Het verhoor van Fauci door de Amerikaanse Senaat |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente verhoor van de heer Dr. Anthony Fauci door de Amerikaanse Senaat op woensdag 29 juli 2026?1
Ja.
Vindt u het wellicht opmerkelijk, misschien zelfs zorgelijk, dat Fauci, wereldwijd immers toonaangevend in de aanpak van de vermeende «coronapandemie», die bovendien over zichzelf heeft gezegd dat hij «De Wetenschap representeert», onder ede ineens geen enkele vraag (!) van de Amerikaanse Senaat over zijn aanpak van de coronapandemie wilde beantwoorden en zich – ondanks zijn preventieve presidentiële pardon – meer dan honderd keer heeft moeten beroepen op zijn zwijgrecht?
Het kabinet heeft onvoldoende inzicht in de modaliteiten van een verhoor van experts, zoals de heer Fauci, door de Amerikaanse Senaat en de mogelijke juridische gevolgen daarvan voor hemzelf bij het al dan niet beantwoorden van vragen om mij daarover een oordeel te kunnen vormen.
Bent u bekend met de «Fauci Dagboeken» die recent door senator Rand Paul zijn vrijgegeven en die laten zien dat Fauci privé heel andere opvattingen had dan hij in het publiek uitte over bijvoorbeeld de dodelijkheid van het coronavirus?2
Nee.
Bent u ervan op de hoogte dat, onder andere naar aanleiding van deze dagboeken, uw collega, de Amerikaanse Minister van Volksgezondheid en Sociale Zaken Kennedy recent, tijdens een interview op Fox News, concludeerde, «Dat we nu weten dat hij [Fauci] over alles heeft gelogen»?3
Nee.
Bent u op de hoogte van dit fragment dat Fauci op 8 februari 2020 opschreef in zijn dagboek: «Tom Frieden called me this AM and we discussed various aspects of the outbreak. He and I are on the same page in thinking tht [sic] this is acting like a bad influenza in its transmissibility and that the denominator is much greater than 34,867 (above) making the case fatality rate (CFR) more like 0.2–0.3% rather than 2.0%.»?4
Nee.
Wat is volgens u op dit moment de beste schatting van de CFR van corona in 2020 in Nederland?
De LCI richtlijn Covid5 meldt hierover dat in een studie gebaseerd op cijfers van december 2019 tot en met augustus 2020 wordt geschat dat de mondiale CFR in juli-augustus 2020 varieerde van 2,5 tot 4,1%, afhankelijk van de wijze van berekenen. Gebaseerd op cijfers uit Duitsland was deze in de periode van 6 juli t/m 6 september 2020 voor 35–59-jarigen 1%, voor 60–79-jarigen 2%, en voor 80-plussers 11%. De beste schatting is dat in Nederland in 2020 ongeveer dezelfde CFR aan de orde was.
Wat is volgens u de CFR van een (gemiddelde) seizoensgriep?
De LCI richtlijn influenza6 meldt hierover dat in een analyse van morbiditeit en mortaliteit door influenza onder personen in Nederland over de periode 2011–2020, de CFR werd geschat op 0,12% (95% BI 0,116–0,123%) voor alle leeftijden en alle typen influenzavirusinfecties.
Bent u (nog steeds) van mening dat Ivermectine en Hydroxychloroquine niet geschikt zijn en waren voor de (vroeg)behandeling van covidpatiënten?
De (vroeg)behandeling van COVID-19-patiënten is een zaak van behandelaren en experts. In de richtlijn7 wordt het gebruik van Ivermextine en Hydrocychloroquine expliciet afgeraden.
Is het correct dat de (experimentele) mRNA coronavaccins niet tot de (Europese) markt zouden kunnen zijn toegelaten als er een effectieve en toegelaten behandeling (bijvoorbeeld met Ivermectine) voor covid zou zijn geweest?
Nee.
Bent u (nog steeds) van mening dat de mRNA coronavaccins «veilig en effectief» zijn?
Een vaccin mag pas gebruikt worden als het is goedgekeurd. In Europa beoordeelt het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) de veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit van geneesmiddelen, waaronder de (corona)vaccins. In Nederland is dit de taak van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG).
Wat is de (beste schatting voor de) corona CFR voor gezonde kinderen onder de achttien jaar?
Uit een uitgebreide meta-analyse blijkt dat de CFR voor gezonde kinderen onder de achttien jaar van corona extreem laag is, ongeveer 0,02%.
Bent u (nog steeds) van mening dat de mRNA coronavaccins ook «veilig en effectief» zijn voor kinderen onder de achttien jaar?
Ja, voor die mRNA-coronavaccins die voor deze specifieke doelgroep zijn toegelaten, met inachtneming van de meest recente adviezen van de Gezondheidsraad hieromtrent.
Bent u bekend met het feit dat privécommunicatie laat zien dat de auteurs van het inmiddels beruchte «Proximal Origin» artikel – het artikel dat hét bewijs leverde dat de oorsprong van het coronavirus een zoönose zou zijn – daar privé helemaal niet zo zeker van waren, integendeel, van mening waren dat het heel goed zo zou kunnen zijn dat het virus in een laboratorium gecreëerd is?5
Nee.
Bent u bekend met het volgende fragment uit het dagboek van Fauci, 7 juni 2021: «On January 31st, 2020 I received a call from Jeremy Farrar who conferenced in Christian Andersen to tell me that Ed Holmes and Christian had seen a copy of the sequence of the virus and felt that there was a possibility that because of the unusual furin cleavage site that this could possibly have been a constructed virus. as indicated in my notes of January 31st and February 1st, 2020, since I am not an evolutionary biologist I called together by phone a group knowledgeable scientist together with Francis Collins and a few other people to discuss this. After a considerable amount of discussion about half of the people felt that this was possibly a constructed virus and the other half were convinced that this was a natural occurrence.»?6
Nee.
Bent u (nog steeds) van mening dat de oorsprong van het coronavirus hoogstwaarschijnlijk een zoönose is geweest?
De vraag naar de oorsprong van het SARS-COV-2-virus is een wetenschappelijke vraag. De WHO heeft deze vraag voorgelegd aan een onafhankelijke expertgroep van wetenschappers. Deze Scientific Advisory Group on Novel Pathogens (SAGO), die de origine van het SARS-Cov-2 virus heeft onderzocht, concludeerde in haar laatste rapport van 25 juni 2025 dat op basis van het beschikbare wetenschappelijke bewijs een zoönose het meest waarschijnlijk is. Hetzij overdracht van het virus direct vanuit vleermuizen of via besmetting van een ander zoogdier naar mensen toe.10 De expertgroep gaf aan dat er data ontbreken, maar dat er geen bewijs gevonden is van een andere overdracht van het virus.
De migranteninvasie in de Spaanse enclave Ceuta |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat duizenden illegale migranten de Spaanse enclave Ceuta zijn binnengedrongen nadat de Marokkaanse grensbewaking zich plotseling had teruggetrokken?1 2
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat dit opnieuw laat zien dat de buitengrenzen van Europa zo lek zijn als een mandje en dat ook na de inwerkingtreding van het Migratiepact Europese landen onvoldoende controle over hun eigen landsgrenzen hebben en dus ook de Europese buitengrenzen? Zo nee, waarom niet?
De situatie zoals we deze donderdag en vrijdag zagen bij Ceuta is onacceptabel, zeer onwenselijk en uitzonderlijk, die bovendien van 72 mensen het leven heeft gekost. Het kabinet betreurt dit. Het kabinet heeft, in afstemming met andere lidstaten, geëist dat er snel en adequaat gehandeld zou worden in deze crisissituatie. Spanje moest direct de buitengrens van Europa versterken en alles richten op de terugkeer van de irreguliere migranten om daarmee risico’s op secundaire migratie tegen te gaan. Spanje heeft daarmee in lijn de buitengrenzen versterkt, onder andere met een drijvende barrière, en is gestart met de grootschalige terugkeer. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad.
Het Asiel en Migratiepact regelt het EU-asielsysteem. Onderdeel hiervan zijn de inrichting van de asielprocedures regulier en aan de buitengrens, de afspraken over overdrachten van personen in de asielprocedure en een solidariteitsmechanisme tussen lidstaten. Het beheren van de Europese buitengrens wordt daarentegen geregeld in het Schengengrenscode. Voor het beheren van de buitengrens biedt het EU-instrumentarium verschillende belangrijke handvatten om ook in situaties als deze controle te houden over deze delen van de buitengrens. Het Asiel en Migratiepact is daarom in de reactie niet in beeld. Voor de gebieden Ceuta en Melilla gelden daarbij speciale Schengenregels. Er zijn standaard controles tussen Ceuta en Melilla en het vasteland van Spanje (en andere Schengenstaten). Doorreizen vanuit Ceuta naar de rest van Schengen gaat daarom enkel gecontroleerd.
De Schengengrenscode biedt aanvullende maatregelen om irreguliere migratiebewegingen tegen te gaan. In uitzonderlijke, dreigende situaties kunnen onder meer de tijdelijke herinvoering van grenscontroles aan binnengrenzen, intensivering van bewaking en controles aan de buitengrens, risico-gestuurde politiecontroles in het binnengrensgebied, en EU-ondersteuning worden ingezet. Spanje heeft vrijdag, 31 juli jl., direct extra maatregelen aangekondigd, waaronder extra fysieke grensbescherming en een centrum voor snelle terugkeer van de irregulier overgestoken migranten in Ceuta.
Naast Marokko en Spanje heeft ook de Europese Commissie voortvarend gereageerd. De Commissie heeft gezorgd dat Frontex klaar stond om, indien dat nodig was en daartoe een formeel verzoek zou ontvangen, Spanje additioneel te ondersteunen (momenteel biedt Frontex al ondersteuning in Ceuta). Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad.
Bent u bekend met de beelden waarop te zien is dat de Spaanse autoriteiten de hekken openzetten voor illegale migranten?3
Het kabinet heeft de beelden waarnaar wordt gerefereerd bekeken, het is onduidelijk wat er precies te zien is en het kabinet gaat hierover niet speculeren.
Spanje heeft reeds jaren afspraken met Marokko om de grensovergangen bij Ceuta en Melilla goed te bewaken. Spanje heeft zich ingezet om de openbare orde en veiligheid in het gebied te herstellen, de grens bij Ceuta verder fysiek te versterken en de irreguliere migranten zo snel als mogelijk te laten terugkeren. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal hier blijvend op aandringen.
Hoe beoordeelt u deze handelwijze van Spanje, mede in het licht van de gemaakte afspraken in het Migratiepact?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe groot acht u de kans dat een deel van deze illegale migranten uiteindelijk zal doorreizen naar Nederland? En kunt u uiteenzetten waar u dit op baseert?
Zoals hierboven aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Verder is het, zoals hierboven beschreven, niet zomaar mogelijk om vanuit Ceuta door te reizen in het Schengengebied, iedereen die wil doorreizen wordt gecontroleerd. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad.
Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
De Europese Commissie heeft mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren en operationele stappen ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak te identificeren. Ook heeft Nederland met 214 andere EU-lidstaten op zaterdag 1 augustus jl. een brief gestuurd aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad waarin de lidstaten zorg uitten over de gebeurtenissen in Ceuta, benadrukten dat alle nodige maatregelen genomen moeten worden om de grenzen te versterken en verzochten om een extra online JBZ-raad. Deze JBZ-raad vindt op dinsdag 4 augustus plaats. De Minister van Asiel en Migratie neemt hieraan deel. Het kabinet blijft de ontwikkelingen op Ceuta nauwgezet volgen, en blijft bijdragen aan een gecoördineerde EU-aanpak. Om de situatie verder te monitoren en eventuele benodigde vervolgstappen in kaart te brengen, komen vandaag, maandag 3 augustus, de EU-ambassadeurs bijeen. Op dinsdag 4 augustus vindt er, op verzoek van Nederland, Spanje en de meeste EU-lidstaten, een online informele JBZ-raad plaats, waaraan de Minister van Asiel en Migratie zal deelnemen.
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat migranten die via Spanje de Europese Unie zijn binnengekomen uiteindelijk in Nederland terechtkomen? Indien u geen maatregelen neemt kunt u uitleggen waarom u die niet neemt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om de grenzen te sluiten dan wel extra grenscontroles uit te voeren dan wel andere maatregelen te treffen om te kunnen controleren of deze migranten niet alsnog Nederland binnenkomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor onmiddellijke sluiting van de Europese buitengrenzen en een zerotollerancebeleid te voeren ten aanzien van alle illegale grensoverschrijdingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de rol van de Marokkaanse autoriteiten, die volgens de berichtgeving de grensbewaking hebben verminderd of beëindigd, waardoor duizenden migranten ongehinderd de grens konden oversteken?
Het kabinet gaat niet speculeren over het ontstaan van deze situatie. Wel ziet het kabinet dat de samenwerking met Marokko van cruciaal belang is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op vrijdagochtend, 31 juli jl., de noodzaak snel te handelen benadrukt bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Marokko stelt zich hierin constructief op en werkt voortvarend mee aan de terugkeer van de migranten.
Bent u bereid de Europese Commissie op te roepen maximale druk uit te oefenen op Marokko om zijn grenzen effectief te bewaken en migranten terug te nemen? Zo nee, waarom niet?
De samenwerking met Marokko is van cruciaal belang om de situatie onder controle te brengen en te houden. Deze samenwerking is nauw. De Europese Commissie, Spanje en andere EU-lidstaten werken al nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken. Ook heeft de Commissie aangeboden te ondersteunen bij het onder controle krijgen van de situatie. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op vrijdagochtend de noodzaak snel te acteren benadrukt bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Bovendien heeft Marokko constructief gehandeld en werkt het voortvarend mee aan de terugkeer van de migranten.
Deelt u de mening dat de voortdurende instroom van illegale en niet-gescreende migranten een ernstig veiligheidsrisico vormt voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording van vraag 2. Het is niet mogelijk om zonder controle door te reizen vanuit Ceuta naar de rest van het Schengengebied. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad. Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Tegelijkertijd is het effectief beheren van de buitengrenzen en het screenen van personen die het grensgebied binnenkomen noodzakelijk voor de EU om te kunnen controleren en besluiten wie er het grensgebied binnenkomt.
Nederland blijft daarom ook steun toezeggen aan lidstaten die hulp nodig hebben om hun buitengrenzen te versterken. De EU moet in onderlinge solidariteit blijven investeren in het versterken van de buitengrenzen, het tegengaan van irreguliere migratie en de terugkeer van vertrekplichtige migranten. Effectief buitengrensbeheer, inclusief screening, door de volledige en consequente implementatie van de Schengengrenscode, is voor de EU noodzakelijk om te kunnen controleren en besluiten wie er de EU binnenkomt. Een stevige Schengengovernance, met een duidelijke toezichthoudende rol voor de Europese Commissie als hoeder van de Verdragen, is daarbij onmisbaar. Tegelijkertijd vraagt het ook, meer dan voorheen, dat lidstaten de aanbevelingen uit de Schengenevaluaties opvolgen om hun implementatie te versterken. Ook pleit het kabinet onverminderd voor het transparant maken en open bespreken van de tekortkomingen en het bespreken hiervan tijdens de Schengenraad. Dit draagt bij eraan bij dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken en biedt de mogelijkheid voor lidstaten om waar nodig elkaar te kunnen ondersteunen.
Indien het antwoord op vraag 11 nee is, hoe beoordeelt u in dat licht de berichtgeving waarin een illegale migrant zegt al eerder door Nederland te zijn uitgezet om een gevangenisstraf van vijf jaar te ontlopen?4
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Spaanse Minister van Binnenlandse Zaken over de reden voor de plotselinge toestroom van migranten?5
De Spaanse Minister van Binnenlandse Zaken heeft gewezen op mogelijke rol van mensensmokkel. Het kabinet dringt erop aan dat goed onderzoek gedaan wordt naar de oorsprong van deze situatie en of mensensmokkel hier een specifieke rol heeft gehad
Deelt u de mening dat, gelet op deze gebeurtenissen, het Migratiepact niet werkt, omdat er nog steeds geen functionerende Europese grenscontrole is, illegale grensoverschrijdingen blijven plaatsvinden en er op dit moment niets geregeld is voor terugkeer?
Zie beantwoording op voorgaande vragen. De situatie zoals we vorige week zagen is onacceptabel, zeer onwenselijk en uitzonderlijk. Tegelijkertijd namen Spanje en Marokko de nodige stappen om de situatie weer onder controle te krijgen en zijn direct gestart met de organisatie van grootschalige terugkeer en het versterken van de buitengrens. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
In algemene zin is het van belang om irreguliere migratie richting de EU minder aantrekkelijk te maken en weerbaar te zijn als EU, dat er een sterk EU-intern asiel- en migratiesysteem staat en dat de EU effectief samenwerkt met landen buiten de EU. Het kabinet onderstreept daarom het belang van de volledige implementatie van het Asiel- en Migratiepact en de terugkeerverordening (zodra deze van kracht wordt), en het versterken en bestendigen van partnerschappen met landen buiten de EU. De langetermijnvisie van het kabinet is dat asielaanvragen buiten Europa kunnen worden ingediend en afgehandeld. Het kabinet zet zich daarom doorlopend in voor het verder brengen en operationaliseren van innovatieve oplossingen waaronder de terugkeerhub.
Bent u bereid om, gelet op de gebrekkige grenscontroles en inzet van de Spaanse regering om de situatie in Ceuta onder controle te krijgen, de Solidariteitbijdrage die voortvloeit uit het Migratiepact niet meer aan Spanje te betalen? Zo nee, waarom niet?
Zie de antwoorden op voorgaande vragen. Een dergelijke inzet is niet aan de orde.
Kunt u uiteenzetten welke instrumenten uit het Migratiepact in een situatie als deze daadwerkelijk in werking treden en op welke wijze deze bijdragen aan het beperken van irreguliere migratie?
Zoals hierboven aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Verder is het, zoals hierboven beschreven, niet zomaar mogelijk om vanuit Ceuta door te reizen in het Schengengebied, iedereen die wil doorreizen wordt gecontroleerd. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad.
Welke gevolgen heeft deze situatie volgens u voor de geloofwaardigheid en uitvoerbaarheid van het Migratiepact?
Zoals hierboven aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Verder is het, zoals hierboven beschreven, niet zomaar mogelijk om vanuit Ceuta door te reizen in het Schengengebied, iedereen die wil doorreizen wordt gecontroleerd. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het blijft van belang dat alle EU-lidstaten dit instrumentarium volledig implementeren. Daar roept Nederland consequent toe op, zo ook in het in EU-verband ingelaste crisisberaad van afgelopen weekend.
Een massale bestorming van de Spaanse exclave Ceuta door bijna 50.000 migranten |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 50.000 migranten aangekomen in Spaanse exclave Ceuta na massale bestorming vanuit Marokko, zeker 18 doden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schandalig en onbestaanbaar is dat bijna 50.000 migranten de EU-buitengrenzen bestormen in Ceuta? Zo nee, waarom niet?
Ja, ontstane situatie in Ceuta is onacceptabel, zeer zorgelijk en een uitzonderlijke situatie. Het kabinet heeft, in afstemming met andere lidstaten, geëist dat er snel en effectief opgetreden zou worden. Nederland heeft daarom op vrijdagochtend, 31 juli jl. direct contact opgenomen met de Minister van Buitenlandse Zaken van Marokko, de Minister van Buitenlandse Zaken van Spanje en de Eurocommissaris van Binnenlandse Zaken van de Europese Commissie
Acht u Spanje in staat om de grens(controle) in Ceuta weer onder controle te krijgen? Kunt u met spoed de Spaanse regering aanspreken op hun verantwoordelijkheid om deze massale bestorming een halt toe te roepen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Spanje heeft, in nauwe samenwerking met Marokko en de Europese Commissie acuut opgetreden, door te starten met de grootschalige terugkeer en de versterking van de grens. Maatregelen die Spanje heeft genomen op vrijdag 31 juli zijn onder andere extra fysieke grensbescherming, een zee barrière, inzet van het leger en een centrum voor snelle terugkeer van de irregulier overgestoken migranten in Ceuta. Spanje en Marokko hebben op grote schaal personen laten terugkeren naar Marokko. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden.
Naast Marokko en Spanje heeft ook de Europese Commissie voortvarend gereageerd. De Commissie heeft gezorgd dat Frontex klaar stond om, indien dat nodig was en daartoe een formeel verzoek zou ontvangen, Spanje additioneel te ondersteunen (momenteel biedt Frontex al ondersteuning in Ceuta). Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de informele JBZ-raad.
Bent u bereid aan uw Spaanse ambtsgenoot mede te delen dat u verwacht dat Spanje aan geen van deze migranten een verblijfsvergunning af zal geven vanwege de aanzuigende werking die hierdoor zal ontstaan? Bent u hierbij ook van plan om mede te delen dat deze migranten onder geen enkel beding naar het Europese vasteland mogen worden overgebracht? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze irreguliere migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad.
