Het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (VVD), Vincent Karremans (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de regels rondom het inwisselen van buitenlandse rijbewijzen in Nederland?
Klopt het dat personen die gebruikmaken van de 30%-regeling, zoals kennismigranten, hun buitenlandse rijbewijs uit elk land kunnen omwisselen voor een Nederlands rijbewijs zonder opnieuw examens hoeven af te leggen?
Klopt het dat statushouders daarentegen, bijvoorbeeld afkomstig uit Syrië, hun rijbewijs niet kunnen omwisselen en daardoor opnieuw examens moeten afleggen, kosten moeten maken en daardoor vertraagd worden?
Hoe verklaart u het verschil in behandeling tussen kennismigranten die onder de 30%-regeling vallen en statushouders bij het omwisselen van rijbewijzen?
In hoeverre is dit verschil tussen de behandeling bij bijvoorbeeld een Syrische arbeidsmigrant en een Syrische statushouder gebaseerd op verkeersveiligheid of objectieve kwaliteitseisen, en in hoeverre op andere factoren zoals verblijfsgrond en economische positie?
Tot hoeverre acht u het wenselijk dat de afweging of iemand zijn rijbewijs kan omwisselen of niet, gebaseerd is op verblijfsgrond en economische positie?
Deelt u de opvatting dat het onderscheid tussen groepen migranten op basis van regeling (zoals de 30%-regeling) moeilijk uitlegbaar is wanneer het niet direct samenhangt met verkeersveiligheid?
Bent u bereid te onderzoeken of de regels voor het omwisselen van rijbewijzen eenduidiger en rechtvaardiger kunnen, bijvoorbeeld door één lijn te trekken voor verschillende groepen migranten op basis van objectieve verkeerskwaliteiteisen?
Bent u bekend met de motie van het lid Lahlah over het wegnemen van drempels voor asielzoekers met een W-document om een rijbewijs aan te vragen1 en uw appreciatie waarin u deze motie ontraadt?2
Klopt het dat asielzoekers met een W-document wel theorie- en praktijkexamens kunnen afleggen bij het CBR, maar vervolgens geen Nederlands rijbewijs kunnen aanvragen?
Klopt het dat er op dit moment tussen en binnen gemeentes verschillen zijn in de mogelijkheden voor asielzoekers om een rijbewijs te kunnen aanvragen na afgelegde theorie- en praktijkexamens?
Kunt u nader toelichten hoe het woonlandbeginsel uit de Europese rijbewijsrichtlijn wordt geïnterpreteerd in relatie tot asielzoekers met een W-document?
In hoeverre biedt dit woonlandbeginsel ruimte voor nationale interpretatie, en benut Nederland deze ruimte maximaal?
Hoe gaan andere EU-lidstaten om met asielzoekers die een rijbewijs willen aanvragen voordat zij een definitieve verblijfsstatus hebben? Zijn er voorbeelden van landen waarbij asielzoekers wel een rijbewijs kunnen aanvragen?
Deelt u de opvatting dat het toestaan van examens zonder de mogelijkheid om een rijbewijs te verkrijgen kan leiden tot inefficiëntie, kosten en frustratie bij betrokkenen?
Deelt u de opvatting dat, indien dit juridisch mogelijk is, wie zijn rijexamens heeft gehaald ook een rijbewijs moet kunnen krijgen?
In uw appreciatie van de eerder genoemde motie van het lid Lahlah geeft u aan dat er wordt gewerkt aan een implementatie van de vierde rijbewijsrichtlijn vanuit Brussel; zal deze implementatie ruimte kunnen bieden voor de wetgever om iets te doen aan onze invulling van «gewone verblijfplaats» en het woonlandbeginsel?
Welke mogelijkheden ziet u om, binnen de bestaande Europese kaders, deze belemmeringen te verminderen of weg te nemen?
In hoeverre bent u bereid zich in te spannen om bestaande belemmeringen weg te nemen voor asielzoekers, met name wanneer deze niet direct voortvloeien uit verkeersveiligheidseisen maar uit administratieve of verblijfsrechtelijke voorwaarden? Op welke manier bent u van plan om die inspanning invulling te geven en met welk tijdspad?
Het bericht ‘Minister laat Gazanen met geldig visum nog altijd niet naar Nederland komen’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland, in tegenstelling tot andere Europese landen, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om Gazanen met een Nederlands studievisum via een internationaal konvooi Gaza te laten verlaten?1
Deelt u de opvatting dat er weinig aanleiding kan zijn om personen van wie door de IND is vastgesteld dat zij recht hebben op tijdelijk studiegerelateerd verblijf in Nederland, geen mogelijkheid te bieden Gaza te verlaten?
Bent u, mede gelet op recente uitspraken van de Raad van State en de rechtbank over uw inspanningsverplichting richting Gazaanse MVV-houders, bereid zich ervoor in te spannen dat Nederlandse visumhouders kunnen deelnemen aan een volgend konvooi, zodat zij in Jordanië hun visumsticker kunnen ophalen?
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk en uiterlijk binnen een week beantwoorden?
Het geschrapte ‘rampscenario’ van het IPCC |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zijn meest extreme rampscenario (4 tot 6 graden opwarming in 2100) heeft geschrapt?1
Heeft u kennisgenomen van de analyse dat meer dan 80 procent van de mediaberichtgeving gebaseerd zou zijn op dit inmiddels achterhaalde scenario?2
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 1 en 2?
Bent u van mening dat de afgelopen jaren een vertekend en te alarmistisch beeld van de klimaatontwikkelingen is geschetst? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is het huidige Nederlandse klimaatbeleid gebaseerd op aannames en modellen van het IPCC, die inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Acht u het verantwoord om door te gaan met beleid dat een zeer grote economische en maatschappelijke impact heeft, terwijl de onder dat beleid liggende en van het IPCC afkomstige aannames en modellen inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Zo ja, waarom wel? Zo nee, welke wijzigingen bent u bereid door te voeren?
Bent u bereid een volledige herijking uit te voeren van het Nederlandse klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Bent u bereid om, in het licht van deze ontwikkelingen, maatregelen te nemen om de lasten voor burgers te verlagen, bijvoorbeeld door het klimaatbeleid (deels) te schrappen of zelfs terug te draaien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe gaat u voorkomen dat beleid in de toekomst wordt gebaseerd op extreme en onrealistische scenario’s?
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat alle klimaatrechtszaken van de afgelopen jaren zouden verwijzen naar het inmiddels geschrapte rampscenario van het IPCC?3
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10?
Erkent u dat, als de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10 klopt, dit verstrekkende gevolgen heeft voor de juridische grondslagen op basis waarvan rechters de Nederlandse staat en Nederlandse bedrijven hebben veroordeeld tot vergaand en kostbaar klimaatbeleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de vonnissen in klimaatrechtszaken direct of indirect steunen op het rampscenario van het IPCC, dat inmiddels door datzelfde IPCC is geschrapt? Bent u bereid de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In de klimaatrechtszaak inzake Bonaire (ECLI:NL:RBDHA:2026:1344) gaat de rechter onder punt 4.21 uit van een zeespiegelstijging van 27 cm in 2050 en 85 cm in 2100, gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte «rampscenario» SSP5-8.5; hoe beoordeelt u het feit dat deze rechterlijke uitspraak met verstrekkende gevolgen mede gebaseerd is op scenario’s van het IPCC die inmiddels door datzelfde IPCC zijn geschrapt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid om in het hoger beroep tegen de uitspraak inzake Bonaire expliciet mee te nemen dat de rechtbank zich mede heeft gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte SSP5-8.5-scenario, en dat de onderbouwing van de uitspraak daarmee wezenlijk is gewijzigd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De spreidingswet |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Hoe vaak is, sinds de inwerkingtreding van de spreidingswet, een gemeente door u daadwerkelijk gedwongen (door middel van een aanwijzingsbesluit en dus tegen de zin van de gemeente in) asielzoekers op te vangen? Welke gemeenten betrof dit en om hoeveel asielzoekers ging het?
Volgens de Spreidingswet hebben alle Nederlandse gemeenten een wettelijke taak om asielopvangplekken mogelijk te maken. Het toezicht op deze taak is belegd bij de Minister van Asiel en Migratie. Op 9 april hebben alle gemeenten in dat kader een toezichtbrief ontvangen, waarin wordt aangegeven of zij voldoen of nog niet voldoen, en dus naar de volgende trede gaan. Gemeenten die niet voldeden, ontvingen een informatieverzoek. Daarnaast heeft het ministerie informatie opgevraagd bij het COA.
