Het artikel 'Gemeente zet stappen tegen moslimdiscriminatie met nieuw actieplan: ‘Genoeg is genoeg’' |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «gemeente zet stappen tegen moslimdiscriminatie met nieuw actieplan: «Genoeg is genoeg»»?1
Ja, dat ben ik.
Deelt u de zorg dat lespakketten over «islamitisch erfgoed» en georganiseerde moskeebezoeken het seculiere karakter van het onderwijs onaanvaardbaar aantasten door deze kwaadaardige ideologie actief de klas binnen te halen en kinderen hieraan bloot te stellen?
Die zorg deel ik niet. Ten eerste is het in het licht van de grondwettelijke onderwijsvrijheid die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet een misverstand dat het onderwijs per definitie «een seculier karakter» heeft. Er zijn in Nederland immers scholen van allerlei religieuze signaturen. Alleen openbare scholen behoren neutraal te zijn (artikel 23, derde lid, van de Grondwet). Dit neutraliteitsvereiste betekent echter niet dat openbare scholen geen aandacht zouden mogen besteden aan religies of levensbeschouwingen. Integendeel: de wettelijke burgerschapsopdracht vereist dat scholen competenties aan hun leerlingen proberen bij te brengen die nodig zijn deel om te nemen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.2 Het bezoeken van gebedshuizen kan in dat kader onderdeel zijn van het onderwijsprogramma, maar het is aan de (openbare) school daar zelf keuzes in te maken. Het onderwijsprogramma van een openbare school mag echter nooit zo zijn ingericht, dat een bepaalde religie of levensbeschouwing wordt «voorgetrokken» ten opzichte van andere; dan zou het immers niet meer neutraal zijn.3 Ik heb geen signalen dat daarvan in dit geval sprake zou zijn.
Kunt u onderzoeken wie deze gevaarlijke lespakketten ontwikkelt en financiert, inclusief mogelijke buitenlandse partijen?
Het betreffende lespakket is aangekondigd in een actieplan van de gemeente Den Haag. Ik vertrouw erop dat de gemeente deze plannen zorgvuldig en op basis van de behoefte van scholen verder uitwerkt.
Wanneer er zorgen zijn over mogelijke ongewenste buitenlandse inmenging, kunnen burgers via verschillende wegen signalen bij de Rijksoverheid onder de aandacht brengen en meldingen doen. Voor een uitgebreidere update over de stand van zaken rond een centraal meldpunt ongewenste buitenlandse inmenging verwijs ik u naar de brief van Minister van Oosten van Justitie en Veiligheid van 12 december jl.4
Bent u bereid dit onzinnige actieplan te verbieden en de islamisering van het onderwijs te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Artikel 23 van de Grondwet beschermt het recht op onderwijsvrijheid en – meer specifiek – de vrije keuze der leermiddelen.5 Dit recht komt alle scholen die zijn gebaseerd op een denominatieve grondslag gelijkelijk toe.6
Bent u tevens bereid alle islamitische scholen te sluiten en kinderen te laten genieten van onderwijs gebaseerd is op vrijheid en gevrijwaard is van de islamitische ideologie van intolerantie, haat en geweld? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat ben ik niet. Zie antwoord 4.
Het bericht 'Zesduizend handtekeningen tegen hospiteerbeleid. Mensen willen gewoon heel graag zelf kiezen’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Moes , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat DUWO het bestaande hospiteerbeleid ingrijpend wil wijzigen, waardoor het zelf kiezen van een nieuwe huisgenoot, zogenaamde vrije hospitatie, in veel studentenhuizen lijkt te verdwijnen?1
Ja.
Bent u bekend met de onrust die dit nieuws heeft veroorzaakt in de studentengemeenschap? Hoe beoordeelt u die onrust?
Ja. Op dit nieuws wordt zowel positief als negatief gereageerd. Een deel van de onrust volgt uit belangen van zittende huurders. Een ander deel van de onrust is gebaseerd op het beeld dat het hospiteren zou worden afgeschaft. Steun is er vanuit de hoek van groepen die minder kansen hebben door gebrek aan informatie, onvoldoende kennis van de markt of het ontbreken van een netwerk.
Heeft u kennisgenomen van een petitie die inmiddels meer dan 6.000 handtekeningen heeft verzameld, waarin studenten aangeven dat zij hechten aan de vrijheid om hun huisgenoten zelf te kiezen, juist voor hun veiligheid en woongenot? Herkent u de zorgen hierover?
Ja. De petitie is aangeboden aan DUWO. De Ministeries van VRO en OCW zijn geen partij in deze wijziging. De beleidskeuzes zijn aan DUWO.
Deelt u de opvatting dat hospiteren in studentenhuizen meer is dan een studentikoze traditie, maar een systeem dat aantoonbaar bijdraagt aan de sociale cohesie tussen studenten en aan de studentencultuur in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voorstander van het realiseren van meer studentenwoningen met gedeelde voorzieningen. In de afgelopen periode is het Woningwaarderingsstelsel voor onzelfstandige woningen (WWS onzelfstandig) aangepast, waardoor de businesscase voor het bouwen van nieuwe kamers beter is geworden. Daarnaast kennen we de regeling Regeling huisvesting aandachtsgroepen, met objectsubsidies voor de bouw van studentenwoningen, waarbij projecten die inzetten op kamers met gedeelde voorzieningen voorrang krijgen. De mogelijkheid van huurtoeslag voor kamers met gedeelde voorzieningen wordt momenteel onderzocht. Of dat haalbaar is, is een vraag voor het nieuwe kabinet.
Het is echter niet aan mij om uitspraken te doen over de wijze van verdelen van woningen met gedeelde voorzieningen. In het land worden daarvoor verschillende systemen gebruikt. Dit varieert van vormen waarbij de zittende huurders met verschillende graden van vrijheid zelf kunnen kiezen én vormen waarbij de kamerzoekende zelf kan kiezen als die bovenaan de lijst staat en volgens objectieve criteria aan de beurt is.
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Stichting Lieve Mark en de Erasmus Universiteit Rotterdam over woongemeenschappen? Hoe beoordeelt u de conclusie dat de keuze met wie je samen wilt wonen een belangrijke beschermende factor vormt tegen eenzaamheid, stress- en mentale klachten onder studenten?
Ja. Uit de door u genoemde onderzoeken maak ik op dat regie op keuze van belang is.
Klopt het dat DUWO als reden voor dit nieuwe beleid aangeeft dat het nodig is om te voldoen aan de Wet goed verhuurderschap? Hoe beoordeelt u deze argumentatie?
DUWO geeft aan dat zij als sociale woningcorporatie de verantwoordelijkheid voelt zorg te dragen voor gelijke kansen onder studenten. Zij wijst daarbij onder andere op de student van ver die een kamer nodig heeft om te kunnen studeren, de eerstegeneratiestudent die de weg niet voldoende weet en nog geen groot netwerk heeft of een MBO-student. Dat sluit aan bij haar taakstelling die zij heeft als Toegelaten Instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkt. DUWO is als verhuurder daarbij o.a. onderworpen aan de regels van de Woningwet, de overlegwet huurders-verhuurders en de Wet goed verhuurderschap (Wgv).
De Wgv verplicht verhuurders en verhuurbemiddelaars om zich te onthouden van ongerechtvaardigd onderscheid. De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en brengt daarin geen inhoudelijke beperking aan ten opzichte van het reeds bestaande recht. Uit de Wgv volgt onder meer dat verhuurders en verhuurbemiddelaars verplicht zijn te werken met objectieve selectiecriteria, een transparant selectieproces en een motiveringsplicht voor de gekozen huurder. Zij moeten beschikken over een vastgelegde werkwijze om ongerechtvaardigd onderscheid te voorkomen, die openbaar is gemaakt en bekend is bij alle werknemers van de verhuurder/verhuurbemiddelaar.
De Wgv schrijft geen specifieke vorm van huurderselectie voor en doet geen afbreuk aan het bestaande recht op coöptatie. In die zin biedt de Wgv ruimte voor verschillende uitvoeringskeuzes waarbij ook selectie via coöptatie onder de Wgv kan plaatsvinden, mits deze op een transparante wijze is ingericht en binnen de kaders van het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid blijft, zoals dat volgt uit de Awgb. Hoe een verhuurder deze wettelijke verplichtingen concreet vertaalt in beleid, is in beginsel aan de verhuurder zelf.
Is het huidige systeem van hospiteren volgens u op enig punt in strijd met de wet goed verhuurderschap? Welke ruimte biedt of beperkt deze wetgeving op dit punt?
Het systeem van hospiteren of coöptatie is niet in strijd met de Wet goed verhuurderschap (Wgv). De Wgv brengt geen wijziging aan in het bestaande recht dat zittende bewoners een rol kunnen hebben bij de keuze van een nieuwe bewoner, maar stelt enkel randvoorwaarden aan de wijze waarop dat wordt georganiseerd. De Wgv bepaalt namelijk dat verhuurders bij openbaar aanbod van woonruimte zorg moeten dragen voor een transparante en heldere selectieprocedure, objectieve selectiecriteria moeten hanteren, aan de afgewezen kandidaat-huurder(s) moeten motiveren waarom voor een huurder is gekozen, en dat zij een werkwijze ter voorkoming van discriminatie vastleggen en openbaar maken. De Wgv sluit voor wat betreft het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid aan bij de normen van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Daarbij mag door de verhuurder bij de keuze voor een nieuwe huurder geen onderscheid worden gemaakt op grond van de persoonskenmerken die de Awgb beschermt. Dan gaat het om: godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat. Dit geldt dus ook voor verhuurders die niet zelf woonachtig zijn in een woning en die middels coöptatie huurders laten werven. Op grond van de Awgb mogen zittende huurders bij coöptatie echter soms wel verdere eisen stellen aan kandidaat-huurders en bijvoorbeeld huurders selecteren op basis van geslacht. Er mag echter nooit onderscheid worden gemaakt op basis van afkomst of huidskleur.
Een manier waarop verhuurders uitvoering zouden kunnen geven aan de bepalingen uit de Wgv betreffende het verbod op ongerechtvaardigd onderscheid is door schriftelijk vast te leggen en te communiceren (bijv. via hun website) dat nieuwe huurders worden geselecteerd middels coöptatie. De zittende huurders, die o.b.v. coöptatie een nieuwe huurder mogen kiezen, dienen onverwijld door de verhuurder te worden geïnstrueerd dat de Wet goed verhuurderschap en daarmee tevens de Awgb van toepassing is, en dat de zittende huurders, wanneer zij via een openbaar aanbod een huurder zoeken, daarbij nimmer mogen selecteren op de verboden persoonskenmerken afkomst of huidskleur. Ook deze instructie kan door de verhuurder schriftelijk worden vastgelegd, zodat het deel uitmaakt van de vastgelegde werkwijze ter voorkoming van woondiscriminatie.
Op welke wijze kan de Wet versterking regie volkshuisvesting een aangrijpingspunt kunnen zijn om de goede elementen van hospiteren te behouden?
De Wet Versterking Regie Volkshuisvesting staat in mijn optiek los van het thema hospiteren.
Hoe verhoudt het voorgenomen besluit zich volgens u tot het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting, waarin juist wordt ingezet op uitbreiding van wooncapaciteit onder studenten en de verbetering van studentenwelzijn?
Ik onderschrijf de noodzaak van meer studentenhuisvesting. Als ministerie zetten wij ons in voor de realisatie van 60.000 nieuwe studentenwoningen en zijn daarbij voorstander van meer woningen met gedeelde voorzieningen. DUWO levert hier een bijdrage aan.
Aanvullend beschrijft het Landelijke Actieplan Studentenhuisvesting (LAS) niet alleen de wooncapaciteit en het studentenwelzijn. In de recente oplegger van de LAS van september 2025 wordt aandacht gevraagd voor extra maatregelen om de schaarse studentenwoningvoorraad toegankelijker te maken voor onder andere mbo-studenten.
Bent u het eens dat er meer ingezet moet worden op onzelfstandige huisvesting waarbij hospiteren een belangrijk onderdeel is?
Het ministerie staat positief tegenover de realisatie van nieuwe onzelfstandige huisvesting. Woningcorporaties en andere verhuurders zijn vrij om binnen de kaders van de wet hun woonruimteverdeling zelf in te vullen.
Hoe gaat u zorgen dat de balans in de realisatie tussen onzelfstandige en zelfstandige woonruimte meer gaat uitslaan naar onzelfstandige woonruimte?
Zie antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om over dit bericht met DUWO in gesprek te gaan? Zo ja, wat zou daarbij uw inzet zijn en bent u bereid de Kamer over de uitkomsten te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden om met DUWO in gesprek te gaan over hun voornemens om het hospiteerbeleid aan te passen. Ze blijven met hun voorstellen binnen de kaders van de wet.
De brief over invulling van de motie militaire steun aan Oekraïne |
|
Vicky Maeijer (PVV), Raymond de Roon (PVV), Teun van Dijck (PVV) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u alsnog expliciet en uitgebreid ingaan op de niet in de brief gedeelde informatie met betrekking tot artikel 3.1 CW 2016, inzake a) de doelstellingen, de doeltreffendheid en de doelmatigheid die worden nagestreefd; b) de beleidsinstrumenten die worden ingezet; c) de financiële gevolgen voor het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren? Zo nee, waarom niet?1
De maatregelen betreffen een voortzetting van het huidige Oekraïne steunbeleid en wijken daarmee niet af van de artikel 3.1 CW overwegingen die eerder met uw Kamer zijn gedeeld, als bijlage van de periodieke leveringenbrief (kenmerk 22 054-463, dd. 11 september 2025). In deze bijlage komt naar voren dat het ingezette beleidsinstrument de levering van militair materieel betreft, de nota van wijziging zet dit beleid voort.
Waaruit bestaat de 500 miljoen euro aan verwachte onderuitputting in 2025? In hoeverre is deze onderuitputting een zekerheid?
De verwachte onderbesteding van € 500 miljoen heeft betrekking op hoofdstuk K, het defensiematerieelfonds. Deze verwachting is gebaseerd op lagere valutakoersen dan waarop gepland is (ca. € 250 miljoen.) en vertraging op meerdere reguliere defensieprojecten a.g.v. externe factoren. Beide categorieën van onderbesteding kenden een hoge mate van zekerheid. Voor dit fonds geldt een onbeperkte eindejaarsmarge. Dit betekent dat de middelen naar volgend jaar kunnen worden geschoven waardoor de onderrealisatie beschikbaar. Hierdoor zal er geen vertraging of afstel van behoeften en/of projecten uit het DMF ontstaan in 2026 of latere jaren. Genoemde bedragen zijn afgerond op hele miljoenen. Uw Kamer wordt bij Slotwet geïnformeerd over de werkelijke realisatie en onderbesteding
Welke reguliere defensieprojecten hebben als gevolg van externe factoren vertraging opgelopen en waarom? Wat zijn de concrete gevolgen hiervan?
De voortgang van individuele projecten, eventuele vertragingen en andere wijzigingen op de lopende projecten zullen door Defensie zoals gebruikelijk worden gerapporteerd in het Defensie Projecten Overzicht (DPO) van mei 2026.
Hoe groot is de kans op toekomstige tegenvallers? Zijn er al tegenvallers met een zekere mate van waarschijnlijkheid te voorzien? Zo ja, waarop en hoeveel?
Het aanwenden van onderuitputting ten behoeve van steun aan Oekraïne betekent dat deze onderuitputting niet beschikbaar is voor het invullen van de in=uittaakstelling2, waardoor in de toekomst eerder tegenvallers kunnen ontstaan. Het kabinet heeft nog geen exacte inschatting van toekomstige tegenvallers. Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal dit duidelijk worden.
In de nota van wijziging schrijft u dat er wordt gekeken naar het Nederlandse en Oekraïense bedrijfsleven voor respectievelijk 300 miljoen en 400 miljoen; hoe is deze verdeling tot stand gekomen?2
De invulling en verdeling is tot stand gekomen op basis van een inventarisatie welk materieel op zeer korte termijn beschikbaar was, voor zowel contractering als levering. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar de betrokkenheid en de opbouw van de Nederlandse defensie-productieketen en het Oekraïense bedrijfsleven conform de moties 36 045, nr. 243 en de motie 21 501-20, nr. 2286.
Waar zal de 700 miljoen exact aan worden uitgegeven? Welke contracten worden met welke bedrijven voor welke orders getekend?
Omwille van commerciële vertrouwelijkheid doet Defensie geen uitspraken over de precieze besteding van deze middelen. Uw Kamer wordt geïnformeerd over het aan Oekraïne geleverd materieel middels periodieke leveringenbrieven.
Op welke manier exact garandeert u dat de 400 miljoen voor het Oekraïense bedrijfsleven doelmatig besteed wordt en bovendien niet ten prooi valt aan corruptie?
Directe aanschaf in Oekraïne gebeurt op basis van het Nederlandse model. De Nederlandse procedure omvat een gegronde controle van elk Oekraïens bedrijf door de Audit Dienst Rijk (ADR). Deze regels en procedures nemen tijd in beslag en vereisen toegang tot informatie over bijvoorbeeld de prijsopbouw en winstmarges van de voorgenomen verwerving. Dit Government to Business-model zorgt ervoor dat er geen tussenkomst is van overheidsfunctionarissen bij de totstandkoming van contracten. Bij het Nederlandse model van directe samenwerking met de Oekraïense industrie, is Nederland zelf verantwoordelijk voor het uitonderhandelen en overeenkomen van een contract met een Oekraïense leverancier. Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten met NATO-trusted partners waarbij het partnerland de verwerving doet; Nederland vertrouwt in dat geval op de procedures van bondgenoten.
In de brief wordt gesproken over het spoedeisende karakter als reden om een beroep te doen op artikel 2.27, tweede lid CW 2016; waaruit blijkt dit spoedeisende karakter? Waarom kon deze uitgave niet een week later, na stemming over de najaarsnota, plaatsvinden?
