Het bericht 'Bedrijven zetten recherche in bij ziekmeldingen werknemers: ’Toen bleek hij ergens anders aan het werk te zijn’' |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is volgens u de oorzaak van het feit dat Nederland meer (deels) arbeidsongeschikten heeft dan de meeste andere Europese landen? Bent u het ermee eens dat er in ons stelsel in Nederland juist «prikkels» zijn die erop gericht zijn om dit te voorkomen? Welke van dit soort prikkels zijn er aanwezig in ons stelsel? Welke hiervan liggen bij werkgevers, welke bij werknemers en welke bij uitvoeringsinstanties?1 2 3 4
Er zijn diverse verklaringen voor waarom het aandeel arbeidsongeschikten per land verschillend is. Voor een deel zitten de verschillen bijvoorbeeld al in de definitie van arbeidsongeschiktheid en de voorwaarden om recht te krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. En in welke soorten uitkeringen in de statistieken meetellen als arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Een van de verklaringen voor de internationale verschillen die ook in één van de in de vraag aangehaalde krantenartikelen staat, is dat in Nederland wordt beoordeeld in hoeverre iemand nog wel kan werken naast een arbeidsbeperking. Dat is niet in alle andere landen zo. Hierdoor zijn er weliswaar in verhouding meer mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar een relatief groot deel van die mensen werkt ook naast de uitkering. Daarnaast spelen de relatief hoge arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in Nederland mogelijk een rol. Ook heeft Nederland relatief veel mensen die werken in een tijdelijke arbeidsovereenkomst en blijft de re-integratie van deze groep werknemers achter.5 Verschillen tussen socialezekerheidsstelsels en statistieken daarover daarvan moeten altijd met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Vooral na problemen met de hoge instroom in de toenmalige WAO, zijn verschillende prikkels ingevoerd om re-integratie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid te bevorderen en het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te beheersen. Die prikkels zitten door het hele stelsel, vanaf de periode van loondoorbetaling bij ziekte tot in de uitkeringshoogte en premiebetaling voor de ZW en de WIA. Voor werkgevers zijn de belangrijkste prikkels de wettelijke verplichting om gedurende de eerste twee jaar van ziekte 70% van het loon door te betalen en zich in te spannen voor re-integratie. De wettelijke loondoorbetaling van 70% geeft de werknemer ook een financiële prikkel om zo snel mogelijk het werk te hervatten, hoewel werkgevers en werknemers in CAO’s vaak bovenwettelijke aanvullingen afspreken tot 100% loondoorbetaling waarmee deze prikkel vermindert of verdwijnt. Ook heeft de werknemer in deze periode de verplichting om mee te werken aan re-integratie.
Als de werknemer na die twee jaar recht krijgt op een WIA-uitkering, dan betaalt de (oud-) werkgever nog maximaal 10 jaar mee aan de uitkering van deze werknemer. Als de werknemer instroomt in de WIA en nog arbeidsvermogen heeft, bestaan de belangrijkste prikkels voor de werknemer uit:
In hoeverre is het hoge verzuimniveau te verklaren door macrotrends, zoals een stijging van mentale klachten, de «hypernerveuze» samenleving, deeltijdcultuur met voltijdse taaklast, een krappe arbeidsmarkt en toegenomen werkdruk?
Een deel van het verzuim in Nederland kan door macrotrends en ontwikkelingen in de samenleving en op arbeidsmarkt worden verklaard.
Uit de tweejaarlijkse Arbobalans6 van TNO, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, volgt dat van het totale ziekteverzuim in Nederland ongeveer 8% komt door psychische klachten. Na griep, verkoudheid en virusinfecties zijn psychische klachten hiermee de tweede reden die werknemers voor 2024 opgeven voor verzuim.7
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat meer mensen psychische problemen ervaren en vaker verzuimen op het werk. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) concludeert in een recent rapport dat onze «hypernerveuze samenleving» de mentale gezondheid onder druk zet.8 De toename van uitval door psychische klachten komt voort uit een samenspel van maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren. De toename van psychische aandoeningen in de WIA-instroom is geen uniek Nederlands verschijnsel en is ook niet inherent verbonden aan ons stelsel. Het past in een bredere, internationale, trend.9
Afgaande op de laatste vier metingen van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden over 2021–2024 lijkt er geen toename te zijn qua werkdruk, maar juist een afname. Wel blijft werkdruk als voornaamste reden van verzuim veroorzaakt door het werk in de periode 2022–2024 vrij stabiel rond de 27%.10 Eveneens blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden dat in de periode 2021–2024 het aandeel werknemers met burn-outklachten niet verder is gestegen.11, 12, 13, 14
Met betrekking tot het huidige en toekomstige verzuimniveau speelt een rol dat werknemers steeds langer doorwerken en dat het aandeel oudere werknemers is toegenomen. Hierdoor neemt het aandeel werknemers met chronische klachten en het daaraan gerelateerde verzuim toe.
De toegenomen instroom in de WIA kan voor een deel worden verklaard door de dubbele vergrijzing. Ongeveer de helft van de stijging tussen 2006 en 2024 is toe te schrijven aan het langer doorwerken van oudere werknemers. Dit is het gevolg van het afbouwen van vroegpensioenregelingen en de beleidsmatige verhoging van de AOW-leeftijd.15
Houdt uw ministerie een integraal en actueel overzicht bij van knelpunten in het stelsel van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, zoals ervaren door werkgevers? Zo ja, kunt u dit overzicht, inclusief eventuele oplossingsrichtingen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog structureel te gaan monitoren?
De (belangrijkste) knelpunten binnen het ziekte- en arbeidsongeschiktheidsstelsel zijn recent in het kader van onder meer de probleemanalyse en het advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS)16, 17.
Mijn voorgangster heeft OCTAS verzocht om deze knelpunten en de mogelijke oplossingsrichtingen in kaart te brengen en daarover een advies uit te brengen. De probleemanalyse van deze commissie geeft de belangrijkste knelpunten weer en in het eindrapport wordt verder ingegaan op de mogelijke oplosrichtingen. Beide documenten zijn aan de Tweede Kamer aangeboden.18
Het nieuwe kabinet kan keuzes maken op basis van deze gesignaleerde actuele knelpunten en gepresenteerde oplossingsrichtingen en aanbevelingen.
Daarnaast zijn we altijd in gesprek met sociale partners over knelpunten die zij ervaren in het huidige stelsel. Mede op basis van die input en aanbevelingen wordt als onderdeel van arbeidsmarktpakket gewerkt aan een wetsvoorstel dat werkgevers eerder duidelijkheid gaat geven over de re-integratie en vervanging van langdurig zieke werknemers.
Ook werken we aan een wetsvoorstel om per 2028 het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend te maken bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en neemt het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Treft de regering aanvullend beleid om ziekteverzuim in Nederland terug te dringen?
In Nederland zijn werkgevers verplicht ervoor te zorgen dat hun werknemers veilig en gezond kunnen werken. De mate van bescherming die zij moeten bieden, is door de overheid vastgelegd in de Arbowet. Hiertoe dient elk bedrijf arbobeleid te voeren. Een goed arbobeleid leidt tot duurzame inzetbaarheid en verhoogde productiviteit. Het arbobeleid beperkt de gezondheidsrisico’s, vermindert het ziekteverzuim en bevordert de re-integratie.
In de Arbovisie 2040 presenteerde het kabinet de missie van nul doden door werk («zero death») en zo min mogelijk ongevallen en zieken door werk. Daarbij is focus op preventie essentieel. Met de Arbovisie 2040 is een traject ingezet om te komen tot een toekomstbestendig arbostelsel. Structurele verbeteringen zijn alleen te realiseren door een stevig commitment en goede samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de overheid en door inspanning van alle betrokkenen. Het realiseren van een trendbreuk van «zero-death» vraagt om een meerjarige, gefaseerde aanpak, die door het kabinet uiteen is gezet in de kabinetsreactie op het SER-advies «Gezond en veilig werken door effectieve regels en preventie».19
Daarnaast voert het kabinet een gezondheidsbeleid om te voorkomen dat mensen ziek worden en moeten verzuimen. Er zijn bijvoorbeeld landelijke afspraken en samenwerkingen voor een gezonde leefstijl, zoals het Preventieakkoord20, het Integraal Zorgakkoord21 en aanvullend zorg- en welzijnsakkoord22. Om te bevorderen dat zieke werkenden tijdens hun behandeling (deels) aan het werk kunnen blijven of na behandeling sneller weer aan het werk kunnen is samenwerking tussen arbeidsgerelateerde zorg en curatieve zorg essentieel.
Initiatieven vanuit de beroepsgroepen van bedrijfsartsen en medisch specialisten dragen hier inmiddels aan bij, met ondersteuning van het Ministerie van SZW.23
Beschikt de regering over cijfers of schattingen van misbruik van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon- of WIA-voorschotten? Indien dergelijke cijfers ontbreken: waarom worden deze niet systematisch verzameld en bent u bereid dit te verbeteren?
De regering beschikt niet over cijfers die inzichtelijk maken of en in welke mate er door werknemers misbruik zou worden gemaakt van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon. Bij eventuele twijfel over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer kan de werkgever de bedrijfsarts vragen daar op basis van diens medische expertise een inschatting van te laten maken. Ik zie in centrale registratie van deze cijfers, als die überhaupt mogelijk zou zijn, onvoldoende toegevoegde waarde. Daarnaast zou dit voor werkgevers aanzienlijke extra administratieve lasten en kosten met zich meebrengen.
Ook over eventueel misbruik van WIA-voorschotten zijn geen cijfers beschikbaar. Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.24 Hierop ga ik verder in bij het antwoord op vraag 13. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
Bent u het ermee eens dat de rechten die ziekte meebrengt voor werknemers, en de plichten die ziekte meebrengt voor werkgevers soms tot complexiteit en mogelijk misbruik leiden? Zijn u cijfers bekend van misbruik van ziekmeldingen en het recht op doorbetaling?
Voor wat betreft uw vraag over de aanwezigheid van eventueel misbruik van ziekmeldingen en het recht op loondoorbetaling verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
In veel situaties zal er bij de werkgever geen aanleiding zijn om te twijfelen aan de ziekmelding van de werknemer. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 uiteen heb gezet, heeft een werkgever, in het geval er toch aanleiding voor twijfel is over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer, de mogelijkheid de bedrijfsarts te vragen op basis van diens medische expertise een inschatting te maken.
Een ziekmelding is voor de werknemer overigens niet vrijblijvend. Voor zowel de werkgever als werknemer gelden na een ziekmelding verplichtingen om te werken aan spoedige en duurzame re-integratie van de werknemer terug naar arbeid. Bij het (verwijtbaar) niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen heeft de werkgever mogelijkheden om over te gaan tot, waarschuwen, loonopschorting, loonstop of – in ernstige gevallen – ontslag (zie ook mijn antwoord op vraag25.
Ik kan mij enerzijds voorstellen dat het advies van de bedrijfsarts, en in sommige gevallen beperkt inzicht in de toestand van de werknemer, soms tot onduidelijkheid en vragen leidt bij werkgevers en daarmee dus ook extra complexiteit met zich meebrengt. Anderzijds is het voor een zorgvuldige inschatting in het belang van zowel de werkgever als de werknemer noodzakelijk dat juist een deskundig en onafhankelijk arts die inschatting maakt. Daarbij geldt dat van de bedrijfsarts verwacht mag worden dat hij een duidelijke inschatting maakt van wat de werkgever, bij medische beperkingen van de werknemer, wel en niet mag verwachten in het kader van het re-integratietraject. Dat moet de werkgever voldoende duidelijkheid en houvast geven om goede afspraken met de werknemer te maken over een passend re-integratietraject.
Waar het stelsel enerzijds effectief is gebleken waar het gaat om het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid26 begrijp ik anderzijds dat werkgevers, en zeker kleine, werkgevers dit als zwaar en complex kunnen ervaren. We werken dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers bij de verplichtingen rondom loondoorbetaling bij ziekte te ontlasten:
Tot slot is het ook aan het nieuwe kabinet om keuzes te maken naar aanleiding van de aanbevelingen en adviezen van de OCTAS en het IBO-WIA, gericht op een beter uitlegbaar, betaalbaar en uitvoerbaar stelsel voor ziekte- en arbeidsongeschiktheid, ook voor werkgevers. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3.
Klopt het dat er in de praktijk beperkt sancties worden uitgedeeld aan werknemers die hun re-integratieverplichtingen niet nakomen? Hoe verhoudt dit zich tot sancties die aan werkgevers opgelegd worden? Kunnen werkgevers loonsancties opgelegd krijgen door verwijtbaar handelen van de werknemer? Zo nee, zijn er signalen (zoals uit het artikel) dat dit wel gebeurt? Bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Wanneer een werknemer niet of onvoldoende meewerkt aan de re-integratie en daarmee (verwijtbaar) geen gevolg geeft aan diens wettelijke verplichtingen, heeft de werkgever verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Denk daarbij aan het, na een (schriftelijke) waarschuwing, eventueel opschorten van het loon, een loonstop, of -in ernstige gevallen- ontslag wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie. Voor de onderbouwing van een dusdanig ontslagverzoek bij de kantonrechter is in ieder geval een deskundigenoordeel van UWV nodig. Over in hoeveel situaties gebruik wordt gemaakt van die mogelijkheden zijn geen cijfers.
Verschillende door de rechtspraak gepubliceerde uitspraken geven inzicht in voorbeelden maar kunnen niet als indicatie gebruik worden voor het daadwerkelijk aantal gevallen. In het door werkgevers laten registreren van dit soort cijfers zie ik overigens onvoldoende meerwaarde, temeer omdat dit voor werkgevers extra administratieve lasten en (regeldruk)kosten met zich mee zou brengen.
Een verlenging van de loondoorbetalingsplicht bij het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen (de loonsanctie) kan alleen door UWV opgelegd worden aan een werkgever. Wel kan UWV bij de conclusie dat de werknemer onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht een maatregel opleggen zoals een korting op de WIA-uitkering.
Wanneer een werknemer onvoldoende re-integratieverplichtingen verricht kan dit een rol spelen bij het opleggen van een loonsanctie. Uit cijfers van UWV blijkt dat loonsancties die (mede) door verwijtbaar handelen van de werknemer aan de werkgever worden opgelegd nauwelijks voorkomen (0,6% van de loonsancties in de periode 2022–2024). Daarbij is van belang op te merken dat een loonsanctie in deze situaties alleen opgelegd kan worden indien de werkgever onvoldoende heeft gedaan om de werknemer tot medewerking te bewegen. Wanneer de werkgever aan diens verplichtingen heeft voldaan, waaronder in voldoende mate heeft gepoogd de werknemer te activeren, maar de werknemer niet, dan is dat geen aanleiding voor het opleggen van een loonsanctie aan de werkgever.
Ik acht het met u van groot belang dat een werkgever geen loonsanctie opgelegd krijgt indien hij in het kader van de re-integratie van de werknemer heeft gedaan wat van hem verwacht wordt. In dat kader wordt zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 6, onder meer gewerkt aan het wetsvoorstel dat bij de RIV-toets van UWV het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend maakt, dit wetsvoorstel geeft de werkgever vooraf (vóór de RIV-toets van UWV) meer zekerheid over wat van hem in het kader van de re-integratie verwacht mag worden.
Hoe duidt u de scherpe stijging van mentale klachten als verzuimreden, onder zowel werknemers als zelfstandigen? Kunt u aangeven in hoeverre deze klachten volgens wetenschappelijke inzichten werkgerelateerd zijn, dan wel voortkomen uit privéomstandigheden of maatschappelijke druk?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is, op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden werkdruk als verzuimreden veroorzaakt door het werk, voor werknemers in de afgelopen drie jaar stabiel rond de 27% gebleven. Uit de Arbobalans 2024 blijkt voor werknemers dat 75% van de psychische klachten als verzuimreden, hoofdzakelijk of deels, werkgerelateerd is.
Daarvan uitgaande kan worden verondersteld dat de overige 25% wordt veroorzaakt door privéomstandigheden en/of maatschappelijke oorzaken.
Op basis van de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat psychische klachten, overspannenheid en burn-out als verzuimreden voor zelfstandigen in de periode 2021–2025 is gezakt van 6,4% naar 4,5%.27, 28, 29
Uit de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat verzuim hoofdzakelijk of deels veroorzaakt door werk is gezakt van 30% naar 19%. Hierin is een te hoge werkdruk als belangrijkste reden van verzuim gezakt van 26% naar ongeveer 20%.
Zoals beschreven zijn psychische klachten door het werk een groot deel van de totale verzuimkosten zijn. Het is daarom van belang om in de aanpak van werkstress en werkdruk te blijven investeren.30 Niet alleen is het vervelend als een werknemer zijn beroep niet kan uitoefenen of dat een werkgever zijn arbeidskracht moet missen. Ook brengt een (langdurig) uitvallende werknemer de nodige maatschappelijke kosten met zich mee.
Zijn de re-integratietrajecten die toegepast worden op mentale problematiek in lijn met de wetenschappelijke inzichten die we hebben over mentale klachten? Hoe worden werkgevers hierbij betrokken? Hebben zij inspraak in de re-integratieaanpak? Is dat wat u betreft voldoende effectief?
Een aanzienlijk deel van het ziekteverzuim (ongeveer 8%) heeft betrekking op psychosociale klachten.31 Wat voor medische behandeling eventueel wordt toegepast bij mentale problematiek hangt af van de diagnose en de aard van de aandoening en klachten. Vaak zal de behandelaar (of behandelend arts) op basis van de huidige kennis over de specifieke problematiek een eventuele behandeling voorschrijven.
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (NVAB) heeft voor bedrijfsartsen en verzekeringsartsen een richtlijn voor het handelen bij werkenden met psychische problemen.32 De bedrijfsarts zal bij (potentieel) langdurig verzuim op basis van de medische klachten een probleemanalyse opstellen die ook ingaat op de belastbaarheid van de werknemer. Op basis van de probleemanalyse van de bedrijfsarts wordt uiterlijk in de achtste ziekteweek een plan van aanpak opgesteld door werkgever en werknemer. In dat plan van aanpak worden afspraken gemaakt over de re-integratie-inspanningen die nodig zijn om weer te komen tot een duurzame en (waar mogelijk) spoedige terugkeer van de werknemer naar werk. De werkgever heeft daarbij inspraak en een belangrijke rol bij de totstandkoming van het plan van aanpak (en dus ook het re-integratietraject) alsmede bij de regelmatige evaluatie en, waar nodig, aanpassing daarvan.
Deze bovenstaande aanpak is onderdeel van de Wet verbetering poortwachter. De Wet verbetering poortwachter is vanaf de invoering effectief gebleken in het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.33 Tegelijkertijd vraagt het veel van werkgevers en werken we dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers op dit vlak te ontlasten. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3 en vraag 7.
Voor mensen met mentale problematiek stelt UWV voor de UWV- en gemeentelijke doelgroep het instrument IPS (Individuele Plaatsing en Steun) ter beschikking.
IPS is wetenschappelijk onderbouwd en is dé methode om mensen met een ernstige psychische aandoening te helpen bij het verkrijgen en behouden van betaald werk. GGZ-instellingen die voldoen aan het door kenniscentrum Phrenos opgestelde kwaliteitskader voor de implementatie van IPS kunnen dit instrument in overleg met een cliënt aanvragen. De uitvoering van dit instrument gebeurt door mensen die door Phrenos zijn opgeleid als IPS-begeleider. Naast IPS voor mensen met ernstige psychische aandoeningen wordt ook geëxperimenteerd met IPS voor lichtere psychische aandoeningen (IPS-CMD). Naast IPS biedt UWV aan mensen met mentale problematiek en een UWV uitkering persoonlijke ondersteuning bij hun re-integratie, waarbij UWV ook de mogelijkheid heeft om re-integratie trajecten en of scholing in te kopen.
