Het bericht 'Coöperatie Laatste Wil komt met nieuwe levenseindemethode' |
|
Harmen Krul (CDA), Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Coöperatie Laatste Wil komt met nieuwe levenseindemethode»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Wat is uw reactie op het feit dat Coöperatie Laatste Wil (CLW) weer met een nieuwe methode voor zelfdoding komt?
Het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes en het propageren daarvan, onder meer via de media, vind ik onwenselijk. Verder vind ik het zorgelijk dat Coöperatie Laatste Wil (hierna: CLW) de grenzen van de wet blijft opzoeken en op deze manier mensen in een kwetsbare positie in gevaar brengt. Waar het gaat om hulp bij zelfdoding of euthanasie kent Nederland een wettelijk kader waarmee uitsluitend artsen bevoegd zijn om dit, met inachtneming van de wettelijke zorgvuldigheidseisen, uit te voeren. Verder is de inzet van het kabinet juist om het aantal suïcides terug te dringen, onder andere door de toegang tot dodelijke middelen te beperken, het taboe op het gesprek over zelfdoding te doorbreken en mensen met suïcidaliteit laagdrempelig te ondersteunen via de hulplijn van Stichting 113 Zelfmoordpreventie.
Deelt u de grote zorg van deze leden wat dit bericht kan veroorzaken bij mensen in kwetsbare omstandigheden?
Ja, ik deel deze zorg. Voorkomen moet worden dat mensen – al dan niet in een kwetsbare positie – een laagdrempelig aanbod krijgen om over te gaan tot zelfdoding. Daarom wordt in het kader van suïcidepreventie blijvend ingezet op het beperken dan wel opwerpen van belemmeringen van toegang tot dodelijke middelen. Op die manier wordt gewerkt aan een effectieve manier om impulsieve, eenzame en radeloze zelfdodingen te voorkomen.
Hoe rijmt u de ruimte die CLW krijgt om nieuwe zelfdodingsmethodes te verspreiden met uw inzet om het aantal suïcides omlaag te brengen?
Het kabinet blijft onverminderd inzetten op het verminderen van het aantal suïcides, onder meer via de landelijke agenda suïcidepreventie. Ook faciliteert de overheid de hulplijn van Stichting 113 Zelfmoordpreventie waar mensen met suïcidale gedachten gratis, anoniem en 24 uur per dag in gesprek kunnen. Suïcidale gedachten zijn namelijk vaak heel lang wél omkeerbaar. Dan kan laagdrempelige hulp het verschil maken.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2, vind ik het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes onwenselijk. Suïcidepreventie is een maatschappelijk vraagstuk en daar hoort het veilig praten over zelfdoding in nieuwsberichten en andere (informatieve) media-uitingen ook bij. Mede dankzij de inzet van Stichting 113 Zelfmoordpreventie is er binnen redacties steeds meer aandacht voor de wijze waarop over suïcides wordt bericht.
Wat vindt u ervan dat CLW keer op keer nieuwe methodes aankondigt bij haar leden en op die manier verwachtingen wekt, terwijl de praktische en juridische mogelijkheden nog in het geheel niet zijn doordacht?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 2 vind ik het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes en het propageren daarvan, onder meer via de media, onwenselijk. Ik vind het zorgelijk dat CLW met haar activiteiten de grenzen van de wet blijft opzoeken en op deze manier mensen in een kwetsbare positie in gevaar brengt. Daarnaast kan CLW inderdaad mogelijk verkeerde verwachtingen wekken over de strafbaarheid van het verstrekken van informatie over en het ontwikkelen van zelfdodingsmethodes en het propageren daarvan. Het is namelijk niet aan CLW, maar aan het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) en vervolgens aan de rechter om te beoordelen of bepaalde handelingen wel of niet strafbaar zijn en of iemand daarvoor vervolgd kan worden.
Welk instrumentarium heeft u om mensen in kwetsbare omstandigheden hiertegen te beschermen en acht u dat afdoende? Kunt u dit toelichten?
Op grond van artikel 294 lid 1 en 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is het strafbaar om opzettelijk een ander tot zelfdoding aan te zetten respectievelijk om opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam te zijn of hem daartoe de middelen te verschaffen, als de zelfdoding daarop volgt.
Daarnaast blijft het kabinet onverminderd inzetten op het verminderen van het aantal suïcides door het onderwerp te agenderen en bespreekbaar te maken en door het financieren van de vierde landelijke agenda suïcidepreventie. Daarnaast biedt de Wet integrale suïcidepreventie, die op 1 januari 2026 in werking treedt, ondersteuning aan partijen om een samenhangende aanpak rondom suïcidepreventie op te stellen. Deze wet geeft de overheid ook de opdracht om de al bestaande hulplijn zelfmoordpreventie te blijven faciliteren. Hier kunnen mensen met suïcidale gedachten daarover gratis, anoniem en 24 uur per dag in gesprek.
Het wettelijk instrumentarium in combinatie met het suïcidepreventiebeleid van het kabinet is onder meer bedoeld om mensen in een kwetsbare positie te beschermen en is mijns inziens voldoende.
Heeft u contact met experts en 113 over de gevolgen van deze acties en kunt u de bevindingen delen?
Ja, ik heb contact met experts van 113 Zelfmoordpreventie over de gevolgen van de acties van CLW. 113 Zelfmoordpreventie deelt mijn zorgen hierover. De experts geven aan dat het belangrijk is om het maatschappelijke gesprek te voeren over het levenseinde, en de manier waarop mensen daarin zelf de regie kunnen behouden. Daarbij is ook de manier waarop een dergelijk gesprek wordt gevoerd van belang. Het benoemen van zelfdodingsmethodes is volgens de experts geen veilige manier. Sterker nog, onderzoek laat zien dat berichtgeving over zelfdodingsmethodes de drempel tot zelfdoding kan verlagen voor mensen die zich in een kwetsbare positie bevinden, bijvoorbeeld omdat ze psychische klachten of schulden hebben.2, 3, 4
Op welke manier gaat u kwetsbare mensen beschermen die een zelfdodingswens hebben en bij CLW aankloppen?
Ik heb geen zicht op mensen in een kwetsbare positie die een zelfdodingswens hebben en daarmee bij CLW aankloppen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 blijft het kabinet onverminderd inzetten op het verminderen van het aantal suïcides. Onderdeel van dit beleid is het beperken van de toegang tot dodelijke middelen, om ook op die manier mensen in een kwetsbare positie te beschermen.
Kunt u beoordelen of de nieuwe methode en de manier waarop CLW die wil verspreiden toegestaan zijn volgens het strafrecht? Indien het niet of mogelijk niet is toegestaan, wat gaat u dan doen?
Op grond van artikel 294 lid 2 Sr is het strafbaar om een ander bij zelfdoding behulpzaam te zijn of die ander daartoe middelen te verstrekken. Volgens de Hoge Raad is daarbij relevant of iemand met zijn handelen het voor een ander «mogelijk of gemakkelijk» heeft gemaakt zichzelf te doden. Op grond van de bestaande jurisprudentie is in ieder geval duidelijk dat als de zelfdoding slaagt, het verstrekken van het gebruikte zelfdodingsmiddel valt onder de strafbaarstelling van dit artikel. Ook is duidelijk dat het in georganiseerd verband behulpzaam zijn bij zelfdoding of het verstrekken van een zelfdodingsmiddel kan leiden tot een veroordeling wegens artikel 140 Sr (deelname aan een criminele organisatie), ook als de zelfdoding nog niet heeft plaatsgevonden. Het OM heeft de Minister van Justitie en Veiligheid laten weten dat het afhangt van de concrete omstandigheden van het geval of hetgeen CLW van plan is te doen (onder begeleiding vervaardigen van een zelfdodingsmiddel) valt onder een van de genoemde strafbaarstellingen. Het is aan het OM om te beoordelen of iemand wordt aangemerkt als verdachte van hulp bij zelfdoding en uiteindelijk aan de rechter om de strafbaarheid te bepalen.
Welke strafrechtelijke onderzoeken lopen er momenteel gerelateerd aan CLW?
In zijn algemeenheid geldt dat de Minister van Justitie en Veiligheid kan bevestigen noch ontkennen of tegen bepaalde natuurlijke of rechtspersonen strafrechtelijke onderzoeken lopen, nu daardoor de mogelijkheid bestaat dat daardoor een lopend, maar nog niet door het OM naar buiten gebracht onderzoek zou kunnen worden geschaad. Om deze reden kan niet worden gezegd of er strafrechtelijke onderzoeken lopen gerelateerd aan CLW. Wel kan worden vastgesteld dat er momenteel geen onderzoeken lopen waarover het OM zelf naar buiten is getreden.
Wanneer is wat u betreft de maat vol met de proefballonnen die CLW oplaat en onderneemt u stappen om CLW op basis van het Burgerlijk Wetboek artikel 2:20 te verbieden?
Op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan het OM de rechtbank verzoeken een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, verboden te verklaren en te ontbinden. Van strijd met de openbare orde is sprake als het doel of de werkzaamheid leidt of klaarblijkelijk dreigt te leiden tot aantasting van de menselijke waardigheid, geweld of het aanzetten tot haat of discriminatie. Gelet op de grondwettelijk verankerde vrijheden van meningsuiting, vereniging en vergadering, past het OM wel terughoudendheid bij het doen van een dergelijk verzoek. Het OM heeft de Minister van Justitie en Veiligheid laten weten op te zullen treden als blijkt dat de strafrechtelijke grenzen worden overschreden of wanneer het vermoeden ontstaat dat CLW werkzaamheden uitvoert die in strijd zijn met de openbare orde.
In de procedure op grond van art. 2:20 BW heeft de Minister van Justitie en Veiligheid geen formele bevoegdheid. Het is dus ook niet aan hem om de door u gevraagde stappen te zetten. Wel is de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van art. 127 Wet op de rechterlijke organisatie bevoegd het OM daartoe een bijzondere aanwijzing te geven. De Minister van Justitie en Veiligheid ziet geen aanleiding om in dit geval van deze bijzondere aanwijzingsbevoegdheid gebruik te maken.5
Kunt u toelichten hoe de aanwijzing van de vier gemeenten Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede als grootschalige woningbouwlocatie zich verhoudt tot het feit dat zij hierdoor niet langer in aanmerking komen voor de regeling Woningbouw op Korte Termijn?1
Om de regionale spreiding van rijksinvesteringen voor het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningen te borgen is een scheiding gemaakt tussen woningbouwlocaties in de nationaal grootschalige woningbouwgebieden en woningbouwlocaties daarbuiten (de zgn. «woningbouw op korte termijn», hierna: WoKT). Projecten voor woningbouwlocaties die binnen de nationaal grootschalige woningbouwgebieden vallen konden enkel aanspraak maken op het budget dat voor deze gebieden werd gereserveerd en andersom.
Voor de gemeenten Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede betekent de aanwijzing van nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden binnen hun gemeentegrenzen eerder dit jaar, dat zij voor projecten binnen dat geografische gebied geen aanvraag meer konden doen voor een bijdrage uit het WoKT budget, maar wel voor het infrabudget dat was gereserveerd voor nationaal grootschalige woningbouwgebieden én het gebiedsbudget van VRO. Voor projecten buiten deze nationaal grootschalige woningbouwgebieden konden gemeenten nog altijd een WoKT voorstel indienen. Zo ontvangt de gemeente Apeldoorn naast gebiedsbudget ook middelen uit het WoKT budget (ca. € 2,9 miljoen).
Hoe weegt u het feit dat deze vier gemeenten niet langer in aanmerking komen voor de regeling Woningbouw op Korte Termijn, terwijl er op dit moment ook nog geen perspectief is op financiering vanuit de middelen voor de infrastructurele ontsluiting van de grootschalige woningbouwlocaties, en zij daarmee dus tussen wal en schip vallen?
De volledige € 2,5 miljard die dit kabinet uittrok voor het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningen in de nationaal grootschalige woningbouwgebieden en daarbuiten is verdeeld2. Het beperkte budget heeft geleid tot het kabinetsbesluit om aan de in de ontwerp-Nota Ruimte aangewezen nationaal grootschalige woningbouwgebieden (Alkmaar Kanaalzone, Binnenstad, spoor- en kanaalzone Apeldoorn, Helmond Centrum+ en Spoorzone Hengelo-Enschede (SHE) nu alleen gebiedsbudget (ongeveer € 100 miljoen) toe te kennen. Met dit budget kunnen eerste stappen gezet worden. Dat is niet genoeg voor de totale ontwikkeling van deze gebieden. Het is aan een nieuw kabinet om te bezien of en hoe de noodzakelijke mobiliteitsmaatregelen alsnog geborgd kunnen worden. We zijn hierover met de betreffende gemeenten in gesprek.
Welke risico’s ziet u voor de voortgang van de woningbouwopgave in deze vier gemeenten, gegeven het ontbreken van financieringsperspectief voor de noodzakelijke ontsluitende infrastructuur?
Met de toekenning van € 100 mln. gebiedsbudget (VRO) aan de nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden in de genoemde vier gemeenten kunnen eerste stappen gezet worden. Samen met het Ministerie van VRO is het Ministerie van IenW de komende periode met de betrokken gemeenten in gesprek om de mogelijkheden en risico’s van deze situatie voor de voortgang van de woningbouwopgave nader in kaart te brengen.
Zou u, samen met deze vier gemeenten en de betrokken provincies, in kaart willen brengen welke ontsluitende infrastructuur benodigd is om de woningbouwopgave te kunnen realiseren, en welke financieringsopgave daarbij hoort?
In aanloop naar de verdeling van de beschikbare middelen hebben ook de vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden een propositie voor de ontsluiting van deze gebieden ingediend. Op basis daarvan is het Ministerie van IenW komende periode samen met het Ministerie van VRO met de betrokken gemeenten in gesprek om te bespreken welke ontsluitende infrastructuur benodigd is en welke financieringsopgave daarbij hoort.
Hoe gaat u deze vier gemeenten en de betrokken provincies betrekken bij de toekomstige besluitvorming over de financiering van de ontsluitende infrastructuur voor grootschalige woningbouwlocaties?
Er kan geen toezegging gedaan worden over de toekomstige besluiten en financiering van de benodigde infrastructuur voor grootschalige woningbouwgebieden, omdat dit aan een nieuw kabinet is. In de vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden kunnen op korte termijn veel nieuwe woningen worden gebouwd als wordt geïnvesteerd in de bereikbaarheid van de woningbouwlocaties. De al ingediende proposities kunnen daarvoor als basis dienen.
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat deze vier gemeenten daadwerkelijk tussen wal en schip vallen bij de rijksfinanciering van hun woningbouw- en infrastructuuropgave? Zou u de Kamer over deze inspanningen willen informeren?
Zoals aangegeven is het Ministerie van IenW samen met het Ministerie van VRO met de betrokken gemeenten in gesprek om te bespreken welke ontsluitende infrastructuur benodigd is en welke financieringsopgave daarbij hoort. Over de uitkomsten hiervan wordt de Kamer in het voorjaar geïnformeerd. Besluitvorming over het toekennen van eventuele nieuwe rijksmiddelen is echter aan een nieuw kabinet.
Hoe beziet u het feit dat er op dit moment een financieringsgat bestaat in de wijze waarop infrastructuur voor woningbouw wordt ondersteund op het moment dat woningbouwlocaties overgaan naar de status van grootschalige woningbouwlocatie? Zou u willen inventariseren welke verbeteringen mogelijk zijn om te voorkomen dat gemeenten hierdoor tussen wal en schip raken?
Het feit dat het financieel tekort op de infrastructuurmaatregelen nu niet wordt gedekt komt niet voort uit de aanwijzing tot nationaal grootschalig woningbouwgebied, maar is een consequentie van het beperkte budget dat dwingt tot de gemaakte kabinetskeuze. Als de woningbouwlocaties in de vier betreffende gemeenten niet tot nationaal grootschalig woningbouwgebied waren aangewezen dan zouden de voorstellen hiervoor binnen de WoKT kaders zijn beoordeeld en geprioriteerd. Tevens kon dan geen aanspraak op het gebiedsbudget worden gemaakt, waaruit nu € 100 miljoen is toebedeeld.
Het Trouw-artikel ‘Wat hebben Nederlandse landbouwbedrijven op een beurs in Rusland te zoeken? ‘Voedsel is een mensenrecht’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat meerdere Nederlandse landbouwbedrijven deelnemen aan een landbouwbeurs in Krasnodar en actief blijven op de Russische markt?1
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland op elke mogelijke manier zou moeten voorkomen dat Nederlandse bedrijven, direct of indirect, bijdragen aan de economische weerbaarheid van de Russische oorlogsmachine?
Het kabinet zet in het kader van de Russische agressie tegen Oekraïne in op het verder verhogen van de druk op Rusland. De sancties van de Europese Unie en G7-partners zijn erop gericht om de Russische oorlogsmachine zoveel mogelijk te belemmeren. Hierbij weegt het kabinet continu de impact van de sancties af tegen andere zwaarwegende belangen, waaronder het belang van mondiale voedselzekerheid.
Deelt u de mening dat de export van landbouwmachines de Russische landbouwsector versterkt en daarmee de weerbaarheid van het land vergroot?
Het kabinet deelt de mening dat de export van landbouwmachines in bepaalde gevallen kan bijdragen aan de economische weerbaarheid van Rusland. Dit risico moet voortdurend afgewogen worden tegen zwaarwegende humanitaire belangen zoals de mondiale voedselzekerheid. Het kabinet heeft in het verleden voorstellen gedaan om de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland te verbieden en blijft zich hier in lijn met de motie Teunissen2 voor inspannen.
Hoe duidt u het feit dat de export van landbouwmachines met bijna 10 miljoen is gestegen tussen 2021 en 2023?
De export van landbouwgerelateerde goederen naar Rusland is gestegen van EUR 184 miljoen in 2021 naar EUR 193 miljoen in 2023. De export daalde in 2024 naar EUR 123 miljoen.3 Deze verzamelcategorie bevat naast landbouwmachines ook gewasbeschermingsmiddelen, diervaccins, meststoffen en machines voor de voedingsmiddelenindustrie.
Jaarlijks fluctueren de exportwaardes van deze subcategorieën. Daardoor is niet met zekerheid vast te stellen dat de stijging van de totale exportwaarde van landbouwgerelateerde goederen specifiek toe te schrijven is aan enkel landbouwmachines.4
Hoe beoordeelt u het morele argument van Nederlandse bedrijven dat «voedsel geen wapen mag zijn» richting Rusland, in het licht van recente cijfers van het Verenigde Naties World Food Program (WFP), waaruit blijkt dat als gevolg van de Russische oorlog inmiddels naar schatting vijf miljoen Oekraïners kampen met voedselonzekerheid?2
Het kabinet onderschrijft het standpunt dat voedsel nooit als wapen mag worden ingezet en veroordeelt Russische aanvallen op de Oekraïense landbouwsector ten zeerste. De belangrijkste prioriteiten van het kabinet zijn het financieel ondersteunen van Oekraïne en het verder vergroten van de druk op Rusland. De druk op Rusland voert Nederland onder meer in Europees verband op door het instellen van sancties die gericht zijn op het zo veel mogelijk belemmeren van de Russische oorlogseconomie. Het kabinet weegt hierbij constant diverse belangen tegen elkaar af, zoals de impact van sancties op Rusland zelf en het belang van mondiale voedselzekerheid. Het kabinet blijft zich inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige landbouwmachines naar Rusland. Nederland ondersteunt Oekraïne en andere landen middels ongeoormerkte bijdragen aan het World Food Programme.
Uw Kamer wordt nader geïnformeerd over de op 2 december jl. aangenomen gewijzigde motie van het lid Teunissen over het in kaart brengen van maatregelen om de activiteiten van Nederlandse en andere Europese agrobedrijven in Rusland aan banden te leggen.6
Heeft u in kaart gebracht of Nederlandse landbouwmachines en -technologie vallen binnen de sectoren waarvoor Rusland sterk afhankelijk is van Europa, zoals benoemd in de Europese Unie (EU)-lijst van exportverboden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Nederlandse producenten van landbouwmachines en -technologie zijn gebonden aan specifiek de EU-brede sanctieverordeningen, zoals de EU verordening «betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren»7 en waarin de exportverboden naar Rusland worden beschreven. Deze verboden bevatten uitgebreide lijsten met goederen en technologie die niet mogen worden geëxporteerd naar Rusland, waaronder bijvoorbeeld tractoren en aanhangers. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om verder onderzoek te verrichten, maar blijft streven naar verdere maatregelen. Het kabinet blijft zich in het bijzonder inspannen voor het verbieden van de export van specifieke, hoogwaardige technologie naar Rusland.
Heeft u zicht op de wijze waarop Nederlandse bedrijven opereren op de Russische markt, bijvoorbeeld via lokale dochterondernemingen of distributeurs, en dat via deze constructies wordt bijdragen aan sanctie-ontwijking?
Nederlandse bedrijven zijn wereldwijd actief. In het geval dat bedrijven toch zaken doen met of actief zijn in landen waar sancties gelden, ook mogelijk door dochterondernemingen of distributeurs, is het essentieel dat zij zich aan de sanctieregelgeving houden. Op dit moment is het binnen de geldende sanctieregelgeving nog mogelijk voor (dochter-)ondernemingen van Europese bedrijven om in Rusland voor bepaalde zaken actief te zijn. Het kabinet neemt eventuele signalen over sanctieschending uiterst serieus. Er wordt in die gevallen onderzoek gedaan naar eventuele overtredingen van sanctieregelgeving door de daartoe bevoegde handhavende autoriteiten.
Bent u bereid met de betrokken bedrijven in gesprek te gaan over de morele implicaties van hun aanwezigheid op de Russische markt en hen te verzoeken hun activiteiten te heroverwegen?