Uw Kamer heeft het kabinet verzocht om aanvullende militaire Oekraïnesteun beschikbaar te stellen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om invulling te geven aan deze motie door in 2025 versneld 700 miljoen euro beschikbaar te stellen om te waarborgen dat de steun aan Oekraïne voorgezet wordt.
De stemming over de 2e suppletoire begroting 2025 van de Defensiebegroting, waarin de 700 miljoen euro is verwerkt, in de Tweede Kamer stond echter pas gepland op 18 december. Zonder het toepassen van artikel CW 2.27 tweede lid zouden de overeenkomsten pas na autorisatie van zowel de Tweede als de Eerste Kamer rechtmatig kunnen worden aangegaan. Daarmee zou het niet mogelijk zijn om nog in 2025 invulling te geven aan de oproep van uw Kamer. Door een beroep te doen op artikel CW 2.27 tweede lid heeft het kabinet getracht uw Kamer juist en tijdig te informeren over de wijze waarop het kabinet een eerste stap zet in de invulling aan de door uw Kamer aangenomen motie4. Op 9 december heeft uw Kamer aangegeven dat zij zich deugdelijk geïnformeerd acht.
De Kamer mag de onderuitputting niet gebruiken voor extra uitgaven, maar waarom mag u dit wel? Hoeveel van de resterende onderuitputting kan nog worden gebruikt?
In aanvulling op het antwoord op vraag 4 is ervoor gekozen om de onderuitputting anders aan te wenden dan het invullen van de in=uittaakstelling. Hiermee kiest het kabinet ervoor om opvolging te geven aan de motie van de Kamer. Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal de definitieve onderuitputting over 2025 duidelijk worden.
De beëindiging van persoonlijke beveiliging door de NCTV |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat de beveiliging van schrijfster Lale Gül wordt stopgezet, terwijl zij nog steeds te maken heeft met (online) bedreigingen?1
Ja.
Kunt u aangeven of de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) standaardcriteria hanteert bij de beslissing om persoonsbeveiliging te beëindigen?
Op basis van informatieproducten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en opsporings- en intelligenceorganisaties van de politie en Koninklijke Marechaussee bepaalt het gezag (de NCTV namens de Minister van Justitie en Veiligheid) of en wat ze aanvullend onderneemt tegen een dreiging. In deze producten komen deze diensten en organisaties tot een inschatting – gebaseerd op feiten en/of omstandigheden – met betrekking tot een dreiging en de ernst en waarschijnlijkheid van het manifesteren van de dreiging. In deze producten wordt gewerkt met speciaal ontwikkelde tabellen met een dubbele kwalificering voor het vaststellen van het dreigingsniveau. Aan de hand van deze tabellen wordt een inschatting gemaakt van de mate van «ernst» en «waarschijnlijkheid» van de dreiging. Capaciteit speelt hierbij geen rol. De tabellen geven inzicht in de afwegingen en uitkomst van de inschatting van de ernst van de gebeurtenis en de waarschijnlijkheid van het manifesteren van deze gebeurtenis. De tabellen zijn als bijlage bij de Circulaire met betrekking tot de bewaking en beveiliging van personen, objecten en diensten 2023 gevoegd.2 Op basis hiervan wordt gefundeerd overwogen welke beveiligingsmaatregelen nodig zijn.
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, welke criteria zijn dat precies?
Zie antwoord vraag 2.
Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Houdt de NCTV rekening met het feit dat online bedreigingen kunnen omslaan in fysieke acties? Zo ja, op welke manier?
De keuze welke veiligheidsmaatregelen worden getroffen is gebaseerd op verschillende informatieproducten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, en opsporings- en intelligenceorganisaties van de politie en Koninklijke Marechaussee. De beelden en producten van deze diensten en organisaties richten zich op het hele spectrum aan gebeurtenissen in zowel de fysieke wereld als de online-wereld. Ook de te beveiligen persoon (TBP) zelf kan bij de politie meldingen en/of aangiftes doen van online uitingen. De politie handelt op basis van de producten van de diensten of meldingen c.q. aangiftes van de te beveiligen persoon.
In hoeverre worden eerdere incidenten, zoals de recente arrestaties van personen die bedreigingen hebben geuit of concrete plannen zouden hebben gehad om de bedreigde iets aan te doen, standaard meegewogen in de beoordeling om persoonsbeveiliging voort te zetten of te beëindigen?
Vanuit veiligheidsoverwegingen kan ik geen uitspraken doen over welke feiten of omstandigheden precies worden meegenomen in de informatieproducten die ten grondslag liggen aan de afweging welke maatregelen nodig zijn. Wel kan ik aangeven dat de informatieproducten worden gebaseerd op feiten of omstandigheden met betrekking tot een dreiging en ernst en waarschijnlijkheid van het manifesteren van de dreiging.
Welke mogelijkheden hebben personen om bezwaar te maken tegen een besluit tot beëindiging van hun beveiliging? Wie beoordeelt dit bezwaar? Binnen welke termijn wordt zo’n bezwaar behandeld? Heeft een eventueel bezwaar opschortende werking tot er een beslissing op het bezwaar genomen is?
Het treffen van beveiligingsmaatregelen is altijd maatwerk; per geval wordt afgewogen welke maatregelen proportioneel zijn en is het streven om goed in verbinding te blijven met de te beveiligen persoon. Hoe hier invulling aan wordt gegeven wordt nader toegelicht in mijn brief die ik u op 11 juli 2025 heb verzonden.3 Zonder goed contact met de te beveiligen persoon is het vrijwel onmogelijk om beveiligingsmaatregelen te treffen omdat de effectiviteit en uitvoerbaarheid van beveiliging hiervan afhankelijk is. De NCTV is namens de Minister van Justitie en Veiligheid verantwoordelijk voor het waken over de veiligheid van aangewezen personen. De NCTV kan aanvullende beveiligingsmaatregelen nemen, wanneer personen, als ook de bedrijven of instellingen waar zij werkzaam zijn, niet op eigen kracht in voldoende mate weerstand kunnen bieden tegen dreiging. Bij het nemen van aanvullende beveiligingsmaatregelen is sprake van risicobeheersing, geen risico-uitsluiting. Voor elk aangewezen persoon wordt periodiek afgewogen of, en zo ja welke, beveiligingsmaatregelen moeten worden genomen om het aanwezige risico tot een acceptabel niveau terug te dringen. De NCTV staat gedurende dit proces in nauw contact met de te beveiligen persoon, omdat de beveiligingsmaatregelen op de persoonlijke omstandigheden van de te beveiligen persoon worden afgestemd.
Door middel van dit proces worden beveiligingsmaatregelen vastgesteld dan wel periodiek herijkt. Dit kan betekenen dat beveiligingsmaatregelen worden opgeschaald dan wel afgeschaald. Welke aanvullende beveiligingsmaatregelen worden genomen, zijn geen onderwerp van onderhandeling met de bedreigde persoon. Het al dan niet treffen van (bepaalde) veiligheidsmaatregelen – zoals persoonsgebonden maatregelen – betreft een feitelijk handelen, waarmee geen recht, verplichting, bevoegdheid of status voor de betrokken persoon wordt gecreëerd of tenietgedaan. Zodoende is geen sprake van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht dat openstaat voor bezwaar en beroep.
Hoe waarborgt de Staat dat mensen die vanwege hun werkzaamheden of publieke uitingen een verhoogd risico lopen, voldoende beschermd blijven, ook wanneer hun persoonsbeveiliging (deels) wordt beëindigd? Wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen verschillende typen publieke functies zoals bijvoorbeeld journalisten, opiniemakers, politici, activisten, et cetera?
Er is een brede toolbox aanwezig om invulling te geven aan de overheidstaak van het waken over de veiligheid van personen. Persoonsgerichte maatregelen vormen één van de instrumenten die hiervoor ingezet kunnen worden. Ook na het afschalen of beëindigen van maatregelen wordt de dreiging gemonitord en kunnen er stappen gezet worden wanneer er signalen zijn dat de dreiging toeneemt of verandert. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen publieke functies die binnen het stelsel vallen.
Welke alternatieve beschermingsmaatregelen worden in dat geval aangeboden wanneer persoonsbeveiliging wordt beëindigd, zoals: a. versterkte digitale beveiliging; b. veilige of anonieme huisvesting; c. ondersteuning bij veiligheidsplannen in de privé en werkomgeving of d. psychologische ondersteuning vanwege veiligheidsdreiging?
Het stelsel Bewaken en Beveiligen is een onderdeel van het samenspel aan instrumenten om dreigingen adequaat het hoofd te bieden. Persoonsgerichte maatregelen zijn het zwaarste instrument en wanneer dit afgeschaald wordt vanwege een verandering in dreiging is er nog een breed pallet aan maatregelen beschikbaar die kunnen worden ingezet. Daarnaast is er aandacht voor het welzijn en de psychosociale weerstand van de te beveiligen personen aangezien beveiligingsmaatregelen maar ook de afbouw daarvan veel impact kunnen hebben op de persoon en diens omgeving. Er worden verschillende tools aangereikt zoals weerbaarheidsgesprekken, een buddytraject of digitale modules. De inzet van deze tools varieert per TBP en hangt af van de behoefte van de TBP en de aard en duur van de maatregelen.
In hoeverre zijn deze maatregelen structureel beschikbaar en op welke wijze wordt de betrokkene hierover geïnformeerd?
Welke maatregelen wanneer voor wie ingezet worden is maatwerk. De te beveiligen persoon wordt zoveel als mogelijk geïnformeerd over de aard van de dreiging en de getroffen maatregelen. Te beveiligen personen worden periodiek geïnformeerd over het verloop van de dreiging en de getroffen maatregelen door een vertegenwoordiger van de uitvoerende organisatie en het gezag (de NCTV namens de Minister van Justitie en Veiligheid). Ook een wijziging in de benodigde maatregelen is aanleiding om met de te beveiligen persoon in gesprek te gaan.
Is er op dit moment voldoende capaciteit en structurele financiering voor persoonsbeveiliging en dreigingsbeoordeling bij de NCTV en betrokken diensten? Zo nee, welke tekorten ziet u en wat is er volgens u nodig om dit op peil te brengen? Speelt capaciteit een rol bij de beslissing om persoonsbeveiliging in individuele gevallen te beëindigen?
Het taakveld Bewaken en Beveiligen wordt sinds 2021 in verschillende tranches structureel versterkt. Na het rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid uit 2023 heeft dit mede geleid tot de transitie naar het stelsel Beveiligen van Personen met een stevig financieel fundament in de vorm van een generaal dossier. Er is veel geïnvesteerd in persoonsgerichte beveiligingsmaatregelen om te voldoen aan de grotere noodzaak voor het treffen van zware beveiligingsmaatregelen. De politie en Defensie hebben bij bepaalde uitbreidingen wel last van de krappe arbeidsmarkt en de specifieke eisen die worden gesteld aan personeel, wat kan zorgen dat de gewenste uitbreiding langer in beslag neemt dan beoogd. De beschikbare capaciteit speelt echter geen rol bij besluitvorming inzake het vaststellen of beëindigen van persoonsgerichte maatregelen in individuele gevallen.
In hoeveel gevallen is in de afgelopen vijf jaar persoonsbeveiliging stopgezet terwijl er volgens de betrokkene(n) nog sprake was van aanhoudende dreiging? In hoeveel van deze gevallen is op een later moment toch opnieuw persoonsbeveiliging ingesteld? En hoe vaak bleek achteraf dat de dreiging inderdaad niet was afgenomen?
Over absolute aantallen en specifieke casuïstiek doe ik vanuit veiligheidsoverwegingen nooit uitspraken.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Gelet op de inhoudelijke overlap tussen vraag twee tot en met vier, heb ik deze gezamenlijk beantwoord.
Antisemitische bezetting universiteitsgebouw Utrecht legt onderwijs voor 350 studenten plat |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de antisemitische actiegroep Utrecht Encampment inmiddels een week lang een universiteitsgebouw aan de Drift in Utrecht bezet houdt, waardoor het onderwijs voor meer dan 350 studenten volledig is geschrapt?1, 2
Ik ben bekend met het feit dat de bezetting van het universiteitsgebouw aan de Drift in Utrecht door de actiegroep Utrecht Encampment er toe heeft geleid dat er onderwijs geen doorgang heeft kunnen vinden. Vanwege het belang voor de studenten heeft de Universiteit Utrecht zich ten volle ingezet om onderwijs zo goed mogelijk doorgang te laten vinden.3 Gedurende de bezetting heeft de universiteit in totaal 529 onderwijsactiviteiten verzet naar een andere locatie of omgezet naar online-onderwijs. In totaal hebben er tien onderwijsactiviteiten geen doorgang hebben kunnen vinden. De tien geannuleerde onderwijsactiviteiten troffen in totaal 470 studenten.
Deelt u de opvatting dat de studie van gewone studenten altijd voor moet gaan op de acties van drammende en antisemitische bezetters, en vindt u daarom dat het universiteitsbestuur, in overleg met de lokale driehoek, direct had moeten ingrijpen bij deze bezetting, gelet op de enorme onderwijsverstoring?
De instellingsbesturen hebben de belangrijke taak om onderwijs en onderzoek doorgang te laten vinden en de veiligheid op de campus te waarborgen. Ik zie dat zij zich hier iedere dag opnieuw voor inzetten. Zo ook de Universiteit Utrecht tijdens deze bezetting, zoals u kunt lezen in mijn antwoord op vraag 1. Ik vind het belangrijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de campussen zoveel mogelijk wordt genomen daar waar deze ligt, in dit geval is dat lokaal. Instellingen werken nauw samen de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Als Minister van OCW heb ik geen bemoeienis met de inzet van de politie en het moment van ingrijpen door hen bij deze bezetting.
Bent u bereid om direct contact op te nemen met het universiteitsbestuur met het verzoek om de bezetting per direct te beëindigen, zodat het onderwijs en de veiligheid op de campus kunnen worden hersteld?
De bezetting is op 14 december jl. beëindigd.
Deelt u de mening dat zodra bezetters de regels en verantwoordelijkheden voor demonstraties van de universiteit overschrijden, er zonder uitstel moet worden ingegrepen om orde en veiligheid te herstellen? Zo ja, bent u bereid deze boodschap actief uit te dragen richting de colleges van bestuur van alle universiteiten?
Zoals in mijn antwoord op vraag 2 aangegeven ligt het besluit tot ingrijpen lokaal. Daarop aanvullend wil ik u melden dat ik in mijn brief aan uw Kamer d.d. 18 december jl. ben ingegaan op een vergelijkbare vraag. Daar geef ik aan dat instellingen altijd aangifte doen van strafbare feiten wanneer die plaatsvinden tijdens protesten op hun terreinen, zoals bedreiging, vernieling of openlijke geweldpleging, en zij studenten en medewerkers bijstaan die aangifte willen doen. Zoals mijn ambtsvoorganger in een andere Kamerbrief4 d.d. 19 mei jl. reeds heeft aangegeven, wordt bij vernielingen zo mogelijk de schade verhaald op de dader(s). Tot slot hecht ik er waarde aan te benadrukken dat ik regelmatig in gesprek ben met instellingen. In deze gesprekken is o.a. aandacht voor het belang van ruimte voor demonstraties op de onderwijsinstellingen, waarbij het ook van groot belang is dat deze altijd binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling plaatsvinden.
Kunt u aangeven waarom universiteitsbesturen structureel zo zwak optreden tegen antisemitische bezettingen en protesten op hun campussen? En kunt u uiteenzetten welke concrete maatregelen dit kabinet gaat nemen om het telkens terugkerende antisemitisme op Nederlandse universiteiten eindelijk te elimineren?3, 4, 5, 6, 7, 8
Ik wil benadrukken dat ik zie en weet dat de instellingbesturen zich inzetten om een goede invulling te geven aan hun verantwoordelijkheid voor een sociaal veilige leer- en werkomgeving. Dat doen zij samen met de lokale veiligheidsdriehoek. Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is het van belang dat die verantwoordelijkheid lokaal wordt ingevuld.
Voorts werk ik samen met universiteiten en hogescholen via verschillende acties aan het bestrijden van antisemitisme. Ik heb u hier onlangs uitgebreid over geïnformeerd per brief d.d. 18 december jl.11 In februari 2026 presenteert de Taskforce Antisemitismebestrijding aanbevelingen voor het verbeteren van de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers. Naar aanleiding van deze aanbevelingen zal ik nagaan welke vervolgacties er nodig zijn en uw Kamer hierover informeren. Ook werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan handreikingen voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen, docenten en leidinggevenden over het herkennen van en omgaan met antisemitisme. Op de langere termijn werk ik aan een wettelijke zorgplicht veiligheid, die eveneens voorziet in versterking van het toezicht op het veiligheidsbeleid van instellingen.
Fraude in de mondzorg in de Wlz door Vitadent |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van EenVandaag van 10 december 2025?1
Ja.
Was u ervan op de hoogte dat dit soort praktijken plaatsvinden?
Het is mij bekend dat Wlz-uitvoerders aangeven dat het ontbreken van doelmatigheidsnormen rondom mondzorg in de Wlz de controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van deze declaraties complex maakt. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft dat geconstateerd in het rapport «De kosten van onze langdurige zorg in 2024» dat ik op 16 december 20252 aan uw Kamer heb verzonden. Momenteel bestaan er geen richtlijnen ten aanzien van de duur en het aantal behandelingen bij Wlz-cliënten, waardoor Wlz-uitvoerders momenteel lastig kunnen concluderen of sprake is van eventuele overbehandeling. De NZa heeft gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz.
Erkent u dat het bij deze declaraties gaat om ondoelmatige én onrechtmatige zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Geleverde zorg moet verantwoord en doelmatig zijn en geleverd worden door personen die daartoe bevoegd zijn. Van belang is dat er sprake is van multidisciplinair overleg over de mondzorg tussen de medewerkers van het verpleeghuis en de tandartsenpraktijken. Daarbij is doelmatigheid van de verleende mondzorg ook een onderwerp van gesprek. Alleen daadwerkelijk geleverde zorg die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, mag worden gedeclareerd. De basis voor de te leveren zorg ligt vast in het (mond)zorgplan. Declaraties worden gecontroleerd door de Wlz-uitvoerders. Op basis van de uitzending kan ik geen antwoord geven op de vraag of in dit geval sprake is van ondoelmatige of onrechtmatige zorg.
