Het bericht 'Werk met asbest vaak niet veilig |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel menskracht is er momenteel bij de Inspectiedienst beschikbaar voor toezicht aangaande asbestsanering? En bij andere inspecties als het gaat om asbest?1
Vanaf 1 januari 2012 worden de inspecties met betrekking tot de asbest(sanerings)bedrijven door een apart inspectieteam Asbest uitgevoerd, waardoor expertise wordt gebundeld. Daarvoor is 10 fte beschikbaar. De verscherping van het toezicht is daarin reeds verwerkt.
Naast de inspecties van het asbestinspectieteam vinden er in 2012 inspecties plaats ten aanzien van verontreinigde grond waarbij verontreiniging door asbest ook aan de orde is.
Daarnaast kan asbest als arbeidsrisico eveneens aan de orde komen bij reguliere inspecties in sectoren waar de kans op blootstelling aan asbest aanwezig is.
Wat wordt de menskracht na de aangekondigde verscherping van het toezicht? Ten koste van welke inspectietaken gaat dat?
Zie voor de vraag over inspectiecapaciteit antwoord één. Er is geen vast aantal inspecties per jaar per prioritaire sector. Jaarlijks worden op basis van de gemaakte risicoanalyses het aantal inspecties bepaald. De Inspectie SZW zet haar capaciteit in waar de risico’s voor de gezondheid en veiligheid groot is en de naleving laag. Het aantal inspecties in het kader van projecten blijft op hetzelfde niveau als 2011. De inzet van asbest gaat daarom niet ten koste van andere inspectietaken.
Hoeveel formatieplaatsen zullen er bij de Inspectiedienst SZW in 2012 verdwijnen door de bezuinigingen? Zal dit de inspectie van arbeidsomstandigheden rond asbest niet raken? Zo nee, waarom niet?
Het jaarplan 2012 van de Inspectie SZW is u toegezonden. De formatie van de Inspectie SZW daalt in 2012 van 1 188 fte naar 1 179 fte. De invulling van de taakstelling voor de jaren 2013 en verder is op dit moment nog niet definitief vastgesteld, maar wordt nader uitgewerkt in lijn met hetgeen de minster van SZW heeft verwoord in zijn brief Invulling hoofdlijnen taakstelling SZW-domein 2012–2015 van 14 maart 2011.
De bezuinigingen bij de Inspectie SZW zal de inspectieactiviteiten ten aanzien van asbest niet raken. In 2012 staan 19 400 arbo-inspecties gepland. De vermindering van capaciteit ten opzichte van 2011 wordt veroorzaakt doordat er minder monitoronderzoeken worden uitgevoerd.
Op welke wijze zijn de certificerende instellingen de afgelopen jaren gecontroleerd en met welk resultaat?
De Inspectie SZW houdt toezicht op het functioneren van certificerende instellingen. Sedert 2008 zijn u de volgende rapporten op het gebied van asbest aangeboden: «Handhaven door certificeren» (2008) en «De rol van de cki in het SZW-certificatiestelsel» (2010). In het laatste rapport zijn de bevindingen en conclusies gebundeld van de onderzoeken naar de certificatie met Deskundig Asbestverwijderaars en de onafhankelijkheid van asbestinventarisatie- en verwijderingsbedrijven.
De uitkomsten van de onderzoeken zijn meegenomen in de wijziging van de certificatieschema’s per 1 februari 2012. Zo zijn de eisen ten aanzien van de onafhankelijkheid van asbestbedrijven verscherpt en zijn sanctiebepalingen van kracht geworden om certificerende instellingen die de bepalingen van de certificatieschema’s niet juist toepassen, eerder en zwaarder te straffen.
Zijn de certificerende instellingen de afgelopen periode verscherpt gecontroleerd, zoals u toendertijd aankondigde? Zo ja, waaruit heeft de verscherpte controle uit bestaan? Zo nee, waarom niet?
Ja. De Inspectie SZW heeft naast onderzoeken die in haar jaarplan zijn opgenomen, in 2010 en 2011 zogeheten «reactieve onderzoeken» uitgevoerd, onderzoeken naar aanleiding van signalen van misstanden bij certificerende instellingen. Het uitvoeren van dergelijke onderzoeken betekent dat de Inspectie SZW sneller ingrijpt bij ongewenste situaties. In 2012 is in het jaarplan structureel 2 500 uur gereserveerd voor reactief onderzoek.
In 2011 heeft reactief onderzoek ertoe geleid dat een certificerende instelling zijn aanwijzing heeft teruggegeven. Daarnaast heeft een certificerende instelling na onderzoek van de Inspectie SZW een positieve beslissing over toekenning van een certificaat teruggedraaid.
In hoeveel gevallen zijn er sinds januari 2010 certificaten van asbestverwerkende bedrijven ingetrokken door certificerende instellingen? Welke certificerende instellingen waren dat?
Sinds begin 2010 zijn 18 certificaten asbestverwijdering en 2 certificaten asbestinventarisatie ingetrokken, waarvan 6 wegens een sanctie door de certificerende instelling (cki), 5 op verzoek certificaathouder (waarbij dit in enkele gevallen gebeurde na optreden van de Inspectie SZW), 4 wegens faillissement en 5 wegens overige redenen. De intrekkingen wegens een sanctie en op verzoek van de certificaathouder zijn evenredig verdeeld over de huidige zes certificerende instellingen.
Wat levert nauwe samenwerking met certificerende instellingen op als blijkt dat deze niet goed functioneren?
Vanaf 1 februari gaat het nieuwe certificatieschema asbest in. Hierin staat duidelijker vastgelegd wanneer een certificerende instelling een certificaat moet intrekken. Nu de regels zijn aangescherpt, is de verwachting dat de certificerende instellingen certificaten gaan intrekken conform de certificatieschema’s zoals die vanaf 1 februari 2012 van kracht zijn. De Inspectie SZW geeft informatie door aan de certificerende instellingen ten behoeve van die taak.
Acht u het wenselijk gezien de ernst van de misstanden, om de certificerende instellingen op te heffen en te vervangen door een vergunningplicht voor asbestverwijderaars? Zo ja, op welke termijn bent u voornemens dit uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet van plan het certificeringstelsel voor asbest te vervangen door een vergunningstelsel. Op dit moment zet de overheid in op versterking van de naleving door onder meer strengere sancties in het certificeringstelsel, vergroten van de pakkans en hogere boetes. Hierbij werken de certificerende instellingen en de Inspectie SZW samen. Deze aanpak is onderdeel van een samenhangend pakket maatregelen om de naleving te bevorderen. Tevens heeft de Raad voor Accreditatie een stevigere rol gekregen vanaf 1 februari 2012 als het gaat om toezicht op de cki’s.
Hoe denkt u anders te voorkomen dat malafiditeit in de asbestverwijdering schering en inslag blijft?
De Inspectie SZW zet nu ook – naast en in nauwe samenwerking met de inspecteurs van het asbestinspectieteam – rechercheurs en opsporingsanalisten in om malafide bedrijven op te sporen. Daarnaast werkt de Inspectie intensief samen met andere toezichthouders en met andere opsporingsdiensten. Bovendien is sinds 20 januari 2012 (Staatscourant 2012, nr. 2010) sprake van een verdubbeling van de boetes die kunnen worden opgelegd aan niet-gecertificeerde asbestbedrijven die de regels overtreden. Binnenkort verwacht ik uw Kamer een wetsvoorstel Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving aan te bieden waarin ook sprake is van fors hogere sancties bij overtredingen van de Arbeidsomstandighedenwet.
Tot slot ontvangt u op korte termijn van de staatssecretaris van IenM een overzicht van het samenhangend pakket maatregelen voor een gezamenlijke ketenaanpak. Dit pakket moet leiden tot een betere naleving en tot meer zicht en grip op de malafide bedrijven in de keten.
Een vuurwerkverbod |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Aboutaleb wil vuurwerkverbod»,1 «Vuurwerkverbod is onafwendbaar»,2 «Hilversum aan vuurwerkramp ontsnapt»3 en alle nieuwsberichten op de site van de Task Force Opsporing Vuurwerk Bommenmakers?4
Ja.
Ziet u de bovengenoemde berichten als signalen die aanleiding geven tot een strikter reguleren dan wel verbieden van vuurwerk voor particulieren? Zo ja, hoe gaat u die signalen omzetten in wet- of regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat de jaarwisseling een feest moet zijn waar mensen, ook door het afsteken van vuurwerk, veel plezier aan beleven. Op dit moment overweeg ik daarom niet een totaalverbod op consumentenvuurwerk in te stellen. Een onderzoek dat in 2008 door TNS NIPO is uitgevoerd toont een genuanceerd beeld van de houding van de burger ten opzichte van vuurwerk (zeer negatief 21%, tamelijk negatief 26%, tamelijk positief 39%, zeer positief 13%). Het onderzoek van onderzoeksbureau No Ties is voor zover ik na kan gaan beperkter van opzet en acht ik daardoor minder representatief. Gelet op de terugkerende discussie heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aangegeven een actualisering van dit onderzoek te laten uitvoeren.
Acht u de peiling van onderzoeksbureau No Ties representatief voor de mening van de Nederlander over vuurwerk? Zo ja, wat gaat u doen met de uitkomst dat een meerderheid van de Nederlanders een verbod op particulier vuurwerk wil en dat driekwart van de Nederlanders overlast van particulier vuurwerk ervaart? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de coördinator van de Taskforce Opsporing Vuurwerk dat een vuurwerkverbod voor particulier vuurwerk onafwendbaar is? Zo ja, hoe gaat u dit verbod bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunnen gemeentebesturen voor hun gemeente zelf een vuurwerkverbod afkondigen en handhaven? Zo ja, hoe dan en zijn er gemeenten die een dergelijk verbod al kennen? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten kunnen geen algeheel verbod op het afsteken van vuurwerk vaststellen omdat deze materie landelijk is geregeld in het Vuurwerkbesluit (m.n. art. 2.3.6). Wel kunnen gemeentebesturen voor hun gemeente plaatsen aanwijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk altijd verboden is (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen ed.), mits de grondslag daarvoor in de APV is opgenomen.
Kunt u aangeven of er met de incidenten met vuurwerk (bijvoorbeeld met gezondheidschade, overlast of openbare orde tot gevolg) een onderscheid te maken valt naar illegaal of legaal vuurwerk dan wel naar siervuurwerk en knalvuurwerk? Is een bepaalde categorie vuurwerk oververtegenwoordigd als het gaat om incidenten met vuurwerk?
Bij het achterhalen van deze informatie moet noodzakelijkerwijs in belangrijke mate vertrouwd worden op de informatie die het slachtoffer aanreikt over de herkomst van het vuurwerk. Het is bekend dat een deel maatschappelijk gewenste antwoorden geeft en dus ontkent dat illegaal vuurwerk is gebruikt. Met deze kanttekening in het achterhoofd is uit het Letsel Informatie Systeem van de Stichting Consument en Veiligheid af te leiden dat bij de afgelopen twee jaarwisseling circa 20% van de letselgevallen veroorzaakt is door illegaal vuurwerk.
Deelt u de mening dat de inzet van politie en het Openbaar Ministerie voor de opsporing en vervolging met betrekking tot vuurwerk beter gebruikt kan worden voor andere doeleinden? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat in geval van een particulier vuurwerkverbod deze inzet veel minder kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Zolang er sprake is van handel in illegaal vuurwerk zal het nodig zijn handhavend op te treden. Ook een eventueel particulier vuurwerkverbod zal gehandhaafd moeten worden. Of dit meer of minder handhavingscapaciteit vergt dan de huidige situatie hangt af van te veel factoren om een eenvoudige voorspelling over te doen.
