Het onderzoek van de Consumentenbond naar tekortkomingen in de bescherming van online gokkers en de lopende massaclaim van de Consumentenbond. |
|
Sarah Dobbe , Mirjam Bikker (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Verboden trucs in legale online casino’s: massaclaim in de maak»1 en «Consumenten voor totaalverbod gokreclame én betere bescherming»2?
Ja.
Hoe weegt u het feit dat 84% van door de Consumentenbond onderzochte populatie een totaalverbod op gokreclame steunt en 88% betere bescherming tegen dark patterns verlangt?
De in het bericht van de Consumentenbond genoemde cijfers geven een belangrijk signaal af over maatschappelijke zorgen rond gokken. Ik neem dergelijke signalen serieus en betrek deze bij de uitwerking van de door mijn voorganger aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand.3
Kunt u expliciet aangeven of u van oordeel bent dat de Wet kansspelen op afstand, zoals deze sinds 2021 wordt uitgevoerd, onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare spelers en waarop u dat oordeel baseert?
De Wet op de Kansspelen, zoals deze in 2021 is gewijzigd met de Wet kansspelen op afstand (hierna: Wet koa), biedt onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. Dit is ook de algemene conclusie in de evaluatie van de Wet koa.4 Daarin concluderen de onderzoekers dat de invoering van de Wet koa tot op heden (nog) niet heeft bijgedragen aan een verantwoord en controleerbaar kansspelaanbod. Ook heeft het beleid volgens de onderzoekers geleid tot een grote groep nieuwe spelers, waaronder relatief veel jongvolwassenen. De Wet koa heeft wel geleid tot een betrouwbaar aanbod en tot een mate van controleerbaarheid en controle die groter is dan bij illegaal aanbod het geval is, aldus de onderzoekers. Daarnaast blijkt uit een analyse van TNO dat online gokken een systeem is met een sterke neiging tot escalatie, aangedreven door positieve feedbackloops in zowel vraag als aanbod. Volgens TNO zijn de beschermende maatregelen tegen onmatig speelgedrag en ter preventie van verslaving niet in staat gebleken deze zelfversterkende feedbackloops afdoende te bedwingen.5
Bent u het ermee eens dat de belofte van «veilig en gecontroleerd» online gokken niet is waargemaakt, nu structureel sprake is van toenemende gokverslavingen, ernstige financiële schade bij gedupeerde burgers en het gebruik van gedragsbeïnvloedende technieken door legale aanbieders?
Zoals ik hiervoor in het antwoord op vraag 3 heb genoemd, biedt de Wet koa onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. De Wet koa ging uit van de eigen verantwoordelijkheid van de speler en de bescherming beperkte zich daarbij tot consumenten en het voorkomen van kansspelverslaving. De toen gekozen insteek blijkt problematisch te zijn, zo blijkt uit de evaluatie van de Wet koa, en betere bescherming is nodig.
Deelt u de opvatting dat het toepassen van dergelijke gedragsbeïnvloedende technieken door vergunninghoudende gokbedrijven onverenigbaar is met hun zorgplicht, juist omdat zij aantoonbaar bijdragen aan problematisch speelgedrag?
Onderzoeksbureau Behavioural Insights heeft in opdracht van de Ksa onderzoek gedaan naar gedragsbeïnvloeding op bepaalde online kansspelplatformen. Uit het rapport, dat in september 2025 is opgeleverd, komt naar voren dat online kansspelaanbieders zowel op positieve als negatieve wijze gebruik maken van gedragsbeïnvloeding om het gedrag van consumenten te sturen. Positieve gedragsbeïnvloeding zijn bijvoorbeeld ontwerptechnieken om mensen te helpen weloverwogen keuzes te maken. Negatief bijvoorbeeld als de beslisomgeving wordt ingericht met als doel om mensen zo veel mogelijk te laten inzetten of zo lang mogelijk te laten spelen. Dit laatste is kwalijk en onwenselijk in het kader van bescherming van mensen tegen gokschade.
Is het ontbreken van een expliciet wettelijk verbod op dark patterns een lacune in de bescherming van burgers die actief zijn op online gokplatforms? Zo ja, hoe en op welke wijze en termijn bent u van plan dit probleem aan te pakken?
Bij de uitwerking van de aangekondigde maatregelen wordt ook gekeken naar de gedragsbeïnvloedende technieken die worden toegepast en of het noodzakelijk is om daar de wet- en regelgeving op aan te passen. Hier kan ik nu nog niet op vooruitlopen.
Hoe beoordeelt u de vaststelling van de Consumentenbond dat meerdere legale aanbieders werken met oneerlijke standaardinstellingen en extreem hoge speellimieten, en kunt u bevestigen of dit naar uw oordeel in strijd is met geldende wet- en regelgeving?
Het onderzoek van de Consumentenbond waarin extreem hoge speellimieten en oneerlijke standaardinstellingen werden vastgesteld is gepubliceerd in november 2023. Inmiddels is de regelgeving op dit onderwerp aangepast en zijn op 1 oktober 2024, vooruitlopend op de evaluatie van de Wet koa, maatregelen ingevoerd op het gebied van speellimieten en spelersbescherming.6 Op basis van de Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag en de Beleidsregel Verantwoord Spelen 2024 van de Ksa gelden stortingslimieten waarbij spelers worden verplicht contact op te nemen met de vergunninghouder wanneer zij een maandelijkse stortingslimiet van 350 euro of hoger willen instellen (150 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar) en waarbij de vergunninghouder verplicht is de financiële draagkracht van een speler na te gaan wanneer deze meer dan 700 euro in de maand stort (300 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar). Daarnaast geldt op basis van deze maatregelen dat het instellen van limieten plaats dient te vinden in een neutrale keuzearchitectuur, waarbij de speler zo min mogelijk wordt beïnvloed door gedragsbeïnvloedingstechnieken. Oneerlijke standaardinstellingen of extreem hoge speellimieten zijn binnen deze regelgeving niet meer toegestaan. Verder dienen limieten verplicht in euro’s te worden weergegeven en gelden verplichte pop-ups tijdens het spelen. Uit de effectmetingen van de Ksa blijkt dat deze maatregelen effect hebben omdat spelers bij vergunde aanbieders minder hoge limieten instellen en minder verliezen na de genoemde wijziging van de regelgeving. Dit is uiteengezet in de brief aan uw Kamer op 3 juli 2025.7
De Ksa houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en treedt op bij overtredingen, zoals bij de recente bindende aanwijzing voor Hillside in het kader van de zorgplicht en nagaan van de draagkracht van spelers.8
Kunt u concreet aangeven welke maximale speellimieten en welke uitgangspunten voor standaardinstellingen momenteel wettelijk of beleidsmatig gelden, en waarom deze niet hebben voorkomen dat spelers gemiddeld duizenden euro’s verliezen?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe vaak heeft de Kansspelautoriteit sinds 2021 handhavend opgetreden tegen legale aanbieders wegens schending van de zorgplicht, en kunt u daarbij per jaar aangeven hoeveel waarschuwingen, boetes en vergunningmaatregelen zijn opgelegd? Acht u deze handhavingspraktijk, bezien in het licht van de huidige maatschappelijke schade en de lopende massaclaim, voldoende afschrikwekkend, en zo ja, waarom?
In 2023, 2024 en 2025 heeft de Ksa het volgende aantal waarschuwingen gegeven en boetes opgelegd aan vergunde aanbieders:
Interventie
2025
2024
2023
Waarschuwingen
38
37
16
Boetes
5
2
8
Een groot deel van het aantal waarschuwingen aan de legale aanbieders had betrekking op de zorgplicht. Ook hebben alle vijf boetes in 2025 betrekking gehad op overtredingen van de zorgplicht. Gezien de lange doorlooptijden van boetetrajecten, hebben de boetes van 2025 betrekking op overtredingen van de zorgplicht die plaatsvonden na de opening van de markt in 2021 t/m 2023. Een aantal onderzoekdossiers in het kader van de zorgplicht wacht nog op een mogelijke handhavingsactie van de Ksa. Naast waarschuwingen en boetes maakt de Ksa ook gebruik van lasten onder dwangsom, aanwijzingen en normoverdragende gesprekken als handhavingsopties om ervoor te zorgen dat de legale aanbieders zich houden aan de zorgplichtregels. Als in de vraagstelling met «vergunningsmaatregelen» intrekking van de vergunning wordt bedoeld, dan is het antwoord dat dit niet heeft plaatsgevonden.
Het is aan de Ksa of en hoe zij in een individueel geval handhaven. Ik kan geen uitspraken doen over of de huidige handhavingspraktijk al dan niet voldoende afschrikwekkend is. Wel erken ik dat het instrumentarium van de Ksa voor toezicht en handhaving op vergunde aanbieders verbetering behoeft. In het traject tot wijziging van wet- en regelgeving van online kansspelen wordt dit meegenomen. Daarnaast kan de aanscherping van de zorgplicht waaraan ik eveneens werk ook bijdragen aan verbeterde toezicht en handhaving.
Deelt u de juridische opvatting dat het structureel schenden van de zorgplicht en het toepassen van verboden of misleidende technieken kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen, met als mogelijke consequentie ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding aan gedupeerden?
Dit zal per individueel geval moeten worden bekeken en hangt af van hetgeen, bijvoorbeeld ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding, daadwerkelijk wordt geëist in een juridische procedure. Een oordeel hierover is aan de rechter. In het kader van het traject tot wijziging van wet- en regelgeving op het gebied van kansspelen op afstand onderzoek ik in hoeverre de rechtspositie van spelers van online kansspelen kan worden verbeterd bij (gestelde) schending van de zorgplichtregels en regels rond verslavingspreventie.
Welke concrete gevolgen zou een rechterlijke vaststelling van dergelijk onrechtmatig handelen volgens u moeten hebben voor de vergunningverlening, verlenging of intrekking bij betrokken aanbieders?
Het is niet aan mij is om te besluiten over het schorsen of intrekken van een vergunning. Deze besluiten zijn aan de Ksa, als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan.
Zoals ook in de beantwoording van eerdere Kamervragen is genoemd, kan de Ksa besluiten een vergunning in te trekken indien nieuwe informatie of antecedenten met betrekking tot een vergunninghouder leiden tot het inzicht dat de vergunning toentertijd niet zou zijn verstrekt.9 Daarnaast zal de Ksa de toezichtservaring over de voorgaande vergunningsperiode met betrekking tot een vergunninghouder meewegen in de beoordeling van verlengingsaanvragen. Onder andere worden overtredingen en het gedrag van vergunninghouders tijdens de huidige vergunningsperiode mee gewogen in de beoordeling.
Kunt u concreet aangeven welke aanvullende wettelijke maatregelen u op korte termijn zult nemen om de zorgplicht van online kansspelaanbieders afdwingbaar te versterken, en op welke termijn de Kamer hierover voorstellen kan verwachten?
Momenteel werk ik de aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand uit, waaronder aanscherping van de zorgplicht. Mijn voorganger heeft met de Kamer het streven gedeeld om uw Kamer dit voorjaar te informeren over richtinggevende keuzes die in het kader van de maatregelen zijn gemaakt. Daarbij wordt uw Kamer ook geïnformeerd over de planning van het wetgevingstraject. Wat betreft de zorgplicht geldt dat een onafhankelijke expertgroep werkt aan het doen van aanbevelingen op dit terrein. Deze aanbevelingen worden in de zomer van 2026 verwacht en meegenomen in het wetgevingstraject.
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het sluiten van zorgvilla’s |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgvilla sluit plots de deuren: «We dachten dat het een phishingmail was. Dit kan toch niet?»»?1
Ik ben bekend met het bericht.
Begrijpt en herkent u de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf, zoals die van ExpertCare?
Het leven voor gezinnen met een kind dat medische zorg nodig heeft, is intens en uitdagend. Ik begrijp en herken dan ook de zorgen van de ouders waarvan de kinderen verblijven in een medisch dagverblijf. Kinderen en hun ouders moeten kunnen rekenen op goede medische kindzorg. Daarom vind ik het belangrijk dat zorgverzekeraars en de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) met elkaar in gesprek zijn over de toegankelijkheid van medische kindzorg.
Hoeveel van dit soort medische dagverblijven/zorgvilla’s, zoals ExpertCare, zijn er momenteel in Nederland?
Acht leden van Binkz bieden 24-uurs kindzorg aan. Vijftien leden van Binkz hebben een verpleegkundig kinderdagverblijf.
Is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de hoogte gebracht van het feit dat ExpertCare de deuren van hun dagverblijf zal sluiten? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Op 27 januari 2026 heeft het Ministerie van VWS via een persbericht van ExpertCare het voorgenomen besluit vernomen om hun locaties voor medische kindzorg per 31 maart 2026 te sluiten. Het Ministerie van VWS heeft van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) begrepen dat de NZa en zorgverzekeraars voorafgaand aan dit persbericht niet op de hoogte waren van het voorgenomen besluit. Sindsdien houdt de NZa het Ministerie van VWS intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden.
Moet het worden gemeld als dergelijke organisaties als ExpertCare, die een uniek aanbod leveren en voorzien in specialistische zorg, de deur sluiten?
Ja, op grond van het continuïteitsbeleid dient een aanbieder van zorg voor zeer specifieke cliënten, zoals ExpertCare, een melding te doen bij de zorgverzekeraar(s) als de betreffende zorgaanbieder gaat sluiten. De zorgverzekeraars maken doorgaans in hun contracten afspraken hierover. Ook dienen de zorgverzekeraars hierover de NZa te informeren. Als de NZa in gesprek met zorgverzekeraars en de aanbieder geen zekerheid kan krijgen over het borgen van continuïteit van zorg, schaalt de NZa op naar het Ministerie van VWS2.
Welke concrete maatregelen zijn er getroffen, zowel door het ministerie als door ExpertCare, om de zorgvilla’s open te houden?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de financiële bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van alle relevante ontwikkelingen.
Welke mogelijkheden heeft u nog om te voorkomen dat de zorgvilla’s gesloten moeten worden?
Kern van het continuïteitsbeleid is dat de continuïteit van zorg centraal staat, en niet de continuïteit van individuele zorgorganisaties3. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering. Zoals hierboven aangegeven, houdt de NZa toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en is de NZa in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Kunt u deze vragen ieder apart en zo spoedig mogelijk beantwoorden, in ieder geval voor de plenaire behandeling van de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
Een tweet van de directeur van de Amerikaanse inlichtingendiensten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze tweet1 van Tulsi Gabbard, directeur van de Amerikaanse inlichtingendiensten, waarin ze stelt dat Rusland niet de militaire capaciteit heeft om Oekraïne, laat staan heel Europa, te veroveren?
Ja.
Deelt de Nederlandse regering deze analyse van de Amerikaanse regering? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet deelt deze analyse niet. Rusland beschikt over grote militaire capaciteiten en blijkt in staat om de verliezen in Oekraïne aan te vullen. Daarbij heeft Rusland zich bereid getoond om grote verliezen te accepteren om militaire doelen te behalen. Oekraïne is tot nu toe in staat geweest om een volledige verovering te voorkomen, mede dankzij de militaire en niet-militaire steun van partners, waaronder Nederland. Het kabinet zal Oekraïne blijven steunen en partners hiertoe oproepen. De veiligheid en stabiliteit in Europa zouden immers nog verder ondermijnd worden, als Rusland zou worden beloond voor zijn agressie.
Is, wat de Nederlandse regering betreft, Rusland militair in staat Europa te veroveren? En is de Nederlandse regering wel of niet van mening – los van het feit of Rusland hier militair toe in staat is – dat Rusland de ambitie heeft om Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder militair te veroveren?