Hoe kan het dat commerciële partijen uren van onbevoegden op naam van de algemeen gegevensbeheer zorgverleners, de agb-code, van een tandarts declareren?
De NZa heeft beleidsregels opgesteld over het declareren van geleverde uren. Alle partijen moeten daaraan voldoen. Onbevoegden mogen geen uren declareren. Wel is het zo dat preventie-assistenten een aantal werkzaamheden zelfstandig mogen uitoefenen, maar de basis daarvan ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts. De Wlz-uitvoerders controleren deze werkwijze.
Is er toezicht op misbruik van Wlz-gelden, oftewel het bewust stoppen met het leveren van mondzorg, of het onbevoegd dan wel niet volgens de geldende standaarden leveren daarvan (maar wel geld ontvangen daarvoor via de dagprijs) in het verpleeghuis?
De dagelijkse mondzorg (o.a. (hulp bij) tandenpoetsen) behoort tot de dagelijkse zorg en wordt geleverd door de medewerkers van het verpleeghuis. Alle zorg – dus ook de tandheelkundige zorg – moet voldoen aan de daartoe geldende wet- en regelgeving. Ik heb geen signalen dat verpleeghuizen stoppen met het leveren van mondzorg of tandheelkundige zorg. Wat ik wel zie, is dat steeds vaker de tandheelkundige zorg geleverd wordt in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis. Dat kan naar mijn idee passende zorg zijn – mits voldaan wordt aan alle daaraan te stellen eisen – en er is geen sprake van misbruik van Wlz-gelden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg die mondzorgprofessionals leveren. Hiernaast houdt de NZa toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders.
Als tijdens een bezoek blijkt dat de mondzorg niet in orde is, zal de IGJ een organisatie aanzetten/verplichten te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en veldnormen ten aanzien van mondzorg.
Hoe is het mogelijk dat mondverzorging (bijv. kunstgebit reinigen) behorend bij de ADL tegen 207 euro gedeclareerd wordt als mondzorg? Hoe oordeelt u hierover?
Het in rekening brengen van mondverzorging via de bekostiging van mondzorg is niet toegestaan. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft prestaties voor mondzorg waarin dit ook duidelijk staat beschreven. Als wordt aangetoond dat een zorgaanbieder mondverzorging uitvoert en daarvoor prestaties mondzorg in rekening brengt, is het aan de Zorgkantoren en eventueel de toezichthouder (NZa) om hiertegen op te treden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat gebitscontroles bij deze kwetsbare groep verpleeghuisbewoners in elk geval bij Vitadent werden uitgevoerd door preventieassistenten in plaats van tandartsen?
De NZa stelt op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) prestaties met bijbehorende tarieven vast. Er is daarbij sprake van functionele bekostiging, hetgeen betekent dat de NZa niet oplegt wie deze zorg mag leveren. De NZa gaat er daarbij wel vanuit dat de uitvoerende zorgaanbieder bevoegd en bekwaam is. Een gebitscontrole is niet als voorbehouden handeling opgenomen in de Wet BIG en mag in beginsel dus ook door niet BIG-geregistreerd zorgverleners worden uitgevoerd. In dit geval is de gebitscontrole dus niet voorbehouden aan tandartsen en mag die ook uitgevoerd worden door andere zorgverleners. De basis van de verrichtingen ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts.
Hoe oordeelt u over het bericht dat controles soms in een keukenstoel werden uitgevoerd en niet in een gewone tandartsstoel?
De huidige richtlijn voor mondzorg pleit ervoor tandheelkundige handelingen in een tandartsomgeving te laten plaatsvinden. Er is geen harde norm of regel die zegt dat dit moet. Uitgangspunt is dat tandartszorg geleverd wordt in een ruimte waarin tandartszorg geboden kan worden. Dit kan ook een mobiele praktijkruimte zijn.
Uitgangspunt is ook dat – als het in het voordeel is van de cliënt – een uitzondering gemaakt kan worden en de tandartszorg wel op de eigen kamer plaatsvindt. Dit omdat een verplaatsing naar een behandelkamer voor veel mensen die Wlz-zorg in een verpleeghuissetting ontvangen, fysiek en/of psychisch belastend kan zijn. Behandeling in de vertrouwde omgeving is dan vaak de minst ingrijpende en meest passende vorm van zorg, waarbij er uiteraard grenzen zijn aan de mogelijkheden om dat ter plekke te doen. Vooralsnog ben ik van mening dat de huidige regelgeving afdoende is om excessen tegen te gaan.
Of de mondzorg in dit geval op een verantwoorde manier werd uitgevoerd hangt dus af van de context.
Is er toezicht op verpleeghuizen die het leveren van mondzorg staken of terugschroeven, en zijn hier overzichten van?
Bij de IGJ is geen informatie bekend over verpleeghuizen die mondzorg staken of terugschroeven, anders dan de recente berichtgeving in de media.
Bent u het eens met de conclusie dat mondzorg in deze situaties in de laatste levensfase gestaakt wordt, met alle mogelijke implicaties voor de gezondheid van dien?
Ik ben van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis.
Kunt u aangeven hoe groot de vergoeding (binnen het Wlz-tarief) voor tandzorg in een verpleeghuis is?
Alle kosten (m.u.v. het honorarium tandarts, de techniekkosten en de kosten voor narcose) die een zorgaanbieder moet maken om de mondzorg voor hun eigen cliënten te faciliteren zitten in het door de NZa vastgestelde tarief voor een zorgzwaartepakket (ZZP) verdisconteerd. Deze kosten zijn niet separaat geoormerkt en daardoor niet gespecificeerd in beeld. Ze zitten dus wel in het tarief, maar onbekend is hoeveel.
Hoeveel geld van het budget wordt «verdiend» als deze zorg achterwege blijft?
In het antwoord op vraag 11 heb ik aangegeven dat de kosten die zijn opgenomen in het ZZP-tarief niet gespecificeerd en daarmee zijn deze vragen niet te beantwoorden. Daarnaast ben ik van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd.
Heeft u inzicht hoeveel geld het in het geheel betreft door deze praktijken? Zo niet, bent u bereid dit te gaan onderzoeken, en op welke manier?
Zie antwoord vraag 12.
Welke acties gaat u nemen om dit in de toekomst te voorkomen?
Er bestaan meerdere richtlijnen specifiek gericht op de mondzorg. Dit zijn onder andere:
Verder is er de standaard wet- en regelgeving in de zorg en het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». De IGJ heeft op basis van de bestaande richtlijnen en wet- en regelgeving een toetsingskader opgesteld voor mondzorg in de verpleeghuizen en een toetsingskader voor taakdelegatie in de mondzorg.
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven heeft de NZa recent gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz. Ik ondersteun deze oproep van de NZa.
Hoe oordeelt u over de constatering dat er te weinig normen zijn voor het leveren van tandzorg aan deze kwetsbare groep?
Zie antwoord vraag 14.
Kan gesteld worden dat er wordt gehandeld in strijd met de Wlz, aangezien verpleeghuizen worden betaald tandartsen te faciliteren? Indien dat geld aantoonbaar niet daaraan wordt uitgegeven, wat zijn dan de consequenties? Moet dit geld teruggegeven worden?
In het Wlz-tarief zit ook een component opgenomen om de tandheelkundige zorg voor cliënten die verblijven in een instelling die ook de behandeling levert te kunnen bekostigen. Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangewezen is dat bedrag niet separaat geoormerkt. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is het afhankelijk van de context of de geboden zorg op de kamer van de bewoners verantwoord is.
Heeft u inzicht in de manier waarop mond- en tandzorg in het algemeen geleverd wordt in verpleeghuizen?
In 2015, 2016 en 2017 voerde de IGJ themabezoeken uit in verpleeghuizen gericht op mondzorg. Uit deze bezoeken kwamen over het algemeen positieve bevindingen. De inspectie bracht over deze bezoeken een factsheet uit en deelde deze met het veld.
De inspectie ontving afgelopen jaren een beperkt aantal meldingen over mond- en tandzorg in verpleeghuizen. Deze meldingen gaven in die periode geen aanleiding tot het intensiveren van het toezicht op de mondzorg in verpleeghuizen. De huidige aandacht en signalen geven hier wel aanleiding toe.
Kunt u aangeven wat er in werking is gezet sinds de vorige uitzending van EenVandaag over dit onderwerp, op 18 september 2025?
Ik bespreek dit signaal regelmatig in overleg met brancheorganisaties van aanbieders, zorgkantoren, IGJ en NZa. Ook de NZa heeft in een recent rapport (zie antwoord op vraag 2) aandacht gevraagd voor het ontwikkelen van doelmatigheidsnormen.
De aangekondigde social mediacontrole van de Amerikaanse overheid |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «VS wil sociale media controleren van alle aankomende reizigers: «Ook de gegevens van familieleden worden gevraagd»»?1
Ja.
Hebben de Amerikaanse autoriteiten u van de aangekondigde controles op de hoogte gebracht? Zo nee, wat zegt dat volgens u over de betrekkingen tussen Nederland en de Verenigde Staten?
Het nieuwsbericht gaat over een publieke consultatie door de Amerikaanse autoriteiten over een voorstel van «U.S. Customs and Border Protection» (CBP) om de informatieverzameling rondom ESTA-aanvragen te herzien. De Amerikaanse autoriteiten hebben hierover nog geen besluit genomen en het is nog niet duidelijk of – en in welke vorm – het voorstel zal worden geïmplementeerd.
Nederland is niet over deze publieke consultatie op de hoogte gebracht; dit is ook niet gebruikelijk.
Wat zijn de redenen dat de Amerikaanse autoriteiten deze controles willen uitvoeren? Vindt u deze redenen legitiem? Zo ja, waarom?
Het kabinet heeft geen aanvullende informatie over de Amerikaanse beweegredenen achter het voorstel.
Verwacht u dat dit moeilijkheden oplevert voor mensen die van plan waren het WK voetbal in 2026 te bezoeken? Zo ja, wat bent u van plan om daartegen te doen?
Zie het antwoord op vraag 2. Het kabinet monitort ontwikkelingen met betrekking tot de Amerikaanse inreisregels en zal Nederlandse reizigers bij relevante wijzigingen hierover informeren via het reisadvies.
Denkt u dat persoonsgegevens zoals DNA en Irisscans van Nederlandse staatsburgers veilig zijn in de handen van de Amerikaanse autoriteiten? Zo ja, waarom?
Het kabinet kan op dit moment niet nader ingaan op de eventuele gevolgen van de verschillende onderdelen van het voorstel, aangezien het nog niet duidelijk is of – en in welke vorm – het voorstel zal worden geïmplementeerd.
Denkt u dat het proportioneel is om van Nederlandse staatsburgers te eisen DNA en Irisscans af te laten nemen voorafgaand aan een vakantie naar de Verenigde Staten? Zo ja, waarom?
In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat landen biometrische gegevens vragen van bezoekers. Landen zijn vrij hierin hun eigen afweging te maken. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Vindt u de aangekondigde controles wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid uw zorgen kenbaar te maken bij de Amerikaanse autoriteiten?
De Amerikaanse autoriteiten hebben nog geen besluit genomen over het voorstel en het is nog niet duidelijk of – en in welke vorm – het voorstel zal worden geïmplementeerd. In algemene zin is het aan de Amerikaanse autoriteiten om hun inreisbeleid vorm te geven.
Zijn er Nederlanders die na 20 januari 2025 de toegang tot de Verenigde Staten is geweigerd vanwege hun uitingen op sociale media? Zo ja, heeft u de Amerikaanse autoriteiten daarop aangesproken?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is niet bekend met gevallen van Nederlanders na 20 januari jl. die de toegang tot de Verenigde Staten zijn geweigerd vanwege uitingen op sociale media.
Bent u het met GroenLinks-PvdA eens dat de sociale mediacontroles een beknotting zijn van de vrijheid van meningsuiting? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Welke consequenties heeft deze stap voor het visumvrij reizen voor Amerikaanse staatsburgers naar de EU?
Het starten van deze publieke consultatie heeft geen gevolgen voor het visumvrij reizen voor Amerikaanse staatsburgers naar de EU.
Bent u bereid om de controles met spoed aan te kaarten in de EU en met Europese partners gezamenlijk op te trekken tegen het aangekondigde beleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om in EU-verband of met Europese partners gezamenlijk op te trekken tegen het voorstel. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u de gestelde vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja
Het bericht ‘Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Register notariaat al maanden uit de lucht na kritiek van Autoriteit Persoonsgegevens (AP)»?1
Ja.
Wanneer raakte u op de hoogte van de klacht van de AP over het register voor het notariaat in de zin van artikel 5 van de Wet op het notarisambt en artikel 8 van het Besluit op het notarisambt? En wat is er namens u besloten nadat de klacht gegrond werd verklaard?
De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft op 28 januari 2025 aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) gemeld een brief van de AP te hebben ontvangen, waarna een dag later contact is geweest tussen het ministerie en de KNB over de inhoud van die brief. Vervolgens is in contact tussen JenV en de KNB op 3 februari 2025 besproken dat het niet in strijd met de wet zou zijn als de KNB (voorlopig) de mogelijkheid zou stopzetten om het register online te raadplegen. Ook is besproken dat het verstandig zou zijn te wachten op publicatie van de uitkomsten van het destijds nog lopende Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC)-onderzoek naar gegevensbescherming in openbare registers vóórdat de KNB verdere beslissingen zou nemen over het register. De KNB heeft daarna besloten de online toegang tot het register (voorlopig) te beëindigen en feitelijk uitvoering gegeven aan dat besluit.
Bent u van mening dat op dit moment in de praktijk uitvoering wordt gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt? Zo ja of nee, waarom?
Ja, op dit moment wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de Wet op het notarisambt. Een register blijft openbaar, ook wanneer de manier van toegang geven tot gegevens wijzigt of verschilt per doelgroep.2 Het niet online kunnen raadplegen van een register, maar het moeten aanvragen van gegevens door het invullen van een webformulier of per telefoon of post, is geen zodanige hindernis dat effectief de openbaarheid wordt belemmerd.3 Op de website waar voorheen de openbare gegevens van het register voor het notariaat online raadpleegbaar waren, vinden bezoekers nu informatie hoe zij die openbare gegevens kunnen verkrijgen.
Kunt u toelichten waarom namens u is besloten niet in beroep te gaan, waardoor de facto de Wet op het notarisambt niet correct wordt uitgevoerd en het voor mensen niet effectief mogelijk is de integriteit van notarissen te controleren?
De brief van de AP bevat een constatering en geen handhavingsbesluit, zodat een beroep niet aan de orde was. Overigens wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Hoe kan volgens u effectief worden gecontroleerd of notarissen inmiddels wel voldoen aan hun wettelijke verplichting hun nevenbetrekkingen openbaar te maken, nadat in 2024 bleek dat driekwart van de notarissen hun nevenbetrekkingen niet of niet juist heeft doorgegeven?
De controle op het nakomen door notarissen van hun wettelijke verplichtingen is een taak van het Bureau Financieel Toezicht (BFT). Sinds 2022 heeft het BFT de naleving van de verplichting van de notarissen om nevenbetrekkingen op te geven ook nadrukkelijk opgenomen in de reguliere toezichtonderzoeken. Ook wordt door het BFT op reguliere basis aan de hand van het handelsregister gecontroleerd of de inschrijvingen in het register notariaat overeenkomen met de registraties in het handelsregister.
Kunt u bevorderen dat het register zo snel mogelijk weer online komt te staan? Zo ja, welke stappen bent u voornemens hiertoe te zetten?
Voor een aantal wettelijke openbare registers in het domein van JenV is onderzoek uitgevoerd door het WODC4 naar de bescherming van persoonsgegevens. Het register voor het notariaat behoort niet tot de onderzochte registers, maar het in het WODC-onderzoek opgenomen kader voor het toetsen van de gegevensbescherming en de aanbevelingen voor verbetering zijn volgens de onderzoekers toepasbaar op alle openbare registers met persoonsgegevens.
De KNB is vanuit het JenV gewezen op de relevantie van dat WODC-onderzoek voor het beheer van het register voor het notariaat. Dit onderzoek biedt handvatten aan de registerhouder om een goede belangenafweging te kunnen maken tussen gegevensbescherming en de wijze van openbaarheid. Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 3 zullen door JenV geen stappen worden gezet om te bevorderen dat het register (geheel of gedeeltelijk) online te raadplegen is.
Bent u bereid een overzicht te verstrekken van alle overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP al dan niet tijdelijk offline zijn gehaald? Zo nee, waarom niet en kunt u in contact treden met de AP om een overzicht op te stellen?
JenV beschikt niet over een overzicht van alle overheidsregisters die offline zijn gehaald en kan daarom deze gegevens niet aan uw Kamer verstrekken. Voor de openbaarheid van een register is online toegankelijkheid geen noodzakelijke voorwaarde. Daarmee is er voor mij geen reden alsnog een overzicht te laten maken van overheidsregisters die naar aanleiding van kritiek van de AP offline zijn gehaald.
Bent u bereid te bevorderen dat klachten die de AP verstuurt naar bestuursorganen zo snel mogelijk openbaar worden gemaakt, zodat tijdig een weging van belangen kan plaatsvinden en bestuursorganen ook van elkaar kunnen leren? Zo nee, waarom niet?
