Het bericht ‘Tienduizenden mensen met beperking kunnen gewoon aan de slag: ’Er is niets dat ik niet wil doen’' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden mensen met beperking kunnen gewoon aan de slag: «Er is niets dat ik niet wil doen»»?1
Ja
Vindt u het ook onbegrijpelijk dat de personeelstekorten in de zorg fors oplopen, terwijl ondertussen nog altijd 22.000 mensen met een beperking langs de zijlijn staan?
Wij zouden dat graag anders zien. Het terugdringen van de personeelstekorten is een brede uitdaging waar we alle partijen voor nodig hebben. Volgens onderzoek van kenniscentrum Movisie en VGN (Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland) zouden ongeveer 22.000 mensen die nu in de dagbesteding zitten, de stap kunnen maken naar een vorm van betaald werk. De Minister van Werk en Participatie zet zich in voor het bevorderen van participatie op de arbeidsmarkt. Dat gebeurt op allerlei manieren, zie hiervoor het antwoord op vraag 4. Het Programma Simpel Switchen in de Participatieketen omvat onder andere de overstap van dagbesteding naar betaald werk. Binnen dit gezamenlijke programma van de Ministeries van SZW en VWS met landelijke partners als Divosa, de VGN, Cedris en Movisie, lopen verschillende activiteiten gericht op het vergemakkelijken van deze overstap.
Deelt u de mening dat juist mensen met een beperking zorgorganisaties veel te bieden hebben en dat het beter voor henzelf en de samenleving zou zijn indien zij de stap zouden maken van dagbesteding naar betaald werk? Zo nee, waarom niet?
Het is zeker belangrijk dat ook mensen met een beperking zo veel mogelijk betaald werk verrichten. Betaald werk draagt bij aan zelfstandigheid, aan meedoen in de samenleving en het is van belang voor de economie. Het bevorderen van betaald werk is één van de prioriteiten van de Minister van Werk en Participatie. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 ziet het gezamenlijke Programma Simpel Switchen in de Participatieketen onder meer op de stap van arbeidsmatige dagbesteding naar een vorm van betaald werk.
Constateert u ook dat er landelijk maar een handjevol zorgorganisaties zijn die werken met mensen met een beperking en de meeste werkgevers vooral de problemen en niet de kansen zien?
Nog steeds hebben te weinig werkgevers mensen met een beperking in dienst. Helaas gaat het nog maar om minder dan een op de vijf werkgevers.2 Dat probleem speelt niet alleen in de zorgsector. Er zijn wel goede voorbeelden van zorgorganisaties die mensen met een beperking in dienst hebben. Maar het is zaak dat meer werkgevers, ook in de zorg, het goede voorbeeld volgen. Het is onacceptabel dat de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking achterblijft. Het is niet goed voor de mensen zelf en ook de samenleving als geheel is daarmee slechter af. Zeker nu bedrijven in het land nog steeds om personeel verlegen zitten. In een krappe arbeidsmarkt kunnen we de talenten en inzet van mensen simpelweg niet missen. Door zoveel talent onbenut te laten, schieten we onszelf als samenleving in de voet.
Er zijn de afgelopen tijd al veel maatregelen getroffen om dit probleem aan te pakken.3 Zo zijn er verbeteringen van de Banenafspraak tot stand gekomen. Er is een Sociaal Innovatiefonds om inclusief werkgeverschap aan te moedigen, er is budget voor het structureel maken van het instrument Individuele Plaatsing en Steun, er zijn middelen voor investeringen voor een toekomstbestendige infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk (structureel gaat het om € 190 miljoen extra per jaar), er is een subsidieregeling inclusieve technologie. Ook komen sectorale Ontwikkelpaden tot stand, onder meer in de zorg, de wet van school naar duurzaam werk is begin 2026 in werking getreden en er zijn maatregelen genomen in de Participatiewet in balans ter bevordering van uitstroom naar werk. Met de komst van Werkcentra is er één loket in arbeidsmarktregio’s waar werknemers, werkzoekenden en werkgevers terecht kunnen met vragen over betaald werk.
De komende tijd worden onverminderd maatregelen getroffen ter bevordering van de arbeidsparticipatie. Zo wordt er ingezet op het harmoniseren van het re-integratiebeleid, waaronder de inzet van werkvoorzieningen, zodat werkzoekenden en werkgevers sneller krijgen wat nodig is. Er wordt meer ingezet op praktijkgerichte scholing, zodat mensen sneller kunnen instromen in banen in sectoren als de zorg. Ook wordt er gewerkt aan een agenda over inclusief werkgeverschap, waarin wordt ingegaan op hoe de informatievoorziening verder kan worden vergroot. Daarnaast vindt er een hervorming van de Participatiewet plaats en er wordt gewerkt aan een fundamentele herziening van de Banenafspraak.
Bent u bereid werkgevers beter voor te lichten over de mogelijkheden die er zijn? Zo nee, waarom niet?
Met de komst van Werkcentra is er een loket in arbeidsmarktregio’s waar werknemers, werkzoekenden en werkgevers terecht kunnen met vragen over betaald werk. Daarnaast werkt de Minister van Werk en Participatie aan een agenda over inclusief werkgeverschap, waarin hij verder in zal gaan op hoe de bekendheid van regelingen en mogelijkheden verder kan worden versterkt.
Streven is de agenda rond de zomer met uw Kamer te delen.
Bent u bereid te onderzoeken hoe bestaande regelingen versimpeld kunnen worden zodat deze minder ingewikkeld zijn voor werkgevers en de bevindingen met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit het antwoord op vraag 4 blijkt, wordt er volop ingezet op het verbeteren van bestaande regelingen. Daarbij gaat het ook om de informatievoorziening over die regelingen en de uitvoering ervan. Dat gebeurt met nauwe betrokkenheid van werkgevers, werknemers, ervaringsdeskundigen, uitvoerders en andere belanghebbende partijen. De Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de ontwikkelingen in de verschillende dossiers.
Het artikel van The Guardian 'US directs embassies to team up against foreign ‘hostility’ – and use X to ‘counter anti-American propaganda’' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van The Guardian «US directs embassies to team up against foreign «hostility» – and use X to «counter anti-American propaganda»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Amerikaanse ambassades volgens deze instructie actief lokale influencers, academici en maatschappelijke organisaties zouden moeten inzetten om narratieven te beïnvloeden?
Het staat andere landen vrij om aan vormen van (publieks-)diplomatie te doen en samen te werken met personen die in Nederland wonen of gelieerd zijn aan Nederland, uiteraard met inachtneming van onze democratische rechtsstaat.
Zijn er aanwijzingen dat Amerikaanse ambassade- en/of consulaatmedewerkers in Nederland de bovenstaande activiteiten uitvoeren? Zo ja, wat bent u voornemens hieraan te doen?
Tot op heden heeft het kabinet geen aanwijzingen hiervoor.
In algemene zin heeft het kabinet middels de Rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) verschillende mogelijkheden om bij signalen van OBI op te treden. Op dit moment zijn dergelijke signalen er niet.
Acht u het wenselijk dat diplomatieke communicatie en militaire beïnvloedingsoperaties op deze wijze met elkaar verweven raken? Zo niet, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. Vrijwel elke overheid, ook de Nederlandse, vergaart via regulier diplomatiek verkeer, publieksdiplomatie en media-aandacht steun voor bepaalde ideeën en belangen of om meningsverschillen te beslechten. Buitenlandse beïnvloeding is niet ondermijnend wanneer het op openlijke en legitieme wijze plaatsvindt en daarbij binnen de regels van de Nederlandse democratische rechtsorde blijft. De grenzen van statelijke inmenging zijn vastgelegd in de aanpak van OBI.2
Ziet u deze oproep in het kader van inmenging in de Nederlandse rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat er in dit geval sprake is van statelijke inmenging. Voor een actueel overzicht van het dreigingsbeeld, verwijs ik uw Kamer naar het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren 2025.
Wat is uw oordeel over het feit dat de Amerikaanse overheid het platform X van Elon Musk expliciet aanwijst als «innovatief instrument» voor het tegengaan van anti-Amerikaanse propaganda, mede in het licht van de € 120 miljoen boete die de EU X recent heeft opgelegd wegens misleidende praktijken onder de Digital Services Act?
X is een groot online platform, dat door diverse landen wereldwijd gebruikt wordt.
Digitale platforms worden in de EU gereguleerd door de Digitale (Dienstenverordening DSA). Het kabinet steunt de Europese Commissie in de onverminderde handhaving van deze wetgeving en heeft vertrouwen in het handelen van de Commissie als er sprake is van onrechtmatige praktijken.
Deelt u de mening dat de officiële inzet van een privéplatform – waarvan de eigenaar tevens een invloedrijke rol vervulde binnen de regering Trump – als diplomatiek communicatiemiddel ernstige vragen oproept over onafhankelijkheid en integriteit?
Het is niet aan de Nederlandse regering te oordelen over de keuzes in het gebruik van sociale mediaplatforms als regeringscommunicatiemiddel van andere landen. Zie tevens antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om als kabinet op dit platform actief te zijn, en bent u voornemens om van X af te gaan naar aanleiding van dit en andere berichten die de integriteit van het platform sterk in twijfel trekken? Zo niet, waarom niet?
Het bereiken van zoveel mogelijk mensen en hen in staat stellen kennis te nemen van overheidsinformatie, juist ook groepen die via traditionele media minder goed worden bereikt, is belangrijk voor de Rijksoverheid. De sociale media-accounts van de bewindspersonen, waaronder hun accounts op X, zijn een van de manieren waarop dit gebeurt. We onderzoeken daarbij steeds nieuwe mogelijkheden en middelen, waarmee we zo veel mogelijk mensen kunnen blijven bereiken.
De Rijksoverheid is zich bewust van de berichtgeving over negatieve ontwikkelingen op sommige sociale mediakanalen. De (on)wenselijkheid om op sociale mediakanalen aanwezig te zijn is ook geregeld onderwerp van gesprek. Ministeries en publieke dienstverleners maken hierin hun eigen afweging, waarbij verschillende factoren een rol kunnen spelen. Het belang om zoveel mogelijk burgers te bereiken en in staat te stellen kennis te nemen van de informatie van de Rijksoverheid, juist ook burgers die via traditionele media en communicatie niet altijd (meer) te bereiken zijn, is een factor die bij de meeste organisaties van de Rijksoverheid zwaar weegt bij het maken van een afweging.
Bent u bereid dit te bespreken met de Amerikaanse ambassadeur en de Kamer te informeren over de uitkomst van dat gesprek? Zo niet, waarom niet?
De Amerikaanse regering is goed op de hoogte van het Nederlandse standpunt ten aanzien van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting, de bestrijding van desinformatie en digitale weerbaarheid en Europese wetgeving daaromtrent. Het kabinet ziet vooralsnog geen noodzaak om deze specifieke instructie op te brengen in de gesprekken met de VS omdat er geen aanwijzing is dat er sprake is van ongewenste buitenlandse inmenging.
Bent u bereid dit onderwerp te agenderen in de Raad Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet ziet geen aanleiding dit specifieke artikel te agenderen op de Raad Buitenlandse Zaken. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘Grensgemeenten balen van Duitse grenscontroles: 'Ernstige ongevallen gebeurd'' |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grensgemeenten balen van Duitse grenscontroles: «Ernstige ongevallen gebeurd»»?1
Ja.
Herkent u de signalen van Nederlandse grensgemeenten dat deze controles leiden tot sluipverkeer, verkeersonveilige situaties en ongevallen op lokale wegen?
Ja.
Kunt u reflecteren op de effecten van de Duitse grenscontroles op de verkeersveiligheid in Nederlandse grensregio’s?
Lidstaten gaan primair zelf over het beheer van hun grenzen. Het is duidelijk dat de wijze waarop Duitsland controleert, namelijk op of dichtbij de grens, een negatieve impact heeft op de doorstroming en verkeersveiligheid. Nederland heeft hiervoor contact met Duitsland over de samenwerking in het kader van de binnengrenscontroles en de gevolgen van de binnengrenscontroles, zowel op politiek en ambtelijk als operationeel niveau. Tegelijkertijd nemen we in Nederland maatregelen om de verkeersveiligheid zoveel mogelijk te waarborgen. Dit doen we bijvoorbeeld met behulp van mobiele tekstkarren voor de informatievoorziening en mobiele rijstrooksignaleringen om de snelheid te verlagen. Rijkswaterstaat zet zich momenteel al maximaal in om de verkeersveiligheid te borgen. Daarnaast heb ik Rijkswaterstaat onlangs gevraagd, naar aanleiding van de ongelukken die er recent zijn geweest, om waar mogelijk extra maatregelen te treffen. Naar aanleiding daarvan zal Rijkswaterstaat op korte termijn nog extra bebording plaatsen op de A1 en A12 om weggebruikers nog iets beter te waarschuwen. Een volgende mogelijke stap in de verbetering van de verkeersveiligheid zal een permanent karakter hebben.
In hoeverre deelt u de zorgen dat door uitwijkend verkeer dorpskernen minder bereikbaar worden en dat de doorgang voor hulpdiensten onder druk komt te staan?
Ik deel deze zorgen. Nederland staat in contact met Duitsland over de samenwerking in het kader van de binnengrenscontroles en de gevolgen van de binnengrenscontroles, zowel op politiek en ambtelijk als operationeel niveau.
Bent u bekend met het signaal dat de gemeente Losser werkzaamheden aan een brug heeft moeten uitstellen vanwege deze controles, omdat geen goede omleidingsroute kan worden ingericht?
Ja.
Bent u bereid in overleg te treden met betrokken gemeenten en Duitse autoriteiten om te voorkomen dat noodzakelijke infrastructurele werkzaamheden, zoals in de gemeente Losser, moeten worden uitgesteld door de gevolgen van grenscontroles?
Vanuit mijn portefeuille blijf ik mij inzetten om de negatieve effecten op de verkeersveiligheid en doorstroming zoveel mogelijk te mitigeren en heb ik Rijkswaterstaat onlangs gevraagd, naar aanleiding van de ongelukken die er recent zijn geweest, om waar mogelijk extra maatregelen te treffen. Naar aanleiding daarvan zal Rijkswaterstaat op korte termijn nog extra bebording plaatsen op de A1 en A12 om weggebruikers nog iets beter te waarschuwen. De Minister van Asiel en Migratie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid staan in contact met Duitsland om de impact van controles in het grensgebied op het grensverkeer beperken.
Wat zijn de effecten van de controles op de mobiliteit en logistiek in Nederlandse grensregio’s, met name in termen van vertragingen in goederenvervoer, verstoringen in logistieke ketens en extra verkeersdruk? En welke impact heeft dit op logistieke bedrijven, ondernemers en gemeentelijke infrastructuur en kosten?
Files als gevolg van de Duitse binnengrenscontroles zijn er met name op de A1 en A12 met vertraging tot maximaal ca. 30 minuten, afhankelijk van de dag en de tijd. Het is duidelijk dat deze vertraging ook invloed heeft op het weggoederenvervoer. Mede op basis van input van de vervoerssector worden de kosten door de sector geschat op maximaal 1 miljoen euro per maand.
Kunt u inzicht geven in de economische gevolgen van de controles voor Nederlandse grensregio’s, bijvoorbeeld door vertragingen, verminderde bereikbaarheid en extra kosten voor gemeenten?
Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat de Nederlandse binnengrenscontroles een significant negatief effect hebben gehad op de grensregio’s. Er is periodiek contact tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Koninklijke Marechaussee en bestuurders uit de grensregio’s over de gevolgen van binnengrenscontroles voor de grensregio’s. Er zijn wel effecten waargenomen van de Duitse binnengrenscontroles, waaronder vertragingen als gevolg van snelheidsbeperkende maatregelen, waarbij de snelheid van het verkeer richting Duitsland wordt teruggebracht tot stapvoets.
Kunt u toelichten wat de effecten zijn van de huidige Nederlandse grenscontroles door de Koninklijke Marechaussee (KMAR) op verkeersstromen, wachttijden en verkeersveiligheid?
De Nederlandse grenscontroles hebben vrijwel geen tot beperkt effect op de verkeersstromen, wachttijden en verkeersveiligheid. Dit komt door de manier van controleren: de KMar begeleidt de voertuigen van de weg af naar een controlelocatie. De KMar voert gerichte en flexibele controles uit, die informatie- en risico- gestuurd zijn. Daarnaast kan grensoverschrijdend verkeer gebruik blijven maken van de reguliere wegen van en naar buurlanden. Hierdoor hebben de Nederlandse controles vrijwel geen negatieve effecten op het reguliere verkeer.
Bent u bereid om, in overleg met betrokken gemeenten en buurlanden, maatregelen te verkennen om negatieve effecten van grenscontroles op verkeersveiligheid en bereikbaarheid te beperken?
De Minister van Asiel en Migratie en het Ministerie van Justitie en Veiligheid staan in contact met Duitsland om de impact van controles in het grensgebied op het grensverkeer beperken. Vanuit mijn portefeuille blijf ik mij inzetten om de verkeersveiligheid en doorstroming zo goed mogelijk te borgen.
TBA bij internationale organisaties en rechten van werknemers |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 februari 20261, waarin is geoordeeld dat de European Space Agency (ESA) geen onderneming is in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en dat daarom de artikelen 8 en 8a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) niet van toepassing zijn?
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak ertoe leidt dat werknemers die via een werkgever ter beschikking worden gesteld aan internationale organisaties zoals ESA, geen aanspraak kunnen maken op gelijke arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in de Waadi en de Europese Uitzendrichtlijn? Zo nee, waarom niet en zo ja, wat gaat u dan nu doen?
Nee. De uitspraak is nog niet onherroepelijk; de mogelijkheid van hoger beroep tegen de uitspraak staat nog open. Vooralsnog zie ik aanleiding voor een andere uitleg van de Waadi dan de uitleg die in de uitspraak wordt gegeven. Naar mijn oordeel vallen namelijk ook overheidsorganisaties, waaronder internationale organisaties als ESA, onder het begrip «onderneming» uit de WOR. Uit de wettelijke reikwijdte van dat begrip blijkt niet dat organisaties die werken met internationale publiekrechtelijke aanstellingen of buitenlandse arbeidsovereenkomsten hiervan zijn uitgezonderd. Daarbij is bovendien relevant dat het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie eerder heeft geoordeeld dat ook een andere organisatie die alleen aanstellingen volgens internationaal publiekrecht heeft (EIGE een agentschap met ambtenaren aangesteld op basis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie) onder de reikwijdte van de Uitzendrichtlijn valt.2
Deze jurisprudentie, en de uitzendrichtlijn, lijkt niet te zijn meegewogen in de uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Daarnaast moeten de WOR en Waadi in samenhang worden bezien met de oprichtingsverdragen van internationale organisaties, zoals ESA, en met die organisaties gesloten zetelverdragen. Daarin zijn naast bepalingen over het toepassen van nationale wetgeving ook bepalingen opgenomen over onschendbaarheid en immuniteiten. Om die reden kan het zijn dat het Nederlandse arbeidsrecht (en het daarin geïmplementeerde Unierecht) niet in alle situaties op dezelfde manier kan worden toegepast en dat naleving niet op dezelfde manier kan worden gehandhaafd ten opzichte van internationale organisaties.
De Nederlandse Staat is geen procespartij, maar zal het eventuele vervolg van de procedure met interesse volgen.
Hoe beoordeelt u, in het licht van artikel 5, eerste lid, van de Uitzendrichtlijn, dat een groep ter beschikking gestelde werknemers die feitelijk arbeid verricht bij een in Nederland gevestigde organisatie volledig buiten het beginsel van gelijke behandeling valt enkel vanwege de kwalificatie van de inlener? Acht u dat richtlijnconform?
Nee. Zoals hierboven beschreven staat, kan niet zonder meer worden gezegd dat de Waadi niet van toepassing is op eventuele terbeschikkingstellingen die bij ESA plaats zouden vinden. Daarnaast is de uitspraak nog niet onherroepelijk. Naar aanleiding van de eventuele vervolgprocedure zal de Staat moeten beoordelen of de eisen die de Uitzendrichtlijn aan Nederland stelt, voldoende doorwerken.