Op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft Nederland samen met 21 andere lidstaten2 een brief gestuurd aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad, om nogmaals het belang van een acute aanpak te benadrukken en te vragen om een gecoördineerde aanpak om mensensmokkel, instrumentalisering van migranten en hybride dreigingen tegen te gaan en zo de EU weerbaarder te maken. In deze brief hebben de ondertekenaars ook benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken, benadrukt dat smokkelaars geen ruimte mogen krijgen en aangegeven dat de perceptie moet worden weggenomen dat dergelijke illegale binnenkomst direct leiden tot legaal verblijf.
De Commissie staat blijvend nauw in contact met Spanje. De Minister van Asiel en Migratie heeft op vrijdagochtend Eurocommissaris Brunner opgeroepen om snel ondersteuning te bieden en te komen tot een gecoördineerde EU-aanpak om de buitengrens te versterken en de migranten te laten terugkeren. Daarnaast heeft de Europese Commissie mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren over de ontwikkelingen en operationele stappen te identificeren ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak. Om de situatie verder te monitoren en eventuele benodigde vervolgstappen in kaart te brengen, komen vandaag, maandag 3 augustus, de EU-ambassadeurs bijeen. Op dinsdag 4 augustus vindt er, op verzoek van Nederland, Spanje en de meeste EU-lidstaten, een online informele JBZ-raad plaats, waaraan de Minister van Asiel en Migratie zal deelnemen.
Kunt u verzekeren dat elke optie in het Europese Asiel- en Migratiepact om deze migranten te weren uit Europa zal worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat deze illegale migranten teruggestuurd moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie ook voorgaande beantwoording. Zoals reeds heeft Spanje gestart, o.a. naar aandringen van Nederland, met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
Op welke manier bent u bereid Spanje te ondersteunen bij de terugkeerprocedures van deze illegale migranten?
Zoals reeds aangegeven is Spanje gestart met de grootschalige terugkeer naar Marokko. Spanje heeft aangegeven dat geen van deze irreguliere migranten is doorgereisd naar het verdere Schengengebied. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal bij de informele JBZ-raad daarom erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert.
Als verdere ondersteuning nodig is dan is Nederland en de Europese Commissie daartoe bereid. Daarnaast blijft de Commissie nauw in contact met Spanje. Ook heeft de Europese Commissie mede op verzoek van Nederland op zaterdag 1 augustus jl. een crisisberaad (IPCR) georganiseerd om alle lidstaten te informeren over de ontwikkelingen en operationele stappen te identificeren ten behoeve van een gecoördineerde EU-aanpak.
Wat is de rol van Marokko bij deze bestorming? Meent u dat de Marokkaanse autoriteiten alles hebben gedaan om deze bestorming tegen te houden?
Het kabinet ziet dat de samenwerking met Marokko van cruciaal belang is om de situatie onder controle te brengen en te houden. De Europese Commissie, Spanje en andere EU-lidstaten werken nauw met Marokko samen om de grenzen effectief te bewaken en terugkeer mogelijk te maken. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft op vrijdagochtend de noodzaak snel te acteren benadrukt bij de Marokkaanse Minister van Buitenlandse Zaken. Marokko heeft zich constructief opgesteld en voortvarend meegewerkt aan de terugkeer van de migranten.
Welke rol speelt het Spaanse voorstel om meer dan een miljoen illegale migranten in het land te legaliseren en de uitspraak van het Spaanse hooggerechtshof dat op zee onderschepte migranten niet meer rechtstreeks teruggestuurd mogen worden bij deze bestorming?
In de brief die Nederland op zaterdagochtend 1 augustus jl. heeft verstuurd samen met 21 andere lidstaten3 aan de Europese Commissie, is benoemd dat de recente uitspraak van het Spaanse Hooggerechtshof en grootschalige regularisaties als aanzuigende factor kunnen werken. Welke effect deze ontwikkelingen precies hebben gehad is moeilijk te kwantificeren. Nederland zal in de JBZ-raad vragen om een onderzoek naar de oorzaken en de tekortkomingen uitgevoerd door de Europese Commissie om hierover meer helderheid te krijgen.
Bent u bereid om bij aanhoudende en ernstige problemen van het buitengrenstoezicht van Spanje extra grenscontroles uit te laten voeren op alle directe vluchten afkomstig vanuit Spanje om te voorkomen dat deze migranten door zullen reizen naar Nederland? Zo nee, waarom niet?
Spanje heeft aangegeven dat geen van de migranten die irregulier in Ceuta zijn aangekomen, zijn doorgereisd naar de EU.
Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Bent u van plan om bij aanhoudende en ernstige problemen van het buitengrenstoezicht van Spanje bij de Europese Commissie een klacht in te dienen met als doel het starten van een inbreukprocedure tegen Spanje? Zo nee, waarom niet?
Spanje heeft de situatie nu onder controle. Echter benadrukt het kabinet dat de situatie in Ceuta een ongekende schending is van de integriteit van de buitengrens van Europa en alles moet er dan ook op gericht zijn om dit in de toekomst te voorkomen. Er zal een grondig onderzoek moeten plaatsvinden door de Europese Commissie over hoe deze situatie heeft kunnen ontstaan. Het kabinet benadrukt dat het cruciaal is dat Spanje, in samenwerking met Marokko en ondersteund door de Europese Commissie, beziet hoe de buitengrens bij Ceuta versterkt kan worden en hoe dit in de toekomst voorkomen kan worden. De Commissie moet, als hoeder van de verdragen, hierin een leidende rol hebben en rapporteren aan de lidstaten over de uitkomsten van deze evaluatie. Het kabinet zal tijdens de informele JBZ-raad hierop aandringen. Bij het verslag over de informele JBZ-raad zal uw Kamer over bovenstaande punten opnieuw worden geïnformeerd.
Bent u bereid om, gezien de omvang van deze bestorming, te pleiten voor een extra JBZ-Raad? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland heeft samen met 21 andere lidstaten op zaterdagochtend 1 augustus jl. opgeroepen tot een extra informele JBZ-raad. Deze vindt op dinsdag 4 augustus plaats.
Wat vindt u van het standpunt van de Italiaanse regering over opschorting van Schengen en is dit voor het kabinet een reële mogelijkheid?
Met de aanscherping van de Schengengrenscode in 2022 is het instrumentarium dat een lidstaat ter beschikking heeft om te reageren op situaties van ernstige bedreigingen voor de openbare orde en binnenlandse veiligheid substantieel uitgebreid. Elke lidstaat kan binnen de Schengengrenscode tijdelijke interne grenscontroles herinvoeren wanneer sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of binnenlandse veiligheid, mits er wordt voldaan aan de voorwaarden.
Naar het oordeel van het kabinet biedt de Schengengrenscode adequate mogelijkheden voor lidstaten om te reageren met onder meer informatie en risico-gestuurde politiecontroles in het binnengrensgebied. Door het adequate optreden Spanje heeft direct de buitengrenzen versterkt, onder andere met een drijvende barrière, en is gestart met de grootschalige terugkeer. Spanje moet deze inzet blijven continueren. Nederland zal erop aandringen dat Spanje alles op alles blijft zetten om ook de nog niet teruggekeerde irreguliere migranten terug te laten keren naar Marokko en de buitengrens verder te versterken zodat er geen aanzuigende werking ontstaat voor anderen die ook irregulier naar Spanje willen komen. Met de nu gepleegde inzet lijkt het Schengengebied niet geschonden. Het is van belang dat Frontex het aantal mensen dat daadwerkelijk is teruggekeerd verifieert en ook de situatie aan de grens blijft monitoren en hierover rapporteert. Het kabinet zal daarom tijdens de informele JBZ-raad hier nadrukkelijk om vragen, en hier uw Kamer van op de hoogte stellen via het verslag van de JBZ-raad. Het is evident de Nederland haar eigen grenzen bewaakt. In Nederland voert daarom de Koninklijke Marechaussee (KMar) te allen tijde informatie- en risicogestuurde grenscontroles op de luchthavens uit en zijn er politiecontroles bij de binnengrens. Op basis daarvan worden specifieke vluchten met een hoger risico op irreguliere migratie gecontroleerd en wordt er risicogestuurd opgetreden bij de binnengrens. Indien de situatie daartoe aanleiding geeft, kunnen verscherpte controles aan de Nederlandse grens door de Koninklijke Marechaussee worden uitgevoerd. Mochten er in Nederland asielzoekers worden aangetroffen die zijn aangekomen in Ceuta, worden deze personen overgedragen aan Spanje conform de afspraken in de Asiel en Migratiebeheer Verordening (AMbV), zodat Nederland geen extra druk op ons asielstelsel krijgt door de situatie in Ceuta. De ervaring van de afgelopen jaren is dat Spanje dergelijke overdrachten altijd in lijn met de AMbV uitvoert.
Daarnaast is het binnen de kaders van de Schengengrenscode niet mogelijk om zonder controle door te reizen vanuit Ceuta. Het kabinet acht het van belang dat Schengenlidstaten transparant en open tekortkomingen en verbeterpunten in het Schengengebied bespreken, om te zorgen dat lidstaten spoedig verbeterslagen maken, en waar nodig elkaar kunnen ondersteunen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen zeven dagen beantwoorden?
Enkel waar dit de beantwoording ten goede kwam, zijn vragen samengenomen.
De ondermijning van het vuurwerkverbod |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview van burgemeester Pechtold in de Volkskrant van 3 juli 2026, waarin hij aangeeft dat inwoners ondanks het verbod de ruimte krijgen om wat vuurwerk af te steken en dat het verbod onmogelijk te handhaven is?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de burgemeester dat mensen soms de rand moeten kunnen opzoeken en dat hij mensen die ruimte wil geven ook als het betekent dat er af en toe wat vuurwerk wordt afgestoken?
Ja.
Deelt u de mening dat uitlatingen van een burgemeester, waarin hij aankondigt een landelijk vastgestelde wet niet te zullen handhaven en aankondigt dat hij «wat vuurwerk» zal toelaten, de wet ondermijnt en daarmee ook het draagvlak en de duidelijkheid van de nieuwe norm worden aangetast? Zo nee, wat is dan de boodschap die burgers volgens u met zulke uitspraken meekrijgen?
De Wet veilige jaarwisseling die per 1 augustus in werking is getreden, regelt het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, met uitzondering van F1-vuurwerk. Dit betekent dat het bezit van vuurwerk en het afsteken daarvan door consumenten is verboden, tenzij er sprake is van een door de burgemeester verleende ontheffing. Dit is een duidelijke landelijke norm, die voor alle burgers geldt. Uitspraken in de media doen niet af aan de gelding van die norm. Het niet naleven van deze norm is strafbaar. Hierop kan worden gehandhaafd, zowel door boa’s als politie onder de verantwoordelijkheid van het lokaal gezag.
Deelt u de zorg dat de uitspraken van de burgemeester de autoriteit van buitengewone opsporingsambtenaren (boa's) en politieagenten kunnen ondergraven, doordat overtreders zich in de praktijk kunnen beroepen op zijn woorden? Zo nee, waar baseert u zich op? Zijn hier gesprekken over gevoerd met boa's en de politie?
Het is niet vast te stellen of burgers zich in de praktijk op dergelijke uitspraken zullen beroepen. De bevoegdheden van boa’s en politie vloeien voort uit de wet en worden hierdoor niet aangetast. Eenduidige communicatie in lijn met het landelijke vuurwerkverbod is echter wel wenselijk en van belang. Het draagt bij aan een heldere normstelling en ondersteunt boa’s en politie bij de uitvoering van hun handhavingstaak. Naar aanleiding van deze specifieke uitspraken zijn geen afzonderlijke gesprekken gevoerd met boa’s of de politie.
Deelt u de mening dat het door de uitspraken van de burgemeester van Delft mogelijk moeilijker wordt voor omliggende gemeentes om goed te handhaven, omdat de norm vager is doordat de burgemeester van Delft zegt dat in Delft wel «wat vuurwerk» afgestoken kan worden? Zo nee, wat is dan de boodschap die burgers volgens u met zulke uitspraken meekrijgen bij het vuurwerkverbod?
Nee. Het landelijke vuurwerkverbod geldt in alle gemeenten en vormt daarmee een landelijke en duidelijke norm. Het is echter van belang dat alle betrokken overheden hierover eenduidig communiceren. Daarnaast is het aan elk lokaal gezag om te bepalen of er ontheffingen worden verleend aan verenigingen of stichtingen voor het afsteken van vuurwerk.
Deelt u de vrees dat de uitspraken van burgemeester Pechtold andere burgemeesters kunnen aanmoedigen om het vuurwerkverbod eveneens minder streng te handhaven, met als gevolg groeiende verschillen tussen gemeenten en afnemende naleving door inwoners? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Er geldt een duidelijk wettelijk kader. De inzet en prioritering van handhaving is en blijft wel een verantwoordelijkheid van het lokaal gezag. In de lokale driehoek worden afspraken gemaakt over de inzet van de politie, lokale prioriteiten en de strafrechtelijke handhaving. Gemeenten bepalen dan ook zelf hoe zij toezicht en handhaving organiseren, rekening houdend met de lokale situatie en beschikbare capaciteit. De burgemeester legt hiervoor verantwoording af aan de gemeenteraad. Daarnaast is het aan de burgemeester om te bepalen hoe er in zijn/haar gemeente met de ontheffingsmogelijkheid wordt omgegaan.
Is er vanuit het kabinet contact geweest met burgemeester Pechtold naar aanleiding van zijn uitspraken? Zo nee, gaat u het gesprek alsnog voeren met het doel om te zorgen dat de nieuwe norm bij alle burgers duidelijk landt?
Nee, er is naar aanleiding van de uitspraken geen contact geweest met burgemeester Pechtold. Overleg met burgemeesters en gemeenten omtrent de uitwerking van de Wet veilige jaarwisseling vindt plaats via reguliere overlegstructuren. Zo is er regelmatig overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), wordt op ambtelijk en bestuurlijk niveau via een expert- en regiegroep afgestemd over de uitwerking van het handhavingsplan waarin gemeenten en andere partners zijn vertegenwoordigd en vindt regulier overleg plaats binnen het Strategisch Beraad Veiligheid (SBV). Met de relevante partners wordt gewerkt aan het zo goed en eenduidig mogelijk laten landen van de nieuwe regelgeving, bijvoorbeeld door het uitwerken van handreikingen voor gemeenten en het ontwikkelen van duidelijke communicatie richting burgers.
Kunt u een volledig overzicht geven, inclusief een tijdlijn, van alle acties die het kabinet onderneemt om de nieuwe norm dat consumenten geen vuurwerk meer mogen afsteken, goed te laten landen, in lijn met adviezen van politie en (gedrags)wetenschappers? Kunt u per actie uitgebreid toelichten wat deze precies inhoudt en hoe deze precies wordt ingevuld? Wat houdt de publiekscampagne precies in en hoe lang loopt die? Is dat het enige wat wordt gedaan om de nieuwe norm goed te laten landen bij mensen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Hoe worden gemeenten door het kabinet precies geholpen om de nieuwe norm goed te laten inbedden onder burgers dat consumenten geen vuurwerk meer mogen afsteken, in lijn met adviezen van politie en (gedrags)wetenschappers? Kunt u hier zo precies mogelijk in zijn, met een volledige opsomming van acties (inclusief tijdlijn) die het kabinet hiervoor heeft ondernomen en nog gaat ondernemen? Kunt u per actie uitgebreid toelichten wat deze precies inhoudt en hoe deze exact wordt ingevuld?
Hiervoor verwijs ik naar het handhavingsplan dat op 16 maart jl. met uw Kamer is gedeeld en de onlangs verzonden Verzamelbrief vuurwerk van 1 juli jl.2 In deze stukken wordt een overzicht gegeven welke acties zijn uitgevoerd en welke nog volgen om de nieuwe norm goed te laten landen en om gemeenten en uitvoeringspartners te ondersteunen richting de jaarwisseling, inclusief een tijdspad. Bij de totstandkoming en uitvoering van het handhavingsplan is nauw samengewerkt met onder meer VNG, gemeenten, politie, OM, ILT en gedragswetenschappers, zowel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid als voor het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Ook is input opgehaald bij onder andere het jongerenpanel van HALT, het jongerenpanel van de politie en via de online community «Nederland denkt mee» van de dienst Publiek en Communicatie via het Ministerie van Algemene Zaken. Acties uit het handhavingsplan zien op communicatie, preventie, handhaving, opsporing en de aanpak in de grensregio’s en internationaal. Deze richten zich onder meer op verschillende risicofactoren en dragen bij aan een duurzame gedragsverandering zoals beoogd met de Wet veilige jaarwisseling. Onderdeel hiervan is een landelijke communicatiecampagne, gebaseerd op gedragsinzichten. Van 17 augustus tot en met 9 oktober loopt de landelijke campagne en deze heeft als boodschap dat burgers vuurwerk, anoniem en straffeloos, kunnen inleveren tijdens georganiseerde inleveracties, omdat het bezit, afsteken en vervoeren van vuurwerk3 vanaf 1 augustus voor consumenten verboden is. De landelijke campagne behelst een onlinevideo, een radiospot, online communicatie, gerichte media en praktische informatie over de inleverdagen op www.leverjevuurwerkin.nl. De inleveracties zelf zijn verspreid door het hele land georganiseerd, in ruim 30 gemeenten, en vinden plaats van 1 september tot 9 oktober 2026. Hiermee worden burgers herinnerd aan de nieuwe norm en wordt de kans geboden hun vuurwerk in te leveren.
Op basis waarvan heeft het kabinet de afweging gemaakt dat de acties onder antwoorden op vraag 8 en 9 voldoende zijn?
Het handhavingsplan is één van de drie voorwaarden waaraan diende te worden voldaan voor inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling. De daarin opgenomen acties zien toe op communicatie, preventie, handhaving, opsporing en de aanpak in de grensregio’s en internationaal. Deze richten zich onder meer op verschillende risicofactoren en dragen bij aan een duurzame gedragsverandering zoals beoogd met de Wet veilige jaarwisseling. De acties uit het handhavingsplan zijn tot stand gekomen in nauwe samenwerking met een breed scala aan partijen, waaronder de VNG, gemeenten, politie, OM, Halt, ILT. De betrokken partijen hebben ieder vanuit hun eigen deskundigheid en verantwoordelijkheid een bijdrage geleverd aan de uitwerking van deze thema’s en het effectief laten landen van de nieuwe norm in de samenleving. Het handhavingsplan dient daarbij als handreiking voor gemeenten, politie en andere betrokken partijen bij de voorbereiding op en uitvoering van hun lokale aanpak. Daarmee is sprake van een breed gedragen plan dat aansluit bij de uitvoeringspraktijk. Daarbij geldt dat de eerste jaarwisselingen onder het nieuwe regime nadrukkelijk in het teken staan van leren, evalueren en waar nodig bijstellen van de aanpak. Op 16 maart jl. is het geactualiseerde handhavingsplan ook aan uw Kamer aangeboden,4 waarna het Inwerkingtredingsbesluit in het kader van de voorhang op 8 mei jl.5 aan de Eerste en Tweede Kamer is aangeboden. De Eerste Kamer heeft op 2 juni jl. besloten in te stemmen met de uitwerking van de voorwaarden en daarmee met de inwerkingtreding van de Wet op 1 augustus 2026. Ook in de voorhangprocedure van de Tweede Kamer is geen bezwaar gekomen tegen de inwerkingtreding van de wet.
Overweegt het kabinet om de vuurwerkregels kort na de aankomende jaarwisseling te evalueren en mogelijk aan te scherpen, waarbij ook de mogelijkheid om ontheffingen te verlenen wordt geschrapt, gezien alle kritiek van burgemeesters op de ontheffingen en de besluiten van ondertussen al een kwart gemeentes om geen ontheffingen af te geven?2
Net zoals de afgelopen jaren, zal de jaarwisseling worden gemonitord, en wordt de Tweede Kamer kort na de jaarwisseling geïnformeerd over het landelijk beeld van de afgelopen jaarwisseling. Het Besluit veilige jaarwisseling, waarin op initiatief van de Tweede Kamer de ontheffingsmogelijkheid voor burgemeesters is uitgewerkt, zal in samenhang met de Wet veilige jaarwisseling na drie jaar worden geëvalueerd. Zoals toegezegd wordt de Kamer nader geïnformeerd over het tijdspad van de evaluatie.7 In deze brief, die in het najaar aan de Kamer zal worden verstuurd, zal tevens worden ingegaan op de wijze van monitoring.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
Ja.
Het kabinet dat het onnodig moeilijk wil maken om arme mensen in Nederland aan de bijstand te helpen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money «Kabinet wil het onnodig moeilijk maken om arme mensen aan bijstand te helpen1»?
Ja, het artikel is bekend en samen met de reactie van het Ministerie van SZW gepubliceerd. In de reactie heb ik aangegeven dat proactieve dienstverlening een goede manier is om mensen te bereiken die ondersteuning nodig hebben bij werk, inkomen, opleiding en meedoen in de samenleving. Ik heb bewust gekozen het wetsvoorstel eenvoudig te houden voor een snelle, eerste stap. Later kunnen we de mogelijkheden voor proactieve dienstverlening uitbreiden.
Wat vindt u ervan dat ongeveer 200.000 huishoudens in Nederland niet weten dat zij recht hebben op een algemene bijstandsuitkering?