Voor dit antwoord wordt ervan uitgegaan dat wordt gedoeld op klachten die de AP ontvangt, omdat het in de onderhavige zaak ging om een klacht van een betrokkene bij de AP en omdat de AP zelf geen «klachten» indient. Op grond van artikel 77 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kan iedere betrokkene een klacht indienen bij de AP over niet-naleving van de AVG. Volgens de in het bestuursrecht gebruikelijke terminologie moet een dergelijke klacht worden geduid als «verzoek tot handhaving» aan de AP.5 Een verzoek tot handhaving kan leiden tot een handhavingsbesluit. Openbaarmaking van handhavingsbesluiten is nu in beginsel verplicht op basis van artikel 3.1 Wet open overheid, tenzij de voorzieningenrechter ernstige twijfels heeft over de rechtmatigheid van het besluit. Volgens haar eigen beleidsregels over openbaarmaking publiceert de AP in beginsel alle handhavingsbesluiten, met uitzondering van berispingen.6
Het bericht dat APG meer dan 1000 banen schrapt voornamelijk in Heerlen. |
|
Judith Buhler (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Massaontslag APG harde klap voor personeel en regio» van L1 Nieuws d.d. 10 december 2025?1
Ja
Welke gevolgen, gezien het bredere patroon van grote ontslagen in Zuid-Limburg zoals eerder bij Nedcar en op Chemelot, ziet u voor de werkgelegenheid en economie in Zuid-Limburg?
In algemene zin is mijn verwachting dat de gevolgen voor de werkgelegenheid en economie beperkt blijven, hoewel het natuurlijk ingrijpend blijft voor mensen die het treft. Limburg heeft nu, maar zeker ook in de toekomst te maken met krapte op de arbeidsmarkt.
Bij het eerdere massaontslag bij VDL Nedcar had 90% van de 4000 ontslagen werknemers binnen een jaar een nieuwe baan.2 Een deel van de mensen die nog geen baan had gevonden zat in opleidingstrajecten om arbeidsmarktrelevante vaardigheden op te doen.
Het is nog onduidelijk wat het profiel is van mensen die hun baan bij APG gaan verliezen, maar gezien de krapte op de arbeidsmarkt, verwacht ik dat ook voor hen goede kansen op ander werk zijn.
Kunt u een inschatting geven in welke mate dergelijke ontslagen druk op de arbeidsmarktregioinfrastructuur in Zuid-Limburg opleveren? Kunt u daarbij ook ingaan op de druk op de arbeidsmarktregioinfrastructuur in Zuid-Limburg in vergelijking tot andere arbeidsmarktregio’s?
De inschatting is dat het massaontslag bij APG geen grote aanvullende druk zal opleveren op het Werkcentrum omdat:
De druk op de op de arbeidsmarktinfrastructuur is vergelijkbaar met andere regio’s. Ook in andere regio’s zijn massaontslagen, bijvoorbeeld de sluiting van Bandenfabriek Vredestein in Enschede en de reorganisatie bij Tata Steel in IJmuiden.
Is er naar uw oordeel de arbeidsmarktregio Zuid-Limburg voldoende uitgerust om te ondersteunen van werk naar werk? En welke extra druk brengen de eerdergenoemde grootschalige ontslagen daarbij mee?
Ja. De eerder genoemde grootschalige ontslagen bij VDL Nedcar hebben aanvankelijk extra druk met zich meegebracht. Door de krappe arbeidsmarkt en de periode waarover de reorganisaties plaatsvonden was en is deze druk goed op te vangen. Inmiddels hebben de meeste mensen al ander werk gevonden.
Kunt u aangeven welke impact het verdwijnen van dit soort banen op de sociaaleconomische ontwikkeling? En daarbij ook ingaan op het mogelijke «braindrain» effect?
APG neemt deze maatregel om zich aan te passen aan nieuwe economische omstandigheden. Wanneer in goed overleg met de getroffen werknemers sterk ingezet wordt op om- en bijscholing kan dit juist positieve effecten hebben voor de regio. Dat neemt niet weg dat op persoonlijk vlak het verliezen van je baan een grote impact heeft.
Een mogelijk braindraineffect is op dit moment niet in te schatten en hangt af van factoren die nu nog niet bekend zijn: welke banen verdwijnen, welke mensen verliezen hun baan (wel of niet inwoners van Zuid Limburg) en in hoeverre de mensen die het betreft wel of niet naar ander werk binnen of net buiten de regio begeleid kunnen worden. De regio wil talent voor de regio behouden en zal zich daarvoor inspannen.
Welke bredere economische kansen ziet het kabinet in Zuid-Limburg om deze ontwikkelingen te keren?
Regio Zuid Limburg zet in op een grensoverstijgende circulaire en innovatie (kennis)economie. In het kader van o.a. Regio Deals en het Nationaal Programma Vitale Regio’s werken Rijk en regio hierbij samen. Kansen doen zich bijvoorbeeld voor bij het benutten van grensoverstijgend economisch potentieel in chemie, life sciences & health, medtech en smart services/AI, bij de verdere ontwikkeling van de campussen in Maastricht, Geleen en Heerlen, bij de Einstein telescoop, bij de verduurzaming van Chemelot en bij de Limburg Defensie Agenda.
Bent u bereid een monitor te maken van de ontwikkeling van de sociaaleconomische status in Zuid-Limburg over de afgelopen 20 jaar?
Een nieuwe monitor maken heeft geen toegevoegde waarde omdat er al veel platformen en kennisbronnen zijn, mede in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio’s (NPVR). Zoals het Nationaal netwerk brede welvaart, de regionale leer- en kennisinfrastructuren (PLEK), en kennisbronnen zoals Zicht op wijken, Wijkwijzer, Leefbarometer, de Regionale monitor brede welvaart van het CBS en Regio in Beeld van UWV.
Bent u van mening dat het verdwijnen van overheidswerkgelegenheid in Limburg meer aandacht verdient? Indien ja, hoe gaat u dat concreet vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Het verdwijnen van overheidswerkgelegenheid uit regio’s, met name buiten de Randstad, heeft onze volle aandacht. Voor de spreiding van rijkswerkgelegenheid is in 2024 een kabinetsbrede aanpak vastgesteld en besproken met uw Kamer. De kabinetsinzet is erop gericht dat inwoners in heel Nederland bij de Rijksoverheid vertegenwoordigd zijn. Dat kan onder meer door overheidsdienstverlening verspreid over Nederland te organiseren en door medewerkers de mogelijkheid te bieden deels vanuit huis of een rijksontmoetingsplein in de regio te werken.
Over de acties die de afgelopen periode zijn ingezet, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Kamer op 19 september 2025 geïnformeerd.3 In de Kamerbrief wordt gemeld dat de rijkswerkgelegenheid in de provincie Limburg in 2024 met 2,6% is gegroeid. Op meerdere plekken in het land wordt gewerkt aan casussen om te komen tot een betere spreiding van rijkswerkgelegenheid. Daar zit ook een casus in Heerlen bij, met een forse investering in rijksvastgoed voor huisvesting van de Belastingdienst, het CIBG en het nieuwe Instituut Mijnbouwschade Limburg. Het Ministerie van BZK is tevens in gesprek met regionale bestuurders zoals de burgemeesters van Heerlen en Roermond over de kansen voor meer rijkswerkgelegenheid in Limburg.
Kunt u deze vragen één voor één en afzonderlijk beantwoorden?
Conform uw verzoek zijn bovenstaande vragen één voor één en afzonderlijk beantwoord.
Het niet naar behoren beantwoorden van vragen over het reguleren van versterkte gebedsoproepen |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom bedrijfsgevoelige informatie in de opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie zou verhinderen dat correspondentie tussen het ministerie en gemeenten, burgers en andere externe partijen (geanonimiseerd en waar nodig deels gelakt) aan de Kamer wordt verstrekt?
Voorafgaand aan opdrachtverleningen wordt eerst een offerteaanvraag opgesteld. Op basis daarvan verstuurt de opdrachtnemer een offerte, die vervolgens door de opdrachtgever wordt bevestigd. Alle opdrachten aan derde partijen worden afgesloten met één of meerdere eindproducten, bijvoorbeeld een eindrapportage. In een dergelijk eindrapportage is opgenomen hoe de opdracht tot stand is gekomen en welke resultaten er zijn behaald.
Bij de uitvoering van de opdracht worden de relevante stukken – voor zover mogelijk zonder bedrijfsgevoelige informatie en waar nodig gedeeltelijk gelakt – als bijlagen bij het eindproduct (de rapportage) openbaar gemaakt. De offerte, de offerteaanvraag en de dienstverleningsovereenkomst zijn reeds openbaar gemaakt bij de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ergin op 9 september 2025.1
Voor de start van de verkenning heeft er geen correspondentie plaatsgevonden tussen het ministerie (als opdrachtgever) en burgers of andere externe partijen.
Welke concrete passages in de opgevraagde correspondentie kwalificeert u als bedrijfsgevoelig, en op basis van welke wettelijke bepalingen concludeert u dat deze informatie in deze fase niet kan worden gedeeld?
Bedrijfsgevoelige informatie omvat veelal cijfermatige gegevens rondom (uur)tarieven, het aantal uren dat voor bepaalde werkzaamheden wordt besteed en de totale tijdsduur per onderdeel van de opdracht. Zoals hierboven vermeld wordt deze informatie – voor zover relevant – na afloop van de opdracht geopenbaard met inachtneming van het weglaten c.q. lakken van bedrijfsgevoelige informatie.
Waarom is het niet mogelijk om ten minste een inventarislijst van alle relevante documenten (correspondentie, memo’s, adviezen, e-mails en verslagen) te delen, zodat de Kamer kan beoordelen welke stukken onder bedrijfsgevoeligheid zouden kunnen vallen?
Een inventarisatielijst zal ik zo spoedig als mogelijk naar uw Kamer verzenden. Gelet op het enorme aantal documenten waarop een inventarisatie plaats moet vinden, zal dit echter veel tijd kosten. Mijn ambtenaren gaan aan de slag met het voorbereiden van deze stukken. Zodra deze stukken gereed zijn voor verzending, zal ik in ieder geval de volgende documenten aan uw Kamer doen toekomen:
Na afronding van het traject wordt de eindrapportage samen met de volgende bijlagen geopenbaard:
Kunt u bevestigen of verslagen, interne notities, analysememo’s of gespreksverslagen behoren tot de «overige relevante stukken» die volgens uw beantwoording pas na afronding van het traject openbaar worden gemaakt? Zo ja, waarom kunnen deze stukken niet eerder worden verstrekt?
In mijn antwoord op vraag 3 heb ik een overzicht gegeven van de relevante stukken die zo spoedig mogelijk verstrekt worden en daarmee openbaar zullen worden gemaakt. Tijdens dit intensieve traject, gericht op het boven tafel krijgen van alle door uw Kamer gevraagde informatie, is uiteraard veel intern e-mailverkeer geweest tussen betrokkenen. Dit interne e-mailverkeer behoort niet standaard tot de «overige relevante stukken» die na afloop van een traject openbaar worden gemaakt. Het betreft hier o.a. vergaderverzoeken, agenda’s voor overleggen en reacties op concepten.
De analyse van de 0-meting wordt door de opdrachtnemer opgesteld en als bijlage toegevoegd aan de eindrapportage. Interne notities, zoals agendaverzoeken, besprekingen van opgeleverde stukken en het bewaken van de voortgang van het traject, behoren eveneens niet tot de standaard openbaar te maken stukken.
Doordat de verschillende fasen van het traject niet altijd volgordelijk verlopen en verschillende doorlooptijden kennen, zijn de afzonderlijke gespreksverslagen per fase nog niet helemaal afgerond. Deze verslagen zullen wel onderdeel uitmaken van de bijlagen bij het eindrapport van de opdrachtnemer.
Wanneer acht u het traject volledig afgerond, en kunt u een concrete datum of fasering geven waaruit blijkt op welk moment de Kamer de volledige correspondentie wél kan ontvangen?
Dit traject omvat een zeer groot aantal documenten en (gespreks)verslagen, afkomstig uit verschillende, elkaar deels overlappende fasen. Door de betrokkenheid van een groot aantal (samenwerkings)partners, zoals gemeenten, leden van buurtorganisaties, moskeebesturen, experts en koepelorganisaties, is het niet altijd mogelijk om overlegmomenten ver vooruit in te plannen. Dit heeft geleid tot enige vertraging in het traject.
Als beoogde einddatum voor de afronding van het traject is eind mei 2026 voorzien. Daarna zal ik alle documenten delen met uw Kamer.
U verwijst naar tussentijdse resultaten van de nulmeting die «uiterlijk voor het einde van dit jaar» worden toegezonden. Betreft dit uitsluitend uitkomsten, of bent u bereid ook onderliggende documenten zoals vragenlijsten, gespreksformats en analysekaders te verstrekken?
De tussentijdse resultaten betreffen de uitkomsten van de 0-meting. Daarbij horen als onderliggende documenten de vragenlijst en een analyse van de ingestuurde antwoorden. De gespreksformats voor de verdiepende gesprekken volgen in de volgende fase van het traject. Zoals vermeld in het antwoord op uw vraag 3 zullen deze documenten onderdeel uitmaken van de eindrapportage.
U stelt dat verdiepende gesprekken worden gevoerd die geen buurtonderzoek vormen. Kunt u precies omschrijven welke criteria volgens u bepalen of een activiteit wél of niet als buurtonderzoek wordt beschouwd?
Tijdens de verdiepende gesprekken met gemeenten, lokale vertegenwoordigers van buurtbewoners en moskeeën, worden de eerste resultaten van de landelijke 0-meting besproken en wordt de lokale situatie in kaart gebracht. Deze gesprekken vinden plaats in kleine kring en zijn bedoeld om praktijkvoorbeelden te verzamelen over hoe er lokaal wordt omgegaan met versterkte gebedsoproepen.
Het betreft hier een selecte groep deelnemers, niet de hele buurt. Er wordt geen aanvullend onderzoek uitgevoerd of informatie uitgevraagd.
Worden van deze verdiepende gesprekken verslagen, notulen of samenvattingen gemaakt? Zo ja, waarom worden deze stukken niet met de Kamer gedeeld, gelet op hun rol in het formuleren van mogelijke beleidsmaatregelen?
Ja, zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Met hoeveel gemeenten, omwonenden en geloofsgemeenschappen zijn deze gesprekken gevoerd, op welke wijze zijn deelnemers geselecteerd en welke methodiek wordt gebruikt om de opgehaalde informatie te wegen?
Voor de verdiepende gesprekken zijn via verschillende kanalen circa 40 gemeenten benaderd om deel te nemen aan dit onderdeel van het traject. De selectie van deze gemeenten is gebaseerd op drie criteria: de grootte van de gemeente, geografische spreiding in Nederland en de aanwezigheid van versterkte religieuze geluidsuitingen.
Tot nu toe hebben in vier gemeenten verdiepende gesprekken plaatsgevonden. In de komende periode staat nog één verdiepend gesprek gepland in een andere gemeente. De overige gemeenten hebben om uiteenlopende redenen aangegeven niet deel te willen nemen aan deze verdiepende gesprekken.
Kunt u garanderen dat alle stukken die niet expliciet bedrijfsgevoelig zijn, waaronder gespreksverslagen, interne analyses, e-mailwisselingen met gemeenten en beleidsmemo’s uiterlijk tegelijk met de eindrapportage openbaar worden gemaakt?
Zoals ik heb uiteengezet in antwoord op uw vraag 3 zullen de bovengenoemde documenten zo spoedig mogelijk worden gedeeld met uw Kamer. Voor de volledigheid en gelet op de omvang van de overige documenten die niet in deze fase kunnen worden gedeeld, zullen deze bij de oplevering van de eindrapportage als bijlage worden toegevoegd.
Bent u bereid de juridische toetsing die ten grondslag ligt aan uw besluit om correspondentie niet te verstrekken, inclusief afwegingen onder artikel 68 Grondwet, met de Kamer te delen?
Zoals aangegeven ben ik bereid om alle relevante documenten en onderliggende stukken met uw Kamer te delen en daarmee te openbaren. Voor de volledigheid en gelet op de grote hoeveelheid, zullen de documenten die (nog) niet in deze fase worden gedeeld bij de oplevering van de eindrapportage als bijlage worden toegevoegd. Er is geen sprake van een weigering van informatie zoals bedoeld in de Beleidslijn actieve openbaarmaking 2022 zodat een juridisch oordeel bij een beroep op een verschoningsgrond van artikel 68 Grondwet niet aan de orde is. In dit kader verwijs ik ook naar de Verzamelbrief over artikel 68 van de Grondwet en de daarbij gevoegde bijlage, die de Minister van BZK op 20 juni 2025 aan uw Kamer heeft doen toekomen.2
Kunt u alle bovenstaande vragen separaat beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Politie tussen watermeloenen en Islamic Relief op halal-huishoudbeurs: ’Het is imagobuilding’' |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie tussen watermeloenen en Islamic Relief op halal-huishoudbeurs: «Het is imagobuilding»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de banner waarop de politie in uniforme dienstkleding wordt aangekondigd als «PARTNERSHIP ANNOUNCEMENT», geplaatst in een ontwerp dat duidelijk is vormgegeven in de kleuren en iconografie van de watermeloen, internationaal gebruikt als pro-Gaza-symbool?
Ik heb kennisgenomen van de online gedeelde uitingen waarin de politie in verband wordt gebracht met het Halal Village Festival en zodanig als partner wordt aangekondigd, waaronder uitingen met de door u geduide symboliek. De politie heeft mij laten weten dat het gestelde partnership vooraf niet bekend was en tevens onwenselijk is. De politie heeft hier lessen uit getrokken en zal in de toekomst scherper zijn op het gebruik van beeldmateriaal van de politie door derden. Zo is de uiting met watermeloensymboliek zonder toestemming van de politie geplaatst en daarom op verzoek door de organisatie verwijderd.
Klopt het dat de politie een grote, officieel ingerichte wervingsstand had op het Halal Village Festival, inclusief politiebanner met agenten, geplaatst te midden van uitgesproken activistische symboliek zoals watermeloenen (veelal gebruikt als signaal van anti-Israëlisch protest), en direct naast de omstreden organisatie Islamic Relief?
De plaatsing van de politiestand naast de stand van Islamic Relief is dit jaar toeval geweest. Hiervan was de politie niet op de hoogte gesteld en ook had zij hier zelf geen hand in.
In uitingen op sociale media is de neutraliteit van de politie door de organisatie van het Halal village festival in diskrediet gebracht door een politiefoto te omlijsten met de kleuren van de Palestijnse vlag en watermeloenen. Voor het gebruik van politie-uitingen zoals het gebruik van het logo of het beeldmerk van de politie gelden regels. Voor de aankondiging met de betreffende foto was door de politie geen toestemming gegeven en deze werd op verzoek van de politie direct verwijderd.
