Bescherming van Bonaire tegen de klimaatcrisis |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel over het bezoek van premier Jetten aan Bonaire1, bezien in samenhang met het nieuwe rapport van Greenpeace waaruit blijkt dat de kosten van klimaatverandering op Bonaire in de toekomst fors zullen oplopen2?
Hoe beoordeelt u het feit dat u naar Bonaire afreist met niets meer dan woorden, terwijl de inwoners van het eiland al jaren wachten op daadwerkelijke bescherming tegen de gevolgen van de klimaatcrisis?
Welke boodschap denkt u af te geven aan de inwoners van Bonaire door in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak in de klimaatzaak, terwijl diezelfde inwoners juist dringend meer bescherming nodig hebben?
Begrijpt u dat het hoger beroep door veel inwoners van Bonaire zal worden ervaren alsof de Staat hun veiligheid, gezondheid en toekomst nog altijd niet serieus neemt?
Kunt u toelichten hoe u voorkomt dat Caribisch Nederland bij een volgend bezoek opnieuw met lege handen blijft achter in beleid, bescherming en middelen?
Kunt u aangeven welke gesprekken er zijn gevoerd met het Openbaar Lichaam Bonaire over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie? Hoe zijn deze gesprekken verlopen?
Overweegt u de eilanden nog eens in de zomer te bezoeken, zodat u zelf kunt ervaren hoe ondraaglijk de hitte daar werkelijk kan worden?
Waarom kiest u ervoor om tijd en geld te steken in een hoger beroep, terwijl die energie ook direct kan worden ingezet voor uitvoering, bescherming en financiering van urgente maatregelen op Bonaire?
Deelt u de conclusie van Greenpeace dat de kosten voor bescherming van Bonaire fors kunnen oplopen als nu niet wordt ingegrepen? Zo nee, op welke grond wijkt u daarvan af?
Welke nieuwe feiten of omstandigheden uit het recente rapport van Greenpeace zijn voor u aanleiding geweest om de schade en kosten van uitblijvend beleid op Bonaire opnieuw te beoordelen?
Kunt u aangeven welke concrete aanvullende maatregelen u op korte termijn neemt om Bonaire beter te beschermen tegen zeespiegelstijging, droogte, hittestress en andere klimaatrisico’s?
Bent u bereid om de financiering voor de bescherming van Bonaire structureel te borgen door deze onder te brengen in het Deltafonds of een vergelijkbare systematiek van meerjarige begrotingsreserveringen in plaats van te werken met incidentele bijdragen?
Bent u bereid om, gelet op het bezoek aan Bonaire, het hoger beroep in de klimaatzaak opnieuw te bezien en prioriteit te geven aan snelle uitvoering van beschermende maatregelen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voor het plenaire debat over de gerechtelijke uitspraak inzake de klimaatzaak Bonaire beantwoorden?
Het bericht ‘Niet alleen 110 banen weg: waarom het faillissement van Coldenhove heel Eerbeek raakt’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Niet alleen 110 banen weg: waarom het faillissement van Coldenhove heel Eerbeek raakt»?1
Wanneer ontving u de eerste signalen dat na het faillissement van De Hoop ook Coldenhove failliet dreigde te gaan?
Welke stappen heeft u na deze signalen genomen? Indien u geen stappen heeft ondernomen, waarom niet?
Welke stappen hebben u of uw voorganger genomen om een faillissement zoals bij Coldenhove te voorkomen, na het plenaire Kamerdebat op 20 maart 2024 over problemen in de papier- en kartonindustrie in Nederland als gevolg van de hoge energieprijzen?2
Hoeveel bedrijven in de Nederlandse maakindustrie dreigen door de opnieuw stijgende energieprijzen binnen het komende jaar ook failliet te gaan?
Wat doet u om dit te voorkomen?
Bent u het ermee eens dat de Nederlandse maakindustrie, waaronder de papier- en kartonproductie, essentieel is voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke stappen neemt u om de ontslagen medewerkers van Coldenhove zo snel mogelijk aan nieuw werk te helpen?
Bent u het ermee eens dat een eventuele doorstart voor de medewerkers van Coldenhove een oplossing zou kunnen zijn? Zo ja, welke stappen neemt u om een eventuele doorstart van Coldenhove mogelijk te maken?
Gaat u in gesprek met de provincie Gelderland om eventuele obstakels voor een doorstart van de papier- en kartonindustrie in Eerbeek weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
De transparantie bij de Nederlandse Loterij en de publieke verantwoordelijkheid van de Staat in relatie tot gokschade |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Loterij – exploitant van o.a. Staatsloterij, Lotto, Eurojackpot, Miljoenenspel, Krasloten, Lucky Day en Toto – geen inzicht geeft in de verhouding tussen online en fysieke winnaars bij deze spellen, terwijl deze gegevens technisch eenvoudig beschikbaar zijn?
Waarom publiceert de Nederlandse Loterij geen basisinformatie over het aantal online verkochte loten en deelnames, het aantal winnende online loten en deelnames, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor al deze kansspelen?
Bent u bereid de Nederlandse Loterij te verplichten dergelijke transparantie-indicatoren jaarlijks openbaar te maken voor alle door haar geëxploiteerde kansspelen? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt het actief stimuleren van deelname aan kansspelen door een staatsbedrijf zich tot de verantwoordelijkheid van de overheid om gokschade te beperken, zeker gezien de groei van online deelname bij spellen als Lucky Day, Toto en Eurojackpot?
Erkent u dat deze dubbele rol bestuurlijk onzuiver is en vergelijkbaar met een overheid die zelf alcohol produceert, consumptie stimuleert en tegelijkertijd waarschuwt voor de schadelijke gevolgen?
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat omzetdoelen van de Nederlandse Loterij zwaarder wegen dan het beperken van maatschappelijke schade, gezien de sterke commerciële promotie van o.a. Toto en Eurojackpot?
Hoeveel bedragen de maatschappelijke kosten van gokverslaving jaarlijks, en hoe verhouden deze zich tot de totale afdracht van de Nederlandse Loterij aan de Staat?
Waarom vindt er geen structurele monitoring plaats van de relatie tussen online deelname aan loterijen en kansspelen (zoals Lucky Day en Toto) en problematisch speelgedrag, terwijl de risico’s van online kansspelen breed worden erkend?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de maatschappelijke effecten van de groei van online deelname aan alle kansspelen van de Nederlandse Loterij? Zo nee, waarom niet?
Welke onafhankelijke instantie controleert of de kansverdeling tussen online en fysieke loten en deelnames identiek is bij alle spellen, en waarom worden deze auditbevindingen niet openbaar gemaakt?
Bent u bereid deze audits voortaan te publiceren, zodat burgers kunnen controleren of het systeem eerlijk functioneert?
Waarom gelden voor online loterijen en kansspelen van de Nederlandse Loterij niet dezelfde zorgplichten als voor andere online kansspelen, terwijl de drempelloze beschikbaarheid van online deelname vergelijkbare risico’s met zich meebrengt?
Het bericht dat archieffragmenten van Pim Fortuyn zijn geblokkeerd en niet mogen worden uitgezonden |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt de bewering in de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 dat een groot aantal archieffragmenten van Pim Fortuyn in televisiesystemen wel kan worden teruggevonden, maar niet (meer) mag worden uitgezonden?
Klopt het dat redacties bij het raadplegen van deze archieven worden geconfronteerd met een technische blokkade, waardoor uitzending van deze fragmenten slechts mogelijk is na aanvullende toestemming of helemaal niet is toegestaan?
Is het waar dat deze blokkades zijn aangebracht binnen systemen waarvan omroepen gebruikmaken, zoals het archiefsysteem van de NPO en/of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid? Zo niet, om welk systeem gaat het dan?
Welke instanties of partijen hebben besloten tot het aanbrengen van deze blokkades bij archieffragmenten van Pim Fortuyn?
Is het waar dat het hierbij (mede) gaat om fragmenten met aantoonbare historische en politieke betekenis, waaronder interviews en debatmomenten uit de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn?
Met welke reden of redenen zijn deze fragmenten geblokkeerd, en op basis van welk juridisch, beleidsmatig of contractueel kader is deze beslissing genomen?
Zijn er naast de in de uitzending genoemde fragmenten nog meer archiefbeelden van Pim Fortuyn die (gedeeltelijk) zijn geblokkeerd, en zo ja, kunt u aangeven om hoeveel fragmenten het gaat en op welke gronden deze zijn geblokkeerd?
Klopt het dat betrokkenen die in deze fragmenten voorkomen, via een systeem kunnen aangeven dat zij niet wensen dat bepaalde beelden opnieuw worden uitgezonden?
Indien de publieke omroep verantwoordelijk is voor het blokkeren van deze archieffragmenten, acht u deze handelwijze verenigbaar met de publieke taak van de publieke omroep om de Nederlandse politieke en maatschappelijke geschiedenis toegankelijk en inzichtelijk te maken?
Deelt u de mening dat historisch-politieke archieffragmenten die met publieke middelen zijn vervaardigd of beheerd, in beginsel vrij beschikbaar moeten zijn voor journalistieke en maatschappelijke duiding?
Deelt u de mening dat het structureel blokkeren van dergelijke fragmenten neerkomt op het beperken van het zicht op de Nederlandse politieke geschiedenis?
Kunt u toezeggen dat u zich actief zal inzetten om ervoor te zorgen dat archieffragmenten van Pim Fortuyn met historische en politieke betekenis weer zonder belemmeringen kunnen worden uitgezonden? Zo niet, waarom niet?
De overnames van vakantieparken en de stand van zaken van de nieuwe Kampeerwet |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Markt voor vakantiehuizen koelt in hoog tempo af»?1 Wat is u reactie op het feit dat er op makelaarssite Funda nu 4.979 recreatiewoningen te koop staan, 32% meer dan in maart 2025?