UWV heeft daarnaast via de werkgeversdienstverlening ook aandacht voor werkgevers rond dit thema. Zo biedt de divisie Werkbedrijf proactief kennis aan, bijvoorbeeld middels kennissessies over een mentaal gezonde werkvloer. Maar ook door middel van gerichte begeleidingstrajecten worden werkgevers ondersteund.
Hoort bij alle mentale klachten automatisch het advies tot volledige arbeidsongeschiktheid, of is er sprake van een mismatch tussen klachten en de feitelijke medische noodzaak van ziekmelding? Hoe wordt voorkomen dat ziekmelding een «toevluchtsoord» wordt bij conflicten, werkdruk of privéproblemen? Welke rol mogen werkgevers hierin spelen?
De aanwezigheid van mentale klachten leidt niet per definitie tot de conclusie dat de betreffende werknemer niet of in het geheel niet in staat is diens of andere passende werkzaamheden te verrichten, noch leidt dit per definitie tot de conclusie dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Indien een werknemer zich ziekmeldt ten gevolge van mentale klachten kan de werkgever de bedrijfsarts om advies vragen vanuit diens medische expertise over in welke mate die klachten de werknemer beperken om diens werkzaamheden uit te oefenen.
Indien de klachten geen medische oorzaak blijken te hebben maar bijvoorbeeld voortkomen uit een conflict (denk aan zogenaamde «situatieve arbeidsongeschiktheid» bij een conflict), dan gaat het niet om uitval door ziekte maar zijn er andere redenen voor de werkgever en werknemer om samen om de tafel te gaan zitten. Daarbij komt aan de werkgever als een van de twee partijen in de arbeidsrelatie uiteraard een essentiële rol toe.
Het is aan diegene met medische expertise om te kunnen beoordelen of er sprake is van arbeidsuitval door ziekte of niet. Daarvoor zijn in ons stelsel de bedrijfsarts en verzekeringsarts de aangewezen deskundigen.
Klopt het dat werkgevers niet mogen vragen naar de aard of oorzaak van de ziekte, maar wel volledig verantwoordelijk zijn voor re-integratie en voor naleving van alle verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter? Zijn er signalen bij u bekend dat werkgevers problemen ervaren met de privacywetgeving omtrent zieke werknemers? Hoe beoordeelt u deze asymmetrie? Kunt u aangeven welke informatie een werkgever minimaal zou moeten kunnen krijgen om effectief en verantwoordelijk te kunnen re-integreren zonder de privacywetgeving te schenden?
Gegevens over zieke werknemers zijn bijzondere, zeer privacygevoelige persoonsgegevens. Daarvoor gelden strenge regels. Het vastleggen en delen (verwerken) van bijzondere persoonsgegevens over zieke werknemers door de werkgever is verboden. Dit betekent dat bij een ziekmelding de werkgever alleen voor hem noodzakelijke gegevens mag registreren, bijvoorbeeld of ziekte verband houdt met een arbeidsongeval. Elke werkgever in Nederland moet een basiscontract hebben afgesloten met een gecertificeerde arbodienst of BIG-geregistreerde bedrijfsarts. Zij ondersteunen de werkgever bij preventieve taken en verzuimbegeleiding. Bij langdurig verzuim is het aan de arbodienst of bedrijfsarts om de werkgever te informeren over de verwachte duur van de ziekte en te adviseren over de belastbaarheid van de werknemer in geval van herstel en re-integratie. De bedrijfsarts dient die informatie ook inzichtelijk te maken in de, uiterlijk in de zesde week van ziekte op te stellen, probleemanalyse. Inzicht in de belastbaarheid van de werknemer is voor de werkgever van belang om samen met de werknemer een effectief en verantwoord re-integratietraject tot stand te kunnen brengen zonder dat daarmee medische gegevens gedeeld hoeven te worden. De probleemanalyse van de bedrijfsarts biedt de werkgever en werknemer dan ook een belangrijke basis voor het opstellen van het plan van aanpak waarin onderlinge afspraken worden gemaakt over de re-integratie van de werknemer.
Klopt het dat werkgevers geen inspraak hebben in de door UWV opgelegde stappen in het plan van aanpak, maar wel aansprakelijk zijn voor het niet tijdig of volledig uitvoeren hiervan? Bent u bereid te onderzoeken of de positie van werkgevers hierin evenwichtiger kan worden ingericht?
Uiterlijk in de zesde week van het ziekteverzuim dient een gesprek met de bedrijfsarts plaats te vinden waarna deze (de bedrijfsarts of de arbodienst) een probleemanalyse opstelt. In die probleemanalyse wordt onder meer inzicht gegeven in welke belastbaarheid de werknemer heeft.
Uiterlijk in de achtste week van het ziekteverzuim dienen werkgever en werknemer het plan van aanpak op te stellen. Daarbij heeft het UWV geen rol maar gaat het dus om de afspraken die werkgever en werknemer onderling maken over het te volgen re-integratietraject. Zij gebruiken daarbij wel de probleemanalyse van de bedrijfsarts en zo nodig kunnen andere deskundigen adviseren (zoals een arbeidsdeskundige).
Op dit moment wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat er toe moet leiden dat de inschatting van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend is bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers, o.a. bij het vormgeven van het plan van aanpak, blijven uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en hoeven zij zich geen zorgen te maken over de vraag of de verzekeringsarts van UWV, na twee jaar, mogelijk een andere inschatting over de belastbaarheid maakt. Daarmee neemt voor de werkgever het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarin arbeidsongeschikten een voorschot houden wanneer UWV bij de uiteindelijke beoordeling vaststelt dat de werknemer niet of minder arbeidsongeschikt is dan eerder aangenomen? Geldt dit ook wanneer sprake is van aantoonbare misleiding of kwade trouw? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, hoe waarborgt u dat misbruik wordt aangepakt?
Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.34 Op dit moment is dat beleid tegenwettelijk en daarom was het beleid altijd tijdelijk. Vanwege de verwachting dat het beleid langer nodig is, zijn afgelopen voorjaar middelen vrijgemaakt om het tijdelijke kwijtscheldbeleid van WIA-voorschotten structureel te maken.35 Dit geeft mensen de zekerheid dat zij het voorschot dat ze krijgen in afwachting van de WIA-claimbeoordeling niet hoeven terug te betalen. Wel kan het voorschot verrekend worden met een WGA- of WW-uitkering als na de WIA-claimbeoordeling blijkt dat er tijdens de voorschotperiode recht was op een dergelijke uitkering. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
De afgelopen periode is er gewerkt aan het creëren van een wettelijke grondslag voor dit beleid. Het wetsvoorstel hiertoe wordt naar verwachting voor de zomer aan uw Kamer aangeboden.
Agressie in de zorg |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Is u bekend dat het Erasmus MC zich distantieert van een observatie, namelijk dat agressie in de zorg vaker voorkomt bij migrantenfamilies, gedaan door een IC-arts werkzaam in het Erasmus MC?1
Het is mij bekend dat het Erasmus MC zich distantieert van de uitspraak van een IC-arts dat agressie bij hen op de IC vaker voorkomt bij migrantenfamilies.
Hoe kan het Erasmus MC zich distantiëren van een waarneming verricht door een arts? Is het management van het Erasmus MC misschien ook dagelijks aanwezig op de IC en neemt het management daar zelf iets heel anders waar?
Het is aan het Erasmus MC om zich al dan niet te distantiëren van uitspraken van medewerkers en daar eventueel verantwoording over af te leggen. Ik heb geen inzicht in de afwegingen die in dit specifieke geval gemaakt zijn.
Vindt u het wenselijk dat het management van een ziekenhuis zich «distantieert» van waarnemingen die artsen verrichten? Begint een analyse, onderzoek en waarheidsvinding niet bij het doen van waarnemingen? Wordt deze waarheidsvinding niet geweld aan gedaan als het management van een ziekenhuis zich gaat «distantiëren» van waarnemingen? Zorgt dat er immers niet logischerwijs voor dat artsen zich niet langer zomaar vrij durven uit te spreken over datgene wat ze op de werkvloer zelf met hun eigen ogen zien en meemaken? Brengt een dergelijke (angst)cultuur daarmee de patiëntveiligheid uiteindelijk niet in gevaar?
Het is aan het management van een ziekenhuis om zorgvuldige afwegingen te maken bij het zich al dan niet distantiëren van publiekelijke uitspraken van medewerkers. Daar hoort ook bij dat zij inschatten wat de consequenties daarvan zijn en dat zij eventuele negatieve effecten voorkomen.
Uw analyse dat het zich distantiëren van uitspraken er toe leidt dat de waarheidsvinding geweld wordt aangedaan omdat het er logischerwijs toe leidt dat artsen zich niet meer vrij durven uit te spreken, er een angstcultuur ontstaat en de patiëntveiligheid in gevaar komt deel ik dan ook niet.
Wat gaat u hieraan doen? Bent u bereid hierover met het Erasmus MC in gesprek te gaan? Bent u bereid aan het Erasmus MC te vragen waarom (en op welke gronden, zijn er aanwijzingen, is er ook maar enig bewijs dat de gewraakte waarneming feitelijk onjuist is) het management zich blijkbaar geroepen voelt zich publiekelijk «te distantiëren» van een waarneming die is verricht door een arts die werkt in het Erasmus MC?
Ik ga niet over de specifieke communicatiebesluiten van een zorginstelling. Het management van het Erasmus MC is bevoegd om het eigen communicatiebeleid in te richten.
Het toenemende aantal hiv-diagnoses |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u onze zorgen over de trendbreuk dat het aantal hiv-diagnoses niet meer afneemt en zelfs stijgt in de komende jaren?
Ja, ik deel uw zorgen. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalt al een aantal jaar niet meer. Stichting hiv monitoring geeft op basis van haar berekeningen aan dat het aantal nieuwe diagnoses de komende jaren mogelijk zelfs weer zal stijgen.
Welke stappen gaat u ondernemen om juist Nederlanders met een laag inkomen, een migratieachtergrond en/of die gebruik maken van geestelijke gezondheidszorg met een verhoogde kans op een hiv-diagnose en die nu minder gebruik maken van PrEP, te helpen?
Op 28 november jl. gaf ik in mijn brief1 aan uw Kamer aan dat ik mij zorgen maak om groepen die meer kans hebben op een hiv-infectie, bijvoorbeeld vanwege een lager inkomen, een migratieachtergrond en/of psychische problemen. Voor deze groepen is de zorg door GGD’en vanuit de Regeling Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg (ASG-regeling) bedoeld, maar nog niet iedereen wordt bereikt. Daarom wil ik meer zicht krijgen op drempels die mensen ervaren om met hun soa-gerelateerde vragen of klachten naar de GGD of huisarts te gaan, zodat deze drempels kunnen worden verlaagd of weggenomen. Ik werk hierin samen met het RIVM, Soa Aids Nederland en enkele coördinerende GGD’en.
Ondertussen blijf ik Soa Aids Nederland ondersteunen om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Soa Aids Nederland richt zich hierbij ook specifiek op groepen met minder toegang tot soa- en PrEP-zorg.
Waarom maakt u PrEP-zorg niet gratis toegankelijk voor risicogroepen?
Het preventieve hiv-medicijn PrEP (Pre-Expositie Profylaxe) levert een onmisbare bijdrage aan het tegengaan van hiv en de ambitie om Nederland naar 0 nieuwe hiv-infecties te brengen. PrEP-zorg bij de GGD’en is gratis voor personen met een verhoogd risico op hiv. Deze zorg bestaat uit de soa-testen die horen bij PrEP, de reguliere behandeling na een positieve soa-uitslag en de begeleiding bij het (correct) gebruiken van PrEP door een zorgprofessional. De PrEP-medicatie moeten mensen zelf betalen. Het dagelijks gebruiken van PrEP kost ongeveer tussen de € 16 en € 30 per maand. Door PrEP-gebruikers deze kosten zelf te laten dragen, kunnen de GGD’en meer mensen helpen met PrEP-zorg. De evaluatie van het RIVM laat zien dat de overgang van de tijdelijke PrEP-pilot naar het structurele PrEP-programma de toegankelijkheid en flexibiliteit van PrEP-zorg aanzienlijk heeft vergroot. Het aantal nieuwe PrEP-deelnemers is toegenomen van 468 in het tweede kwartaal van 2024 naar 968 in het tweede kwartaal van 2025. Het totaal aantal mensen dat PrEP-zorg krijgt, is gestegen van 8.500 in juli 2024 naar 11.762 in juli 2025.
Deelt u de oproep van Soa Aids Nederland om te investeren in betere toegang tot PrEP, zonder wachtlijsten en financiële drempels? Zo nee, waarom niet?
Sinds augustus 2024 wordt PrEP-zorg regulier aangeboden door GGD’en in plaats van in een pilot. Deze overgang van pilot naar regulier programma ging onder andere gepaard met een structurele extra investering van 1 miljoen euro per jaar. Sindsdien is het aantal wachtenden voor PrEP-zorg bij de GGD’en afgenomen. Zoals in mijn brief van 28 november jl. genoemd, krijgen de GGD’en per 2027 middelen vanuit het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA). Dit zal naar verwachting helpen om de wachttijden te verminderen per 2028.
Daarnaast ondersteun ik Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Soa Aids Nederland biedt betrouwbare informatie over seksuele gezondheid, hiv, soa’s, condoomgebruik en PrEP met een breed palet aan interventies en ondersteunende activiteiten zoals online keuzehulpen, websites, infolijnen en deskundigheidsbevordering van professionals. Dit jaar zal Soa Aids Nederland op het platform Sense.info meer en extra aandacht besteden aan het onderwerp PrEP. Soa Aids Nederland lanceert dit jaar ook een campagne voor en door transpersonen om hen te informeren over PrEP en, in geval van risico op hiv, PrEP gebruik te stimuleren. Ook GGD’en informeren personen met een verhoogd risico op hiv over (correct gebruik van) PrEP en over (laagdrempelige) hiv-testen.
Omdat PrEP niet de enige manier is om hiv te voorkomen, start ik dit jaar een campagne om condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.2
Kunt u concreet toelichten wat u gaat doen ter promotie van PrEP, zodat meer mensen weten dat het een veilige manier is om hiv te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verklaart u de afname in de bereidheid om PrEP te gebruiken?
Uit de evaluatie van het RIVM over het gewijzigd PrEP-beleid blijkt géén afname in de bereidheid om PrEP te gebruiken. Wel is een lichte verschuiving van dagelijks naar intermitterend gebruik zichtbaar. Er is geen wetenschappelijk onderzoek beschikbaar over de bereidheid om PrEP te gebruiken. GGD’en, het RIVM, Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging geven aan dat mensen het dagelijks slikken van de PrEP-medicatie, of het steeds rekening moeten houden met eventuele seksuele activiteit (bij zogenaamd event-driven gebruik) soms belastend vinden.
Waarom is er in het PrEP-programma voor gekozen om deelnemers zelf hun medicatie te laten halen bij de apotheek? Werkt dit niet drempelverhogend?
Dit is allereerst nodig om de veiligheid beter te borgen. Apothekers controleren op onjuist gebruik en de werking van PrEP in combinatie met andere medicijnen. Het is dus van belang dat apothekers op de hoogte zijn van het PrEP-gebruik van hun cliënten. Daarnaast is landelijke inkoop van PrEP en distributie via de GGD’en niet conform staatssteunregels, omdat er geen sprake is van marktfalen. Bovendien kunnen en willen apothekers deze zorg ook bieden.
Er zijn mogelijkheden om, indien gewenst, gebruik te maken van een online apotheek. Een online apotheek biedt meer anonimiteit en kan daardoor als laagdrempeliger worden ervaren. Overigens blijkt uit de evaluatie van het RIVM over het gewijzigd PrEP-beleid niet dat het zelf afhalen van de medicatie heeft geleid tot een verminderde toegang tot PrEP.
Bent u van mening dat het huidige beleid afdoende is om iedereen in staat te stellen om keuzes te maken over de eigen seksualiteit, zoals u in uw brief als doel stelt? Zo nee, waarom niet?
In ieder geval is het mijn ambitie, om iedereen in staat te stellen keuzes te maken over de eigen seksualiteit. Daarvoor zet ik mij samen met partners in het veld volop in. Op diverse manieren, zoals omschreven in de beleidsvisie op seksuele gezondheid3, wordt dan ook hard aan dit doel gewerkt. Er gaan gelukkig veel dingen goed. Nederland heeft van oudsher een stevige infrastructuur voor seksuele gezondheid, met laagdrempelige en goede soa- en seksualiteitszorg via huisartsen, GGD’en en tweedelijnszorg. Voor de meeste mensen is er goede toegang tot anticonceptie. Er is goede monitoring van soa’s en hiv en een toegankelijk aanbod aan betrouwbare informatiebronnen en ondersteuningsmogelijkheden over anticonceptie, soa’s en seksualiteit. Nederland is internationaal koploper in relationele en seksuele vorming, waardoor jongeren, passend bij hun leeftijd, kennis en vaardigheden opdoen om bewuste en veilige keuzes te maken.4
Ik zie echter ook de nodige uitdagingen. De GGD’en staan al lange tijd onder druk en kunnen niet iedereen die dit nodig heeft aanvullende soa-zorg bieden. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalt al een aantal jaar op rij niet meer en zal mogelijk de komende jaren gaan stijgen. Het gebruik van condooms neemt af. En onder bepaalde groepen heteroseksuele jongeren neemt gonorroe toe. Tot slot maak ik me grote zorgen om de negatieve invloed van mis- en desinformatie over bijvoorbeeld relationele en seksuele vorming.
Welke concrete maatregelen neemt u om dit streven te behalen?
In mijn brief van 28 november jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de acties die ik in gang heb gezet, bovenop bestaande activiteiten. Het gaat om de volgende acties:
Kunt u nader toelichten hoe het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) gaat bijdragen aan betere en toegankelijke PrEP-zorg, waar u in uw brief naar refereert?
In mijn brief van 28 november jl. informeerde ik uw Kamer over de extra middelen vanuit het AZWA voor de ASG-regeling en de PrEP-zorg. Dankzij het AZWA komt er vanaf 2027 budget beschikbaar voor de ASG-regeling, waaronder PrEP-zorg. Vanaf 2028 betekent dit ook een verbetering ten opzichte van de beschikbare middelen zoals deze vóór de 10% korting op de ASG-SPUK bestonden. Met deze extra middelen kunnen GGD’en wachttijden verkorten, meer mensen PrEP-zorg bieden en/of meer investeren in outreach en de verbetering van de samenwerking met ketenpartners.
Onderdeel van de afspraken in het AZWA over samenwerking op het snijvlak van het zorgdomein en het sociaal domein is ook de ontwikkeling van een ketenaanpak seksuele gezondheid. Daarin werken professionals vanuit verschillende domeinen samen om mensen met (een risico op) een seksuele gezondheidsachterstand tijdig te signaleren en hen hulp en ondersteuning te bieden.
In mijn antwoord op vraag 9 gaf ik aan dat ik, aanvullend op het huidige beleid, extra actie onderneem om de druk op de soa- en PrEP-zorg te verminderen, waaronder promotie van condoomgebruik en de verbetering van de samenwerking tussen huisartsen en GGD’en.
