 566.000 euro jaarsalaris wordt betaald aan een directeur bij de pensioenbelegger van het ABP?
Allereerst distangeer ik mij van de suggestie dat gepensioneerden «keihard worden gepakt». Los daarvan heb ik eerder aangegeven dat het goed zou zijn als APG zou kijken naar een neerwaartse bijstelling van het salaris van de nieuwe bestuursvoorzitter. APG heeft inmiddels bekend gemaakt dat het salarisniveau ten opzichte van de voorganger is gedaald met circa 10%. De nieuwe bestuursvoorzitter ontvangt geen variabele beloning of bonus.2
Tegelijkertijd ben ik mij er van bewust dat het kabinet niet gaat over de hoogte van de beloningen van bestuurders van marktpartijen. De hoogte van het salaris van de bestuursvoorzitter van APG is een zaak van APG en haar aandeelhouders.
Wat is er afgesproken over een eventuele ontslagvergoeding, gezien de riante vertrekbonussen uit het verleden bij APG?2
Of er iets is afgesproken over een eventuele ontslagvergoeding is mij niet bekend.
Bent u bereid in gesprek te gaan met betrokkenen en daarmee uw invloed aan te wenden om deze belachelijke salarisafspraak ongedaan te maken? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet heeft geen zeggenschap over de salarisafspraken van APG. De bestuursvoorzitter van APG valt niet onder de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.
De hoge salarissen van de top bij de politie |
|
John Kerstens (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over het inkomen van een deel van de top bij de politie naar aanleiding van een Wob-verzoek en de constatering dat 20 hoge politiefunctionarissen meer verdienen dan een Minister?1
Ja.
Herinnert u zich dat dezelfde discussie speelde in 2013 en dat de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie een beroep deed op deze groep politiefunctionarissen om een deel van hun salaris in te leveren?2 Zo ja, hoeveel politiefunctionarissen verdienen nu nog steeds meer dan een Minister?
Ja, dat herinner ik mij, mijn voorganger heeft dat beroep ook gedaan. Een aantal politiefunctionarissen heeft gehoor gegeven aan dit beroep. Zij hebben bij hun benoeming op hun functie in de Nationale Politie een deel van hun salaris ingeleverd. Hierover is uw Kamer al eerder geïnformeerd (o.a. TK 2012–2013, 30 111, nr. 63).
Op 27 januari 2016, kenmerk 727652, heb ik u geïnformeerd over de inkomensgegevens 2013 en 2014 die de politie in het kader van een Wob-verzoek aan het Algemeen Dagblad heeft verstrekt. In de berichtgeving van het Algemeen Dagblad wordt de suggestie gewekt dat het ministersalaris de norm is voor de salarissen in de publieke sector. Dat is niet het geval. De norm die geldt is de norm uit de Wet Normering Topinkomens, en de verstrekte inkomensgegevens zijn dan ook berekend conform die wettelijke norm.
De in 2013 en 2014 geldende norm volgens de WNT bedroeg respectievelijk € 228.599 c.q. € 230.474. Geen van de topfunctionarissen bij de politie – in de zin van de WNT – overschreed in 2013 en 2014 de WNT-norm. Voor overige functionarissen geldt dat de WNT weliswaar dwingt tot openbaarmaking van bepaalde gegevens, maar dat zij niet gebonden zijn onder de WNT-norm te verdienen. Voor 2013 en 2014 betrof dat binnen de politie één functionaris.
Hoeveel van deze 20 topfunctionarissen zijn het afgelopen jaar in dienst getreden bij de politie?
De 20 functionarissen waar u aan refereert zijn allen vóór 2015 in dienst getreden bij de politie.
Welke mogelijkheden heeft u om het inkomen van deze 20 hoge politiefunctionarissen te verlagen tot de huidige wettelijke norm?
Het inkomen van alle topfunctionarissen bij de politie – in de zin van de WNT – bleef in 2013 en 2014 onder de WNT-norm. Ook thans is er binnen deze groep geen sprake van overschrijdingen van de WNT-norm die in strijd zouden zijn met de wet.
Er is bij de politie één niet-topfunctionaris die boven de WNT-norm verdient. Zoals hiervoor opgemerkt geldt voor niet-topfunctionarissen niet de wettelijke norm, dat hun inkomen onder de WNT-grens dient te blijven. Juridische mogelijkheden ontbreken derhalve om verlaging af te dwingen. Juist daarom is door mijn voorganger eerder een moreel beroep gedaan op de betrokken functionarissen.
Als er geen mogelijkheden zijn om het inkomen te verlagen, bent u dan bereid om – net als u voorganger – met deze hoge politiefunctionarissen te praten en een beroep op hen te doen een deel van hun salaris in te leveren? Zo nee waarom niet? Zo ja, wanneer gaat u dat doen en wilt u de uitkomst van die gesprekken met de Kamer delen tijdens het Algemeen overleg over politie?
Ik ben bereid het gesprek hierover met de betrokken functionaris aan te gaan.
Hoe beoordeelt u het feit dat de top een verhoging van het inkomen heeft gekregen in 2014, terwijl de «gewone» politieagent toen al enige tijd op de 0-lijn stond? Kunt u het antwoord toelichten?
Ook de top van de politie heeft op de 0-lijn gestaan. Dat laat onverlet dat het individuele jaarinkomen in vergelijking tot andere jaren lager danwel hoger kan uitvallen. Hier kunnen verschillende redenen voor zijn.
Een stijging in inkomen kan veroorzaakt worden door de toekenning van de gebruikelijke jaarlijkse periodiek. Bezoldiging vindt plaats aan de hand van salarisschalen, met daarbinnen periodieken. Tot men aan het einde van zijn/haar salarisschaal zit, kan men bij voldoende functioneren jaarlijks een periodiek stijgen. Dit geldt voor iedere medewerker binnen de politie. Daarnaast kan binnen de arbeidsvoorwaardelijke kaders een toelage zijn verhoogd.
In een aantal gevallen is dit de verklaring voor de stijging van het inkomen binnen de top.
Daarnaast houdt de stijging van het inkomen in 2014 binnen de top in een aantal gevallen ook verband met de datum van benoeming binnen de Nationale Politie. In het kader van de vorming van de Nationale Politie is de politietop namelijk voor een groot deel op 1 januari 2013 benoemd in hun nieuwe functie binnen het nationale korps. Het oude werkverband eindigde daarmee op 31 december 2012. Over dit oude werkverband heeft op dat moment de gebruikelijke afrekening plaatsgevonden (uitbetaling vakantiegeld en eindejaarsuitkering). Doordat binnen de politie de opbouw van het vakantiegeld, dat 8 procent van het brutoloon bedraagt, wordt uitgekeerd in mei hebben een aantal functionarissen over het jaar 2013 relatief een klein deel vakantiegeld uitgekeerd gekregen (januari – mei). In 2014 ontvingen zij wel over het hele jaar vakantiegeld. Hierdoor lijkt het dat zij er in salaris op vooruit zijn gegaan, terwijl dit niet het geval hoeft te zijn.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg over politie voorzien op 10 februari 2016?
Ja.
Het bericht “Directeur verdiende aan gesubsidieerde windmolens” |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Directeur verdiende aan gesubsidieerde windmolens»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de voormalige directeur van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), dat onder andere adviseert over de hoogte van de subsidies, zelf meer dan 1 miljoen euro verdiende aan deze subsidies?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 van het lid Smaling (SP) is de heer Stam geen directeur van ECN, maar van directeur ECN Wind Energy Facilities B.V. De heer Stam was derhalve niet verantwoordelijk voor advisering over de hoogte van subsidies. De hoogte van de winst die gemaakt is op de exploitatie van de betreffende windmolens is mij niet bekend. Voor de MEP-subsidies, waar de heer Stam gebruik van heeft gemaakt, lag het risico van de elektriciteitsprijs bij de ondernemer. Bij een hoge elektriciteitsprijs leidt dat tot een voordeel voor de exploitant, bij een lage elektriciteitsprijs tot een nadeel. In de systematiek van de SDE+ is dit risico bij de Staat gelegd. Overigens is op 16 augustus 2010 vast komen te staan dat voor dit project geen sprake was van overstimulering op grond van het Europese Milieusteunkader.
Deelt u de mening dat de activiteiten van onder andere de heer Stam en Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) op zijn minst de schijn hebben van belangenverstrengeling en zowel ECN als de betrokken overheden een «FIFA-imago» geven, waar dit soort praktijken ook hoogtij vieren? Zo ja, welke acties bent u bereid te nemen om dergelijke twijfelachtige constructies te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 van het lid Smaling heb toegelicht ben ik het eens met de conclusie van ECN dat de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. Ik ben in dat antwoord ook ingegaan op de acties die ECN neemt en hoe ik wil waarborgen dat dit instituut het integriteitsbeleid op orde krijgt.
Bent u van mening dat het onderzoek van de Volkskrant aantoont dat kennis van bij ECN werkzaam zijnde personen is misbruikt voor persoonlijk financieel gewin? Zo nee, waarom niet en wanneer is dat dan volgens u wel het geval? Graag een gemotiveerd antwoord.
Nee, ik heb geen informatie gevonden waaruit blijkt dat gebruik is gemaakt van voorkennis of beïnvloeding door advisering met een persoonlijk financieel gewin tot gevolg. Zie verder mijn antwoord op vraag 2 van het lid Smaling.
Maakt u zelf of maken uw directe familieleden ook gebruik van subsidieregelingen of belastingvoordelen op windmolens, zonnepanelen of energiebesparing? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel daarmee tot op heden is verdiend?
Nee.
Zijn er in Nederland nog meer projecten met betrekking tot «duurzame energie» waarvan eigenaren gedeeltelijk of volledig werkzaam zijn in de publieke sector? Zo ja, kunt u aangeven wie dit zijn, wat zij jaarlijks verdienen aan hun twijfelachtige nevenfuncties en hoeveel overheidssubsidies betreffende projecten ontvangen? Graag een gemotiveerd antwoord.
Zolang er geen sprake is van belangenverstrengeling, staat het werknemers in de publieke sector vrij om activiteiten op het gebied van duurzame energie te ontplooien en daarmee – binnen de gestelde voorwaarden – gebruik te maken van het aangeboden instrumentarium vanuit de rijksoverheid. Afhankelijk van de aard en het type van de organisatie dienen daarbij extra bepalingen in acht te worden genomen om ook de schijn van belangenverstrengeling te voorkomen. De gegevens waarom wordt verzocht heb ik niet beschikbaar.
Deelt u de mening dat het onderzoek van de Volkskrant wederom aantoont dat er aan windhandel een vies luchtje hangt en dat het de eigenaren van windmolens niet om «duurzaamheid» te doen is, maar om juist zo veel mogelijk euro’s binnen te halen via overheidssubsidies? Zo nee, waarom niet?
Veel investeringen in hernieuwbare energie zouden zonder subsidie niet rendabel zijn. De Algemene Rekenkamer heeft vorig jaar in haar onderzoek naar de SDE+ gekeken naar de beweegredenen van ondernemers om hernieuwbare energieprojecten te ontwikkelen. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de subsidie uit de SDE+ zeer belangrijk is (8 op een schaal van 1 tot 10). Andere redenen betreffen de verwachte voordelen voor de marktpositie en het groene imago, en de overtuiging bij te dragen aan een duurzame wereld en de realisering van de afspraken uit het Energieakkoord. Dat ondernemers verdienen aan windmolens is inherent aan hun rol, ze lopen immers ook risico's met de uitvoering van windprojecten.
Personeelstekorten bij de Koninklijke Marechaussee |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Welke maatregelen gaat u nemen om personeelstekorten zoals bij de paspoortcontrole op Schiphol in de toekomst te voorkomen?1
Er is inderdaad veel druk op de KMar-capaciteit ontstaan. Deze druk is enerzijds ontstaan door de toegenomen vraag naar KMar-capaciteit in het kader van beheersen en controleren van de migratiestromen en de bestrijding van terrorisme. Anderzijds is het aantal passagiers dat gebruik maakt van Schiphol in de afgelopen jaren fors gestegen. De KMar doet er alles aan om lange wachtrijen op Schiphol te voorkomen. De «passagiersdoorstroming» is dagelijks onderwerp van gesprek tussen de KMar en Schiphol. In deze gesprekken wordt ingegaan op de capaciteitsinzet, prioritering en stroomlijning van processen. Ook wordt gekeken naar innovatieve manieren om het grensproces te optimaliseren. Hierbij worden echter geen concessies gedaan aan de kwaliteit van de grensbewaking en aan de veiligheid van de luchthavens.
Klopt het dat vanwege personeelstekorten bij de Koninklijke Marechaussee veelvuldig met personeel moet worden geschoven? Welke prioritering wordt daarbij aangehouden?
Door de actuele ontwikkelingen rond terrorismebestrijding en de toegenomen migratiestromen, is de inzet van de KMar-capaciteit geïntensiveerd. In de brieven van 18 september en 9 november 2015 (Kamerstukken II 2015/16 32 317, nr. 322 en 19 638, nr. 207), 8 februari 2016 (Kamerstuk 19 637, nr. 2122) en 23 februari (Kamerstuk 2016Z03866) bent u hierover geïnformeerd. Voor zowel de grensbewakingstaak als de bewaken- en beveiligingstaak is de inzet van KMar-capaciteit geherprioriteerd en hebben personele verschuivingen plaatsgevonden.