Was het bij de implementatie van de Uitzendrichtlijn beoogd dat ter beschikking gestelde werknemers die werken bij internationale organisaties in Nederland buiten het beginsel van gelijke behandeling zouden vallen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, erkent u dan dat hier sprake is van een lacune in de wetgeving?
Nee. Wel volg ik de procedure met interesse, omdat zo’n lacune wel kan ontstaan na het eventuele hoger beroep of uiteindelijk cassatie bij de Hoge Raad.
Deelt u de opvatting dat artikel 8 van het Verdrag tussen Nederland en ESA inzake ESTEC, waarin is bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de activiteiten van ESA in Nederland, meebrengt dat het onwenselijk is dat ter beschikking gestelde werknemers daar feitelijk buiten de bescherming van de Waadi vallen? Zo nee, waarom niet?
Die opvatting deel ik, maar zoals bij de beantwoording van vraag 2 uitgelegd, is er nog geen definitieve uitspraak dat dit daadwerkelijk ook het geval is. Daarnaast zijn er ook andere verdragsbepalingen die in overweging moeten worden genomen.
Kunt u aangeven hoe groot de groep werknemers in Nederland is die via vergelijkbare constructies werken bij internationale organisaties en mogelijk buiten de werking van de Waadi vallen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te laten brengen?
Het aantal werknemers die door inlening ter beschikking is gesteld aan internationale organisaties is mij onbekend. Het volledig in kaart brengen van het aantal inlenende krachten bij internationale organisaties is zeer ingewikkeld. Bovendien zie ik de meerwaarde daarvan niet. Deze groep van werknemers valt naar mijn oordeel, zoals aangegeven in de beantwoording van voorgaande vragen, binnen de werking van de Waadi waarbij voor de toepassing en naleving rekening moet worden gehouden met de bepalingen in de van toepassing zijnde verdragen.
Welke mogelijkheden ziet u om in de herziening van de Waadi, die momenteel in de Tweede Kamer wordt behandeld, te waarborgen dat werknemers die feitelijk structureel arbeid verrichten binnen organisaties als ESA, niet structureel slechtere arbeidsvoorwaarden hebben dan direct aangestelde collega’s?
Ik ben van mening dat dit al met de huidige Waadi voldoende gewaarborgd is en met het wetsvoorstel «meer zekerheid flexwerkers» verder versterkt wordt. Op grond van de Waadi hebben uitzendkrachten recht op hetzelfde loon, overige vergoedingen en arbeids- en rusttijden als werknemers bij de inlener. Hieraan wordt met het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers toegevoegd dat de overige arbeidsvoorwaarden ten minste gelijkwaardig dienen te zijn. Zoals uitgelegd bij de beantwoording van vraag 2, gelden deze regels voor alle arbeidskrachten die in Nederland ter beschikking worden gesteld aan organisaties om onder diens leiding en toezicht arbeid te verrichten. Internationale organisaties zijn daar naar oordeel van de regering in beginsel niet van uitgezonderd. Daarmee zijn de rechten van ingeleende werknemers bij dergelijke internationale organisaties voldoende geborgd.
Bent u bereid om in het kader van deze wetswijziging te bezien of het begrip «inlenende onderneming» in de Waadi moet worden aangepast, zodat ook internationale organisaties hieronder kunnen vallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 uitgelegd, zie ik aanleiding voor een andere interpretatie van de Waadi dan de uitleg die is gegeven in de uitspraak. Ik acht het daarom vooralsnog niet nodig om de Waadi op dit punt aan te passen.
Bent u bereid om hierover in overleg te treden met sociale partner en een nadere analyse naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nu het vraagstuk nog onder de rechter is, en ik aanleiding zie voor een andere interpretatie, vind ik een nadere analyse in deze fase niet opportuun.
Het bericht 'Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs»?1
Ja.
Hoe duidt u de stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld, van 673 gevallen in 2024 naar 757 in 2025?
Een eenduidig antwoord op deze vraag is niet te geven. Er zijn meer vragen over casussen met een vermoeden van een eermotief bij het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) binnengekomen. Dat kan komen omdat er een daadwerkelijke toename van het aantal zaken is. Dat kan echter ook komen door de gegroeide bekendheid van het LEC EGG binnen de politie-eenheden.
In hoeverre is volgens u sprake van een daadwerkelijke toename van eergerelateerd geweld, los van een toename aan meldingen?
Dat is niet bekend.
Klopt het dat in een aanzienlijk deel van de gemelde zaken personen met een Syrische achtergrond betrokken zijn, zoals gemeld in het artikel? Zo ja, hoe duidt u die cijfers?
Dat klopt. De afgelopen 10 jaren zijn mensen met een Syrische achtergrond de grootste groep nieuwkomers in Nederland.
Klopt het dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor het asiel- en integratieproces?
Het klopt dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven.
Binnen het integratieproces is het belangrijk om aandacht te besteden aan het zelfbeschikkingsrecht als onderdeel van de kennisoverdracht over het vrijheidsrecht. Hier is in het inburgeringsprogramma dan ook breed aandacht voor. Het zelfbeschikkingsrecht, het recht van het individu op eigen keuzes en zelfstandigheid, en het belang en de betekenis van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw komen in de inburgering terug in de onderdelen Voorbereiding op de inburgering, Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) en het participatieverklaringstraject (PVT). KNM en PVT zijn verplichte onderdelen in het inburgeringstraject voor iedere inburgeringsplichtige. In het azc leren asielstatushouders via de Voorbereiding op de inburgering over zelfbeschikking. In de module Democratie en rechtstaat van het programma wordt ingegaan op vrouwen- en lhbtiq+ rechten.
In de zogenaamde eindtermen (dat wat inburgeraars moeten kennen en weten) van het inburgeringsexamen KNM is het zelfbeschikkingsrecht expliciet opgenomen. Bij de eindtermen over de integriteit van het lichaam zijn expliciete voorbeelden van schadelijke praktijken, zoals huiselijk geweld, besnijdenis van meisjes en eerwraak toegevoegd. Hierbij wordt benadrukt dat alle ongewenste intimiteit en geweld strafbaar is. De nieuwe eindtermen zijn op 1 juli 2025 in werking getreden. Inburgeraars worden in de B1 en onderwijsroute op deze kennis getoetst. In het verplichte onderdeel PVT is er aandacht voor de kernwaarden van vrijheid waaronder het zelfbeschikkingsrecht, gelijkwaardigheid, solidariteit en participatie. Aan het eind van het traject moeten alle inburgeringsplichtigen de Participatieverklaring ondertekenen. Hiermee verklaren ze kennis te hebben genomen van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving, deze te respecteren, de universele mensenrechten te eerbiedigen en daarmee niet in strijd te (zullen) handelen.
In de verzamelbrief inburgering van 16 oktober 2025 heeft de toenmalige Staatssecretaris Participatie en Integratie aangekondigd in te zetten op het verbeteren van de kennis over signalering van onveiligheid in de gemeentelijke inburgeringspraktijk. Voorlichting over de bestaande meldcodes voor huiselijk geweld en kindermishandeling en ongewenste (schadelijke) praktijken is op dit moment niet standaard aanwezig voor medewerkers die werken met inburgeraars.
Voor de betekenis hiervan voor het asielproces verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 10.
Wordt in de asielopvang en bij gemeenten actief gesignaleerd op risico’s of verdenkingen van eergerelateerd geweld? Zo ja, welke instrumenten en protocollen worden hiervoor gebruikt en hoe wordt expertise gedeeld met politie, Veilig Thuis en andere betrokken instanties?
Voor zowel het COA als gemeenten staat het beschermen van slachtoffers van eergerelateerd geweld voorop. In het geval van (vermoedens van) eergerelateerd geweld wordt er melding gedaan bij Veilig Thuis. Bij eergerelateerd geweld speelt eermotief in een collectieve context en daarom zijn er speciale interventies van toepassing. Zo is er een specifiek stappenplan van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor vermoedens van eergerelateerd geweld. In het geval van de complexe problematiek van eergerelateerd geweld wordt daarom door het COA en lokale teams de expertise van de politie en het LEC EGG (Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld) ingeschakeld.
Het stoppen van geweld, het inschakelen van hulp en het bieden van veilige opvang staat voor het COA voorop. In acute onveilige situaties handelt het COA direct om het geweld te stoppen en de veiligheid te waarborgen. Het COA doet dit in samenspraak met de politie. Dat kan betekenen dat de dader van (dreiging) van geweld in hechtenis wordt genomen dan wel per direct wordt overgeplaatst naar een andere COA-locatie. In sommige gevallen wordt maatwerk geboden waarbij het slachtoffer wordt overgeplaatst naar een (geheime) opvanglocatie of een beveiligde locatie voor vrouwenopvang in een gemeente. Een plaatsing in de vrouwenopvang gaat in overleg met de politie en Veilig Thuis. Slachtoffers van eergerelateerd geweld worden door het COA aangemoedigd om bij de politie aangifte te doen.
Hoe is de samenwerking georganiseerd tussen politie, Veilig Thuis, gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken organisaties wanneer signalen van eergerelateerd geweld ontstaan binnen migrantengemeenschappen of in de asielopvang?
De IND is één van de organisaties die kan handelen op signalen van eergerelateerd geweld. De IND handelt op signalen indien mogelijk sprake is van vreemdelingrechtelijke gevolgen. De IND heeft daarvoor het Handhavingsinformatieknooppunt (HIK) ingericht. Bij het HIK worden fraude-en handhavingssignalen over vreemdelingen centraal verzameld, verwerkt en geanalyseerd. Hier kunnen ook signalen van eergerelateerd geweld onder vallen. De signalen kunnen worden ingebracht door klantdirecties van de IND (intern), maar ook door ketenpartners en derden zoals de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), de politie, gemeenten en (anonieme) tipgevers. Een melding kan worden gedaan via de site van de IND (Fraude of misbruik melden | IND). Voor het verwerken, oppakken en afhandelen van de signalen kan worden samengewerkt met andere ketenpartners.
Welke maatregelen worden genomen om potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en LHBTI-personen, tijdig te beschermen?
De aanpak van eergerelateerd geweld maakt onderdeel uit van de bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Het wordt binnen de aanpak beschouwd als een specifieke verschijningsvorm van huiselijk geweld waarbij over het algemeen de reguliere maatregelen worden toegepast en deze maatregelen waar nodig worden aangevuld met specialistische expertise.
Professionals volgen ingeval van vermoedens van eergerelateerd geweld de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze meldcode helpt hen bij het tijdig handelen wanneer er signalen zijn van geweld. Specifiek voor vermoedens van eergerelateerd geweld is een apart stappenplan ontwikkeld.
Daarnaast kunnen professionals voor ondersteuning en advies contact opnemen met het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld. Zij helpen onder andere bij het inschatten van risico’s en dreigingen.
Slachtoffers kunnen verder rekenen op bescherming via door de rechter opgelegde contactverboden, gebiedsverboden en huisverboden. Wanneer sprake is van acute onveiligheid kunnen slachtoffers de politie inschakelen voor hulp. Verder is voor slachtoffers van eergerelateerd geweld en slachtoffers die (hoog) risico lopen op (dodelijk) eergerelateerd geweld de specialistische opvang beschikbaar. Slachtoffers worden via deze route op een veilige plek opgevangen en ondersteund.
Daarnaast zijn er verschillende maatregelen die potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en lhbtiq+ personen, beogen te beschermen. Het Ministerie van OCW en SZW ondersteunen de Alliantie Verandering van Binnenuit 2.0 waarin Movisie, het consortium zelfbeschikking en LCC+ werken aan voorlichting en dialoogbijeenkomsten binnen christelijke en migrantengemeenschappen om mentaliteitsverandering te bereiken richting acceptatie van gendergelijkheid, seksuele- en genderdiversiteit en persoonlijke vrijheid in het algemeen. Het Ministerie van VWS zet eveneens in op bewustwording en toeleiding naar hulp binnen gesloten gemeenschappen door de inzet van sleutelpersonen.
Verder wordt binnen de versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid (Kamerstuk II, 2025/2026, 30 420, nr. 437) expliciet aandacht besteed aan het bevorderen van de veiligheid van lhbtiq+ personen in huiselijke kring.
Deelt u de opvatting dat eergerelateerd geweld een ernstige aantasting vormt van de Nederlandse rechtsorde en fundamentele vrijheden?
Ja.
Welke gevolgen kan betrokkenheid bij eergerelateerd geweld hebben voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning, ook wat betreft verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd?
De IND beoordeelt bij iedere openstaande aanvraag om een verblijfsvergunning of er sprake is van openbare orde aspecten. Eergerelateerd geweld kan hier als strafbaar feit vanzelfsprekend onder vallen en wordt dan betrokken bij de beoordeling. Hoe zwaar een veroordeling weegt en of hij ernstig genoeg is om een verblijfsvergunning af te wijzen of in te trekken, is afhankelijk van onder meer het concrete misdrijf en de opgelegde straf. Beide blijken uit het vonnis van de strafrechter.
Welke toets de IND hanteert bij de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde is afhankelijk van het soort vergunning waarvoor de aanvraag loopt en de grond voor vergunningverlening. Ook worden openbare orde aspecten betrokken bij de beoordeling of vergunninghouders van een vergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd nog recht hebben op het behoud van deze vergunning.
Voor reguliere aanvragen geldt dat sprake moet zijn van een veroordeling en een opgelegde straf wegens een misdrijf. Zolang de vreemdeling nog geen rechtmatig verblijf heeft, en er nog geen sprake is van een intrekking of verlenging, kan een enkele veroordeling in principe voldoende zijn om de aanvraag af te wijzen. De IND moet echter wel beoordelen of een afwijzing evenredig is, gelet op de individuele situatie. Afhankelijk van het verblijfsdoel kan ook het Unierechtelijke openbare orde criterium van toepassing zijn. Dit houdt in dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet vormen. Dit criterium is vooral van toepassing op aanvragen waarin aan het Europees recht wordt getoetst.
In het geval van een intrekking van de verblijfsvergunning regulier of de afwijzing van een aanvraag voor een verlenging van een verblijfsvergunning regulier, of de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd vanwege een gevaar voor de openbare orde moet er, naast de hiervoor genoemde voorwaarden, worden voldaan aan de zogenoemde glijdende schaal: een tabel waarin de opgelegde straf wordt afgezet tegen de duur van het rechtmatige verblijf in Nederland. Hoe langer een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, hoe hoger de opgelegde straf moet zijn voordat de vreemdeling in aanmerking komt voor intrekking van het verblijfsrecht. Voor het weigeren van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd moet er bovendien sprake zijn van een strafbedreiging van 3 jaar of meer gevangenisstraf.
Voor een asielvergunning gelden de volgende kaders. Als een vreemdeling is aangemerkt als verdragsvluchteling (de «a-status»), kan de vergunning worden geweigerd of ingetrokken als er sprake is van een onherroepelijke veroordeling voor een «bijzonder ernstig misdrijf». Daarnaast moet er sprake zijn van een gevaar voor de gemeenschap. Als de vreemdeling geen verdragsvluchteling is, maar wel in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming (de «b-status») moet er sprake zijn dat de vreemdeling voor zijn aankomst in Nederland een ernstig misdrijf heeft gepleegd, van een veroordeling voor een «ernstig misdrijf» na zijn aankomst in Nederland of dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Het laatste geval wordt beoordeeld aan de hand van het eerdergenoemde Unierechtelijke openbare ordecriterium.
Het is van belang hierbij op te merken dat een enkele verdenking in de meeste gevallen dus niet voldoende is om een vergunning te weigeren of in te trekken.
Ook als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een asielvergunning, kan openbare orde worden tegengeworpen. Dit kan ertoe leiden dat er ook een zwaar inreisverbod op grond van de openbare ordeaspecten wordt opgelegd.
In hoeverre kan een verdenking, vervolging of veroordeling voor eergerelateerd geweld aanleiding zijn om een verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken vanwege betrokkenheid bij geweld binnen de familie- of eersfeer?
Dat is niet bekend. In de IND-systemen wordt niet op grond van een misdrijf geregistreerd of de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of geweigerd, maar slechts of sprake is van een gevaar voor de openbare orde.
Acht u het huidige instrumentarium binnen het vreemdelingenrecht voldoende om op te treden tegen personen die zich schuldig maken aan eergerelateerd geweld, of ziet u aanleiding om dit aan te scherpen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 10 heb toegelicht, kan eergerelateerd geweld leiden tot een afwijzing van de aanvraag of intrekking van de vergunning (zowel voor reguliere zaken als voor asiel- en nareiszaken). Alle individuele omstandigheden van het geval worden betrokken bij deze beoordeling.
Daarnaast wil ik verwijzen naar de brief over aanscherping van de zogenoemde glijdende schaal die de Minister van Asiel en Migratie op 9 juni 2026 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.
Recente berichtgeving over de invoering van de doodstraf door Israël, de aanhoudende kolonistenaanvallen op Taybeh en ontwikkelingen rond de Tent of Nations |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Knesset passes death penalty law for Palestinians convicted of deadly acts of terror»1 en andere recente berichtgeving over dit onderwerp?
Ja.
Klopt het dat de Israëlische Knesset een wet heeft aangenomen die de doodstraf (door ophanging) als standaardstraf invoert voor niet-Israëliërs die door militaire rechtbanken zijn veroordeeld voor dodelijke aanslagen? Hoe beoordeelt u het feit dat deze wet in de praktijk vooral of uitsluitend van toepassing lijkt te zijn op Palestijnen, en niet op Israëlische daders van vergelijkbare feiten?
Graag verwijst het kabinet u naar de recent verstuurde Kamerbrief over dit onderwerp.2
Deelt u de zorgen van internationale organisaties en de Europese Unie dat deze wet in strijd is met internationale mensenrechtennormen en het non-discriminatiebeginsel? Op welke wijze voldoet de wet daar volgens het kabinet niet aan?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het ontbreken van mogelijkheden tot beroep of gratie in deze wet, zoals gemeld in de berichtgeving?
Dit is strijdig met internationaal recht. Het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten waarbij zowel Nederland als Israël partij zijn, schrijft voor dat eenieder die ter dood veroordeeld is het recht heeft om gratie of verzachting van het vonnis te vragen. Ten aanzien van het recht om beroep in te kunnen stellen, heeft het VN-Mensenrechtencomité verduidelijkt dat dit onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces. Een schending van het recht om beroep in te kunnen stellen tegen een veroordelend vonnis waarbij de doodstraf is opgelegd, moet er volgens het VN-Mensenrechtencomité toe leiden dat de opgelegde doodstraf wordt beschouwd als willekeurig en daarmee als een schending van het recht op leven.3
Bent u bereid deze zorgen bilateraal en in EU-verband over te brengen aan de Israëlische autoriteiten? Welke verdere stappen overweegt u verder te nemen?
Zie het antwoord op vraag 2. Nu de wet is aangenomen roept Nederland Israël op de wet niet te implementeren en zal Nederland actief handelen langs de lijnen van het (Europese) afschaffingsbeleid. Conform het afschaffingsbeleid zet het kabinet zich in tot het instellen van een moratorium als een eerste stap naar afschaffing.
Welke gevolgen verwacht u dat deze wet zal hebben voor de rechtsstaat, de spanningen in de regio en de veiligheidssituatie op de Westelijke Jordaanoever? Welke rol kan Nederland hierin spelen?
Het wetsvoorstel past binnen de bredere zorgen die het kabinet heeft over de rechtstatelijke ontwikkelingen in Israël. Hierover blijft het kabinet met de Israëlische regering in gesprek.
De exacte gevolgen zijn momenteel niet te voorspellen en zal afhangen van de wijze waarop er daadwerkelijk invulling aan de wet zal worden gegeven. Bovendien ligt er ook een zaak voor bij het Israëlisch hooggerechtshof over de wet. Israël kende altijd al de doodstraf, echter dit is een heel grote stap in de verkeerde richting. Begrijpelijkerwijs leidt tot grote bezorgdheid onder Palestijnen en tot verdere ongelijkheid tussen Israëliërs en Palestijnen. Zie verder het antwoord op vragen 2, 5 en 11.