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven, ook in de agrosector, op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de intensivering van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich helemaal terug te trekken uit Rusland. Vanwege Russische tegenmaatregelen is dit niet altijd eenvoudig.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad op 9 december 2025?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De Nederlandse klimaatfinanciering aan ontwikkelingslanden |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van recente berichtgeving waaruit blijkt dat Nederland in de rapportage over internationale klimaatfinanciering projecten meerekent die niet primair gericht zijn op klimaatmitigatie of -adaptatie, zoals programma’s op het gebied van gezondheid, cultuur of voedselzekerheid?1
Ja.
Kunt u toelichten welke criteria het kabinet hanteert bij het bepalen of een project of programma meetelt als klimaatfinanciering, en hoe wordt vastgesteld welk deel van een projectbudget wordt toegerekend aan klimaatdoelen?
De klimaatrelevantie van internationale projecten wordt op drie manieren bepaald:
Erkent u dat het toerekenen van delen van bredere ontwikkelingsprojecten aan klimaatfinanciering het risico met zich meebrengt dat de werkelijke omvang van de Nederlandse bijdrage aan klimaatmaatregelen in kwetsbare landen wordt overschat?
Nederland zet zich er voor in een realistische inschatting te maken van klimaatrelevantie van bredere ontwikkelingsprojecten. De Rio-marker systematiek is een internationaal erkende en op dit moment de meest efficiënte methode om deze inschatting te maken. Het kabinet erkent dat het meten van klimaatfinanciering op basis van de Rio-markers op activiteitniveau soms kan leiden tot een wat hogere of lagere schatting van de gerealiseerde klimaatimpact. De gedachte is dat de over- en onderschatting binnen het gehele portfolio elkaar in balans houden en de markers zo op portfolioniveau de best mogelijke weergave geven van de klimaatrelevantie.
Hoeveel publieke middelen heeft Nederland in het meest recente verslagjaar aangemerkt als internationale klimaatfinanciering, uitgesplitst naar mitigatie, adaptatie en gemengde projecten?
Van de publieke klimaatfinanciering in 2024 kwam EUR 659 miljoen (62%) ten goede aan klimaatadaptatie en EUR 352 miljoen (33%) ten goede aan klimaatmitigatie. Van EUR 59 miljoen (5%) is niet gespecificeerd of dit ten goede kwam aan mitigatie of adaptatie (cross-cutting).3
In hoeverre bestaan de Nederlandse bijdragen aan klimaatfinanciering uit schenkingen (giften) dan wel uit leningen of andere financiële instrumenten die moeten worden terugbetaald?
De Nederlandse publieke klimaatfinanciering bestaat bijna volledig uit schenkingen (giften). Een deel van de bijdragen aan de multilaterale ontwikkelingsbanken of bijvoorbeeld de staatsfondsen bij de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO heeft de vorm van een kapitaalaanvulling of een revolverende schenking.
Bij de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering is sprake van meer diversiteit in de financieringsvorm. Van de privaat gemobiliseerde klimaatfinanciering in 2024 (exclusief de financiering vanuit de multilaterale ontwikkelingsbanken) betreft 40% een lening, 25% een garantie, 17% een schenking en 18% is een restcategorie. De gedetailleerde uitsplitsing kunt u vinden op pagina 61 van de Nederlandse private mobilisatie rapportage in 2024.4
Hoe verklaart het kabinet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren van klimaatfinanciering aan armere landen, terwijl juist de rijkste landen hiervoor verantwoordelijk zijn?2
Het klopt niet dat Nederland achterblijft bij andere ontwikkelde landen in het leveren van klimaatfinanciering. Binnen de EU is Nederland, na Duitsland, Frankrijk en Spanje, in absolute cijfers de vierde donor als het gaat om het verstrekken van publieke klimaatfinanciering.6 Ook het Overseas Development Institute (ODI) constateerde in 2025 dat Nederland zijn bijdrage aan internationale klimaatfinanciering levert en plaatst Nederland als 7e op een ranglijst van in totaal 23 landen.7
Welke stappen onderneemt Nederland om ervoor te zorgen dat klimaatfinanciering daadwerkelijk ten goede komt aan de landen en gemeenschappen die het meest kwetsbaar zijn voor de gevolgen van klimaatverandering?
Nederland zet zich actief in om de kwetsbaarheid van landen en gemeenschappen voor de gevolgen van klimaatverandering te verminderen. In 2024 kwam dan ook 62% van de publieke Nederlandse klimaatfinanciering ten goede aan adaptatie. Naar verwachting zal zowel het aandeel als het bedrag voor klimaatadaptatie binnen de Nederlandse publieke klimaatfinanciering verder groeien door groeiende klimaatrelevantie van de inzet op vooral water en voedselzekerheid. Nederland sluit hiermee goed aan op de uitkomst van de 30e Conferentie van Partijen (COP30) bij het Klimaatverdrag, in Belém, Brazilië, waarin wordt opgeroepen tot versterkte inzet op adaptatiefinanciering. Dit past ook bij de bredere aanmoediging van deze COP om gezamenlijk toe te werken naar een verdriedubbeling van de totale financiering voor adaptatie in 2035 binnen de kaders van het afgesproken klimaatfinancieringsdoel.
Uit een onderzoek van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) in de deelstudie «Financiële toezeggingen in transitie» (Nederlandse klimaatfinanciering voor ontwikkeling 2016–2019, Kamerstuk 32 813, nr. 811) blijkt dat 60% van de publieke klimaatfinanciering ten goede komt aan lage inkomenslanden en, met een gedeeltelijke overlap, 25% aan fragiele landen. Het kabinet heeft geen reden om aan te nemen dat deze percentages sindsdien sterk zijn gewijzigd.
In hoeverre is de door Nederland gerapporteerde klimaatfinanciering additioneel ten opzichte van de reguliere middelen voor ontwikkelingssamenwerking, en hoe wordt deze additionaliteit gecontroleerd en verantwoord?
De discussie over de betekenis van nieuw en additioneel heeft nooit geleid tot een internationaal geaccepteerde definitie. Ontwikkeling die geen rekening houdt met het klimaat is geen bestendige ontwikkeling; en zonder klimaatbeleid wordt ontwikkeling tenietgedaan. De rapportage van de Nederlandse klimaatfinanciering is transparant en volgt zoveel mogelijk de internationaal (in OESO-verband) afgesproken methodes. Doordat de Nederlandse publieke klimaatfinanciering bijna volledig uit giften bestaat en zich voor een groot deel op adaptatie richt, wordt deze over het algemeen positief beoordeeld. De review van het eerste Biennial Transparency Report (BTR) van Nederland onder het Akkoord van Parijs is tijdens COP30 in Bélem succesvol afgesloten. De transparantie van de rapportage laat de ruimte aan ontvangende landen om de Nederlandse bijdrage kritisch te beoordelen.
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering dat Nederland in vergelijking met andere Europese landen relatief weinig publieke klimaatfinanciering bijdraagt aan ontwikkelingslanden, gemeten naar nationale welvaart en historische uitstoot?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6, is deze constatering onjuist. In vergelijking met andere Europese landen levert Nederland relatief veel publieke klimaatfinanciering.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te sturen van alle door Nederland als klimaatfinanciering opgevoerde projecten over de afgelopen drie jaar, inclusief de onderliggende motivering voor hun klimaatdoelstelling en de gehanteerde verdeelsleutel per project?
Ik verwijs u graag naar het online klimaatdashboard.8 Deze openbare database geeft inzicht in de Nederlandse publieke klimaatfinanciering en alle onderliggende programma’s in 2024 en de voorgaande jaren (vanaf 2020). Daarbij is zichtbaar gemaakt welke klimaatrelevantie is meegegeven aan de programma’s (inclusief verdeling adaptatie en mitigatie) en kan worden doorgeklikt naar onderliggende documentatie, zoals de beoordeling die aan de goedkeuring van de activiteit ten grondslag heeft gelegen.
De NPO en Hamas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Na het BBC-schandaal: waarom ook onderzoek naar NOS noodzakelijk is»1 en «Anti-Israël indoctrinatie van scholieren is wel degelijk zaak van de Minister»2 en herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen van 2 oktober 2025 over SchoolTV?3
Ja.
Welke lessen trekt de NOS uit zorgen die leven over de rol van de BBC bij de berichtgeving over Gaza? In hoeverre ziet de NOS ten dienste van de kwaliteitsverbetering aanleiding om een onderzoek uit te voeren over de eigen berichtgeving?
Onafhankelijke en betrouwbare journalistiek is een groot goed. Journalistiek draagt bij aan een goed functionerende democratie. Bij deze belangrijke rol hoort ook transparantie. Dit doet de NOS door openbaar verantwoording af te leggen over hun journalistieke berichtgeving, onder andere op basis van reacties die zij ontvangen van het publiek.4 Specifiek over de oorlog in Gaza geeft de NOS ook blijk van de gevoeligheid en risico’s rondom de betrouwbaarheid van bronnengebruik bij berichtgeving daarover. De NOS legt openbaar verantwoording af over de wijze waarop ze de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van hun berichtgeving borgen. Dit doen zij onder andere door artikelen en onderzoeken te publiceren over de eigen berichtgeving over de oorlog Gaza.5 Ook de Ombudsman publieke omroep heeft een belangrijke functie in de zelfregulering van de journalistiek bij de publieke omroep en heeft eerder inzicht geboden in het journalistiek handelen in deze thematiek.6
Als stelselverantwoordelijke sta ik voor een breed en pluriform medialandschap. Van journalistieke organisaties in dit landschap verwacht ik dat zij hun journalistieke keuzes verantwoorden en daarbij hun berichtgeving kritisch beoordelen en factchecken. Als er twijfels leven rondom de objectiviteit van berichtgeving is het aan journalistieke organisaties dit gegeven af te wegen en hier iets in hun journalistieke verantwoording mee te doen. Het is niet aan mij als Minister om nader in te gaan op de wijze waarop zij hun journalistieke verantwoording verder vormgeven.
Hoeveel specifieke berichten, reportages en andere producties heeft de NOS in de afgelopen twee jaar gewijd aan de structuur en werkwijze van de terreurorganisatie Hamas? Hoe is de betrouwbaarheid van lokale verslaggevers door de NOS getoetst en welke standaarden zijn gehanteerd voor het gebruik van informatie die afkomstig is van Hamas?
Het kabinet gaat niet over de inhoudelijke invulling van de programmering van de NOS. Ik beschik derhalve niet over aantallen producties over een bepaald thema.
De NOS reflecteert op de betrouwbaarheid van gebruikte bronnen uit Gaza. Ook de Ombudsman speelt hierbij een rol zoals blijkt uit de beantwoording op vraag 2. Dit systeem van zelfregulering moet de kwaliteit van de berichtgeving van de NOS waarborgen. De NOS is onafhankelijk in zijn werkzaamheden. Het kabinet gaat niet over de journalistieke werkwijze die de NOS in specifieke casussen hanteert. Wel ben ik voornemens het systeem van zelfregulering van de journalistiek binnen de publieke omroep te versterken. De plannen hiervoor zijn afgelopen voorjaar met de Kamer gedeeld en de uitwerking neem ik mee in de hervorming van de landelijke publieke omroep.7
Vindt u dat Hamas een politieke groepering is die ook mensen heeft die vechten of onderschrijft u het breed erkende uitgangspunt dat Hamas een terroristische organisatie is?
De EU en Nederland beschouwen Hamas als een terroristische organisatie, die in 2003 op de EU-terrorismelijst werd geplaatst. Nederland speelt in Europees verband een voortrekkersrol op het sanctioneren van Hamas, in lijn met motie Ceder c.s.,8 en heeft recent samen met gelijkgezinde partners voorstellen gedaan voor het sanctioneren van de politieke top van Hamas.
Welke ruimte heeft de landelijke publieke omroep volgens u om binnen de vereiste kwalitatief hoogwaardige nieuwsvoorziening een eigen duiding te geven van organisaties die internationaal breed als terroristisch worden aangemerkt? In hoeverre bestaan voor zulke keuzes standaarden binnen de publieke omroep?
De landelijke publieke omroep voert zijn werkzaamheden onafhankelijk uit en heeft daarbij redactionele vrijheid, die onder andere in de Mediawet is vastgelegd. Dat is een fundamenteel rechtsstatelijk uitgangspunt dat we met elkaar moeten beschermen. Het is niet aan de overheid of politiek om zich te mengen in journalistieke inhoud.
Persvrijheid is een groot goed. Dat wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich niet zouden hoeven verantwoorden over hun keuzes (zie daarover ook mijn antwoord op vraag9. Bij onvrede over de duiding gegeven aan specifieke berichtgeving kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie, is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Dit stelsel van zelfregulering moet ervoor zorgen dat media zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken.
Waarom vindt u het behoren tot de taak van de NPO om lesmateriaal te ontwikkelen voor scholen? Hoe beoordeelt u het feit dat het materiaal dat de NPO met belastinggeld produceert een verstoring vormt van de markt van leermiddelen, waarmee de NPO ook inhoudelijk meer sturend kan zijn in de beeldvorming dan andere ontwikkelaars?
Conform artikel 2.1 van de Mediawet 2008, is Educatie één van de onderdelen uit de publieke mediaopdracht. Dit wordt onder andere gedaan via het aanbodkanaal Schooltv. Opgenomen in de beschrijving van dit kanaal is het aanbieden van samenhangend educatief media-aanbod waar ook scholen gebruik van kunnen maken. De keuze voor daadwerkelijk gebruik van bepaalde leermiddelen is altijd aan de school zelf. Die vrijheid is opgenomen in artikel 23 van de Grondwet.
Het FD-bericht 'Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het FD-artikel «Klimaateconoom: opwarming kan leiden tot een nieuwe kredietcrisis»1
Wat is volgens u het verband tussen onvoorziene klimaatschade en de stabiliteit van de financiële sector in Europa, zowel nu als in de toekomst?
Deelt u de conclusie uit het FD-artikel dat klimaatverandering op de lange termijn een groot risico vormt voor de stabiliteit van de financiële sector? Zo ja, welke mogelijke risico’s voorziet u? Kunt u hierop een toelichting geven?
Bent u van mening dat deze risico’s extra klimaatactie vereisen vanuit Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties onderneemt u momenteel en welke acties bent u bereid te nemen in de toekomst?
Op welke manier beïnvloedt de invloed van klimaatschade op de stabiliteit van de financiële sector uw inzet tijdens de Klimaatconferentie van Belém 2025 (COP30)?
Op welke manier wordt momenteel het risico voor de Nederlandse economie van toekomstige klimaatschade accuraat meegewogen in kabinetsbesluiten? Bent u bereid aanvullende acties te ondernemen om deze factor beter mee te wegen? Waarom wel of niet?
Worden de premies van verzekeringsmaatschappijen ook in Nederland al verhoogd als gevolg van klimaatgebeurtenissen zoals beschreven in het artikel? Zo ja, kunt u hiervan data verschaffen?
In hoeverre zijn Europese verzekeraars, net zoals Amerikaanse verzekeraars, blootgesteld aan het risico van hogere verzekeringspremies enerzijds en dalende vastgoedwaarde anderzijds?
Is Nederland bereid bij te dragen aan de vergroening van de elektriciteitsproductie van opkomende economieën? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Misstanden in de pleegzorg |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Pleegkinderen geslagen, aan oren getrokken en door hond gebeten»?1
Ja
Hoe beoordeelt u het feit dat nogmaals kinderen die voor hun veiligheid uit huis zijn geplaatst, jarenlang ernstig konden worden mishandeld zonder dat toezichthoudende instanties ingrepen? Erkent u dat het hier niet gaat om een eenmalig incident, maar dat er sprake is van breder en vaker gesignaleerde problemen binnen de jeugdbeschermingsketen?
Kinderen die om welke reden dan ook niet meer thuis kunnen wonen, moeten kunnen rekenen op veiligheid, zorg en liefde op een andere plek. Dat brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. De gebeurtenissen in het pleeggezin in Vlaardingen en de recente berichten over de kinderen in het gezinshuis in Noord-Nederland raken ons zeer. Wat er precies is voorgevallen in het gezinshuis, is aan de inspecties om te onderzoeken. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) doet momenteel onderzoek naar de veiligheid en de kwaliteit van de jeugdhulp. Daarbij betrekt de IGJ ook de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV), en wordt verkend of er ook een rol is voor de Onderwijsinspectie. We zullen dit onderzoek moeten afwachten om te beoordelen of er een relatie is met vaker gesignaleerde problemen in de jeugdbeschermingsketen.
Dat de jeugdbeschermingsketen onder druk staat en dat er onvoldoende tijdige en passende jeugdhulp is, is iets waar de inspecties al langere tijd aandacht voor vragen. Wij erkennen dat er in de jeugdbescherming en jeugdhulp verbeteringen nodig zijn en zetten ons hier ten volle voor in.
Kunt u reflecteren op de kwaliteit van screening en monitoring van gezinshuizen, zorgboerderijen en pleeggezinnen en hoe het komt dat kinderen herhaaldelijk worden geplaatst in onveilige situaties waarin kindermishandeling, verwaarlozing of zelfs kinderarbeid plaatsvindt?
De kwaliteitscriteria gezinshuizen gaan onder meer in op kwaliteit van jeugdhulp in gezinshuizen, de kennis en vaardigheden van gezinshuisouders en de samenwerking met andere professionals. Daarin is opgenomen dat screening moet plaatsvinden op kennis en vaardigheden voor professioneel opvoederschap. Het toetsen van de competenties en geschiktheid gebeurt in principe door de zorgaanbieder of de franchiseorganisatie (afhankelijk van loondienst of franchise).
Voor vrijgevestigde aanbieders draagt de gemeente – volgens de kwaliteitscriteria gezinshuizen – zorg voor competentiegerichte toetsing van de gezinshuisouders voor de start van een gezinshuis. De kerntaak van gezinshuisouders vergt hbo werk- en denkniveau uitgaande van het Kwaliteitskader Jeugd (uitwerking van de norm verantwoorde werktoedeling), en dus een SKJ-registratie of werken onder de verantwoordelijkheid van iemand met een SKJ-registratie. Daarnaast is een Verklaring omtrent Gedrag (VOG) vereist.
Zorgboerderijen die zijn aangesloten bij de branchevereniging Federatie Landbouw en Zorg hebben zich aan kwaliteitseisen, zoals opgenomen in het kwaliteitskader voor de zorglandbouw gecommitteerd. Gemeenten kunnen bij de inkoop (aanvullende) kwaliteitseisenstellen.
Voor pleeggezinnen geldt dat aspirant-pleegouders een intensief voorbereidings- en screeningstraject doorlopen dat door de pleegzorgaanbieder wordt uitgevoerd, om te beoordelen of een pleeggezin geschikt is om een pleegkind te verzorgen en op te voeden. Daarnaast moeten pleegouders in het bezit zijn van een door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) afgegeven Verklaring van geen bezwaar (VGB) om formeel pleegouder te kunnen worden.
Om de kwaliteit van screening voor pleegouders te waarborgen, wordt het Kwaliteitskader Voorbereiding en screening geëvalueerd. Daarnaast verkennen wij op dit moment de wenselijkheid van verplichte periodieke of continue (justitiële) screening. Via de reguliere voortgangsrapportages jeugd informeren we uw Kamer over de voortgang.
Screening is altijd een momentopname. Het is vooral belangrijk dat er goed zicht is en blijft op de kwaliteit van zorg en veiligheid van kinderen die in pleeggezinnen, gezinshuizen of in zorgboerderijen verblijven.
Hoe verklaart u dat signalen van verwaarlozing, mishandeling en/of twijfels over de pedagogische vaardigheden van opvoeders – die ook in deze zaak weer langere tijd bekend waren – nog steeds niet of nauwelijks consequent worden opgepakt? Waarom is het signaleringssysteem in de keten (zorg, onderwijs, voogdij) in de praktijk nog steeds niet sluitend? Welke stappen zijn hier de afgelopen periode in genomen?
Professionals uit de sectoren onderwijs, gezondheidszorg, maatschappelijke ondersteuning, jeugdzorg, kinderopvang en justitie zijn verplicht met de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te werken.
De vijf stappen van de meldcode bieden handelingsperspectief voor professionals als zij huiselijk geweld of kindermishandeling vermoeden. Naast toepassen van de meldcode heeft een aantal organisaties een specifieke rol en verantwoordelijkheid in het beoordelen en onderzoeken van signalen over onveiligheid en het nemen en uitvoeren van maatregelen. In de bijlage bij de Kamerbrief van 30 januari 2025 met de kabinetsreactie op de rapporten van de inspecties over de hulp aan het meisje in het pleeggezin in Vlaardingen, wordt hier uitgebreid op ingegaan.
Wat er precies is voorgevallen in het gezinshuis, is aan de inspectie om te onderzoeken. Wij kunnen momenteel niet beoordelen of er juist gehandeld is op de aanwezige signalen. Wel weten we dat er een melding over het gezinshuis is gedaan en dat de kinderen uit het gezinshuis zijn gehaald.
Welke maatregelen neemt u, en heeft u genomen, om de zorgen van de (biologische) ouders serieuzer te nemen bij uithuisplaatsingen? Welke stappen zijn hier de afgelopen periode in genomen en welke veranderingen binnen de jeugdbeschermingsketen zijn daardoor tot stand gekomen? Ziet u voldoende ontwikkeling?
In het wetsvoorstel «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» wordt onafhankelijk toezicht op minderjarigen onder voogdij van de GI wettelijk geborgd. Het beoogde doel van deze regeling is beter toezicht te houden op het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van de minderjarige. Ook met de ouder(s) wordt door de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) – in het kader van de evaluatie – periodiek een gesprek gevoerd. In dit gesprek kunnen zij hun mening en ideeën over het welzijn en de veiligheid van de minderjarige kenbaar maken. Als er gegronde zorgen uit dit gesprek blijken dan kan de RvdK, als GI en RvdK een verschil van visie hebben en hier onderling niet uitkomen, het visieverschil voorleggen aan de kinderrechter.