Op 26 mei heeft het ministerie alle 209 gemeenten die op basis van de beschikbare informatie niet voldoen aan hun wettelijke taak een uitnodiging gestuurd voor een ambtelijk gesprek. Tijdens een ambtelijk gesprek wordt de gemeente gevraagd toe te lichten wat de huidige realisatie in hun gemeente is en op welke termijn zij verwacht alsnog te voldoen. Inmiddels hebben de eerste gesprekken plaatsgevonden. Indien nodig gaan deze gemeenten door naar trede 3, waarbij zij worden uitgenodigd voor een bestuurlijk gesprek. Daarmee komt een gemeente onder actief toezicht te staan.
Momenteel bevindt geen enkele gemeente zich in de laatste stap, waarbij indeplaatsstelling plaatsvindt. De inzet is om er altijd samen met gemeenten uit te komen.
Welke gemeenten hebben zelf, uit eigen beweging, sinds de inwerkingtreding van de spreidingswet, deels of geheel voldaan aan het verdeelbesluit dat voor de desbetreffende gemeente is vastgesteld?
Op dit moment voldoen 119 gemeenten aan de opgave uit het verdeelbesluit. Ik ga niet in op de individuele casuïstiek van gemeenten.
Kan de Tweede Kamer een lijst krijgen met de aantallen asielzoekers die gemeenten vrijwillig hebben opgevangen, als gevolg van verdeelbesluiten, of gedwongen na een aanwijzingsbesluit, besluiten die dus zijn genomen op basis van en sinds de inwerkingtreding de spreidingswet?
Zoals toegelicht onder vraag 1, bevindt geen enkele gemeente zich in de laatste stap van het interbestuurlijk toezicht, waarbij indeplaatsstelling plaatsvindt. De meeste asielopvangplekken die tot nu toe zijn gerealiseerd, zijn door gemeenten zelf aangeboden. In de provincies die geen sluitende provinciale opgave hebben aangeleverd in de provinciale verslagen eind 2024, is in de verdeelbesluiten de restopgave verdeeld over de gemeenten die geen of onvoldoende plekken hebben aangeleverd. Ik verwijs u hierbij naar de verdeelbesluiten van 20 december 2024.
Gesprekken die op EU-niveau worden gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Euractiv-artikel waarin vermeld staat dat er voor de zomer gesprekken gevoerd zullen worden tussen EU-ambtenaren en een Talibandelegatie met als doel om Afghanen mogelijk terug te sturen?1
Bent u door de Europese Commissie of andere betrokken landen op de hoogte gesteld van deze gesprekken?
Zullen er ook Nederlandse ambtenaren deelnemen aan deze gesprekken? Op welke manier is Nederland betrokken bij deze gesprekken?
Kunt u de Kamer informeren over wat er besproken zal worden met de Talibandelegatie?
Klopt het dat de gesprekken als doel hebben om mensen met de Afghaanse nationaliteit waaronder asielzoekers in Europa terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, over welke doelgroep gaat het?
Ziet u Afghanistan als een veilig en vrij land, specifiek voor bijvoorbeeld vrouwen en meisjes en mensen die in het verleden kritiek hebben geuit op de Taliban?
Als er Afghaanse asielzoekers terug zouden worden gestuurd naar Afghanistan, kunt u dan zeker weten dat zij daar geen gevaar zullen lopen zoals verplicht onder het non-refoulement principe? Zo ja, hoe?
Is het terugsturen van Afghaanse vrouwen en meisjes naar een land waar zij zeer onderdrukt leven niet überhaupt onethisch?
Ziet u de Taliban als een normale gesprekspartner?
Bent u van mening dat een dergelijke bijeenkomst een stap zet in de richting van het erkennen van het Talibanregime? Acht u dat wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen voor het eerstvolgende commissiedebat op 27 mei a.s. over de JBZ-Raad beantwoorden?
Het NRC-artikel ‘Website voor extreme ‘drogeerporno’ draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Website voor extreme «drogeerporno» draait op servers in Nederland. Ook Nederlandse mannen delen er beelden van seks met bewusteloze vrouwen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze normloze grensoverschrijdende video’s walgelijk zijn en dat alles in het werk moet worden gesteld om vrouwen en meisjes te beschermen en daders op te sporen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Ja, die mening deel ik. De online netwerken waarin seksueel misbruik wordt gefaciliteerd, aangemoedigd en verspreid zijn misselijkmakend. Het is volstrekt onacceptabel dat mensen elkaar zouden aanmoedigen om anderen, soms zelfs hun eigen partner, te drogeren en te misbruiken, en daar vervolgens beeldmateriaal van te maken en te verspreiden. Het kabinet tolereert dergelijk gedrag in Nederland niet. De politie en het Openbaar Ministerie (OM) doen onderzoek naar de website. Ik kan daar niet op vooruitlopen.
De aanpak van (online) seksueel misbruik heeft hoge prioriteit binnen de politie. De politie beschikt over gespecialiseerde zedenrechercheurs die zijn opgeleid om dergelijke signalen te herkennen en op een sensitieve manier in gesprek te gaan met slachtoffers van seksueel misbruik. Zij helpen bij het in kaart te brengen wat het slachtoffer is overkomen, geven een beeld van de strafbaarheid van de feiten en brengen de verwachtingen, vragen en behoeften van het slachtoffer in kaart. Deze zedenrechercheurs staan in nauw contact met organisaties als Veilig Thuis, Slachtofferhulp Nederland, Centrum Seksueel Geweld en Offlimits en zullen slachtoffers verwijzen indien bijvoorbeeld behoefte is aan herstelvoorzieningen.
De strafrechtelijke aanpak van online criminaliteit is complex door snelle technologische ontwikkelingen en het vaak grensoverschrijdende karakter van deze zaken. Omdat online criminaliteit niet ophoudt bij de landsgrenzen zit aan deze zaken vaak een internationale component. Deze complexe en tijdrovende onderzoeken vergen veel capaciteit van zowel politie als OM, terwijl die capaciteit schaars is. Politie en OM spannen zich ten uiterste in om deze vormen van criminaliteit aan te pakken.
Een concreet voorbeeld van een opsporingsonderzoek werd bekend op 4 juni jl. Nadat informatie was binnengekomen van overheidsdiensten uit Duitsland en Engeland is een onderzoek gestart door het Team Seksuele Misdrijven en de Dienst Regionale Recherche van de eenheid Rotterdam. Uit informatie bleek dat mogelijk meerdere vrouwen in Nederland gedrogeerd waren door iemand uit hun directe omgeving. Vervolgens zijn er seksuele handelingen bij de slachtoffers verricht, terwijl zij werden gefilmd. Het gaat hier niet om de website Motherless, maar om besloten social media-groepen waar de verdachten zich in begaven, informatie werd gedeeld en tips werden gegeven over hoe je slachtoffers het beste kan drogeren. Ook werden er beelden van het misbruik uitgewisseld. Rechercheurs van de eenheid Rotterdam konden acht verdachten identificeren. Op woensdag 27 en donderdag 28 mei heeft de politie op meerdere plaatsen in Nederland woningen doorzocht en vier verdachten aangehouden. De rechercheurs van Team Seksuele Misdrijven uit verschillende eenheden doen nu verder onderzoek naar de verdachten binnen hun eenheid.
Mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers. De impact van seksueel misbruik op slachtoffers en hun omgeving is enorm en kan langdurig doorwerken.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit dit artikel, zeker gelet op de rol van Nederlandse bedrijven die de verantwoordelijkheid van zich afschuiven in deze zaak?
Elke website heeft een plek nodig om die website te laten draaien: een server. Servers wordt verhuurd door hostingproviders. Het artikel beschrijft dat de website waarop het illegale materiaal is aangetroffen, «Motherless», wordt gehost door een Nederlandse hostingprovider.
Nederland beschikt over een van de sterkste digitale infrastructuren ter wereld, mede dankzij het internetknooppunt AMS-IX, snelle verbindingen en een groot aantal datacenters. Daardoor heeft de Nederlandse hostingsector internationaal een sterke positie opgebouwd. De voordelen hiervan zijn groot voor legale digitale dienstverlening en economische activiteiten. Het hosten van de website in Nederland betekent overigens niet automatisch dat de personen die het materiaal bekijken of verspreiden zich in Nederland bevinden. Gebruikers en verspreiders kunnen zich overal ter wereld bevinden.
