De financiële onzekerheid van Iraanse studenten |
|
Don Ceder (CU) |
|
Letschert , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat het voor Iraanse studenten die afhankelijk zijn van sponsorgelden uit het land van herkomst op dit moment lastig is om aan het middelenvereiste te blijven voldoen, zoals blijkt uit signalen die bij de IND bekend zijn?1
Ik vind dat buitengewoon vervelend voor de desbetreffende Iraanse studenten.
Ik heb instellingen dan ook gevraagd om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden.
Klopt het dat Iraanse studenten door sommige onderwijsinstellingen wordt aangeraden om asiel aan te vragen? Bent u het eens dat dat niet de juiste oplossing is als een financiële regeling het probleem ook zou oplossen?
Ik heb dit nagevraagd bij de koepels van de onderwijsinstellingen (de Vereniging Hogescholen (VH) en Universiteiten van Nederland (UNL)); bij hen zijn geen onderwijsinstellingen bekend die Iraanse studenten aanraden om asiel aan te vragen. Onderwijsinstellingen wijzen bijna-afgestudeerde studenten op de mogelijkheden van een zoekjaar (of verlenging van studie in geval van studievertraging). In een bijeenkomst van het Landelijk Overleg Afdelingshoofden Studentzaken van de onderwijsinstellingen is ondersteuning van Iraanse studenten besproken maar ook daar is zover mij bekend dit advies niet gegeven.
Ik deel de mening dat een asielaanvraag niet de juiste oplossing is voor een financieel probleem.
Vindt u het wenselijk als onderwijsinstellingen besluiten níet gebruik te maken van de ruimte die ze onder de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) hebben om maatwerk te verzorgen, als dat tot gevolg heeft dat Iraanse studenten worden gedwongen hun studie te stoppen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat betekent dit voor uw inzet?
Hogescholen en universiteiten spannen zich waar mogelijk in om te voorkomen dat betalingsproblemen van Iraanse studenten leiden tot uitschrijving. Zij maken hierbij gebruik van de ruimte die de Wet Hoger Onderwijs en Wetenschap (WHW) biedt om voorzieningen te treffen voor de (financiële) ondersteuning van een individuele student. Zij gaan echter zelf over de invulling die zij hieraan geven om zo goed mogelijk aan te kunnen sluiten bij de specifieke situatie van een student. De omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven kunnen per student verschillen. Maatwerk betekent ook dat een instelling kan besluiten dat in individuele gevallen ondersteuning niet passend is.
Bent u bereid om de financiële regelingen die onderwijsinstellingen hanteren voor Iraanse studenten te inventariseren en de Kamer hierover in september te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord 3 betrachten instellingen zorgvuldigheid en maatwerk in het bieden van ondersteuning aan studenten om zo goed mogelijk aan te sluiten bij hun specifieke situatie. Hierdoor lopen de financiële regelingen zodanig uiteen dat een centraal overzicht van welke onderwijsinstellingen financiële ondersteuning bieden en waaruit die getroffen regelingen precies bestaan, lastig in kaart te brengen is. De koepelorganisaties VH en UNL beschikken hier ook niet over. Maatwerk kan bovendien directe financiële ondersteuning betreffen, zoals een betalingsregeling of het openstellen van een noodfonds, maar ook non-financiële ondersteuning, bijvoorbeeld het tijdelijk opheffen van herinschrijfblokkades, (mentale) begeleiding via studentpsychologen, studentendecanen en social workers voor internationale studenten en het organiseren van steunbijeenkomsten voor studenten en medewerkers. Het is dan ook ondoenlijk om uw Kamer te informeren over de ondersteuningsvoorzieningen die specifiek geboden worden aan de betreffende studenten, inclusief de gehanteerde financiële regelingen.
Bent u bereid om bij Iraanse studenten de vinger aan de pols te houden of de regelingen van de onderwijsinstellingen toereikend zijn en de Kamer over de uitkomsten van deze gesprekken te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ik heb momenteel geen apart overleg met Iraanse studenten. Wel spreek ik regelmatig met de formele studentvertegenwoordigende organisaties LSVb en ISO. Zij kunnen de situatie van Iraanse studenten agenderen voor overleg en doen dat ook. Iraanse studenten weten hen te vinden. Verder ben ik met onderwijsinstellingen in gesprek over de situatie van Iraanse studenten in Nederland en de problemen die een deel van de Iraanse studenten in Nederland ervaren gaan ons aan het hart. Ik vraag instellingen om aandacht te hebben voor de persoonlijke omstandigheden van de student en waar mogelijk maatwerk te bieden. Ik zie dat instellingen dit ook doen.
Welke wettelijke ruimte is er om af te wijken van de regel dat niet-EER-studenten met een studievisum maximaal 16 uur per week mogen werken als de situatie, zoals die van Iraanse studenten, zich daartoe noodzaakt?
Artikel 8.3.c.7 van de Regeling tot uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen biedt internationale studenten de mogelijkheid om 16 uur per week of in de maanden juni, juli en augustus voltijds te werken zonder dat de daarvoor benodigde tewerkstellingsvergunning wordt getoetst op prioriteitgenietend arbeidsaanbod. Er is geen wettelijke ruimte om van deze regel af te wijken.
Wilt u zich zodanig inzetten dat geen enkele Iraanse student gedwongen wordt zijn of haar studie in Nederland te stoppen en terug te keren naar Iran doordat de student in de praktijk geen toegang meer heeft tot eigen geld of geld van de familie? Zo ja, wat betekent dat voor uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord 3 aangegeven bepalen instellingen zelf de invulling die zij geven aan de ruimte die de WHW biedt om voorzieningen te treffen voor de (financiële) ondersteuning van een individuele student. Daarnaast geldt dat als een internationale student niet meer voldoet aan de voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning is afgegeven, dat in beginsel reden is om de verblijfsvergunning in te trekken. Wel dient Nederland in elk besluit tot intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd (artikel 21, zevende lid). Voordat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd, beoordeelt de IND per geval of er individuele redenen zijn om van intrekking c.q. niet-verlenging af te zien. Vanwege deze mogelijkheid tot maatwerk zie ik geen reden om het beleid te wijzigen.
Wanneer bent u wél bereid om aanvullende maatregelen te nemen om Iraanse studenten in Nederland financieel te ondersteunen, bijvoorbeeld door hen te laten studeren tegen het wettelijke collegegeld?
Ik overweeg op dit moment geen aanvullende algemene maatregelen voor studenten en onderwijsinstellingen. Zoals eerder gezegd, het verschilt per student waar behoefte aan is en er zijn op instellingen al mogelijkheden voor maatwerk en financiële voorzieningen. Instellingen kunnen het instellingscollegegeldtarief voor bepaalde groepen studenten verlagen tot minimaal het wettelijk collegegeldtarief. Het is aan de instelling zelf om te bepalen of zij van deze mogelijkheid gebruik maken en in te schatten wat per student nodig en mogelijk is.
De dood van Karin in Nieuw-Vennep en de gevaren van open grenzen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de gewelddadige dood van Karin (59), medewerkster van ABN AMRO, die op 30 maart jl. is omgekomen op een parkeerplaats bij het station in Nieuw-Vennep?1
Klopt het dat de verdachte, Adil Q. (36), de Italiaanse nationaliteit heeft, dat hij al eerder – rond 12 maart – is aangehouden voor winkeldiefstal, en dat hij ook betrokken was bij een mishandelingszaak in Amsterdam?
Deelt u de mening dat het volstrekt onbegrijpelijk is dat iemand die al meerdere keren met justitie in aanraking is gekomen en kampt met ernstige psychiatrische problematiek, gewoon vrij door Nederland kon blijven rondlopen totdat hij een vrouw het leven benam? Zo nee, waarom niet?
Was bij de Nederlandse autoriteiten bekend dat de verdachte in zijn land van herkomst behandeling voor zijn psychiatrische problematiek heeft geweigerd? Zo ja, waarom is hier destijds niets mee gedaan? Zo nee, hoe kan het dat zulke cruciale informatie niet beschikbaar was?
Is naar aanleiding van de aanhouding voor winkeldiefstal begin maart een risico-inschatting gemaakt over mogelijk gevaar voor de openbare orde en veiligheid? Zo ja, wat was de uitkomst en waarom is deze man dan niet direct aangepakt? Zo nee, deelt u de mening dat dit een ernstig gebrek aan alertheid van politie en justitie blootlegt?
Deelt u de conclusie dat dit drama een zoveelste voorbeeld is van hoe het vrije verkeer van personen binnen de EU – zonder verplichte, uniforme uitwisseling van strafrechtelijke en psychiatrische gegevens – de veiligheid van Nederlanders in gevaar brengt? Zo nee, hoe verklaart u dan dat deze man ondanks een strafblad gewoon in Nederland kon wonen en werken?
Bent u bereid zich in Brussel hard te maken voor een verplichte uitwisseling van strafrechtelijke gegevens tussen EU-lidstaten, zodat dit soort zaken niet buiten beeld blijven van de Nederlandse autoriteiten? Zo nee, hoe lang moeten Nederlandse vrouwen als Karin nog de prijs betalen voor dit gebrek aan grip op onze grenzen?
Deelt u de mening dat politie en Openbaar Ministerie in hun eigen berichtgeving open en duidelijk moeten zijn over relevante achtergrondkenmerken van verdachten, zoals nationaliteit en strafrechtelijk verleden, in plaats van dit te verhullen achter algemene termen als «arbeidsmigrant»? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om buitenlanders, inclusief EU-burgers, met criminele antecedenten direct na hun (laatste) veroordeling of aanhouding ons land uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u een overzicht geven van het aantal geweldsmisdrijven in de afgelopen vijf jaar waarbij EU-arbeidsmigranten met een strafblad en/of bekende psychiatrische problematiek betrokken waren? Zo nee, waarom niet, en bent u bereid dit alsnog in kaart te brengen?
Op welke termijn kunt u de Kamer nader informeren over deze zaak en over concrete maatregelen om herhaling te voorkomen?
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Het besluit van DOVA om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het samenwerkingsverband Decentrale OV-Autoriteiten (DOVA) om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Waarom is ervoor gekozen deze landelijke korting voor ouderen te beëindigen?
Het afschaffen van de korting voor 65-plussers in bus, tram en metro is een besluit van de decentrale overheden. Er worden keuzes gemaakt over de inzet van de middelen om het openbaar vervoer in de toekomst betaalbaar en beschikbaar te houden. De decentrale OV-autoriteiten hebben besloten om de aandacht te verschuiven van algemene kortingen naar een gerichte ondersteuning voor kinderen.
U noemde de nieuwe regeling voor kinderen «fantastisch», kunt u aangeven hoe deze reactie zich verhoudt tot het wegvallen van de landelijke ov-korting voor 65-plussers?
De reactie was gericht op het gratis reizen voor kinderen; dit scheelt veel gezinnen flink in de portemonnee.
Welke democratische controle bestaat er op een besluit van DOVA met zulke grote gevolgen voor ouderen?
Het regionaal openbaar vervoer is in Nederland gedecentraliseerd. Verantwoordelijk zijn de gedeputeerde staten in het geval van een provincie en het dagelijks bestuur (bestaande uit de wethouders met de portefeuille openbaar vervoer uit de betreffende regio) voor de vervoerregio’s; de democratische controle vindt ook daar plaats. Binnen Samenwerkingsverband DOVA werken deze decentrale OV-autoriteiten (provincies en vervoerregio’s) samen aan verschillende thema’s, de tariefbevoegdheid ligt bij de separate leden van DOVA. Deze wijziging van het Landelijk Tarievenkader (LTK) is goedgekeurd door alle aangesloten OV-autoriteiten. Daarmee hebben zij allen dezelfde afgestemde keuze gemaakt.
Acht u het wenselijk dat DOVA kan besluiten een landelijke regeling voor ouderen af te schaffen?
Zie het antwoord op vraag 4. Het LTK is niet geldig op het hoofdrailnet. De kortingsabonnementen voor 60- en 65-plussers op het hoofdrailnet blijven bestaan.
De betaalbaarheid van het ov in alle modaliteiten is een belangrijk onderdeel van gesprek in het NOVB. Een taskforce vanuit het NOVB kijkt naar verschillende kortingsproducten en neemt daarbij het recent opgeleverde rapport van de ABDTOPConsult over de betaalbaarheid van het ov-systeem mee. Zoals toegezegd in mijn brief van 19 juni ontvangt de Kamer na de zomer een kabinetsreactie op dit rapport.1
Hoeveel 65-plussers maken momenteel gebruik van de landelijke ov-korting?
Decentrale overheden hebben wel onderzoek gedaan naar het aantal reizen van deze doelgroep, maar niet naar de exacte grootte van de groep. Daarom is een exact cijfer over het aantal gebruikers niet beschikbaar.
Hoeveel gaan deze reizigers gemiddeld extra betalen?
De algemene leeftijdskorting van 34%, die nu nog in alle regionale concessies geldt, vervalt. De OV-autoriteiten kunnen (ook) zelf besluiten om een nieuw speciaal product voor 65-plussers aan te bieden. Daarnaast kan de doelgroep ook gebruikmaken van de bestaande kortingsproducten (ook vaak voor deze doelgroep) in hun regionale concessies. Hoeveel een reiziger gemiddeld meer kan betalen kan daarom niet worden aangegeven.
Heeft u in kaart gebracht welke gevolgen dit heeft voor de mobiliteit van ouderen?
Zie het antwoord op vraag 4. Het wel of niet in beeld brengen van deze gevolgen is aan de decentrale overheden.
Verwacht u dat ouderen hierdoor minder gebruik zullen maken van het openbaar vervoer?
Dit is niet te voorspellen. Prijs is niet de enige reden waarom mensen wel of niet reizen met het openbaar vervoer. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot meer eenzaamheid en minder participatie van ouderen?
Mobiliteit is voor iedereen van belang om goed mee te kunnen doen aan de maatschappij, ook voor ouderen. In het openbaar vervoer zijn daarvoor niet alleen de tarieven van belang, maar bijvoorbeeld ook de beschikbaarheid en de toegankelijkheid. De sector zet zich op al deze aspecten in.
Welke gevolgen verwacht u voor ouderen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer voor zaken zoals mantelzorg, vrijwilligerswerk of ziekenhuisbezoek?
De impact van deze wijziging verschilt per persoon en reisgedrag.
Wat vindt u ervan dat DOVA verwijst naar gemeenten voor gerichte maatregelen, terwijl gemeenten nu al financiële tekorten hebben?
Het betreft een verantwoordelijkheid van de decentrale overheden. Inkomensafhankelijke gerichte ondersteuning voor mensen met een laag inkomen wordt in Nederland geboden door gemeenten. DOVA verwijst naar de gemeenten vanwege hun rol, waarbij separate gemeenten binnen hun beleid kunnen kiezen of zij een bijdrage willen leveren aan mobiliteit in de vorm van openbaar vervoer voor mensen met een krappe beurs. Dat kunnen dan ook ouderen zijn, die daaronder vallen.
Acht u het wenselijk dat de toegang tot een ov-tegemoetkoming straks afhankelijk wordt van de gemeente waarin iemand woont?
Zie het antwoord op vraag 12.
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot veel regionale ongelijkheden?
Zie het antwoord op vraag 12. Dit vraagstuk is breder dan alleen de ov-tegemoetkoming.
Heeft u voor uw enthousiaste reactie nog overleg gevoerd met de Minister van VWS en de Minister van BZK over de gevolgen van het afschaffen van de landelijke ov-korting voor ouderen op hun portefeuilles, zoals eenzaamheid, toegang tot zorg en financiële druk op gemeenten?
Nee, dat contact is er niet geweest. De keuze van de decentrale overheden voor een andere doelgroep valt namelijk niet onder de verantwoordelijkheid van het Rijk. Over de reactie verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Heeft u zich georiënteerd op de kosten die terechtkomen bij gemeenten als zij deze korting zelf moeten regelen?
Het betreft een besluit van de decentrale overheden. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u zich ervan bewust dat een grote groep ouderen die niet door de herkeuring van hun rijbewijs komen volledig aangewezen is op openbaar vervoer?
Ja.
Deelt u de mening dat een generieke maatregel zowel voor jong als voor oud ook terechtkomt bij mensen die dit wel kunnen betalen?
Iedere generieke maatregel biedt ondersteuning aan mensen die het hard nodig hebben en aan mensen die mogelijk ook zonder kunnen. Voor gezinnen met meerdere kinderen kunnen de kosten snel oplopen en daarom wordt vaak voor vervoer per auto gekozen. Deze keuze voor een meer gerichte ondersteuning is op dit moment aan de decentrale overheden, maar het is ook onderwerp van gesprek in de taskforce betaalbaarheid van het NOVB.
Deelt u de mening dat een generieke maatregel eenvoudig en transparant is en dat een overgang naar 342 verschillende regelingen dat niet is?
Zie het antwoord op vraag 12. Dit vraagstuk is breder dan alleen de ov-tegemoetkoming.
Bent u bereid met DOVA in gesprek te gaan om de landelijke ov-korting voor 65-plussers alsnog te behouden?
Zie het antwoord op vraag 5. De betaalbaarheid van het ov voor alle doelgroepen is een belangrijk gespreksonderwerp in het NOVB.
Bent u bekend met het rapport «Regeren is vooruitzien» van Offlimits en met de steunbetuigingen van de Politie, het Centrum Seksueel Geweld, Fonds Slachtofferhulp en De Waag Nederland?1
Ja.