In hoeverre is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) met de huidige capaciteit, instrumenten en werkwijze daadwerkelijk in staat om te monitoren of de veiligheid van kinderen in de pleegzorg gewaarborgd blijft?
In algemene zin geldt dat GI’s verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van kinderbeschermingsmaatregelen en daarmee een belangrijke taak hebben in het bewaken van de veiligheid van kinderen. Dat houdt onder meer in dat zij risico’s moeten signaleren, beoordelen en (waar nodig) passende stappen moeten zetten om de veiligheid te waarborgen. Ook de pleegzorgaanbieders hebben hierin een verantwoordelijkheid. Hiervoor is de Richtlijn Pleegzorg opgesteld waarin aanbevelingen over onder andere de veiligheid in pleeggezinnen is opgenomen.
Bij de IGJ zijn 44 fte inspecteurs werkzaam die toezien op de jeugdhulpaanbieders. Dat maakt dat de IGJ weloverwogen keuzes moet maken over wat de IGJ wel en niet kan doen. Dat noemen zij risico gestuurd toezicht. Om risico’s in beeld te brengen verzamelen, analyseren en interpreteren ze informatie over zorgaanbieders. Hiervoor is de inspectie afhankelijk van meldingen en signalen die zij ontvangt over pleegzorgaanbieders.
Kunt u aangeven welke maatregelen volgens u nodig zijn om zowel het systeem op lange termijn als de veiligheid voor kinderen in de jeugdbescherming op korte termijn aanzienlijk te verbeteren?
We werken op verschillende manieren aan de verbetering van de jeugdbescherming. Zo is er de afgelopen jaren geïnvesteerd in het verlagen van de gemiddelde workload bij GI’s van 17 naar 12 kinderen, waardoor jeugdbeschermers meer tijd en aandacht hebben voor de kinderen en gezinnen die zij begeleiden. Daarnaast wordt, zoals eerder aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, gewerkt aan het versterken van de rechtsbescherming van ouders en kinderen.
Voor de lange termijn werken we in het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming aan het verbeteren van het systeem van jeugdbescherming vanuit de basisprincipes: gezinsgericht, eenvoudig, lerend, rechtsbeschermend en transparant. Met het Toekomstscenario wordt een werkwijze ontwikkeld om gezinnen waar veiligheidsproblemen spelen eerder en betere hulp en bescherming te bieden, gericht op samenwerking en gelijkwaardigheid en met minder organisaties rond het gezin. Een werkwijze die er toe leidt dat de juiste hulp aan kinderen én betrokken volwassenen wordt geboden, die beter beschermt en waardoor minder gedwongen maatregelen nodig zijn.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om te voorkomen dat het systeem van jeugdbescherming, dat bedoeld is om veiligheid te bieden, zelf een bron van onveiligheid en trauma wordt voor kwetsbare kinderen?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen binnen afzienbare tijd – uiterlijk voorafgaand aan het volgende debat over jeugdbeleid – beantwoorden?
Ja
De voortgangsrapportage Hertsteloperatie Toeslagen |
|
Jimmy Dijk |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
Waarom acht u het disproportioneel om gegevensdeling tussen UHT en DUO wettelijk mogelijk te maken teneinde inzicht te krijgen in welke jongeren een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire, terwijl dezelfde informatie wel noodzakelijk is om de omvang en aard van het probleem in kaart te brengen?1
Gegevensdeling tussen UHT en DUO zou uitsluitend inzicht geven in de hoogte en de aantallen studieleningen van getroffen jongeren, niet over of die leningen het gevolg zijn van de toeslagenaffaire. Een dergelijke gegevensdeling zal dus niet de omvang en aard van het mogelijke probleem in kaart brengen. Het zal alleen een onvolledig beeld geven, op basis waarvan geen onderbouwd beleid te ontwikkelen is.
De Tweede Kamer heeft meermaals aangegeven geen voorstander te zijn van een generieke regeling voor het kwijtschelden van studieleningen. Ook de Raad van State heeft gewezen op de risico’s van meer generieke regelingen2 en ook de commissie Van Dam waarschuwt dat een algemene regeling op dit gebied niet wenselijk is3. Het kabinet kan zich geheel in die conclusies vinden. Nu er geen generieke kwijtscheldingsregeling zal komen, is het disproportioneel om de gevraagde gegevens te verzamelen en te verwerken. Een wetswijziging realiseren om een dergelijke gegevensdeling alsnog mogelijk te maken is om die reden dan ook onwenselijk aangezien dit een onnodige inbreuk op de privacy van de betrokken jongeren zal betekenen.
Dit neemt niet weg dat het kabinet het leed erkent dat kinderen en jongeren hebben ervaren als gevolg van de toeslagenaffaire. Ook zij zijn getroffen.
Daarom is er samen met hen in 2022 de kindregeling ontwikkeld en wettelijk vastgelegd. De kindregeling is bedoeld als steun in de rug, als onverplichte betaling, om hen tegemoet te komen. De groep kinderen die geraakt is door de toeslagenaffaire is namelijk zeer divers, in leeftijd en in behoeften.
Daarom bestaat de ondersteuning aan getroffen kinderen uit een breed aanbod:
Op deze manier draagt het kabinet bij aan een hoopvolle toekomst voor jongeren.
Ik zie en erken ook de signalen van openstaande studieleningen van getroffen jongeren die zij als gevolg van de toeslagenaffaire zijn aangegaan. Dat is één situatie, er zijn ook veel andere manieren waarop het gezin overeind is gebleven tijdens de problemen met de kinderopvangtoeslag. Daarom gaat financiële compensatie en aanvullende schadevergoeding in de hersteloperatie naar de erkend gedupeerde ouder en diens gezin; de ouders weten als geen ander hoe zij het hoofd boven water hebben gehouden en wie daarbij hebben geholpen. Na de beoordeling door UHT en na het eventueel doorlopen van een aanvullende schaderoute5 krijgen ouders hun financiële schade gecompenseerd. Zij kunnen dit geld inzetten om de mensen terug te betalen die hen ten tijde van de toeslagenaffaire financieel hebben bijgestaan, bijvoorbeeld hun kinderen.
Mocht de studielening toch tot problemen leiden voor jongeren, dan kunnen zij terecht bij DUO. DUO kent verschillende mogelijkheden waar jongeren in veel gevallen een beroep op kunnen doen als zij problemen ervaren bij het terugbetalen van de lening, of tegen onvoorziene omstandigheden aanlopen tijdens hun studie. Onder meer om de hiervoor genoemde redenen ga ik geen regeling treffen voor studieleningen. Dat heeft ook de Kamer meermaals bevestigd.
Kunt u volledig uiteenzetten welke juridische obstakels bestaan voor gegevensdeling tussen UHT en DUO, en waarom deze niet kunnen worden weggenomen met een zorgvuldig vormgegeven wettelijke grondslag die privacy waarborgt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke alternatieven heeft u onderzocht om toch inzicht te krijgen in de omvang van studieschulden van jongeren die geraakt zijn door de toeslagenaffaire, zonder dat daarvoor directe gegevensuitwisseling nodig is?
Aan het CBS is gevraagd om te kijken naar mogelijkheden om de impact van de toeslagenaffaire op levens van getroffen gezinnen te onderzoeken. Het CBS heeft op 17 oktober jl. de Haalbaarheidsstudie Kinderen beëindigd, omdat een goede voor- en nameting niet te maken is, waardoor de kwaliteit van de onderzoeksresultaten niet voldoende is gewaarborgd. Het wel uitvoeren van dit onderzoek brengt te veel uitvoeringstechnische risico’s met zich mee om door het CBS uitgevoerd te worden. Ik volg daarin het advies van het CBS.
Hierbij vind ik het belangrijk nogmaals te benadrukken dat er geen generieke regeling komt voor studieleningen van getroffen kinderen, om de redenen die ik hierboven heb toegelicht. Het nogmaals en verder verkennen van andere methoden acht ik dan ook niet opportuun. Het palet aan mogelijkheden in het kader van de kindregeling, zoals beschreven in het antwoord op vraag 1 en 2, bieden samen met de bestaande voorzieningen bij DUO een breed aanbod dat past bij de diversiteit in problematiek van de kinderen van gedupeerde ouders, inclusief indirecte compensatie via de schadeherstelroute van de ouder. Ik vind het belangrijk om mijn energie te richten op het verbeteren en verspreiden van dat aanbod, en om geen valse verwachtingen te wekken bij jongeren op gebied van aanvullende regelingen die het kabinet niet zal introduceren.
Kunt u uitleggen waarom het oordeel van het CBS dat een dergelijk onderzoek «vooralsnog niet uitvoerbaar» is, betekent dat het überhaupt niet kan worden uitgevoerd, in plaats van dat wordt onderzocht onder welke voorwaarden het wél uitvoerbaar kan zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt uw standpunt zich tot de aanbevelingen van diverse belangenorganisaties (Het Onafhankelijk Jongerenpanel Toeslagen (OJPT), Ombudsman Rotterdam-Rijnmond (ORR) en de Rijnmondse Alliantie) en gedupeerden zelf, die juist pleiten voor inzichtelijkheid en transparantie in de omvang van jongerenproblematiek binnen de toeslagenaffaire?
Ik ben mij zeer bewust van de verhalen van getroffen jongeren en de impact die die de toeslagenaffaire ook op hun levens heeft gehad, onder andere op basis van de verhalen van de jongeren die ik persoonlijk spreek. Elk verhaal is anders. Ik vind het daarom belangrijk dat getroffen jongeren niet door hun schulden in de problemen komen. Daarom ben en blijf ik in gesprek met deze jongeren, waaronder met het Onafhankelijk Jongerenpanel Toeslagen, en met onder andere de (kinder)ombudsman Rotterdam-Rijnmond om de hulp die we hebben te blijven verbeteren.
Hoe waarborgt u dat jongeren die wél een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire volledig worden geholpen als er geen systematisch inzicht bestaat in welke jongeren dit betreft?
Het is belangrijk dat alle jongeren, en dus ook jongeren die een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire, de juiste hulp krijgen bij hun studielening als zij problemen hebben met deze lening, bijvoorbeeld als zij moeite hebben met terugbetalen of als zij tegen onvoorziene omstandigheden aanlopen tijdens hun studie. In veel gevallen kunnen zij in die situaties een beroep doen op de mogelijkheden die DUO biedt. In de kamerbrief van juni 20246 en in de beantwoording van de schriftelijke vragen in maart 20257 is aan uw Kamer uitgebreid uiteengezet wat deze mogelijkheden zijn, waaronder ook indirecte vergoeding via een schadeherstelroute van de ouder. Het is belangrijk dat jongeren weten wat de mogelijkheden bij DUO zijn. Daarom is er in de afgelopen periode extra aandacht besteed aan het verbeteren van informatievoorziening hierover, o.a. op de website kindregelingvoorjou.nl.
Bent u bereid om samen met DUO, UHT, het CBS en privacyexperts te verkennen welke (geanonimiseerde of statistische) methoden wél mogelijk zijn om de gevraagde informatie te verzamelen, en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat zonder inzicht in aantallen, gemiddelde hoogte en totale studieschuld, het onmogelijk is voor de Kamer om weloverwogen beleid te maken of te beoordelen of bestaande compensatie voldoende is?
Ik ben het met u eens dat kinderen van gedupeerde ouders geraakt zijn door de toeslagenaffaire. Met de kindregeling erkent het kabinet dit leed en ondersteun ik hen richting de toekomst. Ik blijf me voor deze kinderen en jongeren inzetten.
Ik vind het daarbij belangrijk om helder te zijn in wat wel en niet mogelijk is en om geen valse verwachtingen te wekken. De kindregeling voor kinderen van gedupeerde ouders is ingevoerd met brede steun in uw Kamer, met het besef dat deze niet was en is bedoeld om schade of schulden uit het verleden te compenseren. Schade wordt vergoed aan de gedupeerde ouder en diens gezin, bijvoorbeeld voor gemist inkomen. Het kabinet heeft er samen met uw Kamer voor gekozen om kinderen en jongeren een steun in de rug te bieden: een (onverplichte) tegemoetkoming, richting de toekomst. We zetten daarbij in op ondersteuning op verschillende leefgebieden, passend bij de diversiteit aan problematiek en behoeften. Een aparte regeling past hier niet bij en is ook meermaals door uw Kamer verworpen. Ik wil daarom duidelijk zijn en mijn inzet richten op het verschil maken voor kinderen en jongeren, door in te zetten op verbetering en verspreiding van het brede pakket dat wij juist voor hen te bieden hebben.
Waarom acht u het acceptabel dat er anno 2025 nog steeds geen volledig beeld bestaat van de financiële schade die jongeren persoonlijk hebben geleden door de toeslagenaffaire, inclusief studieschulden?
Zie antwoord vraag 8.
Dreigende opnamestops in de gehandicaptenzorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gehandicaptenzorg waarschuwt voor opnamestops vanwege personeelstekort»?1 Herkent u dit beeld?
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ik herken deels het beeld dat wordt geschetst. Ik zie zorgorganisaties die kampen met personeelstekorten en een dagelijkse strijd voeren om de roosters rond te krijgen. Ik spreek zorgverleners die in hun vrije tijd bijspringen en zich zorgen maken over de toekomst.
Aan de andere kant zie ik ook zorgorganisaties die minder moeite hebben om personeel aan te trekken en hun roosters, al dan niet met een flexibele schil, op te vullen. Dit geeft aan dat het beeld genuanceerder ligt dan het bericht oproept.
Klopt het dat de crisisopvang als eerste te maken krijgt met een opnamestop als het personeelstekort verder oploopt? Zo ja, waar kunnen mensen met een beperking die thuis wonen opgevangen worden als de noodzaak er is? Wat zijn de alternatieven als er een opnamestop komt?
Wanneer zorgorganisaties kampen met personeelstekorten, kiezen zij zelf voor bepaalde maatregelen. Dat hoeft niet altijd een opnamestop of de crisisopvang te betreffen. Ik heb geen zicht op de individuele maatregelen van zorgorganisaties. Wel zie ik dat er in de regio’s wordt samengewerkt en gezamenlijk naar oplossingen wordt gezocht, al dan niet met het zorgkantoor.
Indien er sprake is van crisisopvang is het de verantwoordelijkheid van het zorgkantoor om een geschikte plek te vinden. Ik heb tot op heden geen specifieke signalen over de crisisopvang van het zorgkantoor ontvangen dat zij hun zorgplicht hierin niet kunnen vervullen.
Kunt u aangeven hoe groot de huidige personeelstekorten zijn binnen de gehandicaptenzorg, uitgesplitst per deelsectoren op basis van zorgvorm en op basis van beperking?
Nee, dat kan ik niet. Er zijn geen cijfers over deelsectoren beschikbaar. Voor de gehele gehandicaptenzorg staan er momenteel (Q4 2025) 8.700 vacatures open.
Wat is uw reactie op de brandbrief van 14 organisaties uit de gehandicaptenzorg, verzonden op 16 oktober jongstleden?2 Herkent u de zorgen die zij schetsen?
Ik kan me voorstellen dat de brievenschrijvers zich hier zorgen over maken. Ik heb de partijen uitgenodigd om zeer binnenkort over hun brief in gesprek te gaan.
Welke oplossingsrichtingen zijn er op korte termijn om te voorkomen dat het personeelstekort dusdanig verder oploopt dat instellingen genoodzaakt zijn om opnamestops in te stellen? Bent u ook bereid om deze maatregelen te nemen? Zo ja, wat voor tijdspad ziet u voor zich? Zo nee, kunt u per oplossingsrichting aangeven waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat de arbeidsmarkt niet alleen in de gehandicaptenzorg onder druk staat, maar dat dit zorgbreed speelt. Het arbeidsmarkttekort is een complex probleem met vele oorzaken zonder een eenduidige oplossing. Het is een probleem dat niet door één partij is op te lossen, maar iets vraagt van de hele sector, de overheid en de maatschappij. Ik hoop daarom dat de werkgevers, beroepsverenigingen, cliëntenorganisaties en zorgkantoren samen met mij naar oplossingen willen zoeken die ook op langere termijn de toekomstbestendigheid van de sector verstevigen.
In diverse moties van de Tweede Kamer wordt met het oog op de continuïteit van zorg, in verschillende bewoordingen, verzocht om een benodigde flexibele schil te kunnen behouden voor de zorg of te komen tot maatregelen om de zorgsector de ruimte te blijven geven om te werken met zelfstandigen. De Minister van VWS is met een aantal brancheorganisaties in de zorg in overleg over de verschillende mogelijkheden die er op basis van huidige wet- en regelgeving zijn om een flexibele schil te behouden. Hierbij wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor een flexibele schil. De inzichten uit dit lopende traject kunnen ook worden gebruikt voor oplossingsrichtingen binnen de gehandicaptenzorg. Het is daarbij voor alle partijen van belang te onderkennen dat in de zorg een beweging naar meer loondienstverbanden wenselijk is.
Op de korte termijn zie ik ook kansen om het verzuim en verloop van medewerkers structureel aan te pakken. Het Preventieplan Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn3, een initiatief van Stichting IZZ, PGGM, en FWG Progressional People biedt concrete handvatten om werkgerelateerd verzuim en ongewenst verloop met een kwart te verlagen. Het is aan de werkgevers om deze bouwstenen te verankeren in de dagelijkse praktijk.
Hoe lang zijn momenteel de wachtlijsten in de gehandicaptenzorg, uitgesplitst per deelsectoren op basis van zorgvorm en op basis van beperking?
Het aantal wachtenden is in te delen in drie categorieën, namelijk; «wacht op voorkeur», «actief plaatsen» en «urgent plaatsen».
Voor de gehandicaptenzorg kan een splitsing gemaakt worden per deelsector en per zorgprofiel/zorgzwaartepakket, maar niet op basis van een beperking. Bij de interpretatie van deze cijfers moet rekening gehouden worden met het feit dat mensen met een complexe zorgvraag die wachten op een passende plek niet altijd in deze cijfers terug te zien zijn, door uiteenlopende oorzaken. Zoals mijn ambtsvoorganger in Kamerbrief 24 170, nr. 357 («vervolg complexe zorg, gehandicaptenzorg- juni 20254)» heeft aangegeven, wordt in het kader van de bestuurlijke afspraken complexe zorg, waar ik met Ieder(in), VGN, en ZN intensief samenwerk, gewerkt aan het in beeld krijgen van alle mensen met een complexe zorgvraag die wachten op een passende plek, zodat zo snel mogelijk een passende plek gevonden kan worden.
Hieronder treft u de wachtlijstcijfers over het derde kwartaal van 2025, per zorgzwaartepakket5.
zzp 1 VG Wonen met enige begeleiding.
7
0
7
0
zzp 2 VG Wonen met begeleiding.
24
3
21
0
zzp 3 VG Wonen met begeleiding en ver.
352
247
104
1
zzp 4 VG Wonen met begeleiding en int.
273
220
53
0
zzp 5 VG Wonen met intensieve begelei.
146
115
30
1
zzp 6 VG Wonen met intensieve begelei.
339
212
127
0
zzp 7 VG (Besloten) wonen met zeer in.
152
98
52
2
zzp 8 VG Wonen met begeleiding en vol.
54
35
19
0
zzp 1 LVG Wonen met enige behandeling.
0
0
0
0
zzp 2 LVG Wonen met behandeling en be.
4
2
2
0
zzp 3 LVG Wonen met intensieve behand.
22
2
20
0
zzp 4 LVG Wonen met zeer intensieve b.
8
4
4
0
zzp 5 LVG Besloten wonen met zeer int.
1
0
1
0
zzp 1 SGLVG Behandeling in een SGLVG.
18
1
17
0
zzp 1 LG Wonen met enige begeleiding.
0
0
0
0
zzp 2 LG Wonen met begeleiding en eni.
29
14
15
0
zzp 3 LG Wonen met enige begeleiding.
1
1
0
0
zzp 4 LG Wonen met begeleiding en ver.
102
79
23
0
zzp 5 LG Wonen met begeleiding en int.
25
17
7
1
zzp 6 LG Wonen met intensieve begelei.
116
76
37
3
zzp 7 LG Wonen met zeer intensieve be.
11
5
5
1
zzp 1 ZG visueel Wonen met enige bege.
0
0
0
0
zzp 2 ZG visueel Wonen met begeleidin.
2
2
0
0
zzp 3 ZG visueel Wonen met intensieve.
4
2
2
0
zzp 4 ZG visueel Wonen met intensieve.
7
2
4
1
zzp 5 ZG visueel Wonen met zeer inten.
2
2
0
0
zzp 1 ZG auditief Wonen met begeleidi.
1
0
1
0
zzp 2 ZG auditief Wonen met intensiev.
4
2
2
0
zzp 3 ZG auditief Wonen met intensiev.
6
4
2
0
zzp 4 ZG auditief Wonen met intensiev.
1
1
0
0
Welke gevolgen zou het verder oplopen van de personeelstekorten hebben voor de wachttijden binnen de gehandicaptenzorg en de kwaliteit van de gehandicaptenzorg?
Op basis van de laatste prognoses is het de verwachting dat het personeelstekort in de gehandicaptenzorg verder gaat oplopen. Niet uit te sluiten valt dat zorgaanbieders in reactie op een oplopend personeelstekort overwegen woningen of afdelingen te sluiten waardoor de wachttijden verder zouden oplopen. Ik zet er vol op in dat we niet in deze situatie terecht komen. We moeten daarom op een andere manier gaan kijken naar hoe we de zorg organiseren en tegelijkertijd goede kwaliteit van zorg behouden. De afgelopen jaren heb ik al veel goede voorbeelden gezien6 waarvan ik denk dat we de kansen nog meer kunnen benutten waardoor de wachttijden binnen aanvaardbare kaders blijven en de kwaliteit gewaarborgd blijft.
Op welke concrete manier wordt de kwaliteit van de zorg geborgd, ondanks de personeelstekorten?
Het waarborgen van de kwaliteit van zorg is primair de verantwoordelijkheid van een zorgorganisatie. De taak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is toezicht te houden op de kwaliteit van de zorg.
