De waardering van onderzaai als rustgewas |
|
Eline Vedder (CDA) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) wordt gesteld dat een combinatie van een vroege teelt met een vanggewas dat uiterlijk 1 september is ingezaaid, in aanmerking kan komen als rustgewas, en dat dit ruimte lijkt te bieden voor onderzaai van een vanggewas?
Op de website van de RVO wordt uitgelegd hoe een combinatie van een korte/vroege teelt gevolgd door een vroeg ingezaaid vanggewas als rustgewas kan voldoen. Er wordt daarbij ook aangegeven dat het vanggewas na de oogst van de hoofdteelt wordt ingezaaid. Ik ben het daarom niet eens dat deze rustgewasbeschrijving ruimte biedt voor het onderzaaien van een vanggewas.
Deelt u de mening dat onderzaai van een vanggewas in mais, mits uitgevoerd conform de genoemde voorwaarden (tijdige zaai vóór 1 september en oogst hoofdgewas vóór 1 september), een evenwaardige, zo niet betere bijdrage levert aan het beperken van nitraatuitspoeling en aan bodemkwaliteit dan nazaai?
Ja, een geslaagde onderzaai van een vanggewas in combinatie met een uitspoelingsgevoelige teelt als maïs kan zeer effectief zijn in het voorkomen van nitraatuitspoeling in het najaar. Daarom is bij de verplichting tot het inzaaien van een vanggewas na maïs op uiterlijk 1 oktober zowel onderzaai als nazaai toegestaan.
Waarom wordt onderzaai van vanggewassen wel positief gewaardeerd binnen het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) als eco-activiteit vanwege de positieve effecten op bodem en milieu, maar tegelijkertijd uitgesloten als rustgewas binnen de mestwetgeving en bouwplanverplichting?
Het tijdig inzaaien van een vanggewas heeft een ander doel dan het roteren met rustgewassen. Waar een vanggewas voornamelijk in de winter het perceel bedekt en in die periode overgebleven stikstof opneemt en vasthoudt voor het volgende gewas, wordt met het telen van een rustgewas een teeltjaar van intensieve teelten onderbroken en gewerkt aan het verbeteren van de bodemkwaliteit op de lange termijn. Hierdoor wordt de bodem minder gevoelig voor uitspoeling. Daarnaast zijn rustgewassen niet-uitspoelingsgevoelige gewassen.
De eco-activiteit «onderzaai vanggewas» richt zich op de ontwikkeling van het vanggewas. Zowel voor de eco-activiteit «rustgewassen» als de verplichte rotatie met rustgewassen voor het mestbeleid geldt dat het onderzaaien van een vanggewas bij de teelt van maïs niet als rustgewas wordt gezien.
Kunt u bevestigen dat het huidige beleid ertoe leidt dat boeren in bepaalde gevallen een goed ontwikkelde onderzaai moeten vernietigen om daarna alsnog een vanggewas na te zaaien, puur om te voldoen aan de wettelijke definitie van een rustgewas? Zo ja, acht u dit wenselijk?
Nee, dit is geen gevolg van het huidige beleid, maar een keuze van de landbouwer. Er is een ruime keuze in rustgewassen om te voldoen aan de verplichte rotatie met rustgewassen. De combinatie van een vroege teelt gevolgd door een vroeg ingezaaid onbemest vanggewas is daar één van.
Deelt u de mening dat het vernietigen van een bestaande onderzaai, om daarna opnieuw in te zaaien, indruist tegen het streven naar minder grondbewerking, betere bodemkwaliteit en minder nitraatuitspoeling?
Het klopt dat het beter is om een jaar een andere teelt dan maïs telen, bijvoorbeeld gras. Met het onderzaaien van een vanggewas voldoet de landbouwer aan de verplichting tot het inzaaien van een vanggewas op uiterlijk 1 oktober. Naast het vroegtijdig inzaaien van een vanggewas is het roteren met een rustgewas nodig voor verbetering van de bodem- en waterkwaliteit.
Kunt u toelichten waarom in de huidige interpretatie van de regelgeving de volgorde van zaaien (ná oogst) blijkbaar belangrijker wordt geacht dan het doel en het effect (bodembedekking, nitraatbinding en bodemkwaliteit) van het vanggewas?
De combinatie van korte (groente) teelten c.q. vroeg geoogste gewassen gevolgd door een vroeg ingezaaid onbemest vanggewas (inzaai in juli-augustus) is destijds door de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) aangewezen als niet-uitspoelingsgevoelige teelt en is daarom aangewezen als rustgewas. Het gaat daarbij om teelten uit de vollegrondsector, zoals wortelen en sla waarbij vaak meerdere oogsten per jaar kunnen plaatsvinden. Maïs met onderzaai is door de CDM niet als niet-uitspoelingsgevoelige teelt aangewezen, en wordt daarom niet toegestaan als rustgewas.
Bent u bereid om, in het kader van de aangekondigde actualisatie van de lijst rustgewassen in het 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn, specifiek de combinatieteelt van onderzaai in mais te laten beoordelen door de Commissie Deskundigen Meststoffenwet, inclusief verschillende oogstscenario’s (voor 1 september, voor 1 oktober en na 15 oktober)?
Voor het opstellen van de geactualiseerde rustgewaslijst krijgt de sector de mogelijkheid om alle gewassen, of in dit geval een combinatie van gewassen, aan te bieden voor beoordeling door de CDM. Zoals aangekondigd in het concept 8e actieprogramma, ben ik voornemens de CDM advies te vragen over een afweegkader voor het vaststellen van rustgewassen. Op basis van dat afweegkader kan vervolgens worden beargumenteerd waarom een gewas wel of niet als rustgewas kan worden ingezet.
Kunt u tevens toezeggen dat de criteria voor rustgewassen in de toekomst meer zullen aansluiten bij het beoogde milieudoel (minder uitspoeling, betere bodem) in plaats van bij een starre technische interpretatie van zaai- en oogstdatum?
Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, ben ik van plan de CDM advies te vragen over een afweegkader voor het vaststellen van rustgewassen. Aan de hand van dit afweegkader is het voornemen de lijst met rustgewassen te herzien. Met deze systematiek wordt geborgd dat met de invulling van de lijst met rustgewassen het beoogde milieudoel van de gewasrotatie, het verbeteren van bodem- en waterkwaliteit, wordt nagestreefd.
Welke mogelijkheden ziet u om voor het jaar 2026 en daarna, beleidsmatig meer samenhang te brengen tussen de GLB-waardering van onderzaai als eco-activiteit en de erkenning van onderzaai binnen de mestwetgeving als rustgewas?
Het betreft hier twee verschillende maatregelen, het vroegtijdig inzaaien van een vanggewas en de rotatie met rustgewassen. Uitvoering van beide maatregelen is nodig voor het behalen van de waterkwaliteitsdoelen. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om, met ingang van het teeltjaar 2026, de wet- en regelgeving aan te passen, zodat niet langer alleen de zaaidatum ná de oogst doorslaggevend is, maar dat ook een combinatie van een vroege teelt met tijdige onderzaai vóór 1 september erkend kan worden als rustgewas?
Nee, op dit moment wordt maïs met onderzaai niet gezien als rustgewas. Alleen wanneer deze combinatie op basis van het nog op te stellen afweegkader in het kader van het 8e actieprogramma voldoet als rustgewas, zal deze combinatie vanaf 2027, in de volgende rotatie periode, eventueel kunnen worden toegestaan.
Het VN-rapport dat oproept tot wereldwijde afschaffing van draagmoederschap. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport van Reem Alsalemde, de speciale VN-rapporteur op het gebied van vrouwenrechten, waarin zij pleit voor een wereldwijde afschaffing van draagmoederschap?1
Ja.
Bent u bekend met de constatering uit het rapport dat vrouwen wereldwijd ernstige depressieve klachten ervaren ten gevolge van draagmoederschap en allerlei praktijken die daaraan gerelateerd zijn, zoals dwang door familie?
Ja.
Erkent u de zorgwekkende analyse uit het rapport dat draagmoederschap de kans op mensenhandel vergroot, doordat anderen «eigenaar» zijn van de draagmoeder en daarmee bepalen wat er in het hele traject gebeurt?
Draagmoederschapstrajecten kunnen de nodige risico’s met zich mee brengen, waaronder het risico op uitbuiting van de draagmoeder. Daarbij valt te denken aan het geval dat iemand uit winstbejag, bijvoorbeeld iemand die het doel heeft om het kind na de geboorte aan wensouders te verkopen, misbruik maakt van de situatie dat een vrouw in armoede leeft door haar over te halen om tegen betaling draagmoeder te worden. In het rapport van de Commissie Joustra2 en het WODC-onderzoek «Het gedragen kind»3 wordt hier ook op gewezen.
Situaties van uitbuiting van draagmoederschap kunnen nu al onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel vallen. Ter implementatie van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer ingediend.6
Het is belangrijk dat draagmoeders in het kader van draagmoederschapstrajecten zelf kunnen blijven beslissen. Ik wijs hiervoor ook op het antwoord bij vraag 5 waarin het belang van het zelfbeschikkingsrecht van de draagmoeder wordt onderstreept.
Bent u bekend met de constatering uit het rapport dat veel draagmoeders wereldwijd te maken hebben met geldzorgen en daarmee financieel gedwongen zijn hun lichaam ter beschikking te stellen aan wensouders, of daartoe gedwongen worden door bijvoorbeeld familieleden?
Deze constatering heb ik gelezen in het VN-rapport. Oneigenlijke financiële prikkels mogen geen drijfveer zijn voor betrokkenen en er mag zeker geen misbruik worden gemaakt van vrouwen in financiële benarde posities. Dit is niet in het belang van de draagmoeder en zeker niet in het belang van het kind.
Bent u bekend met de constatering uit het rapport dat het voorkomt dat draagmoeders door draagmoederbureaus gedwongen worden hun kind te aborteren, als het niet naar wens is van de wensouders? Deelt u het standpunt dat dit verschrikkelijk is en dat hier streng op gehandhaafd dient te worden?
Ik heb deze constatering gelezen in het VN-rapport. Ik deel het standpunt dat het verschrikkelijk is als draagmoeders worden gedwongen een behandeling te ondergaan die erop is gericht de zwangerschap af te breken.
Ik acht het van groot belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, artikel 8 EVRM, alsmede in artikelen 6 en 16 van het VN-Vrouwenverdrag. Bij draagmoederschapstrajecten speelt het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders op meerdere momenten een belangrijke rol.
In Nederland is het afbreken van een zwangerschap zonder toestemming van de vrouw strafbaar op grond van artikel 296 Sr. Als een vrouw zou worden gedwongen tot het ondergaan van een abortus of tot het uitdragen van een zwangerschap kan daarnaast sprake zijn van strafbare dwang (artikel 284 Sr).
Bent u bekend met de constatering uit het rapport dat onder andere in Cambodja draagmoeders worden gedwongen in handboeien hun kind ter wereld te brengen?
Ja.
In hoeveel gevallen is er sprake van dat ook Nederlanders gebruik maken van een draagmoeder waarbij sprake is van dergelijke misstanden? In hoeverre worden de rechten van de buitenlandse draagmoeder en het kind en hun waardigheid hierbij beschermd?
In het eerdergenoemde WODC-rapport uit 2024 is gekeken naar het aantal kinderen dat (in Nederland of in het buitenland voor Nederlandse wensouders) is geboren na draagmoederschap in de periode van 2017 tot en met 2022. Dit heeft geleid tot 165 unieke zaken waarbij in de periode van 2017–2022 een kind is geboren na draagmoederschap. Het ging in 57% van de gevallen om een buitenlands traject (merendeel uit de Verenigde Staten) en in 43% om een binnenlands traject. De onderzoekers beschrijven in het WODC-rapport 2024 dat zij met name integere en verantwoorde trajecten hebben gezien.7
Onderkend wordt dat de risico’s bij draagmoederschap groter kunnen zijn als wensouders kiezen voor een traject in het buitenland. De dilemma’s die zijn verbonden aan draagmoederschap spelen niet alleen in Nederland, maar juist en vooral in internationaal verband. Draagmoederschap komt voor en wensouders blijven ook naar het buitenland gaan voor draagmoederschapstrajecten. Het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming beoogt te bereiken dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen. Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij ook bij een traject in het buitenland zich rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen. Het wetsvoorstel biedt een kader aan de hand waarvan (internationale) draagmoederschapstrajecten door de rechtspraktijk kunnen worden beoordeeld. Een dergelijk kader ontbreekt op dit moment. Daarbij onderkent het kabinet tegelijkertijd dat de invloed van de Nederlandse overheid niet zo ver reikt dat het risico op misstanden in het buitenland volledig kan worden uitgesloten.
In het rapport wordt de aanbeveling gedaan internationale samenwerking te versterken om mensenrechtenschendingen en misbruik, waaronder vrouwen- en kinderhandel, op te sporen, te voorkomen en aan te pakken. Bent u bereid deze aanbeveling op te volgen?
Het kabinet zet zich in op internationale samenwerking om mensenrechtenschendingen en misbruik te bestrijden. De Nederlandse aanpak van mensenhandel wordt versterkt door het verbinden van nationale trends en ontwikkelingen met internationale inzet. Nederland levert een actieve bijdrage aan verschillende internationale gremia waarin nauw samengewerkt wordt met verschillende landen en organisaties. Daarnaast voldoet Nederland ook aan internationale wet- en regelgeving op het gebied van mensenhandel en worden wijzigingen hierin ook doorgevoerd in de nationale wetgeving. Nederland zal zich door middel van internationale samenwerking blijven inzetten om misbruik, waaronder vrouwen- en kinderhandel, op te sporen, te voorkomen en aan te pakken. Voor een uitgebreidere toelichting en voorbeelden van de Nederlandse inzet op internationale samenwerking in de aanpak mensenhandel verwijs ik u naar de voortgangsbrieven8 van het Actieplan programma Samen tegen mensenhandel.9
Welke andere conclusies trekt u uit de eerdergenoemde feiten? Wat is uw verdere inzet om dergelijke misstanden tegen te gaan?
Het kabinet hecht grote waarde aan de bescherming van de belangen van kinderen, draagmoeders en wensouders. In aanvulling op het antwoord 8 voeg ik daar graag nog het volgende aan toe. De belangen van (toekomstige) kinderen zijn, conform artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), de eerste overweging geweest om te komen tot een juridisch kader voor draagmoederschap. Draagmoederschap komt voor in Nederland, en zal blijven voorkomen. Het ontbreken van een specifiek juridisch kader brengt risico’s met zich mee. Met een wettelijke regeling voor zorgvuldig en transparant draagmoederschap worden de belangen van alle betrokkenen (kind, draagmoeder en wensouders) beter beschermd. Het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming beoogt wensouders te stimuleren om, als zij kiezen voor draagmoederschap, een zorgvuldig traject te doorlopen en ethisch te handelen in het belang van het (toekomstige) kind en de draagmoeder, ook als het gaat om trajecten in het buitenland. Hiermee wordt getracht het risico op misstanden zoveel mogelijk te beperken.
Deelt u de mening dat dit VN-rapport eens te meer onderstreept dat een verbod op internationaal draagmoederschap nodig is en zo snel als mogelijk zou moeten worden geïmplementeerd?
Nee, die mening deel ik niet. Ik acht een verbod op draagmoederschap niet zinvol. Een dergelijk verbod zal er namelijk niet toe leiden dat draagmoederschap niet meer voorkomt. De praktijk in andere landen bevestigt dat.
Het EHRM heeft zich diverse keren uitgesproken over de juridische positie van kinderen die uit een draagmoeder zijn geboren. Daarbij heeft het geoordeeld dat het in strijd is met het door artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde recht op eerbiediging van het privéleven van het uit de draagmoeder geboren kind om hem een familierechtelijke betrekking met zijn wensouders te ontzeggen.10 Het EHRM verplicht de aangesloten staten weliswaar niet om in het buitenland ontstaan ouderschap van een uit een draagmoeder geboren kind te erkennen,11 maar een aangesloten staat is wel verplicht om op de een of andere manier, bijvoorbeeld door adoptie, erin te voorzien dat ook in die staat een familierechtelijke betrekking tussen het kind en de wensouder(s) kan ontstaan.12
Daarbij komt dat er landen zijn waarin draagmoederschap nadrukkelijk is toegestaan en is gereguleerd. Wetgeving kan er juist voor zorgen dat draagmoederschapstrajecten met de nodige waarborgen worden omkleed. Het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming regelt bijvoorbeeld de rechterlijke toets voorafgaand aan de conceptie, de verplichte voorlichting en counseling ook in gevallen van laag technologisch draagmoederschap, en het opnemen van gegevens over de ontstaansgeschiedenis van het kind in een draagmoederschapsregister. In de verplichte voorlichting en counseling zullen de wensouders onder meer worden gewezen op de risico’s van buitenlands draagmoederschap, alsmede van het belang van het voldoen aan de basisvoorwaarden. Informatieverschaffing over hoe trajecten in het buitenland verantwoord kunnen verlopen, draagt bij aan het voorkomen van misstanden.
Het kabinet onderkent daarbij dat niet alle risico’s kunnen worden uitgesloten. Niet met de voorgestelde regeling, niet met een andere regeling, en ook niet met een verbod van draagmoederschap of het in stand laten van de huidige (juridische) situatie. Dat maakt draagmoederschap een ethisch en juridisch gecompliceerd onderwerp, ten aanzien waarvan heldere keuzes van de wetgever nodig zijn. Op 1 oktober jl. is de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming aangeboden aan uw Kamer.13 Het vervolg van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming is aan uw Kamer.
Het bericht 'PostNL dreigt briefbezorging te versoberen, als kabinet niet ingrijpt' |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «PostNL dreigt briefbezorging te versoberen, als kabinet niet ingrijpt»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat PostNL, na de afwijzing van het subsidieverzoek voor de Universele Postdienst (UPD), voornemens is de postvoorziening te versoberen? Welke concrete maatregelen heeft PostNL aangekondigd en op welke termijn?
PostNL heeft op 5 september 2025 een formeel verzoek ingediend om de UPD-aanwijzing in te trekken. PostNL stelt dat de wettelijke UPD-verplichtingen sinds 2025 verlieslatend zijn en de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen. Het ministerie behandelt momenteel dit verzoek. Ik heb besproken met de CEO van PostNL dat ik niet voornemens ben dit verzoek in te willigen. PostNL heeft aangegeven binnen twee maanden duidelijkheid te willen hebben over een besluit. Als er geen beslissing wordt genomen, of als er geen alternatieve maatregelen komen die de financiële situatie van PostNL voldoende verbeteren, heeft het bedrijf aangegeven zich niet langer aan bepaalde verplichtingen uit de Postwet te zullen houden.
Op 17 september jl. heeft PostNL een presentatie gehouden aan beleggers over de financiële situatie en hun plannen voor de komende jaren.2 Uit deze presentatie volgen de volgende voornemens van PostNL:
Het is aan PostNL om zelf zorgvuldig te bepalen hoe zij hun bedrijfsvoering in de komende jaren willen vormgeven. Hierbij is het belangrijk voor de samenleving dat de postvoorziening toegankelijk blijft voor ouderen en mensen die wonen in buitengebieden. Het is de verantwoordelijkheid van de ACM om als onafhankelijk toezichthouder op te treden wanneer PostNL de wet niet naleeft.
Hoe voorkomt u dat PostNL van zijn wettelijke taak wordt ontslagen en/of zijn dienstverlening gaat versoberen en/of brievenbussen gaat opheffen, zoals in het artikel wordt genoemd?
Ik ben in constructief overleg met PostNL over de toekomst van de Universele Postdienst (UPD) en de wijze waarop de postbezorging duurzaam kan worden ingericht. Met het conceptbesluit tot wijziging van het Postbesluit dat binnenkort in consultatie wordt gebracht, wordt al een stap gezet om de UPD toekomstbestendig te maken. Deze wijziging ziet op het stapsgewijs wijzigen van de overkomstduur en de bezorgbetrouwbaarheid. Met deze wijzigingen ontstaat meer ruimte voor de verlener van de UPD om de dienstverlening efficiënter in te richten, terwijl tegelijkertijd duidelijkheid wordt geboden over de kwaliteitseisen op langere termijn. Zo kan de verlener reële stappen zetten naar een hogere bezorgbetrouwbaarheid in de praktijk. Dit draagt bij aan de continuïteit van de UPD.
Voor rouw- en medische post blijft de huidige norm van bezorging binnen één dag met een betrouwbaarheid van 95% onverkort van kracht.