Kunt u aangeven hoe de omvang van het personeelsbestand bij de Koninklijke Marechaussee zich de komende jaren naar verwachting ontwikkelt?
Zoals gemeld in de Kamerbrief «versterking van de veiligheidsketen» van 27 februari 2015 (kenmerk 3807309) wordt de KMar-capaciteit uitgebreid met zes pelotons voor de bewaking en beveiliging van bepaalde objecten met een hoog risico profiel. Snelle opschaling in het geval van een hogere dreiging is daarmee ook mogelijk op langere termijn. Op dit moment wordt gefaseerd extra personeel geworven en opgeleid. Dit extra personeel is naar verwachting eind 2016 ingestroomd bij defensie. In afwachting hiervan is, zoals gesteld in het antwoord bij vraag 2, voor de bewakings- en beveiligingstaak KMar-capaciteit geherprioriteerd.
Kunt u procentueel en in aantallen VTE’s inzichtelijk maken voor welke taken de Koninklijke Marechaussee over 2016 wordt ingezet?
De toebedeling van de KMar-capaciteit aan de verschillende taken gebeurt op basis van jaarprognoses. De precieze invulling in de dagelijkse praktijk is afhankelijk van verschillende factoren en fluctueert. Voor 2016 kan indicatief worden gesteld dat de operationele KMar-capaciteit uit ongeveer 4.475 VTE bestaat. 55% wordt ingezet voor de grenspolitietaak, 32% voor Bewaken en Beveiligen en 13% voor (inter)nationale en militaire politietaken. Met het oog op de huidige ontwikkelingen wordt nauwgezet gekeken naar taakinvulling, inzet en verdringing. Hierover wordt frequent overleg gevoerd met Veiligheid en Justitie.
Kunt u per maand aangeven hoeveel VTE's van de Koninklijke Marechaussee in 2016 worden ingezet in het buitenland? Kunt u daarbij onderscheid maken per (militaire) missie/operatie/detachering? Bent u bereid om deze mensen terug te halen c.q. niet uit te zenden, omdat ze hier in Nederland hard nodig zijn?
KMar-personeel wordt ook ingezet bij internationale vredesoperaties en politiemissies. Hiervoor zijn zij opgeleid, getraind en bevoegd. Dit gebeurt onder het bevoegd gezag van Defensie. Gedurende 2015 waren gemiddeld 50 marechaussees op uitzending. Naast deze inzet wordt de KMar ook internationaal (onder gezag van V&J) ingezet voor Frontex, dit betrof in 2015 circa 18 VTE. Volledigheidshalve wordt ter aanvulling verwezen naar de Kamerbrief over de Nederlandse inzet in Frontex-operaties in 2016 en de ontplooiing van het Border Security Team in de Frontex-operatie Poseidon (Kamerstuk II 2015/16 32 317, nr. 379), en zo ook mijn brief over de uitvoering van de motie-Teeven/Knops van 23 februari (kamerstuknummer 2016 Z03866). Verder worden marechaussees ingezet voor bijzondere beveiligingsopdrachten op een aantal Nederlandse ambassades en bij buitenlandbezoeken van hoogwaardigheidsbekleders. Hier worden, vanwege de operationele gevoeligheid, verder geen mededelingen over gedaan.
Is de Koninklijke Marechaussee nog wel voldoende in staat om de aanhoudende stroom migranten/asielzoekers en de voortdurende terreurdreiging het hoofd te bieden, zonder andere taken en geoefendheid te verwaarlozen?2
Op basis van de huidige situatie en de opdrachtstelling vanuit de gezagen, is de KMar in staat haar kerntaken uit te voeren en de daarvoor benodigde geoefendheid te handhaven. Wel is er sprake van krapte. Tussen de gezagen wordt regelmatig de prioritering van de inzet van KMar besproken. Als blijkt dat de uitvoering van de kerntaken van de KMar in het geding komt, worden de wenselijkheid en mogelijkheid van prioritering en of aanvullende maatregelen vanzelfsprekend beoordeeld.
Bent u bereid om geen enkele asielzoeker meer tot Nederland toe te laten en de Koninklijke Marechaussee in te zetten voor grensbewaking in plaats van voor het faciliteren van de asieltsunami?
Zoals eerder gemeld door mijn collega Dijkhoff, (Aanhangsel van de handelingen 2015/2016, nr.136) worden asielaanvragen op individuele basis beoordeeld. Als een asielzoeker geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, maar enkel vanwege economische motieven een asielaanvraag doet, wordt deze afgewezen en verkrijgt de asielzoeker geen verblijfsrecht in Nederland.
Kunt u deze vragen separaat en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Eritrese intimidatie in Nederland zich uit breidt |
|
Attje Kuiken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA), Michiel Servaes (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de toenemende intimidatie van aanhangers van het dictatoriale regime in Eritrea in Nederland?1
Ja ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is als het regime via aanhangers in de diaspora druk uit oefent op Eritreeërs in Nederland om geld af te staan en geen kritiek uit te oefenen op hun geboorteland? Zo ja, welke maatregelen ben u bereid te treffen om deze praktijken tegen te gaan?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op de vragen van de leden Karabulut en Jasper van Dijk (beiden SP) aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Buitenlandse Zaken dd. 20 juni 20142. Er zijn geen aanwijzingen dat de situatie sedert dien is gewijzigd.
Was u al eerder op de hoogte van het feit dat niet alleen Eritreeërs in Nederland, maar ook Nederlanders – zoals wetenschappers – worden bedreigd en geïntimideerd?
Nee.
Wordt er bijgehouden wie deze mensen zijn die zich schuldig maken aan intimidatie en zo ja, welke juridische stappen zijn er al genomen om hen te vervolgen?
Er is geen overzicht van het aantal incidenten in relatie tot het Eritrese regime.
Afpersing en soortgelijke feiten zijn ernstige misdrijven die de aandacht hebben van de politie en het Openbaar Ministerie. Indien er een concreet vermoeden bestaat dat dergelijke ernstige strafbare feiten worden gepleegd, zal hiernaar door politie en het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzoek worden gedaan. Politie en het Openbaar Ministerie zullen zich altijd inspannen om signalen van ernstige misdrijven te onderzoeken en indien aan de orde mogelijke slachtoffers van ernstige misdrijven actief wijzen op de mogelijkheid tot het doen van aangiften.
Kunt u vertellen of er op diplomatiek niveau nog enigszins contact is met het Eritrese regime en of er met andere Europese landen samen wordt gewerkt om intimidatie jegens naar Europa gevluchte Eritreeërs te voorkomen?
Op 16 februari 2016 heeft op het Ministerie van Buitenlandse Zaken een onderhoud plaatsgevonden met de Eritrese Ambassadeur en de Tijdelijk Zaakgelastigde. Dit gesprek vond plaats naar aanleiding van recente publicaties in de media. Op diplomatiek niveau wordt niet met andere Europese landen samengewerkt met betrekking tot de door u genoemde kwestie. Wel wordt van tijd tot tijd informatie uitgewisseld.
Bent u van mening dat er ook binnen asielzoekerscentra aandacht moet worden besteed aan mogelijke intimidatie en bedreigingen tegen Eritreeërs en zo ja, op welke manier zou hier vorm aan moeten worden gegeven? Worden aangiftes in behandeling genomen?
Veiligheid binnen het asielzoekerscentrum geniet de hoogste prioriteit.
Het COA laat niet zomaar iedereen toe op de locaties; er geldt een bezoekersregeling en een bezoekersadministratie. Dit betekent dat elke bezoeker zich moet identificeren en de naam vermelden van de te bezoeken persoon. Alle vrijwilligers, die op een locatie van het COA activiteiten willen verrichten, worden vooraf gescreend.
Verder is er op alle COA-opvanglocaties permanent ingehuurde beveiliging aanwezig van Trigion. Naast deze beveiligingsmedewerkers zijn de COA-medewerkers zelf erg oplettend en waakzaam, hoe het met de bewoners op de locatie gaat en hoe sfeer is op de locatie. Het COA spreekt frequent met leden van de Eritrese gemeenschap (en alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het bijzonder) op locaties om meer inzicht te krijgen in wat er speelt binnen deze (gesloten) gemeenschap.
Waar het COA meent dat er sprake is van een (strafrechtelijke) misstand, stimuleert het COA door gesprekken en ondersteuning de bewoners om aangifte te doen. Als bewoners weigeren aangifte te doen, doet het COA zelf bij de politie melding van misstanden. Voor zaken die de openbare orde raken wordt altijd de politie ingeschakeld.
Heeft u recentelijk uw ongenoegen over de intimidatiepraktijken geuit aan het Consulaat van Eritrea? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, bent u bereid de Tijdelijk Zaakgelastigde te ontbieden om duidelijk te maken dat afpersing en intimidatie bij belastinginning onacceptabel en in strijd met de wet zijn?
Eritrea heeft in Den Haag geen consulaat maar een ambassade. Zoals hierboven gemeld heeft op 16 februari 2016 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken een onderhoud plaatsgevonden met de Eritrese Ambassadeur en de Tijdelijk Zaakgelastigde (TZ). De recente berichten in de media over de «lange arm» van het Eritrese regime in Nederland vormden de aanleiding voor dat gesprek. In het gesprek gaf de ambassadeur aan dat de Ambassade hecht aan een sterke band met de diaspora, maar dat de Ambassade hierbij geen oneigenlijke middelen inzet. De Eritrese diaspora heeft de petitie zelf georganiseerd, aldus de ambassadeur.
Het doel van het gesprek was om de ambassade impliciet te waarschuwen voor eventueel onoorbaar gedrag en duidelijk te maken dat het kabinet het wel en wee van de Eritrese diaspora in Nederland en de rol van de Eritrese ambassade daarbij nauwlettend volgt.
Is er door het openbaar ministerie of anderszins recentelijk onderzoek gedaan naar de bestemming van de in Nederland door het Consulaat van Eritrea geïnde gelden? Zo ja, zijn er daarbij aanwijzingen dat deze gelden ook ten goede komen aan terreurorganisatie Al-Shabaab?
Afpersing en soortgelijke feiten zijn ernstige misdrijven die de aandacht hebben van de politie en het Openbaar Ministerie. Indien er een concreet vermoeden bestaat dat dergelijke ernstige strafbare feiten worden gepleegd, zal hiernaar door politie en het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzoek worden gedaan. Politie en het Openbaar Ministerie zullen zich altijd inspannen om signalen van ernstige misdrijven te onderzoeken en indien aan de orde mogelijke slachtoffers van ernstige misdrijven actief te wijzen op de mogelijkheid tot het doen van aangiften.
Er is onderzoek verricht door de Somalia-Eritrea Monitoring Group (SEMG) van de VN Veiligheidsraad. Die concludeerde eind 2014 dat er geen aanwijzingen zijn voor steun van Eritrea aan Al-Shabaab. Letterlijk schreef de SEMG: «The Monitoring Group investigated Eritrea’s relations in the Horn of Africa and it found no evidence of Eritrean support to Al-Shabaab during the course of its present mandate. The Monitoring Group does not, however, rule out the possibility that Eritrea may be providing some assistance to elements within Al-Shabaab without detection, but it is the overall assessment of the Group that Eritrea is a marginal actor in Somalia, and increased public scrutiny by the international community has made any direct support to Al-Shabaab much riskier.» (zie document S/2014/727 dd. 13 oktober 2014 van de VN Veiligheidsraad).
Alcoholcontroles in het verkeer |
|
Marith Volp (PvdA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van EenVandaag waarin aandacht wordt besteed aan alcoholcontroles in het verkeer?1
Ja.
Hoeveel alcoholcontroles in het verkeer vinden jaarlijks plaats? Kunt u hierbij onderscheid maken naar tijdstip en dagen van de controles? Is de in de uitzending genoemde hoeveelheid van tien procent van de controles die ’s nachts plaatsvinden juist?
De politie voert alcoholcontroles uit met (georganiseerde) verkeersfuiken en individuele controles2. Het aantal alcoholcontroles verschilt per jaar. In 2015 waren er in totaal 3.752 controles (tabel 1).
In onderstaande tabellen 1 en 2 zijn de alcoholcontroles per dagdeel in absolute aantallen en als percentages van het totale aantal controles per jaar weergegeven. Uit deze overzichten blijkt dat het merendeel van de alcoholcontroles in de avond en nacht plaatsvindt en dat het percentage waaraan gerefereerd wordt in de uitzending niet juist is. Overigens eindigen veel avondcontroles in de nacht, waardoor het niet mogelijk is om exact aan te geven hoeveel controles in de nacht hebben plaatsgevonden.
In tabel 3 is het aantal controles per dag weergegeven. Hieruit blijkt dat de meeste controles plaatsvinden op vrijdag en zaterdag.
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
Fuik
Individueel
Fuik
Individueel
Fuik
Individueel
Fuik
Individueel
Totaal
401
91
698
88
2.921
272
1.027
289
5.787
430
108
804
94
3.061
211
1.087
255
6.050
398
101
753
86
3.021
192
1.259
215
6.025
346
87
586
28
2.627
126
1.082
165
5.047
227
60
439
72
1.928
119
771
136
3.752
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
8,50%
13,58%
55,18%
22,74%
8,89%
14,84%
54,08%
22,18%
8,28%
13,93%
53,33%
24,46%
8,58%
12,17%
54,55%
24,71%
7,65%
13,62%
54,56%
24,17%
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag
Totaal
468
514
524
761
1.346
1.232
942
5.787
459
480
540
748
1.336
1.396
1.091
6.050
480
462
514
688
1.366
1.335
1.180
6.025
367
349
453
560
1.033
1.283
1.002
5.047
272
260
289
419
867
957
688
3.752
Bij hoeveel van deze controles werd een overtreding geconstateerd? Kunt u hierbij onderscheid maken naar tijdstip en dagen van de controles?