Uit data-analyse van de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA)2 blijkt dat in december 2021 naar schatting 160.000 huishoudens potentieel recht hadden op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering omdat het eigen inkomen in die maand december onder het sociaal minimum lag. Ruim een derde van al deze potentiële niet-gebruikers (d.w.z. 58.000 huishoudens) had volgens de NLA ook in de voorgaande 12 maanden recht op een (aanvullende) algemene bijstandsuitkering maar deed daar geen beroep op.
Voor de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO)3 en de Toeslagenwet (TW)4 zijn de schattingen over het niet-gebruik vergelijkbaar. Daarom zet het kabinet in op het tegengaan van het niet-gebruik met het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.
Deelt u de mening dat mensen moeten krijgen waar zij recht op hebben, ook in het geval zij daar zelf niet van op de hoogte zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk dat uitkeringen en voorzieningen toegankelijk zijn voor de mensen die het nodig hebben. Het voorkomt dat hun inkomen onder het sociaal minimum belandt. En het helpt hen naar werk, opleiding en meedoen in de samenleving.
«Als er door de Nederlandse overheid – lees: de Belastingdienst – iets te halen valt, dan kunnen gegevens moeiteloos worden gedeeld. Maar als de overheid iets moet brengen zoals een uitkering waar iemand recht op heeft, dan is informatie delen opeens erg ingewikkeld». Herkent u deze ervaring en begrijpt u dat dit door mensen zo wordt ervaren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat meer gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsorganisaties kan bijdragen aan een verbetering van de dienstverlening. Tegelijkertijd is het belangrijk dat uitvoeringsorganisaties zorgvuldig omgaan met gegevens van burgers. Hier is dus wel een goede wettelijke basis voor nodig. De fiscale geheimhoudingsplicht staat in beginsel in de weg aan wat de Belastingdienst deelt voor niet-fiscale doeleinden. Gegevens die de Belastingdienst heeft voor de uitvoering van haar taken mogen niet zomaar gedeeld worden. Om de belastingwetgeving te kunnen uitvoeren beschikt de inspecteur – de Belastingdienst – over bevoegdheden om informatie (onder dwang) in te winnen. Dit brengt mee dat de inspecteur ertoe is gehouden om zorgvuldig met die fiscale gegevens om te gaan. Die asymmetrie dient juist ter bescherming van burgers en bedrijven, en complementeert het systeem van heffing en inning. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of de gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld.
Kiest u er bewust voor mensen die hier recht op hebben, niet aan een bijstandsuitkering te helpen? Zo ja, waarom? Zo nee, leg uit waarom niet.
Integendeel, het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW zet in op het bereiken van mensen die recht hebben op ondersteuning, maar daarvan nog geen gebruikmaken.
In welke mate heeft uw antwoord op de vorige vraag te maken met het mensbeeld dat elk individu zelf verantwoordelijk is om op de hoogte te zijn van alle regelingen waar iemand potentieel recht op heeft?
Het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW is gebaseerd op onderzoek naar de oorzaken van het buiten beeld blijven van mensen die ondersteuning nodig hebben.5 Die oorzaken worden verdeeld in drie categorieën: oorzaken op het niveau van de regelgeving, oorzaken op het niveau van de uitvoering en oorzaken op het niveau van de burger. Proactieve dienstverlening richt zich op het wegnemen van oorzaken van niet-gebruik op het niveau van de uitvoering en op het niveau van de burger. Het richt zich op het persoonlijk informeren van mensen en het eenvoudiger kunnen aanvragen van uitkeringen en voorzieningen.
Bent u het met de SP eens dat juist de proactieve benadering maakt dat de kloof tussen overheid en burger wat verder gedicht kan worden? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Bijvoorbeeld het onderzoek «Burgerperspectief proactieve dienstverlening» laat zien dat respondenten positief staan tegenover het terugdringen van niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen door de overheid. Wanneer de overheid de burger de hand reikt en tegemoetkomt, bevordert dit een gevoel van vertrouwen. Deze inzichten zijn verwerkt in het wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW.6
Deelt u de mening dat óók de Belastingdienst de relevantie informatie moet delen met de gemeenten om de wet Proactieve Dienstverlening goed te laten functioneren? Zo ja waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zet in op betere uitwisseling van gegevens om de dienstverlening te verbeteren. Voor fiscale gegevens is het daarnaast van belang dat deze niet zomaar gebruikt en gedeeld mogen worden vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht, zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 4. De Belastingdienst staat positief tegenover de verlening van medewerking aan proactieve dienstverlening, mits goed geregeld en indien verder is voldaan aan hetgeen wat verder onder vraag 4 is vermeld.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat gemeenten wel de benodigde informatie krijgen zodat zij mensen die recht hebben op verschillende vormen van bijstand en inkomensondersteuning wel proactief kunnen benaderen?
Het wetsvoorstel en het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW geven gemeenten nieuwe mogelijkheden om inwoners te bereiken die mogelijk recht hebben op uitkeringen en voorzieningen, zoals algemene bijstand. Mede afhankelijk van het verloop van de Kamerbehandeling kunnen die mogelijkheden worden uitgebreid.7 Zo kan aan dit wetsvoorstel een deugdelijke juridische grondslag worden toegevoegd voor gegevens van de Belastingdienst met een aanvulling op het ontwerpbesluit proactieve dienstverlening SZW.
De Nederlandse overheid bespaart op dit moment naar schatting 1 miljard euro vanwege het niet uitkeren van de algemene bijstandsuitkering. Waar gebruikt het kabinet dit geld voor? Kunt u dit specifiek uiteenzetten?
De regel is dat realistisch wordt geraamd. Het gebruik van uitkeringen en voorzieningen wordt zo realistisch mogelijk ingeschat. De raming houdt rekening met het werkelijke gebruik in voorgaande jaren, de conjunctuur en met maatregelen, zoals proactieve dienstverlening, die kunnen leiden tot meer gebruik. Niet-gebruikte middelen zijn er daarom niet.
Welk belang weegt volgens u zwaarder, dat van fiscale geheimhouding of bestaanszekerheid? Leg uit waarom u dit vindt.
Fiscale geheimhouding en bestaanszekerheid sluiten elkaar niet uit. Bij de beoordeling of de fiscale geheimhouding doorbroken kan worden moet worden nagegaan of gegevensdeling noodzakelijk is om het voorgestelde doel te bereiken, zoals ook in het antwoord op vraag 4 aangegeven, en daarnaast of de verstrekking van gegevens over de fiscale positie van betrokkenen in verhouding staat tot het doel (proportionaliteit) en of er alternatieven zijn (subsidiariteit). Als hieraan is voldaan moet een deugdelijke wettelijke grondslag worden geregeld. Meer in het algemeen: zowel eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bestaanszekerheid zijn grondrechten en worden niet tegen elkaar afgewogen.
Door het niet mogelijk maken van het delen van informatie door de Belastingdienst aan de gemeenten, wordt zeer sterk de indruk gewekt dat u liever niet heeft dat mensen de bijstandsuitkering aanvragen. Erkent u dit? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is uw argumentatie om Nederlanders ervan te overtuigen dat hier geen sprake van is?
Voor nu is gekozen voor eenvoud, zodat mensen snel geholpen kunnen worden. Uitbreiding in de toekomst is mogelijk. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Afgelopen week diende ik tevens schriftelijke vragen in naar aanleiding van de verborgen datakluis met 64 miljoen dossiers. Ook in dit dossier houdt de Belastingdienst structureel relevante informatie achter. Wat maakt dat de Belastingdienst zoveel transparantie eist van haar burgers en dit zelf niet doet als dit onwelgevallig uit lijkt te komen?
Voor gedetailleerde informatie over de datakluis verwijst de Staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane naar de Kamerbrief van 15 april 2026 over het onderwerp8 en naar de antwoorden op de genoemde schriftelijke vragen.9 Dit staat los van de fiscale geheimhouding en van de fiscale informatieverplichtingen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het uitblijven van een besluit over nationale normen voor windturbines op land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de toezegging, gedaan tijdens het commissiedebat Hernieuwbare Energie op 15 april 2026 en die is herhaald in het antwoord van 22 mei 2026 op Kamervragen van de leden Huidekooper en Klos over milieunormen voor windturbines op land1, om de Kamer vóór de zomer te informeren over de nieuwe landelijke normen voor windturbines op land?
Ja.
Kunt u bevestigen dat dit besluit wel op de agenda van de ministerraad van 10 juli 2026 stond maar daarna niet naar de Kamer is gestuurd? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Ja, het onderwerp stond op de agenda van de ministerraad van 10 juli jl. Daar heeft echter geen finale besluitvorming plaatsgevonden waardoor het informeren van de Kamer niet mogelijk is gebleken. Het onderwerp is in de ministerraad van 28 augustus opnieuw behandeld.
Klopt het dat de overbruggingsregeling voor bestaande windparken opnieuw is verlengd, ditmaal tot en met 31 december 2027? Betekent dit dat de eerdergenoemde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2027 voor de definitieve milieunormen niet langer haalbaar wordt geacht?2
Het kabinet is voornemens de overbruggingsregeling te verlengen. Het voorstel hiertoe ligt nu bij de Raad van State. Inwerkingtreding van de nieuwe normen zal niet voor 1 januari 2027 kunnen plaatsvinden.
Welke gevolgen heeft dit hernieuwde uitstel voor provincies en gemeenten die bij hun ruimtelijke besluitvorming over windparken op land wachten op landelijke duidelijkheid?
Met de Kamerbrief die na de ministerraad van 28 augustus is verzonden, wordt de Kamer geïnformeerd dat het ontwerpbesluit voor het einde van dit jaar voor voorhang wordt aangeboden. Hiermee wordt zo spoedig mogelijk duidelijkheid gecreëerd over de landelijke milieu- en afstandsnormen voor windturbines op land. In de tussentijd kunnen provincies en gemeenten zelf normen stellen om ruimtelijke besluitvorming over windparken doorgang te laten vinden en zorgt de tijdelijke overbruggingsregeling ervoor dat de huidige milieunormen blijven gelden voor bestaande windparken.
Welke gevolgen heeft dit hernieuwde uitstel voor de realisatiegraad van wind op land, die volgens het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES) steeds verder afneemt?
Zoals blijkt uit de Monitor Wind op Land3, neemt de verwachte toekomstige realisatiegraad en pijplijn voor windturbines af. Naast factoren als netcongestie, vertraging door bezwaar- en beroepsprocedures en beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, draagt ook de onzekerheid over het uitblijven van duidelijkheid over landelijke afstandsnormen voor windturbines op land hieraan bij. Het ontbreken daarvan is daarmee niet de enige, maar wel één van de factoren die de realisatie van windturbines beperkt.
Erkent u dat het verder uitstellen van een besluit ervoor zorgt dat de uitrol van wind op land stagneert en de RES-doelen niet worden gehaald en dat de Nederlandse energie-afhankelijkheid hierdoor langer in stand wordt gehouden? Zo ja, gaat u dan zo spoedig mogelijk landelijke milieunormen vaststellen?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 5 heeft de onzekerheid over het uitblijven van landelijke normen inderdaad bijgedragen aan een daling in de verwachte toekomstige realisatiegraad en pijplijn voor windturbines op land.
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland voornemens is een afstandsnorm in de provinciale Omgevingsverordening op te nemen en deze in september 2026 vast te stellen?
Ja, zoals blijkt uit Statenstukken Uitwerking Initiatiefvoorstel RES en 2x tip – Impact afstandsnorm en Andere vormen van opwek4 zal de Omgevingsverordening worden voorgelegd aan de Staten in het derde kwartaal van 2026.
Bent u ermee bekend dat deze afstandsnorm ervoor zorgt dat het RES-doel in Gelderland waar de provincie zich ook aan heeft gecommitteerd, niet meer wordt gehaald, zoals uit een eigen analyse van de provincie blijkt?3
Uit de Statenstukken Uitwerking Initiatiefvoorstel RES en 2x tip – Impact afstandsnorm en Andere vormen van opwek blijkt dat de Provincie Gelderland concludeert dat een afstandsnorm van twee keer de tiphoogte ertoe leidt dat Regio Foodvalley niet de RES-doelstelling voor windenergie op land kan behalen.
Omdat de Gelderse RES-regio’s hebben afgesproken elkaars RES-opgave niet over te nemen, concludeert de provincie Gelderland dat de Gelderse RES-doelstelling niet haalbaar is. Daarbij benoemen de provincie Gelderland dat de RES-doelstelling in Gelderland ook zonder afstandsnorm al onder druk staat door o.a. netcongestie en de aanwezigheid van de wespendief.
Het kabinet heeft de Kamer op 28 augustus 2026 geïnformeerd dat het voornemens is om in het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving een instructieregel op te nemen op grond waarvan bij het nemen van ruimtelijke besluiten, zoals het vaststellen van een omgevingsplan, rekening moet worden gehouden met een afstand van twee keer de tiphoogte tussen een windturbine en de dichtstbijzijnde woning.
«Rekening houden met» betekent dat de afstandsnorm zwaar weegt in de belangenafweging die in het kader van dergelijke besluiten plaatsvindt, maar niet dwingt tot een bepaalde uitkomst. Gemotiveerd kan een kleinere afstand worden gehanteerd. Dat biedt ruimte voor het nastreven van de RES-doelstelling in Gelderland en om aanvullende opwek mogelijk te maken.
Zoals benoemd in de Kamerbrief Versterking van de Decentrale Ontwikkelingen in het Energiesysteem6, zal de Minister van Klimaat en Groene Groei, in het licht van de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem, toewerken naar nieuwe richtwaarden voor de opwek van zon en wind op land voor 2040, en deze laten landen in de te maken energieafspraken met medeoverheden.
Is de afstandsnorm die Gelderland beoogt afwijkend van de milieunormen die u beoogt? Zo ja, kunt u uitleggen waarin deze norm van Gelderland afwijkt?
Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, wordt de Kamer geïnformeerd dat er gekozen is voor een afstandsnorm van twee keer tiphoogte met uitzonderingen, en de ruimte om daar beargumenteerd naar beneden toe van af te wijken.
Bent u het ermee eens dat het zeer wenselijk is dat er zo snel mogelijk landelijke milieunormen voor windmolens op land worden vastgesteld die enerzijds milieueffecten van windmolens op land beperken, maar wel zorgen dat de RES-doelen binnen de afgesproken termijn worden behaald?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat gemeenten en provincies eigen, van elkaar afwijkende normen gaan vaststellen die ervoor zorgen dat de al jaren gewenste duidelijkheid rond de milieunormen voor windmolens op land voor omwonenden, initiatiefnemers, gemeenten en provincies blijft ontbreken?
Ja. Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, biedt het kabinet meer duidelijkheid over de nieuwe normen voor windturbines op land.
Hoe voorkomt u dat er door het ontbreken van landelijke regie een wildgroei aan afstandsnormen op regionaal niveau (zoals o.a. in Drenthe en Gelderland) gaat ontstaan?
Met de Kamerbrief die na de MR van 28 augustus is verzonden, is de Kamer geïnformeerd over de keuze voor een instructieregel die bepaalt dat bij het vaststellen van een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met een afstand van twee keer de tiphoogte tussen windturbine(s) en de dichtstbijzijnde woning. Deze instructieregel wordt de komende periode uitgewerkt in de ontwerp-AMvB, die nog dit jaar aan het parlement zal worden verzonden in het kader van de voorhang. Met deze instructieregel wordt op nationaal niveau voorzien in één uniforme afstandsnorm. Daarmee wordt voorkomen dat provincies eigen instructieregels over de afstand tot windturbines kunnen stellen.
Wat is uw standpunt over een afstandsnorm voor windmolens op land? Kunt u hierbij uw antwoorden van 22 mei 2026 op Kamervragen van de leden Huidekooper en Klos over milieunormen voor windturbines op land, waarin u het gebrek aan meerwaarde c.q. de nadelen van een afstandsnorm noemt, hierbij betrekken? Kunt u hierbij ook de brief van o.a. VNG, NVDE en VNO NCW over milieunormen betrekken?4
Zoals ook hierboven beantwoord, is de Kamer na de MR van 28 augustus geïnformeerd dat het kabinet kiest om de in het ontwerpbesluit opgenomen afstandsnorm van twee keer de tiphoogte van een windturbine met uitzonderingen te behouden. Een afstandsnorm biedt geen extra bescherming tegen hinder van windturbines, deze wordt immers al door de milieunormen over bijvoorbeeld geluid verzekerd. De afstandsnorm biedt enkel duidelijkheid aan burgers, omwonenden en bestuurders over de afstand tussen woningen en windturbines. In de verzonden Kamerbrief wordt toegelicht hoe de keuze recht doet aan het belang van de energieopgave enerzijds en aan de zorgen van omwonenden anderzijds.
Kunt u een concrete datum noemen waarop de Kamer de toegezegde brief alsnog kan verwachten? Kunt u toezeggen dat het besluit over landelijke normen alsnog in de eerstvolgende ministerraad, die gepland is voor 14 augustus 2026, wordt genomen?
De Kamer is op 28 augustus jl. over het besluit van het kabinet geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk 1 september 2026 beantwoorden, zodat er snel meer duidelijkheid komt?
Ja.
Racistisch en seksistisch geweld en intimidatie tegen mensen die asiel zoeken en inwoners die zich uitspreken voor opvang |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat inwoners van Engelen en Bokhoven die steun hebben uitgesproken voor vreedzaam samenleven door middel van een poster slachtoffer zijn geworden van intimidatie, bedreigingen en bekladdingen van woningen en andere eigendommen? Wat is uw reactie daarop?1
Heeft u gezien dat in Geesteren de auto van een Syrisch gezin in brand is gestoken, nadat eerder tot drie keer toe stenen met intimiderende en bedreigende briefjes door de ruiten van hun woning waren gegooid? Wat is uw reactie daarop?2
Heeft u gezien dat in Engelen de auto van mensen die een «Samen Leven»-poster hadden opgehangen in het water is geduwd? Wat is uw reactie daarop?3
Wat vindt u ervan dat inwoners van Engelen zich de afgelopen maanden al niet vrij voelden om hun mening te geven over een opvanglocatie voor kinderen die asiel zoeken in Nederland, omdat ze geïntimideerd werden door tegenstanders, waarbij onder meer hakenkruizen in appgroepen werden verspreid?4
Deelt u de analyse van onder andere Jelle Postma, voormalig AIVD'er en expert op het gebied van maatschappelijke manipulatie, dat hiermee een nieuwe, zorgelijke fase ingaat, waarbij geweld en intimidatie zich nu niet alleen maar richten op de overheid, maar ook op gewone burgers? Deelt u zijn analyse dat er «blijkbaar een gevoel is ontstaan dat je anderen straffeloos mag intimideren om je zin door te drijven»? Zo nee, wat is dan uw analyse?5
Erkent u dat een klimaat waarin inwoners zich niet meer vrij voelen zich publiekelijk uit te spreken over de opvang van asielzoekers, uit angst voor intimidatie of geweld, een bedreiging vormt voor de democratische rechtsstaat? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarin voor het kabinet?
Erkent u dat u als Minister-President een belangrijke verantwoordelijkheid heeft om u steeds tijdig en duidelijk uit te spreken tegen niet alleen haat en ophitsing richting mensen die asiel zoeken, maar ook tegen het geweld en de intimidatie die steeds meer plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u of een lid van uw kabinet zich tot nu toe niet helder uitgesproken over wat er in Engelen, Bokhoven en Geesteren heeft plaatsgevonden en waarom heeft het kabinet nog geen actie ondernomen? Gaat u het Syrische gezin en de inwoners van Engelen en Bokhoven die slachtoffer zijn geworden van haat en geweld bezoeken om uw steun en medeleven te betuigen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken of de doelgerichte intimidatie, bedreigingen, brandstichting en vernielingen die in Engelen, Bokhoven en Geesteren hebben plaatsgevonden, mede gelet op het kennelijke doel om angst aan te jagen en maatschappelijke of politieke besluitvorming over de opvang van asielzoekers te beïnvloeden, gedreven zijn door terroristische motieven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen in elk geval beantwoorden voor de aankomende Algemene Politieke Beschouwingen?
Het niet voldoen aan de uitspraak van de rechter inzake de Bonaire-klimaatzaak |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Vindt u dat iedereen in Nederland zich aan rechterlijke bevelen moet houden, inclusief de Staat? Ziet u ook het gevaar van ondermijning van de rechtsstaat door de Staat zelf als zij zich niet aan rechterlijke uitspraken houdt?
Ja.
Erkent u de urgentie van het voldoen aan het Bonaire-vonnis in het licht van de klimaatcrisis?
Ja.
Klopt de bevinding van de NOS dat het kabinet de datum waarop het kabinet inzage moet geven in de emissieruimte van Nederland, namelijk gisteren, naast zich neerlegt?
Nee, dat klopt niet. De rechtbank Den Haag heeft bij herstelvonnis van 18 maart 20261 bevestigd dat de Staat 18 maanden de tijd heeft om de (resterende) emissieruimte voor Nederland inzichtelijk te maken. Die termijn is nog niet verstreken.
Erkent u dat het in kaart brengen van de emissieruimte het allereerste begin zou zijn van wat er moet gebeuren, en dat het een slecht signaal is dat het kabinet die eerste stap zelfs negeert?