Wat gaat u er concreet aan doen om de lange wachtlijsten voor PrEP-zorg in te korten?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe wilt u meer zicht krijgen op de drempels die mensen ervaren om zorg omtrent soa’s op te zoeken?
De soa-zorg die door GGD’en wordt geboden vanuit de ASG-regeling is aanvullend op de huisartsenzorg. GGD’en constateren een grotere vraag naar soa-zorg dan zij op basis van de beschikbare financiële middelen kunnen bieden. Er is eerder dit jaar besloten om in de ASG-regeling te verduidelijken dat de soa-zorg bedoeld is voor personen uit specifieke doelgroepen die een verhoogd risico lopen op soa’s en een drempel tot de reguliere zorg hebben.
In de praktijk blijkt het soms lastig voor GGD’en om te bepalen in hoeverre iemand een drempel tot de reguliere zorg ervaart. Bovendien geven GGD’en aan nog niet alle mensen te bereiken waarvoor de ASG-regeling juist bedoeld is. Daarom heb ik het RIVM gevraagd onderzoek te doen naar drempels die mensen tot soa-zorg kunnen ervaren. Wat kenmerkt deze groep? En wat maakt dat zij een drempel tot reguliere (huisartsen)zorg of aanvullende soa-zorg ervaren? Wat is er nodig om deze drempels te verminderen of weg te nemen? Het RIVM werkt in dit onderzoek samen met Soa Aids Nederland en enkele GGD’en.
Wat gaat u concreet doen om het kennisniveau omtrent SOA’s en condoomgebruik bij jongeren die lager en middelbaar zijn opgeleid te verhogen en het stigma en taboe rondom PrEP te verlagen?
Ik ondersteun Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Binnen de activiteiten van Soa Aids Nederland is specifiek aandacht voor jongeren op het praktijkonderwijs of het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Zo zijn alle websites, waaronder sense.info (speciaal gericht op jongeren), doorgelicht en herschreven naar B1-taalniveau om ervoor te zorgen dat de taal voor iedereen begrijpelijk is. De projectweek Lang Leve de Liefde wordt ingezet bij mbo-instellingen. En Soa Aids Nederland is actief op sociale media, waarbij op een visuele en toegankelijke manier allerlei vragen rond seksuele gezondheid aan bod komen.
Ook GGD’en informeren personen met een verhoogde kans op hiv, waaronder jongeren, over (correct gebruik van) PrEP en over (laagdrempelige) hiv-testen. Jongeren kunnen met al hun vragen over seksualiteit en relaties terecht bij Sense: via de website wordt informatie gegeven en jongeren kunnen appen, bellen, chatten of langskomen op het sense-spreekuur.
Zoals aangegeven in mijn brief van 28 november jl. start ik in 2026 met verschillende activiteiten voor jongeren om het gebruik van condooms te promoten.
Tot slot is er in het onderwijs, ook op het speciaal onderwijs en mbo, aandacht voor relationele en seksuele vorming, waaronder het maken van gezonde en veilige keuzes om soa te voorkomen en om de regie op een kinderwens te vergroten.
Het artikel 'Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?»?1
Ja.
In het artikel wordt gesproken over een vaccin tegen het vogelgriepvirus voor kippen dat door de European Medicines Agency (EMA) is goedgekeurd, is dit goedgekeurde vaccin wellicht een «mRNA-vaccin»?
Het in het artikel genoemde vaccin is geen mRNA-vaccin, maar een vectorvaccin, INNOVAX-ND-AI, van MSD Animal Health. Dat is een vaccin dat na een beoordeling door het Europees Medicijnagentschap (EMA), door de Europese Commissie is toegelaten in de Europese Unie, voor gebruik bij kippen. Dit vaccin is door het EMA beoordeeld op werkzaamheid en veiligheid voor dier, mens en milieu.
Betreft dat misschien dit door de EMA goedgekeurde (mRNA-)vaccin, gezien het feit dat er wordt gesproken over één pluimveehouderij in Nederland die zijn kippen heeft gevaccineerd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waar worden de eieren van deze pluimveehouderij in Nederland verkocht? Kan de Nederlandse consument op de verpakking zien dat de kippen die deze eieren hebben gelegd met dit (mRNA-)vaccin zijn gevaccineerd? Zo nee, waarom wordt dit voor de Nederlandse consument (bewust?) verborgen gehouden?
De eieren worden sinds eind juli 2025 via de bestaande afzetkanalen op de markt gebracht. Er is geen noodzaak om te melden in welke winkels de producten liggen, aangezien de eieren van gevaccineerde hennen veilig zijn.
Vindt u het belangrijk dat consumenten goed kunnen worden geïnformeerd over het voedsel dat ze eten?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat, zeker als consumenten daar prijs op stellen, pluimveehouders, te allen tijde, vrij zijn om aan te geven, op hun pak eieren, of de eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo nee, waarom niet? Waarom mogen consumenten niet weten of eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo ja, hoe kijkt u aan tegen de volgende zin in het genoemde artikel: «Je wit niet, zegt hij, dat in andere landen eieren op de markt worden gebracht van kippen die «ongevaccineerd» zijn, als een soort keurmerk.?»; waarom zou men dat niet willen? Wat is erop tegen om consumenten, die dat graag willen weten, in staat te stellen te achterhalen of de eieren op hun bord wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Hoe gaat u deze consumenten beschermen en garanderen dat Nederlandse pluimveehouders, die dat willen, op hun doosje eieren wel degelijk kunnen (blijven) aangeven dat de eieren afkomstig zijn van (on)gevaccineerde kippen?
Consumenten eten al decennia eieren en vlees van gevaccineerde kippen. Kippen worden tegen veel ziekten gevaccineerd, ook met vergelijkbare vaccins. Voorbeelden van ziekten waartegen wordt gevaccineerd zijn infectieuze bronchitis, infectieuze bursitis, infectieuze larynhgotracheitis, Newcastle disease, Salmonella Enteritidis en coccidiose. Dit gebeurt met vaccins die op de markt zijn toegelaten na een beoordeling op werkzaamheid en veiligheid voor mens, dier en omgeving. De eieren en het vlees van gevaccineerde kippen zijn veilig voor humane consumptie. Op verpakkingen van eieren en vlees staat niet welke vaccins zijn toegediend. Dit geldt ook in het geval van de eieren en het vlees van de kippen uit de pilot. Ik wil u er ook op wijzen dat het Voedingscentrum Nederland informatie geeft over voedsel afkomstig van gevaccineerde dieren2.
Het Young Global Leader programma van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u dit jaar toegetreden tot het zogenaamde «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum?1
Ja.
Door wie en wanneer bent u uitgenodigd toe te treden tot de 2025 «Young Global Leaders» klas van het World Economic Forum? Was dit een schriftelijke uitnodiging? Zo ja, kan de Tweede Kamer deze uitnodiging ontvangen?
De uitnodiging is in januari 2025 per e-mail ontvangen vanuit The Forum of Young Global Leaders Foundation (YGL Foundation).
Is het correct dat u bent uitgenodigd in uw hoedanigheid van Minister? Zo nee, waarom staat dit dan letterlijk zo aangegeven op de «Young Global Leader» website? Is het kabinet op de hoogte van deze nevenfunctie?2
Nee, de nominatie voor en deelname aan het Young Global Leaders programma is op persoonlijke titel. Dat de huidige functie van deelnemers wordt vermeld op de website van het programma doet daar niets aan af. Deelname aan het programma betreft geen nevenfunctie.
Wat waren uw beweegredenen om (op deze uitnodiging in te gaan en) lid te worden van de 2025 klas met «Young Global Leaders» van het World Economic Forum?
Ik heb positief gereageerd op de uitnodiging, omdat ik het eervol vind hiervoor te zijn genomineerd en het een kans biedt om internationaal van gedachten te wisselen met getalenteerde leiders.
Kan de Tweede Kamer dit driejarige «ontwikkelingsprogramma» van de 2025 «Young Global Leader» klas waar u (namens het kabinet) onderdeel van uitmaakt ontvangen? Bij welke «thematische bijeenkomsten» bent u aanwezig geweest? Welke «academische modules» van het World Economic Forum heeft u gevolgd?
Er is geen formeel ontwikkelingsprogramma, op de website van het Young Global Leaders programma kunt u meer lezen over de bijeenkomsten en modules waar men optioneel aan kan deelnemen. Ik ben (nog) niet bij een thematische bijeenkomst van het programma aanwezig geweest en heb geen academische module gevolgd.
Het «Young Global Leader» programma verschaft daarnaast, «opportunities to contribute to strategic initiatives aligned with the World Economic Forum’s mission», op welke manier heeft u, als WEF «Young Global Leader» bijgedragen aan welke specifieke doelstellingen van het World Economic Forum? Kan de Tweede Kamer hiervan een overzicht ontvangen?
Ik heb niet bijgedragen aan specifieke doelstellingen van het World Economic Forum. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe zou het kabinet de «doelstellingen van het World Economic Forum» omschrijven?
De WEF biedt een nuttig platform voor de uitwisseling van ideeën, onderzoeksresultaten en inzichten over actuele thema’s tussen politici, wetenschappers, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, het bedrijfsleven en ngo’s. Het biedt ook een goede gelegenheid om in bilaterale gesprekken met internationale leiders en het bedrijfsleven specifieke onderwerpen te bespreken die van belang zijn voor Nederland.
Het doel van het WEF is het bijeenbrengen van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties om gezamenlijk bij te dragen aan een betere wereld.
Kan uit het feit dat u, als Minister van Defensie, bent toegetreden tot het «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum logischerwijs worden geconcludeerd dat het kabinet de doelstellingen van het World Economic Forum steunt? Zo nee, waarom niet?
Nee, deelname aan dit programma geschiedt op persoonlijke titel. Zie ook het antwoord op vraag 3 en 7.
Is het correct dat Klaus Schwab, de inmiddels omstreden oprichter van het World Economic Forum, op 20 september 2017 op de Harvard Kennedy School, in het openbaar te kennen heeft gegeven trots te zijn dat het World Economic Forum het Young Global Leader programma wereldwijd gebruikt om, in zijn woorden, «kabinetten te penetreren»?3
Het is niet aan mij om de woorden van dhr. Schwab te recenseren.
Vindt het kabinet het wenselijk als leden van het kabinet deelnemen aan een programma waarvan de bedenker zélf aangeeft dat het bedoeld is om wereldwijd «kabinetten te penetreren»?
Zie antwoord op vraag 9.
Is het correct dat de Koning ook een WEF «Young Global Leader» is (geweest)? Ja of nee?4
Nee.
Kunt u de bovenstaande simpele en feitelijke ja-nee-vraag met alleen «ja» of «nee» beantwoorden? Zo nee, waarom bent u daartoe maar niet in staat?
Ja.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Opvang op locaties op het water |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opvang gaat te water, veiligheid blijft aan wal: een op de vijf asielschepen voldoet niet aan de eisen»?1
Wat vindt u ervan de desbetreffende vastgoedondernemer in Terneuzen zich actief heeft gemengd met het verzet tegen het openen van een asielzoekerscentrum (azc), specifiek met winstbejag als doel, terwijl de gemeente al had gekozen voor een leegstaand bedrijfspand als opvanglocatie?
Deelt u de zorgen dat commerciële aanbieders door actieve beïnvloeding van bewoners en lokale politici besluiten over asielopvang kunnen sturen richting voor hen financieel aantrekkelijke, maar mogelijk minder veilige of realistische alternatieven? Acht u dit een risico voor de integriteit van het proces en voor de zorgvuldige democratische besluitvorming op lokaal niveau?
Bent u bereid om met gemeenten het gesprek aan te gaan over het risico van campagnes door commerciële scheepsexploitanten of vastgoedeigenaren die reguliere azc-plannen frustreren om hun eigen diensten te promoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de concurrentiestrijd door de toenemende vraag naar asielboten ten koste gaat van de veiligheid op de opvanglocaties op water? Zo ja, welke concrete stappen neemt u hiervoor?
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers en hoeveel statushouders op dit moment verblijven in een locatie op water?
Kunt u aangeven hoeveel kinderen op dit moment verblijven op opvanglocaties op water en kunt u daarbij aangeven welke locaties dit zijn en of deze allemaal voldoen aan de wettelijke veiligheids- en pedagogische eisen?
Klopt het dat volgens de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ongeveer een vijfde van de gecontroleerde asielboten niet voldoet aan de veiligheidsregels, en dat in de afgelopen drie jaar in totaal 664 gebreken zijn geconstateerd? Zo ja, kunt u toelichten om welke typen veiligheidsrisico’s het hierbij gaat?
Hoe is de deskundigheid van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) sinds 2022 versterkt als het gaat om de kwaliteit van de asielopvang op locaties op water? Is er hierbij specifiek aandacht voor de veiligheid van kinderen? Zo ja, op welke manier?
Klopt het dat exploitanten van cruiseboten jaarlijks gemiddeld 63.000 euro per opgevangen asielzoeker ontvangen en dit vele malen duurder is dan opvang in een azc? Zo ja, wat vindt u van de situatie waarbij het COA vanwege hun wettelijke taak noodgedwongen is om bij commerciële scheepsexpoitanten plekken af te nemen en de gestegen kosten voor rekening van de samenleving komen. Bent u het met ons eens dat dit ook afbreuk doet aan het draagvlak voor opvang?
Wat is uw appreciatie van het feit dat doordat boten niet openbaar worden aanbesteed, onderhandelaars hogere prijzen kunnen vragen en bent u hierover in gesprek met het COA?
Deelt u de mening dat het voor zowel de veiligheid van asielzoekers, maar ook vanwege kostenaspect en draagvlak, zeer wenselijk is om asielopvang op het water af te schalen? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u daartoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het artikel 'Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?' |
|
Maes van Lanschot (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Tieman , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op. Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?» van Follow the Money?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de in het artikel genoemde casus en daarbij ook ingaan op gevolgen voor de jachtbouwers wiens bedrijfsgevoelige gegevens bij de desbetreffende keuringsinstantie bekend waren?
DCI heeft begin dit jaar de Raad van Accreditatie verzocht om de accreditatie voor het keuren van pleziervaartuigen en scheepsuitrustingen in te trekken. Per 1 september 2025 is deze accreditatie ingetrokken en is DCI geen erkende instelling (Notified Body – NoBo) meer. DCI heeft echter ten tijde van het laten intrekken van de accreditatie niet de technische dossiers overgedragen aan een andere NoBo of aan de markttoezichthouder, zoals voorgeschreven in de wet. Dit resulteerde in de situatie dat DCI, zonder te beschikken over de juiste accreditatie, nog in het bezit was van de technische dossiers. Het ministerie heeft geen berichten ontvangen dat deze situatie tot nadelige gevolgen voor jachtbouwers heeft geleid. Het ministerie en de markttoezichthouder (ILT) achtten het onwenselijk dat technische dossiers in het bezit waren van een organisatie waarvan de accreditatie – op eigen verzoek – was ingetrokken. De markttoezichthouder is dan ook een procedure gestart om de overdracht van de technische dossiers mogelijk te maken. Op 8 december jl. heeft de markttoezichthouder alle fysieke en digitale technische dossiers overgedragen gekregen. De dossiers met betrekking tot pleziervaartuigen zijn overgedragen aan een andere Nederlandse NoBo. De dossiers met betrekking tot scheepsuitrustingen zijn momenteel in het bezit van de markttoezichthouder. Deze dossiers staan ter beschikking van de betreffende eigenaren c.q. fabrikanten van deze dossiers. De fabrikanten zullen een nieuwe NoBo moeten vinden die beschikt over de juiste erkenning voor wat betreft scheepsuitrustingen. Binnen de EU zijn voldoende instellingen aanwezig die deze taak over kunnen nemen.
Kunt u aangegeven hoeveel private keuringsinstituten, ook wel notified bodies, geprivatiseerde controleurs of aangemelde instanties, zijn er in Nederland?
Nederland kent op dit moment één NoBo voor de richtlijn pleziervaartuigen. Voor de richtlijn scheepsuitrustingen kent Nederland op dit moment vier NoBo’s, maar geen van deze instellingen beschikt over de accreditatie scope «reddingsmiddelen», waar het in dit geval om gaat.
Kunt u aangegeven hoeveel hiervan in buitenlandse handen zijn, uitgesplitst in Europese Unie (EU), niet-EU en Chinees?
De in antwoord 3 genoemde NoBo’s zijn in Nederlandse handen.
Erkent u dat er risico’s zijn ten aanzien van onder andere kennislekkage bij verkoop van private keuringsinstanties aan buitenlandse actoren?
In antwoord op vragen d.d. 25 november 2020 over het bericht «Keuringsinstantie DCI Joure (NKIP) in Chinese handen» heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Justitie en Veiligheid, aangegeven dat het kabinet in de overname van dit instituut dat toeziet op de kwaliteit van plezierjachten geen risico’s ziet voor de nationale veiligheid. Dit antwoord is nog steeds van toepassing op deze overname.
Welke mate van toetsing of screening vooraf geldt er op dit moment bij de verkoop van private keuringsinstituten aan buitenlandse actoren?
Investeringstoetsing wetgeving is in Nederland ingevoerd om risico's voor de nationale veiligheid te beheersen. Private keuringsinstituten vallen buiten het toepassingsbereik van de nationale investeringstoetsing wetgeving.
Welke inzet pleegt u in Europees verband om de overname van private keuringsinstituten door buitenlandse bedrijven aan banden te leggen?
Het wordt niet opportuun geacht om in Europees verband een verbod te bedingen op buitenlandse overname van NoBo’s. Voor wat betreft scheepsuitrusting is deze casus voorgelegd aan de Europese Commissie, de lidstaten en de branche organisaties. Hierbij is afgesproken dat de komende revisie van de Richtlijn Scheepsuitrusting in 2026 extra aandacht zal besteden aan het handelingsperspectief van lidstaten voor die gevallen waarbij keuringsinstanties regels niet nakomen.
De verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat kinderen in krimp- en grensregio’s een bovengemiddelde kans hebben om in energiearmoede op te groeien?1
Ja het kabinet is bekend met het onderzoek van TNO over kinderen in energiearmoede. TNO heeft becijferd dat in 2024 naar schatting 510.000 huishoudens (circa 6% van het totaal aantal huishoudens) en 293.000 kinderen in energiearmoede leven. TNO laat daarbij zien dat kinderen die in energiearmoede opgroeien zich in een kwetsbaardere sociaaleconomische situatie bevinden. Zo is het huishoudinkomen vaak aanzienlijk lager. Energiearmoede komt het vaakst voor in de Randstad (frequentie), maar de diepte van energiearmoede is in de grensregio’s gemiddeld groter, doordat het gemiddelde inkomen lager ligt en de gemiddelde woonoppervlakte groter is2. In de overige regio’s zien we gemiddeld een lager percentage huishoudens in energiearmoede.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen in krimp- en grensregio’s een grotere kans hebben om in energiearmoede op te groeien?