Voor de dagen en dagdelen waarop de controles zijn uitgevoerd, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 met bijbehorende tabellen. In de politieregistratie wordt niet apart bijgehouden hoeveel overtredingen per controle worden geconstateerd.
Klopt het dat de pakkans na middernacht aanzienlijk kleiner is, zoals de Vereniging verkeersslachtoffers beweert? Zo ja, welke acties onderneemt u om de pakkans ’s nachts te vergroten?
De politie werkt informatiegestuurd en zet op basis daarvan op locaties en tijden gericht verkeerscontroles in. Op deze wijze wordt gepoogd het alcoholgebruik in het verkeer terug te dringen. Zoals aangegeven blijkt uit de informatie van de politie dat controles om deze reden met name in de avond en nacht worden uitgevoerd. Uit onderstaande tabel 4 en tabel 5 blijkt tevens dat geconstateerde misdrijven op die tijdstippen aanzienlijk hoger zijn.
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
2011
3.017
2.954
13.384
26.602
2012
3.456
3.045
11.657
22.437
2013
3.568
2.960
10.049
19.069
2014
3.515
2.748
8.805
16.421
2015
3.344
2.498
7.242
13.773
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
2011
6,6%
6,4%
29,1%
57,9%
2012
8,5%
7,5%
28,7%
55,3%
2013
10,0%
8,3%
28,2%
53,5%
2014
11,2%
8,7%
28,0%
52,1%
2015
12,5%
9,3%
27,0%
51,3%
Hoeveel van de controles vinden plaats via een traditionele verkeersfuik en hoeveel van de controles vinden plaats naar aanleiding van (individuele) meldingen of gedrag? Is er bij de meer individuele controles sprake van een hoger percentage overtreders?
Voor de aantallen controles met een verkeersfuik of individuele controle verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1. Bij de registratie van het misdrijf «rijden onder invloed» wordt geen onderscheid gemaakt tussen verdachten die zijn aangehouden naar aanleiding van een individuele controle of een verkeersfuik. Derhalve kan ik geen antwoord geven op de vraag of bij de individuele controles sprake is van een hoger percentage overtreders dan bij de controle via de verkeersfuik.
Het bericht dat de ‘persvrijheid is beknot bij azc-informatieavonden’ |
|
Joost Taverne (VVD), Malik Azmani (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «protest hoofdredacteuren tegen weren pers bij azc-bijeenkomsten»?1
Ja.
Kent u de inhoud van de brief die het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren heeft gestuurd aan de burgemeester van Bernheze?
Ja.
Heeft u kennis van informatiebijeenkomsten over asielzoekerscentra (azc's) waarbij journalisten de toegang is geweigerd?
Ja.
Hoe beoordeelt u het weren van journalisten bij openbare gemeentelijke informatiebijeenkomsten in het licht van artikel 7 van de Grondwet, waarin preventieve censuur wordt verboden? Vindt u het weren van (bepaalde) journalisten bij openbare gemeentelijke informatiebijeenkomsten een vorm van preventieve censuur? Zo nee, waarom niet?
In onze democratische rechtsstaat moeten journalisten vrij hun werk kunnen doen. De vrijheid van meningsuiting en informatiegaring en -verspreiding is een groot goed en wordt beschermd door artikel 7 van de Grondwet en diverse verdragen. Alleen specifieke redenen, zoals veiligheid of beperkte locatieruimte, kunnen aanleiding zijn de pers te weren of niet iedereen binnen te laten. Het is aan gemeenten om te beoordelen of dergelijke maatregelen dienen te worden genomen.
Kunt u in gesprek gaan met de VNG om te voorkomen dat journalisten bij informatiebijeenkomsten over azc’s worden geweerd?
De ontwikkelingen rond de opvang van asielzoekers worden met regelmaat besproken aan de landelijke regietafel verhoogde asielinstroom, waar onder andere de VNG deelnemer van is. Dit onderwerp zal ook daar ter tafel komen.
Het bericht dat COA-personeel een asielzoeker heeft ontmoedigd om aangifte te doen van discriminatie en bedreiging |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA laat asielzoekers aan hun lot over»?1
Ja.
Kunt u reageren op het feit dat in deze casus naar voren wordt gebracht dat medewerkers van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) een asielzoeker met verschillende negatieve consequenties van het doen van aangifte van discriminatie en/of bedreiging hebben geconfronteerd? Past dit in de lijn die door de regering is gekozen, dat aangifte van dergelijke strafbare feiten zoveel als mogelijk moet worden gestimuleerd?
Uit navraag bij het COA is mij gebleken dat hier geen sprake is geweest van het ontmoedigen van het doen van aangifte.
In zijn algemeenheid benadruk ik het belang van het doen van aangifte in geval van (mogelijk) strafbare feiten. In dergelijke gevallen zal het COA het slachtoffer stimuleren om aangifte te doen en het slachtoffer daarbij desgewenst begeleiding bieden. Voor COA medewerkers weegt het welzijn en belang van bewoners immers zwaar. Het stimuleren van aangiftebereidheid hoort daarbij.
Desondanks zal niet iedere bewoner aangifte willen of durven doen. Het COA kan dan een melding doen bij de politie of aangifte doen als getuige.
In het kader van de aanscherping van de aanpak van overlastgevende en criminele asielzoekers, waar ik uw Kamer in maart nader over zal informeren, zal ook aandacht worden besteed aan het aspect van aangiftebereidheid.
Welke vormen van toezicht vinden plaats op het gedrag van COA-personeel jegens asielzoekers en in welke mate komt dit gedrag overeen met de richtlijnen die door het COA zijn opgesteld, en de beleidsdoelen die door u aan het COA worden meegegeven? Acht u de aanwezige vorm(en) van toezicht adequaat? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid het toezicht te intensiveren?
COA-managers zien er op toe dat hun medewerkers werken binnen de staande beleidskaders en richtlijnen. Het COA heefteen gedragscode die voor alle medewerkers en vrijwilligers van toepassing is. Hierin is onder meer voorgeschreven dat iedere medewerker respectvol en mensgericht dient te handelen, dat het bieden van veiligheid aan bewoners een belangrijk uitgangspunt is van het handelen, dat de medewerkers van het COA integer, professioneel en discreet dienen te zijn en te handelen, en dat zij iedere bewoner op een gelijkwaardige wijze moeten benaderen.
Het COA kent ook een klachtenregeling. Iedere bewoner kan een klacht indienen wanneer hij of zij ontevreden is over de wijze waarop een medewerker van het COA zich jegens hem of haar heeft gedragen (of bepaald gedrag heeft nagelaten). Er zijn geen formele vereisten aan het indienen van een klacht verbonden en het kan zowel schriftelijk als mondeling. Het COA is gehouden aan diverse voorschriften die zien op de afhandeling van een klacht.
Tot slot wijs ik op de rol van onafhankelijke partijen zoals de Inspectie VenJ, die bijvoorbeeld – in het kader van de gevolgen van de hoge asielinstroom – periodiek meekijkt op de tijdelijke opvangvoorzieningen en hoe het COA hier invulling aan geeft.
Bent u bereid in het licht van deze casus uw positie ten aanzien van het instellen van vertrouwenspersonen op elke opvanglocatie te herzien, met het oog op ondersteuning bij psychische problemen en het bevorderen van het doen van aangiftes? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik meerdere malen richting de Tweede Kamer heb aangegeven zie ik geen meerwaarde in een afzonderlijke vertrouwenspersoon voor kwetsbare groepen. Bewoners kunnen bij iedere medewerker terecht als zij zich bedreigd voelen of geconfronteerd worden met concrete situaties van discriminatie, pesterijen of bedreigingen. Ook moeten alle medewerkers adequaat optreden in geval van incidenten en bewoners stimuleren tot het doen van aangifte. Zo nodig ondersteunt het COA zijn medewerkers bij het uitoefenen van de rol van vertrouwenspersoon door middel van voorlichting en training.
Kunt u aangeven of het bestuurlijke instrumentarium dat het COA ter beschikking heeft om sancties op te leggen aan asielzoekers die wangedrag tegen andere asielzoekers vertonen, momenteel voldoende is?
Het COA kan overlastgevende asielzoekers sanctioneren op basis van het Reglement Onthouding Verstrekkingen (ROV). Het ROV bevat het sanctiebeleid van het COA en geeft het kader op basis waarvan het COA verstrekkingen aan zijn bewoners kan onthouden en maatregelen kan toepassen in geval van overlast. De meest zware ROV-sanctie is het stopzetten van de opvang voor kortere of langere duur, dan wel definitief.
Zoals ik heb toegezegd zal ik uw Kamer in maart informeren over de aangescherpte aanpak van overlastgevende en criminele asielzoekers. Hierbij zal ook worden ingegaan op de aanscherping van het ROV.
Hoe vaak is afgelopen jaar door het COA een boete, een overplaatsing of een andere sanctie opgelegd aan een asielzoeker op basis van wangedrag?
In 2015 heeft het COA in totaal 7.470 maatregelen opgelegd op basis van het ROV. Een maatregel kan inhouden dat leefgeld is onthouden of dat de opvang (voor bepaalde tijd) is ontzegd.
Van de 7.470 zijn er 2.955 maatregelen opgelegd naar aanleiding van het niet voldoen aan de meldplicht.
Daarnaast heeft het COA 4.515 keer een maatregel opgelegd naar aanleiding van incidenten zoals genoemd in het overzicht incidenten 2015 in- en rondom COA opvanglocaties, dat ik in januari jl. openbaar heb gemaakt.2 Deze incidenten behoren tot de categorieën «overlast in COA-opvang locaties zelf» en «door COA geregistreerde agressie en geweld tegen personen». De incidenten waar het hier om gaat zijn zeer divers van ernst, aard en omvang. Dit varieert bijvoorbeeld van het niet schoonmaken van de eigen kamer, het afplakken van de brandmelder, het veroorzaken van geluidsoverlast tot fysieke agressie zoals slaan of schoppen.
Het overplaatsen van een bewoner is overigens niet in alle gevallen een sanctie. Bewoners kunnen om verschillende redenen worden overgeplaatst, bijvoorbeeld omdat een bewoner hiertoe heeft verzocht of omdat het in het kader van veiligheid en leefbaarheid noodzakelijk wordt geacht.
Het bericht ‘Asscher: goud in handen bij twee dagdelen kinderopvang’ |
|
Keklik Yücel (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Asscher: goud in handen bij twee dagdelen kinderopvang»?1
Ja.
Op welke termijn kan de Kamer een kabinetsreactie verwachten met betrekking tot het SER-advies over kinderopvang dat deels voorsorteert op een volgende kabinetsformatie? Wilt u in uw reactie ingaan op de vraag in hoeverre u de visie van de SER onderschrijft dat kinderopvang niet alleen van belang is als arbeidsmarktinstrument maar ook voor de ontwikkelingskansen van kinderen?
Ik ben voornemens om uw Kamer voor de zomer een kabinetsreactie op het SER-advies te sturen. In deze reactie zal ik tevens ingaan op de verschillende doelen die de kinderopvang dient zowel het bevorderen van de arbeidsparticipatie als het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen.
Deelt u de mening dat zo snel mogelijk aan de slag gegaan moet worden met de korte termijnvoorstellen van de SER? Bent u bereid om in uw kabinetsreactie toe te lichten hoe u nog in deze kabinetsperiode verder werk kunt maken van de voorgestelde maatregelen op de korte termijn zoals het experimenteren met verdere samenwerking en kwaliteitsverbetering?
De SER heeft een zeer compleet advies uitgebracht met acties voor zowel korte als langere termijn. Dit uitgebreide advies vereist een zorgvuldige reactie vanuit het kabinet. De komende periode ga ik het advies zorgvuldig bestuderen. Voor de zomer kom ik met een integrale reactie op het advies van de SER, waarin ik in ieder geval aandacht besteed aan wat in deze kabinetsperiode haalbaar is.
Bent u bereid om te bevorderen dat het deel van het advies dat gaat over de middellange en lange termijn niet in een la verdwijnt maar op de agenda wordt gezet van een volgend kabinet? Bent u bereid eventuele voorstellen die naar voren gehaald kunnen worden alvast op te pakken zoals het onderzoek naar de betaalbaarheid en het onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen onder de 2 jaar?
Ja, ik zal kijken hoe ik recht kan doen aan het advies van de SER op de middellange en lange termijn. Ook kijk ik of bepaalde aanbevelingen voor de midden en lange termijn naar voren kunnen worden geshaald. Ik zal hier in de kabinetsreactie op terugkomen.
De illegale annexatie van Palestijns land door de Israëlische regering |
|
Tunahan Kuzu (GrKÖ) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël eigent zich land van Palestijnen toe»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen?2
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Israëlische regering een stuk land ter grootte van 154 hectare op de Westelijke Jordaanoever gaat annexeren? Wat gaat u op basis van deze annexatie doen?