Deelt u de verwachting dat het structurele personeelstekort in de gehandicaptenzorg zal oplopen tot 33.400 in 2033? Zo nee, waarom niet en wat is dan wel uw verwachting?
Volgens het beleidsarme Referentiescenario van de arbeidsmarktprognose 2024 bedroeg het verwachte personeelstekort in de gehandicaptenzorg in 2034 circa 33.400 personen7 Op 19 december jl. is uw kamer op de hoogte gebracht van de uitkomsten van een nieuwe arbeidsmarktprognose (arbeidsmarktprognose 2025)8 Het personeelstekort in de gehandicaptenzorg in 2035 zal volgens deze nieuwe prognose oplopen tot iets minder dan 24 duizend personen volgens het Referentiescenario en ruim 20 duizend personen volgens het scenario Beleid. In het scenario Beleid zijn onder meer de ambities ten aanzien van arbeidsbesparing vanuit het AZWA en HLO meegenomen, waardoor de tekorten in de branches met akkoorden lager uitkomen. Het tekort in de gehandicaptenzorg komt volgens dat scenario ook lager uit doordat de branches met akkoorden minder arbeidsmarktspanning ervaren en verondersteld wordt dat deze branches daardoor iets minder inspanning leveren om personeel aan te trekken uit.
Daarbij is het goed om op te merken dat het primaire doel van het prognosemodel is om sturingsinformatie te geven aan partijen (en onszelf) om hierop te acteren. Beleidswijzigingen en gedragsveranderingen zullen ervoor zorgen dat het tekort uiteindelijk anders zal uitvallen in 2035 dan geraamd, nog los van de onzekerheid die zit in allerlei exogene factoren (zoals de personeelskrapte in de rest van de economie die ook van invloed is op de personeelstekorten in de gehandicaptenzorg).
Kunt u een opsommen welke concrete maatregelen u de afgelopen jaren hebt genomen om het personeelstekort in de gehandicaptenzorg tegen te gaan? Kunt u per maatregel aangeven in hoeverre deze maatregel, naar uw mening, heeft bijgedragen aan het tegengaan van het personeelstekort?
Samen met de sector wordt uitvoering gegeven aan de Toekomstagenda Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking9. Hoofdstuk 5 richt zich specifiek op Arbeidsmarkt en Vakmanschap. Samen met de VGN, BPSW, Ieder(in), NVAVG, NIP, NVO, V&VN en ZN geef ik invulling aan de speerpunten boeien, binden en benutten van personeel. Via een jaarlijkse rapportage10 houd ik de Kamer op de hoogte van de maatregelen en resultaten van de Toekomstagenda.
De afgelopen jaren zijn er ook zorgbreed verschillende programma’s gestart en akkoorden gesloten, zoals de Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ), het Integraal Zorgakkoord (IZA), het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA), het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) met als doel om het stijgende arbeidsmarkttekort zorgbreed te verlagen. De gehandicaptenzorg is niet aangesloten bij deze akkoorden, maar de verwachting is dat deze akkoorden een zorgbreed effect hebben. Bij de uitvoering van sommige maatregelen wordt de subsidie ook specifiek beschikbaar gesteld voor de gehandicaptenzorg. Zo is met de partijen van het AZWA afgesproken om in te zetten op het versterken van een lerende omgeving. Organisaties in de gehandicaptenzorg kunnen in 2026 ook aanspraak maken op de subsidie voor het stimuleren van strategische opleidingsactiviteiten in zorg en welzijn.
Kunt u een opsomming geven van de concrete maatregelen en acties die ingezet worden om meer personeel te werven voor de gehandicaptenzorg? Kunt u per maatregel aangeven wat u gaat doen en wat u gaat doen om de effectiviteit te beoordelen?
Het wervingsbeleid van zorgorganisaties is de verantwoordelijkheid van werkgevers. Voor maatregelen die zijn ingezet om het personeelstekort tegen te gaan verwijs ik naar het antwoord op vraag 10.
Kunt u een opsomming geven van de diverse factoren die spelen bij het personeelstekort in de gehandicaptenzorg? Kunt u per oorzaak ook concreet maken hoe dit bijdraagt aan het personeelstekort en op welke manieren dit is aan te pakken?
Er zijn diverse factoren die een rol spelen bij het personeelstekort in de gehandicaptenzorg, zoals onder andere vergrijzing, verschuivingen tussen branches, uitstroom/verloop, ziekteverzuim, personeel in deeltijd, toenemende zorgvraag en arbeidsomstandigheden. Ik wil hierbij benadrukken dat deze factoren per regio en per organisatie heel verschillend kunnen zijn. Er is dus niet één veelbelovende oplossing.
Ik kan niet aangeven hoe elke factor concreet bijdraagt aan het personeelstekort. Er is hier sprake van een complex probleem waar meerdere oorzaken aan ten grondslag liggen waardoor ik niet los voor een factor het effect op het tekort kan aangeven.
Wat is de impact van de huidige aanpak van schijnzelfstandigheid op de personeelstekorten? Herkent u dat door het terugdringen van zzp’ers zorgorganisaties nu meer gebruik maken van uitzendbureaus en de kosten oplopen door tarieven voor de diensten van uitzendbureaus, marges en omdat btw betaald moet worden over de inhuur? Kunt u een inschatting maken van die toegenomen kosten? Bent u bereid om met de sector afspraken te maken over het opzetten van flexpools naar voorbeeld van het (primair) onderwijs zodat mensen in vaste dienst komen en zekerheid hebben, en zorginstellingen geen additionele kosten kwijt zijn?
Op basis van beschikbare cijfers bij het CBS11 is geen relatie te leggen tussen de aanpak van schijnzelfstandigheid en een toename van de personeelstekorten. Er is een afname van het aantal zzp’ers waarneembaar. Tegelijkertijd is sprake van een toename van het totaal aantal werkenden en het aantal werknemers in de gehandicaptenzorg.
De signalen over een verschuiving van de inzet van zzp’ers naar aangeboden diensten via uitzendbureaus zijn vaker genoemd. Uit de cijfers is dit nog niet direct te destilleren voor de gehandicaptenzorg. Evenmin is een antwoord te geven hoe de tarieven van zzp’ers zich verhouden tot de tarieven die gelden bij bemiddeling via uitzendbureaus. Het lijkt logisch dat daarbij sprake zal zijn van een (gedeeltelijke) opslag voor bemiddelingskosten, als ook de invloed van btw.
Het organiseren van de zorg en daarmee ook de personele inzet is de verantwoordelijkheid van de sector. Dit geldt ook voor het vormgeven van een flexibele schil, al dan niet in loondienst. Zoals bij het antwoord op vraag 5 aangegeven is de Minister van VWS bereid, gegeven deze verantwoordelijkheidsverdeling, met brancheorganisaties in de gehandicaptenzorg te verkennen welke mogelijkheden er zijn voor een flexibele schil.
Voor wat betreft de genoemde optie om voor de flexpools het voorbeeld van het (primair) onderwijs te volgen, is het belangrijk om te benoemen dat dit niet zomaar mogelijk is. Anders dan in het onderwijs geldt de zorg als een economische activiteit. Als gevolg hiervan zijn voor de zorgsector de mogelijkheden om werknemers btw-onbelast uit te lenen aan andere werkgevers beperkter dan in het onderwijs. Dit betekent niet dat het betalen van btw per se een belemmering hoeft te zijn. Er zijn voorbeelden van uitleen met btw waarbij toch kostenbesparingen worden ervaren.
In hoeverre is de Toekomstagenda Gehandicaptenzorg nog accuraat en actueel? Ziet u redenen om aanvullende maatregelen te nemen zodat de doelen in de Toekomstagenda gehaald worden? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat de zorg en ondersteuning aan mensen met een beperking echt toekomstbestendig wordt?
De Toekomstagenda zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking loopt tot en met eind 2026. De agenda is dynamisch en afhankelijk van de actualiteit kan een onderwerp worden toegevoegd. Voor komende periode heb ik de sector uitgenodigd om samen met mij plannen te maken hoe de zorg toekomstbestendig te maken.
De verkoop van het cloudbedrijf van DigiD en MijnOverheid en de dreiging voor onze digitale autonomie |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het Financieele Dagblad van 12 november jongstleden over de verkoop van het Nederlandse cloudbedrijf Solvinity aan Kyndryl, een Amerikaanse partij, en de daaruit voortvloeiende onrust bij overheden die afhankelijk zijn van de diensten van Solvinity, zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de zorg dat door deze overname essentiële overheidsdiensten, waaronder DigiD en MijnOverheid, feitelijk in buitenlandse handen komen, met alle risico’s van dien, bijvoorbeeld op het gebied van digitale soevereiniteit en (data)veiligheid?
Ik heb begrip voor de zorgen van de Tweede Kamer over de voorgenomen overname van het bedrijf Solvinity door een Amerikaans bedrijf. Solvinity is betrokken bij belangrijke diensten van de overheid zoals bijvoorbeeld DigiD.
Het is belangrijk dat de veiligheid van vertrouwelijke gegevens van en de dienstverlening aan burgers niet in het gedrang komen door deze overname. Daarom wordt momenteel, naast de onderzoeken van de wettelijke toezichthouders, onder mijn regie onderzoek gedaan naar de operationele, juridische en contractuele gevolgen van de voorgenomen overname. Als het onderzoek naar de gevolgen van de beoogde overname een onacceptabel risico laat zien, worden passende maatregelen genomen. De veiligheid en bescherming van essentiële gegevens van Nederlandse burgers staan voorop.
Welke juridische en bestuurlijke instrumenten staan u ter beschikking om dergelijke overnames van strategisch vitale ICT-dienstverleners te reguleren of te keren? Zijn er mogelijkheden om een overname te verbieden of voorwaarden te stellen?
Het waarborgen van onze digitale autonomie is een belangrijke ambitie van het kabinet, zoals ook is beschreven in de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie2. Voor onze digitale autonomie is het van belang dat we een sterkere Nederlandse (en Europese) techsector opbouwen. Voor een klein handelsland als Nederland zijn een open economie en toegang tot internationale kapitaalmarkten hiervoor essentieel. Dat zorgt ervoor dat Nederlandse bedrijven internationaal innovatief en concurrerend kunnen zijn. Tegelijkertijd betekent dit dat bedrijven overgenomen kunnen worden door buitenlandse partijen. Waar investeringen in Nederlandse marktpartijen impact hebben op onze nationale veiligheid, hebben we instrumenten tot onze beschikking om die impact te toetsen en – indien noodzakelijk – ons hiertegen te beschermen, zoals de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet Vifo) en de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (WOZT).
Bent u vooraf betrokken geweest bij de overnamebesprekingen, en is er door de departementen gemonitord wat de gevolgen zijn van de overname specifiek voor overheidsklanten zoals DigiD, het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) en andere kritieke publieke diensten?
Nee, ik ben niet betrokken geweest bij overnamebesprekingen. Voor de zomer van 2025 heeft Solvinity bij Logius aangegeven dat een overname op handen was zonder details van de overnamekandidaat te delen. Onder regie van BZK wordt op dit moment het totale risicobeeld bij overheidsorganisaties geïnventariseerd.
Hoe beoordeelt u de kans dat door deze overname buitenlandse entiteiten inzage of controle zouden kunnen krijgen in kritische overheidsdata, bijvoorbeeld op grond van buitenlandse wetgeving zoals de Cloud Act of andere wet- en regelgeving?
Ten tijde van het afsluiten van de contracten zijn met Solvinity afspraken gemaakt over de vertrouwelijkheid en veiligheid van de bij deze onderneming ondergebrachte gegevens. Een overname van Solvinity door een partij in de VS betekent dat die afspraken nader moeten worden ingevuld, om te voorkomen dat de vertrouwelijkheid en veiligheid van die gegevens in het geding kan komen.
De wettelijke Amerikaanse instrumenten maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
De overeenkomsten tussen de Staat en Solvinity bieden aanknopingspunten om ten minste van Solvinity te verlangen dat er technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de gegevens waartoe zij toegang heeft op een wijze worden verwerkt die voldoet aan de in de EU geldende regels, zoals die uit de Algemene verordening gegevensbescherming. Welke maatregelen dat zullen zijn vormt onderwerp van de gesprekken tussen de Staat en Solvinity.
Wat is op dit moment de eigendomsstructuur van de IT-diensten achter DigiD, MijnOverheid en Digipoort? Welke onderdelen zijn in handen van Solvinity, en wat betekent de overname praktisch voor de eigendom en exploitatie van deze cruciale infrastructuur?
Voorzieningen zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort zijn specifieke applicaties ontwikkeld door en voor Logius. De applicaties DigiD en MijnOverheid draaien op het door Solvinity beheerde ICT-infrastructuurplatform «PICARD». Op dit platform kunnen de gebruikersrechten en het beheer per laag (infrastructuur, applicatie, netwerk) verschillen en/of door verschillende partijen worden uitgevoerd.
Het uitgangspunt is dat de Staat der Nederlanden eigenaarsrechten van de software en data van voorzieningen als DigiD, MijnOverheid en Digipoort bezit. Leveranciers hebben, afhankelijk van de dienstverlening, gebruikersrechten om toegang te krijgen om hun beheertaken te kunnen uitvoeren. Er zijn twee vormen van beheer te onderscheiden: technisch beheer en applicatiebeheer. Het technische beheer (o.a. infrastructuur, servers) van het «PICARD» ICT-platform is uitbesteed aan Solvinity.
Het applicatiebeheer dat zich richt op de werking van de applicatie zelf wordt uitgevoerd door eigen Logius medewerkers, eventueel aangevuld met inhuur of uitbesteed. Dit verschilt per voorziening. Beide vormen van beheer zijn uitvoerende taken en staan los van eigendomsrechten t.a.v. software en data.
Hoe waarborgt u dat andere belangrijke overheidsdiensten, die nu in Nederlandse handen zijn, niet op termijn eveneens kunnen worden overgenomen door buitenlandse partijen? Welke preventieve strategie wordt hierbij door het kabinet gehanteerd?
Het in Nederlandse handen houden van alle bedrijven is op zichzelf geen doel van het kabinet. Nederland hanteert een stelsel van investeringstoetsingen gericht op het mitigeren van risico’s voor de nationale veiligheid. Mocht de beoogde overname onder het bereik van de investeringstoetsing vallen zal het reguliere, zorgvuldige proces daartoe gevolgd worden.
De nieuwe Rijksbrede Strategie IT-sourcing, onderdeel van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), geeft aandacht aan het verkrijgen van een sterkere regie op digitale autonomie, soevereiniteit en veiligheid. Voor situaties waarin leveranciers worden overgenomen door buitenlandse partijen wordt een handreiking ontwikkeld om de afnemers te helpen met het in kaart brengen van de mogelijke risico’s die daarmee gepaard gaan en de mogelijkheden tot mitigatie.
Erkent u de bredere zorgen over de afhankelijkheid van buitenlandse cloudaanbieders die in het artikel naar voren worden gebracht? In hoeverre heeft het kabinet concrete stappen gezet om te investeren in digitale autonomie, bijvoorbeeld op het gebied van een nationale of «soevereine» overheidscloud?
Het kabinet erkent de zorgen over de afhankelijkheid van buitenlandse cloudaanbieders. De Rijksoverheid streeft dan ook naar het tot stand komen van een «soevereine overheidscloud» voor kritieke overheidsdienstverlening. Binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt verkend hoe een soevereine overheidscloud eruit kan zien; dit geldt als belangrijke prioriteit. Tevens recent de Visie Digitale Autonomie vastgesteld. Naast het onderstrepen van het belang van digitale autonomie, worden ook de strategische bouwstenen benoemd die nodig zijn om te komen tot een digitale overheid die grip heeft op autonomie, zeggenschap heeft over haar data (soevereiniteit) en cyberveilig en weerbaar is. Deze casus onderstreept het belang van de NDS.
Hoe verhoudt deze overname zich tot het bestaande Rijksbreed Cloudbeleid? Worden er in dat beleid mechanismen opgenomen om toekomstige overnames van (voormalig-) Nederlandse cloudleveranciers door buitenlandse partijen te beperken?
In het Rijksbreed cloudbeleid is een risicoanalyse verplicht. Hierin moeten ook de risico’s van mogelijke buitenlandse inmenging op de dienstverlening op het gebied van vertrouwelijkheid en beschikbaarheid worden meegewogen. Waar nodig moeten die risico’s worden gemitigeerd, dan wel moet een andere leverancier worden gezocht. Deze risico’s gelden niet voor elke overheidsdienst waardoor een risico-gebaseerde aanpak het gehanteerde mechanisme is.
Bent u bereid de Kamer halfjaarlijks te informeren over de risico-inschatting, de maatregelen die worden genomen én de mogelijke vervolgacties in het kader van digitale autonomie over Nederlandse overheidswebsites?
Het Forum Standaardisatie voert periodiek onderzoeken3 uit naar de toepassing van open standaarden, de naleving van de «pas toe of leg uit»-lijst en de informatiebeveiliging bij overheidsorganisaties, waarmee zij inzicht geeft in de interoperabiliteit en digitale weerbaarheid van de Nederlandse overheid om daarmee vendor lock-in te voorkomen en kwetsbaarheden in kaart te brengen.
Daarnaast wordt in de eerste helft van 2026, vanuit het NDS Programma, een verkenning uitgevoerd naar realisatie van een overheidsbrede soevereine cloudvoorziening. Deze cloudvoorziening is een belangrijke prioriteit van het NDS programma. Ik zal de uitkomsten van deze verkenning met uw Kamer delen.
Mobiel bereik in de grensstreek |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Michon-Derkzen (VVD) over het bericht «Geen mobiel bereik in grensstreek: 77-jarige man ligt na val machteloos half uur op de grond»?1
Ja.
Acht u het reëel om bij de beoordeling van 112-bereikbaarheid in grensregio’s te blijven uitgaan van alternatieven zoals wifi-bellen, de 112NL-app of vaste lijnen, wanneer uit signalen blijkt dat deze voorzieningen juist in deze gebieden structureel ontbreken?
Bellen via WiFi en de 112NL-app zijn uiteraard geen alternatief als er geen WiFi beschikbaar is of als er geen mobiele netwerkdekking is. Deze opties, en een vaste lijn, zijn met name een mogelijke oplossing als mobiele netwerkdekking in of om het huis tekortschiet, maar er wel verbinding is met een WiFi-netwerk.
Voor andere plekken waar mobiele netwerkdekking lokaal achterblijft zijn alternatieve oplossingen nodig. Het verbeteren van de mobiele netwerkdekking is er daar één van, maar er zijn natuurkundige en technische grenzen aan hetgeen daarmee mogelijk is. Omdat mobiele netwerken nationaal zijn, zijn ter voorkoming van onderlinge verstoringen afspraken gemaakt tussen buurlanden over het maximale zendvermogen op de grens. Om dat in de praktijk na te leven is het onvermijdelijk om kleine concessies te doen op (de kwaliteit van) de netwerkdekking.
De Nederlandse mobiele netwerkaanbieders zijn bovendien niet eigenstandig in staat om de mobiele netwerkdekking in de grensregio’s naar een hoger niveau te brengen. Daarvoor is het namelijk ook noodzakelijk dat de mobiele netwerken in Duitsland en België van voldoende kwaliteit zijn om dekking te bieden aan de Duitse en Belgische kant van de grens.2 Bij onvoldoende dekking van de Nederlandse netwerken wordt ook gebruikgemaakt van aanwezige buitenlandse netwerken door middel van roaming.
Een technologische en marktontwikkeling die op korte termijn potentie toont is die van satellietsystemen die 4G ondersteunen, en in de toekomst waarschijnlijk ook 5G. Satellieten kunnen immers eenvoudig grote geografische gebieden van dekking voorzien. Ook voor deze systemen geldt overigens dat de dekking wordt beïnvloed door zaken als de natuurkundige aard van radiocommunicatie, seizoensinvloeden, boombladeren en bebouwing. Een vrije zichtlijn met een satelliet is belangrijk voor goede dekking.
Steeds meer smartphones die op de markt komen ondersteunen communicatie via deze satellietsystemen. Sommige toestelfabrikanten bieden gebruikers nu al de mogelijkheid om via die satellietsystemen een SOS bericht te versturen naar hulpdiensten. Zo bieden Apple en Google hiervoor ondersteuning op iPhones vanaf versie 14, en Google Pixels 9 en 10-modellen.3 Het is mogelijk dat deze diensten in de toekomst beschikbaar komen in meer goedkopere toestellen. Dit kan op termijn de mobiele bereikbaarheid van 112 in de grensstreken verder verbeteren.
In de tussentijd ben ik uiteraard bereid om in samenwerking met provincies en gemeenten te kijken wat in concrete gevallen de oorzaak van een gebrekkige mobiele netwerkdekking is en of er oplossingen mogelijk zijn. Daarvoor is in het verleden de Handreiking mobiele bereikbaarheid opgesteld die concrete handvatten biedt.4 De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) is beschikbaar om gemeenten te helpen in de toepassing daarvan.
Het is tegelijkertijd onverminderd van belang dat mensen gebrekkige mobiele bereikbaarheid van 112 melden bij het Centraal Informatiepunt 112. Dat stelt de RDI in staat om te onderzoeken wat in concrete gevallen de oorzaak van problemen is. Uit de meldingen die tot nog toe zijn ontvangen blijkt bijvoorbeeld dat de mobiele netwerkdekking niet altijd de oorzaak is. Dankzij meldingen kan worden verzekerd dat de beschikbare tijd en middelen worden gericht op de gevallen waarin de mobiele netwerkdekking van de Nederlandse netwerken de oorzaak is, en er mogelijkheden bestaan om die te verbeteren.