Herkent u de door makelaarsvereniging NVM geconstateerde trend dat steeds meer eigenaren van vakantiewoningen deze willen verkopen?
Onderschrijft u de woorden van recreatieadviseur Hans van Leeuwen dat straks 75% van de vakantiehuizen in Nederland geen rendement meer oplevert? Voorziet u net als hij een grote verkoopgolf?
De SP heeft jarenlang gewaarschuwd dat de overname van campings en de bouw van veel nieuwe vakantiewoningen ertoe zou leiden dat deze markt ook op een moment weer zou afkoelen, met grote gevolgen voor alle betrokkenen, erkent u dat dit nu gebeurt?
Ondanks de snel afkoelende markt voor vakantiehuizen, worden er nog steeds campings opgekocht en geherstructureerd voor de bouw van (luxe) vakantiewoningen, deelt u onze mening dat dit zeer onverstandig is?
Nog steeds verliezen recreanten hun vaste kampeerplek omdat ze moeten wijken voor de komst van duurdere vakantiewoningen, ondanks dat er een groter tekort is aan betaalbare vakantieplekken dan aan luxere vakantiewoningen, wat gaat u doen om deze trend te keren?
Kent u de oproep van Veluwse gemeenten «Overnamegolf vakantieparken baart gemeenten op Veluwe zorgen: «Voor veel mensen onbetaalbaar»»?2
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat steeds meer vakantieparken in handen komen van grote ketens?
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat vakanties daardoor te duur worden?
De Veluwse gemeenten spreken nu de, ook door de SP vaak geuite zorg uit, dat vakantieparken eenheidsworst worden en vakantie straks alleen nog te betalen is voor mensen met veel geld, deelt u deze zorg nu eveneens?
Erkent u dat het voor gemeentes nu vaak lastig is om de komst van vakantieketens te voorkomen? Kunt u in uw antwoord meenemen welke mogelijkheden gemeenten volgens u hebben om deze trend te keren?
Erkent u dat wanneer het voor gemeenten al lastig is om hier iets aan te doen, het voor recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen nog veel lastiger is?
Erkent u dat gemeenten bestaande instrumenten om recreatiebestemmingen te beschermen in de praktijk lang niet altijd benutten of handhaven?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten recreatief gebruik laten verdwijnen zonder duidelijke ruimtelijke afweging over de gevolgen voor betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme?
Erkent u dat recreanten nu niet of nauwelijks beschermd zijn bij overnames en herstructureringen?
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Hoeveel campings en vakantieparken zijn sinds 2020 overgenomen door investeringsmaatschappijen, grote recreatieketens of vastgoedpartijen?
Heeft het kabinet zicht op hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen vijf jaar zijn verdwenen?
Hoeveel nieuwe recreatiewoningen, waaronder luxe recreatiewoningen, zijn de afgelopen vijf jaar vergund, en hoeveel betaalbare kampeerplaatsen zijn in dezelfde periode verdwenen?
Heeft u inzicht in het aantal overnames van campings en vakantieparken dat gepaard gaat met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen?
Bent u bereid landelijk inzichtelijk te maken hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen jaren zijn verdwenen door overnames, herstructurering en transformatie van vakantieparken?
Erkent u dat recreatiewoningen en vakantieparken in toenemende mate worden gebruikt door bedrijven die vakantiewoningen opkopen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waardoor recreatiebestemmingen feitelijk verdwijnen?
Heeft u inzicht in hoeveel recreatieparken momenteel geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten?
Deelt u de mening dat recreatieparken primair bedoeld moeten blijven voor recreatie en betaalbare vakanties, en niet sluipenderwijs moeten veranderen in grootschalige huisvestingslocaties?
Erkent u dat de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen?
Hoe verklaart u dat woningbouwprojecten in heel Nederland geregeld stilvallen vanwege stikstofregels, terwijl de uitbreiding of herstructurering van vakantieparken en de bouw van recreatiewoningen vaak wel doorgaan, óók nabij kwetsbare natuurgebieden?
Deelt u de mening dat het wringt dat betaalbare woningbouw regelmatig wordt tegengehouden vanwege stikstof, terwijl recreatieve vastgoedontwikkeling veelal wel mogelijk blijkt?
Erkent u dat stikstofberekeningen bij de herstructurering van vakantieparken doorgaans gebaseerd zijn op door initiatiefnemers zelf aangeleverde gegevens en berekeningen?
Hoe wordt gecontroleerd of de aangeleverde stikstofberekeningen, verkeersprognoses en natuuronderzoeken bij recreatieve herstructureringsprojecten daadwerkelijk volledig en realistisch zijn?
Heeft u signalen dat herstructureringen van vakantieparken gefaseerd worden uitgevoerd om stikstofeffecten of vergunningplichten te beperken of te omzeilen?
Wordt bij gefaseerde herstructurering van campings en vakantieparken altijd gekeken naar de totale cumulatieve stikstof- en natuureffecten van het volledige project?
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat grootschalige recreatieve vastgoedontwikkeling via deelprojecten of gefaseerde aanvragen onder natuur- en stikstofregels uitkomt?
Voorjaar 2025 werd ons voorstel aangenomen om te komen tot een nieuwe Kampeerwet om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen (motie Kamerstuk 36 452, nr. 4), hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Op 21 januari 2026, bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken, schreef u aan de Kamer «de uitvoering van de motie heeft mijn aandacht» en «naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd», wat is uw definitie van binnenkort?
Wanneer kunnen we de reactie op de aangenomen motie verwachten? Kunt u al zeggen welke maatregelen u gaat nemen om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen?
Welke maatregelen gaat u opnemen in de nota Ruimte om te borgen dat Nederland een divers recreatieaanbod heeft met mogelijkheden voor elk budget?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de «eerste verjaardag» van onze aangenomen motie om te komen tot een nieuwe Kampeerwet (binnen de termijn van drie weken)?
Het bericht ‘Moeten we de wc niet meer doorspoelen met drinkwater?’ |
|
Robert van Asten (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het gebruik van hoogwaardig drinkwater voor laagwaardige toepassingen zoals toiletspoeling, in het licht van toenemende drinkwaterschaarste door droogte, klimaatverandering en bevolkingsgroei?1
Deelt u de opvatting dat het grootschalig inzetten van grijswater (zoals hergebruikt douchewater) en hemelwater een substantiële bijdrage kan leveren aan het verminderen van de druk op de drinkwatervoorziening?
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de uitwerking van de aanbevelingen van het RIVM ten aanzien van het gebruik van grijs- en hemelwater in de gebouwde omgeving?
Gelet op het feit dat u tijdens het wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026 aangaf pilots te willen uitvoeren en dat u binnen een jaar hierop terugkomt bij de Kamer, en in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing2 wordt bovendien 2035 als jaar genoemd waarin waterbewust bouwen de norm is: kunt u concreet aangeven welke pilots inmiddels zijn gestart, wat de planning is en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Waarom kiest u ervoor om (opnieuw) pilots uit te voeren terwijl in andere landen en regio’s, zoals Vlaanderen, al uitgebreide ervaring is opgedaan met grijswatersystemen? Welke lessen uit Vlaanderen zijn inmiddels concreet vertaald naar Nederlands beleid en regelgeving?
Welke specifieke belemmeringen staan momenteel grootschalige toepassing van grijswatersystemen in de weg in zowel nieuwbouw als bestaande bouw (bijvoorbeeld op het gebied van NEN-normering, toezicht door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), volksgezondheid of kosten)?
In hoeverre zijn risico’s zoals foutaansluitingen inmiddels voldoende in beeld en beheersbaar, en welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om deze risico’s te beperken?
Acht u het noodzakelijk om de norm voor grijswater- en hemelwatersystemen in nieuwbouw uiterlijk in 2035 naar voren te halen gezien de grote urgentie?
Kunt u toelichten waarom een mogelijke opname van grijswatersystemen in het Bouwbesluit (of opvolgende regelgeving) volgens u een tijdslijn van circa twee jaar vergt, en ziet u mogelijkheden om dit proces te versnellen?
Welke rol spelen kostenoverwegingen in uw afweging, en hoe verhouden deze zich tot de maatschappelijke baten van drinkwaterbesparing en het voorkomen van drinkwatertekorten?
Hoe voorkomt u dat Nederland te maken krijgt met «drinkwatercongestie», en welke rol ziet u daarbij voor decentrale wateroplossingen zoals grijswatersystemen?
Op welke wijze wordt het gebruik van grijswater momenteel gestimuleerd via bestaande instrumenten, zoals de MIA/VAMIL-regeling, en acht u deze stimulansen voldoende?
Bent u bereid om, vooruitlopend op eventuele aanpassing van het Bouwbesluit, al concrete maatregelen te nemen om de toepassing van grijswater in de bouwpraktijk te versnellen? Zo ja, welke?
Kunt u toezeggen dat de Kamer vóór het commissiedebat over ruimtelijke ordening wordt geïnformeerd over de voortgang en mogelijke beleidsopties, zodat hierover gericht besluitvorming kan plaatsvinden?
Het artikel 'Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy» van professor Akiko Iwasaki in Nature Reviews Immunology (1 mei 2026), waarin zij pleit voor een open wetenschappelijk debat over vaccinatieschade en expliciet verwijst naar nieuw onderzoek naar het Post-Vaccinatie Syndroom (PVS)?
Hoe weegt u de oproep van deze vooraanstaande immunoloog om «onhandige vragen» over vaccinatie-bijwerkingen met wetenschappelijke integriteit te behandelen, in het licht van het huidige Nederlandse beleid waarin de specifieke ondersteuning voor deze groep (C-support) juist wordt afgebouwd?
Deelt u de visie van professor Iwasaki dat het ontkennen van de noodzaak voor gespecialiseerd onderzoek en debat de wetenschappelijke vooruitgang en het publieke vertrouwen schaadt, zeker nu preprints van onder andere de Yale LISTEN-studie duiden op unieke symptoomprofielen bij PVS-patiënten?