Israël heeft een gebied van 234 hectare bij Jericho aangemerkt als staatsland. Het kabinet betreurt dit besluit, dat een onrechtmatige toe-eigening vormt in strijd met internationaal recht en is bezorgd over berichtgeving dat dit gebied gebruikt zal worden voor uitbreiding van nederzettingen. Deze stap staat haaks op de inzet van de internationale gemeenschap om het vertrouwen tussen partijen te vergroten en de kansen op een succesvolle hervatting van onderhandelingen groter maken. Ook de EU heeft in een verklaring namens de Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid haar zorg uitgesproken. De EU dringt voortdurend bij Israël aan op het mogelijk maken van de ontwikkeling van Area C ten behoeve van de Palestijnse bevolking. Het kabinet en de EU spreken de Israëlische regering consequent aan op de illegaliteit van nederzettingen en wijzen erop dat het nederzettingenbeleid de twee-statenoplossing ondermijnt. Ook dit besluit zal hierin worden meegenomen.
Deelt u de classificatie door Palestijnse leiders van de annexatie als «diefstal»?3 Zo ja, welke acties gaat u in dit kader ondernemen jegens de Israëlische regering? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Is deze annexatie volgens u illegaal? Zo ja, hoe gaat u dit adresseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de annexatie van Palestijns land door de Israëlische regering lijnrecht tegen het bereiken van een tweestatenoplossing ingaat? Zo ja, hoe gaat u dit adresseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke concrete acties onderneemt de Nederlandse regering, zowel op zelfstandige basis als in Europees verband, om de sinds april 2014 stilgelegde vredesonderhandelingen tussen de Israëlische regering en de Palestijnse autoriteiten te doen hervatten? Kunt u een overzicht geven van de ondernomen acties?
Het kabinet heeft zich ingespannen voor een grotere EU-rol ten aanzien van het MOVP, onder meer door te pleiten voor de benoeming van een EU Speciaal Vertegenwoordiger voor het MOVP. In april 2015 werd Fernando Gentilini benoemd als EU Speciaal Vertegenwoordiger (EUSV). Het kabinet heeft een senior adviseur gedetacheerd in het team van de EUSV om de inspanningen van de EU te ondersteunen.
De inzet van het kabinet en de EU is neergelegd in een reeks Raadsconclusies, laatstelijk bevestigd op 18 januari jl. Hierin worden de kaders geschetst voor de HV en de EUSV waarbinnen de EU-inzet vorm wordt gegeven. Gezien het gebrek aan vertrouwen aan beide kanten en de zorgwekkende regionale ontwikkelingen zijn de inspanningen van de EU en Nederland met name gericht op het bijdragen aan het scheppen van een klimaat waarin hervatting van onderhandelingen tussen beide partijen kans van slagen heeft. Concreet betekent dit aandringen op de-escalatie, verbetering van de politieke en humanitaire situatie in Gaza, implementatie van afspraken tussen de partijen op economisch en veiligheidsgebied en het creëren van een nieuw internationaal raamwerk voor onderhandelingen met betrokkenheid van de Arabische partners op basis van het Arab Peace Initiative. In bilaterale contacten met beide partijen op het hoogste niveau heeft het kabinet aangedrongen op transformatieve stappen om zo toe te werken naar een klimaat voor hervatting van onderhandelingen. Tegelijkertijd blijft het Kabinet inzetten op het behoud van de twee-statenoplossing. Dit is tevens de boodschap van de Hoge Vertegenwoordiger en de EUSV in hun contacten met betrokken partijen, zoals recent tijdens de ontmoeting tussen de HV en Netanyahu in Davos op 21 januari jl. en het bezoek van het Kwartet aan de regio.
Deelt u de twijfel van een woordvoerder van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken, over de vraag of de huidige regering Netanyahu nog wel gecommitteerd is aan een tweestatenoplossing?4 Zo ja, wat gaat u hier mee doen? Zo nee, waarom niet?
Premier Netanyahu heeft publiekelijk aangegeven gecommitteerd te zijn aan een twee-statenoplossing. Het kabinet verwacht daarom van de Israëlische regering dat zij de twee-statenoplossing actief zal nastreven. Uitbreiding van nederzettingen staat haaks op de inzet van de internationale gemeenschap om het vertrouwen tussen partijen te vergroten en de kansen op een succesvolle hervatting van onderhandelingen groter te maken. Zie tevens antwoord op vragen 3–6.
Het kabinet en de EU baseren zich – in lijn met het internationaal recht – op de grenzen van 1967 en beschouwen Israëlische nederzettingen in bezet gebied als strijdig met internationaal recht. In de EU wordt nagedacht over concrete manieren om de scheidslijn tussen Israël en bezet Palestijns Gebied duidelijker aan te brengen. De inwerkingtreding per 1 januari 2014 van de guidelines (richtsnoeren) subsidiabiliteit, die bepalen dat Israëlische entiteiten enkel in aanmerking kunnen komen voor EU-subsidies indien zij zijn geregistreerd in Israël (binnen de grenzen van 1967), vormt hiervan een goed voorbeeld. Daarnaast wordt in de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 18 januari jl. het commitment van de EU herbevestigd om zeker te stellen dat in alle overeenkomsten tussen Israël en de EU wordt aangegeven dat zij niet van toepassing zijn op de sinds 1967 door Israël bezette gebieden. Voorts ontmoedigt Nederland al jaren economische relaties met bedrijven in Israëlische nederzettingen (zie Kamerbrief met beantwoording feitelijke vragen van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken over de evaluatie van de bilaterale samenwerkingsfora met Israël en de Palestijnse Gebieden, Kamerstuk 23 432, nr. 396). Dat beleid blijft onverminderd van toepassing.
Deelt u de mening dat erkenning van de Palestijnse staat door Nederland en andere landen illegale annexatie van meer land door de Israëlische regering zou kunnen voorkomen? Zo ja, welke handelingen verbindt u aan deze overtuiging? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet wil erkenning inzetten op een strategisch moment als het effectief, reëel en opportuun is in het vredesproces. Het kabinet wil dat doen op een moment waarbij het een bijdrage levert aan het vredesproces. Erkenning van een Palestijnse staat is een krachtig instrument dat maar één keer kan worden ingezet. Het betreft een nationaal besluit. Het kabinet zal zijn eigen afweging maken over erkenning. Daarbij zal Nederland meewegen wat andere Europese landen doen en afstemming met EU-partners zoeken. De ontwikkelingen in het vredesproces zijn aan veel factoren onderhevig en daarom onvoorspelbaar. Het is derhalve niet opportuun scenario’s te beschrijven waarin het kabinet al dan niet over zou gaan tot erkenning.
Is het nog steeds het regeringsstandpunt dat er ten aanzien van de erkenning van de Palestijnse staat gewacht wordt op een strategisch moment? Zo ja, verwacht u, door de recente annexatie van Palestijns gebied door de Israëlische regering, dat dit «strategische moment» eerder verder weg of dichter bij gekomen is? Welke beleidsconclusies verbindt de Nederlandse regering hieraan?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u een nadere duiding geven van de termen «strategisch moment», «effectief», «reëel» en «opportuun» in het kader van de erkenning van de Palestijnse staat?5 Wat bedoelt u hier exact mee? Wanneer zou hier in uw visie sprake van kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 9.
Het intrekken van het instemmingsrecht op de faculteitsbegroting door de faculteitsraad |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Paul van Meenen (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over het intrekken door het College van Bestuur (hierna CvB) van de Universiteit Leiden van het toegekend instemmingsrecht door de faculteitsraad Sociale Wetenschappen op hoofdlijnen van de faculteitsbegroting?1
Ja, ik ken de inhoud van het artikel in Mare van 28 januari 2016.
Hoe beoordeelt u deze handeling van het CvB van de Universiteit Leiden, waarmee zij afgestemde afspraken tussen studenten en faculteitsbestuur terugdraait, ook in het licht van de doelstelling om studenten juist meer invloed op hun eigen onderwijs te bieden?
Navraag heeft mij geleerd dat de voorstelling van zaken in het artikel van Mare van 28 januari 2016 niet helemaal juist lijkt te zijn.
Het college van bestuur van de universiteit Leiden heeft in het voorjaar van 2015 met de universiteitsraad afspraken gemaakt over de invulling van het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting. Deze afspraken zijn ook nagekomen. In deze afspraken was geen rol voorzien voor de decentrale medezeggenschap; dit is noch aan de kant van het college van bestuur, noch aan de kant van de universiteitsraad aan de orde geweest. In het najaar bleek dat er bij twee faculteiten discussie was ontstaan, omdat de faculteitsraden veronderstelden dat zij beschikten over het instemmingsrecht op hun facultaire begroting. Dit heeft er toe geleid dat – op verzoek van de faculteitsbesturen – het college van bestuur in een brief heeft uitgelegd dat dit niet aan de orde was, omdat dit simpelweg niet was afgesproken met de universiteitsraad. In tegenstelling tot waar het artikel in de MARE van uit lijkt te gaan, is er geen brief uitgegaan waarmee het instemmingsrecht aan de decentrale medezeggenschap is toegekend en ook geen brief waarmee dergelijke afspraken zijn teruggedraaid.
Deelt u de mening dat de wijze waarop het CvB de mogelijkheid tot invloed op hoofdlijnen van de faculteitsbegroting uitlegt, een te nauwe lezing of interpretatie is van de mogelijkheid die een universiteit en een faculteitsbestuur heeft om studenten invloed te geven?
Nee, die mening deel ik niet. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 2, waaruit volgt dat er wat mij betreft geen sprake is geweest van een onjuiste uitleg door het college van bestuur.
Het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting, zoals vastgelegd in de Wet studievoorschot hoger onderwijs (Wet van 21 januari 2015, Stb. 50), gaat uit van instemmingsrecht op instellingsniveau en geldt in principe dus voor de centrale medezeggenschapsraad. Alleen waar de besluitvorming over de hoofdlijnen van de begroting (verdeling van middelen over de in de wet genoemde beleidsterreinen) niet op instellingsniveau gebeurt maar op facultair niveau, geldt het instemmingsrecht op facultair niveau en niet op instellingsniveau. Voor een toelichting op de wijze waarop het instemmingsrecht op faculteitsniveau kan worden vormgegeven, verwijs ik u naar de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34 251, nr. 6).
Bent u bereid om hierover in gesprek te gaan met het CvB van de Universiteit Leiden om het duidelijk te maken dat deze inzet niet strookt met de wens van een Kamermeerderheid om instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting ook op faculteitsniveau mogelijk te kunnen maken?
Ook hierbij verwijs ik naar het antwoord op vraag 2. Er is geen sprake van dat de inzet van het college van bestuur niet strookt met de wens van een Kamermeerderheid. Ik merk hierbij op dat van een Kamermeerderheid voor instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting op faculteitsniveau geen sprake is aangezien het amendement op Kamerstuknummer 34 251, nr. 26 door uw Kamer is verworpen. Een gesprek tussen het college van bestuur van de universiteit Leiden en mijzelf over dit punt is dan ook niet aan de orde.
Bent u bereid om dit zo mogelijk en indien noodzakelijk ook duidelijk te maken richting andere hoger onderwijsinstellingen om te voorkomen dat zij op dezelfde beperkende wijze invulling geven aan instemmingsrecht van studenten op hoofdlijnen van de begroting?
Zoals volgt uit mijn antwoorden op de vragen 2 en 4 is er geen sprake van geweest dat het college van bestuur op beperkende wijze invulling heeft gegeven aan het instemmingsrecht van studenten op hoofdlijnen van de begroting. Het college van bestuur heeft in het onderhavige geval gehandeld overeenkomstig mijn brief van 31 maart 2015. In deze brief heb ik aan de colleges van bestuur van de instellingen voor hoger onderwijs uiteengezet op welke wijze aan het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting invulling kan worden gegeven.
Gelet hierop zie ik dan ook geen aanleiding richting andere hoger onderwijsinstellingen op het punt van invulling van het instemmingsrecht een en ander duidelijk te maken. Instellingen hebben de invulling van het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting opgepakt en de medezeggenschap heeft dit instemmingsrecht kunnen uitoefenen. Dit proces is op alle instellingen ook bijna afgerond. Ik merk hierbij op dat de wet ook voorziet in de mogelijkheid om dit proces – indien nodig – na de jaarwisseling af te handelen.
Suwinet |
|
Chantal Nijkerken-de Haan (VVD), Anoushka Schut-Welkzijn (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gemeenten beschermen privacy burgers slecht»?1
Ja
Wat vindt u van de resultaten van het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens dat de beveiliging van gevoelige persoonsgegevens van burgers bij gemeenten nog altijd niet op orde is?
Het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens laat zien dat een aantal gemeenten SUWIinet beter beveiligen en dat er nog gemeenten zijn die de beveiliging niet of onvoldoende op orde hebben. Dat is zorgelijk. Ik ben van mening dat over de privacy van burgers goed moet worden gewaakt en vind het van groot belang dat overheden zorgvuldig omgaan met de informatie van burgers die zij tot hun beschikking hebben.
Gaat u naar aanleiding van de resultaten van het genoemde onderzoek actie ondernemen richting die gemeenten die hun beveiliging niet op orde hebben? Zo ja, welke actie? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Persoonsgegevens kan naar aanleiding van het onderzoek handhavende activiteiten ondernemen en een last onder dwangsom opleggen. Dit is een eigenstandige bevoegdheid van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Ik zal geen actie ondernemen naar aanleiding van het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik heb naar aanleiding van het onderzoek dat de Inspectie SZW in september 2015 is gestart naar de beveiliging van SUWInet de 198 gemeenten die niet voldoen aan alle 7 essentiële normen een aankondiging tot een aanwijzing gestuurd.