Desondanks zal niet voor alle locaties een oplossing mogelijk zijn door verdere verbetering van de Nederlandse mobiele netwerken. Daarom vind ik de aandacht die u en de media aan dit onderwerp geven, zeer belangrijk. Het is belangrijk dat mensen weten dat de mobiele netwerkdekking niet altijd en overal in Nederland kan worden gegarandeerd. Zelfs al behoren die netwerken tot de wereldtop en vinden er voortdurend investeringen en innovaties plaats om de mobiele bereikbaarheid in het algemeen en in het verlengde daarvan 112 verder te verbeteren.
Deelt u de zorg dat het aantal meldingen bij het meldpunt mobiele bereikbaarheid geen representatief beeld geeft van de situatie in de grensstreken, onder meer vanwege onbekendheid met het meldpunt en meldmoeheid? Bent u bereid om, mede op basis van signalen van gemeenten, toch te kijken naar aanvullende analyse?
Voor een goed beeld baseer ik mij op verschillende informatiebronnen, waaronder de meldingen bij het Centraal Informatiepunt 112, de metingen die de RDI verricht om te controleren of de drie mobiele netwerkaanbieders voldoen aan de dekkings- en snelheidsverplichting en signalen vanuit de samenleving. Het Centraal Informatiepunt 112 biedt de mogelijkheid om meldingen te doen bij het ervaren van mobiele onbereikbaarheid van 112. Zoals opgenomen in de beantwoording van vraag 2 is het van belang dat mensen meldingen doen bij dergelijke situaties.
Ik erken dat meldingen bij het Centraal Informatiepunt 112 niet altijd een volledig beeld geven van de situatie op sommige locaties. Bij het Centraal Informatiepunt Mobiele Bereikbaarheid 112 wordt, op basis van de informatie die per melding beschikbaar is, een eerste inschatting gemaakt van de mogelijke oorzaak van de ervaren onbereikbaarheid 112. Daaruit komt het beeld naar voren dat dit verschillende oorzaken kan hebben. Niet in alle gevallen hangt dit samen met de mobiele dekking ter plaatse; ook het gebruikte toestel, de kwaliteit van de spraakverbinding of het verloop van het contact nadat de verbinding tot stand is gekomen kan daarbij een rol spelen.
Om de bekendheid van het informatiepunt te vergroten, is de RDI in 2024 een mediacampagne gestart. Dit heeft geleid tot een toename in de bekendheid van het informatiepunt, maar niet tot een grote toename aan meldingen.
In hoeverre erkent u dat papieren dekkingspercentages – zoals de 98% buitenshuisdekking – onvoldoende inzicht geven in de werkelijke situatie in grensstreken, waar buitenlandse netwerken het Nederlandse signaal verdringen en zendvermogens worden geminimaliseerd?
De 98% buitenshuisdekking is de opgelegde geografische dekkingsverplichting aan de drie mobiele netwerkaanbieders. Het toezicht van de RDI, ook in grensgemeenten, geeft inzicht in de werkelijke situatie op basis van metingen. Hieruit blijken alle drie de mobiele netwerkaanbieders te voldoen aan deze 98% dekkingsverplichting.
De RDI heeft zeer recent metingen uitgevoerd in drie grensgemeenten in de provincies Gelderland en Limburg. Uit deze metingen komt naar voren dat de drie mobiele netwerkaanbieders in deze gemeenten voldoen aan de dekkings- en snelheidsverplichting en de dekking in grensgemeenten grosso modo niet wezenlijk afwijkt van andere metingen elders in het land. Tegelijkertijd blijkt uit de metingen dat op lokaal niveau wel verschillen bestaan tussen aanbieders als het gaat om netwerkdekking in de grensgemeenten, zoals dat ook in andere gemeenten doorgaans het geval is. Deze verschillen hebben onder andere te maken met de locaties van de antenne-opstelpunten, het aantal antenne-opstelpunten en ook de gebruikte frequentiebanden.
Daarbij is relevant dat dit de individuele gemeten dekking is van iedere aanbieder voor mobiele telefoongesprekken en mobiel internetgebruik van diens abonnees, terwijl bij noodoproepen gebruik gemaakt kan worden van alle beschikbare netwerken. Deze gestapelde dekking geeft voor 112-oproepen een hoger dekkingspercentage dan de individuele netwerken. Ook is het goed om op te merken dat de dekkingsverplichting wordt gemeten met een minimale snelheid van 8 Megabit per seconde. Bij een lagere signaalsterkte is het signaal mogelijk nog steeds voldoende om een telefoongesprek op te zetten.
Desalniettemin kan in grensstreken de bereikbaarheid van 112 lokaal minder goed zijn dan op andere plekken in Nederland, mede gelet op de noodzakelijke afstemming van frequentiegebruik met onze buurlanden. Ik ben mij er ook van bewust dat de metingen van de RDI een momentopname vormen en dat de ervaring van burgers en bedrijven hiervan kan verschillen. Dit heeft er onder andere mee te maken dat mobiele dekking afhankelijk is van invloeden als het weer en de seizoenen. Maar ook van het gebruikte toestel, de manier waarop mensen een toestel vasthouden, het abonnementstype en het andere (data)verkeer op het netwerk. Ook hoeven de mobiele netwerkaanbieders niet op elke locatie in een gemeente dekking en capaciteit aan te bieden, zolang aan de eis van 98% van het grondgebied wordt voldaan. Daartegenover staat dat, hoewel Natura 2000-gebieden in een gemeente formeel zijn uitgezonderd van de dekkings- en snelheidsverplichting, uit de metingen van de RDI blijkt dat in de praktijk vaak wel mobiele dekking is in deze gebieden. Tot slot merk ik op dat de dekkings- en snelheidsverplichting buitenshuis geldt, terwijl burgers en bedrijven vaak dekking binnenshuis verwachten.
Kunt u toelichten hoe de automatische netwerkkeuze bij 112-oproepen functioneert in praktijk, met name in situaties waarin geen bruikbaar Nederlands netwerk beschikbaar is en het buitenlandse netwerk 112-roaming niet ondersteunt?
Op het moment dat een toestel een 112-oproep start, zal dit via ieder Nederlands mobiele netwerk afgehandeld kunnen worden, afhankelijk van de signaalsterkte. Indien het eigen netwerk onvoldoende signaalsterkte biedt dan zal het toestel zoeken naar andere beschikbare mobiele netwerken. De telefoon zal verbinding maken met een mobiel netwerk dat voldoende signaalsterkte heeft. Dit kan ook een buitenlands mobiel netwerk zijn. Er is daarmee, in tegenstelling tot reguliere oproepen, geen afhankelijkheid van het eigen netwerk en bijbehorende netwerkdekking. Voor zover technisch mogelijk, ondersteunen de buitenlandse netwerken altijd 112-roaming.
In hoeverre acht u het realistisch om gemeenten verantwoordelijk te maken voor verbetermaatregelen in witte gebieden via de Handreiking mobiele bereikbaarheid, als er zonder aanvullende steun vanuit het Rijk geen zicht is op investeringen zoals zendmasten, grensafstemming of alternatieve infrastructuur?
Doorlopend ben ik met de mobiele netwerkaanbieders en gemeenten in gesprek over de plaatsing van zendmasten. Het Rijk schept daarbij de landelijke wettelijke kaders en randvoorwaarden en biedt ondersteuning aan gemeenten, onder andere in de vorm van gemeentelijk voorbeeldbeleid voor antenneplaatsing.5 Ook de genoemde Handreiking mobiele bereikbaarheid kan helpen om de netwerkdekking in (grens)gemeenten te verbeteren. In de basis is het aan de mobiele netwerkaanbieders om te bepalen waar zij zendmasten willen plaatsen, afhankelijk van de eigen (radio)planning. Gemeenten kunnen dit faciliteren aangezien zij de bevoegde instantie zijn voor het verlenen van vergunningen voor de plaatsing van zendmasten. Ook kunnen (grens)gemeenten ingaan op de jaarlijkse uitnodiging van Monet (het samenwerkingsverband van de mobiele operators) om te spreken over de voorgenomen plaatsing van nieuwe antenne-installaties in hun gemeente.
Bent u bereid om in gebieden waar mobiele dekking aantoonbaar tekortschiet, zoals in Ven-Zelderheide, nader te verkennen of aanvullende veiligheidsvoorzieningen zoals alarmpalen alsnog een rol kunnen spelen als vangnet in levensbedreigende situaties?
Vooropgesteld, de mobiele dekking en bereikbaarheid van 112 in Nederland zijn, over het algemeen, zeer goed. Dit is ook het geval in Ven-Zelderheide, onderdeel van de gemeente Gennep, blijkt uit de recente metingen van de RDI.6 Ook zijn er al diverse maatregelen getroffen en alternatieve manieren om 112 te kunnen bereiken, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. Ik waardeer het zeer dat u meedenkt in mogelijke oplossingen, en hoewel uw suggestie om bijvoorbeeld alarmpalen in te zetten sympathiek is, ben ik niet overtuigd dat de oplossing ligt in dergelijke vaste infrastructuren naast het reguliere (vaste) telefoonnet. Dit laat onverlet dat ik graag in gezamenlijkheid met provincies en gemeenten kijk naar mogelijke oorzaken en oplossingen voor lokaal achterblijvende mobiele netwerkdekking. Zoals opgenomen in de beantwoording van vraag 2 is het van belang dat mensen meldingen doen bij het ervaren van mobiele onbereikbaarheid van 112. Ik moet daarbij nogmaals benadrukken dat volledige mobiele netwerkdekking onmogelijk overal in Nederland kan worden gegarandeerd. Daarom is op de website van de rijksoverheid een aantal handelingsperspectieven opgenomen.7
De instandhoudingsopgave |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen die uitgesproken worden in het artikel «Om bruggen en wegen te onderhouden zijn miljarden nodig, maar het budget is platgewalst» en de analyse dat «het risico dat Nederland meer haarscheuren en kuilen zal moeten accepteren, reëel wordt»?1
Ja.
Hoe waardeert u deze zorgen en analyse?
De zorgen worden herkend. De Algemene Rekenkamer concludeerde in mei van dit jaar in haar verantwoordingsonderzoek dat het verschil tussen de budgetbehoefte en begroting voor de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en hoofdwatersysteem over de periode van 2024–2038 is opgelopen tot circa € 34,5 miljard. Het uitgesteld onderhoud neemt verder toe en de conditie van de infraobjecten wordt zichtbaar en meetbaar slechter, zoals ook blijkt uit de Staat van de Infrastructuur. Het aantal storingen, ongeplande werkzaamheden en functie beperkingen loopt verder op.
Nadere analyses zijn eerder uitgevoerd en met de Kamer gedeeld. Het kabinet heeft eind 2024 opdracht gegeven om een langetermijnperspectief en uitvoeringsstrategie voor de bereikbaarheid van veranderend Nederland (woningbouw, economie en mobiliteit) op te stellen. Over de uitkomsten is de Kamer 17 oktober jl. geïnformeerd2. Niet voor niets is daarin aangegeven dat de infrastructuur in Nederland de ruggengraat van onze samenleving vormt én onze delta veilig houdt. Het is ook een harde randvoorwaarde voor woningbouw, onze weerbaarheid en economische ontwikkeling. Zonder infra geen nieuwe woningen, zonder infra geen militaire mobiliteit en zonder infra geen sterke internationale concurrentiepositie en economie.
Ook is de Kamer 17 juni 20243 geïnformeerd dat de instandhoudingsopgave groter is dan het beschikbare budget en wat op dat moment maakbaar werd geacht. Met de maatregelen uit het Meerjarenplan Instandhouding4 dat op 1 juli 2025 is gedeeld met de Kamer, is het productievermogen van Rijkswaterstaat vergroot. Hierdoor kan meer werk worden gerealiseerd dan waarin de huidige budgetten voorzien. In het meerjarenplan is een lijst opgenomen met objecten waarvoor de voorbereiding voor de vernieuwing is gestart, maar waarvoor geen budget beschikbaar is. Voor al deze projecten geldt dat de urgentie in kaart is gebracht en het niet tijdig oppakken gaat leiden tot forse risico’s op de netwerken.
In de Kamerbrief van 8 december 2025 over de Staat van de Infrastructuur 20245 is benadrukt dat het nieuwe kabinet voor een belangrijke keuze staat om de infrastructuur op basis van de huidige eisen operationeel te houden. De beschikbaarheid van voldoende structurele middelen is daarvoor een randvoorwaarde. Zonder deze randvoorwaarde zullen de prestaties van de netwerken naar beneden moeten worden bijgesteld en zijn vergaande keuzes nodig.
Hoe wordt gezorgd voor (duidelijkheid over) meerjarige financiering van de instandhoudingsopgave voorbij de horizon van 2030, waarbij inflatie-gecorrigeerde schommelingen vermeden worden, en voor een programmatische of seriematige aanpak van onderhoud zodat het werkveld meer zekerheid heeft voor het doen van investeringen in productiecapaciteit?
De meerjarige financiering van de instandhoudingsopgave is opgenomen in de instandhoudingsbijlage van het Mobiliteits- en Deltafonds. Voor de gehele fondsperiode tot en met 2039 is, per netwerk, inzichtelijk gemaakt wat de jaarlijks beschikbare budgetten zijn voor Exploitatie & Onderhoud en Vernieuwing. Afhankelijk van de jaarlijkse toekenning van de Index Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI) door het Ministerie van Financiën, wordt de begroting gecorrigeerd voor prijsstijgingen.
In het Meerjarenplan Instandhouding6 is de aanpak van Rijkswaterstaat beschreven. Met de portfolioaanpak wordt ingezet op onderhoud en vernieuwing in bundels van meerdere vergelijkbare objecten, zoals bruggen, sluizen of tunnels. Dit bespaart tijd en kosten in de aanbesteding en levert schaalvoordelen op. Het zorgt ook voor een voorspelbare stroom aan opdrachten («dealflow»), waarop de markt zich kan voorbereiden door te investeren in productiecapaciteit. Om de voordelen van de portfolioaanpak ten volle te benutten, is zekerheid nodig over de financiële middelen in de begroting voor de gehele looptijd. In het meerjarenplan is aangegeven dat voor een deel van het werk in voorbereiding, waaronder portfolio’s, geen financiële middelen beschikbaar zijn. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Bent u bereid een voortrollend meerjarenplan instandhouding waarbij niet vijf maar tien jaar vooruitgekeken wordt in overweging te nemen en hier een prijsindexatie aan te koppelen?
Rijkswaterstaat werkt al met een voortrollende programmering waarbij steeds over de lengte van de gehele fondsperiode vooruit wordt gekeken. Dat betekent dat steeds 16 jaar vooruit wordt gekeken, waarvan de eerste 4 jaar maakbaar worden geprogrammeerd en de 4 jaar daarna vooruit worden gepland.
Naast een samenvatting van de programmering kent het meerjarenplan instandhouding nog drie onderdelen, namelijk de sturing op de opgave, managen van productiegroei en de maakbaarheid van de opgave. Deze onderdelen zijn juist gebaat bij stabiliteit en lenen zich niet voor een voortrollende systematiek. Afhankelijk van de jaarlijkse toekenning van de IBOI wordt de begroting gecorrigeerd voor prijsstijgingen.
Wordt gekeken naar mogelijkheden om de investeringsbehoefte voor de instandhoudingsopgave en versterking van de infrastructuur, die sterk toeneemt met de technische levensduur van kunstwerken en andere infrastructuur en de groei van de bevolking, beter te linken aan de begroting?
In de Kamerbrief van 17 juni 20247 is aangegeven dat de instandhoudingsopgave groter is dan het beschikbare budget en wat op dat moment maakbaar werd geacht. De Algemene Rekenkamer heeft het tekort in de periode 2024–2038 becijfert op € 34.5 miljard. Het meerjarenplan instandhouding van 1 juli 20258 zet uiteen hoe Rijkswaterstaat de productie op instandhouding verhoogt naar ruim € 3 miljard per jaar in de periode tot en met 2030 in lijn met het beschikbare budget. Rijkswaterstaat is inmiddels in staat om meer vernieuwingsprojecten te starten dan eerder voorzien en thans budgettair inpasbaar.
Een robuust en duurzaam Nederland vereist dat we blijven investeren in onze infrastructuur. Ook de Raad van State wijst er in dit kader in haar advies bij de Voorjaarsnota 2025 op dat op middellange termijn de overheidsconsumptie en inkomensoverdrachten stijgen, vooral in de zorg- en de sociale zekerheid, terwijl de overheidsinvesteringen (zoals vervoersinfrastructuur) beduidend minder toenemen, ook op langere termijn. Het is aan een nieuw kabinet om te besluiten over toekomstige extra investeringen in de infrastructuur.
Via de reguliere begrotingscyclus wordt uw Kamer, onder meer via de instandhoudingsbijlage, geïnformeerd over de gerealiseerde en beoogde productie en prestaties van de netwerken en de bijbehorende financiering voor de aankomende jaren.
Hoe zorgt u ervoor dat schaarse capaciteit van aannemers en specialisten gericht wordt op projecten die de grootste impact hebben op het netwerk?
RWS werkt op basis van een stabiel meerjarenprogramma waarin projecten worden geprioriteerd. Criteria daarbij zijn beschikbaarheid van budget, beschikbaarheid van capaciteit, zowel bij RWS als de markt, het belang van het object in het netwerk en de technische staat ervan. Ook wordt het werk afgestemd tussen RWS en Prorail en met andere (regionale) partners en uitvoeringsorganisaties om overlast voor de gebruiker te beperken. Door tijdig met marktpartijen te communiceren over het meerjarenprogramma en enkele keren per jaar een actuele inkoopplanning te publiceren, zijn marktpartijen in staat om rekening te houden met het moment waarop projecten op de markt komen en kunnen ze daarop anticiperen.
Hoe wordt bepaald welke kunstwerken het eerst vervangen moeten worden? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met de netwerkimpact bij uitval en storingen, ook voor goederenvervoer?
Bij de prioritering wordt rekening gehouden met de aspecten zoals genoemd in het antwoord op vraag 6. Daarbij geldt dat Vernieuwing en Exploitatie en Onderhoud communicerende vaten zijn. Als vernieuwingsprojecten niet kunnen worden uitgevoerd binnen de randvoorwaarden van budget, capaciteit en hinderplanning wordt er geprioriteerd. Dan worden één of meer vernieuwingsprojecten in het Meerjarenprogramma naar achteren geschoven. De objecten binnen de scope van deze projecten zullen in dat geval langer in stand moeten worden gehouden binnen Exploitatie & Onderhoud. Dit leidt tot hogere kosten en extra capaciteitsinzet voor Exploitatie & Onderhoud. Hierdoor schuift ander werk behorend bij het afgesproken Basiskwaliteitsniveau (BKN) ook naar achteren en loopt het uitgesteld onderhoud op.
Is een lijst met kunstwerken beschikbaar die op korte termijn vervangen moeten worden vanwege de hoge netwerkimpact bij storingen en uitval?
RWS rapporteert jaarlijks in de in de «Staat van de Infrastructuur» over kunstwerken met beperkingen voor gebruikers. Ook wordt inzicht gegeven in de gebieden waar Rijkswaterstaat geplande en/of uitgestelde werkzaamheden verwacht. Deze kaarten zijn momentopnames. Gedurende het jaar kunnen er wijzigingen optreden door herprioritering, vertragingen, inspecties of andere factoren.
Hoe kunt u ervoor zorgen dat het (financieel) aantrekkelijker wordt voor aannemers om te kiezen voor infrastructuurprojecten van Rijkswaterstaat?
Rijkswaterstaat biedt in vergelijking met andere opdrachtgevers en opgaven in beginsel interessante en beeldbepalende infraopdrachten. Het is van belang dat deze projecten onder voldoende aantrekkelijke voorwaarden in de markt worden gezet. Er wordt gewerkt aan meer en betere samenwerking met de markt, innovatieve werkwijzen, passende contractvormen en meer inzicht in de «dealflow». Dat helpt marktpartijen om keuzes te maken, te anticiperen en capaciteit efficiënt in te plannen. Daarbij wordt, om het werk aantrekkelijker te maken, ingezet op vereenvoudiging van administratieve proceseisen, vermindering van de tenderinspanningen en standaardisering. Tot slot is er aandacht voor de contractuele verdeling van de risico’s en de beheersafspraken daarover.
Het bericht 'OM onderzoekt 49 sterfgevallen door illegale medicijnensite: ‘Vermoedelijk topje van de ijsberg’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM onderzoekt 49sterfgevallen door illegale medicijnensite: «Vermoedelijk topje van de ijsberg»»?1
Daar zijn wij bekend mee.
Heeft u in beeld hoeveel vermoedelijke sterfgevallen inmiddels in verband kunnen worden gebracht met de middelen die via Funcaps werden verstrekt?
Op een pro-forma zitting d.d. 17 november 2025 met betrekking tot de strafzaak tegen Funcaps heeft het Openbaar Ministerie (OM) aangegeven dat 35 sterfgevallen in correlatie staan tot Funcaps. Die correlatie kan zijn: overledene is mogelijk als gevolg van gebruik van Funcaps middelen om het leven gekomen, dan wel zijn bij de overledene middelen in de woning gevonden. In de strafzaak wordt nu onderzoek gedaan naar het verband tussen de sterfgevallen en Funcaps.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat zoveel mensen al slachtoffer zijn geworden van dit middel, en dat dit misschien zelfs een topje van de ijsberg is?
Wij delen de mening dat de berichtgeving uitermate schokkend is en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers. Wij vinden het belangrijk om duidelijk te krijgen of dit inderdaad het topje van de ijsberg is. Over de individuele strafzaak kunnen wij geen uitspraken doen; het is uiteindelijk aan de rechter om in deze strafzaak recht te spreken.
Is de website waarop deze middelen verstrekt zijn, nog steeds offline of zijn er equivalenten in beeld?
De website is offline gehaald door de service provider op aangeven van de Inlichtingen en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA-IOD). Andere vergelijkbare websites zijn naar aanleiding van de publiciteit offline gegaan of hebben hun aanbod aangepast. Websites kunnen overal ter wereld worden gehost. Dit betekent dat er niet altijd mogelijkheden zijn om websites uit de lucht te halen. Ondanks de handhaving, blijft het illegale aanbod groot. Het offline halen van websites is een kat-en-muisspel.