Erkent u dat de transitie van PVS-zorg naar het «reguliere veld» indruist tegen de internationale roep om juist meer specialistische aandacht en onderzoek naar de pathofysiologie van deze aandoening, zoals bepleit in Nature Reviews Immunology?
Bent u bereid om, in de geest van «vrijheid van wetenschappelijk onderzoek», de subsidie voor C-support te handhaven als de centrale plek waar in Nederland deze internationale nog volop in ontwikkeling zijnde kennis wordt verzameld en vertaald naar de Nederlandse patiëntenzorg?
Welke acties onderneemt u om te waarborgen dat Nederlandse zorgverleners niet vervallen in wat professor Iwasaki beschrijft als «politiek gekleurde evaluaties», maar patiënten met klachten na vaccinatie serieus nemen op basis van de meest recente, onafhankelijke internationale data?
Kunt u toezeggen dat u, conform de aanbevelingen in het genoemde artikel, ruimte creëert voor een structureel expertisecentrum waar ook «controversiële» post-acute aandoeningen zoals PVS zonder vooroordelen onderzocht en behandeld kunnen worden?
Bent u bekend met het bericht «Opgepakte verdachte steekpartij Winschoten is dief van knuffels voor Jeffrey en Emma»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schandalig en onacceptabel is dat deze Syriër, na zijn veroordeling voor diefstal op een herdenkingsplek van vermoorde Nederlandse kinderen, nog steeds in Nederland verblijft en opnieuw strafbare feiten pleegt?
Hoewel ik niet op deze individuele casuïstiek kan ingaan, hecht ik eraan te benadrukken dat ik crimineel gedrag veroordeel en dat dit kabinet in de aanpak van overlast en crimineel gedrag van asielzoekers strenger wil optreden bij recidive.
Hoeveel keer moet een Syriër in Nederland een misdrijf plegen voordat u hem het land uit zet? Is er voor u überhaupt nog een grens?
Een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling is reden voor de IND om te onderzoeken of naast strafrechtelijke consequenties, ook verblijfsrechtelijke consequenties kunnen worden toegepast. Dat kan ook betekenen dat een afgegeven asielvergunning wordt ingetrokken. Daarbij moet wel worden voldaan aan hoge eisen van Europees Unierecht. De Kwalificatierichtlijn vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er voor het weigeren of intrekken van een asielvergunning sprake moet zijn van veroordeling wegens een (bijzonder) ernstig misdrijf.
Na een afwijzend besluit of een intrekking van de IND start de DTenV het terugkeerproces. Dit kan, afhankelijk van de situatie, vanuit strafdetentie of (aansluitend in) vreemdelingenbewaring plaatsvinden.
Op 18 december 2024 heeft toenmalig Minister Faber uw Kamer geïnformeerd over aanscherping van het openbare-ordebeleid in asielzaken.2 Die beleidsaanscherping is onverkort van kracht en betekent dat we in asielzaken het maximale doen.
Het is aan de officier van justitie om te bepalen of in individuele gevallen vervolging wordt ingesteld en voor welke afdoening wordt gekozen.
Kunt u aangeven waarom deze en andere criminele Syriërs nog steeds niet zijn uitgezet, ondanks de overduidelijke overlast en criminaliteit die zij veroorzaken? Gaat u dit alsnog doen?
Zie antwoord vraag 3.
Begrijpt u, gelet op dit soort weerzinwekkende incidenten en de vele andere misdrijven door asielzoekers en statushouders, waarom de opstand onder de Nederlandse bevolking steeds groter wordt? Zo ja, waarom voert u dan nog steeds geen onmiddellijke, volledige asielstop in en waarom zet u niet massaal criminele vreemdelingen uit?
Tegen de achtergrond van de recente asielrellen, herhaal ik op dit punt wat ik ook in het Commissiedebat van 13 mei jl. met uw Kamer heb gewisseld. Onze rechtstaat mag niet worden ondermijnd door intimidatie, bedreiging en geweld. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten. Dit kabinet kiest voor meer grip op migratie door de instroom te verlagen en vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers te verhogen. Daarbij ben ik bereid om alle juridische ruimte te gebruiken, maar zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop.
Zo geeft dit kabinet nu prioriteit aan het implementeren van het Europese Migratiepact, waarmee meer grip op de Europese instroom wordt verkregen.
Om effectieve terugkeer en vertrek van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen te bevorderen is het streven van het kabinet om met de nieuwe Terugkeerverordening de terugkeerprocedure simpeler, efficiënter en doeltreffender te maken en de samenwerking met landen buiten de Europese Unie te versterken, onder andere via migratiepartnerschappen.
Om de geïntensiveerde inzet op brede, strategische partnerschappen en de samenwerking met derde landen vorm te geven wordt er in een ambtelijke taskforce internationale migratie samengewerkt met betrokken departementen waaronder Buitenlandse Zaken en uitvoeringsorganisaties.
Ten slotte komt het kabinet met een nieuw wetsvoorstel voor de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders op basis van een zorgvuldige procedure, advisering en gesprekken met maatschappelijke organisaties.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Vreemdelingen- en Asielbeleid op 13 mei aanstaande?
Ik heb ernaar gestreefd uw vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Toezeggingen over omzetplafonds in de GGZ. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 waarin de toenmalig Staatssecretaris stelde dat er een scenario zou worden verkend waarin het gebruik van omzetplafonds voor het deel van de cliëntenpopulatie die cruciale ggz nodig heeft, door zorgverzekeraars op termijn volledig of gedeeltelijk kan worden beëindigd en dat de Kamer hierover in voorjaar 2026 over zou worden geïnformeerd?1
Er wordt momenteel verkend op welke wijze de afhankelijkheid van omzetplafonds in de ggz kan worden verminderd. Deze verkenning wordt uitgewerkt in een routekaart voor passende ggz, waarbij de afbouw van omzetplafonds in samenhang wordt bezien met het ontwikkelen en verbeteren van alternatieve sturingsinstrumenten.
De routekaart moet daarmee de afhankelijkheid van omzetplafonds verkleinen en de sturing van zorgverzekeraars op de beweging van lichte naar zwaardere ggz versterken. Dit gebeurt onder andere door het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden op het gebied van informatievoorziening, kwaliteit en aanspraken. In aansluiting op de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) moet dit er uiteindelijk toe bijdragen dat het zorgaanbod beter aansluit op de zorgvraag. Voor de zomer zal het kabinet de Kamer informeren over de stand van zaken.
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 met betrekking tot het actief toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wat de effecten van omzetplafonds zijn op zorgaanbieders die er mogelijk toe leiden dat beschikbare behandelcapaciteit in de cruciale ggz onbenut blijft en hier cijfermatige duiding bij te geven?
VWS en de NZa kiezen ervoor het toegezegde onderzoek naar de effecten van omzetplafonds in de ggz breed en grondig vorm te geven, zodat inzicht wordt verkregen in de samenhang tussen bijcontractering, zorgbemiddeling, behandelcapaciteit en wachtlijsten. Ook wordt hierbij gekeken of er sprake is van eventuele signalen over beschikbare maar mogelijk onbenutte capaciteit bij zorgaanbieders, bijvoorbeeld wanneer aanbieders via bijcontractering aangeven meer patiënten te kunnen behandelen. Wanneer een verzoek tot bijcontractering wordt afgewezen, moet immers aannemelijk zijn dat de zorgverzekeraar van oordeel is dat binnen de regio al voldoende passende zorg is ingekocht of beschikbaar is via zorgbemiddeling.
Juist omdat het onderzoek ziet op de feitelijke werking van bijcontractering en zorgbemiddeling in de praktijk, vraagt dit om een zorgvuldige analyse van data en processen bij alle zorgverzekeraars. Deze bredere aanpak vraagt aanvullende inzet en capaciteit, waarover VWS en de NZa momenteel in gesprek zijn. Het onderzoek zal naar verwachting binnenkort van start gaan.
Hebt u een overzicht bij welke aanbieders van GGZ-zorg er op dit moment voor 2026 reeds een opnamestop is of op korte termijn zal zijn voor verzekerden bij een of meer verzekeraars, omdat het omzetplafond reeds is bereikt? Kunt u aangeven welke verzekeraars, aanbieders en regio’s dit betreft?
Nee, het kabinet beschikt niet over een dergelijk landelijk overzicht van ggz-aanbieders met (dreigende) opnamestops in 2026 als gevolg van bereikte omzetplafonds, uitgesplitst naar verzekeraars, aanbieders en regio’s. Contractering en afspraken over omzetplafonds vinden plaats tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders, waarbij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toeziet op de naleving van de zorgplicht. Het kabinet merkt hierbij op dat zorgverzekeraars, indien de door hen gecontracteerde capaciteit onvoldoende blijkt om aan hun zorgplicht te voldoen, verplicht zijn om aanvullende capaciteit te contracteren om alsnog aan deze zorgplicht te voldoen, voor zover dit mogelijk is gegeven de schaarste in de ggz. Daarnaast is de betreffende aanbieder verplicht de patiënt te wijzen op mogelijkheid van zorgbemiddeling in het geval dat een omzetplafond is bereik. De zorgverzekeraar kan de patiënt dan een alternatieve plek binnen de treeknorm aanbieden. Kan de zorgverzekeraar dat alternatief niet bieden, dan moet er worden bijgecontracteerd bij de oorspronkelijke aanbieder. Als het alternatief buiten het gecontracteerde aanbod van de polis valt, is de zorgverzekeraar verplicht volledige vergoeding te geven en geen eigen bijdrage voor de ongecontracteerde zorg in rekening te brengen.
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De overlast van invasiewaterplanten |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overlast invasieve waterplanten. «Boosdoeners» én methoden van bestrijding in beeld» in het mei-nummer 2026 van het VISblad?1
Ja
Deelt u de constatering dat invasieve uitheemse waterplanten, zoals de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), zich steeds verder verspreiden in Nederlandse wateren en daarbij inheemse flora en fauna verdringen?