In welke landen binnen de Europese Unie is het afsteken van vuurwerk door particulieren verboden?
Voor zover mij bekend is binnen Europa in Ierland en Roemenië een verbod op het afsteken van vuurwerk door particulieren van kracht. In alle andere lidstaten is consumentenvuurwerk toegestaan.
In hoeverre kan naar uw mening een verbod op particulier vuurwerk een oplossing bieden voor de problemen die wij nu met vuurwerk kennen? Welke ervaringen zijn er in het buitenland opgedaan met een dergelijk verbod?
Een belangrijk aandachtspunt bij een eventueel verbod op de verkoop van consumentenvuurwerk is de verwachting dat een deel van de consumenten naar buitenlands vuurwerk zal uitwijken, waarop nog minder controle kan worden uitgeoefend. Een verbod op vuurwerk in Duitsland en België is zeker niet te verwachten, dus zullen de echte vuurwerkliefhebbers hun vuurwerk daar gaan halen en gewoon thuis afsteken. Dit beperkt de effectiviteit van een nationaal verbod, maar doet deze niet geheel teniet.
In hoeverre kan een nationaal vuurwerkverbod effectief zijn als buurlanden een dergelijk verbod niet kennen?
Zie antwoord vraag 9.
Een mogelijk onafwendbaar vuurwerkverbod |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraak van de coördinator van de Taskforce Opsporing Vuurwerk Bommenmaker dat een vuurwerkverbod onafwendbaar is?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er steeds meer professioneel vuurwerk van het zwaarste soort, als lawinepijlen, nitraatklappers, vlinderbommen en cobra’s, illegaal vanuit Oost-Europa Nederland binnen worden gesmokkeld?
Natuurlijk ben ik van mening dat het onjuist en zorgelijk is dat illegaal zwaar knalvuurwerk, dat niet voor de consument bestemd is, op de illegale Nederlandse markt wordt gebracht. Dat vuurwerk hoort absoluut niet in handen van een consument te komen. Het feit dat veel van dit vuurwerk massa explosief reageert, maakt dit nog ernstiger. Daarom zijn door het Kabinet ook al diverse maatregelen genomen:
Wat vindt u ervan dat klasse 1.1 vuurwerk met 48,5 gram aan explosieve lading – meer dan in een kleine handgranaat – gewoon via Nederlandse sites online worden aangeboden, onder vermelding dat het verboden is en dat de waarschuwingen van de politie voor het gevaar van dit soort vuurwerk niet serieus moet worden genomen?2
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening van de oogartsen dat vuurwerk vergelijkbaar is met munitie en niet in de handen van burgers thuishoort, omdat de oogschade als gevolg van vuurwerk gelijk is aan die van munitie?3
Vuurwerk is in staat om letsel te veroorzaken, zeker bij verkeerd gebruik. De aard van het letsel is afhankelijk van het type vuurwerk, de hoeveelheid kruit in het vuurwerk en de plaats waar de effecten het lichaam raakt. Vergelijken met andere letselveroorzakende artikelen is niet zinvol. Indien vuurwerk wordt gebruikt volgens de gebruiksaanwijzing door mensen die zich bewust zijn van de mogelijke gevaren en daarnaar handelen, is de kans op letsel gering.
Kunt u uiteenzetten wat jaarlijks wordt uitgegeven aan de (spoed)behandeling van de honderden gewonden door vuurwerk?4 Heeft u zicht op het aantal mensen dat (tijdelijk) arbeidsongeschikt is geraakt door vuurwerk, al dan niet gedeeltelijk?
De Stichting Consument en Veiligheid heeft, in samenwerking met het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, een rekenmodel (Letsellastmodel) ontwikkeld dat bestaat uit een zorgmodel en een verzuimmodel. Met behulp van dit model en de specifieke gegevens van de letselgevallen over de jaarwisselingen 2006 t/m 2010, zijn de gemiddelde zorgkosten en de gemiddelde verzuimkosten als gevolg van een jaarwisseling berekend.
De totale medische kosten voor de behandeling van slachtoffers bedragen gemiddeld 1,1 miljoen euro per jaarwisseling. Ongeveer een kwart van deze slachtoffers heeft een betaalde baan. De kosten voor hun arbeidsverzuim door de vuurwerkongevallen belopen jaarlijks eveneens 1,1 miljoen. Letsels door vuurwerkongevallen kosten de maatschappij dus gemiddeld 2,2 miljoen euro per jaarwisseling.
Deelt u de mening dat een verbod op consumentenvuurwerk ook in het licht van de (zorg)kosten een welkome bezuiniging zou zijn op de overheidsuitgaven? Zo neen, waarom niet?
Laat ik voorop stellen dat letsel zo veel mogelijk voorkomen moet worden en dat uitgaven daaraan, hoewel op dat moment wel besteed, dus eigenlijk altijd te hoog zijn. Ik zie dit los van eventuele bezuinigingen. Van belang blijft mijns inziens om ongeregeldheden rond de jaarwisseling en onjuist omgaan met (illegaal) vuurwerk zo veel mogelijk te voorkomen. Zeker illegaal vuurwerk hoort niet in handen van de consument. Daar blijf ik dan ook vol op inzetten.
Aan een verbod op het afsteken van consumentenvuurwerk zijn natuurlijk ook extra kosten verbonden in de sfeer van bijvoorbeeld de handhaving, het organiseren van professionele vuurwerkshows en omzetderving van de vuurwerkbranche (indien het verbod onmiddellijk in moet gaan). Wanneer elk van de 400 gemeenten ten minste 1 vuurwerkshow organiseert, bij een kostprijs van 1 show van 10 000 Euro, zijn de investeringen hierin al meer dan de bezuinigingen op de letselkosten.
Deelt u de mening dat, gezien de toenemende ellende en zeer ernstige ongevallen met het afsteken van vuurwerk, waaronder zeer veel (oog)schade voor mens, dier en milieu, een verbod op het consumentenvuurwerk onafwendbaar is? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor nemen? Zo neen, waarom niet?
Het Kabinet is van mening dat de jaarwisseling een feest moet zijn waar mensen ook door het afsteken van vuurwerk (mits dit legaal gebeurt) veel plezier aan beleven. Op dit moment overweeg ik daarom niet een totaal verbod op consumentenvuurwerk in te stellen.
Daar is mijns inziens nu ook geen draagvlak voor. Ik baseer me daarbij op een gedetailleerd onderzoek naar de beleving van vuurwerk uit 2008. Gelet op de oplaaiende discussie ben ik voornemens om dit onderzoek te actualiseren.
Overigens blijft een belangrijk aandachtspunt bij een eventueel verbod op het afsteken van consumentenvuurwerk de verwachting dat een deel van de consumenten naar buitenlands vuurwerk zullen uitwijken, waarop, gezien het illegale karakter ervan, nog minder controle kan worden uitgeoefend.
Mogelijk meer dan 550 kankerverwekkende stoffen op de markt |
|
Paul Ulenbelt |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er mogelijk grote aantallen kankerverwekkende stoffen illegaal op de markt aanwezig zijn?1
Ik heb het artikel van FNV-vakcentrale gelezen en kan mij niet vinden in de conclusie dat er mogelijk grote aantallen kankerverwekkende stoffen illegaal op de markt aanwezig zijn. In de onderstaande antwoorden wordt dit nader toegelicht.
Is het waar dat op de lijst op basis van de REACH verordening ruim 500 minder stoffen staan dan op de geharmoniseerde lijst classificatie & labelling (annex VI van de CLP verordening in Europa)?2
Ja. Het verschil is verklaarbaar aangezien de Europese lijst stoffen betreft waarvan ooit gesteld is dat zij kankerverwekkend zijn en REACH alleen stoffen bevat die registratieplichtig zijn.
Hoeveel van de 500 stoffen worden verhandeld in Nederland of zijn aanwezig in bedrijven in Nederland? Kunt u aangeven waar deze stoffen zijn aan te treffen?
Bedoelde stoffen hoeven niet geregistreerd te worden (zie antwoord op vraag 2). Er bestaat ook geen meldingsplicht voor deze stoffen op grond van andere regelgeving.
Is de Arbeidsinspectie op de hoogte van deze problematiek? Wat is de handelwijze van de Arbeidsinspectie als kankerverwekkende stoffen op de werkplek worden aan getroffen die niet correct zijn geregistreerd? Hoe vaak is handelend opgetreden?
De Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) is op de hoogte en houdt tezamen met de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) toezicht op REACH. De Inspectie SZW richt haar toezicht vooral op gebruikersverplichtingen uit REACH, waaronder het veilig werken met stoffen en informatie over stoffen doorgeven aan werknemers en werkgevers (via veiligheidsinformatiebladen). Daarnaast richt de Inspectie SZW zich op de verplichtingen uit hoofdstuk 4 van het Arbobesluit. De invalshoek daarbij is dat werknemers veilig en gezond kunnen werken met (kankerverwekkende) gevaarlijke stoffen (als het noodzakelijk is om hiermee te werken). Als op de werkplek kankerverwekkende stoffen worden aangetroffen, dan bepaalt de Inspectie SZW of de werknemers hiertegen voldoende beschermd zijn. Dit houdt in dat beoordeeld wordt of de, door de werkgever gemaakte, risico-inschatting (RI&E, inclusief de blootstellingsbeoordeling) en de genomen maatregelen toereikend zijn.
Veiligheidsinformatiebladen die niet juist zijn (inhoud niet conform REACH-vereisten) of die niet geleverd zijn, kunnen een indicatie zijn van een ontbrekende of niet correcte registratie. Indien ontdekt wordt dat er gewerkt wordt met een kankerverwekkende stof die niet correct geregistreerd is, wordt dat niet alleen aan de werkgever gemeld, maar ook doorgegeven aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Zij onderzoeken wat de oorzaak is en treden indien nodig handhavend op.
Overigens treedt de Inspectie SZW vanzelfsprekend zelf handhavend op als stoffen worden aangetroffen die verboden zijn in het kader van REACH.
In de gezamenlijke jaarrapportage (van de betrokken inspecties) 2009 en 2010 is aangegeven dat er bij 2 van de 153 bedrijven (2009) en bij 4 van de 151 bedrijven (2010) overtredingen met betrekking tot (pre)registratie door de inspecties zijn aangetroffen. Vanaf december 2010 geldt de verplichting voor registratie van CMR-stoffen (boven 1 ton). De exacte gegevens van 2011 zijn nog niet bekend, maar een inschatting is dat er ook in 2011 slechts een beperkt aantal overtredingen met betrekking tot registratie is geconstateerd.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de kennelijke onderregistratie van kankerverwekkende stoffen?
Zoals eerder door mij aangegeven deel ik niet de mening van FNV dat er sprake is van onderregistratie. Ik zie dan ook geen aanleiding nader onderzoek te doen.
Bent u bereid om deze zaak in Europa aan de orde te stellen? Zo nee, waarom niet?
Daarvoor is nu geen noodzaak omdat ik niet van mening ben dat er sprake is van onderregistratie.
Giftreinen met onbekende ladingen |
|
André Elissen (PVV), Richard de Mos (PVV), Léon de Jong (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Onbeveiligd en zonder papieren»?1
Ja.
Is het aantal genoemde overtredingen in het artikel compleet of zijn er de afgelopen jaren méér (ernstige) overtredingen geconstateerd? Zo ja, valt hieruit op te maken dat De Pers niet alle gevraagde stukken via het verzoek op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft gekregen? Zo ja, waarom is dat?