Vallen de designerdrugs van Funcaps onder de nieuwe categorie van designerdrugs die sinds 1 juli 2025 verboden zijn?
Een deel van de middelen zijn naar het oordeel van het Openbaar Ministerie voor het leven en gezondheid gevaarlijk zoals bedoeld in artikel 174 Wetboek van Strafrecht. Een deel van de middelen zijn volgens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd geneesmiddelen, die alleen met een vergunning mogen worden verkocht. Een deel van de middelen is aan te merken als stof vallend onder een van de stofgroepen die sinds 1 juli 2025 onder de Opiumwet verboden zijn.
Het lijkt erop dat websites van bedrijven als Funcaps hebben geprobeerd de Opiumwet, Geneesmiddelenwet en Warenwet te omzeilen door het gebruik van de termen als «voor onderzoeksdoeleinden» of «niet voor menselijke consumptie». Wij vinden dit zeer ongewenst gezien de mogelijke gezondheidsrisico’s die het gebruik van dit soort middelen met zich meebrengt. Daarom zijn wij in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij kijken we bijvoorbeeld naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij zullen uw Kamer daarover zo snel als mogelijk informeren.
Zijn er op dit moment nog leemtes in de Opiumwet waardoor soortgelijke designerdrugs niet officieel verboden zijn? Zo ja, wat is ervoor nodig om deze grensgevallen wel onder het verbod uit de Opiumwet te laten vallen?
Door de introductie van lijst IA bij de Opiumwet zijn er nu drie groepen designerdrugs verboden. Op dit moment wordt gewerkt aan regelgeving om een vierde stofgroep, de nitazenen, toe te voegen aan lijst IA. Er zijn en komen nog steeds stoffen op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Deze stoffen vormen niet allemaal eenzelfde bedreiging voor de volksgezondheid.
De effecten van de NPS-wet, lijst IA, worden gemonitord en geëvalueerd. Op basis van deze dataverzameling en de ontwikkeling in het aanbod van designerbenzodiazepinen en de effecten op de gezondheid wordt de wenselijkheid van een verbod op deze groep middelen binnen de Opiumwet bepaald.
Wat vindt u ervan dat bedrijven zoals Funcaps dagelijks de Staatscourant in de gaten houden om op de hoogte te blijven van eventuele nieuwe verboden van designerdrugs?
Wanneer het geval is dat de insteek van deze bedrijven is om de wetgeving te ontduiken, mag duidelijk zijn dat dit zeer onwenselijk is.
Hoe vaak worden pakketten onderschept met designerdrugs of grondstoffen en welke maatregelen zijn mogelijk om deze aanpak structureel te verbeteren?
Sinds 1 juli 2025 is de nieuwe wetgeving aangaande specifieke groepen designerdrugs in werking. Er zijn op dit moment nog geen cijfers bekend over onderscheppingen van designerdrugs en/of grondstoffen sinds 1 juli 2025.
In het kader van de invoeringstoets van de onderhavige wetgeving, woeden in de loop van 2026 de eerste cijfers van na de wetswijziging van 1 juli 2025 bekend. Deze cijfers worden gebruikt voor de evaluatie van de wetgeving, die na 3 jaar moet zijn afgerond, en geven een eerste indicatie van de effectiviteit van de recente wetswijziging en of er eventueel nadere maatregelen nodig zijn om de problematiek aan te pakken.
Verder worden grondstoffen zelden via pakketten per post verstuurd en daarmee dus ook zelden onderschept. De stroom grondstoffen, ook wel precursoren, loopt normaliter via andere logistieke wegen, zoals via de havens of het spoor.
Welke preventieve maatregelen kunt u nemen om tevoorkomen dat soortgelijke illegale webshops in de toekomst opnieuw ontstaan, met name bij handel in designerdrugs?
Wij kunnen niet voorkomen dat webshops worden gemaakt of opgezet. Er kan pas gehandhaafd worden als daadwerkelijk sprake is van online illegale inhoud of illegale activiteit.
Indien geen gehoor wordt gegeven aan verzoeken tot verwijdering van online illegale content2 kan de officier van justitie met een machtiging van de rechter-commissaris, die enkel wordt afgegeven ingeval van verdenking van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, een platform bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken als dit noodzakelijk is voor de beëindiging van een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten (artikel 125p Sv).
De digitaledienstenverordening (DSA) is sinds 2024 in werking en bepaalt waar tussenhandeldiensten zoals websites aan moeten voldoen en welke acties zij moeten ondernemen als het gaat om illegale inhoud. De Autoriteit Consument en Markt ziet op de naleving van deze regels toe.
Welke opsporingstechnieken zijn op dit moment inzetbaar om online handel in designerdrugs te detecteren?
Er zijn diverse opsporingsmogelijkheden om illegale online handel te detecteren. Zo zijn er bij de politie digitale rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het openbare internet; zij verzamelen en analyseren informatie die vrij beschikbaar is voor het publiek. Indien er gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
In hoeverre worden hostingbedrijven aangesproken wanneer ze webshops faciliteren die designerdrugs aanbieden?
Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze kennis hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de NVWA en de Politie kunnen bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. Zowel de IGJ als de NVWA-IOD maken regelmatig gebruik van deze mogelijkheid, wat leidt tot het offline halen van websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze procedure.
Hoe kan misleidende marketing rondom designerdrugs, die specifiek gericht is op jongeren, tegen worden gehouden en hoe wordt voorkomen dat minderjarigen gemakkelijk via internet toegang hebben tot designerdrugs?
Online platformen hebben onder de DSA de verplichting om de privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen (artikel 28). Zij zijn echter niet verplicht om te beoordelen of de afnemer van hun dienst minderjarig is. Online platformen kunnen wel houders van websites die frequent illegale inhoud plaatsen schorsen.
Het is in algemene zin niet mogelijk om de toegang van jongeren of minderjarigen tot het internet te beperken, ook niet als het gaat om ongewenste websites. Het is vooral van belang dat deze groep wordt voorgelicht over de risico’s. Ouders en het onderwijs spelen hier een belangrijke rol. Daarom is in juni 2025 de Richtlijn Gezond Schermgebruik gelanceerd. Deze heeft als doel ouders en opvoeders op een duidelijke en eenduidige manier te ondersteunen bij het stimuleren van gezond scherm- en sociale mediagebruik van hun kinderen. Momenteel worden deze richtlijnen verder geconcretiseerd, zodat ouders en opvoeders de adviezen kunnen toepassen in hun dagelijks leven. Daarnaast werkt de Staatssecretaris van OCW momenteel aan de verankering van digitale geletterdheid in het curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs: zo worden leerlingen gestimuleerd om online de kansen en risico’s te herkennen en zo weloverwogen keuzes te maken. Het Trimbos-instituut biedt voorlichting over de risico’s van drugs gericht op de doelgroep, bijvoorbeeld door het programma Helder op School, met name gericht op het voorgezet (speciaal) onderwijs en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en wordt gebruik gemaakt van social media om jongeren te bereiken, zoals Tik Tok. Daarnaast is afgelopen zomer een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren met de negatieve gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze pilotcampagne bestond uit onder meer een virtual reality experience en een hieraan gelieerde social mediacampagne. Deze campagne wordt op dit moment geëvalueerd. Na een positieve evaluatie is het voornemen om deze campagne dit jaar te continueren.
De handel in middelen die vallen onder de Opiumwet is strafbaar. Daarnaast is het op grond van artikel 3b van de Opiumwet ook verboden om de verkoop van middelen door openbaarmaking te bevorderen. Indien aangetoond kan worden dat sociale media of andere partijen medeplichtig zijn aan deze handel kan daartegen worden opgetreden. Voor strafrechtelijke vervolging moet er echter wel opzet van de sociale media of verkopende websites bij de handel of openbaarmaking aangetoond kunnen worden. Hierbij is het dus van belang om te kijken om wat voor stoffen deze misleidende marketing draait om tot het antwoord te komen hoe daarmee om te gaan.
Op welke manier werkt Nederland samen met buurlanden om labs en sites die designerdrugs aanbieden en produceren, op te sporen en op te rollen?
Nederland werkt op verschillende manieren samen met buurlanden. Met België, Frankrijk en Luxemburg (Hazeldonksamenwerking) worden gezamenlijk drugscontroles uitgevoerd langs de hoofdinfrastructuur en wordt constant gewerkt aan een gezamenlijk intel-beeld bij grensoverschrijdende drugsnetwerken. Andere voorbeelden zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Door het sinds 1 juli 2025. van kracht zijnde stofgroepenverbod is een groot deel van de meest gebruikte stoffen in Nederland strafbaar geworden, maar niet alle stoffen zijn afgedekt. Internationale samenwerking, zoals hierboven beschreven, kan dus goed via de internationale samenwerkingsverbanden plaatsvinden zolang de strafbaarstelling van middelen internationaal hetzelfde is.
De opname van scope 3 uitstoot in Nederlandse milieueffectbeoordelingen naar aanleiding van de recente Noorse rechtszaak hieromtrent |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de rechtszaak tegen de Noorse staat die Greenpeace en Natur og Ungdom op vrijdag 14 november 2025 hebben gewonnen waarin het gerechtshof Borgarting mede op grond van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) d.d. 28 oktober 2025 heeft bevestigd dat de vergunningen voor drie olievelden door de rechtbank ongeldig zijn omdat de scope 3-uitstoot niet in de milieueffectbeoordeling beoordeeld was?1, 2
Ja, deze rechtszaak is bekend.
Bent u op de hoogte van het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) van 21 mei 2025, waarin het Hof stelt dat in het kader van richtlijn 2011/92/EU de milieueffectbeoordeling voor een project om gas of olie te winnen, ook de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de verbranding van de gewonnen olie en gas die vervolgens aan een derde partij zijn doorverkocht (scope 3 uitstoot) als effect mee in beschouwing moet nemen?3
Ja, het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) is bekend.
Wat vindt u van de conclusie van de Noorse rechter d.d. 17 november 2025, het advies van het Hof van de Europese Vrijhandelsassociatie d.d. 21 mei 2025 en het EHRM dat scope 3 meegenomen moet worden in de milieueffectbeoordeling?
Het kabinet kan de redenatie van het EHRM en het EVA-hof volgen en begrijpt uit de uitspraak van het EHRM, waarin ook de eerdere uitspraak van het EVA-hof is betrokken, dat bij de beoordeling van het wel of niet toestaan van de winning eveneens de scope 3 emissies moeten worden betrokken. Op dit moment wordt de uitspraak van het EHRM nader bestudeerd om precies in kaart te kunnen brengen wat dit betekent voor bijvoorbeeld de vergunningverlening. Om die reden kunnen niet alle vragen die het lid van Oosterhout stelt nu al worden beantwoord. Uiterlijk einde eerste kwartaal 2026 zullen de uitkomsten van de nadere analyse met de Kamer worden gedeeld.
Onderschrijft u de conclusie van de gerechtshoven in deze verschillende rechtszaken dat in het licht van richtlijn 2011/92/EU de opname van scope 3 juist voor het informeren van burgers van belang is?
Op dit moment wordt de uitspraak bestudeerd. U wordt hierover uiterlijk eind eerste kwartaal van 2026 nader over geïnformeerd.
Bent u zich ervan bewust dat dergelijke rechtszaken internationaal steeds vaker voorkomen en leiden tot de conclusie dat scope 3 meegenomen moet worden in een milieueffectbeoordeling voor nieuwe olie- of gaswinningsprojecten, zoals bijvoorbeeld in 20 juni 2024 in het Verenigd Koninkrijk4 en recent op 13 november 2025 in Denemarken?5
Ja, daar is het kabinet zich van bewust.
Welke risico’s ziet u voor de vergunningsverlening door de overheden in Nederland, gegeven dat voornoemde uitspraken gebaseerd zijn op een ook in Nederland geldende richtlijn en in het licht van eerdere veroordelingen van de Nederlandse staat omwille van falend klimaatbeleid?
Op dit moment worden de uitspraken nog nader bestudeerd om de gevolgen voor de vergunningverlening in kaart te brengen. Daarom is het nog niet mogelijk om conclusies te trekken over de risico’s voor de vergunningverlening.
Klopt het dat scope 3 op dit moment nog niet systematisch meegenomen wordt in milieueffectbeoordelingen bij vergunningverleningen voor nieuwe olie en gas velden?
Ja, dat klopt. Op dit moment worden de scope 3-emissies niet meegenomen bij het verlenen van vergunningen voor nieuwe olie- of gaswinning.
Welk gewicht geeft u momenteel aan scope 3-uitstoot in beslissingen voor vergunningen?
Op dit moment worden scope 3 emissies niet betrokken bij de beoordeling van aanvragen voor het winnen van aardgas of aardolie.
In welke mate is de Staat kwetsbaar in reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen, waarbij scope 3 niet is meegenomen in de milieueffectbeoordeling, bijvoorbeeld in de aanvraag van de NAM om onder de Waddenzee aardgas te winnen vanuit Ternaard?
Op dit moment worden de uitspraken nog nader bestudeerd om de gevolgen voor de vergunningverlening in kaart te brengen. Daarbij wordt ook gekeken naar reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen. Het verzoek tot instemming met het winningsplan voor Ternaard wordt ingetrokken. Hierover is de Kamer op 28 november jl. geïnformeerd.6
Onderschrijft u dat het risico op dergelijke rechtszaken meegenomen zou moeten worden in de afweging om nieuwe vergunningen te verlenen voor nieuwe gasboringen in Nederland en dat scope 3 meegenomen moet worden in de milieueffectbeoordeling? Zo ja, hoe neemt u dit mee in uw afweging? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 9 aangegeven vindt op dit moment nadere bestudering plaats van de gevolgen van de uitspraak van het EVRM voor de vergunningverlening waarbij ook wordt gekeken naar reeds lopende en mogelijke toekomstige rechtszaken tegen bestaande en toekomstige door de Staat verleende vergunningen.
Gaat u naar aanleiding van deze rechtszaken aanvullende eisen stellen aan de vergunningverlening voor fossiele winning als het gaat om scope 3-uitstoot? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat zijn de gevolgen van deze uitspraken voor mogelijke vergunningverlening specifiek voor gaswinning in het Waddengebied?
Op basis van de Mijnbouwwet kan geen nieuwe gaswinning meer worden toegestaan in het Natura 2000-gebied Waddenzee. De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft dan ook geen gevolgen specifiek voor gaswinning in het Waddengebied.
Gezien deze zoveelste klap voor fossiele energiebronnen die de noodzaak voor een versnelde transitie naar hernieuwbare energie nog maar eens onderschrijft, welk bijkomend beleid stelt u voor om die transitie verder te versnellen?
Dit kabinet heeft stevige klimaatambities die in lijn zijn met de afspraken zoals vastgelegd in het Parijsakkoord. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. Een streefdoel van 55% reductie in 2030 is ook verankerd in de nationale Klimaatwet. Het belang van aardgas zal in lijn met de klimaatambities structureel en zo snel als mogelijk moeten afnemen maar ook dan zal er nog geruime tijd een zekere behoefte aan gas in de energievoorziening blijven bestaan. De energietransitie is namelijk niet van de ene op de andere dag geregeld. Om ervoor te zorgen dat Nederland haar klimaatdoelstelling bereikt, stuurt het kabinet reeds op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen. Hierbij wordt ingezet op energiebesparing en de opwek van hernieuwbare energie via onder meer zon en wind. Ook wordt er volop ingezet op de ontwikkeling van kernenergie. Zolang Nederland nog aardgas nodig heeft, gaat de voorkeur uit naar gas gewonnen uit eigen bodem, in plaats van import van aardgas in de vorm van LNG. Eigen geproduceerd gas heeft een lagere CO2-voetafdruk en het maakt Nederland minder afhankelijk van andere landen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voorafgaand aan het commissiedebat Gasmarkt en leveringszekerheid op 10 december 2025?
Ja.
Een gat in de steun aan Oekraïne |
|
Eric van der Burg (VVD), Fatimazhra Belhirch (D66), Kati Piri (PvdA), Maes van Lanschot (CDA), Laurens Dassen (Volt), Don Ceder (CU), Hanneke van der Werf (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangenomen motie van het lid Boswijk c.s. waarin de regering verzocht werd zich ervoor in te blijven spannen dat er geen ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een deel van het budget voor militaire steun aan Oekraïne van 2026 naar het jaar 2025 vooruit is geschoven?
Ja, het kabinet heeft tijdens voorjaarsbesluitvorming van 2025 besloten om de militaire steun te continueren met € 3,1 miljard op de defensiebegroting voor 2026 (binnen het totaal van € 3,5 miljard steun voor Oekraïne). De militaire en geopolitieke ontwikkelingen rondom Oekraïne hebben er toe geleid dat het kabinet heeft besloten een deel hiervan versneld in 2025 te realiseren.
Klopt het dat daarmee vaststaat dat de militaire steun aan Oekraïne in 2026 flink lager zal zijn dan in dit jaar? Zo ja, wat is het verschil?
De totale militaire steun aan Oekraïne blijft hetzelfde als bij de voorjaarsbesluitvorming is besloten. Een deel van deze steun is versneld in 2025 tot kasuitgaven gekomen. Als direct gevolg van het besluit is een gedeelte van de middelen die oorspronkelijk voor 2026 bestemd waren, reeds dit kalenderjaar uitgegeven. Het totale begrote bedrag aan kasuitgaven zal daardoor ca. € 4,3 miljard voor 2025 bedragen op de defensiebegroting. De momenteel begrote militaire steun op de defensiebegroting aan kasuitgaven voor 2026 bedraagt vooralsnog € 2,1 miljard. Voor 2027 zijn reeds kasuitgaven voor een totaal van € 750 miljoen gereserveerd op de defensiebegroting, mede omdat dit Nederland in staat stelt meerjarige uitgavenverplichtingen aan te gaan (bijvoorbeeld mbt de productie van drones en F16-gerelateerde verplichtingen).
Daarnaast is er in 2025, 2026 en 2027 nog respectievelijk ca. € 0,7 miljard, ca. € 0,5 miljard en ca. € 0,4 miljard beschikbaar op het defensiematerieelfonds voor de eigen krijgsmacht ter vervanging van eerder geleverd materieel.
Voorziet u dat in 2026 de voortzetting van de Oekraïense defensie-industrie in het geding komt? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet onderstreept het belang van het investeren in de Oekraïense defensie-industrie en heeft daartoe reeds meer dan € 1 miljard direct bij bedrijven in Oekraïne verworven. Een deel van deze investeringen zal in 2026 tot daadwerkelijke leveringen aan Oekraïne leiden. Ook in 2026 zal Nederland blijven investeren in de Oekraïense defensie-industrie.
Nederland investeert relatief veel in de Oekraïense defensie-industrie, onder andere via het Drone Line Initiative. Om voortzetting van de productie van de Oekraïense defensie-industrie in 2026 te waarborgen roept dit kabinet ook andere landen op om meer te investeren in de Oekraïense defensie-industrie. Hierbij biedt Nederland ook aan om gebruik te maken van onze contracten, ervaringen en opgedane lessen.
Bent u het ermee eens dat de Oekraïense strijdkrachten onverminderde steun verdienen? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland blijft Oekraïne politiek, militair, financieel en moreel onverminderd steunen in tijden van oorlog, herstel en wederopbouw, zo lang als nodig is. Daarom is de lijn van het kabinet dat de internationale steun opgevoerd moet worden om Oekraïne in de sterkst mogelijke positie te brengen, waardoor Oekraïne ruimte krijgt bij mogelijke onderhandelingen en Oekraïne zich ook tegen toekomstige Russische agressie kan blijven verdedigen. Het onverminderd ondersteunen van de Oekraïense strijdkrachten met militaire steun is daar uiteraard onderdeel van.
Hoe bent u van plan om te voorkomen dat er ongewenste gaten vallen in de militaire steun aan Oekraïne?
Defensie richt zich op het waarborgen van een doorlopende en betrouwbare militaire steun aan Oekraïne. Tegelijkertijd is ook enige ruimte voor flexibiliteit nodig om te kunnen reageren op veranderende omstandigheden, zowel in Oekraïne als in de internationale steunverlening. Nederland zorgt ervoor dat de samenstelling van de militaire steun nauw aansluit op de behoeften van het Oekraïense Ministerie van Defensie en dat toezeggingen aan Oekraïne ook daadwerkelijk worden gerealiseerd. Naast de eigen inspanningen spoort Nederland ook andere bondgenoten aan om meer steun aan Oekraïne te leveren. Daarmee zet het kabinet in op meerburden sharing. Daarbij wordt ook gekeken naar de inzet van Russische bevroren tegoeden.
Het wegvallen van de inzet van vrijwillige duikteams bij opsporing en berging |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vrijwillige amateurduikers door nieuwe veiligheidsregels niet langer ingezet zouden mogen worden bij het bergen van vermiste personen of stoffelijke overschotten in wateren in Nederland?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat hiermee een waardevolle en betrokken vorm van burgerinitiatief en maatschappelijke dienstbaarheid ten onrechte verloren dreigt te gaan?
Nee, deze mening deel ik niet. Het beeld dat regels zijn aangescherpt en vrijwillige amateurduikers hierbij niet langer ingezet kunnen worden, klopt niet. Ik werk samen met de Stichting Werken onder Overdruk (SWOD) en andere belanghebbenden juist aan een versoepeling van de regels om vrijwilligersinitiatieven in de toekomst mogelijk te maken.