Ja
Kunt u een actueel overzicht geven van de verspreiding in Nederland van invasieve waterplanten, waaronder watercrassula (Crassula helmsii) en grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), en aangeven hoe deze verspreiding zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
Op verspreidingsatlas.nl2 is de verspreiding van een groot aantal soorten (water)planten binnen Nederland door de tijd te volgen. Zowel watercrassula (Crassula helmsii)3 als grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides)4 nemen sterk toe.
Welke ecologische gevolgen hebben deze invasieve waterplanten voor visstanden, waterkwaliteit en biodiversiteit?
De exacte effecten verschillen per gebied en per soort. Sommige invasieve waterplanten kunnen bijvoorbeeld waterlichamen met een dichte mat van stengels en bladeren overgroeien. Hierdoor worden inheemse planten verdrongen, onderwaterplanten sterven af en aanwezige dieren verdwijnen. De dichte matten en het afsterven van grote massa’s waterplanten kunnen leiden tot zuurstofgebrek in het water. Dit heeft een negatieve invloed op andere waterorganismen en kan leiden tot vissterfte.
In hoeverre belemmeren invasieve waterplanten het recreatief gebruik van wateren, waaronder sportvisserij, waterrecreatie en onderhoud van watergangen?
Bij overvloedige groei van invasieve waterplanten kunnen watergangen en waterinlaten verstopt raken. Planten kunnen hinder veroorzaken voor de pleziervaart en recreatieve mogelijkheden zoals zwemmen, duiken en sportvisserij beperken. Het beheer en onderhoud van watergangen wordt bemoeilijkt door verstopping van waterlopen en ophoping van plantenmassa bij kunstwerken, wat kan leiden tot wateroverlast.
Recreatie kan zelf ook een bron van verdere verspreiding van invasieve exoten vormen, doordat (delen van) planten meeliften met bijvoorbeeld scheepsschroeven en visgerei.
Welke rol spelen waterschappen bij de signalering, beheersing en bestrijding van invasieve waterplanten en op welke wijze vindt landelijke coördinatie plaats?
In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten5, dat door voormalig Staatssecretaris Rummenie in januari van dit jaar naar de Tweede Kamer is gestuurd, staat beschreven hoe de aanpak van invasieve exoten in ons land is georganiseerd.
Vanuit hun verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de waterveiligheid, voldoende waterafvoer en een goede waterkwaliteit, monitoren waterschappen actief de aanwezigheid en ontwikkeling van waterplanten. Hierdoor zijn waterschappen vaak de eerste overheden die nieuwe vestigingen van invasieve waterplanten signaleren.
Wanneer invasieve soorten de doorstroming negatief beïnvloeden, kunnen de waterschappen vanuit hun waterbeheertaak maatregelen treffen om verspreiding te voorkomen en schade te beperken, bijvoorbeeld preventieve maatregelen, snelle verwijdering bij nieuwe introducties of beheersing van gevestigde populaties.
De uitvoering van bestrijdings- en beheersmaatregelen van invasieve uitheemse soorten is in Nederland grotendeels gedecentraliseerd naar provincies. Provincies zijn primair verantwoordelijk voor het natuurbeleid en de aanpak van de meeste invasieve uitheemse soorten van de Europese Unielijst, met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
De landelijke afstemming vindt plaats via verschillende overleg- en samenwerkingsstructuren, waaronder interbestuurlijke overleggen tussen Rijk, provincies en waterschappen en gezamenlijke programma’s.
Welke bestrijdings- en beheersmaatregelen worden momenteel toegepast en wat is bekend over de effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen?
Waterschappen en provincies geven aan dat zij diverse methodes toepassen, zoals machinaal en handmatig verwijderen, peilverlaging en machinaal afgraven. Er wordt ook geëxperimenteerd met nieuwe methodes zoals elektrocutie en bevriezen met droogijs.
De effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen zijn in de praktijk echter vaak beperkt. Veel invasieve waterplanten kunnen zich snel herstellen en verspreiden zich via fragmenten, waardoor herhaald beheer noodzakelijk is. Bestrijding leidt zelden tot volledige uitroeiing en het langdurig treffen van beheersmaatregelen blijft vaak nodig. Om die reden wordt veelal ingezet op het beperken van schade en risico’s in plaats van volledige eliminatie.
Zijn er volgens u voldoende financiële en personele middelen beschikbaar bij waterschappen en andere beheerders om de problematiek van invasieve waterplanten effectief aan te pakken?
In het kader van het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is over specifieke invasieve exoten die de waterschappen aangaan (waaronder invasieve uitheemse waterplanten) tussen LVVN, provincies en de Unie van Waterschappen (UvW) ambtelijk afstemming geweest. Voor waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
De aanpak van invasieve waterplanten vraagt om een structurele inzet van financiële en personele middelen. Hoewel waterschappen en andere beheerders zich actief inzetten, staan deze middelen in de praktijk onder druk. Bestrijding is arbeidsintensief, langdurig en moet vaak worden herhaald, terwijl de effectiviteit van maatregelen beperkt kan zijn. In de praktijk wordt de inzet gericht op prioritering en het beheersen van de grootste risico’s.
Ik heb geen zicht op de financiële en personele middelen bij beheerders. Waterschappen hebben echter aangegeven in 2024 € 6,1 mln. uitgegeven te hebben aan de bestrijding van invasieve waterplanten, uitgevoerd door externe partijen. Ten algemene geldt dat LVVN en provincies vanuit het natuurbeleid (waaronder het exotenbeleid) afspraken maken over prioritering en de aanpak van invasieve exoten, met daarbij de ambities per soort en een financieringsopgave voor de komende vier jaar. Deze afspraken zijn opgenomen in het aanvalsplan invasieve exoten. Met de beschikbare middelen wordt prioriteit gegeven aan preventie en vroegtijdige detectie en eliminatie van invasieve exoten waarvoor eliminatie het doel is. Daarnaast heb ik dit jaar specifiek voor de aanpak van invasieve waterplanten in natuurgebieden door provincies € 6,5 mln. euro gereserveerd op de LVVN-begroting, om in een aantal natuurgebieden een eerste start te maken.
In hoeverre draagt de verkoop van potentieel invasieve waterplanten via tuincentra en webshops bij aan verdere verspreiding in het Nederlandse watersysteem?
Van een aantal invasieve waterplanten is bekend dat ze in het verleden verhandeld werden in de vijver- en aquariumhandel. Hoewel de handel in soorten van de Europese Unielijst van zorgwekkende invasieve exoten (verder: Unielijst) inmiddels is verboden, worden nog steeds waterplanten aangeboden waarvan bekend is dat ze onder bepaalde omstandigheden invasief kunnen worden. De handel heeft dus bijgedragen aan de aanwezigheid van invasieve waterplanten in Nederland. Daadwerkelijke introductie in het milieu gebeurt veelal door bewust of onbewust weggooien van invasieve vijver- of aquariumplanten door consumenten. Verdere verspreiding kan vervolgens op uiteenlopende manieren plaatsvinden, onder andere door werkzaamheden en recreatie. Vanuit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten worden daarom acties voorbereid die gericht zijn op preventie en bewustwording van onder andere consumenten en tuinbranche.
Kunt u toelichten hoe Nederland uitvoering geeft aan de Europese exotenverordening (Verordening (EU) nr. 1143/2014) voor wat betreft invasieve waterplanten?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd, binnen Nederland en in Europees verband. Het bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid.
Rijk, provincies en waterschappen werken samen om invasieve exoten aan te pakken. Ze hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheden. Het Ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor nationaal beleid op het gebied van natuur en biodiversiteit en systeemverantwoordelijk voor het exotenbeleid. Met betrekking tot invasieve exoten vallen onder de verantwoordelijkheid van LVVN taken zoals preventie, onderzoek, monitoring, communicatie, toezicht en handhaving, risicobeoordelingen, rapportage aan Brussel.
Uitvoering van het natuurbeleid is in Nederland in 2012 grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Na de inwerkingtreding van de Exotenverordening is vervolgens in 2018 ook de verantwoordelijkheid voor het treffen van bestrijdings- en beheersmaatregelen tegen de meeste invasieve exoten van de Unielijst gedecentraliseerd naar de provincies. Provincies zijn ook verantwoordelijk voor herstelmaatregelen in natuurgebieden met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
Het Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt over het ambitieniveau per soort van de Unielijst. Voor een aantal soorten van de Unielijst is artikel 17 van de Europese Exotenverordening van toepassing. Dit zijn soorten die nog niet in Nederland voorkomen of in een vroeg stadium van invasie zijn en waarvoor een eliminatiedoelstelling geldt. Soorten die wijdverspreid zijn, zijn meestal niet meer volledig te verwijderen en vallen onder artikel 19 van de Europese Exotenverordening. De Exotenverordening schrijft voor dat lidstaten beheersmaatregelen moeten treffen tegen deze soorten. Lidstaten hebben beleidsruimte om zelf te bepalen hoe zij hier invulling aan geven.
De goede ecologische waterkwaliteit conform de Kaderrichtlijn Water (KRW) valt onder de systeemverantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW. In de Rijkswateren is de uitvoering van deze taak belegd bij Rijkswaterstaat (RWS).
De waterschappen zien toe op het functioneren van het waterbeheer in regionale wateren. Beheer vindt plaats vanuit hun taken op gebied van waterbeheer (aan- en afvoer) en waterkwaliteit (KRW). Voor invasieve waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
Klopt het dat verbodsbepalingen uit de Europese exotenverordening uitsluitend gelden voor soorten die zijn opgenomen op de zogeheten Unielijst en dat invasieve uitheemse soorten die niet op deze lijst staan nog steeds verhandeld mogen worden?