Bent u bekend met het artikel van Cvandaag over de zorgen van een priester uit het christelijke dorp Taybeh over aanhoudende aanvallen door Israëlische kolonisten?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat in het overwegend christelijke dorp Taybeh sprake is van herhaalde aanvallen op bewoners, landbouwgrond en religieuze locaties door kolonisten en dat dit niet is opgehouden sinds de laatste keer dat de ChristenUnie hier aandacht bij het kabinet voor vroeg? Welke stappen heeft de Minister genomen sinds de eerder gestelde en beantwoorde Kamervragen?3 Wat de respons van de Israëlische autoriteiten?
Het kolonistengeweld op de Westelijke Jordaanoever is het afgelopen jaar toegenomen. Ook het dorp Taybeh is sinds de eerder gestelde Kamervragen opnieuw doelwit geweest van aanvallen. Het kabinet veroordeelt kolonistengeweld, waaronder geweld tegen christelijke gemeenschappen. Het kabinet brengt deze boodschap consequent over en benadrukt daarbij dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor de bescherming van de bevolking en voor het vervolgen van plegers van dit geweld. Zoals bekend zet Nederland zich in EU-verband in voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. De Israëlische autoriteiten hebben aan gegeven steviger te willen gaan optreden tegen gewelddadige kolonisten. Het kabinet moet echter constateren dat dit vooralsnog bij woorden is gebleven. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Kunt u aangeven in hoeverre de Israëlische autoriteiten optreden tegen daders van kolonistengeweld en in hoeverre sprake is van straffeloosheid? En heeft het ministerie een beeld in hoeveel dorpen/gebieden dit inmiddels speelt? Hoeveel kolonisten die opgepakt zijn, zijn in de afgelopen 2 jaar uiteindelijk veroordeeld?
In het advies van 19 juli 2024 over het optreden van Israël in de bezette Palestijnse Gebieden, oordeelt het Internationaal Gerechtshof dat Israël systematisch faalt om aanvallen van kolonisten op de lichamelijke integriteit en/of het leven van Palestijnen te voorkomen of te bestraffen. Het Hof oordeelt tevens dat Israël zelf buitensporig geweld gebruikt. Volgens het Hof is dit in strijd met Israëls verplichtingen om het recht op leven van Palestijnen onder het humanitair oorlogsrecht en de mensenrechten te eerbiedigen.
In gevallen waar Israëlische autoriteiten wel optreden tegen het geweld, leidt dit vrijwel nooit tot een aanklacht, en daarmee een veroordeling. Uit cijfers van de Israëlische ngo Yesh Din blijkt dat in de periode van 2005–2025 3% van de onderzoeken naar kolonistengeweld tot een veroordeling leidde. Sinds 7 oktober 2023 is het aantal veroordelingen voor kolonistengeweld volgens diezelfde cijfers 0; wel heeft een aantal kolonisten tijdelijk in administratieve detentie gezeten. Het uitblijven van effectieve handhaving werkt straffeloosheid in de hand en draagt bij aan verdere escalatie. Het kabinet blijft dit benadrukken richting de Israëlische regering.
Zowel het Internationaal Strafhof als diverse onderzoeksmechanismen ingesteld door de VN(-Mensrechtenraad) doen reeds onderzoek naar de situatie. Nederland deed de afgelopen jaren een extra vrijwillige bijdrage van in totaal EUR 6 mln. aan het Internationaal Strafhof voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Hof. Het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten in de Palestijnse Gebieden speelt een belangrijke rol waar het onderzoek naar mensenrechtenschendingen betreft.
Bent u bereid zich in EU-verband in te zetten voor concrete maatregelen om Palestijnse (en in ook in het bijzonder christelijke) gemeenschappen zoals Taybeh beter te beschermen tegen geweld door kolonisten?
Nederland veroordeelt kolonistengeweld en geweld tegen Palestijnse burgers. In EU-verband blijft Nederland voortrekker voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten.
Welke stappen onderneemt Nederland momenteel om de veiligheid, rechtsbescherming en leefbaarheid van gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever te ondersteunen?
Het is van belang vanuit verschillende invalshoeken hier een bijdrage aan te leveren. Ten eerste door het beëindigen van de onrechtmatige Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever. Nederland schaart zich achter de oproep om de onrechtmatige bezetting zo spoedig mogelijk te beëindigen, met inachtneming van Israëls legitieme veiligheidsbelangen. Het kabinet benadrukt dat Israël als bezettende macht verantwoordelijk is voor bescherming van de lokale bevolking en voor het vervolgen van daders van misdrijven. In EU-verband blijft Nederland voortrekker voor sancties voor sancties tegen gewelddadige kolonisten en hun organisaties. Daarnaast werkt het kabinet aan nationale maatregelen om producten uit de onrechtmatige nederzettingen te weren van de Nederlandse markt.
Nederland zet zich ook actief in via steun aan de Palestijnse Autoriteit en via verschillende ontwikkelingssamenwerkingsprojecten, met name op het gebied van water, rechtstaat en private sector ontwikkeling, die bijdragen aan de rechtsbescherming en leefbaarheid in de Westelijke Jordaanoever. Lokaal onderhoudt de Nederlandse vertegenwoordiging in de Palestijnse Gebieden ook contact met Palestijnse gemeenschappen. Nederland draagt bij aan projecten die het tegengaan van straffeloosheid promoten en projecten die Palestijnen, die bedreigd worden door kolonisten, steunen, onder door middel van juridische hulp en weerbaarheidstrainingen.
Klopt het dat sinds de beantwoording van eerdere Kamervragen4 de situatie rond de Tent of Nations (d.d. 14 april 2025) is verergerd? Zo ja, op welke wijze?
Ja. De nabijgelegen buitenpost is verder uitgebreid in de richting van het land van Tent of Nations. Daarnaast is er een toename van intimidaties en incursies door kolonisten.
Klopt het dat er inmiddels wegen en andere infrastructuur zijn aangelegd op het terrein van Tent of Nations? Klopt het dat deze infrastructuur door de rechter als illegaal is bestempeld en verwijderd moet worden? Waarom wordt er niet gehandhaafd en waar ligt dat aan?
Ja. De Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden, de nederzettingen aldaar en de daarmee gepaarde infrastructuur zijn onrechtmatig – dus ook de door kolonisten aangelegde infrastructuur nabij en op het land van Tent of Nations. Daar komt bovenop dat ook de Israëlische rechter meermaals heeft geoordeeld dat de aangelegde infrastructuur op het land van Tent of Nations illegaal is en moet worden verwijderd. De Israëlische autoriteiten hebben tot op heden geen actie ondernomen naar aanleiding van deze uitspraken, hetgeen het kabinet afkeurt. Het kabinet kan niet speculeren over waarom deze rechterlijke uitspraken niet nageleefd worden.
Klopt het dat zolang de uitspraak van de rechter niet wordt nageleefd en de infrastructuur wordt verwijderd, de bewegingsvrijheid van de eigenaren van de Tent of Nations de facto wordt beperkt door deze «facts on the ground»?
Ja.
Klopt het dat er wooncontainers direct naast het land van de familie Nassar zijn geplaatst? Zo ja, is het rechtmatig dat deze daar staan? Zo nee, wat is uw inzet richting de Israëlische autoriteiten om te zorgen dat deze worden verwijderd?
Zie het antwoord op vragen 11, 12 en 13. Er wordt nog altijd gewacht op een (datum voor) uitspraak in de landregistratiezaak van Tent of Nations. Nederland blijft de zaak van Tent of Nations met regelmaat onder de aandacht brengen van de Israëlische autoriteiten, en wijst hen daarbij op hun verantwoordelijkheid om de familie Nassar, hun land en hun gasten te beschermen. Dit gebeurt op politiek en ambtelijk niveau, zowel vanuit Den Haag als via de ambassade in Tel Aviv en vertegenwoordiging in Ramallah.
Hoe staat het met de lopende rechtszaak tussen de Israëlische regering en de eigenaren van de Tent of Nations? Is er zicht op een datum voor uitspraak? Kunt u hier de Israëlische autoriteiten op aanspreken dat er sprake lijkt te zijn van onnodige vertraging met «facts on the ground» tot gevolg? Welke andere stappen kan het kabinet zetten?
Zie antwoord vraag 15.
Het bericht 'Spanje sluit luchtruim voor militaire vliegtuigen die deelnemen aan oorlog in Iran' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Spanje sluit luchtruim voor militaire vliegtuigen die deelnemen aan oorlog in Iran»?1
Ja.
Hoeveel militaire vluchten verbonden aan de illegale oorlog in Iran maken gebruik van het Nederlandse luchtruim?
Op basis van de Nederlandse NAVO-binnenvliegregeling, die al bijna veertig jaar van toepassing is en aanvullende diplomatieke klaringen, mogen militaire vliegtuigen van de Verenigde Staten gebruikmaken van het Nederlandse luchtruim. Hierbij geldt dat enkel moment van invliegen, uitvliegen en eventueel landen aangeven wordt. Om operationele redenen doet het kabinet geen uitspraken over individuele militaire vliegbewegingen
Hoeveel militaire en commerciële vracht verbonden aan de illegale oorlog in Iran wordt via Nederlandse havens en -luchtruim naar het Midden-Oosten verstuurd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u reflecteren op het feit dat deze militaire vracht mogelijk gebruikt kan worden voor mensenrechtenschendingen?
Het kabinet hecht groot belang aan de naleving van het internationaal recht. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Bent u voornemens om u aan te sluiten bij het besluit van Zwitserland, Spanje, Italië, en Frankrijk en het Nederlandse luchtruim en militaire bases te sluiten voor militaire en commerciële vracht dat bestemd is voor de illegale oorlog in Iran? Zo nee, waarom niet?
Zwitserland, Spanje, Italië en Frankrijk hebben ieder hun eigen beleid en nationale procedures ten aanzien van militaire en commerciële vluchten. De suggestie dat luchtruim en militaire bases van deze landen volledig gesloten zou zijn voor militaire en commerciële vracht bestemd voor het Iran-conflict doet geen recht aan deze complexe realiteit. Het kabinet is niet voornemens om het Nederlandse luchtruim of militaire bases te sluiten voor militaire of commerciële vracht.
Kunt u reflecteren op de uitspraak van Spaanse Minister Carlos Cuerpo dat «dit besluit deel uitmaakt van het eerder genomen besluit van onze regering om niet mee te doen of bij te dragen aan een oorlog die in strijd [is] met het internationaal recht»?
Nederland is niet betrokken bij het Iran-conflict. Het Nederlandse beleid is gericht op de-escalatie en een diplomatieke oplossing. Het is aan individuele landen om, binnen hun nationale en internationale verplichtingen en op basis van hun eigen beleid te besluiten over het gebruik van hun luchtruim en infrastructuur.
Kunt u deze vragen apart en voor maandag 6 april beantwoorden?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Klopt het dat het kabinet heeft besloten om structureel circa € 30 miljoen per jaar te schrappen dat eerder was gereserveerd voor proactieve dienstverlening, bedoeld om niet-gebruik van onder andere de bijstand tegen te gaan?
Het klopt dat het kabinet bij de voorjaarsnota 2026 om budgettaire redenen heeft gekozen om vooralsnog minder te investeren in proactieve dienstverlening. Het voornemen om gegevensdeling mogelijk te maken voor de algemene bijstand zou dan niet in werking treden. Dit leidt tot een besparing oplopend naar structureel € 30 miljoen per jaar.1 De Kamer is hierover per brief van 2 april 2026 geïnformeerd.2 In deze brief heb ik aangegeven dat op het moment dat er weer financiële middelen beschikbaar zijn, het mogelijk is om dit onderdeel wel in werking te laten treden.
Inmiddels heb ik besloten om de benodigde financiële middelen voor het mogelijk maken van gegevensdeling voor de algemene bijstand vrij te maken door het tweede knikpunt in het kindgebonden budget te leggen bij € 57.950 (prijspeil 2024). Dit doe ik via een nota van wijziging op het recent bij uw Kamer ingediende wetsvoorstel.3 Hiermee kan het gedeelte van het wetsvoorstel dat ziet op de algemene bijstand alsnog tegelijk met de rest van het wetsvoorstel in werking treden.
Klopt het dat dit budget expliciet was gereserveerd omdat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht om niet-gebruik effectief terug te dringen? Kunt u toelichten welke analyse hier destijds aan ten grondslag lag?
Het klopt dat de bestaande inzet onvoldoende werd geacht. De volgende analyse lag hieraan ten grondslag: Naar schatting 37% van de mensen die recht hebben op algemene bijstand maken daar geen gebruik van. De inschatting is dat het inkomen van niet-gebruikers onder het sociaal minimum ligt. Verder missen zij de beschikbare ondersteuning bij werk, opleiding en meedoen in de samenleving. We zetten in op het terugdringen van niet-gebruik met algemene communicatie (zoals pr-campagnes en benutten van bestaande contactmomenten met mensen), vereenvoudigingen (zoals P-wet in Balans) en automatische uitkeren (bijvoorbeeld van de individuele inkomenstoeslag uit de Participatiewet). Om het niet-gebruik verder terug te dringen is de persoonsgerichte aanpak van proactieve dienstverlening nodig met meer mogelijkheden voor hergebruik en deling van persoonsgegevens. Gebaseerd op empirische resultaten wordt verwacht dat met de voorgenomen gegevensuitwisseling voor proactieve dienstverlening 2,5% van deze groep wel gebruik zal gaan maken van hun recht op algemene bijstand. Deze raming van de benodigde uitkeringslasten en uitvoeringskosten is opgenomen in de Voorjaarsnota 20244 en toegelicht in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.5
Deelt het kabinet nog steeds de eerdere analyse dat proactieve dienstverlening leidt tot meer participatie, minder schulden en betere gezondheid? Zo ja, waarom wordt het bijbehorende budget geschrapt? Zo nee, op basis van welke nieuwe inzichten is het kabinet van deze analyse afgeweken?
Het kabinet deelt de genoemde analyse. Uitkeringen en voorzieningen helpen mensen naar werk, beter werk of opleiding, voorkomen dat het inkomen onder het minimum zakt en ondersteunen bij meedoen in de samenleving. Zoals aangegeven bij vraag 1, heb ik gezocht naar mogelijkheden om financiële middelen vrij te maken, zodat het onderdeel algemene bijstand van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wel direct in werking kan treden.
Kunt u toelichten of hier sprake is van gewijzigd beleid, gewijzigde inzichten of uitsluitend een budgettaire afweging?
Het kabinet gaat door met proactieve dienstverlening.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Aartsen tijdens de begroting SZW dat het wetsvoorstel inzake proactieve dienstverlening op dit moment bij de Kamer ligt en dat hij daarover snel met de Kamer in gesprek hoopte te gaan?
Ik bespreek het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW graag snel met uw Kamer. Het wetsvoorstel is aangemeld voor plenaire behandeling.
Hoe verhoudt deze bezuiniging zich tot de aangenomen motie van het lid Hamstra c.s. over «automatisch uitkeren», ingediend bij de behandeling van de begroting SWZ, die als appreciatie Oordeel Kamer kreeg?1 Wat betekent de bezuiniging voor de uitvoering van de motie?
Het kabinet gaat door met proactieve dienstverlening. Ik heb gezocht naar mogelijkheden om financiële middelen vrij te maken, zodat het onderdeel algemene bijstand van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wel direct in werking kan treden. De motie van het lid Hamstra c.s. verzoekt in kaart te brengen wat er precies nodig is voor het werken naar automatisch uitkeren. Bij automatisch uitkeren hoeven mensen geen aanvraag meer te doen. Zij krijgen een uitkering of andere sociale voorziening automatisch als zij daarop recht hebben. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW schrapt of wijzigt geen aanvraagprocedures. Het richt zich op het informeren van mensen over de ondersteuning die er voor hen is en hulp bij het aanvragen. Wel kan het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW mensen bereiken die nog niet eerder een aanvraag hebben gedaan en in dat opzicht is het ondersteunend aan automatisch kunnen uitkeren.
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van Minister Vijlbrief tijdens het commissiedebat Armoede en Schulden, dat er geen claim lag op de niet-gebruikte middelen en dat het omlaag brengen van het niet-gebruik niet de begroting in gevaar brengt?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen, waarop een claim kan worden gelegd, zijn er daarom niet.
Kunt u een tijdlijn geven van de besluitvorming rondom dit budget en deze maatregel, inclusief het moment waarop het kabinet heeft besloten om deze middelen te schrappen?
Tijdens de voorbereiding van het wetsvoorstel en het besluit proactieve dienstverlening SZW zijn verschillende budgetten gereserveerd:
0,8
4,8
8,1
11,3
12,9
12,9
12,9
0,2
0,5
0,9
1,2
1,4
1,4
1,4
0,2
1,0
1,6
2,3
2,6
2,6
2,6
0,0
0,0
0,0
0,1
0,1
0,1
0,1
2,0
2,1
2,0
Kunt u bevestigen dat het tegengaan van niet-gebruik een van de pijlers is van het Nationaal Programma Armoede en Schulden? Hoe verhoudt het schrappen van deze middelen zich tot deze pijler?
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord afgesproken te investeren in armoedebeleid en in het verkleinen van het niet-gebruik door proactieve dienstverlening. Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW speelt een belangrijke rol in het terugdringen van niet-gebruik, omdat het erop gericht is om burgers actief te informeren en te ondersteunen bij het benutten van hun recht op uitkeringen en voorzieningen.
Welke waarborgen ziet het kabinet om te voorkomen dat mensen die recht hebben op inkomensondersteuning buiten beeld blijven?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen. In de memorie van toelichting worden de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Het wetsvoorstel richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het kabinet wil zoveel mogelijk oorzaken van niet-gebruik aanpakken door het stelsel van inkomensondersteuning te vereenvoudigen, de dienstverlening te verbeteren en de samenwerking tussen overheden en maatschappelijke organisaties te versterken. De focus ligt op het wegnemen van belemmeringen in de uitvoering, het vergroten van het vertrouwen en het beter informeren en ondersteunen van burgers. De precieze invulling daarvan zal de komende tijd verder worden uitgewerkt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete aanpak het kabinet nu in de plaats stelt om niet-gebruik tegen te gaan, en waarin deze aanpak inhoudelijk en qua effectiviteit verschilt van de eerder aangekondigde inzet?
Het wetstraject wordt zo ingericht dat de grondslag voor gegevensdeling voor de algemene bijstand in zowel het wetsvoorstel als de conceptbesluit proactieve dienstverlening SZW wordt opgenomen.
Welke doelstellingen hanteert het kabinet momenteel ten aanzien van het terugdringen van niet-gebruik, en hoe wordt gemeten of deze worden behaald zonder de eerder gereserveerde middelen?
We willen het niet-gebruik verkleinen onder andere door proactieve dienstverlening.
Hoe beoordeelt het kabinet de kritiek van gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die deze maatregel heel onverstandig noemen?
Deze kritiek heb ik mij ter harte genomen en om die reden heb ik gezocht naar een mogelijkheid om financiële middelen vrij te maken.
Hoe groot is de groep mensen die geen gebruik maakt van de bijstand terwijl zij daar wel recht op hebben? Klopt het dat het hierbij om circa 150.000 mensen gaat?
Volgens onderzoek van de NLA maakten in 2021 naar schatting 160.000 mensen geen gebruik van de algemene bijstand, terwijl zij mogelijk wel recht hadden op een bijstandsuitkering of een gedeeltelijke bijstandsuitkering.7
Hoeveel mensen leven naar schatting onder het bestaansminimum als gevolg van dit niet-gebruik?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over hoeveel mensen onder het bestaansminimum leven als gevolg van niet-gebruik. Er zijn wel schattingen van het aantal mensen dat mogelijk onterecht geen gebruik maakt van een uitkering of voorziening. Zij lopen daardoor het risico op een inkomen onder het bestaansminimum. De uitkeringen en voorzieningen met het grootste niet-gebruik zijn de Toeslagenwet, de AIO en de algemene bijstand. Deze uitkeringen vullen, als ze gebruikt worden, aan tot het bestaansminimum. De tabel geeft een overzicht van het niet-gebruik van deze uitkeringen en een schatting van het aantal betrokkenen.