De keerzijde van onze sterke digitale infrastructuur, is dat deze helaas ook kan worden misbruikt voor criminele doeleinden, waaronder de verspreiding van illegale content, zoals materiaal van seksueel misbruik. Om deze reden heeft Nederland de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in een stevige infrastructuur voor meldingen, ondersteuning en bestrijding van online seksueel misbruik. Zo spelen organisaties als Offlimits en de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) een belangrijke rol bij het melden, laten verwijderen en tegengaan van illegaal online materiaal en het ondersteunen van slachtoffers.
Het kabinet acht het van groot belang om malafide hostingpraktijken en kwaadwillende klanten van hostingaanbieders effectief aan te pakken. Omdat digitale infrastructuur en online criminaliteit grensoverschrijdend zijn, is samenwerking op Europees en internationaal niveau daarbij essentieel. Mijn ministerie zet zich hier actief voor in. In het kader van de aanpak van zogenoemde «bad hosting» worden gesprekken gevoerd om de urgentie van een gezamenlijke Europese aanpak verder te vergroten. Daarnaast is in het recente non-paper over het Europese Tech Sovereignty Package aandacht gevraagd om misbruik van digitale infrastructuurdiensten tegen te gaan.
Bovendien werken de politie, het OM en verschillende publieke en private partners al jaren samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede helft van 2025 is de aanpak tegen bad hosting ook een speerpunt geworden van het European Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten brede bestrijding van schadelijke hosting.
Ten aanzien van de Digital Service Act (DSA) werkt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) vanuit haar rol als digitaledienstencoördinator (DSC) waar nodig samen met de Europese Commissie en de DSCs in andere lidstaten. Gezamenlijk vormen zij de Europese Raad voor digitale diensten. Verder zet de ACM als DSC zich in voor nationale samenwerking over toezichtsterreinen heen. Onder haar voorzitterschap is het Samenwerkingsplatform Digitale Toezichthouders (SDT) opgericht, waaraan twaalf organisaties deelnemen, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), het Openbaar Ministerie en de politie. Binnen het SDT is een DSA Kamer ingericht met als doel kennis en ervaring over toezicht en handhaving ten aanzien van online tussenhandelsdiensten te bundelen en uit te wisselen. Dit draagt bij aan versterking van verschillende vormen van handhaving, zoals bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving. Wanneer tussenhandeldiensten niet goed meewerken met autoriteiten die illegale inhoud bestrijden of onvoldoende bereikbaar zijn, overtreden zij daar mogelijk de DSA mee. De DSA bepaalt echter niet welke inhoud illegaal is. De ACM kan dan ook geen verwijdering van illegale inhoud vorderen. Bevoegde autoriteiten, zoals het Openbaar Ministerie en de ATKM, kunnen dat wel. De DSA draagt indirect wel bij aan het tegengaan van illegale inhoud. Diverse verplichtingen die gelden voor tussenhandeldiensten maken het voor autoriteiten, betrouwbare flaggers (zoals Offlimits), en personen namelijk makkelijker om illegale inhoud te melden en tegen te gaan.
Deelt u de beoordeling dat het vervaardigen, verspreiden en bekijken van dergelijk beeldmateriaal kan vallen onder meerdere strafbare feiten, waaronder verkrachting, aanranding en het vervaardigen en verspreiden van strafbaar pornografisch materiaal? Zo ja, wat betekent dat voor alle betrokken bij NForce, motherless.com, vervaardigers, verspreiders en gebruikers?
Ik deel de beoordeling. Afhankelijk van de specifieke gedragingen en de context waarin deze zijn begaan, en of sprake is van een meerderjarig of minderjarig persoon waarvan het materiaal is gemaakt, kan sprake zijn van verschillende strafbare feiten, waaronder aanranding (240, 241, 245, 247, 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)), verkrachting (242, 243, 246, 248 en 250 Sr), misbruik van seksueel beeldmateriaal (254ba Sr) en seksueel kindermisbruik (252 Sr).
Zoals bij vraag 2 geantwoord, doen de politie en het OM onderzoek naar de website. Ik kan daar niet op vooruitlopen. Zie het antwoord bij vraag 8 over mogelijkheden tot aanpak in algemene zin.
Deelt u de opvatting dat het vervaardigen van deze beelden de lichamelijke en geestelijke integriteit van vrouwen en meisjes ernstig aantast? Zo ja, welke hulp is er voor deze vrouwen beschikbaar en hoe beschermd u hen in het vervolg? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die opvatting. Mocht iemand vermoeden slachtoffer te zijn van een soortgelijke situatie, dan kan diegene zich melden bij de politie. De politie zal dan in gesprek met het slachtoffer beoordelen wat zij voor het slachtoffer kan betekenen.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun, praktische hulp en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Centrum Seksueel Geweld, Fier, Offlimits en Fonds Slachtofferhulp vormen samen een consortium tegen online seksueel geweld. Dit consortium is opgericht in 2021 en heeft als doel online seksueel geweld te adresseren, te bestrijden en slachtoffers sneller en beter te kunnen helpen. Zo kunnen slachtoffers van (online) seksueel geweld bij het CSG terecht voor forensische, medische en psychische hulp. Fier is een ggz- en jeugdhulpinstelling en landelijk expert op het gebied van (seksueel) geweld, uitbuiting en eerkwesties. Offlimits biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik. Offlimits kan bijvoorbeeld helpen met het laten verwijderen van online illegaal materiaal.
De hulplijn van Offlimits heeft weinig meldingen ontvangen die specifiek betrekking hebben op deze netwerken. Offlimits merkt daarbij op dat het mogelijk is dat slachtoffers zich er niet altijd van bewust zijn dat zij slachtoffer zijn geworden, bijvoorbeeld wanneer zij buiten bewustzijn waren doordat zij waren gedrogeerd op het moment dat opnames werden gemaakt.
Bij het meldpunt van Offlimits – specifiek voor beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik – bestond een aanzienlijk deel van de meldingen over Motherless uit beeldmateriaal dat wordt gemeld, maar juridisch gezien niet direct als illegaal wordt gekwalificeerd, omdat het niet gaat om beeldmateriaal van seksueel kindermisbuik maar om seksueel beeldmateriaal van volwassenen, dat alleen illegaal is indien het zonder toestemming is gemaakt en verspreid.
Op grond van artikel 44 lid 4 van de Wet op rechtsbijstand heeft een slachtoffer van een ernstig seksueel misdrijf, zoals verkrachting, recht op kosteloze rechtsbijstand door een slachtofferadvocaat, indien het slachtoffer in aanmerking komt voor een tegemoetkoming van het Schadefonds geweldsmisdrijven en er een verdachte is.
In hoeverre is het bij u bekend dat Nederlandse mensen en/of bedrijven betrokken zouden zijn bij het uploaden dan wel verspreiden van dit beeldmateriaal, en wat betekent dit voor de opsporingsprioriteit?
De politie geeft aan bekend te zijn met het fenomeen van online «verkrachtingsacademies». De politie geeft daarbij aan meldingen te hebben ontvangen over beeldmateriaal waarbij het vermoeden is dat het slachtoffer is gedrogeerd en seksueel misbruikt. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 2 heeft de politie op woensdag 27 en donderdag 28 mei op meerdere plaatsen in Nederland woningen doorzocht en vier verdachten aangehouden. Op dit moment is nog niet duidelijk hoeveel slachtoffers er zijn. Daarvoor is aanvullend onderzoek nodig. Het OM voert het gezag over het strafrechtelijk onderzoek en maakt daarbij een afweging over de inzet van capaciteit en de prioriteit die aan het onderzoek wordt gegeven.
De politie benadrukt dat als mensen vermoeden dat zij slachtoffer zijn van dergelijke zaken, zij zich kunnen melden bij de politie. De politie zal in gesprek gaan met deze (vermoedelijke) slachtoffers om te kijken wat zij in de betreffende situatie het beste kunnen doen en betekenen voor het slachtoffer.
Ook internationaal (o.a. in Europol-verband en bilateraal) werkt de politie samen voor het uitwisselen van ervaring, kennis en expertise op dit gebied, en wordt gezamenlijk opgetrokken in strafrechtelijk onderzoeken.
Deelt u de mening dat Nederland er wereldwijd slecht op staat als het gaat om de verspreiding van pornografisch materiaal? Zo ja, welke doelstelling heeft u om dit te veranderen?
Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3, betekent het enkele feit dat bepaalde websites met kinderpornografisch materiaal in Nederland worden gehost, niet dat Nederland ook relatief veel vervaardigers of verspreiders van dergelijk materiaal kent. Hostinglocatie en daderschap zijn twee verschillende zaken; vervaardigers en uploaders kunnen zich wereldwijd bevinden.