Ik erken het belang van het in kaart brengen van de emissieruimte. Het inzichtelijk maken daarvan hangt samen met de reductiedoelen voor de gehele economie die op basis van rechtsoverweging 12.2 door de Staat moeten worden vastgesteld. Als de doelen zijn vastgesteld kan daaruit de (resterende) emissieruimte voor Nederland opgemaakt worden.
Realiseert u zich dat het uitvoeren van het vonnis hierdoor in het geding komt, aangezien het kabinet binnen 18 maanden bindende klimaatdoelen moet hebben vastgesteld, gebaseerd op de resterende emissieruimte?
De uitvoering van het vonnis komt hierdoor niet in het geding. De Staat werkt momenteel aan de uitvoering van het vonnis.
Hoe denkt u alsnog tijdig aan de uitspraak te voldoen bij het ontbreken van een onderbouwde berekening van de emissieruimte? Kunt u dit uiteenzetten in een gedegen planning?
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 5 wordt hard gewerkt aan het tijdig uitvoeren van het vonnis.
Waarom heeft u nog geen advies gevraagd aan de Wetenschappelijke Klimaatraad of het Planbureau voor de Leefomgeving om een berekening te maken van de resterende emissieruimte voor Nederland? Bent u bereid dat alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
De Staat baseert zich bij het vaststellen van reductiedoelen op wetenschappelijke rapporten van het IPCC. Dat doet de Staat omdat de rechtbank zich in het vonnis ook op deze rapporten van het IPCC baseert. Daar wil de Staat bij aansluiten. Volgend op de vastgestelde doelen zal de (resterende) emissieruimte voor Nederland berekend worden. Vanwege deze aanpak wordt het niet nodig geacht om de genoemde instellingen hierover om advies te vragen.
Onderschrijft het kabinet het bevel van de rechtbank dat de Staat inzichtelijk moet maken wat de resterende emissieruimte voor Nederland is waarvan de Staat uitgaat bij het nemen en uitvoeren van klimaatmaatregelen, en dat gisteren, een half jaar na de uitspraak, dit inzicht gegeven moet worden? Zo ja, waarom voldoet het kabinet hier niet aan?
Het kabinet werkt hard aan de uitvoering van het vonnis. Een onderdeel van het vonnis is dat de Staat de emissieruimte inzichtelijk moet maken. Hiervoor geldt echter geen termijn van 6, maar van 18 maanden. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Kunt u de beschikbare berekeningen delen met de Kamer, aangezien de Staat tijdens de rechtszaak heeft aangegeven reeds te beschikken over emissiegegevens? Zo nee, waarom niet?
Gelijktijdig met de wetswijziging die nodig is voor de uitvoering van het vonnis zal inzichtelijk gemaakt worden hoe de omvang van de emissieruimte is bepaald.
Bent u bereid alsnog de emissieruimte die nog mogelijk is binnen het Akkoord van Parijs inzichtelijk te maken, zoals de rechter heeft bevolen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze emissieruimte zal inzichtelijk worden gemaakt gelijktijdig met de wetswijziging die nodig is voor de uitvoering van het vonnis.
De uitspraken van minister van staat Timmermans |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Bent u bekend met het interview waarin de heer Timmermans uitspraken doet over het conflict tussen Israël en de Palestijnen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de heer Timmermans dat in het Midden-Oosten sprake zou zijn van de «uitroeiing van een volk» en dat Palestijnen «letterlijk in zee worden gedreven»?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Er geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid voor uitspraken die Ministers van staat doen en waarover zij zichzelf kunnen verantwoorden.
Kan het kabinet reageren op de rapporten en onderzoeken waarnaar onder meer Andrew Fox verwijst en die volgens hem belangrijke onderdelen van de genocidebeschuldigingen tegen Israël weerspreken?2 3 4 5 6
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze bevindingen op gespannen voet staan met de uitspraken van de heer Timmermans dat Palestijnen worden «uitgeroeid»? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Acht u deze uitspraken verenigbaar met de bijzondere positie en voorbeeldfunctie die verbonden zijn aan de titel Minister van staat? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is voorafgaand aan de benoeming van de heer Timmermans tot Minister van staat meegewogen dat hij zich regelmatig publiekelijk uitlaat over actuele en politiek gevoelige thema’s? Zo ja, op welke wijze?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Het leidt geen twijfel dat de heer Timmermans hieraan voldoet.
Kunt u toelichten in hoeverre van Ministers van staat wordt verwacht dat zij boven de dagelijkse partijpolitieke strijd staan?
Zie het antwoord op vraag 2.
De datakluis bij het Ministerie van Financiën |
|
Mona Keijzer , Henk Vermeer (BBB), Jan Struijs (50PLUS), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Laat Financiën niet wegkomen met dit onderzoek naar de achtergehouden datakluis» van Pieter Omtzigt en Renske Leijten en met het onderliggende BDO-rapport voor het Ministerie van Financiën, waaruit blijkt dat sinds 2019 een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten die niet aan het parlement, niet aan toeslagenouders, niet aan Woo-verzoekers en niet aan de parlementaire enquêtecommissie fraudebestrijding en dienstverlening zijn verstrekt?1 2
Ja.
Sinds wanneer was de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Financiën op de hoogte van het bestaan van de datakluis en de daarin opgeslagen documenten?
De datakluis is in 2019 ontstaan als mitigerende maatregel naar aanleiding van een advies van de ADR, hierover is de Kamer destijds geïnformeerd3. Ook is de inrichting van de datakluis besproken in het Directieteam Belastingdienst. Dit blijkt ook uit het BDO-rapport en de geleverde stukken bij de Kamerbrief van 10 juli 2026. Het bestaan van de datakluis is daarmee bekend bij de ambtelijke en politieke leiding van destijds vanaf het moment van ontstaan. Er is nog geen zicht op de volledige inhoud van de datakluis.
Welke bewindspersonen zijn sinds 2019 geïnformeerd over het bestaan van deze datakluis, en wat waren hun beweegredenen om dit geheim te houden?
Voor het antwoord op deze vraag baseren wij ons op de tijdlijn die op 10 juli 2026 aan uw Kamer is verzonden. Daaruit blijkt dat de volgende bewindspersonen op de hoogte konden zijn of zijn van het bestaan van de datakluis:
Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met als doel om informatie achter te houden. Wij hebben aangegeven het te betreuren is dat de Belastingdienst niet adequaat heeft gehandeld toen de datakluis had moeten worden meegenomen in de zoekslag ten behoeve van de PEFD of andere informatieverzoeken en dat het lang heeft geduurd voordat de informatie juist, tijdig en volledig mogelijk het kabinet en uw Kamer heeft bereikt.
Op welke momenten tussen 2019 en 2026 is er met de bewindspersonen en met de topambtenaren gesproken over de datakluis en de inhoud daarvan, en op welke momenten hebben zij hierover mondeling of schriftelijk informatie ontvangen? Kunt u daarvan een precies overzicht geven?
De tijdlijn die met onze brief van 10 juli 2026 is meegestuurd geeft inzicht in belangrijke formeel vastgelegde momenten in de periode 2017 en 2026, waaronder contacten tussen ambtenaren en bewindspersonen
Kunt u de volgende stukken die in het BDO-rapport genoemd worden per ommegaande aan de Kamer doen toekomen: het memo «Juridisch Kader datakluis» (voetnoot 15)3, e-mail 22 juni 2022.pdf (voetnoot 106), e-mail juni 2025 (paragraaf 387 van het BDO-rapport), alle nota’s die aan de bewindspersonen en/of de (plaatsvervangend) secretaris-generaal zijn voorgelegd, Nota BD inventarisatie datakluis.pdf (voetnoot 148)?
De door u gevraagde documenten zijn reeds openbaar gemaakt als bijlage bij onze Kamerbrief van 10 juli 2026.
Zijn de geïsoleerde persoonlijke omgevingen overgedragen aan en/of opgevraagd door het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?
Naar aanleiding van de aangifte van het vermoeden van strafbare feiten door de Staatssecretarissen van Financiën op 19 mei 2020 heeft de Belastingdienst onder meer mailboxen en digitale omgevingen van organisatieonderdelen en teams die voorkomen in de aangifte in een afgeschermde omgeving opgeslagen. Afgeschermde omgevingen bestaan naast de datakluis en zijn in de loop der tijden bij de Belastingdienst ontstaan naar aanleiding van uiteenlopende verzoeken, waaronder interne verzoeken, strafrechtelijke trajecten en andere formele opdrachten. Het veiligstellen in deze afgeschermde omgeving was bedoeld om aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie te voldoen. U leest dit als zodanig terug in het rapport van BDO. Het is aan het Openbaar Ministerie om een toelichting te geven op de wijze waarop zij dit onderzoek hebben verricht en welke informatie daarvoor is opgevraagd of bekeken. Het Openbaar Ministerie stelde vast dat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking en daarmee zien wij geen aanleiding – ongevraagd – informatie aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.
Deelt u de opvatting dat het, gezien het feit dat het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst eerder jarenlang 14 wetten hebben overtreden waardoor burgers ernstig in de problemen zijn gekomen, ongepast is de Belastingdienst nog langer zelf opdrachtgever te laten zijn van een onderzoek naar zichzelf, nu er mogelijk nieuwe overtredingen zijn van de Grondwet (Artikel 68, informatierecht), de Wet open overheid en het Wetboek van Strafrecht (artikel 192b, het niet verschaffen van informatie aan een parlementaire enquêtecommissie)?
Wij delen de opvatting dat het verstandig is om de Belastingdienst niet zelf opdrachtgever te laten zijn van onderzoek over de datakluis bij de Belastingdienst. Daarom heeft BDO, een partij die nooit eerder iets voor de Belastingdienst heeft onderzocht, het onderzoek uitgevoerd en wordt er een onafhankelijke externe commissie ingesteld die toegang krijgt tot alle informatie die zij noodzakelijk acht voor haar werkzaamheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat hiervan aangifte wordt gedaan en dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie onderzoek doen naar alle mogelijke overtredingen c.q. (ambts)misdrijven?
Uit het onderzoek van BDO komen geen aanwijzingen naar voren dat opzettelijk gegevens zijn achtergehouden in de datakluis met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen.
Ook als er door of binnen het ministerie of de Belastingdienst fouten zijn gemaakt, zal dit nog niet betekenen dat sprake is van strafbaar gedrag.
Kunt u deze vragen zelf en binnen drie weken beantwoorden, aangezien het volstrekt ongepast is dat de bewindspersonen voor Financiën dit doen?
De vragen zijn beantwoord binnen drie weken. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Bent u bekend met het bericht «Holocaustoverlevende en kranslegger Deborah (84) woedend om discussie rond herdenking Rotterdam: «Het is een schande, het is pure Jodenhaat»» in De Telegraaf en met het blog «The ambassador at Loods 24» van dr. Eliyahu V. Sapir, waarin wordt ingegaan op de politieke druk rond de Holocaustherdenking bij Loods 24, de rol van burgemeester Schouten van Rotterdam en de positie van de organiserende Joodse instellingen?1 2
Ja.
Bent u van oordeel dat de aanwezigheid van de door de organisatoren uitgenodigde Israëlische ambassadeur op zichzelf afbreuk kan doen aan de waardigheid van deze Holocaustherdenking? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, neemt het kabinet dan afstand van het door burgemeester Schouten gelegde verband tussen de aanwezigheid van de ambassadeur en de waardigheid van de herdenking?
Inmiddels heeft de herdenking plaatsgevonden. Hierbij waren de Israëlische ambassadeur en de burgemeester aanwezig. De burgemeester heeft haar zienswijze hierover kenbaar gemaakt. Een beoordeling van het handelen van de burgemeester is niet aan mij, zij legt hiervoor verantwoording af aan de gemeenteraad. Burgemeesters opereren in een veranderende en ingewikkelde maatschappelijke context. De burgemeester heeft hierbij beste zicht op de situatie ter plaatse.
Deelt u de opvatting dat een burgemeester in het kader van diens verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid overleg mag voeren met betrokken partijen, maar dat dit overleg er niet toe mag leiden dat politieke partijen, actiegroepen of andere derden invloed verkrijgen op het programma of de gastenlijst van een Holocaustherdenking die zij niet organiseren, behoudens concrete juridische of veiligheidsgronden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de burgemeester besluiten te nemen in het kader van de handhaving van de openbare orde. De burgemeester bepaalt bij wie – in het kader van een juiste besluitvorming – informatie wordt ingewonnen en hoe deze wordt gewogen.
Deelt u de opvatting dat de organisatie van een Holocaustherdenking, waaronder de keuze van sprekers en genodigden, behoudens concrete juridische of veiligheidsgronden, behoort te worden bepaald door de organiserende stichting en de betrokken Joodse instellingen en niet door een overheid mag worden aangepast als reactie op politieke druk? Zo nee, waarom niet?
De stichting gaat inderdaad zelf over de organisatie van een herdenking. Een beoordeling van de uitlatingen van de burgemeester in het kader hiervan is niet aan mij. De burgemeester legt alleen verantwoording af aan de gemeenteraad, zoals verwoord in artikel 180 van de Gemeentewet.
Erkent u het risico dat de reactie van de burgemeester de indruk wekt dat politieke druk een effectief en legitiem middel is om invloed uit te oefenen op het programma of de gastenlijst van een Joodse herdenking? Zo ja, welke maatregelen is het kabinet bereid te nemen om duidelijk te maken dat dergelijke druk geen aanspraak kan maken op medezeggenschap over de organisatie van Joodse herdenkingen? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester gaat zelf over haar uitlatingen. Het is daarnaast aan de burgemeester besluiten te nemen in het kader van herdenkingen. Over haar handelen legt zij verantwoording af aan de gemeenteraad, dat is niet aan mij om te beoordelen. Daarnaast is het van het grootste belang dat het gesprek hierover eerst en vooral op gemeentelijk niveau moet worden gevoerd. Juist ook omdat dat debat dan kan plaatsvinden op basis van alle relevante – ter plaatse veel beter bekende – feiten en omstandigheden.
Bent u bereid ondubbelzinnig uit te spreken dat de aanwezigheid van de door de organisatoren uitgenodigde Israëlische ambassadeur op zichzelf geen afbreuk doet aan de waardigheid van een Holocaustherdenking en dat politieke bezwaren tegen het beleid van de Israëlische regering geen grond vormen om druk uit te oefenen op de organisatoren teneinde de gastenlijst of het programma van een Holocaustherdenking aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat kritiek op het beleid van de Israëlische regering legitiem kan zijn, maar dient te worden gericht tot de daarvoor verantwoordelijke politieke actoren en niet mag worden afgewenteld op Joodse instellingen of als voorwaarde mag worden gesteld voor de wijze waarop die instellingen Holocaustslachtoffers herdenken? Hoe verhoudt deze casus zich tot het door het kabinet onderschreven uitgangspunt dat Joden niet individueel of collectief verantwoordelijk mogen worden gehouden voor het handelen van de Staat Israël?
Het uitgangspunt dat Joodse individuen en gemeenschappen in Nederland niet verantwoordelijk mogen worden gehouden voor het beleid van de regering van de staat Israël geldt onverkort. Het staat burgers in een democratie vrij om kritiek te hebben op beleid van welke regering dan ook. Dit rechtvaardigt echter niet dat individuele personen of gemeenschappen verantwoordelijk worden gehouden voor beleid van een regering waarmee zij slechts worden geassocieerd. Dit is ongepast.
Bent u ermee bekend dat een Israëlische ambassadeur reeds in 2018 heeft gesproken tijdens de herdenking bij Loods 24, dat de Israëlische ambassadeur ook in 2025 tot de sprekers behoorde en dat de organisatoren hebben verklaard dat al jarenlang een Israëlische ambassadeur of een andere officiële vertegenwoordiger van de staat Israël aan de herdenking deelneemt? Deelt u de opvatting dat de aanwezigheid van een Israëlische vertegenwoordiger daarmee een bestendig onderdeel vormt van de door de organisatoren gekozen opzet van de herdenking en geen nieuw politiek element is dat in 2026 aan de herdenking is toegevoegd?
Daar ben ik mee bekend. De organisatie van de herdenking is aan de organisatoren. De burgemeester kan op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) hier kaders aan stellen.
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding met spoed te verzoeken een beoordeling te geven van de politieke druk die op de organisatoren van de Holocaustherdenking bij Loods 24 is uitgeoefend, de reactie van burgemeester Schouten daarop en de mogelijke gevolgen daarvan voor de autonomie en veiligheid van Joodse herdenkingen in Nederland, en de Kamer over die beoordeling te informeren? Zo nee, waarom niet?
De Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding heeft een coördinerende en adviserende rol. Hij brengt de aard en omvang van antisemitisme in Nederland in kaart, en adviseert het Kabinet, de ministeries en lokale overheden over de bestrijding ervan, op basis van patronen en trends. De strekking van uw verzoek valt hier niet onder.
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Ja.
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
De prijsverschillen kunnen deels worden verklaard door verschillen in belastingen, waaronder zowel de accijns als de btw, maar ook andere factoren spelen een rol.
€ 844,69
€ 654,50
€ 600,16
€ 552,29
€ 470,40
€ 600,16
€ 199,27
€ 220,86
€ –
Sinds 1 januari 2026
Sinds 1 juli 2026
Sinds 1 april 2023
Voor LPG is de accijns omgerekend naar liters, o.b.v. een dichtheid van 0,54 kg/L. Het accijnstarief per 1.000 kg is € 369,02 in Nederland en € 409 in Duitsland.
Uit tabel 2 volgt dat Nederland voor benzine een hogere accijns kent dan zowel België als Duitsland. De Nederlandse benzineaccijns ligt circa 24 cent per liter boven die van België en circa 19 cent per liter boven die van Duitsland. Omdat over de accijns tevens btw wordt geheven, is het verschil in de totale belastingdruk iets groter. Daarbij geldt dat Nederland en België een btw-tarief van 21% kennen, terwijl Duitsland een btw-tarief van 19% hanteert. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin3 was de gemiddelde benzineprijs in Nederland € 2,290, in België € 1,814 (48 cent lager) en in Duitsland € 2,143 (15 cent lager). Ten opzichte van België is het prijsverschil dus groter dan het verschil in de totale belastingdruk, terwijl ten opzichte van Duitsland het prijsverschil juist kleiner is. Dit laat zien dat naast belastingen ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Voor diesel volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan Duitsland en een lagere accijns dan België. De Nederlandse dieselaccijns ligt circa 8 cent per liter onder die van België en circa 8 cent per liter boven die van Duitsland. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde dieselprijs in Nederland € 2,323, in België € 2,157 (17 cent lager) en in Duitsland € 2,149 (17 cent lager). In de vergelijking met Duitsland kunnen de belastingen een groot deel van het prijsverschil verklaren. In de vergelijking met België kan het prijsverschil niet worden verklaard door de accijns en moet voornamelijk worden gezocht in andere factoren. Een belangrijk verschil is dat in België wordt gewerkt met een systeem van maximumprijzen. Een dergelijk systeem begrenst de prijs die aan de pomp in rekening mag worden gebracht en kan daarmee voorkomen dat stijgingen van de marktprijs volledig en direct worden doorberekend aan consumenten. Een systeem van maximumprijzen kent tegelijkertijd aandachtspunten, waar uw Kamer dit voorjaar over is geïnformeerd.4 Zo kan een maximumprijs de werking van de brandstoffenmarkt verstoren en bij schaarste tekorten versterken. Daarbij is relevant dat de marges in de tankstationsector beperkt zijn. Zo bedroeg het bedrijfsresultaat in 2023 circa 4% van de netto omzet. Ook de ACM ziet geen aanwijzingen dat gemiddelde winstmarges tankstations zijn gestegen.5 Indien ondernemers voor de begrenzing van hun marge zouden worden gecompenseerd, ontstaan daarentegen budgettaire kosten voor de overheid.
Voor LPG volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan België en een lagere accijns dan Duitsland. De Nederlandse LPG-accijns ligt circa 2 cent per liter lager dan in Duitsland en circa 20 cent per liter boven die van België. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde LPG-prijs in Nederland € 0,930, in België € 0,817 (11 cent lager) en in Duitsland € 1,090 (16 cent hoger). Ook hier blijkt dat het verschil in belastingen slechts een beperkt deel van het totale prijsverschil verklaart en ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Het beeld is daarmee genuanceerd. De totale belastingdruk (accijns en btw) is een belangrijke factor bij de uiteindelijke pompprijs, maar de vergelijking met België en Duitsland laat zien dat verschillen in de belastingdruk niet één-op-één overeenkomen met de verschillen in de consumentenprijs. Ook factoren zoals de internationale productprijs, raffinage- en distributiekosten, kosten voor verplichte bijmenging en markt- en concurrentieomstandigheden zijn van invloed op de prijs die de consument aan de pomp betaalt. Het kabinet deelt daarom niet de opvatting dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen zijn «doorgeschoten». De hoogte van de accijnzen is het resultaat van een beleidsmatige afweging tussen de financiering van collectieve voorzieningen, de betaalbaarheid van mobiliteit en klimaat- en milieudoelstellingen.