Hoe beoordeelt u de risico’s voor burgers en bedrijven als PostNL de bezorging daadwerkelijk terugschroeft, met name voor kwetsbare groepen zoals ouderen, slechtzienden, mensen met beperkte digitale vaardigheden en bewoners van krimpregio’s?
Uit onderzoek blijkt dat niet zozeer de duur van de overkomst voor mensen het belangrijkst is, maar vooral de bezorgbetrouwbaarheid – met andere woorden: dat de brief daadwerkelijk op de verwachte dag aankomt. Ik acht de risico’s voor burgers en bedrijven daarom beperkt. Mijn beleidsvoornemen is om de bezorgduur stapsgewijs te verlengen van D+1 naar D+2 en uiteindelijk naar D+3. Dat betekent dat een deel van de post later zal aankomen dan men nu gewend is, maar wel nog steeds aankomt. Daarmee blijft de communicatiebehoefte van verschillende groepen gebruikers, inclusief kwetsbare groepen, geborgd.
Welke gevolgen ziet u voor maatschappelijk belangrijke post (zoals medische post, rouwpost en stempassen) als PostNL minder vaak of minder betrouwbaar gaat bezorgen?
De verlenging van de bezorgduur binnen de universele postdienst (UPD) naar D+2 en op termijn naar D+3, betekent dat reguliere post er gemiddeld iets langer over kan doen. Voor verkiezingspost, rouwpost en stempassen geldt dit echter niet.
Verkiezingspost valt buiten de UPD en wordt behandeld als zakelijke post, waarvoor de overheid rechtstreeks afspraken maakt met PostNL. Daarmee kan worden geborgd dat stempassen tijdig bij kiezers aankomen.
Wel is er een wisselwerking: doordat de bezorgduur van reguliere post ruimer wordt, neemt het belang toe van zorgvuldige afspraken en maatwerk rondom verkiezingspost. Zo richt PostNL rond verkiezingen speciale processen in en wordt, waar nodig, gewerkt met alternatieve bezorgmethoden om te garanderen dat kiezers hun stempas of vervangende stempas op tijd ontvangen. Het Ministerie van BZK houdt dit nauwlettend in de gaten en onderzoekt daarnaast of de wettelijke termijnen in de Kieswet toekomstbestendig zijn.
Er zijn geen signalen dat PostNL voornemens is de bezorgfrequentie voor medische post en rouwpost aan te passen.
Hoe waarborgt u de continuïteit van de UPD zolang de wetswijziging van de wijziging van de Postwet nog niet behandeld is? Welke tijdelijke maatregelen of toezichtsafspraken met de ACM treft u om te voorkomen dat burgers geconfronteerd worden met een uitgeklede postvoorziening?
Ik neem op dit moment het verzoek voor intrekking van de UPD-aanwijzing in behandeling. Bij deze behandeling zal ik ook in ogenschouw nemen hoe de publieke belangen op de postmarkt het beste geborgd kunnen worden. Ook heeft het bij vraag 3 genoemde voorstel tot wijziging van het Postbesluit 2009 invloed op de continuïteit van de dienstverlening.
Hoe voorkomt u dat PostNL door het dreigen met versobering feitelijk politieke druk uitoefent om alsnog subsidie af te dwingen?
Het gedrag van private partijen ligt buiten mijn invloed; zij kunnen ervoor kiezen dit soort stappen te ondernemen. Het is hun recht om hun belangen te verdedigen wanneer hun bedrijfsvoering wordt geraakt. Tegelijkertijd ga ik ervan uit dat bedrijven zich bij hun afwegingen ook bewust zijn van de maatschappelijke verantwoordelijkheid die zij dragen. In het geval van PostNL zijn er bijvoorbeeld wettelijke bepalingen over het aantal brievenbussen. Het is de taak van de ACM om als onafhankelijk toezichthouder op te treden als PostNL de wet niet naleeft.
Wilt u deze vragen binnen één week beantwoorden, zodat de Kamer tijdig beschikt over actuele informatie over de continuïteit en betaalbaarheid van de UPD?
Gezien de lopende voorbereidingen in verband met de wijziging van het Postbesluit 2009 is het helaas niet gelukt om de vragen binnen één week te beantwoorden.
Het artikel 'Geen noodbrug, blijkt op infoavond over renovatie brug Urmond: Het is een zure appel voor jullie en daarvoor zeggen we sorry' |
|
Olger van Dijk (CDA), Natascha Wingelaar (NSC) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in De Limburger van 17 september 2025?1
Ja.
Bent u bekend met het 127 pagina’s tellende rapport van het lokale Actie Platform en de inhoud daarvan? Erkent u dat dit een juiste weergave is van de historie van het dossier «Brug Urmond»?
Ja. Het rapport is een belangrijke uiting van betrokkenheid vanuit de gemeenschap. Het ministerie kan zich vinden in delen van de inhoud.
Waarom is de renovatie van de brug pas in 2025 gestart, terwijl de slechte staat al bijna tien jaar bekend was en er sinds 2017–2018 structurele beperkingen golden? Erkent u dat dit uitstel heeft geleid tot hogere kosten, grotere ingrepen en verlies van de langzaam-verkeer-oversteek?
De renovatie van de brug is uitgesteld als gevolg van de grote landelijke instandhoudingsopgave en de prioritering die hierin moet worden gemaakt. De programmering wordt steeds gemaakt op basis van de meest recente inzichten. Tijdens de laatste inspecties in 2023 en 2024 is gebleken dat de staat van de brug slechter is dan aanvankelijk werd ingeschat, waardoor meer ingrijpendere werkzaamheden noodzakelijk zijn. Dat vraagt ook om een bijhorende aanpassing van de uitvoering en hiermee het uitvoeringsbudget, om de veiligheid van de burgers en de aannemer te borgen.
Hoe verhoudt dit late handelen zich tot de bevindingen van de Algemene Rekenkamer uit 2019 over structureel uitgesteld onderhoud en verkeerde prioritering? Waarom kreeg de brug bij Urmond destijds geen prioriteit, ondanks die signalen?
De bevindingen van de Algemene Rekenkamer in 2019 houden voornamelijk in dat er door gebrek aan onderhoud aan bruggen en sluizen, het aantal stremmingen door storingen op het hoofdvaarwegennet toe zal nemen. Die constatering deel ik. We staan in Nederland voor een grote instandhoudingsopgave. In het Meerjarenplan Instandhouding Infrastructuur 2025–2030 is beschreven hoe Rijkswaterstaat uitvoering geeft aan de meerjarenafspraak instandhouding om de infrastructuurnetwerken in stand te houden.
De renovatie van de brug is uitgesteld als gevolg van de prioritering van landelijke werkzaamheden. Zie ook antwoord 3.
Erkent u nu wel dat Rijkswaterstaat in dit dossier tekort is geschoten en dat de communicatie richting gemeente en inwoners niet past bij wat verwacht mag worden van een betrouwbare rijksdienst?
Rijkswaterstaat had de informatievoorziening en afstemming met de omgeving op sommige momenten beter kunnen doen. Dat is een leerpunt dat het ministerie meeneemt naar toekomstige trajecten. Dit is ook toegegeven tijdens de bewonersavond in de gemeente Stein op 16 september jongstleden. Zie verder ook onder vraag 6.
Waarom is de projectopgave gewijzigd zonder dat bewoners daarover eerlijk zijn geïnformeerd? Vindt u dat participatieproces nog geloofwaardig als de beleidskeuze feitelijk al vaststaat?
Het doel van het project was en is om Brug Urmond te renoveren, zodat deze brug de komende decennia weer mee kan. Tijdens de variantenstudie in 2022 zijn de bewoners meegenomen in de keuze voor een voorkeursvariant van de uitvoeringswijze. De Bewonerswerkgroep brug Urmond heeft toen haar voorkeur uitgesproken voor een renovatievariant met slechts beperkte hinder (enkele dagen) voor langzaam verkeer.
Tijdens de laatste inspecties in 2023 en 2024 is gebleken dat de staat van de brug slechter is dan aanvankelijk werd ingeschat, waardoor meer ingrijpendere werkzaamheden noodzakelijk zijn en de brug tijdens de renovatie geheel moet worden afgesloten voor verkeer. Hierdoor kan Rijkswaterstaat helaas geen invulling geven aan het aangedragen alternatief van de gemeente en omgeving om de brug tijdens de werkzaamheden open te houden voor fietsers en voetgangers. Daarmee is het resultaat van het participatieproces ingehaald door de technische situatie van de brug. Dit is eerst met de gemeente besproken voordat de omgeving hierover is geïnformeerd.
Waarom is er geen maatschappelijke impactanalyse gemaakt van de gevolgen voor inwoners, ondernemers, hulpdiensten en kwetsbare groepen? Bent u bereid dit alsnog te doen, zodat de Kamer en de regio een volledig beeld krijgen?
Er is geen officiële maatschappelijke impactanalyse (MIA) opgesteld voor de afsluiting van brug Urmond. In de oorspronkelijke uitgangspunten werd ervan uitgegaan dat de brug gedurende de werkzaamheden toegankelijk zou kunnen blijven voor fietsers en voetgangers. Om die reden is destijds geen aparte impactanalyse uitgevoerd. Wel is er, daar waar van toepassing, gesproken met relevante maatschappelijke actoren om te bezien hoe zij de gevolgen van deze afsluiting zullen ervaren en welke omrijdroutes er mogelijk zijn. Er is dus weldegelijk gekeken naar de maatschappelijke impact van de afsluiting. Daarbij is contact onderhouden met belangrijke lokale partijen, zoals: de basisschool, hulpdiensten, Chemelot en enkele lokale verenigingen.
Gezien de technische staat van de brug, de geplande startdatum van de renovatie op 1 december en de benodigde doorlooptijd voor het uitvoeren van een volledige maatschappelijke impactanalyse (MIA), is het op dit moment niet haalbaar om alsnog een dergelijke analyse uit te voeren.
Hoe beoordeelt u het voornemen van de gemeenteraad van Stein om een motie van afkeuring in te dienen tegen Rijkswaterstaat? Ziet u dit als een terecht signaal van onvrede vanuit de lokale overheid?
Het staat de gemeenteraad uiteraard vrij een dergelijke motie in te dienen. Het signaal van onvrede is bij het ministerie bekend en wordt serieus genomen. Rijkswaterstaat is reeds langere tijd in gesprek met de gemeente Stein en de lokale gemeenschappen om de inhoud en gevolgen van de renovatiewerkzaamheden te bespreken en, waar mogelijk en haalbaar, te verzachten.
Hoe verklaart u dat tijdens de bewonersavond van 16 september 2025 werd gesproken over een budget van € 15 tot 20 miljoen, terwijl in de aanbestedingsstukken van mei 2025 slechts € 8,8 miljoen stond? En hoe verantwoordt u dat slechts € 350.000 is gereserveerd voor hinderbeperkende maatregelen?
De aanbestedingsstukken waarin een bedrag van € 8,8 miljoen wordt genoemd, betreffen fase 1 van de bouwteamovereenkomst en hebben uitsluitend betrekking op de voorbereidings- en ontwerpwerkzaamheden voor de renovatie van de brug. Het benodigde budget voor de realisatiefase komt daar nog bij. Daarmee wordt het totale budget geraamd op circa € 15 tot 20 miljoen.
Rijkswaterstaat voert de komende jaren veel vernieuwing en onderhoud uit. Dit gaat helaas niet zonder hinder en overlast voor (vaar)weggebruikers en omwonenden. Bij de realisatie van projecten wordt het beleidskader hinder toegepast dat in 2023 door mijn voorganger is vastgesteld. Een tijdelijke brug of andere alternatieven zijn geen onderdeel van de opdrachtscope omdat de omreisroute via Brug Berg als oplossing binnen dit kader past.
Als er wensen zijn voor alternatieve oplossingen om de maatschappelijke impact van de sluiting te verzachten, dan ligt de verantwoordelijkheid hiervoor bij het lokale bevoegde gezag, in dit geval de gemeente Stein. Rijkswaterstaat heeft aanvullend op de bouwkosten een bedrag van € 350.000 gereserveerd om bij te dragen aan hinderbeperkende maatregelen. Dit bedrag wordt, in overleg met de gemeente Stein en de maatschappelijke en economische omgeving, ingezet om de hinder zo veel mogelijk te beperken. Rijkswaterstaat is hierover in gesprek met de gemeente en omgeving.
Het bericht 'Bij drie gevangenbewaarders thuis een explosief geplaatst, één bewaarder afgetuigd met honkbalknuppel: ’Ernstige agressie en geweld’' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bij drie gevangenbewaarders thuis een explosief geplaatst, één bewaarder afgetuigd met honkbalknuppel: «Ernstige agressie en geweld»»?1
Ja.
Bent u het met de CDA-fractie eens dat het onacceptabel en ontoelaatbaar is dat medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) in hun privéleven worden geïntimideerd en te maken krijgen met ernstige agressie en geweld, terwijl zij zich juist elke dag inzetten voor onze veiligheid?
Ja, elk geweldsincident tegen een DJI-medewerker is er één te veel. De incidenten in augustus waarbij vier DJI-medewerkers buiten de gevangenismuren geconfronteerd zijn met ernstige agressie en geweld zijn schokkend en volstrekt onacceptabel. Achter ieder incident staat een mens, met familie en een leven buiten het werk.
Heeft u inzicht in de frequentie van de beschreven voorvallen over de lange termijn? Zo niet, kunnen deze verzameld worden?
DJI publiceert maandelijks een voorvallenlijst waarop incidenten, zoals geweld tegen DJI personeel, gemeld worden.2 Het aantal geweldsincidenten tegen personeel buiten de PI is zeer beperkt maar uiteraard heel ingrijpend. Op dit moment is niet vast te stellen dat er sprake is van een toename op de lange termijn.
Is in de geweldscijfers over lange termijn een toename waar te nemen?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier krijgen de slachtoffers van de beschreven aanvallen nazorg en ondersteuning?
Er wordt altijd aangifte van geweldsincidenten gedaan bij de politie. Daarnaast zet DJI zich in om de zorg te bieden die de betrokken medewerkers nodig hebben. Er is bij ieder (gewelds)incident directe nazorg voor medewerkers met daarbij aandacht voor herstel en veiligheid. Medewerkers van DJI ontvangen vanuit DJI ondersteuning van het lokale opvang- en nazorgteam en er wordt standaard psychosociale hulp aangeboden voor de medewerker en voor eventuele andere betrokkenen (zoals familieleden en/of huisgenoten). Daarnaast kunnen slachtoffers, en dus ook personeel van DJI, kosteloos gebruik maken van de hulp en ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN). Dat kan op zowel praktisch als emotioneel gebied en tevens kan, in geval van een strafzaak, juridische ondersteuning worden geboden. Indien meer gespecialiseerde hulp nodig is, wordt een slachtoffer doorverwezen door SHN naar gespecialiseerde instanties. Ik heb geen zicht of van bovenstaande mogelijkheden gebruik is of wordt gemaakt.
Heeft u zicht op staat van de begeleiding van slachtoffers en slachtofferhulp bij de werknemers binnen de DJI?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gebeurt er op dit moment om werknemers van de DJI te beschermen tegen aanvallen als deze?
De vier geweldsincidenten tegen personeelsleden uit augustus worden momenteel onderzocht door de politie. Op dit moment is het te vroeg om conclusies te trekken over de aard en aanleiding van deze aanvallen.
DJI neemt, vanuit haar verantwoordelijkheid als werkgever, waar nodig aanvullende maatregelen voor de veiligheid van haar medewerkers. Daarbij werkt DJI samen met de politie om incidenten te voorkomen en biedt, waar nodig, passende beveiliging. Dit heeft met de aanpak van ondermijning meer aandacht gekregen. Daarnaast investeert DJI blijvend in weerbaarheid en veiligheid van hun medewerkers middels trainingen en opleidingen.
Het beveiligingsbeleid voor personeel is binnen DJI belegd bij een eigen landelijke beveiligingscoördinator die 24/7 beschikbaar en bereikbaar is ten behoeve van bevoegd gezag in de fase van preventie, reactie en herstel.
DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige werkomgeving waarin medewerkers hun werk met vertrouwen en waardigheid kunnen uitvoeren. Ik houd dit nauwlettend in de gaten, want veiligheid van personeel staat voorop.
Met betrekking tot het terugdringen van intimidatie door explosies kan ik tot slot aangeven dat mijn ministerie het brede Offensief tegen Explosies steunt dat in 2024 van start is gegaan. Het Offensief zet zich landelijk in op (door)ontwikkeling van verschillende (innovatieve) maatregelen en interventies die moeten leiden tot een duurzame afname van het aantal (pogingen tot) persoonsgerichte aanslagen met gebruik van explosieven op woningen, bedrijfspanden en voertuigen.
Beoordeelt u deze inspanningen als voldoende?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke manier bent u van plan om de bescherming van de werknemers van de DJI te verbeteren?
Zie antwoord vraag 7.
Het toevoegen van agri-PV aan landbouwgrond. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de landelijke overheid agri-PV, een techniek die landbouwgrond combineert met zonnepanelen om zowel duurzame energie op te wekken als voedsel te produceren, dient te stimuleren?
Agri-PV is een combinatie van landbouw en het opwekken van zonne-energie waarbij een zonnepark wordt aangelegd op de aanwezige cultuurgrond. Agri-pv kan bijdragen om de doelen op het gebied van energietransitie te behalen. Daarbij is volgens het kabinet van belang dat hiervoor de meest passende beleidsinstrumenten ingezet worden, zoals bijvoorbeeld subsidieregelingen.
Klopt het dat de Belastingdienst bij het toekennen van de landbouwvrijstelling een interpretatie hanteert waarbij enkel landbouwgrond die voor 90% dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling?
Ja, dat klopt. De waardeverandering van landbouwgrond die geheel of nagenoeg geheel dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf komt in aanmerking voor de landbouwvrijstelling.1 Dat de grond geheel of nagenoeg geheel dienstbaar moet zijn aan het eigen landbouwbedrijf volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad.2 In percentages uitgedrukt betekent dit dat de grond voor minimaal 90% wordt aangewend in het kader van het landbouwbedrijf.
Voor de toepassing van de landbouwvrijstelling wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op – kort gezegd – het voortbrengen van producten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw, of op het in het kader van de veehouderij fokken, mesten of houden van dieren.3
Klopt het dat alleen grond die nimmer ten behoeve van zonnepanelen gebruikt wordt in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling?
Het is afhankelijk van de feitelijke situatie of de landbouwvrijstelling kan worden toegepast. Zoals in antwoord 2 aangegeven, komt de waardeverandering van landbouwgrond die geheel of nagenoeg geheel (dus voor ten minste 90%) wordt aangewend in het kader van het eigen landbouwbedrijf in aanmerking voor de landbouwvrijstelling. Het opwekken van energie valt niet onder de wettelijke definitie van het landbouwbedrijf.
Voor grond in gemengd gebruik – bijvoorbeeld wanneer op het gehele perceel zonnepanelen zijn geplaatst waar schapen onder de panelen door kunnen lopen – geldt dat deze grond niet in aanmerking komt voor toepassing van de landbouwvrijstelling. In deze situatie kan namelijk niet worden voldaan aan de voorwaarde dat de landbouwgrond geheel of nagenoeg geheel wordt aangewend in het kader van het landbouwbedrijf. Als de funderingspalen en de zonnepanelen bijvoorbeeld op een (aparte) strook van het perceel zijn geplaatst, dan wordt, voor de bepaling of de grond geheel of nagenoeg geheel in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt, gekeken naar het feitelijke gebruik per vierkante meter en niet naar het perceel in het geheel. In de regel zal gekeken worden naar de oppervlakte van het perceel dat in gebruik is voor agrarische doeleinden en de oppervlakte van het perceel dat niet in gebruik is voor agrarische doeleinden. De grond waarop funderingspalen en zonnepanelen zijn geplaatst komen niet in aanmerking voor de landbouwvrijstelling, omdat de productie van energie niet onder de wettelijke definitie van landbouwbedrijf valt. Het laten grazen van dieren onder de panelen doet daar – zoals hiervoor aangegeven – niet aan af. De grond wordt dan gemengd gebruikt en daarmee kan niet meer worden voldaan aan de voorwaarde dat de grond geheel of nagenoeg geheel wordt aangewend in het kader van het eigen landbouwbedrijf.