Het WOB-verzoek van De Pers heeft betrekking op een onderzoek door de Inspectie Leefomgeving en Transport in de maanden februari – april 2011 naar de aanwezigheid en correctheid van documenten bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. In dit onderzoek is ook nagegaan of de parkeercontrole wordt nageleefd. De resultaten van het onderzoek zijn in het rapport «Weten wat er staat» gepubliceerd.2 De Pers heeft alle op dit onderzoek en het vervolgtraject betrekking hebbende informatie ontvangen. Er zijn vanaf februari 2011 tot op heden 24 overtredingen geconstateerd.
Is het correct dat iedere goederentrein te allen tijde over een lijst met daarop de lading moet beschikken? Dient de spoorwegbeheerder ook te allen tijde over deze zelfde lijst, of in ieder geval over dezelfde gegevens, te beschikken? Is dit ook altijd het geval? Kunt u dit garanderen?
Nee, deze verplichting geldt alleen voor goederentreinen die gevaarlijke stoffen vervoeren. Van iedere trein moet voor vertrek bekend zijn of er gevaarlijke stoffen vervoerd worden, welke stoffen dat zijn en wat de positie van de wagens is waarmee die stoffen vervoerd worden. Deze gegevens moet de vervoerder voor vertrek van de trein doorgeven aan de infrastructuurbeheerder (verder: beheerder). De beheerder moet ervoor zorg dragen dat hij tijdens het vervoer altijd snel en onbeperkt toegang heeft tot de correcte informatie.
Uit het onderzoek van de Inspectie blijkt dat de vervoerders en de beheerder niet altijd over dezelfde wagenlijst of dezelfde gegevens beschikken. Daarnaast is geconstateerd dat de gegevens van de vervoerders en de beheerder niet altijd overeenkomen met de feitelijke situatie op de trein. De Inspectie heeft daarom sancties opgelegd in de vorm van een last onder dwangsom. Ook na het opleggen van deze sancties zijn nog overtredingen geconstateerd. De Inspectie blijft dan ook intensief toezicht houden.
Welke maatregelen treffen ProRail en Keyrail om voor vertrek van een goederentrein te controleren of de lijst met gevaarlijke stoffen aanwezig en correct is? Gaat dit altijd goed? Zo nee, waarom niet? Welke maatregelen wilt u treffen om deze situatie eventueel te verbeteren? Als ProRail en Keyrail dit niet controleren, wie controleert dit dan wel?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen over de veiligheid van rangeerterreinen Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, Aanhangsel 3347. van 19 augustus 2011, is ProRail naar aanleiding van de conclusie van de Inspectie dat de informatievoorziening onvoldoende was geborgd in overleg gegaan met de goederenvervoerders en KeyRail om gezamenlijk afspraken te maken over de informatievoorziening. Beide beheerders geven aan vóór vertrek van een trein te controleren of de gegevens over de gevaarlijke stoffen in de trein aanwezig zijn. De Inspectie heeft geconstateerd dat ondanks deze afspraken in één situatie deze informatie niet aanwezig was en in een aantal gevallen niet de juiste informatie aanwezig was. Naar aanleiding hiervan zijn sancties opgelegd, die zich richten op het voorkomen van herhaling.
Is van iedere container, spoorketelwagen of wagon op het spoor bekend wat daarvan de belading is? Ook als deze op een emplacement staat? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat rampenbestrijding ernstig wordt bemoeilijkt wanneer er geen of geen correcte gegevens beschikbaar zijn van de belading van een trein?
Voor treinen die gevaarlijke stoffen vervoeren is wettelijk verplicht dat de vervoerder en de beheerder weten welke gevaarlijke stoffen worden vervoerd en wat de positie van de wagens in de totale trein is, ook als deze op een emplacement staat. Deze wettelijke verplichting geldt ook voor lege ongereinigde wagens. De Inspectie heeft geconstateerd dat de vervoerder en beheerder de informatie niet altijd hebben c.q. kunnen aanleveren en dat de informatie niet altijd correct is. Daarom zijn sancties opgelegd die tot doel hebben verdere overtredingen te voorkomen.
Ik deel uw mening dat het in het geval van een calamiteit van groot belang is dat trein- en emplacementpersoneel en personeel van hulpdiensten snel en adequaat worden geïnformeerd over de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Vervoerders en beheerders moeten alles in het werk stellen om correcte en volledige informatie snel te kunnen leveren.
Ontvangen ProRail en Keyrail de overzichten van de belading van een buitenlandse trein voordat deze het in Nederland gelegen spoor betreedt? Zo nee, waarom niet? Indien de overzichten met gevaarlijke stoffen later in Nederland arriveren dan de betreffende trein, welke aanvullende maatregelen treft u dan om de veiligheid te garanderen?
Ja. De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor is Europese regelgeving. De verplichting om informatie aan te leveren is ook van toepassing op grensoverschrijdend vervoer. De verantwoordelijke vervoerder dient vóór vertrek in het buitenland een wagenlijst aan ProRail te leveren. Als een wagenlijst niet tijdig aanwezig is dan blijft de trein in het buitenland staan.Mocht door omstandigheden een trein toch vertrekken en de grens met Nederland passeren voordat de treinlijst bij ProRail aanwezig is dan laat ProRail deze trein niet verder rijden dan het eerste grensstation. De trein mag pas verder rijden als de wagenlijst bij ProRail aanwezig is.
Welk percentage van de goederentreinen wordt door de Inspectie Verkeer en Waterstaat gecontroleerd op aanwezigheid en correctheid van de lijst met stoffen die in de trein vervoerd worden? Vindt u dit voldoende? Geven de resultaten van de inspecties aanleiding om meer controles uit te voeren? Zo ja, waarom vinden deze niet plaats?
De Inspectie gaat in haar toezichtprogramma uit van een vast aantal te inspecteren treinen per jaar. De inhoud van de inspecties wordt aan de hand van de risico’s bepaald. De Inspectie heeft in 2011 circa 850 inspecties op treinen met gevaarlijke stoffen uitgevoerd. Hierbij is ook op de aanwezigheid en correctheid van de informatie en documentatie gecontroleerd. In de goederensector is het gebruikelijk de verkeersprestaties uit te drukken in treinkilometers per jaar (in 2010 voor goederen: 10,4 miljoen km.) en de vervoersprestatie in tonnen per jaar (in 2010: rond 40 miljoen ton).
De resultaten van de inspecties zijn op dit moment geen aanleiding om het totaal aantal controles te verhogen, maar waren wel aanleiding tot het opleggen van bestuursrechtelijke sancties. Het is nog te vroeg om te constateren of deze sancties leiden tot een verbetering van de naleving. De Inspectie blijft daarom de situatie nauwgezet in de gaten houden.
Het bericht 'Olietanks slecht beveiligd' |
|
Richard de Mos (PVV), André Elissen (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Olietanks slecht beveiligd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat niet-bevoegde mensen zo dicht bij olietanks kunnen komen, met alle rampzalige gevolgen voor mens, milieu en economie van dien? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat het onaanvaardbaar is, dat niet-bevoegde mensen dicht bij olieopslagtanks kunnen komen.
Hoe staat het met de beveiliging van andere olieopslagplaatsen in Nederland, zoals de Rotterdamse haven?
Grote olieterminals in Nederland vallen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit Risico Zware Ongevallen (BRZO) en dienen op grond hiervan zowel over een omgevingsvergunning als een goedgekeurd Veiligheidsrapport (VR) te beschikken. Op grond hiervan worden in eerste instantie eisen gesteld aan het veilig functioneren van de installaties. Echter in een omgevingsvergunning kunnen tevens voorschriften worden opgenomen ten aanzien van onder meer het houden van toezicht, bekwaamheidseisen van personeel en de afsluiting van terreinen door middel van hekwerken.
In Nederland is tussen de Rijksoverheid en het bedrijfsleven een convenant afgesloten met betrekking tot bedrijven uit de olie- en petrochemische sector.
De focus ligt hierbij op security (met name op de terroristische dreiging). Het bedrijfsleven implementeert momenteel een securitymanagementsysteem met als doel het weerstandsvermogen tegen een kwaadwillende actie te verhogen om zodoende de kans op ongewenste gevolgen sterk te verminderen. Het onbevoegd betreden van een terrein van een bedrijf past binnen de vastgestelde standaard dreigingscenario’s die zijn meegenomen in een securitymanagementsysteem van een bedrijf dat is aangesloten bij het convenant met de olie- en petrochemische sector. Het convenant voorziet in het onderhouden en verbeteren van het securitymanagementsysteem.
Voorts zijn in Nederland de EU-verordening 725/2004 en de Havenbeveiligingswet van toepassing in verband met de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (weerstandsverhoging tegen bijvoorbeeld een terroristische aanslag). Deze wet bepaalt dat alle zeehaventerreinen in Nederland, inclusief die met olietanks, waar vrachtschepen boven 500 ton in het internationale verkeer laden en lossen, moeten beschikken over een door de Burgemeester van de betreffende havengemeente goedgekeurd beveiligingsplan. Het rechtstreekse toezicht hierop berust eveneens bij de Burgemeester van een betreffende havengemeente. De Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT) verzorgt het tweedelijns toezicht. De ILT heeft geen aanwijzingen dat gemeenten deze taak niet naar behoren vervullen.
Op basis van het bovenstaande ben ik van mening dat de wet- en regelgeving ten aanzien van dit soort bedrijven voldoende is om de kans op een terroristische aanslag of een actie van een anderszins kwaadwillende, zoveel als mogelijk te verkleinen c.q. te verhinderen. Garantie dat een voorval zoals in het artikel aangehaald nooit meer zal optreden, kan niet worden gegeven.
Het bedrijf beschikt over een omgevingsvergunning en een veiligheidsrapport. Verder heeft het betreffende bedrijf op basis van de EU-verordening een «Port Facility Security Plan» gemaakt. Hiervoor is op 6 juli 2011 het «Havenbeveiligingscertificaat» afgegeven door de Directie Openbare Orde en Veiligheid van de gemeente Amsterdam. Voorts isde gemeente Amsterdam in gesprek met het bedrijf over het voorval.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort taferelen nooit en te nimmer meer kunnen voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
De Stort van Troost |
|
Paulus Jansen |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
Bent u bekend met het bericht «Dordt eist sanering Stort van Troost»?1
Ja.
Gaat u het College van B&W van de gemeente Dordrecht steunen in de sanering het gebied en het aanpakken van Shell als verantwoordelijk vervuiler? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De uitvoering van het bodemsaneringsbeleid is volledig gedecentraliseerd en in
deze kwestie is de gemeente Dordrecht bevoegd gezag. De gemeente ontvangt een bodemsaneringsbudget. Daarnaast ondersteunt het Ministerie de gemeente in de verdere aanpak van deze zaak door het beschikbaar stellen van financiële middelen om juridische ondersteuning te bekostigen, ook richting Shell.
Wanneer bleek voor het eerst uit monitoring van verspreiding van de verontreiniging dat de situatie niet meer acceptabel was? Kan de Kamer inzage krijgen in alle rapportages van de monitoring van afgelopen 6 jaar?