Het kabinet ziet Rusland als de grootste veiligheidsdreiging voor Nederland en Europa. Het Kremlin beschouwt de oorlog tegen Oekraïne als onderdeel van een breder conflict met de NAVO. Rusland bereidt zich voor op een langdurige confrontatie met de NAVO, ook op militair gebied. Rusland is niet alleen in staat gebleken de substantiële verliezen in Oekraïne op te vangen, maar zelfs de krijgsmacht uit te breiden en te hervormen. Mede door de materiële steun die Rusland ontvangt van landen zoals Noord-Korea en Iran kan het een deel van de eigen productie gebruiken en vergroten om de strategische reserves aan te vullen. De invloed van de oorlog in Iran zou hier verandering in kunnen brengen, maar de precieze consequenties blijven vooralsnog onduidelijk. Ook hebben de verschillende Russische krijgsmachtonderdelen aanzienlijk geïnvesteerd in de integratie van onbemande systemen, waarbij geleerde lessen uit de oorlog tegen Oekraïne ingezet worden om de effectiviteit van deze inzet te vergroten.
De Russische inspanningen zijn er op gericht de NAVO politiek uiteen te spelen. Indien de oorlog met Oekraïne is beëindigd, is Rusland militair in staat om een in tijd en ruimte beperkte operatie tegen één of meerdere bondgenoten uit te voeren. Mede gezien onze bondgenootschappelijke verplichtingen, raakt dit Nederland direct. De Russische krijgsmacht voert daarnaast verschillende activiteiten uit om de escalatiebereidheid van de NAVO te testen. De Russische risicobereidheid is de afgelopen jaren toegenomen, getuige de diverse drone-incidenten en Russische schendingen, al dan niet opzettelijk, van NAVO-luchtruim. Ook zijn andere hybride activiteiten, cyberaanvallen, sabotage- en desinformatie-activiteiten in Europa toegenomen en vinden regelmatig Russische schendingen van het NAVO-luchtruim plaats. Deze strategie richt zich ook steeds vaker op Nederland, waarbij zowel grootschalige cyber-attacks, gerichte beïnvloeding van politici als spionageoperaties in de Noordzee de nationale veiligheid ondermijnen.
Daarom is het van belang dat NAVO bondgenoten de collectieve verdediging en afschrikking versterken door het verhogen van de bijdrages naar 3,5% defensie-uitgaven en 1,5% bredere veiligheid- en defensie gerelateerde uitgaven van het bruto binnenlands product.
Slechtere zorg na overname huisartsenpraktijk door commerciële partij Arts en Zorg |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Radar van 9 februari jl. over de slechte zorg bij commerciële huisartsenpraktijk Arts en Zorg?1
Ja.
Deelt u de grote zorgen over de verhalen van patiënten bij Arts en Zorg, die soms zelfs in levensgevaar komen doordat ze tegen digitale muren lopen, geen contact kunnen krijgen met de praktijk of steeds wisselende artsen en praktijkondersteuners spreken?
Allereerst is het betreurenswaardig dat de patiënten waarover de uitzending van Radar gaat slechte ervaringen in de huisartsenzorg hebben. Goede en toegankelijke huisartsenzorg vormt het fundament van het Nederlandse zorgstelsel. Dat borgen we met wet- en regelgeving van de overheid en normen en richtlijnen van de beroepsgroepen. Deze beschrijven onder meer de eisen die aan de bereikbaarheid van een huisartsenpraktijk worden gesteld. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt aan de hand daarvan toezicht op kwaliteit en veiligheid van de zorg. Dit toezicht vindt mede plaats op basis van signalen, onder andere uit de media. De IGJ geeft aan dat zij de signalen uit de uitzending niet herkennen vanuit de meldingen en signalen die zij binnenkrijgen. In dat licht is het belangrijk dat patiënten die slechte ervaringen in de (huisartsen)zorg hebben ook een melding doen bij de IGJ. Overigens heeft de IGJ in 2023 reeds een inspectiebezoek aan een praktijk van Arts en Zorg gebracht en zij concludeerde toen dat deze bij de getoetste onderwerpen voldeed aan de geldende wet- en regelgeving.2
Naast bovengenoemde kaders moeten aanbieders van huisartsenzorg werken volgens de kernwaardenvan de huisartsenzorg. Deze beschrijven onder meer het belang van continuïteit in de arts-patiëntrelatie. In lijn met afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) heeft de beroepsgroep recent een uitgebreide duiding van deze kernwaarden opgeleverd.3 Hiermee hebben zorgverzekeraars, zorgaanbieders en toezichthouders extra handvatten om te toetsen of een huisartsenpraktijk aan deze kernwaarden voldoet. Het kabinet verwacht van deze partijen dat zij de zorg conform de duiding van de kernwaarden organiseren. Partijen zullen de komende maanden, aan de hand van casuïstiek die onder meer door de IGJ zal worden ingebracht, waar nodig verdere concretisering aanbrengen. Daarmee wordt beoogd de IGJ en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) meer handvatten te geven om vanuit hun toezicht eerder te kunnen interveniëren en zorgverzekeraars beter in staat te stellen gericht te contracteren en zo de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van de huisartsenzorg duurzaam te borgen.
Tot slot heeft de beroepsgroep recent aangegeven dat de toekomst van de huisartsenzorg hybride is, maar dat belangrijke randvoorwaarden in acht moeten worden genomen om digitale huisartsenzorg in te zetten.4 Fysieke zorg moet daarbij altijd mogelijk zijn binnen dezelfde praktijk. In het kader van de kernwaarde «persoonsgericht» dient besluitvorming over digitale of fysieke zorg te gebeuren op basis van samen beslissen.
Hoe verklaart u dat deze wanpraktijken bij commerciële partijen blijven plaatsvinden, ondanks eerdere stappen die mede op initiatief van de Kamer op dit terrein zijn gezet?
Of er sprake is van wanpraktijken is aan toezichthoudende instanties om te beoordelen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, herkent de IGJ de signalen uit de uitzending niet vanuit de meldingen en signalen die zij binnenkrijgen. Signalen in de media kunnen voor de inspectie aanleiding zijn om extra toezichtsactiviteiten te starten. Samen met partijen uit de huisartsenzorg en toezichthouders NZa en IGJ heeft het kabinet de afgelopen jaren belangrijke stappen gezet om risico’s van ketenvorming in de huisartsenzorg tegen te gaan. Deze stappen zijn gebaseerd op de aanbevelingen van de NZa en IGJ in hun rapport over de opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg5. Een van deze stappen is de duiding van de kernwaarden van de huisartsenzorg door de beroepsgroep, waarover de Kamer recent is geïnformeerd.6 Zorgverzekeraars gaan aan de slag met de vertaling hiervan in het inkoopbeleid. In het antwoord op vraag 2 is toegelicht welke stappen daarnaast zullen worden gezet.
Tevens wordt een werkgroep opgezet waarin vroegtijdig signalen tussen partijen, waaronder zorgverzekeraars en toezichthouders, worden gedeeld. Het kabinet is ervan overtuigd dat onwenselijke ontwikkelingen op deze manier vroegtijdig kunnen worden gesignaleerd en gestopt.
Welke concrete stappen zijn er gezet na het faillissement van Co-Med?
De volgende stappen zijn en worden gezet:
Hoe kan worden voorkomen dat het bij Arts en Zorg net zo uit de hand loopt als bij Co-Med, aangezien nu al een schrikbarend percentage van 42% van de patiënten negatieve gevolgen voor hun gezondheid ervaart door de veranderingen in praktijken als gevolg van de overname?
Het is aan de onafhankelijke toezichthouders IGJ en NZa, die toezien op de kwaliteit en het rechtmatig functioneren van een specifieke aanbieder, om in situaties waarin dat nodig is nader onderzoek te doen en effectief op te treden. Ook betrokken zorgverzekeraars, die de zorg inkopen, hebben een rol in de toets op het leveren van kwalitatief goede zorg en controle op declaraties. De NZa en IGJ hebben aangegeven dat zij de signalen niet herkennen vanuit de meldingen en signalen die zij binnenkrijgen. Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk om, conform de leerpunten die volgen uit de evaluatie van Co-Med, de signalen serieus te nemen en met de betrokken partijen en toezichthouders vinger aan de pols te houden.
Hoe beziet u de klachten van patiënten over Arts en Zorg in relatie tot de gemaakte afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)? Deelt u de mening dat de praktijken van Arts en Zorg ingaan tegen de afspraken in het AZWA en zo ja, welke acties gaat u ondernemen om deze commerciële partij tot de orde te roepen?
Het is primair aan zorgverzekeraars en toezichthoudende instanties om te beoordelen of aanbieders voldoen aan wettelijke kaders, eisen vanuit de beroepsgroep en de kernwaarden van de huisartsenzorg. Zorgverzekeraars en toezichthouders hebben instrumenten om in te grijpen wanneer dat nodig is.
In het algemeen geldt dat in het AZWA concrete afspraken zijn gemaakt om de huisartsenzorg toegankelijk te houden en het werken met een vaste patiëntenpopulatie voor huisartsen weer de norm te maken. In een recente brief is de Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze afspraken.11 Een van de afspraken betreft de concretisering van de kernwaarden van de huisartsenzorg, die in antwoord op vraag 2 is beschreven.
Deelt u de zorg over het waterbedeffect dat ontstaat door het gebrek aan goede zorg bij partijen als Arts en Zorg, waarbij patiënten uit wanhoop uitwijken naar huisartsenpraktijken in andere dorpen en wijken die vervolgens weer moeten overgaan tot een patiëntenstop? Hoe kunnen de afspraken uit het AZWA en de voorstellen uit de initiatiefnota van het lid Bushoff «Stop de commercie, steun de huisarts»2 bijdragen aan een oplossing hiervoor?
Alle aanbieders van huisartsenzorg dienen te werken volgens de in het antwoord op vraag 2 beschreven kaders, normen, richtlijnen en kernwaarden. Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht richting hun verzekerden en moeten er via de zorginkoop op sturen dat hun verzekerden goede zorg krijgen. Toezichthouders IGJ en NZa zien toe op de (wettelijke) verantwoordelijkheden van zorgaanbieders en zorgverzekeraars.
Ook wanneer zorg volgens alle geldende kaders wordt geleverd, kan het zijn dat patiënten niet tevreden zijn over hun huisarts. In dat geval staat het hen vrij om een andere zorgaanbieder te zoeken. Het klopt dat de toegankelijkheid van huisartsenzorg, zeker in bepaalde gebieden, onder druk staat waardoor een andere aanbieder vinden niet eenvoudig of zelfs onmogelijk is. De afspraken in het AZWA over de huisartsenzorg zijn er, in lijn met de initiatiefnota van het lid Bushoff, op gericht om de toegankelijkheid en continuïteit van huisartsenzorg overal in Nederland te borgen. Onder meer door middel van een landelijk ruil- en inschrijfsysteem voor patiënten is het doel om de toegankelijkheid van huisartsenzorg te vergroten. Dat neemt niet weg dat het voor mensen die reeds een huisarts in de buurt hebben lastig kan blijven om te wisselen van huisarts. Bij zo’n wens kunnen zij ook een beroep doen op de zorgbemiddeling van de zorgverzekeraar.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de Kamerbreed aangenomen motie van het lid Mohandis c.s.3 over het over het opstellen van een uitvoeringsagenda in de huisartsenzorg naar aanleiding van de initiatiefnota van het lid Bushoff?
De motie Mohandis over het opstellen van een uitvoeringsagenda beschouwt het kabinet als grote steun voor de werkagenda huisartsenzorg zoals afgesproken met landelijke partijen in het AZWA.
De werkagenda huisartsenzorg in het AZWA is dan ook bedoeld als de gevraagde uitvoeringsagenda en komt voor een groot deel overeen met de concrete voorstellen uit de initiatiefnota van het lid Bushoff. Zoals gebruikelijk en toegezegd in de Kamerbrief van 2 februari jl.14 zal ik de Kamer nader informeren over de voortgang van de afspraken die gemaakt zijn in het IZA en het AZWA, dit betreft ook de voortgang op de gemaakte afspraken en de situatie in de huisartsenzorg. De volgende Kamerbrief ontvangt de Kamer dit voorjaar.
Wanneer wordt de uitvoeringsagenda op basis van de motie Mohandis c.s. met de Kamer gedeeld?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is de werkagenda huisartsenzorg in het AZWA bedoeld als de gevraagde uitvoeringsagenda. De Kamer is in de brief van 3 november 2025 hierover geïnformeerd.15 Middels de IZA/AZWA-monitoring wordt de Kamer meerdere keren per jaar geïnformeerd over de voortgang op de gemaakte afspraken en de situatie in de huisartsenzorg. In de recent verzonden brief over de voortgang van de AZWA-afspraken huisartsenzorg is de Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken van de uitvoering van de werkagenda.16
Op welke manier wordt extra inzet gepleegd op de voorstellen uit de initiatiefnota die volgens u al staande praktijk waren maar nog onvoldoende effect hebben, zoals de motie verzocht?
Met de werkagenda in het AZWA zet het kabinet ook extra in op voorstellen die al staande praktijk zijn. Een voorbeeld hiervan is de aanvullende inzet op (financieel) maatwerk door zorgverzekeraars. Waar de staande praktijk is dat verschillende zorgverzekeraars al maatwerk in de huisartsenzorg toepassen, is met deze afspraak landelijk vastgelegd dat alle verzekeraars dit gaan doen en zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop. De Kamer is over de uitvoering van deze afspraak recent geïnformeerd.17
Kunt u deze vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het Nederlandse goud in New York |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het, gezien het feit dat de Verenigde Staten zelfs niet langer lippendienst bewijst aan het «internationaal recht», bovendien heeft gedreigd bondgenoten (Denemarken) aan te vallen, heel waarschijnlijk betrokken is bij de aanval op Nordstream en daarmee indirect ook ons land en daarnaast ook Nederland en andere Europese landen er zelf niet langer voor terugdeinzen geld van een centrale bank waar we (formeel) niet mee in staat van oorlog verkeren te confisqueren, verstandig, zoals de Minister aan de Kamer schrijft, (blind) te vertrouwen op de afspraken die met de Verenigde Staten zijn gemaakt over de opslag van het Nederlandse goud in New York?
Zoals ik schreef in de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen over de goudvoorraad1 is de verantwoordelijkheid voor het beheer van de Nederlandse goudvoorraad belegd bij De Nederlandsche Bank (DNB). Het beheer van de goudvoorraad maakt onderdeel uit van haar onafhankelijke taken als nationale centrale bank binnen het Europees Stelsel van Centrale Banken. Deze onafhankelijkheid houdt in dat DNB verantwoordelijk is voor beslissingen over de opslag en beveiliging van het goud. Met de VS, Canada en het VK heeft DNB goede afspraken over het opslaan en de beveiliging van het goud. DNB houdt de ontwikkelingen rond de goudvoorraad voortdurend in de gaten en maakt daarbij doorlopend risicoanalyses.
Zou het niet verstandiger zijn – om dit vertrouwen en het systeem te testen – om in ieder geval een klein deel van het Nederlandse goud dat is opgeslagen in New York te repatriëren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Tot slot, mocht over een paar jaar blijken dat het Nederlandse goud in de Verenigde Staten niet langer in Nederlandse handen is (het goud is bijvoorbeeld in beslag genomen of «bevroren») omdat Nederland het goud niet tijdig heeft gerepatrieerd, wie kan de Tweede Kamer (en daarmee de Nederlandse bevolking) dan primair verantwoordelijk stellen voor het besluit om niet tijdig ons goud te repatriëren? De Nederlandsche Bank of het Ministerie van Financiën?