Afhankelijk van de situatie is het mogelijk dat een deel van het perceel in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling, wanneer voor dat deel wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in de wet. Zo komt de cultuurgrond die niet ten behoeve van de zonnepanelen wordt gebruikt normaliter in aanmerking voor de toepassing van de landbouwvrijstelling (mits ook wordt voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden). De eigenaar van de grond, de agrarische ondernemer, beschikt over de gegevens die kunnen dienen om vast te stellen of de grond geheel of nagenoeg geheel dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beschikt over gegevens die zijn aangeleverd door de agrarische ondernemers zelf. Deze gegevens worden ingevoerd voor de gecombineerde opgave, de zogenoemde meitelling, ten behoeve van onder andere subsidieaanvragen. De agrarische ondernemer geeft hiermee aan hoeveel grond hij in gebruik heeft voor agrarische doeleinden. Een van de vragen in dit formulier is of er energieproductie plaatsvindt op zijn landbouwgrond. Als de agrariër funderingspalen en zonnepanelen op het perceel heeft, dient hij hiermee rekening te houden bij het aanleveren van gegevens bij RVO. Deze gegevens zijn ook bij de Belastingdienst bekend.
Hoe wordt überhaupt vastgesteld welk percentage van het perceel agrarisch wordt benut?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt de ruimte onder eventuele zonnepanelen meegenomen als grond dienstbaar aan het eigen landbouwbedrijf/hoofdactiviteit van de agro-ondernemer?
Zoals in de antwoorden 3 en 4 aangegeven is het afhankelijk van de feitelijke situatie of kan worden voldaan aan de voorwaarde dat de grond geheel of nagenoeg geheel gebruikt wordt in het kader van het landbouwbedrijf. Voor de grond waarop de funderingspalen en de zonnepanelen zijn geplaatst geldt dat deze niet wordt gebruikt in het kader van het landbouwbedrijf, maar dat de grond dient voor de productie van energie. Dat geldt in beginsel ook voor de ruimte onder de zonnepanelen, daarbij wordt de feitelijke situatie beoordeeld.
Zo nee, waarom kan voor de vrije grond onder de zonnepanelen geen beroep worden gedaan op de landbouwvrijstelling?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom wordt er geen onderscheid gemaakt tussen de vrije grond onder de zonnepanelen en funderingspalen bij een aanvraag voor toekenning van de landbouwvrijstelling?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat het toevoegen van agri-PV aan landbouwgrond, als waardevolle bijdrage in de energietransitie, voortaan geen negatieve fiscale effecten meer heeft voor boeren?
Het ligt niet voor de hand om de reikwijdte van de landbouwvrijstelling te verbreden waardoor naast de waardeverandering van de grond bij voorzetting van de aanwending ervan in een landbouwbedrijf ook de waardeverandering als gevolg van de exploitatie van een zonnepark is vrijgesteld. Een verruiming past niet bij het doel van de landbouwvrijstelling, draagt bij aan een verdere complexiteit van het belastingstelsel (afbakeningsproblematiek) en heeft budgettaire consequenties. Bovendien vergt een verruiming een wetswijziging en dit is op korte termijn niet te realiseren. De landbouwvrijstelling is vorig jaar geëvalueerd als niet doeltreffend en niet doelmatig. Het ligt in dat kader niet voor de hand om deze regeling verder uit te breiden naar andere activiteiten, waar deze regeling vanuit zijn oorsprong niet voor is bedoeld. Tot slot zal bij verruiming van de regeling afstemming met de Europese Commissie noodzakelijk zijn over de vraag of een dergelijke verruiming van de landbouwvrijstelling tot (ongeoorloofde) staatssteun leidt.
De gevolgen van de hack bij het OM op de bedrijfsvoering |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er op het Openbaar Ministerie (OM) een nijpend tekort aan werkplekken bestaat doordat er niet thuis kan worden gewerkt, en de mogelijkheden tot thuiswerken nog enkele weken duurt? Kunt u bevestigen dat er sprake is geweest van werken in shifts en daar nog steeds sprake van is?
Sinds 16 oktober is het telewerken weer mogelijk gemaakt voor de meeste medewerkers van het OM en is dit probleem niet meer aan de orde. In de periode daarvoor kon elk OM-onderdeel ervoor kiezen om in shifts te werken.
Erkent u dat, los van de belasting op de werk-privé balans van medewerkers, hierdoor het (herstel)werk van het OM niet of zeer beperkt van de grond komt, waardoor achterstanden in de werkvoorraad verder zullen oplopen? Zo ja, welke maatregelen neemt u hierop?
De offlinegang en stapsgewijze onlinegang van het OM heeft geleid tot vertragingen. Het als gevolg hiervan niet thuis kunnen werken heeft hierbij niet geholpen en heeft ongetwijfeld veel impact op de medewerkers gehad. Het OM en partners in en rondom de strafrechtketen werken hard om deze in te (gaan) lopen. Inmiddels werken alle digitale koppelingen weer en zijn de werkprocessen zo goed als hersteld. Mijn departement staat in nauw contact met de strafrechtketenpartners om te ondersteunen waar mogelijk.
Zijn er bij u signalen binnengekomen over de toenemende werkdruk als gevolg van de hack? Zo nee, hoe wordt hier toezicht opgehouden? Zo ja, welke stappen onderneemt u om dit te verbeteren?
De ontstane situatie heeft helaas onvermijdelijk een toenemende werkdruk tot gevolg gehad. Dit betreur ik uiteraard zeer. Binnen het OM is hier veel aandacht voor; bestuurders en leidinggevenden ondersteunen medewerkers hier zo goed mogelijk in.
Bent u het eens dat met oplopende werkdruk en mogelijke uitval het (herstel)werk van het OM nog meer in de knel komt en het mogelijk nog ruim een jaar zal duren voordat het OM weer alle achterstanden heeft weggewerkt?
Zoals hierboven aangegeven, wordt er hard gewerkt aan het inlopen van de achterstanden. Op dit moment kan ik nog geen uitspraken doen over de termijn waarbinnen de achterstanden zijn weggewerkt.
Erkent u dat het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) en het OM al in 2021 hebben gewaarschuwd voor de gevolgen van het wisselende financiële beleid en bezuinigingen op de IT en informatievoorziening?1 Maar dat ondanks deze waarschuwingen geen extra financiële middelen voor het OM beschikbaar zijn gesteld? Waarom niet?
Uit het onderzoek van het WODC waar de vraag naar verwijst, volgt dat de bezuinigingen op het OM in de periode van 2010 tot en met 2019 opliepen tot 88 miljoen euro exclusief het Prognosemodel Justitiële Ketens.2 Tegelijkertijd werd er voor 177 miljoen euro geïntensiveerd om bepaalde doelstellingen – waaronder voor circa 31 miljoen euro een toegenomen inzet op digitalisering «ICT en kwaliteitsverbetering» – te verwezenlijken of om nieuwe taken op te vangen.3
De afgelopen jaren is dus fors geïnvesteerd in de ICT bij het OM. Voorgaande kabinetten hebben hiervoor extra middelen vrijgemaakt. Vanuit de zogenaamde Ondermijningsmiddelen is een incidentele investering gedaan van 172 miljoen euro, verdeeld over de jaren 2022–2027: 37 miljoen in 2022 en 27 miljoen euro in de jaren 2023 t/m 2027. Daarnaast zijn er door het vorige kabinet middelen beschikbaar gesteld ten behoeve van de ICT van 7 miljoen euro in 2024 en 35 miljoen euro structureel vanaf 2025. Indien de afgelopen jaren behoefte bleek aan extra middelen voor ICT heeft het ministerie nog aanvullende middelen verstrekt om tekorten op de ICT op te vangen. Zo heeft het OM in het jaar 2021 nog een bedrag van 10 miljoen euro extra ontvangen voor ICT-werkzaamheden.
Erkent u dat de bezuinigingen op het OM, die sinds 2010 zijn opgelopen tot meer dan 150 miljoen euro, een direct effect hebben gehad op de huidige tekortkomingen in de IT-infrastructuur? Welke stappen onderneemt u om deze tekortkomingen terug te dringen?
Zoals geschetst onder het antwoord op vraag 5 is er de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in de ICT bij het OM. Daarmee zijn belangrijke inhaalslagen gemaakt ten aanzien van achterstallig onderhoud op zowel hardware als software. De opgave voor het OM is echter groot. De huidige ICT-problematiek binnen het OM is het gevolg van een langdurige achterstand in de ontwikkeling en professionalisering van de informatievoorziening. Gezien deze achterstand werkt het OM al enkele jaren aan verbeteringen op het gebied van ICT.4 Dit is een omvangrijk traject, dat nog een aantal jaren tijd en investeringen vergt. Daarnaast heeft het OM ook een grote opgave om de systemen gereed te maken voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering.
Eerder liet ik u reeds weten dat er naar aanleiding van de ICT-inbreuk van het OM een onafhankelijk onderzoek komt, waarin wordt gekeken naar het incident en het versterken van de weerbaarheid van de IT en informatievoorziening van het OM.5
Erkent u dat er op dit moment nog een bezuiniging van 40 miljoen euro ingevuld moet worden door het OM, met als gevolg dat noodzakelijke verbetering van de huidige IT-infrastructuur zal uitblijven en het personeel van het OM dus genoodzaakt is de huidige problemen op te lossen zonder extra financiële ondersteuning? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een aan het OM opgelegde bezuiniging. Het OM heeft wel richting mij het signaal afgeven dat het vanaf 2026 financieel knelpunt voorziet op de ontwikkeling en het beheer van de ICT. Het OM is bezig om nader inzicht in en onderbouwing van dit signaal te verschaffen en te bezien hoe de tekorten binnen het OM zoveel mogelijk kunnen worden teruggebracht om het OM financieel gezond te houden. Op basis van de uitkomst zal ik samen met het OM bekijken hoe deze problematiek kan worden aangepakt.
Kunt u toelichten waarom, gezien de huidige situatie en problematiek in de IT-infrastructuur, niet is besloten de bezuiniging van 40 miljoen euro uit te stellen of te schrappen? Waarom wordt verder bezuinigd op het OM, terwijl de gevolgen van de IT-infrastructuur niet eens kunnen worden overzien?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat het OM door de voorliggende bezuinigingen wordt gedwongen om nog meer strafzaken af te doen door middel van een strafbeschikking, wat juist in het voorjaar tot veel kritische geluiden uit de strafrechtketen en de maatschappij heeft geleid?
Nee, de financiële situatie bij het OM is niet van invloed op het minder of meer opleggen van strafbeschikkingen.
Het bericht dat gemeenten een landelijke aanpak voor bestrijdingsmiddelen willen |
|
Laura Bromet (GL), Geert Gabriëls (GL), Elke Slagt-Tichelman (GroenLinks-PvdA) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gemeenten willen landelijke aanpak voor bestrijdingsmiddelen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte dat gemeenten zich geen raad weten met het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de lelieteelt, omdat landelijk beleid ontbreekt? Hoe lang ontvangt u deze signalen al? Kunt u hier een reflectie op geven?
Sommige gemeenten vinden dit inderdaad een ingewikkeld vraagstuk. Tegelijkertijd is er wel degelijk een kader, op landelijk en op lokaal niveau. Hieronder ga ik in op de belangrijkste elementen hiervan.
Ten algemene is het landelijke gewasbeschermingsbeleid gericht op het terugdringen van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen en het bevorderen van het gebruik van biologische en laag-risicomiddelen. Hier zet ik samen met betrokken partijen op in via onder meer het uitvoeren van de acties van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030.
In de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb,) en ook daaraan voorafgaand de goedkeuringsprocedure van specifieke stoffen door de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA), worden de risico’s voor gebruikers, werkers, omwonenden en passanten beoordeeld en wordt in het bijzonder rekening gehouden met risico’s voor kwetsbare doelgroepen zoals kinderen. EFSA maakt gebruik van het beoordelingsmodel OPEX om rekening te houden met langdurige blootstelling van omwonenden. OPEX is volgens het RIVM een robuust model dat blootstelling niet onderschat2. In lijn met het voorzorgsbeginsel wordt het toelatingskader (Europees en nationaal) doorlopend aangescherpt aan de hand van nieuwe wetenschappelijke inzichten (Kamerstuk 27 858, nr. 676). Nederlandse instituten spelen hierbij een actieve rol. Het Rijk laat intussen aanvullend meerjarig onderzoek doen door een consortium onder leiding van het RIVM, naar mogelijke risico’s voor omwonenden en agrariërs (het OBO-2 onderzoek; Kamerstuk 27 858, nr. 644) en naar de mogelijke relatie tussen bestrijdingsmiddelen en de ziekte van Parkinson (het SPARK-onderzoek).
Gemeentes hebben, om de gezondheid van bewoners, natuur en waterkwaliteit lokaal te beschermen, ook verschillende bevoegdheden, zoals op basis van de Omgevingswet, via het Omgevingsplan of via maatwerkvoorschriften. Daarnaast kan de gemeente in situaties waar zij eigenaar is van de grond, eisen stellen aan het gebruik bij verpachting of verkoop van de grond. Er zijn diverse externe juridische handreikingen gepubliceerd (door bijvoorbeeld LTO en Arcadis) waaruit volgt dat gemeenten mogelijkheden hebben om lokaal te reguleren.
Voor een nieuwe woonbestemming kan uit de huidige jurisprudentie een spuitvrije zone van 50 meter worden afgeleid. Het Rijk heeft opdracht gegeven tot een verkenning naar een rekenmethode om de breedte van spuitzones tussen een agrarische en een woonbestemming te onderbouwen. Dit zou gemeentes op de langere termijn onderbouwde handvatten moeten bieden om daarin een lokale afweging te maken.
Bent u op de hoogte dat het gebrek aan daadkracht leidt tot zowel verontruste inwoners als onzekerheid bij boeren? Kunt u ook hier een reflectie op geven?
Zoals hierboven aangegeven lopen verschillende trajecten. Deze zijn ingezet mede op basis van signalen van gemeenten.
Wat gaat u doen qua aanpak lelieteelt en bestrijdingsmiddelen om deze ontstane situatie, welke leidt tot polarisatie, in vele gemeenten te verbeteren?
Ik ben in de antwoorden op vragen 2 en 3 ingegaan op verschillende acties die ik onderneem, al dan niet in samenwerking met de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport.
Verder steun ik nadrukkelijk de inzet van de sector om chemisch middelengebruik in de lelieteelt fors terug te dringen. Zo hebben de KAVB (bollensector) en Royal Anthos (bollenhandel) besloten dat de lelieteelt in 2030 50% minder gewasbeschermingsmiddelen zou moeten gebruiken en «hoog-impact gewasbeschermingsmiddelen» uit zou moeten faseren, en hebben daartoe de regie gepakt. Onderzoeksprojecten, zoals het recent afgesloten programma Duurzame Bollenteelt Drenthe3, zouden daarvoor handvatten moeten bieden.
Deelt u de mening van de burgemeester van Westerveld dat de huidige aanpak leidt tot toegenomen spanning in plaats van het dalen van spanning? Kunt u dit nader toelichten?
Ik ben het eens met de gemeente Midden-Drenthe dat dit vraagstuk complex is, en onderschrijf het belang van onderling vertrouwen en open communicatie tussen agrariërs en omwonenden. Daartoe ben en blijf ik ook in gesprek met gemeenten en belangengroepen.
Bent u het eens met de gemeente Midden-Drenthe dat dit vraagstuk een complex samenspel van regelgeving, jurisprudentie, technische innovaties en uiteenlopende verwachtingen is? Deelt u de mening dat daarbij dit vraagstuk gemeente-overstijgend landelijke helderheid en beleid vraagt?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom bent u nog steeds niet bereid om te werken met een wettelijke spuitvrije zone bij lelieteelt?
Zoals eerder gemeld kunnen gemeentes nu reeds spuitvrije zones instellen. Ik denk dat dit ook het beste op lokaal niveau met maatwerk kan worden besloten, aangezien de situatie in de praktijk heel verschillend kan zijn. Dat past ook bij de onderlinge verdeling van bevoegdheden. Daarbij draagt het Rijk via het voornoemde onderzoek bij aan handvatten hiervoor.
Waarom verwerkt u de herhaalde uitspraken van de Raad van State in het afgelope decennium, dat een spuitvrije zone van 50 meter bij woningbouw bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet onredelijk is, niet in landelijke wetgeving?
Zie antwoord vraag 7.
Wat gaat u doen met de dringende oproep van gemeenten om met landelijke wet- en regelgeving te komen? Op welke termijn kunnen deze gemeenten duidelijke regelgeving van u verwachten?
Zoals in het antwoord op vraag 2 beschreven is er al een uitgebreid juridisch kader, dat mogelijkheden biedt om maatregelen te treffen op lokaal niveau. Ik vind het van belang dat gemeenten hier op lokaal niveau een afweging in kunnen blijven maken.
Deelt u de mening dat sierteelt niet onder het beleid van voedselzekerheid valt? Zo nee, waarom niet?
Sierteelt valt inderdaad niet onder het beleid van voedselzekerheid. Desalniettemin is sierteelt vaak onderdeel van een gewasrotatieschema en is op de bewuste locatie in de overige jaren dan wel sprake van activiteiten i.v.m. voedselproductie.
Wat gaat u verbeteren aan de kabinetsaanpak «gezondheid in alle beleidsterreinen»? Gaat u daarin ook ambities beschrijven om inwoners en boeren beter te beschermen tegen de schadelijke gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen?
Dit kabinet werkt aan een verdere versterking van de aanpak Gezondheid in alle beleidsterreinen (GIAB), zodat gezondheid structureel en vroegtijdig wordt meegewogen bij beleid op andere domeinen, zoals landbouw, industrie en ruimtelijke ordening. Binnen deze aanpak wordt gewerkt aan het beter benutten van gezondheidskundig advies bij besluitvorming, onder meer via de GGD’en en het RIVM. Verder wordt kennis en monitoring ingezet, onder meer via het lopende RIVM-onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden (OBO-2) en het <I>SPARK</I>-onderzoek naar de ontwikkeling van teststrategieën voor neurotoxische en neurodegeneratieve effecten van bestrijdingsmiddelen. Daarmee wordt de bescherming van inwoners en boeren tegen mogelijke gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen versterkt.
Het krantenartikel 'Hoe minister Yeşilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeild werden in de crisis rond Ter Apel' |
|
Willem Koops (NSC) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in NRC «Hoe Minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeild werden in de crisis rond Ter Apel» van zondag 14 september jl.?1
Ja.
Is het juist dat tot de kerntaken van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (DWJZ) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid behoren:
Ja. Daarbij wordt opgemerkt dat de rijksbrede verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van wet- en regelgeving thans is belegd bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Klopt het dat bij de totstandkoming van de brief aan de Tweede Kamer van 26 augustus 2022 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid2 DWJZ «op geen enkele manier betrokken is geweest»?
In de snelheid van het proces is DWJZ niet betrokken geweest bij het opstellen van de brief van 26 augustus 2022. Daarbij past de kanttekening dat er als gebruikelijk regelmatig contact was over het asiel- en migratiedossier tussen de beleidsmedewerkers van het – toenmalige – directoraat-generaal Migratie (DGM) en de wetgevingsjuristen van DWJZ. Tussen DWJZ en DGM is over verschillende onderwerpen genoemd in deze brief eerder inhoudelijk contact geweest. Van het willens en wetens passeren van DWJZ door de toenmalige bewindspersonen is dan ook geen sprake.
Waarom is DWJZ door notabene haar eigen toenmalige bewindslieden willens en wetens gepasseerd bij de totstandkoming van de brief d.d. 26 augustus 2022, ondanks haar spilpositie binnen de Rijksoverheid waar het gaat om wet- en regelgeving?
Zie antwoord vraag 3.
De toenmalige Minister voor Rechtsbescherming schreef in zijn brief van 16 december 2022 aan de Tweede Kamer: «Al vele jaren is het wetgevingskwaliteitsbeleid erop gericht te verzekeren dat wetgeving rechtmatig, doelmatig en doeltreffend is en dat rechtsbeginselen worden verwerkelijkt. Wetgeving moet beantwoorden aan de vereisten van subsidiariteit en evenredigheid en uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.»3 Hoe verhoudt het passeren van DWJZ zich tot deze uitspraak?