Uit bodemonderzoeken in 2005 en 2006 is gebleken dat de verontreinigingen zich vanuit de stortplaats verspreiden, maar dat de verspreiding geringer is dan in de jaren daarvoor werd aangenomen. Dit beeld is bevestigd door de daarna uitgevoerde monitoringen. Bij de monitoring grondwaterkwaliteit van 2010 is gebleken dat op een drietal locaties de verontreinigingen buiten de voormalige stortplaats toenemen. Op dat moment werd duidelijk dat maatregelen noodzakelijk zijn om de verspreiding van de verontreiniging tegen te gaan. Uit de monitoring grondwaterkwaliteit 2011 blijkt dat deze toename zich in het laatste jaar (nog) niet verder heeft doorgezet. De verwachting is echter dat zolang er geen saneringsmaatregelen zijn genomen, deze toename wel zal gaan doorzetten. Ondanks de zeer onlangs geconstateerde geringere verspreiding blijft sprake van een serieus verspreidingsrisico, en is het noodzakelijk om saneringsmaatregelen te nemen. De mogelijke saneringsmaatregelen zijn opgenomen in het saneringsplan van 2009. Dit saneringsplan is opgesteld in het kader van het project «sanering en herontwikkeling polder Stededijk» en is gekoppeld aan de uitvoering van het inrichtingsplan. Alle onderzoeksrapporten zijn openbaar en op te vragen bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid te Dordrecht.
Was het achteraf gezien niet beter geweest al veel eerder met sanering te beginnen omdat immers al ruim 12 jaar geleden bleek dat de Stort van Troost een tikkende tijdbom is?
Het betreft hier een stortplaats met een te overzien verspreidingsrisico en gezien de monitoringsrapportages 2005, 2007, 2009, 2010, 2011 heeft de gemeente Dordrecht voldoende zicht op het verspreidingstempo van de verontreinigingen.
De aanpak van de stort moet gezien worden in het kader van de herontwikkeling van polder Stededijk. Vanaf 2006 is door diverse overheden gewerkt aan het project «sanering en herontwikkeling polder Stededijk». Doel van het project was de realisatie van een natuur- en recreatiegebied in de polder gecombineerd met de sanering van de bodemverontreiniging die is aangetroffen ter plaatste en in de omgeving van de voormalige stortplaats. Het inrichtingsplan en het saneringsplan zijn op elkaar afgestemd en de bedoeling was om deze geïntegreerd uit te voeren. Door de weigering van de eigenaren om Polder Stededijk tegen een redelijke en marktconforme prijs te verkopen aan de overheid is vertraging opgelopen bij de aanpak.
Welke consequentie heeft het besluit van het College van B&W voor het in 2006 met uw ambtsvoorganger, Van Geel, afgesloten convenant voor herinrichting van de polder Stedelijk?
Het herinrichtingsproject van polder Stededijk ligt stil omdat door de wijziging van het beleid met betrekking tot de realisering van de Ecologische Hoofdstructuur de middelen voor aankoop van de polder en herinrichting van de polder als natuurgebied zijn weggevallen. Hierdoor kan de herinrichting voorlopig niet worden uitgevoerd. De betekenis hiervan voor de sanering zal door het bevoegd gezag nader worden gewogen.
Transport van uranium hexafluoride over de weg |
|
Paulus Jansen |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
Bent u bekend met het feit dat er op vrijdag 18 november jl. zes Engelse trailers met uraniumhexafluoride onbegeleid over de A73 reden?1
Ja. Het betrof overigens een transport van drie vrachtwagens met zes cilinders beladen met uranium hexafluoride.
Op grond van welke vergunning vond het transport plaats?
Dit transport werd uitgevoerd onder kernenergiewetvergunning met nummer 2011/0570–7.
Werd (een van) de in de vergunning genoemde route(s) gevolgd?
Vanwege te verwachten stremmingen op de in de vergunning genoemde route is het transport op 18 november 2011 uitgevoerd over de A73. Deze alternatieve route is tot stand gekomen na overleg door de vervoerder met het Korps Landelijke Politiediensten en de Kernfysische Dienst. Deze instanties zijn bevoegd om een alternatieve route aan te wijzen.
Is voldaan aan de meldingsplicht voor het transport?
Ja, het transport is conform vergunningvoorschrift vooraf gemeld bij de in de vergunning genoemde instanties.
Wordt steekproefsgewijs gecontroleerd of dit soort transporten voldoet aan de vergunningseisen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is uw beeld van de naleving van de vergunningen?
In de vergunning wordt voorgeschreven dat minimaal 2 x 24 uur voorafgaand aan het transport door Nederland een transportmelding moet worden gedaan aan het team Stralingsbescherming van Agentschap NL, de Kernfysische Dienst en aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat, sector Handhaving.
De Kernfysische Dienst controleert steekproefsgewijs. In deze steekproef wordt gekeken of de gegevens van de melding overeenstemmen met de vergunning. Indien een administratieve controle daartoe aanleiding geeft, wordt een fysieke controle uitgevoerd. Daarnaast controleert de Inspectie Verkeer en Waterstaat steekproefsgewijs of de transporten voldoen aan de internationale regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over land (ADR / VLG). Deze controles worden gedaan bij aankomst of vertrek binnen Nederland. In 2011 is er geen aanleiding geweest voor de Kernfysische Dienst om fysieke controles bij transporten met uranium hexafluoride uit te voeren. Ook voor dit specifieke transport was daartoe geen aanleiding. Op basis van eerdere steekproeven is het algemene beeld dat de naleving van de vergunningen goed is.
Zou een transport met zes trailers uraniumhexafluoride niet als bijzonder transport moet worden aangemerkt, waardoor een vorm van begeleiding noodzakelijk is?
Op grond van het IAEA Verdrag inzake Fysieke Beveiliging van kernmateriaal is bepaald van welke categorieën splijtstoffen de transporten begeleid dienen te worden door de politie. Het uranium hexafluoride van deze transporten valt buiten de laagste categorie van het Verdrag en het transport ervan behoeft geen begeleiding door de politie.
Overigens dient de vergunninghouder op grond van de vervoersvergunning zorg te dragen voor begeleiding van het transport door een transportleider. De vervoerder heeft, conform de vergunningvoorschriften, de identiteit en de contactgegevens van deze transportleider vermeld in de voorafgaande transportmelding.
Het artikel "DCMR: Odfjell lekte regelmatig benzeen |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «DCMR: Odfjell lekte regelmatig benzeen»1, de website www.dcmr.nl2 en de website van de Haven Amsterdam3?
Ja.
Deelt u de mening dat benzeen en andere zogenaamde Vluchtige Organische Stoffen (VOS), stapelgiffen, die bij een minimaal contact al kankerverwekkend zijn, nooit in de open lucht terecht mogen komen? Zo nee, waarom niet?
Benzeen is een zeer ernstige zorgstof. Europa heeft daarom voor benzeen als wettelijke grenswaarde 5 μg/m3 (jaargemiddelde) gesteld. Deze waarde is verwerkt in de Nederlandse milieuregelgeving.
Daarnaast valt benzeen onder het prioritaire stoffenbeleid van dit kabinet. Het streven is om voor dit soort ernstige zorgstoffen de concentratie in het milieu naar verwaarloosbaar risico te brengen. Voor benzeen is dat beneden 1 μg/m3.(jaargemiddelde). Benzeen is daarom een zogenaamde minimalisatieplichtige stof. Dit betekent dat bedrijven naast het voldoen aan de wettelijke grenswaarde een inspanningsverplichting hebben om tot een zo laag mogelijke uitstoot te komen. De regionale overheid, zijnde het bevoegd gezag, moet dit regelen in de omgevingsvergunning van het bedrijf.
Bent u van mening dat er zo snel mogelijk een diepgaand onderzoek dient te komen, dat in kaart brengt of er in de Rotterdamse haven ook door schepen benzeen en/of andere Vluchtige Organische Stoffen worden uitgestoten? Zo ja, om welke hoeveelheden gaat dit? Hoe is daar met de handhaving op geanticipeerd? Zo nee, waarom niet?
Bij het laden en lossen door schepen van gevaarlijke stoffen zoals benzeen, zijn in de milieuvergunning voor de betreffende bedrijven zodanige eisen opgenomen (zoals bijvoorbeeld een dampretourinstallatie) dat emissies zo veel mogelijk voorkomen worden. Bij het IMO (International Maritime Organization) in Londen is ook een melding gedaan over dampverwerking bij Nederlandse terminals.
Tevens wordt de luchtkwaliteit in het Rijnmondgebied en in de Amsterdamse haven continue op meerdere punten gemeten om de vinger aan de pols te houden. Incidenten worden dan ook geregistreerd waarbij de inspectie zo nodig handhavend optreedt tegen bedrijven waar een omvangrijke emissie heeft plaatsgevonden.
Volgens de beschikbare meetgegevens is de wettelijke luchtkwaliteitseis van 5 μg/m3 niet overschreden.
Wel heeft er een piekemissie plaatsgevonden bij het bedrijf Odfjell. Wegens deze incidentele piekemissie en eerdere emissies waarbij benzeen vrijgekomen is, is er een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen Odfjell. Tegelijkertijd wordt dit bedrijf door het bevoegde gezag DCMR en door de inspectie van de rijksoverheid nauwlettend in de gaten gehouden. Ter voorkoming van dergelijke benzeenemissies heeft Odjfell een Plan van Aanpak opgesteld dat in uitvoering is genomen.
Ik acht dit continu monitoren in combinatie met het strafrechtelijk onderzoek en het optreden van de inspectie voldoende toereikend. Ik zie op dit moment geen noodzaak ander diepgaand onderzoek in te stellen.
Deelt u de mening dat alle havens in Nederland een systeem dienen te hebben, zoals het VentoClean-system in de haven van Amsterdam, waarmee benzeen en andere Vluchtige Organische Stoffen eventueel kunnen worden afgevangen? Zo nee, waarom niet?
Bij de omgevingsvergunningverlening voor havenbedrijven die vluchtige organische stoffen overslaan uit (zee)schepen zal het bevoegd gezag eisen aan de overslaginstallaties stellen. De provincie Noord-Holland heeft als beleid om voor alle terminals dampterugwinningstechnieken voor te schrijven als daarmee economisch haalbaar VOS emissies te voorkomen zijn. In de afgelopen jaren is aan alle terminals met een opslag van meer dan 100 000 m3 de verplichting van het gebruiken van een dampterugwinninginstallatie opgelegd.
In het algemeen is het milieubeleid er op gericht om de Best Beschikbare Technieken door het bevoegd gezag te laten opnemen in de omgevingsvergunningen voor milieu. Het is beleid dat dampterugwinningsinstallaties in de havens meer en meer zullen worden geëist; zeker als daarmee omvangrijke VOS emissies op economisch haalbare wijze voorkomen worden.
Het Ventoclean systeem is een kleinschalig(er) systeem vooral bedoeld om binnenschepen die vluchtige organische stoffen hebben vervoerd, te kunnen ontgassen. Als er echter steeds vluchtige organische stoffen vervoerd worden is dat ontgassen niet nodig omdat bij het laden en lossen van benzine het gebruik van dampretourvoorzieningen vereist is. Dat laatste, de zogenoemde «dedicated vaart», komt het meeste voor. De eventuele emissie van vluchtige organische stoffen door de beperkte groep binnenschepen met wisselende vaart is niet zodanig dat een Ventocleansysteem wettelijk voorgeschreven is. Wel wordt dat systeem evenals gelijkwaardige systemen, gestimuleerd doordat het onder de Vamil/Mia regeling valt. Door de Vervroegde afschrijving van de milieu-investering (Vamil) of de Milieuinvesteringsaftrek regeling (Mia) is het eerder economisch haalbaar voor binnenschepen om een ontgassingsysteem aan te schaffen.