De politie evalueert haar deelname aan dit evenement en weegt hierbij de neutraliteit van de politie zwaar mee. Ook wordt er door de politie gewerkt aan richtlijnen die als kader dienen voor organiserende eenheden en teams om de afspraken met externe organisaties aan de voorkant te versterken.
Is deze vormgeving vooraf afgestemd, goedgekeurd of besproken met de politieleiding? Zo ja, welke overwegingen zijn gemaakt om dit beeldmateriaal te accorderen?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat deze afbeelding waarin de politie wordt gepresenteerd als activist voor de anti-Israëlbeweging de de neutraliteit en geloofwaardigheid van de politie schaadt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Aangezien de politie stelt dat de afbeelding waarmee het evenement de politie als «partner» aankondigde, zonder toestemming van de politie is bewerkt; kunt u toelichten op welk moment dit de politie bekend werd, en welke acties zijn ondernomen richting de organisatoren van het Halal Village Festival?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat Islamic Relief Nederland een prominente partner was van het Halal Village Festival, en dat deze organisatie in Duitsland is aangemerkt als verlengstuk van de Moslimbroederschap, en in de Verenigde Arabische Emiraten zelfs op de terreurlijst staat?
Islamic Relief Nederland staat vermeld als partner op de pagina van het Halal Village Festival. Dit is echter niet dezelfde organisatie als Islamic Relief Worldwide.
De Islamic relief die op de beurs stond heeft in Nederland een ANBI status, wat betekent dat zij erkend wordt door de Belastingdienst en dus transparant en controleerbaar is. Voor wat betreft Islamic Relief Worldwide en Islamic Relief Deutschland heeft de Duitse Bondsregering in een officiële beantwoording aan de Bondsdag vermeld dat deze organisaties volgens haar kennis beschikken over «significante persoonlijke relaties» met de Moslimbroederschap of daarmee verbonden organisaties. De Verenigde Arabische Emiraten heeft in 2014 bericht dat Islamic Relief op een door de VAE gepubliceerde terrorisme sanctielijst is geplaatst, hetgeen door de organisatie werd betwist.
Herinnert u zich dat toenmalig Minister Kaag in 2021, na overleg met de veiligheidsdiensten, de subsidierelatie met Islamic Relief heeft beëindigd vanwege zorgen over banden met extremistische netwerken? Acht u het dan gepast dat de politie zich op een evenement presenteert pal naast deze organisatie?
In 2021 is door toenmalige Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besloten geen subsidie te verlenen aan Islamic Relief. Daarbij is informatie ingewonnen bij onder meer andere donoren van Islamic Relief Worldwide.
Deelt u de zorg dat de politie met haar aanwezigheid op deze beurs de indruk wekt indirect legitimiteit te verlenen aan Islamic Relief, een organisatie waar het kabinet eerder bewust afstand van nam? Zo nee, waarom niet?
Het aangaan en onderhouden van relaties en samenwerken met burgers, sleutelfiguren en maatschappelijke partners uit alle groepen in de samenleving is essentieel voor goed politiewerk. De werving op deze, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving. Het is belangrijk dat dit gebeurt op een manier die geen afbreuk doet aan de neutrale en seculiere houding van de politie.
Vindt u het wenselijk dat politiemedewerkers, zichtbaar in uniform en met het politielogo, deelnemen aan een beurs waar een organisatie staat die door diverse landen en veiligheidsinstanties in verband is gebracht met de Moslimbroederschap? Past dat volgens u binnen het integriteits- en neutraliteitskader van de politie?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe beoordeelt u al het bovenstaande in het licht van de aangenomen motie Michon-Derkzen c.s. waarin de regering wordt verzocht ervoor te zorgen dat de gedragscode lifestyle-neutraliteit (Kamerstuk 29 628, nr. 1284) in alle facetten wordt nageleefd?
De motie Michon-Derkzen c.s. vraagt de regering erop toe te zien dat de gedragscode lifestyle-neutraliteit wordt nageleefd. Daaronder valt ook dat de politie alert is op contexten en communicatievormen die de schijn van partijdigheid kunnen wekken. De beroeps- en gedragscode vormt hierbij het uitgangspunt. Deze schrijft voor dat politiemedewerkers bij hun optreden in uniform geen uiting geven aan persoonlijke overtuigingen, religie of levensstijl. De korpsleiding ziet daarbij toe op de neutraliteit en op de juiste interpretatie en uitvoering van de beroeps- en gedragscode.
De politie evalueert haar deelname aan dit evenement. En weegt de neutraliteit van de politie hierbij zwaar mee. Ik zal de korpschef verzoeken te bezien of de interne toetsing- en of afwegingskaders rond publieke (wervings)optredens op evenementen voldoende houvast bieden om dit soort situaties te voorkomen. Ook wordt er door de politie gewerkt aan richtlijnen die als kader dienen voor organiserende eenheden en teams om de afspraken met externe organisaties aan de voorkant te versterken.
Hoe beoordeelt u het werven van politiepersoneel op basis van religie, namelijk op een beurs met religieus oogmerk? Ziet u zelf ook het verschil tussen doelgroepwerving en werving op religieuze gronden?
De politie zet in op werving en promotie van nieuwe medewerkers. De werving op deze beurs, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving.
Wat vindt u ervan dat een journalist die vragen stelde over de neutraliteit van de politie binnen enkele minuten werd geconfronteerd met leden van de organisatie, beveiliging en een verzoek om de zaal te verlaten? Ziet u het risico dat de politie door haar aanwezigheid op zo’n evenement wordt betrokken in situaties waarin kritische journalistiek feitelijk wordt verhinderd?2
Het is aan de organisatie van het betreffende evenement om zorg te dragen voor de veiligheid van haar bezoekers en zo nodig maatregelen te treffen als deze in het geding komt.
Kan u toezeggen dat de politie nooit meer aanwezig zal zijn op deze beurs?
Het is aan de politie om te bepalen op welke beurs zij staan om nieuwe medewerkers te werven. De politie weegt hierin mee of de neutraliteit van de politie kan worden behouden. De politie vindt het belangrijk om verschillende doelgroepen te bereiken voor de werving van nieuw personeel en de verbinding met de samenleving.
De korpschef heeft aangegeven deze casus te evalueren en waar nodig de afwegingskaders aan te scherpen, zodat deelname aan evenementen niet kan leiden tot (de schijn van) aantasting van de neutraliteit of het gezag van de politie. Uit dit voorval is in ieder geval gebleken dat politie aan de voorkant betere afspraken moet maken met de organisatie over het gebruik van het politiebeeldmateriaal. Hieruit heeft zij lessen getrokken.
De berichtgeving over de verwijdering van portretten van oud-ministers uit het ministerie van OCW en het kunstbeleid voor rijkskantoren |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat de (oudste) portretten van voormalige bewindspersonen die de hal van het Ministerie van OCW opluisteren worden verwijderd en plaatsmaken voor nieuwe kunst?1
Over een aantal jaar verhuist het Ministerie van OCW naar een nieuw pand met minder ruimte voor een galerijwand in de ontvangsthal. Bovendien wordt de collectie schilderijen van oud-bewindspersonen steeds groter: alleen al acht bewindspersonen in de laatste twee jaar. Ik ben geïnformeerd dat dit de aanleiding was om na te denken over de toekomstbestendigheid van de galerij.
Om alvast te anticiperen op de nieuwe omgang met de portrettencollectie en de ontvangsthal in de nieuwbouw is op een van de huidige wanden nieuwe kunst geëxposeerd.
Dit leidde tot Kamervragen en een WOO-verzoek over of overwegingen van diversiteit en inclusie bij het besluit om een deel van de huidige wand leeg te maken een rol speelden. Bij het toekomstbestendig maken van de groeiende collectie portretten heeft dit geen rol gespeeld. Bij de inrichting van de hernieuwde wand is ambtelijk ruim voor mijn aantreden de opdracht verstrekt om in de nieuwe, hedendaagse kunst de verbinding met het terrein van OCW en de samenleving te laten zien onder de noemer van inclusie.
Klopt het dat daarmee de volledigheid van de chronologie van de opvolging van bewindspersonen wordt doorbroken?
Het klopt dat alle portretten na de verhuizing niet meer tegelijkertijd op de oude manier getoond kunnen worden. De collectie met de oorspronkelijke portretten zal op mijn verzoek na de verhuizing prominent te zien zijn in de huisvesting van OCW. De collectie wordt aanvullend ook digitaal in samenhang chronologisch gepresenteerd.
Klopt het bericht in de Telegraaf dat een aantal van de oudste portretten vervolgens alleen nog zichtbaar zijn op een foto maar de kunstwerken zelf in een depot verdwijnen?
De oorspronkelijke portretten zullen op mijn verzoek na de verhuizing prominent te zien zijn in de huisvesting van het Ministerie van OCW.
Klopt het dat ook het portret van bijvoorbeeld voormalig Minister Victor Henri Rutgers, die een belangrijke rol speelde in het Verzet en slachtoffer was van het naziregime, wordt verwijderd?
Het portret van voormalig Minister Rutgers hing aan de eerste wand die is aangepast anticiperend op de nieuwe omgang met de portrettengalerij en de ontvangsthal in de nieuwbouw, zie het antwoord op vraag 1.
Waarom wordt dit gedaan en wat vindt u ervan?
Ik vind het jammer dat de portretten niet meer allemaal op de oude manier tentoongesteld kunnen worden in het nieuwe pand, maar heb er begrip voor dat er een andere vorm moet worden gevonden voor de groeiende collectie. Ik ben van mening dat het niet goed is als de portretten niet meer allemaal tentoongesteld zouden kunnen worden. De collectie met de oorspronkelijke portretten zal daarom op mijn verzoek na de verhuizing in de huisvesting van OCW prominent te zien zijn. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat het juist waardevol en wenselijk is om oud-bewindspersonen op deze manier te eren en de geschiedenis van het departement recht te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat deze herinrichting is uitgevoerd als onderdeel van een project tegen discriminatie en racisme en op welke manier volgt daaruit dat deze portretten weg zouden moeten? Vindt u de aanwezigheid van portretten van oud-bewindspersonen op de een of andere manier in strijd met doelstellingen van inclusie en diversiteit? Zo ja, hoe dan?
Nee het klopt niet dat de aanwezigheid van portretten van oud-bewindspersonen in strijd is met doelstellingen van diversiteit en inclusie. Voor de inrichting van de leeggemaakte wand in het huidige pand, heeft het ministerie een opdracht verstrekt aan FMH Kunstadvies. De opdracht is begeleid door het programma tegen discriminatie en racisme.
Klopt het dat deze wijzigingen zijn uitgevoerd na inbreng en advies van FMH Kunstadvies, de organisatie die het interdepartementale kunstbeleid uitvoert, het kunstadvies verzorgt en verantwoordelijk is voor de kunstinrichting van rijkskantoren in heel Nederland?
Dat klopt.
Welke ideologische aannames en overtuigingen liggen aan dit initiatief ten grondslag en op welke manier zijn die vastgesteld?
Het afwisselen van de tentoonstellingen van (delen van) een collectie is geen ideologisch statement.
Zijn er andere plannen om ook in andere Rijkskantoren de kunstinrichting te wijzigen op grond van vergelijkbare ideologische overwegingen, waarbij opnieuw de geschiedenis plaats zou moeten maken? Graag een toelichting.
Nee. OCW is betrokken bij het rijksbrede kunstbeleid, maar niet bij de kunstinrichting van andere Rijkskantoren.
Het bericht dat de Chinese overheid de namen van enkele medewerkers van inlichtingendiensten AIVD en MIVD heeft gepubliceerd |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Vincent Karremans (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe escalatie in Nexperia-vete: China publiceert namen Nederlandse spionnen» van 9 december jl. in de Volkskrant?1
Kunt u bevestigen dat er namen van AIVD- en MIVD-medewerkers bekend zijn gemaakt op een Chinese nieuwswebsite in Hongarije?
Onderschrijft u het feit dat deze actie vanuit China het gevolg is van uw handelen op het Nexperia-dossier?
Onderschrijft u het feit dat het opschorten van de maatregelen jegens Nexperia als «blijk van goede wil» tegenover China dus mogelijk niet genoeg is geweest om de situatie te de-escaleren?
Heeft u, diplomatiek of anderszins, gereageerd op deze Chinese provocatie?
Heeft u al zicht op een reis naar China om de diplomatieke banden te herstellen? Zo ja, wanneer gaat deze reis plaatsvinden en wat zal uw inzet zijn? Zo niet, waarom niet?
Hoe wapent u zich tegen mogelijke verdere vijandige acties vanuit China?
Wat doet u om hybride dreigingen zoals deze tegen te gaan?
Heeft u het idee dat het kabinet voldoende is geëquipeerd om te reageren op dit soort dreigingen waarbij diplomatieke, economische en militaire acties in elkaar overlopen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo niet, wat is er aanvullend nodig?
De toename van incidenten op de buslijnen van en naar Ter Apel en de beslissing om een gratis pendeldienst in te zetten tussen het azc in Ter Apel en station Emmen. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er een pendelbus speciaal voor asielzoekers rijdt tussen het asielzoekerscentrum (azc) in Ter Apel en station Emmen, georganiseerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de gemeenten Westerwolde en Emmen en gefinancierd door het Ministerie van Asiel en Migratie?
Bent u ervan op de hoogte dat er een stijging is te zien in zowel het aantal incidenten als de ernst ervan op buslijn 73 (Emmen–Ter Apel) en 74 (Emmen–Stadskanaal)?
Kunt u bevestigen dat zowel buschauffeurs als reizigers zich onveilig voelen op genoemde trajecten, zoals eerder ook door FNV Streekvervoer in een brandbrief is gemeld?
Kunt u een overzicht geven van alle incidenten op deze buslijnen in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar: aard van de incidenten, ernst van de incidenten, herkomst van de daders en de afhandeling – inclusief vervolging en opgelegde sancties?
Acht u het wenselijk dat de Rijksoverheid faciliteert dat asielzoekers – van wie een deel aantoonbaar voor ernstige veiligheidsproblemen zorgt – vrijelijk worden vervoerd van het azc in Ter Apel naar Emmen?
Vindt u het niet een fundamenteel problematische ontwikkeling dat de overheid een aparte gratis buslijn opzet, omdat een deel van de asielzoekers zich niet aan basale betalings- en gedragsnormen houdt, waardoor feitelijk niet de overtreders zich aanpassen aan de norm maar de norm aan de overtreders?
Bent u het eens met de stelling dat het onwenselijk is dat asielzoekers die nog geen verblijfsvergunning hebben, zich nog in hun procedure bevinden en volgens vervoerders en vakbonden voor veiligheidsproblemen zorgen, door de overheid gefaciliteerd vrij kunnen reizen naar Emmen, waar dit tot veiligheidsrisico’s leidt?
Indien u dit wel wenselijk acht, kunt u uitvoerig toelichten waarom u het noodzakelijk vindt om dit vervoer te faciliteren, ondanks de veiligheidsproblemen die dit ten gevolge heeft voor Emmen?
Bent u ermee bekend dat – ondanks de inzet van de pendelbus – de incidenten op de reguliere buslijnen blijven toenemen en dat deze maatregel geen structurele verbetering oplevert voor de veiligheid?
Bent u voornemens om aanvullende maatregelen te nemen om de veiligheid van buschauffeurs en reizigers op de reguliere buslijnen te waarborgen?
Indien het antwoord op vraag 9 bevestigend luidt, welke maatregelen zult u dan nemen?
Indien het antwoord op vraag 9 ontkennend luidt, waarom kiest u ervoor om geen aanvullende maatregelen te nemen?
Bent u het eens met de stelling dat er een veiligheidsrisico ontstaat, omdat asielzoekers zonder verblijfsvergunning, die zich nog in hun procedure bevinden en van wie de overheid onvoldoende weet wie zij zijn, vrij in Nederland kunnen rondreizen, waardoor het ontbreken van betrouwbare identiteitskennis direct bijdraagt aan de veiligheidsrisico’s?
De aanhouding van de moeder van Jalal Oba |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de moeder van Jalal Oba, een oudere vrouw, door de politie is aangehouden onder omstandigheden die volgens haar familie onnodig hard en disproportioneel waren?1
Ja.
Klopt het dat de moeder van Jalal Oba door de politie is aangehouden? Zo ja, kunt u bevestigen wanneer, waar, en onder welke omstandigheden deze aanhouding heeft plaatsgevonden?
Klopt het dat deze aanhouding heeft plaatsgevonden zonder duidelijke aanleiding en dat er sprake lijkt te zijn geweest van een buitenproportionele inzet van politiecapaciteit? Zo ja, hoe verklaart u dit?
Wat was de concrete aanleiding tot de aanhouding? Kunt u aangeven of er sprake was van een verdenking? Zo ja, op grond van welk wetsartikel?
Kunt u uitsluiten dat bij deze aanhouding sprake was van etnisch profileren, bewuste targeting of een vooringenomen houding tegenover mensen met een migratieachtergrond?
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus. Ik heb vertrouwen in de manier waarop politiemedewerkers hun taken uitvoeren. Zij doen hun werk op zorgvuldige en professionele wijze zonder daarbij onderscheid te maken tussen iemands afkomst, geloof of levensovertuiging. De Grondwet geldt hierbij als uitgangspunt en vormt het fundament voor de beroepsidentiteit van alle medewerkers. Ik zie geen reden om hieraan te twijfelen.
Klopt het dat de aanhouding op indringende wijze heeft plaatsgevonden? Zo ja, kunt u toelichten waarom dat noodzakelijk werd geacht?
Op basis van welke informatie of verdenking meende de politie te moeten overgaan tot arrestatie van een oudere vrouw? Kunt u de exacte juridische grondslag van het optreden toelichten?