Met de Inspectie SZW, de VNG, het UWV en de Autoriteit Persoonsgegevens voer ik regelmatig overleg over de beveiliging van SUWInet bij gemeenten.
Kunt u aangeven wat de huidige stand van zaken is betreffende het escalatieprotocol afsluiten Suwinet?
De Inspectie SZW is in september 2015 met het onderzoek naar de beveiliging van SUWInet bij alle gemeenten gestart. Inmiddels hebben de 198 gemeenten die op het moment van onderzoek door de Inspectie SZW niet aan alle 7 essentiële normen voldeden, een aankondiging tot een aanwijzing van mij ontvangen. In de aankondiging wordt aangegeven binnen welke termijn de beveiliging van SUWInet op orde moet worden gebracht. Deze termijn varieert tussen de 6 en 12 weken.
De gemeente die nalaat om binnen de door mij gestelde termijn de beveiliging van SUWInet op orde te brengen, krijgt een aanwijzing. Deze aanwijzing kan eruit bestaan dat ik gemeenten verplicht om een externe deskundige aan te stellen die de beveiliging van SUWInet op orde moet brengen. De kosten van deze externe deskundige zijn voor rekening van de gemeente. Als uiterste consequentie kan een gemeente worden afgesloten van SUWInet.
Op dit moment voldoen 192 gemeenten aan alle 7 essentiële normen. Het aantal gemeenten dat voldoet aan alle 7 essentiële normen is gestegen van 17% in 2014 tot 49% in september 2015 (de peildatum van het onderzoek van de Inspectie SZW).
Er wordt nu al jaren met de Kamer gesproken over maatregelen om deze beveiliging te verbeteren, maar dat heeft tot nu toe niets opgeleverd; wanneer gaat u in plaats van de «carrot», de «stick» hanteren en gemeenten beboeten voor het niet adequaat beveiligen van de privacy van hun burgers?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat de Belastingdienst startende ondernemers laat wachten |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Belastingdienst de toeloop van startende ondernemers niet aan kan?1
Ja.
Klopt het dat startende ondernemers lang moeten wachten op een btw-nummer? Hoeveel hinder ondervinden starters hierdoor bij het innen van rekeningen?
Ruim 90% van de startende ondernemers zijn eenmanszaken en samenwerkingsverbanden zoals vof’s (vennootschappen onder firma) die zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en direct een BTW-nummer krijgen. Deze inschrijving wordt daarna normaliter binnen vijf werkdagen schriftelijk bevestigd door de Belastingdienst. Op 19 januari jl. duurde het maximaal 15 werkdagen voordat de inschrijving bevestigd werd. Dit is op dit moment teruggelopen tot zeven werkdagen. De startende ondernemer kan het BTW-nummer dat hij van de KvK krijgt direct gebruiken en vermelden op zijn facturen.
Het resterende deel van de startende ondernemers (minder dan 10%) krijgt bij inschrijving bij de KVK niet direct een BTW-nummer omdat de Belastingdienst daar eerst extra aanvullende informatie bij moet voegen. Dit betreffen bijvoorbeeld BV’s waarvoor de Belastingdienst de oprichtingsakte nodig heeft. De verwerkingstijd voor het afgeven van een BTW-nummer voor deze ondernemers bedraagt op dit moment 12 werkdagen.
De Belastingdienst is er niet mee bekend dat starters hinder ondervinden bij het innen van rekeningen.
Klopt het dat deze piek in aanvragen zich elk jaar voordoet en zo ja, waarom zijn er dan niet eerder maatregelen getroffen om dit capaciteitsprobleem op te lossen? Welke actie wordt ondernomen om te voorkomen dat dit volgend jaar opnieuw een knelpunt vormt voor startende ondernemers?
Deze piek doet zich ieder jaar voor en ieder jaar worden maatregelen getroffen om de piek op te vangen. Dat doet de Belastingdienst door in januari extra capaciteit in te zetten op dit proces. Echter door de hogere piek dit jaar was deze extra capaciteit dit jaar niet voldoende om dit op te vangen. Daarnaast heeft er zich in januari een verstoring voorgedaan in de systemen waardoor nieuwe ondernemers enkele dagen niet geregistreerd konden worden en was er aan het einde van vorig jaar al een kleine achterstand. Inmiddels zijn maatregelen getroffen om de achterstand weg te werken.
MKB-Nederland geeft aan te rekenen op enige coulance van de Belastingdienst in nijpende situaties die kunnen ontstaan door de vertraging; kunt u bevestigen dat startende ondernemers inderdaad op enige coulance kunnen rekenen indien dat nodig is?
De verwachting is dat startende ondernemers geen nadeel zullen ondervinden van de vertraging. Zie ook het antwoord bij vraag 2. Daarnaast bestaat er voldoende tijd om tijdig aangifte te doen en een eventuele BTW-teruggave te claimen.
Een startende ondernemer kan via de Belastingtelefoon (onderbouwd) verzoeken om spoed voor het afgeven of bevestigen van een BTW-nummer. Dit is ook al gebeurd. Overigens zijn er tot op heden geen klachten binnengekomen bij de Belastingdienst over de vertraging.
Treden er meer knelpunten op bij de Belastingdienst doordat het aantal inschrijvingen van startende ondernemers hoger ligt dan waar de Belastingdienst op was ingesteld?
Er zijn op dit moment geen andere knelpunten bij de Belastingdienst door het verhoogde aantal inschrijvingen van startende ondernemers.
Kentekenregistratie (in Kampen en Zwolle) om fietsgebruik te bevorderen |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kentekenregistratie om fietsgebruik in Kampen en Zwolle te bevorderen»?1
Ja.
Is voorafgaand aan de start van de kentekenregistratie een privacy impact analyse gedaan? Zo ja, is deze gedeeld met de Autoriteit Persoonsgegevens en bent u bereid deze ook met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Een PIA (Privacy Impact Assessment) is alleen voor de rijksoverheid verplicht als het gaat om ontwikkeling van nieuwe wetgeving en beleid waarmee de bouw van nieuwe ICT-systemen of de aanleg van grote databestanden wordt voorzien. Daarvan is hier geen sprake. Het gaat hier om een project dat is uitgevoerd door de regionale overheid. Een PIA is niet door de Provincie Overijssel doorlopen en kan derhalve ook niet gedeeld worden.
Is automobilisten de gelegenheid geboden zich vooraf af te melden voor de registratie?
Wegbeheerders kunnen, voor zover dat noodzakelijk is voor de goede vervulling
van hun publieke taak, kentekenregistraties laten plaatsvinden op voorwaarde dat voldaan wordt aan de eisen die vastgelegd zijn in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp, artikel 8, aanhef en onder e).
Het is voor automobilisten niet mogelijk om zich af te melden voor deze kentekenregistraties, zowel niet vooraf als achteraf. Een kentekenhouder kan zich alleen afmelden voor het schriftelijk benaderen door de projectorganisatie. Een automobilist die bezwaar heeft en niet wil meedoen kan in het Nationaal Postregister aangeven niet meer benaderd te willen worden. Daarmee kunnen burgers hun adresgegevens laten blokkeren voor ongevraagde geadresseerde reclamepost. Zij zullen dan niet meer benaderd worden voor deelname.
Ligt het in de lijn der verwachting dat kentekenregistratie om fietsgebruik te bevorderen ook in andere gemeenten wordt geïntroduceerd? Zo ja, over welke gemeenten gaat dit en binnen welk tijdsbestek acht u het waarschijnlijk dat de registratie operationeel wordt?
De komende twee jaar worden er, als onderdeel van het programma Beter Benutten, door regionale overheden meerdere projecten uitgevoerd gericht op het stimuleren van fietsgebruik. Deze projecten voldoen aan de voorwaarden van de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Om de privacy conform de wet te borgen is door mijn ministerie samen met experts de privacy referentie architectuur ontwikkeld die bij deze projecten wordt toegepast.
De verwachting is dat bij enkele van deze fietsstimuleringsprojecten kentekenregistraties ten behoeve van werving en nulmeting worden uitgevoerd. Dit geldt in ieder geval voor het fietsstimuleringsproject van de gemeente Breda. Het is op dit moment nog niet met zekerheid te zeggen voor welke andere projecten dit ook zal gelden, omdat deze projecten nog opgezet en aanbesteed dienen te worden. Het is verder aan de aanbestedende partij en/of de inschrijvende marktpartijen om de keuze te maken of gebruik wordt gemaakt van kentekenregistraties of van andere methoden voor het registreren en werven van deelnemers.
Het niet zorgvuldig omgaan met het medisch beroepsgeheim door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) |
|
Grace Tanamal (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «UWV rommelt nog steeds met medisch beroepsgeheim»? 1
Ja.
Herkent u zich in het beeld dat UWV-medewerkers, die hiertoe niet bevoegd zijn, nog altijd vragen naar medische informatie en deze ook verwerken?
Ik vind het van groot belang dat UWV handelt in overeenstemming met de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp). Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer op 16 maart 2016 laten weten dat er informatie wordt verwacht van het UWV over de opvattingen van de Autoriteit Persoonsgegevens over het verwerken van gegevens door medewerkers verzuimbeheersing van het UWV. Op 23 oktober 2017 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens de definitieve bevindingen van het onderzoeksrapport over het verzamelen van gegevens betreffende iemands gezondheid door medewerkers verzuimbeheersing aan het UWV doen toekomen. Bij het onderzoek naar de verzameling van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid door medewerkers verzuimbeheersing van het UWV heeft de Autoriteit Persoonsgegevens overtreding van artikel 16 Wbp geconstateerd. UWV heeft mij laten weten dat het een nieuw model voor het Ziektewet arboproces gaat implementeren. Met dit nieuwe model zal de medewerker verzuimbeheersing gaan werken onder de verantwoordelijkheid van de verzekeringsarts. Dit model is in overeenstemming met de Wbp. Aan het UWV heb ik gevraagd om het nieuwe model op een zo kort mogelijk termijn in te voeren. UWV heeft aangegeven dat invoering is voorzien per 1 januari 2019. Dit is de termijn die noodzakelijk is om de invoering zorgvuldig, uitvoerbaar en rechtmatig te laten verlopen. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer eerder laten weten dat UWV heeft aangegeven dat er geen sprake van is geweest dat medische dossiers toegankelijk zijn voor anderen dan zij die daartoe uit hoofde van hun functie toegang toe hebben2.
Herkent u zich in het beeld dat vertrouwelijke medische gegevens nog altijd gemakkelijk zijn in te zien door UWV-medewerkers die hiertoe niet bevoegd zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich eerdere vragen over de privacyschending door medewerkers van het UWV?2
Ja, deze vragen zijn mij bekend. Mijn ambtsvoorganger heeft aan het UWV gevraagd om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen om hun opvatting in deze. Dit heeft het UWV op 5 april 2016 gedaan. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid door de medewerker verzuimbeheersing. Op 23 oktober 2017 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens het UWV laten weten dat het handelt met de verbodsbepaling van artikel 16 Wbp. Het UWV is in de periode dat de Autoriteit Persoonsgegevens het onderzoek heeft uitgevoerd, gestart met twee pilots om het Ziektewet arboproces te herzien. De Autoriteit Persoonsgegevens is gedurende de looptijd van het onderzoek meegenomen in de uitvoering en uitkomsten van de pilots.
Heeft u, zoals toegezegd tijdens de beantwoording van die vragen, opheldering gevraagd aan het UWV over het schenden van de privacywetgeving door medewerkers van het UWV? Zo ja, wat zijn hiervan de uitkomsten? Zo nee, wanneer gaat u dit alsnog doen?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn alle maatregelen die het UWV in 2013 zou implementeren om privacyschendingen te voorkomen, en aan de Kamer zijn toegezegd, ook daadwerkelijk doorgevoerd? Zo nee, kunt u toelichten waarom en welke maatregelen niet zijn ingevoerd?
In antwoord op de Kamervragen (TK 2013–2014, nr. 648) heeft mijn ambtsvoorganger u laten weten dat UWV, naar aanleiding van het onderzoek van professor Gevers, verbetermaatregelen heeft getroffen en geïmplementeerd. Naar aanleiding van het vragenuur van 28 oktober 2014 heeft mijn voorganger laten weten dat hij aan het UWV zal vragen of het zich houdt aan de gemaakte afspraken en de wet. Navraag bij het UWV leerde dat bij de implementatie van de verbetermaatregelen de verwerking van gezondheidsgegevens door medewerkers verzuimbeheersing verder is ingeperkt. Om de verzuimduur te kunnen inschatten en voor de vervolgacties in het werkproces registreren zij nog een beperkt aantal gegevens van medische aard:
Het UWV was van mening dat het met deze beperkte ja/nee registratie voldeed aan de Wbp. Het beperkt registreren van gegevens door een functionaris die niet werkzaam is onder taakdelegatie van een verzekeringsarts is niet overeenkomstig het advies van professor Gevers. Professor Gevers adviseerde om de werkzaamheden van de medewerker verzuimbeheersing onder verantwoordelijkheid van een verzekeringsarts te brengen. Naar aanleiding van de Kamervragen van het lid Tanamal heeft mijn voorganger aan het UWV gevraagd om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen of deze handelwijze is toegestaan. Parallel aan dit traject was het UWV al gestart om in twee pilots te onderzoeken hoe het Ziektewet arboproces verder verbeterd kon worden. De Autoriteit Persoonsgegevens is door het UWV geïnformeerd over het verloop van de pilots en de uitkomsten daarvan. Naar aanleiding van de conclusie van de Autoriteit Persoonsgegevens naar de verwerking van gegevens betreffende iemands gezondheid door de medewerker verzuimbeheersing zal het UWV het Ziektewet arboproces aanpassen en een nieuw model implementeren. Dit is voorzien per 1 januari 2019. Dit nieuwe model zal de verwerking van gegevens betreffende iemands gezondheid door medewerkers verzuimbeheersing onder verantwoordelijkheid van een verzekeringsarts brengen.