Deelt u de conclusie van de Politie dat Offlimits «voorziet in een behoefte waarin een andere organisatie niet kan voorzien» en dat er «geen alternatief» is voor deze laagdrempelige meldvoorziening? Zo nee, welke andere partijen kunnen het meldpunt, de hulplijn en de preventielijn dan wel op vergelijkbare schaal, snelheid en expertise overnemen en hoe wordt dat bekostigd?
Offlimits verricht zeer waardevol werk waaraan een sterke maatschappelijke behoefte is. Offlimits opereert in een speelveld waarin meerdere partijen deels vergelijkbare rollen vervullen. Zo onderzoekt de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) in hoeverre materiaal dat zij zelf vinden of bij hen gemeld wordt beoordeeld kan worden als terroristisch of beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Aanbieders van hostingdiensten dienen na een dergelijke classificatie dat materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Ook Offlimits helpt in het offline halen van beeldmateriaal van seksueel misbruik van minderjarigen of andere illegale content door meldingen daarvan ten doen aan platforms, mede geholpen door de status van Offlimits als trusted flagger. Met name voor deze functie van Offlimits is qua snelheid en schaalbaarheid momenteel geen goed alternatief beschikbaar. Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN), het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG) en Offlimits helpen slachtoffers elk kosteloos vanuit hun eigen expertise. Net als bij Offlimits kan bij het CSG en Slachtofferhulp Nederland (online) hulp en advies worden ingewonnen over ervaringen met online seksueel geweld. Zij zijn bereikbaar via de telefoon, chat, e-mail, contactpagina’s en in sommige gevallen via fysieke inlooplocaties. Verder maken CSG, SHN en Offlimits gebruik van publieksvoorlichting om het eigen en elkaars aanbod bekendheid te geven. Ook verwijzen ze aan elkaar door.
De ATKM, het CSG, Offlimits, en SHN worden (mede) door mijn ministerie gefinancierd.
Kunt u bevestigen dat het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bij het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (TBKK) van de Politie is gestegen van 26.000 in 2020 naar 70.000 in 2024 en dat het aantal door Offlimits verwerkte URL’s is gestegen van 60.062 in 2024 naar bijna een miljoen (927.581) in 2025? Hoe verklaart u deze stijging?
In het rapport «Regeren is vooruitzien» benoemt Offlimits dat zij een sterke toename in het aantal te verwerken URL’s ziet: in 2023 zijn 535.802 URL's verwerkt, in 2024 603.062 en in 2025 927.581.
Het aantal meldingen dat het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (hierna: TBKK) heeft ontvangen is in 2024 gestegen naar 70.000. Het aantal meldingen dat TBKK in 2025 ontving is ten opzichte van 2024 enigszins gedaald naar 58.216 meldingen. De fluctuatie in het aantal meldingen die TBKK ontvangt kent verschillende oorzaken.
De meldingen die TBKK ontvangt betreffen platformmeldingen die via de Cybertipline van het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children (NCMEC) bij TBKK binnenkomen. Wijzigingen in wet- en regelgeving voor communicatie- en techplatforms in de Verenigde Staten hebben een groot effect op het aantal meldingen dat NCMEC ontvangt. Zo is in 2024 de meldingsplicht voor een aantal feiten aangescherpt, wat een sterke stijging van het aantal meldingen heeft veroorzaakt. Daarnaast wordt het aantal meldingen dat de politie ontvangt niet uitsluitend beïnvloed door wijzigingen in het juridische kader, maar ook in sterke mate door de keuzes die aanbieders van communicatiediensten maken ten aanzien van hun werkwijze en technische inrichting. Zo kunnen wijzigingen in de toepassing van end-to-end encryptie of in de wijze waarop platforms detectie uitvoeren een aanzienlijke invloed hebben op het aantal meldingen dat de politie ontvangt.
Bovendien neemt het aantal misbruikbeelden dat online wordt verspreid in het algemeen sterk toe, mede als gevolg van het grenzeloze karakter van het internet. Door technologische ontwikkelingen zijn daarnaast nieuwe vormen van online seksueel misbruik en grensoverschrijdend gedrag ontstaan. Denk hierbij aan beeldmateriaal dat is gegenereerd met AI, zoals nudify-technologie en grooming van grote aantallen slachtoffers.
Hoe beoordeelt u de snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal, waarbij de analisten van Offlimits in 2025 al 2.200 met AI gegenereerde beelden analyseerden en het National Center for Missing & Exploited Children een stijging zag van 700 meldingen in 2023 naar 67.000 in 2024? Welke stappen onderneemt u om deze specifieke, snelgroeiende vorm van materiaal aan te pakken?
De snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal vind ik zeer zorgelijk. Daarom vind ik het terecht dat het zonder toestemming maken, bezitten en openbaar maken van AI-gegenereerde seksuele deepfakes in Nederland strafbaar is.2 Dit geldt ook voor seksueel beeldmateriaal van kinderen, dan is het kinderpornografie.3 Dus, het is strafbaar om zowel van volwassenen (zonder toestemming) als kinderen AI-gegenereerde naaktbeelden te maken. Ook in de Europese Unie AI-verordening is een verbod opgenomen op het in de handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd, is het op dit moment vooral mogelijk om in te grijpen als dergelijk materiaal al is vervaardigd.4 Met dit nieuwe verbod kan eerder worden opgetreden, namelijk al bij het aanbieden van een AI-systeem om het beeldmateriaal te vervaardigen. Het Europees verbod wordt in december dit jaar in heel de Europese Unie van kracht. Het kabinet zal de inrichting van het toezicht in Nederland op dit verbod meenemen in het lopende proces van de uitvoeringswet van de AI-verordening. Dit is een bestuursrechtelijk verbod. Daarnaast blijf ik partijen zoals Offlimits subsidiëren, om de waardevolle bijdrage die zij aan een veilig internet leveren te ondersteunen.
Zoals ik u heb toegezegd tijdens het Wetgevingsoverleg Digitale Zaken van 2 maart 2026 en in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven van 16 maart 2026 zal ik u in september van dit jaar een brief doen toekomen waarin de aanpak van seksuele deepfakes in meer detail wordt beschreven.
Bent u bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal, zoals naaktbeelden die zonder toestemming worden gedeeld en via zogenoemde «nudify»-technologie worden gemaakt, waarbij onderzoek van Rutgers laat zien dat 18% van de jongeren ongewenst een naaktbeeld ontving, 3% gedwongen werd een naaktbeeld te maken en 1% te maken kreeg met een zonder toestemming doorgestuurd naaktbeeld? Deelt u de zorg van Fonds Slachtofferhulp dat dit probleem, mede door AI-deepfakes, kan uitgroeien tot «epidemische proporties»?
Ik ben, voor zover publicaties daarover inzicht geven, bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal. Ik deel de zorg van het Fonds Slachtofferhulp dat AI-deepfakes deze omvang sneller dan ooit kunnen doen groeien.
Klopt het dat de Europese Unie dit jaar al € 400.000,- bezuinigt op de financiering van Offlimits en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanaf 2027 structureel € 450.000,- gaat bezuinigen? Kunt u dit bevestigen en toelichten, gezien het jaarlijks sterk groeiende aantal meldingen en de sterk groeiende hulpvraag?
Het klopt dat mijn ministerie de subsidie aan Offlimits vermindert. Het door het kabinet-Schoof ingestelde, en door het huidige kabinet gehandhaafde besluit om te bezuinigen op de uitgaven van de Rijksoverheid raakt ook de subsidies die mijn ministerie verstrekt. De subsidie aan Offlimits is hier één van. Deze bezuiniging op subsidies geldt in principe voor alle organisaties die subsidie van mijn ministerie ontvangen, ongeacht de doelen van deze organisaties, en de aard en omvang van de problematiek die zij trachten tegen te gaan. De subsidie aan Offlimits vanuit mijn ministerie wordt oplopend5 tussen 2025 en 2029, waarna structureel, met 24% verminderd als gevolg van de taakstelling die het kabinet-Schoof heeft ingesteld. Dat komt neer op een structurele bezuiniging vanaf 2029 van € 646.000.
Tegelijkertijd heb ik deze bezuiniging voor Offlimits in 2025 en 2026 reeds volledig gecompenseerd. Voor wat betreft de budgetten over het jaar 2027 wordt uw Kamer bij de behandeling van de begroting geïnformeerd. Daarnaast wordt samen met Offlimits bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan, waaronder door een externe audit te laten uitvoeren.
Ik heb geen gedetailleerd inzicht in de aard en omvang van de subsidie vanuit de Europese Unie aan Offlimits. Ik beperk me derhalve tot het antwoorden op de vraag over de subsidie die vanuit mijn ministerie wordt verstrekt.
Wordt de incidentele bijdrage van € 500.000,- vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de aanpak van zogenoemde «harmful but lawful»-content na 2027 al dan niet gecontinueerd? Zo nee, waarom niet?
Het project «harmful but lawful» content loopt tot 31 december 2026. Hiervoor is een incidentele subsidie van € 500.000 euro toegekend aan Offlimits door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het project «harmful but lawful» zal naar verwachting op verzoek van Offlimits (budgetneutraal) worden verlengd tot april 2027. Na afloop daarvan wordt het project geëvalueerd. Een opvolgende subsidietoekenning is op dit moment niet aan de orde, omdat het project nog loopt en nog niet geëvalueerd is. Het staat Offlimits vrij in 2027 na afloop van het project een nieuw subsidieverzoek in te dienen. Beoordeling daarvan verloopt via reguliere procedures waarbij ook wordt gekeken naar concrete activiteiten, resultaten en de verhouding tot bestaande initiatieven en andere aanvragen voor financiering.
Wat is volgens u de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen in de komende twee jaar? Hoe verhoudt een dergelijke verwachting, door Offlimits geraamd op circa 30% groei per jaar, zich tot de voorgenomen bezuinigingen vanaf 2027?
De hoeveelheid meldingen en hulpvragen aan Offlimits groeit al enige jaren. Ik verwacht dat die groei doorzet. De voorgenomen bezuiniging op de subsidie aan Offlimits staat op gespannen voet met de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen aan Offlimits. Mede daarom heb ik in 2025 en 2026 de voorgenomen bezuiniging gecompenseerd. Voor wat betreft de budgetten over het jaar 2027 wordt uw Kamer bij de behandeling van de begroting geïnformeerd. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Deelt u de analyse dat Offlimits vanaf 2027 structureel circa € 1.000.000,- (ongeveer 20% van haar begroting) tekortkomt en dat dit zou betekenen dat jaarlijks circa 200.000 gemelde misbruikbeelden niet beoordeeld worden, 400 hulpvragers bij de preventielijn niet geholpen worden en 2.000 slachtoffers bij de hulplijn geen hulp krijgen? Zo nee, van welke cijfers gaat u dan uit?
Zoals in antwoord op vraag 6 beschreven, komt de subsidietaakstelling neer op een structurele bezuiniging vanaf 2029 van € 646.000. De analyse dat deze bezuiniging consequenties heeft voor de capaciteit van Offlimits om de gestelde doelstellingen te realiseren, deel ik. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan. Daarbij kan onder meer ook aandacht worden gegeven aan de bedrijfsvoering. Ik merk hierbij op dat vanwege uitbreiding van het takenpakket van Offlimits de begroting zeer sterk is gegroeid.6 Dat heeft onmiskenbaar gevolgen voor de organisatie. Ik heb daarom afgesproken met Offlimits om via een externe audit onderzoek te doen naar onder meer mogelijkheden om met de dalende beschikbare middelen om te gaan. Daarbij kunnen ook leerpunten voor de bedrijfsvoering naar voren komen.
Is voorzien welke partij de taken van Offlimits overneemt indien deze bezuinigingen doorgaan en Offlimits genoodzaakt is af te schalen? Wat is de verwachte impact hiervan op de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, op de Politie (met name het TBKK) en op andere hulporganisaties zoals Stichting 113 Zelfmoordpreventie en het Centrum Seksueel Geweld, die nu mede afhankelijk zijn van de doorverwijzing en triage door Offlimits?
Offlimits vervult een belangrijke functie binnen het «ecosysteem» van organisaties die seksueel kindermisbruik bestrijden. Door de laagdrempelige meldvoorziening en hulpaanbod kunnen slachtoffers snel geholpen worden en wordt verdere escalatie en ernstiger problematiek voorkomen. De gedachte hier achter is dat voor slachtoffers verdere ontwrichting voorkomen kan worden, waarmee potentiële (financiële) lasten elders in de keten of maatschappij kunnen worden beperkt. De mogelijke effecten van het wegvallen van deze functie zijn moeilijk te kwantificeren.
Ik verwacht dat indien de voorliggende bezuinigingen inderdaad leiden tot het afschalen van de capaciteit van Offlimits, dit om bovenstaande reden zal doorwerken in de werkzaamheden en/of resultaten van de genoemde organisaties. De precieze effecten zullen verschillen per organisatie. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Bent u bereid te voorkomen dat de Kamer, zoals de afgelopen twee jaar toen dat via een Kamerbreed aangenomen amendement gebeurde, voor de derde keer op rij zelf het financieringstekort van Offlimits moet repareren en in plaats daarvan te komen tot een structureel financieringsmodel?
Er zijn structurele middelen beschikbaar op de begroting van mijn ministerie voor de financiering van Offlimits. Deze structurele middelen zijn echter aan een taakstelling onderworpen. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Bent u bereid de Kamer, tijdig voor de behandeling van de begroting voor 2027, te informeren over hoe u de financiering van Offlimits gaat borgen?
Ik heb afgesproken met Offlimits om via een externe audit onderzoek te doen naar onder meer mogelijkheden om met de dalende beschikbare middelen om te gaan. De audit wordt uitgevoerd door een externe partij. Deze audit is naar verwachting niet voor de begrotingsbehandeling gereed.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De gevolgen van de afsluiting van de Westerscheldetunnel |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen in Zeeuws-Vlaanderen over de gedeeltelijke afsluiting van de Westerscheldetunnel in 2027 in combinatie met grootschalige wegwerkzaamheden bij Antwerpen?1
Ja.
Hoe waardeert u de gevolgen van de gedeeltelijke afsluiting voor de bereikbaarheid van zorginstellingen in Zeeuws-Vlaanderen voor patiënten en medewerkers, als basisvoorzieningen in het licht van de kabinetsvisie Bereikbaarheid op peil?
De verantwoordelijkheid voor de geplande reparatiewerkzaamheden ligt bij de N.V. Westerscheldetunnel, waarvan de provincie Zeeland volledig aandeelhouder is. Deze werkzaamheden zullen grote impact hebben op de bereikbaarheid van de regio, waaronder de bereikbaarheid van diverse voorzieningen zoals regionale zorginstellingen. De provincie Zeeland is zich hier terdege van bewust.
Om de gevolgen van de werkzaamheden voor de bereikbaarheid te beperken, heeft de provincie Zeeland, samen met de gemeenten Borsele en Terneuzen, de Veiligheidsregio Zeeland en de N.V. Westerscheldetunnel, een bereikbaarheidsplan opgesteld. Bij de totstandkoming van dit plan en de te nemen maatregelen voert de provincie Zeeland uitgebreide informatie- en stakeholdersgesprekken met de sector, waaronder ook de zorgsector. Ik heb er vertrouwen in dat de provincie hier samen met de omgeving op een zorgvuldige manier invulling aan geeft.
Deelt u de mening dat een schadepost van tien miljoen euro of meer voor een ziekenhuis als ZorgZaam onevenredig is en grote gevolgen kan hebben voor de positie van het ziekenhuis?
Het kabinet hecht groot belang aan de continuïteit en toegankelijkheid van de zorg in Zeeuws-Vlaanderen. Voor situaties waarin rechtmatig overheidshandelen leidt tot nadelige financiële gevolgen, bestaat een wettelijk kader voor nadeelcompensatie. Indien een verzoek wordt ingediend, is het aan het bevoegde bestuursorgaan om te beoordelen of aan de wettelijke voorwaarden voor nadeelcompensatie is voldaan. Het is echter niet aan het kabinet om te beoordelen of in dit geval sprake is van onevenredige schade. In dit geval ligt die bevoegdheid bij gedeputeerde staten van Zeeland, omdat de gestelde schade voortvloeit uit provinciaal handelen in het kader van het beheer van de Westerscheldetunnel en de daarmee samenhangende bereikbaarheidsmaatregelen.
Bij die beoordeling wordt onder meer gekeken naar de aard en omvang van de schade, het causaal verband met het overheidshandelen, de mogelijkheden om de schade te beperken en de vraag in hoeverre de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke of ondernemersrisico. Provincie Zeeland beschikt hiervoor over een eigen Verordening nadeelcompensatie waarin is uitgewerkt hoe dergelijke verzoeken worden beoordeeld.
Welke mogelijkheden ziet u om de provincie Zeeland zoveel mogelijk te ondersteunen om de bereikbaarheid van basisvoorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen, die door de eilandenstructuur van Zeeland kwetsbaar is, zoveel mogelijk op peil te houden tijdens de onderhoudsperiode en onevenredig getroffen zorginstellingen te ondersteunen?
Zoals hiervoor aangegeven ligt de verantwoordelijkheid voor de reparatiewerkzaamheden en het opstellen van het bereikbaarheidsplan bij respectievelijk de N.V. Westerscheldetunnel en de provincie Zeeland. Bij werkzaamheden is, via regioregie, nauwe afstemming tussen verschillende beheerders, om bereikbaarheid en doorstroming zo goed mogelijk te organiseren.