Het kabinet vindt het belangrijk dat alle huishoudens in Nederland kunnen meekomen in de energietransitie en een betaalbare energierekening hebben, ongeacht waar iemand woont. Daarnaast zet het kabinet zich ook breed in om (de gevolgen) van kinderarmoede tegen te gaan3. Geen kind zou in armoede moeten opgroeien. Daarom blijft dit kabinet zich er sterk voor maken om kinderarmoede aan ta pakken, waar dan ook in Nederland. Zoals in de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, komt energiearmoede (onder kinderen) het vaakst voor in de Randstad en in grensregio’s. Om huishoudens in energiearmoede te ondersteunen heeft dit kabinet diverse maatregelen verlengd of verder uitgebreid, zoals de inzet van de Specifieke uitkering Energiearmoede aan gemeenten met in totaal € 550 miljoen, het Tijdelijk Noodfonds Energie en het verder uitfaseren van huurwoningen met een EFG-label. Zie hiervoor ook de Kamerbrief uit augustus vorig jaar: Monitor Energiearmoede 20244. De gevolgen die energiearmoede kan hebben op kinderen zijn daarbij belangrijk om mee te wegen in het te nemen beleid.
Hoe bent u van plan te waarborgen dat gezinnen met kinderen in krimp- en grensregio’s toegang houden tot betaalbare energie?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is benoemd, hecht het kabinet eraan dat huishoudens in Nederland een betaalbare energierekening hebben. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen en nog steeds van kracht. Op dit moment werkt het kabinet ook aan de uitwerking van een publiek energiefonds5, waarmee aan huishoudens in energiearmoede tijdelijke financiële steun wordt geboden en huishoudens actief worden doorverwezen naar hulp bij het verduurzamen van de woning.
TNO heeft in opdracht van het Rijk naar aanleiding van een motie van het voormalig Kamerlid Postma6 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van beleidsopties om energiearmoede verder tegen te gaan tijdens de energietransitie. De uitkomsten hiervan zijn recent met de Kamer gedeeld7.
Deelt u het inzicht dat krimpregio’s zoals Zuid-Limburg en Noord-Groningen te maken hebben met een dubbele kwetsbaarheid, namelijk (1) slechtere energetische kwaliteit van de woningvoorraad en (2) demografische achteruitgang?
Uit cijfers van het CBS en een prognose van ABF Research8 blijkt dat elke regio zijn eigen demografische uitdagingen kent. Het kabinet deelt dat het aandeel energiearme huishoudens en de demografische ontwikkeling in de genoemde regio’s onze aandacht verdienen. In de genoemde regio’s is sprake van vergrijzing en het wegtrekken van jongeren, waardoor lokale faciliteiten onder druk komen te staan. Dat vraagt daarmee ook om een regionale aanpak die juist ook rekening houdt met de lokale gevolgen van demografische ontwikkelingen. Het kabinet en de regio’s werken samen om de kwaliteit van leven, wonen en werken van inwoners en ondernemers te verhogen, onder meer via de regiodeals.
Bent u bereid concrete maatregelen te nemen om in aansluiting op het rapport «Elke regio telt!» deze regionale ongelijkheden te verkleinen, zo ja welke en zo nee waarom niet?
Het kabinet onderzoekt, in lijn met motie-Van der Plas, hoe een plattelandstoets kan worden vormgegeven over de breedte van het nationale beleid. Belangrijke input hiervoor volgt uit de Rural Policy Review die in september 2025 van start is gegaan en loopt tot begin 2027. Dit onderzoek, dat wordt uitgevoerd door de OESO, heeft als doel om meer inzicht te krijgen in de (sociaaleconomische) staat van het landelijk gebied en de mogelijke beleidsinzet hierop, waar een plattelandstoets onderdeel van kan zijn.
Het kabinet heeft daarnaast, in aansluiting op het rapport «Elke regio telt» en het daaruit voortgekomen Nationaal Programma Vitale Regio’s, oog voor regionale en lokale ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij de aanpak van energiearmoede. De Monitor Energiearmoede geeft een inschatting van energiearmoede op nationaal en lokaal niveau. De verdeling van de Specifieke uitkering aanpak energiearmoede is gebaseerd op het percentage huishoudens met energiearmoede in de verschillende gemeenten. Verder is de aanpak van energiearmoede onderdeel geweest van regio- en wijkgerichte programma’s. Zo was de bespaarcoach één van de projecten van de Regio Deal Oost-Groningen I om woningeigenaren met een laag inkomen te ondersteunen bij het verduurzamen van hun woning en het besparen van energie. Door de City Deal Energieke Wijken zijn huishoudens in de gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) geholpen bij het verduurzamen van hun woning. Specifiek voor de regio’s Groningen en Noord-Drenthe is voor toekomstbestendige woningen van goede energetische kwaliteit ook maatregel 29 van Nij Begun van belang. Tenslotte dragen het Nationaal isolatieprogramma, de Nationale prestatieafspraken met woningcorporaties, de wijkaanpak met een regierol voor gemeenten en andere subsidies en ondersteuning ook in deze regio’s bij aan de aanpak van energiearmoede. Besluitvorming over verdere maatregelen om regio’s en wijken te versterken en mogelijke verschillen terug te dringen is aan een nieuw kabinet.
Op welke wijze wordt met betrekking tot de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s de regiotoets uitgevoerd, zodat de gevolgen voor regio’s en plattelandsgebieden expliciet worden meegewogen, in lijn met de aangenomen motie van het lid Van der Plas over onderzoeken hoe een plattelandstoets nader uitgewerkt kan worden en een rol kan spelen bij overheidsbeleid en wet- en regelgeving (Kamerstuk 36 410, nr. 121)?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u een actuele uitsplitsing geven van energiearmoede naar regio, inclusief het aantal huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie (het structureel uitzetten of laag houden van verwarming)?
Het aantal energiearme huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie was in 2023 naar schatting circa 124 duizend. Dit is in kaart gebracht in de jaarlijkse Monitor Energiearmoede die met de Tweede Kamer is gedeeld9. TNO schat dat voor 2024 deze groep licht zal dalen in absolute aantallen, naar ongeveer 119 duizend huishoudens. De regionale verdeling van onderconsumptie is niet in kaart gebracht.
Figuur 1 presenteert de energiearmoedekaart van Nederland voor 2024 op gemeenteniveau10. De gemeenten waarbij het aandeel huishoudens met energiearmoede naar schatting boven 10% uit komt in 2024 zijn: Heerlen, Vaals, Enschede, Rotterdam, Almelo, Pekela, Oldambt, Maastricht, Arnhem en Kerkrade.
Figuur 1. percentage energiearme huishoudens per gemeenten in 2024 (voorlopige schatting)
Klopt het dat beleid rondom energiearmoede momenteel versnipperd is over meerdere ministeries (Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en dat hierdoor een overkoepelende visie ontbreekt?
De ministeries van KGG, VRO en SZW werken samen aan de aanpak van energiearmoede. Huishoudens met energiearmoede hebben een laag inkomen, hoge kosten voor gas en elektriciteit en/of een woning van lage energetisch kwaliteit. Dit vraagt om een aanpak op verschillende fronten. De Minister van VRO heeft het voortouw bij beleid dat gericht is op het verbeteren van de energetische kwaliteit van woningen. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor het behoud van koopkracht en gerichte financiële ondersteuning. De Minister van KGG is stelselverantwoordelijk voor het energiesysteem, waaronder de betaalbaarheid van de energierekening.
In 2022 zijn de ministeries van KGG, VRO en SZW onder leiding van TNO het Landelijk Onderzoeksprogramma Energiearmoede gestart. Dit programma is september 2025 afgelopen, maar het vraagstuk blijft actueel. Structurele monitoring en meerjarige kennisontwikkeling blijft nodig om nationale en lokale besluitvorming over energiearmoede te ondersteunen. De ministeries van KGG, VRO en SZW hebben daarom in samenwerking met TNO en RVO het Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO) opgezet. Het NEO ontwikkelt en ontsluit kennis via (1) monitoring, (2) onderzoek en (3) kennisnetwerkbeheer. Het vervult ook een belangrijke signaalfunctie: het brengt zowel effectief beleid als knelpunten in de uitvoering vroegtijdig in beeld, zodat de overheid tijdig en gericht kan worden geïnformeerd en geadviseerd. Het observatorium is sinds 1 januari 2026 van start gegaan.
Bent u bereid een langetermijnstrategie energiearmoede op te stellen met duidelijke doelen, indicatoren en interdepartementale coördinatie?
Zie antwoord vraag 8.
Herkent u de signalen dat de private sector – zoals netbeheerders en energiebedrijven – bereid is een grotere rol te spelen in het opsporen en oplossen van energiearmoede?
Bij de aanpak van energiearmoede hebben publieke en private partijen elk een eigenstandige rol. Veel energiebedrijven helpen met het bestrijden van energiearmoede door informatie te verstrekken over verduurzamen of over energiebesparing. Energiebedrijven hebben vaak een loket opgezet waarbij ze consumenten helpen met verduurzamen via informatieverstrekking of met het aanbieden van woningadvies op maat.
Publieke en private partijen werken samen bij het oplossen van betalingsproblemen. Het doel is om zo vroeg mogelijk te signaleren wanneer huishoudens in de problemen komen en tijdig een passende oplossing te bieden. Deze samenwerking is vastgelegd in de Energieregeling en in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en onderliggende afspraken. De bescherming van de consument is specifiek vastgelegd in de Energieregeling en recent uitgebreid en is vanaf 1 januari jl. van kracht. De vernieuwde regels zijn opgesteld in samenwerking met schuldhulpverleners, de VNG, energieleveranciers en Netbeheer Nederland.11 De regeling is erop gericht om de consument te beschermen en gezamenlijk afsluiting van energie te voorkomen. Concreet vereist de regeling leveranciers en netbeheerders om contact op te nemen met de consument om de betalingsachterstand op te lossen, bijvoorbeeld door een redelijke en passende betalingsregeling te treffen. Verder zijn de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling tussen leveranciers en gemeente uitgebreid, zodat tijdig hulp geboden kan worden bij schuldhulpverlening. Het kabinet monitort continu hoe deze wijzigingen uitpakken.
Bent u bereid deze rol te verankeren, bijvoorbeeld door afspraken over vroegsignalering, datadeling en lokale samenwerking?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid de rol van energiecoöperaties en energiecoaches te versterken in de aanpak van energiearmoede, gelet op hun nabijheid en het grotere vertrouwen dat zij genieten in wijken?
Ja. Gemeenten hebben in drie tranches in 2022 en 2023 in totaal € 550 miljoen ontvangen voor de aanpak van energiearmoede via de SPUK Aanpak Energiearmoede. Veel gemeenten hebben deze middelen ingezet door middel van de inzet van energiehulporganisaties, ook veelal lokaal gewortelde organisaties. De uitvoeringstermijn van deze SPUK is verlengd van 2025 naar 2027 zodat gemeenten meer tijd hebben voor de uitvoering. Op 7 november heeft het Ministerie van SZW nog aanvullend 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de lokale energiearmoedeaanpak12.
Daarnaast heeft het kabinet, naar aanleiding van amendementen Postma/Rooderkerk13, een subsidie van 7,5 miljoen euro verstrekt aan het Actienetwerk Energiehulp. Met dit netwerk, opgericht door Fixbrigade Nederland en Energiebank Nederland, wordt gewerkt aan het bestrijden van energiearmoede en een rechtvaardige energietransitie. Dat doet het netwerk door lokale sociaal-maatschappelijke energiehulp-initiatieven op te zetten of te versterken waar dat nodig is, en door te bouwen aan een landelijk netwerk van lokaal gewortelde energiehulp-initiatieven die een bewezen effectieve energiehulp-aanpak toepassen.
De SPUK Aanpak Energiearmoede is ingezet in reactie op de energiecrisis van 2022. De middelen lopen nu af. De inzet voor het Europese Sociaal Klimaat Fonds en eventuele andere besluitvorming over verdere maatregelen die kunnen bijdragen aan de aanpak van energiearmoede nemen de lessen uit de ervaringen hiervan mee. Ook inzichten uit het recent verschenen onderzoek van TNO over energiearmoede ter opvolging van de motie-Postma bieden handvatten daartoe14.
Hoe gaat u gemeenten ondersteunen in het benutten van bestaande buurtpunten en wijkcentra bij het bereiken van moeilijk bereikbare groepen, waaronder bewoners met diverse culturele achtergronden?
Bij het signaleren en aanpakken van geldzorgen is het belangrijk dat er laagdrempelige hulproutes zijn. Er zijn ruim twintigduizend vrijwilligers die mensen met geldzorgen begeleiden aan de keukentafel. SZW stimuleert dit middels een subsidie aan de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp. Ook zijn er inmiddels 170 inlooppunten waar vrijwilligers mensen met geldzorgen helpen; ook hiervoor heeft SZW subsidie verstrekt. Deze en andere hulproutes worden beter vindbaar gemaakt door publiekscampagnes samen met Geldfit. Ook lopen er trajecten om huisartsen, geboortezorg, scholen, werkgevers etc. te betrekken bij de aanpak van geldzorgen. Meer hierover staat in het Nationaal Programma Armoede & Schulden, die de Kamer in juni 2025 heeft ontvangen15.
Tevens wordt samengewerkt met sleutelpersonen en ervaringsdeskundigen. Het is vaak lastig voor mensen met geldzorgen om hulp te vragen en in contact te komen met maatschappelijke en gemeentelijke organisaties. Andersom geldt dit ook. Daarvoor heb je mensen nodig die een brug kunnen slaan tussen deze organisaties en inwoners met geldzorgen. In een aantal gemeenten zijn ervaringswerkers en sleutelpersonen aan de slag gegaan om verbinding te leggen met inwoners en hen actief in contact te brengen met organisaties die hulp en ondersteuning bieden. Deze aanpak wordt nu uitgerold in andere gemeenten. Divosa, Pharos, Stichting Expertisecentrum Sterk uit Armoede, Vereniging Humanitas, Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, en Sociaal Werk Nederland16 versterken netwerken die het gesprek over geld stimuleren, waarin zorgen erkend worden en hulp snel te vinden is. In dit project wordt daarom onder andere ingezet op het trainen van ervaringswerkers en sleutelpersonen waarbij de geleerde lessen worden meegenomen.
Hoe voorkomt u dat huurders opgescheept blijven met torenhoge energierekeningen als gevolg van slechte woningkwaliteit waar zij zelf niet in kunnen of mogen investeren?
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is met woningcorporaties afgesproken dat woningcorporaties zich inzetten om uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de sector te laten verdwijnen. Zij zijn hierin al goed op weg. Het aantal sociale huurwoningen met een EFG-label is gedaald van 180.700 in 2023 naar 127.500 in 2025. In de NPA is ook afgesproken meer in te zetten op reductie van de gemiddelde warmtevraag van huurwoningen door isolatie. In 2030 wordt verwacht dat ruim 800.000 huurders bij sterk verbeterde isolatie € 350 tot € 550 euro per jaar kunnen besparen. Het aantal corporatiewoningen met een A-label of hoger is 47%.
Met het opnemen van minimum energieprestatie-eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor huurwoningen zorgen we voor toekomstbestendige woningen voor alle huurders. Het uitgangspunt hierbij is dat een juridische regeling moet zorgen dat een goed evenwicht ontstaat tussen de belangen van verhuurders, huurders en het algemeen belang. Alle eigenaren van huurwoningen met een energielabel E, F of G moeten hun pand uiterlijk op 1 januari 2029 verduurzamen naar minimaal energielabel D. Het opnemen van de eis draagt bij aan meer grip op de energierekening en beter wooncomfort van huurders. De verhuurder verbetert de woning, wat zich terugvertaalt in een hogere waarde van de woning en in de huurprijs. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 9 januari 202617 wordt parallel aan de Bbl-wijziging bekeken hoe de huurregels in het Burgerlijk Wetboek (BW) moeten worden aangepast, zodat investeringen in verduurzaming eenvoudiger in de huurprijs kunnen worden verwerkt. Het voornemen is om voor de wijziging van het BW begin 2026 een internetconsultatie te starten. Het uitgangspunt wat het kabinet wil hanteren is dat een verhuurder hierbij een redelijke huurverhoging kan vragen gezien de nodige investering en verbetering. Het voorstel om de eisen op te nemen in het Besluit bouwwerken leefomgeving is in november in internetconsultatie gegaan.
Bij de invoering van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 is in het woningwaarderingsstelsel (WWS) een puntenaftrek voor energielabels E, F en G opgenomen. Daarmee worden verhuurders nu ook al financieel geprikkeld de woningen met de laagste energielabels uit te faseren. Met onder andere een uitbreiding en verbetering van de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) worden private verhuurders ondersteund in het realiseren van de verduurzaming.
Huurders kunnen daarnaast gebruik maken van het wettelijk initiatiefrecht. Dit houdt in dat huurders verduurzaming bij de rechter af kunnen dwingen, als zij hiertoe een redelijk voorstel doen. Een ontwerpwetsvoorstel om het initiatiefrecht uit te breiden, zodat huurders ook initiatief kunnen nemen voor een maatregel als een (hybride) warmtepomp, is in internetconsultatie gebracht.
Wilt u de Kamer uiterlijk eind december dit jaar informeren over wat u gaat doen met de aanbevelingen uit het rapport van TNO?
Energiearmoede onder kinderen is onverminderd een belangrijk onderwerp. Jaarlijks brengt de Monitor Energiearmoede de ontwikkelingen van energiearmoede in kaart. De Kamer heeft daarnaast enkele weken geleden het TNO onderzoek ontvangen waarbij is onderzocht hoe energiearmoede zich zal ontwikkelen gedurende de energietransitie op basis van een factoranalyse18. Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede. Besluitvorming over eventuele generieke of gerichte maatregelen zoals genoemd in het rapport, is aan een volgend kabinet omdat dergelijke maatregelen een meerjarige beleidsaanpak vergen en ook forse budgettaire consequenties kunnen hebben. Zowel het rapport van TNO naar energiearmoede onder kinderen als het eerder genoemde onderzoek naar de effecten van beleidsopties op energiearmoeden bieden hier relevante overwegingen voor.
Het bericht 'Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden»?1
Hoe bekijkt u deze maatregelen van de Zweedse regering die juist bedoeld zijn om vrouwen en meisjes te beschermen tegen schadelijke en onbewezen praktijken?
Kunt u bevestigen dat maagdelijkheidstests volgens de Nederlandse professionele standaard niet binnen de reguliere zorg thuishoren en dat artsen geacht worden deze verzoeken af te wijzen? Zijn er desondanks aanwijzingen dat dergelijke verzoeken toch worden gedaan bij huisartsen, gynaecologen of andere zorgprofessionals? Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang hiervan is, hoe deze signalen momenteel worden geregistreerd of opgevolgd en of deze verzoeken aanleiding vormen voor toezicht door de IGJ? Indien geen cijfers beschikbaar zijn, bent u bereid hierover structurele monitoring te laten plaatsvinden?
Deelt u de mening dat maagdelijkheidstests geen enkele medische grondslag hebben en dat een dergelijke praktijk kan bijdragen aan het onderdrukken en controleren van meisjes en vrouwen? Zo ja, hoe wilt u dit toepassen in Nederland? Zo niet, waarom niet?
Is er recentelijk onderzoek gedaan in hoeverre maagdelijkheidstests voorkomen in Nederland in de privésfeer? Zo ja, kunt u de resultaten van dit onderzoek delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid om dit in kaart te laten brengen? Is het in Nederland op dit moment strafbaar om een maagdelijkheidstests uit te voeren of een maagdelijkheidsverklaring af te geven door niet-medische personen?
In Zweden wordt het ook strafbaar om geen melding te maken van gedwongen huwelijken en kindhuwelijken, in het licht hiervan hoe staat het met de uitvoering van de motie-Dral c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 293) die toeziet op een meldplicht?