Meer achtergrond over de ontwikkeling van brandstofaccijns en pompprijzen zijn te vinden in een analyse van vorig jaar, verzonden met een kamerbrief over de hervorming autobelastingen.6
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Onderstaande tabel bevat per land de consumentenprijzen, inclusief belastingen, per 1.000 liter op 27 juli 2026, zoals gepubliceerd in het Weekly Oil Bulletin van de Europese Commissie.2
1.874,00
2.051,00
1.888,38
2.140,86
816,00
1.515,00
1.679,00
629,10
1.616,00
1.771,00
735,00
1.517,17
1.638,91
1.746,19
1.814,46
913,23
2.485,55
2.290,24
1.812,00
1.877,00
969,00
2.177,91
2.270,10
2.057,14
2.168,45
1.007,90
2.191,00
2.186,00
1.092,75
2.017,00
2.041,00
1.657,90
1.720,64
971,80
1.757,70
1.751,70
1.960,82
2.140,63
757,68
1.885,00
1.936,00
938,75
1.792,71
1.995,18
749,64
1.764,00
1.889,00
740,00
1.340,00
1.210,00
2.385,06
2.392,73
930,89
1.719,18
1.817,74
711,64
1.990,00
2.026,00
896,00
1.768,11
1.995,27
873,31
1.765,00
1.737,00
778,00
1.626,04
1.788,19
957,84
1.644,51
1.722,27
1.052,12
1.454,57
1.824,62
Bij de vergelijking van consumentenprijzen dient te worden opgemerkt dat lidstaten hun nationale belastingstelsel verschillend hebben ingericht. Naast accijnzen kunnen ook andere indirecte belastingen of heffingen onderdeel uitmaken van de consumentenprijs. Daarnaast verschillen de btw-tarieven tussen lidstaten.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Ja, het klopt dat over de brandstofaccijns btw wordt geheven. Dit volgt uit de Europese btw-richtlijn.7
Uit de Europese btw-richtlijn volgt dat belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw zelf, onderdeel zijn van de maatstaf van heffing voor de btw, voor zover zij rechtstreeks met de levering samenhangen.8 Dit betekent dat ook accijnzen die in de prijs van brandstof zijn begrepen, worden meegenomen in de grondslag waarover btw wordt berekend.
Deze systematiek is in EU-verband overeengekomen zodat lidstaten de verhouding tussen btw en andere verbruiksbelastingen niet eenvoudig kunnen verschuiven. Het voorkomt dat lidstaten met belastingen zouden kunnen «schuiven» om nationaal dezelfde belastingopbrengst te behouden, maar tegelijkertijd de btw-opbrengst en daarmee hun bijdrage aan de EU te verlagen.
De heffing van btw over de brandstofaccijns is daarmee niet zozeer een nationale keuze maar een gevolg van het Europese uitgangspunt van een geharmoniseerd btw-stelsel.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Onderstaande tabel laat de opbrengst zien van 2014 t/m 2025 van accijns en de btw op brandstof, uitgesplitst naar benzine, diesel en LPG in miljoenen euro.
Accijns
Btw
Accijns
Btw
Accijns
Btw
€ 3.968
€ 1.537
€ 3.679
€ 1.872
€ 98
€ 74
€ 4.099
€ 1.447
€ 3.656
€ 1.619
€ 98
€ 58
€ 4.224
€ 1.406
€ 3.744
€ 1.521
€ 100
€ 55
€ 4.310
€ 1.503
€ 3.804
€ 1.659
€ 102
€ 61
€ 4.431
€ 1.598
€ 3.801
€ 1.798
€ 101
€ 66
€ 4.559
€ 1.654
€ 3.810
€ 1.809
€ 102
€ 60
€ 3.827
€ 1.296
€ 3.303
€ 1.408
€ 88
€ 49
€ 4.068
€ 1.576
€ 3.512
€ 1.707
€ 94
€ 66
€ 3.761
€ 1.949
€ 3.077
€ 2.346
€ 82
€ 81
€ 4.179
€ 1.935
€ 3.038
€ 1.934
€ 81
€ 65
€ 4.577
€ 1.982
€ 3.294
€ 1.907
€ 88
€ 65
€ 4.544
€ 1.920
€ 3.138
€ 1.784
€ 84
€ 63
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Hogere brandstofprijzen leiden niet automatisch tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid.
De accijns op brandstoffen is een vast bedrag per liter en is daarom niet afhankelijk van de hoogte van de brandstofprijs. Hogere brandstofprijzen leiden daardoor niet tot hogere accijnsopbrengsten per verkochte liter. Sterker nog: hogere prijzen dempen de vraag naar brandstof, waardoor het aantal getankte liters lager uitvalt en daarmee zorgen hogere prijzen voor een lagere accijnsopbrengst.
Voor de btw geldt dat een hogere brandstofprijs, bij een gelijkblijvend verkoopvolume, leidt tot een hogere btw-opbrengst per liter. In een eerdere schatting over inkomsten uit brandstof9 bleken in maart 2026 de btw-inkomsten € 18 miljoen hoger dan verwacht, en de accijnsinkomsten € 10 miljoen lager dan verwacht, waardoor er per saldo € 8 miljoen aan inkomsten overbleef. Belangrijk is om dit in perspectief te plaatsen: € 18 miljoen extra aan btw op brandstof is relatief klein afgezet tegen de totale btw-ontvangst van ruim € 21 miljard in april. Bovendien staat hier tegenover dat hogere uitgaven aan brandstof kunnen leiden tot een verschuiving in het consumptiepatroon, waarbij huishoudens minder uitgeven aan andere goederen en diensten. Daarnaast kunnen hogere brandstofprijzen leiden tot een lager brandstofverbruik of meer tanken over de grens. Door deze substitutie- en gedragseffecten is het uiteindelijke netto-effect op de totale belastinginkomsten onzeker.
Voor zover er meer btw-inkomsten als gevolg van hogere brandstofprijzen zijn, leiden die tot een hogere grondslag voor de btw-afdracht aan de EU-begroting. Een hogere btw-afdracht leidt, ceteris paribus, tot een lagere bni-afdracht. De bni-afdracht is namelijk de sluitpost van de financiering van de EU-begroting. De totale som van de verschillende type afdrachten op EU-niveau neemt namelijk niet toe, alleen de verdeling tussen het type afdrachten verschuift. Hierdoor leiden hogere brandstofprijzen niet automatisch tot hogere afdrachten aan de EU-begroting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Een verlaging van de brandstofaccijns kan, voor zover deze wordt doorberekend in de consumentenprijs, de brandstofkosten voor gebruikers verlagen en daarmee het koopkrachtverlies beperken. Een generieke verlaging van de brandstofaccijns is echter een relatief ongericht beleidsinstrument indien het doel is om de koopkracht van alle huishoudens te verbeteren. Huishoudens die veel brandstof gebruiken, profiteren daarvan in absolute zin meer dan huishoudens die weinig of geen gebruik maken van een auto. Daarnaast leidt een accijnsverlaging tot lagere belastinginkomsten en moet de budgettaire derving worden gedekt.
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
In het Regeerakkoord Balkenende II is opgenomen dat de opbrengst van het zogenoemde Kwartje van Kok, gelet op de herkomst daarvan, vooral zou worden aangewend voor investeringen in wegen en daarnaast voor onderhoud van openbaar vervoer en vaarwegen. Er is destijds dus gekozen voor een terugsluis via infrastructuuruitgaven en niet voor een afzonderlijke verlaging van de accijns.
Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat de overheid burgers hiermee heeft «voorgelogen». De hoogte van de brandstofaccijns is sindsdien steeds onderwerp geweest van politieke besluitvorming door opeenvolgende kabinetten en parlementen.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Het kabinet begrijpt de achterliggende zorg over de gevolgen van hogere brandstofprijzen voor burgers en bedrijven. Om bij te dragen aan de betaalbaarheid van de brandstofkosten van personenauto’s geldt op dit moment een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen van 15,7 cent op benzine, 10,2 cent op diesel en 3,7 cent op LPG. Het kabinet is voornemens de tijdelijke verlaging van de benzineaccijns met een jaar te verlengen, door een korting van 17,7 cent te geven. De precieze omvang van de accijnskorting wordt daarbij mede bepaald door de budgettaire gevolgen. Het accijnstarief voor benzine blijft hiermee volgend jaar op bijna hetzelfde niveau als dit jaar (84,5 cent/liter in 2026, en 85,2 cent/liter in 2027).
Ten aanzien van een aanvullende verlaging van de benzineaccijns met 25 cent per liter wijst het kabinet erop dat de huidige prijsstijgingen samenhangen met een verminderd aanbod op de brandstofmarkt. Het kabinet is daarom terughoudend met verdere vraagondersteunende maatregelen. Bij de afweging over eventuele aanvullende maatregelen worden daarnaast de doelmatigheid, de verdelingseffecten en de gevolgen voor de klimaat- en mobiliteitsdoelstellingen betrokken.
Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 16 maart en tijdens het plenaire debat van 23 maart over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, bereidt het kabinet zich voor op het scenario waarin de brandstofvoorziening verder onder druk komt te staan en energieprijzen fors en langdurig stijgen. In dat kader heeft het kabinet verschillende potentiële opties in kaart gebracht voor gerichte maatregelen, zodat deze wanneer nodig ingezet kunnen worden. Daarover is op 20 april 2026 het maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok naar de Tweede Kamer gestuurd.10
Het bericht dat Sea-Watch meewerkt aan mensenhandel |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de column «Schijnheilige ngo Sea-Watch doet mee aan meedogenloze mensenhandel» en met de berichtgeving dat de Italiaanse justitie de kapitein van Sea-Watch 5 onderzoekt wegens mogelijke hulp bij illegale immigratie?1
Ja, hiermee ben ik bekend.
Bent u bekend met de berichtgeving over Frontex-beelden waarop te zien zou zijn dat gemaskerde mannen ongeveer negentig migranten op zee overdragen aan Sea-Watch 5 en vervolgens terugvaren richting de Libische kust?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit niets te maken heeft met het redden van drenkelingen, maar neerkomt op het faciliteren van mensensmokkel en illegale immigratie? Zo nee, waarom niet?
Naar het kabinet begrepen heeft wordt het hierboven aangehaalde voorval momenteel onderzocht door de Italiaanse autoriteiten. Het kabinet kan geen uitspraken doen over lopende (strafrechtelijke) onderzoeken en zich mengen in de rechtsgang van andere lidstaten.
Deelt u de mening dat ngo’s die migranten rechtstreeks overnemen van mensensmokkelaars feitelijk fungeren als verlengstuk van criminele mensenhandelaren en hun meedogenloze verdienmodel in stand houden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft dat personen en organisaties niet dienen bij te dragen aan criminele activiteiten van mensensmokkelaars en mensenhandelaren. Het kabinet vindt het daarnaast onwenselijk wanneer de activiteiten en aanwezigheid van private schepen – bijvoorbeeld op de Middellandse Zee – bij zouden dragen aan het voortduren van mensensmokkel over zee. Het is aan de nationale (opsporings-)autoriteiten onderzoek te doen of strafbare gedragingen hebben plaatsgevonden, en zo nodig over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. In Nederland is deze bevoegdheid voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Het is dan ook niet aan het kabinet om uitspraken te doen over wanneer tot vervolging wordt overgegaan en waar deze grens precies ligt.
Heeft u bij de Italiaanse en Duitse autoriteiten en bij Frontex de beelden, communicatiegegevens, vaarroutes en beschikbare onderzoeksbevindingen opgevraagd? Zo nee, waarom niet?
Het is primair aan de autoriteiten die de zaak nader onderzoeken om dergelijke beelden en gegevens te beschouwen en te wegen. Mochten er daarnaast relevante aspecten zijn die van belang zijn vanuit het Nederlands perspectief, dan is het aan de nationale opsporingsautoriteiten – en niet aan het kabinet – om dergelijke informatie volgens de daartoe ingerichte kanalen te verzoeken.
Kunt u garanderen dat geen euro Nederlands of Europees belastinggeld direct of indirect terechtkomt bij Sea-Watch of aan Sea-Watch gelieerde organisaties? Zo nee, kunt u exact uiteenzetten hoeveel publiek geld sinds 2021 is verstrekt, via welke organisaties en voor welke projecten?
Voor zover het kabinet bekend is, bestaat er geen directe of indirecte subsidierelatie vanuit Nederland of de EU naar Sea-Watch of juridisch aan Sea-Watch gelinkte rechtspersonen. Volgens de site en het jaarverslag van Sea-Watch zelf wordt de organisatie bovendien volledig bekostigd door private donoren.
Kunt u aangeven hoeveel door Sea-Watch naar Europa gebrachte vreemdelingen sinds 2015 vervolgens in Nederland asiel hebben aangevraagd en hoeveel van hen een verblijfsvergunning hebben gekregen?
Omdat in de asielcijfers geen koppeling wordt gemaakt met een eventueel ontschepingsmoment zijn hierover geen cijfers beschikbaar.
Bent u bereid iedere vorm van Nederlandse financiering aan Sea-Watch per direct op te schorten en in Europees verband hetzelfde te eisen, ten minste zolang het Italiaanse strafrechtelijke onderzoek loopt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven onder vraag 6 is dat nu niet aan de orde.
Bent u bereid te pleiten voor strafrechtelijke vervolging, terugvordering van alle verstrekte publieke middelen en definitieve uitsluiting van Sea-Watch van Nederlandse en Europese subsidies? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven onder vraag 3, 4, en 6 is dat niet aan de orde.
De beperkte opname van klimaatindicatoren in de BHOS-indicatorenlijst |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in het nieuwe BHOS-indicatorenoverzicht op het thema klimaat slechts één indicator staat, namelijk het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie?
Ja.
Bent u van mening dat klimaatadaptatie en -weerbaarheid een substantieel onderdeel moeten vormen van het Nederlandse klimaatbeleid, mede gegeven dat meer dan 50% van de klimaatfinanciering naar adaptatie gaat?
Ja, dat is ook het geval.
Waarom is klimaat beperkt tot één indicator, terwijl adaptatie de helft van de klimaatfinanciering beslaat en beleidsmatig als prioriteit wordt benoemd?
De aan de Kamer toegezonden lijst betreft het BHOS-indicatorenoverzicht dat tot nu toe werd opgenomen in deel D, bijlage 4, van het BHOS-jaarverslag. In dit overzicht was het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie de afgelopen jaren de enige indicator voor het thema klimaat.
Zoals toegelicht in de brief van 11 mei jl. (Kamerstuk 31 865, nr. 302) wordt de verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag BHOS 2027 verbeterd. De afzonderlijke indicatorentabel vervalt en indicatoren en streefwaarden worden voortaan in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag. Daarmee ontstaat meer ruimte om de resultaten op klimaat, waaronder adaptatie, in samenhang en in context te presenteren.
Bent u van mening dat de huidige klimaatindicatoren ontoereikend zijn, gegeven de beperkte reikwijdte en discrepantie met de financiering (meer dan 50% naar adaptatie)?
De nieuwe verantwoordingssystematiek is erop gericht een completer en samenhangender beeld te geven van de behaalde resultaten op de beleidsdoelstellingen, waaronder resultaten op het gebied van klimaatadaptatie. Daarbij wordt gebruikgemaakt van zowel kwantitatieve gegevens als informatie over bredere ontwikkelingen en resultaten. Ook resultaten op het gebied van klimaatadaptatie binnen andere beleidsterreinen worden hierbij meegenomen. Zo wordt binnen de inzet op water en voedselzekerheid onder meer gemonitord hoeveel mensen toegang krijgen tot een verbeterde waterbron en hoeveel hectare landbouwgrond wordt bereikt met activiteiten gericht op duurzaam landgebruik. De resultaten worden in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag (zie ook het antwoord op vraag 3).
Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes? Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes?
Zie antwoord vraag 4.
Zo nee, waarom acht u het aanvaardbaar dat een substantieel deel van het klimaatbeleid en de klimaatfinanciering onzichtbaar blijft in de BHOS-verantwoording?
Zie antwoord vraag 4.
Het stijgend aantal mensen dat financieel in de problemen komt |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Nibud: huishoudens zeggen vaker financieel in de knel te komen» van de NOS en het rapport «Geldzaken in de praktijk 2026» van het Nibud, waar dit nieuwsbericht over gaat?1
Ja
Het Nibud-onderzoek laat zien dat, na jaren van een daling van geldzorgen, er voor het eerst een grotere groep is van mensen die moeite hebben om rond te komen: welke verklaringen ziet u hiervoor?
Het Nibud-onderzoek laat zien dat geldzorgen vooral zijn toegenomen bij jongvolwassenen van 18 tot 30 jaar. Voor verklaringen en maatregelen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën onder Nederlandse huishoudens problematisch en ongewenst is?
Het kabinet neemt de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën zeer serieus. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om kwetsbare groepen tijdig te signaleren en te ondersteunen. Preventie van problematische schulden en vroege bereikbaarheid van mensen met geldzorgen is daarbij essentieel. Zo zijn er verschillende projecten die gericht zijn op het versterken van de vindbaarheid van inwoners met geldzorgen, zowel binnen als buiten de gemeente, en wordt er gewerkt aan een werkgeversaanpak. Indien er toch problematische schulden ontstaan, is het noodzakelijk dat er een adequate oplossing volgt. Zo worden er verbetermaatregelen getroffen rondom vroegsignalering, en is doorverwijzing door een derde een essentieel onderdeel binnen de basisdienstverlening. Voor de uitgebreide beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Hamstra (CDA) over het Nibud rapport geldzaken in de praktijk 2026.2
In het rapport van Nibud staat dat vooral jongeren steeds meer geldproblemen hebben, het aandeel dat moeite heeft met rondkomen steeg van 40 procent in 2024 naar 54 procent in 2026, welke hoofdoorzaken ziet u hiervoor en wat zijn hun aandelen in de problematiek?
Het wel of niet kunnen rondkomen van jongvolwassenen is per situatie anders en kan verschillende oorzaken hebben. Bij jongeren spelen onder andere hoge kosten aan wonen, energie en boodschappen en het hebben van onzekere en wisselende inkomsten een rol. Daarbij weten jongeren vaak niet welke financiële zaken ze precies moeten regelen of waar ze recht op hebben.
Ook zijn er diverse online en offline verleidingen die jongeren soms moeilijk kunnen weerstaan, zoals gebruik maken van achteraf betalen. In het boek «financiële gezondheid van jongeren begrijpen en versterken» van Rosanne Oomkens (Hogeschool Utrecht, juni 2026) zijn veel onderzoeken en inzichten over dit onderwerp gebundeld.
Ik vind het belangrijk dat jongeren weten wat ze moeten regelen met betrekking tot hun geldzaken en dat zij goed leren omgaan met geld. Daarom heeft het kabinet de afgelopen jaren subsidie aan scholen verstrekt voor het structureel inbedden van financiële educatie binnen het onderwijs. Via deze subsidie hebben scholen onder andere leerkrachten kunnen trainen en persoonlijke financiële begeleiding kunnen bieden aan jongeren met geldzorgen. Daarnaast zijn vele (gratis) lesmethodes te vinden op Geldlessen.nl en zijn er diverse websites voor jongeren met geldvragen, zoals Wijzer in geldzaken en Digidingen-desk | Uitleg en tips voor al je digitale regelzaken.
SZW houdt mediacampagnes voor jongeren om hen bewust te maken van financiële risico’s, zoals achteraf betalen, en hen te attenderen op hulp bij geldzorgen. Ook heeft SZW aan verschillende organisaties subsidie verstrekt om jongeren met geldzorgen te ondersteunen, zoals Geldfit en het opschalen van het Jongeren Perspectieffonds naar meer gemeenten. Later dit jaar ontvangt de Kamer meer informatie over maatregelen voor jongeren, naar aanleiding van moties die hierover zijn ingediend.3
Welke oorzaak ziet u in de flinke toename van flexwerk onder jongeren en de inkomensonvoorspelbaarheid die dit meebrengt? In hoeverre vindt u flexibele contracten onder jongeren onwenselijk en welk nieuw beleid zet u in om dit terug te dringen en jongeren meer controle en zekerheid te geven?
Hoewel flexwerk onder de vermelde groep jongeren (tot 30 jaar) niet zodanig is toegenomen, is wel een (lichte) stijging te zien in de onderste helft van deze groep (18 tot 25 jaar). Hoe dan ook is het aantal flexwerkers (waaronder jongeren) in Nederland hoog. Dit is onwenselijk en daarom wordt de wet meer zekerheid flexwerkers (inwerkingtreding per 1 januari 2028) ingevoerd waardoor werknemers meer zekerheid van inkomen krijgen. Met deze wet wordt het nulurencontract afgeschaft en vervangen door het bandbreedtecontract (dat zorgt voor meer zekerheid van inkomen). Ook wordt de ketenregeling aangescherpt om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen en het perspectief op een vast contact te vergroten.
Voor bepaalde jongeren is belangrijk dat deze maatregelen niet gaan gelden. Minderjarigen, scholieren of studenten met een bijbaan (die gemiddeld 16 uur per week werken) kunnen straks bijvoorbeeld nog wel op basis van een nulurencontract blijven werken. Ook zal voor hen de aanscherping in de ketenregeling niet gelden. Dit is wenselijk om de toegang tot de arbeidsmarkt voor deze groepen niet te beperken; de bijbaan kan dienen als opstap richting de arbeidsmarkt. Bovendien is voor hen niet werk maar scholing de hoofdactiviteit. Jongeren met een contract van gemiddeld meer dan 16 uur per week hebben recht op meer zekerheid en voor hen zullen de nieuwe maatregelen dus wel gelden. Met de wet meer zekerheid flexwerkers zet ik dus in op meer zekerheid van inkomen uit werk voor werknemers met een flexibel contract, ook onder jongeren.