Het wetgevingskwaliteitsbeleid geldt als toetssteen bij de ambtelijke voorbereiding van concrete wetsvoorstellen en algemene maatregelen van bestuur. De verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van JenV voor het wetgevingskwaliteitsbeleid – zoals beschreven in de brief van zijn ambtsvoorganger (de Minister voor Rechtsbescherming) van 16 december 2022 over de Staat van de wetgeving – ziet op de rijksbrede kwaliteit van wetgeving en het wetgevingsproces. Daarvoor ontwikkelen zijn ambtenaren instrumenten zoals het Beleidskompas en de Aanwijzingen voor de regelgeving. Daarnaast toetsen zij geselecteerde wetten en algemene maatregelen van bestuur voordat deze in de ministerraad worden behandeld. In de brief van 26 augustus 2022 werden beleidsmatige voornemens binnen de bestaande wettelijke kaders en een aankondiging van een wetswijziging besproken. De brief van 26 augustus 2022 is daarmee geen concreet wetsvoorstel dat zich leent voor toetsing aan het wetgevingskwaliteitsbeleid. In deze eerdere fase van het beleid- en wetgevingsproces is er nog geen betrokkenheid van de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor het rijksbrede wetgevingskwaliteitsbeleid. Van het «passeren» van de toenmalig Minister voor Rechtsbescherming is derhalve geen sprake.
De eerder genoemde kwaliteitseisen voor de ontwikkeling en totstandkoming van wetgeving hebben hun invulling en uitwerking gekregen in de «Aanwijzingen voor de regelgeving» en het «Beleidskompas»: de opvolger van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving. Hoe verhoudt het passeren van DWJZ zich tot deze eisen, die strekken tot het borgen van de kwaliteit van wetgeving?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhouden de in de brief aan de Tweede Kamer van 26 augustus 2022 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aangekondigde tijdelijke en verdere maatregelen zich tot het wetgevingskwaliteitsbeleid, zoals door de Minister voor Rechtsbescherming beschreven in zijn brief aan de Tweede Kamer d.d. 16 december 2022?
Zie antwoord vraag 5.
Was de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming op de hoogte van de wijze van ontwikkeling en totstandkoming van de brief aan de Tweede Kamer d.d. 26 augustus 2022 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid?
De brief van 26 augustus 2022 is tot stand gekomen na overleg binnen het kabinet, waarvan de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming ook deel uitmaakte. Zoals uiteengezet in het antwoord op de vragen 5, 6 en 7, was een advies van de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming over wetgevingskwaliteit destijds nog niet aan de orde.
Zo ja, heeft hij hierover geadviseerd aan zijn beide mede-bewindslieden op het ministerie (in het kader van het wetgevingskwaliteitsbeleid) en zo ja, hoe luidde zijn advies? Indien dit advies schriftelijk werd gegeven, bent u dan bereid het aan de Tweede Kamer over te leggen?
Zie antwoord vraag 8.
Indien de Minister voor Rechtsbescherming niet op de hoogte was van de totstandkoming van de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en niet in de gelegenheid is gesteld om te adviseren: waarom is dat niet gebeurd?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is precies de rol van de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid geweest bij de ontwikkeling en totstandkoming van de brief aan de Tweede Kamer van 26 augustus 2022, gelet op haar politiek-bestuurlijke eindverantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen van haar departement?
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid is steeds nauw betrokken geweest bij het proces dat heeft geleid tot de Kamerbrief.
Is het juist dat medewerkers van de DWJZ de Minister van veiligheid en justitie in een formeel memo op de hoogte hebben gesteld van het feit dat DWJZ «niet betrokken is geweest bij de voorbereiding en vormgeving van deze brief (die van 26 augustus 2022) en niet in de gelegenheid is geweest hierover te adviseren», en dat zij waarschuwden voor de juridische kwetsbaarheid van de daarin voorgestelde maatregelen?
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid is door DWJZ in het memo van 8 september 2022 gewezen op de juridische kwetsbaarheden van twee voorgestelde maatregelen in de brief van 26 augustus 2022. De in vraag 12 geciteerde passage was opgenomen in een ambtelijk concept van dit memo. Deze passage werd na ambtelijk overleg binnen DWJZ – verwijzend naar de aangekondigde maatregelen in de Kamerbrief van 26 augustus 2022 – vervangen door «DWJZ heeft hiervan kennis genomen».
De vraagstelling, meer in het bijzonder het werkwoord kuisen, kan ten onrechte de suggestie wekken dat er sprake zou zijn geweest van een vorm van druk om formuleringen in het genoemde memo aan te passen. Het is echter heel gangbaar dat ambtelijke memo’s naar aanleiding van interne overleggen, of bijvoorbeeld door gewijzigde omstandigheden of voortschrijdend inzicht van de opsteller, worden aangepast.
Kan worden bevestigd dat de interne memo van DWJZ aan de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid later «is gekuist» en zij «een nieuwe schone versie» heeft gekregen? Waarom is de eerdere versie van het interne memo «gekuist»?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in de kantlijn van de gekuiste versie van het interne memo van de DWJZ geschreven: «Ik heb de hele zomer om meekijken door DWJZ gevraagd»? Zo ja, waarom is daarop dan vervolgens door DWJZ niet geacteerd?
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid heeft inderdaad deze opmerking in de kantlijn van het memo van 8 september 2022 geplaatst. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 en 4 is er in de periode die vooraf ging aan het opstellen van de brief van 26 augustus 2022 over verschillende onderwerpen uit deze brief inhoudelijk contact geweest tussen DGM en DWJZ. DWJZ is in de snelheid van het proces echter niet, zoals gebruikelijk, betrokken geweest bij het opstellen van de brief. Vandaar dat DWJZ de Minister in het memo van 8 september 2022 heeft geïnformeerd over de juridische consequenties van deze brief.
Kunnen beide memo’s, zowel de ongekuiste als de latere schone versie, aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
De conceptversie van het desbetreffende memo en de eindversie van het memo zijn reeds openbaar gemaakt met het Woo-besluit van 8 september 2025.4
Waarom heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer niet (schriftelijk of mondeling) op de hoogte gesteld van de «ernstige bezwaren» van DWJZ en van de aanwezigheid van «het stoplichtdocument» tegen de door hem in zijn brief aan de Kamer aangekondigde tijdelijke en verdere maatregelen?
Het zogenaamde «stoplichtdocument» betrof een ambtelijk concept dat in kleuren duiding gaf aan denkbare maatregelen. Het betrof een eerste concept dat kort daarna is omgezet in een document dat niet langer in kleuren duiding gaf. Het onderdeel over de nareismaatregel van dat laatste document is destijds opgenomen in de bijlage bij de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Kröger en Piri over de intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken.5
De toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft in het verkeer met de Tweede Kamer – onder andere tijdens het debat van 8 september 2022 – aangegeven dat uit ambtelijke adviezen bleek dat er vraagtekens te zetten waren bij de juridische houdbaarheid van de in de brief beschreven tijdelijke nareismaatregel. De juridische kanttekeningen zijn ook opgenomen in de bijlage bij de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Kröger en Piri over de intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken.6 Ik zie dan ook geen reden om vast te stellen dat de Tweede Kamer destijds niet juist en volledig zou zijn geïnformeerd.
Moet vastgesteld worden dat de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daarmee de Tweede Kamer niet juist en volledig heeft geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 16.
Zo ja, wat is daarover het oordeel van de regering?
Zie antwoord vraag 16.
Zo nee, dan graag een uitvoerige motiverende toelichting van die ontkenning?
Zie antwoord vraag 16.
Kan worden bevestigd dat voor «een fundamentele heroriëntatie op het hele asielbeleid door de toenmalige Minister en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid KPMG is gevraagd?
De DGM-opdrachtformulering staat in de (geaccordeerde) offerte d.d. 29 november 2022. De volledige offerte kan niet integraal naar de Tweede Kamer worden gestuurd omdat deze bedrijfsgevoelige informatie en persoonsgegevens bevat. Hierna zijn relevante delen opgenomen uit deze offerte, waarbij namen van medewerkers, gehanteerde tarieven en inzetvoorwaarden zijn weggelaten vanwege vertrouwelijkheid:
Zoals uit de opdrachtformulering blijkt zag de inzet van KPMG niet op een fundamentele heroriëntatie van het hele asielbeleid door KPMG, maar op ondersteuning door KPMG van het proces om te komen tot een lijst van maatregelen. De inhoudelijk uitwerking van de maatregelen viel dan ook buiten de scope van die ondersteuning. Die inhoud is binnen het proces dan ook steeds geleverd door het ambtelijk apparaat.
Voor de opdracht was een Meervoudige Onderhandse Procedure vereist. Deze is echter niet gevolgd vanwege zeer grote werkdruk bij DGM waardoor de capaciteit ontbrak om het vereiste aanbestedingsproces tijdig te organiseren.
Waarom is voor het uitvoeren van een dergelijke beleidsopdracht gekozen voor een externe partij, terwijl dat juist bij uitstek behoort tot de corebusiness van het werk van beleidsambtenaren van de Rijksoverheid i.c. het Ministerie van Justitie en Veiligheid?
Zie antwoord vraag 20.
Heeft voor de opdrachtverlening aan KPMG een aanbesteding- en gunningstraject gelopen conform de (EU-)regels en richtlijnen die daarvoor gelden binnen de Rijksoverheid? Zo nee, waarom is dat niet gebeurd?
Zie antwoord vraag 20.
Wat was de letterlijke opdracht aan KPMG en kan deze opdracht integraal aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 20.
Kunnen zowel de spreadsheet met de longlist «met 164 ideeën» als die met «de 24 meest haalbare plannen op de shortlist» van KPMG aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Aan de beantwoording van deze vragen zijn twee documenten toegevoegd: het gevraagde document van 9 december 2022 en een document van 16 december 2022.7 De versie van 9 december 2022 betreft de 95% versie. De versie van 16 december 2022 is de laatste versie en kan worden gezien als de eindversie. In deze documenten is zowel de korte lijst met uitgewerkte maatregelen opgenomen, alsook de longlist.8
Kan ook het concept-rapport van KPMG, zoals dat op 9 december 2022 aan de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is gestuurd, aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 24.
Heeft de DWJZ over de inventarisatie van KPMG geoordeeld over de juridische haalbaarheid en op basis daarvan de verwachting uitgesproken dat de voorstellen van KPMG «geen stand houden bij de rechter»?
Ik ben niet bekend met een dergelijk advies van DWJZ en kan ze dan ook niet verstrekken aan de Tweede Kamer.
Kan het advies van DWJZ over de inventarisatie en voorstellen c.q. het rapport van KPMG aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 26.
Klopt het dat de door KPMG voorgestelde maatregelen en die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn overgenomen voor de rechters geen standhouden, zoals al door DWJZ was voorspeld? Wat is het oordeel van de regering hierover?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen 20 t/m 23 was het niet aan KPMG om inhoudelijk te adviseren over de opgehaalde ideeën en maatregelen. Wel is de door KMPG ondersteunde inventarisatie van KPMG gebruikt ter voorbereiding en als onderdeel van de bewindspersonenoverleggen die destijds plaatsvonden over migratie. Bij brief van 10 juli 20239 heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid onder meer de afschriften verstrekt van stukken die ambtelijk zijn ingebracht ten behoeve van die bewindspersonenoverleggen over migratie. In die ambtelijke stukken zijn de maatregelen opgenomen die aan de orde zijn geweest bij de genoemde besprekingen. Zoals in genoemde brief van 10 juli 2023 is verwoord, was het zo dat «voor alles gold dat er geen overeenstemming was totdat over het geheel overeenstemming zou worden bereikt». Van (een lijst van) maatregelen waarover overeenstemming was, kan dan ook niet worden gesproken.
De inventarisatie van KPMG is door dat kabinet niet (integraal) doorgevoerd. Het tegen elke uitspraak in hoger beroep gaan tegen de negatieve beroepsuitspraken die zien op deze maatregelen is dan ook niet aan de orde geweest. De IND is daarnaast in algemene zin terughoudend als het gaat om instellen van hoger beroep en weegt steeds af of er een zaaksoverstijgend belang is waardoor hoger beroep is aangewezen.
Kan worden bevestigd dat, tegen het advies van DWJZ, door de toenmalige bewindslieden van Justitie en Veiligheid «tegen elke uitspraak in hoger beroep is gegaan»?
Zie antwoord vraag 28.
Kan ook dit advies van DWJZ aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bekend met een dergelijk advies van DWJZ en kan het dan ook niet verstrekken aan de Tweede Kamer.
Wat waren de kosten voor het ministerie die gemoeid waren met het uitvoeren van de opdracht aan KPMG? Worden vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid nog opdrachten verleend aan KPMG, gelet op het niveau van de kwaliteit van de adviezen en voorstellen en de juridische (on)haalbaarheid daarvan? Graag het antwoord motiveren.
Dit betrof een bedrag van € 70.952,90 incl. BTW. Zoals hierboven aangegeven was KPMG enkel verantwoordelijk voor de ondersteuning van het proces om te komen tot een lijst van maatregelen, waarbij de inhoudelijk uitwerking van de maatregelen buiten de reikwijdte van de ondersteuning viel. Ik zie geen reden om KPMG categorisch uit te sluiten van toekomstige opdrachten.
Wilt u deze vragen één op één beantwoorden en binnen de daarvoor gebruikelijke termijn van 3 weken?
Ten behoeve van de leesbaarheid zijn bepaalde antwoorden samengevoegd. De beantwoording is zo spoedig mogelijk naar de Tweede Kamer gestuurd.
Het weglaten van €200 miljoen onderwijsbezuinigingen in de laatste OCW begroting |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat dit kabinet ervoor heeft gekozen om ruim € 170 miljoen per jaar te bezuinigen op de OCW-begroting via de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling?
Bij de Voorjaarsnota 2025 heeft het kabinet besloten om van de prijsbijstelling tranche 2025 50% niet uit te keren om rijksbrede problematiek te dekken. Het beschikbare budget voor prijsbijstelling op de OCW-begroting uit deze tranche is daardoor geen € 343,2 miljoen maar € 171,6 miljoen structureel.
Klopt het dat deze bezuiniging een aantal maanden geleden wel stond opgenomen in de bezuinigingstabel van uw voorganger?1
Bij de antwoorden op de feitelijke vragen over de eerste suppletoire begroting van OCW is de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling tranche 2025 inderdaad opgenomen in de bezuinigingstabel. Er waren meerdere vragen gesteld over de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling en de impact ervan op OCW. Om de Kamer een zo volledig mogelijk beeld te geven is er toen voor gekozen om de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling op te nemen in het overzicht.
Waarom heeft u ervoor gekozen om deze bezuiniging weg te laten in de nieuwe bezuinigingstabel bij de OCW-begroting 2026, waarin staat dat de totale onderwijsbezuinigingen € 1,37 miljard per jaar bedragen?2
De overzichtstabel 4 (extensiveringen) in de OCW-begroting 2026 heeft een ander karakter dan de tabel bij de antwoorden op de feitelijke vragen over de eerste suppletoire begroting. In de overzichtstabel in de begroting is het uitgangspunt dat alleen extensiveringen ten gunste van het generale beeld op de OCW-begroting worden opgenomen. Vanaf het begin dat deze overzichtstabel onderdeel is van de OCW-begroting wordt dit uitgangspunt al gehanteerd. Het gaat dan om budget dat onderdeel was van de OCW-begroting en vervolgens is afgeboekt van de OCW-begroting. Voor de gehalveerde reeks van de prijsbijstelling geldt dat deze nooit onderdeel is geweest van de OCW-begroting. De helft van de prijsbijstelling is overgeheveld van Financiën naar de OCW-begroting.
Betekent dit dat deze bezuiniging van tafel is of dat u de Kamer niet volledig heeft geïnformeerd over alle onderwijsbezuinigingen van het kabinet-Schoof?
De rijksbrede halvering van de prijsbijstelling tranche 2025 is niet van tafel. Bij de toelichting van de belangrijkste budgettaire mutaties (onderdeel 2.2. van de ontwerpbegroting 2026 van OCW) is de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling toegelicht. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoe hoog is het totaalbedrag aan onderwijsbezuinigingen als de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling wél wordt meegenomen?
Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle extensiveringen ten gunste van het generale beeld van dit kabinet op OCW en de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling tranche 2025. Dit is dus breder dan alleen de bezuinigingen op onderwijs. In aanvulling op de tabel in de begroting is ook een kolom voor de structurele bedragen opgenomen, analoog aan de tabel in de antwoorden op de feitelijke vragen bij de eerste suppletoire begroting.
Bezuiniging maatschappelijke diensttijd1
– 74.735
– 44.902
– 67.363
– 70.000
– 70.000
– 70.000
– 70.000
HLA 23. Afschaffen brede brugklas en beperken S&O
– 55.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
HLA 24. Alternatieve invulling bijstelling sectorplannen hoger onderwijs en wetenschap
– 134.734
– 134.734
– 134.734
– 134.734
– 134.734
– 161.330
– 175.000
HLA 26. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid
– 42.598
– 62.186
– 80.612
– 100.342
– 108.466
– 108.466
– 108.466
HLA 29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting
0
– 81.261
– 81.201
– 81.201
– 81.201
– 81.201
– 81.201
HLA 32. Beëindiging functiemix Randstad en terugdraaien bezuiniging
0
0
0
0
0
0
0
HLA 34. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking
0
– 8.511
– 8.511
– 8.511
– 8.510
– 7.188
– 7.188
HLA 35. Verlaging non-ODA-middelen
– 731
– 718
– 844
– 956
– 3.214
– 3.506
– 3.506
HLA 40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed
– 71.830
– 131.838
– 220.601
– 277.994
– 322.937
– 311.027
– 311.027
HLA 41. Verminderen internationale studenten (via bestuurlijk akkoord)
0
– 17.000
– 68.000
– 121.000
– 158.000
– 156.000
– 170.000
HLA 42. Hervorming Nederlandse Publieke Omroep NPO
0
0
– 100.000
– 100.000
– 100.000
– 100.000
– 100.000
HLA 43. Alternatieve invulling afschaffen OV-vergoeding buitenland studerenden
0
– 4.000
– 8.000
– 14.000
– 14.000
– 18.000
– 30.000
HLA 44. Verhogen collegegeld langstudeerders (via lagere bekostiging) en terugdraaien bezuiniging
0
0
0
0
0
0
0
HLA 69. Fonds Onderzoek Wetenschap
– 106.929
– 106.929
– 106.929
– 107.054
– 132.054
– 132.054
0
Ten behoeve van 4x 25 miljoen fonds onderzoek en wetenschap
– 25.000
– 25.000
– 25.000
– 25.000
0
0
0
Verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep2
0
0
– 50.000
– 50.000
– 50.000
– 50.000
– 50.000
Opheffen onderwijskansenregeling en terugdraaien bezuiniging
0
0
0
0
0
0
0
Inhouden loonbijstelling externe inhuur tranche 2025
– 4.615
– 4.532
– 4.534
– 4.269
– 3.723
– 4.010
– 4.010
Amendement Kent taakstelling externe inhuur
0
– 1.867
0
0
0
0
0
Rijksbrede halvering prijsbijstelling tranche 2025
– 191.837
– 178.364
– 196.527
– 173.511
– 172.342
– 171.590
– 171.590
Deze maatregel stond in het hoofdlijnenakkoord als HLA 22. Afschaffen maatschappelijke diensttijd. Na amendement Bontenbal c.s. (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 141) is maatschappelijke diensttijd echter niet afgeschaft maar heeft er alleen een bezuiniging op plaatsgevonden.
Daarbij verzoekt het amendement van Bontenbal c.s. (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 141) om de landelijke publieke omroep meer ruimte te geven om (online) reclameopbrengsten te generen waarmee de korting van € 50,0 miljoen opgevangen kan worden.
Kunt u deze vragen beantwoorden uiterlijk 24 uur voorafgaand aan de Algemene Financiële Beschouwingen, inclusief een gewijzigde begroting waarin wél alle bezuinigingen staan genoemd?
Ja, met dien verstande dat bovenstaande tabel de door u gevraagde informatie bevat en de tabel in de begroting ongewijzigd kan blijven, zoals ook in deze antwoorden toegelicht.
Borging van de regionale scholingsfondsen |
|
Ilse Saris (CDA), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA), Bart Bikkers (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de regionale scholingsfondsen Twente Fonds en het Achterhoeks Talentenfonds Opijver?1
Ja.
Deelt u de mening dat regionale scholingsfondsen zoals Het Twents Fonds voor Vakmanschap en het Achterhoeks Talentenfonds Opijver een significante bijdrage leveren aan een toekomstbestendige leercultuur en belangrijk zijn voor de arbeidsmarktvraagstukken van nu en de toekomst? Zo nee, waarom niet?