Welke concrete stappen acht u op korte termijn haalbaar om ervoor te zorgen dat meisjes en vrouwen in Nederland niet langer worden geconfronteerd met pseudomedische claims, sociale druk of dwang rondom «maagdelijkheid», inclusief handhaving, voorlichting, regelgeving en mogelijke strafbaarstelling?
Welke stappen worden er op dit moment vanuit het kabinet nog meer ondernomen om meisjes en vrouwen in Nederland beter te beschermen tegen schadelijke praktijken die hun lichamelijke integriteit, autonomie en rechten aantasten?
Een leerkracht van de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg die tot tweemaal toe een Free-Palestine shirt uittrekt bij Qasim (8) |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Juf trekt Free Palestine-shirt twee keer uit bij Qasim (8), zeggen ouders en ze stappen naar het College voor de Rechten van de Mens»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de beschrijving dat een leerkracht het t-shirt van een achtjarige leerling tot twee keer toe eigenhandig zou hebben uitgetrokken? Deelt u de mening dat dit een ernstige schending van de lichamelijke integriteit is?
Iedere leerling moet zich veilig voelen op school. Daar draagt de school de verantwoordelijkheid voor. Als een leerling zich door toedoen van een leerkracht onveilig voelt, is het belangrijk dat dit wordt uitgesproken en dat hier met alle betrokkenen het gesprek over wordt gevoerd.
Het voorval dat in het artikel beschreven wordt, heeft vorig jaar plaatsgevonden. Naar aanleiding van het voorval heeft de school contact opgenomen met de inspectie. De school heeft de inspectie laten zien dat zij na het voorval veel contact gehad heeft met alle ouders van de school, zowel over de sociale veiligheid op school als over de invulling van de burgerschapsopdracht op de school.
De casus ligt nu voor bij het College voor de Rechten van de Mens. Ik wacht hun oordeel af en neem dat oordeel uiterst serieus. Ik begrijp dat de school hetzelfde doet.
Zijn er binnen het primair onderwijs duidelijke richtlijnen voor situaties waarin een leerkracht een leerling (deels) aan- of uitkleedt? Zo ja, welke? Zo nee, acht u het wenselijk deze alsnog op te stellen?
Er zijn geen richtlijnen voor situaties waarin een leerkracht een leerling zonder toestemming aan- of uitkleedt. Het uitgangspunt is dat een leerkracht dat niet doet. De school draagt de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat dit duidelijk is onder leerkrachten. Ik zie geen noodzaak om hier vanuit het ministerie specifieke richtlijnen over op te stellen en dat lijkt me in het kader van de regeldruk ook niet gewenst.
Acht u het handelen van de leerkracht op de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg, zoals beschreven, in strijd met de zorgplicht voor een sociaal veilig schoolklimaat? Hoe beoordeelt u de mogelijke impact op het kind?
Het is niet aan mij, maar aan de inspectie om te beoordelen of een school handelt in strijd met de zorgplicht. De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat haar beoordeling is dat het bestuur na het voorval naar behoren heeft gehandeld. De inspectie geeft aan dat zij geen aanleiding ziet tot twijfel aan het zorgsysteem en dus geen aanleiding ziet tot handhavend optreden.
Hoe beoordeelt u de melding dat de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg later ontkende wat de leerkracht eerder zou hebben toegegeven? Vindt u dat scholen transparant moeten zijn richting ouders over dit soort incidenten?
Natuurlijk is het belangrijk dat scholen transparant zijn over incidenten die raken aan de sociale veiligheid van kinderen. Voor een beoordeling van dit voorval specifiek, verwijs ik naar de beoordeling van de inspectie. De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat haar beoordeling is dat het bestuur na het voorval naar behoren heeft gehandeld.
In hoeverre mogen scholen, waaronder de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg, leerlingen verbieden kleding met een politieke boodschap te dragen? Kunt u uiteenzetten welke juridische kaders hierbij gelden?
Scholen mogen schoolregels hanteren vanuit pedagogisch-didactische overwegingen en met het oog op de orde en veiligheid op school. Deze regels kunnen gaan over kleding. Denk aan het verplichten van gymkleding gedurende de gymles, aan het verbieden van petjes in de klas en ook aan het verbieden van kleding waar beledigende of opruiende uitlatingen op geschreven zijn.
Natuurlijk heeft een school daarbij rekening te houden met de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid van leerlingen. Tegelijkertijd heeft de school een verplichting om zorg te dragen voor een schoolcultuur waarin alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten, dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie bepaalt of scholen aan deze verplichting voldoet.
De school zegt neutraliteit na te streven, maar zou eerder wél acties voor Oekraïne hebben ondersteund. Acht u dit selectief neutraliteitsbeleid? Is dit verenigbaar met het discriminatieverbod en met burgerschapsonderwijs?
Een school bepaalt zelf aan welke onderwerpen zij wel en geen aandacht besteedt, uiteraard binnen de kaders van de daarvoor geldende voorschriften. De inspectie ziet erop toe dat scholen zich aan de wettelijke kaders houden en treedt zo nodig handhavend op.
De keuze van een school om wel aandacht te besteden aan één actueel onderwerp en niet aan een ander, kan bij leerlingen en ouders wel vragen oproepen. Het kan dan helpen als de school uitlegt waarop die keuze gebaseerd is of als de school toch ruimte maakt voor het bespreken van een actueel onderwerp als blijkt dat daar vanuit veel leerlingen behoefte aan is. Zo leren leerlingen dat verschillende opvattingen er mogen zijn en leren ze om daar op een respectvolle manier mee om te gaan. Dit past goed bij de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze zorg dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen worden gestimuleerd om actief met deze basiswaarden te oefenen. Voor leerkrachten die het moeilijk vinden om zo’n gesprek te begeleiden, biedt het Ministerie van OCW via het Expertisepunt Burgerschap een subsidie aan die leerkrachten de gelegenheid geeft om zich hierin te laten bijscholen.
Is een intern «spreekverbod» over specifieke internationale conflicten volgens u pedagogisch en juridisch wenselijk? Wat zijn de risico’s voor het schoolklimaat?
De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze zorgdragen voor een schoolcultuur waarin alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten. Bij het opstellen van leefregels dient de school daar rekening mee te houden.
Als een bepaald maatschappelijk onderwerp onder leerlingen op school leeft, is dat wat mij betreft een mooi haakje om hierover met leerlingen in gesprek te gaan. Juist als er heel verschillende opvattingen over zo’n onderwerp bestaan, zo leren leerlingen dat verschillende opvattingen er mogen zijn en leren ze om daar op een respectvolle manier mee om te gaan. Ook dat past goed bij de wettelijke burgerschapsopdracht.
Hoe kijkt u aan tegen de gestelde gevolgen voor de leerling, waaronder het gevoel van onveiligheid en de overstap naar een andere school? Vindt u dat de school hiermee heeft voldaan aan haar zorgplicht?
Iedere leerling die zich op school onveilig voelt, is er een te veel. Het is niet aan mij om te beoordelen of een school voldoet aan haar zorgplicht. De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat haar beoordeling is dat het bestuur na het voorval naar behoren heeft gehandeld. De inspectie geeft aan dat zij geen aanleiding ziet tot twijfel aan het zorgsysteem en dus geen aanleiding ziet tot handhavend optreden.
Ziet u aanleiding voor onderzoek of interventie door de Inspectie van het Onderwijs naar aanleiding van deze gebeurtenis? Zo ja, welke stappen overweegt u? Zo nee, waarom niet?
De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat zij geen aanleiding hebben gezien tot handhavend optreden.
Zijn bij u of de Inspectie van het Onderwijs andere incidenten bekend waarbij leerlingen worden beperkt in politieke uitingsvrijheid, of waarin leerkrachten vergelijkbaar fysiek ingrijpen bij leerlingen? Zo ja, kunt u deze benoemen en aangeven of hiernaar onderzoek loopt?
De inspectie houdt geen specifieke registratie bij van dergelijke incidenten.
Bent u bereid scholen duidelijke handreikingen te bieden over het omgaan met politieke symboliek, lichamelijke integriteit en gesprekken over internationale conflicten? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
In relatie tot de omgang met politiek, lichamelijke integriteit en gevoelige maatschappelijke thema’s gelden wettelijke kaders, waaronder de zorgplicht van scholen en de wettelijke burgerschapsopdracht. Binnen die kaders zijn scholen zelf verantwoordelijk voor de invulling van hun onderwijs. Ik zie geen noodzaak om scholen van specifieke richtlijnen te voorzien.
De uitspraak van Diederik Gommers dat agressie in de zorg vaker voorkomt bij immigrantenfamilies |
|
Maikel Boon (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Bruijn , Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u zich in de uitspraak van Diederik Gommers dat agressie in de zorg vaker voorkomt bij immigrantenfamilies1?
Ik heb geen gegevens tot mijn beschikking met betrekking tot de prevalentie van agressie onder specifieke bevolkingsgroepen en kan de uitspraak van de heer Gommers daarom niet staven.
Welke gegevens worden op dit moment geregistreerd over agressie-incidenten in de zorg, specifiek met betrekking tot de migratieachtergrond van de betrokken daders?
Het specifiek registreren van een eventuele migratieachtergrond (middels registratie van geboorteland, nationaliteit of etniciteit) van de dader van een agressie-incident in de zorg, is op basis van zowel de Grondwet als de AVG, niet toegestaan.
In artikel 1 van de Grondwet staat opgenomen dat allen die zich in Nederland bevinden, in gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Discriminatie op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Op basis van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft eenieder recht op bescherming van zijn of haar persoonsgegevens. Om hier uitvoering aan te geven is in 2016 de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in het leven geroepen. De AVG stelt dat verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig is indien aan een aantal voorwaarden is voldaan.
Het verwerken van bijzondere persoonsgegevens is in beginsel verboden. Er is een aantal uitzonderingsgronden op basis waarvan verwerking bij uitzondering wel wordt toegestaan, maar deze gronden zien voornamelijk op de noodzakelijkheid ter bescherming van vitale belangen of andere redenen van zwaarwegend belang. Het registreren van een migratieachtergrond in het kader van agressie in de zorg, is een vorm van onderscheid op basis van iemands achtergrond en geldt daarom niet als een dergelijk zwaarwegend belang.
Hoewel het registreren van geboorteland of nationaliteit (gewone persoonsgegevens) in beginsel niet verboden is, kan dit wel een indicatie geven voor de etniciteit van een persoon. Wanneer de verwerking van de nationaliteit tot doel heeft om onderscheid te maken naar etnische afkomst (een bijzonder persoonsgegeven) wordt ook nationaliteit aangemerkt als een bijzonder persoonsgegeven. Dit geldt ook als het voor de verwerkingsverantwoordelijke redelijkerwijs voorzienbaar is dat de verwerking zal leiden tot het maken van onderscheid naar etnische achtergrond. Hiermee wordt voorkomen dat het verbod op verwerking van bijzondere persoonsgegevens wordt vermeden door slechts over nationaliteit te spreken, terwijl hiermee wel degelijk onderscheid zal worden gemaakt tussen personen op basis van hun afkomst.
Bent u bereid om in zorginstellingen structureel te laten registreren of bij agressie-incidenten sprake is van betrokkenheid van personen met een migratieachtergrond, zodat een volledig en objectief beeld ontstaat?
Zie ook mijn antwoord op vraag 2. Artikel 1 van de Grondwet en artikelen 5 tot en met 9 van de AVG sluiten voor zorginstellingen de mogelijkheid uit om te registreren of er bij agressie-incidenten sprake is van betrokkenheid van personen met een migratieachtergrond.
Bent u bereid in gesprek te gaan met ziekenhuizen en zorginstellingen om terughoudendheid bij het doen van aangifte van agressie en geweld tegen te gaan, zodat deze incidenten niet langer buiten beeld blijven en daders consequent kunnen worden aangepakt?
De verantwoordelijkheid voor een gezonde en veilige werkomgeving ligt bij werkgevers, hieronder valt ook adequaat beleid tegen agressie. Om werkgevers hierbij te ondersteunen zijn er vanuit het Ministerie van VWS in 2024 en 2025 bijeenkomsten georganiseerd over het doen van aangifte in de tien politieregio’s. Tijdens de bijeenkomsten gaven politie en OM uitleg over de Eenduidige Landelijke Afspraken, over de mogelijkheden voor werkgevers om aangifte te doen en over het aangifteproces. Ook sprak er in elke regio een best practice organisatie op het gebied van aangifte doen bij agressie.
Daarnaast heeft de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) subsidie gekregen om samen met andere beroepsverenigingen een handelingskader te ontwikkelen. Dat handelingskader geeft zorgverleners handvatten voor het omgaan met agressie, inclusief de verschillende mogelijkheden om te reageren naar de dader. Verder komt er een website waarop allerlei relevante informatie over agressie wordt gebundeld. Het handelingskader en de website zullen in Q2 van 2026 beschikbaar zijn voor de hele sector.
Tot slot ben ik voornemens om de aanpak van agressie, inclusief het doen van aangifte, onder de aandacht te blijven brengen van ziekenhuizen en andere zorginstellingen.
Deelt u de opvatting dat het veelvuldig voorkomen van agressie in de zorg door personen met een migratieachtergrond wijst op fundamentele integratieproblemen binnen bepaalde migrantengroepen, welke maatregelen bent u bereid te nemen om dit probleem bij de kern aan te pakken?
Zie antwoord op vraag 1.
Het bericht ‘Vader van vermoorde Ryan loopt vrij rond in Syrië, wat kan Nederland doen?’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Vader van vermoorde Ryan loopt vrij rond in Syrië, wat kan Nederland doen»1?
Ja.
Bent u bereid concreet toe te lichten wat u kunt doen om straffeloosheid in zaken zoals deze te voorkomen? Zo ja/nee, waarom?
Over lopende strafrechtelijke procedures kan ik geen uitspraken doen. In algemene zin merk ik op dat straffeloosheid zoveel als mogelijk moet worden voorkomen, in het bijzonder waar het gaat om zeer ernstige misdrijven. Ook in zaken met een internationale context zetten alle betrokken Nederlandse autoriteiten, waaronder mijn departement, zich daartoe in. Samen met het Openbaar Ministerie wordt in zaken zoals deze gekeken naar verschillende mogelijkheden om tot gerechtigheid te komen. Een goede samenwerking met de justitiële autoriteiten in het buitenland is hierbij een aspect dat een rol speelt. Over het aangaan en versterken van deze samenwerkingsrelaties voert mijn departement waar nodig overleg met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheid tot het indienen van een rechtshulpverzoek, en zo ja, acht u dit kansrijk en welke criteria hanteert u bij het indienen van rechtshulpverzoeken als er geen adequaat verdrag is met een land als Syrië? Zo nee, wat gaat u dan doen?
Over individuele strafzaken, het contact daarover met een buitenlandse autoriteit en de wijze waarop door een buitenlandse autoriteit wordt gehandeld, kan ik geen mededelingen doen.
In zijn algemeenheid kan ik toelichten dat rechtshulpverzoeken worden ingediend op verzoek van de officier van justitie of de rechter. Inzending naar het buitenland vindt plaats door tussenkomst van mijn departement als centrale autoriteit, dat in dit kader adviseert over de (on)mogelijkheden en de afweging om een verzoek al dan niet te verzenden. Daarbij wordt waar nodig het Ministerie van Buitenlandse Zaken betrokken.
Met Syrië bestaat momenteel geen justitiële rechtshulprelatie. Voor het aangaan van een dergelijke wederzijdse rechtshulprelatie is het essentieel dat er een bestendige, algemene diplomatieke relatie met een land is. Ook van belang is of een land partij is bij relevante internationale verdragen, die bijvoorbeeld zien op de naleving van fundamentele mensenrechten of op justitiële samenwerking in strafzaken. Om een verzoek tot rechtshulp in te dienen is een bepaalde mate van vertrouwen in elkaars rechtssysteem nodig. Daarnaast komen er verschillende praktische aspecten bij kijken en dient een verzoek uitvoerbaar te zijn voor het bevraagde land. Al deze aspecten gelden des te meer voor het sluiten van bilaterale rechtshulp- en uitleveringsverdragen, waar een sterke mate van wederkerigheid bij komt kijken.
Het rechtssysteem in Syrië is sinds de val van het regime van president Assad, in december 2024, nog in opbouw. Het kabinet blijft de ontwikkelingen nauwlettend volgen in het licht van een mogelijke toekomstige samenwerkingsrelatie.
Onder welke omstandigheden acht u het denkbaar dat u in overleg treedt over een rechtshulp- en/of uitleveringsverdrag met Syrië?
Zie antwoord vraag 3.
Welke andere Europese landen hebben inmiddels rechtshulpverzoeken aan Syrië gedaan en kunt u in overleg treden met deze landen om te bespreken hoe zij deze rechtshulpverzoeken hebben voorbereid en welke voorwaarden daarbij zijn gesteld?
Ik ben niet bekend met rechtshulpverzoeken die andere (Europese) landen aan Syrië hebben gedaan. Wellicht ten overvloede merk ik op dat ik geen uitspraken kan doen over de justitiële rechtshulprelaties die andere landen aangaan met Syrië.
In Europa bestaan diverse overleggremia en samenwerkingsverbanden, zowel binnen de Raad van Europa als de Europese Unie. Hierin delen landen best practices met elkaar en kunnen ervaringen over justitiële samenwerking met specifieke landen worden uitgewisseld. Nederland is vertegenwoordigd in deze overlegstructuren en neemt actief deel aan deze vormen van informatie-uitwisseling.
Bent u bereid de zaak van de vermoorde Ryan bij elk diplomatiek (ambtelijk en politiek) overleg met vertegenwoordigers van de Syrische regering blijvend onder de aandacht te brengen om straffeloosheid te voorkomen? Zo ja, kunt u de Kamer hierover periodiek informeren? Zo nee, waarom niet?
Dit is een uiterst tragische zaak. Zowel het Ministerie van Buitenlandse Zaken als mijn departement bezien of – met inachtneming van hetgeen hiervoor uiteen is gezet – en op welke gepast moment, niveau en wijze de zaak onder de aandacht gebracht kan worden bij vertegenwoordigers van de Syrische overgangsregering. Ik kan de Kamer hierover niet periodiek informeren, aangezien ik niet in kan gaan op individuele strafzaken en de al dan niet diplomatieke stappen die daarin worden gezet. Dit zou ook niet in het belang zijn van de zaak, aangezien juist vertrouwelijkheid van diplomatiek verkeer een relatie ten goede komt.
Het bericht ‘Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten: «Blauwdruk voor terreur»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme bevatten en geweld tegen Joden verheerlijken?
Nederland veroordeelt alle vormen van antisemitisme en acht
antisemitische teksten in lesmateriaal onacceptabel. Dit draagt Nederland bilateraal en in EU-verband uit.
Bent u bekend met het eerder ingenomen standpunt van het Europees Parlement dat de EU alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd?2 Deelt Nederland deze positie ook?
Het kabinet is bekend met dit standpunt. Europese steun aan de Palestijnse Autoriteit is afhankelijk van voortgang op noodzakelijke hervormingen, waar lesmateriaal onderdeel van is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland onderschrijft dat lesmateriaal in lijn moet zijn met UNESCO-normen, zoals ook is overeengekomen tussen de Commissie en de Palestijnse Autoriteit (PA). Tijdens mijn recente bezoek aan de PA heb ik dat ook ter sprake gebracht.