Hoe groot is in uw ogen de bijdrage van toegenomen online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now Pay Later constructies via social media waarvan jongvolwassenen steeds meer gebruik maken en wat tot groeiende geldzorgen en betalingsmoeite leidt? Als dit niet duidelijk is, bent u dan bereid hiernaar een verdiepend onderzoek te laten uitvoeren?
Het Nibud-rapport Geldzaken in de praktijk 2026 laat zien dat financiële zorgen en betalingsproblemen onder jongvolwassenen relatief vaak voorkomen. Het rapport biedt echter geen basis om vast te stellen in welke mate online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now, Pay Later (BNPL)-diensten via sociale media hieraan bijdragen.
Verkoop via social media zou het gebruikers sneller en gemakkelijker maken om een impulsaankoop te doen. Consumenten, waaronder jongvolwassenen, worden via sociale media blootgesteld aan gepersonaliseerde reclame en commerciële prikkels. Hoe groot de bijdrage is van sociale media op de geldzorgen onder jongeren is mij niet bekend. Het kabinet zet in op gerichte maatregelen tegen onder meer de verslavende ontwerpkeuzes van digitale diensten in het kader van de aankomende Digital Fairness Act.4 Voor verdere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid van Dijk (CDA) c.s.5
Ook voor de invloed van BNPL geldt dat de precieze bijdrage aan geldzorgen onder jongeren niet is onderzocht. Wel zijn er signalen dat deze factoren van invloed kunnen zijn op financieel gedrag en dat uitgestelde betaalmogelijkheden zoals BNPL de drempel tot aankopen kunnen verlagen. Zo blijkt uit onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat in 2023 via betaalrekeningen op naam van minderjarigen bijna 600.000 iDEAL-transacties zijn verricht die te relateren zijn aan BNPL-aanbieders.6
Deze signalen onderstrepen het belang van consumentenbescherming, in het bijzonder voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren. Met de inwerkingtreding van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet, die momenteel bij uw Kamer voorligt, worden aanbieders van uitstel van betaling en bemiddelaars in uitstel van betaling streng gereguleerd. Aanbieders moeten onder meer beoordelen of een consument het krediet kan dragen. Daarnaast wordt een verbod ingevoerd op het verstrekken van uitstel van betaling aan minderjarigen en worden aanbieders verplicht de leeftijd van consumenten te verifiëren voordat het krediet wordt verstrekt. Gegeven de wijzigingen die met de Implementatiewet zullen worden doorgevoerd, acht ik verdiepend onderzoek op dit moment niet opportuun.
Ervan uitgaande dat huishoudens met een wisselend inkomen en die weinig controle ervaren over hun inkomsten – 80 procent van de huishoudens met weinig controle over hun inkomen heeft moeite met rondkomen – zich volgens Nibud duidelijk vaker in een kwetsbare positie bevinden, in hoeverre wordt het wisselend inkomen veroorzaakt door flexwerk en zzp-schap en betreft het hiermee de groep werkende armen in Nederland? Hoe groot is deze groep volgens u? Welke acties zet u in in om huishoudens meer controle en zekerheid te geven over hun inkomen?
Een wisselend inkomen kan inderdaad veroorzaakt worden door flexwerk en zzp-schap. Als dit inkomen onvoldoende is om in de noodzakelijke uitgaven te voorzien betreft dit de groep werkenden die in armoede leven. In Nederland leeft 1,7% van de werknemers en 4,4% van de zzp’ers in armoede. Van alle arme werknemers in 2024 werkte ruim de helft in deeltijd onder een flexibel arbeidscontract. 18,5% van de arme werknemers werkte voltijd onder een flexibel contract, 16,8% werkte deeltijd onder een vast contract en 7,5% werkte voltijd onder een vast contract.
Zoals het Nibud al toelicht in het rapport is niet enkel de hoogte van het inkomen belangrijk, maar ook de zekerheid en voorspelbaarheid van het inkomen. Het kabinet gaat aan de slag met het vergroten van de inkomenszekerheid en vereenvoudiging, met de ambitie om één kindregeling in te voeren om zekerheid voor gezinnen te vergroten. Ook wordt er gewerkt aan de vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Daarnaast boekt het kabinet voortgang op het arbeidsmarktpakket, met als doel zowel de zekerheid van werkenden als de wendbaarheid van werkgevers te verhogen. Zo zijn de wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief en de wet meer zekerheid flexwerkers recent door uw Kamer aangenomen. De eerste wet zal laagbetaalde zzp’ers beter beschermen tegen schijnzelfstandigheid en de tweede wet zorgt voor betere bescherming van oproepkrachten, uitzendkrachten en mensen met een tijdelijk contract. Op deze manier wordt de zekerheid van zzp’ers en werknemers met een flexibel arbeidscontract vergroot.
In het rapport van Nibud staat dat er een groot verschil is tussen de hoeveelheid zorgen en betalingsproblemen tussen huurders en mensen met een koopwoning, vindt u dit zorgelijk? Zo ja, wat voor maatregelen gaat u treffen om juist bij huurders deze zorgen en betalingsproblemen te verminderen?
Ik deel uw zorgen. Het percentage huishoudens met een huurwoning dat zich regelmatig tot altijd zorgen maakt over hun financiële situatie is 43%. Bij huishoudens met een koopwoning ligt dit percentage op 24%. Uit de analyse blijkt dat huishoudens in principe voldoende inkomen hebben voor noodzakelijke uitgaven, mits ze: de uren werken waar ze toe in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar ze recht op hebben, goed met geld omgaan en geen onvermijdbare hoge uitgaven hebben.7 Niet alle huishoudens weten waar ze recht op hebben, waardoor ze bijvoorbeeld huurtoeslag laten liggen. Om dit tegen te gaan, wordt gewerkt aan een wetsvoorstel voor proactieve dienstverlening door Dienst Toeslagen. Dit geeft een wettelijke basis om inwoners actief te benaderen die recht hebben op huurtoeslag. Zo wordt niet-gebruik voorkomen.8
Nibud stelt dat een derde van de Nederlanders slechts 2.500 euro op de spaarrekening heeft staan, een groot deel hiervan heeft minder dan 1000: welke maatregelen treft het kabinet om ervoor te zorgen dat deze mensen bij een onverwachte uitgave niet in de schulden belanden?
Het hebben van een voorspelbaar inkomen door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen is noodzakelijk om te voorkomen dat inwoners in de schulden belanden. Deze zomer heeft het kabinet de voortgangsbrief van Routekaart Hervormingsagenda inkomensondersteuning 2026 met uw Kamer gedeeld. Hierin staat onder andere dat het Kabinet werkt aan hervorming van het terugvordering en nabetalingen beleid, het vorderingenbeleid te moderniseren (waaronder een recht op nabetalingen bij overheidsfouten), en keteneffecten te verminderen.
Daarnaast verbetert het de dienstverlening via proactieve aanpak, automatische toekenning van toeslagen, en harmonisatie van betaalmomenten. Ook werkt het aan preventie door duidelijke rechten en plichten te formuleren en veelvoorkomende fouten te onderzoeken.9
Hoe ziet u dit rapport in combinatie met de geplande bezuinigingen op sociale zekerheid en de zorg, die groepen extra raken die al moeite hebben met rondkomen en zich meer zorgen maken over hun financiële toekomst?
Het kabinet stelt maatregelen voor om de sociale zekerheid toekomstbestendig te maken. Meer dan één miljoen mensen maken op dit mensen gebruik van de sociale zekerheid, op tien miljoen werkenden. Het systeem loopt vast, het is versnipperd en zorgt er onvoldoende voor dat mensen weer mee gaan doen. Een eenvoudiger, beter werkende sociale zekerheid moet juist in staat zijn om mensen zekerheid te blijven bieden.
Het kabinet vindt het ook belangrijk om armoede en schuldenproblematiek aan te pakken. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om de kwetsbare groepen te helpen. De maatregelen vindt u terug in het Nationaal Programma Armoede en Schulden.10
De mediane koopkrachtcijfers voor 2026 zijn licht positief en in de loop van het jaar verbeterd, hoe verklaart u dat onder veel groepen de geldzorgen en betalingsmoeite toch zijn gestegen? Het Nibud rapporteert dat op vrijwel alle uitgavenposten het aandeel mensen dat moeite heeft met betalen is toegenomen ten opzichte van 2 jaar daarvoor. In hoeverre missen de koopkrachtcijfers de daadwerkelijke, feitelijke kosten van gewone mensen?
Het Nibud-onderzoekt hoeveel mensen moeilijk kunnen rondkomen. Dit wordt beïnvloed door verschillende ontwikkelingen, niet alleen of iemands koopkracht is verbeterd of verslechterd. Koopkrachtverlies is voor minder huishoudens dan in 2024 een reden voor moeilijk rondkomen, terwijl schulden en te makkelijk uitgeven van geld zijn toegenomen als reden voor moeilijk rondkomen.
Koopkrachtplaatjes geven goed inzicht in de verdelingseffecten van beleid en macro-economische ontwikkelingen, maar zijn niet bedoeld om een voorspelling te geven voor de koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Het kabinet en het CPB gaan uit van «statische» koopkracht, waarin de huishoudsituatie gelijk blijft ten opzichte van het voorgaande jaar. In de werkelijkheid zijn levensgebeurtenissen zoals geboorte, scheiding of baanverlies bepalend voor hoe het inkomen van huishoudens ontwikkelt. Het CBS brengt de ontwikkeling van deze «dynamische» koopkracht na afloop van het jaar in kaart.11
Daarnaast noemt het Nibud dat meespeelt dat mensen dagelijks geconfronteerd worden met prijzen die structureel hoger zijn komen te liggen door de hogere inflatiecijfers sinds 2022. Dit sluit aan bij de constatering van het CBS dat de gevoelsinflatie aanzienlijk hoger ligt dan de gemeten inflatie.12
Het bericht ‘Tandartsen slaan alarm: 'We stevenen af op een mondzorginfarct' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandartsen slaan alarm: «We stevenen af op een mondzorginfarct»»?1
Ja.
Deelt u met de beroepsorganisatie van tandartsen, orthodontisten en kaakchirurgen (KNMT) de vrees voor een naderend mondzorginfarct? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS spreekt niet van een naderend mondzorginfarct. De beschikbaarheid van voldoende mondzorgprofessionals vraagt blijvend aandacht. Uit onderzoek van het Capaciteitsorgaan blijkt dat er over het geheel een tekort wordt ervaren door de beroepsgroep, maar dat er sprake is van regionale verschillen. De vacaturegraad loopt uiteen van 5% in Noord-Holland tot 22% in Friesland. Het totaal aantal gepubliceerde online vacatures is toegenomen, maar het aantal langdurig openstaande vacatures neemt iets af. De parameter onvervulde vraag is ingeschat op 2,5%, dat is 1 procentpunt hoger vergeleken met de raming in 2022. Het Capaciteitsorgaan heeft deze ontwikkelingen ook meegenomen in het advies voor de benodigde instroom in de opleiding Tandheelkunde die op 19 december 2025 is uitgebracht. De geadviseerde instroom van het Capaciteitsorgaan is gebaseerd op de verwachte tekorten op de lange termijn, om in 2043 evenwicht te bereiken tussen de vraag naar en aanbod van tandartsen. Op dit moment wordt het advies van het Capaciteitsorgaan over de benodigde opleidingscapaciteit door de Ministeries van VWS en OCW bestudeerd. We verwachten u daar uiterlijk voor het einde van dit jaar over te informeren.
De KNMT heeft n.a.v. de berichtgeving in het AD ook kenbaar gemaakt aan het Ministerie van VWS bereid te zijn om mee te denken in mogelijke oplossingen voor knelpunten in het mondzorglandschap.
Deelt u de observatie van de voorzitter van het KNMT dat er al vijftien jaar te weinig opgeleid is en dat met diverse rapporten niets is gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uitleggen wat de oorzaak is van deze nalatigheid?
De bekostiging van de opleiding Tandheelkunde loopt via de begroting van het Ministerie van OCW. De afgelopen jaren is het financieel niet mogelijk gebleken om de adviezen voor wat betreft de opleiding Tandheelkunde volledig over te nemen. Zo is na het eerdere voornemen van het kabinet Rutte IV – om een deel van de uitbreiding te bekostigen door het verkorten van de opleidingsduur van zes naar vijf jaar – besloten om de bestaande opleidingsduur van 6 jaar te handhaven. Mede gezien de sterke weerstand vanuit de betrokken instellingen. Dit betekende concreet dat het aantal opleidingsplaatsen werd verhoogd met 31 in plaats van 86. Daarmee komt het totale aantal opleidingsplaatsen vanaf studiejaar 2026–2027 op 290. Voor de volledige reactie verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart 20252. In de meest recente raming adviseert het Capaciteitsorgaan 386 opleidingsplaatsen (+96). Op dit moment wordt het advies van het Capaciteitsorgaan nog bestudeerd. We verwachten u daar uiterlijk voor het einde van dit jaar over te informeren.
Vindt u het ook onwenselijk dat inmiddels 25 procent van de hier werkzame tandartsen afkomstig is uit het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat vind ik niet onwenselijk. Het kabinet vindt het belangrijk dat voldoende tandartsen beschikbaar zijn om goede en toegankelijke mondzorg te kunnen bieden. Buitenlands gediplomeerde tandartsen die bekwaam en bevoegd zijn leveren hieraan een belangrijke bijdrage. Buitenlands gediplomeerde tandartsen moeten een erkennings- en toelatingsprocedure op grond van de Wet BIG doorlopen bij het CIBG. Alleen als opleidingseisen, (werk)ervaring en taalvaardigheid voldoen aan de gestelde eisen, kunnen zij als tandarts aan de slag in de Nederlandse (mond)zorg. Hiermee worden de kwaliteit en patiëntveiligheid van de individuele beroepsbeoefenaar geborgd.
Buitenlands gediplomeerde tandartsen vormen naar verhouding een steeds groter aandeel van het totaal aantal tandartsen met een actieve BIG-registratie. Uit cijfers van het CIBG3 blijkt dat zowel het aantal Nederlandse tandartsen toeneemt als het aantal buitenlands gediplomeerde tandartsen. De laatste groep stijgt echter verhoudingsgewijs meer waardoor het aandeel buitenlands gediplomeerde tandartsen groter wordt. Tegelijkertijd is diversiteit onder zorgverleners essentieel voor het bieden van de best mogelijke zorg aan alle patiënten in een diverse samenleving.4
Bent u bereid het advies van zowel het KNMT als het Capaciteitsorgaan te volgen en het aantal opleidingsplekken voor 2027 en verder met minimaal 100 te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt het advies voor tandheelkunde door mij en het Ministerie van OCW bestudeerd en wordt bezien of en in hoeverre het mogelijk is om deze adviezen over te nemen, mede in het licht van de additionele middelen die hiervoor nodig zijn, namelijk 27,1 mln structureel. Het Capaciteitsorgaan adviseert de instroom in de opleiding Tandheelkunde te verhogen (+96) naar 386 opleidingsplaatsen. Conform de toezegging aan de Tweede Kamer streven de Minister van OCW en ik er naar om uiterlijk voor het einde van dit jaar duidelijkheid te geven of en hoe we opvolging kunnen geven aan de ramingen voor deze opleidingen.
Deelt u de observatie van de voorzitter van het KNMT dat nieuwe zzp-regelgeving het pensioengerechtigde tandartsen moeilijker maakt langer door te werken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen om langer doorwerken wél aantrekkelijk te maken?
Nee, ik deel deze observatie niet. Het werken als en met zzp’ers is en blijft mogelijk, ook in de zorg, zolang de arbeidsrelatie met de zzp’ers niet kwalificeert als arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst, hangt af van de omstandigheden van het geval. Deze wetgeving is niet gewijzigd.
Senior-tandartsen die hun werkzaamheden voortzetten na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd zijn van hoge toegevoegde waarde om de effecten van het tandartsentekort te verminderen. Hun expertise en vakkennis zijn belangrijk voor de continuïteit van zorg, vooral in praktijken waar het lastig is om nieuwe medewerkers aan te trekken. Daarnaast kunnen jongere generaties tandheelkundigen vaak veel van deze senioren leren.
Om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden om zzp’ers in te huren in de zorg, kan de infographic over het inhuren van zzp in zorg en welzijn5 worden geraadpleegd. Met deze tool krijgen werknemers en werkgevers meer inzicht in hun rechtspositie. Ook op www.hetjuistecontract.nl is meer toelichting te vinden hierover. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan een nieuwe wet: de Zelfstandigenwet. De inbreng vanuit de diverse branches is besproken tijdens een stakeholdersessie met de zorg op 1 juli jl., en wordt meegenomen in de verdere uitwerking van deze wet. Het streven is deze wet per 1 januari 2028 in werking te laten treden.
De grote verschillen binnen en tussen gemeenten als het gaat om de uitvoering van de Participatiewet |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Mensen die bijstand aanvragen worden ongelijk behandeld» van Binnenlands Bestuur op 6 juli 2026?1
Ja.
Deelt u de mening dat grote verschillen in de behandeling van bijstandsaanvragen binnen dezelfde gemeente en tussen gemeenten onwenselijk zijn?
Gemeenten zijn in medebewind verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en in dat kader verantwoordelijk voor de vormgeving van de aanvraagprocedure om het recht op bijstand vast te stellen. In de wet is daarbij ruimte voor de menselijke maat en om uit te gaan van wat iemand nodig heeft. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat mensen die daar recht op hebben kunnen rekenen op een bepaald niveau van ondersteuning en dat ze zekerheid over hun inkomen hebben. Het is aan de gemeenteraad om hierop toe te zien.
Met de wetswijzigingen van spoor 1 van het programma Participatiewet in balans wordt de uitvoering door gemeenten op bepaalde punten meer geharmoniseerd en is op andere punten meer ruimte gecreëerd voor het toepassen van de menselijke maat. Zo mogen op individuele basis gemeenten afzien van de vierwekenzoektermijn voor jongeren tot 27 jaar in een kwetsbare situatie. Ook is er sprake van een verkorte aanvraagprocedure voor herintreders in de bijstand en voor alle aanvragers een eenvoudigere aanvraag. De genoemde wijzigingen gelden vanaf 1 januari 2026 en helpen de aanvraagprocedure meer te harmoniseren tussen gemeenten.
Welke instructies krijgen ambtenaren van gemeenten om hun taken betreffende de behandeling van bijstandsaanvragen uit te voeren en hun bevoegdheden en beleidsvrijheid correct in te zetten? Hoe houdt u zicht op de kwaliteit, onderlinge gelijkenissen, en op de eenduidigheid?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet. SZW heeft een faciliterende rol in het ondersteunen van de uitvoering door gemeenten. Bij de wijzigingen van Participatiewet in balans is voor een aantal onderdelen een duidelijker kader neergezet voor gemeenten waarin de bewegingsruimte explicieter is gemaakt.
De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de vormgeving van de uitvoering, en worden daarbij ondersteund door onder meer de VNG en Divosa. SZW houdt geen toezicht op de uitvoering van individuele gemeenten. Dat is aan de gemeenteraad.
Welke verbeteringen denkt u dat er in de bestaande gemeentelijke instructies betreffende het behandelen van de aanvragen mogelijk zijn? Welke rol ziet u hierbij voor de nationale overheid?
Gemeenten dragen zelf verantwoordelijkheid voor de werkinstructies aan hun medewerkers. Deze zijn en worden aangepast op basis van de wijzigingen van de Participatiewet in balans. Deze wijzigingen zijn deels al ingegaan en een deel gaat in per 1 januari 2027. In 2028 wordt een invoeringstoets uitgevoerd, waaruit eventuele knelpunten naar voren kunnen komen. Mocht uit de invoeringstoets blijken dat er knelpunten zijn in de uitvoering van de wijzigingen van de Participatiewet, dan zal ik daar met gemeenten het gesprek over aangaan. De Kamer wordt hierover geïnformeerd.
In hoeverre zijn er vanuit de nationale overheid op dit moment initiatieven of beleid om gemeenten kennis en ervaringen met elkaar te laten delen?
Naast de leeragenda en de andere activiteiten die in het kader van het programma Participatiewet in balans zijn uitgevoerd met ondersteuning van SZW zijn er verschillende initiatieven waarin wordt gewerkt aan kennisdeling. Op basis van de leeragenda heeft de VNG dit jaar handelingsperspectieven gepubliceerd voor en door gemeenten op het gebied van handhaving, domeinoverstijgend werken en sturen op vakmanschap. Beroepsvereniging SAM werkt samen met hogescholen en private opleiders aan een kwalificerende beroepsopleiding op hbo-niveau. Divosa heeft bovendien een werkatelier voor gemeenten georganiseerd over de maatwerkondersteuning van jongeren. Dit werkatelier organiseerde zij in het verlengde van de handreiking over ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie2. De lessen uit deze handreiking kunnen breder worden ingezet dan enkel voor jongeren.