Ik ben trots op de aanpak die in Nederland is ingericht om online seksueel misbruik en de verspreiding van illegaal materiaal tegen te gaan. Er staat een brede en goed functionerende keten, waarin onder meer Offlimits, de ATKM, de ACM, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de politie en het OM nauw samenwerken, samen met de hostingsector in publiek-private samenwerking. Deze keten zorgt ervoor dat meldingen worden opgepakt, materiaal waar mogelijk snel wordt verwijderd en strafrechtelijk wordt opgetreden waar dat kan.
Tegelijkertijd is het van belang dat de beschikbaarheid van illegaal materiaal, via in Nederland gehoste infrastructuur, wordt tegengegaan. Dat vraagt voortdurende inzet, zie in dat kader onder andere ook het antwoord op vraag 12 met betrekking tot hostingdiensten.
Relevant in dit verband is dat de DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. De DSA zal in november 2027 door de Europese Commissie worden geëvalueerd, wat kan resulteren in een herziening. Dat biedt een belangrijk moment om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten wenselijk en nodig zijn, en of een onderwerp zoals een «know your customer» verplichting voor hostingdiensten, daarin kan worden meegenomen. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat servers in Nederland worden gebruikt voor het hosten van websites waarop strafbaar materiaal wordt verspreid en welke wettelijke instrumenten bestaan er om hostingproviders te verplichten deze content te verwijderen of servers offline te halen?
Op grond van de DSA gelden diverse zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten. Deze verplichtingen beogen onder meer de verspreiding van illegale content tegen te gaan. Hostingdiensten en online platforms dienen meldingen van illegale content adequaat te behandelen en hierover tijdig een beslissing te nemen. Indien sprake is van systematische niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van het toezicht op de naleving van de DSA geldt dat de Europese Commissie de bevoegde toezichthouder is voor zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de ACM aangewezen als bevoegde nationale toezichthouder.
Wanneer iemand aangifte of melding doet van strafbare online content, dan kunnen het Openbaar Ministerie en politie een verzoek tot vrijwillige verwijdering doen, omdat dit het snelst resultaat biedt. De politie kan dit verzoek alleen doen als bekend is wie de aanbieder is van de content en waar die aanbieder is gevestigd. Als dit niet het gewenste effect heeft, kan de Officier van Justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken. Een wettelijk verwijderbevel kan nodig zijn als de aanbieder niet bereid is om op basis van een vrijwillig verwijderverzoek de gegevens ontoegankelijk te maken.
Voor zover de genoemde platforms kunnen worden gekwalificeerd als aanbieder van communicatiediensten, en indien beheerders en gebruikers als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek zijn aangemerkt, kunnen opsporingsdiensten onder voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen2. Als de identiteit van betrokkenen kan worden vastgesteld, kan strafrechtelijke vervolging volgen. Daders weten in de praktijk echter goed gebruik te maken van anonimiserings-technieken, waardoor veel rechtshulp nodig is om gegevens op te vragen. Dit bemoeilijkt het onderzoek.
Indien er sprake is van een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, heeft de Officier van Justitie ook de mogelijkheid een doorzoeking te doen en gegevens in beslag nemen.
Welke bevoegdheden heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) en worden die als voldoende beoordeeld?
De ATKM werd in 2023 opgericht en bestrijdt de verspreiding van beeldmateriaal van kindermisbruik door actief onderzoek te doen en online content te beoordelen. Dit doet zij op basis van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, die de bevoegdheid geeft om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken. Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
De AP is aangewezen als de toezichthoudende autoriteit op de toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). De AP is een onafhankelijke toezichthouder die per geval – uit eigen beweging of op verzoek – beoordeelt of wordt voldaan aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). Om dat te kunnen doen, heeft de AP diverse onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving en in het kader daarvan audits uitvoeren en gegevensverwerkingen inzien. Wanneer de AP een overtreding constateert, zoals in het geval van niet-consensuele uitkleedbeelden, kan de AP een boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzetten van gegevensverwerkingen. Het is de AP zelf die bepaalt of zij tot handhaving overgaat en zo ja, in welke vorm dat gebeurt. Belanghebbenden kunnen hier ook om vragen door middel van een handhavingsverzoek, waarin de AP wordt verzocht om van haar bevoegdheden gebruik te maken.
Deelt u de opvatting dat individuele gebruikers die strafbare content plaatsen moeten worden opgespoord en vervolgd?
Ja die opvatting deel ik. Individuele gebruikers die naaktbeelden die zonder toestemming zijn gemaakt of beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik plaatsen zijn strafbaar op grond van respectievelijk de artikelen 254ba en 252 Sr en dienen te worden opgespoord en vervolgd. Wel verdient het hierbij de opmerking dat opsporingscapaciteit bij politie en OM per definitie schaars is en dat soms de afweging gemaakt moet worden wat wel en niet verder onderzocht kan worden.
In hoeverre beschikken politie en Openbaar Ministerie over voldoende capaciteit, technische expertise en juridische mogelijkheden om deze vormen van online seksueel geweld effectief op te sporen en te vervolgen? Kunt u dit cijfermatig onderbouwen?
De Wet seksuele misdrijven, die op 1 juli 2024 in werking is getreden, gaat uit van het uitgangspunt dat online en offline handelingen even strafwaardig zijn. Hierdoor zijn meer vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, ook online, strafbaar gesteld en zijn straffen, onder andere voor seksueel misbruik van kinderen, verhoogd. Met deze verhoging van de strafmaxima wordt de ernst van deze vormen van misbruik benadrukt.
Binnen de politie zijn de teams opsporing seksuele misdrijven belast met de opsporing van seksuele misdrijven, zowel in de offline wereld als online. Op 31 december 2025 was de formatie van de teams opsporing seksuele misdrijven (voorheen zedenteams) 708fte en de bezetting was op dat moment 669 fte.
Een melding of aangifte komt in de meeste gevallen in eerste instantie binnen bij de gebiedsgebonden politie. De interne werkinstructie seksuele delicten3 schrijft voor dat alle meldingen van (online) seksuele misdrijven voor advies dienen worden voorgelegd aan de frontoffices van de teams opsporing seksuele misdrijven. De frontoffice beoordeelt de melding vervolgens, waarbij gekeken wordt naar spoedhandelingen, slachtofferbehoeften en passende interventies. In bepaalde situaties kan de inzet van een gespecialiseerde zedenrechercheur noodzakelijk of wenselijk zijn, terwijl in andere situaties een wijkagent bijvoorbeeld sneller en effectiever kan handelen. Daar waar het een minderjarig slachtoffer betreft, of in gevallen waar er bijvoorbeeld sprake is van dwang of een meer dan gering leeftijdsverschil tussen dader en slachtoffer, ligt de opsporing altijd bij de teams opsporing seksuele misdrijven.
De opsporing van online seksuele misdrijven heeft de volle aandacht van de politie. Door digitalisering, groeiend gebruik van online communicatiemiddelen en technologische ontwikkelingen (waaronder AI en end-to-end-encryptie) heeft de politie te maken met een enorme stijging van het aantal meldingen en is ook de complexiteit van zaken enorm toegenomen. Het aantal online seksuele misdrijven in 2025 met 46% gestegen is ten opzichte van het voorgaande jaar, naar ongeveer 3000 registraties. Ook benadrukt de politie dat online seksuele misdrijven een andere manier van opsporen vragen dan fysieke seksuele misdrijven, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal geen verdachte bekend is en er vaak meerdere slachtoffers gemaakt worden. Omdat bewijsverzameling vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten. Daarnaast kan de inzet van (nieuwe) technologische middelen helpen bij het in kaart brengen van eventuele seriematigheid in de meldingen. Daders die meerdere slachtoffers maken zullen hierdoor eerder in beeld komen en ook nieuwe fenomenen kunnen sneller worden herkent.
Anders dan bij kinderporno zijn de juridische mogelijkheden voor opsporing van verdachten in dit soort zaken zonder dat een (volwassen) slachtoffer zich heeft gemeld of bekend is, zeer beperkt. Op basis van alleen het materiaal zelf is vaak moeilijk vast te stellen of die beelden onrechtmatig tot stand zijn gekomen.