Ja. Wel geldt sinds 2022 in Nederland ook een nationaal handelsverbod voor drie Aziatische duizendknopen. Deze staan sinds augustus 2025 ook op de Unielijst.
Acht u het wenselijk dat ernstig schadelijke invasieve waterplanten die (nog) niet op de Unielijst staan nationaal beperkender worden gereguleerd, bijvoorbeeld via verkoopverboden of aanvullende beheersmaatregelen?
Voor soorten die (nog) niet op de Unielijst staan kan overwogen worden om een nationaal handelsverbod in te stellen. In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten staat dat een mogelijk nationaal handelsverbod op «typisch Nederlandse» invasieve exoten, waaronder de gele bieslelie, wordt verkend. De gele bieslelie staat deels in het water, meestal op de oever, maar ook op de hogere droge delen.
Een handelsverbod kan een effectieve maatregel zijn om nieuwe introducties binnen Nederland tegen te gaan. Hier dient wel een goede onderbouwing aan ten grondslag te liggen. Een nationaal handelsverbod kan ook uitwerking hebben op het ónopzettelijk verspreiden of importeren van deze invasieve exoten. Zoals in het geval dat de invasieve exoot of delen daarvan (zaden, stengel- of worteldelen) onopzettelijk meelift in andere producten of materialen (zoals potplanten, grond of bagger).
Hoe zijn de verantwoordelijkheden op het terrein van invasieve waterplanten verdeeld tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en leidt deze verdeling in de praktijk tot knelpunten in de aanpak?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Welke rol spelen maatschappelijke organisaties, waaronder hengelsportorganisaties en natuurbeheerders, bij het signaleren en bestrijden van invasieve waterplanten?
Deze organisaties kunnen bijdragen aan het signaleren, melden en vrijwillig bestrijden van invasieve waterplanten. Samenwerking tussen waterbeheerders en deze partijen is van groot belang omdat invasieve waterplanten zich makkelijk via het water kunnen verspreiden. Deze organisaties hebben een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van verdere verspreiding via onzorgvuldig gebruik of onderhoud van onder meer scheepshuiden, -schroeven, ballastwater of visgerei.
Wordt het effect van bestrijding en beheer van invasieve waterplanten structureel gemonitord en zo ja, hoe worden deze resultaten gebruikt voor beleidsverbetering?
Er vindt monitoring van verspreiding plaats via een landelijk systeem waarin de kennisorganisaties een belangrijke rol spelen. De resultaten van deze monitoring worden gebruikt om verspreiding en effectiviteit van maatregelen te volgen, beheerstrategieën en prioriteiten bij te stellen en beleid gericht te verbeteren. Monitoring en kennisuitwisseling vormen daarmee een essentieel onderdeel van de doorontwikkeling van het exotenbeleid. Ik ben in overleg met provincies over het ontwikkelen van een online tool waarmee de verspreiding, de bestrijding en het beheer van invasieve exoten en het effect van die aanpak structureel gemonitord gaat worden. Invasieve waterplanten kunnen hier ook een plek in krijgen. Ik ben van plan om voor de ontwikkeling middelen vrij te maken, als een van de maatregelen uit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten. De waterschappen monitoren de invasieve waterplanten in het kader van de Bedrijfsvergelijkingen. Deze cijfers worden gebruikt voor het volgen van trends en ontwikkelingen ten behoeve van het eigen beheer.
Bent u bereid te komen tot een nationale strategie voor invasieve waterplanten, waarin preventie, handel, bestrijding, verantwoordelijkheidsverdeling en samenhang met doelen uit de Kaderrichtlijn Water expliciet worden betrokken?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten dat in januari 2026 door Staatssecretaris Rummenie naar de Tweede Kamer is gestuurd beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd (binnen Nederland en in Europees verband), welke acties genomen gaan worden om de aanpak te versterken en welke financiële consequenties daaraan verbonden zijn. Het aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid. De aanpak van invasieve waterplanten vormt hier een integraal onderdeel van. Onderliggend doel van het exotenbeleid en van het aanvalsplan is de nadelige gevolgen van invasieve exoten voor de biodiversiteit en voor ecosysteemdiensten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. Daarbij draagt het aanvalsplan direct en indirect ook bij aan andere maatschappelijke doelstellingen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Erkent u dat snelgroeiende waterplanten in onder andere het Markermeer en de Randmeren leiden tot onveilige situaties voor watersporters en zwemmers?
Het is mij bekend dat watersporters en zwemmers hinder kunnen ondervinden van waterplanten en dat dit in sommige gevallen kan leiden tot onveilige situaties.
Hoe beoordeelt u het feit dat boten regelmatig vastlopen en zelfs reddingsboten hinder ondervinden van waterplanten?
Dat is vervelend, maar niet altijd te voorkomen. Inheemse waterplanten maken deel uit van en dragen bij aan een gezond ecosysteem.
Kunt u aangeven hoe vaak hulpdiensten, zoals de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM), moeten uitrukken vanwege problemen met waterplanten en hoe deze trend zich ontwikkelt?
Hierover zijn binnen mijn ministerie geen cijfers bekend.
Bent u bereid om met de KNRM in gesprek te gaan over de overlast van waterplanten zodat voorkomen kan worden dat ze onnodig veel moeten uitrukken.
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaarwegen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Ik zie daarin geen rol voor mij weggelegd.
Deelt u de zorg dat watersporters soms risicovolle handelingen verrichten om hun schroef vrij te maken, met mogelijk levensgevaarlijke situaties tot gevolg?
Dat is zorgelijk, maar het is ook de eigen verantwoordelijkheid van de recreant om eventuele waterplanten op een veilige manier te verwijderen.
Waarom worden waterplanten voornamelijk gemaaid in hoofdvaargeulen, terwijl recreatiegebieden en zwemlocaties relatief onbehandeld blijven?
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaargeulen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Beheersing van waterplanten is erg intensief en daardoor kostbaar. Bovendien zijn inheemse waterplanten onderdeel van en dragen ze bij aan een gezond water ecosysteem. Daarom moeten keuzes worden gemaakt waar welke inzet op wordt gepleegd. Waterplanten worden in de praktijk vooral door vaarwegbeheerders gemaaid in hoofdvaargeulen omdat hier doorstroming, waterafvoer en veiligheid leidend zijn. Het vrijhouden van deze geulen is noodzakelijk om het waterbeheer te kunnen uitvoeren en om risico’s voor wateroverlast en scheepvaart te voorkomen.
Welke concrete maatregelen neemt u om de veiligheid buiten de hoofdvaargeulen te verbeteren, waar juist veel recreanten aanwezig zijn?
Dit valt niet onder mijn verantwoordelijkheid als Minister van LVVN, maar is primair een taak van de waterbeheerders.
De bekladding van het Nationaal Monument op de Dam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bekladding van het Nationaal Monument op de Dam met rode verf, vlak voor de Nationale Dodenherdenking?1
Hoe beoordeelt u deze daad, mede gezien de symbolische waarde van het monument en het moment waarop deze plaatsvond?
Hoe is het mogelijk dat een nationaal monument op een dergelijk gevoelig moment niet afdoende beveiligd is gebleken en deelt u de mening dat dit in het vervolg anders aangepakt moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
In hoeverre was er vooraf rekening gehouden met het risico op dergelijke acties, mede gezien eerdere incidenten en maatschappelijke spanningen?
Klopt het dat het Nationaal Monument de afgelopen jaren vaker doelwit is geweest van vandalisme en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Deelt u de mening dat herhaalde incidenten wijzen op tekortschietende beveiliging en handhaving rond dit nationale symbool? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen en acht u de huidige aanpak en strafmaat afschrikwekkend genoeg? Zo ja, hoe rijmt u dat met het feit dat het herhaalde incidenten zijn? Zo nee, bent u bereid deze flink aan te scherpen?
Het bericht dat mensen in Dordrecht-West vaker longkanker krijgen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» van de GGD Zuid-Holland Zuid?1
Het kabinet vindt het zorgelijk dat uit het rapport van de GGD Zuid-Holland Zuid «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» blijkt dat in meerdere buurten van Dordrecht-West meer longkanker voorkomt dan het landelijke gemiddelde. Het kabinet begrijpt daarom de zorgen van de bewoners over hun gezondheid. Gezondheidsschade door schadelijke emissies in de leefomgeving moet zo veel mogelijk worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het alarmerend is dat bij bewoners van Dordrecht-West longkanker zo vaak voorkomt?
Het rapport bevat een belangrijk signaal. Het is ernstig dat longkanker bij bewoners van Dordrecht-West vaker voorkomt dan het landelijk gemiddelde. Het is goed dat de GGD hier aandacht voor vraagt. Het kabinet neemt dit signaal serieus. Het onderzoek wijst op blootstelling aan schadelijke stoffen in het verleden, waaronder op het werk, en op schadelijke emissies in het heden en op leefstijlfactoren, waaronder roken. Gelukkig is de situatie op het werk en in de leefomgeving sterk verbeterd ten opzichte van het verleden en is er breed ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken. Het kabinet werkt aan een gezonde leefomgeving en stuurt zoveel mogelijk op een verbetering van de leefstijl, onder meer door het ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken.
Op hoeveel andere plekken in Nederland lopen bewoners gezondheidsrisico door luchtvervuiling door onder meer industrie?
Het is niet precies te zeggen op hoeveel plaatsen in Nederland de situatie vergelijkbaar is met die in Dordrecht-West. Het RIVM meet in samenwerking met GGD’en en Omgevingsdiensten op een aantal plekken verspreid door Nederland de luchtkwaliteit. Informatie uit de metingen en uit berekeningen zijn openbaar te vinden op de websites van het luchtmeetnet2 en de Atlas Leefomgeving3. Het is bekend dat luchtvervuiling de belangrijkste van alle milieufactoren is die de gezondheid negatief beïnvloedt. Naast milieufactoren dragen ook persoonsgebonden factoren en gedrag bij. Volgens berekeningen van het RIVM veroorzaakt luchtverontreiniging ongeveer 3,4% van de ziektelast in Nederland4.