Vindt u dat de privacy van burgers bij het UWV momenteel voldoende gewaarborgd is? Zo ja, kunt u toelichten waarom u dit vindt? Zo nee, kunt u aangeven hoe de privacy van burgers beter gewaarborgd kan worden?
Zie antwoord vraag 6.
De benoeming van de voorzitter van Raad van Toezicht van de NPO |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Poolse toestanden bij de NPO»?1 Wat vindt u van de kritiek van professor N. van Eijk, hoogleraar media- en telecommunicatierecht aan de Universiteit van Amsterdam?
Ja, ik ben bekend met het bericht. Ik ben het met de heer Van Eijk eens dat de benoemingen bij de publieke omroep transparant moeten zijn en geen onderwerp van politieke willekeur. Nederland voldoet aan Europese maatstaven, zoals neergelegd in aanbevelingen van de Raad van Europa.2 Ik herken mij derhalve niet in de kop van het opiniestuk van de heer Van Eijck.
Niettemin zijn in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst in zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer vragen gesteld over de rol van de overheid bij benoemingen.3 De Tweede Kamer heeft met de motie Mohandis/Segers verzocht om te komen met voorstellen om de bestuurders van de NPO niet meer te laten benoemen door de Minister, maar direct en alleen door de Raad van Toezicht.4 Daarnaast zijn diverse fracties in de Eerste Kamer van mening dat de sterkere sturing door de raad van bestuur van de NPO gepaard moet gaan met een grotere afstand van de overheid tot benoemingen bij de publieke omroep. Daar ben ik het mee eens. Ik heb daarom onder meer toegezegd de instemming van de Minister bij benoemingen van de raad van bestuur van de NPO en de RPO te zullen schrappen en een serieuze verkenning te doen naar de procedures voor benoemingen in de gehele publieke mediasector.5 Ik ga op korte termijn verkennen hoe de rol van de Minister daarin kan worden beperkt. Hierbij worden de benoemingsprocedures tegen het licht gehouden van de raden van toezicht van de NPO, de RPO en van de andere publieke mediaorganisaties (de NOS, NTR, Ster, het Commissariaat voor de Media en het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek). Bij het wijzigen van de rol van de Minister bij de benoemingsprocedures van de raad van toezicht van de NPO moet rekening worden gehouden met de stelselverantwoordelijkheid van de Minister voor de NPO als zelfstandig bestuursorgaan. Het uitgangspunt bij deze wijziging is een open en transparante procedure, zonder directe benoeming van de leden van de raad van toezicht door de Minister.
Verder merk ik op dat bij alle kandidaten voor de raad van toezicht NPO is gekeken naar huidige en vroegere politieke activiteiten en nevenactiviteiten. Beoordeeld is of en in welke mate die belemmerend zouden kunnen zijn voor het onafhankelijk functioneren als toezichthouder bij de publieke omroep. De leden zullen geen politieke activiteiten (meer) verrichten die niet te verenigen zijn met het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NPO.
Is bij de benoeming van de nieuwe voorzitter van de Raad van Toezicht van de NPO rekening gehouden met zijn nevenfunctie als voorzitter van de Raad van Bestuur van de UWV?2
Ja, bij de selectie door het wervingsbureau en de benoemingsadviescommissie is nadrukkelijk gekeken naar de functie van de heer Bruins als voorzitter van de raad van bestuur van het UWV. Er is door de benoemingsadviescommissie ook met de heer Bruins over gesproken. Daarbij is gekeken naar mogelijke wettelijke incompatibiliteiten. Ook is beoordeeld of zijn positie als voorzitter van het UWV gevolgen kan hebben voor het functioneren van de heer Bruins als voorzitter van de raad van toezicht NPO en omgekeerd. Geconstateerd is, ook aan de kant van het UWV, dat dit niet zo is.
Op welke wijze is deze nevenfunctie in lijn met artikel 2.6 lid f van de Mediawet, waarin staat dat lidmaatschap van de Raad van Toezicht onverenigbaar is met een dienstbetrekking bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een Minister?
Zoals ik eerder ook al in het debat met de Eerste Kamer heb aangegeven, valt een functie bij een zelfstandig bestuursorgaan niet onder de onverenigbaarheid die in de vraag geciteerd wordt. Artikel 2.6, eerste lid, onderdeel f, van de Mediawet 2008 kent een gebruikelijke en vergelijkbare formulering als in andere wetten. Belangrijkste voorbeeld daarbij is de Wet incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement (artikel 1, tweede lid, onderdeel d). Uit die wet volgt dat alleen sprake is van een onder de verantwoordelijkheid van een Minister werkzame instelling, dienst of bedrijf, indien:
Zelfstandige bestuursorganen vallen hier niet onder, hetgeen uitdrukkelijk in de wetsgeschiedenis is opgemerkt:
«Niet tot instellingen, diensten en bedrijven in eerder vermelde zin worden die instanties gerekend, die hun taken niet in hiërarchische ondergeschiktheid aan een Minister vervullen: de organen van functioneel bestuur. Bij deze organen kan worden onderscheiden tussen de in de Grondwet geregelde vormen van functioneel bestuur (waterschappen, openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen) en de zgn. «zelfstandige bestuursorganen». Deze oefenen hun taak uit zonder dat er sprake is van een hiërarchische ondergeschiktheid aan een Minister.»7 Dit wordt bevestigd door het feit dat bijvoorbeeld bij het Commissariaat voor de Media in artikel 7.4 van de Mediawet 2008, waar een identieke regeling is opgenomen, de NPO apart is uitgezonderd. Dat ware niet nodig geweest als de NPO, immers ook een zelfstandig bestuursorgaan, al onder de algemene omschrijving «vallende onder de verantwoordelijkheid van een Minister» zou vallen. Hetzelfde geldt bij de regeling voor het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek in artikel 8.5 van de Mediawet 2008.
Verder is het zo dat bij bestuursleden van zelfstandige bestuursorganen geen sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Mediawet 2008. Zo valt het personeel van zelfstandige bestuursorganen onder dezelfde bezoldiging- en rechtspositieregels als ambtenaren bij ministeries (artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen), terwijl voor leden van een zelfstandig bestuursorgaan een zelfstandige bezoldiging en rechtspositie wordt vastgesteld (artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen).
Tot slot merk ik op dat tot 1 januari 2016 een voormalig lid van de raad van toezicht van de NPO tevens bijzonder lid van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid was. De Onderzoeksraad is een zelfstandig bestuursorgaan dat valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. Dit bevestigt dat het lidmaatschap van een zelfstandig bestuursorgaan te verenigen is met het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NPO.
Bent u van mening dat de benoeming van de nieuwe voorzitter van de raad van toezicht van de NPO in overeenstemming is met de herziene Mediawet zoals deze nu in de Eerste Kamer ligt, en met de profielschets? Zo ja, waarom? Zo nee, wat zijn hiervan de consequenties?
Ja. De benoeming van de nieuwe voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht heeft plaatsgevonden onder de huidige Mediawet, maar daarbij is toepassing gegeven aan de procedure die in het wetsvoorstel dat nu in de Eerste Kamer ligt wettelijk wordt vastgelegd. Er is een profielschets opgesteld waarin de deskundigheden en competenties van de raad van toezicht als geheel en van individuele leden zijn beschreven. Die profielschets is gepubliceerd. De benoemingsadviescommissie heeft kandidaten voorgedragen die niet alleen voldoen aan de profielschets van de individuele leden, maar die ook gezamenlijk voldoen aan de profielschets voor de raad van toezicht als geheel. Ik heb de voordracht van de benoemingsadviescommissie in zijn geheel overgenomen.
Het bericht dat er sprake is van belangenverstrengeling bij het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten over de vermeende belangenverstrengeling bij Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)?1
Ja.
Is het waar dat de voormalige directeur van ECN naast zijn fulltime baan bij het energieonderzoekscentrum, in 2008 vier windmolens heeft gekocht en geëxploiteerd? Wat vindt u van het feit dat het management van ECN hierover geïnformeerd bleek en geen conflicterende belangen zag? Is hierbij naar uw mening sprake van belangenverstrengeling? Zo nee, waarom niet?
Voor het project Burgervlotbrug, waaraan de Volkskrant refereert, is in 2006 een subsidie aangevraagd in het kader van de MEP-regeling. De subsidiebeschikking voor de exploitatie van vier windmolens is in 2007 afgegeven aan de toenmalige eigenaar en had een looptijd van 2006–2016. Op 8 september 2008 heeft de toenmalige eigenaar verzocht de subsidiebeschikking over te dragen aan Burgerwind C.V. vanwege de verkoop van de windmolens. Burgerwind B.V. was de beherend vennoot van Burgerwind C.V. en had als aandeelhouder de heer Stam. Toen de heer Stam de windmolens in 2008 overnam, was de subsidiebeschikking dus al afgegeven. Het windpark is na de overdracht van de subsidie gebouwd en in gebruik genomen op 15 juni 2009 door Burgerwind C.V. In mei 2014 is de subsidiebeschikking door verkoop van de windmolens weer overgegaan op een derde eigenaar.
ECN speelt een belangrijke rol in Nederland op het gebied van energieonderzoek en is een belangrijke adviseur van de rijksoverheid. Ik benadruk dat bij ECN geen sprake mag zijn – of de schijn mag worden gewekt – van belangenverstrengeling of kwesties die afbreuk doen aan de integriteit. Dit raakt immers de status van ECN als onafhankelijk instituut.
De heer Stam was geen directeur van de Stichting ECN maar namens ECN gedetacheerd als directeur ECN Wind Energy Facilities B.V., een deelneming van de Stichting ECN die de testlocatie Wieringermeer beheert. ECN Wind Energy Facilities B.V. doet hoogwaardig technisch onderzoek dat nodig is voor de certificering van windturbines. De heer Stam droeg als directeur van deze ECN-deelneming geen verantwoordelijkheid voor beleidsadvisering en -onderzoek. Dit is ondergebracht bij ECN Beleidsstudies, een apart onderdeel van de Stichting ECN.
Uit navraag bij ECN blijkt dat de nevenwerkzaamheden van de heer Stam in januari 2009 zijn getoetst door ECN. Het toenmalige management van ECN zag hierin geen conflicterende belangen. Met de feiten die ECN nu tot zijn beschikking heeft, handhaaft het deze conclusie en stelt het dat de heer Stam geen voorkennis heeft gehad die hij heeft gebruikt voor persoonlijke financieel gewin ten behoeve van de privéexploitatie van windmolens. Ik heb geen informatie waaruit blijkt dat het tegendeel waar is. ECN constateert wel dat de schijn van belangenverstrengeling is ontstaan en dat dit onwenselijk is. Het komt voor dat ECN Beleidsstudies ook experts van de technische units raadpleegt om technische kennis te leveren ter onderbouwing van hun rapporten. Zo heeft ook de heer Stam een bijdrage geleverd aan minimaal twee rapporten, waarbij hij inbreng heeft geleverd over technische aspecten van de berekening van vollasturen en energieproductie. Dit was in 2003 en in 2006 en had geen relatie met de activiteiten die de heer Stam ondernam bij Burgerwind. Gezien het feit dat binnen ECN technische units en beleidsadvies met elkaar samenwerken is het op zijn minst noodzakelijk dat een helder toetsingskader wordt gehanteerd om de suggestie weg te nemen dat sprake kan zijn van belangenverstrengeling.
ECN is tot de conclusie gekomen dat het toetsingskader, en het proces ter borging daarvan, aanscherping behoeft. Nevenwerkzaamheden worden nu vastgelegd bij indiensttreding en daarna niet up-to-date gehouden. In het toetsingskader wordt verder geen rekening gehouden met de mogelijke schijn van belangenverstrengeling, ook wanneer er aantoonbaar geen sprake is van belangenverstrengeling. ECN heeft besloten het toetsingskader aan te scherpen en een onafhankelijk advies te vragen over de vereisten waaraan dit toetsingskader moet voldoen en hoe zij dit het best kunnen borgen.
Ik zal er in samenspraak met de Raad van Toezicht van ECN op toezien dat dit proces gedegen en onafhankelijk plaatsvindt en voor de zomer is afgerond. Ik heb ECN gevraagd om de uitkomst van dit proces met mij te delen, waarna ik zal oordelen of ik – op basis van de rol die ECN voor mijn ministerie vervult – het aangescherpte toetsingskader acceptabel vind. Los hiervan ben ik bezig met een onderzoek naar de toekomst van ECN, waarover ik uw Kamer per brief van 4 december 2015 heb geïnformeerd. Onderdeel van dit onderzoek is onder meer de huidige positionering van ECN Beleidsstudies.
Was u op de hoogte van het feit dat een adviseur van het ministerie, namens ECN betrokken bij onder meer de plaatsing en subsidiëring van windmolens, privé actief was in de sector waarin hij ook werkte? Is u om toestemming gevraagd?