Zie antwoord vraag 1.
De Kamerbrief Toekomst exportkredietverzekering |
|
Maes van Lanschot (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Loopt de aanbesteding van de exportkredietverzekeringen (EKV) nog conform planning, te weten een selectie van drie partijen in de periode januari/maart en een gunningsfase t/m september?
Ja, de verwachting is dat de aanbesteding conform planning nog dit jaar afgerond wordt. In september 2025 is een markt- en stakeholderconsultatie doorlopen, waarin belangrijke stakeholders bij de ekv-uitvoering (zoals ekv-gebruikers, ngo’s en belangenorganisaties, zoals VNO-NCW/MKB-Nederland) zijn geconsulteerd over de concept-aanbestedingsstukken. In januari van dit jaar is vervolgens de aanbesteding formeel begonnen.2
De selectiefase is recentelijk afgesloten. In deze fase hebben zich partijen gemeld om deel te nemen aan het gunningsproces. Na beoordeling van hun stukken, zijn de geselecteerde partijen uitgenodigd om deel te nemen aan de gunningsfase. De voorlopige gunning aan één partij wordt verwacht in de zomer van 2026.3 De aanbesteding bevindt zich daarmee in een vergevorderd stadium. Na afloop van de bezwaartermijn4 kan de definitieve gunning nog dit jaar plaatsvinden. Daarmee is de aanbesteding afgerond.
Kunt u een indicatie geven van de looptijd van het contract (in jaartallen vanaf 2029) dat met deze aanbesteding wordt gegund?
Ik zal de uitvoering voor een initiële periode van 7 jaar aanbesteden.5 Deze periode begint te lopen vanaf de ondertekening van een overeenkomst met een winnende partij, waarbij het streven is om dat eind van dit jaar te doen. Vanaf de start van deze overeenkomst kan deze jaarlijks met 1 jaar worden verlengd, tot maximaal 25 jaar. Dit biedt flexibiliteit voor de Staat om in de toekomst eventueel een andere uitvoeringsoptie te kiezen, terwijl de contracthorizon lang genoeg is om het Nederlandse bedrijfsleven en de ekv-uitvoerder zekerheid te bieden.
Het bovenstaande betekent concreet: de beoogde ingangsdatum van de overeenkomst is eind 2026. Dit betekent dat de initiële periode van 7 jaar eind 2033 afloopt, indien er geen tussentijdse verlenging plaatsvindt.
Erkent u de kansen die door Invest-NL en Invest International worden geschetst in hun position paper2 om het instrument EKV onderdeel te laten zijn van de op te richten Nationale Investerings Instelling (NII)?
In enkele Europese landen is het ekv-instrument met financieringsinstrumenten in een instelling gecombineerd. Dit kan voordelen bieden voor een integrale financieringsaanpak, maar deze voordelen kunnen ook bereikt worden door een goede samenwerking. Dit is reeds het geval in Nederland (zie vraag 4). De ekv-uitvoering wordt momenteel aanbesteed aangezien de huidige uitvoering onrechtmatig is. De aanbesteding is in een vergevorderd stadium. De voorbereiding van een eventuele toevoeging van de ekv aan de nog op te richten nationale investeringsinstelling is een complex en een meerjarig traject en lost de onrechtmatigheid van de ekv-uitvoering op korte termijn niet op. De genoemde contracttermijn (zie vraag 2) biedt voldoende tijd om in de toekomst eventueel een andere uitvoeringsoptie te bezien, terwijl de contracthorizon lang genoeg is om het Nederlandse bedrijfsleven en een ekv-uitvoerder zekerheid te bieden. Na afloop van het contract is voorzien in een exit plan in geval van een nieuwe uitvoerder, zoals een staatsdeelneming in de vorm van de NII. In het huidige contract met de ekv-uitvoerder bestaat een dergelijk exit plan niet.
Zo niet, hoe reflecteert u op het feit dat de EKV een integraal onderdeel is van vergelijkbare nationale publieke financieringsinstellingen, waaronder Bpifrance Frankrijk en EIFO in Denemarken?
Er zijn raakvlakken tussen de benodigde dienstverlening voor de ekv en de taken die momenteel worden uitgevoerd door Invest International. De twee partijen werken dan ook al nauw samen, bijvoorbeeld wanneer financiering door Invest International gecombineerd wordt met een ekv-dekking. Daarnaast worden klanten snel en adequaat doorverwezen naar de juiste organisatie. Hierdoor ontstaat voor ekv-gebruikers een Whole-of-Government / 1 loket ervaring, waarop de Nederlandse ekv reeds hoog scoort, vergelijkbaar met Bpifrance in Frankrijk en EIFO in Denemarken.7 De TeamNL-benadering, oftewel de gezamenlijke inzet van de Nederlandse overheid en private partners om export te stimuleren, is gericht op het versterken van de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. De aanpak is gericht op het wegnemen van financiële en andere handelsbelemmeringen en een optimale informatievoorziening over kansen voor Nederlandse exporteurs. Deze samenwerking en de verdere intensivering hiervan, vinden wij belangrijk en de rol van de ekv uitvoerder hierin als pro-actieve partner is als eis opgenomen in de aanbestedingsstukken.
Wat is het eerstvolgende moment waarop, wanneer de EKV gegund wordt conform lopende aanbesteding, de EKV onderdeel zou kunnen worden van de NII?
Het is op dit moment niet voorzien dat de ekv onderdeel wordt van de NII. Contractueel gezien zou dit op zijn vroegst eind 2033, conform de lopende aanbesteding, mogelijk zijn. Zie ook de termijn in antwoord op vraag 2.
Welke opties zijn er om binnen de lopende aanbesteding de EKV onder te brengen bij de op te richten NII (en dus in de praktijk bij Invest-NL/Invest International)?
Er zijn geen opties om binnen de lopende aanbesteding de ekv onder te brengen bij de op te richten NII. En zonder aanbesteding blijft de onrechtmatigheid bestaan.
Kunt u in kaart brengen wat de voor- en nadelen zouden zijn van het stopzetten van de lopende aanbesteding en de EKV zo snel mogelijk bij de op te richten NII onder te brengen?
Het vorige kabinet heeft besloten om de ekv-uitvoering aan te besteden aangezien de huidige uitvoering onrechtmatig is. Ik wil deze onrechtmatigheid zo snel mogelijk oplossen.
De aanbesteding zorgt – na een periode van onzekerheid naar aanleiding van de constatering van de Algemene Rekenkamer van de comptabele onrechtmatigheid- voor rust en duidelijkheid in de ekv-uitvoering. Inmiddels bevindt het aanbestedingsproces zich in een vergevorderd stadium. Het tussentijds beëindigen van de aanbesteding zou de overheid richting het bedrijfsleven en geïnteresseerde partijen tot een onbetrouwbare partner maken en de onzekerheid rondom de uitvoering weer vergroten. Bovendien zou de onrechtmatigheid dan dus niet worden opgelost.
Het oprichten van de NII, en eventuele toevoeging van de ekv daaraan, is een complex en een meerjarig traject. Dit biedt op de korte termijn dus geen oplossing voor de onrechtmatige uitvoering van de ekv. Dat is bestuurlijk onwenselijk en juridisch kwetsbaar. Op langere termijn – wanneer de NII is opgericht en volledig operationeel is – zou de ekv ondergebracht kunnen worden bij de NII indien daartoe dan zou worden besloten.
Het bundelen van krachten van de financieringsinstellingen wordt ook bereikt door de TeamNL-benadering in de aanbestedingstukken te eisen, waar de ekv-uitvoerder actief moet samenwerken met andere financiële instellingen (zoals Invest-NL en Invest International en in de toekomst: de NII) die instrumenten aanbieden aan het Nederlandse bedrijfsleven.
Hoe weegt u deze voor- en nadelen ten opzichte van de kansen van het bundelen van de financiële instrumenten binnen de NII?
Zie antwoord op vraag 7.
Hoe zou, in het scenario dat de EKV onderdeel wordt van de NII, het menselijk kapitaal en de meer dan 90 jaar aan kennis en kunde van uitvoerder Atradius geborgd kunnen worden?
Integratie van het ekv-instrumentarium in de NII is op dit moment niet voorzien.
Participatie van VN-rapporteur Albanese aan Al Jazeera conferentie met vertegenwoordigers van Hamas en Iran |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat VN Speciaal Rapporteur Francesca Albanese afgelopen weekend spreker was op een Al Jazeera-forum in Qatar en daar het podium deelde met Hamasvoorman Khaled Meshaal en de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken Abbas Araghchi?1
In hoeverre brengt dit optreden de onafhankelijkheid en effectiviteit van het mensenrechtenonderzoek van Albanese in gevaar?
Hoe duidt u Albaneses uitspraak dat de mensheid in Israël «een gemeenschappelijke vijand» heeft?2 Zijn deze en andere uitingen van Albanese op het Al Jazeera Forum in strijd met de VN-gedragscode? Welke consequenties verbindt u daaraan?
Wat heeft Nederland tot nu toe bereikt door de Speciale VN-rapporteur voor de Palestijnse Gebieden te wijzen op (social media) uitingen die volgens Nederland haaks staan op de VN-gedragscode?3
Bent u bereid in voorkomende gevallen af te wijken van het zogeheten standing invitation beleid voor Speciaal Rapporteurs, als volhard wordt in het schenden van de gedragscode en overgebrachte zorgen naast zich neergelegd worden?
Bent u bereid om een formele klacht in te dienen over het functioneren van Speciaal Rapporteur Albanese bij het coördinatiecomité van VN-mandaathouders?
Welke mogelijkheden heeft u om samen met gelijkgezinde landen als Duitsland, Frankrijk, de Verenigde Staten en Italië op te trekken om ervoor te zorgen dat Albanese in lijn handelt met de VN-gedragscode?
Klopt het dat de Speciaal Rapporteur voor de Palestijnse Gebieden aan haar tweede en laatste mandaat bezig is?
Wat heeft Nederland als lid van de VN-Mensenrechtenraad gedaan om de herbenoeming van mevrouw Francesca Albanese vorig jaar te voorkomen? Onder welke voorwaarden is Nederland uiteindelijk, bij consensus, akkoord gegaan met haar herbenoeming?
De onafhankelijke positie van de rechtbank Den Haag en de uitspraak over de zaak van Greenpeace over het ‘beschermen’ van Bonaire. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 over de «Klimaatzaak Bonaire» van Greenpeace tegen de Staat?
Deelt u het inzicht dat nationale wet- en regelgeving, ook gelet internationale afspraken en verplichtingen met betrekking tot het klimaat, altijd in het perspectief van een brede belangenafweging dienen te staan om te evenwicht in beleid en uitvoering te waarborgen?
Deelt u de mening dat de rechter het hoogste scenario 8.5 in het IPCC-rapport (met een stijging van de zeespiegel van 27 centimeter in 2050 en 85 centimeter in 2100) dat een modelmatige wetenschappelijke benadering bevat over stijging van de zeespiegel door klimaatverandering ten onrechte interpreteert als feitelijke werkelijkheid in de motivering van zijn uitspraak?
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste en onzorgvuldige omgang door de rechter met een wetenschappelijk rapport geen detail betreft, maar een grove fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Deelt u de mening dat de rechter wetenschap serieus dient te nemen en daarom extreme scenario’s in modelmatige rapporten die mede de basis vormen voor een brede belangenafweging nooit mag verwarren met feitelijke waarheden?
Hoe beoordeelt u het feit dat in de uitspraak van de rechtbank rekening gehouden wordt met een zeespiegelstijging van tot 127 cm bij het hoge uitstootscenario, terwijl we volgens het IPCC op koers liggen voor een gemiddeld uitstootscenario?
Onderkent u het feit dat in de uitspraak wordt verondersteld dat het doel van het Klimaatakkoord van Parijs «opwarming beperken tot 1,5 graad Celsius» is, terwijl dat feitelijk onjuist is omdat het akkoord niet spreekt over de opwarming beperken tot minder dan 1,5 graad Celsius, maar letterlijk «well below» 2 graad Celsius, en over het nastreven van pogingen («pursue efforts») om aan het einde van de eeuw tot minder dan 1,5 graad Celsius te komen ten opzichte van het pre-industriële niveau?
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste interpretatie door de rechter van het Klimaatakkoord geen detail betreft, maar een fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Welke maatregelen, die de Nederlandse regering de afgelopen jaren trof, hebben bijgedragen aan de instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire, of welke voorgenomen maatregelen gaan bijdragen aan de instandhouding of versterking van het koraal?
Deelt u de mening dat het onrealistisch is om te denken dat maatregelen die Nederland kan treffen ten aanzien van klimaat bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire?
Deelt u de mening dat in de uitspraak van de rechtbank aantoonbare onjuistheden en onvolledige weergaven van internationale afspraken staan, zodat deze uitspraak geen stand kan houden en hoger beroep geboden is?
Hoe beoordeelt u het dat de landsadvocaat heeft nagelaten om tegenargumenten te geven tegen aantoonbare onjuiste beweringen van de eisende partij?
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter en voorzitter van de zitting publiekelijk op social media al jarenlang frequent uitspraken doet over zijn uitgesproken opvattingen over klimaat, geopolitiek en zelfs een petitie deelt om «het financieren van de klimaatcrisis» te stoppen?
Deelt u de mening dat een rechter die herhaaldelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid niet onafhankelijk en daarom niet geschikt is om een gerechtelijke uitspraak te doen over klimaatbeleid?
Waarom heeft de landsadvocaat geen verzoek gedaan om de rechter te wraken omdat hij publiekelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid?
Hoe beoordeelt u het feit dat deze rechter in het verleden ook gerechtelijke uitspraken met verstrekkende gevolgen voor democratisch beleid heeft gedaan over stikstof en klimaat?
Gaat de Staat in hoger beroep tegen de uitspraak?
Deelt u de mening dat de onmiskenbaar vooringenomen houding van de rechter die zijn positie om onafhankelijk en onbevooroordeeld te oordelen leidt tot een mogelijke herzieningsgrond, dit nog afgezien van voldoende zwaarwegende argumenten om in hoger beroep te gaan?
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht ‘Bijna een half miljoen mensen die niet kunnen werken vallen tussen wal en schip’ |
|
Jimmy Dijk |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna een half miljoen mensen die niet kunnen werken vallen tussen wal en schip» uit Trouw van dinsdag 10 februari 2026?1
Ja.
Deelt u de mening van Patricia Van Echtelt dat de Participatiewet tot een uitzichtloze situatie leidt en voor veel mensen een eindstation is? Zo nee, waarom niet?
De Participatiewet vormt een vangnet dat tegelijkertijd bedoeld is om mensen ertoe te bewegen om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Voor veel mensen kan dat ook en is de Participatiewet toereikend2. Voor veel mensen is de wet een vangnet en een springplank naar werk. In 2024 zijn bijna 52.000 mensen vanuit de bijstand aan het werk gegaan. Daarnaast is een groeiende groep mensen die langdurig of structureel niet in staat is om te werken afhankelijk van de Participatiewet. Zij zijn door een chronische ziekte of beperking niet in staat om zich «uit de bijstand te werken». Dit wordt bevestigd in de probleemanalyse van de Participatiewet3 en door de commissie die in 2024 een probleemanalyse en oplossingsrichtingen voor de WIA heeft opgesteld (OCTAS).4
Eerder heeft voorgaande Staatssecretaris bij de Kamer aangekondigd mogelijkheden te onderzoeken hoe deze doelgroep tegemoet kan worden gekomen. Het Ministerie van SZW werkt momenteel aan het in beeld brengen van de mogelijkheden. Dit is onderdeel van de fundamentele herziening van de Participatiewet (spoor 2 van het programma Participatiewet in Balans). De Tweede Kamer is hierover in juli 2025 geïnformeerd.5
Bent u het ermee eens dat het stelsel van uitkeringen op dit moment zo is ingericht dat mensen geen passende uitkering of onvoldoende uitgekeerd krijgen? Zo nee, waarom niet?