Schaliegas |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het bericht «Use of Chemicals for Fracking May Be Illegal Under REACH, European Commission Says»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Welke chemicaliën willen Cuadrilla en DSM gebruiken bij de (proef)boringen naar schaliegas in Nederland? Zijn deze chemicaliën geregistreerd bij het Europees Agentschap voor Chemische stoffen (ECHA)? Is getest wat de risico’s voor mens en milieu zijn van het gebruik van deze chemicaliën bij (proef)boringen naar schaliegas?
DSM heeft nog geen concrete boorplannen en daarom is ook niet bekend of zij tijdens hun proefboring gaan fraccen en zo ja, wat de samenstelling van de te gebruiken frac-vloeistof zal zijn. Overigens zijn de activiteiten van DSM volgens de aanvraag van de opsporingsvergunning primair gericht op de opsporing van koolbedmethaan (steenkoolgas).
Ook Cuadrilla heeft nog geen boorprogramma ingediend bij het Staatstoezicht op de Mijnen, zodat op dit moment niet vaststaat welke chemicaliën Cuadrilla bij het fraccen zal inzetten. Cuadrilla heeft echter tijdens presentaties aan bewoners en overheden meerdere malen aangegeven dat bij het fraccen gebruik zal worden gemaakt van glutaaraldehyde en polyacrylamide.
Indien chemicaliën gebruikt zullen worden, zullen zowel Cuadrilla als DSM moeten voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit REACH. Dit houdt in dat deze chemicaliën getest moeten worden op schadelijkheid voor mens en milieu.
Het bericht «Use of Chemicals for Fracking May Be Illegal Under REACH, European Commission Says» bevestigt dan ook de noodzaak van de verificatie, die Cuadrilla en DSM zullen moeten uitvoeren. Staatstoezicht op de Mijnen zal hierop toezien.
Zijn de chemicaliën die Cuadrilla, DSM en eventueel andere bedrijven willen gebruiken bij (proef)boringen naar schaliegas volgens u toegestaan in de EU? Zo nee, bent u bereid om een moratorium af te kondigen zolang de chemicaliën niet toegestaan zijn voor (proef)boringen naar schaliegas?
Bij het voor aanvang van de boring in te dienen boorprogramma zal getoetst worden of de chemicaliën, die voor fraccen gebruikt worden, voldoen aan de REACH-vereisten. Indien niet aan deze vereisten wordt voldaan, zullen met bestaande handhavingsmiddelen passende maatregelen worden genomen om het gebruik van deze stoffen te voorkomen. Het afkondigen van een moratorium is nu dan ook niet aan de orde. Er is al een handhaafbaar verbod op het gebruik van niet-toegestane chemicaliën en daar zal ook op gehandhaafd worden.
Zijn er op dit moment naast Cuadrilla en DSM andere bedrijven die vergunning aan willen vragen voor (proef)boringen naar schaliegas? Zo ja, zijn de chemicaliën die deze bedrijven willen gebruiken toegestaan voor (proef)boringen naar schaliegas?
Queensland Gas Company2 (Queensland) heeft een vergunning voor het opsporen van koolwaterstoffen in het gebied, aangeduid als Oost-IJssel. De aandacht van Queensland gaat uit naar koolbedmethaan (kolengas). Queensland heeft nog geen locatie bepaald voor het verrichten van een boring. Over het eventueel fraccen en het gebruik van chemicaliën is nog niets bekend.
Er zijn door twee maatschappijen (Cuadrilla en Hutton Energy) nieuwe vergunningen aangevraagd voor het zoeken naar schaliegas. Het gaat hier om een gebied dat het zuiden van Noord-Brabant, het noorden van Limburg en een klein stukje van Zeeland beslaat. Ik zal over deze aanvragen in de loop van volgend jaar een besluit moeten nemen. Dit zal ik o.a. doen op basis van adviezen van TNO, Staatstoezicht op de Mijnen, EBN, de Mijnraad en de genoemde provincies. In deze fase is niet bekend of zij tijdens hun proefboring gaan fraccen en zo ja, wat de samenstelling van de te gebruiken frac-vloeistof zal zijn.
Welke chemicaliën wil Queensland Gas Company gaan gebruiken bij boringen naar steenkoolgas in Oost-Gelderland, Salland en Twente? Zijn die chemicaliën wel geregistreerd bij het ECHA? Zo nee, bent u bereid een moratorium af te kondigen zolang de chemicaliën niet toegestaan zijn voor (proef)boringen naar steenkoolgas?
Zie mijn antwoord op vraag 4. Zoals bij mijn antwoord op vraag 3 is aangegeven, is het gebruik van chemicaliën pas mogelijk als voldaan is aan de vereisten van REACH. Een moratorium is niet nodig, omdat er al een handhaafbaar verbod op het gebruik van niet-toegestane chemicaliën bestaat en daar ook op gehandhaafd zal worden.
Kunt u een overzicht geven van alle plannen die er op dit moment zijn voor (proef)boringen naar onconventioneel gas in Nederland? Kunt u daarbij ook een overzicht geven van het planningstraject voor de verlening van eventuele vergunningen?
Opsporingsvergunningen voor onconventioneel gas zijn verleend aan Cuadrilla (2 vergunningen), DSM en Queensland Gas Company. Een opsporingsvergunning geeft een bedrijf het exclusieve recht om in het vergunninggebied naar koolwaterstoffen te mogen zoeken. Voor het aanleggen van een boorlocatie zijn aanvullend andere vergunningen vereist, zoals een omgevingsvergunning; de gemeente is voor de omgevingsvergunning bevoegd gezag. Het planningstraject hiervoor is in handen van de gemeente. Voor zover mij bekend is, zijn er buiten de aanvragen van Cuadrilla (Boxtel en Haaren) nog geen vergunningen voor de aanleg van boorlocaties ingediend.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk op 25 oktober 2011 te beantwoorden, zodat de antwoorden meegenomen kunnen worden in het algemeen overleg Mijnbouw op 27 oktober 2011?
Ja.
Emissietestprogramma's |
|
René Leegte (VVD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het persbericht van Volkswagen: «Volkswagen presents latest efficiency technology»?1
Ik heb kennis genomen van dat persbericht.
Deelt u de conclusie dat de auto lage emissies heeft, omdat de auto in het emissietestprogramma is getest in de economy driving cycle op slechts twee van de vier cilinders?
Het onderhavige type voertuig is voorzien van tal van technische voorzieningen om het brandstofverbruik te beperken. Cilinderuitschakeling bij lage snelheden en acceleraties is daar één van. Volkswagen geeft zelf aan dat het effect in de testcyclus 0,4 liter per 100 km is, oplopend tot bijna 1 liter per 100 km bij een constante snelheid van ca. 50 km/h in derde of vierde versnelling. Het is wel zo dat de cilinderuitschakeling alleen plaatsvindt bij een rustige rijstijl. Een bestuurder met een wat «zwaardere» rechtervoet zal er daarom minder of geen baat bij hebben.
Wat is uw visie op emissietestprogramma’s en de daarbij horende milieulabeling van auto’s wetende dat de praktijkprestatie (namelijk veel slechter) van auto’s erg uit de pas loopt ten opzichte van de fabrieksemissietesten?
Het is algemeen bekend dat de verbruikscijfers in de officiële verbruikstest om meerdere redenen een geflatteerd beeld geven van de werkelijkheid. Dat ligt deels aan de testcyclus, die onvoldoende representatief is voor het rijgedrag van de gemiddelde bestuurder. Voor een ander deel komt dit doordat de bestaande Europese richtlijnen nogal wat ruimte bieden aan de fabrikanten om voor de test een geprepareerd voertuig in te zetten, dat qua accessoires en afstellingen niet echt representatief is voor de latere gemiddelde serieproductie. Beide lacunes in de bestaande wetgeving zijn onderwerp van een herziening in UN-ECE kader. Nederland is hier nauw bij betrokken, en maakt zich sterk voor een meetprocedure voor het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot die cijfers oplevert die beter overeenstemmen met de praktijk.
Wat is uw visie op de emissietestprogramma’s en de daarbij horende milieulabeling, constaterende dat autofabrikanten technische aanpassingen doen voor een goed testresultaat – zoals het uitschakelen van twee van de vier cilinders – waarbij de praktijkprestatie van de auto niets meer met het fabriekstestresultaat te maken heeft?
In schriftelijke Kamervragen is deze problematiek eerder aan bod gekomen2. Daarbij is aangegeven dat TNO in een onderzoek3 heeft geconcludeerd dat de officiële verbruikstest een goede methode is voor het onderling vergelijken van het brandstofverbruik van auto’s. In de praktijk liggen verbruikswaarden weliswaar dichter bij elkaar maar zuinigere auto’s op grond van de officiële verbruikstest blijken ook in de praktijk zuiniger.
Overigens is het niet zo dat het uitschakelen van cilinders alleen in de officiële test voordelen biedt. In de praktijk zullen de verbruiksvoordelen van cilinderuitschakeling bij een rustige rijstijl evenzeer optreden. Bij «meer dynamische rijomstandigheden» in de praktijk zullen de voordelen echter minder zijn dan gedurende de officiële test. Van dit verschijnsel is echter ook sprake bij diverse andere technieken sprake die door fabrikanten worden ingezet om auto’s zuiniger te maken.
Op welke manier gaat u stimuleren dat er in de praktijk schonere auto’s gaan rijden op schone brandstoffen?
Het terugdringen van het verschil tussen testverbruik en praktijkverbruik staat internationaal hoog op de agenda, en Nederland participeert actief in het UN-ECE proces om tot betere wetgeving op dat terrein te komen. Met het Programma «Het nieuwe rijden» wordt verder gestimuleerd dat er in de praktijk zuiniger met auto’s wordt gereden. Door in een zo hoog mogelijke versnelling rijden, het voertuig in de versnelling uit te laten rollen voor het stoppen en de juiste bandenspanning toe te passen kan het praktijkverbruik van auto’s worden teruggebracht.
Microplastics in consumentenproducten die het water vervuilen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de inventarisatie van Stichting de Noordzee naar het voorkomen van plastic deeltjes, zogenaamde microplastics, in consumentenproducten?
Ja.
Kunt u bevestigen dat het overgrote deel van scrubs en peelings dat momenteel op de markt te verkrijgen is microplastics bevat? Zo ja, hoe beoordeelt u dat?
Ja, uit gegevens van de Nederlandse Cosmetica Vereniging blijkt dat in deze producten vaak gebruik gemaakt wordt van microplastics als scrubdeeltjes. Alle cosmeticaproducten die op de markt worden gebracht moeten aan de eisen uit de Cosmeticaverordening 1223/2009/EG voldoen. De fabrikant is verplicht om het veilig gebruik van het product wetenschappelijk te onderbouwen. Wat de gevolgen zijn voor het (mariene) milieu is nochtans onduidelijk (zie vraag 3).
Kunt u aangeven wat het effect op mariene ecosystemen is van de ophoping van dit soort microplastics?
Onder de vlag van de OSPAR Regionale Zeeconventie wordt ruim 10 jaar aandacht besteed aan het monitoren en de aanpak van zwerfvuil op zee, recent ook aan de microplastics problematiek. Het internationale onderzoek naar microplastics in het zeemilieu en de mogelijke effecten daarvan bevindt zich nog in een pril stadium. De aanwezigheid van microplastics (< 5 mm) is aangetoond in sedimenten en water van de Noordzee en in het weefsel en organen van diverse soorten in het mariene milieu (plankton, kreeftachtigen, vissen en vogels), soms echter alleen op laboratorium schaal (mosselen). Microplastics zijn niet afbreekbaar en kunnen zich ophopen in organismen. De deeltjes kunnen doorgegeven worden via de voedselketen en zijn potentieel toxisch mede als gevolg van additieven en verontreinigende stoffen. Het is nog niet bekend op welke schaal deze problematiek zich op de Noordzee voordoet.