Overal is de situatie anders en is die in het verleden ook anders geweest. De invloed van luchtverontreiniging is groter op plaatsen met veel verkeer en industrie in Nederland en waar emissies uit verschillende bronnen, onder meer uit de industrie, samenkomen. Voorbeelden zijn de IJmond en de regio Rotterdam.
De luchtkwaliteit in Nederland voldoet aan de op dit moment geldende EU-normen, en is daarmee op veel plekken op een goed niveau. Deze normen liggen momenteel nog boven het gezondheidskundig meest wenselijke niveau, zoals deze zijn vastgelegd in de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)5. Vanaf 2030 gelden dan ook nieuwe, aangescherpte grenswaarden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht, als gevolg van de in 2024 herziene richtlijn Luchtkwaliteit. Deze normen liggen een stuk dichter bij de advieswaarden van de WHO. Het is de inzet van het kabinet om in 2030 overal in Nederland aan deze nieuwe grenswaarden te voldoen. Daardoor zullen de gezondheidsrisico’s van luchtvervuiling verder afnemen.
Binnen Nederland werken sinds 2020 152 overheden (139 gemeenten, alle provincies en het Rijk) samen aan het Schone Lucht Akkoord (SLA). Doel is om 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 te bewerkstelligen, met name door het verlagen van emissies van luchtvervuilende stoffen, ook als al aan de huidige grenswaarden wordt voldaan. Elke twee jaar wordt door het RIVM gemonitord of de doelen van het Schone Lucht Akkoord binnen bereik liggen. Uit de laatste «voortgangsmeting», uit 20246, blijkt dat Nederland op koers ligt om de meeste doelen van het SLA te bereiken (met uitzondering van enkele sectorspecifieke doelen). Belangrijke voorwaarde bij deze resultaten is dat hierbij wel ervan uit wordt gegaan dat het beleid dat zowel in het SLA als in de klimaat- en stikstofaanpak is geformuleerd, doorgang vindt7. In 2026 komt er weer een nieuwe voortgangsmeting uit.
Hoe gaat u de aanbevelingen van de GGD Zuid-Holland Zuid opvolgen, graag specificeren per aanbeveling?
De GGD Zuid-Holland Zuid doet aanbevelingen, gericht op a) het verder verlagen van de emissies van vervuilende stoffen rond Dordrecht-West, b) aanvullende maatregelen in de woningen, zoals filters in ventilatiesystemen, c) maatregelen gericht op een prettige, gezonde en verkoelende leefomgeving, en d) maatregelen om roken te ontmoedigen. De gezamenlijke overheden geven hier op de volgende wijze invulling aan:
Deze aanpak richt zich op het meer houvast bieden voor het Rijk, provincies en gemeenten voor het treffen van maatregelen voor een gezonde luchtkwaliteit in zwaarder belaste gebieden, zoals omwonenden bij industrie.
Een door de GGD geopperde verlaging van de maximumsnelheid naar 80 kilometer per uur op de A16 en de N3, zal waarschijnlijk slechts een zeer beperkte invloed hebben op de luchtkwaliteit in Dordrecht-West. Emissies van personenauto's en vrachtverkeer op wegen met een maximumsnelheid van 100 km/u, zoals de A16 en de N3, verschillen niet of nauwelijks van emissies op wegen met een maximumsnelheid van 80 km/u8. Emissies van het wegverkeer zijn de afgelopen jaren flink gedaald, en met name emissies van NOx zullen in de komende jaren nog verder dalen. De concentraties van NO2 en fijnstof rond de A16 en N3 voldoen aan de huidige grenswaarden.
In 2030 zullen er op grond van de in 2024 herziene EU-richtlijn Luchtkwaliteit strengere grenswaarden gelden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht. Overheden nemen continu maatregelen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Om overal in Nederland aan deze nieuwe normen te kunnen voldoen, is richting 2030 nog extra inzet nodig. Dit zal ook ten goede komen aan de gezonde leefomgeving. Op dit moment wordt bekeken welke maatregelen dat kunnen zijn.
In het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden9, wordt via de verkenning positieve financiële prikkels in algemene zin onderzocht of het mogelijk is om bovenwettelijke maatregelen te nemen voor het terugdringen van negatieve gezondheidseffecten door de industrie financieel te ondersteunen. Het feit dat de GGD Zuid-Holland Zuid deze maatregelen als effectief aanwijst, zal in dit onderzoek worden meegenomen.
Welke stappen worden er gezet om ervoor te zorgen dat de kans op longkanker in Dordrecht niet langer boven het landelijke gemiddelde blijft?
De maatregelen die genomen worden in het kader van het Schone Lucht Akkoord en het halen van de aangescherpte grenswaarden uit de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit zullen de ziektelast van luchtverontreiniging in de nabije toekomst laten dalen. Dankzij die aanpak zullen mensen in Nederland, ook in Dordrecht-West, uiteindelijk langer en langer gezond leven.
Het is verder belangrijk te constateren dat mensen in lagere leefomgevingskwaliteit meer kans hebben op gezondheidsschade. Het is alle overheden er veel aan gelegen de gemiddelde leefomgevingskwaliteit in Nederland te verbeteren. De Omgevingswet is met deze insteek vormgegeven en dwingt alle overheden om expliciet rekening te houden met de gezondheid van hun inwoners. Ook in Dordrecht-West zal een verbetering van de leefomgevingskwaliteit gezondheidswinst opleveren.
Daarnaast zet het kabinet zich actief in om roken en vapen onder jongeren terug te dringen via voorlichting, normcampagnes, rook -en reclameverboden en beperking van verkooppunten. In algemene zin daalt het aantal rokers in Nederland al jaarlijks, helaas is het effect daarvan op het aantal mensen met longkanker pas na vele jaren merkbaar.
Het onderzoek van de GGD Zuid-Holland Zuid in Dordrecht-West, uitgevoerd in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) past in deze inzet. De thema’s waaraan het programma NPLV werkt in Dordrecht-West zijn het verkleinen van gezondheidsachterstanden en het investeren in goede woningen en een verbetering van de fysieke leefomgeving. Zowel landelijk als lokaal wordt aan deze uitdagingen gewerkt.
Als laatst heeft de gemeente Dordrecht de verantwoordelijkheid om onder de Wet Publieke Gezondheid elke vier jaar een nota gezondheidsbeleid op te stellen waarin de gezondheid van de inwoners wordt bevorderd.
Welke stappen gaat u zetten om in het algemeen de kans op kanker in dit soort wijken, met veel luchtverontreiniging, te verlagen?
Zie het antwoord op vraag 4a en 5.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe (SP), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
Het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend zouden zijn?
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding, aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe) informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen deze middelen zijn verstrekt?
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke omvang en periode?
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes, demonstraties of academische programma’s?
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort is geschoten?
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren en waar nodig te stoppen?
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte en het resultaat is geweest?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties zoals Hamas?
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk de regie op voert?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het bericht 'Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal' |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal»1 en wat betekent dit voor het aanbod aan middenhuurwoningen in Nederland?
Ik ben bekend met het artikel. Wanneer aandeelhouders kapitaal terugtrekken en de uitstroom niet gecompenseerd wordt door instroom van nieuwe investeerders, moet een fonds zijn beschikbare middelen anders aanwenden. Dit heeft impact op de investeringsruimte van een fonds en kan leiden tot liquiditeitsdruk. Afhankelijk van de omvang van de verzoeken en de wijze van afwikkeling kan dit leiden tot uitponding van bestaande (midden)huurwoningen en/of tot de bouw van minder nieuwbouw huurwoningen. Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat het tekort aan (betaalbare) huurwoningen oploopt. De omvang van dit effect is niet generiek vast te stellen en hangt af van marktomstandigheden en fondskeuzes.
In welke mate veroorzaakt deze uitstroom liquiditeitsdruk bij Bouwinvest, en hoe verhoudt dit zich tot de situatie bij Vesteda, waar eerder eveneens kapitaaluitstroom heeft plaatsgevonden?
De redemptieverzoeken bij Vesteda zijn zowel relatief als absoluut aanzienlijk groter dan bij Bouwinvest. Bij Bouwinvest bedraagt de aangevraagde uitstroom per Q1 2026 circa 8% van het eigen vermogen van het fonds, terwijl bij Vesteda voor meer dan 50% van het eigen vermogen aan redemptieverzoeken is ingediend. Desondanks veroorzaakt deze redemptie bij Bouwinvest ook liquiditeitsdruk. Dit heeft een negatieve impact op de investeringsruimte van Bouwinvest.
Hoe groot acht u de kans dat Bouwinvest, net als Vesteda, woningen zal moeten verkopen om aan uitstapverzoeken te kunnen voldoen? Zo ja, in welke omvang?
De redemptieverzoeken kunnen worden ingevuld via verkoop van woningen, herfinanciering middels schuld of instroom van nieuw aandeelhouderskapitaal. Bouwinvest geeft aan dat het in de huidige markt lastig is om voldoende nieuwe investeerders aan te trekken. Daarom wordt in de praktijk regelmatig gewerkt met rotatie van kapitaal, waarbij verkoop van bestaande woningen wordt ingezet om nieuwe investeringen te financieren. Uiteindelijk gaat dit ten koste van de voorraad aan middenhuurwoningen. De uiteindelijke omvang waarin aanvullende woningverkoop noodzakelijk is, verschilt per situatie en is afhankelijk van de wijze waarop uittredingsverzoeken worden afgewikkeld.
Kunt u aangeven wat de mogelijke gevolgen zijn voor de beschikbaarheid van middenhuurwoningen en voor de ontwikkeling van de huurprijzen?