Klopt het dat de moeder van Jalal Oba bij de aanhouding in een situatie terechtkwam die mogelijk een gevaar opleverde voor haar gezondheid en veiligheid? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren en hoe wordt dit onderzocht?
Is de politie bij deze aanhouding afgeweken van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals voorgeschreven in de Ambtsinstructie? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Ik kan niet ingaan op deze individuele casus. De politie is bevoegd om geweld te gebruiken als dat nodig is om haar doel te bereiken. Geweld is het ultimum remedium en wordt, indien mogelijk, pas aangewend als de-escalatie en waarschuwen niet afdoende zijn voor het bereiken van het beoogde doel. Daarbij is de politie gehouden aan de geweldsinstructie, vastgelegd in de Politiewet en de Ambtsinstructie, waarin ook de verplichting is opgenomen om iedere geweldsaanwending ter toetsing te melden. Bij elk optreden is het uitgangspunt dat de politie probeert een situatie zonder gebruik van geweld tot een goed einde te brengen (de-escalatie). De politie past alleen geweld toe in situaties waarin zij daartoe genoodzaakt is, als laatste redmiddel. Er gelden strenge regels voor het gebruik van geweld. Zo mag de politie bij het aanwenden van geweld niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de uitvoering van haar taken.
De wet- en regelgeving voorziet in verschillende procedures voor een onafhankelijk en onpartijdige beoordeling van een concrete geweldsaanwending door de politie. In de afgelopen maanden zijn deze procedures meermaals onder de parlementaire aandacht gebracht, met name in een aantal sets Kamervragen. Voor een uitgebreider overzicht van de in Nederland geldende procedures na politiegeweld, de specifieke kenmerken ervan en de kwaliteitswaarborgen die daarvoor gelden, verwijs ik u naar de beantwoording van betreffende Kamervragen.2
Is de moeder van Jalal Oba na de aanhouding gehoord en/of heengezonden zonder verdere maatregelen? Kunt u toelichten wat de uitkomst van de procedure was?
Zijn er klachten ingediend over de wijze van optreden van de politie in deze zaak? Zo ja, hoe worden deze momenteel onderzocht?
Bent u bereid een onafhankelijk extern onderzoek te laten verrichten naar de rechtmatigheid én de proportionaliteit van het politieoptreden in deze zaak? Zo nee, waarom weigert u onafhankelijk toezicht?
Wat doet u om te voorkomen dat mensen, en zeker ouderen, opnieuw slachtoffer worden van mogelijk onrechtmatig politiegeweld of discriminerend politieoptreden?
De regels waaraan de politie zich op grond van de Nederlandse wet- en regelgeving moet houden, in het bijzonder met betrekking tot de geweldsbevoegdheid, bieden reeds diverse waarborgen om onrechtmatig of onwenselijk handelen door de politie zoveel mogelijk te voorkomen.
Zo geldt op grond van de geweldsinstructie dat de politie gehouden is om bij iedere aanwending van geweld de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid in acht te nemen alsmede de inzetcriteria die de Ambtsinstructie verbindt aan de geweldmiddelen waarmee de politie is uitgerust. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de rechtsregels, maar ook de omstandigheden van het geval. In de afweging of het toe te passen geweld zal voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit houdt een politieambtenaar met alle feiten en omstandigheden rekening. Daaronder hoort ook de mate van kwetsbaarheid van een persoon. Daarmee wordt zoveel mogelijk rekening gehouden, passend binnen de eis dat geweld redelijk en gematigd is.
Tot slot geldt in het algemeen dat er in de politieorganisatie en bij politieambtenaren continu aandacht is voor het leren van het gebruik van geweld. Dit hoort bij het verantwoord omgaan met de bij wet toegekende geweldsbevoegdheid. De uitwerking hiervan is onder meer vastgelegd in de Stelselherziening Geweldsaanwending Opsporingsambtenaar.
Het bericht ‘AFM: Schade door oplichting met beleggingstrucs tien keer hoger dan gedacht’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Van piramide tot ijsberg: de onzichtbare omvang van beleggingsfraude in Nederland» naar aanleiding van een door de Autoriteit Financiële Markten uitgevoerd onderzoek?
Ja.
Deelt u de mening dat beleggingsfraude hard aangepakt dient te worden, zeker als het maatschappelijk wenselijk is dat er steeds meer mensen gaan beleggen zodat de Nederlandse en Europese concurrentiepositie worden verstevigd? Zo nee, waarom niet?
Ja. Beleggingsfraude kan aanzienlijke financiële en emotionele schade veroorzaken bij slachtoffers en ondermijnt het vertrouwen in de financiële markten. Wij onderschrijven dat dit zorgelijk is en vinden dat beleggingsfraude hard moet worden aangepakt. Ook omdat het – zowel op individueel als maatschappelijk niveau – wenselijk is dat Nederlandse huishoudens, die voldoende financiële buffers hebben en waar het past binnen hun risicoprofiel en -bereidheid, verantwoord meer gaan beleggen.
Wat is uw reactie op bovengenoemd rapport? Onderschrijft u de schatting in het rapport dat de omvang van beleggingsfraude mogelijk wel tien keer hoger is dan aanvankelijk gedacht?
Wij waarderen het dat de AFM met dit rapport aandacht vestigt op beleggingsfraude. Het rapport laat duidelijk zien dat beleggingsfraude in Nederland nog veel omvangrijker is dan gedacht. Het is van belang om beleggingsfraude aan te pakken en wij vinden het dan ook positief dat de AFM voorstellen doet om de aanpak van beleggingsfraude te verbeteren. De schatting dat de daadwerkelijke schade mogelijk tien keer hoger ligt dan aanvankelijk gedacht, is afkomstig uit het rapport. Het betreft een ruwe schatting van de AFM op basis van de geregistreerde omvang van beleggingsfraude in Nederland, een verwacht geregistreerd schadebedrag op basis van een internationale vergelijking en een correctie van dit bedrag voor de meldingsbereidheid van mensen. Wij kunnen de werkwijze en de daaruitvolgende schatting van de AFM goed volgen, maar het blijft een schatting en het is niet mogelijk om de omvang exact te bepalen.
Wat zijn volgens u momenteel de grootste problemen in het voorkomen van beleggingsfraude?
Volgens het rapport zijn er meerdere knelpunten die het voorkomen van beleggingsfraude bemoeilijken. Beleggingsfraude en nieuwe modus operandi ontwikkelen zich snel door toenemende digitalisering en internationalisering. Via socialemediaplatformen komen beleggers vaak voor het eerst in contact met fraudeurs. Ze worden verleid met hoge rendementen en bekende personen die vertrouwen creëren en de belegging aanprijzen in nepadvertenties. De AFM wijst dan ook op de verantwoordelijkheid van socialemediaplatformen en andere poortwachters in het voorkomen dat hun diensten worden misbruikt voor malafide doeleinden. Verder constateert de AFM dat de meldingsbereidheid onder slachtoffers laag is, onder meer vanwege gevoelens van schaamte en gebrek aan vertrouwen in het nut van melden. Daarnaast noemt het rapport dat er geen centrale en uniforme registratie is, waardoor meldingen versnipperd zijn over verschillende instanties en het totale beeld van het probleem onvoldoende duidelijk blijft. Beide factoren belemmeren gericht preventief en repressief handelen van instanties, terwijl dit beleggingsfraude deels zou kunnen voorkomen. Wij onderschrijven de knelpunten die de AFM in haar rapport beschrijft. Daarnaast benadrukken wij dat het van belang is dat beleggers- voordat zij een belegging doen -controleren of zij dat doen bij een instelling die daarvoor de vereiste vergunning(en) heeft.
Wat zijn volgens u momenteel de grootste problemen die repressief handelen tegen beleggingsfraude in de weg staan?
De belangrijkste knelpunten bij de voorkoming van beleggingsfraude (zoals hierboven genoemd) gelden ook als problemen die repressiein de weg staan. Daarnaast geldt voor repressief handelen specifiek dat het internationale en digitale karakter van beleggingsfraude het moeilijk maakt daders te traceren en te vervolgen.
Deelt u de mening dat de integratie van de huidige diverse meldpunten tot één meldpunt voor beleggingsfraude verstandig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid zich hiervoor in te spannen en op welke termijn zou dit dan gereed kunnen zijn?
Op dit moment kunnen wij niet beoordelen of de integratie van de huidige diverse meldpunten tot één centraal meldpunt voor beleggingsfraude verstandig en (juridisch) mogelijk is. De AFM heeft in het rapport opgeroepen tot overleg met ketenpartners en opsporingsdiensten over dit onderwerp om te onderzoeken of deze wens breder gedeeld wordt en, zo ja, hoe hier invulling aan gegeven kan worden. De AFM heeft ons laten weten hiertoe graag het initiatief te nemen. Wij ondersteunen dit initiatief van de AFM. Mede gezien de oproep van de AFM, zien wij op dit moment geen rol voor ons weggelegd in die gesprekken. Wel zullen wij bezien, indien nodig en mogelijk, welke ondersteuning te geven is aan eventuele vervolgstappen die hieruit voortvloeien.
Overweegt u aanvullende maatregelen tegen beleggingsfraude? Zo nee, waarom niet? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u?
Binnen de publiek-private samenwerking voor de integrale aanpak van online fraude werken verschillende publieke en private partijen samen, waaronder de Ministeries van Financiën, van Economische Zaken en van Justitie en Veiligheid, OM, politie, toezichthouders, financiële instellingen en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en consumentenorganisaties om uiteenlopende vormen van fraude te voorkomen, te signaleren en te bestrijden. Voor online beleggingsfraude zijn in 2025 met experts technische barrières en interventies ontwikkeld om online beleggingsfraude te voorkomen.1 Wij willen bezien of het naar aanleiding van voornoemde verkenning noodzakelijk is om aanvullende maatregelen te nemen tegen (online) beleggingsfraude. Daarbij zullen wij met de betrokken partijen optrekken.
Het voorkomen van antisemitische verstoringen van de Chanoekaviering in Amsterdam |
|
Annelotte Lammers (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangekondigde tegendemonstraties rondom de Chanoekaviering met voorzanger Shai Abramson op zondag 14 december 2025 bij het Koninklijk Concertgebouw in Amsterdam, waarbij antisemitische groepen oproepen tot acties die gericht zijn op het verstoren van deze Joodse viering?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de opvatting dat antisemitische groeperingen niet mogen verhinderen dat deze Joodse viering op waardige en veilige wijze kan plaatsvinden?
Het is niet aan het kabinet, maar aan het lokaal gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren, en waar nodig te beperken of in het uiterste geval te verbieden. Om een ongehinderde en veilige instroom van het Concertgebouw mogelijk te maken en ter voorkoming van wanordelijkheden had de burgemeester van Amsterdam besloten dat bij de ingangen van het Concertgebouw geen demonstraties mochten plaatsvinden. In dit geval heeft uiteindelijk de rechter bepaald dat een kleine groep demonstranten onder bepaalde voorwaarden toch mocht demonstreren bij het Concertgebouw. Andere demonstranten konden onder voorwaarden op het Museumplein demonstreren. Waar demonstranten zich niet aan deze voorwaarden hielden, heeft de politie direct opgetreden en aanhoudingen verricht. Het is aan het openbaar ministerie en aan de rechter om te bepalen of er sprake was van strafbare feiten.
Deelt u de zorgen van steeds meer Joodse Nederlanders die vrezen dat zij niet langer zonder risico een religieus-cultureel evenement kunnen bijwonen vanwege antisemitische demonstraties? Bent u bovendien bekend met de open brief van mevrouw Lia Flesschedrager, die een indringend voorbeeld schetst van deze angst doordat haar 88-jarige vader met vasculaire dementie en haar 87-jarige moeder mogelijk niet veilig de Joodse viering kunnen bereiken?4
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om, in overleg met de burgemeester van Amsterdam, alle noodzakelijke maatregelen te treffen om de veiligheid van bezoekers te garanderen en daarbij tevens te bespreken of het afkondigen van een noodverordening wenselijk is om antisemitische verstoringen te voorkomen, mede gezien eerdere antisemitische incidenten bij Joodse evenementen, zoals bij de opening van het Nationaal Holocaustmuseum?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden en wel uiterlijk vóór zondag 14 december 2025?
Helaas is dat niet gelukt. Op 9 januari jl. heb ik uw Kamer een uitstelbericht gezonden.
De uitvoering van de motie Dijk c.s. over één periodieke tandartscontrole per jaar vanuit het basispakket vergoeden |
|
Jimmy Dijk , Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Lager inkomen of opleiding? Grotere kans op kiespijn en kunstgebit»?1
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) monitort de mondgezondheid in Nederland en ziet dat de meeste Nederlanders (73% in 2023) hun mondgezondheid als goed ervaren, maar er zijn verschillen tussen sociaaleconomische groepen, waarbij lagere groepen het minder goed ervaren.2 De (financiële) toegankelijkheid van de mondzorg en het belang van preventieve mondzorg, zoals twee keer per dag poetsen met fluor, verdienen daarom aandacht.
Hoe kijkt u naar het feit dat één op de vijf mensen met een laag inkomen de tandarts mijdt vanwege de kosten?
We zien helaas dat circa 640.000 Nederlanders om financiële redenen niet regelmatig naar de tandarts gaan. Dit is natuurlijk onwenselijk, omdat dit kan leiden tot mondziekten en grotere problemen met de gezondheid. Ik merk op dat de financiële redenen vaak samengaan met andere redenen om de mondzorg te mijden (en dat het vaak begint met goede preventieve mondzorg). Het is daarom belangrijk dat een volgend kabinet de problematiek integraal bekijkt, waaronder de financiële toegankelijkheid van de mondzorg, en daarin keuzes maakt.
Deelt u de mening dat het een bizarre situatie is dat mondzorg nog steeds wordt behandeld als een luxeproduct, door het niet uit de basisverzekering te financieren, terwijl het enorm belangrijk is voor de mondgezondheid, de bredere gezondheid, de arbeidsparticipatie en het welzijn van mensen?
Ik deel noch de mening dat mondzorg «een luxeproduct» is, noch dat de mondzorg zo behandeld wordt. Ik ben wel van mening dat we moeten voorkomen dat we grote kostbare en minder gerichte maatregelen, zoals pakketmaatregelen, om de problemen bij een relatief kleine groep op te lossen. De gehele mondzorg in het basispakket heeft gevolgen voor de betaalbaarheid van de zorg en de zorgpremie, terwijl het gewenste effect «minder ongewenste zorgmijding», maar beperkt wordt behaald. Ik heb uw Kamer daarom op 10 december een brief gestuurd met daarin mogelijke gerichtere maatregelen3 ter overweging aan het volgende kabinet.
Zo ja, bent u bereid om mondzorg voortaan uit de basisverzekering te vergoeden? Zo nee, waarom hecht u zo weinig belang aan het belang van goede mondzorg voor iedereen?
Ik begrijp de vraag vanuit uw Kamer om meer mondzorg vanuit het basispakket te vergoeden. Ook ik hecht er veel waarde aan dat mensen in Nederland een goede mondgezondheid hebben. Het uitbreiden van het pakket met meer mondzorg is echter, zoals ik hierboven heb genoemd, een grote maatregel. Het Zorginstituut Nederland (hierna: Zorginstituut) is daarom gevraagd om te adviseren over een passende aanspraak op mondzorg. Uw Kamer is eerder geïnformeerd over de fases en de tijdlijnen van dit adviestraject.4 , 5
Daarnaast heb ik, mede gezien de roep om de aanspraak op mondzorg uit te breiden, aan het Zorginstituut gevraagd om versneld te toetsen of mondzorg voor volwassenen in beginsel voldoet aan de wettelijke criteria van de Zvw, een zogenaamde principiële toets. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in mijn brief van dd. 10 december 2025. Het Zorginstituut heeft geconcludeerd dat op preventie gerichte mondzorg in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. De op behandeling gerichte mondzorg voldoet in principe wel aan het ingangscriterium van de Zvw. Dit betekent niet dat het Zorginstituut nu al adviseert om op behandeling gerichte mondzorg in het pakket op te nemen. Om te bepalen welke mondzorg eventueel passend is voor het pakket weegt het Zorginstituut namelijk naast de wettelijke criteria ook de maatschappelijke pakketcriteria mee. Bovendien is besluitvorming over het uitbreiden van het pakket aan een volgend kabinet.
Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van met een zeer brede meerderheid aangenomen motie Dijk c.s., die de regering verzocht «om één periodieke controle per jaar vanuit het basispakket te vergoeden, en de kosten te dekken door actieve fraudebestrijding in de zorg en door zo spoedig mogelijk nieuwe medisch specialisten alleen nog in loondienst te nemen»?2
Ik heb in mijn brief van dd. 10 december 2025 toegelicht hoe ik de motie Dijk c.s. heb afgedaan. De voorgestelde dekking om (nieuwe) medisch specialisten in loondienst te brengen, is zeer onzeker vanwege de benodigde wetgeving die ingrijpt in eigendom. Deze is moeilijk te onderbouwen en moeilijk uitvoerbaar. Daarbij is er al een opdracht om op de beloning van medisch specialisten 150 miljoen te besparen.7Deze maatregel hangt daar mee samen. Bovendien heeft het Zorginstituut geconcludeerd dat de op preventie gerichte mondzorg zonder medische indicatie in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. Opname in het basispakket van de periodieke controle is dan ook vooralsnog niet aan de orde. Tot slot blijkt uit onderzoek dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben.8
Eén periodieke controle vergoeden vanuit het basispakket biedt daarom geen (volledige) oplossing voor de mensen die om financiële redenen de tandarts vermijden.
Waarom schreef u in antwoord op feitelijke vragen over deze motie dat het «aan het nieuwe kabinet [is] om te bezien of opname in het basispakket wenselijk is en hoe deze extra uitgaven financieel gedekt worden»?3 Waarom voert u dit besluit van een ruime Kamermeerderheid niet gewoon uit, aangezien deze motie heel duidelijk was over de opdracht en de financiële dekking daarvan?