De politie en het OM hebben in het kader van het «Actieplan versterken ketenaanpak zedenzaken» extra geld gekregen om, waar mogelijk, de capaciteit voor de behandeling van zedenzaken binnen de organisatie uit te breiden. Ook wordt gewerkt aan het verkorten van de doorlooptijden en het verbeteren en verder professionaliseren van de aanpak van zedenzaken. Het OM hanteert bij de behandeling van deze dossiers het bestaande wettelijk kader. Op elk arrondissementsparket is een coördinerend officier seksuele misdrijven aangesteld en zijn alle officieren van justitie, die belast zijn met de behandeling van zaken met betrekking tot seksuele misdrijven, gecertificeerd.
De ambitie uit het coalitieakkoord om meer zedenrechercheurs op te leiden, zal in de uitwerking dan ook een bredere invulling krijgen. Er wordt een impuls gegeven aan de aanpak van online seksuele misdrijven om te komen tot een meer multidisciplinaire aanpak, met verschillende specialismen (o.a. digitale en tactische expertise, en op het gebied van zeden), meer datagedreven en intel-gestuurd en met behulp van analysetools. In de beleidsbrief van het Ministerie van JenV over de nadere uitwerking van het coalitieakkoord4 is de Kamer geïnformeerd over de investeringen in de aanpak van onder meer online seksueel misbruik. Bij de presentatie van de JenV-ontwerpbegroting (Prinsjesdag) zal ik de Kamer informeren over hoe de middelen voor de politie precies worden besteed.
Welke rol ziet u voor hostingbedrijven en datacenters bij het voorkomen van misbruik van hun diensten voor de verspreiding van strafbaar materiaal en welke consequenties ervaren zij bij het verspreiden van deze mensonwaardige troep?
Voor zover het hier gaat om online diensten die kwalificeren als hostingdiensten onder de DSA zijn deze in beginsel niet verantwoordelijk voor hetgeen door gebruikers op hun servers wordt geplaatst. Dat zijn in eerste instantie hun gebruikers of klanten zelf. De DSA bevat enerzijds een kader voor (de uitsluiting van) de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten, voor informatie die door hun gebruikers wordt verstrekt en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze aanbieders aan moeten voldoen bij het verlenen van hun diensten. Het aansprakelijkheidskader voor tussenhandeldiensten harmoniseert binnen de Europese Unie de voorwaarden op grond waarvan deze aanbieders niet aansprakelijk zijn voor informatie van derden die zij opslaan of doorgeven. Om een beroep te kunnen doen op de aansprakelijkheidsvrijstelling voor hostingdiensten mag de aanbieder bijvoorbeeld niet daadwerkelijk kennis hebben van illegale inhoud die zijn klanten bij hem opslaan en moet hij, wanneer hij die kennis wel krijgt, prompt handelen om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Indien een hostingdienst hier niet aan voldoet, kan deze zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling.
Indien een strafbaar feit wordt begaan met gebruikmaking van een communicatiedienst, is strafrechtelijke vervolging van de tussenpersoon als zodanig uitgesloten indien hij voldoet aan een bevel tot ontoegankelijkmaking als bedoeld in artikel 125p Sv of een beslissing tot verwijdering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Verordening terroristische online-inhoud of een bevel tot ontoegankelijkmaking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Voldoet een tussenpersoon hier niet aan dan is aansprakelijkheid niet uitgesloten en kan vervolging mogelijk zijn.
In Nederland nemen veel hostingdiensten uit eigen beweging maatregelen om misbruik tegen te gaan op basis van de Gedragscode Abusebestrijding.5 Deze is enkele jaren geleden door de sector zelf opgesteld. Het zogeheten «Know your customer beleid» maakt onderdeel uit van de deze gedragscode. Hostingdiensten kunnen zich vrijwillig aan de code committeren.
De Kamer is eerder geïnformeerd over de aanpak van malafide hostingpartijen.6 Binnen deze aanpak worden verschillende maatregelen tegen aanbieders, die geen of weinig maatregelen nemen tegen het faciliteren van malafide activiteiten in de online omgeving, verkend. Als onderdeel hiervan wordt er onder andere gekeken naar de mogelijkheid om een «Know your customer»-beleid (KYC-beleid) voor de hostingsector wettelijk te verankeren. Met een KYC-beleid kunnen opsporingsdiensten klanten van hostingpartijen sneller identificeren bij sprake van malafide activiteiten. De Kamer wordt hierover later dit jaar nader geïnformeerd.
Hoe wordt voorkomen dat slachtoffers opnieuw worden geschaad, bijvoorbeeld doordat beelden langdurig online blijven staan of telkens opnieuw worden gedeeld?
Er wordt in Nederland ingezet op het zo snel mogelijk verwijderen van online illegale content, zoals materiaal van seksueel kindermisbruik en naaktbeelden zonder toestemming, om hernieuwde schade bij slachtoffers te voorkomen. Daarbij is een duidelijke taakverdeling ingericht tussen Offlimits en de ATKM.
Offlimits doet, vanuit haar rol als trusted flagger, verwijderverzoeken richting aanbieders van hostingdiensten. In Nederland is via de Gedragscode Notice-and-Take-Down met de hostingsector afgesproken dat meldingen van Offlimits in principe binnen 24 uur worden behandeld. In de praktijk werken vrijwel alle hostingpartijen hier goed aan mee en wordt illegaal materiaal snel offline gehaald. Hoewel die 24-uursnorm met name bij kleinere partijen niet altijd volledig wordt gehaald, is de respons over het algemeen adequaat en wordt illegaal materiaal doorgaans snel verwijderd. Wanneer een hostingpartij structureel niet of onvoldoende reageert, kan de ATKM, in het geval van materiaal van seksueel kindermisbruik, bestuursrechtelijk optreden tegen deze partijen en een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen.
Sinds 7 april 2025 kan de ATKM formele verwijderbevelen uitvaardigen. Op grond van artikel 6, vierde lid, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet in zo’n bevel een concrete termijn worden opgenomen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt maximaal twaalf uur. Dit maakt het mogelijk om in hardnekkige gevallen snel en bindend in te grijpen.
Daarnaast geldt op grond van artikel 15 van de DSA dat aanbieders van online diensten jaarlijks transparantierapporten moeten publiceren over hun contentmoderatie. Daarin wordt onder meer inzicht gegeven in de mediane reactietijd op bevelen van autoriteiten en meldingen van trusted flaggers, waardoor de effectiviteit van de aanpak ook op systeemniveau inzichtelijk wordt gemaakt.
Bent u bereid aanvullende maatregelen te verkennen, zoals verscherpt toezicht op hosting van risicovolle content, snellere blokkadebevoegdheden of zwaardere sancties voor nalatige dienstverleners?
Zie hiertoe mijn antwoorden op vragen 7 en 12.
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat over mensenhandel en prostitutie op 20 mei 2026 informeren over eventuele vervolgstappen die u naar aanleiding van deze signalen overweegt?
Dit is helaas niet gelukt.
Visa voor Russische staatsburgers |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IND vernedert Buitenlandse Zaken» in de NRC, d.d. 29 april 2026?1
Ja.
Klopt het dat Nederland in 2025 aan duizenden Russische zeelieden visa heeft verstrekt? Hoeveel daarvan zijn werkzaam op de Russische schaduwvloot? Hoeveel daarvan zijn werkzaam op schepen die Russische ruwe grondstoffen vervoeren, zoals het schip Sergey Bodrov, dat met de export van nikkel een belangrijke bijdrage levert aan de Russische oorlogskas?
Nederland weigert op grond van de Europese sanctiepakketten de toegang tot havens en sluizen aan Russisch gevlagde schepen, aan EU-gesanctioneerde schepen en aan schepen die gelieerd zijn aan gesanctioneerde personen of entiteiten. Zeevarenden op deze schepen kunnen daarom niet aan- en afmonsteren in Nederlandse havens. Er worden dan ook geen visa uitgegeven voor deze doeleinden. Nederland verstrekt visa conform de geldende Europese regelgeving, waaronder de Europese Visumcode en de Europese richtsnoeren inzake de afgifte van visa met betrekking tot Russische aanvragers. Deze richtsnoeren leggen geen extra beperkingen op voor zeevarenden. Russische zeevarenden kunnen in lijn met EU regelgeving derhalve een Schengenvisum krijgen. Het klopt dat in 2025 een groot aantal visa is verstrekt aan Russische zeevarenden die in Nederland moeten aan- of afmonsteren. Op Nederlands gevlagde schepen werken ook Russische zeevarenden. Het beleid ten aanzien van Russische zeevarenden is op 1 september 2025 echter aangescherpt. Uitsluitend Russische zeevarenden die varen voor bij de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Rederijen (KVNR) aangesloten rederijen mogen gebruikmaken van de versnelde Blue Carpet-procedure. Overige zeevarenden moeten de reguliere procedure doorlopen, waarvoor een beperkt aantal slots beschikbaar is. In alle gevallen is een officiële uitnodiging van de rederij vereist. Uitnodigingen van tussenpersonen/uitzendbureaus worden niet meer geaccepteerd. Sinds 1 september 2025 is de geldigheidsduur beperkt tot negen maanden (multiple entry) met een maximale verblijfsduur van 15 dagen, sindsdien is een dalende trend zichtbaar in het aantal afgegeven visa.