Wat gaat u doen met het signaal er bij ambtenaren van gemeenten te weinig kennis is over hun handelingsruimte binnen de Participatiewet? Welke mogelijkheden ziet u hier voor digitale kennisoverdracht, zoals bijvoorbeeld een chatbot die alle relevante en actuele SZW-regelgeving en kennisdocumenten kan inlezen en doorzoeken, en ambtenaren van op hun verzoek van eenduidige correcte kennis en advies kan voorzien?
Het kabinet neemt het signaal mee dat kennis over de handelingsruimte binnen de Participatiewet niet overal in gelijke mate aanwezig is. Tegelijkertijd ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het op peil houden van de vakkennis en deskundigheid bij gemeenten als uitvoerders van de Participatiewet. Zij zijn verantwoordelijk voor het opleiden en ondersteunen van hun medewerkers. In hoeverre daarbij gebruik wordt gemaakt van chatbots e.d. is aan gemeenten.
Vanuit de systeemverantwoordelijkheid ondersteunt het Rijk de gemeenten door te zorgen voor duidelijke wet- en regelgeving, handreikingen, toelichtingen en kennisproducten. Daarnaast werken we samen met verschillende partijen zoals de VNG en Divosa om kenniswisseling en de eenduidige uitvoering te bevorderen. Daarnaast wil ik wijzen op meerdere digitale databanken met alle relevante en actuele wet- en regelgeving, inclusief jurisprudentie, die beschikbaar is op nationaal niveau3 4.
Wat gaat u doen met het signaal dat er te weinig tijd en ruimte is om genoeg persoonlijke aandacht te besteden aan de individuele bijstandsaanvrager waardoor maatwerk soms tekortschiet?
Met de recente wetswijzigingen uit Participatiewet in balans komt er meer ruimte voor maatwerk door gemeenten. Ook is het streven om de uitvoering eenvoudiger te maken. Een deel van de maatregelen is geïmplementeerd per januari 2026, de overige maatregelen volgen vanaf januari 2027. Het resultaat van die wetswijzigingen, maar ook van eerdergenoemde handreikingen wordt dus nog zichtbaar. De gemeenten hebben immers tijd nodig om de veranderingen door te voeren. De eerste signalen zullen bij de invoeringstoets in 2028 actief worden opgehaald. In de tussentijd sta ik open voor signalen vanuit de uitvoering en de doelgroep.
Komt u met een kabinetsreactie op het rapport «(On)benutte ruimte in de bijstand» van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin u aangeeft welke stappen u zet op basis van het rapport?
Het kabinet heeft op het rapport gereageerd in de verzamelbrief Participatiewet van 3 juli 20265, waarmee het rapport aan de Kamer is aangeboden. In de beantwoording van de vragen 2 tot en met 7 is al genoemd welke activiteiten momenteel lopen en hoe de uitvoering ondersteund wordt. Een verdere kabinetsreactie is niet voorzien.
Het interview van Ilja Leonard Pfeijffer met Frans Timmermans |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht/artikel?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom u het in uw hoofd heeft gehaald om zo'n controversiële antisemiet te benoemen tot Minister van staat? Bent u, indien u niet bereid bent deze benoeming terug te draaien, bereid de heer Timmermans in plaats daarvan een andere, bij zijn optreden passende eretitel te verlenen – bijvoorbeeld «ereminister van de antisemieten en controverses» – zodat voor het publiek duidelijk is waar het kabinet werkelijk voor kiest? Zo nee, waarom niet?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de Staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Het lijdt geen twijfel dat de heer Timmermans hieraan voldoet.
Klopt het dat de heer Timmermans in dit interview letterlijk stelt: «In het Midden-Oosten wordt momenteel een heel volk uitgeroeid. We kijken ernaar en we zwijgen, terwijl de Palestijnen letterlijk in zee worden gedreven – en erger»? Kunt u bevestigen dat hij in hetzelfde interview stelt dat de regeringspartijen in Israël van mening zijn dat Israël «alleen maar kan overleven als de Palestijnen weg zijn», en dat hij deze redenering vergelijkt met de redenering van de nazi's ten aanzien van het «Arische ras»?2
De tekst van het interview is voor een ieder te lezen.
Deelt u de opvatting dat het gelijkstellen van het beleid van de democratisch gekozen regering van de enige Joodse staat ter wereld aan de nazi-ideologie van de Endlösung een klassieke vorm van antisemitisme is, zoals ook wordt omschreven in de werkdefinitie van antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA), die vergelijkingen tussen hedendaags Israëlisch beleid en het nationaalsocialisme expliciet als voorbeeld van antisemitisme aanmerkt? Zo nee, waarom niet?
Er geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid voor uitspraken die Ministers van staat doen en waarover zij zichzelf kunnen verantwoorden.
Deelt u de opvatting dat er, anders dan de heer Timmermans stelt, in het geheel geen sprake is van genocide of uitroeiing van het Palestijnse volk, en dat het gebruik van deze term dan ook feitelijk onjuist is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de opvatting dat het woord «uitgeroeid» in combinatie met een expliciete verwijzing naar de Holocaust en het «Arische ras» niet zomaar kritiek op Israëlisch beleid is, maar een vergaande relativering van de Holocaust en een vorm van Israël-demonisering, beide kernelementen van antisemitisme volgens de IHRA-definitie? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de opvatting dat uitspraken van een Minister van staat een groter gezag en een grotere maatschappelijke uitstraling hebben dan die van een gewone burger of oud-politicus, juist omdat aan deze eretitel de aanspreekvorm «excellentie» is verbonden en de titel wordt toegekend wegens bijzondere verdiensten voor het openbaar bestuur? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Is het kabinet, gelet op die bijzondere positie, bereid om formeel te (laten) beoordelen of de in vraag 3 t/m 6 genoemde uitspraken van de heer Timmermans zich verdragen met het aanzien van de titel Minister van staat? Zo nee, waarom niet en op basis van welke afweging niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Heeft u, of een van uw ambtsvoorgangers dan wel bewindspersonen, sinds het interview contact gehad met de heer Timmermans over deze uitspraken? Zo ja, wat was de uitkomst van dat contact? Zo nee, bent u daartoe alsnog bereid?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de constatering dat andere levende Ministers van staat in hun publieke optredens doorgaans een terughoudende, beschouwende en niet-partijpolitieke toon aanhouden, gericht op staatsrechtelijke reflectie of bestuurlijke ervaring, en zich doorgaans onthouden van uitgesproken, ideologisch gekleurde stellingnames over actuele, verdelende politieke twistpunten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven of er in de afgelopen tien jaar precedenten zijn van een zittende Minister van staat die een vergelijkbaar breed uitgesponnen, sterk gekleurd en op de actualiteit toegespitst interview heeft gegeven, met expliciete politieke stellingnames over onder meer het Midden-Oosten-conflict, Europese verkiezingen, individuele politici en partijen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de opvatting dat het geven van een dergelijk interview, waarin de heer Timmermans zich niet beperkt tot reflectie of advies maar actief en scherp politiek stelling neemt – onder meer door zijn eigen opvolgers en politieke tegenstanders te typeren en partijpolitieke aanbevelingen te doen – zich moeizaam verhoudt tot de aard van de eretitel Minister van staat, die immers wordt geacht boven de dagelijkse partijpolitieke strijd te staan? Zo nee, waarom niet, en kunt u dit onderbouwen met voorbeelden van vergelijkbaar optreden van andere Ministers van staat?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bekend met de uitspraak die de heer Timmermans in 2014 als Minister van Buitenlandse Zaken deed in het televisieprogramma Pauw, dat er bij een slachtoffer van vlucht MH17 een zuurstofmasker over de mond was aangetroffen, met de toevoeging «die heeft dus de tijd gehad om dat te doen»?3
De aangehaalde mediaberichtgeving is openbaar. Het is verder niet aan mij om deze berichtgeving uit het verleden te recenseren.
Kunt u bevestigen dat het Openbaar Ministerie destijds heeft moeten vaststellen dat deze uitspraak feitelijk onjuist was, omdat het masker bij het slachtoffer om de nek zat en niet over de mond, en dat de heer Timmermans naar aanleiding hiervan publiekelijk excuses heeft moeten aanbieden aan de nabestaanden?4
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat het doen van feitelijk onjuiste, emotioneel zeer beladen uitspraken over de laatste momenten van slachtoffers van een vliegramp, richting hun nabestaanden, een ernstige zaak is die zwaar dient mee te wegen bij de beoordeling van iemands geschiktheid voor een eretitel?
Zie het antwoord op vraag 13.
Bent u bekend met de verklaring van oud-minister Ronald Plasterk (PvdA), die in de Volkskrant van 27 december 2016 en nadien herhaaldelijk heeft gesteld dat de heer Timmermans na zijn terugkeer in de Tweede Kamer in 2010 gedurende ongeveer een half jaar feitelijk geen fractiewerk heeft verricht, omdat hem niet meteen de portefeuille Buitenlandse Zaken werd toegekend?5
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat Plasterk hierover het volledige verhaal als volgt heeft weergegeven: «Hij speelde het snoeihard. Timmermans zei eenmaal terug in de Kamer: «Ik wil de buitenlandportefeuille.»» Toen de partijleiding dat weigerde, zei Timmermans: «Nou, dan doe ik gewoon niks», waarna Plasterk concludeert: «Echt, die heeft een half jaar niks gedaan. Ik vond het een rare vertoning»?6
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat een volksvertegenwoordiger die willens en wetens weigert zijn werk te doen omdat hij een bepaalde portefeuille niet krijgt, terwijl hij gewoon zijn volledige Kamervergoeding bleef ontvangen, zich niet gedraagt zoals van een dienaar van het algemeen belang mag worden verwacht?
Het is niet aan mij om het doen en laten van een (voormalig) volksvertegenwoordiger te kwalificeren. Zie voorts het antwoord op vraag 13.
Bent u bekend met de bredere kwalificatie die Ronald Plasterk in november 2024 publiekelijk aan de heer Timmermans heeft gegeven, onder verwijzing naar in elk geval de volgende voorbeelden:
Ja.
Bent u voorts bekend met:
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit patroon van feitelijk onjuiste en tegenstrijdige beweringen, herkend en benoemd door zowel partijgenoten als buitenstaanders, een probleem van geloofwaardigheid en betrouwbaarheid raakt dat zwaarder weegt dan een incidentele misstap?
Zie het antwoord op vraag 13.
Bent u bekend met de berichtgeving, onder meer van de Duitse krant Die Welt en het Nederlandse Wynia's Week, dat de Europese Commissie onder verantwoordelijkheid van de heer Timmermans als uitvoerend vicevoorzitter voor de Green Deal, contracten is aangegaan met klimaat-ngo's waarbij financiering afhankelijk werd gesteld van lobbyactiviteiten van die ngo's bij het Europees Parlement en tegen bijvoorbeeld kolencentrales, ten gunste van zijn eigen Green Deal-beleid?9
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat het zou gaan om een bedrag van ten minste 750 miljoen euro tot mogelijk 7 miljard euro, afhankelijk van de bron en de onderzochte periode?
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat de Europese Rekenkamer in 2025 scherpe kritiek heeft geuit op het gebrek aan transparantie en toezicht bij de financiering van deze ngo's, en dat de Taxpayers Association of Europe naar aanleiding hiervan een strafklacht heeft ingediend?
Zie het antwoord op vraag 13.
Klopt het dat een meerderheid in het Europees Parlement (D66, CDA, VVD) een voorstel voor een onafhankelijke audit naar deze kwestie heeft weggestemd?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat, ongeacht de uiteindelijke juridische uitkomst, het gebrek aan transparantie rond miljarden aan publiek geld tijdens het bewind van Timmermans op zijn minst een ernstige smet werpt op zijn bestuurlijke nalatenschap?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de constatering dat de Green Deal, waarvoor de heer Timmermans als «vader» en architect wordt gezien, mede aan de basis heeft gelegen van een verslechterde Europese concurrentiepositie, zoals beschreven in het rapport «The future of European competitiveness» van Mario Draghi (september 2024), waarin wordt gewezen op regeldruk en hoge energiekosten als knelpunten voor de Europese industrie?10
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat Europese energieprijzen structureel circa drie keer hoger liggen dan in de Verenigde Staten, dat de Nederlandse boerensector langdurig heeft geprotesteerd tegen de Europese stikstof- en natuurdoelen die uit dit beleid voortvloeiden, en dat ook de heer Timmermans zelf in het interview waarnaar in vraag 1 wordt verwezen erkent dat «energieprijzen bij ons tot drie keer hoger liggen dan in de Verenigde Staten»?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat het feit dat de architect van dit beleid zelf, jaren later, in het openbaar erkent dat de kosten voor de Europese industrie en voor gewone huishoudens torenhoog zijn opgelopen, een relevant gegeven is bij het beoordelen of hij zich «bijzonder verdienstelijk» heeft gemaakt voor het openbaar bestuur?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat de optelsom van de in vraag 3 t/m 29 genoemde kwesties – een vergelijking van Israëlisch beleid met het nazisme, herhaaldelijk gesignaleerde onwaarheden (ook door partijgenoten), een lobbyschandaal met miljarden aan publiek geld, en een beleidsnalatenschap die de Europese economie fors heeft geschaad – bij elkaar genomen zwaarder wegen dan wanneer het om een enkel incident zou gaan, en dat dit relevant is voor de beoordeling of iemand nog wordt geacht zich «buitengewoon verdienstelijk» te hebben gemaakt voor het openbaar bestuur, de maatstaf die het kabinet zelf hanteert bij de toekenning van de titel Minister van staat? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten hoe de benoeming van de heer Timmermans tot Minister van staat tot stand is gekomen?
Een benoeming tot Minister van staat vindt plaats bij koninklijk besluit, op voorstel van de Minister-President, die het besluit medeondertekent, en na melding hiervan in de ministerraad.
Klopt het dat deze benoeming, samen met die van de heren Remkes en De Graaf, op 10 juli 2026 plaatsvond bij koninklijk besluit, op voordracht van de ministerraad en op voorstel van u als Minister-President?
Zie het antwoord op vraag 31.
Kunt u bevestigen dat de heer Timmermans op 29 oktober 2025 is teruggetreden als partijleider en Kamerlid, en dat hij dus nog geen negen maanden uit de actieve, dagelijkse partijpolitiek was op het moment van zijn benoeming tot Minister van staat?
Nee. Het terugtreden van de heer Timmermans als partijleider en Kamerlid heeft op verschillende dagen plaatsgevonden.
Kunt u dit afzetten tegen andere recente benoemingen tot Minister van staat, waaronder:
Zie het antwoord op vraag 2. De duur van de periode tussen de laatste hoofdfunctie en de benoeming tot Minister van staat is niet van doorslaggevende betekenis voor de benoeming.
Deelt u de opvatting dat de heer Timmermans, in vergelijking met al deze precedenten, de enige is die vanuit een actief, uitgesproken en verdelend partijleiderschap – en niet vanuit een onafhankelijke, boven de partijen staande functie zoals de Raad van State of het Kamervoorzitterschap – in een ongekend kort tijdsbestek tot Minister van staat is benoemd, en dat dit haaks staat op de gebruikelijke praktijk waarbij deze eretitel wordt toegekend aan personen die al geruime tijd uit de actieve, dagpolitieke arena zijn getreden?
Zie het antwoord op vraag 34.
Welke overweging heeft het kabinet gemaakt om van deze gebruikelijke praktijk af te wijken, en is daarbij meegewogen dat de heer Timmermans, ook ná zijn aftreden als Kamerlid, actief politiek en maatschappelijk commentaar is blijven leveren, onder meer in het interview waarnaar in vraag 1 wordt verwezen?
Zie het antwoord op vraag 34.
Is het juist dat de titel Minister van staat geen wettelijke basis kent, geen vastomlijnde toekenningscriteria heeft, en volledig ter discretie van de ministerraad wordt toegekend?12
Zie het antwoord op vraag 31 en 34.
Deelt u, indien vraag 37 bevestigend wordt beantwoord, de opvatting dat dit tevens betekent dat het kabinet een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om alleen personen voor te dragen wier optreden onomstreden verenigbaar is met de waardigheid van deze eretitel, en dat deze verantwoordelijkheid extra zwaar weegt wanneer, zoals hier, wordt afgeweken van de gebruikelijke termijn tussen aftreden en benoeming?
Zie het antwoord op vraag 34.
Is het kabinet bekend met het feit dat de titel Minister van staat in de Nederlandse geschiedenis tweemaal is ingetrokken: in 1819 bij Gijsbert Karel van Hogendorp, wegens zijn kritiek op het financiële beleid van Koning Willem I, en in 1947 bij Dirk Jan de Geer, wegens diens houding tijdens de Duitse bezetting?13
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze precedenten aantonen dat het intrekken van de titel een bestaand en niet louter theoretisch instrument is, dat het kabinet ter beschikking staat wanneer het optreden van een Minister van staat niet langer verenigbaar wordt geacht met de eretitel?
Ja.
Kunt u bevestigen dat het intrekken van de titel Minister van staat, net als de toekenning ervan, zou plaatsvinden bij koninklijk besluit, op voordracht van de ministerraad?
Voor de intrekking geldt dezelfde procedure als voor de verlening. Zie hiervoor het antwoord op vraag 31.
Is het kabinet bereid een dergelijk besluit voor te bereiden ten aanzien van de heer Timmermans, gelet op de in deze vragen genoemde uitspraken en kwesties? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik zie hier geen aanleiding toe. Zie de hiervoor gegeven antwoorden.
Bent u bereid deze vragen op de meest spoedige termijn en één voor één te beantwoorden?
Ja.
De digitale weerbaarheid van het Nederlandse elektriciteitsnet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stroomnet kwetsbaar voor cyberaanval: «Geen kwestie van óf, maar wanneer»»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van cybersecurity- en energiespecialisten dat de toenemende digitalisering van het elektriciteitssysteem, waaronder slimme netten, thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en andere verbonden apparaten, ook leidt tot een groter aanvalsoppervlak voor kwaadwillenden?
De ontwikkeling naar een meer decentrale energievoorziening maakt lokale opwek en opslag mogelijk en is onderdeel van een succesvolle energietransitie. Deze decentralisatie gaat gepaard met een digitaliseringsslag. Zo kunnen decentrale assets bijvoorbeeld op afstand een (beveiligings)update ontvangen of op afstand worden aangestuurd. Dit is onder meer noodzakelijk om de beveiliging van de assets up-to-date te houden en biedt kansen voor bijvoorbeeld een slimmer gebruik van het elektriciteitsnet. Naast deze voordelen brengt de digitalisering van het energiesysteem ook risico’s met zich mee.
Digitale verbindingen maken de toegang tot deze assets op afstand makkelijker waardoor deze verbindingen een aanvalsoppervlak kunnen vormen voor kwaadwillenden om decentrale assets te manipuleren. Daarom gelden voor (consumenten)apparatuur cybersecurity eisen op basis van wet- en regelgeving zoals de Radio Equipment Directive 3.3 en de Cyber Resilience Act. Om de digitale weerbaarheid van het energiesysteem verder te verhogen en risico’s te mitigeren, treft het kabinet daarnaast nog andere maatregelen. Deze maatregelen zijn toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
In hoeverre wordt digitale weerbaarheid momenteel als randvoorwaarde meegenomen bij de uitvoering van de energietransitie en de uitbreiding van het elektriciteitsnet?
In het ontwerp van het energiesysteem houdt het kabinet rekening met digitale risico’s. Zo worden cybersecurityeisen gesteld aan digitale systemen van energiepartijen en wordt kritieke (digitale) energie-infrastructuur geïdentificeerd en weerbaarder gemaakt. Een concreet voorbeeld is het meenemen van (digitale) weerbaarheid als voorwaarde bij de vergunningsverleningsinstrumenten van nieuwe windparken op zee. Hierbij zijn weerbaarheid en nationale veiligheidszorgen onderzocht en zijn vervolgens veiligheidsmaatregelen genomen, zoals het stellen van voorwaarden voor de herkomst van windmolenonderdelen op basis van de Europese Net Zero Industry Act (NZIA).2
Ook voor bestaande energie-infrastructuur gelden strenge eisen en is er toezicht om de digitale weerbaarheid te verhogen. Met de inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) op 15 augustus jl. is het bestaande wettelijke cybersecuritykader voor energie-infrastructuur versterkt en worden energiebedrijven verplicht om zorg te dragen voor de beveiliging van hun (digitale) systemen om hun bedrijfscontinuïteit te waarborgen. Aanvullend op de Cbw geldt de Netcode voor Cybersecurity Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1366 (NCCS) ter versterking van de digitale weerbaarheid van het Europese elektriciteitsnet om de veiligheid, continuïteit en betrouwbaarheid ervan te waarborgen. Onderdelen van de NCCS zijn al geïmplementeerd; de NCCS wordt volledig van kracht per 2028.
Het kabinet werkt doorlopend aan het verder versterken van de weerbaarheid van het energiesysteem. Zo is er in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) aandacht voor een (digitaal) weerbaar energiesysteem om de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van energie te kunnen waarborgen. Het geactualiseerde NPE wordt met Prinsjesdag aan de Kamer verstuurd. Een verdere toelichting op de kansen en risico’s van de digitalisering van het energiesysteem, inclusief een uitwerking van benodigde acties, is opgenomen in de Actieagenda Digitalisering Energiesysteem (ADE)3.