Nee, ik ben hier niet van op de hoogte gesteld door ECN tot nadat het artikel in de Volkskrant op 23 januari jl. is gepubliceerd. Het is geen onderdeel van mijn beleid dat ECN nevenwerkzaamheden van medewerkers aan mij meldt. Het kabinet heeft kaders gesteld voor financieel beheer bij instellingen met een publiek belang. Het toezicht op nevenwerkzaamheden maakt geen onderdeel uit van dit normenkader. Dit toezicht is geregeld via de CAO van ECN.
Waren en zijn er naast de genoemde directeur verantwoordelijk voor Wind Energy Facilities BV van ECN, nog andere winddeskundigen die de overheid adviseren en tegelijkertijd privé activiteiten binnen de windsector ontplooien? Op welke wijze en was u daar van op de hoogte? Wanneer bijt dit elkaar en wanneer niet volgens u?
Uit navraag bij ECN is gebleken dat twee medewerkers, naast hun werkzaamheden voor ECN, actief zijn (geweest) in een coöperatie die windmolens exploiteert. Hiervan is één medewerker nog steeds werkzaam bij ECN. De coöperatie heeft volgens de informatie die bekend is bij ECN enkele tientallen leden en de uitgekeerde bedragen zijn gering. Deze activiteiten zijn gemeld aan het management van ECN en akkoord bevonden. ECN heeft een nieuwe uitvraag naar nevenwerkzaamheden onder zijn medewerkers gedaan om de registratie up-to-date te brengen. Na deze uitvraag zullen alle nevenwerkzaamheden van medewerkers worden getoetst aan het nieuwe toetsingskader, dat ECN op gaat stellen.
ECN moedigt medewerkers aan om zelf bij te dragen aan de verwezenlijking van de missie die het instituut heeft, door bij te dragen aan de transitie naar een meer duurzame samenleving, bijvoorbeeld door deelname in energiecoöperaties. Zolang er geen sprake is van belangenverstrengeling, staat het werknemers in de (semi)publieke sector vrij om activiteiten op het gebied van duurzame energie te ontplooien en daarmee – binnen de gestelde voorwaarden – gebruik te maken van het aangeboden instrumentarium vanuit de rijksoverheid. Afhankelijk van de aard en het type van de organisatie dient daarbij een helder integriteitsbeleid te bestaan en in acht te worden genomen om zowel belangenverstrengeling en de schijn daarvan te voorkomen.
Wat vindt u van het feit dat (ook) een aantal accountants en adviseurs, gespecialiseerd in windenergie en adviseur van de overheid op dit terrein, heimelijk via een speciaal daartoe opgericht genootschap investeerden in het windpark van de ECN directeur? Is hierbij sprake van ongewenste kartelvorming? Is hierbij sprake geweest van handelen met voorkennis?
Het kantoor WEA Accountants, waar in het artikel in de Volkskrant aan gerefereerd wordt, is volgens mijn informatie betrokken geweest als adviseur, accountant en intermediair bij Burgerwind C.V. Verder heeft dit kantoor een adviserende rol gespeeld richting ECN Wind Energy Facilities B.V. Volgens ECN bestaat er geen relatie tussen het kantoor WEA en de Stichting ECN, waar ECN Beleidsstudies deel van uitmaakt. Op basis van deze informatie kan ik niet opmaken dat sprake is van kartelvorming en handel met voorkennis. Mocht hier aanleiding toe bestaan, dan is het aan de Autoriteit Financiële Markten en de Autoriteit Consument en Markt om hier verdere uitspraken over te doen.
Wat vindt u van het feit dat bij ECN, al enige jaren verlieslijdend en voor een groot deel draaiend op overheidssubsidie, drie directieleden fors meer verdienden dan volgens de Wet normering topinkomens is toegestaan? Vindt u het op zijn plaats, dat daarnaast ook nog eens wordt bijgebeund door een directielid?
ECN is een semipubliek instituut dat valt onder de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). De leden van de directie van ECN moeten voldoen aan de norm die in deze wet is gesteld. De wet voorziet echter ook in overgangsregelingen om inkomens die bij invoering van de wetgeving boven de norm liggen af te bouwen. Met ECN zijn afspraken gemaakt om de beloning van de drie directieleden die boven de norm verdienen af te bouwen en deze afspraken vallen binnen de kaders van de wet. De heer Stam is niet één van deze drie directeuren. Naast de drie directieleden, waarvoor een overgangsregeling van kracht is, voldoen alle werknemers aan de WNT.
Deelt u de mening dat deze vorm van subsidiemisbruik niet bevorderlijk is voor het draagvlak van windenergie en voor de noodzakelijke overgang naar een duurzame maatschappij in zijn algemeenheid?
Uiteraard deel ik uw mening dat iedere vorm van subsidiemisbruik het draagvlak ondermijnt van de doelen die de betreffende subsidie nastreeft. In het ontwerp, de uitvoering en de handhaving van subsidieregelingen wordt daarom getracht subsidiemisbruik te voorkomen dan wel op te sporen. In het geval van de subsidie aan Burgerwind is geen subsidiemisbruik geconstateerd.
Denkt u dat mensen met een kleine portemonnee de komende jaren vol enthousiasme hun Opslag Duurzame Energie op de energierekening willen betalen, in de wetenschap dat dit geld zoals nu blijkt, ten goede komt aan royaal verdienende directeuren die de overheid zelf adviseren over de opzet van het betreffende subsidieprogramma?
Ik deel de stellingname over de besteding van de Opslag Duurzame Energie (ODE) niet. De ODE wordt sinds 1 januari 2013 door burgers en bedrijven betaald. In de wet ODE is vastgelegd dat de heffing is ingevoerd om het stimuleren van de productie van duurzame energie te financieren. Zo worden de ODE-middelen gebruikt om de uitgaven aan de Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+), de Investeringssubsidie Duurzame Energieproductie (ISDE) en de Hernieuwbare Energieregeling te bekostigen. Deze subsidieregelingen zijn dusdanig ingericht dat deze bijdragen aan een kosteneffectieve besteding van de ODE. Op deze manier worden de kosten voor burgers en bedrijven beperkt. De opbrengst uit de Opslag Duurzame Energie komt niet ten goede aan directeuren van ECN.
Bent u bereid een gedragscode op te stellen waardoor bedrijven/onderzoekscentra en (semi)-overheidsinstellingen extra getoetst en bevraagd worden op de wijze waarop personeelsleden hun kennis, kunde en tijd aanwenden voor privé activiteiten binnen de sector waarin zij werkzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat momenteel geen gedragscode integriteit vanuit de rijksoverheid en mijn ministerie die direct van toepassing is op ECN. Bij de rijksoverheid is wel sprake van een geldende gedragscode integriteit voor eigen medewerkers. Ik vraag de Raad van Toezicht van ECN deze gedragscode te betrekken bij de aanscherping van het toetsingskader en zal dit ook betrekken bij mijn beoordeling van het toetsingskader zoals ik deze heb omschreven in het antwoord op vraag 2. Ik acht het op dit moment niet opportuun om een nieuwe gedragscode op te stellen. De verantwoordelijkheid om de integriteit te waarborgen ligt bij de Raad van Toezicht en directie van ECN.
Hoeveel conflicten rond de plaatsing van windmolens/windparken op land hebben zich in 2015 voorgedaan en wat was hierbij de oorzaak?
Dit is niet in zijn algemeenheid te beantwoorden. Bij grote ruimtelijke projecten zoals windparken is vrijwel altijd sprake van conflicterende belangen en voor- en tegenstanders. Het bevoegd gezag heeft de taak om al deze belangen goed en zorgvuldig af te wegen.
Hoeveel succesvolle plaatsingen van windmolens/windparken op land zijn er geweest in 2015 en wat was hierbij de oorzaak?
Er zijn in 2015 110 windturbines geplaatst met een vermogen van circa 400 MW.
Bent u bereid de verdere uitbreiding van windmolens/windparken op land tijdelijk te bevriezen, om vervolgens een meer door de bevolking gedragen invulling van duurzame energieopwekking verder te gaan? Past dit in uw voornemen in het Energierapport2 om de bevolking vaker te raadplegen?
Nee, ik kan en wil de realisatie van windenergie op land niet bevriezen. Het kabinet zet zich in om de doelstellingen uit het Energieakkoord te realiseren en hiertoe behoort ook de realisatie van de beoogde 6000 MW windenergie op land in 2020, waarvan momenteel ruim 3000 MW is gerealiseerd. In mijn visie op omgevingsmanagement, die ik op 1 februari jl. aan uw Kamer heb gestuurd, geef ik aan hoe ik omwonenden eerder en beter wil betrekken bij projecten. Het bevriezen van projecten van hogerhand is bovendien niet mogelijk. Gemeenten en provincies zijn bevoegd gezag voor alle windprojecten kleiner dan 100 MW en zij beslissen over het al dan niet doorgaan van die projecten. Ik zie overigens overal in het land steeds meer lokaal gedragen initiatieven voor windprojecten. Deze ontwikkeling is dus geen toekomstmuziek, maar al volop aan de gang.
Het bericht dat door redders wordt toegekeken bij het verdrinken van vluchtelingen uit angst voor vervolging |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Redders moeten toekijken hoe 31 vluchtelingen verdrinken in de Egeïsche Zee»?1
Ja.
Is het vervolgen van personen die op vrijwillige basis vluchtelingen in nood redden in Turkse wateren onderdeel van beleid of afspraken die binnen de Europese Unie (EU) dan wel door de EU met Turkije zijn gemaakt? Zo nee, hoe beoordeelt u het feit dat dit toch in Griekenland gebeurt?
Er zijn geen afspraken gemaakt binnen de EU of met Turkije over het vervolgen van personen die op vrijwillige basis vluchtelingen in nood redden in Turkse wateren. Griekenland is in het verleden opgetreden tegen vrijwilligers die zonder toestemming van de Griekse kustwacht vluchtelingen in Turkse wateren assisteerden bij hun tocht naar de Griekse kust. In januari jl. zijn vrijwilligers, verbonden aan een Deense NGO, om die reden op Lesbos gearresteerd op verdenking van mensensmokkel. Zij zijn inmiddels wegens mensensmokkel veroordeeld tot het betalen van een boete en zijn vrijgelaten. Hulp van vrijwilligers bij de bestrijding van mensensmokkel wordt erg gewaardeerd, maar samenwerking met de autoriteiten is daarbij wel van belang.
Bent u bereid met klem en urgentie bij uw Europese collega’s aan te dringen op het onmiddellijk staken van vervolgingen van mensen die zich op vrijwillige basis inspannen om vluchtelingen in nood op zee te redden? Zo nee, waarom niet?
De huidige Europese wetgeving die strafbaarstelling van mensensmokkel reguleert bevat een uitzonderingsclausule voor personen die humanitaire bijstand verlenen aan vluchtelingen. Mensen die uit humanitaire overwegingen proberen vluchtelingen te redden van de verdrinkingsdood worden niet vervolgd als zij als zodanig bekend zijn bij en meewerken met de autoriteiten ter plaatse.
Is de regering bereid om haar positie als voorzitter van de Europese Raad aan te wenden om alle diplomatieke en juridische obstakels te verhelpen die zowel Frontex als vrijwilligers ondervinden bij het redden van vluchtelingen op zee? Zo nee, waarom niet?
Het is zaak dat zowel Frontex als andere organisaties hun reddingswerk goed kunnen uitoefenen. Het werk van vrijwilligers kan binnen het huidig wettelijk kader worden uitgevoerd. De internationale verplichtingen ten aanzien van reddingsoperaties op zee zijn ook tijdens Frontex operaties van toepassing. Bij noodsituaties kunnen schepen en vliegtuigen die ingezet worden in Frontex operaties, op verzoek van verantwoordelijke autoriteiten, deelnemen aan reddingsoperaties. Zo wordt momenteel in het kader van belangrijke Frontex operaties in Griekenland en Italië jaarlijks vele duizenden mensen op zee gered.
Is bij de regering bekend welke inspanningen door Turkije worden verricht om vluchtelingen die in nood verkeren binnen zijn territoriale wateren te redden? Zo nee, is de regering bereid hierover inlichtingen te vragen aan de Turkse regering? Zo ja, acht u de Turkse inspanningen voldoende?
Op de Turkse wateren vinden verschillende reddingsoperaties plaats. De Turkse kustwacht meldt dat zij in 2015 59.377 migranten heeft gered. Onderdeel van het EU Turkije actieplan is het tegengaan van illegale migratie uit Turkije naar Europa. In dat kader werkt de EU ook aan het verder versterken van de capaciteit van de Turkse kustwacht.
Dreigende hongersnood in Zuidelijk Afrika als gevolg van El Niño en het tekort aan klimaatfinanciering |
|
Joël Voordewind (CU), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de waarschuwing van het Wereldvoedselprogramma dat honger dreigt voor 14 miljoen mensen in Zuidelijk Afrika, als gevolg van de droogte die veroorzaakt wordt door El Niño?1 Wat is uw reactie op deze waarschuwing?