Deelt u de zorgen over de effecten hiervan op onder andere vissen, zeezoogdieren en uiteindelijk ook op de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
De risico’s voor de volksgezondheid en het milieu zijn in het algemeen moeilijk te bepalen. Er zijn studies gepubliceerd waarin mogelijke effecten worden verondersteld onder meer in relatie tot toxische effecten van fijne plastic deeltjes. De wetenschappelijke onderbouwing hiervan is echter nog beperkt.
Deelt u de mening dat het gebruik van microplastics bijdraagt aan het probleem van de plastic soep die zich ophoopt in onze oceanen? Zo ja, deelt u de mening dat het belangrijk is om het probleem bij de bron aan te pakken?
Ja, het introduceren in het zeemilieu van microplastics moet zoveel mogelijk worden voorkomen en daarvoor is een brongerichte aanpak gewenst. Daarbij moet bedacht worden dat alle plastic in zee uiteindelijk uiteenvalt in microplastic-deeltjes; het gaat dus niet alleen om geproduceerde microplastics.
In het kader van de implementatie van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie laat ik op dit moment de huidige toestand van het zeemilieu en effecten van het vigerend beleid beoordelen. Op basis daarvan neemt het kabinet komend voorjaar een ontwerpbesluit over de goede milieutoestand van de Noordzee in 2020, en de daarbij behorende doelen en beleidsopgave. Het kabinetsbesluit over de Mariene Strategie zal onder meer ingaan op de problematiek rondom afval in zee, waaronder microplastics.
Ten behoeve van het kabinetsbesluit, heb ik door Deltares en het IVM een studie laten verrichten naar de laatste stand van kennis over microplastics en aanbevelingen gevraagd voor verdere kennisontwikkeling. Dit rapport wordt deze maand gepubliceerd.
Bent u bereid zich in te zetten voor een (Europees) verbod op de verkoop van cosmetica en verzorgingsproducten waarin microplastics zijn verwerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u zich hiervoor inzetten?
Eventuele beperkingen voor het op de markt brengen van cosmetische producten dienen op Europees niveau te worden afgesproken. Op Europees niveau zijn in de Cosmeticaverordening 1223/2009/EG, regels gesteld voor cosmetische producten. Daaronder vallen onder meer eerdergenoemde scrubsen verzorgingsproducten. Uitgangspunt van de verordening is het garanderen van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid. In de verordening zijn geen milieuaspecten meegenomen zodat effecten op het milieu geen grond kunnen zijn voor het opleggen van beperkingen. Ik ben evenwel bereid dit onderwerp bij de Europese Commissie aan de orde te stellen in het kader van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie met het doel na te gaan welke mogelijkheden er zijn voor het terugdringen van de emissie van microplastics.
Bent u bereid de aanwezigheid van microplastics in consumentenproducten aan te kaarten in de verschillende internationale gremia die zich bezighouden met het probleem van de plastic soep, zoals het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, de Honolulu Strategie en de Declaration of the Global Plastics Associations for Solutions on Marine Litter? In hoeverre is er bij deze programma’s al aandacht besteed aan dit probleem?
Ja. Nederland heeft het probleem van plastic soep en microplastics reeds geagendeerd in Europees en mondiaal verband. Vanuit de Europese Commissie lopen diverse trajecten om plastic afval op zee aan te pakken. Onder de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie is het probleem van (plastic) afval meegenomen als één van de elf elementen waarvoor een beleidsopgave voor 2020 moet worden geformuleerd en geïmplementeerd. Ook de microplastics problematiek komt hierbij aan de orde. In het voorjaar van 2012 zal het kabinet hierover een ontwerpbesluit nemen. Zie tevens vraag 5.
In mondiaal kader heeft Nederland het onderwerp «plastic soep» geagendeerd bij het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP). Daarbij is aandacht gevraagd voor microplastics. UNEP heeft het onderwerp in het jaarboek 2011 als een van de belangrijkste «emerging issues» geïdentificeerd. In het kader van de VN-top over Duurzame Ontwikkeling (RIO + 20), die in juni 2012 in Rio de Janeiro wordt gehouden, is Nederland penvoerder voor de Europese inzet van één van de twee belangrijkste onderwerpen van de conferentie: groene economie. Het mariene milieu en afval in de oceanen is opgenomen in de EU reactie die op 1 november jongstleden bij de VN is ingediend.
In de Honolulu Strategie, die momenteel wordt uitgewerkt door experts uit bedrijfsleven, wetenschap, NGO’s en overheden, worden microplastics als aandachtspunt opgenomen en worden consumentenproducten genoemd als één van de oorzaken van vervuiling. De Declaration of the Global Plastics Associations for Solutions on Marine Litter is opgesteld door vertegenwoordigers van de plastic industrie. In de tekst wordt niet ingegaan op microplastics in consumentenproducten.
Het beperken van magnetische velden rond bestaande hoogspanningstracés |
|
Paulus Jansen |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kema: minder magnetische straling door stoelendans in stroomnet»?1 Kloppen de beschreven feiten?
Ja, ik heb kennis genomen van het artikel. In het KEMA-rapport wordt verslag gedaan van diverse metingen voor en na fasedraaiing, ook wel aangeduid als het optimaliseren van de klokgetallen. Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat de beschreven feiten in het rapport onjuist zouden zijn.
Is de door Stedin bij Veenendaal beproefde techniek breder inzetbaar? Zo ja, voor welk deel van het hoogspanningsnet?
Het is een bekende techniek, die ook aan de orde kwam bij de vaststelling van het in 2005 door het toenmalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uitgebrachte beleidsadvies inzake de blootstelling aan magnetische velden. Vanaf die tijd wordt aan provincies, gemeenten en netbeheerders geadviseerd om bij de vaststelling van streek- en bestemmingsplannen, dan wel bij wijziging in bestaande plannen of van bestaande hoogspanningslijnen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Aan dit advies is zorgvuldig onderzoek voorafgegaan, o.a. ook naar mogelijke maatregelen om magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen te versmallen. In rapporten van KEMA en RIVM2 zijn verschillende opties vastgelegd, waaronder ook fasedraaiing. Na fasedraaiing compenseren de door de hoogspanningslijn opgewekte magneetvelden elkaar maximaal. Deze techniek vergt afhankelijk van de netsituatie meer of minder aanpassingen, maar is in beginsel voor alle bovengrondse hoogspanningslijnen in Nederland toepasbaar; voor een deel van het net heeft optimalisatie al plaatsgevonden.
Wat zijn de kosten om fasedraaiing bij bestaande tracés te implementeren?
In deel 4 van de hierboven genoemde KEMA- en RIVM-rapporten zijn kengetallen aangegeven voor de kosten die gemoeid zijn met fasedraaiing. Deze bedragen per lijnstuk (mast tot mast): voor 380 kV 1 miljoen euro; voor 220 kV 0,9 miljoen euro, voor 150 kV 0,8 miljoen euro; voor 110 kV 0,7 miljoen euro, voor combilijnen 1,3 miljoen euro en voor 50 kV 0,33 miljoen euro.
Onderschrijft u dat deze techniek interessant kan zijn om de belasting door elektromagnetische velden tegen beperkte kosten aanzienlijk te reduceren? Zo ja, bent u bereid om met de netbeheerders te overleggen over een effectieve aanpak en de Kamer te berichten over de conclusies van dit overleg?
Ik zie op dit moment geen reden om de techniek van fasedraaiing toe te passen en dit netbeheerders voor te schrijven. Zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief van 8 juni 2011 inzake uitkoop en verkabeling, die van de zijde van de Kamer wordt gesteund, is er geen sprake van veiligheids- en gezondheidsaspecten die het wonen in de nabijheid van hoogspanningslijnen zouden beperken. Wel heb ik in die brief aangegeven dat de ervaring leert dat mensen niet graag in de buurt van een hoogspanningsverbinding wonen, en dat ik voor mensen die erg dichtbij een hoogspanningsverbinding wonen en dit ervaren als een grote vermindering van het woongenot een oplossing zal verkennen. Aan het eind van dit jaar zal ik uw Kamer hier nader over informeren.
De asbestbesmetting op twee scholen in Purmerend |
|
Paulus Jansen |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
Kent u het bericht «Scholen in Purmerend ontruimd na vondst asbest»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat de twee openbare basisscholen, de Boemerang en de Ploegschaar, zijn gesloten vanwege asbestbesmettingsgevaar als gevolg van saneringswerkzaamheden?
Ja.
Welke bedrijven hebben de sanering uitgevoerd? Waren zij daartoe gecertificeerd?
Het bedrijf was gecertificeerd, maar omdat er een strafrechtelijk onderzoek loopt doen wij verder geen mededelingen over het bedrijf.
Klopt het dat de sanering niet conform de daarvoor geldende regels is verlopen? Zo ja, welke sanctie gaat u opleggen aan de verantwoordelijke bedrijven? Zo nee, waarom niet? Hoe komen de resten van sanering dan in en om de school terecht?
Op de locatie is gedurende de sanering geen controle uitgevoerd door het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente en de Arbeidsinspectie. Daardoor kan op dit moment nog niet worden beoordeeld of de sanering conform de daarvoor geldende regels is verlopen. Dat vormt nu onderwerp van strafrechtelijk onderzoek.
Door welke instantie is de asbestvrijverklaring voor de voornoemde sanering afgegeven? Is deze terecht afgegeven? Zo nee, welke sancties gaat u deze instantie opleggen?
De vrijgave op de locatie is door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd. Omdat er een strafrechtelijk onderzoek loopt doen wij verder geen mededelingen over het bedrijf. Achteraf kan niet zonder meer worden beoordeeld of de vrijgave terecht is afgegeven. Daarom is – zie antwoord op vraag 4 – een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.
Indien u op bovenstaande vragen het antwoord niet weet, bent u dan bereid het hele proces van sanering van de beide scholen in kaart te laten brengen door de VROM-inspectie en de arbeidsinspectie?
Ik zie op dit moment geen aanleiding tot aanvullend onderzoek aangezien er een strafrechtelijk onderzoek loopt.
Levering van met dioxine vervuild vet door een Nederlands bedrijf |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Met dioxine verontreinigd vet uit Nederland in Deens veevoer»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een Nederlands bedrijf met dioxine vervuild vet heeft geleverd aan een Deense voerfabrikant?
Ja, ik kan bevestigen dat enkele partijen gehydrogeneerd palmolievetzuurdestillaat, met een gehalte dioxine tot maximaal 3x boven de norm (van
0,75 ng/kg WHO TEQ), vanuit een Nederlands productiebedrijf aan een Deense en ook Duitse voederfabrikant is geleverd. De productie van deze partijen gehydrogeneerde palmolievetzuurdestillaten heeft plaatsgevonden in de periode 14 april tot en met 2 mei 2011.
Wanneer bent u hiervan op de hoogte gesteld?
Het Nederlandse bedrijf heeft woensdag 17 augustus de nVWA op de hoogte gebracht van bevindingen van de Deense autoriteiten, nadat het Nederlandse bedrijf rond 16 augustus uit Denemarken bevestigd heeft gekregen dat een partij gehydrogeneerde palmolievetzuurdestillaat een te hoog gehalte dioxine had. Op vrijdag 19 augustus is de informatie van de Deense autoriteiten via het Rapid Alert Systeem voor Food en Feed aan de nVWA verstuurd.