Kunt u aangeven welke risicoanalyses zijn uitgevoerd naar de cybersecurity van decentrale energiebronnen, zoals thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en energiebeheersystemen, en welke conclusies daaruit zijn getrokken?
Het Ministerie van EZK werkt samen met andere overheidsorganisaties, netbeheerders, energiebedrijven en onderzoeksinstellingen om zoveel mogelijk kennis en inzichten te verzamelen over de risico’s in het decentrale energiesysteem. Uit deze analyses komen kwetsbaarheden naar voren die worden vertaald naar beleid en wet- en regelgeving. Een voorbeeld is het rapport van Energy Innovation NL (in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) over de cyberveiligheid van zonnepanelen.4 Een conclusie uit dit rapport is dat het verhogen van de digitale weerbaarheid van decentrale energie assets een gedeelde verantwoordelijkheid is van alle spelers in de keten waarbij samenwerking essentieel is. Om uitvoering te geven aan de wet- en regelgeving op digitale weerbaarheid, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 2 en 3, werkt het kabinet samen met verschillende energiebedrijven en brancheverenigingen. Daarnaast stimuleert het kabinet de ontwikkeling van sectorale Information Sharing and Analyses Centers (ISACs), zoals de ISAC voor de zonne-energiesector. Het doel van een ISAC is om de digitale weerbaarheid te vergroten binnen een sector via vertrouwelijke informatie-uitwisseling over dreigingen en incidenten en het delen van handelingsperspectief en gedeelde lessen. Daarnaast bevordert het kabinet samenwerkingsinitiatieven zoals het sectorpact «Weerbaar Energiesysteem» van Energie Nederland en Netbeheer Nederland.
Het kabinet zet verschillende stappen om cybersecurity via wet- en regelgeving te versterken, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 3. Daarnaast voeren sectorpartijen zelf risicoanalyses uit en nemen zij indien nodig passende maatregelen om risico’s te mitigeren. Zo worden bijvoorbeeld bij grote aanbestedingen door de netbeheerders risicoanalyses gemaakt en passende maatregelen genomen.5 De Cbw en NCCS verplichten bedrijven om een risicoanalyse uit te voeren en rekening te houden met risico’s in hun toeleveringsketen en bij het verwerven, ontwikkelen of onderhouden van (digitale) producten en diensten in hun netwerk- en informatiesystemen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de Europese energie-infrastructuur steeds vaker doelwit is van cyberaanvallen? In hoeverre spelen achterstallige modernisering van systemen, verouderde technologie en tekortschietende basisbeveiliging daarbij een rol? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in het Cybersecurity Beeld Nederland 2025 is aangegeven, blijven alle vitale sectoren een aantrekkelijk doelwit voor kwaadwillende actoren. De digitalisering van het energiesysteem zorgt voor een nauwere verwevenheid tussen het digitale en fysieke energiesysteem. Zo wordt verouderde operationele technologie (OT) vaker gekoppeld aan slimme informatietechnologie (IT)-systemen. Het nemen van passende beheersmaatregelen om risico’s van mogelijk verouderde OT te mitigeren, zoals netwerksegmentatie, wordt met de Cbw en NCCS wettelijk verankerd. Energiepartijen dienen op grond van de Cbw en NCCS in hun IT- en OT-architectuur rekening te houden met deze risico’s en passende en evenredige maatregelen te nemen, ook voor de beveiliging van OT. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) houdt toezicht op de energiesector vanuit deze verplichtingen in de Cbw en NCCS. Het National Cyber Security Center (NCSC) deelt daarnaast diverse kennis- en informatieproducten met de energiesector, onder meer vanuit samenwerking met Europese partners, over basisbeveiliging voor digitale weerbaarheid en over risicomanagement van verouderde OT-systemen.
Op welke wijze werken de ministeries van Klimaat en Groene Groei en Economische Zaken en Klimaat samen om ervoor te zorgen dat investeringen in de energietransitie gepaard gaan met investeringen in digitale veiligheid?
Investeringen in de energietransitie gaan onlosmakelijk gepaard met investeringen in digitale veiligheid omdat slimme energienetten en hernieuwbare bronnen sterk afhankelijk zijn van digitale aansturing. Binnen het Ministerie van EZK wordt het onderwerp van digitale weerbaarheid en energie (security) daarom integraal opgepakt.
Worden er regelmatig gezamenlijke crisisoefeningen gehouden waarbij zowel een fysieke verstoring van het elektriciteitsnet als een cyberaanval wordt gesimuleerd? Zo ja, welke lessen zijn daaruit getrokken? Zo nee, waarom niet?
Ja, op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau vinden regelmatig crisisoefeningen over stroomuitval plaats. Het betreft wisselende scenario’s, variërend van fysieke verstoringen, cyberaanvallen en een combinatie daarvan. Daarnaast wordt er deelgenomen aan PENTA6 oefeningen, waarbij de Europese verordening voor risicoparaatheid in de elektriciteitssector centraal staat. In het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) zijn daarnaast afspraken gemaakt om regelmatig gezamenlijk of per organisatie te oefenen. De Algemene Rekenkamer heeft mede op basis van bovengenoemde crisisoefeningen recent geconstateerd dat het Ministerie van EZK en TenneT goede maatregelen hebben getroffen om crises op het hoogspanningsnet te voorkomen en dat zij goed zijn voorbereid op mogelijke storingen.7
Een vast onderdeel van een crisisoefening is een evaluatie door de betrokken organisaties. Uit de evaluaties van de crisisoefeningen van de afgelopen jaren zijn verschillende lessen getrokken met betrekking tot de crisisstructuur en werkprocessen. Zo kwam bijvoorbeeld naar voren dat de Rijksoverheid in crisissituaties beter kan afspreken welke informatie wanneer wordt gedeeld en dat sommige plannen te abstract zijn. Deze lessen worden meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) naar een Landelijk Crisisplan Elektriciteit, dat naar verwachting begin 2027 met de Kamer zal worden gedeeld.
Deelt u de opvatting dat een succesvolle energietransitie alleen mogelijk is wanneer burgers en bedrijven erop kunnen vertrouwen dat het energiesysteem digitaal veilig en weerbaar is? Zo ja, welke aanvullende stappen bent u bereid te zetten om dit vertrouwen te versterken?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Daarom werkt het kabinet aan het digitaal veilig en weerbaar houden van het energiesysteem, zoals beschreven in de beantwoording bij de vorige vragen. Aanvullend worden in opdracht van het Ministerie van EZK Nederlandse Technische Afspraken (NTA's) ontwikkeld door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) voor het slim en interoperabel maken van netintensieve apparaten. Dit voorziet dat laadpalen, zonne-omvormers, thuisbatterijen, warmtepompen en overkoepelend de Home Energy Management Systemen (HEMS) als aansturend systeem slim ingesteld kunnen worden en met elkaar kunnen communiceren. Deze afspraken worden opgesteld volgens Europese cybersecuritystandaarden, zodat eindgebruikers kunnen rekenen op een veilige aansturing.8
Welke gevolgen heeft de toenemende cyberveiligheidsopgave voor de huidige opgave rond de uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnet? Worden aanvullende eisen aan digitale veiligheid meegenomen in de planning, uitvoering en kosten van deze uitbreidingen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om alle risico’s volledig uit te sluiten. Tegen deze achtergrond zet het kabinet in op het zoveel mogelijk minimaliseren van risico’s via een risico gebaseerde aanpak die de weerbaarheid effectief en efficiënt verhoogt. Dit betekent dat wordt gekeken naar de doelmatigheid, proportionaliteit en evenredigheid van maatregelen. Voor toekomstige energie-infrastructuur geldt dat maatregelen ten behoeve van (digitale) weerbaarheid het meest effectief en het meest kostenefficiënt zijn wanneer ze aan de voorkant van een traject worden geïmplementeerd. In het vormgeven van ruimtelijk beleid en het fysieke ontwerp van het energiesysteem wordt het aspect (digitale) weerbaarheid ook meegenomen. Binnen het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem gaat dit bijvoorbeeld om het wel of niet clusteren van energieproductielocaties en het wel of niet bundelen van energie-infrastructuur. De effecten van het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem op weerbaarheid zullen nader worden onderzocht, waarna keuzes zullen worden vastgelegd in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH II). De hoofdlijnenbrief hierover zal begin 2027 naar de Tweede Kamer worden verzonden en het programma zal in 2028 worden vastgesteld.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en de digitale weerbaarheid van de Nederlandse energie-infrastructuur?
Aankomende Prinsjesdag wordt de Tweede Kamer verder geïnformeerd over het toekomstige energiesysteem, onder andere middels het geactualiseerde NPE en de kabinetsreactie op het Energy Innovation NL rapport «Autonoom en Veilig». Hierin wordt de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en digitale weerbaarheid nader toegelicht.
Kunt u de vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Sluiting Twentekanaal |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven voor welke binnenvaartwegen, naast de in de artikelen «Twentekanaal vanaf zaterdag dicht voor scheepvaart vanwege lage waterstand» en «Maatregelen Kanaal Almelo-De Haandrik vanwege de droogte» genoemde vaarwegen, in Nederland op dit moment sluiting of stremming geldt of dreigt?1 2
Op dit moment geldt een sluiting of stremming alleen voor de volgende vaarwegen in beheer van het Rijk: de Twentekanalen en de uitlopers daarvan. Bij verdere beperking van de wateraanvoer wordt steeds bezien of vaarwegen zonder beperking open kunnen blijven, met inachtneming van de wettelijk vastgestelde verdringingsreeks. Het instellen van eenrichtingsverkeer op de IJssel is voorbereid.
Welke gevolgen voorziet u voor de regionale economie, logistieke ketens en werkgelegenheid in (Oost-) Nederland als scheepstransport over diverse kanalen (gedeeltelijk) stilvalt, en hoe zijn deze geraamd (bijvoorbeeld qua extra kosten, vertragingen en CO2-uitstoot door verplaatsing naar wegtransport)?
Wat de gevolgen zijn voor de regionale economie, logistieke ketens, en werkgelegenheid in (Oost-)Nederland, is niet exact in te schatten. Dit is onder andere afhankelijk van de duur van een stremming, of er alternatieve vervoersmogelijkheden zijn, hoe laag het water staat en de maatregelen die in de toekomst mogelijk nog genomen worden. Op dit moment heeft IenW nog geen eigen cijfers over kosten en gevolgen. Er zal een economische evaluatie worden gedaan dit najaar. Op de korte termijn is in ieder geval wel te verwachten dat transport duurder wordt voor verladers, in verband met omvaren, inzet van meerdere vrachtwagens en latere leveringen. Op de lange termijn is de impact (nog) niet goed in te schatten. Op lange termijn zouden logistieke ketens anders ingevuld kunnen gaan worden. In de Beleidsagenda Goederenvervoer is uiteengezet dat een weerbaar en veerkrachtig logistiek systeem nodig is.
Hoe vaak zijn kanalen in de afgelopen vijf jaar (geheel of gedeeltelijk) gesloten of beperkt inzetbaar geweest als gevolg van lage waterstanden en is er een trend zichtbaar die duidt op toenemende kwetsbaarheid door klimaatverandering?
Een beperking als gevolg van lage waterstanden wordt niet centraal bijgehouden. Een vaarwegbeheerder (gemeente, provincie, waterschap) neemt daarover zelfstandig een besluit. Ook voor de vaarwegen in het beheer van het Rijk wordt stremming wegens droogte niet afzonderlijk geregistreerd. Voor bijvoorbeeld het Twentekanaal is het tussen 2018 en 2025 zes maal voorgekomen dat de gemalen als gevolg van een te lage waterstand in de IJssel zijn afgeschakeld (jaren 2018, 2019, 2020, 2022, 2023 en 2025). Als het gemaal vanwege te weinig water niet meer kan draaien, dan is er een pomp nodig om extra water aan te voeren om het gemaal weer te laten functioneren. Om te voorzien in voldoende wateraanvoer naar de Twentekanalen wordt er dan zo lang als mogelijk gebruik gemaakt van een Tijdelijke Pompinstallatie (TPI). In de huidige situatie is het kanaalpeil te snel en te ver doorgezakt. Daarom konden TPI’s niet voorkomen dat het kanaal volledig gestremd werd.
Deelt u de mening dat Nederland zich moet voorbereiden op vaker voorkomende droogteperiodes? Wat zijn de concrete maatregelen van het kabinet om de wateraanvoer naar cruciale vaarwegen zoals het Twentekanaal klimaatbestendig te borgen (bijvoorbeeld middels bufferbekkens, slimme sturing en koppeling met regionale waterreserves)?
Ja, deze mening deel ik. Programma’s als het Deltaplan Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» helpen ons voor te bereiden op waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken. Daarnaast neemt het programma «Ruimte voor de Rivier 2.0» maatregelen in het hoofdwatersysteem om te voorzien in verschillende socio-economische functies, waaronder zoetwatervoorziening, natuur en bevaarbaarheid. Bij de Twentekanalen is er dit jaar bijvoorbeeld preventief gebaggerd zodat er langer kon worden doorgevaren. Daarnaast zijn er tijdelijke pompinstallaties geïnstalleerd voor extra wateraanvoer.
Hoe borgt het kabinet dat bij waterschaarste een eerlijke verdeling plaatsvindt tussen belangen als scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur en landbouw, conform de landelijke afspraken over waterverdeling (Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling)?
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen. Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2 voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte (pdf, 1.2 MB) staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie aanpakken.
Bent u bereid om, samen met provincies, waterschappen en gemeenten, een regionaal waterbufferplan Twentekanaal te ontwikkelen dat specifiek gericht is op het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen door lage waterstand?
Het Rijk werkt binnen het Deltaplan zoetwater al nauw samen met de provincies, waterschappen en gemeenten om voorbereid te zijn op periodes met lage aanvoeren en zo vaarwegsluitingen door lage waterstand zoveel mogelijk te voorkomen, zie het antwoord op vraag 4. Zo is er al onderzocht of het aanleggen van regionale waterbuffers kan bijdragen aan het voorkomen van watertekorten. De mogelijkheden hiervoor blijken echter beperkt. Het gebied is hooggelegen en zandig, waardoor de buffers relatief snel weer leeglopen. Door de sterk drainerende werking van de bodem zou ook in de winter extra water moeten worden aangevoerd om de buffers goed te vullen en zo te houden. Dit is kostbaar en kan lokaal leiden tot wateroverlastproblemen door interacties met het grondwatersysteem. De inzet ten aanzien van het voorkomen van toekomstige vaarwegsluitingen is daarom primair gericht op het robuuster maken van de wateraanvoermogelijkheden.
Om de wateraanvoer te verbeteren wordt vanuit het Deltafonds een tweejarige planstudie gefinancierd. Deze planstudie is samen met partners uit de regio voorbereid. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de vervanging van het gemaal bij sluis Eefde, zodat de inzet van noodpompen op termijn zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Bij een positief besluit over de uitkomsten van de planstudie zullen het Rijk, de provincie Overijssel, de provincie Drenthe en de waterschappen Vechtstromen, Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel de uitvoering ervan gezamenlijk financieren.
Hoe verhoudt de huidige afhankelijkheid van het binnenvaarttransport zich tot de plannen voor multimodaal transport (spooraansluitingen, overslagpunten) en welke versnelling is nodig om bij sluitingen alternatieven te bieden?
Het Ministerie van IenW zet zich al langer in voor het versterken van het multimodale karakter van het goederenvervoer. De modaliteiten weg, binnenvaart, spoor en buisleidingen werken daarbij nauw samen om leveringszekerheid te garanderen, zoals recent ook uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer. Onderdeel daarvan is een veerkrachtig en weerbare logistieke keten die in staat is om disrupties, zoals laagwater, zo goed mogelijk op te vangen. Elke modaliteit heeft daarbinnen een eigen rol en voorziet in een bepaalde transportbehoefte.
Binnen het programma Topcorridors wordt in het kader van veerkracht momenteel onderzocht wat op multimodale knooppunten nodig is om verstoringen van de goederenstromen op te vangen. Daarin wordt specifiek gekeken naar de situatie waarin één modaliteit niet beschikbaar is. De resultaten worden in het laatste kwartaal van 2026 verwacht. De Kamer wordt hierover na publicatie geïnformeerd.
Wat doet het kabinet om bedrijven te stimuleren hun logistiek te verduurzamen (bijvoorbeeld een modal shift naar spoor, elektrificatie van wagenparken en slimme logistieke planning) zodat de impact van toekomstige sluitingen van vaarwegen kleiner wordt?
Zoals gemeld in de Beleidsagenda Goederenvervoer is één van de leidende principes voor het goederenvervoer dat deze duurzaam is (TK 2025–2026, 34 244, nr. 13). De inzet is daarbij dat het vrachtvervoer over de weg, het water en het spoor geheel emissieloos is in 2050. Het kabinet zet daarom concreet in op verduurzaming van de vervoersystemen en het creëren van de juiste omstandigheden voor het duurzaam organiseren van transporten. Dat gebeurt onder meer door het stimuleren van een modal shift naar duurzamere transportwijzen, de elektrificatie van het wegtransport, de verduurzaming van de binnenvaart en het realiseren van een netwerk van laad- en tankfaciliteiten voor herwinbare brandstoffen langs de grotere transportroutes. Voor een overzicht van de maatregelen voor het verduurzamen van het goederenvervoer verwijs ik u kortheidshalve naar de Voortgangsbrief Duurzaam vervoer 2025 (TK 2025–2026, 31 305, nr. 524). Het is de bedoeling dat de regeling voor de verduurzaming van de binnenvaart (Tijdelijke subsidieregeling vroege opschaling energietransitie binnenschepen 2026–2029) opengaat in het vierde kwartaal van 2026.
Op welke wijze worden ondernemers en vervoerders tijdig en eenduidig geïnformeerd over (dreigende) sluitingen van vaarwegen, de verwachte duur, alternatieve routes en alternatieve capaciteit?
Gebruikers van vaarwegen worden standaard geïnformeerd door een zogenaamd BAS-bericht (berichten aan de scheepvaart). Hierin wordt zoveel mogelijk informatie verstrekt over oorzaak, aard en duur van de stremming. Daarnaast vindt rechtstreeks informatie-uitwisseling plaats met brancheorganisaties, georganiseerd bedrijfsleven, individuele bedrijven, overheden, recreatievaart, omwonenden en andere belanghebbenden zoals bijvoorbeeld de sportvisserij. Afhankelijk van de aard en de omvang van de stremming worden aanvullende zaken georganiseerd, zoals informatiebijeenkomsten. Ook ben ik in gesprek met ondernemers, zoals boeren, tuinders, schippers en de industrie en houd ik komende periode vinger aan de pols. Verder wordt actief gebruik gemaakt van de media om met algemene berichtgeving en uitleg zoveel mogelijk mensen te bereiken.
Bestaan er afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte en bent u bereid hier actief op aan te sturen?
Er bestaan geen afspraken tussen Rijk, provincies en gemeenten over (tijdelijke) ondersteuning of compensatie voor ondernemers die onevenredig worden getroffen door vaarwegsluitingen als gevolg van extreme droogte. Het Ministerie van IenW kent geen specifieke compensatie voor extreme droogte maar wel een algemene «Beleidsregel nadeelcompensatie 2024» op grond waarvan ondernemers, ook in geval van droogte, een aanvraag kunnen doen. Situaties van (extreme) droogte worden in de toekomst vaker voorzien als gevolg van verandering van het klimaat. Het is daarom van groot belang dat we daarmee om leren gaan. Het Ministerie van IenW stuurt daarom aan op het versterken van veerkracht en weerbaarheid van de logistieke ketens, zoals uiteengezet in de Beleidsagenda Goederenvervoer.
Hoe borgt u dat lessen uit de huidige sluiting van het Twentekanaal en het kanaal Almelo-De Haandrik structureel worden meegenomen in het nationale mobiliteit- en waterbeleid (bijvoorbeeld via het Nationaal Waterprogramma)?
Voor wat betreft de borging in het nationale waterbeleid, zie het antwoord op vraag 4. Voor wat betreft de borging in het nationale mobiliteitsbeleid, wordt er gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050, waarover de Kamer wordt geïnformeerd. Het leren van deze situatie helpt om te komen tot scenario’s en keuzes in het hoofdvaarwegennetwerk. Voor wat betreft het kanaal Almelo-De Haandrik is de provincie Overijssel het bevoegd gezag en voert deze het vaarwegbeheer.
Bent u bereid om in overleg te treden met belanghebbenden (bedrijven, vervoerders, waterschappen, natuurorganisaties en medeoverheden) over een langetermijnvisie voor kanalen als klimaatbestendige, schone transportas in Nederland?
Ik praat nu al regelmatig met ondernemers die getroffen zijn doordat sluis Eefde is gestremd. Verder vooruitkijkend wordt binnen IenW ook gewerkt aan een Toekomstvisie Vaarwegen 2050 waarover de Kamer later wordt geïnformeerd. Belanghebbenden worden reeds betrokken en in de Binnenvaarttafel zijn de contouren van de visie aan bod gekomen en strategisch besproken. Hierbij gaat het over het hele vaarwegennetwerk, een klimaatbestendige en schone transportas beslaat immers niet alleen kanalen.