Waar zorginstellingen onevenredig nadelig financieel worden getroffen bestaan er wettelijke kaders voor nadeelcompensatie. Het is aan het verantwoordelijk orgaan, in dit geval de gedeputeerde staten van Zeeland, om te beoordelen of aan de wettelijke voorwaarden voor nadeelcompensatie is voldaan.
Bent u bereid in overleg te gaan met de provincie Zeeland over de ontstane situatie en te bezien welke mogelijkheden er zijn voor ondersteuning, onder meer via Rijkswaterstaat?
Er vindt reeds overleg plaats tussen de provincie Zeeland en Rijkswaterstaat in het kader van de geplande reparatiewerkzaamheden aan de Westerscheldetunnel. Daarbij is Rijkswaterstaat uiteraard bereid om kennis en ervaring te delen. Vanuit het Ministerie van VWS is er contact geweest met ziekenhuis ZorgSaam.
Het bericht: "Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen" |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgen van onder meer de technieksector dat juist kostbare technische opleidingen onder druk komen te staan door de voorgestelde bekostigingssystematiek?
Er is bewust voor gekozen om de herziening geen negatief effect te laten hebben op het totale budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen.
De herziening stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Deelt u de mening dat Nederland zich geen verdere verschraling van het technische mbo-aanbod kan veroorloven gezien de enorme tekorten aan technisch personeel en de maatschappelijke opgaven op het gebied van o.a. woningbouw, defensie, energie, infrastructuur en tech? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Het kabinet treft daarom verschillende maatregelen om techniekopleidingen verder te stimuleren, bijvoorbeeld met de Talentstrategie die op 10 juli naar de Kamer is verstuurd. Hiermee wordt meer talent opgeleid en begeleid naar de cruciale opgaven waar Nederland voor staat. Binnen de Talentstrategie kiest het kabinet ervoor om specifiek te investeren in vier domeinen: Digitalisering & AI, Veiligheid & weerbaarheid, Energie- & klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie. Techniek speelt hier een belangrijke rol in. In het mbo wordt dit verder vormgegeven via het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst». Met het pact wil het kabinet de instroom in opleidingen voor de cruciale opgaven verhogen.
Ook met de herziene bekostiging wordt hier verder op ingezet. Met het samenwerkingsbudget wordt namelijk € 200 miljoen beschikbaar gesteld om verder invulling te geven aan de Talentstrategie en het pact. Mbo-instellingen kunnen aanspraak maken op dit budget via gezamenlijke regionale plannen met werkgevers, waarmee de doelstellingen uit de Talentstrategie en het mbo-pact worden omgezet in concrete afspraken. In de plannen zal in ieder geval aandacht zijn voor een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst.
Kunt u uitsluiten dat de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek ertoe leidt dat techniekopleidingen worden afgeschaald of verdwijnen in regio's waar de vraag naar technisch personeel juist groot is?
De voorgestelde hervorming heeft geen negatief effect op het budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen en stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Daarnaast biedt de stabiliteit van een vaste voet instellingen meer zekerheid om noodzakelijke investeringen in het opleidingsaanbod te doen. Dit komt de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs ten goede, waaronder ook het techniekonderwijs. Voor de regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen wordt daarnaast een toegankelijkheidsopslag geïntroduceerd. Hierdoor blijft mbo-onderwijs, waaronder in de techniek, beschikbaar voor studenten in alle delen van Nederland. Ten slotte wordt met de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek het aanbod in onder andere de techniek ook verder gestimuleerd met behulp van het samenwerkingsbudget (zie antwoord op vraag2.
Heeft u voorafgaand aan het onderliggende voorstel een impactanalyse laten uitvoeren naar de gevolgen van deze nieuwe bekostiging voor technische opleidingen en andere opleidingen in tekortsectoren? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, bent u voornemens dit nog te doen?
De mbo-bekostiging is een verdeelmodel over instellingen en kent geen vaste prijs voor een (type) opleiding. De kosten van opleidingen worden in deze verdeling tot uiting gebracht via de prijsfactoren. Een opleiding met hogere kosten kent een hogere prijsfactor dan een opleiding met lagere kosten. Het verschilt per technische opleiding welke prijsfactor is toegekend.
Met de voorgestelde vereenvoudiging van de prijsfactoren zullen de opleidingen die nu de hoogste prijsfactor ontvangen, dat in de toekomst nog steeds krijgen. De vereenvoudiging zorgt ervoor dat er, op basis van het huidige opleidingsaanbod, een lichte stijging zit in het budget dat naar instellingen gaat met techniekopleidingen. Daarnaast worden de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod gecompenseerd.
Hoeveel een instelling voor een student op een specifieke opleiding ontvangt, wordt niet alleen bepaald door de prijsfactor van deze opleiding, maar is afhankelijk van de totale verdeling van studenten over alle mbo-opleidingen in Nederland.
De budgettaire gevolgen van de voorgenomen wijzigingen zijn daarom per instelling onderzocht en niet per specifieke opleiding. Dit uit zich in een herverdeeleffect. Deze effecten per instelling voor het bekostigingsjaar 2026 zijn openbaar gemaakt via de beslisnota’s bij de Kamerbrief Stabiele financiering voor goed en toegankelijk mbo.
Op welke wijze wordt in de door u voorgestelde nieuwe bekostigingssystematiek rekening gehouden met het feit dat technische opleidingen aantoonbaar hogere kosten kennen dan veel andere opleidingen, bijvoorbeeld vanwege praktijklokalen, machines en materialen?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er € 200 miljoen beschikbaar komt voor regionale plannen die gericht zijn op het opleiden voor maatschappelijk cruciale sectoren? Kunt u dat nader duiden?
Ja, dit betreft het samenwerkingsbudget. Met deze € 200 miljoen worden in regionale plannen afspraken gemaakt met werkgevers over een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst. Ook dienen in het plan maatregelen te staan die ervoor zorgen dat de instroom en uitstroom van studenten past bij het opleidingsportfolio en de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarnaast is er aandacht voor de beschikbaarheid en kwaliteit van stages, met goede begeleiding en inzet op loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) en flexibilisering.
De Talentstrategie en het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst» vormen de kaders waaraan de regioplannen moeten voldoen. Zowel het Pact, als de specifieke regeling van het samenwerkingsbudget worden nog verder vormgegeven.
Waarom kiest u ervoor deze middelen afhankelijk te maken van bovengenoemde regionale plannen terwijl instellingen en bedrijven aangeven behoefte te hebben aan structurele zekerheid voor technische opleidingen?
Om de structurele zekerheid voor alle instellingen te vergroten introduceer ik de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag. Dit zijn vaste bedragen, die alleen worden bijgesteld met de eventuele loon- en prijsbijstelling.
Voor een goede aansluiting tussen het mbo-onderwijs op de arbeidsmarkt is naast deze zekerheid, regionale samenwerking cruciaal. Dit gaat om samenwerking tussen instellingen onderling, maar ook bijvoorbeeld met werkgevers. Deze samenwerking komt niet overal voldoende tot stand. Daarom kies ik ervoor om de instellingen, in afstemming met werkgevers, regioplannen te laten maken.
Mijn ministerie stelt criteria op voor de regioplannen en beoordeelt de plannen op onder meer de inhoudelijke doelen en ambitie. Een strak beoordelingskader zorgt ervoor dat ik kan sturen op de gewenste uitkomsten. Dergelijke sturing is niet mogelijk via de lumpsum, vandaar dat ik kies voor de systematiek van het samenwerkingsbudget.
Voor de Regeling Aanvullende middelen studentendaling mbo 2025–2027 hebben mbo-instellingen in regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen ook regioplannen moeten maken om de toegankelijkheid in hun regio te borgen.
De ervaringen met deze systematiek van regioplannen zijn positief.
Klopt het dat instellingen die relatief veel studenten opleiden voor de techniek maar niet onder de toegankelijkheidstoeslag vallen per saldo nadeel kunnen ondervinden van de voorgestelde herverdeling? Zo ja, kunt u dat nader duiden?
Ja, dit kan het geval zijn. De negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod worden gecompenseerd. Instellingen ondervinden hier dus geen nadeel van. Het kan wel zo zijn dat instellingen als gevolg van de introductie van de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag een negatief herverdeeleffect hebben. Dit heeft onder andere te maken met de ontwikkeling van de studentenaantallen van instellingen ten opzichte van de ontwikkeling bij andere instellingen.
Hoe gaat u bij de verdere uitwerking van de bekostigingssystematiek voorkomen dat opleidingen in tekortsectoren, waaronder de techniek, geen nadelen ondervinden van de herverdeling van middelen?
Om dit te voorkomen heb ik besloten om met extra geld de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod te compenseren. Daarnaast geldt, zoals uiteengezet bij het antwoord op vraag 5 en 6, dat het bedrag dat een instelling aan bekostiging ontvangt afhankelijk is van het volledige mbo-aanbod dat gevolgd wordt in heel Nederland.
Deelt u de mening dat het mbo meer moet opleiden voor tekortsectoren? Waarom kiest u er niet voor om een deel van de bekostiging afhankelijk te maken van de bijdrage van opleidingen aan maatschappelijke tekorten, en klopt het dat dit eerder een nadrukkelijke bouwsteen van de hervorming van de bekostiging was?
Een factor voor een hogere bekostiging voor opleidingen met grote maatschappelijke relevantie is inderdaad een bouwsteen die eerder op tafel heeft gelegen. De Kamer is hierover geïnformeerd.3 Er is onderzocht of een factor in de bekostiging kon worden ingebouwd, waardoor er meer geld zou gaan naar opleidingen met een grote maatschappelijke relevantie. Dit bleek echter niet effectief.
De factor zou namelijk worden toegepast op de lumpsum, die binnen de wettelijke kaders vrij te besteden is. Het is dus geen garantie dat het hogere budget ten goede komt van de arbeidsmarktrelevante opleidingen. Instellingen mogen besluiten om het budget anders in te zetten. Daarnaast kent de lumpsum een verdeelmodel: dit betekent dat de hogere factor bij de ene opleiding, ten kostte gaat van het budget bij andere opleidingen. Dit kan de kwaliteit van andere opleidingen aantasten.
Bovenstaande argumenten zijn uiteengezet door de Reviewcommissie herziening bekostiging mbo. Deze commissie heeft gedurende het proces van de herziening meerdere malen advies gegeven over de gemaakte keuzes en het doorlopen proces. Hierbij is door mijn ambtsvoorganger expliciet advies gevraagd over de arbeidsmarktfactor. De commissie benadrukte dat het legitiem is om te sturen op maatschappelijke relevantie, maar zette fundamentele vraagtekens bij de effectiviteit van sturing hierop via de bekostiging en benadrukte daarbij bovenstaande punten. De commissie adviseerde daarom om met andere instrumenten te sturen op de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via het samenwerkingsbudget.
Met het samenwerkingsbudget wordt het budget geoormerkt. Daarmee is (in tegenstelling tot een hogere factor in de lumpsum) verzekerd dat middelen aan de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt wordt uitgegeven. De keuze voor het samenwerkingsbudget stelt mij in de gelegenheid criteria te stellen en de regioplannen te beoordelen. Nauwe afstemming met werkgevers kan bijvoorbeeld worden geëist, evenals het sturen op de kaders uit de Talentstrategie en het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst».
Bent u bereid om voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel met vertegenwoordigers van de technieksector, mbo-instellingen en werkgevers aanvullende afspraken te maken om te voorkomen dat technische opleidingen verdwijnen?
Ik heb veelvuldig contact gehad met mbo-instellingen en werkgevers over de totstandkoming van het voorstel voor de herziene bekostiging. Ook ben ik in gesprek met vertegenwoordigers van de technieksector. Daarnaast ben ik met de mbo-instellingen en werkgevers in gesprek over het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst», waarmee in invulling zal geven aan de Talentstrategie voor het mbo. In dit pact maken overheid, mbo en werkgevers landelijke afspraken om samen studenten op te leiden voor de cruciale sectoren voor onze welvaart en samenleving. U wordt hier dit najaar verder over geïnformeerd.
Wanneer heeft u kennisgenomen van de in de berichtgeving genoemde feiten en omstandigheden, en bent u hier van geschrokken of was dit verwacht?1
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief2 heeft de CEO van Tata Steel Nederland B.V. (TSN) het kabinet op 2 juli jl. geïnformeerd dat het bedrijf van het OM had vernomen dat vervolging op korte termijn ingesteld zou worden. Eerder dit jaar maakte het OM al bekend onderzoek te doen en hierop heeft het kabinet op 2 april 2026 al een reactie3 gegeven. Van de exacte feiten en omstandigheden heeft ook het kabinet pas kennis kunnen nemen toen het OM daarmee naar buiten kwam.
In hoeverre zijn de in de berichtgeving beschreven feiten betrokken bij de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief4 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraak met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Welke consequenties heeft de vervolging van het Openbaar Ministerie (OM) voor de onderhandelingen en het tijdspad van de maatwerkafspraken? Is in de onderhandelingen rekening gehouden met dit scenario, inclusief mogelijke veroordeling en sancties?
Zie antwoord vraag 2.
Welke financiële risico's loopt de Staat indien tijdens of na het sluiten van maatwerkafspraken blijkt dat Tata Steel strafrechtelijk aansprakelijk wordt gehouden, bijvoorbeeld doordat de uitvoering van de afspraken vertraging oploopt, niet kan plaatsvinden of significante impact heeft op de financiële gezondheid van het bedrijf?
In september zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak.
In de JLoI staan artikelen over de risicobeheersing voor de staat van de subsidieverlening en deze artikelen geven ruimte tot nadere weging in dit soort omstandigheden ten aanzien van het uitvoeren van de afspraken en de financiële risico’s van de staat. In deze artikelen staat dat voor de risicobeheersing van subsidieverlening gedacht kan worden aan het uitbetalen van de subsidie in tranches gekoppeld aan mijlpalen, een controlesysteem met een effectief sanctiesysteem en terugvorderingsmogelijkheden. Het gaat onder meer om artikel 7 en artikel 11 (lid 5, 7,8, 9 en 12) van de JLoI. De maatwerkafspraak wordt uitgewerkt langs deze lijnen van de JLoI. Voor de volledigheid, de subsidie moet goedgekeurd worden door de Europese Commissie en aan het relevante staatssteunkader voldoen, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 («CEEAG»).
Bevatten de voorgenomen maatwerkafspraken bepalingen die de Staat beschermen tegen financiële schade of terugvordering van publieke middelen indien Tata Steel wordt veroordeeld voor strafbare feiten? Zo nee, wordt hier nu in de onderhandelingen op in gezet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de opvatting dat naleving van wet- en regelgeving een randvoorwaarde moet zijn voor het verstrekken van substantiële publieke steun?
Zoals het kabinet eerder al heeft aangegeven dient het bedrijf compliant te zijn met de bestaande wet- en regelgeving. Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop bij het bevoegd gezag ligt – in het geval voor wet- en regelgeving op milieugebied de provincie Noord-Holland en de OD –, hecht het kabinet eraan dat er een cultuurverandering binnen TSN wordt doorgevoerd. Om die reden zijn hier afspraken over gemaakt in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Welke gevolgen heeft de strafrechtelijke vervolging van Tata Steel voor het toezicht- en handhavingsbeleid van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied? Acht u aanvullende maatregelen noodzakelijk?
Deelt u de opvatting dat een strafrechtelijke vervolging wegens opzettelijke milieuvervuiling aanleiding moet zijn om kritisch te bezien of de huidige vergunningen, vergunningvoorschriften en handhavingsinstrumenten toereikend zijn? Zo ja, welke stappen worden gezet?
Bent u bereid te onderzoeken of de strafrechtelijke vervolging aanleiding geeft om aanvullende emissiebeperkende maatregelen of aangescherpte vergunningvoorschriften op te leggen aan Tata Steel?
Hoe wordt geborgd dat de gezondheid van omwonenden gedurende de periode van de strafrechtelijke procedure niet verder onder druk komt te staan? Welke extra maatregelen zijn de komende periode mogelijk?
De wettelijke normen en het VTH-stelsel blijven van kracht. En de OD NZKG blijft scherp toezicht houden op het bedrijf in de breedte van de activiteiten.
Bent u van oordeel dat de strafrechtelijke vervolging aanleiding geeft om de uitvoering van de aanbevelingen van de Expertgroep Gezondheid IJmond te versnellen en versterken, in het bijzonder ten aanzien van continue emissiemonitoring, transparantie van meetgegevens en gezondheidsbescherming? Zo nee, waarom niet?
Ook zonder strafrechtelijke vervolging wil het kabinet, binnen de beschikbare tijd en middelen, de adviezen van de Expertgroep zo goed mogelijk verwerken in de maatwerkafspraak. Dit is ook in lijn met de motie-Thijssen5. Het kabinet zal na de zomer nader ingaan op het meest recente advies van de Expertgroep.
Welke gevolgen heeft de strafrechtelijke vervolging voor het vertrouwen dat de overheid kan stellen in de naleving van vergunningvoorschriften door Tata Steelm, en hoe wordt hieraan gewerkt?
Toezicht op en handhaving van de naleving van vergunningsvoorschriften is aan het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG. Zoals aangegeven zal het kabinet in september ingaan op de mogelijke implicaties van de strafrechtelijke vervolging voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Kunt u reflecteren op het effect van deze ontwikkelingen op het vertrouwen van burgers in de overheid en de maatwerkafspraken?