Het is niet bekend hoeveel Russische zeevarenden werkzaam zijn op de Russische schaduwvloot of op schepen die Russische ruwe grondstoffen vervoeren, omdat deze schepen onder een buitenlandse vlag varen of soms zelfs onder een valse vlag.
Hoe rechtvaardigt u dat Russische zeelieden dankzij de visumverlening van Nederland activiteiten kunnen ontplooien die de Russische staatskas spekken, terwijl onafhankelijke Russische journalisten, fotografen en kunstenaars zonder «vestigingsgevaar» de toegang tot Nederland wordt geweigerd?
Russische zeevarenden en Russische journalisten, fotografen en onafhankelijke kunstenaars kunnen gebruikmaken van de reguliere aanvraagprocedures.
Binnen de ruimte die de Europese regelgeving biedt, zet Nederland zich in voor een zorgvuldige en integrale beoordeling van aanvragen van Russische journalisten en mensenrechtenverdedigers mede gelet op het belang dat het kabinet hecht aan persvrijheid, culturele uitwisseling en de bescherming van mensenrechten. Russische mensenrechtenverdedigers en journalisten maakten op basis van motie Dobbe (kamerstuk: 32 735, nr. 386) eerder aanspraak op multiple entry visa.2
Visumaanvragen worden in alle gevallen conform de Europese Visumcode individueel beoordeeld. Van de voorwaarde dat het voornemen moet bestaan om het grondgebied van de Lidstaten tijdig te verlaten, kan niet worden afgeweken.
Op individuele visumaanvragen kan het kabinet niet ingaan.
Bent u bekend met de motie Dobbe c.s. (Kamerstuk 32 623-346) over het verschaffen van een veilige multi-entry toegang voor mensenrechtenactivisten en journalisten voor het geval zij gevaar lopen in Syrië, die destijds van Minister Veldkamp de appreciatie «oordeel Kamer» kreeg en met een brede meerderheid door de Tweede Kamer is aangenomen?
Ja.
Bent u bereid om, in de geest van deze motie, Russische mensenrechtenactivisten, journalisten en kunstenaars een multi-entry visum te verschaffen? Zo nee, waarom niet?
Als het gaat om Schengenvisa (visa voor kort verblijf) kunnen mensenrechtenverdedigers en journalisten gebruik maken van de reguliere aanvraagprocedure, hierbij wordt getoetst op de voorwaarden zoals vastgelegd in de EU Visumcode, o.a. ten aanzien van tijdige terugkeer.
In Rusland maken familieleden, mensenrechtenverdedigers en journalisten aanspraak op kort verblijf visa met een langere geldigheidsduur.
Naar de letter van motie Dobbe c.s. (kamerstuk: 32 735, nr. 386) over multiple-entry Schengenvisa aan Russische mensenrechtenverdedigers en journalisten kan er voor deze groep ook bij een eerste aanvraag een meerjarig visum worden afgegeven. Aan deze motie is het afgelopen jaar in een aantal specifieke gevallen uitvoering gegeven. In het belang van betrokkenen kan over deze gevallen geen publieke informatie worden verstrekt.
Waarom begint de bezwaartermijn bij een visumbesluit al voordat de aanvrager zijn paspoort heeft opgehaald en te horen heeft gekregen waarom de aanvraag is afgewezen?
Als een visumaanvraag door de Minister van Buitenlandse Zaken is afgewezen kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze termijn vangt op grond van artikel 6:8 van de Awb aan op de dag nadat besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Van bekendmaking is sprake indien het besluit aan de aanvrager of zijn gemachtigde is toegezonden of uitgereikt. De bezwaartermijn vangt dus pas aan nadat een aanvrager of zijn gemachtigde te horen heeft gekregen waarom de aanvraag is afgewezen. In algemene zin kan worden gesteld dat als de Immigratie- en Naturalisatiedienst in een individuele zaak constateert dat de geregistreerde uitreikingsdatum niet overeenkomt met de daadwerkelijke uitreikingsdatum, aan de hand van de daadwerkelijke uitreikingsdatum wordt beoordeeld of het bezwaar tijdig is ingediend.
Vindt u niet dat het rechtvaardig zou zijn om, wanneer het voor de aanvrager praktisch onmogelijk is om binnen vier weken na het visumbesluit zijn paspoort op te halen, de bezwaartermijn pas na ophalen van het paspoort te laten aanvangen? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 vangt de bezwaartermijn pas aan nadat het besluit bekend is gemaakt. Als de bezwaartermijn wordt overschreden beoordeelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst bovendien op grond van artikel 6:11 van de Awb of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Of dat het geval is, hangt af van de omstandigheden van het individuele geval. De aanvrager kan zich ook laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, die bevoegd is het visum namens hem of haar op te halen.
Het afgelaste optreden van Lenny Kuhr als gevolg van toenemende antisemitische intimidatie |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een optreden van Lenny Kuhr in een zorginstelling is geschrapt omdat de instelling het optreden, na eerdere protesten van intimiderende antisemitische demonstranten bij haar optredens, niet meer aandurfde?1
Tijdens eerdere debatten over antisemitisme stelde het kabinet dat Joden in Nederland vrij en veilig zichtbaar moeten kunnen zijn; hoe rijmt u die uitspraak met het feit dat opnieuw een optreden van Lenny Kuhr wordt geschrapt vanwege angst voor antisemitische intimidatie en protesten?2
Erkent u dat hiermee opnieuw het signaal wordt afgegeven dat antisemitische druk en intimidatie in Nederland effect hebben en dat zichtbaar Joods leven daardoor steeds verder uit het openbare leven verdwijnt?
Deelt u de mening dat Nederland nooit mag buigen voor antisemitische dreiging, intimidatie of geweld, en dat demonstranten nooit mogen bepalen welke Joodse artiesten ergens nog welkom zijn? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om te voorkomen dat Joodse artiesten, Joodse instellingen en pro-Israëlische Nederlanders in de toekomst opnieuw moeten wijken voor antisemitische intimidatie, dreiging of protesten?
Bent u bereid in gesprek te gaan met de betreffende zorginstelling om ervoor te zorgen dat het optreden van Lenny Kuhr alsnog doorgang kan vinden en duidelijk te maken dat het toegeven aan antisemitische intimidatie en protesten een verkeerd en gevaarlijk signaal afgeeft? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat minima noodzakelijke mondzorg mijden vanwege de kosten |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandarts Ruud ziet wanhoop bij minima, maar straks kunnen zij bij hem terecht: «Iedereen heeft zelfde verhaal»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Nederlanders met een smalle beurs noodzakelijke mondzorg uitstellen omdat zij bang zijn de rekening van de tandarts niet te kunnen betalen?
Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts, 82% bezoekt minimaal een keer per jaar de tandarts. Daar zitten dus ook mensen met een smalle beurs tussen. Voor veel mensen, en ook mensen met een smalle beurs, is mondzorg financieel toegankelijk. Bijvoorbeeld via aanvullende verzekeringen of, specifiek voor minima, een gemeentepolis. Tegelijkertijd is er een groep van naar schatting 640.000 volwassenen die om financiële redenen afzien van mondzorg. Het kabinet vindt dat een pijnlijke situatie.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen in Nederland met tandpijn rondlopen en uit financiële wanhoop hun toevlucht nemen tot onverantwoorde noodoplossingen, zoals het smeren van sambal op het tandvlees, in plaats van tijdig naar de tandarts te kunnen gaan?
Het is zeer pijnlijk als mensen hun toevlucht nemen tot dergelijke noodoplossingen. Er is helaas geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning2 naar gerichte regelingen voor minima blijkt namelijk dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, dan ook andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 keer 5,5 miljoen euro gereserveerd.
Klopt het dat in 2024 64% van de volwassen verzekerden aanvullend verzekerd was voor mondzorg, maar dat daarmee nog niet duidelijk is hoeveel mensen geen aanvullende tandartsverzekering hebben omdat zij deze niet kunnen betalen? Kunt u dit beter in kaart brengen?