De sociale zekerheid in Nederland werkt voor veel mensen goed en biedt passende ondersteuning en motivatie. Maar we zien ook dat er knelpunten zijn en dat de uitkeringen en daarbij behorende verplichtingen niet voor iedereen passend zijn. Dat geldt voor mensen die zich door ziekte of beperking niet uit de bijstand kunnen werken.
In het coalitieakkoord Aan de slag is aangegeven dat het belangrijk is dat we samenwerken aan een sociale zekerheid die begrijpelijk en betrouwbaar is voor mensen, activerender is, en werkbaar en robuust voor de uitvoering. Daarom hebben wij in het coalitieakkoord opgenomen dat we kiezen voor een fundamentele herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Daarnaast hervormen we de Participatiewet. Daarbinnen moeten beleidskeuzes worden uitgewerkt die wij deze kabinetsperiode graag met uw Kamer willen bespreken.
In deze herziening is er oog voor de knelpunten in het huidige stelsel. Zoals arbeidsongeschikten die onder of buiten de Participatiewet vallen. Ook werkt het kabinet verder aan voorstellen voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen (Baz). In het coalitieakkoord hebben we aandacht voor de groep mensen in de Participatiewet die echt niet kan werken. Hen zullen wij niet constant vragen dit toch te doen.
Wat gaat het kabinet doen voor de bijna 500.000 mensen die in het artikel worden genoemd? Hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat deze mensen wel de juiste uitkering en het juiste bedrag uitgekeerd krijgen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u de visie van dit kabinet op het stelsel van arbeidsongeschiktheid wat uitvoeriger beschrijven en daarbij meenemen welke knelpunten het kabinet ziet en aan welke richting van oplossingen het kabinet daarbij denkt?
Zie antwoord vraag 3.
Welke hardheden ziet het nieuwe kabinet in de Participatiewet? En aan welke oplossingsrichtingen voor die hardheden denkt het nieuwe kabinet?
In het coalitieakkoord Aan de slag wordt ingezet op hervorming van de Participatiewet. Met spoor 1 van de Participatiewet in Balans is wetgeving tot stand gekomen die grotendeels per 1 januari 2026 is ingevoerd. De rest volgt per 2027. Deze wet richt zich op het doorvoeren van ruim twintig verbeteringen in de Participatiewet om de bijstand eenvoudiger en menselijker te maken. Het coalitieakkoord spreekt over het voortzetten van het hervormen van de Participatiewet (spoor 2). Daarbij ligt de focus op dat meer mensen de weg naar werk vinden door «inzet op zeer intensieve begeleiding». Daarnaast werkt het Ministerie van SZW ook samen met de VNG aan spoor 3 van de herziening van de Participatiewet. Dat gaat over het vakmanschap van de uitvoering. Ook deze maatregelen dragen bij aan een beter werkende Participatiewet voor mensen, werkgevers en de uitvoerders bij gemeenten.
Op welke manier zal het beleid van het nieuwe kabinet richting arbeidsongeschiktheid afwijken van dat van het oude kabinet?
Het kabinet werkt aan een fundamentele herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het uitgangspunt hierbij is dat mensen op een goede en snelle manier worden begeleid naar werk. Er zijn eerder verschillende rapporten verschenen die de noodzaak en urgentie van een herziening van het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid onderstrepen, zoals het eerdergenoemde OCTAS-rapport en het IBO «Werk aan de WIA». Naar aanleiding van deze adviezen investeert het kabinet onder andere in taakherschikking bij UWV en het verbeteren van het proces rondom herbeoordelingen. Ook wordt de IVA-uitkering voor nieuwe instroom afgeschaft. Deze maatregelen zijn noodzakelijk om de WIA weer uitvoerbaar te maken.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Zie hierboven.
Veiligheid van Joodse studenten en isolatie van dissidente academici |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview «Onderzoeker Amanda Kluveld: Er zijn Joodse studenten die met studie stopten om onveiligheid»?1
Ja.
Hoe duidt u de uitspraak dat actiegroep Free Palestine Maastricht een eigen «kantoortje» heeft op de Maastricht University?
Instellingen gaan – binnen de kaders van wet- en regelgeving – zelf over wie zij gebruik laten maken van de ruimtes op hun instelling. Binnen deze kaders staat het instellingen vrij om hun eigen criteria te hanteren. Van de Universiteit Maastricht heb ik begrepen dat zij bepaalde ruimtes beschikbaar stelt aan studentorganisaties, Free Palestine Maastricht is er daar een van. Het criterium dat de Universiteit Maastricht hanteert voor het gebruik maken van deze ruimtes is dat een organisatie een studentorganisatie moet zijn die bij de universiteit bekend is en geregistreerd staat. In het geval van Free Palestine Maastricht is dit zo.
Het is aan de instelling, die de verantwoordelijkheid voor een veilige leer- en werkomgeving draagt, om deze beoordeling te maken. Ik vertrouw op de afweging die de Universiteit Maastricht hierin maakt.
Mag een politieke actiegroep als Free Palestine Maastricht volgens het bestaande universiteits- en onderwijsbeleid gebruikmaken van permanente kantoorruimtes op universiteiten? Zo ja, welke criteria gelden daarvoor en wie beslist hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met de onderzoeker in kwestie eens dat de oproep «Kill All Zionists» als profielnaam op Instagram in feite een directe oproep tot geweld is tegen Joodse studenten en medewerkers? Hoe verhouden zulke uitingen zich tot een veilige en inclusieve leeromgeving?
Laat duidelijk zijn dat het kabinet dergelijke uitingen sterk van de hand wijst. Daarbij passen dergelijke uitingen uiteraard ook niet in een veilige en inclusieve leeromgeving. Het is niet aan mij als Minister om te oordelen of er sprake is van een directe oproep tot geweld. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit. In het algemeen kan ik wel met uw Kamer delen dat het rapport «Gevangen in vrijheden»2 van de Taskforce Bestrijding Antisemitisme ons leert dat in sommige gevallen antizionisme kan fungeren als dekmantel voor antisemitische sentimenten. Het rapport stelt dat antizionisme een antisemitisch karakter krijgt wanneer antizionistische uitingen gepaard gaan met ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden, het gebruik van antisemitische stereotypen of het collectief verantwoordelijk stellen van Joden voor het handelen van Israël.
Bent u bekend met het artikel «Zwijg, zionist! Hoe universiteiten dissidenten monddood maken»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat academici die afwijkende opvattingen hebben over Israël en Gaza zich beperkt voelen in hun vrijheid van meningsuiting?
Ik ben ervan op de hoogte dat het open debat over Israël en Gaza aan universiteiten al enige tijd onder grote druk staat. Het signaal dat academici zich beperkt voelen in het uiten van hun opvattingen hierover vind ik zorgelijk. Onderwijsinstellingen zijn bij uitstek de plaats voor open debat en dialoog, waarin er ruimte moet zijn voor ieders geluid, ook wanneer dit soms schuurt.
In hoeverre bereiken signalen over sociale en professionele isolatie van academici aan Nederlandse universiteiten het Ministerie van OCW, en welke acties of maatregelen acht u nodig om de academische vrijheid in dit soort kwesties te waarborgen?
Laat ik vooropstellen dat het sociaal en professioneel isoleren van onderzoekers, evenals andere vormen van sociale onveiligheid, ontoelaatbaar is. Signalen over vormen van (sociale) onveiligheid van wetenschappers bereiken mij onder andere via het platform WetenschapVeilig dat op initiatief van UNL, de KNAW en NWO en met ondersteuning van mijn ministerie eind 2022 is gelanceerd. Op de website is informatie beschikbaar voor wetenschappers, leidinggevenden en werkgevers over hoe om te gaan met bedreigingen, intimidatie en haatreacties. In 2024 is een eerste monitor over externe intimidatie, haat en bedreiging gepubliceerd4. In 2026 zal deze worden herhaald.
Er is een veilige, open en inclusieve cultuur nodig om de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs en een veilige leer- en werkomgeving te borgen. Het is de verantwoordelijkheid van de kennisinstellingen om hier zorg voor te dragen. Voor het handelingsperspectief is het van belang om een onderscheid te maken tussen academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Het verschil is dat academici in functie een beroep kunnen doen op academische vrijheid, met inachtneming van de waarden waar academische vrijheid op berust. Vrijheid van meningsuiting komt iedere burger toe. Meer inzicht in dit onderscheid is nodig. Daarom werkt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) op verzoek van mijn ministerie aan een advies over vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Ik verwacht dit advies in de zomer. Ook verwacht ik in de zomer een advies van de KNAW over de juridische borging van academische vrijheid. Daarnaast start ik dit najaar een inventarisatie naar pluriformiteit in de wetenschap.5 Op basis van deze adviezen en inventarisatie bekijk ik of, en zo ja, welke acties of maatregelen nodig zijn om de academische vrijheid te waarborgen.
Het bericht 'Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Moes , Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee»?1
Ja, dat heb ik.
Deelt u de mening dat carnaval onderdeel is van ons culturele immateriële erfgoed?
Ja, die mening deel ik van harte. Carnaval is een levendige traditie die generaties verbindt, gemeenschappen samenbrengt en een onmiskenbaar onderdeel vormt van het culturele leven in Nederland, zeker in de zuidelijke provincies en Twente.
Maakt u zich ook zorgen over de toekomst van carnaval doordat verenigingen onder druk staan van regeldruk en bureaucratie?
De signalen in het genoemde artikel kwamen ook naar voren in de evaluatie van het immaterieel erfgoedbeleid, waarvan de uitkomsten zijn meegenomen in de kamerbrief «Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen».2
Deze signalen passen in een bredere zorg over verenigingsleven in Nederland. Om de regeldruk te verminderen zijn al acties in gang gezet (zie vraag 8 en 9). Ook de kabinetsvoornemens om de regeldruk voor vrijwilligersverenigingen te verminderen en de aansprakelijkheid van vrijwilligers te beperken, kunnen in dit licht worden gezien.
Ondanks dat er zorgen zijn heb ik ook veel vertrouwen in de kracht van de carnavalsverenigingen. Ik zie dat carnaval onverminderd van grote waarde is in de zuidelijke provincies en Twente, waar gemeenschappen met veel enthousiasme samen wagens bouwen en carnaval vieren.
Bent u van mening dat milieuzones in binnensteden geen belemmering moeten vormen voor praalwagens in optochten?
Gemeenten gaan over de invoering en handhaving van milieuzones en zero-emissiezones. Deze zones hoeven geen belemmering te zijn voor praalwagens in optochten.
Praalwagens en carnavalswagens worden vaak getrokken door (landbouw)tractoren. Tractoren vallen niet onder milieuzones of zero-emissiezones, dus worden hier ook niet door belemmerd.
Op dit moment worden alleen de meest vervuilende dieselbestelauto’s en vrachtwagens geweerd in milieuzones en zero-emissiezones. Mocht een dergelijke dieselbestelauto of vrachtwagen nodig zijn voor het trekken van een praalwagen dan kan een ontheffing mogelijk zijn, bijvoorbeeld via de hardheidsclausule van de gemeente. Daarnaast zijn er dagontheffingen aan te vragen via het landelijke Centraal Loket van de RDW. Dit kan tot twaalf keer per jaar per gemeente.
Wat vindt u van de toegenomen eisen die gesteld worden aan vrijwillige verkeersregelaars bij optochten?
De «Regeling verkeersregelaars» is niet aangepast waardoor er geen toegenomen eisen voor verkeersregelaars zijn. Deze regeling voorziet in twee soorten verkeersregelaars: de evenementenverkeersregelaar en de beroepsverkeersregelaar.
Evenementenverkeersregelaars kunnen bij evenementen al eenvoudige verkeersregelende taken uitvoeren na het afleggen van een gratis te volgen e-instructie als opleiding. Voorafgaand aan het evenement is de organisatie verplicht het team van verkeersregelaars nadere instructies te geven, zoals waar iedereen moet staan en wanneer een kruispunt weer kan worden vrijgegeven.
Beroepsverkeersregelaars worden ingezet bij onder andere wegwerkzaamheden en het regelen van verkeer bij complexere verkeerssituaties. Deze verkeersregelaars volgen een opleiding en een praktijkexamen, waarmee een aanstelling als beroepsverkeersregelaar kan worden aangevraagd.
Aan welke eisen een carnavalsvereniging qua verkeersregelaars moet voldoen, is aan de gemeente die de evenementenvergunning verleent. Ook kan het zijn dat bij afgesloten gebieden geen of minder beroepsverkeersregelaars nodig zijn dan wanneer een carnavalsoptocht drukke wegen passeert.
Bent u bereid om in gesprek te treden met verzekeraars om deregulering te bewerkstelligen, aangezien de verzekeringsvoorwaarden en bureaucratie in relatie tot praalwagens is toegenomen?
Alle motorrijtuigen, dus ook praalwagens, moeten op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd zijn voor schade die het motorrijtuig aan derden veroorzaakt. Deze verzekeringsplicht geldt al sinds 1965 en heeft als doel om derden, zoals toeschouwers en personen die op de wagen meerijden, te beschermen.
Ik deel de mening dat onnodige bureaucratie vermeden moet worden. Met dit doel is het voor praalwagens en carnavalsoptochten mogelijk om een collectieve verzekering af te sluiten; een optochtverzekering. Deze optochtverzekering is bedoeld om het bezitters en kentekenhouders van praalwagens makkelijker te maken om een verzekering af te sluiten.
Voor verzekeraars is het mogelijk in de verzekeringsovereenkomst aanvullende voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld met het oog op beperking van het risico. Daarbij geldt dat als zich een ongeval met een praalwagen voordoet, dit al snel ernstige gevolgen heeft, nu hierbij veel slachtoffers betrokken kunnen zijn; zowel personen die op de wagen meerijden als omstanders. Het is dan ook van belang dat het risico op een ongeval zo beperkt mogelijk blijft. Er is daarom op dit moment geen aanleiding voor een gesprek met verzekeraars.
Deelt u de mening dat er een uitzonderingsmogelijkheid op de kentekenplicht kan gelden voor praalwagens?
In Nederland geldt een kentekenplicht voor een groot gedeelte van de voertuigen die zich op de openbare weg begeven. Het gaat daarbij onder andere om personenauto’s, bedrijfsauto’s/ bestelauto’s, vrachtwagens landbouw- en bosbouwvoertuigen, landbouwaanhangwagens en mobiele machines. Voor praalwagens is de kentekenplicht afhankelijk van het type voertuig dat gebruikt wordt. Dit zorgt ervoor dat de verkeersveiligheid voor zowel bestuurders als omstanders wordt geborgd.
Ik verwijs graag naar de beantwoording van eerder gestelde Kamervragen, waarin verder inhoudelijk op dit vraagstuk wordt ingegaan.3
Deelt u de mening dat de stapeling van lokale regels, vergunningseisen en aanvullende voorschriften ertoe leidt dat carnavalsverenigingen onevenredig veel tijd en middelen kwijt zijn aan administratie in plaats van aan het organiseren van optochten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om deze regeldruk te verminderen?