Wij delen de mening dat regionale scholingsfondsen een significante bijdrage kunnen leveren aan een toekomstbestendige leercultuur en belangrijk kunnen zijn voor de arbeidsmarktvraagstukken van nu en de toekomst. Het interessante aan regionale scholingsfondsen is dat dit uit de regio zelf komt en vaak ook gebaseerd is op een intensieve samenwerking met onderwijs en bedrijfsleven in de regio. In verdiepende gesprekken met (vertegenwoordigers van) provincies, gemeenten en regionale scholingsfondsen bekijken we of en hoe het mogelijk is de regionale scholingsfondsen te verbinden met de regionale arbeidsmarktinfrastructuur.
Bent u het er mee eens dat deze arbeidsmarktvraagstukken zoals een groot onbenut arbeidspotentieel vragen om structurele financiële borging van scholingsfaciliteiten in de regionale arbeidsmarktinfrastructuur?
In de lopende verkenningen en programma’s onderzoeken we hoe we de basisinfrastructuur voor LLO kunnen vormgeven en wat dit vraagt aan financiële middelen. Onderdeel van de basisinfrastructuur moet een goede ondersteuningsinfrastructuur zijn, juist voor mensen die niet snel tot scholing geneigd zijn. Hiervoor willen we aansluiten op de Werkcentra. De uitwerking van de basisinfrastructuur, in samenwerking met alle betrokken partners, is een belangrijke opgave voor een nieuw kabinet.
Herkent u het beeld dat veel partijen nu afzien van een aanvraag bij de SLIM-regeling vanwege de complexiteit en het ontbreken van (financiële) zekerheid over de borging?
Sommige sectoren hebben inderdaad aangegeven geen collectieve aanvraag in te dienen. Sectoren die niet aanvragen hebben hiervoor ieder hun eigen redenen die breder zijn dan complexiteit en het ontbreken van (financiële) zekerheid. Bijvoorbeeld een afweging over hoe capaciteit wordt ingezet als er ook elders mogelijkheden voor subsidies zijn. Mijn ministerie is voortdurend in goed overleg met sectoren die de SLIM-scholingssubsidie kunnen aanvragen en speelt waar mogelijk in op signalen van deze sectoren als blijkt dat er onbedoelde complexiteit in de regeling zit.
Ziet u dat de SLIM-regeling nu moeilijk gebruikt kan worden voor initiatieven zoals in Twente en de Achterhoek, terwijl die regeling nu juist bedoeld zou moeten zijn voor dergelijke initiatieven? Zo niet, wat is er dan voor nodig om dit budget wel toegankelijk te maken voor deze initiatieven?
Vanwege de noodzakelijke verbinding met werkplekken bij werkgevers en de inzet op scholing voor huidig personeel gaat de SLIM-scholingssubsidie uit van (paritaire) collectieve aanvragen vanuit sectoren. Regionale scholingsfondsen kunnen geen hoofdaanvrager zijn. Regionale scholingsfondsen kunnen, als zij deel uitmaken van de regionale arbeidsmarktinfrastructuur, betrokken zijn bij de uitvoering van de collectieve subsidieaanvraag door onderdeel uit te maken van een collectief dat subsidie aanvraagt. Daarvoor zijn wel samenwerkingsafspraken met sectoren nodig.
Voor de inzet van scholing voor werkzoekenden bevat de SLIM-regeling een verplichting voor sectoren om met de 35 arbeidsmarktregio’s samen te werken. Sectoren zijn verplicht bij hun aanvraag samen te werken met arbeidsmarktregio's die dat willen. De centrumgemeente is dan namens de arbeidsmarktregio medeondertekenaar van de aanvraag.
Met de in het antwoord op vraag 2 genoemde verdiepende gesprekken willen we eraan bijdragen dat waar de toegang via verbinding met de regionale arbeidsmarktinfrastructuur er nog niet is, die alsnog komt.
Bent u bereid de niet benutte gelden van de SLIM-regeling beschikbaar te stellen voor regionale scholingsfondsen om een overbrugging te kunnen maken naar het uitwerken van structurele borging in de dienstverlening en financiering vanuit het Rijk?
Er zijn geen middelen beschikbaar voor structurele borging, waardoor een overbrugging naar structurele borging niet reëel is. Daar komt bij dat vooralsnog de prognose is dat de middelen uit het collectieve aanvraagtijdvak volledig worden aangevraagd. De SLIM-scholingssubsidie kent sectorale budgetplafonds. Vanwege het wegvallen van aanvragen vanuit een drietal sectoren zijn de budgetplafonds voor de overige sectoren aangepast. Op basis van een inventarisatie van de behoeften bij de andere maatschappelijk cruciale sectoren is het budget over deze sectoren herverdeeld. Die behoeften telden op tot globaal het beschikbare budget van 22 miljoen euro.
Wat is de stand van zaken van de Leven Lang Ontwikkelen (LLO) Agenda waar het kabinet gezamenlijk aan werkt?
Het kabinet werkt momenteel aan de gezamenlijke LLO agenda. Leven Lang Ontwikkelen is immers van groot belang voor mensen die zich willen blijven ontwikkelen tijdens hun loopbaan. We zijn voornemens voor het einde van dit jaar een brief naar uw Kamer te sturen. In deze brief informeren we u over de stand van zaken, de resultaten tot nu toe, en de stappen die nog worden gezet.
Hoe bent u voornemens te komen tot een landelijk dekkend stelsel van regionale talent- en scholingsfondsen?
Bij de Werkcentra die in alle arbeidsmarktregio’s worden geopend, kunnen alle mensen en werkgevers terecht voor laagdrempelig en vrijblijvend advies over werk en scholing. Naar verwachting zijn begin 2026 in alle regio’s Werkcentra actief. In veel regio’s zijn ook scholingsfondsen actief om scholingsmiddelen vanuit verschillende publieke en private regelingen te ontsluiten. Hiervoor wordt over het algemeen samengewerkt met de Werkcentra. SZW zet zich samen met VNG, IPO en de G40 in om in de regio’s deze verbinding tot stand te brengen.
Op welke wijze wilt u succesvolle voorlopers zoals de arbeidsmarktregio’s Twente en de Achterhoek betrekken bij het verder uitwerken van de gezamenlijke LLO-agenda en een dergelijk landelijk dekkend stelsel van regionale scholingsfondsen?
Het kabinet hecht groot belang aan de inbreng van arbeidsmarktregio’s en andere betrokken bij het opstellen van een nieuwe LLO-agenda. Zoals hiervoor aangegeven, zet SZW zich samen met VNG, IPO en G40 in om in alle regio’s deze verbinding tot stand te brengen. Ook vindt periodiek overleg plaats met de partijen achter HC-NL, de landelijke structuur rondom regionale scholingsfondsen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Arbeidsmarktbeleid en Arbeidsmarktdiscriminatie op 24 september?
Ja.
Het bericht ‘Syrische Druzen werden buitengerechtelijk geëxecuteerd’ |
|
Isa Kahraman (CDA), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Syrische Druzen werden buitengerechtelijk geëxecuteerd» van Amnesty International?1
Ik heb kennis genomen van het bericht van Amnesty International. De genoemde zaken zijn zeer verontrustend. Het is belangrijk dat alle gemeenschappen in Syrië worden beschermd, waaronder ook de Druzen. Het is daarom van belang dat alle feiten boven tafel komen en de daders verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Hierom verwelkom ik ook de samenwerking van Syrische overgangsautoriteiten met de onafhankelijke VN Commission of Inquiry (CoI) naar de gewelddadigheden in Suweida.
Deelt u de conclusie dat de Syrische interim-regering en aan deze regering gelieerde troepen verantwoordelijk zijn voor buitengerechtelijke executies van Druzen op 15 en 16 juli in Suwayda?
Belangrijk is dat wordt vastgesteld wat er precies is voorgevallen in Suweida en wie verantwoordelijk is geweest voor dit geweld. Hierom wacht ik de bevindingen van de verschillende onderzoekscommissies af. Er zijn twee commissies ingesteld die de geweldsescalatie in Suweida onderzoeken: een Syrische onderzoekscommissie, onder leiding van de Syrische Minister van Justitie, en een onafhankelijke onderzoekscommissie van de Verenigde Naties die ressorteert onder de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic (CoI). Het kabinet blijft de voortgang van deze onderzoeken nauwlettend volgen.
Klopt het dat, als veiligheidstroepen of het leger mensen opzettelijk en onwettig doden, of als aan de Syrische regering gelieerde troepen dit doen met betrokkenheid of stilzwijgende goedkeuring van deze regering, dit kan worden geclassificeerd als buitengerechtelijke executies, wat een misdrijf is onder internationaal recht?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u naar aanleiding van dit bericht nogmaals reflecteren op de uitvoering van motie-Ceder c.s.?2 Erkent u dat deze motie niet wordt uitgevoerd, aangezien sancties zijn opgeheven terwijl de veiligheid van minderheden klaarblijkelijk niet is gegarandeerd? Welke consequenties verbindt u hieraan?
De sancties op vitale economische sectoren in Syrië zijn in EU-verband opgeheven, met uitzondering van wapen- en veiligheidsgerelateerde sancties. Het kabinet houdt de mogelijkheid open om nieuwe sancties voor te stellen als het handelen van de overgangsregering daartoe aanleiding geeft. Zo zet Nederland zich in voor listings tegen plegers van (sektarisch) geweld, onder andere jegens minderheden in Syrië. In dit kader heeft de Europese Raad – mede op initiatief van Nederland – nieuwe listings aangenomen tegen personen en entiteiten die betrokken waren bij gewelddadigheden in maart aan de kust. Het gaat hierbij om nieuwe listings onder het EU horizontale mensenrechtensanctieregime.
Voor de geweldplegers in Suweida geldt ook dat daders niet ongestraft mogen blijven. Tegelijkertijd is er in dit stadium nog veel onduidelijk, met name als het gaat om wie verantwoordelijk is voor het gepleegde geweld. De bevindingen van de genoemde commissies zijn essentieel voor het ondernemen van verdere stappen jegens plegers van sektarisch geweld of de overgangsregering. Dit benadrukt het belang van een onpartijdig en transparant onderzoek, iets waartoe het kabinet – samen met de EU lidstaten – heeft opgeroepen in multilateraal verband, en ook in contacten met de Syrische overgangsregering. Nederland volgt dit nauwlettend en zal niet schromen de druk op de overgangsregering op te voeren, bijvoorbeeld via het sanctie-instrument. Sancties zullen daarbij zo gericht mogelijk zijn en de noodlijdende Syrische bevolking moeten ontzien.
Hoe beoordeelt u de capaciteit van de Syrische interim-regering om deze buitengerechtelijke executies snel, onafhankelijk, onpartijdig en transparant te onderzoeken en de daders ter verantwoording te roepen in eerlijke rechtszaken? Is deze voldoende? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, welke acties worden ondernomen, zodat de capaciteit wel voldoende is?
Het kabinet realiseert zich dat het tijd, middelen en energie kost om een inclusief bestuur op te zetten in een land dat zich bevindt in een instabiele regio, dat vele jaren geteisterd is door conflict, en dat in een zorgelijke economische staat verkeert. Het bieden van perspectief op duurzame verbetering is in deze context aangewezen. Vooralsnog toont de Syrische overgangsregering bereidheid tot inclusiviteit en verantwoordelijkheid. In dit kader is het bemoedigend te zien dat de Syrische overgangsregering het geweld heeft veroordeeld, onderzoeken is gestart en de samenwerking met de CoI is aangegaan zodat deze onafhankelijk en transparant onderzoek kan uitvoeren. Van belang is dat hier nu concreet opvolging aan gegeven wordt en daders hun straf niet ontlopen. Uiteindelijk zal het kabinet de overgangsregering beoordelen op hun daden en resultaten.
Daarnaast zet Nederland zich ook op andere wijze in voor onafhankelijk, onpartijdig en transparant onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Syrië. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 gebeurt dit door extra financiering toe te kennen aan organisaties, zoals het OHCHR en IIIM, die onderzoek doen naar mensenrechtenschendingen en hiermee bijdragen aan het bevorderen van gerechtigheid.
Wat is de stand van zaken van het comité, opgericht door het Syrische Ministerie van Justitie om onderzoek te doen naar de gebeurtenissen in Suwayda en de daders ter verantwoording te roepen? Heeft dit comité al onderzoek afgerond en daders ter verantwoording geroepen?
Het onderzoekscomité werd op 31 juli ingesteld door de Syrische Minister van Justitie met een mandaat van drie maanden. De commissie bestaat uit zeven leden, waaronder rechters, advocaten en een militair. Momenteel zijn er vanuit het Syrische onderzoekscomité nog geen conclusies over de geweldsescalaties in Suweida. Nederland blijft hier in multilateraal verband en in contacten met de Syrische overgangsautoriteiten aandacht voor vragen.
Op welke manier draagt Nederland bij aan gerechtigheid en waarheidsvinding voor het Syrische volk middels grondig, onafhankelijk, onpartijdig en transparant onderzoek naar alle misdaden die onder het internationaal recht vallen? Op welke wijze bent u bereid uw inzet hierop te vergroten?
Het kabinet zet zich al jarenlang in om de straffeloosheid van misdrijven begaan in Syrië tegen te gaan en gerechtigheid en genoegdoening voor slachtoffers en overlevenden te garanderen. Deze inzet in Syrië zal het voortzetten, door (o.a.) in te zetten op grondig, onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de begane misdrijven.
Zo heeft Nederland, samen met Canada, Syrië aansprakelijk gesteld bij het Internationaal Gerechtshof (IGH) voor grove en systematische schendingen van het VN Antifolterverdrag. Deze procedure is van belang voor waarheidsvinding, gerechtigheid en verzoening in Syrië. Daarom zet Nederland deze procedure voort.
Ook blijft Nederland de VN-bewijzenbank van Syrië (IIIM) financieel en politiek steunen zodat bewijsmateriaal van internationale misdrijven verzameld kan blijven worden ten behoeve nationale en internationale procedures. In september 2025 heeft Nederland een additionele bijdrage van EUR 500.000,– gedaan aan de bewijzenbank, bovenop de reeds lopende financiële steun van EUR 500.000,–.
Daarnaast zet Nederland zich in de VN-Mensenrechtenraad – als lid van de kerngroep Syrië – jaarlijks in voor verlenging van het mandaat van de CoI, zodat het onderzoek naar mensenrechtenschendingen in Syrië wordt versterkt. Om dit onderzoek te versterken, heeft Nederland in september 2025 het OHCHR Veldkantoor in Damascus voorzien van een financiële bijdrage van EUR 500.000,–.
Tot slot steunt Nederland de NGO’s Impunity Watch, het International Center for Transitional Justice (ICTJ) en het Syria Justice and Accountability Center (SJAC), die zich hardmaken voor gerechtigheid en verzoening in Syrië. Via deze NGO’s worden Syrische maatschappelijke organisaties in staat gesteld om o.a. mensenrechtenschendingen te documenteren.
Op welke manier ondersteunt Nederland momenteel de Syrische interim-regering en internationale instituties in de zoektocht naar de meer dan 100.000 vermiste personen in Syrië? Biedt Nederland technische, financiële of diplomatieke steun aan mechanismen zoals de «Independent Institution on Missing Persons in the Syrian Arab Republic»? Zo nee, waarom niet?
Na de val van het Assad-regime, is het van groot belang dat de Syrische overgangsregering zich – samen met de internationale gemeenschap – inzet om het lot van de vermiste personen te achterhalen. Nederland onderhoudt nauw contact met de overgangsregering en internationale instituties om deze inzet verder te concretiseren.
Zo dringt Nederland, zowel binnen internationale fora als tijdens contact met de Syrische overgangsregering, aan tot ongehinderde toegang van onderzoeksinstanties zoals de Independent Institution on Missing Persons (IIMP) en het belang van gedegen en onafhankelijk onderzoek naar de toedracht van de vermissingen. Nederland heeft middels diplomatieke steun bijgedragen aan de oprichting van het IIMP (2023), en heeft binnen de Vijfde Commissie van de VN (februari 2024) – namens de gehele EU – ervoor gezorgd dat het mechanisme voldoende financiële middelen heeft gekregen om in te zetten op slachtofferparticipatie en ondersteuning.
Tot slot kijkt Nederland momenteel of er ingespeeld kan worden op de behoefte van IIMP aan forensische ondersteuning. Zo vinden er gesprekken plaats tussen IIMP, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), om te bezien waar en op welke manier Nederland een rol kan spelen in de capaciteitsopbouw van het IIMP t.b.v. onderzoek naar vermisten in Syrië.
Op welke wijze oefent Nederland momenteel diplomatieke druk uit op de Syrische interim-regering om minderheidsgemeenschappen te beschermen en om transparantie rondom wreedheden, zoals de moordpartijen bij Suwayda en de kustregio, te vragen?
In het contact met de Syrische overgangsregering roept het kabinet consequent op tot bescherming van alle religieuze en etnische gemeenschappen en het belang van transparant en onafhankelijk onderzoek. Dit doet het kabinet in EU-verband en ook binnen de VN-Mensenrechtenraad. Daarnaast blijft Nederland binnen de EU pleiten voor gerichte sancties tegen personen die verantwoordelijk zijn voor sektarisch geweld en mensenrechtenschendingen. De EU heeft – mede op initiatief van Nederland – al eerder dergelijke gerichte sancties ingesteld.
Daarnaast roept Nederland in alle contacten met de Syrische overgangsregering op tot het openbaar maken van het rapport van de nationale onderzoekscommissie in Syrië, naar aanleiding van de geweldsescalaties in Latakia. Dit rapport is tot op heden niet gepubliceerd. Wel heeft de VN CoI haar rapport over geweldsescalaties in Latakia gedeeld op 14 augustus jl.
De VN CoI heeft op 15 juli jl. bevestigd de gebeurtenissen in Suweida te onderzoeken. Het onderzoeksrapport dat hieruit volgt zal gepubliceerd worden op de website van de CoI. Het is nog onbekend of de nationale commissie haar bevindingen zal delen. Nederland blijft aandringen op het belang hiervan.
Vraagt u om openbaarmaking van de bevindingen van onafhankelijke of lokale onderzoeken naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet? Bent u in dat geval bereid om dat alsnog te doen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Actuele stand van zaken in de wereld?
Ja.
Het bericht dat wetenschappers twijfelen aan de ICL-maatregelen tegen stank en zoutzuur |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Geert Gabriëls (GL) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wetenschappers twijfelen aan ICL-maatregelen tegen stank en zoutzuur?»1
Ja. Ik ben hierover in contact getreden met de provincie Noord-Holland, die voor de Amsterdamse vestiging van ICL het bevoegd gezag is. De provincie heeft de uitvoering van de bijbehorende taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) gemandateerd aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG).
Vindt u het ook zorgelijk dat veel bewoners van de wijk Tuindorp Oostzaan al decennialang last hebben van brandende ogen, geïrriteerde luchtwegen en een vreemde geur door de uitstoot van zoutzuur door de kunstmestfabriek ICL in het Westelijk Havengebied van Amsterdam? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat de zorgen van bewoners van Tuindorp Oostzaan, die last hebben van de emissies van de kunstmestfabriek van ICL, serieus genomen moeten worden. Het gaat hier om emissies van verschillende stoffen, waaronder zoutzuur, dat brandende ogen en geïrriteerde luchtwegen veroorzaakt, en zwavelverbindingen die zorgen voor geuroverlast. Ik vind dat gezondheidsschade voorkomen moet worden. ICL heeft de verantwoordelijkheid om alles te doen om uitstoot en overlast te beperken en te voldoen aan de regels, wil het met draagvlak blijven opereren in een dichtbevolkte omgeving.
Waarom zijn de oorzaken van de resultaten van de kankeratlas (waaruit bleek dat er in westelijk Amsterdam Noord meer longkanker voorkomt dan gemiddeld) nog niet onderzocht, ondanks grote zorgen van omwonenden over de rol van ICL? Kan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) onderzoek doen naar de oorzaken?
Het is zeer moeilijk om de oorzaak van een verhoogde incidentie van bepaalde soorten kanker in een bepaald gebied te kunnen achterhalen. Er zijn immers vele omgevingsfactoren die de kans op kanker kunnen verhogen. Ook factoren als bevolkingssamenstelling, leefstijl en de blootstelling in het verleden spelen een rol. De invloed van een enkel bedrijf in een geïndustrialiseerde en dichtbevolkte omgeving als Amsterdam-Noord op het ontstaan van kanker is daarmee moeilijk, zo niet onmogelijk om te bepalen.