De versoepelde regels worden gebaseerd op het advies «Vrijwilligers en Duiken» van 4 juni 2025 van een werkgroep onder leiding van de SWOD. Dit advies is op mijn verzoek opgesteld en dit heb ik eerder aan uw Kamer gezonden.2 Aan de werkgroep namen deel: de Nederlandse Onderwatersportbond voor sportduikers (NOB), de Dutch National Scientific Diving Committee (DNSDC), de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), de civiele duikindustrie en het Ministerie van Defensie. De voorgestelde regels zijn tot stand gekomen na een volledige risicobeoordeling van het systeem. In het advies zijn ook de duikmedische normen opgenomen die eerder beoordeeld waren door de projectgroep «duikmedische zaken», eveneens onder leiding van de SWOD.
Het advies bevat voorstellen tot versoepeling van de regels voor vrijwilligers die duikarbeid verrichten zonder dat dit extra risico’s met zich meebrengt. Denk hierbij aan aangepaste lichtere medische keuringen op basis van geschikte sportduikbrevetten in plaats van registratie-eisen, zoals deze voor beroepsduikers gelden. Ik zal bij het vereenvoudigen van de voorschriften het advies van de werkgroep als uitgangspunt nemen.
Klopt het dat de politie op dit moment niet beschikt over voldoende professionele duikcapaciteit om op korte termijn overal in het land te kunnen reageren op vermissingen of mogelijke noodsituaties onder water?
De capaciteit van de politie, de brandweer en defensie blijkt in de praktijk voldoende te zijn voor de benodigde inzet bij zoek- en bergingstaken. Afhankelijk van de situatie en locatie zijn in Nederland verschillende organisaties verantwoordelijk voor de inzet van duikcapaciteit. Voor het zoeken naar en bergen van vermiste personen en bewijsmiddelen onder water heeft de politie een specialistisch team ingericht dat beschikt over duik-, sonar- en speurhonden capaciteit. Dit team opereert landelijk en wordt gemiddeld 180 keer per jaar ingezet.
Daarnaast beschikt de brandweer over duikteams die, in samenwerking met de politie, ingezet kunnen worden in geval van nood dan wel in het kader van openbare orde en veiligheid. En defensie heeft beschikbare duikcapaciteit voor inzet op de Noordzee, de kustwateren en het IJsselmeer. Ten slotte kan het Openbaar Ministerie een verzoek doen voor militaire bijstand van defensieduikteams als de politie hiervoor extra capaciteit nodig heeft voor onder andere vermissingen of het zoeken naar bewijslast.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als nabestaanden van vermiste personen langer in onzekerheid blijven omdat professionele duikcapaciteit beperkt is en niet direct inzetbaar is?
Voor vermiste personen en nabestaanden is het van belang dat adequaat wordt gehandeld en indien nodig duikcapaciteit beschikbaar is. Bij mij zijn geen gevallen bekend waarbij geen duikers en/of sonar konden worden ingezet vanwege onvoldoende duikcapaciteit. Beperkende factoren voor inzet kunnen zijn: de locatie, omstandigheden en duur van de zoekacties.
Kunt u inzicht geven in hoe vaak de afgelopen vijf jaar vrijwillige duikteams zijn ingezet, in hoeveel gevallen dat tot een succesvolle vondst leidde, en in hoeveel gevallen dit daadwerkelijk tot gevaarlijke situaties leidde?
De Werkgroep Ongevallen Registratie (WOR) van de Nederlandse Onderwatersport Bond (NOB) houdt de DOSA (Duik Ongevallen Statistiek Analyse) bij en rapporteert jaarlijks. De DOSA maakt geen onderscheid tussen ongevallen bij recreatief duiken, waarbij er geen organisatie verantwoordelijk is en vrijwillige duikarbeid, waarbij er wel een organisatie achter de activiteit verantwoordelijk is. Het is daarom niet mogelijk om uit deze registratie op te maken in hoeveel gevallen vrijwillige duikteams worden ingezet. En ook niet in welke gevallen dit tot gevaarlijke situaties leidde.
Ik heb daarom uw vraag voorgelegd aan de stichting Signi Zoekhonden en de stichting Onderzoek Maritieme Vermisten (OMV). De stichting Signi Zoekhonden geeft aan dat in de afgelopen vijf jaar in Nederland geen vrijwillige duikers zijn ingezet, behalve in het buitenland (Roemenië), waarbij de duikers het lichaam hebben gevonden en geborgen. De OMV houdt geen gegevens hierover bij.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke overwegingen en welk formeel besluit de inzet van deze vrijwillige duikers niet is toegestaan?
In de huidige situatie mogen sportduikers als vrijwilliger duikarbeid verrichten indien zij aan de voorschriften voor duikarbeid voldoen. Als zij daar niet aan voldoen, is dat niet toegestaan. Zodra een sportduiker meer doet dan recreatief duiken en als vrijwilliger arbeid verricht, is sprake van werken onder overdruk en gelden de reguliere voorschriften.
Klopt het dat het verbod voortkomt uit aangescherpte beroepsnormen die in de praktijk niet van toepassing zouden moeten zijn op vrijwilligerswerk zonder winstoogmerk? Zo ja, acht u die strikte toepassing proportioneel en noodzakelijk?
Nee, dit klopt niet. Er is momenteel geen verbod op duikarbeid door vrijwilligers. Als vrijwilligers duikarbeid willen verrichten, gelden de reguliere voorschriften. De normen voor beroepsduikers zijn ook niet aangescherpt. Op basis van het advies van de SWOD voor de aanpassing van de regels ga ik de bestaande regels juist vereenvoudigen. Omdat het advies tot stand is gekomen na een volledige risicobeoordeling van alle vormen van duiken, zowel in de beroepsmatige context als in de recreatieve context, geeft het advies de kans om de wettelijke voorschriften zo aan te passen dat voor alle vormen van duikactiviteiten de risico’s zijn bepaald en ook de daarbij behorende kwalificaties en beperkingen. Daarmee kan voor arbeid door vrijwilligers aangesloten worden bij bestaande kwalificaties in de sportduikwereld en zijn geen aanvullende kwalificaties nodig. En dit biedt ook duidelijkheid voor vrijwilligersorganisaties en hun verantwoordelijkheid richting de vrijwilligers die zij inzetten.
Klopt het dat de werkinstructie die nu opgesteld wordt slechts een leidraad is? Zo ja, onder welke voorwaarden kan daarvan afgeweken worden?
Vrijwilligersorganisaties moeten voor vrijwilligers die duikarbeid verrichten, in alle gevallen de risico’s inventariseren en werkinstructies opstellen voor de duikactiviteiten. Dat geldt nu ook al en dit zal niet veranderen na aanpassing van de wettelijke voorschriften. Om deze organisaties daarbij te ondersteunen, wordt door de NOB een document opgesteld dat de leidraad wordt genoemd of de werkinstructie, om te helpen daar op een goede manier invulling aan te geven. De leidraad bevat ook maatregelen volgens de laatste stand van de techniek en de professionele dienstverlening met ruimte voor de organisaties. Zolang het risico maar op gelijk niveau afgedekt blijft. Dit document is nog in de concept-fase. Het document is een hulpmiddel en heeft geen wettelijke status.
Als vrijwilligersorganisaties op een andere manier de risico- inventarisatie en de werkinstructie invulling willen geven is dat evengoed mogelijk. Zo lang de organisator van de duikactiviteit maar aan kan tonen dat de veiligheid van de vrijwilligersactiviteit op een vergelijkbaar niveau geborgd is.
In hoeverre is voldoende getoetst bij de toekomstige gebruikers of deze leidraad voldoende aansluit bij de gebruikelijke werkwijze of dat er waarschijnlijk veel afwijkingen noodzakelijk zijn?
Bij het opstellen van het advies hebben de leden van de projectgroep van SWOD, alle belanghebbende partijen geconsulteerd. Door de Nederlandse Onderwatersport Bond (NOB) is onder anderen met de Stichting Maritiem Onderzoek Nederland (STIMON) en de Landelijke Werkgroep Archeologie onder Water (LWAOW) afgestemd. Ik verwacht daarom niet dat de leidraad onvoldoende aansluit bij de gebruikelijke werkwijze of dat er veel afwijkingen noodzakelijk zijn. Naar aanleiding van het artikel in de Telegraaf heeft de NOB op haar website de vrijwilligersorganisaties aangeboden in overleg na te gaan over welke ondersteuning zij nodig hebben om zelf goede werkinstructies en risico- inventarisaties op te stellen.
In een persoonlijk gesprek met de LWAOW en de STIMON heb ik aanvullend aangeboden dit gesprek te willen organiseren. De partijen zijn op mijn uitnodiging ingegaan en zijn inmiddels uitgenodigd voor een workshop hierover begin 2026. In het gesprek heb ik ook aangegeven dat de partijen bij de wijziging van de regels hun visies kunnen inbrengen tijdens de consultatierondes.
Klopt het dat de Nederlandse Onderwatersport Bond (NOB) de werkinstructie dit najaar zal afronden en publiceren? Zo ja, kunt u toezeggen dat bij de publicatie van deze werkinstructie ook gecommuniceerd zal worden hoe vrijwillige amateurduikers hier van af kunnen wijken?
De publicatie van de leidraad of werkinstructie kan pas plaatsvinden als de regelgeving op het punt van vrijwillige duikarbeid is aangepast. Ik streef ernaar dit medio 2026 te doen. De NOB geeft vervolgens voorlichting over de conceptleidraad en heeft aangegeven om te assisteren bij het opstellen van de specifieke werkinstructies.
Wilt u de Kamer vóór het kerstreces informeren over de mogelijkheden om de inzet van amateurduikers op een veilige en verantwoorde manier weer mogelijk te maken?
Ik heb uw vragen voor het Kerstreces beantwoord. Zoals in mijn antwoorden aangegeven klopt het beeld niet dat regels zijn aangescherpt en vrijwillige amateurduikers niet langer ingezet kunnen worden. Ik werk samen met de Stichting Werken onder Overdruk (SWOD) en andere belanghebbenden juist aan een versoepeling van de regels om vrijwilligersinitiatieven in de toekomst mogelijk te maken. Ik streef ernaar de aanpassingen in de regelgeving medio 2026 gereed te hebben.
Het bericht ‘Marijns zoon nam middelen van funcaps en overleed: “Er is geen drempel om deze shit te gebruiken”’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht in de Volkskrant waarin wordt beschreven hoe Marijns zoon is overleden na het gebruik van middelen die via zogenaamde «funcaps»-websites konden worden besteld?1
Wij vinden deze berichtgeving uitermate schokkend en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers.
Over de individuele strafzaak kunnen wij geen uitspraken doen; het is uiteindelijk aan de rechter om in deze strafzaak recht te spreken.
Wel zijn wij, samen met alle betrokken operationele partijen, in kaart aan het brengen met welke problemen we hier te maken hebben en welke interventies daarbij passen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren.
Klopt het dat dergelijke websites op grond van de per 1 juli 2025 in werking getreden wetgeving geen synthetische drugs of nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) meer mogen aanbieden en leveren?
Het klopt dat er geen NPS meer mogen worden aangeboden of geleverd die vallen onder lijst IA van de Opiumwet welke op 1 juli 2025 van kracht is gegaan. Het betreft een drietal veel voorkomende stofgroepen die zijn afgeleid van harddrugs. Sinds het verbod op 1 juli 2025 mogen deze middelen uit deze stofgroepen niet meer verhandeld worden.
Er blijven echter NPS op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Dit kunnen middelen zijn waarbij sprake is van overtreding van de Geneesmiddelenwet of van de Warenwet. Wanneer bij de aangeboden middelen sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid, kan dit worden aangemerkt als een overtreding van art. 174, Wetboek van Strafrecht.
Andere synthetische drugs zoals bijvoorbeeld MDMA of methamfetamine zijn al sinds de jaren 80 strafbaar onder lijst I, behorende bij de Opiumwet.
Op welke wijze wordt in de praktijk gehandhaafd op dit verbod? Kunt u toelichten hoeveel websites sinds de inwerkingtreding van de wet zijn gesloten, beboet of anderszins aangepakt wegens het aanbieden van middelen die onder de nieuwe Opiumwet vallen?
Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie digitale rechercheurs die OSINT (open source intelligence) -onderzoeken kunnen doen op het openbare internet; zij verzamelen en analyseren informatie die vrij beschikbaar is voor het publiek. Indien gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren.
Indien sprake is van betalingen in virtuele valuta kan ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel. Sinds de inwerkingtreding van de lijst IA van de Opiumwet op 1 juli is een aantal acties uitgevoerd, waarbij inbeslagnames hebben plaatsgevonden en gemeenten zijn ingeschakeld voor bestuurlijke handhaving.
Toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Politie kunnen bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze procedure.
Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze weet hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze mogelijk aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Kunt u bevestigen dat het nog steeds mogelijk is om via eenvoudige zoekopdrachten online toegang te krijgen tot websites die partydrugs of designerdrugs aanbieden? Acht u dit, gezien de nieuwe wetgeving, een wenselijke situatie?
Het klopt dat er nog steeds toegang is tot websites die designerdrugs aanbieden. Er is ook nog steeds aanbod van middelen die (nog) buiten de Opiumwet vallen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, kunnen het middelen zijn waarbij sprake is van overtreding van de Geneesmiddelenwet of van de Warenwet. Wanneer bij de aangeboden middelen sprake is van een bewezen gevaar voor de gezondheid, kan dit worden aangemerkt als een overtreding van art. 174, Wetboek van Strafrecht.
Laten we hier helder in zijn, in alle gevallen vinden wij het onwenselijk als deze middelen illegaal worden verhandeld op het internet.
Waarom zijn deze websites nog actief, ondanks het generieke verbod op NPS? Ligt dit aan te beperkte handhavingscapaciteit, aan lacunes in de wetgeving, of aan andere factoren?
Ondanks de uitbreiding van de Opiumwet met stofgroepen van NPS zijn er nog steeds veel schadelijke middelen die niet onder de Opiumwet vallen. Vooral voor de zogenaamde grensvlakproducten is de handhaving complex, omdat op voorhand niet altijd duidelijk is onder welke wetgeving ze vallen.
Wat ook meespeelt is dat pas door het strafrechtelijk onderzoek de omvang van de problematiek dermate goed zichtbaar is geworden. Wij zijn nu in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij zullen we bijvoorbeeld kijken naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren in een brief.
Bestaat het risico dat buitenlandse webshops misbruik maken van mazen in de Nederlandse of internationale regelgeving om alsnog aan Nederlandse klanten te leveren? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit tegen te gaan?
Risico op misbruik van mazen in de regelgeving bestaat altijd. Daarom zetten wij ons in om de lacunes in de regelgeving te vinden en weg te nemen. Een goed voorbeeld hiervan is de nieuwe lijst IA van de Opiumwet. Door dit stofgroepenverbod kunnen we de handel in gevaarlijke designerdrugs tegengaan. Verder werken uitvoeringsorganisaties samen in meerdere samenwerkingsverbanden. De opsporingsdiensten staan middels verschillende samenwerkingsverbanden in contact met andere landen. Voorbeelden hiervan zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Welke aanvullende stappen bent u bereid te ondernemen om ervoor te zorgen dat dergelijke websites sneller uit de lucht worden gehaald en dat toegang via reguliere zoekmachines onmogelijk wordt gemaakt?
Het kabinet wil al het aanbod en zeker ook het online aanbod van drugs tegengaan. Uit gesprekken met betrokken partijen blijkt dat de handhaving van de online verkoop van drugs niet los te zien is van de onlinehandel in andere verboden middelen. Zoals aangekondigd op Prinsjesdag wordt extra geld geïnvesteerd in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Met deze investering wordt de capaciteit in de digitale opsporing uitgebreid. Deze investering zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs ten goede komen.
Verder is het een zeer beweeglijke markt van websites die snel weer verschijnen nadat ze offline gehaald worden, waardoor het belangrijk is voor de politie en de NVWA-IOD om gedegen onderzoek te doen naar de mensen en partijen achter deze websites.
Daarom gaan wij, samen met alle betrokken operationele partijen, in kaart brengen met welke problemen we hier te maken hebben en welke interventies daarbij passen. Wij zullen uw Kamer daar zo snel als mogelijk over informeren.
Overigens kent deze problematiek niet alleen een aanbodkant, maar ook een vraagkant. Wij vinden het daarom ook belangrijk om te kijken hoe de vraag naar illegale geneesmiddelen kan worden verminderd. Wij gaan onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen. Het Trimbos-instituut adviseert voorzichtig te zijn bij publiekscampagnes gericht op het ontmoedigen van online aankoop van geneesmiddelen of drugs, omdat zulke campagnes soms onbedoeld juist het gebruik kunnen normaliseren of aantrekkelijker maken. Wij informeren uw Kamer hier verder over in eerdergenoemde brief.
Klopt het dat – zoals eerder door opsporingsdiensten aangegeven – niet alle instanties over de juiste technische middelen beschikken om te bepalen of een product onder de verboden stoffen valt? In hoeverre is deze situatie inmiddels verbeterd?
Het gaat niet alleen om technische middelen om te detecteren of een product verboden stoffen bevat, er is ook een inhoudelijke beoordeling nodig om te bepalen onder welke wetgeving een product valt. «Research chemicals» zijn een voorbeeld van zogenaamde «grensvlakproducten». Van deze producten is op voorhand niet altijd duidelijk onder welke wetgeving ze vallen.
Er zijn verschillende partijen betrokken bij de opsporing van verboden stoffen. Deze partijen hebben verschillende technische middelen beschikbaar. Zo is de politie in de operatie uitgerust met handheld drugstesters. Met deze drugstesters kunnen honderden stoffen worden gedetecteerd. In de forensische labs beschikt de politie daarnaast over geavanceerde forensische onderzoeks- en analyseapparatuur ten behoeve van de bewijsvoering in strafzaken. Bij de meer complexe zaken wordt het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) betrokken. Om te bepalen of de Geneesmiddelenwet van toepassing is moet de IGJ van geval tot geval bepalen of een product onder de definitie van geneesmiddel valt. Dit zijn arbeidsintensieve onderzoeken. Opsporingsdiensten zoals de NVWA-IOD en de politie zijn voor deze inhoudelijke beoordeling afhankelijk van de expertise en capaciteit van de IGJ. In onze gesprekken met alle betrokken partijen wordt dit punt ook meegenomen.
Is de huidige handhavingscapaciteit, zowel technisch als personeelsmatig, toereikend om de online handel in verboden NPS daadwerkelijk effectief terug te dringen? Zo nee, welke knelpunten spelen hierbij?
Juist omdat deze handel vaak een veelheid aan producten betreft op het grensvlak van verschillende wetgeving met verschillende bevoegdheden voor de toezichthouder (Opiumwet, Geneesmiddelenwet, Wetboek van strafrecht en Warenwet) is samenwerking met betrokken diensten erg belangrijk. Voor alle toezichthoudende en handhavende partijen geldt dat zij te maken hebben met beperkte capaciteit, wat hierop van invloed is. Zoals reeds toegelicht, zijn wij in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak, waarbij ook de mogelijkheid van aanpassing van wet- en regelgeving wordt meegenomen.
In hoeverre vormen buitenlandse websites een probleem bij de handhaving? Welke mogelijkheden heeft Nederland om aanbieders die vanuit het buitenland leveren te blokkeren of anderszins aan te pakken?
Het klopt dat de online handhaving lastiger wordt als een aanbieder van een bepaalde website zich in het buitenland bevindt. Nederlandse toezichthouders hebben geen bevoegdheid om websites van aanbieders die gevestigd zijn in het buitenland te blokkeren. Wel kunnen toezichthouders als de IGJ, de NVWA en de Politie bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze gedragscode en zelf een melding maken van een verdenking van illegale inhoud of illegale activiteit van een website.
De digitaledienstenverordening (DSA) is in 2024 in werking getreden en bepaalt waar tussenhandeldiensten zoals websites aan moeten voldoen en welke acties zij moeten ondernemen als het gaat om illegale inhoud. De Autoriteit Consument en Markt ziet op de naleving van deze regels toe. Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze weet hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze mogelijk aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Hoe beoordeelt u de huidige samenwerking met andere EU-lidstaten en internationale opsporingsinstanties bij het aanpakken van grensoverschrijdende online verkoop van NPS? Zijn hier verbeteringen noodzakelijk?
Nederland werkt op verschillende manieren samen met buurlanden. Met België, Frankrijk en Luxemburg (Hazeldonksamenwerking) worden gezamenlijk drugscontroles uitgevoerd langs de hoofdinfrastructuur en wordt constant gewerkt aan een gezamenlijk intel-beeld bij grensoverschrijdende drugsnetwerken. Andere voorbeelden zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Door het op 1 juli jl. van kracht zijnde stofgroepenverbod is een groot deel van de meest gebruikte stoffen in Nederland strafbaar geworden, maar niet alle stoffen zijn afgedekt. Internationale samenwerking, zoals hierboven beschreven, kan dus goed via de internationale samenwerkingsverbanden plaatsvinden zolang de strafbaarstelling van middelen internationaal hetzelfde is.
Op welke manier wordt in uw beleid geborgd dat het publiek – en met name jongeren en jongvolwassenen – actief wordt geïnformeerd over de risico’s van NPS en zogenaamde «funcaps»? Kun u hierbij ingaan op de relatie tot festivals?
Uit monitoring blijkt dat 10% van de volwassen Nederlanders het afgelopen jaar drugs had gebruikt (cijfers van 2024). Het overgrote deel van de Nederlanders gebruikt dus geen drugs. Door breed voor te lichten over de risico’s van drugs, kan het beeld ontstaan dat heel veel mensen drugs gebruiken en kan brede voorlichting of voorlichting onder te jonge kinderen daardoor juist bijdragen aan normalisering. In de voorlichting over drugs – waaronder NPS – richten we ons daarom op specifieke doelgroepen. Bijvoorbeeld door het programma Helder op School, met name gericht op het voortgezet (speciaal) onderwijs en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en wordt gebruik gemaakt van social media om jongeren te bereiken, zoals Tik Tok. Het Trimbos-instituut heeft een uitgebreid aanbod voor publieksinformatie, met websites en informatielijnen. Deze kanalen worden goed bezocht door de doelgroep en zijn daarmee een effectieve manier om actief te informeren. Ten aanzien van festivals is het aan gemeenten en evenementen om invulling te geven aan voorlichting over de risico’s van het gebruik van drugs. Dit gebeurt bijvoorbeeld via Unity, een project waarbij medewerkers aanwezig zijn op festivals en bezoekers voorlichten over de risico’s van drugs. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van VWS een leidraad ontwikkeld met praktische tips voor maatregelen op dit terrein.2
Bent u bereid de voorlichtingscampagne over drugsgebruik uit te breiden met een waarschuwing over NPS en «funcaps»?