Uit onderzoek van het Netwerk Levend Erfgoed, mede in het kader van de motie Oostenbrink4, blijkt dat gemeenschappen met festiviteiten in de openbare ruimte, waaronder carnavalsverenigingen, veel vergunningsdruk ervaren. Deze conclusie wordt ook ondersteund door het rapport van het Nationaal Klimaatplatform over de toekomstbestendigheid van de evenementensector, «De Toon maakt de muziek»5. Ik ben over dit advies in gesprek met de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Binnen de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 verkennen OCW, VNG en IPO samen met de sector de mogelijkheden om wet- en regelgeving voor vrijwilligersorganisaties -met behoud van veiligheid- laagdrempeliger te maken. Naar aanleiding van de motie Oostenbrink zijn er specifiek voor streekevenementen, zoals carnaval, werksessies met VNG, gemeenten en vrijwilligersorganisaties om te komen tot een werkvorm waarin gemeenten en vrijwilligersorganisaties met elkaar in gesprek gaan over knelpunten die door deze organisaties ervaren worden bij vergunningverlening.
Naar aanleiding van eerder gestelde Kamervragen6 verricht het Ministerie van VWS onderzoek naar de regeldruk omtrent praalwagens. Onderzocht wordt hoe tot een lastenverlichting voor carnavalsverenigingen gekomen kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2027 gepubliceerd.
Tot slot wordt de motie Yesilgöz-Zegerius en Bontenbal uitgevoerd7. Deze motie verzoekt de regering om voor eind 2025 een brede inventarisatie op elk departement te doen van welke 500 regels geschrapt of de regeldruk verminderd kan worden8. Hierover worden ministerie-overstijgende overleggen gevoerd.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en veiligheidsregio’s, te bezien hoe meer ruimte kan worden geboden aan initiatieven voor carnavalsoptochten, bijvoorbeeld door het vereenvoudigen van procedures en het creëren van proportionele en werkbare kaders, zodat verenigingen worden gestimuleerd in plaats van belemmerd? Zo nee, waarom niet?
Proportionele kaders voor evenementenvergunningen zijn een kabinetsbrede opgave. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor immaterieel erfgoed pleit ik ervoor dat carnaval en vergelijkbare tradities een herkenbare plek krijgen in deze bredere vereenvoudigingsoperatie. Daarnaast komt veel van de voor carnavalvieringen relevante regelgeving vanuit gemeenten. Via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 ben ik in gesprek met gemeenten. Deze gesprekken sluiten ook aan bij de lopende uitvoering van de motie Oostenbrink.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om carnaval actiever te promoten als immaterieel cultureel erfgoed van Nederland, teneinde het draagvlak en de waardering voor deze traditie te vergroten?
Bewustwording van de culturele en maatschappelijke waarde van immaterieel erfgoed, zoals carnaval, is een belangrijk onderdeel van mijn beleid voor immaterieel erfgoed. Het door mij gefinancierde Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) heeft als een van haar kerntaken het vergroten van de zichtbaarheid van immaterieel erfgoed bij gemeenten, provincies, instellingen en het brede publiek. Een voorbeeld hiervan is de door KIEN gecoördineerde Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, die de diversiteit van Nederlandse tradities zichtbaar maakt.
Kunt u, indachtig het belang van het behoud van Nederlandse tradities, toezeggen dat u zich ervoor zal inzetten dat carnaval niet ten onder gaat aan een overmaat aan regels en bureaucratie, zodat ook toekomstige generaties – van Prins Carnaval tot Raad van Elf – onbezorgd de polonaise kunnen blijven lopen?
Carnaval leeft door de mensen die er jaar in jaar uit hun schouders onder zetten; de wagenbouwers, de bestuursleden en de verkeersregelaars. Het is mijn taak en die van het kabinet om ervoor te zorgen dat de overheid hen daarin ondersteunt en niet belemmert. Dat is de richting die het coalitieakkoord «Aan de slag» bevestigt met de aandacht voor verenigingsleven en het terugdringen van regeldruk voor maatschappelijke organisaties.
Het aflopen van de 30jaarstermijn en het budgettair beslag van de hypotheekrenteaftrek |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Uit berichten van onder andere het FD en TaxLive1 blijkt dat na 2031 honderdduizenden mensen hun recht op renteaftrek verliezen, maar dat de administratie hiervoor ontbreekt, zowel bij de Belastingdienst als bij banken: wat doet u om te voorkomen dat deze situatie uitloopt op massale bezwaarprocedures en administratieve chaos voor burgers en uitvoerders?
Is er wat u betreft een risico dat financiën na 2031 geconfronteerd zal worden met aanzienlijk hogere derving voor de hypotheekrenteaftrek, aangezien met geen mogelijkheid gecontroleerd kan worden welke belastingplichtigen al gedurende 30 jaar gebruik hebben gemaakt van de aftrek en vele belastingplichtigen de aftrek achteloos zullen blijven toepassen?
Het huidige coalitieakkoord lijkt geen wijziging aan te brengen in de ramingen rond de hypotheekrenteaftrek: waarom is er geen rekening gehouden met extra budgettaire risico’s?
Zijn er überhaupt budgettaire risicoanalyses beschikbaar ten aanzien van dit thema?
Zo nee, bent u bereid om deze vorm te geven?
Waarom is bij het ontwerp van dit systeem volgens u destijds niet beter nagedacht over de uitvoerbaarheid op de lange termijn en de benodigde administratieve waarborgen?
Klopt het dat het kabinet feitelijk maar vijf jaar administratie/aangiften bijhoudt en bewaart van particulieren?
Kunt u aangeven waarom de Belastingdienst maar vijf jaar aan administratie bewaart, terwijl de hypotheekrenteaftrek een looptijd tot 30 jaar kent?
Hoe verhouden deze standaarden aan de kant van de Belastingdienst zich tot de administratievereisten voor belastingplichtigen(in het bijzonder ondernemers/zelfstandigen)?
Acht u het verantwoord om van burgers te verlangen dat zij, 30 jaar na ingang van hun hypotheek, zelf kunnen aantonen dat zij nog recht hebben op renteaftrek, terwijl de overheid en banken de administratieve gegevens veel korter bewaren? Ziet u risico’s voor rechtszekerheid en belastingmoraal?
Bent u voornemens de 30 jaarstermijn te verlengen, omdat de huidige einddatum gezien de beperkte administratie aan de kant van de overheid niet te handhaven is?
Kunt u aangeven wat de jaarlijkse budgettaire gevolgen zijn als de termijn wordt verlengd tot bijvoorbeeld 2040?
Is hiertoe reeds financieel beleid of een kostenraming beschikbaar?
Wanneer verwacht u met een concreet voorstel te komen om de uitvoeringsproblemen rond deze kwestie tijdig op te lossen?
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het bericht ‘Overheid weigert herstel voor 1.800 jongeren uit toeslaenaffaire’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Jimmy Dijk , Lisa Westerveld (GL) |
|
Moes , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Overheid weigert herstel voor 800 jongeren uit toeslagenaffaire»?1
Ik ben op de hoogte van het artikel over het rapport van de kinderombudsmannen. Ik heb dit rapport samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in ontvangst genomen en hierover met hen gesproken.
Hoe beoordeelt u het signaal van de vijf Kinderombudsmannen in hun rapport «Niet mijn (studie)schuld», waarbij de Kinderombudsmannen, net als de Commissie Hamer en de VNG, al geruime tijd oproepen om gedupeerde jongeren te helpen met hun DUO-schulden?
Ik ben de kinderombudsmannen erkentelijk voor hun inspanningen om de impact die de toeslagenaffaire kan hebben op het leven van getroffen kinderen zichtbaar te maken. Het rapport schetst een ingrijpend beeld dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik serieus nemen. Ik spreek regelmatig getroffen jongeren en hoor en zie hun verhalen, die stuk voor stuk uniek zijn. Ik wil mijn waardering uitspreken aan de jongeren die, soms opnieuw, hun verhalen hebben willen delen. Daarbij vind ik het belangrijk nogmaals te benadrukken wat we al doen voor deze jongeren die hun studielening hebben ingezet om in het gezinsinkomen te voorzien ten tijde van de toeslagenaffaire. Via de aanvullende schaderoute van de ouder wordt inkomensverlies vergoed. Deze compensatie is bedoeld voor het gezin. In de kabinetsreactie op het rapport zet ik deze en andere mogelijkheden verder uiteen.
Wat is volgens u de rol van (lokale) (Kinder-)ombudsmannen en andere instanties, ambtenaren en memo’s geweest bij het signaleren van de problematiek rondom het toeslagenschandaal?
Het negeren van noodsignalen was een van de belangrijke factoren bij het ontstaan en voortbestaan van de toeslagenaffaire, zoals het rapport «Ongekend onrecht» concludeert. Uiteindelijk hebben onder andere ombudsmannen, rechters en verschillende ambtenaren op meerdere momenten gewaarschuwd voor de problemen met de kinderopvangtoeslag.
Hoe is de overheid in uw ogen omgegaan met het tijdig en serieus reageren op dergelijke signalen, waardoor het toeslagenschandaal voorkomen had kunnen worden dan wel eerder kunnen worden opgemerkt?
Anders dan bij de situatie rondom studieschulden – die veelvuldig en uitgebreid aan bod is gekomen in onder meer Kamerdebatten, Kamerbrieven, interdepartementale overleggen en bijvoorbeeld het advies van de commissie Van Dam – drongen de signalen over de problemen met de kinderopvangtoeslag onvoldoende door tot de politiek-bestuurlijke omgeving. Daardoor kwam er te laat een politiek-bestuurlijke reactie op de problemen met de kinderopvangtoeslag en konden deze te lang blijven voortduren. Dit blijkt ook uit het rapport «Ongekend onrecht» van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. Het kabinet heeft naar aanleiding van dat rapport veranderingen doorgevoerd, waarover de afgelopen jaren aan uw Kamer is gerapporteerd.
Welke zwaarwegende argumenten heeft u om het rapport van de Kinderombudsmannen terzijde te schuiven en te concluderen dat het probleem aan de jongeren ligt die de regelingen niet weten te vinden?2
Ik omarm en onderschrijf de waardevolle inzichten uit het rapport van de kinderombudsmannen. Ik betrek deze inzichten bij het beleid voor deze getroffen jongeren. Centraal daarin staat het feit dat de schadecompensatie binnen de hersteloperatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor het inkomensverlies. Daarnaast maak ik mij blijvend sterk om de andere mogelijkheden die er zijn zo goed mogelijk in te zetten, zodat deze jongeren passende hulp en ondersteuning kunnen krijgen. Niet generiek, maar met een benadering die recht doet aan de verschillende situaties waarin jongeren en hun gezinnen zich bevinden. In de kabinetsreactie op dit rapport ga ik hier dieper op in.
Hoe wilt u – indachtig de titels van de rapporten van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (Ongekend Onrecht) en van de Parlementaire Enquête Fraudebeleid en Dienstverlening (Blind voor mens en recht) – voorkomen dat met het terzijde schuiven van het signaal van deze vijf kinderombudsmannen wederom een groep burgers onrecht wordt aangedaan?
De rapporten «Ongekend Onrecht» en «Blind voor mens en recht» hebben pijnlijk duidelijk gemaakt dat signalen van burgers onvoldoende werden herkend, met ernstige gevolgen van dien. Juist om herhaling daarvan te voorkomen neem ik de signalen van de kinderombudsmannen serieus. In dat kader heb ik, samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het eindrapport van de kinderombudsmannen persoonlijk in ontvangst genomen en hebben wij met hen het gesprek gevoerd over hun bevindingen en aanbevelingen. De signalen uit dit rapport worden betrokken bij verdere (verbeter)maatregelen van de hersteloperatie en de ondersteuning van jongeren. In de kabinetsreactie op het eindrapport aan uw Kamer geef ik hier een nadere toelichting op.
Bent u het ermee eens dat het voor gedupeerde jongeren die al tijden wensen erkend te worden als slachtoffer van het handelen van de overheid helend kan werken als zij gezien en erkend worden als slachtoffer van het toeslagenschandaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan om deze jongeren alsnog te erkennen als slachtoffer?
Ik erken dat kinderen van gedupeerde ouders hebben geleden onder de toeslagenaffaire. Met die gedachte is ook de kindregeling speciaal voor hen opgezet. De kindregeling is bedoeld als erkenning van het leed, niet als een verplichting maar als tegemoetkoming, om te laten zien dat het kabinet het belangrijk vindt om hierin een gebaar te maken, aanvullend op de compensatie van de schade die via de gedupeerde ouders verloopt, als vertegenwoordiger van het gezin. Het kabinet heeft er namelijk voor gekozen erkend gedupeerde ouders te compenseren voor de schade in het gezin als gevolg van de toeslagenaffaire. Deze opzet van de hersteloperatie is door uw Kamer vastgesteld en goedgekeurd.
Binnen de kindregeling ontvangt elk getroffen kind een brief waarin de erkenning benadrukt wordt. Alle kinderen van erkend gedupeerde ouders ontvangen een tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro boven op de schadecompensatie aan hun ouders en zij krijgen indien gewenst brede ondersteuning van hun gemeente, waaronder hulp bij (problematische) schulden en financiën. Ook is er aanvullend aanbod op het gebied van emotioneel herstel en lotgenotencontact, een essentieel onderdeel van herstel en perspectief.
Bent u het – na uw eerdere weigering om onderzoek te doen naar het aantal jongeren van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden zijn ontstaan door het toeslagenschandaal en naar de hoogte van deze DUO-schulden, zoals de motie-Van Nispen c.s. (Kamerstukken II, 2025/26, 36 708, nr. 53) en motie Kat c.s. (Kamerstukken II, 2023/24, 31 066, nr. 1308) om vroegen – het ermee eens dat nu de Kinderombudsmannen zelf een onderzoek hebben uitgevoerd en 1.800 jongeren tellen met deze problematiek dat het om een relatief beperkte groep jongeren gaat van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden door het toeslagenschandaal zijn ontstaan? Bent u het er tevens mee eens dat zelfs als het daadwerkelijke aantal driemaal zo hoog is het nog steeds een relatief beperkte groep jongeren betreft? Zo nee, welke reden heeft u om aan te nemen dat het nog veel meer jongeren betreft?
Het rapport van de kinderombudsmannen biedt waardevolle en belangrijke inzichten in de ervaringen van getroffen jongeren. Het onderzoek is gebaseerd op meldingen van jongeren zelf en draagt bij aan een beter begrip van de individuele problematiek, maar maakt het niet mogelijk om de totale omvang van de groep jongeren met een studieschuld als gevolg van de toeslagenaffaire vast te stellen. Ook gegevensuitwisseling tussen UHT en DUO zou geen inzicht geven in de daadwerkelijke problematiek van deze getroffen jongeren en in hoeverre de studieschuld het gevolg is van de toeslagenaffaire. De relatie tussen de studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag is alleen binnen het gezin te beoordelen, zoals wordt toegelicht in antwoord op vraag 5. Op andere manieren, zoals ook blijkt uit eerder actieonderzoek, is niet vast te stellen welk gedeelte van de studielening het gevolg is van de toeslagenaffaire. Daarbij komt dat de hersteloperatie ervoor zorgt dat schadecompensatie via de erkend gedupeerde ouder verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Wij zetten daarbovenop in op passende, individuele ondersteuning voor getroffen jongeren, in plaats van een generieke benadering.
Bent u het ermee eens dat jongeren, die slachtoffer zijn geworden van het toeslagenschandaal en eigen schade & schulden hebben, principieel zélf ook op een directe manier geholpen moeten worden in het rechtzetten van onrecht zonder dat zij hiervoor naar hun ouders hoeven te stappen? Zo nee, waarom niet?