Het kabinet begrijpt de zorgen die bij burgers kunnen leven over deze strafrechtelijke vervolging, mede in de context van het traject om tot een maatwerkafspraak te komen. Zoals aangegeven komt het kabinet snel met een brief en tot die tijd zet het kabinet geen onomkeerbare stappen.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de gevolgen van deze berichtgeving voor het verdere onderhandelingsproces? Wacht u de uitkomsten van het onderzoek van het OM af voor de maatwerkafspraken worden ondertekend?
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief6 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
Het bericht OM vervolgt Tata Steel strafrechtelijk voor opzettelijk vervuilen |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Was u voorafgaand aan de publicatie van het bericht «OM vervolgt Tata Steel strafrechtelijk voor opzettelijk vervuilen» op de hoogte van het besluit van het Openbaar Ministerie (OM) om Tata Steel strafrechtelijk te vervolgen voor het opzettelijk uitstoten van stoffen die gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid?1 Zo ja, sinds wanneer, en heeft Tata Steel Nederland u hierover geïnformeerd, vergelijkbaar met de wijze waarop het bedrijf u informeerde over het CCI-onderzoek in India, zoals beschreven in uw antwoord van 2 februari 2026 op vraag 6?
Zoals aangegeven in de op 8 juli jl. verstuurde Kamerbrief2 heeft de CEO van Tata Steel Nederland (TSN)3 het kabinet op 2 juli 2026 geïnformeerd dat het bedrijf van het OM had vernomen dat vervolging op korte termijn ingesteld zou worden. Van de exacte feiten en omstandigheden heeft ook het kabinet pas kennis kunnen nemen toen het OM daarmee naar buiten kwam.
Deze situatie is anders dan de situatie rond het CCI-onderzoek naar mogelijke illegale prijsafspraken in India. Het kabinet heeft op 2 februari 2026 schriftelijk aangegeven dat TSN het Ministerie van EZK feitelijk heeft geïnformeerd inzake het CCI-onderzoek in India, na publicatie van het artikel, en dat TSN de verdere ontwikkelingen afwacht. In het CCI-onderzoek is TSN echter (vooralsnog) geen partij.
Wat is uw reactie op de constatering van het OM dat Tata Steel de fabrieken slecht onderhoudt, soms zonder de juiste vergunning werkt en incidenten onder de pet houdt? Verandert dit uw eerdere oordeel, zoals verwoord in uw antwoord van 2 februari 2026 op vraag 9, dat het niet aan het kabinet is om een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van Tata Steel als partner?
Wat betreft het CCI-onderzoek geldt dat het onderzoek nog niet afgerond is, er op dit moment is geen aanwijzing is voor mogelijke betrokkenheid van TSN en dat de Indiase autoriteiten (nog) geen strafrechtelijke procedure gestart zijn. Over het CCI-onderzoek blijft het oordeel van het kabinet dus ongewijzigd.
Wat betreft het bericht van het OM geldt dat het OM, op basis van eigen onderzoek, nu tot strafrechtelijke vervolging van TSN overgaat. Voor de inhoud van de verdenkingen verwijst het kabinet naar het bericht van het OM. Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 8 juli 2026 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Zijn er voor het besluit van het OM al eerder signalen ontvangen bij ministeries waaruit een vermoeden bleek dat Tata opzettelijk stoffen in de bodem, de lucht of het oppervlaktewater heeft gebracht of laten brengen met een mogelijk gevaar voor de gezondheid van mensen?
De aangifte van omwonenden (in 2021) is in 2022 aanleiding geweest voor de ILT-IOD4 (onder leiding van het Functioneel Parket van het OM) om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Verder is het kabinet zich bewust5 van diverse handhavingszaken die bij het bedrijf lopen. Dit valt onder het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG). Zoals het kabinet eerder al heeft aangegeven dient het bedrijf compliant te zijn met de bestaande wet- en regelgeving. Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop bij het bevoegd gezag ligt – in het geval voor wet- en regelgeving op milieugebied de provincie Noord-Holland en de OD –, hecht het kabinet eraan dat er in ieder geval een cultuurverandering binnen TSN wordt doorgevoerd. Om die reden zijn hier afspraken over gemaakt in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Is dit besluit van het OM reden voor het kabinet om meetgegevens inzake Tata Steel toegankelijk te maken voor onafhankelijke analyses waar dat nog niet gebeurt om zo het vertrouwen in de gegevens en conclusies te versterken?
De strafrechtelijke vervolging staat los van de bestuursrechtelijke verplichting voor het bedrijf om rapportages met meetgegevens in te dienen bij het bevoegd gezag. Deze rapportages moeten onder andere aan nationale normen (NEN) voldoen. Vervolgens is het aan het bevoegd gezag, in dit geval OD NZKG gemandateerd door de provincie Noord-Holland, om deze rapportages te beoordelen. Er is daarmee sprake van een onafhankelijke analyse.
In hoeverre is deze strafrechtelijke vervolging voor u aanleiding om de onderhandelingen over de definitieve maatwerkafspraak, die volgens planning uiterlijk eind september 2026 moeten zijn afgerond, op te schorten totdat er meer duidelijkheid is over de uitkomst van de strafzaak?
Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 8 juli 2026 wordt de Kamer in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak. Tot die tijd zal het kabinet geen onomkeerbare stappen zetten in het maatwerktraject.
Bent u van mening dat er maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden als er zulke zware beschuldigingen na meerjarig onderzoek door het OM boven Tata Steel hangen? Zo ja, kunt u dat uitleggen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat een strafrechtelijke vervolging wegens opzettelijke vervuiling een zwaardere aanwijzing is voor structureel niet-naleven van wet- en regelgeving dan de bestuursrechtelijke boetes die Tata Steel dit jaar al kreeg opgelegd, waarbij voor één kooksfabriek de maximale dwangsom van ruim 17 miljoen euro al is bereikt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 gaat het kabinet niet inhoudelijk in op het besluit van het OM6 om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Hoe het kabinet aankijkt tegen de handhavingszaken is recent met de Kamer gedeeld7.
Welke consequenties heeft deze strafzaak, en de inhoud daarvan, voor de beoordeling of Tata Steel Nederland in aanmerking komt voor circa 2 miljard euro aan overheidssteun, gelet op de eis die u noemde in uw antwoord van 26 maart 2026 op vraag 6, dat er voldoende waarborgen moeten zijn dat subsidie daadwerkelijk bijdraagt aan het behalen van de gezondheids- en klimaatdoelen?
Ongeacht het besluit van het OM geldt dat er geen staatssteun mag worden verleend voor activiteiten die niet aan de Europese regelgeving voldoen. Een eventuele maatwerksubsidie moet (blijven) voldoen aan de Europese voorwaarden voor staatssteun onder het geldende staatssteunkader, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 («CEEAG»).
Over de verdere voorwaarden waaronder eventueel subsidie gegeven zal worden, wordt nog gesproken met het bedrijf. De waarborgen voor het behalen van de doelen van de beoogde maatwerkafspraak en de consequenties bij het niet behalen van deze doelen, worden de komende tijd verder uitgewerkt in de (juridische documentatie bij de) maatwerkafspraak.
Kunt u garanderen dat er geen maatwerkafspraak met Tata Steel wordt afgesloten voordat er een vonnis is? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vragen 5 en 6.
Kunt u garanderen dat er geen maatwerkafspraak met Tata Steel wordt gemaakt indien de (voormalige) bestuurders van Tata Steel ook in persoon zullen worden gedagvaard door het OM?
Het OM onderzoekt of mensen met een leidinggevende rol mogelijk persoonlijk strafbaar zijn. Dat onderzoek is nog niet afgerond en het kabinet vindt het niet passend om hierop vooruit te lopen.
Bent u, gezien deze ontwikkeling van vervolging van Tata Steel door het OM, alsnog bereid de Joint Letter of Intent (JLoI) op te schorten of te heroverwegen, in aanvulling op uw antwoord van 2 februari 2026 op vraag 10, waarin u aangaf op dat moment geen aanleiding te zien de JLoI te beëindigen?
Zie het antwoord op vragen 5 en 6.
Bent u bekend met het feit dat het OM tevens onderzoekt of leidinggevenden van Tata Steel persoonlijk vervolgd zullen worden? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren zodra hier meer duidelijkheid over is? Welke betekenis heeft een eventuele persoonlijke vervolging van leidinggevenden volgens u voor de bestuurlijke relatie en de lopende onderhandelingen met het bedrijf?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving van het OM. Het is aan het OM om hierover een vervolgingsbeslissing te nemen en hierover te communiceren. Wij zullen de Kamer informeren over relevante ontwikkelingen. Op een eventuele persoonlijke vervolging kan het kabinet niet vooruitlopen. Het OM heeft het onderzoek nog niet afgerond.
Waarom schrijft u in de brief van 8 juli 2026 dat het kabinet na het publiek bekend worden van het dagvaarden van Tata Steel door het OM «geen onomkeerbare stappen zal zetten in het maatwerktraject», terwijl u op basis van de intentieovereenkomst van september 2025 met Tata Steel zich nu ook direct had kunnen terugtrekken bij een strafrechtelijk onderzoek «dat ernstige zorgen doet ontstaan bij de Staat over het aangaan van de maatwerkafspraak»?
De Kamer wordt, zoals aangegeven in de brief van 8 juli, in september geïnformeerd over de bredere ontwikkelingen rondom de maatwerkafspraken met Tata Steel. Daarbij zal ingegaan worden op de mogelijke implicaties van deze ontwikkelingen voor het proces richting een maatwerkafspraak.
Wat is de stand van zaken in de onderhandelingen tussen de overheid en Tata Steel met betrekking tot het eerder sluiten van kooksfabriek 1 en 2?
De OD NZKG bereidt als handhavingsmaatregel de intrekking van de vergunningen voor, naar aanleiding van structurele overschrijdingen van de milieunormen. De stand van zaken8 is dat op dit moment wordt onderzocht of het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 implicaties voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft, en zo ja welke.
Wat is uw visie op het sluiten van kooksfabrieken 1 en 2 om gezondheidsredenen, en stuurt u aan op sluiting van beide kooksfabrieken in 2027?
Zoals ook aangegeven in het plenaire debat over Tata Steel op 7 april 2026 ziet het kabinet het als een positieve ontwikkeling dat het bedrijf zelf de noodzaak ziet van vervroegde sluiting van beide kooksgasfabrieken (ten opzichte van eerdere plannen). Dat zou de gezondheidswinst voor omwonenden op de kortere termijn vergroten. De datum van de sluiting is een afweging van het bevoegd gezag. De provincie Noord-Holland en de OD NZKG volgen voor de intrekking van de vergunningen een zorgvuldige procedure:
De provincie Noord-Holland heeft recent een brief gestuurd waarin uitgebreide toelichting staat over dit proces9. Wanneer er meer duidelijkheid is over de termijn waarop sluiting plaats moet vinden, kan ook inzichtelijk gemaakt worden of en in hoeverre dit impact heeft op de beoogde maatwerkafspraak. Zodra hierover meer bekend is zullen wij de Kamer informeren.
Bent u van oordeel dat er geen definitieve en onvoorwaardelijke maatwerkafspraken gemaakt kunnen worden zolang de Milieueffectrapportage (MER) en de Gezondheidseffectrapportage (GER) niet beschikbaar zijn?
Met betrekking tot de relatie tussen het MER en de maatwerkafspraak is in antwoord op eerdere vragen10 al aangegeven dat het MER wordt opgesteld ten behoeve van vergunningaanvragen, niet ten behoeve van de maatwerkafspraak. Uiteraard kunnen projecten alleen met een vergunning worden gerealiseerd en moeten projecten gerealiseerd worden als onderdeel van de subsidiebeschikking. Bij de vormgeving van de maatwerkafspraken wordt geborgd dat de afspraken voldoende milieumaatregelen bevatten die ook daadwerkelijk leiden tot positieve gezondheidseffecten. In de beoogde maatwerkafspraak zal dit nader worden uitgewerkt, in lijn met de motie-Kostić c.s.11.
In de JLoI zijn een reductie van schadelijke stoffen en aanvullende milieumaatregelen opgenomen. Dat deze maatregelen de gezondheidsrisico's voor omwonenden terugdringen, is dankzij alle eerder verrichte verzoeken evident en hoeft op zichzelf niet nader onderbouwd te worden met een GER. De voorzitter van de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft in een gesprek met de Kamer op 19 maart jl. ook aangegeven dat nu afspraken maken over emissiereducties urgenter is dan een voltooide GER. Dat laat onverlet dat de GER een instrument is dat van waarde kan zijn om (nader) inzicht te krijgen in gezondheidseffecten. De suggestie van de Expertgroep om de GER als structureel sturingsinstrument te gebruiken, neemt het kabinet zoals gemeld12 in de voortgangsbrief van 2 april jl. mee bij de uitwerking van de beoogde maatwerkafspraak.
Bent u bereid om, in afwachting van de resultaten van de GER, tenminste aanvullende afspraken op te nemen in de maatwerkafspraken om te zorgen dat gezondheidswinst daadwerkelijk geborgd wordt? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt het zoals bekend erg belangrijk dat gezondheid een prominente plek in de maatwerkafspraak krijgt. Er wordt gewerkt aan een concrete uitwerking hiervan.
Neemt u het advies van de Expertgroep inzake betere monitoring van de gezondheidseffecten en een betere koppeling daarvan aan de GER over in de maatwerkafspraken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zal na de zomer nader ingaan op het meest recente advies van de Expertgroep.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn van drie weken beantwoorden?
Het publiceren van tien gemeenten op trede 3 van de interventieladder met betrekking tot de Spreidingswet |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Op grond waarvan zijn specifiek deze tien gemeenten nu op trede 3 van de interventieladder binnen het interbestuurlijk toezicht geplaatst?
Naar aanleiding van de tot nu toe gevoerde ambtelijke gesprekken is een aantal gemeenten inmiddels op trede 3 van de interventieladder geplaatst. Deze gemeenten voldoen niet aan de wettelijke taak die voortkomt uit de verdeelbesluiten. Dit zijn de eerste gemeenten waarmee ambtelijke gesprekken zijn gevoerd en afgerond.
Waarin wijken deze gemeenten af van andere gemeenten die eveneens op 9 april jl. een brief (en op 26 mei jl. een vervolgbrief) van u hebben gehad over interbestuurlijk toezicht naar aanleiding van het verdeelbesluit inzake de eerste cyclus van de Spreidingswet?
Er wordt gestart met de gemeenten die nog geen opvangplekken hebben. Het gaat in totaal om veel gemeenten waarmee gesprekken gevoerd moeten worden. Er vinden de komende maanden nog meer ambtelijke gesprekken plaats.
Hoeveel gemeenten verwacht u nog meer op trede 3 te gaan plaatsen en op welke termijn? Kunt u het proces schetsen dat hieraan ten grondslag ligt?
Op 28 mei voldeden 107 gemeenten niet en 116 gemeenten gedeeltelijk. Met al deze gemeenten zullen de komende maanden ambtelijke gesprekken gevoerd worden waarbij gestart wordt met de gemeenten die niet voldoen. Parallel zullen ook de bestuurlijke gesprekken gevoerd worden.
Aan de gemeenten wordt bij de stappen van het interbestuurlijk toezicht maximaal de gelegenheid geboden zelf alsnog de benodigde opvangplekken te realiseren. Ik hoop vanzelfsprekend er met gemeenten uit te komen.
Op grond waarvan wordt bepaald of bij gemeenten sprake is van «voldoende voortgang» om plaatsing op trede 3 te voorkomen, zoals o.a. in de vervolgbrief interbestuurlijk toezicht van 26 mei jl. wordt vermeld? Kunt u dit zo concreet mogelijk toelichten?
Naar aanleiding van de tot nu toe gevoerde ambtelijke gesprekken is een aantal gemeenten inmiddels op trede 3 van de interventieladder geplaatst. Deze gemeenten voldoen niet aan de wettelijke taak en er is geen concreet zicht op de realisatie van opvangplekken dit jaar. Deze gemeenten zijn geselecteerd op basis van de volgorde waarin de gesprekken zijn gevoerd en afgerond.
Doel van het gesprek in trede 3 is het maken van afspraken over de realisatie van voldoende opvangplekken en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren.
Klopt het dat u heeft aangegeven van de nu aangewezen gemeenten «nul op rekest» heeft gekregen naar aanleiding van uw brief van 9 april jl.? Zo ja, wat is uw reactie op het feit dat in ieder geval de gemeente Beverwijk aangeeft wel degelijk een bestuurlijke reactie op deze brief te hebben gegeven en daarop ook een reactie van het ministerie teruggekregen te hebben?1
Op 9 april jl. hebben gemeenten een brief ontvangen in het kader van het interbestuurlijk toezicht. In deze brief is, mede vanwege de actuele opvangsituatie, urgentie kenbaar gemaakt van het voldoen aan de wettelijke taak. Ook in de brief van 26 mei jl. is de urgentie van de opgave nogmaals onderstreept. De gemeente Beverwijk, alsook de andere gemeenten die geplaatst zijn op trede 3 van het interbestuurlijk toezicht, voldoen niet aan de wettelijke opgave die voortkomt vanuit het verdeelbesluit.