Het klopt dat in 2024 64% van de volwassenen een aanvullende verzekering voor mondzorg had. Dat wil niet zeggen dat de overige 36% van de volwassenen deze verzekering niet kunnen betalen. Er zijn ook mensen die bewust geen aanvullende tandartsverzekering afsluiten, bijvoorbeeld omdat zij weinig mondzorgkosten verwachten en/of de kosten zelf kunnen dragen. Het is niet bekend waarom mensen géén tandartsverzekering afsluiten en in hoeverre betaalbaarheid daar de reden van is. Naar schatting mijden 640.000 volwassenen mondzorg vanwege financiële redenen. Het kabinet ziet geen aanleiding dit verder in kaart te brengen.
Deelt u de mening dat noodzakelijke mondzorg geen luxe is, maar onderdeel is van zorg die voor Nederlanders betaalbaar en toegankelijk moet zijn?
Uiteraard deelt het kabinet het belang van noodzakelijke mondzorg. Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts en veel mensen kunnen de mondzorg zelf financieren of zich aanvullend hiervoor verzekeren. Voor veel mensen is mondzorg, gelukkig, toegankelijk. Er is helaas ook een groep voor wie dat niet geldt. Voor mensen met een lager inkomen kan de gemeentepolis, een zorgverzekering voor minima die altijd mondzorgdekking biedt, een optie zijn. Niet alle deelnemers van een gemeentepolis weten dat er een vergoeding voor mondzorgdekking in hun verzekerd pakket zit, dat biedt wellicht nog aanknopingspunten om de toegankelijkheid van mondzorg te verbeteren. Ook zijn er verschillende andere lokale regelingen of initiatieven. Deze initiatieven leveren een bijdrage aan het terugdringen van mondzorgmijding en het kabinet is deze partijen dus erkentelijk voor deze initiatieven. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat deze initiatieven geen volledige oplossing kunnen bieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat in Ridderkerk een lokale regeling nodig is waarbij minima met acute of urgente mondzorg terechtkunnen bij minimatandartsen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Vindt u het wenselijk dat noodzakelijke mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven, vrijwilligers, donaties, kerken, ondernemers en een beperkte gemeentelijke subsidie?
Alhoewel het kabinet deelt dat er een groep mensen is die om financiële redenen afzien van mondzorg, wordt de vermeende strekking dat mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven niet gedeeld. Via aanvullende verzekeringen of voor minima via een gemeentepolis is mondzorg voor een grote groep mensen financieel toegankelijk. Een gemeentepolis biedt altijd dekking voor mondzorg, al is dat niet altijd bij alle deelnemers bekend. Tegelijkertijd is er inderdaad een groep volwassenen voor wie mondzorg niet toegankelijk is en het kabinet is de diverse partijen zeer erkentelijk voor hun inspanningen om mondzorg voor deze groep verder toegankelijk te maken.
Wat doet u om te voorkomen dat kleine gebitsproblemen bij mensen met een laag inkomen uitgroeien tot ernstige pijnklachten, ontstekingen of abcessen?
Er is geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning3 naar gerichte regelingen voor minima blijkt dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 maal 5,5 miljoen euro beschikbaar. De invulling van de pilot behoeft nog nadere uitwerking.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel (incl. Pakketbeheer) van 10 juni 2026, zodat de antwoorden bij het debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Bescherming van Bonaire tegen de klimaatcrisis |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel over het bezoek van premier Jetten aan Bonaire1, bezien in samenhang met het nieuwe rapport van Greenpeace waaruit blijkt dat de kosten van klimaatverandering op Bonaire in de toekomst fors zullen oplopen2?
Hoe beoordeelt u het feit dat u naar Bonaire afreist met niets meer dan woorden, terwijl de inwoners van het eiland al jaren wachten op daadwerkelijke bescherming tegen de gevolgen van de klimaatcrisis?
Welke boodschap denkt u af te geven aan de inwoners van Bonaire door in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak in de klimaatzaak, terwijl diezelfde inwoners juist dringend meer bescherming nodig hebben?
Begrijpt u dat het hoger beroep door veel inwoners van Bonaire zal worden ervaren alsof de Staat hun veiligheid, gezondheid en toekomst nog altijd niet serieus neemt?
Kunt u toelichten hoe u voorkomt dat Caribisch Nederland bij een volgend bezoek opnieuw met lege handen blijft achter in beleid, bescherming en middelen?
Kunt u aangeven welke gesprekken er zijn gevoerd met het Openbaar Lichaam Bonaire over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie? Hoe zijn deze gesprekken verlopen?
Overweegt u de eilanden nog eens in de zomer te bezoeken, zodat u zelf kunt ervaren hoe ondraaglijk de hitte daar werkelijk kan worden?
Waarom kiest u ervoor om tijd en geld te steken in een hoger beroep, terwijl die energie ook direct kan worden ingezet voor uitvoering, bescherming en financiering van urgente maatregelen op Bonaire?
Deelt u de conclusie van Greenpeace dat de kosten voor bescherming van Bonaire fors kunnen oplopen als nu niet wordt ingegrepen? Zo nee, op welke grond wijkt u daarvan af?
Welke nieuwe feiten of omstandigheden uit het recente rapport van Greenpeace zijn voor u aanleiding geweest om de schade en kosten van uitblijvend beleid op Bonaire opnieuw te beoordelen?
Kunt u aangeven welke concrete aanvullende maatregelen u op korte termijn neemt om Bonaire beter te beschermen tegen zeespiegelstijging, droogte, hittestress en andere klimaatrisico’s?
Bent u bereid om de financiering voor de bescherming van Bonaire structureel te borgen door deze onder te brengen in het Deltafonds of een vergelijkbare systematiek van meerjarige begrotingsreserveringen in plaats van te werken met incidentele bijdragen?
Bent u bereid om, gelet op het bezoek aan Bonaire, het hoger beroep in de klimaatzaak opnieuw te bezien en prioriteit te geven aan snelle uitvoering van beschermende maatregelen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voor het plenaire debat over de gerechtelijke uitspraak inzake de klimaatzaak Bonaire beantwoorden?
De overnames van vakantieparken en de stand van zaken van de nieuwe Kampeerwet |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Markt voor vakantiehuizen koelt in hoog tempo af»?1 Wat is u reactie op het feit dat er op makelaarssite Funda nu 4.979 recreatiewoningen te koop staan, 32% meer dan in maart 2025?
Herkent u de door makelaarsvereniging NVM geconstateerde trend dat steeds meer eigenaren van vakantiewoningen deze willen verkopen?
Onderschrijft u de woorden van recreatieadviseur Hans van Leeuwen dat straks 75% van de vakantiehuizen in Nederland geen rendement meer oplevert? Voorziet u net als hij een grote verkoopgolf?
De SP heeft jarenlang gewaarschuwd dat de overname van campings en de bouw van veel nieuwe vakantiewoningen ertoe zou leiden dat deze markt ook op een moment weer zou afkoelen, met grote gevolgen voor alle betrokkenen, erkent u dat dit nu gebeurt?
Ondanks de snel afkoelende markt voor vakantiehuizen, worden er nog steeds campings opgekocht en geherstructureerd voor de bouw van (luxe) vakantiewoningen, deelt u onze mening dat dit zeer onverstandig is?
Nog steeds verliezen recreanten hun vaste kampeerplek omdat ze moeten wijken voor de komst van duurdere vakantiewoningen, ondanks dat er een groter tekort is aan betaalbare vakantieplekken dan aan luxere vakantiewoningen, wat gaat u doen om deze trend te keren?
Kent u de oproep van Veluwse gemeenten «Overnamegolf vakantieparken baart gemeenten op Veluwe zorgen: «Voor veel mensen onbetaalbaar»»?2
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat steeds meer vakantieparken in handen komen van grote ketens?
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat vakanties daardoor te duur worden?
De Veluwse gemeenten spreken nu de, ook door de SP vaak geuite zorg uit, dat vakantieparken eenheidsworst worden en vakantie straks alleen nog te betalen is voor mensen met veel geld, deelt u deze zorg nu eveneens?
Erkent u dat het voor gemeentes nu vaak lastig is om de komst van vakantieketens te voorkomen? Kunt u in uw antwoord meenemen welke mogelijkheden gemeenten volgens u hebben om deze trend te keren?
Erkent u dat wanneer het voor gemeenten al lastig is om hier iets aan te doen, het voor recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen nog veel lastiger is?