Indien de redemptieverzoeken leiden tot minder nieuwbouw huurwoningen heeft dat negatieve gevolgen van de beschikbaarheid middenhuurwoningen, omdat Bouwinvest voornamelijk in middenhuur investeert. Aangezien de middenhuur gereguleerd is, heeft dit in principe geen invloed op de ontwikkeling van de huurprijzen in dit segment. Wel kan een tekort aan middenhuurwoningen leiden tot meer vraag naar vrije sector huurwoningen. Aangezien in de vrije sector de huren niet gereguleerd zijn kan een groeiende vraag hier wel leiden tot hogere prijzen.
Deelt u de zorg dat gelijktijdige uitstroom bij meerdere woningfondsen kan leiden tot bredere effecten op de woningmarkt, zoals prijsdruk of een toename van uitponden?
Zoals toegelicht bij vraag 4 heeft de uitstroom geen effect op prijzen in het middensegment, maar kan het wel effect hebben op de prijsdruk in het vrije sector segment. Daarnaast kan uitstroom van kapitaal leiden tot uitponding van huurwoningen en afstel van nieuwbouw. Dit baart het kabinet zorgen omdat een gezonde voorraad aan (midden)huurwoningen bijdraagt aan een goed functionerende woningmarkt.
In welke mate dragen nationale beleidsmaatregelen, zoals huurregulering en fiscale wijzigingen, volgens u bij aan het terugtrekken van investeerders uit Nederlandse woningfondsen?
Het is van belang onderscheid te maken tussen Nederlandse en buitenlandse investeerders. Hoewel Nederlandse institutionele beleggers aangeven moeite te hebben met het vinden van voldoende projecten die aan de minimale rendementseisen voldoen, is de belangrijkste reden voor hen om uit te stappen dat zij tegen de grenzen aanlopen van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico- en spreidingsoverwegingen is dat gelimiteerd.
Uit cijfers van Capital Value blijkt dat het aandeel buitenlandse investeerders in nieuwbouw sinds een aantal jaren is afgenomen.2 Tegen deze achtergrond heeft het kabinet SEO Economisch Onderzoek onderzoek laten doen naar het investeringsklimaat voor middenhuur. SEO concludeert dat het investeringsklimaat sinds 2022 voornamelijk is verslechterd door een stijging van de rente, de regulering van de middenhuur en minder voorspelbaar overheidsbeleid door de hoge frequentie van beleidswijzigingen.
Kunt u per relevante maatregel toelichten wat het effect is op de investeringsbereidheid van institutionele beleggers?
De aantrekkelijkheid van het investeringsklimaat is een complex samenspel van factoren, zoals huur- en fiscaal beleid en macro-economische omstandigheden. Het kabinet beschikt dan ook niet over een doorrekening van de impact van deze individuele maatregelen op de investeringen in woningbouw voor institutionele beleggers.
In hoeverre verlagen Nederlandse pensioenfondsen momenteel hun allocatie naar vastgoed, en specifiek naar woningbeleggingen? Indien dit het geval is, wat zijn daarvoor de belangrijkste oorzaken?
Nederlandse pensioenfondsen verlagen hun allocatie naar vastgoed en woningbeleggingen niet in algemene zin. Veel fondsen bevinden zich rond hun strategische doelallocatie voor wonen, waardoor de ruimte voor verdere groei beperkt is. Wel geeft een deel van de Nederlandse institutionele investeerders aan moeite te hebben met het vinden van projecten die aan de rendementseisen voldoen.
Wat zijn de gevolgen van deze ontwikkeling voor fondsen als Bouwinvest, die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal?
Fondsen die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal kunnen hierdoor terughoudender worden in nieuwe investeringen. Wanneer pensioenfondsen hun allocatie aanpassen of belangen afbouwen, kan dit de investeringscapaciteit van vastgoedfondsen beïnvloeden. Het probleem ligt mijns inziens echter vooral bij de afwezigheid van buitenlandse investeerders, aangezien binnenlandse pensioenfondsen veelal al investeren in de Nederlandse huurwoningen rond hun strategische doelallocatie voor wonen. Dit is echter niet genoeg om de nieuwbouwdoelstellingen te halen. Hier is zowel binnenlands- als buitenlandskapitaal voor nodig.
Welke impact heeft dit op de financiering en realisatie van nieuwbouwprojecten, in het bijzonder binnen het middenhuursegment?
Indien minder kapitaal beschikbaar is voor nieuwbouw van middenhuurwoningen, heeft dit effect op de realisatie van projecten. Institutionele beleggers vervullen een belangrijke rol in de financiering en ontwikkeling van dit segment. Wanneer investeerders terughoudender worden of minder kapitaal beschikbaar hebben, kan dit de haalbaarheid van projecten beïnvloeden. Dit kan leiden tot uitstel, aanpassing of in sommige gevallen het niet doorgaan van projecten. De mate van impact verschilt per project en is afhankelijk van marktomstandigheden en financieringsstructuren.
Kunt u toelichten of en in welke mate projecten worden uitgesteld of afgeblazen als gevolg van teruglopende investeringen?
Het teruglopen van investeringen in private huurwoningen kan zorgen voor uitstel of uitval van woningbouwprojecten. Met name de projecten waar een groot aandeel private huurwoningen is voorzien kunnen zonder private investeerder (nog) geen doorgang vinden. Ik beschik echter niet over cijfers die aantonen of dit effect zich ook al in toenemende mate voordoet.
Deelt u de analyse dat Nederland minder aantrekkelijk wordt voor institutionele woningbeleggers ten opzichte van andere Europese landen?
In 2022 kwam 32% van alle investeringen in nieuwbouw door private investeerders – dus exclusief de investeringen van woningbouwcorporaties – nog uit het buitenland. Dit is in 2025 gedaald naar 1%.3
Acht u het risico aanwezig dat kapitaal structureel verschuift naar andere markten, en welke gevolgen heeft dit voor de woningbouwopgave in Nederland?
De verwachting is dat als het Nederlandse investeringsklimaat verbetert, buitenlandse investeerders weer zullen terugkeren. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders belangrijk zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
In welke mate acht u de huidige structuur van open-end vastgoedfondsen met uitstapmogelijkheden kwetsbaar onder veranderende marktomstandigheden?
Voldoende investeringen in de bouw van (midden) huurwoningen door private partijen zijn essentieel om de investeringsopgave te halen. Tegelijkertijd heb ik geen voorkeur voor de wijze waarop deze investeringen worden gedaan. Het is aan individuele investeerders om te bepalen hoe zij willen investeren en aan fondsen om hun eigen voorwaarden te bepalen.
Acht u aanvullende maatregelen of aanpassingen in de regelgeving noodzakelijk om deze kwetsbaarheden te mitigeren?
Zie het antwoord op vraag 14.
In uw Kamerbrief van 20 april jl. (Kamerstuk 27 926, nr. 409) neemt u enkele maatregelen om voornamelijk het uitponden van middenhuur woningen tegen te gaan; welke andere maatregelen heeft u overwegen, waarom zijn deze afgevallen?
In het Regeerakkoord is afgesproken dat de Wet betaalbare huur vóór de evaluatie wordt geoptimaliseerd om het aantal huurwoningen op peil te houden. Bij de keuze voor de optimalisatie is gekeken naar waar verhuurders vooral knelpunten ervaren, en hoe deze kunnen worden opgelost waarbij de betaalbaarheid in acht is genomen. Dit betekent dat de maatregelen snel kunnen worden ingevoerd en gericht verlichting bieden. De al door mijn voorganger in gang gezette maatregelen sluiten hier passend op aan. Daarnaast heb ik ervoor gekozen om de nieuwbouwopslag te verlengen om ontwikkelaars zo snel mogelijk meerjarige duidelijkheid te geven. In 2027 wordt aan de hand van de evaluatie van de Wet betaalbare huur gekeken in hoeverre verdere aanpassingen noodzakelijk en wenselijk worden geacht.
Uit de enquête van Vastgoed Belang blijkt dat investeerders de aangekondigde maatregelen onvoldoende achten om het uitponden tegen te gaan; herkent de Minister deze signalen, waarom acht de Minister aanvullende maatregelen nu niet nodig?
Het optimaliseren van de Wet betaalbare huur is slechts een deel van de oplossing hiervoor en zal dus niet direct al het uitponden tegengaan. Daarom kijk ik tegelijkertijd breder hoe het investeringsklimaat kan worden verbeterd, onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het investeringsklimaat voor woningbouw op peil te houden, mede gezien de signalen van partijen als Bouwinvest?
Het kabinet werkt hard aan het verbeteren van het investeringsklimaat. De inzet is dat er in de toekomst meer investeerders in de Nederlandse woningmarkt willen investeren. Dit is essentieel om voldoende betaalbare huurwoningen te realiseren. Om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het coalitieakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. Ook heb ik uw Kamer recent geïnformeerd over de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen.
Tegelijk wordt gekeken naar andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren. Die handschoen pak ik op in het kader van de Taskforce Versnelling Woningbouw en zal onderdeel zijn van het Actieplan. In het Actieplan van deze Taskforce zal het kabinet met een integraal plan komen ter verbetering van het investeringsklimaat voor het creëren van nieuwe, betaalbare huurwoningen
Bent u bereid in overleg te treden met institutionele beleggers en pensioenfondsen om te verkennen hoe investeringen in de Nederlandse woningbouw kunnen worden behouden dan wel vergroot?
Het Ministerie van BZK/VRO is regelmatig in gesprek met investeerders over het investeringsklimaat en ook specifiek met verschillende investeerders en pensioenfondsen over het aantrekken van (buitenlandse) investeringen, bijvoorbeeld in het structureel overleg investeringsklimaat (SOI).
Welke maatregelen neemt de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw om te waarborgen dat investeren in middenhuurwoningen aantrekkelijk blijft voor institutionele beleggers, zodat woningzoekenden niet de negatieve gevolgen ondervinden van fiscale beleidsmaatregelen?