Het kabinet volgt de situatie rond El Niño nauwlettend en is zich bewust van de effecten van El Niño in Zuidelijk Afrika, Midden-Amerika, de Hoorn van Afrika, de Sahel, Azië en de eilanden in de Stille Oceaan. Zo heb ik tijdens mijn recente bezoek aan Malawi en Ethiopië hier met de overheid, VN-organisaties en NGO’s over gesproken. In november 2015 heeft het kabinet EUR 13,6 miljoen beschikbaar gesteld om de voedselzekerheid in Ethiopië te verbeteren. In februari 2016 heeft het kabinet besloten een extra bijdrage te geven van EUR 4 miljoen aan het Wereldvoedselprogramma (WFP) en EUR 4 miljoen aan de Wereld Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) om de effecten van El Niño in zwaar getroffen landen in de Hoorn van Afrika en Zuidelijk Afrika te temperen. De steun aan deze organisaties is bedoeld om zowel bij te dragen aan de verbetering van de acute noodsituatie met betrekking tot voedsel en water als aan het versterken van de weerbaarheid van de getroffen bevolking.
Daarnaast kunnen VN-organisaties, zoals WFP, de vrijwillige ongeoormerkte bijdragen die zij van Nederland ontvangen, gebruiken om te reageren op de effecten van El Niño. Dit zelfde geldt voor de bijdrage die Nederland geeft aan het Central Emergency Response Fund (CERF). Het CERF heeft tot nu toe in totaal USD 63,6 beschikbaar gesteld voor wereldwijde El Niño activiteiten. Zo heeft de FAO recentelijk een bijdrage van EUR 5.3 miljoen ontvangen uit het CERF voor het mitigeren van de effecten van El Niño in landen als Malawi, Ethiopië en Zimbabwe.
De EU heeft in december 2.015 EUR 125 miljoen bijgedragen in reactie op de gevolgen van El Niño wereldwijd. In februari 2016 heeft de EU additioneel EUR 170 miljoen toegekend voor het opvangen van de negatieve effecten van El Niño in Ethiopië.
Kent u de rapporten van Oxfam Novib «El Niño: the case for urgent action»2 en «Entering uncharted waters: El Niño and the threat to food security»?3 Wat is uw reactie op deze rapporten, die constateren dat financiering ontbreekt om mensen preventief voor te bereiden op droogtes die worden veroorzaakt door El Niño?
Ja. Het kabinet deelt de constatering dat, naast noodhulp, het verhogen van weerbaarheid van de mensen die het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen van rampen zoals El Niño, cruciaal is. Overheden spelen een belangrijke rol in het voorkomen of mitigeren van de risico’s op rampen en het vergroten van de zelfredzaamheid. Nederland draagt hier aan bij, zowel in de vorm van noodhulp als in de vorm van het structureel versterken van weerbaarheid. Zo financiert Nederland het verbeteren van drinkwatervoorzieningen (via UNICEF), het ontwikkelen van landbouwsystemen die opgewassen zijn tegen klimaatveranderingen (via het klimaatadaptatieprogramma van het International Fund for Agricultural Development-IFAD), het uitvoeren van klimaatonderzoek van de Consultative -Group for International Agricultural Research (CGIAR) en het programma van het World Agroforestry Centre (ICRAF) voor landbouw en waterbeheer in droge gebieden (DryDev).
Bent u het eens met de vaststelling in het rapport dat vroegtijdige actie vele malen goedkoper is dan acute noodhulp? Zo ja, welke actie onderneemt u om mensen weerbaar te maken tegen schokken, zoals veroorzaakt door El Niño?
Ja. Nog belangrijker dan kostenefficiëntie is echter dat met vroegtijdige actie veel leed kan worden voorkomen. Het kabinet zet in op het vergroten van de weerbaarheid van mensen die kwetsbaar zijn voor schokken, zoals de klimatologische gevolgen van El Niño. Naast de bovengenoemde steun aan programma’s die drinkwatersystemen, droogteresistente gewassen en aan droogte aangepaste landbouwsystemen verbeteren, steunt Nederland het programma van Partners for Resilience, een alliantie van vijf Nederlandse NGOs. Deze samenwerking richt zich op het versterken van de weerbaarheid van mensen door middel van herbebossing, irrigatie, bodem- en waterconservering, droogte resistente zaden en early warningsystemen. In Ethiopië ondersteunt Nederland het Productivity Safety Net Programme (PNSP) van de Ethiopische overheid om zo vroegtijdig in te spelen op de mogelijke gevolgen van de droogte. In Mozambique steunt Nederland een programma waarin boeren worden getraind in de ontwikkeling en toepassing van productiesystemen, die zijn aangepast aan veranderende klimaatcondities in de Zambezi vallei. Daarnaast draagt Nederland bij aan programma’s, die overheden en boeren voorzien van tijdige en accurate informatie over essentiële productieomstandigheden, zoals de verwachte regenval, verdamping en groei.
Bij al deze voorbeelden is essentieel, zoals ook het rapport benadrukt, dat de overheden in de betreffende landen de primaire verantwoordelijkheid nemen en leiderschap tonen.
Welke actie onderneemt u en hebt u ondernomen om, daar waar vroegtijdige actie niet meer mogelijk is, humanitaire rampen te voorkomen, specifiek in gebieden waar hongersnood dreigt door El Niño? Hoe schakelt u particuliere organisaties, bijvoorbeeld via de Dutch Relief Alliance, hierbij in?
In november 2015 heeft Nederland noodhulpmiddelen gegeven via het Common Humanitarian Fund (EUR 5 miljoen) en de Dutch Relief Alliance (EUR 8,6 miljoen) voor het lenigen van de noden van kwetsbare groepen in Ethiopië als gevolg van El Niño. In februari 2016 heeft het kabinet een extra bijdrage gegeven aan WFP (EUR 4 miljoen) en FAO (EUR 4 miljoen) om de korte en langere termijn voedselzekerheid in zwaar door El Niño getroffen landen in de Hoorn van Afrika en Zuidelijk Afrika te verbeteren. WFP en FAO werken in de getroffen landen nauw samen met overheden en met NGO-partners.
Bent u bereid om in internationaal verband te pleiten voor extra geld en inspanningen voor early response in gebieden die zijn getroffen door El Niño?
Het kabinet gebruikt elke geschikte gelegenheid om bij andere donoren te pleiten voor extra inspanningen ten behoeve van de diverse humanitaire crises en te bespreken hoe middelen het meest effectief kunnen worden aangewend. In maart is onder voorzitterschap van Nederland in de humanitaire werkgroep van de EU (COHAFA) de problematiek van El Niño besproken, inclusief de financieringsbehoefte en de bijdragen van Europese lidstaten aan de El Niño respons.
Erkent u dat extra geld nodig is voor klimaatadaptatie door middel van klimaatfinanciering, bijvoorbeeld in Zuidelijk Afrika? Op welke manier wilt u klimaatfinanciering bevorderen en tevens groei van het totaal aan klimaatfinanciering stimuleren, zoals afgesproken tijdens de Klimaattop in Parijs?
Het kabinet erkent de noodzaak om meer te investeren in klimaatadaptatie. Nederland heeft tijdens de klimaatconferentie in Parijs toegezegd om een evenredig deel bij te dragen aan de door de ontwikkelde landen toegezegde USD 100 miljard per jaar vanaf 2020. Deze middelen worden gemobiliseerd om de economieën van ontwikkelingslanden te verduurzamen en de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Nederland bestemt ruim de helft van zijn klimaatfinanciering voor aanpassingen in onder andere de water- en landbouwsector. Tevens is Nederland mede-organisator van de «Adaptation Futures 2016»-conferentie. Deze zal in mei gehouden worden in Rotterdam en beoogt een bijdrage te leveren aan oplossingen voor klimaatadaptatie en de noodzaak voor financiering.
In de komende jaren blijft het kabinet zich inzetten om meer klimaatfinanciering te mobiliseren. Zo zijn de Nederlandse overheid, het Nederlandse bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld partij bij diverse coalities gericht op klimaat die in Parijs werden gelanceerd. Voorbeelden zijn de Delta Coalitie (een samenwerkingsverband van Delta-landen, dat door Nederland in Sendai in 2015 is gelanceerd), het Anticipate, Absorb, Reshape (A2R) initiatief (een door de VN geleid multi-stakeholder initiatief om weerbaarheid tegen klimaatveranderingen in de meest kwetsbare landen te bevorderen) en het African Renewable Energy Initiative (een initiatief van de G-7 plus Nederland en Zweden om de investeringen in hernieuwbare energie in Afrika drastisch te verhogen). Dit African Renewable Initiative sluit goed aan bij de Nederlandse inzet om in 2030 vijftig miljoen mensen te voorzien van hernieuwbare energie. Uitvoerders van het initiatief zijn de African Development Bank en de Afrikaanse Unie.
Het nieuwe klimaatakkoord tezamen met deze coalities moeten zorgen voor meer aandacht en investeringen in klimaat. De belangrijkste uitgangspunten daarbij zijn het mobiliseren van meer financiering voor klimaat en een focus op de allerarmsten. Ten slotte is inzet op genderbeleid bij de aanpak van klimaatverandering van belang, met name omdat vrouwen als «agents of change» de transitie naar een groene en duurzame economie kunnen versterken.
Het verwijderen van een reclamespotje door de Poolse overheid vanwege de aanwezigheid van een homoseksuele acteur |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een Pools milieuspotje van de televisie is gehaald vanwege een homoseksuele acteur?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Het recente intrekken van een reclamespotje over afvalscheiding heeft in de media veel aandacht gekregen omdat hierbij de homoseksuele geaardheid van de acteur een rol zou hebben gespeeld.
Nederland is van mening dat de seksuele oriëntatie van acteurs bij dergelijke beslissingen geen rol mag spelen, omdat dit indruist tegen onze gemeenschappelijke Europese waarden en de beginselen van non-discriminatie, zoals ook neergelegd in het EU-handvest voor Grondrechten, specifiek artikel 21.
Nederland staat pal voor de gelijke behandeling van LHBTI’s in onze Europese samenlevingen. Daarbij is Nederland de mening toegedaan dat het goed is direct het gesprek aan te gaan. Daarom heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mevrouw Dijksma, tijdens haar bezoek aan Warschau op 27 januari jongstleden de Poolse Minister van Milieu Szyszko hierop bevraagd. Daarbij is de Nederlandse positie andermaal onderstreept.
Minister Szyszko heeft daarop geantwoord dat dit besluit (in tegenstelling tot eerdere berichten) uitsluitend verband hield met de kosten van het spotje en niet met de seksuele geaardheid van een van de acteurs.
Onlangs is de Europese Commissie een dialoog gestart met de Poolse regering over de wijzigingen in de Mediawet en het Constitutioneel Hof van Polen. Deze dialoog heeft geen betrekking op de gelijke behandeling van seksueel anders georiënteerden. Nederland ondersteunt de objectieve en constructieve dialoog en volgt deze op de voet. Tevens wacht Nederland het standpunt van de Raad van Europa af inzake wijzigingen in het Constitutioneel Hof.
Deelt u de mening dat deze actie van de Poolse overheid indruist tegen de fundamentele beginselen en waarden van de Europese Unie en van Nederland? Zo ja, op welke wijze brengt u uw zorgen hierover namens de Nederlandse regering over aan de Poolse autoriteiten?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke wijze heeft deze homo-onvriendelijke actie van de Poolse regering een relatie met de nieuw gekozen conservatieve regering en met de aangekondigde maatregelen omtrent onder meer de Mediawet? Wat wordt in Polen verstaan onder de «gender-ideologie» en wat is precies de reactie van de Poolse regering hierop?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is momenteel in Polen de situatie voor LHBT’s? In welke mate zijn hun omstandigheden de laatste jaren verbeterd? In welke mate staan die verbeteringen onder druk sinds het aantreden van de nieuwe regering?2
De maatschappelijke acceptatie van LHBTI’s in Polen lijkt de afgelopen jaren verbeterd. Niettemin is nog steeds op incidentele basis sprake van zgn. «hate crimes» en hebben LHBTI’s nog steeds niet de mogelijkheid een geregistreerd partnerschap te sluiten in Polen. Op dit moment is het nog niet mogelijk een uitspraak te doen in hoeverre verbeteringen van de afgelopen jaren onder druk staan. Samen met de Poolse LHBTI-organisaties volgt de Nederlandse overheid de ontwikkelingen op dit gebied op de voet.
Deelt u de mening dat inwoners van alle seksuele geaardheden zich in alle lidstaten van de Europese Unie veilig en gelijkwaardig behandeld moeten voelen? Zo ja, welk beleid voert de EU om dit in Polen en in andere lidstaten actief te bevorderen?
Ja. De Nederlandse regering is van mening dat dit onderdeel uitmaakt van onze gemeenschappelijke Europese waarden en de beginselen van non-discriminatie, zoals ook neergelegd in het EU-handvest voor Grondrechten, specifiek artikel 21.
De EU heeft evenwel geen specifieke competenties en/of beleid om dit in individuele lidstaten te bevorderen. Wel kunnen indivuele benadeelden zich bij de Poolse rechter, en uiteindelijk bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, beroepen op het verbod op discriminatie zoals neergelegd in artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dit verdrag is ook in Polen van kracht.
De Nederlandse regering staat pal voor de gelijke behandeling van LHBTI’s in onze Europese samenlevingen. Daarom steunt Nederland diverse activiteiten op LHBTI-gebied in Polen en andere lidstaten, gericht op vergroting van de tolerantie en verbetering van de maatschappelijke positie van LHBTI’s, en neemt de Nederlandse Ambassade in Warschau bijvoorbeeld actief deel aan de jaarlijkse Equality Parade.