Klopt het tevens dat één of meerdere van deze gemeenten de plaatsing op trede 3 uit de media moest(en) vernemen? Zo ja, vindt u dit een gepaste manier om met gemeenten om te gaan?
Wanneer opschaling naar trede 3 plaatsvindt worden gemeenten hierover vooraf door mijn ministerie per brief geïnformeerd. Aan de betreffende gemeenten is een bericht verstuurd over de opschaling naar trede 3. Dit vond plaats voordat externe berichtgeving hierover plaatsvond. In het vervolg zal zo vroeg mogelijk duidelijkheid aan de gemeenten worden geboden alvorens externe communicatie zal plaatsvinden.
Bent u bereid deze verdere escalatie binnen een operatie waar toch al geen maatschappelijk draagvlak voor bestaat te staken? Zo nee, waarom niet?
De wet wordt uitgevoerd zo lang deze nodig is. Daarbij blijft de opgave op dit moment groot, zoals de actuele situatie in Ter Apel laat zien. Deze hoge opvangdruk toont de noodzaak van deze wet aan. Daarom benadrukt dit kabinet de volledige uitvoering en toepassing van de Spreidingswet om hiermee voldoende duurzame opvangplekken te realiseren. Het interbestuurlijk toezicht is onderdeel van de uitvoering van de wet.
Het bericht dat thuismonitoring 350.000 ziekenhuisopnames kan schelen, maar tegengehouden wordt door de bekostiging |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thuismonitoring kan 350.000 ziekenhuisopnames schelen, maar de bekostiging houdt het tegen» – naar aanleiding van de podcast BNR Beter?1
Deelt u de hoge verwachtingen die in het artikel geschetst worden van thuismonitoring? Waarom wel, of waarom niet?
Deelt u de mening dat thuismonitoring goed past binnen de visie «digitaal als het kan, fysiek als het moet» en in het toewerken naar passende zorg?
Kunt u aangeven hoeveel inzet van personeel thuismonitoring potentieel kan schelen?
Welke knelpunten gelden er op dit moment in de bekostiging en financiering van zorg, waardoor initiatieven als thuismonitoring niet voldoende kunnen worden opgeschaald? Welke hiervan gelden specifiek voor hybride zorg?
Op welke manier bent u van plan om initiatieven als thuismonitoring meer ruimte te geven om op te schalen, in lijn met de motie-Wendel/Vervuurt?2
Hoe kijkt u ernaar dat in het artikel wordt gesteld dat ongeveer de helft van de ziekenhuiszorg thuis zou kunnen plaatsvinden, van de voorbereiding op een operatie tot de begeleiding van chronisch zieken?
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden voorafgaand aan de begrotingsbehandeling?
Het bericht Intertoys liet asbestspeelgoed in de winkels liggen, ondanks waarschuwing |
|
Sandra Beckerman (SP), Sarah Dobbe (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Bertram , Sophie Hermans (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat speelgoedketen Intertoys met asbest verontreinigd speelgoed heeft verkocht, zelfs nadat het bedrijf daarvoor is gewaarschuwd?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) al op 8 juni jl. is geïnformeerd over asbest in het betreffende speelgoed?
De NVWA is geïnformeerd dat in Nederland speelgoed te koop zou zijn dat in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten is teruggeroepen omdat het asbest bevatte. Op dat moment was nog niet bekend of de in Nederland verkochte productbatches asbest bevatten, en zo ja, in welke concentratie.
Welke actie heeft de NVWA sinds 8 juni jl. ondernomen om dit verontreinigde speelgoed van de markt te halen?
Op dit moment is er onvoldoende aanleiding om dit speelgoed door NVWA van de markt te laten halen. Meer informatie hierover staat bij het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de NVWA nu wederom eerst zelf onderzoek moet laten uitvoeren voor het handhavend op kan treden, terwijl het asbest al een maand geleden geconstateerd is?
Ja, dat klopt. NVWA kan alleen afdwingen dat producten uit de handel worden gehaald als aan bepaalde voorwaarden van bemonstering en onderzoek is voldaan. Dit betekent dat de NVWA altijd van eigen onderzoek uitgaat bij handhavende acties.
Deelt u de mening dat snelle actie vereist is bij producten waarbij de testen door het AD 0,1 tot 0,2 procent asbest aantoonden en waarbij in producten uit dezelfde reeks getest in Slovenië zelfs ruim 2 procent asbest bevatten?
Het kabinet deelt dat producten die mogelijk niet aan de wettelijke veiligheidseisen voldoen snel moeten worden beoordeeld waarna, indien nodig, maatregelen worden getroffen. Tegelijkertijd moet een toezichthouder kunnen vaststellen dat daadwerkelijk sprake is van een overtreding voordat handhavend kan worden opgetreden.
De NVWA beschikt op dit moment niet over onderzoeksrapporten van zichzelf of van andere toezichthouders op grond waarvan zij kan optreden. De in het krantenartikel beschreven onderzoeksresultaten zijn afkomstig van onderzoek door derden en vormen een indicatieve aanwijzing, maar zijn op zichzelf onvoldoende om te kunnen vaststellen of een product niet aan de wettelijke eisen voldoet.
Voor het bepalen van de hoeveelheid asbest in speelzand, volgt de NVWA de aanbevelingen van TNO. Uit het onderzoek van TNO blijkt dat, om handhavend op te kunnen treden naast een indicatieve bepaling volgens NEN 5896 ook vervolgonderzoek volgens VDI 3866 (Blatt2 nodig is om de exacte hoeveelheid asbest vast te stellen. Die exacte hoeveelheid is van belang om te beoordelen of deze producten wel of niet voldoen aan de wettelijke eisen. Zonder deze kennis is handhaven niet mogelijk.
Bovendien blijkt uit de gezondheidskundige risicobeoordeling van het RIVM en het advies van Buro dat het gezondheidsrisico van speelzand dat voldoet aan de wettelijke eisen verwaarloosbaar is. Alleen bij jarenlang intensief spelen met speelzand dat niet aan de wettelijke limiet voor asbest voldoet, is er mogelijk een gezondheidsrisico. Daarbij is uitgegaan van het meest ongunstige scenario van jarenlange, dagelijkse blootstelling.
In het in het AD beschreven artikel betreft het speelgoed waarbij het speelzand is ingesloten. Alleen wanneer het product beschadigd raakt en het zand (gedeeltelijk) vrijkomt, is er eenmalig contact met het zand. De blootstelling is daarmee zo beperkt dat er geen reden is tot zorg. Op basis van de huidige inzichten bestaat daarom geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een direct gezondheidsrisico.
Vindt u dat de NVWA haar toezichthoudende en handhavende taken hier voldoende heeft uitgevoerd?
Ja. De NVWA houdt steekproefsgewijs en risicogericht toezicht en treedt op als bedrijven zich niet aan de regels houden en er een vermoeden is van risico.
Vindt u dat het huidige stelsel waarin de verantwoordelijkheid voor productveiligheid primair bij marktpartijen ligt goed werken, gelet op de feiten dat Intertoys pas een maand na de constatering dat er asbest in hun speelgoed zat tot een gehele terugroepactie komt, dat Intertoys nog steeds geen reactie van de leverancier heeft ontvangen, en de NVWA in de tussentijd geen publieke actie heeft ondernomen?
Ja. 100% veiligheid is niet te garanderen. De verantwoordelijkheden binnen het stelsel zijn duidelijk belegd. Producenten, importeurs en distributeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Toezichthouders, waaronder de NVWA, houden toezicht op de naleving van deze verplichtingen (zie antwoord op vraag3. Deze combinatie van productverantwoordelijkheid en toezicht vormen de basis van het Europese productveiligheidsstelsel. Bovendien worden in de nieuwe Europese speelgoedverordening, die deels al van kracht is, de verantwoordelijkheden en taken voor de marktdeelnemers nog duidelijker beschreven. Ook binnen Europa wordt deze verantwoordelijkheidsverdeling ondersteund.
Op welke manier heeft de NVWA haar toezicht aangepast na eerdere berichtgeving dit jaar over asbest in speelzand?
NVWA verricht steekproefsgewijs en risicogericht productonderzoek, ook naar asbest in speelzand. Waar nodig wordt er handhavend opgetreden.
Welke concrete stappen zijn er inmiddels ondernomen om in Europees verband in te zetten op aanscherping van de grenswaarde voor asbest?
Nederland heeft actief deelgenomen aan de discussies op Europees niveau binnen de Working Group on chemicals in toys4 van de Expert Group on Toy Safety5. Tijdens vergaderingen in februari en mei 2026 zijn de onderzoeken, resultaten en gezondheidskundige risicobeoordelingen, die zijn uitgevoerd door verschillende Europese lidstaten, bediscussieerd. Hierbij werd onder andere en met grote belangstelling uitgebreid stilgestaan bij het onderzoek van TNO6 naar geschikte analysemethodes voor het bepalen van asbest in speelzand en de gezondheidskundige risicobeoordeling uitgevoerd door RIVM7. Het nauwkeurig bepalen van (kleine hoeveelheden) asbest is van groot belang voor het uitvoeren van een goede risicobeoordeling. Dit alles heeft geleid tot de publicatie van de «Market surveillance notes on asbestos in toy sands»8 op de website van de Europese Commissie. Hierin is onder andere vastgelegd welke analysemethoden bij voorkeur worden gebruikt voor het bepalen van asbest in speelzand, zodat de resultaten tussen lidstaten beter vergelijkbaar zijn.
Daarnaast lopen op dit moment in verschillende landen nog onderzoeken naar de mate waarin tijdens het spelen met speelzand asbestvezels kunnen vrijkomen (zie bijvoorbeeld Asbest in Spielsand: Weitere Daten für Risikobewertung erforderlich – BfR9 en RAG_Risk Assessment_Asbestos_play sand_update June 202610). Deze gegevens worden gebruikt om met name de gezondheidskundige risicobeoordeling verder te verfijnen.
Het kabinet heeft het RIVM gevraagd te adviseren over een passende aanscherping van de grenswaarde. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek, zal worden bezien welke vervolgstappen Nederland in Europees verband zal voorstellen.
Deelt u inmiddels de mening dat zolang dit probleem niet bij de bron wordt aangepakt, terugroepacties en waarschuwingen niet genoeg zijn, omdat verontreinigde producten het land binnen zullen blijven komen, zoals eerder aan de orde gebracht in schriftelijke vragen?2
Het kabinet onderschrijft dat het voorkomen dat verontreinigde producten op de markt komen de voorkeur heeft boven het achteraf moeten ingrijpen. In feite wordt het probleem nu al bij de bron aangepakt: de fabrikant (als deze binnen de EU is gevestigd) of importeur (wanneer de fabrikant buiten de EU is gevestigd) mag alleen veilige producten op de EU-makt brengen. Dit geldt van grondstof tot eindproduct en alles wat daar tussen zit. De fabrikant of importeur zijn er verantwoordelijk voor dat producten voldoen aan de geldende wettelijke eisen voordat deze op de markt worden gebracht en moeten dit desgevraagd kunnen aantonen, met bijvoorbeeld certificaten. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen en kan, wanneer marktdeelnemers niet aan de wettelijke eisen voldoen, handhavend optreden. Tegelijkertijd kunnen door internationale handelsstromen niet alle producten vooraf worden gecontroleerd. Daarom bestaat het productveiligheidsstelsel uit een combinatie van bronverantwoordelijkheid, Europese regelgeving, risicogericht markttoezicht en – indien nodig – maatregelen zoals waarschuwingen en terugroepacties. Deze instrumenten vullen elkaar aan om risico's voor consumenten zoveel mogelijk te beperken.
Ook het toezicht aan de buitengrenzen van de Europese Unie draagt hieraan bij. De Douane voert hiervoor risicogerichte controles uit op goederen uit derde landen en werkt hierbij nauw samen met de andere marktoezichthouders.
Daarnaast wordt met de nieuwe speelgoedverordening, die al deels van kracht is, vanaf 2030 een digitaal productpaspoort voor speelgoed geïntroduceerd. Hierin moet bijvoorbeeld ook een conformiteitsverklaring worden toegevoegd. Dit maakt het voor toezichthouders in de toekomst mogelijk om op grote schaal (automatisch) te controleren of producten voldoen aan de Europese regelgeving en ondersteund daarmee effectiever toezicht.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat met asbest verontreinigd speelgoed in de toekomst op de Nederlandse markt terecht komt en om het toezicht hierop te verbeteren?
De verantwoordelijkheid hiervoor is via wetgeving neergelegd bij producenten, importeurs en distributeurs. Zij moeten ervoor zorgen dat producten die zij op de markt brengen voldoen aan de veiligheidseisen. De NVWA houdt risicogericht toezicht op de veiligheid van speelgoed en bepaalt als onafhankelijke toezichthouder waar de grootste risico's liggen en hoe de beschikbare toezichtcapaciteit wordt ingezet. Naar aanleiding van de bevindingen over asbest in speelzand is asbest opgenomen in het reguliere toezicht. Dit betekent dat binnen het monsternameprogramma periodiek steekproeven worden uitgevoerd om speelzand op de aanwezigheid van asbest te controleren. Wanneer daar aanleiding toe bestaat, kan de NVWA handhavend optreden.
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op grond van de REACH-verordening op het verbod op handelingen met asbest en asbesthoudende producten. Wanneer signalen of incidenten daartoe aanleiding geven, werken de betrokken toezichthouders samen en worden passende maatregelen genomen. Daarnaast wordt voortdurend bezien of de beschikbare toezichtinstrumenten en de informatiepositie voldoende aansluiten bij nieuwe risico’s, waaronder risico’s die ontstaan door internationale handelsstromen. De Douane ondersteunt het toezicht door risicogerichte controles uit te voeren op goederen die vanuit derde landen worden ingevoerd.
Daarnaast wordt, zoals in vraag 10 aangegeven, de nieuwe Europese Speelgoedverordening gefaseerd ingevoerd. Deze introduceert onder meer een digitaal productpaspoort voor speelgoed, waardoor het voor toezichthouders eenvoudiger wordt om de conformiteit van producten te controleren en niet-conforme producten sneller te signaleren.
Het bericht: ‘Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Met speciale hypotheekregels voor ouderen komen er ook meer huizen vrij voor starters»1 en deelt u de conclusie dat financiële belemmeringen voor senioren om te verhuizen moeten worden weggenomen?
Ja. Ik ben bekend met het artikel. Ik deel de opvatting dat onnodige financiële belemmeringen voor ouderen die naar een passende woning willen verhuizen, zoveel mogelijk moeten worden weggenomen. Een beslissing om te verhuizen hangt echter niet alleen samen met de financiering. Ook de beschikbaarheid van een geschikte woning, de toekomstige woonlasten, de wens om in de eigen omgeving te blijven en de praktische gevolgen van een verhuizing spelen een rol. Het kabinet zet daarom zowel in op het vergroten van het aanbod van passende woningen voor ouderen en het verbeteren van hun financieringsmogelijkheden, als op goede informatievoorziening over de mogelijkheden om passend te wonen en te verhuizen. Uitgangspunt blijft dat een hypotheek voor de consument verantwoord en betaalbaar moet zijn.
Welke potentie ziet u, in absolute aantallen woningen en verhuisbewegingen, in het bevorderen van de doorstroming van senioren? Hoeveel woningen kunnen hierdoor beschikbaar komen voor jonge gezinnen en starters?
Het is niet mogelijk om in absolute aantallen aan te geven hoeveel woningen of verhuisbewegingen kunnen worden gerealiseerd door het bevorderen van de doorstroming van senioren. De beschikbare CBS-gegevens over de gemiddelde lengte van verhuisketens zijn niet uitgesplitst naar leeftijdsgroep.
Wel is bekend dat oudere huishoudens bij een verhuizing relatief vaak een ruime koopwoning achterlaten. Een dergelijke verhuizing kan een verhuisketen op gang brengen, doordat de vrijgekomen woning bijvoorbeeld wordt betrokken door een gezin dat vervolgens zelf een andere woning achterlaat. Langs deze weg kunnen uiteindelijk ook woningen beschikbaar komen voor starters. De precieze omvang van dit effect kan op basis van de beschikbare gegevens echter niet worden gekwantificeerd.
Het kabinet zet daarom in op het vergroten van het aanbod van passende woningen voor senioren en op het wegnemen van belemmeringen voor verhuizing, zodat de doorstroming op de woningmarkt verder wordt bevorderd.
Deelt u de opvatting dat bij huishoudens met substantiële overwaarde en een relatief lage hypotheekschuld meer rekening moet worden gehouden met vermogen en onderpand, in plaats van primair met inkomen?
Ik deel deze opvatting voor zover het gaat om tijdelijke doorstroomfinanciering, zoals een overbruggingshypotheek. Bij een reguliere, langlopende hypotheek is het inkomen leidend. Om de hypotheeklasten langdurig te kunnen dragen, moeten er voldoende bestendige inkomsten zijn. Vermogen of overwaarde kan die maandelijkse lasten immers niet vervangen.
Bij een kortlopende financiering die uit de verkoopopbrengst van de huidige woning wordt afgelost, kan aan het vermogen en het onderpand wél meer gewicht worden toegekend. De omvang van het vermogen, de overwaarde, de waarde van de woning en de hoogte van de bestaande hypotheekschuld bepalen dan in belangrijke mate of de lening kan worden terugbetaald. De huidige regels bieden hiervoor al ruimte. Kredietaanbieders kunnen daarnaast in individuele gevallen gemotiveerd maatwerk toepassen wanneer zij kunnen onderbouwen dat de financiering verantwoord is. Ik ga met de sector na of senioren die een woning hebben met substantiële overwaarde in de praktijk knelpunten aan de financieringskant ervaren als zij willen verhuizen en of er verbeteringen mogelijk zijn.