33%-68%
136.200
Nederlandse Arbeidsinspectie, Onderzoeksrapport niet-gebruik van de Toeslagenwet, 23 oktober 2023, p.16
30%
73.500
CBS, Recht en gebruik Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen, 2023
37%
160.000
Kwantitatieve ontwikkelingen potentieel niet-gebruik algemene bijstand 2021, Nederlandse Arbeidsinspectie, december 2023
Verwacht het kabinet dat het niet-gebruik van de bijstand de komende jaren zal toenemen, mede in het licht van voorgenomen wijzigingen in de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) waardoor meer mensen mogelijk op de bijstand aangewezen raken? Zo nee, waarop baseert het kabinet die verwachting?
Het kabinet wil met proactieve dienstverlening het niet-gebruik verkleinen. In hoeverre dat lukt bij de bijstand monitoren we door de ontwikkeling van het gebruik en het niet-gebruik van de bijstand te volgen.
Welke maatschappelijke gevolgen verwacht het kabinet van het schrappen van deze maatregel, in het bijzonder op het gebied van schuldenproblematiek, gezondheid, participatie en arbeidsmarktdeelname?
Het is mijn inzet om het onderdeel algemene bijstand gelijk met andere onderdelen van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW in werking te laten treden.
Is het kabinet bereid deze bezuiniging terug te draaien en de eerder aangekondigde aanpak van proactieve dienstverlening alsnog volledig uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoals aangekondigd bij vraag 1 ik ben bereid om de aangekondigde bezuiniging uit de voorjaarsnota 2026 terug te draaien.
Het stopzetten van Q- en C-support |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen die leven naar aanleiding van de bekendmaking van het vervroegd stopzetten van Q- en C-support per 2027?1
De subsidies aan Q- en C-support zijn altijd tijdelijk geweest. Dit is al langere tijd bekend en de Kamer is hierover in november 2025 geïnformeerd.2 Dat neemt niet weg dat het kabinet natuurlijk bekend is met de zorgen die leven naar aanleiding hiervan. Er is echter – helaas – geen eenvoudige oplossing om deze zorgen weg te nemen. Het kabinet hecht eraan om stil te staan bij het dilemma dat hieraan ten grondslag ligt.
In 2013 is stichting Q-support opgericht om mensen met Q-koorts te ondersteunen en adviseren en om actuele kennis over deze ziekte te delen met zorgverleners en andere professionals. In 2020 is C-support opgericht bij dezelfde organisatie om datzelfde te doen met betrekking tot post-COVID. De reden voor oprichting van Q- en C-support is dat mensen met deze ziekten niet werden herkend en erkend, door onbekendheid met de aandoeningen bij professionals. Er was behoefte aan een ondersteuningspunt voor patiënten, en ook voor professionals. Het uitgangspunt is daarbij altijd geweest dat de ondersteuning van Q- en C-support tijdelijk was, omdat mensen uiteindelijk het beste af zijn in het reguliere veld van zorg en welzijn. Nederland beschikt namelijk over een kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg waarin professionals zich elke dag inzetten om patiënten zo goed mogelijk te helpen. Q- en C-support biedt patiënten tijdelijke ondersteuning buiten het reguliere veld van zorg en ondersteuning, in de wetenschap dat de professionals binnen het veld uiteindelijk het beste in staat zijn om de nodige zorg en ondersteuning te verlenen. Direct vanaf de oprichting was het doel van Q- en C-support dan ook kennisoverdracht naar de reguliere zorg en welzijnsinstanties. Daartoe heeft zij onder meer nascholingen georganiseerd, handreikingen voor professionals opgesteld en dergelijke. Het kabinet heeft grote waardering voor deze inzet, maar moet ook constateren dat Q- en C-support tegen beperkingen aanloopt. Ten eerste omdat het werk van Q- en C-support geen formele status heeft binnen de reguliere zorg. Zo werken artsen op basis van officiële medische richtlijnen vanuit de beroepsgroep en heeft Q- en C-support niet de positie om richtlijnen op te leggen of af te dwingen. Ten tweede omdat, ondanks alle inzet, nog steeds geen effectieve, wetenschappelijk onderbouwde diagnose- en behandelmogelijkheden beschikbaar zijn. Op beide punten heeft Q- en C-support beperkte tot geen invloed. Het is dan ook niet reëel om te verwachten dat met een eventuele verlenging van de subsidie aan Q- en C-support hierin de komende jaren een doorbraak bereikt kan worden. Tegelijkertijd beseft het kabinet dat het voor patiënten moeilijk te verteren is dat de individuele ondersteuning vanuit Q- en C-support gaat stoppen, terwijl zij in de reguliere zorg nog niet kunnen rekenen op een effectieve behandeling. Dat laatste is een verdrietig feit, waar echter eventuele verlenging van de subsidie geen verandering in zal brengen. Tegelijkertijd resteren er nog zeven maanden voor Q- en C-support om de kennis die zij hebben opgedaan over te dragen aan het reguliere veld. Het kabinet rekent erop dat alle betrokken partijen zich hiervoor maximaal inzetten ten behoeve van de patiënt. Hierbij hou ik vinger aan de pols hoe dit verloopt.
De inzet van het kabinet is erop gericht om PAIS3-patiënten zo goed mogelijk te helpen binnen het reguliere veld van zorg en ondersteuning. Zoals eerder toegezegd, zal het kabinet de Kamer voor de zomer informeren over de inzet ten aanzien van het PAIS-beleid.
Wat betekent de stopzetting per 2027 voor de naar schatting 400.000 mensen met post-COVID, waarvan 100.000 ernstig getroffen?
De individuele nazorg die C-support biedt aan patiënten met Q-koorts stopt per 2027. Er blijven, óók na 2026, wel middelen voor een kennis- en informatiecentrum, zodat bijvoorbeeld nascholingen voor huisartsen beschikbaar blijven. Voor individuele zorg aan patiënten zijn de reguliere zorgverleners verantwoordelijk. Het uitgangspunt is ook altijd geweest dat patiënten de zorg waar zij recht op hebben behoren te krijgen in het reguliere zorgveld. De subsidies aan Q- en C-support zijn om die reden altijd tijdelijk geweest, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1. Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten die tot nu toe niet goed terecht konden bij reguliere zorgverleners hierover. Daarom is ook aan Q- en C-support gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg, zodat patiënten daar beter geholpen worden.
Deelt u de lezing dat nog steeds veel patiënten vastlopen, aangezien ook nu nog maandelijks 150 nieuwe patiënten zich melden naast de ruim 34.000 patiënten die al in beeld zijn bij C-support?
Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren een belangrijke rol gespeeld in het bieden van een luisterend oor en advies aan patiënten met Q-koorts en post-COVID. Dat is heel waardevol, maar wat patiënten vooral nodig hebben is passende zorg vanuit bijvoorbeeld de huisarts en ondersteuning vanuit de gemeente. Daarom vraagt het kabinet Q- en C-support nadrukkelijk om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg.
Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de post-COVID expertisecentra, de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) wordt hard gewerkt aan de verspreiding van kennis, onder andere via richtlijnen. Dit is een zorgvuldig proces en dat kost tijd. In de tussentijd worden daarom vanuit de verschillende programma’s handreikingen opgesteld en verspreid, die gebruikt kunnen worden door huisartsen en andere zorgverleners. Een voorbeeld daarvan is een handreiking4 voor professionals, ontwikkeld binnen het PCNN, waarin wetenschappelijke kennis en praktijkervaring is gebundeld. Daarin is ook aandacht voor nazorg, zoals de begeleiding bij rouw en zingeving bij patiënten met post-COVID.
Daarnaast is voor 2027 specifiek voor Q-koorts patiënten een bedrag van € 2,5 miljoen opgenomen in de begroting van VWS. Voor deze groep ziet de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid, mede naar aanleiding van de drie rapporten over Q-koorts van de Nationale ombudsman. De inzet van deze middelen wordt in samenspraak met de patiëntenvereniging Q-uestion, Q-support en de Q-koorts ambassadeur vastgesteld. Uitgangspunt is dat het bijdraagt aan de kwaliteit van leven van Q-koortspatiënten.
Waar kunnen deze patiënten wat u betreft terecht na het stopzetten van Q- en C-support als de reguliere zorg op dat moment nog niet genoeg kennis en expertise heeft om hen voldoende en passend te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de zorg dat het vroegtijdig stopzetten van Q- en C-support kan leiden tot langdurige uitval bij patiënten, hogere WIA-instroom en een hogere zorgconsumptie, en dat het risico hierop kleiner is als de kennis beter is ingebed in de reguliere zorg?
Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten hierover. Het is inderdaad belangrijk dat alle opgedane kennis rondom onder andere Q-koorts en post-COVID goed wordt ingebed in de reguliere zorg. Daarom is Q- en C-support nadrukkelijk gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg. Daarnaast wordt momenteel aan een herziening van de richtlijn Langdurige klachten na COVID-19 gewerkt door de FMS en het NHG. De geleerde lessen uit de post-COVID expertisecentra en de verschillende ZonMw onderzoeken worden ook in de herziening meegenomen. Ook stimuleert de Q-koorts ambassadeur dat kennis, bijvoorbeeld best-practices, tussen gemeenten of instanties gedeeld wordt. Het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), het landelijk samenwerkingsnetwerk dat in 2024 uit het ZonMw programma Post-COVID is voortgekomen, zorgt ook voor kennisdeling over post-COVID. De inzichten die nu worden opgedaan over zorg voor patiënten met post-COVID, kunnen van grote meerwaarde zijn voor patiënten met andere post-acute infectieuze aandoeningen.
Deelt u de opvatting dat Q- en C-support een uniek overzicht van de aard, ernst en impact van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID heeft en dat waardevolle kennis mogelijk verloren gaat als de organisaties worden afgebouwd op het moment dat deze kennis op andere plekken nog onvoldoende in huis is?
Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren veel betekend in de nazorg voor patiënten met post-COVID en Q-koorts en hebben daarmee inderdaad veel ervaringskennis opgebouwd. De zorgen over het afbouwen van Q- en C-Support zijn daarom begrijpelijk. Zoals reeds toegelicht in de brief aan de Kamer van 28 november 20255 blijven middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum. De focus ligt vanaf 2027 dan ook op het scholen en informeren van zorgprofessionals, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen. Q- en C-support is gevraagd alle kennis die zij in de afgelopen jaren heeft opgedaan, breed toegankelijk te maken en te verspreiden, zodat professionals daar gebruik van kunnen maken. Naast Q- en C-support wordt ook veel kennis opgebouwd binnen bijvoorbeeld het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de onderzoeksprogramma’s van ZonMw en de expertisecentra. Het kabinet beseft daarbij dat we er nog niet zijn en dat de bekendheid bij zorgverleners over PAIS nog beter moet. Daarom is het van groot belang dat artsen en onderzoekers, onder meer via de programma’s die door het Ministerie van VWS worden gefinancierd, alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat die kennis ook zijn weg vindt naar, onder andere, de spreekkamers.
Bent u ermee bekend dat zorgmedewerkers, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen, UWV en werkgevers aangeven dat zij zonder de ondersteuning van Q- en C-support op dit moment nog onvoldoende kennis en handelingsperspectief hebben om patiënten zelfstandig en verantwoord te helpen?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat de bekendheid van post-COVID onder deze groepen daarmee beter moet en nog niet voldoende op orde is? Zo nee, kunt u dit nader onderbouwen?
Zie antwoord vraag 6.
Zou C-support wat u betreft een rol moeten of kunnen spelen in het vergroten van die bekendheid? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De rol van stichting C-support was de afgelopen jaren meerledig: het bieden van patiënten nazorg en het dissemineren van opgedane kennis over post-COVID. Hierbij heeft zij altijd al een rol gehad als het gaat om het vergroten van de bekendheid over post-COVID. Daarbij is het doel altijd geweest om PAIS-patiënten op te vangen binnen de reguliere zorg. De bekendheid rondom post-COVID en andere PAIS groeit daarnaast door de diverse ZonMW-onderzoeken, herziening van de richtlijnen door medisch specialisten en huisartsen, gemeenten en andere instanties, en doordat patiënten zelf actief de eerstelijnszorg benaderen met vragen over zorg.
Deelt u de opvatting dat de doelstellingen van Q- en C-support pas zijn behaald als de kennis over postinfectieuze aandoeningen als post-COVID voldoende is geborgd op andere plekken, waarmee de organisatie zichzelf in feite overbodig zou hebben gemaakt?
De afgelopen tijd heeft de opbouw van kennis over PAIS, mede dankzij alle investeringen, een enorme vlucht genomen. In alle onderzoeken binnen de verschillende onderzoeksprogramma’s van ZonMw, de expertisecentra, maar ook over welke ondersteuning vereist is binnen het sociaal domein leren we steeds meer over deze aandoeningen, mede met dank aan het werk van Q- en C-support. Nu is het zaak dat de lessen die tot nu toe zijn opgedaan zo snel mogelijk in richtlijnen terecht komen en breed verspreid worden. Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit PCNN, de expertisecentra, de FMS en de NHG wordt er hard gewerkt om (biomedische) inzichten te verspreiden. Daar moet de komende periode zoveel mogelijk op worden ingezet.
Waarom is de eerder besproken transitieperiode van drie jaar, die juist was bedoeld om kennis zorgvuldig over te dragen aan het reguliere veld en de ondersteuning van patiënten geleidelijk af te kunnen bouwen, nu verkort tot slechts één jaar?
Er zijn geen afspraken gemaakt over de financiering van een driejarige transitieperiode. De subsidie aan C-support was een tijdelijke subsidie
voor een periode van 2020 tot en met 2025. In 2026 is eenmalig € 7,5 miljoen
ter beschikking gesteld, bovenop de reguliere middelen die deze organisaties
al kregen. In totaal is hiermee ruim € 10 miljoen ter beschikking gesteld aan Q- en C-support voor het jaar 2026. Doel van de subsidie is om Q-koorts en post-COVID patiënten te begeleiden en daarnaast de opgedane kennis te delen met het zorg- en welzijnsdomein. Dit laatste is belangrijk omdat daarmee patiënten in de reguliere structuren opgevangen kunnen gaan worden.
Bent u bereid oplossingsrichtingen te verkennen waarbij Q- en C-support meer tijd krijgen om de bekendheid van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID bij patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties te vergroten, zodat het reguliere veld voldoende is voorbereid op zelfstandige ondersteuning op het moment dat de organisaties stoppen?
Zoals eerder toegelicht blijven na 2026 middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum dat zich juist gaat richten op kennisoverdracht aan (zorg)professionals, bijvoorbeeld door het organiseren van nascholingen voor huisartsen en het opstellen van een handreiking voor gemeentes.
Ziet u het als optie om de waakvlamconstructie bij het RIVM en/of de GGD’en onder te brengen, waarbij Q- en C-support zich voorlopig kunnen blijven focussen op het voorlichten, adviseren en ondersteunen van patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties?
Vanaf 2027 zullen de activiteiten vooral betrekking hebben op het scholen en informeren van de zorg- en welzijnsprofessionals en het informeren van patiënten. Q- en C-support heeft over de jaren heen veel kennis en ervaring over dit type aandoeningen en daarbij passende nazorg voor deze specifieke patiënten opgedaan. Het is belangrijk deze kennis en ervaring te behouden voor een potentiële toekomstige epidemie. Daarom is Q- en C-support gevraagd met een plan te komen voor een waakvlamconstructie op basis waarvan, in geval van een nieuwe infectieziekte-uitbraak, snel, grootschalige nazorg georganiseerd kan worden.
Het ligt voor de hand om met de middelen die na 2026 nog beschikbaar blijven, een waakvlamconstructie en kennis- en informatiefunctie in gezamenlijkheid te organiseren, omdat deze twee taken in elkaars verlengde liggen en dezelfde kennis vereisen. Het kabinet ziet dan ook geen meerwaarde om deze zaken los te trekken.
Het bericht ‘Al vijf weken geen gasten meer in hospice Dedemsvaart, Bert vecht voor het voortbestaan: 'Anders is het voorbij'’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het hospice in Dedemsvaart de deuren dreigt te moeten sluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht over de situatie van het hospice in Dedemsvaart. Ik vind het belangrijk dat mensen ook in de laatste levensfase kunnen rekenen op passende en liefdevolle zorg. Hospices voorzien daarbij in een behoefte. Zij bieden een omgeving waarin zorg en ondersteuning worden afgestemd op de wensen van mensen in de laatste levensfase. Het zou teleurstellend zijn wanneer een hospice zijn deuren moet sluiten.
Om de achtergrond van de situatie in kaart te brengen is contact opgenomen met de voorzitter van het hospice, thuiszorgorganisatie Carinova, de betrokken regionale netwerkcoördinator en de Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ).
In het nieuwsbericht kwam naar voren dat een tekort aan vrijwilligers een knelpunt vormde voor het openhouden van het hospice. Uit de gesprekken die hebben plaatsgevonden blijkt dat deze zorg inmiddels (deels) is weggenomen. Ik heb vernomen dat, naar aanleiding van de oproep van het hospice in de krant en de georganiseerde informatieavond en open dag zich 47 potentiële nieuwe vrijwilligers hebben gemeld die zich in de nacht willen inzetten. Het hospice verwacht met deze nieuwe vrijwilligers in mei a.s. een doorstart te kunnen maken. Dat is goed nieuws. De dreigende sluiting zou overigens niet direct een probleem opgeleverd hebben voor het aanbod van palliatieve terminale zorg in de regio. Het hospice is een bijna-thuis-huis met twee bedden en in deze regio zijn er relatief veel hospices. Er is volgens de betrokkenen die ik heb gesproken dus voldoende (alternatief) aanbod en ook de continuïteit van 24/7 verpleegkundige zorg is geborgd.
Deelt u de mening dat de kracht van hospices juist ligt in lokale verankering en dat de inzet van vrijwilligers van groot belang is? Hoe beoordeelt u in dit kader het risico dat centralisatie van hospices leidt tot een afname van vrijwilligers, gezien hun sterke lokale binding?
Een bijna-thuis-huis is in beginsel een burgerinitiatief met vrijwilligers. Vrijwilligers zijn in belangrijke mate verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Als hospices zouden fuseren is het begrijpelijk dat een deel van de vrijwilligers zich bij een nieuwe locatie minder verbonden voelt of de reisafstand te groot vindt. Tegelijkertijd zijn er bij een «centralisatie» bij één voorziening met meer bedden niet hetzelfde aantal vrijwilligers nodig als bij twee kleine voorzieningen opgeteld.
Goede afstemming in de regio is van groot belang en het is daarbij belangrijk dat in een regio rekening wordt gehouden met demografische ontwikkelingen, maar ook met de beschikbaarheid van mensen en middelen. Binnen het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II) is eind 2023 samen met hospicekoepels het project Versterken Hospicezorg gestart om de hospicezorg toekomstbestendig te maken. In dit kader zijn binnen verschillende regio’s afspraken gemaakt over capaciteit om de zorg beter te laten aansluiten op de groeiende zorgvraag, zodat een cliënt ook in de toekomst de juiste zorg ontvangt.
Welke wijzigingen in de bekostiging van hospices zijn doorgevoerd of voorzien, en wat zijn de gevolgen hiervan voor kleinschalige hospices en bijna-thuis-huizen, mede in relatie tot versnipperde financiering en personeelstekorten?
Zorgverzekeraars betalen vanaf 2025 een dagtarief voor de wijkverpleegkundige zorg. In overleg tussen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en bijna-thuis-huizen, onder leiding van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), is afgesproken om dit dagtarief te gaan hanteren. Een wijkverpleegkundige levert namelijk aan meerdere cliënten zorg in hetzelfde huis. Een dagtarief is dan passender en zorgt voor minder administratieve lasten voor de wijkverpleegkundige. Het dagtarief is een gemiddelde prijs waarbij rekening kan worden gehouden met variatie tussen cliënten en variatie per dag. Daarnaast is het gebaseerd op alle dagen zorg die de wijkverpleegkundigen aan alle cliënten in het huis hebben geleverd. In een brief van 29 september 2025 is uw Kamer geïnformeerd over deze nieuwe bekostiging en de daarmee samenhangende aandachtspunten.2
Voor het hospice zelf zijn belangrijke bronnen van inkomsten een eigen bijdrage van gasten, fondsen en de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis. Deze subsidie is bedoeld voor de coördinatie van de inzet en de opleiding van vrijwilligers in de palliatieve terminale zorg.