De besluiten die tot de toeslagenaffaire hebben geleid betroffen de kinderopvangtoeslag van de ouder. De compensatie van financiële schade vindt daarom plaats via de erkend gedupeerde ouder en ziet toe op diens hele gezin, omdat de schade voortvloeit uit de gedupeerdheid van de ouder en de gevolgen daarvan voor het gezin als geheel. Kinderen en jongeren zijn via hun ouders mogelijk ook geraakt door de toeslagenaffaire. Om dit leed te erkennen worden zij daarom aanvullend ondersteund via de kindregeling, zoals ook is toegelicht in antwoord op vraag 7. Deze regeling biedt een financiële (onverplichte) tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro, brede ondersteuning door gemeenten inclusief hulp bij problematische schulden, en een aanbod op het gebied van emotioneel herstel, zoals lotgenotencontact en het opzetten van (culturele) initiatieven. De kindregeling is niet bedoeld om schade of schulden uit het verleden te compenseren, die regelingen bestaan via hun ouders.
Kunt u aangeven wat het doel en nut is van de tijdelijke telefoonlijn bij DUO, waar gedupeerde jongeren terecht kunnen met vragen? Hoelang blijft deze telefoonlijn in bedrijf?
Getroffen jongeren hebben aangegeven een drempel te ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Met deze lijn hoopt DUO die drempel weg te nemen. Wanneer getroffen jongeren met deze lijn bellen kunnen zij hun persoonlijke verhaal vertellen, maar is het niet nodig om in algemene zin uitgebreid toe te lichten dat de toeslagenaffaire impact heeft gehad op hun leven. Medewerkers weten dat deze getroffen jongeren bellen met een hulpvraag die voortkomt vanuit KOT. Zij staan klaar om, afhankelijk van de vraag, deze jongeren uitleg op maat te geven over bestaande voorzieningen die hen kunnen helpen. Ook willen we zorgdragen dat er extra bekendheid komt over de voorzieningen bij DUO.
De telefoonlijn is reeds bereikbaar en blijft in ieder geval tot en met augustus 2026 beschikbaar.
Klopt het dat DUO deze gedupeerde jongeren na een gesprek met de telefoonlijn naar de onderwijsinstelling verwijst, omdat de onderwijsinstelling zou moeten beoordelen of de jongere voor een uitzondering in aanmerking komt? Zelfs als de jongere die het betreft zijn studie al jaren geleden heeft behaald of afgebroken? Zo ja, bent u het ermee eens dat dit bijdraagt aan onnodige administratieve obstakels voor de betreffende jongeren? Is er een reden waarom DUO niet zelf het contact kan leggen met de onderwijsinstelling om de benodigde informatie op te halen? Zo nee, hoe verklaart u dat jongeren tegen dit soort problemen aanlopen?
Afhankelijk van de persoonlijke situatie van de getroffen jongeren kan het zijn dat DUO doorverwijst naar de onderwijsinstelling. Dit kan het geval zijn wanneer het niet mogelijk is voor een getroffen jongere om op tijd een diploma te halen of wanneer het helemaal niet meer mogelijk is een diploma te halen door een bijzondere omstandigheid. Het is wettelijk vastgelegd dat deze beoordeling – of sprake is van een bijzondere omstandigheid en of deze heeft geleid tot studievertraging – bij de onderwijsinstelling ligt.
Klopt het dat DUO geen schulden kwijtscheldt, behalve als de student in geval van bijzondere omstandigheden zijn studie heeft afgebroken of na tien jaar zijn diploma niet heeft gehaald?
Als de student binnen tien jaar een afsluitend diploma behaalt wordt de prestatiebeurs3 omgezet in een gift. Doet de student langer over het behalen van het diploma dan tien jaar, of behaalt de student helemaal geen diploma, dan wordt de prestatiebeurs niet omgezet in een gift. Dat is alleen anders als sprake is van bijzondere omstandigheid waardoor de student studievertraging heeft opgelopen en door deze bijzondere omstandigheid niet binnen tien jaar een afsluitend diploma kan behalen, of helemaal geen diploma meer kan behalen. De studentdecaan of studiebegeleider beoordeelt aan de hand van de individuele situatie van de student of dit het geval is en of de student daarmee in aanmerking komt voor de voorziening prestatiebeurs.
Daarnaast vindt in algemene zin in een aantal situaties kwijtscheldingen van (een deel van) de studieschuld plaats, waaronder:
Wanneer bij een student de aanvullende beurs niet is omgezet in een gift en het inkomen twee jaar na afstuderen nog niet hoger is dan het gestelde grensbedrag, wordt de aanvullende beurs alsnog kwijtgescholden.
Aan het einde van de looptijd van de lening (15 of 35 jaar) wordt de nog resterende studieschuld kwijtgescholden.
Hoeveel gedupeerde jongeren vallen onder deze twee uitzonderingen? Vindt u dat u hen hiermee het toekomstperspectief biedt dat u hen toewenst?
Dat is niet bekend, omdat er geen juridische grondslag voor gegevensuitwisseling is tussen UHT en DUO. Daarom kan niet inzichtelijk worden gemaakt hoeveel getroffen jongeren gebruik hebben gemaakt van de voorziening prestatiebeurs. Voorts geldt dat zelfs als bij DUO bekend zou zijn wie de getroffen jongeren zijn, niet inzichtelijk gemaakt kan worden of zij in aanmerking zouden komen. Dit is immers afhankelijk van hun persoonlijke situatie.
De Kamer is meermaals geïnformeerd over de onmogelijkheid om inzicht te geven in de gegevens van getroffen jongeren bij DUO. Zie onder meer de 21e voortgangsrapportage over de hersteloperatie in reactie op de motie Van Nispen en de beantwoording op schriftelijke vragen van lid Dijk (SP)4.
Klopt het dat verzoeken voor maatwerk door DUO geregeld worden afgewezen? Welk percentage wordt afgewezen?
Aangenomen wordt dat met de term maatwerk in de vraag wordt verwezen naar het gebruik van de voorziening prestatiebeurs. Verzoeken in het kader van de voorziening prestatiebeurs worden ingediend na beoordeling van de persoonlijke situatie van de jongeren door de studentdecaan of studiebegeleider en, wanneer van toepassing, de behandelend arts. DUO neemt de beoordeling in meer dan 90% van de gevallen over.
Kunt u aangeven hoe vaak welke vorm van maatwerk door DUO is toegekend? Zo nee, hoe kunt u dan concluderen dat maatwerk door DUO een oplossing is voor de problemen van getroffen jongeren? Zo ja, kunt u aangeven hoe en of de gedupeerde jongeren met dit maatwerk ook daadwerkelijk zijn geholpen?
In het antwoord op vraag 13 is aangegeven dat niet bekend is hoe vaak gebruik gemaakt wordt van de voorziening prestatiebeurs door getroffen jongeren. Wel is bekend dat DUO in de praktijk ziet dat getroffen jongeren gebruik maken van deze voorzieningen. Daarom weten we dat een gedeelte van de getroffen jongeren de weg weet te vinden naar de studentdecanen of studiebegeleider.
Ik ben me er tegelijkertijd van bewust dat sommige jongeren een drempel ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie zet ik mij extra in om deze drempels zoveel mogelijk te verlagen.
Hoe bent u van plan ervoor te zorgen dat de jongeren die het betreft deze telefoonlijn weten te vinden als u niet weet hoeveel en welke jongeren het precies betreft?
Het telefoonnummer wordt gepubliceerd op kindregelingvoorjou.nl en op duo.nl. Via sociale media, stakeholders en lokale netwerken van ouders en jongeren wordt dit bericht verspreid.
Bent u het ermee eens dat gedupeerde jongeren weer een toekomstperspectief verdienen?
Zeker. Deze jongeren verdienen inderdaad een toekomstperspectief (net als iedere jongere in Nederland): precies om die reden ontvangen zij een financiële tegemoetkoming uit de kindregeling en brede ondersteuning van hun gemeente, om per situatie te kijken naar wat er nodig is om het leven op de rit te krijgen en houden, aanvullend op de schadecompensatie aan hun ouders. Daarbij zetten wij ook in op het emotioneel herstel van deze jongeren. Want ook door te zorgen dat jongeren weer mentaal gezond en weerbaar zijn dragen we bij aan het toekomstperspectief van deze groep.
Bent u het ermee eens dat een diploma halen het beste instrument is voor een goed toekomstperspectief? Zo ja, wat is dan u reden, gelet op het feit dat de commissie Hamer aangeeft dat de brede ondersteuning vanuit de gemeenten onvoldoende is voor het toekomstperspectief van gedupeerde jongeren, om toch de nieuwe regeling voor studie en ontwikkeling, welke nu opgetuigd wordt voor gedupeerde uithuisgeplaatste kinderen, niet open te stellen voor álle gedupeerde jongeren?
Zoals in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Hamer is toegelicht, wordt de onderwijsvoorziening specifiek voor uithuisgeplaatste jongeren ontwikkeld, omdat zij te maken hebben gehad met meerdere momenten van overheidsingrijpen. De onderwijsvoorziening voor specifiek die doelgroep heeft mede als doel om specifiek deze groep op deze manier met hun ontwikkeling te helpen. Juist wanneer de uithuisplaatsing door de rechter is opgelegd én samenhangt met de gevolgen van de toeslagenaffaire, draagt de Staat immers een bijzondere verantwoordelijkheid: vanuit de rol die de toeslagenaffaire mogelijk heeft gespeeld in het gezin en als formeel verantwoordelijke voor het welzijn en de kansen van het kind tijdens en na de uithuisplaatsing.
Daarnaast vind ik het – net als uw Kamer – van belang dat er geïnvesteerd wordt in het toekomstperspectief van alle getroffen jongeren, bijvoorbeeld via de brede ondersteuning. In de kabinetsreactie op het rapport van de kinderombudsmannen licht ik verder toe hoe ik daar op in wil zetten.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven geen generieke regeling te willen treffen voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van de jongeren? Zo nee, wat heeft u dan precies aangeven
Dat klopt. We zijn het met de kinderombudsmannen eens dat een generieke regeling voor het kwijtschelden van alle studieschulden niet proportioneel is. Wij hebben ook in het gesprek toegelicht dat als ouders inkomensverlies hebben geleden ten tijde van de toeslagenaffaire, en dat hebben opgevangen door het inzetten van bijvoorbeeld een studielening van het kind, ouders gecompenseerd worden voor dat inkomensverlies in de schadeherstelroute. Deze compensatie is voor het hele gezin. Daarnaast zetten we in op het verlagen van drempels voor aanvullende mogelijkheden die er voor deze jongeren zijn, zoals ook uitgebreid is toegelicht in de kabinetsreactie.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven dat volgens u de bestaande regelingen voor gedupeerde jongeren volstaan? Zo nee, wat heeft u dan precies aangegeven? Zo ja, kunt u onderbouwen hoe u tot deze conclusie komt, nu de Kinderombudsmannen in hun rapport juist gemotiveerd aangeven dat deze conclusie niet klopt en bestaande regelingen niet volstaan?
Ouders worden gecompenseerd voor schade die is ontstaan ten tijde van de toeslagenaffaire, zoals inkomensverlies. Als een kind het inkomensverlies heeft opgevangen, bijvoorbeeld met een studielening, dan kan de ouder dat vanuit de compensatie vergoeden, aangezien via de erkend gedupeerde ouder schade van het gezin wordt gecompenseerd. De kindregeling is daarnaast ontwikkeld om kinderen van gedupeerde ouders aanvullende steun, maatwerk en erkenning te bieden. De Minister van OCW en ik hebben in het gesprek met de kinderombudsmannen aangegeven dat dit pakket aan maatregelen voldoende is om getroffen kinderen te ondersteunen naar een hoopvolle toekomst. Zoals ook in de kabinetsreactie toegelicht, zijn we ons ervan bewust dat deze mogelijkheden niet altijd door iedereen goed gevonden en benut worden. We zetten daarom extra in om drempels te verlagen, zoals ook is toegelicht in de kabinetsreactie op het rapport.
Bent u het ermee eens dat de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam niet oproepen tot een generieke regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, maar juist oproepen tot een regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan vanwege het toeslagenschandaal? Zo nee, kunt u aangeven waartoe de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam volgens u precies toe oproepen?
Ik herken dat de kinderombudsmannen oproepen tot kwijtschelding studieschulden bij DUO waarvan aannemelijk is dat deze door de toeslagenaffaire zijn ontstaan. Ik herken echter niet dat de commissie Van Dam oproept tot het kwijtschelden van deze studieschulden van getroffen jongeren. De commissie Van Dam vraagt aandacht voor de positie van getroffen jongeren en het belang van een zorgvuldige beoordeling van hun situatie, inclusief mogelijke studieschulden, maar doet geen specifieke aanbeveling om studieschulden waarvan aannemelijk is dat deze door het toeslagenschandaal zijn ontstaan kwijt te schelden. In het rapport staat onder meer dat sommige jongeren wel een studielening hebben afgesloten om in hun studiekosten te voorzien, net als vele andere studenten in Nederland wiens ouders niet gedupeerd zijn. Ook stelt het rapport dat weer een nieuwe route inrichten juist niet wenselijk is. Ook de Raad van State heeft eerder gewezen op de risico’s van verdere uitbreiding van de hersteloperatie5. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen, wordt dit via de schadepost inkomensverlies aan de ouder vergoed.
Wat is uw reactie ten aanzien van een (nadrukkelijk niet generieke) regeling waarbij de DUO-schulden van jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan door het toeslagenschandaal worden kwijtgescholden? Bent u bereid een dergelijke regeling op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb begrip voor de zorgen rondom de studieschulden van jongeren die zijn geraakt door de toeslagenaffaire. Zoals ook in antwoord op vraag 21 is toegelicht, verloopt de compensatie van schade via de gedupeerde ouder. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen – en dus is ontstaan door de toeslagenaffaire – wordt dit via de schadepost inkomensverlies vergoed aan de ouder. Alleen op die manier, binnen het gezin, is een mogelijke relatie tussen een studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag te beoordelen. Een aparte regeling zoals bedoeld in de vraagstelling is daarnaast niet uitvoerbaar: iedere situatie is uniek en het is in de praktijk zeer ingewikkeld om objectief en zorgvuldig vast te stellen of en in welke mate een studieschuld het directe gevolg is van de toeslagenaffaire. Dit blijkt ook uit eerder actieonderzoek. Daarnaast zou kwijtschelding van studieleningen van getroffen kinderen zeer oneerlijk zijn ten opzichte van gezinnen die op een andere manier het hoofd boven water hebben gehouden tijdens de toeslagenaffaire. Ten slotte botst de voorgestelde regeling met de praktische en juridische inrichting van de hersteloperatie. De toeslagenbesluiten betroffen de ouder als aanvrager van de kinderopvangtoeslag. Financiële schadevergoeding is daarom verbonden aan de gedupeerdheid van de ouder en diens gezin, zoals vastgesteld door uw Kamer.
Om getroffen jongeren met studieschulden zoveel mogelijk aanvullend te helpen met de gevolgen die zij hebben ondervonden van de toeslagenaffaire via hun ouders, zet het kabinet erop in dat de bestaande mogelijkheden bij gemeenten, maar ook bij DUO, zo goed mogelijk worden ingezet en benut zodat jongeren passende hulp kunnen krijgen, toegespitst op hun persoonlijke situatie en behoefte. Voor een nadere toelichting hoe ik dit wil doen, verwijs ik graag naar de kabinetsreactie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Er is uitstel gevraagd voor de termijn van de beantwoording, zodat de beantwoording van deze schriftelijke vragen gelijktijdig met de kabinetsreactie op het rapport met uw Kamer gedeeld zou kunnen worden.