Kunt u een indicatie geven van de gemiddelde en totale overwaarde van woningeigenaren, uitgesplitst naar verschillende leeftijdsgroepen?
Gegevens uit de CBS Woonbase laten zien dat de gemiddelde en de totale overwaarde van woningeigenaren verschillen per leeftijdsgroep. Zo bedroeg op peilmoment 1 januari 2024 voor de leeftijdsgroep van 65 jaar of ouder de gemiddelde overwaarde ongeveer € 374.000 en de totale som aan overwaarde ongeveer € 540 miljard. Onderstaande tabel geeft dit beeld voor de onderscheiden leeftijdsgroepen.
Tot 35 jaar
127
65
511
35 tot 65 jaar
260
690
2.650
65 jaar of ouder
374
540
1.440
Bron: CBS Woonbase, bewerking Ministerie van BZK.
Welke concrete stappen zet u de komende drie maanden om overbruggingshypotheken en doorstroomhypotheken voor senioren beter beschikbaar en toegankelijk te maken?
De komende drie maanden richt ik mij, samen met de Minister van Financiën, vooral op het beter beschikbaar en toegankelijk maken van overbruggingsfinanciering binnen het bestaande kader. Via de uitvoering van de motie-Steen c.s. wordt daarnaast de doorstroomhypotheek uitgewerkt.
Allereerst rond ik de evaluatie van het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen af. Uit de gesprekken met kredietaanbieders, adviseurs en belangenorganisaties blijkt dat voor een groot deel van de doelgroep al een oplossing mogelijk is met een combinatie van een beperkte reguliere hypotheek en een overbruggingshypotheek. Tevens biedt een beperkt aantal kredietaanbieders onder voorwaarden een losse overbruggingshypotheek aan. Deze mogelijkheden zijn echter niet altijd bij consumenten bekend en de voorwaarden verschillen per kredietaanbieder.
Ik zet daarom in op betere informatievoorziening aan senioren en adviseurs en op meer eenduidigheid in de aanvraag- en adviespraktijk. Daarnaast bespreek ik met de sector of de eenmalige kosten omlaag kunnen: bij een lening met een korte looptijd drukken de kosten voor onder meer advies, taxatie en notaris relatief zwaar. Bezien wordt welke onderdelen van het proces eenvoudiger en goedkoper kunnen, zonder afbreuk te doen aan een zorgvuldig advies en een verantwoorde kredietverlening. Op het Platform Hypotheken in het najaar van 2026 zal dit onderwerp met de sector worden besproken. De Kamer zal zoals gebruikelijk over de uitkomsten van het Platform worden geïnformeerd, naar verwachting in het voorjaar van 2027.
Bent u bereid de hypotheektoetsing zo aan te passen dat bij senioren met substantiële overwaarde meer rekening kan worden gehouden met vermogen en onderpand?
Binnen het huidige kader bestaan al mogelijkheden om bij de kredietwaardigheidstoets rekening te houden met de individuele situatie van senioren. Kredietaanbieders kunnen via maatwerk gemotiveerd afwijken van de leennormen wanneer een huishouden op basis van de leennormen niet de gewenste financiering kan krijgen. Daarnaast mogen kredietaanbieders de lopende verplichtingen onder de hypotheek voor de financiering van de nog niet verkochte woning, inclusief de kosten van een overbruggingslening, buiten beschouwing laten bij het bepalen van de maximale hypotheek voor de nieuwe woning.
Ter uitvoering van de motie-Steen c.s.2 bezie ik samen met de Minister van Financiën, toezichthouders, financiële instellingen of de huidige regelgeving en de toepassing daarvan voldoende ruimte bieden om bij tijdelijke doorstroomfinanciering rekening te houden met vermogen en eventuele overwaarde. Blijkt daaruit dat een concrete belemmering bestaat in de leennormen of de toepassing daarvan, dan zal worden bezien of een aanpassing nodig en verantwoord is. Uitgangspunt blijft dat de financiering voor de consument verantwoord moet zijn.
Bent u bereid binnen verantwoorde prudentiële kaders rentebijschrijving mogelijk te maken bij tijdelijke doorstroomfinanciering, zodat de maandlasten tijdens de overgangsperiode beperkt blijven?
Ik ben bereid de mogelijkheid van rentebijschrijving nader te verkennen in de verdere uitwerking van de doorstroomhypotheek (zie ook antwoord op vraag 8). Rentebijschrijving kan voorkomen dat de rente gedurende de overgangsperiode direct uit het lopende inkomen moet worden betaald en kan daarmee de tijdelijke maandlasten beperken. Daar staat tegenover dat de totale lening daardoor toeneemt. De daarbij behorende financiële verplichtingen moeten wel door de consument kunnen worden nagekomen. Een dergelijke constructie kan de financiering bovendien complexer maken en zal waarschijnlijk voor de consument uiteindelijk duurder zijn. Bij de nadere verkenning als onderdeel van de verdere uitwerking moet daarom worden bezien of de voordelen voor de consument opwegen tegen de extra kosten, risico’s en uitvoeringscomplexiteit.
Ik bezie dit samen met de Minister van Financiën, financiële instellingen en toezichthouders. De uitkomsten hiervan betrek ik bij de verdere uitwerking van de doorstroomhypotheek. Uw Kamer wordt hierover, conform de motie-Steen c.s., uiterlijk in het voorjaar van 2027 geïnformeerd.
Welke concrete stappen heeft u gezet en gaat u nog zetten ter uitvoering van de op 2 juni 2026 aangenomen motie-Steen c.s.2 om een doorstroomhypotheek mogelijk te maken? Welke belemmeringen staan introductie nog in de weg en binnen welke termijn verwacht u een daadwerkelijk beschikbaar product voor senioren?
De motie-Steen c.s. verzoekt de regering om, in overleg met financiële instellingen en toezichthouders, de introductie van een doorstroomhypotheek mogelijk te maken, de benodigde aanpassingen in regelgeving en toezicht uit te werken en uw Kamer hierover binnen een jaar te informeren, inclusief een implementatieplan.
De uitvoering van de motie bouwt voort op de gesprekken die in het kader van het convenant Ouderen en Toekomstbestendig Wonen al met kredietaanbieders, adviseurs en ouderen- en consumentenorganisaties zijn gevoerd. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, wordt in de praktijk voor bestaande klanten gebruikgemaakt van een combinatie van een beperkte reguliere hypotheek met een overbruggingsfinanciering. Tevens biedt een beperkt aantal kredietaanbieders bestaande klanten een losse overbruggingshypotheek aan. Deze mogelijkheden bieden voor een groot deel van de senioren een oplossing, maar niet voor de gehele doelgroep.
De komende periode breng ik nader in kaart in welke situaties het bestaande hypotheekaanbod onvoldoende aansluit bij de financieringsbehoefte van senioren en welke toegevoegde waarde een doorstroomhypotheek daarin kan hebben. Aandachtspunten daarbij zijn dat een losse overbruggingshypotheek vanwege de korte looptijd relatief kostbaar is en zich niet altijd goed laat inpassen in de bestaande systemen en keteninfrastructuur. Daarnaast moet duidelijk worden of de groep waarvoor een afzonderlijk product meerwaarde heeft, voldoende groot is. Tevens speelt daarbij de vraag of kredietaanbieders bereid zijn dit product aan te bieden. Daarnaast worden de kenmerken en randvoorwaarden nader uitgewerkt, waaronder de looptijd, de wijze waarop de overwaarde en het onderpand kunnen worden betrokken bij de beoordeling, de betaalbaarheid en de aflossing.
Ik ga hierover samen met de Minister van Financiën verder in gesprek met de toezichthouders, financiële instellingen, adviseurs, de Nationale Hypotheek Garantie en betrek de uitwerking bij het Platform Hypotheken in het najaar van 2026.
Zoals verzocht ontvangt uw Kamer uiterlijk in het voorjaar van 2027 een implementatieplan. Daarin ga ik nader in op de uitkomsten van de gesprekken, het vervolg en het bijbehorende tijdpad.
U heeft eerder erkend dat verdere beperkingen van aflossingsvrije hypotheken gevolgen kunnen hebben voor maandlasten en doorstroming en aangegeven hierover met DNB in gesprek te zijn3. Wat hebben deze gesprekken concreet opgeleverd en welke maatregelen neemt u om onnodige belemmeringen voor senioren met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value te voorkomen?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) houden hier onafhankelijk toezicht op. Op 16 januari jl. heeft DNB gecommuniceerd over nadere aandacht in het prudentiële toezicht voor aflossingsvrije hypotheken. DNB geeft aan dat, ten opzichte van volledig aflossende hypotheken, (gedeeltelijk) aflossingsvrije hypotheken extra risico’s voor financiële instellingen hebben en het daarom essentieel is dat financiële instellingen deze risico’s adequaat beheersen. DNB noemt daarbij een aantal elementen, die tezamen naar verwachting leiden tot een afname van het volume aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland. De AFM heeft op 16 januari jl. aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat hun klanten, voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft aan hypotheekverstrekkers duidelijk gemaakt dat het belangrijk is dat zij hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat bestaande klanten door eventuele maatregelen om prudentiële risico’s te beheersen niet onevenredig worden getroffen.
Wij onderschrijven het belang van adequate risicobeheersing en het is goed dat er vanuit aandacht is voor de risico’s voor banken die uitgaan van (aflossingsvrije) hypotheekverstrekking. Dit is ook in het belang van consumenten. Tegelijkertijd verwachten wij van de prudentiële toezichthouders dat zij rekening houden met de bredere effecten van toezichtsmaatregelen. Verschillende banken hebben na de DNB-publicatie aanscherpingen in hun beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken aangekondigd. Deze aanscherpingen kunnen gevolgen hebben, onder meer wanneer consumenten hun hypotheeksituatie willen wijzigen, bijvoorbeeld bij funderingsherstel, isolatiemaatregelen of bij verhuizing. Ook verwachten de ECB en DNB dat banken bij het verstrekken van hypotheken vanuit prudentieel oogpunt mede rekening houden met pensioeninkomen op het moment dat de looptijd van de hypotheek de pensioenleeftijd overschrijdt, en met de levensverwachting van de consument. Deze verwachtingen kunnen van invloed zijn op de hypotheekverstrekking. De Minister van Financiën heeft in gesprekken met de toezichthouders aandacht gevraagd voor deze bredere effecten van hun toezichtmaatregelen.
Op 13 mei jl. heeft DNB een aanvullend bericht gepubliceerd waarin wordt verduidelijkt hoe banken vanuit prudentieel perspectief rekening dienen te houden met het pensioeninkomen en de levensverwachting van kredietnemers. Dit bericht specificeert onder andere dat banken bij het beoordelen van het (toekomstig) inkomen in de pensioenperiode, indien de contractuele looptijd van de hypothecaire financiering de wettelijke pensioenleeftijd van de kredietnemer(s) overschrijdt, relevante factoren zoals inflatie mogen meewegen. Onze indruk is dat dit de banken meer duidelijkheid biedt bij de toepassing van het prudentiële kader en eraan kan bijdragen dat een deel van de mogelijke negatieve gevolgen voor doorstroming worden weggenomen.
Voor wat betreft belemmeringen in de doorstroming in brede zin verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
U heeft eerder aangegeven dat aflossingsvrije hypotheken vaak gepaard gaan met aanzienlijke overwaarde en dat slechts circa 7% een loan-to-value boven 75% heeft. Deelt u daarom de opvatting dat generieke beperkingen onvoldoende recht kunnen doen aan individuele risico’s? Welke ruimte ziet u voor meer maatwerk bij huishoudens met substantiële overwaarde en een lage loan-to-value om zo doorstroming te stimuleren?
Het prudentiële toezicht van de ECB en DNB is gericht op de naleving door banken van de verplichting om de risico’s die verbonden zijn aan de bancaire dienstverlening adequaat te beheersen. Het gaat hierbij om (het beheersen van) de risico’s die individuele financiële instellingen lopen door hun hypotheekverstrekking. Er is geen sprake van generieke beperkingen die aan alle onder toezicht staande instellingen zijn opgelegd. Het is aan de instellingen zelf om te beoordelen op welke wijze zij de aan hypotheekverstrekking verbonden risico’s beheersen. De ECB en DNB beoordelen in de uitoefening van hun toezicht of dit op adequate wijze gebeurt. Het is dus ook aan banken om te bezien wanneer zij maatwerk toepassen. Het wettelijk kader voor hypotheekverstrekking, specifiek de leennormen, biedt hier ook ruimte voor.
U heeft eerder aangegeven met banken en de AFM in gesprek te zijn over de gevolgen van de aangescherpte regels rond aflossingsvrije hypotheken. Welke concrete stappen zijn sindsdien gezet en bent u bereid met banken en de AFM tot aanvullende afspraken te komen over actieve informatievoorziening en tijdig handelingsperspectief voor huishoudens die hierdoor geraakt kunnen worden?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek actief blijven benaderen en, waar nodig, stimuleren om tijdig inzicht te krijgen in hun financiële situatie en passende maatregelen te treffen. Aanbieders en adviseurs zien dit belang zelf ook. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders daarbij het klantbelang centraal stellen en blijven hierover met aanbieders in gesprek. Zoals ook hierboven genoemd, heeft de AFM aan banken duidelijk gemaakt dat het belangrijk is dat zij hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen niet onevenredig worden getroffen. Hier heeft de AFM ook publiekelijk aandacht voor gevraagd. In het licht van al het voornoemde zien wij nu geen aanleiding om tot aanvullende afspraken te komen.
De gevolgen van de dagvaarding van Tata Steel voor de maatwerkafspraken |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de dagvaarding van Tata Steel door het Openbaar Ministerie in het licht van de door u in het plenaire debat genoemde mogelijkheid dat een uitkomst van een onderzoek van een bevoegde autoriteit een grond kan vormen voor opzegging van de «Joint Letter of Intent» (JLoI), indien die naar redelijk oordeel van de Staat ernstige zorgen doet ontstaan over de maatwerkafspraak?
Betekent deze dagvaarding voor u aanleiding om opnieuw te beoordelen of voortzetting van de JLoI nog verenigbaar is met de belangen van de Staat, de omwonenden en de kwaliteit van de uiteindelijke maatwerkafspraken? Waarom wel of waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt u aan deze ontwikkeling voor de onderhandelingen over de definitieve, bindende maatwerkafspraken met Tata Steel?
Kunt u uiteenzetten welke «borging van de risico’s» inmiddels is uitgewerkt, en op welke wijze daarin rekening wordt gehouden met een strafzaak, mogelijke aansprakelijkheid en de gezondheidsschade voor omwonenden?
Het verminderen van gezondheidsrisico's is en blijft één van de hoofddoelstellingen van de beoogde maatwerkafspraak. In artikel 2.11 van de Joint Letter of Intent is overeengekomen dat partijen zullen bespreken welke omstandigheden en risico's kunnen worden opgenomen in de maatwerkafspraak voor de uitvoering van de projecten. De uitwerking hiervan loopt. Hier kan niet op vooruit worden gelopen. Voor wat betreft de impact van de strafrechtelijke vervolging op de maatwerkafspraak, zie het antwoord op vraag 1 t/m 3.
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer een uitkomst van een onderzoek of strafzaak zó ernstig is dat opzegging van de JLoI of heronderhandeling van de maatwerkafspraken aan de orde is?
Bent u bereid de Kamer vóór verdere stappen in het maatwerktraject te informeren over de juridische en inhoudelijke consequenties van deze dagvaarding voor de onderhandelingspositie van de Staat?
Bent u bereid om niet tot afronding van de maatwerkafspraak over te gaan zolang de strafzaak tegen Tata Steel nog loopt?
De levensbedreigende gezondheidstoestand van de Palestijnse arts dr. Hussam Abu Safiya in Israëlische detentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat dr. Hussam Abu Safiya, directeur van het Kamal Adwan-ziekenhuis te Gaza, na achttien maanden Israëlische detentie in kritieke, levensbedreigende toestand verkeert, en volgens zijn advocaat vrijwel onherkenbaar, ernstig verzwakt en zichtbaar gewond is?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat dr. Abu Safiya sinds zijn arrestatie op 27 december 2024 zonder aanklacht of proces wordt vastgehouden, op grond van de Israëlische wet op Unlawful Combatants, de detentie voor onbepaalde tijd zonder juridische toetsing mogelijk maakt?
De situatie van dr. Abu Safiya past binnen het beeld en de zorgen die het kabinet heeft ten aanzien van de toepassing van arbitraire detentie. Het kabinet acht het gebruik van administratieve detentie door Israël, alsook de duur en schaal hiervan, zorgwekkend en onderstreept in gesprekken met de Israëlische autoriteiten het belang van een eerlijke rechtsgang. Op basis van het humanitair oorlogsrecht is detentie om dwingende veiligheidsredenen, zonder dat dit samenhangt met een strafrechtelijk proces, geoorloofd als een uitzonderlijke maatregel. Een dergelijke detentie dient conform internationaalrechtelijke waarborgen en zonder willekeur te worden uitgevoerd. Ook gelden er internationale waarborgen die stellen dat de reden voor arrestatie gecommuniceerd moet worden. Dit draagt Nederland actief uit richting Israël.