In bovengenoemde brief aan uw Kamer heb ik toegelicht waarom ik de motie heb afgedaan. Ik zal dat normaals kort toelichten: De voorgestelde dekking om (nieuwe) medisch specialisten in loondienst te brengen, is zeer onzeker vanwege de benodigde wetgeving die ingrijpt in eigendom. Deze is moeilijk te onderbouwen en moeilijk uitvoerbaar. Daarbij is er al een opdracht om op de beloning van medisch specialisten 150 miljoen te besparen. Deze maatregel hangt daar mee samen. Bovendien heeft het Zorginstituut geconcludeerd dat de op preventie gerichte mondzorg zonder medische indicatie in principe niet voldoet aan het ingangscriterium van de Zvw. Opname in het basispakket van de periodieke controle is dan ook vooralsnog niet aan de orde. Tot slot blijkt uit onderzoek dat circa 40% van de mensen na een tandartscontrole nog aanvullende (curatieve) mondzorg nodig hebben. Eén periodieke controle vergoeden vanuit het basispakket biedt daarom geen (volledige) oplossing voor de mensen die om financiële redenen de tandarts vermijden.
Herinnert u zich de uitspraak van Minister-President Schoof tijdens de algemene beschouwingen «U heeft gelijk: die motie is aangenomen en heeft daarmee ook een duidelijk signaal afgegeven. We zullen de motie ter hand nemen – dat is logisch – en het op zo’n manier aanpakken dat het volgende kabinet alle bouwstenen heeft om hiermee verder te gaan. Op die manier hoop ik iets van beweging te krijgen.»? Is het kabinet inmiddels wel bereid om te erkennen dat de Kamer niet demissionair is en aangenomen moties niet kunnen worden overlaten aan het volgende kabinet?
Ja, dat herinner ik mij. Ik heb dan ook, zoals de Minister-President aangaf, de motie serieus in overweging genomen. Het was om bovengenoemde redenen niet haalbaar om de motie uit te voeren. Dit neemt niet weg dat ik het signaal dat er mensen zijn die om financiële redenen de tandarts mijden serieus neem. Ik zet mij nog steeds in om voor deze groep mensen tot een oplossing te komen.
Bent u bereid om deze vragen één voor één en voor de begrotingsbehandeling VWS te beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Rijkswaterstaat en ProRail slaan alarm: 'Achterstand onderhoud meer dan 50 miljard’' |
|
Björn Schutz (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Tieman , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL Nieuws waarin ProRail en Rijkswaterstaat waarschuwen dat de onderhoudsopgave zo groot is dat «het land op slot dreigt te gaan»?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe de achterstanden in het onderhoud van wegen, bruggen, waterwegen, spoor zijn verdeeld en hoe deze in de tijd zijn ontstaan?
Uit het Jaarverslag Mobiliteitsfonds 20242 blijkt dat het uitgesteld onderhoud voor Rijkswaterstaat (RWS) in 2024 is opgelopen tot € 2,16 miljard. Voor het hoofdwegennet bedraagt dit € 1,019 miljard, voor het hoofdvaarwegennet € 871 miljoen en voor het hoofdwatersysteem € 270 miljoen. Dit sluit aan bij de groeiende trend over de periode 2020–2023 en eerdere prognoses, waaronder de prognose uit de rapportage van Rebel Groep. De Kamer is hierover in juni 2024 geïnformeerd via de Kamerbrief «Verhogen productievermogen instandhouding Rijkswaterstaat-netwerken».3
Aan het oplopen van het uitgesteld onderhoud bij Rijkswaterstaat liggen meerdere oorzaken ten grondslag. Veel infrastructuur die aan het eind van de jaren «50 en «60 is gebouwd is aan vervanging toe en slijt sneller door intensiever gebruik en toename van zwaar verkeer. Daarnaast worden er vanuit klimaat, duurzaamheid en weerbaarheid nieuwe eisen gesteld aan de infrastructuur. Ook spelen wijzigende marktomstandigheden, onvoorziene gebeurtenissen die met hoge prioriteit moeten worden opgepakt, een beperkte beschikbaarheid van capaciteit bij Rijkswaterstaat en marktpartijen, evenals een tekort aan beschikbare middelen een belangrijke rol.
Door het toenemende uitgestelde onderhoud neemt de kans op storingen en beperkingen op de netwerken toe. Hierdoor moet er steeds meer worden geïnvesteerd in (kostbare) correctieve en levensduurverlengende maatregelen, wat leidt tot aanzienlijke kosten bovenop de geplande uitgaven. Ook drukt het andere geplande maatregelen naar achteren in de programmering. Als gevolg hiervan neemt de instandhoudingsopgave toe en komen de beschikbare budgetten steeds meer onder druk te staan. De Algemene Rekenkamer heeft berekend dat het tekort tussen het benodigde en beschikbare budget voor Rijkswaterstaat in de periode 2024–2038 € 34,5 miljard bedraagt4.
Op dit moment is er voor ProRail, op enkele plekken op de Havenspoorlijn na, geen achterstand op de exploitatie, het onderhoud en de vernieuwing (in de zin van vervanging). De Staat van de Infrastructuur ProRail 2024 laat zien dat de gemiddelde staat van het spoor als ruim voldoende wordt beoordeeld en dat veiligheid en betrouwbaarheid zijn geborgd. Tegelijkertijd staat dit niveau onder toenemende druk door veroudering van systemen, een stijgend aantal storingen en een oplopende vervangingsopgave. Uit de Kamerbrief «Bijgewerkt beeld financiële opgaven», die in juli 2025 aan de Kamer is aangeboden5, blijkt wel dat er een verschil is tussen budgetbehoefte en beschikbaar budget voor nog uit te voeren opgaven op het spoorwegennet in de periode t/m 2038. Een onderdeel daarvan betreft € 1,8 mld. voor het Basiskwaliteitsniveau spoor zoals berekend door de Algemene Rekenkamer6.
Naast de opgaven op instandhouding zijn er ook tegenvallers en risico’s op de aanlegportefeuille. Over de gehele opgave op het Mobiliteitsfonds is uw Kamer in juli 2025 geïnformeerd7.
Is er een lijst van de top-10 projecten die vanwege de technische staat binnen vijf jaar moeten zijn uitgevoerd?
Rijkswaterstaat en ProRail hanteren geen «top 10». Alle projecten zijn belangrijk en dragen bij aan de bereikbaarheid.
Op 8 december jl. is de Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat met de Kamer gedeeld. In deze rapportage wordt een overzicht gegeven van de infrastructuur waar beperkingen voor het weg- en scheepvaartverkeer zijn ingesteld, onderhoud is uitgesteld, een verhoogd inspectieregime van kracht is of waar in 2026 grootschalig onderhoud en vernieuwing is gepland. Het Meerjarenplan Instandhouding 2025–2030, dat in juli 2025 met de Kamer is gedeeld, biedt daarnaast inzicht in het gepland grootschalig onderhoud en vernieuwing voor 2027 en 2028. De planning kan gedurende deze jaren wijzigen door herprioritering, vertragingen of andere ontwikkelingen.
Bij prioritering van de werkzaamheden wordt onder meer gekeken naar beschikbaarheid van budget, beschikbaarheid van capaciteit, zowel bij Rijkswaterstaat als de markt, het belang van het object in het netwerk en de technische staat ervan. Ook wordt het werk afgestemd tussen RWS en ProRail en met andere (regionale) partners en stakeholders om hinder voor gebruikers zoveel mogelijk te beperken. Enkele voorbeelden van gepland grootschalig onderhoud en vernieuwing in het komende jaar zijn het groot onderhoud aan de Algerabrug, de vernieuwing van de Krammersluis, de Marijkesluis, de Brug over de Noord en de Papendrechtsebrug.
In het Masterplan ProRail 2027–20318 presenteert ProRail haar integrale programmering van projectmatige werkzaamheden aan het spoor. Dit plan bevat het overzicht van de noodzakelijke vervanging en uitbreidingsopgave voor het spoor. Enkele voorbeelden van gepland grootschalig onderhoud en vernieuwing in het komende jaar zijn de brug over het Amsterdam-Rijnkanaal, de Waalbruggen en Rijnbrug en bovenbouwvernieuwing op verschillende spoortrajecten zoals Amersfoort-Ede-Wageningen, Amsterdam Westerhaven en Flevolijn & Hanzelijn. In veel van de gepresenteerde uitbreidingsprojecten wordt tevens vervanging en herstelwerk geïntegreerd meegenomen.
Hebben Rijkswaterstaat en ProRail het onderhoudsareaal volledig in zicht of zijn er nog ontbrekende gegevens en data waardoor het tekort verder kan oplopen?
Rijkswaterstaat verbetert stapsgewijs het assetmanagement met als doel om de (areaal)informatie over de staat en het functioneren van de netwerken beter in beeld te krijgen. De ambitie van Rijkswaterstaat is om uiteindelijk te werken volgens de internationale standaard ISO-55001. De informatie moet uniform en samenhangend zijn en bijdragen aan het maken van de juiste keuzes. Zo kan RWS zijn keuzes onderbouwen en werkzaamheden helder prioriteren. De Tweede Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de voortgang aan de hand van het Ontwikkelplan Assetmanagement. De projectramingen kennen nog een onzekerheidsmarge passend bij de huidige projectfase, waardoor de projectkosten en het totale tekort nog kunnen oplopen.
ProRail heeft de assetmanagementsystematiek volgens PwC in lijn met de internationale standaard ISO-550009 ingericht en daarmee de assets goed in beeld. PwC stelt daarbij dat dit vertrouwen geeft dat de reeksen op een logische wijze tot stand zijn gekomen. Dit geeft daarmee ook vertrouwen over de hoogte van de door ProRail aangeleverde budgetbehoefte op basis waarvan het Basiskwaliteitsniveau spoor is opgesteld. Tegelijkertijd kan het inzicht in de exacte onderhouds- en vervangingsbehoefte altijd beter. Voor een deel van de infrastructuur zijn gegevens over de technische conditie en resterende levensduur niet volledig of onvoldoende actueel. Dat kan ook niet altijd, bijvoorbeeld bij kabels die onder de grond liggen. In die gevallen wordt gewerkt met algemene uitgangspunten over levensduur, om de vervangingsopgave vast te stellen en risico’s te onderbouwen. Daarnaast ziet ProRail dat bij de uitvoering van groot onderhoud of vervangingswerken het noodzakelijke herstel vaak groter is dan verwacht. Dat kan in de toekomst tot verdere kostenstijging leiden.
Zijn er onderhoudsprojecten ontstaan door technisch falen in operatie of gebruik van infrastructuur? Welke projecten zijn dit?
Veel infrastructuur in Nederland is aangelegd in de vorige eeuw en heeft meer te verduren door intensiever gebruik en steeds zwaarder verkeer dan waar destijds op werd gerekend. Daardoor is meer onderhoud en in diverse gevallen ook eerder vervanging nodig. Rijkswaterstaat en ProRail hanteren daarom een streng inspectiebeleid, waarbij veiligheid altijd voorop staat. Bij inspecties kunnen onvoorziene situaties aan het licht komen, zoals bij de viaducten op de HSL-Zuid. Incidenteel doen zich situaties voor die niet bij een inspectie aan het licht zijn gekomen. Voorbeelden van dergelijke situaties zijn de omhooggekomen tunnels (Prinses Margriettunnel in de A7 en Vollenhoventunnel in de A28), de ontdekking van waterstofverbrossing in beton (naar aanleiding van de ingestorte Carolabrug in Dresden, Duitsland) en de ontwerpfouten in het verleden bij tand-nokverbindingen in bruggen en viaducten. Ook komt het voor dat objecten op een andere manier beschadigd raken. Voorbeelden zijn aanvaringen van bruggen, zoals de afgelopen jaren is voorgevallen op de Hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl, evenals schade door weersomstandigheden zoals de verzakking van het spoor in Zeeland een aantal jaar geleden.
Welke problemen gaan de huidige onderhoudsachterstanden vormen die niet alleen een financiële uitdaging zijn, maar vooral te maken hebben met capaciteit, planning en samenwerking binnen de keten?
Door uitgesteld onderhoud en uitgestelde vernieuwing bij Rijkswaterstaat neemt de kans op storingen en beperkingen op de netwerken toe. Het gevolg hiervan is dat er steeds meer zal moeten worden geïnvesteerd in (kostbare) correctieve en levensduurverlengende maatregelen, in plaats van planmatige en preventieve maatregelen. Deze beheersmaatregelen zullen tot meer hinder voor gebruikers leiden. Bovendien leidt het tot aanzienlijke extra kosten bovenop de geplande uitgaven en drukt het andere geplande maatregelen naar achteren in de programmering. Daarnaast moet er capaciteit worden ingezet die beoogd was om andere maatregelen uit te voeren. Als gevolg hiervan veroudert de infrastructuur verder en nemen de kosten voor instandhouding toe. Hierdoor komen de budgetten en capaciteit steeds verder onder druk te staan.
Verhoging van de productie op instandhouding is nodig om deze ontwikkeling te keren. Uit de recent met de Kamer gedeelde Staat van de Infrastructuur10 en Meerjarenplan Instandhouding11 blijkt dat Rijkswaterstaat binnen het huidige financiële kader niet in staat is om alle projecten uit te voeren die nu in voorbereiding zijn wegens een gebrek aan financiële middelen. Dit zet een rem op de productieverhoging.
Het is aan het nieuwe kabinet om te beslissen over de toekomstige omgang met de infrastructuurnetwerken van zowel Rijkswaterstaat als ProRail. De beschikbaarheid van voldoende structurele middelen is daarvoor een randvoorwaarde. Het alternatief is dat de prestaties van de netwerken naar beneden moeten worden bijgesteld in termen van bereikbaarheid, doorstroming en hinder. Op langere termijn raakt een slechter functionerende infrastructuur aan de welvaart en het welzijn van alle inwoners. Het is van invloed op de veiligheid van de kwetsbare delta en heeft gevolgen voor het vestigingsklimaat en ons concurrentievermogen. Laatstgenoemde komt doordat de verbinding van vitaal economische functies zoals werk, goederen, onderwijs en wonen in het gedrang komen.
Welke concrete proces- en planningsverbeteringen zijn de afgelopen jaren doorgevoerd om onderhoud efficiënter te organiseren zonder dat daar extra financiële middelen voor nodig waren?
Het Ministerie van IenW en Rijkswaterstaat werken sinds 1 januari 2024 op basis van een meerjarenafspraak, waarbij de prestaties en bijbehorende budgetten meerjarig (t/m 2030) zijn afgesproken. Het Basiskwaliteitsniveau (BKN RWS) vormt hiervoor het uitgangspunt. Om het onderhoud efficiënter te organiseren heeft Rijkswaterstaat de volgende initiatieven opgestart:
Deze initiatieven staan meer uitgebreid beschreven in het Meerjarenplan Instandhouding 2025–2030 van Rijkswaterstaat dat op 1 juli 2025 naar de Kamer is gestuurd.12
Het Ministerie van IenW en ProRail hebben in 2024 het Basiskwaliteitsniveau spoor (BKN spoor) uitgewerkt en afspraken gemaakt voor de periode 2026–2037 (inmiddels verlengd tot 2039)13. Het BKN spoor vormt het uitgangspunt voor een efficiënte, duurzame en maakbare instandhoudingsinzet binnen de beschikbare budgetten, waarbij de veiligheid en betrouwbaarheid van het spoornetwerk zijn geborgd. ProRail is na vaststelling van het BKN gestart met de uitwerking en implementatie van maatregelen voor zowel de korte termijn (t/m 2030) evenals de lange termijn (2031–2037). Dit omvat onder andere efficiëntiemaatregelen op het eigen apparaat, maar ook efficiëntiemaatregelen op de werkwijze bij het onderhoud, zoals meer overdag werken. De jaarlijkse subsidiecyclus voor instandhouding werkt net als bij Rijkswaterstaat als een voortrollend meerjarenprogramma waarbij steeds t/m einde looptijd MF (+ 1 jaar) vooruit wordt gekeken.
Welke aanvullende optimalisaties kunnen op korte termijn worden ingevoerd om de achterstanden sneller terug te dringen?
Productieverhoging is nodig om de achterstanden sneller terug te dringen. Naast doorzetten van de ingeslagen weg (zie vraag 7), het creëren van rust, regelmaat en voorspelbaarheid richting de markt en de voortdurende inzet op samenwerking en innovatie, is tijdige (financiële) besluitvorming een randvoorwaarde. Om de voordelen van de portfolioaanpak ten volle te benutten, is er zekerheid nodig over voldoende financiële middelen in de begroting voor de gehele looptijd van zowel het Deltafonds als Mobiliteitsfonds. De besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Zoals bij het antwoord op vraag 2 is aangegeven is er op dit moment – op enkele plekken op de Havenspoorlijn na – geen achterstand op de exploitatie en onderhoud van de Nederlandse spoorweginfrastructuur. Voor het aanpakken van de achterstanden op de Havenspoorlijn is het programma Zee-Zevenaar ingericht. Daarnaast stuurt ProRail met het Masterplan «Integrale programmering van projectmatig werk aan het spoor» vroegtijdig op het integraal programmeren van het projectenportfolio en het maakbaar realiseren van de instandhoudingsopgave en nauwe samenwerking met aannemers. Hiermee wordt de maakbaarheid vergroot en worden mogelijke achterstanden in de toekomst zo veel mogelijk voorkomen.
Welke maatregelen neemt u om ondanks de schaarste aan technisch personeel meer werk in dezelfde tijd te kunnen uitvoeren?
De krapte op de arbeidsmarkt dwingt partijen in de infrasector ertoe om in te zetten op (proces)innovaties om de productiviteit te verhogen. Rijkswaterstaat is ermee gestart om gelijksoortig werk, bijvoorbeeld werk aan tunnels, sluizen, bruggen en viaducten, gebundeld naar de markt te brengen en standaardisatie hierin door te voeren. Andere sporen waarop Rijkswaterstaat inzet om de productiviteit te verhogen zijn kennisontwikkeling, digitalisering en automatisering. Ook past Rijkswaterstaat de komende jaren de interne organisatie aan om te zorgen dat de beschikbare capaciteit beter wordt ingezet en de productie verder kan worden verhoogd.