ICL stoot met name zoutzuur (HCL) uit. Emissies van andere stoffen uit de schoorsteen zijn te klein om een rol te kunnen spelen. De International Agency for Research on Cancer (IARC), het in kanker gespecialiseerde onderdeel van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO geeft aan dat er geen significant bewijs is dat deze stof kanker veroorzaakt bij mensen. Een extra onderzoek heeft daarom geen meerwaarde. Mijn inzet blijft onverminderd gericht op het zoveel als mogelijk beperken van gezondheidsschade door industriële installaties, onder meer via de Actieagenda Industrie en Omwonenden.
Wat vindt u ervan dat ICL de wettelijke grenswaarden voor zoutzuur meermaals heeft overschreden binnen de huidige verouderde vergunning, tot wel 46 keer? Vindt u het acceptabel dat deze door wetenschappers als ongezond beoordeelde situatie maar blijft voortbestaan?
Ik vind het onacceptabel dat de emissies van een bedrijf de wettelijke grenswaarden overschrijden en dat daarmee een ongezonde situatie bestaat voor omwonenden.
De provincie Noord-Holland is voor ICL het bevoegd gezag. De provincie heeft de uitvoering van de bijbehorende taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) gemandateerd aan de OD NZKG. De OD NZKG heeft laten weten het getal 46 overigens niet te herkennen. Wel constateert de OD NZKG dat ICL 76,9 kg zoutzuur per uur uitstoot, terwijl de grenswaarde ligt op 4,2 kg per uur. Volgens de omgevingsdienst stoot het bedrijf dus circa 16 keer zo veel uit als toegestaan. Omdat de toegestane emissievracht voor zoutzuur in de huidige vergunning wordt overschreden, heeft de OD NZKG een Last Onder Dwangsom (LOD) opgelegd aan het bedrijf, waarbij bovenstaande getallen zijn meegenomen in het vaststellen van de hoogte daarvan. ICL moet er aantoonbaar alles aan doen om de overschrijding van de emissiegrenswaarden in de vergunning zo snel mogelijk ongedaan te maken. Indien de huidige LOD niet leidt tot verbetering bij ICL, neemt de OD NZKG een volgende handhavingstap. Ook bij deze stap worden weer de gezondheidseffecten meegewogen. De GGD adviseert de OD NZKG hierover.
Herkent u de zorgen van wetenschappers dat de aangekondigde maatregelen (de overstap naar gezuiverd water in de gaswasser en speciale sponzen die een deel van het zoutzuur afvangen) onvoldoende zijn om de uitstoot substantieel terug te dringen? Deelt u de opvatting dat de maatregelen de uitstoot zeker niet met bijna 50 keer zullen terugdringen?
De OD NZKG heeft mij desgevraagd laten weten ervan op de hoogte te zijn dat het bedrijf onderzoek doet naar maatregelen. Vooralsnog zijn de resultaten van deze maatregelen nog niet ter beoordeling met de OD NZKG gedeeld. Of deze zorgen terecht zijn, kan de OD NZKG daarom nog niet beoordelen. Het is aan het bedrijf om te zorgen dat de zij de juiste maatregelen neemt om aan de emissiegrenswaarden te voldoen.
Kan in deze situatie gesproken worden van het gebruik van best beschikbarre technieken? Zo nee, wat zijn dan de consequenties daarvan?
De OD NZKG heeft mij laten weten dat ICL op de zogenaamde drooginstallatie een techniek toepast (cyclonen en gaswasser) die als Beste Beschikbare Techniek voor een kunstmest producerend bedrijf als ICL wordt beschouwd. Voor de betreffende installatie en de emissie van zoutzuur zijn de beste beschikbare technieken en de hierbij behorende emissieniveaus opgenomen in de BREF2 anorganische bulkchemie (BREF Large Volume Inorganic Chemicals LVIC, 2017).
De emissiegrenswaarden in de vergunning sluiten aan bij deze BREF en de bijbehorende grenswaarden. ICL moet aan de in de vergunning gestelde emissiegrenswaarden voldoen. Daar houdt de OD NZKG vervolgens toezicht op. Wanneer het bedrijf niet aan deze emissiegrenswaarden voldoet, wordt het – zoals dat nu gebeurt – via handhaving door de omgevingsdienst gedwongen deze overtreding ongedaan te maken.
Wat vindt u ervan dat andere kunstmestfabrieken de normen wél halen? Spreekt u ICL erop aan dat het bedrijf onvoldoende doet om aan haar zorgplicht te voldoen en om zoutzuuruitstoot terug te dringen?
ICL moet aan de emissiegrenswaarden voldoen die in de vergunning staan, en die ook gelden voor andere fabrieken die dergelijke installaties hebben. De OD NZKG laat weten dat ICL op sommige punten niet voldoet aan die grenswaarden. Conform de Landelijke Handhavingstrategie Omgevingsrecht3 treedt de OD NZKG dan handhavend op. Ook wijst de OD NZKG het bedrijf op de maatschappelijke verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen om de overlast zo snel mogelijk te reduceren. Ik sluit mij bij die oproep aan.
Hoe kijkt u ernaar dat ICL de gaswasser pas in 2027 wil vervangen, terwijl wetenschappers aangeven dat die maatregel het echte verschil kan maken? Welke druk kunt u als stelselverantwoordelijke – eventueel samen met bevoegde gezagen – uitoefenen op ICL om deze maatregel naar voren te halen?
De OD NZKG handhaaft op de huidige emissienormen uit de vergunning. Daarnaast wordt momenteel op initiatief van het bevoegd gezag de vergunning geactualiseerd, wat leidt tot aangescherpte emissiegrenswaarden. Het bedrijf wil graag zekerheid over de vergunning en de daarin op te nemen normen ten aanzien van de emissies, voordat het de investering doet. Het is aan ICL om de juiste best beschikbare techniek toe te passen om aan deze normen te kunnen voldoen. De OD NZKG laat weten de bijbehorende aanvragen zo snel mogelijk te beoordelen, waarbij ICL een zo kort mogelijk implementatietermijn krijgt.
Wat vindt u ervan dat ICL kan blijven door produceren op basis van een verouderde vergunning met een maximumconcentratie van 30 mg/nm3, terwijl er in het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL) al sprake is van een veel strengere emissienorm van maximaal 3 mg/nm3?
De algemene emissiegrenswaarde voor zoutzuur uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is voor deze installatie niet van toepassing. Voor de betreffende installatie en de emissie van zoutzuur zijn de Best Beschikbare Technieken en het daarbij behorende emissieniveau opgenomen in de eerdergenoemde BREF anorganische bulkchemie (BREF LVIC, 2017). Bij het opstellen van een vergunning moet dit emissieniveau specifiek voor het desbetreffende bedrijf als emissiegrenswaarde worden vertaald. Hierbij hanteert de OD NZKG het uitgangspunt om een zo scherp mogelijke grenswaarde op te nemen. Welke waarde dit wordt is op dit moment nog niet bekend. Op dinsdag 14 oktober 2025 organiseert de OD NZKG een bewonersbijeenkomst4 waar de belangrijkste nieuwe eisen uit het conceptbesluit voor de vergunning gepresenteerd worden. Het gaat hierbij vooral om de thema’s geur en zoutzuur, omdat daar de meeste meldingen van overlast over gaan.
Heeft u gesprekken met de provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied over de nieuwe, strengere normen die de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied aan ICL wil gaan opleggen? Wordt de emissienorm uit het BAL in de nieuwe vergunning opgenomen?
Het ministerie is in gesprek gegaan met de provincie, die bevoegd gezag is voor ICL. Aan welke eisen bedrijven moeten voldoen is vastgelegd in wetgeving. Voor dit soort grote industriële bedrijven zijn de algemene emissiegrenswaarden in het Bal niet zonder meer van toepassing. Hiervoor gelden Europese BREF-documenten, die Europees worden afgestemd. In de vergunning worden emissiegrenswaarden vastgelegd die kunnen worden gehaald met de toepassing van de daarin omschreven best beschikbare technieken. Het bedrijf moet aantoonbaar voldoen aan de genoemde waarden in de vergunning, bevoegd gezag heeft een verantwoordelijkheid hier op toe te zien.
Waarom is het überhaupt mogelijk dat vergunningen afwijken van de normen die in het BAL worden gesteld? Gaat u ervoor zorgen dat alle milieuvergunningen aan de normen uit het BAL voldoen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Op welke wijze kunt u zich als stelselverantwoordelijke nog meer inzetten om de overlast terug te dringen?
Het is allereerst aan het bedrijf om zich te houden aan de wettelijke eisen binnen het stelsel, en de verantwoordelijkheid van bevoegd gezag en de betreffende omgevingsdienst om de situatie te bezien en waar nodig passende maatregelen te nemen. Dat gebeurt hier ook door de provincie en de OD NZKG. Wat ik doe is onder andere via Europese wetgeving blijven werken aan een gezonde leefomgeving. Ook zet ik mij in voor acties uit de Actieagenda Industrie en Omwonenden, die allemaal tot doel hebben om gezondheid en het belang van omwonenden beter mee te wegen in beleid en vergunningverlening ten aanzien van industriële bedrijven.
Zijn er mogelijkheden om het bedrijf stil te leggen totdat de problemen zijn opgelost?
De provincie Noord-Holland en OD NZKG hebben laten weten dat er is geconstateerd dat ICL meer zoutzuur uitstoot dan is toegestaan op basis van de emissiegrenswaarden in de vergunning. Om ICL te bewegen deze uitstoot zo snel mogelijk terug te dringen is er een Last Onder Dwangsom (LOD) opgelegd van 500.000 euro. De OD NZKG past hierbij de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht toe.
De OD NZKG beschouwt de LOD als een passende maatregel. Daarbij is onder andere meegewogen dat ICL gelegenheid moet krijgen om de uitstoot binnen een redelijke termijn terug te dringen.
Als de uitstoot na invordering van de opgelegde LOD nog niet is teruggedrongen naar toegestane niveaus, zal de OD NZKG overwegen andere bestuursrechtelijke maatregelen op te leggen.
Het stilleggen van een bedrijf door bevoegd gezag is alleen mogelijk onder strenge voorwaarden en als uiterste middel5. Het is aan het bevoegd gezag om dit te beoordelen.
Op welke wijze kunt u zich als stelselverantwoordelijke inzetten om overlast terug te dringen?
Zie antwoord op vraag 12.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat leefomgeving en externe veiligheid op 30 september 2025?
Ja
Intimiderende demonstraties bij abortusklinieken en scholen |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Rijkaart , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Demonstranten Jezus Leeft terug bij Utrechtse abortuskliniek, grote zorgen bij directeur nabijgelegen basisschool»?1
Ja.
Deelt u de mening dat vrouwen vrij en veilig toegang moeten hebben tot abortuszorg, en dat demonstraties die gepaard gaan met intimiderend gedrag dit recht onder druk kunnen zetten?
Ja, ik sta pal voor het recht op veilige en toegankelijke abortuszorg. Demonstraties zijn toegestaan, ook in de nabijheid van abortusklinieken. Intimidatie vind ik onacceptabel. Het in goede banen leiden van demonstraties is een lokale aangelegenheid, de burgemeester heeft daarin een bijzondere verantwoordelijkheid. Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie (OM) om te handhaven. Mij zijn geen signalen bekend van demonstraties waarbij de toegang tot een abortuskliniek beperkt werd.
Hoe beoordeelt u de signalen van basisschooldirecteuren dat leerlingen, ouders en stagiaires in de directe omgeving van een abortuskliniek worden geconfronteerd met intimiderende protesten, die bovendien geen betrekking hebben op de school of de kinderen zelf?
Het is zeer betreurenswaardig dat protesten of demonstraties als intimiderend worden ervaren. En nogmaals: intimidatie keur ik ten zeerste af. Wel merk ik op dat de inhoud van een demonstratie nooit reden mag zijn voor de overheid om beperkingen op te leggen aan demonstranten. Met andere woorden, ook meningsuitingen die choqueren of als storend worden ervaren zijn beschermd onder het demonstratierecht, geregeld in de Wet openbare manifestaties (Wom).
Erkent u de moeilijkheden die gemeenten ondervinden in de afweging om nadere invulling te geven aan de uitoefening van het grondrecht om te demonstreren en het belang van de bescherming van vrouwen die een abortuskliniek bezoeken?
Ja, ik erken dat deze twee belangen – uitoefening van het grondrecht om te demonstreren en het belang van de bescherming van vrouwen en begeleiders die een abortuskliniek bezoeken – met elkaar kunnen schuren. Gemeenten kunnen daardoor in sommige gevallen voor uitdagingen komen te staan. Momenteel is het kabinet in afwachting van een onderzoek naar het demonstratierecht dat via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) is uitgezet. In dat onderzoek wordt onder meer gekeken naar de categorie van demonstraties waarbij (grond)rechten van anderen in het gedrang komen, waarbij ook specifieke aandacht wordt besteed aan demonstraties bij abortusklinieken. Het WODC-onderzoek wordt in november gepubliceerd. Na publicatie van dit onderzoek zal worden bezien of nadere wetgeving wenselijk is.
Bent u bereid om te inventariseren hoe nieuwe nationale wetgeving, binnen de grondwettelijke kaders van het demonstratierecht, gemeenten kunnen helpen in de bescherming van vrouwen die toegang tot abortuszorg zoeken?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u het mogelijk om, binnen de kaders van de Grondwet en internationale verdragen die zien op het demonstratierecht, een minimale bufferzone voor demonstraties bij abortusklinieken op te nemen in de wet in formele zin, zoals het geval is in het Verenigd Koninkrijk en Spanje?
Zie antwoord vraag 4.
Zou het de wetgever en gemeenten kunnen helpen om meer empirische data te hebben over de gevolgen van dergelijke demonstraties bij abortusklinieken, te denken aan in hoeverre vrouwen, werknemers en voorbijgangers hinder en last ondervinden van de demonstraties, en bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Het Ministerie van VWS spreekt de bestuurders van abortusklinieken regelmatig, en de uitdagingen rond demonstraties in de nabijheid van klinieken komen bij die gesprekken ook aan bod. Ik zie op dit moment niet in hoe het verzamelen van meer empirische data over hinder en last zal helpen bij het in goede banen leiden van demonstraties. Daarbij geldt dat het opleggen van beperkingen aan een demonstratie per geval moet worden beoordeeld (door de burgemeester). Een beeld van hinder en last in algemene zin is daarvoor niet voldoende.
Bent u bereid in overleg te treden met de VNG, burgemeesters en abortusklinieken om te komen tot concrete handvatten voor gemeenten om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen?
In de afgelopen jaren heeft dergelijk overleg een aantal keer plaatsgevonden. In 2019 heeft de voormalig Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gesprekken gevoerd tussen gemeenten en de abortusklinieken, om kennis uit te wisselen over mogelijkheden, ervaringen en goede voorbeelden bij het faciliteren van demonstraties. In 2021 is een expertmeeting door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) georganiseerd om gemeenten handvatten te bieden. Hierna is een factsheet over dit onderwerp gepubliceerd met adviezen aan gemeenten en burgemeesters.2
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende commissiedebat of schriftelijke overleg over medische ethiek, zodat de Kamer deze beantwoording mee kan nemen in het debat?
Ja.
Het artikel 'Door creatief boekhouden hoeven we voorlopig geen euro extra te betalen voor klimaatschade in arme landen' |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Follow the Money «Door creatief boekhouden hoeven we voorlopig geen euro extra te betalen voor klimaatschade in arme landen» van 8 september 2025, waarin wordt beschreven hoe Nederland tijdens en in aanloop naar COP29 inzette op een zo laag mogelijke uitkomst, waardoor het Nederland geen extra geld zou kosten?1
Ja.
Klopt het dat Nederland er tijdens de onderhandelingen actief op heeft aangedrongen om de doelstelling voor klimaatfinanciering zo laag mogelijk vast te stellen en de definitie daarvan zo breed mogelijk te maken, en dat er daarmee werd ingezet op slechts een inflatiecorrectie van het oude doel en niet daadwerkelijk extra geld? Zo nee, wat is de inzet van Nederland daadwerkelijk geweest en waaruit blijkt dat?
Dit is geen juiste weergave van de Nederlandse inzet. Ambtelijk zijn diverse scenario’s verkend. De Nederlandse inzet in de onderhandelingen is geweest zoals deze is medegedeeld aan de Kamer in aanloop naar en na afloop van COP29, namelijk een doel dat diverse financieringsstromen omvat, met een kern van publieke aard waaraan een grotere groep landen bijdraagt. Een uitgebreide toelichting is terug te vinden in de Kamerbrief Nederlandse inzet COP29 voor de Milieuraad van 14 oktober (Kamerstuk 31 793, nr. 272), de Kamerbrief Verwachtingen en inzet VN-klimaatconferentie COP29 (Kamerstuk 31 793, nr. 274) en de Kamerbrief Resultaten COP29 (Kamerstuk 31 793, nr. 278).
Klopt het dat Nederland zich, onder andere richting de Europese Unie (EU), heeft ingezet om zo lang mogelijk geen concreet bedrag te noemen? Zo ja, waren er andere lidstaten die dezelfde inzet hadden? Zo ja, waren er landen die wel pleitten voor een concreet bedrag? Ze nee, waaruit blijkt dat? Zo ja, kunt u aangeven in welke mate dit de onderhandelingen binnen het EU blok en tijdens de Conferencie van Partijen bij het VN-Klimaatverdrag (COP) heeft beïnvloed?
De omvang van de New Collective Quantified Goal (NCQG) was mede afhankelijk van andere parameters, waaronder het tijdspad, de definitie, de structuur en de bijdragende landen. Het was voor Nederland en de EU daarom lange tijd te vroeg om een bedrag te noemen. Wij kunnen geen uitspraken doen over de inzet van andere EU-lidstaten bij het bepalen van de Europese positie. De uiteindelijke onderhandelingsinzet van de EU is vastgelegd in de Raadsconclusies COP29 zoals aangenomen in de Milieuraad van 14 oktober 2024.
Klopt het dat Nederland tijdens de onderhandelingen heeft ingezet op een uitkomst zonder verdeelsleutel, waardoor geen enkel land formeel verantwoordelijk zou zijn voor een concrete bijdrage aan de New Collective Quantified Goal (NCQG)? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Ja, Nederland is geen voorstander geweest van een verdeelsleutel omdat de Overeenkomst van Parijs nadrukkelijk heeft afgesproken dat er een collectief klimaatfinancieringsdoel moest komen. Nederland zet zich in voor transparantie en zo degelijk mogelijke methodes voor de rapportage over klimaatfinanciering. Op die manier wordt verantwoording afgelegd per land en over het totaal.
Deelt u de analyse dat Nederland door in te zetten op een zo laag en vaag mogelijk doel zonder extra financiële middelen, feitelijk haar verantwoordelijkheid ontloopt om internationale klimaatsteun te bieden, zoals vastgelegd in internationale afspraken? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse delen wij niet. Zoals gesteld in de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 180, nr. 133) blijft Nederland zijn aandeel aan internationale klimaatfinanciering leveren. Dit doen we door binnen de begroting voor ontwikkelingshulp klimaatgerelateerde inspanningen te leveren via thema's als watermanagement en voedselzekerheid en door bij te dragen aan de belangrijkste multilaterale klimaatfondsen. Daarnaast richten we ons op de mobilisatie van private klimaatinvesteringen. In 2024 bedroeg de Nederlandse bijdrage aan klimaatfinanciering ruim EUR 2,4 miljard, waarvan ruim EUR 1 miljard publieke financiering en EUR 1,4 miljard met publieke financiering gemobiliseerde private financiering (HGIS jaarverslag 2024, Kamerstuk 36 601, nr. 3). Zoals aangegeven in de HGIS-nota 2026 (Kamerstuk 36 801, nr. 1) is de verwachte Nederlandse bijdrage aan internationale klimaatfinanciering in 2026 ruim EUR 2,9 miljard.
Hoe verhouden uw (eerdere) uitspraken dat Nederland zijn aandeel aan internationale klimaatfinanciering levert zich tot de uit de Woo-documenten blijkende inzet van Nederland om het financieringsdoel tijdens de onderhandelingen zo laag mogelijk te houden? Acht u dit niet in tegenspraak met de toezegging dat Nederland zijn eerlijke aandeel zal bijdragen? Zo nee, waarom niet? Deelt u de analyse dat de bezuinigingen op publieke klimaatfinanciering als onderdeel van de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking deze inzet op een eerlijke bijdrage nog verder ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de omvang van de wereldwijde klimaatopgave was de inzet van Nederland erop gericht tot een klimaatfinancieringsdoel te komen dat zou bijdragen aan de opschaling van klimaatfinanciering vanuit diverse bronnen en kanalen – publiek, privaat, nationaal en internationaal. Om al deze financieringsstromen te omvatten, hebben Nederland en de EU gepleit voor een doel dat uit meerdere delen bestaat, met een haalbare en realistische kern van publieke aard (Kamerstuk 31 793, nr. 274).