Afgelopen zomer is een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren met de negatieve gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze pilotcampagne bestond uit onder meer een virtual reality experience en een hieraan gelieerde social media-campagne. Deze campagne wordt op dit moment geëvalueerd. Na een positieve evaluatie is het voornemen om deze campagne dit jaar te continueren. Bij de verdere uitwerking zullen wij de actuele ontwikkelingen rondom NPS en illegale medicijnen betrekken.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat jongeren, zoals in het beschreven geval, via laagdrempelige websites geconfronteerd worden met middelen die ernstige en soms fatale gezondheidsrisico’s met zich meebrengen?
Zoals toegelicht wordt door de handhavende partijen hard gewerkt aan het aanpakken van deze malafide websites, waarbij de handhavers worden geconfronteerd met uiteenlopende uitdagingen. Zodra een website uit de lucht is gehaald, verschijnt er vaak vrij snel weer een nieuwe vergelijkbare website. Daarom is het ook van groot belang om ervoor te zorgen dat jongeren, wanneer ze in aanraking komen met dergelijke websites, goed op de hoogte zijn van de risico’s. Het Trimbos-instituut vervult hierin een belangrijke rol door ervoor te zorgen dat betrouwbare informatie over bekende risicovolle middelen hoog in de zoekresultaten verschijnt, zodat jongeren op een laagdrempelige wijze toegang hebben tot juiste en evenwichtige voorlichting. Ook ouders en het onderwijs spelen hier een belangrijke rol. Daarom is in juni 2025 de Richtlijn Gezond Schermgebruik gelanceerd. Deze heeft als doel ouders en opvoeders op een duidelijke en eenduidige manier te ondersteunen bij het stimuleren van gezond scherm- en sociale mediagebruik van hun kinderen.
Wij gaan daarnaast onderzoeken of, en zo ja op welke wijze, publiekscampagnes of andere vormen van voorlichting gericht op consumenten de risico’s kunnen verminderen en de vraag naar illegale middelen kan verkleinen.
Het bericht dat het Openbaar Ministerie weer procesafspraken maakt met een grote crimineel (Faissal Taghi) |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Zoon Ridouan Taghi maakt procesafspraken met OM in strafzaak»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat met de zoon van de beruchtste crimineel van Nederland procesafspraken worden gemaakt?
Op lopende individuele zaken kan ik als Minister niet ingaan. Het is een eigenstandig besluit van het Openbaar Ministerie (OM) om al dan niet procesafspraken te maken.
Hoe kan het dat procesafspraken worden gemaakt met iemand die zijn vader uit de Extra Beveiligde Inrichting wilde bevrijden en iemand die dus mede heeft veroorzaakt dat medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting moesten onderduiken?
Op lopende individuele zaken kan in niet ingaan, maar het is in algemene zin niet ongebruikelijk dat het OM in strafzaken procesafspraken maakt, ook met personen die zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ernstige misdrijven, mits de voorwaarden daarvoor gerechtvaardigd zijn en de belangen door het OM op de juiste wijze zijn afgewogen. Het OM maakt per individueel geval een afweging die recht moet doen aan de omstandigheden van het geval. Er wordt hierbij natuurlijk ook rekening gehouden met de veiligheid van derden. Het is uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten.
Hoe kunt u volhouden dat «criminele kopstukken moeten worden aangepakt» (zie uw eerdere antwoorden van 6 februari 2025) indien het Openbaar Ministerie grote criminelen met procesafspraken laat wegkomen met een lichtere straf?
Criminele kopstukken met grote impact op de samenleving moeten streng en ook effectief worden aangepakt. Het maken van procesafspraken door het OM kan een middel zijn om een strafzaak efficiënter af te ronden, met name in gevallen waar er andere belangrijke overwegingen spelen. Procesafspraken worden door het OM gemaakt op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij acht wordt geslagen op de ernst van het begane strafbare feit, de daarop gestelde maximumstraf en de straf die de rechter op zal leggen. Dit betekent niet dat de ernst van de strafbare feiten wordt miskend. Na het maken van procesafspraken is doorgaans minder zittingstijd nodig en kan de zaak veelal in één instantie worden afgedaan. Hierdoor blijft ook meer capaciteit beschikbaar om andere (ernstige) strafzaken op te pakken. Zoals in mijn antwoord op de vorige vraag is aangegeven, is het uiteindelijk aan de rechter om een passende straf op te leggen voor de bewezenverklaarde feiten.
In de literatuur2 en de jurisprudentie3 wordt aanvaard dat de strafkorting die aan verdachten geboden kan worden in ruil voor het maken van procesafspraken, een bandbreedte kent van maximaal een derde ten opzichte van de straf die in een zaak eigenlijk zou kunnen/moeten worden opgelegd. Hoewel dit geen harde regel is en dit dus niet met zoveel woorden in de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken van het College van Procureurs-Generaal staat opgenomen, pleegt deze regel in beginsel te worden gevolgd door rechters. De rechter kan echter ook een hogere straf opleggen dan in de procesafspraken is voorgesteld.4
In hoeverre zijn dit soort vergaande afspraken zonder wettelijke grondslag en dus een uitdrukkelijke uitspraak van de wetgever, nog wenselijk?
Over de wenselijkheid van het maken van procesafspraken verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2, 3 en 4. Er bestaat op dit moment geen specifieke wettelijke regeling voor het maken van procesafspraken. De huidige praktijk wordt genormeerd via door de Hoge Raad gegeven kaders (ECLI:NL:HR:2022:1252) en de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken van het College van Procureurs-Generaal. Binnen die grenzen kunnen procesafspraken worden gemaakt. Ik vind het van belang om een specifiek wettelijk kader voor procesafspraken in te voeren. Deze regeling is opgenomen in de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Op dit moment wordt het advies van de Raad van State over dit wetsvoorstel verwerkt, waarna het wetsvoorstel bij uw Kamer wordt ingediend.
Hoe beoordeelt u de transparantie en openbaarheid van rechtspraak nu juist bij grote criminelen in toenemende mate procesafspraken worden gemaakt?
In uiteenlopende typen strafzaken vindt het OM het op basis van een zorgvuldige belangenafweging wenselijk om procesafspraken te maken. Het maken van procesafspraken doet geen afbreuk aan de transparantie en openbaarheid van het strafproces, die gelden als essentiële pijlers van het rechtssysteem. Procesafspraken worden schriftelijk aan de rechter voorgelegd en tijdens een openbare behandeling besproken. De rechter beoordeelt zelfstandig of hij al dan niet overeenkomstig de gemaakte procesafspraken zal beslissen en legt daarover in zijn vonnis verantwoording af. Op die wijze is gewaarborgd dat procesafspraken niet op gespannen voet staan met de genoemde beginselen.
Waarom heeft het (demissionaire) kabinet geen mening over de omvang en reikwijdte van procesafspraken met grote criminelen?
Ik hecht grote waarde aan effectieve strafrechtelijke handhaving en proportionele bestraffing, alsook aan een voortvarend verloop van het strafproces en een efficiënte inzet van capaciteit. Zoals hiervoor ook aangegeven kunnen procesafspraken daarbij behulpzaam zijn. De vraag of en in welke mate procesafspraken in praktijk moeten worden ingezet, is een afweging die aan het OM en de rechtspraak is. In het antwoord op vraag 5 heb ik aangegeven dat een wetsvoorstel in procedure is, waarin een specifieke regeling van procesafspraken is opgenomen. Deze wettelijke regeling geeft de wetgever de mogelijkheid om principiële vragen die samenhangen met procesafspraken van een antwoord te voorzien, waaronder de vraag of de mogelijkheid om procesafspraken te maken bij bepaalde strafbare feiten moet worden uitgesloten.
Waarom prevaleren doorlooptijdtijden, werklast en capaciteitsinzet boven het eisen van de maximale straf voor internationale drugscriminelen die met hun handel een spiraal van geweld in stand houden?
Zowel het streven naar proportionele bestraffing als een efficiënt strafproces zijn voor het OM van groot belang. Daarbij worden de ernst van de misdrijven en de impact op de samenleving altijd meegewogen. Het OM maakt procesafspraken om tot een voortvarende afdoening van strafzaken te komen en kijkt daarbij altijd nadrukkelijk naar de gevolgen van de misdrijven voor de maatschappij. De capaciteit die door de inzet van procesafspraken wordt bespaard worden ingezet om andere strafzaken op te pakken, die anders mogelijk zouden zijn blijven liggen.
Zoals hiervoor bij vragen 3 en 4 is aangegeven blijft het uiteindelijk aan de rechter om te bepalen wat een passende straf is.
Waarom mogen procesafspraken worden gemaakt met criminelen waarbij het risico op voortgezet crimineel handelen uit detentie onaanvaardbaar hoog is?
Het kabinet hecht groot belang aan het voorkomen van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie. De afwegingen die het OM maakt bij het maken van procesafspraken zijn complex en betreffen niet alleen de strafmaat, maar ook andere belangen zoals bijvoorbeeld het voorkomen van langdurige rechtszaken met risico’s van strafvermindering bij het wijzen van het vonnis. Bij het maken van procesafspraken is het toepasselijke detentieregime nadrukkelijk geen onderwerp van onderhandeling. Zo is dat ook opgenomen in de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken van het Openbaar Ministerie. Als er voorafgaand aan het maken van procesafspraken signalen zijn van mogelijk voortgezet crimineel handelen in detentie, worden deze signalen door het OM uiteraard betrokken bij de beslissing over het al dan niet maken van procesafspraken.
Hoe beoordeelt u het maken van procesafspraken met grote criminelen in het licht van de overweging van de Hoge Raad dat geen algemene regels gegeven kunnen worden over de toelaatbaarheid van procesafspraken en dat een algemene regeling door de wetgever gemaakt dient te worden?
Ik erken de wenselijkheid van duidelijke kaders voor het maken van procesafspraken. Er is – zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 5 – een wetsvoorstel in voorbereiding waarin een specifieke regeling van procesafspraken is opgenomen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Het kabinet heeft de vragen afzonderlijk en zo volledig mogelijk beantwoord. Er is gepoogd om de gevraagde termijn te behalen, maar dit is helaas niet gelukt.
Deelt u de opvatting dat spitsmijden een rookgordijn is voor het feit dat er al jarenlang niet of nauwelijks nieuwe weginfrastructuurprojecten worden afgerond, en daarmee dus niets meer dan pure armoede is? Zo nee, waarom niet?1
Nee, ik deel die opvatting niet. IenW werkt aan bereikbaarheid. Dat betekent dat we, naast investeringen in infrastructuur, ook inzetten op het bieden van inzicht aan reizigers om het mobiliteitssysteem zo goed mogelijk te benutten. Het inzetten van al deze mogelijkheden is om de bereikbaarheid van Nederland te verbeteren. Spitsspreiden en -mijden maakt daarmee onderdeel uit van een reguliere bredere set aan maatregelen en beleidsinstrumenten.
Hoeveel campagnes om spitsmijden te promoten zijn er in de afgelopen 20 jaar gestart en wat is het effect van ieder van deze campagnes precies geweest?
De campagne Spitsmijden die in 2025 is gestart, is welliswaar de eerste massamediale publiekscampagne over dit specifieke onderwerp. Maar er zijn eerder regionale campagnes uitgevoerd in het kader van Beter Benutten. Met vanAnaarBeter ontvangen reizigers ook informatie over reismogelijkheden, naar aanleiding van wegwerkzaamheden.
De campagne stimuleert forenzen om later naar kantoor te gaan of eerder te vertrekken. Het gaat hierbij om de mensen die de mogelijkheid hebben om de spits te mijden. De boodschap van deze campagne is dus alleen gericht op reizigers die anders kunnen én willen reizen. Dit sluit aan op de wens van de Kamer, uitgesproken met de motie Heutink eerder dit jaar.2
Het veranderen van reisgedrag vergt een consistente, meerjarige aanpak. De effecten van een campagne zijn nooit te isoleren van andere maatregelen en maatschappelijke ontwikkelingen. De evaluatie van de campagne is nog niet beschikbaar. We verwachten de rapportage rond februari 2026.
Denkt u werkelijk dat Nederlanders de auto zullen laten staan zolang NS de tarieven keer op keer blijft verhogen, maar tegelijkertijd niet verder komt dan een dienstregeling die ternauwernood voldoet aan de bodemwaarde? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De verwachting en het doel is niet dat met deze campagne alle reizigers de auto laten staan en de trein pakken. Dat is ook niet nodig voor het verlichten van congestie. Uit studies weten we dat als 8% van de reizigers een andere keuze maakt, de spitsproblematiek grotendeels is opgelost.3
We maken reizigers bewust van de mogelijkheden die er zijn. Welke dat uiteindelijk zijn hangt van verschillende zaken af, bijvoorbeeld de prijs, de reistijd, betrouwbaarheid en het comfort van de reis. Uiteindelijk is het aan de reiziger zelf om een keuze te maken.
Gaat u MIRT-projecten (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport) die significant bijdragen aan het afnemen van de filedruk afronden? Zo ja, welke en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) bevat de langetermijninvesteringen in de bereikbaarheid. De Kamer wordt hier regelmatig over geïnformeerd via de MIRT brieven en het MIRT Overzicht. De afgelopen jaren zijn scherpe keuzes noodzakelijk gebleken in het investeringsprogramma van het Mobiliteitsfonds (MF), vanwege financiële tekorten bij lopende projecten en programma’s, onvoldoende stikstofruimte en krapte op de arbeidsmarkt. Door deze keuzes kan worden doorgewerkt aan de MIRT-projecten die wél maakbaar zijn. Zoals de nieuwe verbinding ViA15 en de verbreding van de A27 Houten Hooipolder.
Om Nederland bereikbaar te houden herstart IenW de gepauzeerde projecten gefaseerd, wanneer er voldoende ruimte is: financieel, stikstof en personeelscapaciteit. Als onderdeel hiervan wordt verkend waar ruimte kan worden gezocht rond stikstofopgaven en slimme oplossingen met capaciteit uit regio, de markt, of (inhuur door) RWS. De Kamer is geïnformeerd dat er komende jaren sprake blijft van een zeer forse financiële opgave.4 De bereikbaarheid en mobiliteit van Nederland staan hierdoor onder druk. Er zijn structureel meer financiële middelen nodig. Zowel voor instandhouding als nieuwe (structuurversterkende) infrastructuur voor ons hoofdwegennet en hoofdspoornet.
Wanneer gaat u stoppen met dit soort nietszeggende campagnes en gaat u over op het aanleggen en onderhouden van kwalitatieve infrastructuur? Waarom wel of waarom niet?
Het uitbreiden van infrastructuur vraagt een zorgvuldige voorbereiding en in veel gevallen aanzienlijke financiële investeringen, voldoende vergunningsruimte en personeel. Nederland heeft op dit moment te maken met tekorten op al deze onderdelen. Waar het regeerprogramma hier wel ruimte voor biedt, wordt gewerkt aan infrastructurele oplossingen. Zoals in het regeerprogramma is afgesproken, wordt deze ruimte vooral gebruik voor het ontsluiten van (nieuwe) woningbouwlocaties.
Het beleid richt zich op een samenhangende aanpak. Het onderhouden van onze netwerken en het waar nodig uitbreiden van infrastructuur zijn nu en in de toekomst essentieel om onze bereikbaarheid op peil te houden. Tegelijkertijd zijn er meer instrumenten om de bereikbaarheid in Nederland op peil te houden. Bijvoorbeeld het slimmer benutten van de bestaande netwerken. De campagne spitsmijden levert hier een bijdrage aan.
Vindt u het nu écht een goed idee om de automobilist, die zich nu al blauw aan het betalen is aan de pomp en zijn eigen woonwijk tot een autoluwe omgeving ziet veranderen, ook nog eens lastig te vallen over tijden waarop hij rijdt? Zo ja, waarom?
De campagne richt zich op de mensen die anders kunnen en willen reizen. Hierdoor krijgen automobilisten die niet anders kunnen of willen juist meer ruimte op de weg. De spits wordt hierdoor voor iedereen aangenamer.
Het bericht dat het Gelderse revalidatiecentrum Klimmendaal dreigt te verdwijnen |
|
Sarah Dobbe |
|
Bruijn |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ondergang dreigt voor bekend revalidatiecentrum: dit speelt achter de schermen»?1
Ik begrijp de zorgen over het voortbestaan van Klimmendaal bij zowel medewerkers als patiënten als gevolg van de huidige financiële uitdagingen. Ik heb begrepen van het bestuur van Klimmendaal dat er een concreet pakket aan steunmaatregelen voorligt, dat rust en ruimte kan bieden voor de komende jaren en dat zorgverzekeraars en andere financiers dit voorstel ondersteunen.
Deelt u de analyse dat het gebrek aan zeggenschap van werknemers hierbij problemen oplevert voor het revalidatiecentrum? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om de zeggenschap van zorgverleners te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
De zeggenschap van werknemers is van groot belang om goede zorg te leveren en goed werkgeverschap te bieden. Het revalidatiecentrum Klimmendaal geeft aan dat de ontstane financiële problemen primair het gevolg zijn van een verschil in verwachte inkomsten en uitgaven en feitelijke inkomsten en uitgaven, niet van een gebrek aan zeggenschap. Het is aan de instelling om zich te houden aan de wettelijke eisen omtrent zeggenschap van personeel. Het revalidatiecentrum heeft mij verzekerd hier aan te voldoen en in de toekomst het gesprek met medewerkers breed te willen voeren.
Zijn er nog meer revalidatiecentra waarbij vergelijkbare problemen spelen, gezien het feit dat het algemene inkoopbeleid van zorgverzekeraars hierbij een rol speelt? Zo ja, welke zijn dit?
Er is sprake van een veranderende vraag naar revalidatiezorg, die steeds meer poliklinisch en thuis plaatsvindt. Dat maakt het een uitdagende periode voor revalidatiecentra omdat er minder inkomsten zijn vanuit ligdagen in het revalidatiecentrum. Dit vraagt een omschakeling van revalidatiecentra in de bewegeing naar passende zorgverlening en bedrijfsvoering. Ik waardeer het dat revalidatiecentra zich actief inzetten om deze transformatie te maken ten behoeve van de patiënt.
Erkent u dat te lage tarieven of omzetplafonds door zorgverzekeraars in de weg staan van goede zorg? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Passende bekostiging en contractering zijn van groot belang om goede revalidatiezorg te kunnen bieden. Zorgverzekeraars hebben de zorgplicht om voldoende en kwalitatief goede zorg in te kopen die tegemoet komt aan de vraag. Ik herken het risico van sterk fluctuerende financiën bij zorgaanbieders met relatief kleine patiëntgroepen met gemiddeld hoge kosten per patiënt, zoals bij sommige vormen van revalidatiezorg. In dat kader zet ik onder meer in op meerjarige financiële afspraken tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders2, gebaseerd op een gezamenlijke langetermijnvisie, om zorgaanbieders financiële ruimte en zekerheid te geven om zorg anders te organiseren of te transformeren.
Deelt u de mening dat het extra onwenselijk is om omzetplafonds te gebruiken bij de revalidatiezorg, gezien het feit dat deze vaak lastig te voorspellen zijn? Zo ja, bent u bereid om stappen te zetten om het gebruik van omzetplafonds tegen te gaan? Zo nee, waaorm niet?
Nee.
Ik vind het van groot belang dat individuele patiënten passende zorg ontvangen, dat geldt uiteraard ook voor revalidatiezorg. Daarom hebben zorgverzekeraars een zorgplicht ten opzichte van hun verzekerden en moeten zij hun verzekerden helpen om de zorg te vinden waar zij recht op hebben. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt toezicht op de naleving van deze plicht van de zorgverzekeraars.
Een omzetplafond is een budgettaire grens in een contract tussen een zorgverzekeraar en een zorgaanbieder, waarin bepaald wordt hoeveel middelen een zorgaanbieder maximaal kan ontvangen van een zorgverzekeraar voor geleverde zorg binnen een bepaalde periode. Het omzetplafond is bedoeld om te sturen op de kosten, een goede verdeling van de personele inzet en op het kritisch kunnen bevragen van aanbieders. De NZa houdt toezicht op dit proces. De gedachte erachter is dat met het omzetplafond de schaarse middelen (personeel en financieel) besteed worden daar waar die het hardst nodig zijn. Ik onderschrijf deze gedachte en vind het omzetplafond een nuttig instrument, dat ook in de revalidatiezorg passend kan worden ingezet.
Wat zouden de gevolgen zijn voor patiënten en zorgverleners als Klimmendaal om zou vallen?
In een dergelijke situatie is het de zorgplicht van de zorgverzekeraars om voor patiënten tijdige, toegankelijke en kwalitatief goede zorg te organiseren.
Bent u bereid om samen met Klimmendaal, zorgverleners, patiënten, ziekenhuizen en zorgverzekeraars op zoek te gaan naar een oplossing voor de problemen?
Ik heb van het bestuur van Klimmendaal begrepen dat een concreet pakket aan steunmaatregelen voorligt, dat rust en ruimte kan bieden voor de komende jaren en dat zorgverzekeraars en andere financiers positief tegenover dit voorstel staan. De NZa is ook op de hoogte van de afspraken die partijen gezamenlijk gemaakt hebben. Ik heb het vertrouwen dat partijen met elkaar tot een oplossing komen die het beste is voor de patiënt.