Welke consequenties verbindt Nederland aan het feit dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme blijken te bevatten?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden antisemitische schoolboeken zich tot de zogenaamde Letter of Intent die in de zomer van 2024 is ondertekend door de Europese Commissie en de Palestijnse Autoriteit, waarin ook hervorming van het schoolcurriculum is opgenomen?
De Europese financiële steun voor de PA is afhankelijk van voortgang op de hervormingsagenda waarvan onderwijs een belangrijk aandachtspunt is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland blijft in dit kader consequent aandacht vragen voor het belang van het tegengaan van antisemitisme in schoolboeken.
Zoals in het verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 7 en 8 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3132), is de intentieverklaring getekend door de Europese Commissie en de PA op 19 juli 2024. De verklaring bevat een strategie gericht op het stabiliseren van de PA en de economie op de Westelijke Jordaanoever, waaraan een noodsteunprogramma was verbonden van EUR 400 miljoen. De Commissie handelt bij onvoldoende voortgang. Illustratief hiervoor was het Europese besluit om in een eerder stadium nog geen geld over te maken voor de tweede tranche van het noodsteunprogramma (EUR 17.5 miljoen) vanwege onvoldoende voortgang op het implementeren van de in de intentieverklaring afgesproken «prioritaire acties» op het gebied van hervorming van het sociaalzekerheidsstelsel, waaronder betalingen aan families van gevangenen.
Er wordt consequent aandacht gevraagd voor het belang van hervormingen op het gebied van onderwijs waaronder lesmateriaal. Op 20 november jl. kwam de Europese «Palestine Donor Group» bijeen waar de Europese steun aan de PA centraal stond, inclusief gemaakte voortgang op het gebied van hervormingen. Ook hier onderstreepte zowel de Europese Commissie als Nederland het belang van voortzetten van de Palestijnse hervormingsagenda, ook op het gebied van schoolboeken. De Palestijnse Autoriteit bevestigde gecommitteerd te zijn om met de EU afgesproken hervormingen door te voeren, en UNESCO-normen te hanteren voor het schoolcurriculum. Hierover staat de PA in nauw contact met UNESCO.
Hoe wordt gecontroleerd of deze hervorming van het curriculum daadwerkelijk en effectief plaatsvindt? Wat zijn de benchmarks op basis waarvan verdere financiering aan de Palestijnse Autoriteit wordt verstrekt? Wat gebeurt er nu blijkt dat de Palestijnse Autoriteit zich niet aan de Letter of Intent houdt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat, nu er blijkbaar niks veranderd is aan de inhoud van de schoolboeken, dit direct gevolgen moet hebben voor het verstrekken van EU-(onderwijs)subsidies aan de Palestijnse Autoriteit? Bent u bereid om dit standpunt ook in Europese gremia in te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of Nederland ook zelfstandig (los van de EU-subsidies) geld steekt in onderwijs of lesmateriaal van de Palestijnse Autoriteit? Zo ja, gaat u deze subsidies direct stopzetten?
Nederland verstrekt geen subsidies op het gebied van onderwijs of lesmateriaal aan de PA.
Mogelijke misstanden binnen het Nederlandse uitzetbeleid voor vreemdelingen |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Ongehoord Nederland van 13 november jl.1 over het Nederlandse uitzetbeleid met betrekking tot vreemdelingen? Hoe beoordeelt u deze uitzending?1
Hoeveel uitzettingsvluchten, zowel vrijwillig als gedwongen, zijn in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 geannuleerd? Kunt u een volledige uitsplitsing geven per maand, per categorie (vrijwillig of gedwongen) en per reden van annulering?
Klopt het dat in 2024 ongeveer de helft van alle geplande inbewaringstellingen geen doorgang vond, waarvan in 63 procent van de gevallen omdat de vreemdeling niet werd aangetroffen in het asielzoekerscentrum (azc)? Zo ja, hoe verklaart u dat deze vreemdelingen structureel afwezig waren op het geplande moment van uitzetten? Zo nee, welk percentage van de geplande inbewaringstellingen heeft geen doorgang gevonden en hoe verklaart en beoordeelt u dit?
Kunt u uitsluiten dat medewerkers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) vreemdelingen vooraf informeren over geplande uitzettingen door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) of de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V)? Zo ja, hoe controleert u dat dit niet gebeurt? Zo nee, hoe beoordeelt u deze gang van zaken en hoe gaat u deze in de toekomst voorkomen?
Hoeveel gevallen zijn bekend van vreemdelingen die niet in het azc werden aangetroffen op het geplande moment van uitzetten, maar later weer opdoken op dezelfde locatie of zich elders opnieuw meldden voor opvang?
Hoeveel vreemdelingen zijn in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 uit het zicht van de overheid verdwenen? Kunt u deze gegevens uitsplitsen naar nationaliteit en inreisroute?
Hoe vaak komt het voor dat uit Nederland uitgezette vreemdelingen binnen enkele dagen of weken opnieuw in Nederland of bij Ter Apel verschijnen, al dan niet onder een nieuwe identiteit of met nieuwe reden voor een asielaanvraag?
Op welke gegevens baseert u uw antwoord op vraag 7?
Kunt u aangeven hoeveel vreemdelingen in de afgelopen vijf jaar meermaals zijn uitgezet? Bij hoeveel personen was dit meer dan twee keer? Wat zijn de vijf meest voorkomende nationaliteiten in deze situatie?
Welke maatregelen neemt u om misbruik van de Dublinverordening te voorkomen, gelet op signalen dat vreemdelingen die naar bijvoorbeeld Kroatië, Bulgarije of Italië worden teruggestuurd, vrijwel direct weer naar Nederland terugkeren? Kunt u bevestigen dan wel ontkennen dat deze signalen kloppen?
Klopt het bericht dat Duitsland de afgelopen drie maanden meer dan 150 personen bij de Nederlandse grens heeft gezet zonder formele overdracht aan de Koninklijke Marechaussee?2 Zo ja, wat doet Nederland met deze personen? Hoeveel van deze personen verblijven op dit moment in Nederland?
Kunt u een overzicht verstrekken van de totale kosten voor mislukte uitzettingen in de jaren 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025? Kunt u hierbij alle kosten meenemen, waaronder de inzet van AVIM, DV&O, DT&V, tolken en medische begeleiding, maar ook geboekte vluchten, hotelovernachtingen, retourtickets van begeleiders en juridische kosten? Kunt u deze kosten volledig uitsplitsen?
Hoeveel vreemdelingen hebben zich in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 daadwerkelijk gemeld op het moment dat zij een vrijwillige terugkeer hadden afgesproken? Hoeveel vreemdelingen kwamen niet opdagen?
Hoe vaak zijn uitzettingen in 2023, 2024 en (tot nu toe in) 2025 afgebroken vanwege een vermeende medische noodsituatie, een lastminute-interventie van een advocaat, weigering van de gezagvoerder om te vliegen of verstoringen door medepassagiers of activisten? Kunt u deze cijfers volledig uitsplitsen?
Kunt u aangeven waarom Rotterdam The Hague Airport, dat naast het uitzetcentrum in Rotterdam ligt, niet wordt gebruikt voor uitzetvluchten? Welke logistieke en financiële voordelen zou het gebruik hiervan opleveren?
Deelt u de mening dat Nederland fungeert als magneet voor asielzoekers als uitzettingen in de praktijk nauwelijks worden uitgevoerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u concreet doen om het uitzetbeleid te verbeteren?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, zo volledig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het artikel 'Drie dagen in dienst, 19.000 euro na ontslag wegens geloof' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Foort van Oosten (VVD), Rijkaart , Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RTL-nieuwsartikel «Drie dagen in dienst, 19.000 euro na ontslag wegens geloof»1 en met de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 26 september 2025?2
Ja.
Hoe beoordeelt u, met inachtneming van de trias politica en dus zonder in te gaan op het rechterlijk oordeel zelf, de bredere maatschappelijke gevolgen van deze uitspraak voor de arbeidsmarkt, de positie van werkgevers en de omgang met geloofsovertuigingen op de werkvloer? Wat vindt u hiervan?
Vanwege de scheiding van staatsmachten kunnen wij, zoals u stelt, inderdaad niet treden in het rechterlijk oordeel in deze specifieke zaak. Wel kunnen wij ingaan op bredere maatschappelijke implicaties. De uitspraak raakt aan een spanningsveld: enerzijds de grondrechten op gelijke behandeling en vrijheid van godsdienst, en anderzijds de noodzaak voor werkgevers om hun bedrijfsvoering doeltreffend te organiseren.
Uit deze zaak blijkt dat wensen en belangen van werkgever en werknemer rondom deze thema’s kunnen botsen. Belangrijk is dat, als zich dat voordoet, afspraken gemaakt kunnen worden op basis van goed werkgeverschap en goed werknemerschap,. In verreweg de meeste gevallen kunnen botsende wensen en belangen in de praktijk op die manier toch met elkaar worden geregeld (zie ook antwoord op vraag3.
Deze uitspraak maakt het belang duidelijk dat werkgevers in dergelijke gevallen onder meer:
Tegelijkertijd benadrukt de uitspraak dat de proeftijd geen vrijbrief is om te handelen in strijd met de gelijke behandelingswetgeving. Dat is geen nieuwe juridische lijn, maar wordt door deze zaak opnieuw zichtbaar.
Deelt u de zorgen dat deze uitspraak ertoe kan leiden dat werkgevers terughoudender worden om sollicitanten aan te nemen bij wie het vermoeden bestaat dat hun geloofsovertuiging tot beperkingen of conflicten op de werkvloer kan leiden, vanwege het risico op claims? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen acht u noodzakelijk om dit te voorkomen?
Werkgevers zijn gehouden om een verzoek om aanpassing van werkzaamheden of faciliteiten in verband met geloofsovertuiging zorgvuldig te beoordelen. De wettelijke kaders bieden werkgevers daarbij voldoende ruimte om rekening te houden met hun bedrijfsvoering zonder dat dit leidt tot discriminatie vanwege godsdienst of levensovertuiging. Zie voor meer toelichting op dit punt de antwoorden op vragen 5 en 7.
Deelt u de mening dat de huidige wetgeving onvoldoende houvast biedt voor werkgevers om te bepalen welke geloofsuitingen of -beperkingen binnen de dagelijkse bedrijfsvoering redelijkerwijs zijn te faciliteren en welke niet? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
In beginsel is er binnen de wettelijke kaders genoeg ruimte om tussen werkgever en werknemer te bepalen welke uitingen redelijkerwijs zijn te faciliteren door de werkgever. Uiteraard geldt dat discriminatie wegens godsdienst en levensovertuiging in Nederland verboden is. Ook op de werkvloer bestaat er een zekere mate van vrijheid om geloof te uiten.
Tegelijkertijd hebben werkgevers weldegelijk mogelijkheden om onderscheid te kunnen maken – en uitingen niet te faciliteren. Dit is toegestaan als een beperking op de vrijheid van godsdienst «objectief gerechtvaardigd» kan worden.
Voorwaarde om hieraan te voldoen is dat het te bereiken doel met het maken van onderscheid legitiem is (bijvoorbeeld om de bedrijfsvoering goed te laten verlopen) én het middel om het doel te bereiken daartoe geschikt en noodzakelijk is. Daarnaast is in de Awgb opgenomen onder welke specifieke omstandigheden het onderscheid niet verboden is. De wet biedt daarmee voldoende ruimte aan werkgevers om invulling te geven aan hun bedrijfsvoering zonder dat dit leidt tot discriminatie vanwege godsdienst of levensovertuiging.
Is het volgens u logisch dat als tijdens de proeftijd blijkt dat een werknemer het werk feitelijk niet wil en/of kan doen vanwege de geloofsovertuiging de werkgever deze arbeidsrelatie dan beëindigt? Zo nee, waarom niet?
De proeftijd is voor een werkgever een manier om te achterhalen of de werknemer geschikt is voor zijn/haar werk. Voor de werknemer kan de proeftijd onder andere worden gebruikt om te bepalen of de baan aansluit bij de verwachtingen/wensen. Voordeel van de proeftijd is dat gedurende de proeftijd de arbeidsovereenkomst per direct kan worden beëindigd. De werkgever en de werknemer hoeven geen opzegtermijn in acht te nemen. Wel moeten werkgever en werknemer zich ook tijdens de proeftijd houden aan «algemene beginselen» waaronder het beginsel van non-discriminatie en goed werkgever- en werknemerschap.
Betekent deze uitspraak feitelijk dat een werkgever beter om algemene en/of niet nader te specificeren redenen ontslag kan verlenen in de proeftijd?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 5, kan een werkgever de arbeidsovereenkomst gedurende de proeftijd per direct beëindigen. De werkgever hoeft daarbij geen schriftelijke reden te geven voor de opzegging, tenzij de werknemer hier zelf om vraagt. De werkgever kan zelfs weigeren om aan het verzoek van de werknemer gehoor te geven. Wel kan een werknemer ook een proeftijdontslag zonder reden altijd aanvechten bij de rechter, bijvoorbeeld als hij het vermoeden heeft dat er sprake is van ongelijke behandeling.
Wanneer een werknemer bepaalde kerntaken weigert uit te voeren vanwege geloofsovertuiging, in hoeverre moet een werkgever volgens u verplicht worden om werkzaamheden aan te passen en/of collega’s en klanten te belasten? Waar ligt volgens u de grens?
Werkgevers zijn gehouden om een verzoek om aanpassing van werkzaamheden of faciliteiten in verband met geloofsovertuiging zorgvuldig te beoordelen. Daarbij geldt dat een werkgever moet bezien of en in hoeverre een verzoek redelijkerwijs kan worden gefaciliteerd, zonder dat dit leidt tot een onevenredige belasting van de bedrijfsvoering of van collega’s, of tot aantasting van de dienstverlening aan klanten.
Het genoemde verbod van onderscheid geldt bijvoorbeeld niet ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (AWGB art 2, lid4.
De wet verplicht werkgevers dus niet om álle geloofsgerelateerde beperkingen te honoreren. Facilitering moet redelijk, proportioneel en uitvoerbaar zijn. Wanneer een werknemer structureel weigert om wezenlijke taken uit te voeren en passende alternatieven ontbreken, kan de werkgever op basis van het bestaande juridische kader concluderen dat de functie niet langer vervulbaar is, mits dit besluit zorgvuldig en zonder verboden onderscheid wordt genomen. Hierbij is het beginsel «goed werkgeverschap» relevant.
Tegelijk is er ook het beginsel van «goed werknemerschap». Dat houdt onder meer in dat werknemers zich op hun beurt ook redelijk en flexibel moeten opstellen.
Verwacht u dat deze uitspraak consequenties heeft voor sectoren waarin specifieke werkzaamheden regelmatig botsen met religieuze voorschriften, zoals slachterijen, landbouwgerelateerde dienstverlening, zorg, horeca en schoonmaak?
De (Europeesrechtelijke) jurisprudentie laat zien dat de beoordeling of er sprake is van een verboden onderscheid, direct dan wel indirect, op grond van godsdienst een feitelijke beoordeling is waarbij alle feiten en omstandigheden meegewogen moeten worden.5 Denk hierbij aan de aard van de werkzaamheden van de betrokkene en of deze werkzaamheden een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormen.
De rechtbank Noord-Holland heeft in deze casus de specifieke feiten en omstandigheden afgewogen en geconcludeerd dat er sprake is van een direct verboden onderscheid op grond van godsdienst.6 Dat maakt dat er geen algemene opmerking kan worden gemaakt over of deze uitspraak consequenties heeft voor sectoren waarin specifieke werkzaamheden mogelijk botsen met religieuze voorschriften. In een andere situatie kunnen andere factoren namelijk van belang zijn die maken dat er geen sprake is van een verboden onderscheid. Verder is het in algemene zin belangrijk dat werkgevers er zorg voor dragen dat zij geen verboden onderscheid maken.
Kunt u aangeven hoeveel zaken in de afgelopen vijf jaar bij het College voor de Rechten van de Mens of de rechter zijn voorgelegd waarin ontslag of conflicten rond werkweigering werden gelinkt aan geloofsovertuiging? Ziet u een trend?
Uit navraag bij het College voor de Rechten van de Mens blijkt dat het College sinds 2020 14 keer heeft geoordeeld over de vraag of sprake was van onderscheid op grond van godsdienst bij de werving en selectie of de beëindiging van een dienstverband. Het College oordeelde in zes zaken dat sprake was van verboden onderscheid op grond van godsdienst. De cijfers laten geen trend zien.
De Raad voor de Rechtspraak heeft desgevraagd laten weten dat het niet mogelijk is om zaken te filteren die gaan over ontslag of conflicten rond werkweigering gelinkt aan geloofsovertuiging.
Bent u bereid samen met sociale partners te bekijken of aanpassing van wet- of regelgeving nodig is om zowel vrijheid van godsdienst als uitvoerbaarheid van werk te borgen, zonder dat werkgevers worden blootgesteld aan disproportionele risico’s?
Met inachtneming van de geformuleerde antwoorden, zien wij op dit moment geen reden om wet- en regelgeving aan te passen.
Bent u bereid een juridische verkenning te starten naar de mogelijkheden om werkgevers meer duidelijkheid en ruimte te bieden binnen de huidige wet- en regelgeving om in te grijpen wanneer handelingen of beperkingen die voortvloeien uit een geloofsovertuiging de uitvoering van werkzaamheden of de representativiteit binnen het werk belemmeren?
Wij vinden, met inachtneming van de hierboven geformuleerde antwoorden, dat de juridische kaders toereikend zijn.
De hersteloperatie |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u in het artikel uw uitspraak waarin u stelt dat men niet moet stellen dat niemand geholpen is met betrekking tot de hersteloperatie, terwijl duizenden gedupeerden nog steeds wachten, (ernstige) psychische problematiek ervaren of in armoede leven door de falende uitvoering van de hersteloperatie?1
Alle gedupeerde ouders hebben – na een eerste toets – via de Catshuisregeling € 30.000 ontvangen. Vervolgens krijgen zij een integrale beoordeling (IB) door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). Met de IB worden gedupeerde ouders financieel gecompenseerd voor de onterechte terugvorderingen en ontvangen zij een materiële en immateriële schadevergoeding. Vrijwel alle ouders hebben de uitkomst van hun integrale beoordeling (97%). Gemiddeld is aan gedupeerde ouders na de eerste toets en de IB ongeveer € 40.400 toegekend. Voor ouders met schuldenproblematiek die is ontstaan ten tijde van de toeslagenaffaire geldt: hun publieke schulden zijn kwijtgescholden (98%) en betalingsachterstanden op private schulden zijn voor hen betaald (97%).
Een gezin dat van alle deelregelingen (exclusief aanvullende schade) gebruik heeft gemaakt, heeft in totaal gemiddeld voor circa € 117.500 aan financiële compensatie en ondersteuning ontvangen.
Dit kwartaal worden de laatste integrale beoordelingen afgerond. Een groot deel van de ouders zet met het afronden van de integrale beoordeling een punt achter het financieel herstel. Voor een deel van de ouders is daarvoor meer nodig, zij kunnen een route doorlopen voor compensatie voor aanvullende schade. Sinds begin deze maand zijn, conform het advies van de Commissie van Dam, twee gelijkwaardige schaderoutes beschikbaar voor alle ouders met aanvullende schade: Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH) en MijnHerstel.