Één van de opdrachten van de Taskforce is het verbeteren van het investeringsklimaat via stabiele fiscale kaders en stimulerende regelgeving.
Het kabinet is direct aan de slag gegaan met de Taskforce en de eerste resultaten zijn geboekt. Het kabinet zet een stap in de optimalisatie van de Wet betaalbare huur en de tijdelijke contracten voor alle studenten, zoals bedoeld in het coalitieakkoord. Concreet betekent dit: 1) het invoeren van een WOZ-opslag, 2) het afschaffen van minpunten bij het geheel ontbreken van buitenruimte, 3) een betere locatiewaardering kleine rijksmonumenten en 4) het mogelijk maken van een tijdelijk contract voor alle studenten. Naast deze maatregelen zal ik de tijdelijke nieuwbouwopslag voor middenhuurwoningen voor vier jaar verlengen, waardoor investeerders voor een langere periode extra ruimte krijgen voor de bouw van nieuwe middenhuurwoningen. En om het investeringsklimaat voor private verhuurders te verbeteren is in het Regeerakkoord reeds afgesproken dat de overdrachtsbelasting voor verhuurders wordt verlaagd naar 7%. In het integrale programma dat in september gepresenteerd wordt, zal er nader worden ingegaan op hoe het kabinet aan deze opdracht invulling geeft.
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
De artikelen 'Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af' en 'Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië' |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Jury Biënnale van Venetië treedt vlak voor kunstevenement af»1 en «Rel rond Russische aanwezigheid bij Biënnale Venetië»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de opstelling van de directeur van de Biënnale die stelt dat de Biënnale boven geopolitieke conflicten staat en dat kunst de dialoog op gang brengt?
Het kabinet gaat niet in op uitspraken van de directeur van een autonome culturele instelling. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de aanwezigheid van Rusland ten zeerste veroordeeld, net als vele andere Europese Ministers. Tegelijkertijd is het evenement benut om steun te betuigen aan Oekraïne.
Is over de aanwezigheid van het Koninklijk paar bij de opening een bewust besluit genomen waar u als Minister van Buitenlandse Zaken bij betrokken was? Zo ja, is kunt u toelichten wat uw afweging was om hiermee in te stemmen?
Er is afstemming geweest binnen het kabinet over de aanwezigheid van het Koninklijk Paar en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij de opening van het Nederlandse paviljoen voorafgaand aan de opening, gezien het zestigste jubileum van de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale. Er was geen Nederlandse delegatie aanwezig bij de algemene opening van de Biënnale.
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne. Zo hebben het Koninklijk Paar en de Minister een ontmoeting gehad met de Oekraïense Minister van cultuur.
Tegelijkertijd is de Biënnale één van de belangrijkste evenementen op de internationale culturele agenda. De Biënnale is in essentie het platform van kunstenaars, waarbij artistieke vrijheid belangrijk is. Die vrijheid moeten we beschermen. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is er ook geweest om dat te benadrukken.
Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen en tegelijkertijd te blijven benadrukken dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren.
Deelt u de zorg dat de aanwezigheid van het staatshoofd bij de opening van een evenement waar tegelijkertijd officiële, door het Kremlin gefinancierde kunst te zien is, onbedoeld een signaal van legitimering of normalisering van de Russische aanwezigheid kan afgeven?
Zoals eerder benoemd is deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen voor Nederland onaanvaardbaar. Daarom heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, samen met 21 andere Europese cultuurministers en in afstemming met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, een protestbrief gestuurd aan de organisatoren van de Biënnale en een verklaring ondertekend vanuit Oekraïne tegen de deelname van Rusland. Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is onder meer aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne.
Er zijn daarnaast verschillende maatregelen genomen om interactie met Rusland te voorkomen in overeenstemming met bestaand beleid. Uiteraard waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending vanzelfsprekend niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl. Ook heeft Nederland niet deel genomen aan de algemene opening van de Biënnale op 9 mei jl. Daarnaast heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in haar openingsspeech van het Nederlands paviljoen ook nog expliciet aangegeven dat de Russische deelname aan de Biënnale voor Nederland onacceptabel is.
Hoe rijmt u de aanwezigheid van het staatshoofd met het Nederlandse beleid om Rusland internationaal zoveel mogelijk te isoleren zolang de agressieoorlog in Oekraïne voortduurt?
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Er is voor gekozen Nederlandse kunst te steunen, Oekraïne te ondersteunen en tegelijkertijd aan te geven dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren. Ook werd elk contact vermeden met de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending. Tevens waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl.
Als de Biënnale boven geopolitieke conflicten gaat, hoe rijmt u dat dan met de opstelling van de jury om geen prijzen toe te kennen aan landen die door het Internationaal Strafhof worden beschuldigd van misdaden tegen de menselijkheid?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe beoordeelt u de deelname van Rusland aan de Biënnale, een land dat een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, sinds 2022 om die reden is uitgesloten van deelname en nu deelneemt met een volledig door de Russische regering gefinancierde delegatie kunstenaars?
Zoals eerder benoemd is deelname vanuit Rusland aan internationale culturele evenementen onaanvaardbaar. Hierover heeft Nederland zich uitgesproken, zie hiervoor vraag 4.
Wat zegt u dit over hoe Italië kijkt naar de Russische oorlog in Oekraïne, aangezien ook bij de paralympics in Milaan opeens Russische sporters weer onder Russische vlag mochten deelnemen? Is dit onderwerp van gesprek met uw Italiaanse counterpart?
Italië is gastland van de Biënnale en afgelopen jaar van de Paralympics. Beide events worden georganiseerd door onafhankelijke organisaties, namelijk het bestuur van de Biënnale en het Internationaal Paralympisch Comité (IPC). De internationale sport en cultuursector opereren autonoom. Besluiten van internationale sportfederaties of cultuurinstellingen over deelname aan internationale evenementen zijn in beginsel aan hen, en die autonomie hebben wij te respecteren.
Italië heeft ook haar onvrede uitgesproken over deelname van Rusland aan de Biënnale en de paralympics en heeft het bestuur van de Biënnale en het IPC opgeroepen het besluit te herzien, in overeenstemming met andere landen en de Europese Commissie. Verder heeft zij ook aangegeven als gastland in gesprek te zijn met beide organisaties en na te gaan in hoeverre zij druk kunnen uitoefenen om tot herziening van besluit te komen. Over beide evenementen heeft Nederland in nauw contact gestaan met Europese partners inclusief Italië.
Deelt u de analyse dat in het huidige autocratische Rusland kunst en cultuur nooit losstaan van de staat, maar juist door het Kremlin worden ingezet als instrument voor (binnenlandse) propaganda en het normaliseren van een paria-status?
Het kabinet deelt de analyse dat het Kremlin kunst en cultuur actief inzet als instrument van de staat. Onder president Poetin is de ruimte voor onafhankelijke kunst en cultuur sterk ingeperkt en worden grote, door de staat gesteunde instellingen en projecten nadrukkelijk gebruikt voor binnenlandse propaganda, imperiale beeldvorming en het legitimeren van het huidige beleid.
Tegelijk is het belangrijk te onderstrepen dat niet alle Russische kunstenaars en culturele instellingen met het regime vereenzelvigd kunnen worden. Er zijn nog altijd onafhankelijke en kritische stemmen, zowel binnen Rusland als in de ballingschap. Onder grote druk en risico’s blijven zij hun werk voortzetten.
Deelt u de mening dat het toestaan van een officiële Russische delegatie ontmoedigend is voor de Oekraïense bevolking die vecht voor hun en onze vrijheid, omdat Rusland hiermee als een gelijkwaardige partner wordt behandeld?
Oekraïne heeft delegaties van andere landen actief verzocht om aanwezig te zijn bij de Biënnale, om een tegengeluid te geven aan de Russische deelname. Nederland heeft mede daarom ervoor gekozen om aanwezig te zijn en Oekraïne in hun oproep te steunen.
Bent u bereid om in EU-verband te pleiten voor het opschorten van Europese subsidies aan de Biënnale zolang een officiële Russische delegatie wordt toegelaten, in lijn met de eerdere waarschuwing van de Europese Commissie?
De Commissie heeft in de Raad Buitenlandse Zaken van april aangegeven dat het besloten heeft om de EU-financiering aan de Biënnale stop te zetten. Zoals eerder benoemd betreurt Nederland de deelname van Rusland aan de Biënnale. Nederland heeft het bestuur van de Biënnale in EU-verband opgeroepen het besluit om Rusland toe te laten te herzien.
Het bericht ‘Zelenskyy threatens Israelis with sanctions over stolen grain’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Israëlische autoriteiten om tot tweemaal toe door de Europese Unie (EU) gesanctioneerde schepen uit de Russische schaduwvloot aan te laten meren en hen toe te staan graan uit door Rusland bezette delen van Oekraïne te exporteren?1
Heeft u signalen dat Israël de afgelopen jaren vaker graan uit door Rusland bezette gebieden heeft geïmporteerd?
Hoe beoordeelt u deze stappen van de Israëlische regering en welk effect hebben die op de handhaving van sancties jegens Rusland?
Hoe beoordeelt u het financieren van de Russische oorlogskas in relatie tot het associatieakkoord tussen de EU en Israël, in het bijzonder artikel 2?
Bent u het ermee eens dat het aankopen van graan uit illegaal door Rusland bezet gebied in Oekraïne bijdraagt aan de financiering van de Russische agressieoorlog op het Europese continent, en daarmee indruist tegen zowel Europese veiligheidsbelangen als het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen overweegt u richting de Israëlische regering om de import van dergelijk illegaal verkregen graan te stoppen?
Bent u bereid om, in navolging van Oekraïne, te streven naar aanvullende sancties tegen de bedrijven, entiteiten en functionarissen die op deze wijze bijdragen aan export uit bezet gebied? Zo ja, maakt u dit een inzet bij het 21ste sanctiepakket? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk, een voor een, beantwoorden?
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.