Is het waar dat de verontreiniging onderzocht wordt door de leverancier/producent van het vet in samenwerking met de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA)?
Ja, de verontreiniging wordt door de producent van het vet in samenwerking met de nVWA en het Rikilt onderzocht.
Is de oorsprong van de dioxine al bekend? Zo ja, wat was de bron hiervan?
Nee. Onderzoek naar de oorzaak van de contaminatie met dioxine vindt momenteel plaats. Omdat de oorzaak van de contaminatie nog niet bekend is, levert het bedrijf momenteel alleen partijen gehydrogeneerd palmolievetzuurdestillaat af, indien een analyse heeft aangetoond dat het gehalte dioxine normconform is.
Is het mogelijk dat er technische vetten zijn gebruikt of verhandeld en dat deze voor de besmetting hebben gezorgd, zoals dat eerder dit jaar in Duitsland het geval was? Zo ja, welke sanctie staat hierop? Zo nee, op welke wijze heeft u dit vastgesteld?
Nee. Onder andere op basis van onderzoek van de gebruikte grondstoffen is dit vastgesteld.
Welk bedrijf is verantwoordelijk voor de dioxinebesmetting?
Gelet op het belang van onderzoek, meen ik dat het niet wenselijk is om de naam van het betrokken bedrijf te noemen. Het Nederlandse bedrijf heeft zich onverwijld bij de nVWA gemeld nadat de dioxinebesmetting was geconstateerd, en heeft ook de afnemers van mogelijk verontreinigde producten geïnformeerd.
Welke wettelijk geregelde waarborgen zijn er om te voorkomen dat Nederlandse producenten en handelaren met dioxine vervuilde vetten verhandelen?
Voor de diervoedersector is een uitgebreid pakket regelgeving vastgesteld. Onder andere de diervoederhygiëneverordening (EG) nr. 183/2005, waarin beginselen van HACCP en hygiëne zijn opgenomen, en de Richtlijn ongewenste stoffen 2002/32/EG dienen er toe bij te dragen dat diervoeders gezond en van goede handelskwaliteit zijn. Dit uitgebreide pakket regelgeving voorkomt echter niet dat incidenten kunnen plaatsvinden. In de lijn van de Algemene levensmiddelenverordening (EG) nr. 178/2002, heeft het Nederlandse bedrijf de bevoegde autoriteiten onverwijld geïnformeerd en heeft alle maatregelen genomen om de contaminatie te verhelpen en nader onderzoek uit te voeren naar de oorzaak van de contaminatie.
Deelt u de mening dat dit incident wederom aantoont dat er een positieflijst voor veevoer ingevoerd moet worden om de risico’s van dioxinebesmetting van veevoer te verkleinen?
Ik deel uw mening over een positieflijst niet. Een positieflijst voor toegestane veevoedergrondstoffen geeft geen garantie dat zich géén contaminatie voordoet met een ongewenste stof. Een positieflijst kan namelijk niet voorkomen dat er zich bijvoorbeeld een productiefout voordoet waardoor ongewenste stoffen in een grondstof terecht komen.
De Europese aanpak om fijnstof terug te dringen |
|
Liesbeth van Tongeren (GL), Ineke van Gent (GL) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Europese aanpak om fijnstof terug te dringen werkt juist averechts»?1
Ja.
Voldoet Nederland in 2015 overal aan de nieuwe EU-normen voor de allerkleinste fijnstofdeeltjes (PM2,5)? Zo nee, op welke schaal wordt er niet aan die normen voldaan?
In 2008 heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in haar rapport «PM2,5 in the Netherlands» gesteld dat de nieuwe EU-grenswaarde voor PM2,5 in Nederland zeer waarschijnlijk niet overschreden zal worden in 2015, omdat het beleid dat ingezet is om aan de PM10-normen te voldoen, mede tot gevolg heeft dat ook aan de PM2,5-normen kan worden voldaan. Deze stelling werd in 2010 bevestigd door het PBL in het rapport2 over het Beleidsgericht Onderzoeksprogramma Fijn Stof.
Met behulp van de gegevens die in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) worden verzameld, zal jaarlijks op basis van de laatste inzichten worden bezien of dit beeld standhoudt, of dat aanvullend beleid noodzakelijk is.
Wat is uw reactie op de stelling dat luchtkwaliteitsnormen zoveel mogelijk gericht moeten zijn op het gezondheidsrisico en welke consequenties heeft dat volgens u voor de fijnstofnormen?
Ik ben het er mee eens dat luchtkwaliteitsnormen als doel moeten hebben om de gezondheidsrisico’s te verminderen. Dat is ook de achtergrond van de huidige normen. Naar aanleiding van de motie-Spies c.s.3 heeft de regering Uw Kamer op 30 augustus 2010 gemeld4 dat de beschikbare kennis onvoldoende is om nieuwe normstelling voor te stellen. Dit is nog steeds het geval.
Er is wereldwijde consensus dat PM10 en PM2,5 goede en bruikbare indicatoren zijn voor fijn stof. Vervanging van normstelling voor PM10 en PM2,5 door normstelling voor het aantal ultrafijne deeltjes of voor een roetmaat acht ik onverantwoord omdat de aandacht voor andere schadelijke fracties in fijn stof daarmee zou wegvallen en dat is uit oogpunt van bescherming van de gezondheid ongewenst. Immers, de grovere deeltjes binnen fijn stof hebben vooral bij personen met luchtwegaandoeningen gezondheidseffecten. De fijnere deeltjes vormen eerder een risico voor personen met hart- en vaatziekten.
De Europese Commissie is in 2011 gestart met een evaluatie van het luchtkwaliteitsbeleid, uitmondend in een mogelijke herziening van de luchtkwaliteitsnormen in 2013. In dat kader zal de Europese Commissie de WHO vragen te evalueren of de beschikbare wetenschappelijke kennis voldoende is om de roetfractie apart te beschouwen. Daarvoor zal Nederland de resultaten van eigen onderzoek inbrengen. Op basis van de reactie van de WHO moet in de EU bezien worden of aanvullende normstelling wenselijk en mogelijk is.
Het RIVM geeft aan dat het meten van het aandeel roet in fijn stof, dat sterk samenhangt met de aanwezigheid van de ultrafijne deeltjes, als aanvullende gezondheidsrelevante indicator een meer robuust handvat zou kunnen bieden dan het meten van het aantal ultrafijne deeltjes, gezien het complexe karakter van deze laatste parameter. Recent heeft het RIVM analyses uitgevoerd naar de relaties tussen fijn stof, roet en gezondheidseffecten. Deze bevindingen worden op dit moment ook in WHO kader besproken. Naar verwachting zal de WHO daar volgend jaar over rapporteren.
Ongeacht of er een aparte norm zou moeten en kunnen worden vastgesteld, is er nu al veel beleid ingezet om juist de fijnere roetfractie binnen fijn stof te reduceren. De bevordering van de toepassing van roetfilters bij verkeer vormt daar een belangrijk voorbeeld van.
Werkt de Europese Commissie ook aan nog preciezere normen, namelijk voor PM1? Bent u bereid er in Europa op aan te dringen voort te maken met het stellen van meer precieze fijnstofnormen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er naast Gelderland nog andere plekken in Nederland waar metingen zijn verricht naar fijnstofdeeltjes kleiner dan PM10? Zo ja, welke zijn dat? Kunt u de Kamer een overzicht verschaffen van de meetgegevens?
De Europese luchtkwaliteitsrichtlijn verplicht lidstaten tot het meten van PM2,5. Deze taak is in Nederland bij het RIVM ondergebracht, als onderdeel van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML). Het RIVM meet binnen het LML op 24 locaties PM2,5. Verder hebben de GGD Amsterdam (9) en, in het Rijnmondgebied, DCMR (12) meetpunten voor PM2,5.
Naast PM2,5 wordt op een aantal plaatsen ook zwarte rook gemeten. Zwarte rook kan beschouwd worden als een goede indicator voor de roetdeeltjes in de emissies van verbrandingsprocessen, zoals verkeersemissies. In het LML wordt op 11 punten zwarte rook gemeten. De GGD Amsterdam (4) en de DCMR (7) meten het ook.
In het Jaaroverzicht Luchtkwaliteit, dat het RIVM elk jaar rond de zomer uitbrengt, zijn de meetresultaten voor PM2,5 en zwarte rook opgenomen van elk van de drie genoemde instituten.
Heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) het voornemen om, met het oog op de nieuwe luchtkwaliteitsnormen die in 2015 ingaan, ook PM2,5 te gaan meten? Zo ja, op welke schaal? Zo nee, bent u bereid hen daartoe de opdracht te geven?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op de stelling dat de huidige generatie roetfilters de fijnste en meest ongezonde stofdeeltjes niet afvangen en groei van het autoverkeer dus sowieso leidt tot meer uitstoot van de fijnste deeltjes?
Het is onjuist dat de huidige generatie roetfilters de fijnste deeltjes niet zouden afvangen en alleen de grovere deeltjes zouden wegfilteren. Onderzoek van TNO en andere instituten heeft aangetoond dat dieselvoertuigen met de huidige generatie (gesloten) roetfilters een emissie van zowel grovere als fijnere deeltjes kennen die zelfs lager is dan bij voertuigen op bijvoorbeeld aardgas. Meer dan 95% van het fijn stof over het hele spectrum van fijn en ultrafijn wordt afgevangen. Dat betekent dat het gevoerde beleid juist zeer effectief is geweest. Door inspanningen van het kabinet bewerkstelligd dat in Nederland – veel eerder dan op grond van Europese regelgeving noodzakelijk – al enkele jaren vrijwel alle nieuwe dieselauto’s voorzien zijn van deze roetfilters.
Aanvullend daarop is inmiddels in de EU besloten dat er naast een eis aan de massa van de uitstoot ook een eis zal gaan gelden voor de aantallen uitgestoten deeltjes (introductie van Euro 6 en VI voor zowel personen- als vrachtwagens). Hiermee wordt zeker gesteld dat alleen de effectieve gesloten roetfilters worden toegepast.
Naar aanleiding van eerdere berichten over de mogelijke ineffectiviteit van roetfilters voor de gezondheid heeft het RIVM dit nader onderzocht. Wetenschappers van de universiteit van Edinburgh, Umea en het RIVM hebben met steun van de Britse Hartstichting (BHF) recent aangetoond dat deze «deeltjesvangers» de negatieve gevolgen van dieseluitstoot op het hart en de bloedsomloop drastisch verminderen en daarmee wellicht ook de kans op een hartaanval. Men concludeert dat het uitfilteren van fijn stof in de dieselmotoruitstoot door roetfilters een effectieve maatregel is.5
Wat is uw reactie op de kritiek van de onderzoekers van adviesbureau DGMR dat de huidige normen en maatregelen niet leiden tot de aanpak van de meest schadelijke deeltjes?
Zie antwoord vraag 3.
Een incident bij de ISLA raffinaderij te Curaçao |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het1 dat vorige week bij een incident met een «catcracker» op de ISLA raffinaderij te Curaçao «catalyst poeder» is vrijgekomen? Klopt het dat ISLA weigert publiekelijk mee te delen waaruit dit poeder precies is samengesteld?
De media op Curaçao spreken inderdaad van een incident waarbij wit poeder is neergedaald op het eiland. Ik kan deze berichten niet bevestigen. Het is de regering van Curaçao die verantwoordelijk is voor de informatieverstrekking naar het Curaçaose parlement en de bevolking.