Niet voor alle ouders is dit genoeg. Naast aanvullende schadeafhandeling, geldt dat ook voor de brede ondersteuning door gemeenten. Hoewel alle ouders recht hebben op deze brede ondersteuning, is in sommige gemeente sprake van een wachtlijst voor toegang hiertoe. Wachtlijstproblematiek is dan ook een onderwerp waar de bestuurlijk regisseur zich op dit moment over buigt. Verder heeft de commissie Van Dam speciale aandacht gevraagd voor gezinnen die de regie kwijt zijn. Voor hen is een integrale aanpak voor intensieve begeleiding ontwikkeld die momenteel stapsgewijs wordt uitgerold. In het kader van mentale gezondheid wordt momenteel gewerkt aan de inrichting van een landelijk Steunpunt voor Mentaal Welzijn, waarbij de verwachting is dat dit steunpunt in het eerste kwartaal van 2026 operationeel zal zijn.
Erkent u dat de herhaalde toezeggingen over versnelling van de hersteloperatie inmiddels ongeloofwaardig zijn geworden nu er ouders zijn die sinds 2020 wachten en het merendeel van de dossiers nog niet is afgerond? Zo nee, waarom niet?
De ambitie van dit kabinet om eind 2027 alle gedupeerde ouders financieel te hebben gecompenseerd staat nog steeds. Voor het overige: zie antwoord op vraag 1.
Hoe verklaart u dat in de uitvoering van de hersteloperatie opnieuw dezelfde patronen zichtbaar zijn als tijdens de toeslagenmisdaad, waaronder wantrouwen, overmatige bureaucratie, gebrekkige communicatie en het volgen van eigen standaarden, ondanks waarschuwingen van de Nationale ombudsman en de Parlementaire enquêtecommissie kinderopvangtoeslag?
Ik deel uw opvatting niet. In de hersteloperatie is het verhaal van de ouder leidend en is het uitgangspunt voor compensatie ruimhartigheid. Voor het uniforme forfaitaire schadekader geldt dat dit is overgenomen van SGH. Dit kader is vastgesteld door onafhankelijke experts, in samenwerking met ouders en SGH.
Verder geven we samen met ouders, jongeren en ketenpartners vorm aan de manier waarop verschillende doelgroepen in de hersteloperatie worden bereikt en ondersteund. We proberen ouders zoveel mogelijk integraal herstel te bieden.
Er wordt sinds de start van de hersteloperatie met man en macht gewerkt om ouders zo snel en zorgvuldig mogelijk te helpen. Vanzelfsprekend wil ik dat de hersteloperatie zo snel mogelijk alle gedupeerde ouders voorbij het onrecht helpt, zodat zij door kunnen met hun leven. Het kabinet zet alles op alles om ook deze laatste fase van de hersteloperatie zorgvuldig uit te voeren.
Tegelijk is het een feit dat de hersteloperatie werkendeweg is vormgegeven, zowel vanuit de wetgever als in de uitvoering. De operatie heeft een omvang gekregen die bij de start niet was voorzien. Dat heeft ertoe bijgedragen dat niet alles in een keer goed is gegaan, en dat we op sommige punten met de kennis van nu denken: dat hadden we beter anders kunnen doen. Deze hersteloperatie kent leerlessen die voor de toekomst worden geborgd.
Kunt u schetsen in hoeverre ex-partners, nabestaanden en gedupeerden in het buitenland toegang hebben tot de herstelroute? Kunnen deze groepen zich aanmelden via «MijnHerstel route»? Zo nee, welke alternatieve procedure of welk loket is voor hen ingericht?
Het is van belang dat ook deze groepen in de hersteloperatie goed en zorgvuldig worden geholpen.
Gedupeerden in het buitenland kunnen zich via het aanmeldportaal aanmelden voor één van beide schaderoutes. Voor ex-toeslagpartners wordt momenteel onderzocht op welke manier voor deze groep het beste invulling kan worden gegeven aan vergoeding van aanvullende schade. Nabestaanden die vallen onder de nabestaandenregeling hebben momenteel toegang tot de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Voor deze groep wordt onderzocht of zij ook toegang kunnen krijgen tot SGH en MijnHerstel.
Hoe wordt omgegaan met gedupeerden in het buitenland die geen DigiD hebben en zich daardoor niet via de reguliere digitale route kunnen aanmelden?
Vanzelfsprekend moeten ouders zonder DigiD hun aanvullende schade ook kunnen indienen. Ouders die geen DigiD hebben kunnen zich aanmelden per post. Die mogelijkheid is er op dit moment voor het indienen van een aanvraag voor aanvullende schadevergoeding. Dit wordt ook mogelijk voor directe aanmelding bij MijnHerstel. Het postformulier is te vinden op schadeherstel.toeslagen.nl.
Daarnaast kunnen ouders een advocaat of juridisch adviseur machtigen om voor hen een aanvraag in te dienen en een aanmelding te doen voor SGH of MijnHerstel. Machtigen kan ook met een postformulier. Het Ondersteuningsteam Ouders in Buitenland (OTB) zal deze ouders hierover gericht voorlichting geven.
Hoe wordt geborgd dat dossiers die niet via de standaardprocedure van «MijnHerstel route» kunnen worden behandeld, tijdig en zorgvuldig worden opgepakt via de maatwerktafel? Op welke termijn is deze maatwerktafel volledig operationeel?
Het uniforme forfaitaire schadekader is vastgesteld vanuit de overtuiging dat met afstand de meeste ouders hiermee ruimhartig gecompenseerd zullen kunnen worden voor hun aanvullende schade. Ervaring bij de SGH wijst hier ook op, aangezien zij al ruim anderhalf jaar met succes ditzelfde kader hanteert. De individuele berekening zal zo snel als mogelijk worden opgeschaald. Tot die tijd blijft de aanpak van de regieroute-VSO operationeel voor die gevallen waarvan al eerder blijkt dat een individuele berekening nodig is.
Is het juist dat mensen in de wachtstand bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) een voorrangsroute zouden krijgen richting «MijnHerstel route»? Zo ja, hoe wordt geborgd dat zij deze route daadwerkelijk kunnen benutten?
Dit is grotendeels juist. Ouders kunnen zich sinds 2 december jl. melden bij MijnHerstel. Zij komen dan direct in een digitale omgeving terecht waarbinnen zij de gebeurtenissen kunnen doorgeven die tot schade hebben geleid. Wanneer zij dit overzicht compleet hebben, kunnen ze het geheel indienen en gaat een behandelaar ermee aan de slag. Tot zover in het proces is het niet nodig of wenselijk te prioriteren in wie wel of geen voorrang krijgt. Mochten veel ouders tegelijkertijd hun schade indienen, waardoor het aantal dossiers groter wordt dan de actuele beschikbare behandelcapaciteit, dan kunnen behandelaars inzien welke ouders al langer wachten bij de CWS en deze ouders prioriteren. Daarnaast krijgen alle ouders in de wachtrij van de CWS begin 2026 een flyer in de brievenbus om hen erop te wijzen dat ze de keuze dienen te maken voor SGH of MijnHerstel om hun aanvullende schade door te geven. Ook hun gemachtigden worden hierop geattendeerd.
Wat is de vervolgstap voor deze ouders indien de reguliere route opnieuw geen adequate uitkomst biedt? Krijgen zij dan opnieuw toegang tot CWS?
Wanneer ouders na doorlopen van de route van de SGH of MijnHerstel geen VSO wensen te tekenen op basis van het uniforme forfaitaire schadekader, rest de mogelijkheid via de individuele berekening te kijken naar een meer precieze berekening van de schade. Ook dit traject kan worden afgesloten met een VSO. Mocht ook dat niet tot overeenstemming leiden, dan zal een beschikking worden afgeven op de aanvullende schade.
Hoe reageert u op de indruk die ontstaat door uw uitspraak dat «slachtofferschap soms ook iemands identiteit kan worden»? Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de erkenning van de daadwerkelijke geleden schade en de ervaringen van ouders?
Erkenning van de schade die ouders hebben geleden staat al gedurende de hele hersteloperatie voorop. De uitspraak is nadrukkelijk niet bedoeld om iets af te doen aan de daadwerkelijke pijn, het onrecht en de ervaringen die ouders hebben doorstaan. Wat ik ermee wil aangeven, is dat langdurige onzekerheid, onduidelijkheid en ervaren onrecht soms zo ingrijpend kunnen zijn, dat zij invloed krijgen op iemands zelfbeeld en op hoe iemand zich door het leven beweegt. In zulke omstandigheden kan het gevoel van slachtofferschap een grote rol gaan spelen, omdat het een logisch gevolg is van alles wat iemand is overkomen. Dat maakt het ook begrijpelijk dat het voor ouders soms moeilijk kan zijn om nog perspectief of vertrouwen te zien. Tegelijk is het voor mensen van belang om het herstel op een bepaald moment af te kunnen ronden en achter zich te kunnen laten, om weer vooruit te kunnen te kijken en de draad van hun leven zelf op te pakken. Het moment en de manier waarop blijft daarbij natuurlijk voor iedereen persoonlijk. Het doel van de hersteloperatie blijft om ouders voorbij het onrecht te helpen, door hen erkenning te bieden, te ondersteunen in herstel en te helpen bij het terugvinden van toekomstperspectief.
Welke stappen zet u om te voorkomen dat gedupeerden het gevoel krijgen dat hun ervaringen worden gebagatelliseerd?
Vanzelfsprekend is het op geen enkel moment in deze hersteloperatie de bedoeling dat ouders het gevoel hebben dat hun ervaringen worden gebagatelliseerd. Dat proberen we te voorkomen door hen de ruimte te geven om hun verhaal te doen, door erkenning te geven en empathie te tonen voor hun emoties en ervaringen. Ook vind ik het belangrijk dat we transparant zijn en waar mogelijk niet in juridische termen spreken.
Ook het inzetten van ervaringsdeskundigen speelt een belangrijke rol. Door hun perspectief consequent mee te nemen, wordt gewerkt aan beleid dat beter aansluit bij wat ouders daadwerkelijk nodig hebben.
Hoe beoordeelt u de stelling in het AD-artikel dat de hersteloperatie «bijna klaar» zou zijn?
De hersteloperatie beweegt zich onmiskenbaar richting de laatste fase. Met de lancering van een centraal aanmeld- en informatieportaal op 25 november 2025, de lancering van de route MijnHerstel op 2 december 2025 en de vaststelling van één uniform schadekader gebaseerd op het reeds geruime tijd gehanteerde schadekader van SGH, heeft het kabinet drie belangrijke stappen gezet om ouders die aanvullende schade hebben ondervonden sneller en eenvoudiger voorbij het onrecht te helpen. Ondanks dat er nog veel werk is te verzetten, is hiermee het schadestelsel in essentie gecompleteerd, en zet het kabinet koers richting het afronden van het financieel herstel in 2027.
Afgelopen maart2 heb ik uw Kamer ook aangegeven dat de ambitie om het financieel herstel in 2027 af te ronden geenszins betekent dat op dat moment alle inspanningen op het gebied van herstel zullen eindigen. In de periode naar eind 2027 toe staat ook voor het niet-financiële deel van herstel nog veel te gebeuren: de bestuurlijk regisseur buigt zich over de harmonisatie en het oplossen van knelpunten binnen de brede ondersteuning en het Landelijk Steunpunt Mentaal Welzijn wordt in het eerste kwartaal van 2026 operationeel.
Tegelijk blijft herstel voor iedereen een persoonlijk proces; alle gedupeerden staan eind 2027 op een ander punt in hun herstel. Het is daarom belangrijk dat wij al ons werk en al onze kennis zo goed en zorgvuldig mogelijk overdragen naar de reguliere uitvoering, zowel landelijk als bij gemeenten. Samen met de VNG heb ik de bestuurlijk regisseur daarom gevraagd om ook hier naar te kijken (zie ook antwoord 12).
Welke rol ziet u voor gemeenten bij het bieden van brede ondersteuning aan gedupeerden in de fase na afronding van de hersteloperatie?
De brede ondersteuning is een tijdelijke regeling. Erkend gedupeerde ouders en kinderen die behoefte hebben aan ondersteuning vanuit de gemeente kunnen daar ook een beroep op doen. Recentelijk heb ik bestuurlijke afspraken gemaakt met de VNG: de uiterste aanmelddatum voor brede ondersteuning is bepaald op 1 september 2027. Ouders en jongeren die zich voor de brede ondersteuning hebben aangemeld, hebben na het opstellen van een Plan van Aanpak nog twee jaar lang recht op uitvoering en wijziging van dat plan. U bent hierover in een recente Kamerbrief geïnformeerd.3
Op termijn zal de brede ondersteuning worden afgebouwd en kunnen ouders en jongeren waar nodig terecht bij hun gemeente voor hulp vanuit het regulier sociaal domein. De bestuurlijk regisseur heeft onder andere als taak om een verantwoorde en breed gedragen overgang van de gemeentelijke hersteltaken naar het regulier sociaal domein te begeleiden.
Hoe wordt voorkomen dat achterstanden, die bij het Ministerie van Financiën worden ingelopen, vervolgens verschuiven naar gemeenten? Hoe verhoudt dit zich tot het aflopen van de SPUK-regeling en welke maatregelen treft u om gemeenten voldoende middelen en ondersteuning te bieden?
Er is geen één op één relatie tussen financieel herstel en de brede ondersteuning. Ouders kunnen op elk moment in hun herstelproces gebruik maken van de brede ondersteuning. Er zijn al veel gedupeerde ouders die een plan van aanpak hebben opgesteld met de gemeente, evenals veel jongeren. Gemeenten kunnen de kosten die zij maken om de brede ondersteuning uit te voeren bij het Ministerie van Financiën indienen via de SPUK-regeling. Om te zorgen dat gemeenten de komende jaren brede ondersteuning kunnen blijven bieden aan ouders en kinderen die hier recht op hebben, zal de SPUK worden verlengd. Er is hiermee duidelijkheid en zekerheid over de looptijd van de brede ondersteuning en de financiering daarvan. U bent hierover via dezelfde Kamerbrief geïnformeerd.4
Onderdeel van de afspraken is ook dat de voortgang met hulp van de bestuurlijk regisseur nadrukkelijk gemonitord blijft.
Bent u bekend met het bericht «Reclame Code Commissie geeft pro life-organisatie «stevige tik op de vingers» vanwege misleidende abortusfolder»?1
Ja.
Hoeveel van de dertienduizend Nederlandse huisartsen die de folders hebben ontvangen, hebben deze ook geplaatst in de wachtkamer?
Het is niet bekend hoeveel huisartsen de folder in hun wachtkamer hebben neergelegd. Wel is bekend dat ongeveer vijftien huisartsen extra folders hebben aangevraagd nadat zij de «proeffolder» en brief van Kies Leven hadden ontvangen.2
Hoe reflecteert u op de uitspraak van de Reclame Code Commissie (RCC) die oordeelde dat de folders in strijd zijn met hun regels, en welke rol ziet u voor uw ministeries in het optreden tegen misinformatie en desinformatie over abortuszorg en seksuele gezondheid?
De Reclame Code Commissie heeft geoordeeld dat de folder van Kies Leven foutieve informatie bevat waarbij «je huisarts» valselijk als afzender wordt vermeld. Ook concludeert de commissie dat de folder zonder gerechtvaardigde reden appelleert aan angstgevoelens.3 Ik vind het zorgelijk en onwenselijk dat er onjuiste gezondheidsinformatie over abortus wordt verspreid en dat vrouwen ten onrechte bang worden gemaakt. De overheid kan op verschillende manieren een rol spelen om de negatieve gevolgen van onjuiste informatie over (abortus)zorg en (seksuele) gezondheid te bestrijden. Dit licht ik toe in mijn antwoord op vraag 6.
Heeft u contact opgenomen met huisartsen om hen te wijzen op de misleidende informatie in deze folder? Zo nee, waarom niet en welke rol ziet u dan wel voor uzelf weggelegd in het informeren van huisartsen over misinformatie?
Ik heb regelmatig contact met de expertgroep Seksuele Gezondheid van het Nederlands Huisartsen Genootschap (SeksHAG). Informatievoorziening over abortuszorg die de huisarts kan leveren is een onderwerp dat bij deze contactmomenten vaak aan bod komt. SeksHAG heeft mij geattendeerd op de folder toen deze in februari onder huisartsen werd verspreid. SeksHAG heeft destijds zelf zijn achterban geïnformeerd.4 Ook Fiom heeft via een nieuwsartikel en een vermelding in de e-learning huisartsen gewaarschuwd.5
Heeft u ook contact gehad met de organisatie verantwoordelijk voor het verspreiden van deze folders, Kies Leven, naar aanleiding van de uitspraak van de RCC? Zo ja, wat was de aard van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik heb geen contact opgenomen met Kies Leven naar aanleiding van de uitspraak. De Reclame Code Commissie is een onafhankelijk orgaan dat toeziet op naleving van de reclamecode. Daarmee is de Reclame Code Commissie dus de aangewezen partij om organisaties aan te spreken op uitlatingen. Dit is niet aan mij.
Bent u bereid om zich te verzetten tegen misinformatie over abortuszorg? Zo ja, welke concrete stappen neemt u hiervoor en hoe wil u in de toekomst voorkomen dat dergelijke schadelijke, onjuiste informatie wordt verspreid, zeker op een plek als de wachtkamer van de huisartsenpraktijk, waar mensen moeten kunnen rekenen op betrouwbare informatie?
Ja, ik wil de negatieve gevolgen van onjuiste informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap, abortus en anticonceptie tegengaan. Dat doe ik op verschillende manieren, zoals ik ook heb toegelicht in de beantwoording van eerdere Kamervragen.6 Ik heb bijvoorbeeld aan Fiom en Rutgers de opdracht gegeven om hier onderzoek naar te doen en te experimenteren met effectieve methodes.7 Eind 2026 leveren Fiom en Rutgers een overzicht op van geëvalueerde interventies en communicatiestrategieën. Deze kunnen daarna worden toegepast door Fiom en Rutgers en worden gedeeld met andere partijen die over abortus communiceren. Bovendien hebben Fiom en Rutgers als kennis- en expertisecentra de taak om betrouwbare informatie te verstrekken over onder andere abortus, onder meer via kennisdeling met het publiek, professionals en beleidsmakers.
Omdat onjuiste gezondheidsinformatie een complex probleem is dat speelt bij verschillende onderwerpen, werk ik hier ook breder aan. Op 18 november 2025 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de eerste contouren van een strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie.8
Vindt u het ook zorgelijk dat onafhankelijke organisaties, zoals Bureau Clara Wichmann en Stichting Fiom, juridische stappen moet nemen om een misinformatie-campagne tegen te gaan? Kunt u in het bijzonder reflecteren op de gevolgen van dergelijke misinformatie-campagnes voor huisartsen, abortusartsen en verpleegkundigen?
Ja, ik vind het betreurenswaardig dat verschillende organisaties een klacht hebben moeten indienen bij de Reclame Code Commissie om de verspreiding van foutieve informatie een halt toe te roepen. Tegelijkertijd is het goed dat er een onafhankelijke organisatie is waar men terecht kán en waar opvolging wordt gegeven aan dergelijke klachten.
Onjuiste informatie kan ervoor zorgen dat cliënten onnodig bezorgd en bang worden gemaakt. Huisartsen, abortusartsen en verpleegkundigen kunnen door misinformatiecampagnes worden geconfronteerd met onnodig angstige of anderszins emotionele cliënten. Dit kan het gesprek tussen zorgverlener en cliënt bemoeilijken. Het kan bovendien veel tijd kosten om misvattingen weg te nemen. Zorgverleners moeten kunnen rekenen op een informatieomgeving waarin betrouwbare informatie prevaleert. Daarom werk ik met de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en de bredere strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie aan het verbeteren van de informatievoorziening en het tegengaan van de negatieve gevolgen van onjuiste informatie.9
In hoeverre hebben misinformatie en desinformatie invloed op het besluit van vrouwen om al dan wel of niet te kiezen voor een abortus? Welke invloed heeft het op de keuzevrijheid van de vrouw?