De sluiting van verpleegkundig kinderzorghuizen voor ernstig zieke kinderen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit om vier verpleegkundig kinderzorghuizen voor ernstig zieke kinderen op 31 maart te sluiten, waardoor circa 80 kinderen op een andere plek intensieve zorg moeten krijgen en dat er signalen zijn dat nog meer zorgorganisaties (verpleegkundig kinderdagverblijven en verpleegkundig kinderzorghuizen) onder druk staan?
Ik ben bekend met het voorgenomen besluit van ExpertCare om vier zorgvilla's voor zieke en meervoudig gehandicapte kinderen per 31 maart 2026 te sluiten. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt mij op de hoogte van de ontwikkelingen en heeft mij laten weten dat ExpertCare heeft aangegeven dat de villa’s langer open blijven als voor die tijd niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Daarnaast ben ik bekend met het signaal van samenwerkende partijen in de medische kindzorg dat de toegankelijkheid van medische kindzorg onder druk staat.
Is er al concreet zicht op passende alternatieve zorgplekken voor deze 80 kinderen?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. Van hen wordt verwacht dat ze tijdig maatregelen nemen om eventuele financiële problemen te voorkomen en, wanneer dit niet lukt, met betrokken stakeholders in overleg te gaan over een oplossing. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben1.
De NZa houdt toezicht of zorgverzekeraars aan hun zorgplicht voldoen. De NZa is in gesprek met zorgverzekeraar Zilveren Kruis, marktleider in deze regio, over de continuïteit van zorg voor de betrokken cliënten. Er wordt gekeken of alternatieve zorg beschikbaar is.
De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot een passende oplossing te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn.
Wie heeft uiteindelijk de verantwoordelijkheid om passende zorg te garanderen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er maar drie andere plekken in Nederland zijn waar 24/7 vergelijkbare zorg voor kinderen wordt geboden, namelijk in Barneveld, Valkenburg (L) en Uithoorn? Hoeveel capaciteit hebben zij samen? Is bij deze zorglocaties geïnformeerd of zij capaciteit en financiële ruimte hebben om kinderen op te nemen?
Binnen de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) zijn in totaal zeven andere aanbieders die 24-uurs kindzorg leveren, waaronder locaties in Barneveld, Valkenburg (L) en Uithoorn.
In februari 2026 heeft overleg plaatsgevonden tussen Binkz, zorgverzekeraars en de NZa over de continuïteit van zorg. Daarbij is afgesproken dat per individueel kind wordt gekeken welke oplossing passend is. Dat kan een van de andere 24-uurs aanbieders zijn, maar een passende oplossing hoeft niet in alle gevallen intramuraal te zijn.
Op dit moment is bij mij niet bekend wat de exacte gezamenlijke capaciteit of financiële ruimte van deze aanbieders is. Het is aan de betrokken zorgaanbieders en zorgverzekeraars om hierover met elkaar in gesprek te gaan en te bezien welke mogelijkheden er zijn.
Deelt u dat in deze gevallen van intensieve kindzorg de afstand tussen huis en een zorglocatie niet te groot moet zijn, omdat kinderen zeer kwetsbaar zijn en tijdens het vervoer niet de zorg kunnen krijgen die zij nodig hebben? Erkent u bovendien dat niet alleen de zorg onderweg kwetsbaar is, maar dat het ook niet wenselijk is om het kind ver van hun gezin (familie) af te hebben in verband met bijvoorbeeld bezoek, maar ook dat áls er iets gebeurt met het kind in het verpleegkundig kinderzorghuis, ouders binnen een bepaalde tijd aanwezig moeten kunnen zijn?
Ik deel dat bij intensieve kindzorg zorgvuldig moet worden gekeken naar de afstand tussen het gezin en de zorglocatie. De belasting en medische kwetsbaarheid tijdens vervoer, de mogelijkheid voor ouders en familie om het kind regelmatig te bezoeken en de bereikbaarheid bij een acute situatie zijn belangrijke factoren die in die afweging moeten worden betrokken.
Tegelijkertijd is het essentieel dat het kind passende en kwalitatief goede zorg ontvangt die aansluit bij de zorgvraag, ook als dat op grotere afstand is. Het is aan de zorgverzekeraar om vanuit de zorgplicht, in overleg met ouders en aanbieder, een zorgvuldige afweging te maken waarbij zowel kwaliteit, beschikbaarheid als bereikbaarheid van zorg worden meegewogen.
Klopt het dat in veel gevallen thuiszorg als alternatief niet passend is, omdat bijvoorbeeld niet voor niets de indicatie respijtzorg is afgegeven, zodat ouders op adem kunnen komen? Klopt het dat zowel verpleegkundig kinderzorghuizen als verpleegkundig kinderdagverblijven nodig zijn om deze intensieve medische kindzorg in de eigen omgeving om deze gezinnen overeind te houden?
Kinderen en hun ouders moeten kunnen rekenen op goede medische kindzorg. Dit betekent dat kinderen recht hebben op medische zorg, die past bij hun leven en in hun eigen omgeving wordt verleend. Het is van belang dat deze zorg gepaard gaat met passende ondersteuning. Dit vereist samenwerking tussen alle betrokkenen, waaronder het kind en zijn gezin, zorgorganisaties, scholen en gemeenten. Het is van belang dat de gewenste regie en ondersteuning geboden worden, met specifieke aandacht voor het geheel van het kind en zijn gezin. Daarom vind ik het belangrijk dat zorgverzekeraars en de brancheorganisatie met elkaar in gesprek zijn over de toegankelijkheid van medische kindzorg.
Herkent u het beeld dat de tarieven structureel te laag zijn om dit type zorg goed te bieden? Wanneer komt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) met de resultaten van het kostprijsonderzoek? Vanaf wanneer kunnen kostprijsdekkende tarieven vervolgens worden ingevoerd? Wat zijn in de tussenliggende tijd passende oplossingen om te voorkomen dat er nog meer verpleegkundige kindzorghuizen of verpleegkundig kinderdagverblijven hun deuren moeten sluiten?
De NZa heeft mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek heeft gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»2. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Voor de tussenliggende periode doet Binkz een oproep onder haar leden om contact te zoeken met de zorgverzekeraars en mogelijke financiële problemen met hen te bespreken. Binkz heeft met de NZa besproken dat aanbieders van kindzorg het kenbaar maken bij de NZa als dit niet tot passende oplossingen leidt.
Welke verantwoordelijkheid hebben de zorgverzekeraars om voor deze kinderen passende zorg te garanderen?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de organisatie en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben.
Is het een optie dat deze verpleegkundig kinderzorghuizen open blijven zolang het nodig is om passende zorg te kunnen blijven bieden? Kunt u garanderen dat er voor alle ernstig zieke kinderen die intensieve zorg nodig hebben altijd passende zorg is?
ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer openblijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende oplossing is gevonden. Zorgverzekeraars en Binkz zijn reeds in overleg met elkaar. Daarbij is gesproken over de toegankelijkheid van medische kindzorg op korte, middellange en lange termijn. De NZa houdt mij intensief op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de huidige zorgaanbieder, aanbieders van vergelijkbare zorg en zorgverzekeraars om te komen tot passende oplossingen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de begroting 2026 van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
Het bericht 'Ambtenaar stelt voor om 19-jarige Forum-kandidaat ‘op te hangen aan een lantaarnpaal’' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Is de Minister bekend met het bericht «Ambtenaar stelt voor om 19-jarige Forum-kandidaat «op te hangen aan een lantaarnpaal»»?1
Ja.
Is het correct dat een medewerker van zorgorganisatie SamenTwente op Twitter/X over een 19-jarige FVD-kandidaat voor de gemeenteraad in Utrecht heeft geschreven: «Met fascisten ga je geen debat aan. Da’s zonde van de tijd. Die moet je gewoon ouderwets ondersteboven aan een lantaarnpaal hangen. En eventueel Bella Ciao erbij zingen.»? Is de Minister bereid, eventueel gebruik makend van de «trusted flagger» status van het ministerie, bij Twitter/X na te vragen of deze tweet daadwerkelijk verstuurd is? Zo nee, waarom niet?
Het doen van bedreigingen keur ik in alle gevallen ten zeerste af. De impact van een bedreiging kan voor iemand zeer ingrijpende gevolgen hebben. Dat gezegd hebbende is het in deze situatie niet aan de Minister van BZK om te verifiëren of bepaalde uitingen al dan niet daadwerkelijk op sociale media zijn gedaan, om uitingen te controleren op echtheid of om na te gaan wie verantwoordelijk is voor de plaatsing ervan. Indien iemand van mening is dat er sprake is van een strafbaar feit kan er aangifte worden gedaan. Ook kan een bericht gemeld worden bij een platform zoals X. Strafbare illegale berichten moeten door X worden verwijderd na melding.
Voor een uitleg over de inzet van de «verkiezingen flaggerstatus» verwijs ik u naar de betreffende bijlage bij de brief van mijn voorganger van 9 januari jl. over de Tweede Kamerverkiezingen.2
Klopt het dat de medewerker van deze zorgorganisatie formeel gezien een «ambtenaar» is?
Zoals hiervoor aangegeven is het geen onderdeel van mijn verantwoordelijkheid om na te gaan wie verantwoordelijk is voor plaatsing van uitingen op sociale media.
Vindt de Minister, primair verantwoordelijk voor zowel het functioneren van de rijksdienst (ambtenarij) als het beschermen van onze democratie, het acceptabel voor een ambtenaar om publiekelijk een kandidaat van een politieke partij waar deze ambtenaar het niet mee eens is, te bedreigen? Is een dergelijke (doods)bedreiging verenigbaar met de Ambtenarenwet?
Het is in alle gevallen volstrekt onacceptabel en onder omstandigheden strafbaar om politici te bedreigen. De toenemende intimidatie van politici is een ernstige ontwikkeling die een bedreiging vormt voor een goede werking van onze democratie. Vanuit het programma Weerbaar Bestuur zet ik mij daarom in om politieke ambtsdragers te ondersteunen wanneer zij geïntimideerd of bedreigd worden.
De Ambtenarenwet 2017 schrijft onder meer voor dat een ambtenaar is gehouden zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Ook schrijft de wet voor dat een overheidswerkgever zorgt voor de totstandkoming van een gedragscode voor goed ambtelijk handelen. Het spreekt voor zich dat een bewezen (doods-)bedreiging door een ambtenaar zich niet verhoudt tot het voorgeschreven goed ambtelijk handelen. Of en in hoeverre overschrijding van de geldende normen in een bepaalde casus aan de orde is, is ter bepaling van de werkgever van de betrokken ambtenaar.
Behoort, in de ogen van de Minister, een ambtenaar, die een (kandidaat-)politicus publiekelijk bedreigt uit zijn ambt te worden gezet? Zo nee, waarom niet?
Indien een ambtenaar gedrag vertoont dat volgens de werkgever grensoverschrijdend is, kunnen daar consequenties aan verbonden worden. Welke consequenties dat zijn kan onder andere afhangen van wat daarover in een cao is afgesproken, de aard en context van het geconstateerde gedrag, of er sprake is van recidive en of er sprake is van een strafbaar feit.
Het bericht dat de NS ICT uitbesteedt aan een Amerikaanse leverancier |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
van Marum , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS besteedt ict deels uit aan Amerikaanse leverancier»?1
Kunt u toelichten welke ICT-processen van de NS precies worden uitbesteed?2 Zijn dit (onderdelen van) kritieke processen met gevolgen voor de continuïteit van de NS indien ze langer dan één dag uitvallen?
Klopt het dat er ook (onderdelen van) beveiligingssystemen worden uitbesteed aan een Amerikaans bedrijf? Welke gevolgen heeft dit voor de digitale autonomie van de Nederlandse (spoor)infrastructuur?
Deelt u de opvatting van de NS dat de uitbestede processen niet missiekritisch zijn?3 Kunt u schetsen welke gevolgen het heeft voor de dienstverlening van de NS indien deze systemen wél uitvallen? Kunt u uitsluiten dat de uitvoering van de dienstverlening van NS (het laten rijden van treinen op het hoofdrailnet) in gevaar zou kunnen komen wanneer de betreffende systemen uitvallen? Zo ja, kunt u dit motiveren? Zo nee, deelt u dan de zorgen over deze uitbesteding?
Kan de Amerikaanse overheid, via wet- en regelgeving zoals de CLOUD Act, Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA), en Executive Order 12333, toegang krijgen tot gevoelige gegevens over de Nederlandse spoorinfrastructuur? Kunt u dit met een ja of nee beantwoorden en dit met concrete verwijzing naar relevante juridische bronnen toelichten?
Biedt de groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse ICT-bedrijven de mogelijkheid voor de Verenigde Staten om druk uit te oefenen op Nederland, bijvoorbeeld door de continuïteit van de dienstverlening van de NS in gevaar te brengen?
Deelt u de mening dat de NS digitale autonomie zou moeten betrachten en af zou moeten zien van deze aanbesteding bij een Amerikaans bedrijf? Welke concrete mogelijkheden ziet u hiertoe?
Waarom voldeed KPN niet meer als aangewezen ICT-leverancier voor deze diensten? Was het strikt noodzakelijk om de ICT uit te besteden, en zo ja, waarom aan een niet-Europees bedrijf?
Past de keuze van de NS om haar ICT uit te besteden aan een Amerikaans bedrijf binnen de ambitie van het kabinet om meer digitaal onafhankelijk te worden? Welke rol heeft de Staat als enig aandeelhouder hierin?
Hoe kijkt u aan tegen de keuze van de NS om, tegen de achtergrond van de huidige geopolitieke situatie en nadat de Rijksoverheid herhaaldelijk het belang van digitale autonomie benadrukte, alsnog ICT uit te besteden aan een niet-Europees bedrijf?
Acht u de lange doorlooptijd van het contract, namelijk zes tot twaalf jaar, geschikt gezien de onzekerheid van de geopolitieke relatie met de Verenigde Staten?
Klopt het dat er geen nationale richtlijnen bestaan om Amerikaanse partijen te weren? Staat dit wel voorzien in het nieuwe cloudbeleid dat nog steeds in ontwikkeling is?
Is in deze aanbesteding voldaan aan de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO), waarin staat dat er strenge eisen gesteld moeten worden aan digitale autonomie en soevereiniteit?
Is het mogelijk om via het Cloud Sovereignty Framework van de EU wél voorkeur te geven aan Europese partijen bij ICT-aanbestedingen? Waarom is daar in dit geval geen gebruik van gemaakt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden, nog voordat er onomkeerbare stappen worden gezet?
Het verwijderen van schilderijen uit een zorgcentrum vanwege brandveiligheid |
|
Vicky Maeijer (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Algemeen Dagblad waarin valt te lezen dat zorgorganisatie Zorgwaard vanwege brandveiligheid heeft opgedragen schilderijen te verwijderen uit de gangen van zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel en daarbij dreigde met een boete van 25.000 euro?1
Ja.
Deelt u de mening dat, alhoewel brandveiligheid van groot belang is, het ook mogelijk moet zijn om een gebouw (zoals in dit geval een zorgcentrum) van inrichting te voorzien dat niet enkel op functioneel gebruik is gericht?
Het is nog steeds mogelijk om een zorgcentrum te voorzien van inrichting die niet enkel op functioneel gebruik is gericht. In de kamers van de bewoners en in de bijeenkomstruimten is nog allerlei inrichting mogelijk, zoals het ophangen van schilderijen. Dit is alleen anders voor een gemeenschappelijke verkeersruimte (gangen) waardoor bij brand moet worden gevlucht. In deze gangen mogen geen brandgevaarlijke objecten aanwezig zijn of objecten die het vluchten belemmeren. Met de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in 2024 is dit verduidelijkt in opvolging van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) in zijn rapport van 14 juli 2021 over de flatbrand in Arnhem in 20202.