Met het Masterplan «Integrale programmering van projectmatig werk aan het spoor» helpt ProRail de sector en aannemers om zich voor te bereiden op het werk dat op de markt komt. ProRail organiseert de vervangingsopgave meer in langdurige contracten met aannemers. Dit maakt het mogelijk om het werk meer repeterend in te richten, wat leidt tot een hogere efficiëntie. Denk hierbij aan gebiedsgerichte realisatiecontracten voor bovenbouwvernieuwing. Daardoor heeft de aannemer een grotere stimulans om personeel aan zich te binden. Daarnaast werkt ProRail meer aan standaardisatie van technische systemen zodat er deels pre-fab gebouwd kan worden en minder op piekmomenten in het spoor hoeft te worden gewerkt. Meer standaardiseren van techniek leidt ertoe dat de ontwerpintensiteit afneemt. Een voorbeeld hiervan is het modulaire onderstation.
Hoe wordt geprioriteerd welke trajecten of objecten het eerst worden aangepakt binnen de bestaande middelen, en welke criteria worden daarbij gehanteerd?
Rijkswaterstaat en ProRail werken op basis van een meerjarenprogramma waarin projecten worden geprioriteerd. Bij prioritering van de werkzaamheden van RWS wordt onder meer gekeken naar het belang van het object in het netwerk en de technische staat ervan, de beschikbaarheid van capaciteit bij zowel RWS als de markt én de beschikbaarheid van budget. Binnen het huidige beschikbare budget is het programmeren van nieuwe vernieuwingsprojecten inmiddels alleen nog mogelijk door de uitvoering van andere noodzakelijke vernieuwingsprojecten te vertragen of uit te stellen. Daardoor is er sprake van verdringing in de programmering en kunnen een aantal projecten die in voorbereiding zijn niet in uitvoering worden genomen.
ProRail prioriteert het onderhoud op basis van de ProRail-risicomatrix. Hierbij worden risico’s gewogen op basis van fysieke veiligheid, beschikbaarheid van assets, compliance, duurzaamheid, impact voor omwonenden, reizigers of andere stakeholders én financiën. Ook wordt het werk afgestemd tussen Rijkswaterstaat en ProRail én met andere (regionale) partners en stakeholders om hinder voor gebruikers zoveel mogelijk te beperken.
Welke digitale of innovatieve onderhoudsmethoden kunnen volgens u helpen om de achterstanden sneller in te lopen zonder meer geld?
Het is onmogelijk om de achterstanden volledig in te lopen zonder voldoende financiële middelen. Wel werkt Rijkswaterstaat samen met marktpartijen en onderzoeksinstellingen aan een kennis- en innovatieprogramma om de instandhoudingsopgave sneller, goedkoper, duurzamer, met minder capaciteit én met zo min mogelijk hinder te kunnen uitvoeren. Het meeste wordt verwacht van overbruggingsstrategieën (infrastructuur werkend houden tot het moment van vernieuwing), levensduurverlenging (bijvoorbeeld «verjongingscrème» voor asfalt) en het werken met portfolio’s waarmee gelijksoortig werk gebundeld naar de markt wordt gebracht en wordt gestandaardiseerd. Ook wordt onderzocht op welke manieren digitalisering, AI en robotisering kunnen helpen om werkprocessen te vereenvoudigen en te optimaliseren.
ProRail onderzoekt de meerwaarde van innovatieve onderhoudsmethoden. Zo werkt ProRail sinds kort met beeldinspecties die door AI beoordeeld worden op potentiële afwijkingen. Vervolgens worden de beeldinspecties voorgelegd aan inspecteurs van ProRail ter validatie en beoordeling. Hiermee vergroot ProRail de reikwijdte van zijn inspecteurs. Wel geldt bij de ontwikkeling van innovaties een minimaal vereiste van een kostenneutrale of positieve business case, om daarmee binnen de kaders van beschikbare financiering te blijven.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang bij het verkorten van doorlooptijden en het wegwerken van achterstanden, met nadruk op procesverbeteringen en efficiencywinst?
In het Jaarverslag Mobiliteitsfonds 202414 wordt er gerapporteerd over de omvang van het uitgesteld onderhoud bij Rijkswaterstaat. Aan de hand van deze cijfers wordt inzicht verschaft in hoeverre de onderhoudsachterstanden worden weggewerkt.
Daarnaast wordt er in het Jaarverslag Mobiliteitsfonds gerapporteerd over de financiële omvang van de gerealiseerde productie voor instandhouding bij Rijkswaterstaat en ProRail. In de Kamerbrief «Rapportages Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail 2024» die op 8 december met de Kamer is gedeeld15, is toegezegd om de Kamer op korte termijn te informeren over de wijze waarop de materiële productiegroei bij Rijkswaterstaat inzichtelijk wordt gemaakt zodat het onderscheid met de prijsstijgingen zichtbaar is.
Via de Staat van de Infrastructuur ProRail en op reguliere begrotingsmomenten wordt de Kamer over de voortgang van de instandhoudingsopgave van de spoorweginfrastructuur geïnformeerd.
Hoe gaat u de extra hinder meer inclusief managen voor de omgevingen, regionale economieën en ondernemers?
Hinder als gevolg van de werkzaamheden is in veel gevallen onvermijdelijk. De hinder op het hoofdwegennet wordt zoveel mogelijk beperkt door het toepassen van de hinderaanpak; een gestructureerde methode om verkeersoverlast te verminderen. De hinderaanpak is gestoeld op drie pijlers; slim plannen, slim bouwen en slim reizen. Slim plannen betekent dat werkzaamheden waar mogelijk worden gecombineerd en worden afgestemd met andere wegbeheerders en ProRail. Slim bouwen betekent dat werkzaamheden in één keer worden uitgevoerd en dat de voorkeur uitgaat naar volledig afsluiten van de weg in plaats van langdurig gefaseerd werken. Slim reizen betekent dat weggebruikers tijdig duidelijk worden geïnformeerd en op de hoogte zijn van alternatieve manieren om te reizen. Toepassen van alleen de hinderaanpak vanuit de infrabeheerders zal niet afdoende zijn. Er wordt ook ingezet op de denkkracht en flexibiliteit van omgeving en ondernemers om bij te dragen aan het beperken van de hinder.
ProRail houdt bij de meerjarige programmering van werkzaamheden op het hoofdspoorwegennet zo veel mogelijk rekening met het beperken van herhaaldelijke hinder voor reizigers en goederenvervoerders op specifieke lijnen en in regio’s. Onevenredige hinder wordt waar mogelijk voorkomen. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk dat in bepaalde situaties tijdelijk meer hinder optreedt op de ene locatie dan op de andere. De ervaring van de afgelopen jaren laat zien dat tijdige en duidelijke communicatie essentieel is om overlast te beperken. ProRail past deze lessen, onder meer opgedaan bij eerdere grootschalige buitendienststellingen, structureel toe in de communicatie over geplande werkzaamheden.
Is het denkbaar dat projecten meer integraal in plaats van op zichzelf worden beschouwd qua planning in de jaarkalender, en meer structureel in lijn met belangen van stakeholders?
De planning van werkzaamheden vindt al integraal plaats. In intensieve afstemming tussen infrabeheerders, zowel landelijk als regionaal, wordt gezocht naar maakbare uitvoering van projecten. De maakbaarheid wordt ingekaderd door budget, geografische mogelijkheden, de staat van het object, stikstofruimte, capaciteit bij RWS, ProRail en marktpartijen én mogelijkheden om werkzaamheden te combineren. Een voorbeeld hiervan is het in samenhang plannen van onder meer het werk aan de bruggen en tunnels in de regio Rotterdam-Rijnmond. De uitvoering van projecten is ook in het belang van stakeholders, maar gaat in veel gevallen gepaard met hinder voor de omgeving. Dit kan gevolgen hebben voor de economische en sociale structuur van een gebied.
Met het Masterplan «Integrale programmering van projectmatig werk aan het spoor» stuurt ProRail vroegtijdig op het integraal programmeren van het projectenportfolio en het maakbaar realiseren van de instandhoudingsopgave en samenwerking binnen de keten.
Deelt u de mening dat als mitigerende maatregelen in natura ontoereikend zijn om de onevenredigheid van nadeel voor bepaalde sectoren te voorkomen, en overlastsituaties over een langere periode een meer structureel karakter krijgen, bijvoorbeeld door opvolgende projecten op hetzelfde traject, een andere compensatiestelsel wenselijk is dan de vigerende nadeelcompensatieregeling(en), die vooral bedoeld zijn voor incidenteel nadeel?
Door de intensivering van instandhoudingswerkzaamheden door Rijkswaterstaat en ProRail, is hinder voor gebruikers in veel gevallen onvermijdelijk. Beide organisaties proberen de hinder zoveel mogelijk te beperken. Niet alleen heeft hinder nadelige gevolgen voor gebruikers, het kan ook leiden tot schade voor burgers, bedrijven en/of organisaties. Om dit te voorkomen, zetten Rijkswaterstaat en ProRail mitigerende maatregelen in.
Indien er toch schade of nadeel door een RWS-project wordt ondervonden, kunnen gedupeerden die onevenredig zwaar worden getroffen nadeelcompensatie aanvragen. De aanvragen nadeelcompensatie worden per schade-oorzaak zorgvuldig behandeld door een onafhankelijke adviescommissie. In de beoordeling van de aanvraag worden de aard en duur van de schade meegewogen. Binnen dit kader bestaat tevens de mogelijkheid om rekening te houden met langdurig of blijvend nadeel.
ProRail volgt de geldende afspraken met Rijk en de sector over compensatie door werkzaamheden, zoals vastgelegd in de Netverklaring van ProRail. Ik zie daarom geen aanleiding om een ander compensatiestelsel te introduceren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan de behandeling van de begroting?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het NGO Monitor-rapport |
|
Gidi Markuszower (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het NGO Monitor-rapport (hierna: rapport)1, waaruit blijkt dat de internationaal en nationaal geïndiceerde Palestijns-Islamitische terreurgroep Hamas vóór 7 oktober een uitgebreid systeem heeft opgebouwd om humanitaire organisaties te controleren, te infiltreren en te manipuleren, inhoudende dat vertrouwelingen bij met EU-geld gefinancierde ngo’s in Gaza op sleutelposities (bijvoorbeeld bestuursvoorzitter, directeur, onderdirecteur, etc.) werden gestationeerd?2
Ik ben bekend met het rapport.
Hoeveel geld heeft Nederland vanaf 2015 via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen overgemaakt naar de in het rapport bij naam genoemde organisaties? Graag een gedetailleerde specificatie, uitgesplitst naar jaar en organisatie.
Zowel de resultaten als de bedragen per gesteunde organisatie zijn te vinden in het webportaal nlontwikkelingshulp.nl. Het webportaal voor ontwikkelingshulp is zo transparant mogelijk over Nederlandse ontwikkelingsprojecten en bevat ook verantwoordingsinformatie van onze partners. Besluiten om organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen (bijvoorbeeld via zogeheten Organizational Risk and Integrity Assessments).
Van de organisaties die worden genoemd in het rapport zijn er vanuit de gehele BZ- en BHO-begrotingen alleen directe ODA-contracten geweest in de genoemde periode met International Medical Corps, Norwegian Refugee Council, Handicap International, Mercy Corps en Oxfam. De activiteiten met deze organisaties kwamen ten goede aan meerdere landen, waaronder Afghanistan, Irak, Jordanië, Kenia, Laos, Libanon, Nigeria, de Palestijnse Gebieden, Senegal en Syrië.
2015
423.434
2016
1.757.500
2.729.391
25.066.678
2017
489.877
504.000
4.106.468
16.447.989
2018
88.434
900.000
488.400
2.856.647
15.568.000
2019
461.011
620.500
2.310.261
13.946.333
2020
912.931
63.989
458.350
2.133.993
25.546.144
2021
6.191.607
733.562
445.312
6.117.483
2022
2.970.395
202.819
274.546
164.666
34.692.391
2023
2.676.117
39.621
831.250
26.542.085
2024
763.425
489.967
421.788
24.854.128
Hoeveel geld heeft Nederland vanaf 2015 via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen overgemaakt naar de Palestijns-Arabische bevolking, de Palestijnse Gebieden, de Palestijnse autoriteit, de Westoever en/of Gaza en NGO’s actief in de Palestijnse Gebieden? Graag een gedetailleerde specificatie, uitgesplitst naar jaar en organisatie.
Vanaf 2015 tot en met 2025 is er van de BZ- en BHO-begrotingen in totaal 348 miljoen euro in ODA-gelden direct ten goede gekomen aan activiteiten voor de Palestijnse Gebieden.
2015
20.299.408
2016
20.607.310
2017
23.185.882
2018
20.956.949
2019
24.935.692
2020
22.568.401
2021
29.348.275
2022
23.724.577
2023
21.634.549
2024
53.861.486
2025
63.381.514
Hoeveel geld heeft Nederland, na wijziging van de begrotingsstaat samenhangende met de najaarsnota, in totaal begroot aan uitgaven en verplichtingen, zowel voor wat betreft de BHO-begroting alsmede de ODA-gelden op andere begrotingen, voor de Palestijns-Arabische bevolking, de Palestijnse gebieden, de Palestijnse autoriteit, de Westoever en/of Gaza? Graag een totaal, gespecificeerd en gedetailleerd overzicht.
In de onderstaande tabel staan de begrote bedragen voor uitgaven via de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah (gedelegeerde middelen). Afgezien van de voorgenomen bijdrage van 16 miljoen euro aan het humanitaire landenfonds van de VN voor de Palestijnse gebieden in 20263 programmeert het ministerie centrale middelen per thema, niet per land.
Handel en economie
4.000.000
4.000.000
0
0
Water
15.000.000
15.000.000
15.000.000
15.000.000
Veiligheid en stabiliteit
5.400.000
5.000.000
150.000
0
Wat is het Nederlandse aandeel, via de BHO-begroting of via ODA-gelden op andere begrotingen, in deze mede door de EU-gefinancierde en door Hamas geïnfiltreerde NGO’s?
Het kabinet onderstreept nogmaals altijd zeer serieus om te gaan met signalen over misbruik van ontwikkelingshulpgelden of aantijgingen die wijzen op banden tussen hulporganisaties en terroristische organisaties, zo ook rapporten van NGO Monitor. Er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van NGO Monitor steunt. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties, op orde zijn. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor.4 Ook wijs ik u op de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO monitor5 6.
In hoeverre zijn er signalen bij u bekend dat de betrokken NGO’s op de hoogte waren van het feit dat zij werden gecontroleerd en/of geïnfiltreerd dan wel op andere wijze dienstig waren aan de terreuractiviteiten van Hamas?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om een strafrechtelijke onderzoek naar de betrokken NGO’s te entameren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6. Het is daarnaast aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of een strafrechtelijk onderzoek wordt gestart en vervolgens of, op basis van dit onderzoek, overgegaan wordt tot strafrechtelijke vervolging. Het is niet aan het kabinet om daar in te treden.
Bent u bereid om de betrokken NGO’s, nu zij in Gaza dusdanig onder controle blijken te staan van Hamas, als terroristische organisatie aan te merken en op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6. Het is aan het Openbaar Ministerie de (civielrechtelijke) bevoegdheid toe om op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (BW) aan de rechter een verzoek tot verbodenverklaring van een rechtspersoon, waarvan de werkzaamheid of het doel in strijd is met de openbare orde, te doen. Strijdig met de openbare orde is in ieder geval een doel dat, of werkzaamheid die leidt (of klaarblijkelijk dreigt te leiden) tot een bedreiging van de nationale veiligheid of de internationale rechtsorde of tot de ontwrichting van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag. Daarnaast kán als strijdig met de openbare orde worden gezien de aantasting van de menselijke waardigheid, het leiden tot geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie. Of en wanneer een rechtspersoon voor een verbodenverklaring op grond van artikel 2:20 BW in aanmerking komt, is derhalve aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de rechter om te bepalen.
Het Openbaar Ministerie heeft eveneens de bevoegdheid om strafrechtelijk op te treden tegen organisaties die strafbare feiten plegen of bevorderen. Voor een strafrechtelijk onderzoek is een verdenking vereist; er dient een redelijk vermoeden te bestaan dat de organisatie en/of haar leden zich schuldig maken aan een of meerdere strafbare feiten. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen of in een concreet geval sprake is van een verdenking van een strafbaar feit en of er in een bepaald geval strafrechtelijke vervolging dient te worden ingesteld. Het uiteindelijke oordeel, ook over de vraag of er in strafrechtelijke zin sprake is van een terroristische organisatie, is aan de (straf)rechter.
De Minister van Buitenlandse Zaken kan bij voldoende aanwijzingen van betrokkenheid bij terroristische activiteiten, in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Justitie en Veiligheid, een persoon of organisatie op de nationale sanctielijst terrorisme plaatsen. Voldoende aanwijzingen zijn onder meer de instelling van een onderzoek of vervolging door een bevoegde instantie wegens een terroristische activiteit of poging daartoe, een veroordeling door de rechter voor voornoemde feiten of een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst dat geloofwaardige indicaties bevat van betrokkenheid van een persoon of organisatie bij een terroristische activiteit of poging daartoe.
Het plaatsen van personen of organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme is een vergaande en ingrijpende maatregel die een zorgvuldig proces vereist. Alleen wanneer wordt voldaan aan de juridische vereisten voor een dergelijke plaatsing, zal een persoon of organisatie op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst.
Welke maatregelen heeft dit kabinet inmiddels genomen om te voorkomen dat met Nederlands belastinggeld een terreurorganisatie als Hamas via de EU wordt gesteund? Welke maatregelen heeft dit kabinet genomen om er voor zorg te dragen dat de EU hiermee stopt?
Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt aan terroristische organisaties, op orde zijn. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Zie ook het antwoord op vraag 5 en 6.
Is dit kabinet voornemens om de aan de betrokken NGO’s overgemaakte gelden terug te vorderen en deze organisaties uit te sluiten voor toekomstige subsidies? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5 en 6.