Het tijdens COP29 overeengekomen klimaatfinancieringsdoel bestaat de facto uit meerdere doelen en is daarmee in lijn met deze inzet: een doel van ten minste USD 300 miljard per jaar per 2035, welke is ingebed in een oproep aan alle actoren om samen tegemoet te komen aan de financieringsbehoefte van ontwikkelingslanden die per 2035 ten minste USD 1.300 miljard per jaar bedraagt. Zoals ook gesteld in het antwoord op vraag 5 blijft Nederland zijn aandeel aan internationale klimaatfinanciering leveren.
Kunt u reactie geven op de kritiek dat ontwikkelingslanden feitelijk deels hun eigen klimaatsteun financieren, omdat middelen van bijvoorbeeld de African Development Bank, waarvan 60% van het kapitaal afkomstig is van Afrikaanse overheden, meetellen als internationale klimaatfinanciering? Zo nee, waarom niet? Is dit niet in tegenspraak met het principe van gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, en met artikel 9 van het Klimaatakkoord van Parijs dat specificeert dat klimaatfinanciering gaat om steun van ontwikkelde landen aan ontwikkelingslanden? Zo nee, waarom niet?
Nederland en de EU hebben bewust ingezet op het meenemen van alle klimaatrelevante financieringen door de multilaterale ontwikkelingsbanken (MDB’s), ook als deze zijn gerealiseerd vanuit bijdragen van niet-traditionele donorlanden. Dit geeft een beter beeld van de daadwerkelijke investeringen van MDB’s in klimaatprogramma’s in ontwikkelingslanden. Verder is Nederland van mening dat erkenning van de brede klimaatrelevante financieringen ten goede zal komen aan de landen waar deze programma’s worden uitgevoerd. Daarnaast ziet Nederland het besluit als een belangrijke eerste stap om landen die in de laatste decennia economisch hard groeiden, waaronder China, Brazilië en Saoedi Arabië, ook mee te laten betalen aan de klimaatinzet in ontwikkelingslanden. Over het algemeen weerspiegelt het ingelegde kapitaal in de banken de economische draagkracht van landen. Ook is het zo dat bij veel banken de traditionele donoren van klimaatfinanciering (de landen die staan genoemd in Annex I van het VN-Klimaatverdrag uit 1992) nog steeds een substantieel deel van het kapitaal leveren.
Deelt u de analyse dat Nederland met een strategie van laag inzetten en het oprekken van definities zijn internationale geloofwaardigheid en het vertrouwen van ontwikkelingslanden heeft geschaad, waardoor hun bereidheid tot meer klimaatambitie afneemt en de kans toeneemt dat onderhandelingen over voor Nederland belangrijke thema’s, zoals mitigatie, mislukken? Zo nee, waarom niet? Deelt u de analyse dat Nederland en Nederlanders uiteindelijk zelf de prijs voor betalen voor het mislukken van de onderhandelingen op voor Nederland belangrijke klimaatthema’s? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de eerste vraag over de Nederlandse inzet verwijzen wij graag naar het antwoord op vraag 6. Nederland heeft gepleit voor een haalbaar en realistisch doel om zo de ambities op mondiaal klimaatbeleid hoog te houden. We gaan er vanuit dat de uitkomsten van COP29 voldoende basis bieden om de bredere onderhandelingen over klimaatbeleid onder UNFCCC voort te zetten. Dit is inderdaad van belang voor alle Nederlanders, klimaatverandering raakt ook Nederland.
Klopt het dat het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) over de juridische verplichtingen van staten op het gebied van klimaatverandering benadrukt dat staten niet alleen hun eigen uitstoot moeten beperken, maar ook moeten samenwerken, inclusief financiële steun aan ontwikkelingslanden? Bent u het ermee eens dat dit de rechtspositie van ontwikkelingslanden te versterkt? Zo nee, waarom niet? Hoe beoordeelt u de kans dat Nederland juridisch kwetsbaar wordt als het deze verplichtingen niet nakomt, mede gezien het recent openbaar geworden Nederlandse optreden tijdens de klimaattop in Bakoe? Kan u deze punten betrekken in de lopende juridische analyse van de IGH-uitspraak?
Het advies verwijst naar een verplichting die ontwikkelde landen onder het VN-Klimaatverdrag en de Overeenkomst van Parijs al zijn aangegaan. Het advies van het Internationaal Gerechtshof geeft uitsluitend uitleg over het bestaande internationaal recht en schept geen nieuw recht. Het advies leidt derhalve niet tot een andere rechtspositie van ontwikkelingslanden, noch vergroot het advies de juridische kwetsbaarheid van Nederland. Conform uw verzoek zal het kabinet dit meenemen in de juridisch analyse van de uitspraak.
Klopt het dat het advies van het IGH over de klimaatverplichtingen van staten benadrukt dat landen onder internationaal recht niet alleen verplicht zijn hun eigen uitstoot te beperken, maar ook tot samenwerking, waaronder financiële steun aan ontwikkelingslanden? Kunt u reflecteren op dit deel van het advies, dat de rechtspositie van ontwikkelingslanden versterkt met betrekking tot het eisen van financiële steun? Is er een kans dat Nederland hierdoor niet voldoet aan de IGH-uitspraak en juridisch kwetsbaar is? Zo nee, waarom niet? Kan het recente, nu openbaar geworden optreden van Nederland tijdens de klimaattop in Bakoe dit risico vergroten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen meenemen in de zorgvuldige juridische analyse van het IGH-advies die u momenteel voert?
Ja.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het commisdiedebat op 2 oktober 2025 over de inzet COP30?
Ja.
Het bericht 'High Court rules state not giving Palestinian prisoners enough food, in slap to Ben Gvir' |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «High Court rules state not giving Palestinian prisoners enough food, in slap to Ben Gvir» en op de reactie van Minister Ben Gvir dat hij de uitspraak naast zich neer zal leggen?1
Nederland maakt zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Deze zorgen betreffen zowel de detentieomstandigheden, de grootschalige arbitraire detentie van Palestijnen en de toegang tot detentiefaciliteiten voor hiervoor gemandateerde organisaties, met name het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Het kabinet brengt deze zorgen op in bilaterale contacten met de Israëlische autoriteiten. Ook multilateraal spreekt Nederland zich hierover uit, waaronder in de gemeenschappelijke positie van de EU-Israël Associatieraad en in (EU-) verklaringen bij de Mensenrechtenraad.
Zijn er al sterfgevallen gemeld die het gevolg zijn van de behandeling van Palestijnse gevangenen? Zo ja, hoeveel?
Volgens de VN zijn sinds 7 oktober 2023 minstens 75 Palestijnse gedetineerden overleden in Israëlische detentiefaciliteiten. Het VN mensenrechtenkantoor in de Palestijnse Gebieden schrijft daarover: «Of the 75 deaths in detention, at least 22 detainees reportedly had health conditions requiring medical attention prior to their arrest, raising concerns that the denial of such medical care coupled with harsh detention conditions may have been calculated to contribute to their deaths. In at least 12 cases, we gathered testimonies or evidence in the form of autopsy reports that detainees died after being beaten or tortured by Israeli security forces.»
Heeft Nederland al eerder aandacht gevraagd voor de situatie van deze specifieke groep Palestijnen? Zo ja, op welke wijze?
Ja, het kabinet heeft zowel bilateraal als multilateraal aandacht gevraagd voor de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Kunt u uiteenzetten op welke manier gevangenen horen te worden behandeld volgens internationale verdragen? Zijn hierbij ook nog specifieke rechten voor gevangenen die niet in eigen land zijn opgepakt, maar uit het buitenland naar het land zijn overgebracht?
Het Vierde Verdrag van Genève bevat gedetailleerde bepalingen over de behandeling van gedetineerden die zich bevinden in bezet gebied en die zich bevinden op het grondgebied van de gevangenhoudende staat zelf. Palestijnen die in Israël zelf gevangen zitten, moeten zonder nadelig onderscheid conform de in Israël toepasselijke mensenrechtelijke standaarden worden behandeld. Nederland stelt zich daarnaast op het standpunt dat mensenrechtelijke bescherming van deze gevangenen zich ook uitstrekt tot de bezette Palestijnse gebieden. Volgens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waar Israël partij bij is, moeten allen die van hun vrijheid zijn beroofd worden behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid, inherent aan de menselijke persoon.
Hebben de genoemde Palestijnse gevangenen recht op juridische bijstand en, zo ja, hoe is dit gewaarborgd? Op welke wijze verschillen hun rechten van andere gevangenen?
Palestijnse gevangenen die in Israël zelf gevangen zitten, moeten conform de daarvoor geldende standaarden worden behandeld. Nederland stelt zich daarnaast op het standpunt dat de daarvoor geldende bescherming van deze gevangenen zich ook uitstrekt tot gevangenen die zich niet in Israël zelf bevinden. Volgens het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waar Israël partij bij is, heeft in geval van strafrechtelijke vervolging een ieder het recht zich te verstaan met een door hemzelf gekozen raadsman. Ook het humanitair oorlogsrecht bevat bepalingen over behandeling in geval van strafrechtelijke vervolging. Een verdachte heeft onder meer het recht te worden bijgestaan door een bevoegd raadsman van eigen keuze.
Zijn er door de Israëlische regering afspraken met de Palestijnse Autoriteit gemaakt over het overbrengen van Palestijnse gevangenen naar Israëlisch grondgebied? Zo ja, welke en kunt u deze documenten naar de Kamer sturen?
Het kabinet is niet op de hoogte van het bestaan van dergelijke afspraken.
Bent u bereid om via de Nederlandse vertegenwoordiging er bij de Israëlische regering op aan te dringen dat de uitspraak moet worden nageleefd en dat Palestijnse gevangenen in hun basisbehoeften moeten worden voorzien?
Ja. Nederland heeft meermaals zorgen geuit ten aanzien van de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten.
Bent u bereid om te pleiten voor het toelaten van internationale waarnemers om erop toe te zien dat Palestijnse gevangenen in hun basisbehoeften worden voorzien?
Ja, dit is reeds onderdeel van het Nederlandse beleid. Het kabinet dringt hier al geruime tijd op aan, zowel bilateraal als multilateraal. Hierbij gaat het in het bijzonder om toegang tot detentiefaciliteiten voor onafhankelijke waarnemers van het ICRC op basis van hun expertise, neutraliteit en internationaal mandaat. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Hoe wordt verder toegezien op naleving van het algemene welzijn van Palestijnen in Israëlische gevangenissen? Welke stappen ziet het Nederlandse kabinet voor zich, eventueel in multilateraal verband?
Het Vierde Verdrag van Genève geeft gedetineerden in situaties van bezetting het recht om bezoek te ontvangen van het ICRC. Als organisatie is het ICRC onvervangbaar gezien zijn neutraliteit, mandaat en decennialange ervaring met de betreffende activiteiten ter bescherming van onder andere gedetineerden. Nederland blijft zich onverminderd inzetten voor toegang tot de gedetineerden en het mandaat van het ICRC.
Kunt u de Kamer periodiek informeren over de omstandigheden in de gevangenissen en in hoeverre deze verbeterd zijn en de uitspraak van het Hooggerechtshof wordt nageleefd?
Indien hiertoe aanleiding voor bestaat, zal het kabinet de Kamer hierover informeren.
Verhuisberichten die niet goed doorkomen bij de Belastingdienst waardoor ondernemers in de financiële problemen komen |
|
Raoul White (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met ondernemers die hun verhuizing doorgeven aan de Kamer van Koophandel, waarna dit niet goed wordt doorgegeven aan de Belastingdienst en deze ondernemers in de financiële problemen komen?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeveel gevallen dit probleem zich de afgelopen jaren heeft voorgedaan en of dit structureel voorkomt?
Jaarlijks zijn er honderdduizenden adreswijzigingen die tussen de Kamer van Koophandel (KVK) en de Belastingdienst worden uitgewisseld. Daarbij kan het in een zeer beperkt aantal gevallen voorkomen dat er fouten, incidenteel onjuiste koppelingen of verwerkingen, ontstaan door een technische verstoring of menselijke fout. Zowel bij de Belastingdienst als KVK bestaan procedures om eventuele onjuiste koppelingen, verstoringen en fouten te herstellen. Gezien het kleine aantal gevallen en de bestaande procedures is het niet aan de orde om hier onderzoek naar te doen.
KVK en de Belastingdienst informeren elkaar over fouten die vermoedelijk toe te schrijven zijn aan een niet of onjuist verwerkte wijziging in de registratie. Dit vindt op ad hoc basis plaats via de wederzijdse aanspreekpunten. De analyse van het signaal kan leiden tot een aanpassing in de registratie, een herstelactie en/of verbetertraject om een dergelijke fout te voorkomen. Eventueel neemt de Belastingdienst contact op met de belastingplichtige – indien de contactgegevens bekend zijn – over de onjuiste registratie. Daarnaast geldt voor de Belastingdienst de terug meldplicht als er gerede twijfel is over de juistheid van een authentiek gegeven in het Handelsregister (bij KVK).
Hoe kan het dat een adreswijziging die bij de Kamer van Koophandel is doorgegeven niet correct wordt verwerkt bij de Belastingdienst?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de bankrekening van ondernemers in specifieke situaties geblokkeerd kan worden, ook als de oorzaak ligt bij een fout van de Belastingdienst of de Kamer van Koophandel? Zo ja, vindt u dat proportioneel?
Een ondernemer is zelf verantwoordelijk om de door hem verschuldigde loonheffingen en omzetbelasting tijdig op aangifte te voldoen. Als tijdige en volledige betaling op aangifte uitblijft, legt de Belastingdienst een naheffingsaanslag op. Als een aanslag niet binnen de daarvoor geldende termijn wordt betaald, ontvangt de ondernemer een aanmaning1 met het verzoek om alsnog binnen twee weken te betalen. Als daar geen gehoor aan wordt gegeven, volgt een dwangbevel met een laatste verzoek om te betalen. Als de ondernemer zijn schuld dan nog niet betaalt, kan de Belastingdienst verdere stappen ondernemen, zoals het leggen van een (vereenvoudigd) beslag op een bankrekening. Hierbij kan het saldo worden geblokkeerd door de bank.
De Belastingdienst heeft in de fase tot aan een beslaglegging verschillende contactmomenten ingebouwd, om de ondernemer te vragen zijn schuld te betalen. Er wordt handelingsperspectief geboden door te wijzen op de mogelijkheid om uitstel van betaling aan te vragen. Van een ondernemer mag worden verwacht dat hij zelf een van deze contactmomenten – die zich uitstrekken over een periode van gemiddeld acht weken – aangrijpt om te betalen of om uitstel van betaling te verzoeken. Daarmee wordt beslaglegging voorkomen.
Als een ondernemer wordt geconfronteerd met een beslag en hij heeft geen voorafgaande aanslag, aanmaning of dwangbevel ontvangen, kan hij het beste zo snel mogelijk contact opnemen met de Belastingdienst. Dan wordt nagegaan of er onverhoopt iets mis is gegaan bij de verzending. Als dat het geval is, wordt het beslag uiteraard opgeheven.
Vindt u het redelijk dat ondernemers na opheldering alsnog dagen tot weken geen toegang hebben tot hun eigen geld?
De Belastingdienst streeft er naar om de ontstane situatie zo kort mogelijk voor belastingplichtigen te laten duren. Wanneer er sprake is van een urgente en/of schrijnende situatie of als die dreigt te ontstaan, kan de belastingplichtige contact opnemen met het Stellateam van de Belastingdienst. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4, wordt het beslag opgeheven wanneer is gebleken dat de ondernemer geen aanslag, aanmaning of dwangbevel heeft ontvangen en er iets mis is gegaan bij de verzending.
Onderschrijft u het feit dat dit voor ondernemers een zeer frustrerende en stressvolle situatie kan zijn, waarin zij zich machteloos voelen tegenover deze instanties?
Ik kan mij goed voorstellen dat een dergelijke situatie stressvol kan zijn voor een ondernemer. Een ondernemer kan op elk moment contact opnemen met de Belastingdienst wanneer een urgente of schrijnende situatie ontstaat of dreigt te ontstaan.
Hoe kunnen de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst ervoor zorgen dat dit soort administratieve fouten in de toekomst worden voorkomen?
Tussen de Belastingdienst en KVK vinden reguliere overleggen plaats. Ik heb de Belastingdienst gevraagd om aan het onderwerp adresmutaties extra aandacht te besteden in overleg met KVK, om eventuele fouten in de gegevensoverdracht nog verder te verkleinen in dit massale proces van adresmutaties.
Welke mogelijkheden bestaan er voor ondernemers om compensatie of schadevergoeding te krijgen wanneer zij door een administratieve fout van de Belastingdienst of de Kamer van Koophandel financiële schade lijden?
Als een administratieve fout van de Belastingdienst leidt tot een onjuiste vaststelling van een aanslag of beschikking, dan staan hier bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen open. Lijdt een belastingplichtige anderszins schade door een fout van de Belastingdienst, dan komt deze schade voor vergoeding in aanmerking als wordt voldaan aan de civielrechtelijke vereisten voor een schadevergoeding. Hiervoor is onder meer van belang of sprake is van een onrechtmatige (overheids)daad, van geleden schade en van een causaal verband tussen die schade en de fout van de Belastingdienst. Dit zal van geval tot geval moeten worden bezien, waarbij de bewijslast bij de belastingplichtige ligt. Heeft een belastingplichtige dergelijke schade geleden dan kan deze een verzoek tot schadevergoeding indienen bij de Belastingdienst.
Voor fouten binnen het domein van KVK geldt hetzelfde als hierboven beschreven voor de Belastingdienst.
Hoe worden ondernemers momenteel geïnformeerd over de status van hun adreswijziging en de verwerking daarvan door de Belastingdienst?
Na een adreswijziging stuurt KVK altijd een bevestigingsbrief aan de betrokken ondernemer. Als er sprake is van een online mutatie, dan stuurt KVK statusupdates aan de indiener.
Daarnaast kan de belastingplichtige controleren of de adreswijziging is verwerkt door in te loggen in het «Mijn Belastingdienst Zakelijk» portaal om te zien of het adres daar correct staat genoteerd.
Wordt er binnen de Belastingdienst en de Kamer van Koophandel actief gemonitord of doorgegeven gegevens correct worden verwerkt? Zo nee, waarom niet?
KVK levert doorlopend informatie uit het Handelsregister aan de Belastingdienst via gegevensleveringen. De Belastingdienst controleert of alle in het Handelsregister geregistreerde ondernemingen en rechtspersonen bekend zijn in de klantenadministratie. Als gegevens in het Handelsregister niet overeenkomen met gegevens waarover de Belastingdienst beschikt, dan wordt hierop actief teruggemeld. Er is geen specifieke controle op de correcte verwerking van de adresgegevens die de KVK aan de Belastingdienst doorgeeft. Het uitsluiten van fouten is vanzelfsprekend wenselijk, echter gezien de incidentele aard van de fouten, waartoe reeds procedures zijn ingericht om deze spoedig mogelijk op te lossen, en de enorme hoeveelheid aan gegevensuitwisseling is dit niet realiseerbaar.
Bent u bereid maatregelen te treffen om de communicatie en samenwerking tussen de Belastingdienst, de Kamer van Koophandel en banken te verbeteren, zodat ondernemers niet de dupe worden van administratieve fouten?
Zoals beschreven in antwoord 7 hebben de Belastingdienst en KVK regulier overleg en zal de komende periode extra aandacht worden besteed aan de adresmutaties.
Hoe wordt voorkomen dat ondernemers in de tussentijd – door foutieve blokkades of achterstanden – boetes, rente of andere kosten moeten betalen?
Rente en kosten worden in rekening gebracht wanneer het volledige verschuldigde bedrag niet tijdig is ontvangen door de Belastingdienst. Wanneer blijkt dat deze ten onrechte in rekening zijn gebracht worden deze gecorrigeerd en in mindering gebracht.
Acht u het wenselijk om een spoedprocedure in te richten voor ondernemers die door administratieve fouten geen toegang hebben tot hun zakelijke rekening, zodat blokkades sneller kunnen worden opgeheven?