Is bij de wijziging van het Bouwbesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) uit 2024 rekening gehouden met mogelijke gevolgen voor inrichting van bijvoorbeeld zorgcentra, door te kijken naar alternatieve zaken om brandveiligheid te waarborgen? Zo ja, graag een toelichting & zo nee, waarom niet?
Zoals gemeld in mijn vorige antwoord was het rapport van de OvV over de flatbrand in Arnhem de aanleiding voor de wijziging van het Bbl. De OvV heeft hierin aanbevolen om te zorgen voor verbetering van het toezicht op de brandveiligheid in de gebruiksfase van woongebouwen en te bezien of een aanpassing van de geldende wet- en regelgeving nodig is. Aansluitend zijn door het voormalig Ministerie van VRO gesprekken gevoerd met gemeenten, Brandweer NL en organisaties van gebouweigenaren3 waaruit bleek dat de regelgeving op het gebied van het vrijhouden van vluchtwegen in woongebouwen onvoldoende duidelijk was. Duidelijkere regelgeving zou gemeenten en ook woningeigenaren helpen bij het uitvoeren van toezicht op het gebied van brandveiligheid en communicatie hierover met bewoners. Hierop is in samenspraak met genoemde partijen besloten om in het Bbl concreter te beschrijven wat wel en niet aanwezig mag zijn in de gemeenschappelijke verkeersruimtes, waar dit voorheen alleen algemeen geformuleerde regelgeving betrof. De wijziging van het Bbl is op 23 november 2023 gepubliceerd4 en op 1 juli 2024 in werking getreden.
Hoewel het al vóór 1 juli 2024 kon, is het voor gemeenten met de verduidelijkte regelgeving eenvoudiger om handhavend op te treden als in een gemeenschappelijke verkeersruimte sprake is van brandgevaarlijke objecten of objecten die het vluchten belemmeren. Dit was ook voorzien en beoogd met de wijziging van het Bbl.
Bent u bereid te onderzoeken op welke manier het gewijzigde Bbl uit 2024 kan worden aangepast óf ruimte voor interpretatie geeft die mogelijk onbekend is voor zorgcentra, zodat niet alleen de brandveiligheid kan worden gewaarborgd, maar ook zodat regelgeving niet «doorslaat» zoals in zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel?
Door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) wordt in samenspraak met het Ministerie van BZK al informatie gegeven aan eigenaren over het brandveilig gebruik van woongebouwen.5 In het kader daarvan zijn door het NIPV het afgelopen jaar al veel vragen beantwoord over de toepassing van de betreffende Bbl-eisen voor vluchtroutes. Aansluitend daarop is het NIPV recent opdracht gegeven om een handreiking op te stellen over de toepassing (interpretatie) van deze Bbl-eisen. In deze handreiking zal door het NIPV ook worden ingegaan op de ruimte die er is om met een gelijkwaardige oplossing te voldoen aan de eisen, als dit beter past bij een specifiek gebouw en het gebruik daarvan.
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam in de zaak Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V. |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 5 februari 2026 in de zaak van Conservatrix Groep S.A.R.L. tegen De Nederlandsche Bank N.V.?1
Ja.
Wat is uw reactie op het oordeel van de rechtbank dat DNB in 2017 bedrog heeft gepleegd door ten onrechte de rechtbank niet in te lichten over de met het overdrachtsplan van Conservatrix aan Trier verbonden herverzekering bij Colorado Bankers Life Insurance Company?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken van de rechtbank te beoordelen. Wel vind ik het relevant om op te merken dat deze zaak niet op zichzelf staat.
Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 6 hieronder, loopt er zowel een herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep (de voormalig aandeelhouder van levensverzekeraar Conservatrix N.V.) en DNB, als tussen Conservatrix Groep en de Staat. Beide procedures zijn aangespannen door Conservatrix Groep en zijn qua inhoud vrijwel gelijk. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op 31 juli 2025 al een uitspraak gedaan over de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat.2 In deze vergelijkbare herroepingsprocedure heeft de Ondernemingskamer het herroepingsverzoek van Conservatrix Groep afgewezen en dat uitgebreid onderbouwd. Conservatrix Groep heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
In haar beschikking van 5 februari jl. in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarnaar in deze vraag wordt verwezen, heeft de rechtbank Conservatrix Groep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aard van de oorspronkelijke beschikking zich tegen herroeping verzet. De overdracht van de aandelen is onomkeerbaar en levensverzekeraar Conservatrix N.V. verkeert inmiddels in staat van faillissement. De beschikking uit 2017 waarbij het overdrachtsplan van DNB om levensverzekeraar Conservatrix over te dragen is goedgekeurd, blijft daarmee onverkort in stand. De rechtbank heeft zich desondanks uitgelaten over de vraag of DNB in 2017 «bedrog in het geding» zou hebben gepleegd door niet toe te lichten dat de benodigde kapitaalversterking door de koper mede op basis van een herverzekering zou geschieden. De rechtbank oordeelde dat dit het geval was, waarbij van belang is om hierbij nog te vermelden dat het gaat om gesteld bedrog in processuele zin, wat een andere betekenis heeft dan bedrog in het normale spraakgebruik. DNB is tegen dit oordeel van de rechtbank in cassatie gegaan (zie ook het antwoord op vraag 4). Het is nu aan de Hoge Raad om zich over deze uitspraak – en de hiervoor genoemde uitspraak in de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat – te buigen.
Bent u van mening dat de in 2021 uitgevoerde evaluatie door de Evaluatiecommissie Conservatrix het gepleegde bedrog voldoende heeft kunnen evalueren, aangezien het rapport van de Evaluatiecommissie in de uitspraak van 5 februari 2026 een belangrijke bron was om te komen tot het oordeel dat er sprake is geweest van bedrog? Leidt deze uitspraak van de rechtbank nog tot aanvullende inzichten en lessen voor DNB?
De toets die de rechtbank in 2017 diende uit te voeren op basis van de wet en het onderzoek dat de Evaluatiecommissie Conservatrix heeft verricht naar de gebeurtenissen in de aanloop naar het faillissement van Conservatrix N.V. in 2020, hebben een verschillend doel en een andere reikwijdte. Dat gezegd hebbende, blijkt uit de toelichting bij het Instellingsbesluit Evaluatiecommissie Conservatrix3 dat de Evaluatiecommissie Conservatrix nadrukkelijk is gevraagd de herverzekering te onderzoeken. De Evaluatiecommissie Conservatrix, haar juridisch adviseur en secretaris hebben via een dataroom toegang gekregen tot alle relevante toezichtvertrouwelijke stukken, waaronder de afspraken die zijn gemaakt tussen toezichthouder DNB en de koper over de kapitaalversterking.
De Evaluatiecommissie Conservatrix schrijft in haar rapport onder meer dat een herverzekering een risicobeperkende techniek is die verzekeraars mogen toepassen bij berekening van de Solvency Capital Requirement (SCR). Zij bespreekt in haar rapport hoe de kapitaalstorting van Trier Holding B.V. zou worden opgebouwd, inclusief een herverzekering.4 Ook beoordeelt de Evaluatiecommissie in haar rapport of de herverzekering, achteraf bezien, goed heeft uitgepakt en of daar lessen uit te trekken zijn.5 Dit rapport is op 14 december 2021 aan uw Kamer aangeboden en openbaar geworden.6 DNB heeft mijn ambtsvoorganger geïnformeerd hoe zij opvolging heeft gegeven aan de aanbevelingen van de Evaluatiecommissie Conservatrix. Deze informatie is met uw Kamer gedeeld via de Kamerbrief «Reactie op het rapport van de Evaluatiecommissie Conservatrix» d.d. 5 april 2022.7
Wat zijn de (mogelijke) gevolgen van deze uitspraak voor DNB en de Staat?
DNB is het inhoudelijk eens met de verwerping van het herroepingsverzoek door de rechtbank. DNB kan zich echter niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat DNB in de overdrachtsprocedure onvoldoende informatie heeft gegeven over de wijze waarop de koper de kapitaalspositie zou versterken en dat daarom sprake zou zijn van processueel bedrog. DNB heeft daarom tegen onder meer dat onderdeel van de uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Daarnaast heeft DNB hoger beroep ingesteld tegen de opdracht van de rechtbank om bepaalde toezichtvertrouwelijke documenten aan Conservatrix Groep te verstrekken.
In de herroepingsprocedure tussen de Staat en Conservatrix Groep zullen de Advocaat-Generaal en de Hoge Raad ook kunnen kennisnemen van de openbare uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De overwegingen van de rechtbank over het bedrog zijn echter niet juridisch bindend voor deze herroepingsprocedure in cassatie of in een andere procedure.
Conservatrix Groep heeft in de media aangegeven dat zij van mening is dat de uitspraak van de rechtbank grondslag biedt voor (nadere) schadevergoeding aan Conservatrix Groep. Voor een eventuele nieuwe schadeclaim zou Conservatrix Groep verder moeten aanvoeren en onderbouwen welke schade dit «bedrog in het geding» precies heeft veroorzaakt.
Welke financiële gevolgen kunnen zich hierdoor voordoen en op welke wijze wordt hier door DNB en de Staat rekening mee gehouden?
Zoals hiervoor gezegd, kan een eventuele nieuwe schadevergoeding niet worden gevorderd van DNB (of de Staat) louter op basis van deze overwegingen van de rechtbank Amsterdam. Daarvoor zou Conservatrix Groep moeten aanvoeren en aantonen dat aan meerdere juridische vereisten voor een schadevergoeding is voldaan.
Welke juridische procedures lopen er op dit moment nog tussen Conservatrix Groep en DNB of de Staat? Wat is de stand van zaken in deze procedures?
Het Conservatrix-dossier is een langlopend traject. Naast de herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en DNB, waarin op 5 februari 2026 door de rechtbank uitspraak is gedaan, lopen er momenteel twee procedures tussen Conservatrix Groep en de Staat.
Voor de goede orde benadruk ik hier dat de procedures worden gevoerd tussen de Staat en de voormalig aandeelhouder van Conservatrix N.V. De procedures gaan niet over de vraag of polishouders recht hebben op compensatie, omdat later met de nieuwe aandeelhouder ook problemen ontstonden en de levensverzekeraar in 2020 alsnog failliet is gegaan. Het ingrijpen van DNB in 2017 was juist gericht op het beschermen van de polishouders en de financiële stabiliteit.
De eerste procedure betreft een schadeloosstellingsprocedure tegen de Staat, gestart in 2017. Op 26 juni 2017 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een aanvullende schadeloosstelling op de voet van artikel 3:159ab Wft (oud). Dit artikel bood Conservatrix Groep de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen in aanvulling op de EUR 1,– die zij heeft ontvangen toen zij haar aandelen in de noodlijdende levensverzekeraar Conservatrix N.V. moest overdragen op last van DNB en de rechtbank. De Ondernemingskamer heeft vastgesteld dat er twee scenario’s resteerden op de relevante peildatum, namelijk een liquidatiescenario (noodregeling of faillissement)8 en een overnamescenario.9, 10 De Hoge Raad heeft dat in een tussentijds cassatieberoep bevestigd. Vervolgens heeft de Ondernemingskamer een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag wat de waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. op de peildatum in het overnamescenario zou zijn geweest. De Ondernemingskamer heeft een drietal deskundigen benoemd om dit waarderingsonderzoek te verrichten. De Ondernemingskamer heeft vervolgens het voorschot van de kosten van het deskundigenonderzoek vastgesteld en bepaald dat dit voorschot ieder voor de helft door Conservatrix Groep en de Staat dient te worden voldaan. De Staat heeft zijn deel van het voorschot betaald. Conservatrix Groep heeft geweigerd haar deel van het voorschot te voldoen. De Ondernemingskamer heeft vervolgens besloten dat het deskundigenonderzoek daarom niet kan plaatsvinden. De Ondernemingskamer verwacht op 2 april 2026 een einduitspraak te doen in de schadeloosstellingsprocedure.
De tweede nog lopende procedure is de hiervoor reeds genoemde herroepingsprocedure tussen Conservatrix Groep en de Staat, die is gestart in 2025. Op 20 mei 2025 heeft Conservatrix Groep bij de Ondernemingskamer een verzoek ingediend tot herroeping van haar eerdere tussenbeschikkingen in de schadeloosstellingsprocedure. Aan dit verzoek heeft Conservatrix Groep ten grondslag gelegd dat de Staat (of DNB) bedrog zou hebben gepleegd door eerder in de schadeloosstellingsprocedure te verzwijgen dat de door Trier Holding B.V. op grond van het overdrachtsplan te verschaffen kapitaalversterking mede bestond uit een herverzekeringsovereenkomst. Partijen hebben hun standpunten over dit verzoek uitvoerig uiteengezet, zowel schriftelijk als tijdens een zitting bij de Ondernemingskamer. Bij beschikking van 31 juli 2025 heeft de Ondernemingskamer vervolgens alle verzoeken van Conservatrix Groep afgewezen en deze beslissing uitvoerig gemotiveerd.11 Tegen deze beschikking van de Ondernemingskamer heeft Conservatrix Groep op 31 oktober 2025 cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De cassatieprocedure loopt momenteel.
Het invoeren van een leegstandsheffing |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat een Kamermeerderheid op 23 september 2025 heeft ingestemd met het invoeren van een leegstandsheffing via het amendement 36 735-18 op de Fiscale Verzamelwet 2026?
Ja, dit is mij bekend.
Klopt het dat u op 22 januari jongstleden een koninklijk besluit heeft uitgevaardigd dat betrekking heeft op de inwerkingtreding van onderdelen van de Fiscale verzamelwet 2026, maar dat de leegstandsheffing daarin niet is meegenomen?
Het koninklijk besluit van 22 januari jl. heeft betrekking op de inwerkingtreding van artikelen van de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen 2018 en de Fiscale verzamelwet 2026 die zien op de motorrijtuigenbelastingen. Dit valt onder mijn beleidsverantwoordelijkheid en staat los van het amendement over de leegstandsheffing. Het amendement voor de leegstandheffing is ingediend op de Fiscale verzamelwet 2026. Daarin zijn technische wijzigingen opgenomen van fiscale wetgeving, waarvan het wenselijk was dat deze per 1 januari 2026 in werking zouden treden. Het amendement wijzigt de Gemeentewet en staat daardoor los van de reguliere fiscale wetgeving. Voor dit amendement geldt dat de inwerkingtreding van het amendement op koninklijk besluit (KB) is gezet. De maatregel gaat in als de verantwoordelijke Minister deze heeft geslagen. Het koninklijk besluit tot inwerkingtreding van het amendement is tot op heden om procedurele redenen nog niet genomen, wat de uitvoering van een leegstandbelasting door gemeenten overigens niet in de weg hoeft te staan aangezien er door gemeenten eerst nog een verordening moet worden opgesteld voordat het jaar leegstand gaat lopen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten werkt ter ondersteuning hiervoor aan een modelverordening waarvan gemeenten gebruik kunnen maken.
Waarom heeft u hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit aangenomen amendement zo snel mogelijk wél wordt uitgevoerd, waardoor gemeenten aan de slag kunnen met het invoeren van een leegstandsheffing?
Het Ministerie van Financiën is hierover in gesprek geweest met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als verantwoordelijke van de Gemeentewet en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (beleidsverantwoordelijk). Het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werkt nu aan het koninklijk besluit dat de inwerkingtreding van het amendement regelt. Daarna zal het koninklijk besluit worden geslagen waarmee het amendement zo snel mogelijk inwerking treedt.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden, uiterlijk vrijdag 13 februari 2026 om 12:00?
Ja.