Ik herken signalen dat het huidige tarief voor wijkverpleegkundige zorg, in combinatie met personeelstekorten, uitdagingen kunnen opleveren. Dit geldt in het bijzonder voor kleine hospices met een beperkt aantal bedden (twee tot drie bedden) of bij een lage bezettingsgraad.
Kunt u ingaan op de specifieke situatie in de regio Salland, waar niet alleen het hospice in Dedemsvaart, maar bijvoorbeeld ook in Hardenberg onder druk staat? Is de toegankelijkheid van hospicezorg in de regio Salland voldoende geborgd?
In de regio waar de hospices Dedemsvaart en Hardenberg onder vallen is een bovengemiddeld aanbod van hospicezorg beschikbaar. Het hospice in Hardenberg heeft drie bedden en ervaart daardoor iets minder knelpunten, maar is ook een relatief klein bijna-thuis-huis met risico op lagere bezetting.
Bij een lage bezetting lopen voorzieningen risico’s. Afgelopen jaren zijn nieuwe initiatieven gestart in deze regio en er zijn her en der plannen om uit te breiden. Zo is in Dalfsen een hospice bezig met een uitbreiding van twee naar vijf bedden. Ook in Ommen wordt mogelijk een nieuw hospice geopend. Thuiszorgorganisatie Carinova geeft aan dat er geen continuïteitsprobleem is in de nacht. Gedurende 24 uur per dag is er zorg op afroep beschikbaar en hierover zijn goede afspraken gemaakt met de hospices. De toegankelijkheid van hospicezorg is volgens betrokkenen dus voldoende geborgd in de regio. Het is voor deze regio eerder een risico dat er veel nieuwe initiatieven willen starten wat mogelijk kan leiden tot een lagere bezetting bij de bestaande voorzieningen. In dat kader is het van belang dat regio’s afspraken maken over capaciteit om de zorg goed te laten aansluiten op de zorgvraag. Daar is mijn beleid dan ook op gericht.
Hoe kijkt u naar het voorbestaan van de hospices in Dedemsvaart en Hardenberg in het licht van de vergrijzing?
De vergrijzing leidt tot een toenemende vraag naar palliatieve zorg. Dit vraagt om een toekomstbestendige inrichting van hospicezorg, waarbij samenwerking tussen formele en informele zorg centraal staat. Momenteel werk ik samen met alle betrokken partijen aan een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg. Ik zal uw Kamer hierover voor de zomer nader informeren.
Kunt u toelichten hoe binnen het beleid rekening wordt gehouden met regionale verschillen, zoals bevolkingsdichtheid en reisafstanden tot hospices?
Gelet op onder andere deze regionale verschillen is het belangrijk dat afspraken over capaciteit worden gemaakt in de regio. Hierbij dient rekening gehouden te worden met demografische ontwikkelingen en beschikbare mensen en middelen.
Klopt het dat thuiszorgorganisaties de nachtzorg in kleinschalige hospices steeds lastiger rond krijgen vanwege een tekort aan personeel? Zo ja, welke concrete mogelijkheden ziet u om het tekort aan zorgpersoneel in de nachtzorg te verlichten?
Net zoals andere zorgsectoren heeft ook de wijkverpleging te maken met een krappe arbeidsmarkt. Dat betekent dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars goede afspraken moeten maken om het beschikbare personeel zo goed mogelijk in te zetten. Het beleid in de wijkverpleging is erop gericht dat deze afspraken binnen een regio worden gemaakt door betrokken zorgverzekeraars en zorgaanbieders, bijvoorbeeld in de vorm van afspraken over onplanbare nachtzorg en herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging waarmee partijen samenwerken om de zorg toegankelijk te houden. Voor de nachtzorg in kleinschalige hospices kan dat tot dilemma’s leiden, omdat het zowel vanwege personele als financiële redenen niet altijd rendabel is om een zorgverlener de hele nacht op de locatie aanwezig te hebben. Tegelijkertijd blijkt uit een door V&VN, VPTZ en ActiZ opgestelde leidraad over de samenwerking tussen formele en informele zorg in bijna-thuis-huizen dat daar wel belang aan wordt gehecht, onder meer door de vrijwilligers die in deze huizen aanwezig zijn. Thuiszorgorganisatie Carinova geeft specifiek voor de locatie in Dedemsvaart, waar twee bedden zijn, aan dat er 24/7 verpleegkundige zorg op afroep beschikbaar is. Er is in die zin dus geen continuïteitsprobleem. Dit is ook in lijn met de landelijke afspraken die in de wijkverpleging zijn gemaakt om onplanbare nachtzorg in elke regio effectief te organiseren. Tegelijkertijd is duidelijk dat een optimale inzet van het beschikbare personeel in de regio en de behoefte aan de aanwezigheid van een zorgverlener in de nacht soms op gespannen voet met elkaar staan. Het is aan zorgaanbieders en zorgverzekeraars om daar goede afspraken over te maken.
Deelt u de mening dat de inzet van vrijwilligers in kleinschalige hospices cruciaal is? Zo ja, hoe neemt u dit mee in de verbetering van de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis en in de Toekomstagenda?
De inzet van vrijwilligers is van onschatbare waarde binnen de palliatieve zorg. Vrijwilligers leveren een belangrijke bijdrage aan kwaliteit van leven en sterven van patiënten en hun naasten. Het kabinet onderkent dat belang en ondersteunt dit onder meer via de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis. Op dit moment wordt een evaluatie uitgevoerd naar de subsidieregeling. De evaluatie is erop gericht inzicht te geven in de doeltreffendheid, doelmatigheid en uitvoering van de subsidieregeling. Tevens wordt onderzocht hoe de regeling toekomstbestendig kan worden ingericht. De komende maanden wordt samen met alle betrokken partijen ook verder gewerkt aan de Toekomstagenda palliatieve zorg en ondersteuning 2027–2031. Voor wat betreft het capaciteitsvraagstuk van hospices wordt momenteel samen met alle betrokken partijen gewerkt aan een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg. Ik zal uw Kamer hierover voor de zomer nader informeren.
Hoe geeft u concreet uitvoering aan uw uitspraak in het schriftelijk overleg over het rapport «Hospices in Nederland» dat het van belang is om de ondersteuning en inzet van vrijwilligers structureel te borgen?
De ondersteuning en inzet van vrijwilligers wordt structureel geborgd via de bestaande subsidieregeling en door samenwerking binnen regionale netwerken palliatieve zorg. De rol van vrijwilligers wordt nadrukkelijk meegenomen bij de verdere inrichting van de hospicezorg en palliatieve terminale zorg.
De toename van eerwraak in Nederland |
|
Marjolein Faber (PVV), Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat eerwraak onacceptabel is?
Ja, eerwraak is onacceptabel. Het is een misdrijf dat binnen ons Wetboek van Strafrecht strafbaar wordt gesteld als (poging tot) moord of doodslag.
Welke prioriteit geeft de politie aan dergelijke zaken? Aan hoeveel meldingen van eerwraak wordt opvolging gegeven binnen de strafrechtsketen?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, wordt eerwraak binnen ons Wetboek van Strafrecht gekwalificeerd als moord of doodslag. Beide vallen onder de zwaarste categorie geweldsdelicten en hebben altijd prioriteit bij de politie. Bij het vervolgen van moord- of doodslagzaken wordt niet apart geregistreerd op eerwraak. Of een eermotief een rol heeft gespeeld bij de gepleegde moord of doodslag blijkt veelal uit de feiten en omstandigheden van de zaak, voor zover de strafrechter deze context tot uitdrukking brengt in het vonnis dan wel arrest.
Bent u het ermee eens dat eerwraak uitzetting tot gevolg moet hebben, niet alleen de dader maar ook het hele gezin?
Eerwraak is een ernstig misdrijf en als het mogelijk is, zal de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Daarbij is het kabinet gehouden aan geldende wet- en regelgeving. Voor het intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is ten minste een onherroepelijke gerechtelijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling nodig. Alleen de dader kan het land worden uitgezet; wanneer gezinsleden geen strafbaar feit hebben gepleegd, is er geen reden om hen uit te zetten.
Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren. En bij een aantal categorieën vreemdelingen (asielstatushouders, EU-burgers en hun gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatieverdrag met EU-Turkije) moet de IND op grond van het EU-recht toetsen of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Bent u het ermee eens dat eerwraak een cultureel probleem is en haaks staat op het eigen kabinetsbeleid van tolerantie?
Ja. Het kabinet onderkent dat eergerelateerd geweld vaak een culturele achtergrond kent die regelmatig een oorsprong heeft in het herkomstland van de dader.
Wilt u een overzicht verstrekken en daarbij het volgende opnemen: het aantal meldingen uitgesplitst naar strafbaar feit met daarin een onderverdeling van het aantal daders uitgesplitst naar land van herkomst?
De politie registreert zaken waarbij mogelijk sprake is geweest van eerwraak niet aan de hand van de gevraagde gegevens.
Bent u het ermee eens dat de islam hier een duidelijke rol inspeelt en botst met de westerse democratie? Bent u het ermee eens dat de ongebreidelde asielinstroom uit veelal islamitische landen een directe oorzaak vormt van de toename van deze misdrijven in Nederland? Zo ja, wanneer gaat u eindelijk een asielstop en een stop op nareis invoeren?
De context van eergerelateerd geweld is complex. Verschillende thema’s zoals cultuur, familie, genderverhoudingen, mensenrechten, migratie, integratie en religie zijn relevant binnen de aanpak. Het uitlichten van slechts één van die thema’s, zoals religie, doet geen recht aan een constructieve aanpak van eergerelateerd geweld en kan bovendien stigmatiserend werken.1
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven onderkent het kabinet dat eergerelateerd geweld vaak een culturele achtergrond kent die regelmatig een oorsprong heeft in het herkomstland van de dader. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
Het Jaarverslag van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld 2025 |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het jaarverslag 2025 van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEG EGG)?
Ja.
Hoe duidt u de stijging van het aantal gemelde zaken bij het LEC EGG van 674 in 2024 naar 757 in 2025? In hoeverre is deze toename volgens u het gevolg van een daadwerkelijke toename van het aantal zaken of van een betere herkenning en meldingsbereidheid?
Een eenduidig antwoord op deze vraag is niet te geven. Er zijn meer vragen over casussen met een vermoeden van een eermotief bij het LEC EGG binnengekomen. Dat kan komen omdat er een daadwerkelijke toename van het aantal casussen is. Het kan tegelijkertijd ook te maken hebben met de toegenomen bekendheid van het LEC EGG binnen de politie-eenheden.
Hoe verhoudt het aantal zaken van 757 zich tot het totale aantal eergerelateerde geweldszaken dat bij de politie in beeld komt, inclusief zaken die niet aan het LEC EGG worden voorgelegd?
Dat is niet bekend. Het aantal van 757 is het aantal zaken waarbij advies van het LEC EGG is gevraagd. Het is dus niet het totaal aantal zaken dat de politie in beeld krijgt waarbij wellicht een eermotief wordt vermoed. Dat laatste aantal is niet uit de politiesystemen te halen, omdat dit onder een ander feit is geregistreerd.
Kunt u de 757 zaken uitsplitsen in hoeveel zaken er een vrouwelijk slachtoffer en in hoeveel zaken een mannelijk slachtoffer? Kunt u met de Kamer delen wat potentiële motieven kunnen zijn voor eergerelateerd geweld met mannelijke slachtoffers?
Die uitsplitsing is niet te geven. Die zijn alleen te geven bij de zaken waarbij sprake was van moord of doodslag.
In 2025 zijn twee coldcase zaken geanalyseerd uit de jaren ’90, waarbij sprake was van 1 mannelijk en 1 vrouwelijk slachtoffer. Daarnaast zijn twee moordzaken uit 2025 geanalyseerd, waarbij sprake was van 3 vrouwelijke slachtoffers, waaronder 1 minderjarige.
Motieven voor eergerelateerd geweld met mannelijke slachtoffers kunnen onder andere zijn: buitenhuwelijkse relaties en homoseksualiteit.
Hoe verklaart u de regionale verschillen waarbij de politie-eenheden in Den Haag, Midden-Nederland en Oost-Nederland de meeste zaken aandragen? Is er voor deze politie-eenheden meer onderwijs geweest voor een betere en snellere herkenning van de problematiek?
Daar kan geen verklaring voor worden gegeven.
Welke maatregelen worden genomen om basiskennis over eergerelateerd geweld voor alle politie-eenheden op een vergelijkbaar niveau te brengen?
Het LEC EGG levert hieraan een bijdrage door onderwijs te verzorgen aan de Politieacademie over dit onderwerp. Verder heeft het LEC EGG bij alle lokale eenheden voorlichting en onderwijs verzorgd. Ook heeft het LEC EGG een aandeel gehad in de opleiding voor professionals verbonden aan het Stelsel Bewaken en Beveiligen. Voorts levert het LEC EGG ook actuele kennis aan interne politiesites. Via deze sites kunnen politiemensen in opleiding en in actieve dienst voortdurend bij voor hen relevante informatie, ook op hun diensttelefoon.
Wat is uw beeld van waar eergerelateerd geweld het eerst in beeld komt? Is dit bij de politie of bij hulpverleningsinstanties?
Dat is niet bekend. Het is belangrijk dat de omgeving van een potentieel slachtoffer bij een vermoeden van eergerelateerd geweld contact opneemt met de politie of een hulpverleningsorganisatie. Kennis over eergerelateerd geweld en de handelwijze wanneer sprake is van een vermoeden van eergerelateerd geweld is cruciaal.
Hoe ziet de huidige samenwerking tussen politie, hulpverlening en opvanginstellingen eruit bij vermoedens van eergerelateerd geweld?
Politie, hulpverlening en opvanginstellingen werken nauw samen als sprake is van (vermoedens van) eergerelateerd geweld. Om de (regionale) ketenaanpak te versterken zijn er diverse initiatieven. Zo zijn deze partijen vertegenwoordigd in het Netwerkknooppunt Schadelijke Praktijken dat periodiek bij elkaar komt. In het netwerkknooppunt zijn partijen die betrokken zijn bij de aanpak van schadelijke praktijken, waaronder eergerelateerd geweld, vertegenwoordigd. Bijvoorbeeld politie, Veilig Thuis, opvang- en hulpverleningsorganisaties, de GGD, gynaecologen, kennisinstituten en migrantenorganisaties. Het netwerkknooppunt komt periodiek bij elkaar om initiatieven en ontwikkelingen met elkaar uit te wisselen, korte lijnen tussen partijen te leggen en de samenwerking tussen partijen te verbeteren. Daarnaast is in opdracht van VWS en in samenwerking met JenV in 2022 een routekaart1 ontwikkeld die gemeenten en Veilig Thuis-organisaties handvatten biedt om de ketenaanpak van de verschillende vormen van schadelijke praktijken te versterken. De routekaart helpt bij het inrichten van en uitvoering geven aan de ketenaanpak en het vinden van de juiste «route» voor (dreigende) slachtoffers van schadelijke praktijken. De routekaart beschrijft welke wet- en regelgeving relevant is voor de aanpak van schadelijke praktijken. Ook geeft deze routekaart een overzicht van welke organisaties betrokken zijn en waar men terecht kan voor hulp, informatie en advies.
Kunt u de checklist waarover wordt gesproken in het jaarverslag met de Kamer delen?
Ja, ik voeg de actuele versie als bijlage bij deze beantwoording.
Hoe beoordeelt u het feit dat in bijna de helft van de zaken deze checklist ontbreekt? Worden er op dit moment nog maatregelen genomen om het gebruik van de checklist te bevorderen, na een eerdere poging in 2019?
In het jaarverslag 2025 van het LEC EGG wordt op deze vraag ingegaan en wordt kort toegelicht waarom er geen checklist is gebruikt. In 53% van de zaken werd een Checklist EGG ontvangen, in 31% van de zaken was er een zodanig dossier met voldoende informatie beschikbaar om een goede duiding en advies te geven, maar was de informatie niet in de vorm van een Checklist EGG in het dossier opgenomen.
Om het gebruik van de checklist te bevorderen heeft het LEC EGG in 2019 gewerkt aan de integratie van het instrument in de bestaande informatiesystemen van de politie. Vanaf 2020 is de checklist voor politiemensen toegankelijk en bruikbaar in de politiële informatiesystemen. De checklist is inmiddels opgenomen in de Basis Voorziening Handhaving (BVH). Dit is een systeem waarmee de meeste politiemensen werken. Als eenheden bij het LEC EGG een ingevulde checklist aanbieden, dan verzorgt het LEC EGG naast een analyse of advies ook de registratie van de informatie uit deze lijst in de daartoe aangewezen politiële systemen. Dit bespaart de eenheden veel werk en stimuleert het gebruik van de checklist.
Hoe duidt u dat de meeste meldingen vanuit de Syrische gemeenschap komen? Wordt er in beleid specifiek aandacht besteed aan deze groep om voorlichting te geven over deze problematiek?
Dat de meeste meldingen door de politie of andere professionals over personen met een Syrische achtergrond gaan, komt vooral door het feit dat de laatste jaren een relatief grote groep vluchtelingen uit Syrië naar Nederland is gekomen.
Er wordt in de voorlichting aan nieuwkomers (waaronder Syriërs) aandacht geschonken aan zelfbeschikking, gendergelijkheid, individuele vrijheid en de strafbaarheid van schadelijke praktijken zoals eerwraak. Deze voorlichting begint al in het AZC en is ook onderdeel van de inburgering. Daarnaast wordt voorlichting en scholing gegeven aan inburgeringsmedewerkers en Participatiewet-consulenten van gemeenten over de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en de meldcode eergerelateerd geweld via voorlichtingsbijeenkomsten. Op die manier komt er meer kennis over het signaleren en handelen bij onveilige situaties. In de Wi2021 hebben gemeenten meer dan voorheen contactmomenten met vrouwelijke inburgeraars waarbij potentiële signalen over schadelijke praktijken of huiselijk geweld naar voren kunnen komen.
Ook ondersteunt SZW de komende jaren een project van Pharos gericht op deskundigheidsbevordering van professionals in het sociale domein en het stimuleren van regionale ketensamenwerking bij de aanpak van schadelijke praktijken, waaronder eergerelateerd geweld. Tenslotte is in opdracht van SZW een pilot gestart gericht op een preventieve aanpak van potentiële plegers van eergerelateerd geweld, met name met een Turkse of Syrische achtergrond.
Zijn er op dit moment wensen en/of plannen om de capaciteit of de middelen van het LEC EGG uit te breiden, gezien de jaarlijkse stijging van het aantal zaken?
Zoals bekend is de capaciteit van de politie op alle onderwerpen beperkt. Voor nu zijn er geen plannen om de capaciteit van het LEC EGG uit te breiden.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Becker voor een nieuw meerjarenplan zelfbeschikking en een versterkte aanpak van schadelijke praktijken (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 17)?
Het kabinet zal zich de komende periode buigen over de koers, accenten en prioriteiten met betrekking tot integratie en samenlevingsvraagstukken en zal daarna aan de slag gaan met de voornemens uit het coalitieakkoord op het terrein van integratie en maatschappelijke samenhang.2 Daarbij worden relevante moties betrokken. De Kamer wordt hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Welke rol speelt eergerelateerd geweld binnen het beleid rond femicide en geweld tegen vrouwen?
De aanpak van eergerelateerd geweld maakt deel uit van de bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Bij femicide gaat om het doden van een vrouw waarbij het veelal gaat om partnergeweld, terwijl het bij eergerelateerd geweld gaat om geweldshandelingen gepleegd door familieleden dan wel de gemeenschap. Wanneer eergerelateerd geweld gericht op een vrouwelijk slachtoffer eindigt in eerwraak kan – afhankelijk van de context – sprake zijn van femicide.