Wanneer bij een belastingplichtige een aantoonbare schrijnende situatie dreigt te ontstaan, kan de belastingplichtige contact opnemen met de Belastingdienst voor een maatwerkoplossing. Zoals aangegeven is in antwoord op vraag 4, wordt het beslag opgeheven wanneer is gebleken dat de ondernemer geen aanslag, aanmaning of dwangbevel heeft ontvangen en er iets mis is gegaan bij de verzending.
De opbrengsten van zoekacties in Justitiële Inrichtingen |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel telefoons zijn er door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid aangetroffen tussen 1 januari 2025 en 1 september 2025 in Penitentiaire Inrichtingen?
Om een volledig beeld te geven van de controles op telefoons in de penitentiaire inrichtingen (PI) die hebben plaatsgevonden worden naast de aangetroffen telefoons door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid ook de aangetroffen telefoons bij de inzet van enkel de speurhonden gedeeld. Door de LBB zijn tussen 1 januari 2025 en 31 augustus 2025 42 telefoons aangetroffen. Hierbij heeft de LBB soms ook speurhonden ingezet. Daarnaast hebben er ook acties met enkel speurhonden plaatsgevonden. Hierbij zijn tussen 1 januari 2025 en 31 augustus 2025 82 telefoons aangetroffen.
In zijn algemeenheid kan ik u meegeven dat de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) jaarlijks de totale cijfers omtrent de aangetroffen contrabande publiceert op haar website. De opbrengsten van de controles uitgevoerd door de LBB van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) maken onderdeel uit van deze totale cijfers.
De LBB is een onderdeel van de Landelijke Dienst Specialistische Taken (LDST) van de DV&O en bestaat uit verschillende specialistische teams. Zij kunnen onder andere ingezet worden op basis van intelligence, ten behoeve van de controles op datadragers of specifiek ten behoeve van andere contrabande. Ook de speurhonden worden met regelmaat ingezet en maken naast de LBB onderdeel uit van de LDST. Inzet van de LBB en van de speurhonden vindt plaats op basis van inzetmatrixen. Door middel van deze inzetmatrixen wordt bepaald hoeveel geplande en ongeplande inzetten er ten minste op jaarbasis plaats dienen te vinden per penitentiaire inrichting (PI). Daarnaast vinden er aanvullend risicogestuurde inzetten plaats indien er signalen zijn dat er mogelijk telefoons aanwezig zijn. Informatie omtrent aangetroffen telefoons worden onderling gedeeld en gebruikt voor volgende controles. Het risicogestuurd inzetten van de speurhonden is naar aanleiding van de motie van Dijk1 geïntensiveerd.
Tot slot wil ik nog opmerken dat zoals reeds eerder aan uw Kamer is meegegeven, er door het kabinet vanuit de regeerprogrammamiddelen ook flink wordt geïnvesteerd in technieken om contrabande tegen te gaan. Te denken valt aan overgooidetectie, GSM-detectie en de inzet van bodyscanners.2 Kortom het weren van contrabande en specifiek het tegengaan van voortgezet crimineel vanuit detentie blijvend onder de aandacht en in ontwikkeling.
Kunt u per Penitentiaire Inrichting per maand aangeven hoeveel telefoons gevonden zijn?
Het is niet mogelijk om de gevonden telefoons door de LBB en door de speurhonden uit te splitsen per maand, deze worden niet op maandelijkse wijze geregistreerd. Cijfers omtrent contrabande worden op jaarbasis gepubliceerd. Hieronder treft u een overzicht aan per PI van het aantal keer dat er een inzet van de LBB heeft plaatsgevonden, soms in combinatie met de inzet van speurhonden en hoeveel telefoons er zijn aangetroffen. Ook is in het overzicht opgenomen het aantal inzetten van enkel speurhonden per PI en het daarbij behorende aantal aangetroffen telefoons.
Ten aanzien van de cijfers hecht ik eraan om de volgende context mee te geven. Een geplande of ongeplande inzet kan de ene keer niets opleveren en een volgende keer juist in verhouding veel opleveren. Ook kan het feit dat er bij een eerdere inzet telefoons zijn aangetroffen reden zijn om nogmaals in te zetten, wat weer nieuwe aangetroffen telefoons op kan leveren. Op deze wijze wordt, conform de motie van het lid Ellian3 een verscherpt toezicht uitgeoefend. Bij inrichtingen met in verhouding veel aangetroffen telefoons zullen er in de regel ook meer inzetten plaatsvinden. Daar staat tegenover dat «relatief» veel inzetten niet hoeft te resulteren in meer aangetroffen telefoons. Ook op basis van andere signalen dan eerder aangetroffen telefoons kan besloten worden om nogmaals in te zetten.
2
0
28
0
30
5
0
23
0
28
5
3
61
8
66
1
0
20
0
21
1
0
42
0
43
4
0
47
1
51
2
0
63
1
65
6
0
33
0
39
2
0
47
1
49
4
0
30
11
34
0
0
50
0
50
0
0
24
0
24
1
0
4
0
5
7
9
41
16
48
1
0
37
1
38
1
0
43
1
44
2
2
41
0
43
2
0
22
0
24
3
2
34
7
37
0
0
22
0
22
10
8
33
6
43
2
0
25
1
27
4
2
41
5
45
2
0
36
0
38
0
0
12
0
12
0
0
39
0
39
2
2
39
20
41
4
0
53
0
57
5
3
47
3
52
1
0
19
0
20
2
11
37
0
39
0
0
1
0
1
Hoeveel contrabande is aangetroffen tussen 1 januari 2025 en 1 september 2025?
Tussen 1 januari 2025 en 1 september 2025 zijn er 1.714 contrabande aangetroffen in de verschillende PI’s en twee Rijks Justitiële Jeugdinrichtingen (RJJI). Ten aanzien van de twee andere RJJI’s zijn er geen eenduidige gegevens bij het Bureau Veiligheid en Integriteit (BV&I) van DJI beschikbaar. Voor de twee Rijks Forensische Psychiatrische Centra (FPC) geldt dat zij contrabande melden door middels van een melding bijzonder voorval (MBV). In 2025 zijn er geen MBV’s opgemaakt ten aanzien van contrabande. Voor het opmaken van een MBV gelden andere criteria dan voor de meldingen vanuit een PI. DJI spant zich in om voor de zomer van 2026 de eerst resultaten van een uniforme registratie zichtbaar te hebben.
Middels een gelaagd proces wordt er op contrabande gecontroleerd binnen een PI. Dit gelaagd proces bestaat onder andere uit de basis controles die plaatsvinden bij binnenkomst van justitiabelen maar ook van die van bezoekers en medewerkers van DJI. Ook de periodieke (cel)inspecties maken deel uit van dit gelaagd proces, naast de zoekacties van het interne bijstandsteam en de zoekacties die samen met of enkel door de LBB en de inzet van speurhonden plaatsvinden.
De hierboven vermelde contrabande zijn aangetroffen tijdens de reguliere celinspecties, deze kunnen zowel dagelijks als maandelijks plaatsvinden en tijdens de celinspecties op indicatie. Ook betreft het de contrabande die zijn aangetroffen in de gemeenschappelijke ruimtes zoals de luchtplaats, de arbeidszaal en andere ruimtes, en na fouillering nadat bezoek heeft plaatsgevonden of nadat er deel is genomen aan een activiteit. Daarnaast betreft het tevens de contrabande die zijn aangetroffen bij de controles van de buitenronde. Hierbij valt te denken aan het dak van een inrichting en de ruimte tussen de muur van een inrichting en het penitentiaire hek. Ook de contrabande die zijn aangetroffen bij de controles van de post, bezoekers, invoer en de inkomsten zijn in de aantallen opgenomen.
Kunt u per Penitentiaire Inrichting, Justitiële Jeugdinrichting en TBS-kliniek per maand aangeven hoeveel contrabande is aangetroffen en de contrabande uitsplitsen per categorie?
Het is niet mogelijk om de aangetroffen contrabande uit te splitsen per maand aangezien deze niet maandelijks worden geregistreerd. Cijfers omtrent contrabande worden op jaarbasis gepubliceerd. Wel is het mogelijk om de aangetroffen contrabande per inrichting te geven. Het betreft hier enkel de contrabande aangetroffen in Rijksinrichtingen. Van twee RJJI’s en de twee FPC’s ontbreken de aantallen. Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 3 spant DJI zich in de registratie op korte termijn te realiseren.
0
5
46
0
1
0
0
3
0
12
118
0
0
0
0
4
2
40
176
8
1
0
0
1
0
0
0
0
0
0
0
0
0
8
30
0
0
0
0
1
0
3
15
0
0
0
0
0
0
3
95
1
0
1
1
4
0
0
21
0
0
0
0
0
0
0
73
2
2
0
0
10
1
33
78
9
0
1
0
16
0
3
107
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
0
31
10
0
0
0
0
0
0
0
49
0
0
0
0
0
0
0
55
0
0
0
0
0
0
10
4
0
0
0
0
0
0
3
26
0
0
0
0
0
0
39
83
1
4
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
25
73
1
0
0
0
0
0
15
83
0
0
0
0
0
6
18
49
0
2
0
0
0
1
3
7
2
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
7
15
0
0
0
0
0
0
6
23
0
1
0
0
3
0
2
18
3
0
0
0
0
0
14
6
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
0
3
0
0
1
0
0
0
4
9
0
2
59
0
0
Kunt u in ieder geval vraag 1,2 en 3 voor het commissiedebat gevangeniswezen van 24 september 2025 beantwoorden?
Door de korte periode tussen het moment van indienen van de vraag en het commissiedebat gevangeniswezen van 24 september 2025 is het niet mogelijk gebleken de vragen te beantwoorden voor het betreffende commissiedebat.
Het bericht 'Raar: stikstofcrisiskoning Johan Vollenbroek hoeft van Rob Jetten jaarrekening met stikstofwinst niet meer te publiceren' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Raar: stikstofcrisiskoning Johan Vollenbroek hoeft van Rob Jetten jaarrekening met stikstofwinst niet meer te publiceren»?1
Ja.
Bent u van mening dat Mobilisation for the Environment (MOB) als organisatie met een ANBI (Algemeen nut beogende instelling)-status moet handelen in het openbaar belang?
In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt dat een instelling om als ANBI te kunnen worden aangemerkt (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut moet beogen. Hiervoor is van belang dat wordt vastgesteld dat de werkzaamheden van de instelling primair en rechtstreeks gericht zijn op het algemeen belang. Daarnaast is van belang dat meer dan 90% van de uitgaven ten behoeve van de algemeen nuttige werkzaamheden komt. Indien een instelling particuliere belangen nastreeft die buiten de marge van 10% vallen, voldoet de instelling niet aan de voorwaarden voor de ANBI status. De beoordeling of wordt voldaan aan de eis dat (nagenoeg) uitsluitend het algemeen nut wordt beoogd, is aan de inspecteur van de Belastingdienst. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van de betreffende instelling. In gevallen waarin niet (meer) aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt de ANBI-status door de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking geweigerd dan wel ingetrokken.
Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan geen nadere informatie worden verstrekt over individuele instellingen.
Staat het dienen van het algemeen nut wat u betreft onder druk wanneer de bestuurder van de ANBI vanuit een commerciële bv partijen van bezoldigd advies voorziet teneinde de operationele uitdagingen het hoofd te bieden die direct het gevolg zijn van de activiteiten van de ANBI?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de ANBI en de commerciële bv wat u betreft dan nog als twee aparte vehikels te beschouwen?
Zie antwoord vraag 2.
Onder welke omstandigheden kan een bv worden uitgezonderd van de verplichting een jaarrekening te deponeren?
De Minister van Economische Zaken kan een bv ontheffing verlenen van de verplichting om een jaarrekening op te maken, te overleggen aan de vergadering van aandeelhouders en door de vergadering te laten vaststellen (artikel 210 Boek 2 Burgerlijk Wetboek). Als een dergelijke ontheffing is verleend, vervalt ook de verplichting om de jaarrekening openbaar te maken (artikel 394, vijfde lid, Boek 2 Burgerlijk Wetboek). Van de ontheffing moet wel een afschrift bij het handelsregister gedeponeerd worden. De ontheffing kan niet worden verleend als de bv beursgenoteerd is.
De ontheffing kan alleen worden verleend om gewichtige redenen. In de wet zijn die niet nader omschreven. In de literatuur wordt meestal aangegeven dat het om omstandigheden moet gaan die in overwegende mate buiten de invloedssfeer van de rechtspersoon liggen. Informatie die ondernemers kan helpen om in te schatten of een ontheffingsverzoek kans van slagen heeft, is beschikbaar op https://www.rvo.nl/onderwerpen/jaarrekening-en-jaarverslag-rechtspersonen/ontheffingsmogelijkheden-jaarrekening#ontheffing-opmaken-jaarrekening.
Ook kan een kleine bv, indien deze geen winstoogmerk heeft, gebruik maken van de mogelijkheid om zijn stakeholders rechtstreeks te informeren in plaats van de jaarrekening openbaar te maken (artikel 396, negende lid, Boek 2 Burgerlijk Wetboek). Dit vereist dan wel dat de bv een accountantsverklaring van die strekking deponeert bij het Handelsregister.
Hoeveel bedrijven hebben in Nederland een vrijstelling van deze plicht?
Er zijn ontheffingen verleend als bedoeld in het antwoord op de voorgaande vraag. Voor het boekjaar 2023 zijn er 4 ontheffingen verstrekt en voor boekjaar 2024 gaat het tot dusver om 1 ontheffing.
Wanneer heeft Vollenbroek Milieuadvies B.V. voor deze verplichting een vrijstelling gekregen?
Er bestaat geen inschrijving voor «Vollenbroek Milieuadvies B.V.». Er bestaat wel een eenmanszaak met de naam «Vollenbroek Milieuadvies». Voor een eenmanszaak geldt geen verplichting tot het opstellen en openbaar maken van een jaarrekening. Eenmanszaken hebben alleen een verplichting een administratie te voeren (artikel 15i van Boek 3 Burgerlijk Wetboek).
Daarnaast bestaat er een inschrijving voor «Milieu-Adviesbureau Vollenbroek B.V.» (KvK 10144755). Aan deze B.V. is geen ontheffing verleend. Dit is ook op te maken uit het ontbreken van enige deponering in het Handelsregister van een verleende ontheffing voor de recente boekjaren.
Waarom heeft Vollenbroek Milieuadvies B.V. een uitzondering gekregen, kunt u dat toelichten?
Zie het antwoord op vraag 7. Er is geen uitzondering of vrijstelling gegeven. De premisse in de vragen 8 t/m 10 is onjuist.
Kunt u deze vrijstellingspositie herzien?
Zie antwoord vraag 8.
Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Afwijzingen bij subsidieregelingen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen die wij ontvangen over afgewezen subsidieaanvragen bij bijvoorbeeld het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN), terwijl bewoners wel aan de voorwaarden voldoen en binnen de geldende termijn een aanvraag hebben gedaan, maar bijvoorbeeld een mondelinge offerte hebben in plaats van een schriftelijke?
Ja, ik ben hiermee bekend. Alle aanvragen voor subsidie met terugwerkende kracht zijn zorgvuldig beoordeeld en er is gekeken of deze aan alle voorwaarden voldoen. Als een schriftelijke offerte ontbreekt, kan met een factuur of betaalbewijs vaak alsnog de aanvraag worden goedgekeurd. Een afwijzing in dit soort gevallen komt meestal doordat er een factuur of betaalbewijs ontbreekt. Zonder een dergelijk bewijs is onvoldoende na te gaan of er daadwerkelijk sprake is van uitgevoerde werkzaamheden die voldoen aan de subsidievoorwaarden.
Heeft u zicht op hoe vaak dit voorkomt?
Er zijn totaal 874 aanvragen van de inmiddels circa 12.000 ingediende aanvragen afgewezen. De meest voorkomende redenen voor afwijzingen zijn: 1.) de opdracht valt buiten de periode waarvoor de regeling of terugwerkende kracht geldt of 2.) het ontbreken van een factuur en/of betaalbewijs. Er is niet specifiek zicht op hoe vaak het voorkomt dat een aanvraag wordt ingediend met een mondelinge offerte.
Krijgt u van gedupeerden soortgelijke signalen over andere regelingen omtrent verduurzaming, versterking en herstel in Groningen en Noord-Drenthe?
Nee, deze signalen heb ik nog niet eerder via gedupeerden ontvangen.
Erkent u dat deze signalen niet in de geest van Nijbegun passen, namelijk milder, menselijker en makkelijker?
De uitgangspunten voor de inrichting van het aanvraagproces zijn net als voor de rest van Nij Begun: milder, makkelijker en menselijker. Tegelijkertijd willen we misbruik voorkomen. Hiervoor zijn zeer minimale voorwaarden gehanteerd. Via verschillende kanalen wordt uitgelegd aan bewoners welke informatie zij moeten aanleveren voor een volledige aanvraag. Het is vervelend voor bewoners als hun aanvraag wordt afgewezen, maar in de gevallen dat het voorkomt is daar reden voor en goed uitlegbaar.
Deelt u de mening dat er vanuit vertrouwen beoordeeld moet worden en niet vanuit wantrouwen?
Ja, ik deel deze mening. Daarom hebben we ook zeer minimale voorwaarden gesteld. De beoordeling van aanvragen worden en zijn ook vanuit vertrouwen beoordeeld. Een aanvraag moet echter wel aan enkele voorwaarden voldoen om te zorgen dat de subsidie ook daadwerkelijk gaat naar bewoners die daar recht op hebben. Als bijvoorbeeld geen enkel bewijs is dat er een betaling heeft plaatsgevonden, dan kan niet gecontroleerd worden of het geld daadwerkelijk besteed is.
Hoe kijkt u, mocht dit vaker voorkomen, naar dit soort afwijzingen in het licht van het wantrouwen vanuit de Groningers en het doel om te handelen vanuit vertrouwen?
Ik vind het belangrijk dat bewoners een subsidie krijgen voor de noodzakelijke kosten die zij gemaakt hebben voor isolatie- en ventilatiemaatregelen op basis van de uitgangspunten die door Rijk en regio op 6 maart 2024 zijn vastgesteld en zoals in de regeling1 beschreven staan. Er is voldoende tijd en geld voor iedereen die in aanmerking komt voor deze subsidie. Door duidelijk en transparant met de bewoners te communiceren, en uit te leggen waarom een aanvraag bijvoorbeeld wordt afgewezen, merken we vaak dat bewoners dit goed begrijpen.
Wat is het afwijzingspercentage bij de SNN-regelingen? Wat zijn de meest voorkomende redenen voor afwijzing?
Tot nu toe zijn er circa 12.000 aanvragen ingediend en 7.427 aanvragen afgehandeld2 waarvan er 874 zijn afgewezen, wat neerkomt op een afwijspercentage van 11,77% van behandelde aanvragen. Er zijn 268 bewoners in bezwaar gegaan tegen de afwijzing, dit komt neer op een bezwaarpercentage van 30,66% binnen de groep van afwijzingen. Bij ontvangst van een bezwaar wordt er door SNN telefonisch contact opgenomen om een toelichting te geven op het besluit en wordt er aanvullende informatie opgevraagd.
De terugwerkende kracht geldt vanaf 25 april 2023; dit is de datum waarop maatregel 29 als onderdeel van de kabinetsreactie Nij Begun is gepubliceerd. Veel aanvragen worden afgewezen omdat de opdracht om de isolatiemaatregelen uit te voeren voor 25 april 2023 is verstrekt, of omdat op basis van de aangeleverde stukken niet kan worden vastgesteld wanneer deze verplichting is aangegaan. In het geval een bewoner in bezwaar gaat en alsnog kan aantonen dat de opdracht na 25 april 2023 is verstrekt, wordt het besluit vanzelfsprekend herzien en wordt de subsidie alsnog verleend.
Een andere veelvoorkomende reden voor afwijzing is dat (betaal)bewijzen van de uitgevoerde isolatie- en ventilatiemaatregelen ontbreken, onvolledig of onduidelijk zijn. Zo moet op een factuur met meerdere maatregelen te onderscheiden zijn welke kosten subsidiabel zijn. Ook hier geldt dat indien een bewoner dit in bezwaar alsnog kan aanleveren, het besluit wordt herzien.
Hoeveel bezwaarschriften worden er na een afwijzing ingediend? Wat zijn de meest voorkomende redenen voor een bezwaarschrift?
Zie antwoord vraag 7.