Bent u op de hoogte van de bevindingen van de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie dat de gevangenhouding van dr. Abu Safiya in strijd is met internationale mensenrechtenverdragen zoals het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, alsmede hun oproep hem onmiddellijk vrij te laten? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?2
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het langdurig vasthouden van een persoon zonder aanklacht, zonder regulier strafproces en op grond van geheim bewijs dat niet door de verdediging kan worden betwist, fundamenteel in strijd is met het recht op vrijheid en een eerlijk proces? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de oproep van VN-experts en Amnesty International dat dr. Abu Safiya onmiddellijk moet worden vrijgelaten? Zo nee, welke concrete feiten rechtvaardigen volgens u zijn voortdurende detentie zonder aanklacht of proces?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de verklaring van zijn advocaat Nasser Odeh dat dr. Abu Safiya nauwelijks herkenbaar is als gevolg van ernstige verwondingen en ernstig gewichtsverlies, dat hij zich nu sinds een maand in eenzame opsluiting bevindt en dat hij tegen zijn advocaat heeft verklaard dat hij naar de Rakefet ondergrondse gevangenis is overgebracht om te worden vermoord?
Dit zijn zorgelijke berichten en beelden. Het kabinet onderstreept dat het menslievend behandelen van gevangenen een van de basisregels van het humanitair oorlogsrecht is, en dat daarnaast ook op basis van de mensenrechten, onder andere op basis van artikel 7 IVBPR, niemand mag worden onderworpen aan folteringen, of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
Hoe verhoudt de behandeling van dr. Abu Safiya zich tot de verplichtingen van Israël onder de Vierde Conventie van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd en het absolute verbod op foltering?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de arrestatie van medisch personeel tijdens de uitoefening van hun taken een ernstige schending vormt van het internationaal humanitair recht? Zo nee, waarom niet?
Volgens het humanitair oorlogsrecht moet geneeskundig personeel onder alle omstandigheden worden ontzien en beschermd, tenzij deze buiten hun humanitaire taak voor de vijand schadelijke handelingen verricht.
Heeft de Nederlandse regering sinds de arrestatie van dr. Abu Safiya op 27 december 2024 bij de Israëlische autoriteiten geïnformeerd naar zijn verblijfplaats, gezondheidstoestand, detentieomstandigheden en juridische status? Zo ja, wanneer, op welk niveau en met welk resultaat? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet brengt zorgen op het gebied arbitraire detentie, de detentieomstandigheden zelf, en het gebrek aan toegang tot gevangenen, met regelmaat op bij de Israëlische autoriteiten. De Nederlandse Mensenrechtenambassadeur heeft o.a. deze zorgen bij Israël opgebracht tijdens zijn bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november. Daarnaast heeft de Europese Unie Israël recentelijk aangesproken op de zaak van dr. Abu Safiya. Middels een lokale verklaring met gelijkgestemde landen heeft Nederland eveneens aandacht voor zijn casus gevraagd en Israël opgeroepen alle gedetineerden te behandelen in lijn met diens verplichtingen onder het internationaal recht.
Bent u bereid de Israëlische ambassadeur met spoed te ontbieden en te eisen dat dr. Abu Safiya onmiddellijk toegang krijgt tot onafhankelijke artsen, zijn advocaten, zijn familie en het Internationale Comité van het Rode Kruis?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid van Israël te verlangen dat een onafhankelijk medisch onderzoek plaatsvindt, waarvan de bevindingen aan zijn familie en juridische vertegenwoordigers worden verstrekt, en dat hij onmiddellijk wordt overgebracht naar een geschikte medische instelling wanneer zijn gezondheidstoestand dat vereist?
Het kabinet verlangt dat eenieder de juiste medische hulp ontvangt, zie ook het antwoord op vragen 6 en 7. In de lokale verklaring met gelijkgestemden roept Nederland Israël ook op alle gedetineerden te behandelen in lijn met diens verplichtingen onder het internationaal recht.
Bent u bereid om bij de Israëlische regering, bilateraal dan wel in EU-verband, aan te dringen op de onmiddellijke vrijlating van dr. Abu Safiya, op toegang tot adequate medische zorg en juridische bijstand voor alle Palestijnse gedetineerden, en op onafhankelijk onderzoek naar de omstandigheden van zijn detentie?
Zie het antwoord op vraag 9.
Deelt u de zorg dat de arrestatie en behandeling van dr. Abu Safiya onderdeel vormen van een breder patroon van aanvallen op de Palestijnse gezondheidszorg en de detentie van Palestijnse artsen en andere zorgverleners? Hoe beoordeelt u in dit verband de berichtgeving dat minstens veertien artsen uit Gaza al langer dan een jaar zonder aanklacht door Israël worden vastgehouden?
Het kabinet ziet inderdaad dat er herhaaldelijk sprake is van beperking van handelen van medisch en humanitair personeel, in Gaza en wereldwijd. Het kabinet maakt zich hier ernstig zorgen over. Zie ook de antwoorden op vragen 2 t/m 8.
Bent u bereid bij Israël een volledige lijst op te vragen van alle uit Gaza gevangengenomen Palestijnse zorgverleners, met vermelding van hun verblijfplaats, juridische status, gezondheidstoestand, toegang tot advocaten en medische zorg en eventuele tegen hen ingediende aanklachten?
Het monitoren en documenteren van behandeling en detentieomstandigheden van gedetineerden valt binnen het mandaat van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC). Nederland zet zich daarom consequent in voor de toegang van het ICRC tot Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten.
Welke consequenties verbindt u eraan wanneer Israël geloofwaardige beschuldigingen van foltering en mishandeling niet onafhankelijk laat onderzoeken en de verantwoordelijken niet vervolgt? Bent u bereid in dat geval te pleiten voor gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische functionarissen en leidinggevenden binnen het gevangeniswezen?
Zoals u stelt is het aan het land zelf onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het internationaal recht. Het kabinet constateert eveneens dat Israël tekort schiet in het doen van onderzoek hiernaar. Dit onderstreept het belang van de lopende onderzoeken en processen via bestaande internationale organisaties en onderzoeksmechanismen naar de situatie in Israël en de Palestijnse Gebieden, waaronder het onderzoek van het Internationaal Strafhof en het werk van de Commission of Inquiry. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Deelt u de opvatting dat Nederland geen militaire, veiligheids- of andere samenwerking mag onderhouden met Israëlische diensten of instellingen die betrokken zijn bij willekeurige detentie, foltering of andere ernstige mensenrechtenschendingen? Bent u bereid de bestaande samenwerking hierop met spoed door te lichten?
Bilaterale samenwerking die Nederland aangaat met Israëlische partijen vindt plaats binnen het kader van het (inter)nationaal recht. Het kabinet beoordeelt de samenwerking op verschillende terreinen ook binnen dit kader.
Bent u bekend met het antwoord van uw voorganger Van Weel dat het kabinet zich al geruime tijd zorgen over de situatie rondom de detentie van Palestijnen in Israëlische detentiefaciliteiten en dat het kabinet de zorgen deelt die door het VN-Comité tegen foltering zijn gepresenteerd in hun concluding observations on the sixth periodic report of Israel van 22 december 20253. Welke stappen heeft het kabinet nadien richting Israël ondernomen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Nederland heeft samen met Canada Syrië voor het Internationaal Gerechtshof gedaagd wegens schending van het VN-Verdrag tegen Foltering. Welke juridische of feitelijke reden bestaat er om ernstige en structurele meldingen van foltering van Palestijnse gevangenen door Israël niet met een vergelijkbare mate van urgentie, consequentie en bereidheid tot internationale aansprakelijkstelling te behandelen? Welke uitvoering hebben jullie aan de aangenomen motie Teunissen over «ondeonderzoeken welke juridische stappen Nederland kan zetten opdat Israël het Verdrag tegen foltering van de Verenigde Naties naleeft»?4
Zoals uw Kamer onder meer is medegedeeld in het verslag van de Europese Raad van 18 december 2025, kan geen van de verdragspartijen stappen zetten die leiden tot een bindende uitspraak van een internationaal hof of tribunaal over de naleving door Israël van het Antifolteringverdrag. Het verschil tussen Syrië en Israël is in dit geval dat Israël een voorbehoud heeft gemaakt bij de geschillenbeslechtingsclausule van artikel 30 van het Antifolterverdrag. Als gevolg daarvan bestaat geen mogelijkheid tot bindende geschillenbeslechting met Israël over de naleving van dit verdrag.
Dit neemt niet weg dat het kabinet bij Israël consequent wijst op naleving van het internationaal recht, waaronder het Antifolteringverdrag.
Welke mogelijkheden ziet u om onafhankelijk internationaal onderzoek naar de arrestatie, detentie en behandeling van dr. Abu Safiya te ondersteunen, onder meer door VN-mechanismen, het Internationaal Strafhof en Palestijnse en Israëlische mensenrechtenorganisaties?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human rights Inquires Branch, ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast in 2026 het landenkantoor van het OHCHR in de Palestijnse Gebieden met iets meer dan EUR 2 miljoen. De afgelopen paar jaren heeft Nederland een extra vrijwillige bijdrage aan het Internationaal Strafhof gedaan van in totaal EUR 6 miljoen, voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Hof. In verband met de onafhankelijkheid van het Strafhof is het niet mogelijk vrijwillige bijdragen te oormerken voor specifieke onderzoeken. Ten slotte steunt Nederland verschillende Israëlische en Palestijnse organisaties die bijdragen aan het verzamelen van feiten ten aanzien van vermeende schendingen van het internationaal recht.
Bent u bereid Israël te verzoeken al het bewijsmateriaal veilig te stellen dat betrekking heeft op de detentie en behandeling van dr. Abu Safiya, waaronder medische dossiers, camerabeelden, registraties van overplaatsingen en namen van betrokken functionarissen en bewakers?
Het kabinet roept Israël consequent op onderzoek te doen naar vermeende schendingen van het internationaal recht. Het veiligstellen van bewijsmateriaal is relevant voor het doen van onderzoek. Zie ook het antwoord op vraag 19.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Vragen en antwoorden met eenzelfde strekking zijn gecombineerd.
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP) heeft recent twee rapporten opgeleverd rondom mantelzorg. Dit gaat om het rapport «Op zoek naar verbinding»2 en «Mantelzorg in beweging»3. Ik ben bekend met beide rapporten. Ook ben ik bekend met het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving»4 waarnaar wordt verwezen in het FD-artikel dat is opgenomen als voetnoot bij de vraag.
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Ik deel het beeld dat door vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer mantelzorg verleend zal worden. Deze vorm van zorgverlening komt ook terecht bij werkenden. Volgens het SCP-rapport «Mantelzorg in beweging» is het aantal mensen dat werk en mantelzorg combineert gestegen van 73% in 2014 naar 80% in 2024. Het aantal mensen dat mantelzorg geeft, is toegenomen van 33% tot 39%. In totaal gaven in 2024 5,5 miljoen mensen mantelzorg. Volgens het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» is naar schatting 18 procent van het totale ziekteverzuim gerelateerd aan mantelzorg. Wanneer een grotere groep werkenden in de toekomst mantelzorg zou verlenen, zal de kans op ziekteverzuim ook toenemen.
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Er zijn geen cijfers bekend over hoeveel werknemers de afgelopen vijf jaar zijn uitgevallen of minder zijn gaan werken vanwege (intensieve) mantelzorg, omdat mantelzorg niet wordt geregistreerd. Het CBS geeft aan dat in 2023 807.000 werknemers van 15 tot 75 jaar te maken hadden met een langdurige zorgsituatie. Bijna driekwart heeft hierbij zelf zorg verleend. Ruim vier op de tien werknemers (243.000) die gezorgd hebben voor een langdurig zieke, hebben daarvoor aanpassingen gedaan in hun werk. 42.000 werknemers zijn minder uren gaan werken en 14.000 zijn tijdelijk gestopt met werken. Voor kortdurende zorgsituaties is niet bekend hoeveel werknemers minder uren zijn gaan werken of tijdelijk zijn gestopt met werken.5
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
De afgelopen jaren zijn met onder andere de Mantelzorgagenda 2023–2026 stappen gezet om de positie van mantelzorgers te erkennen en versterken. Voor werkende mantelzorgers is door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via een subsidie de Stichting Werk en Mantelzorg gefaciliteerd bij het ontwikkelen en uitvoeren van een ondersteuningsprogramma. De Stichting Werk en Mantelzorg ondersteunt werkgevers en stimuleert hen bij het maken van mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid. Ook is met de Stichting van de Arbeid een inspiratiedocument voor werkgevers en werknemers over de combinatie werk en mantelzorg ontwikkeld. Via deze maatregelen wordt gewerkt aan het voorkomen van verzuim vanwege mantelzorg.
Daarnaast geeft de Wet flexibel werken werknemers de mogelijkheid bij de werkgever een verzoek in te dienen voor aanpassing van de arbeidsduur, werktijden en arbeidsplaats (bijvoorbeeld thuiswerken). Hoewel dit niet voor alle (intensieve) mantelzorgers voldoende ruimte zal bieden, kan deze flexibiliteit in de inrichting van werk wel bijdragen aan het kunnen combineren van arbeid en mantelzorg. Ook werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel daarvan is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Momenteel werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel van dit wetsvoorstel is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Met het samenvoegen van beide regelingen komt er één zorgverlofregeling van acht weken, waarvan twee weken gedeeltelijk (70 procent) betaald. Het samenvoegen zorgt voor een aantal wijzigingen in kenmerken en voorwaarden ten opzichte van hoe het zorgverlof op dit moment in de Wet arbeid en zorg is geregeld. Zo worden de gedeeltelijk betaalde weken zorgverlof voor een breder aantal situaties inzetbaar. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het verlof zowel voor de noodzakelijke verzorging van een naaste die ziek of hulpbehoevend is, als voor de verzorging van een naaste die levensbedreigend ziek is, kan worden ingezet. Dit kan ook relevant zijn voor mensen die mantelzorg verlenen. Het wetsvoorstel was tot 10 augustus jl. in internetconsultatie. Het streven is om het wetsvoorstel voor het einde van het jaar naar uw Kamer te sturen.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aangegeven dat de bestaande verlofregelingen onvoldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties. Aanbevolen wordt een verlof te introduceren gedurende acht keer de overeengekomen arbeidsduur per week onder loondoorbetaling door een publiek gefinancierde uitkering van 70 procent van het dagloon, gemaximeerd en met het minimumloon als bodem, belegd bij een externe partij. In het najaar kom ik samen met mijn collega’s van VWS, OCW en FIN met een reactie op het SER-advies, waar ook in zal worden gegaan op deze aanbeveling.
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Ik herken het beeld dat niet alle werkgevers voldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen. Ik zie dit als een aandachtspunt waar kansen liggen om de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers te verbeteren. Zoals eerder aangegeven is in de Mantelzorgagenda 2023–2026 een ondersteuningsprogramma voor werkgevers en een programma voor leidinggevenden opgenomen, gericht op het faciliteren van de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers. Een divers scala aan werkgevers en branches worden hiermee bereikt.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aanbevolen om het gesprek over mantelzorg aan de cao-tafel te bevorderen en mantelzorgvriendelijk beleid in cao’s en bedrijven te promoten. Dit kan ook belangrijk zijn om bewustwording en concrete afspraken op de werkvloer te stimuleren. In het najaar zal in de reactie op het SER-advies ook ingegaan worden op deze aanbeveling en op de wijze waarop werkgevers nog meer geïnformeerd en ondersteund kunnen worden ten aanzien van het faciliteren van werk en mantelzorg.
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Ik ben bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd. In het SER-advies »Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt regeldruk ook benoemd en geconstateerd dat die de belasting op mantelzorgers verhoogt en mantelzorgers kan belemmeren om toegang te krijgen tot voorzieningen die hen ontlasten. Zij geven daarbij verschillende concrete aanbevelingen, zoals het beperken van herindicaties in de Wmo en Wlz en het stroomlijnen van de toegang tot respijtzorg. In de kabinetsreactie op het SER-advies zullen we uw Kamer daarover verder informeren.
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
Zoals eerder aangegeven komt het kabinet dit najaar met een reactie op het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» en een breed plan voor de ondersteuning van mantelzorgers, conform de motie Struijs c.s.6. Hierin zullen ook de inzichten uit de SCP-rapporten worden meegenomen.
Taxifraude met handremmethode |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amsterdamse taxibranche luidt noodklok om fraude: chauffeurs hanteren »handremmethode» om exorbitante prijs te kunnen rekenen»?
Ja.
Klopt het dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor toezicht en handhaving op de opstapmarkt van het consumententaxivervoer, terwijl de bestelmarkt grotendeels onder het landelijke toezicht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) valt? Zo ja, acht u deze verdeling van verantwoordelijkheden nog passend, mede in het licht van effectiviteit van toezicht en handhaving?
Alle taxichauffeurs en -ondernemers in Nederland moeten voldoen aan de wet- en regelgeving in de Wet Personenvervoer 2000 (Wp2000), hier ziet de ILT op toe. Deze verplichtingen gelden ongeacht de markt die wordt bediend. Omdat de kwaliteit van het taxivervoer op de opstapmarkt achterbleef, hebben gemeenten in 2011 de bevoegdheid gekregen om, in aanvulling op de landelijke wet- en regelgeving die voor álle taxichauffeurs en -ondernemers geldt, extra kwaliteitseisen te stellen aan chauffeurs op de opstapmarkt in hun gemeente. In 2023 is de taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 geëvalueerd, hierover is uw Kamer eerder geïnformeerd.1 Uit het evaluatieonderzoek blijkt niet dat de bevoegdheden van de ILT en van de gemeenten niet meer passend zouden zijn.