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een gerechtelijk uitreisverbod bij risico op genitale verminking in het buitenland?
In het coalitieakkoord wordt de mogelijkheid tot een uitreisverbod bij het risico op vrouwelijke genitale verminking en huwelijksdwang benoemd. In de beleidsverkenning naar de preventieve beschermingsbevelen wordt dit onderdeel – een uitreisverbod – meegenomen. Deze verkenning is inmiddels gestart. Het verbetertraject van het tijdelijk huisverbod, waarin de mogelijkheden tot het creëren van aanvullende bestuursrechtelijke maatregelen wordt bezien, maakt eveneens onderdeel uit van deze verkenning. Uw verzoek om binnen een termijn van twee maanden een uitgewerkt voorstel naar de Kamer te verzenden, is – gelet op de aard en omvang van deze verkenning – niet haalbaar. De eerste bevindingen van deze verkenning worden naar verwachting begin 2027 met uw Kamer gedeeld.
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een strafverzwaringsgrond voor strafbare feiten als het plegen of medeplegen van eergerelateerd geweld?
In het coalitieakkoord is aangekondigd dat het kabinet aan de slag gaat met het beter kunnen bestraffen van daders en medeplichtigen van eergerelateerd geweld. Binnen twee maanden een voorstel doen, is niet mogelijk. Een inhoudelijk volledige en juridisch adequate beleidsverkenning kan, gelet op de benodigde analyses en afstemming, niet binnen genoemd tijdsbestek worden gerealiseerd. Op korte termijn wordt gestart met een beleidsverkenning. Uw Kamer wordt hier voor het einde van het jaar nader over geïnformeerd.
Bent u bereid binnen twee maanden de uitwerking naar de Kamer te sturen van de regeerakkoordafspraak dat er een adviesplicht komt bij signalen van huiselijk geweld en andere schadelijke praktijken voor onderwijs- en zorgprofessionals?
De uitwerking van een adviesplicht is in volle gang. Doel hiervan is dat professionals vanuit deskundig advies signalen goed kunnen duiden zodat niets gemist wordt én passend te handelen naar effectieve hulp, steun of soms andere maatregelen. Deze adviesfase is essentieel en daarom is het belangrijk dat een adviesplicht daarbij ondersteunend, doeltreffend en uitvoerbaar is. Daarom voert VWS nu als onderdeel van de uitwerking gesprekken met diverse organisaties en deskundigen. Hiervoor is meer tijd nodig om een volledige uitwerking gereed te hebben.
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.
SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Zie vraag 1 en 2.
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.
Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
Ik onderken dat er risico’s op misstanden kunnen spelen bij (buitenlandse) draagmoederschapstrajecten. De Commissie Joustra heeft daar in haar rapport over interlandelijke adoptieprocedures in het verleden ook op gewezen.2 De Commissie Joustra wijst erop dat dit komt doordat bij draagmoederschap, net als bij interlandelijke adoptie, de volgende elementen spelen: een sterke kinderwens, beperkte mogelijkheden tot toezicht (mede door het internationale aspect) en financiële afspraken die bij de procedures worden gemaakt. Op dit moment is er geen wettelijk kader dat wensouders stimuleert om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen, waarmee het risico op misstanden verkleind kan worden. Met het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming (hierna: het wetsvoorstel) beoogt het kabinet dit te veranderen. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap3 en stelt de belangen en rechten van kind en draagmoeder voorop.
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Op dit moment ontbreekt een wettelijk kader. Het wetsvoorstel beoogt te bereiken dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldiger verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen. Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij zich ook bij een traject in het buitenland rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen.
Specifiek voor situaties van uitbuiting van draagmoederschap geldt dat deze onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel kunnen vallen. Ter implementatie van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer ingediend.6
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Voor mij staat voorop dat een (buitenlands) draagmoederschapstraject zorgvuldig en verantwoord dient plaats te vinden en dat marktwerking ongewenst is. Uit het WODC-onderzoek «Het gedragen kind» volgt dat wensouders kiezen voor buitenlandse trajecten omdat juridische zaken, bemiddeling, psychologische begeleiding en het financiële plaatje goed geregeld zijn.7 Daarnaast volgt uit het WODC-onderzoek dat het onder de huidige regelgeving lastig is voor wensouders om een draagmoeder in Nederland te vinden, en dat wensouders uitwijken naar het buitenland omdat het daar makkelijker is om een draagmoeder te vinden.8
Onder het wetsvoorstel komt de strafbaarstelling van openbaarmaking van de wens om draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden te vervallen. Bemiddeling door anderen, niet zijnde aangewezen rechtspersonen, voor wensouders of draagmoeders blijft wel strafbaar. Op die manier wordt beoogd te voorkomen dat er een markt ontstaat.
Het wetsvoorstel voorziet voor binnenlandse trajecten in een redelijke onkostenvergoeding aan de draagmoeder. Onder deze onkostenvergoeding vallen zowel de daadwerkelijk gemaakte kosten door de draagmoeder, als een beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder voor de inspanningen en het eventuele ongemak dat gepaard gaat met de zwangerschap. Betalingen voor de overdracht van het ouderschap zijn wel verboden, zowel bij draagmoederschapstrajecten in Nederland als bij trajecten die Nederlanders in het buitenland aangaan. Voor buitenlandse trajecten is er geen regeling voor een onkostenvergoeding.
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Het staat vast dat ook met het wetsvoorstel risico’s niet uitgesloten kunnen worden. Daar staat tegenover dat deze risico’s ook niet worden uitgesloten met het in stand laten van de huidige (juridische) situatie en dat er behoefte is aan een wettelijke regeling, zoals al werd aanbevolen door de Staatscommissie Herijking ouderschap en volgde uit het WODC-rapport «Het gedragen kind»,9 en wat nu ook door de rechters in het artikel wordt aangegeven. Ook in de in opdracht van Uw Kamer uitgevoerde wetenschapstoets10 wordt het belang van een wettelijke regeling onderschreven.
De belangrijkste les die is getrokken uit het rapport van de Commissie Joustra is dat de overheid ontwikkelingen rond wensouderschap in binnen- en buitenland moet blijven volgen, en daarbij ook proactief moet optreden, al dan niet via regulering. Met dit wetsvoorstel wordt daarom juist beoogd wensouders te stimuleren om te kiezen voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject, ook als het gaat om buitenlandse trajecten, om daarmee het risico op misstanden te verkleinen. Zolang het draagmoederschapstraject zorgvuldig verloopt en voldoet aan de in het wetsvoorstel gestelde voorwaarden, behoeft een eventuele toename geen probleem te zijn.
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Of een geboorteakte zonder (Nederlandse) rechterlijke toets kan worden ingeschreven, is niet afhankelijk van het land waar het kind na draagmoederschap is geboren, maar van het voldoen aan de gestelde voorwaarden. Er worden met het wetsvoorstel voorwaarden gesteld aan de erkenning van rechtswege van een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap. Het gaat dan om de genetische verwantschap van het kind aan ten minste één van de wensouders, de beschikbaarheid van de afstammingsgegevens van het kind voor opname in het afstammingsregister, verplichte voorlichting en counseling voor de wensouders en, indien het ouderschap van de wensouders voor de geboorte is ontstaan, het bestaan van een mogelijkheid voor de draagmoeder om na de geboorte het ouderschap bij de rechter te betwisten. Daarnaast is één van de voorwaarden dat er een rechterlijke beslissing ten grondslag ligt aan de buitenlandse geboorteakte van een kind geboren uit draagmoederschap.
Alleen wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan kan onder het wetsvoorstel de buitenlandse geboorteakte, zonder tussenkomst van de Nederlandse rechter, in Nederland worden ingeschreven. Dat geldt voor alle buitenlandse geboorteakten en niet specifiek alleen voor geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten.
Overigens wordt in de wetenschapstoets de aanbeveling gedaan om de voorgestelde regeling voor erkenning van rechtswege te schrappen. Ik ben bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen en zal bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
De risico’s waarop de commissie Joustra in relatie tot draagmoederschap heeft gewezen zijn mijns inziens van toepassing op alle landen. Deze risico’s spelen overal waar het gaat om het vervullen van een kinderwens, waarbij bemiddeling plaatsvindt, waarmee op enige manier geld is gemoeid en waarbij sprake is van internationaal verkeer, en deze zijn niet afhankelijk van het land waar het draagmoederschapstraject plaatsvindt.
Om de kans op risico’s zoveel als mogelijk te verkleinen, wordt met het wetsvoorstel beoogd de wensouders te stimuleren om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen.
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Het (toegang) hebben tot je afstammingsinformatie is cruciaal voor een kind. In Nederland wordt daarom ook sinds 2004 niet langer gebruik gemaakt van anoniem donormateriaal. In het wetsvoorstel wordt in aansluiting hierop de eis gesteld dat de afstammingsgegevens (op termijn) beschikbaar zijn voor het kind (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder e, en voor buitenlandse trajecten voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, sub a, onder 1, van het Burgerlijk Wetboek).
In het buitenland is het gebruik van anonieme ei- en zaadcellen en embryo’s soms wel toegestaan. Ook dan is het van belang dat kinderen toegang kunnen krijgen tot hun afstammingsgegevens. Een waterdichte garantie hiervoor kan echter niet worden gegeven, het gaat immers om anonieme donoren. Het wetsvoorstel stimuleert daarom wensouders om te kiezen voor een traject met een donor waarvan de identiteit wel bekend of achterhaalbaar is. In het wetsvoorstel is daartoe opgenomen dat indien de afstammingsgegevens bij buitenlandse trajecten niet beschikbaar zijn, de wensouders in Nederland alsnog een rechterlijke procedure moeten starten om te trachten het ouderschap juridisch te regelen. De rechter moet er dan een oordeel over geven.
Daarnaast zal in de verplicht te volgen voorlichting het belang van het gebruik van bekende donoren nadrukkelijk aan de orde komen, juist met het oog op het belang van het kind en het hebben van de afstammingsgegevens.
Tevens is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die de wensouders verplicht om het kind te informeren over zijn of haar afstamming. Op die manier wordt ook de verantwoordelijkheid bij de wensouders wettelijk neergelegd om hun kind te informeren over zijn of haar ontstaansgeschiedenis. Die verplichting geldt overigens niet alleen in geval van draagmoederschap maar meer algemeen voor ouders of, als het gezag elders is belegd, bij die andere gezagsdrager(s).
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Door het verplicht stellen van voorlichting en counseling worden bewust gemaakt om te kiezen voor verantwoorde trajecten in het buitenland. Ik acht het daarbij van groot belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, het 8 EVRM, alsmede in het VN-Vrouwenverdrag. Verder beoogt het wetsvoorstel uitbuiting te voorkomen en kent het de mogelijkheid voor de draagmoeder om terug te komen op haar besluit. Dit alles versterkt de positie van de draagmoeder. Dat neemt echter niet weg dat misstanden toch kunnen plaatsvinden.
Daarnaast vraagt de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)11 lidstaten expliciet om het uitbuiten van draagmoederschap strafbaar te stellen. De strafdreiging die van deze strafbaarstelling uitgaat kan preventieve werking hebben, waardoor hopelijk minder vrouwen in het buitenland onder druk gezet zullen worden om afstand te doen van hun rechten.
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling komt draagmoederschap nu ook voor. De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft al geconstateerd dat een kinderwens op zich een positief gegeven is, ook als die wens alleen via draagmoederschap verwezenlijkt kan worden. Tegelijkertijd is draagmoederschap alleen positief als het traject zorgvuldig verloopt met respect voor de rechten en belangen van het kind en de draagmoeder. Het is daarom van belang dat er een goede regeling komt voor de bescherming van alle betrokkenen, maar vooral die van het kind. Het wetsvoorstel vertrekt vanuit ditzelfde uitgangspunt en heeft niet als doel om draagmoederschap populair te maken of te stimuleren. Het wetsvoorstel beoogt ook niet draagmoederschap als zodanig te bevorderen, maar stimuleert mensen die deze wijze van gezinsvorming overwegen om te kiezen voor een zorgvuldig en transparant draagmoederschapstraject in het belang van het kind.
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Op dit moment is er een verbod op het openbaar kenbaar maken van de wens om zelf draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is die openbaarmaking niet langer verboden.
Commerciële bemiddeling bij draagmoederschap is op dit moment verboden in Nederland. En dat blijft zo met het wetsvoorstel. Voor beroepsmatig niet-commerciële bemiddeling in Nederland ligt dit anders en kan straks ontheffing worden verleend. Het streven is dat wensouders die door middel van draagmoederschap een kind willen krijgen en vrouwen die als draagmoeder voor een ander zwanger willen worden en een kind willen krijgen, bij één of enkele centrale punten terecht kunnen. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan de in de praktijk bestaande behoefte hieraan.
Het voordeel van voorlichting, counseling en bemiddeling op één of een beperkt aantal plekken te houden is dat expertise opgebouwd kan worden bij professionals en hiermee de kwaliteit van de inhoud en vorm van de voorlichting, counseling en bemiddeling goed gewaarborgd kan worden. Daarnaast wordt voorkomen dat een wildgroei ontstaat van bemiddelaars. De randvoorwaarden voor deze organisaties zullen verder uitgewerkt worden in een algemene maatregel van bestuur.
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Er bestaat geen recht voor (wens)ouders op een kind. Een kind, ongeacht de manier waarop het geboren wordt, beschikt wel over fundamentele rechten als het recht op een waardig bestaan en het hebben en kennen van diens identiteit, inclusief diens genetische, zwangerschaps- en sociaal-culturele achtergrond. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor kinderen om hun afstammingsgegevens te kunnen achterhalen en voor het kennen van hun ontstaansgeschiedenis. De rechten en het belang van het kind moeten altijd voorop blijven staan.
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 12. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor zorgvuldige trajecten, waarmee ook de positie van de draagmoeder wordt versterkt. Ook het belang van het kind is meegenomen in het wetsvoorstel. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb aangegeven ben ik bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen in de wetenschapstoets en zal ik bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Het recht moet aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen in de samenleving. Wetgeving is een dynamisch geheel en moet ruimte bieden voor ontwikkelingen waar dat kan en bescherming bieden waar dit nodig is. Het recht moet in die zin ook normeren. Voor wat betreft een wettelijke regeling voor draagmoederschap zou de norm vooral moeten zijn dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig moeten zijn, in het belang van het kind en met oog voor de positie van de draagmoeder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Calvé en andere Unilever-merken worden Amerikaans, kans op beursnotering in NL’ |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Calvé, Cup A Soup en Hellmann’s van Unilever Amerikaans worden, met een kans op beursnotering in Nederland, op de website van de NOS van 31 maart 2026?1
Ja.
Hoe reflecteert u op de keuze van McCormick om het internationale hoofdkantoor in Nederland te vestigen? Hoe reflecteert u op het nieuws dat het voedselinnovatiecentrum van Unilever in Wageningen blijft?
Voor Nederland is het goed nieuws dat is bevestigd dat het internationale hoofdkwartier (Rotterdam) en de wereldwijde R&D (Wageningen) van de voedingsdivisie in Nederland blijven. Dit toont aan dat continue aandacht voor het ondernemings- en vestigingsklimaat belangrijk maar ook lonend is. Het kabinet heeft over de ontwikkelingen bij de voedingstak met Unilever gesproken en gaat ook in gesprek met de nieuwe eigenaar.
Ziet u mogelijkheden om positieve economische spillovers van de vestiging van grote bedrijven in Nederland, zoals McCormick, te versterken? Zo ja, op welke manier?
De Nederlandse economie is mede sterk vanwege toonaangevende, hoogproductieve en innovatieve grote bedrijven, die kiezen voor groei en een duurzame toekomst in Nederland. Hoe beter deze bedrijven ingebed raken in Nederlandse ecosystemen, hoe groter de spillover effecten. De Netherlands Foreign Investment Agency en de regionale partners in het Invest in Holland netwerk voeren regelmatig gesprekken met in Nederland gevestigde grote bedrijven en verbinden deze waar mogelijk aan relevante ecosysteem partners.
Hoe probeert u precies McCormick naar de Nederlandse beurs te halen?
Het kabinet zal de kwaliteit van het Nederlandse vestigingsklimaat onder de aandacht brengen om de voedingsactiviteiten zoveel mogelijk in Nederland te versterken en te verankeren. Hierbij focussen we op voorspelbaar beleid en (fiscale) stabiliteit, omdat bedrijven investeringsbesluiten voor de lange termijn nemen. We werken aan een internationaal krachtige, innovatieve en duurzame Nederlandse agrifood-sector. Om te zorgen dat bedrijven betere toegang krijgen tot financiering werken we aan een Nationale Investeringsinstelling en in Europa aan een kapitaalmarktunie. Ook heeft Nederland een uitstekende positie met grote handelsplatformen en de grootste Europese beurs (Euronext). Nederland zet mede daarom in op een leidende rol bij de ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie, zodat bedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal en de Amsterdamse beurs nog aantrekkelijker wordt voor bedrijven.
Wat is uw bredere strategie om grote bedrijven ertoe te bewegen zich in Nederland te vestigen of te kiezen voor een notering aan de beurs in Amsterdam?
Eén van mijn grootste prioriteiten is het versterken van het ondernemings-en vestigingsklimaat. Het kabinet streeft naar een sterk en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat, waarbij bedrijven optimaal kunnen ondernemen, investeren en innoveren. Voor internationale bedrijven zijn voorspelbaar beleid, concurrerende fiscaliteit, toegang tot talent en goede fysieke randvoorwaarden zoals netaansluiting en ruimte, doorslaggevend bij de keuze waar zij zich vestigen.
Verder werkt het kabinet aan het versterken van het financieringsecosysteem over de volle breedte: van start-up en scale-up tot beursgang. Dat vraagt om voldoende beschikbaar kapitaal, actieve betrokkenheid van private en institutionele investeerders en een goed functionerende kapitaalmarkt.
Ook werkt het kabinet aan het vergroten van de internationale aantrekkingskracht van de Nederlandse en Europese kapitaalmarkt. Nederland heeft een uitstekende positie met grote handelsplatformen en de grootste Europese beurs (Euronext). Nederland pakt mede daarom een leidende rol bij de ontwikkeling van de Europese kapitaalmarktunie, zodat bedrijven beter toegang krijgen tot kapitaal en de Amsterdamse beurs nog aantrekkelijker wordt voor bedrijven.
Deze lijnen versterken elkaar: een sterk ondernemings- en vestigingsklimaat trekt bedrijven aan, een goed financieringsecosysteem laat ze groeien en een krachtige kapitaalmarkt biedt ze perspectief op verdere opschaling en notering.
Daarnaast zetten we met de Netherlands Foreign Investment Agency in op het gericht aantrekken van buitenlandse bedrijven, die toegevoegde waarde hebben voor Nederland, doordat zij impact realiseren op (i) verdienvermogen, door hoogproductieve en innovatieve activiteiten te ontplooien, (ii) economische weerbaarheid, door bij te dragen aan strategische autonomie, het versterken van ecosystemen en de internationale relevantie van Nederland, (iii) maatschappelijke opgaven, bijvoorbeeld activiteiten ontplooien die ons helpen in de energietransitie of digitalisering.
Ik houd de staat van het ondernemings- en vestigingsklimaat goed in de gaten. Zo behoort Nederland tot de top-10 van de World Competitiveness Ranking van het IMD (International Institute for Management Development), waarin 69 landen worden beoordeeld op hun concurrentievermogen. Uit de Monitor Ondernemingsklimaat blijkt tegelijkertijd dat het Nederlandse ondernemingsklimaat, inclusief het vestigingsklimaat, de laatste jaren voor toenemende uitdagingen staat, zoals de onvoorspelbaarheid van beleid of regeldruk.2
Hoe kan de Kamer u helpen om ervoor te zorgen dat grote bedrijven zich vaker in Nederland vestigen of dat grote bedrijven vaker kiezen voor een notering aan de Amsterdamse beurs?