Ik kan me goed voorstellen dat onjuiste informatie en misinformatie effect kunnen hebben op iemands besluitvorming. Vrouwen kunnen bijvoorbeeld gaan twijfelen en/of (te) lang de tijd nemen om te bepalen of abortus de best passende keuze is, wanneer zij worden geconfronteerd met verkeerde informatie over de medische risico’s of de emotionele impact. Gelukkig hebben vrouwen in Nederland goede toegang tot betrouwbare informatie over abortus en is abortuszorg heel toegankelijk. Ik heb geen signalen ontvangen dat mis- en desinformatie de keuzevrijheid van vrouwen of de toegang tot abortuszorg in Nederland beperken.
Welke concrete stappen zijn er ondernomen voor het tegengaan van desinformatie sinds de beantwoording van de vragen van de leden Westerveld en Pijpelink?2
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 en in eerdere communicatie aan uw Kamer heb toegelicht, zijn hiervoor verschillende stappen gezet binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en de bredere strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie.11 Zo heb ik Fiom en Rutgers opdracht gegeven om onderzoek te doen naar effectieve interventies om de gevolgen van desinformatie over anticonceptie, abortus en onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap tegen te gaan.
Hoeveel huisartsen hebben zich inmiddels laten scholen over de abortuspil? Wordt deze scholing nog aangemoedigd? Zo ja, op welke wijze?
Begin december 2025 hadden 510 huisartsen de scholing afgerond. De scholing wordt op verschillende manieren bij huisartsen onder de aandacht gebracht door de beroepsgroep, Fiom en maatschappelijke organisaties. Bijvoorbeeld via online kanalen of tijdens studiedagen. Zo organiseert SeksHAG fysieke opleidingsmomenten in aanvulling op de online scholing. Het is voor mij geen doel op zich om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk huisartsen de scholing volgen en abortuszorg aanbieden. Huisartsen mogen en kunnen hier zelf over beslissen.
Op welke wijze wordt erop toegezien dat deze folders, maar ook andere misleidende folders, niet meer terecht komen in de wachtkamers van huisartsen?
De Reclame Code Commissie heeft vastgesteld dat de folder van Kies Leven in strijd is met de Nederlandse Reclame Code. De commissie heeft Kies Leven geadviseerd de folder niet meer te verspreiden. De folder is inmiddels niet meer vindbaar via de kanalen van Kies Leven.
Huisartsenpraktijken zijn zelf verantwoordelijk voor het materiaal dat zij in hun wachtkamer aanbieden. Ze maken zelf de afweging welke informatiematerialen zij geschikt vinden. Het is niet aan de overheid om te bepalen welke specifieke folders wel of niet in wachtkamers mogen liggen. Wel werk ik aan het vergroten van de beschikbaarheid van betrouwbare informatie en het versterken van de weerbaarheid tegen onjuiste informatie, zodat zowel zorgverleners als burgers beter in staat zijn om onjuiste informatie te herkennen.
Kunt u reflecteren op de huidige staat van de keuzevrijheid van vrouwen, zeker gelet op de groeiende lobby van misinformatie?
Ik sta pal voor keuzevrijheid en het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen. Gelukkig hebben vrouwen in Nederland de vrijheid om zelf te beslissen over hun zwangerschap en hebben zij hiervoor toegang tot betrouwbare informatie. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 heb toegelicht heb ik geen signalen ontvangen dat mis- en desinformatie de keuzevrijheid van vrouwen of de toegang tot abortuszorg in Nederland beperken.
Kunt u reflecteren op het breder maatschappelijk effect van misleidende campagnes, zoals de folders van Kies Leven?
Omdat zowel vrouwen als zorgverleners in Nederland – gelukkig – goede toegang hebben tot betrouwbare informatie over abortus, verwacht ik dat dergelijke campagnes, waaronder de folder van Kies Leven, geen breed maatschappelijk effect hebben. Maar ik erken dat misleidende campagnes over abortus kunnen bijdragen aan stigma. Dat zou ik betreuren, want ik wil juist stigma tegengaan en een goed gesprek over anticonceptie, kinderwens en onbedoelde zwangerschap normaliseren. Dit is een belangrijke en bestaande taak van Rutgers en Fiom, onze expertisecentra op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb toegelicht, heb ik hen gevraagd om hier de komende jaren meer op in te zetten.12
Op welke wijze wordt erop toegezien dat vrouwen toegang hebben tot goede, begrijpelijke informatie over abortuszorg?
De toegang tot goede, begrijpelijke informatie over abortus wordt op verschillende manieren gewaarborgd. In de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap staan meerdere activiteiten die toezien op informatie over verschillende keuzemogelijkheden bij een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap (zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of afstand ter adoptie). Voorbeelden van deze activiteiten zijn de informatievoorziening en collectieve publiekscommunicatie door de expertisecentra Rutgers en Fiom, en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap, waar aandacht is voor alle vier de keuzemogelijkheden en waarop mensen 24/7 toegang hebben tot de website, chat en/of telefoondienst.
Zorgverleners hebben ook een belangrijke rol in het verschaffen van betrouwbare informatie en voorlichting. Vrouwen kunnen hiervoor altijd bij hun huisarts of bij een abortuskliniek terecht. Ook online bieden zorgverleners informatie aan, zoals op thuisarts.nl en de websites van abortusklinieken. Zoals ik eerder heb aangekondigd13 zal de beroepsgroep van abortusartsen in 2026 de informatievoorziening van abortusklinieken evalueren om deze verder te verbeteren.
Het nieuwsbericht ‘Gehandicapte kinderen spelen vaker alleen in de speeltuin’ |
|
Lisa Westerveld (GL), Daan de Kort (VVD) |
|
Rijkaart , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gehandicapte kinderen spelen vaker alleen in de speeltuin»? Zo ja, wat is uw reactie op dit bericht?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. Ik ben van mening dat alle kinderen, ook kinderen die een beperking hebben, moeten kunnen spelen in een speeltuin, samen met andere kinderen. Er zijn nog steeds te veel gemeenten waar geen speeltuinen zijn waar kinderen met een beperking terecht kunnen. Daarom is in de werkagenda VN-Verdrag Handicap de maatregel opgenomen dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd.
In het nieuwsbericht van de NOS wordt beschreven dat één op de drie kinderen met een handicap nooit bij een speelplek in de eigen buurt komt. Als ze dat wel doen speelt een kwart daar vaak alleen. Wat is uw reactie op deze cijfers van Stichting het Gehandicapte Kind?
Deze cijfers vind ik zeer verdrietig. Kinderen met en zonder beperking moeten met elkaar kunnen opgroeien en spelen. Al sinds de ondertekening van het SamenSpeelAkkoord in 2019 wordt ingezet op een inclusieve speelcultuur met meer samenspeelplekken en meer en beter toegankelijke kennis over samen spelen. De inzet die Jantje Beton en Het Gehandicapte Kind hierop plegen, is van groot belang voor het realiseren van een echte inclusieve speelcultuur. Ook de VNG maakt onderdeel uit van dit netwerk en denkt actief mee. Zij dragen bij aan activiteiten in het netwerk en verspreiden ook actief informatie via haar kanalen en zullen dit ook in de toekomst blijven doen.
Bent u het eens dat er nog veel winst te halen valt bij het inclusiever maken van speeltuinen in Nederland? Hoe worden gemeenten vanuit het Rijk gestimuleerd om speeltuinen inclusiever te maken? Zowel wel bij aanleg van een nieuwe speeltuin als bij een herontwikkeling of vernieuwing?
Buitenspelen is primair een taak van gemeenten. Binnen GALA en Sportakkoord II is aandacht voor de beweegvriendelijke omgeving en buitenspelen in de openbare ruimte. VWS ondersteunt het SamenSpeelNetwerk, dat informatie en expertise ter beschikking stelt om zowel gemeenten als bedrijven te ondersteunen die werk willen maken van samen spelen. Zoals gezegd is in de werkagenda VN-Verdrag Handicap de maatregel opgenomen dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd. Daarnaast verkent VWS samen met partners hoe inclusiviteit een plek krijgt in de (interdepartementale) stimulering en ontwikkeling van groen/blauwe schoolpleinen, de speelleeromgeving van scholen.
Uit het bericht blijkt dat 155 gemeenten in Nederland nog geen aangepaste speelplek hebben. Wat is uw reactie op dit aantal en hoe worden deze gemeenten al ondersteund om hun speeltuinen inclusiever in te richten?
Middels een meerjarige subsidie van VWS aan het SamenSpeelFonds wordt ingezet op een landelijke dekking van inclusieve speeltuinen. In samenspraak met het SamenSpeelFonds hebben we de reikwijdte van het programma verbreed waardoor ook gemeenten een aanvraag in kunnen dienen. Doel is om eind 2026 in 70% van de gemeenten een inclusieve speeltuin gerealiseerd te hebben. Eind 2030 moet in lijn met de strategie «Sporten voor mensen met een handicap is vanzelfsprekend in 2030» 100% van de Nederlandse gemeenten een inclusieve speeltuin hebben.
Welke rol heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om het verschil tussen gemeenten met en zonder toegankelijke speelplekken te verkleinen en er zo voor te zorgen dat in iedere gemeente er in ieder geval één toegankelijke speelplek te vinden is voor kinderen met een handicap?
De overheden, dus ook gemeenten, zijn op basis van het VN-verdrag Handicap verplicht om het mogelijk te maken dat ook kinderen met een beperking mee kunnen doen. Zoals gezegd is buitenspelen primair een taak van gemeenten. Met de eerder in deze brief genomen maatregelen worden alle gemeenten door het kabinet, waaronder de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, gestimuleerd en ondersteund om inclusieve speeltuinen te hebben. De afspraak is dat in 2030 in elke gemeente minimaal één inclusieve speeltuin is gerealiseerd. Het is aan gemeenten om lokaal, in nauwe samenspraak met inwoners met een beperking en vertegenwoordigende organisaties, vast te stellen hoe zij deze verplichting lokaal zo goed mogelijk opvolging kunnen geven.
Zijn er landelijke richtlijnen voor het toegankelijk maken van speeltuinen? Zo ja, zou daar vanuit het ministerie enerzijds opnieuw aandacht voor gevraagd kunnen worden en anderzijds een doelstelling aan gekoppeld kunnen worden?
Er zijn geen landelijke richtlijnen voor het toegankelijk maken van speeltuinen. Zoals hierboven geschetst, ondersteunt het SamenSpeelnetwerk gemeenten bij het toegankelijk maken van speeltuinen. De VNG maakt in de inspiratiebundel «Aan de slag met samen spelen»2 gebruik van de 100-70-50 regel die de speeltuinbende3 heeft opgesteld. Dit wil zeggen dat iedereen op speelplekken 100% welkom is, 70% van de ruimte toegankelijk en 50% van de voorzieningen bespeelbaar is voor ieder kind.
Bent u van mening dat het toegankelijk maken van speelplekken een verplichting is die voortvloeit uit het VN-verdrag Handicap? Zo nee, waarom niet?
Het VN-Verdrag Handicap benadrukt het recht om samen op te groeien en samen te spelen. Wij hebben met elkaar de verplichting om dit mogelijk te maken.
Bent u bereid om met gemeenten in gesprek te gaan om hen te wijzen op het belang van inclusieve speelplekken en om hen te vragen dit standaard in hun beleid of lokale inclusie-agenda op te nemen? Zo nee, waarom niet?
De VNG is onderdeel van het samenspeelnetwerk. Het belang van samen spelen dragen zij uit naar gemeenten. In de handreiking «Lokale Inclusie Agenda» en praktijkvoorbeeldendatabank van de VNG wordt ook aandacht besteed aan inclusief spelen.
De bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten |
|
Annette Raijer (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bezetting van het Academiegebouw in Leiden door gemaskerde pro-Palestijnse activisten, waarbij demonstranten het gebouw binnendrongen, afsloten en bezoekers actief de toegang belemmerden?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat universiteitsbesturen in gesprek gaan met bezetters die een academisch evenement fysiek blokkeren?
De instellingsbesturen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht als ook de veiligheid op de campus te waarborgen. Natuurlijk moet er ruimte zijn en blijven voor demonstraties op de onderwijsinstellingen. Maar wel binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling. Geweld, vernielingen, discriminatie, en haatzaaien zijn strafbare feiten en hebben geen plek bij protesten. Universiteitsbesturen gaan zelf over welke interventie zij op welk moment passend vinden, waaronder of zij in gesprek gaan met demonstranten. Het is belangrijk dat keuzes voor het borgen van veiligheid zoveel mogelijk lokaal wordt genomen door de instellingsbestuurders in nauwe samenspraak met de lokale driehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan de situatie het beste worden ingeschat en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Vindt u dat de Universiteit Leiden verplicht is aangifte te doen tegen deze bezetting, aangezien universiteiten in hun eigen richtlijnen vastleggen dat bezettingen verboden zijn en strafbare feiten niet zonder gevolgen mogen blijven? Zo nee, waarom niet?
Instellingen hebben met elkaar afgesproken dat zij bij (vermoedens van) strafbare feiten altijd aangifte doen. Ik heb begrepen dat het College van Bestuur van de Universiteit Leiden aangifte heeft gedaan bij de politie van lokaalvredebreuk en de bezetters heeft gevorderd het gebouw te verlaten. De politie is uiteindelijk overgegaan tot ontruiming.2 Ik hecht eraan te benoemen dat ik als Minister niet kan treden in opvolging door het OM noch bemoeienis kan hebben met de rechtsgang.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist de Cleveringa-lezing, die is ingesteld ter herdenking van antisemitische maatregelen tegen Joodse academici, moest worden verplaatst door deze actie, en bent u bereid dit optreden expliciet als antisemitisch te kwalificeren? Zo nee, waarom niet?
Universiteiten en hogescholen zijn een plek voor debat en dialoog. Binnen de instelling moet men hier dan ook zoveel mogelijk de ruimte toe krijgen, bijvoorbeeld door een lezing te organiseren. Ik vind het onacceptabel wanneer studenten en/of medewerkers hierin worden belemmerd. Ik betreur het daarom zeer dat de geplande Cleveringa-lezing verplaatst moest worden. Tegelijkertijd zie ik dat de Universiteit Leiden adequaat heeft gehandeld, want door de lezing te verplaatsen kon deze toch doorgang vinden.
Het is niet aan mij als Minister van OCW om te beoordelen wanneer er sprake is van antisemitisme. Bij vermoedens van antisemitisme kan aangifte worden gedaan. Vervolgens is het aan het OM en, indien vervolging wordt ingesteld, aan de rechter om te bepalen of er in concrete gevallen sprake is geweest van antisemitisme.
Het slopen van het dorp en de gemeenschap Moerdijk |
|
Daniël van den Berg (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Rijkaart , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre deelt u de analyse dat ruimtegebruik van de energietransitie oorzaak is voor het mogelijk verdwijnen van Moerdijk?
Kunt u aangeven hoeveel extra ruimtegebruik de energietransitie vraagt in Nederland tot aan 2040?
In hoeverre heeft u in kaart waar deze extra ruimtevraag in Nederland nodig is, en kunt u deze delen? Zo ja, welke daar nu bestaande functies zoals wonen, bedrijven, landbouw moeten daardoor verdwijnen?
Op welke manier neemt u de extra ruimtevraag en het verdwijnen van hele gemeenschappen mee in de veelgeprezen versterking van de «brede welvaart» afweging?
In hoeverre deelt u de mening dat kernenergie per eenheid opgewekte elektriciteit aanzienlijk minder ruimte vergt dan een energietransitie die primair is gebaseerd op wind- en zonne-energie, mede gelet op internationale studies waaruit blijkt dat kernenergie per eenheid elektriciteit 18 tot 27 maal minder land vereist dan zonne-energie1?
Kunt u daarbij aangeven of bij de ruimtelijke beoordeling een scenario met substantiële kernenergieproductie is onderzocht, wat dit zou betekenen in termen van hectares ruimtebesparing voor de regio Moerdijk en voor Nederland, en – indien dat niet het geval is – of u bereid bent dit alsnog te (laten) berekenen en met de Kamer te delen?
Welke rol speelt ruimtegebruik bij uw afweging voor de energietransitie?
Ziet u mogelijkheden om de inwoners van de kern Moerdijk opnieuw te vestigen binnen de gemeente Moerdijk in één van de andere woonkernen? Zo ja, wat gaat u doen om dit mogelijk te maken?
Hoe wordt geborgd dat basisvoorzieningen zoals de basisschool, sportverenigingen, zorgpost en supermarkt tot het einde openblijven?
Hoe verhoudt het besluit om de dorpskern Moerdijk te schrappen zich tot de vastgestelde zoekgebieden in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) en het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE)?
Wat is het totale ruimtebeslag van de Powerportopgave per onderdeel (stations, kabels, opslag, waterstof- en CO2-leidingen, havenlogistiek) en hoe verklaart u het verschil tussen de 28 hectare (ha) voor het 380/150/20 kV-station2 en de 400–500 ha die de gemeente noemt voor de totale opgave?
In hoeverre is de sloop van het dorp nodig voor de logistieke uitbreiding (PowerPort) in plaats van alleen voor energie-infrastructuur?
Wat zijn de geraamde totale kosten van het opheffen van Moerdijk, uitgesplitst naar (a) verwerving en taxatie van 1.100 woningen/bedrijven en compensatie voor immateriële schade, (b) verplaatsing van publieke voorzieningen zoals school, sport en begraafplaats, (c) aanleg van de nieuwe energie-infrastructuur en (d) leefbaarheids- en gebiedsfonds? Hoe wordt dit gefinancierd (Rijk, provincie, havenbedrijf, TenneT/Enexis) en zijn hiervoor middelen gereserveerd in de Rijksbegroting?
Hoe worden de kosten van onteigening, verplaatsing en leefbaarheidsmaatregelen op project- en systeemniveau bijgehouden en betrokken bij de nationale kosten-batenanalyse? Bent u bereid een openbaar register in te richten waarin alle ruimtelijke kosten (grondaankoop, onteigening, waardedaling, leefbaarheidsfondsen, juridisch verweer) worden vastgelegd?
Wie heeft de regie in dit project? Het participatieplan vermeldt dat TenneT en Enexis initiatiefnemer zijn en dat het Ministerie van Klimaat en Groene Groei het bevoegd gezag is3. Wat is de rol van de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk? Wie beslist uiteindelijk over de opheffing van het dorp en wie over de inrichting van het gebied?
Acht u het maatschappelijk en juridisch wenselijk dat de energietransitie gepaard gaat met het verwijderen van dorpen? Welke precedenten bestaan er in Nederland of elders en wat zijn de belangrijkste lessen?
Acht u dat de grote ruimtelijke claim van een 100% hernieuwbaar energiescenario aanleiding is om, conform het NPE dat wind, zon en kernenergie als mix benoemt4 en een opschaling naar 70 GW wind op zee en 3,5–7 GW kernenergie voorziet, het energiesysteem te herijken en extra kernenergie of andere compacte bronnen toe te voegen?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het nog in te plannen plenaire debat over Moerdijk?