Hoeveel meldingen van taxigerelateerde fraude zijn de afgelopen vijf jaar ontvangen door de ILT? Kunt u daarbij een uitsplitsing geven naar jaar en, voor zover mogelijk, naar het opstapmarkt- en bestelmarktsegment?
De ILT maakt geen onderscheid tussen de opstap- en de bestelmarkt in de wijze van toezicht. Ook in de meldingen wordt hierin geen onderscheid gemaakt. De ILT heeft in de afgelopen vijf jaar 140 meldingen ontvangen over fraude met taxi-gerelateerde zaken. Deze zien onder andere op hoge ritprijzen, de taxameter, fraude met ondernemers- of chauffeurskaarten, en op snorders.
Hoe wordt momenteel toezicht gehouden op de bestelmarkt? Welke instrumenten en bevoegdheden heeft de ILT daarbij tot haar beschikking en gaat daar voldoende afschrikkende werking vanuit?
De ILT houdt toezicht op de opstap- én de bestelmarkt en heeft hiervoor bestuurs- en strafrechtelijke bevoegdheden. Deze bevoegdheden zijn erop gericht een goede controle uit te kunnen voeren, overtredingen te stoppen, en te bestraffen. De ILT houdt toezicht via digitale-, bedrijfs- en objectinspecties. In welke deelmarkt vervoer wordt aangeboden heeft invloed op de te controleren punten uit de wet- en regelgeving: de opstapmarkt heeft enkele aanvullende eisen zoals het kunnen aanbieden van een ritbewijs, aanwezigheid en gebruik van de taxameter, en het kenbaar maken van de tarieven in de taxameter. De afschrikwekkende werking wordt behalve door de bevoegdheid ook bepaald door de (gepercipieerde) pakkans.
Zijn er aanwijzingen dat de huidige verdeling van toezicht tussen gemeenten en de ILT in de resp. marktsegmenten leidt tot lacunes in toezicht, handhaving of informatie-uitwisseling? Deelt u de opvatting dat fraudeurs geen misbruik mogen kunnen maken van verschillen in toezicht tussen beide marktsegmenten?
Uit het evaluatieonderzoek dat in 2024 aan de Kamer is aangeboden blijkt niet dat de bevoegdheden van de ILT en van de gemeenten leiden tot gebreken in het toezicht.2 De ILT en de gemeenten houden toezicht op verschillende onderdelen van de taxisector. Waar mogelijk, afhankelijk van capaciteit en beschikbaarheid, werken de partijen samen, ook met andere handhavende partijen zoals politie en de Koninklijke Marechaussee.
Deelt u de opvatting dat consumenten erop moeten kunnen vertrouwen dat de ritprijs eerlijk tot stand komt en dat taxiondernemers die zich aan de regels houden niet mogen worden weggeconcurreerd door collega's die dat niet doen?
Ja, die opvatting deel ik. Wanneer reizigers een taxi bestellen weten zij voorafgaand aan de rit wat deze gaat kosten. Op de opstapmarkt weet een reiziger dit niet van tevoren en zijn chauffeurs verplicht een taxameter te gebruiken en gelden er maximumtarieven. Het is chauffeurs ook toegestaan vooraf een vaste ritprijs overeen te komen met een reiziger.
Herkent u dat de aanbevelingen uit het evaluatierapport dat in januari 2024 met de Tweede Kamer is gedeeld, nog niet zijn opgepakt?
Uw Kamer is op 24 maart jongstleden geïnformeerd over de aanpassingen van het taxibeleid die mede naar aanleiding van het evaluatierapport samen met de betrokken partijen worden verkend.3 Ik ben voornemens dit najaar een onderzoek te starten naar het rekenen van zogenoemde woekerprijzen op de opstapmarkt en ik verken een aantal aanpassingen van de wet- en regelgeving waardoor er effectiever toezicht kan worden gehouden op de sector.
Het evaluatierapport wijst ook op de veranderende structuur van de taximarkt door het toenemende gebruik van taxiplatforms. Ook in andere sectoren groeit het gebruik van platforms en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werkt daarom aan de implementatie van de Europese richtlijn platformwerk. Ik wil aankomend jaar verkennen of het nuttig is om in aanvulling daarop taxiplatforms via de Wp2000 een rol te geven in het zorgen voor kwalitatief goed taxivervoer.
Klopt het dat op 30 september 2025 een groot aantal gemeenten een brief hebben gestuurd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, waarin zij hun zorgen uiten over de huidige Wet Personenvervoer 2000 en hebben verzocht om een wetswijziging?
Ja, dat klopt. Mijn voorganger heeft op 9 januari jl. gereageerd op de brief van de gemeenten en in zijn reactie toegelicht welke aanpassingen van het taxibeleid worden verkend. Zie de beantwoording van vraag 7.
Klopt het dat zij aangeven dat er de facto nog maar één straattaximarkt is? En dat de meeste chauffeurs zowel rijden via een standplaats (als onderdeel van de opstapmarkt) als via een app of centrale (de «match» voor de bestelmarkt), bijvoorbeeld door de lichtbak achter in de kofferbak te leggen?
Ja, dat klopt.
Is het wettelijke onderscheid tussen opstap- en bestelvervoer nog van deze tijd?
Uit het evaluatieonderzoek blijkt niet dat de bevoegdheid die gemeenten hebben om extra kwaliteitseisen te stellen aan chauffeurs op specifiek de opstapmarkt in hun gemeente niet meer relevant is. Wel constateert het rapport dat de structuur van de taximarkt is veranderd door het toenemende gebruik van taxiplatforms. Ik wil daarom verkennen op het nuttig is om, in aanvulling op de implementatie van de richtlijn platformwerk, taxiplatforms via de Wp2000 een rol te geven in het zorgen voor kwalitatief goed taxivervoer. Zie verder de beantwoording van de vragen 2 en 7.
In hoeverre is dat verschil zichtbaar en voor toezichthouders van ILT, gemeenten en politie mede door deze wisseltruc werkbaar?
Wanneer taxichauffeurs opereren op de opstapmarkt en taxivervoer aanbieden op straat, bijvoorbeeld vanaf een standplaats, moeten zij voldoen aan aanvullende landelijke en eventueel gemeentelijke eisen. Zie de beantwoording van vraag 4. Op het moment dat chauffeurs de bestelmarkt bedienen en een vooraf bestelde rit uitvoeren, gelden deze aanvullende eisen niet. Voor toezichthouders is het dus noodzakelijk eerst vast te stellen op welke markt een chauffeur opereert voordat kan worden bepaald of de regels juist worden nageleefd. Dit gebeurt op basis van de ritregistratie en de informatie die toezichthouders krijgen van chauffeurs en reizigers. Het evaluatierapport constateert dat het voor gemeentelijke toezichthouders niet altijd makkelijk is om te verifiëren op welke markt een chauffeur opereert.
Herkent u dat het onderscheid tot een grijs gebied leidt waarin chauffeurs zich kunnen onttrekken aan toezicht en kwaliteitseisen? Met misstanden als ritweigering, opstoppingen, omrijden, prijsmanipulatie via apps, afwezigheid van bonnen of klachtenprocedures, niet op de meter rijden tot gevolg?
Uit de evaluatie blijkt niet dat dit op grote schaal voorkomt. Alle taxichauffeurs en -ondernemers moeten zoals gezegd voldoen aan de wet- en regelgeving in de Wp2000; aan het toezicht daarop door de ILT kunnen zij zich niet onttrekken. Op eventuele extra kwaliteitseisen die gemeenten stellen aan chauffeurs op de opstapmarkt zien gemeentelijke boa’s toe.
Niet alle genoemde «misstanden» zijn overigens strafbaar volgens de landelijke wet- en regelgeving. De Wp2000 kent geen vervoerplicht. Het staat chauffeurs vrij een aangeboden rit al dan niet te accepteren. Ritweigering op discriminatiegronden is natuurlijk wel verboden. Er is daarnaast geen verplichting om «op de meter te rijden» wanneer chauffeur en reiziger voorafgaand aan de rit een ritprijs zijn overeengekomen. Ook het bijdragen aan verkeersopstoppingen of omrijden zijn niet strafbaar. Gemeenten kunnen deze dingen wel verbieden middels een plaatselijke verordening voor chauffeurs op de opstapmarkt.
Herkent u dit als bevestiging dat de bestaande regelgeving niet langer goed aansluit bij de praktijk van de hedendaagse taximarkt?
Het evaluatieonderzoek concludeert dat de taxiwet- en regelgeving over het algemeen naar behoren werkt. Zie verder de beantwoording van vraag 7 voor de aanpassingen van het taxibeleid die worden verkend mede naar aanleiding van het evaluatierapport.
Wat is uw inhoudelijke reactie op de aanbevelingen van deze gemeenten?
Zie de beantwoording van de vragen 7 en 8.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn, zodat de pakkans wordt vergroot, fraudeurs sneller worden opgespoord en een gelijk speelveld voor taxiondernemers op zowel de opstapmarkt als de bestelmarkt wordt gewaarborgd? Bijvoorbeeld een wetswijziging?
De taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 is zoals gezegd recent geëvalueerd. Over de resultaten van die evaluatie en welke aanpassingen van het taxibeleid nu worden verkend, is uw Kamer geïnformeerd.4, 5
Bent u daarnaast bereid te bezien of de huidige verdeling van toezichtstaken tussen gemeenten en de ILT nog aansluit bij de huidige taximarkt en, indien dat niet het geval is, met voorstellen te komen om toezicht en handhaving effectiever te organiseren?
Zie de beantwoording van de vragen 5, 12, en 15.
Zou het laten vervallen van het onderscheid tussen opstap- en besteld vervoer, zodat voor dezelfde dienst dezelfde wettelijke uitgangspunten gelden een goede maatregel zijn?
Zoals gezegd geldt voor alle taxichauffeurs en -ondernemers al dezelfde landelijke wet- en regelgeving. Dat gemeenten in aanvulling daarop extra kwaliteitseisen kunnen stellen aan chauffeurs op de opstapmarkt acht ik nog altijd relevant.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Openbaar vervoer en taxi van dinsdag 13 oktober 2026?
Ja.
De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Het VN-rapport inzake mogelijke genocide en doelbewust geweld tegen Palestijnse kinderen in Gaza |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het recente rapport van de onafhankelijke VN-onderzoekscommissie, waarin wordt geconcludeerd dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale handelingen in Gaza en dat Palestijnse kinderen doelbewust zijn gedood en verwond door militair geweld?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van de VN-commissie dat sprake is van een patroon waarbij Palestijnse kinderen worden gedood, verwond en beroofd van hun toekomst door aanvallen op kinderen, scholen, weeshuizen en medische voorzieningen?
Het rapport geeft een hartverscheurend beeld van de situatie van kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden. Het kabinet vindt de bevindingen van de VN-onderzoekscommissie zorgwekkend en neemt de daarin genoemde incidenten en patronen – waaronder meldingen van gerichte verwondingen en dodelijke schoten bij kinderen – zeer serieus. Het kabinet beschikt zelf niet over informatie die nodig zou zijn om met zekerheid vast te stellen dat sprake is van stelselmatig, doelbewust beleid van Israël om Palestijnse kinderen in de bezette Palestijnse Gebieden aan te vallen. Wel voedt onafhankelijk onderzoek, zoals dit onderzoek door de Commission of Inquiry (CoI), de afwegingen van het kabinet voor het bepalen van de Nederlandse inzet.
Herkent het kabinet zich in de conclusie van de VN-onderzoekscommissie dat Israëlische strijdkrachten Palestijnse kinderen in Gaza doelbewust doden en verwonden, wat onder meer blijkt uit terugkerende gevallen van enkelvoudige schotwonden aan hoofd of borst? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke juridische gevolgen verbindt het kabinet aan deze bevindingen, in het bijzonder in het licht van de Nederlandse verplichting om genocide te voorkomen en het internationaal humanitair recht te doen eerbiedigen?
Het kabinet is zich bewust van de inspanningsverplichtingen van Nederland als derde staat op basis van het Genocideverdrag en het humanitair oorlogsrecht, en neemt deze verplichtingen serieus. De reikwijdte van deze verplichtingen hangt af van de mogelijkheden om invloed uit te oefenen. Het kabinet weegt continu af op welke wijze het beste invloed kan worden uitgeoefend.
Welke consequenties verbindt het kabinet aan de ernstige bevindingen van de VN-commissie voor de Nederlandse relatie met de Israëlische regering?
Zie beantwoording vraag 4. Het kabinet hanteert een combinatie van druk en dialoog om Israël van gedrag te laten veranderen en om naleving van internationaal recht te bevorderen.
Welke stappen zet Nederland om te voorkomen dat Nederlandse goederen, technologie, dual-usegoederen, militaire onderdelen of doorvoer via Nederland bijdragen aan mogelijke oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid of genocidale handelingen?
Het kabinet toetst alle individuele vergunningaanvragen voor de uit- en doorvoer van militaire en dual-use goederen per geval zorgvuldig aan de relevante Europese exportcontrolekaders. Daar waar duidelijke risico’s bestaan dat militaire goederen of dual-use goederen worden gebruikt voor ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht wordt een vergunningaanvraag afgewezen.
In de praktijk betekent dit dat het kabinet alleen vergunningen toewijst voor de uitvoer van militaire goederen die enkel defensief kunnen worden ingezet, zoals onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweerysteem, en voor uitvoer van goederen ten behoeve van productie of onderhoud waarbij het eindgebruik niet in Israël ligt. Dat geldt eveneens voor de genoemde vergunningen.
Is het kabinet bereid in EU-verband te pleiten voor aanvullende maatregelen, waaronder gerichte sancties tegen verantwoordelijke Israëlische bewindspersonen en militairen en herziening van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich, in lijn met relevante moties en toezeggingen aan de Kamer, inzetten voor het realiseren van draagvlak voor de door de Europese Commissie voorgestelde EU-maatregelen, waaronder voor het voorstel om het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord gedeeltelijk op te schorten. Momenteel ontbreekt het draagvlak onder EU-lidstaten hiervoor. Daarnaast blijft Nederland een voortrekkersrol spelen in het sanctioneren van gewelddadige kolonisten en hun organisaties, alsook tegen Hamas en Palestinian Islamic Jihad (PIJ), en steunt het kabinet sancties tegen de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich.
Welke inzet pleegt Nederland binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties om onafhankelijke onderzoeken naar oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en mogelijke genocide in Gaza te ondersteunen?
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen en schendingen van internationaal recht vast te kunnen stellen. Onder andere middels Nederlandse financiering aan het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR), in het bijzonder de Human Rights Inquiries Branch (HRIB), ontvangen onafhankelijke onderzoeksmechanismen van de VN zoals de Commission of Inquiry ondersteuning bij de uitvoering van hun onderzoek. Nederland steunt daarnaast ook in 2026 het landenkantoor van de OHCHR in de Palestijnse Gebieden, middels iets meer dan EUR 2,1 miljoen. In VN-verband roept Nederland op tot onafhankelijk onderzoek naar eventuele schendingen van internationaal recht, zoals meerdere malen gedaan tijdens open debatten over het Midden-Oosten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Dit gebeurt tevens in Europees verband, zoals tijdens de Raad Buitenlandse Zaken. Nederland blijft zich inzetten voor de bevordering van accountability en het tegengaan van straffeloosheid.
Op welke wijze garandeert Nederland het onafhankelijk en onbelemmerd functioneren van het Internationaal Strafhof, het Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen om verantwoordelijken voor ernstige internationale misdrijven ter verantwoording te roepen?
Nederland is tegen iedere vorm van bedreiging en intimidatie van het Internationaal Strafhof, Internationaal Gerechtshof en andere bevoegde rechtsorganen, hun ambtsdragers en hun personeel en als zodanig door hen aangewezen getuigen. Het is van belang dat de organen hun mandaat onafhankelijk en onbelemmerd kunnen uitvoeren. Er moet wereldwijd gedegen en onafhankelijk onderzoek worden gedaan als er sprake is van mogelijke ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Nederland zet zich daar voor in en roept de partijen consequent op tot naleving van het internationaal recht. Nederland onderhoudt als gastland doorlopend contact met het Internationaal Strafhof en het Internationaal Gerechtshof, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen.
Wat gaat het kabinet doen met de aanbevelingen van deze VN-commissie?
Het rapport van de VN-commissie bevat enkele duidelijke aanbevelingen, waartoe Nederland ook al langere tijd oproept en die het uitvoert. Dit heeft onder andere betrekking op de herhaalde oproep van het kabinet tot het verlenen van vrije toegang aan humanitaire actoren, accountability, en de Nederlandse inzet voor sancties in EU-verband ten aanzien van extremistische kolonisten en de extremistische Israëlische Ministers Ben-Gvir en Smotrich. Tegelijkertijd mag de terreurorganisatie Hamas op geen enkele manier een rol spelen in het bestuur van de Palestijnse Gebieden. Het kabinet zet zich in voor een tweestatenoplossing: een onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israël. Nederland zal deze inzet blijven voortzetten en hiertoe blijven oproepen in bilateraal en multilateraal verband.