Ik stel het aanbod van de helpende hand vanuit de Kamer zeer op prijs. In aanvulling op het antwoord op vraag 5 begint het bij het versterken van het verdienvermogen van Nederland: Bedrijven – van startup tot multinational – vormen de motor van onze economie en samenleving.
De Kamer kan hieraan bijdragen door te sturen op een aantrekkelijk en voorspelbaar ondernemings- en vestigingsklimaat. De keuze voor een beursnotering hangt vaak samen met de keuze voor vestiging. Dat vraagt om stabiel en consistent beleid, concurrerende fiscaliteit, voldoende aandacht voor talent en goede randvoorwaarden.
Daarnaast kan de Kamer het kabinet ondersteunen bij het versterken van de kapitaalmarkt, onder meer via de Europese kapitaalmarktunie. De beurs speelt een cruciale rol in de groei van volwassen bedrijven en trekt internationaal kapitaal aan. Grote bedrijven hebben daarbij een aanzuigende werking: zij verbeteren de toegang tot kapitaal en verlagen financieringskosten voor kleinere bedrijven. Door op deze punten gericht te sturen, draagt de Kamer bij aan zowel meer vestigingen als meer beursnoteringen in Nederland.
Het bericht ‘Vertrek van beleggers uit woningbedrijf Vesteda leidt mogelijk tot verkoopgolf van huurwoningen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat grote beleggers, waaronder pensioenfonds ABP en verzekeraar Allianz, voor in totaal 4,1 miljard euro hun belangen willen afbouwen in woningverhuurder Vesteda? Wat is uw reactie hierop?1
Ja, de verwachting is dat er door de redemptieverzoeken bij Vesteda er huurwoningen worden uitgepond en er waarschijnlijk minder nieuwbouw wordt gepleegd. Dit baart mij zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
Hoeveel huurwoningen zijn er in Nederland de afgelopen vijf jaar verdwenen als gevolg van uitponden door zowel particuliere als institutionele beleggers?
Uit cijfers van Kadaster blijkt dat er in de afgelopen 5 jaar ca. 114.000 woningen zijn uitgepond, oftewel door private investeerders zijn verkocht aan eigenaar-bewoners. Van deze woningen waren ca. 52.000 woningen in bezit van een particuliere investeerder en ca. 62.000 woningen in voormalig bezit van een bedrijfsmatige/institutionele investeerder. Desalniettemin is de totale huurwoningvoorraad in handen van private investeerders in de periode 2021–2025 toegenomen van ca. 679.000 naar 752.000 woningen omdat investeerders ook woningen toevoegen via nieuwbouw.
In hoeveel gemeenten bezit Vesteda woningen, en in welke gemeenten is de concentratie het grootst?
Vesteda bezit circa 28.000 woningen, verspreid over ruim 80 Nederlandse gemeenten. De grootste concentraties bevinden zich in en rond de grote steden, met name: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Almere en Amstelveen. Daarnaast is Vesteda ook actief in diverse andere steden buiten de Randstad, waaronder onder meer Arnhem, Eindhoven, Tilburg, Groningen, Maastricht en Deventer, zij het met kleinere portefeuilles per gemeente.
Kunt u uitsplitsen hoeveel woningen van Vesteda in ieder van de categorieën sociale huur, middenhuur, en vrije huur vallen?
De exacte cijfers per categorie zijn mij niet bekend. Vesteda verhuurt voornamelijk in het middensegment. Daarnaast verhuurt Vesteda ook woningen in de vrije sector. Sociale huur maakt slechts een marginaal onderdeel uit van de portefeuille van Vesteda.
Heeft u contact gehad met Vesteda of de betrokken beleggers over de mogelijke gevolgen van hun vertrek voor de huurmarkt?
Ja, vanuit het ministerie is verschillende malen contact geweest over de gevolgen van de redemptieverzoeken met Vesteda en met (vertegenwoordigers van) institutionele beleggers, zoals APG.
Deelt u de mening dat dit aantoont dat het overlaten van volkshuisvesting aan de markt een fundamentele vergissing is geweest?
Nee, de volkshuisvesting in Nederland is deels belegd bij corporaties en deels bij marktpartijen. Corporaties spelen een belangrijke rol in het sociale segment. Private investeerders zijn essentieel voor voldoende huurwoningen in het midden- en vrije segment. Het midden- en vrije segment zijn naast de sociale huursector belangrijk voor een goed functionerende woningmarkt. De huurmarkt is op diverse wijze gereguleerd om huurders te beschermen, bijvoorbeeld via de Wet betaalbare huur of de begrenzing van de jaarlijkse huurverhoging. Op deze wijze wordt zowel de kracht van publieke als private partijen benut.
Acht u het aanvaardbaar dat het woonrecht van tienduizenden huurders volledig afhankelijk is van de interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen van private fondsen als Vesteda?
Het is niet zo dat het woonrecht van de huurders van Vesteda volledig afhankelijk is van diens interne beleggingsregels en rendementsoverwegingen. Eén van de grondbeginselen van het Nederlandse huurrecht is namelijk dat de huurovereenkomst die een huurder heeft, gewoon blijft bestaan wanneer de woning door de verhuurder wordt verkocht aan een andere investeerder. Wanneer de verhuurder de woning wil verkopen aan een eigenaar-bewoner, kan dit pas als de (tijdelijke) huurovereenkomst van de huurder afloopt, of als de huurder zelf wenst te vertrekken. Vanaf 1 juli 2024 mogen – behoudens enkele uitzonderingen – alleen nog vaste huurcontracten worden afgesloten. Een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is daarmee weer de norm geworden. Hiermee hebben huurders meer zekerheid gekregen over hun woonsituatie.
Hoe rijmt u het feit dat Vesteda’s 2.000 woningen primair fungeren als rendementsartikel voor pensioenfondsen en verzekeraars, met de grondwettelijke plicht van de overheid om voldoende woongelegenheid te bevorderen zoals vastgelegd in artikel 22 van de Grondwet?
Institutionele beleggers spelen traditioneel een belangrijke rol bij de financiering van vooral huurwoningen, gezien hun lange beleggingshorizon en behoefte aan stabiele, inflatiebestendige rendementen. Gezien de grote woningbouw opgave zijn investeringen van (buitenlandse) institutionele investeerders onmisbaar.
Deelt u de mening dat het een teken van fundamenteel falen is wanneer een overheid haar volkshuisvestingstaak alleen nog kan uitvoeren door commerciële beleggers gunstige voorwaarden te bieden? Deelt u de mening dat het precies deze mentaliteit is dat de wooncrisis veroorzaakt heeft?
Nee, zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 6.
Welke wettelijke instrumenten heeft u op dit moment om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda na verkoop worden omgezet naar koopwoningen?
Zoals toegelicht bij vraag 7 borgt het Nederlandse huurrecht dat huurders niet hun woning kunnen worden uitgezet, indien de investeerder de woning wenst te verkopen. Naast het huurrecht heeft het kabinet beperkt instrumenten om uitponding te voorkomen. Bij corporaties zijn er daarentegen wel verkoopregels. Het kabinet zet wel in op een verbetering van het investeringsklimaat zodanig dat het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen.
Bent u bereid maatregelen te treffen om te voorkomen dat huurwoningen van Vesteda massaal worden omgezet naar koopwoningen? Zo ja, welke instrumenten overweegt u in te zetten?
Er bestaat geen wet die private verhuurders verplicht om eerst aan woningcorporaties te verkopen. Bij corporaties zijn er daarentegen wel verkoopregels. Het is niet aan mij als Minister aan wie private investeerders hun woningen doorverkopen en door wie huurwoningen worden verhuurd. Het gaat erom dat de verhuurder voldoende zorg draagt voor de leefbaarheid van diens woningen en zich houdt aan de geldende wet- en regelgeving, zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur. Zowel een corporatie als een private verhuurder kan dit invullen. Uiteindelijk zijn zowel corporaties als private verhuurders noodzakelijk voor een goed functionerende huurwoningmarkt.
Is het juridisch mogelijk om Vesteda te verplichten eventueel te verkopen woningen als eerste aan woningcorporaties of gemeenten aan te bieden, en bent u bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 11.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat dergelijke situaties waarin beleggers tegelijkertijd uit stappen voorkomen kunnen worden en huurwoningen behouden worden?
Het kabinet werkt hard aan het verbeteren van het investeringsklimaat. De inzet is dat er in de toekomst meer investeerders in de Nederlandse woningmarkt willen investeren. Dit is essentieel om voldoende betaalbare huurwoningen te realiseren.
Om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. Ook heb ik uw Kamer recent geïnformeerd over de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen.
Tegelijk wordt gekeken naar andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren, bijvoorbeeld binnen de fiscaliteit. Die handschoen pak ik op in het kader van de Taskforce Versnelling Woningbouw en zal onderdeel zijn van het Actieplan. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen.
Bent u bereid een concreet plan te presenteren waarbij woningcorporaties en gemeenten structureel meer middelen krijgen om de rol van commerciële beleggers op de huurmarkt over te nemen?
Zowel private partijen als woningcorporaties zijn nodig voor een gezonde en goed functionerende huurmarkt. Voorop staat dat verhuurders voldoende zorg dragen voor de leefbaarheid van hun woningen en zich houden aan de geldende wet- en regelgeving. Woningcorporaties voeren hun eigen aan- en verkoopbeleid en kunnen hier in lokaal verband afspraken over maken met gemeenten en huurdersverenigingen. Het staat woningcorporaties dus altijd vrij om woningen over te nemen van investeerders als zij hiermee een bijdrage denken te kunnen leveren aan de lokale volkshuisvesting en de aankoop ook vanuit financieel oogpunt te verantwoorden is. Het kabinet neemt een aantal maatregelen om de financiële positie van woningcorporaties te verbeteren. Uw Kamer wordt voor de zomer nader geïnformeerd over de uitwerking van deze maatregelen en hoe zij doorwerken in de investeringsruimte van de corporatiesector.
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Ja.
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Het totaal aantal Syrische asielzoekers per 1 april is 17.310.
Het totaal aantal Syrische statushouders per 1 april is 76.200.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Het gaat om 70.840 personen, per 1 april 2026.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Dit betreft 5.360 personen per 1 april 20262.
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Een asielaanvraag wordt op basis van de individuele merites van de zaak beoordeeld. In het geval van Syrië wordt daarbij gebruik gemaakt van het landgebonden asielbeleid. Landgebonden asielbeleid komt zorgvuldig tot stand op basis van actuele, feitelijke informatie over een land van herkomst. Op 22 april jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over enkele wijzigingen in het landenbeleid Syrië. Voor heel Syrië blijft de laagste gradatie van artikel 15c aangewezen. Voor druzen heb ik een risicoprofiel aangewezen, naast de al aangewezen risicoprofielen voor LHBTIQ+ en alawieten. Het algemene uitgangspunt dat in Syrië in het algemeen geen sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief, is komen te vervallen.
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Ook in bovengenoemde brief van 22 april jl. en bijbehorende nota ga ik daarop in. Daar verwijs ik dan ook naar.
De inzet van dit kabinet blijft, in lijn met de keuze van mijn voorganger, om over te gaan tot het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen zodra dat kan, waarbij ik rekening houd met de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid. Uit de EU Kwalificatierichtlijn en de vanaf 12 juni in werking tredende Kwalificatieverordening en jurisprudentie van het EU Hof van Justitie volgt dat de internationale beschermingsstatus enkel mag worden verleend aan en voortgezet bij personen die aan de voorwaarden voor internationale bescherming voldoen. Aan de herbeoordelingen van een verblijfsstatus worden echter andere juridische voorwaarden gesteld dan de voorwaarden die gelden voor de beoordeling van asielaanvragen. Uit art. 11 en art. 16 van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.37g Voorschrift Vreemdelingen, volgt dat bij veranderde omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen.
Uit het algemeen ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de positieve ontwikkelingen die reeds werden ingezet inzake de ruimte om kritiek te leveren op de overgangsregering zich door bleven zetten. In algemene zin komt een beeld naar voren uit het ambtsbericht van een mensenrechtensituatie die, met name in het controlegebied van de overgangsregering, voldoende ingrijpend verbeterd lijkt te zijn ten opzichte van de situatie ten tijde van het Assad-regime. Tegelijkertijd wijzen de geweldsuitbarstingen in de kuststreek in maart 2025 en in Suweida gedurende de verslagperiode van het ambtsbericht van januari 2026, op een gepolariseerde samenleving waar nog veel spanning heerst. Ook de recente ontwikkelingen in het noordoosten van het land wijzen op een situatie die nog niet aangemerkt kan worden als «van niet-voorbijgaande aard». Aangezien op basis van de landeninformatie niet kan worden geconcludeerd dat de veranderde omstandigheden in het land van herkomst een niet-voorbijgaand karakter hebben, is herbeoordeling conform de voorwaarden van het Unierecht thans niet aan de orde.
Bij een volgend ambtsbericht zal opnieuw worden bezien of dit wel het geval is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om in Q4 een nieuw ambtsbericht te publiceren, mits de zorgvuldigheid van het onderzoek dit tijdpad toelaat.
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Reeds direct na de val van het Assad-regime meldden zich Syriërs bij de Dienst Terugkeer en Vertrek voor ondersteuning bij terugkeer naar Syrië. De DTenV heeft deze ondersteuning ook direct geboden. In de eerste maanden ging het daarbij met name om het organiseren van de daadwerkelijke terugkeer door het boeken en financieren van vliegtickets en ondersteuning bij het verkrijgen van vervangende reisdocumenten. Naar aanleiding van de informatie in het ambtsbericht van vorig jaar konden Syriërs ook weer gebruik maken van de reguliere herintegratieondersteuning. Sinds de val van Assad zijn inmiddels meer dan 1400 personen3 vrijwillig teruggekeerd naar Syrië. Onder de personen die vrijwillig zijn teruggekeerd zitten zowel personen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun asielaanvraag, personen zonder verblijfsrecht en personen in bezit van een vergunning voor (on)bepaalde tijd. Gedwongen terugkeer heeft nog niet plaatsgevonden. Wel blijven we in gesprek met de Syrische autoriteiten over het mogelijk maken van terugkeer, zowel gedwongen als vrijwillig. Nederland heeft hier in Damascus reeds op politiek en hoogambtelijk niveau gesprekken over gevoerd met de Syrische autoriteiten. Daarnaast draagt Nederland bij aan het verbeteren van sociaaleconomische omstandigheden en de veiligheidssituatie in Syrië zodat Syriërs die terugkeren ook duurzaam kunnen re-integreren.
Tijdens het IMRF heeft Nederland samen met Syrië een bijeenkomst georganiseerd over de vraag hoe terugkeer de wederopbouw kan ondersteunen en hoe reconstructie-inspanningen op hun beurt duurzame terugkeer mogelijk maken. De komende tijd zal de dialoog met Syrië worden voortgezet om samen tot concrete mogelijkheden voor samenwerking te komen.
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Bij mijn brief d.d. 22 april 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het landenbeleid Syrië. In deze brief heb ik u laten weten dat het de inzet van het Kabinet is om tot herbeoordelen over te gaan zodra dat kan maar dat dit op dit moment nog niet aan de orde is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht opnieuw onderzoek te verrichten naar de situatie in Syrië en daarover eind dit jaar een nieuw ambtsbericht te publiceren. Aan de hand van dit ambtsbericht zal worden bezien of de situatie in Syrië dermate is ontwikkeld dat er tot herbeoordelen overgegaan kan worden.
Nederland onderschrijft het door Duitsland benoemde belang van terugkeer van Syriërs. Daarbij ziet Nederland dat het investeren in wederopbouw een positieve bijdrage kan leveren aan (vrijwillige) terugkeer. Verder onderkent Nederland, net als Duitsland, dat de terugkeer van Syriërs een gunstige invloed kan hebben op het realiseren van wederopbouw. Het kabinet zet daarom in op het vrijwillig laten terugkeren van grote aantallen Syriërs, zoals ook nader toegelicht in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl4.
Overlastgevend gedrag van asielzoekers is per definitie onaanvaardbaar. Daarom geven we in algemene zin ook prioriteit aan overlastgevers in het terugkeerproces. Nederland zet in dat verband ook in op terugkeer van vertrekplichtige Syrische vreemdelingen.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10, zet het kabinet in op het laten vertrekken van zoveel mogelijk Syriërs. Het hanteert daarbij geen streefgetallen of -percentages.
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 7 en 8 zijn er reeds mogelijkheden voor ondersteuning bij vrijwillige terugkeer naar Syrië. Deze ondersteuning staat ook open voor personen met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Samen met Buitenlandse Zaken, andere EU-lidstaten en internationale organisaties wordt gekeken hoe Syrië verder kan worden ondersteund bij de wederopbouw. Daarin zal ook nadrukkelijk de mogelijkheid van het bedrijfsleven in Nederland en de EU worden meegenomen alsmede de inzet van de Syrische diaspora.
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bekend met de documentaire van het YouTube-kanaal Dutch Travel Maniac, waarin anonieme beveiligers, (voormalige) bewoners en winkeliers uitgebreid verklaren over structurele misstanden op COA-locaties, waaronder het aanmeldcentrum Ter Apel en AZC Budel?
Ja.
Kunt u bevestigen dat er op COA-locaties, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, op structurele basis drugs worden verhandeld, waaronder cocaïne, speed en hasj?
Ik erken dat drugshandel, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, voorkomt. Dat dit op structurele basis zou gebeuren, kan ik niet op basis van beschikbare cijfers bevestigen.
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, op welke locaties is dit het geval en welke maatregelen zijn er tot dusver genomen om dit te bestrijden?
Zie antwoord vraag 2.
Indien het antwoord op vraag twee ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er bij het betreden van AZC-terreinen geen standaard fouillering of controle op contrabande plaatsvindt, met uitzondering van het gebouw van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Na eerste binnenkomst van de vreemdeling bij het aanmeldcentrum Ter Apel of Budel vindt er een veiligheidsfouillering aan lichaam, kleding en bagage plaats. Dit om de veiligheid van de (andere) aanvragers en medewerkers te waarborgen. De IND maakt momenteel gebruik van de diensten van de Rijksbeveiligingsdienst (RBO) voor het uitvoeren van deze werkzaamheden.
Zowel het AZC-terrein in Ter Apel als in Budel is extra beveiligd door plaatsing van camera’s en een hekwerk. In Ter Apel is er een extra beveiligingsteam (intern bijstandsteam) van Trigion ingezet. Veiligheid op de locatie borgt het COA dus middels bewaking en toegangscontrole. Het zorgen voor een veilige leefomgeving voor alle bewoners en medewerkers heeft de hoogste prioriteit.
Indien het antwoord op vraag vijf bevestigend luidt, acht u dit verantwoord gegeven de aanhoudende signalen over wapenbezit en drugshandel op deze locaties en bent u bereid structurele toegangscontroles in te voeren?
Om de veiligheid op locatie te borgen is op de COA-locaties in Ter Apel en Budel bewaking en toezicht aanwezig. Bij vermoedens van strafbare feiten wordt direct opgetreden. Met deze werkwijze zie ik nu geen aanleiding om de bestaande toegangscontrole aan te passen met permanente veiligheidsfouillering.
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verklaart u dat bewoners van AZC’s wapens zoals machetes, keukenmessen en glasscherven in hun bezit kunnen hebben op het terrein?
Vooropgesteld: het bezit van wapens op COA-locaties is verboden. Bewoners worden hier bij aankomst expliciet op gewezen in relatie tot de COA-huisregels. Daarin is onder meer opgenomen dat illegale drugs en wapens verboden zijn. Desondanks komt incidenteel wapenbezit voor, wat in de praktijk verband houdt met breder overlastgevend en crimineel gedrag. Het COA doet aangifte van strafbare feiten (zoals wapenbezit) en/of doet melding bij de politie in situaties waarbij de openbare orde en veiligheid in het geding is. In die gevallen worden de wapens in beslag genomen. Aanvullend kan het COA een passende maatregel opleggen en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Welke maatregelen worden getroffen om wapenbezit op COA-locaties te voorkomen en te bestrijden?