Wat is er waar van de veronderstelling dat het hier gaat om zware metalen?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat dat de Curaçaose burgers en het plaatselijke openbaar bestuur na elk incident op de raffinaderij zo snel mogelijk geïnformeerd dienen te worden over de aard, samenstelling en omvang van de vrijgekomen stoffen en de mogelijke milieu- en gezondheidsschade die hierdoor kan worden veroorzaakt? Zo ja, bent u bereid om de Curaçaose regering de grote zorgen over de milieu- en gezondheidsschade door aanhoudende incidenten en de wens te uiten dat de raffinaderij na elk incident openheid van zaken geeft over de vrijgekomen stoffen?
Ik heb daar geen mening over. De verhouding tussen het bestuur en de bevolking van Curaçao is op grond van het Statuut een zaak van de Staten van Curaçao en de regering van dat land.
Heeft u deze problemen inmiddels met de Curaçaose minister-president besproken? Zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Kankerverwekkende stoffen in spaarlampen |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Energy saving light bulbs contain cancer causing chemicals»1 en «Spaarlampen stoten kankerverwekkende stoffen uit»?2
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat er spaarlampen in de schappen van winkels liggen die kankerverwekkende stoffen uitstoten en dus een gevaar vormen voor de volksgezondheid? Zo ja, wat gaat u doen om de Nederlandse bevolking hier tegen te beschermen?
Nee.
Spaarlampen stoten – evenals andere lampen en elektronica die tijdens het gebruik warm worden (zoals TL-buizen en tv-toestellen) – geringe hoeveelheden vluchtige organische stoffen uit.
Uit onderzoek «Milieu Impact van Lampen» van het Laboratorium voor Lichttechnologie te Gent uit oktober 2009, blijkt dat gloeilampen vier keer zoveel vluchtige organische stoffen uitstoten in dezelfde omstandigheden dan spaarlampen. Voor halogeen geldt zelfs acht keer zoveel. (www.taskforceverlichting.publicaties.nl)
Het Duitse Ministerie van Milieu heeft berekend dat het om zeer geringe hoeveelheden gaat, waardoor er geen reden is om aan te nemen dat er gevaar is voor de volksgezondheid. Er wordt momenteel nog aanvullend onderzoek gedaan door het Duitse Ministerie van Milieu. De resultaten van dit onderzoek worden binnen enkele weken verwacht. Uiteraard zullen wij de resultaten van dit onderzoek in de gaten houden.
Algemeen geldt dat de toepassing van kankerverwekkende stoffen zeer sterk is ingeperkt door de Europese regelgeving, de Verordening inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), en het nationale prioritaire stoffenbeleid. Dat kan niet in alle gevallen voorkomen dat zeer geringe hoeveelheden van deze stoffen kunnen vrijkomen. Indien dat leidt tot schade aan volksgezondheid of milieu, kan de toepassing nog verder worden beperkt.
Deelt u de mening dat de spotjes van Postbus 51, die oproepen om vooral spaarlampen aan te schaffen, van de buis moeten, zolang spaarlampen kankerverwekkende stoffen bevatten? Zo nee, waarom niet?
De postbus 51 campagne is enige tijd geleden beëindigd.
Zie verder het antwoord op vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat de Partij voor de Vrijheid in 2009 al aandacht heeft gevraagd voor de gezondheidsgevaren die spaarlampen met zich mee brengen? Zo ja, waarom is het Kabinet blind doorgegaan met de groene lobby tegen de oude betrouwbare gloeilamp en voor de gevaarlijke spaarlamp?
Ja. Zie het antwoord op vraag 2.
De verhoogde norm voor radioactiviteit in voedsel |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Europese Commissie de normen voor radioactiviteit in voedsel per 27 maart 2011 aanzienlijk heeft verhoogd met een noodverordening waarbij de grens is verruimd tot:
Ja, daarvan is inderdaad enkele dagen sprake geweest. Inmiddels zijn de normen aangescherpt, en in overeenstemming gebracht met de ter zake door de Japanse overheid toegepaste normen. De huidige normen voor producten afkomstig uit Japan in noodverordening (EU) 297/2011 voor cesium-134 en cesium-137 zijn:
Klopt het dat de grens tot voor kort per kilogram voedsel en diervoeders een maximum van 600 becquerel radioactiviteit van cesium-134 en cesium-137 was, en voor babyvoeding en voor zuivelproducten nog lager: 370 becquerel?
Ja. Inmiddels zijn de desbetreffende normen bij eerdergenoemde noodverordening (EU) 297/2011 vastgesteld op 200 becquerel/kilogram.
Wat is de reden van deze verandering in tolerantiewaarden?
Direct na de ramp in Tsjernobyl zijn door de EEG in 1987 in grote haast normen vastgesteld voor alleen cesium-134 en cesium-137. Deze waren gezien de destijds vereiste spoed niet wetenschappelijk onderbouwd. Die normen zijn nu nog te vinden in verordening (EG) 733/2008.
Enige tijd later in 1987, toen de druk van de ketel was, heeft Euratom wél wetenschappelijk onderbouwde normen vastgesteld. Deze in verordening (Euratom) 3954/87 opgenomen normen zouden in geval van een nucleaire crisis van toepassing kunnen worden verklaard. Dat van toepassing verklaren is gebeurd direct na de ramp in Japan, bij bovengenoemde noodverordening (EU) 297/2011. Deze normen waren voor cesium-134 en cesium-137 minder streng ten opzichte van de in de vorige alinea bedoelde in grote haast vastgestelde normen.
Kort na de vaststelling van noodverordening (EU) 297/2011 bleek dat de daarin opgenomen normen (ook) minder streng waren dan de desbetreffende normen in Japan. Deze ongewenste situatie heeft geleid tot overleg tussen de Europese Commissie en de lidstaten van de Europese Unie. Tijdens dat overleg is besloten de strengere Japanse normen ook in de Europese Unie toe te passen. Daartoe is noodverordening (EU) 297/2011 recent aangepast. De huidige normen zijn te vinden in het Publicatieblad van de Europese Unie van 13 april 2011, nummer L 98, bladzijde 16.
Waarom werd de plotselinge verhoging van de grenswaarden, en het feit dat deze aanzienlijke verruiming betekent, niet bekend gemaakt?
Zie antwoord vraag 3.
Welke wijziging betreffende de veiligheid van voedsel met radioactiviteit is er opgetreden die deze verhoging rechtvaardigt? Kunt u daarvoor een wetenschappelijke onderbouwing geven?
Zie antwoord vraag 3.
Betreft de verhoging van de normen ook baby en kindervoeding? Kan de voedselveiligheid volledig gegarandeerd worden voor alle groepen (inclusief ernstig zieken en kleine kinderen) onder alle omstandigheden?
Van een verhoging (versoepeling) is inmiddels geen sprake meer. De normstelling geldt ook voor baby- en kindervoeding. Uiteraard wordt bij alle normstellingen rekening gehouden met mogelijke risico’s voor alle groepen in de samenleving.
De terugkeer van de chloortrein |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat er van half maart tot half april weer chloortreinen gaan rijden?1
Ja, dit klopt. Het gaat hierbij om zogenaamde incidentele chloortransporten die geschieden vanwege groot onderhoud in die periode bij Akzo Nobel, locatie Botlek.
Om hoeveel chloor(wagons) gaat het in totaal?
Het zal naar verwachting gaan om een hoeveelheid chloor van 4300 ton . In totaal zullen 12 treinen met ieder 6 à 7 wagens met chloor vanuit Ibbenbüren (Duitsland, ten oosten van Oldenzaal) naar Rotterdam–Botlek rijden.
Op welke wijze wordt bijgehouden of chloortransporten binnen het vastgestelde maximum per jaar blijven?
Structurele chloortransporten per spoor in opdracht van Akzo Nobel zijn op basis van het «Convenant Akzo Chloortransporten» sinds 2006 definitief beëindigd. Het convenant staat Akzo Nobel onder specifieke omstandigheden incidenteel transport toe tot een maximum van 10 000 ton per jaar (dat past in circa 200 ketelwagons). Alvorens transporten plaatsvinden wordt hiervan vooraf melding gemaakt bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Op basis van het convenant doet Akzo Nobel achteraf schriftelijk verslag over uitgevoerde incidentele chloortransporten per spoor, onder opgave van reden, hoeveelheden en data.
Toetst u of chloortransporten daadwerkelijk onvermijdelijk zijn, of staat u die sowieso toe zolang ze binnen het maximum blijven?
Incidenteel transport van chloor per spoor mag op basis van artikel 6 b van het convenant alleen plaatsvinden om specifieke voorziene (bijvoorbeeld groot onderhoud) en onvoorziene vermindering en uitval van de lokale productie op te vangen. Dit om bestaande afnamecontracten te kunnen blijven honoreren en grote economische vervolgschade te voorkomen. Akzo Nobel heeft zich verplicht door middel van goede planning en afspraken met afnemers dergelijke transporten zoveel mogelijk te beperken.
Heeft u bemoeienis met de route die de chloortreinen afleggen? Zo nee, waarom niet?
Neen. De route wordt zoals gebruikelijk bepaald in overleg tussen Akzo Nobel, de vervoerder en ProRail; dit geschiedt op basis van het zogenaamde «chloorregime», dat is geborgd in wettelijke voorschriften.
Waarom wordt er bij deze chloortransporten niet maximaal gebruik gemaakt van de relatief veilige Betuwelijn, maar van de route door Oldenzaal, Hengelo, Almelo, Deventer, Apeldoorn en Amersfoort?
De incidentele chloortransporten zullen rijden via de gebruikelijke route, die daarvoor al sinds jaar en dag voor wordt gebruikt, en onder strikte toepassing van het zogenaamde chloorregime, dat onder andere inhoudt: uitsluitend rijden op tijdstippen dat er zo weinig mogelijk interactie kan plaatsvinden met ander verkeer (bij voorkeur ’s nachts) met een maximale snelheid van 60 km/uur. Er zijn alternatieve routes via de Betuweroute onderzocht, maar die waren om verschillende technische en logistieke redenen (extra rangeerhandelingen, niet de juiste locomotief beschikbaar, extra lange route) niet mogelijk of minder veilig dan de gebruikelijke route.
Klopt het dat veiligheid een criterium is op basis waarvan u routedwang kunt opleggen? Acht u dat in het geval van chloortransporten van toepassing? Zo nee, waarom niet?
Ten behoeve van de invoering van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor zal de Wet vervoer gevaarlijke stoffen worden gewijzigd. In dit wetsvoorstel zal een routeringsregeling worden opgenomen om tegemoet te komen aan het kabinetsvoornemen om nieuwe chloorstromen over het spoor te voorkomen. De minister van IenM krijgt daarmee de bevoegdheid om het vervoer van chloor over alle hoofdspoorwegen te verbieden. Om de afspraken met Akzo Nobel uit het convenant te eerbiedigen, geldt deze bevoegdheid niet voor de incidentele chloortransporten. Wanneer voor de incidentele chloortransporten een andere route wenselijk is, zouden hierover aanvullende afspraken met Akzo Nobel gemaakt moeten worden.
Deelt u de mening dat de route via de Betuwelijn weliswaar wat meer kilometers beslaat, maar dat de treinen op de route over een veel langer stuk over veiliger spoor rijden? Zo nee, waarom niet?
Voor dit soort vervoer is de Betuweroute het meest geschikt. Echter, de routekeuze voor de incidentele chloortransporten is maatwerk, waarbij, naast de voorkeur om via de Betuweroute te rijden, ook andere aspecten meegewogen worden.