Wapenbezit en illegale drugs zijn volgens de huisregels van het COA verboden. Op basis van de huisregels zijn COA-medewerkers onder voorwaarden bevoegd om de woonruimte te betreden ter verplichte kamercontroles. Er vinden standaard periodieke kamercontroles plaats op COA-locaties. Dit is tevens een contactmoment met de bewoner en dat draagt bij aan signalering en sociale veiligheid. Daarnaast kan COA extra kamercontroles uitvoeren bij signalen van strafbare feiten, zoals wapenbezit. Bij feitelijke signalen van wapenbezit of illegale drugs, wordt er een melding gemaakt en/of aangifte gedaan bij de politie. De politie start dan strafrechtelijk onderzoek. Waar van toepassing legt het COA een maatregel op conform het Maatregelenbeleid van het COA en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Is het u bekend dat beveiligers op COA-locaties verklaren dat er op wekelijkse basis massale vechtpartijen en steekincidenten plaatsvinden en dat er dagelijks kleinere opstootjes zijn?
Ja, dit signaal is bekend. Trigion noteert in opdracht van COA als beveiligingsbedrijf systematisch alle incidenten die plaatsvinden op iedere opvanglocatie van COA waar zij een toezichthoudende of uitvoerende taak hebben.
Kunt u een overzicht geven van het aantal geregistreerde geweldsincidenten op COA-locaties over de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar type incident en locatie?
Jaarlijks publiceert het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum een overzicht van incidenten en verdachtenregistraties van misdrijven onder COA-bewoners die betrokken zijn bij overlast of verdacht worden van een misdrijf. De eerstvolgende zogeheten Incidentenmonitor (rapportagejaar 2025) wordt voor het zomerreces met uw Kamer gedeeld.
Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. De geregistreerde incidenten uitgesplitst naar soort incident en COA-locatie van eerdere jaren is online op de website van het COA te raadplegen.1
Klopt het dat beveiligers op COA-locaties structureel te maken hebben met fysiek geweld, waaronder bijten, bespugen en bedreigingen met wapens?
De laatste jaren is het aantal incidenten, gerelateerd aan middelengebruik, sterk toegenomen. Dit heeft ook impact op de medewerkers van het COA helemaal als dat gepaard gaat met agressie-incidenten.
Wat doet u om de veiligheid van COA-medewerkers, daarmee dus ook de beveiligers, te waarborgen?
Die inzet kent meerdere fronten. Primair wordt de veiligheid geborgd met permanent toezicht en beveiliging en het inschakelen van de politie bij strafbare feiten. COA huurt voor de beveiliging professionele beveiligingsbedrijven in. Trigion noteert in opdracht van COA als beveiligingsbedrijf systematisch alle incidenten die plaatsvinden op iedere opvanglocatie van COA waar zij een toezichthoudende of uitvoerende taak hebben.
Daarnaast wordt ingezet op zorg en preventie op het gebied van middelengebruik van bewoners.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat het COA verantwoordelijkheid hiervoor afschuift naar de externe inhurende beveiligingsorganisatie?
Ik herken mij niet in dat beeld. Voor een veilige leefomgeving voor bewoners en medewerkers is de inzet van gekwalificeerde externe beveiligers onmisbaar. COA heeft een wettelijke taak voor wat betreft de opvang en begeleiding, maar heeft geen taak of bevoegdheden om strafrechtelijk op te treden. Daarom schakelt COA bij strafbare feiten de politie in.
Op lokaal niveau heeft COA vaak goede samenwerking met politie en gemeente, zodat gezamenlijk op een veilige leefomgeving op en rond de COA locatie wordt ingezet.
Herkent u het beeld dat beveiligers vrezen voor hun baan indien zij misstanden naar buiten brengen?
Nee, dat beeld herken ik niet. Beveiligingsbedrijf Trigion registreert in opdracht van COA systematisch alle incidenten die plaatsvinden op iedere opvanglocatie van COA waar zij een toezichthoudende of uitvoerende taak hebben.
Medewerkers van Trigion worden aangemoedigd om eventuele misstanden (ook vermeende) te rapporteren. Dit kan en mag ook anoniem. Elke melding, anoniem of niet, wordt serieus opgepakt en geëvalueerd. Voor het melden (ook anoniem) heeft Trigion specifieke procedures.
De mogelijkheid om (anoniem) te melden is zeker bekend bij de medewerkers van Trigion, maar wellicht minder bij tijdelijk of recent in dienst getreden medewerkers. Het COA zal bij Trigion aandacht vragen om de bekendheid van bestaande procedures verder te vergroten.
Ik betreur dat het in deze uitzending gaat om anonieme melding(en) buiten de gangbare procedures om. Deze manier van melden maakt dat gericht optreden niet mogelijk is.
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom geven anonieme beveiligers dit dan aan?
Zie antwoord vraag 15.
Bent u bereid een klokkenluidersregeling specifiek voor personeel op COA-locaties in te richten of te versterken, zodat misstanden veilig kunnen worden gemeld?
Het COA besteedt veel aandacht aan veilig werken en integriteit op locaties, zowel schriftelijk, digitaal als via het inrichten van loketten of centrale informatiepunten. Misstanden kunnen nu al veilig worden gemeld. Ik zie daarom geen aanleiding om aanvullend nog een specifieke regeling in te richten.
Hoe reflecteert u op de stelling dat asielzoekers die daadwerkelijk uit oorlogsgebieden zijn gevlucht, verklaren zich structureel onveilig te voelen op COA-locaties en dat sommigen meubels tegen hun kamerdeur plaatsen om veilig te kunnen slapen?
Ik vind het onaanvaardbaar dat asielzoekers die gevlucht zijn voor oorlog en geweld, zich hier op COA-locaties onveilig voelen. Laat helder zijn: dat bewoners zelf veiligheidsmaatregelen zouden nemen, mag niet de oplossing zijn. COA-medewerkers zijn erop getraind om adequaat te handelen bij signalen van onveiligheid. Indien sprake is van overlast of overtreden huisregels kan het COA conform haar Maatregelenbeleid aan de betreffende bewoner een passende maatregel op te leggen.
Hoe reflecteert u op het feit dat vrouwen en gezinnen met kinderen in AZC’s aangeven zich niet vrij te kunnen bewegen vanwege intimidatie en seksuele intimidatie door medebewoners?
Ik onderstreep op dit punt de norm zoals eerder benoemd in antwoord op vraag 18. Het kabinet zet zich verder in om kwetsbare bewonersgroepen, waaronder kinderen, nog meer te beschermen. Daarom wordt nu de ambitie van het regeerprogramma uitgewerkt om betrokken daders sneller onder verscherpt toezicht te plaatsen en verblijfsrechtelijke consequenties toe te passen.
Het COA spant zich in om alleenstaande vrouwen op kamers te plaatsen waar ze zoveel mogelijk bescherming of veiligheid ervaren. Alleenstaande vrouwen worden nooit in een kamer geplaatst samen met mannen. Op de locaties wordt de fysieke veiligheid zo goed als mogelijk gewaarborgd.
Het COA valt wettelijk verplicht onder de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (net zoals alle beroepssectoren waarin professionals met kinderen en gezinnen werken). Het COA werkt met opgeleide aandachtsfunctionarissen voor de meldcode. Zij zijn getraind om signalen van geweld en onveiligheid (ook buiten het gezin) te herkennen en voeren de regie over de meldcode. Signalen van onveiligheid worden gemeld bij Veilig Thuis.
Indien nodig wordt bij acute dreiging en op advies van de politie of Veilig Thuis beschermde opvang aangeboden buiten het COA (bijvoorbeeld een plaatsing in de vrouwenopvang). Hierbij geldt dat voor vrouwelijke asielzoekers hetzelfde recht op bescherming bestaat als die geldt voor vrouwen in de Nederlandse samenleving. Ook streeft het COA ernaar om op elke opvanglocatie een contactpersoon mensenhandel en mensensmokkel aan te stellen. Deze is kennisdrager op dit gebied en het interne en externe aanspreekpunt bij zorgen over mogelijke uitbuiting van bewoners.
Kunt u bevestigen dat er gevallen bekend zijn waarin bewoners van AZC’s zich schuldig hebben gemaakt aan aanranding en dat de betreffende daders slechts een zogenaamde «time-out» kregen, bestaande uit een tijdelijke overplaatsing naar een soberere kamer, waarna zij terugkeerden naar dezelfde locatie?
Vooropgesteld: aanranding is een ernstig zedendelict en volstrekt onacceptabel gedrag. Bij (vermoedens van) strafbare feiten doet het COA daarom aangifte en/of melding bij de politie. COA stimuleert ook bewoners aangifte en/of melding te doen van strafbare feiten. Het is vervolgens aan de politie om nader onderzoek te doen. De politie stuurt uiteindelijk het proces-verbaal naar het Openbaar Ministerie (OM). De officier van justitie beoordeelt vervolgens of er voldoende bewijs is en of de verdachte strafrechtelijk wordt vervolgd.
Ik hecht eraan deze route zo te benoemen, om te verduidelijken dat COA als opvang- en begeleidingsinstantie slechts beperkte middelen en bevoegdheden heeft om bij incidenten op locatie zelf te normeren. Bij strafbare feiten zoals aanranding zijn primair politie en Openbaar Ministerie aan zet. Waar mogelijk legt het COA conform haar Maatregelenbeleid daarnaast ook nog maatregelen op. Deze maatregelen kunnen variëren van een waarschuwing tot intrekking van maximaal alle verstrekkingen inclusief ontzegging van toegang tot de opvanglocatie of een overplaatsing naar de handhaving en toezichtlocatie (htl). De meeste van deze maatregelen worden bij beschikking opgelegd en dienen voldoende te worden gemotiveerd.
Indien het antwoord op vraag twintig bevestigend luidt, acht u dit een passende sanctie bij zedendelicten?
Bij ernstige incidenten, zoals een zedendelict, moet hard worden opgetreden. De primaire route is aangifte bij de politie gevolgd door een strafrechtelijk traject. Daar waar mogelijk legt het COA daarnaast een passende maatregel op kan de IND de aanvraagprocedure versnellen.
Indien het antwoord op vraag twintig ontkennend luidt, waarom geven beveiligers en (oud)bewoners dit dan aan?
Zie antwoord vraag 21.
Klopt het dat de zogenaamde Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) op het terrein van Ter Apel zodanig is ingericht dat bewoners eenvoudig over het hek kunnen klimmen en zich weer vrij in het centrum van Ter Apel kunnen begeven?
De vbl is de vrijheidsbeperkende locatie voor uitgeprocedeerde asielzoekers2 – mogelijk wordt in de vraagstelling de verscherpte toezichtlocatie bedoeld. De vtl is geen gevangenis, maar een plek met extra begeleiding en toezicht. Mensen kunnen derhalve naar buiten. De verscherpte toezichtlocatie (vtl) en procesbeschikbaarheidslocatie (pbl) in Ter Apel zijn wel middels een hoog hek gescheiden van de rest van de locatie. In geval van plaatsing in de vtl/pbl krijgen mensen een locatieverbod voor de rest van de locatie. Het komt voor dat mensen die geplaatst zijn op vtl/pbl alsnog proberen om over het hek te klimmen om zodoende toegang te hebben tot de rest van de locatie.
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, welke maatregelen worden getroffen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u reflecteren op de verklaring van beveiligers dat naar schatting 80% van de incidenten niet wordt gerapporteerd of openbaar gemaakt?
Het COA instrueert eigen medewerkers om incidenten consequent te registeren. Op die manier vindt dossieropbouw plaats en wordt overlastgevend gedrag genormeerd.
Het COA is daarbij mede afhankelijk van bewoners van de locatie voor het rapporteren van incidenten waar COA medewerkers zelf geen getuige van zijn geweest. Tegelijkertijd moet worden erkend dat de situatie in Ter Apel, mede gelet op de hoge bezetting, regelmatig onder druk staat. Dat neemt niet weg dat het uitgangspunt blijft dat incidenten moeten worden gerapporteerd.
Kunt u uitsluiten dat het COA tijdens inspectiedagen of bezoeken van Tweede Kamerleden bewust bewoners per touringcar laat wegrijden van locaties om de bezettingsgraad en de situatie gunstiger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is?
Het COA heeft mij verzekerd dat hier geen sprake van is. Het is immers het COA die de afgelopen jaren aandacht heeft gevraagd voor de bezettingsgraden op locaties en daarmee de noodzaak voor uitbreiden van structurele capaciteit.
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, op basis waarvan kunt u dit uitsluiten?
Zie antwoord vraag 26.
Indien het antwoord op vraag 26 ontkennend luidt, bent u bereid hier onafhankelijk onderzoek naar te laten doen?
Zie antwoord vraag 26.
Klopt het dat bewoners die bij dergelijke verplaatsingen worden betrokken financiële compensaties ontvangen?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, om welke bedragen gaat het en uit welke begrotingspost worden deze gefinancierd?
Zie antwoord 29.
Bent u bereid structurele, onaangekondigde inspecties op COA-locaties in te voeren, zodat een realistisch beeld van de dagelijkse situatie kan worden verkregen?
De Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) houdt toezicht op uitvoeringsorganisaties die werken binnen de domeinen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De Inspectie JenV voert regelmatig locatiebezoeken op COA-locaties uit, in Ter Apel is zelfs sprake van doorlopend toezicht. De Inspectie JenV opereert onafhankelijk en bepaalt op basis van de informatiebehoefte en risico’s waar zij toezicht uitvoert.
Klopt het dat de eerste screening door de IND in sommige gevallen bestaat uit slechts een beperkt aantal ja/nee-vragen?
Nee, dat klopt niet. De eerste screening wordt thans uitgevoerd door Dienst Identificatie en Registratie Asielzoekers (DISA). Tijdens dit eerste contactmoment is het doel om een asielzoeker te identificeren en registreren. Hiervoor worden gestandaardiseerde vragen gesteld om feiten te checken, verkennende open vragen ter identificering en biometrie afgenomen. De registratie dient als start voor het vervolgproces bij de IND en toelating tot de opvang.
Indien het antwoord op vraag 32 bevestigend luidt, acht u dit toereikend om potentiële veiligheidsrisico’s te identificeren?
Zoals toegelicht in antwoord 32 zijn er meer mogelijkheden om veiligheidsrisico’s te identificeren, waaronder de afname van biometrie.
Wordt er bij de aanmelding in Ter Apel gebruikgemaakt van gezichtsherkenning of biometrische verificatie? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit in te voeren?
DISA neemt biometrische gegevens (vingerafdrukken) en gezichtsopnamen (foto’s) af met behulp van de Basis Voorziening Identiteit vaststelling (BVID)-zuil. Deze gegevens worden vergeleken met de bestaande gegevens in de nationale en internationale (politie) informatiesystemen HAVANK, EUVIS, EURODAC en SIS. Bij een «hit» in een van de systemen informeert DISA de Koninklijke Marechaussee (KMar) en/of politie.
Wat is uw reactie op het signaal dat asielzoekers massaal paspoorten en identiteitsdocumenten weggooien of verscheuren voorafgaand aan hun aanmelding en dat er gehandeld wordt in valse paspoorten via mensensmokkelnetwerken?
Het komt voor dat asielzoekers zich van identiteitsdocumenten ontdoen of valse/vervalste identiteitsdocumenten overleggen. De ervaring is dat slechts een minderheid van de asielzoekers identiteitsdocumenten overlegt waarmee hun identiteit kan worden gestaafd.
Wanneer een persoon asiel heeft aangevraagd, is het OM op dat moment niet-ontvankelijk volgens jurisprudentie van de Hoge Raad. De zaak wordt dan geseponeerd. Vanzelfsprekend blijft de mogelijkheid bestaan om verdachte (ook) te vervolgen voor andere feiten.
Het vervolgingsbeleid van het OM laat onverlet dat de IND in het kader van de asielaanvraag het overleggen van valse identiteitsdocumenten of onjuiste verklaringen over identiteit, nationaliteit en herkomst betrekt in de beoordeling van de asielaanvraag.
Welke maatregelen worden getroffen om identiteitsfraude tegen te gaan?
Valse of vervalste identiteitsdocumenten die in de asielprocedure zijn overlegd, worden door IND altijd overhandigd aan politie of KMar. Bij een redelijk vermoeden van fraude met identiteits- of brondocumenten wordt aangifte gedaan. Ook wordt deze informatie betrokken bij de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag.
Artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag heeft ten doel echte vluchtelingen die noodgedwongen gebruik hebben moeten maken van valse of vervalste documenten om hun land te verlaten te beschermen tegen strafrechtelijke vervolging mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden. Het is dan onvermijdelijk dat strafvervolging eerst kan plaatsvinden nadat in de asielprocedure is vastgesteld dat de vreemdeling geen vluchteling is.
Er wordt daarom door het OM navraag gedaan bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst of verdachte asiel heeft aangevraagd en na één week wordt nagegaan of de IND dit heeft bevestigd. Wanneer een verdachte asiel heeft aangevraagd, is het OM op dat moment niet-ontvankelijk volgens jurisprudentie van de Hoge Raad. De zaak wordt dan geseponeerd. Als blijkt dat niet binnen een week asiel is aangevraagd, zal het OM in beginsel overgaan tot strafvervolging. Vanzelfsprekend blijft de mogelijkheid bestaan om verdachte (ook) te vervolgen voor feiten anders dan artikel 231 Sr.
Kunt u toelichten waarom de politie, zoals door meerdere bronnen uit de documentaire wordt gesteld, beperkt in staat is om op te treden tegen bewoners van AZC’s die zich schuldig maken aan strafbare feiten, omdat deze geen Nederlandse identiteit hebben?
De politie is niet beperkt omdat bewoners van een AZC geen Nederlandse identiteit zouden hebben, strafbare feiten zijn voor iedereen strafbaar. De dagelijkse orde en naleving van huisregels liggen bij het COA en de particuliere beveiliging. De politie treedt in de praktijk op zodra er een strafbaar feit is of als het COA/de beveiliging de politie inschakelt, bij spoed komt de politie uiteraard direct.
Is het u bekend dat winkeliers in de omgeving van AZC’s te maken hebben met bedreigingen, bespuging, diefstal en seksuele intimidatie door bewoners?
Het is mij bekend dat ondernemers en omwonenden overlast ondervinden van een groep asielzoekers. Daarom is de inzet vanuit de lokale driehoek, strafrechtketen en vreemdelingenketen erop gericht om de daders snel en effectief aan te pakken om zo het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen, die ook last hebben van het gedrag van sommige medebewoners, te behouden.
Bent u bereid met de betrokken gemeenten in gesprek te gaan over aanvullende maatregelen ter bescherming van lokale ondernemers?
Overlast wordt op lokaal niveau ervaren. Daarom is naast een nationale aanpak lokaal maatwerk nodig. Om deze lokale aanpak binnen gemeenten te ondersteunen, is ook voor 2026 budget beschikbaar gesteld voor (gedeeltelijke) financiering van lokale maatregelen. Deze regeling geeft gemeenten de mogelijkheid om zelf te bepalen welke maatregelen het beste bij de ervaren problematiek past, zoals inzet van beveiligers of cameratoezicht in winkelgebied.
Hoe beoordeelt u het feit dat omwonenden van het AZC in Lochem een vergoeding van 1.000 euro van de overheid ontvangen om hun woningen beter te beveiligen? Wat zegt dit volgens u over de veiligheidssituatie rondom AZC’s?
In dit verband verwijs ik naar de beantwoording van Kamervragen van 30 maart jl.3
Deelt u de mening dat het onverantwoord is om nieuwe AZC’s te openen zolang de veiligheid op bestaande locaties niet op orde is, zowel voor bewoners als voor omwonenden en personeel?
Het openen van een nieuwe COA-locatie gebeurt altijd met aandacht voor veiligheid, waarbij het COA samenwerkt met gemeenten, politie en andere hulpdiensten. Veiligheid is een integraal onderdeel van de opvangstrategie.
Indien het antwoord op vraag 41 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 41.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de wijze waarop het COA omgaat met veiligheidsincidenten, de registratie daarvan en het functioneren van interne klachtenprocedures?
In dit verband verwijs ik naar de rol van de Inspectie van Justitie en Veiligheid, zie antwoord 31.