Erkent u dat gemeenten bestaande instrumenten om recreatiebestemmingen te beschermen in de praktijk lang niet altijd benutten of handhaven?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten recreatief gebruik laten verdwijnen zonder duidelijke ruimtelijke afweging over de gevolgen voor betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme?
Erkent u dat recreanten nu niet of nauwelijks beschermd zijn bij overnames en herstructureringen?
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Hoeveel campings en vakantieparken zijn sinds 2020 overgenomen door investeringsmaatschappijen, grote recreatieketens of vastgoedpartijen?
Heeft het kabinet zicht op hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen vijf jaar zijn verdwenen?
Hoeveel nieuwe recreatiewoningen, waaronder luxe recreatiewoningen, zijn de afgelopen vijf jaar vergund, en hoeveel betaalbare kampeerplaatsen zijn in dezelfde periode verdwenen?
Heeft u inzicht in het aantal overnames van campings en vakantieparken dat gepaard gaat met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen?
Bent u bereid landelijk inzichtelijk te maken hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen jaren zijn verdwenen door overnames, herstructurering en transformatie van vakantieparken?
Erkent u dat recreatiewoningen en vakantieparken in toenemende mate worden gebruikt door bedrijven die vakantiewoningen opkopen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waardoor recreatiebestemmingen feitelijk verdwijnen?
Heeft u inzicht in hoeveel recreatieparken momenteel geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten?
Deelt u de mening dat recreatieparken primair bedoeld moeten blijven voor recreatie en betaalbare vakanties, en niet sluipenderwijs moeten veranderen in grootschalige huisvestingslocaties?
Erkent u dat de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen?
Hoe verklaart u dat woningbouwprojecten in heel Nederland geregeld stilvallen vanwege stikstofregels, terwijl de uitbreiding of herstructurering van vakantieparken en de bouw van recreatiewoningen vaak wel doorgaan, óók nabij kwetsbare natuurgebieden?
Deelt u de mening dat het wringt dat betaalbare woningbouw regelmatig wordt tegengehouden vanwege stikstof, terwijl recreatieve vastgoedontwikkeling veelal wel mogelijk blijkt?
Erkent u dat stikstofberekeningen bij de herstructurering van vakantieparken doorgaans gebaseerd zijn op door initiatiefnemers zelf aangeleverde gegevens en berekeningen?
Hoe wordt gecontroleerd of de aangeleverde stikstofberekeningen, verkeersprognoses en natuuronderzoeken bij recreatieve herstructureringsprojecten daadwerkelijk volledig en realistisch zijn?
Heeft u signalen dat herstructureringen van vakantieparken gefaseerd worden uitgevoerd om stikstofeffecten of vergunningplichten te beperken of te omzeilen?
Wordt bij gefaseerde herstructurering van campings en vakantieparken altijd gekeken naar de totale cumulatieve stikstof- en natuureffecten van het volledige project?
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat grootschalige recreatieve vastgoedontwikkeling via deelprojecten of gefaseerde aanvragen onder natuur- en stikstofregels uitkomt?
Voorjaar 2025 werd ons voorstel aangenomen om te komen tot een nieuwe Kampeerwet om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen (motie Kamerstuk 36 452, nr. 4), hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Op 21 januari 2026, bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken, schreef u aan de Kamer «de uitvoering van de motie heeft mijn aandacht» en «naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd», wat is uw definitie van binnenkort?
Wanneer kunnen we de reactie op de aangenomen motie verwachten? Kunt u al zeggen welke maatregelen u gaat nemen om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen?
Welke maatregelen gaat u opnemen in de nota Ruimte om te borgen dat Nederland een divers recreatieaanbod heeft met mogelijkheden voor elk budget?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de «eerste verjaardag» van onze aangenomen motie om te komen tot een nieuwe Kampeerwet (binnen de termijn van drie weken)?
Het artikel 'Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy» van professor Akiko Iwasaki in Nature Reviews Immunology (1 mei 2026), waarin zij pleit voor een open wetenschappelijk debat over vaccinatieschade en expliciet verwijst naar nieuw onderzoek naar het Post-Vaccinatie Syndroom (PVS)?
Hoe weegt u de oproep van deze vooraanstaande immunoloog om «onhandige vragen» over vaccinatie-bijwerkingen met wetenschappelijke integriteit te behandelen, in het licht van het huidige Nederlandse beleid waarin de specifieke ondersteuning voor deze groep (C-support) juist wordt afgebouwd?
Deelt u de visie van professor Iwasaki dat het ontkennen van de noodzaak voor gespecialiseerd onderzoek en debat de wetenschappelijke vooruitgang en het publieke vertrouwen schaadt, zeker nu preprints van onder andere de Yale LISTEN-studie duiden op unieke symptoomprofielen bij PVS-patiënten?
Erkent u dat de transitie van PVS-zorg naar het «reguliere veld» indruist tegen de internationale roep om juist meer specialistische aandacht en onderzoek naar de pathofysiologie van deze aandoening, zoals bepleit in Nature Reviews Immunology?
Bent u bereid om, in de geest van «vrijheid van wetenschappelijk onderzoek», de subsidie voor C-support te handhaven als de centrale plek waar in Nederland deze internationale nog volop in ontwikkeling zijnde kennis wordt verzameld en vertaald naar de Nederlandse patiëntenzorg?
Welke acties onderneemt u om te waarborgen dat Nederlandse zorgverleners niet vervallen in wat professor Iwasaki beschrijft als «politiek gekleurde evaluaties», maar patiënten met klachten na vaccinatie serieus nemen op basis van de meest recente, onafhankelijke internationale data?
Kunt u toezeggen dat u, conform de aanbevelingen in het genoemde artikel, ruimte creëert voor een structureel expertisecentrum waar ook «controversiële» post-acute aandoeningen zoals PVS zonder vooroordelen onderzocht en behandeld kunnen worden?
Het bericht ‘Moeten we de wc niet meer doorspoelen met drinkwater?’ |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het gebruik van hoogwaardig drinkwater voor laagwaardige toepassingen zoals toiletspoeling, in het licht van toenemende drinkwaterschaarste door droogte, klimaatverandering en bevolkingsgroei?1
In het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing, dat in 2024 met de Kamer is gedeeld (2024D26664), is het doel opgenomen om laagwaardig gebruik van drinkwater te beperken, zowel bij de zakelijke gebruikers als bij huishoudens. We streven naar «juiste kwaliteit voor het juiste gebruik». Vanuit dat perspectief is het doorspoelen van de wc met drinkwater niet gunstig. Toepassing van andere kwaliteiten water moet echter wel zonder al te grote gezondheidsrisico’s kunnen. Daarom is vorig jaar door RIVM onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s van grijs- en hemelwatergebruik in de gebouwde omgeving2.
Het RIVM concludeert dat er microbiologische risico’s zijn die op dit moment onvoldoende afgedekt kunnen worden met beheersmaatregelen. De beleidsappreciatie van dit onderzoek is op 27 januari jl. met de Kamer gedeeld (Kamerstukken 27 625, nr. 735).
Deelt u de opvatting dat het grootschalig inzetten van grijswater (zoals hergebruikt douchewater) en hemelwater een substantiële bijdrage kan leveren aan het verminderen van de druk op de drinkwatervoorziening?
Ja, en deze wordt ook onderschreven door het RIVM, mits dit op een verantwoorde manier kan.
Kunt u een actuele stand van zaken geven van de uitwerking van de aanbevelingen van het RIVM ten aanzien van het gebruik van grijs- en hemelwater in de gebouwde omgeving?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aan het lid Vellinga-Beemsterboer toegezegd dat de Kamer na een jaar zal worden geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking van de aanbevelingen3. Het ministerie is op dit moment bezig met het vormgeven van de opdracht om de aanbevelingen van het RIVM uit te werken. Hierin wordt aan experts gevraagd om uit te werken wat de minimale kwaliteitseis voor grijswater zou moeten zijn. Ook overlegt het ministerie met de installatiebranche om beheersmaatregelen vast te laten leggen in werkprotocollen voor aanleg, beheer en onderhoud van grijs- en hemelwatersystemen.
Gelet op het feit dat u tijdens het wetgevingsoverleg Water van 2 februari 2026 aangaf pilots te willen uitvoeren en dat u binnen een jaar hierop terugkomt bij de Kamer, en in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing2 wordt bovendien 2035 als jaar genoemd waarin waterbewust bouwen de norm is: kunt u concreet aangeven welke pilots inmiddels zijn gestart, wat de planning is en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Het laten uitvoeren en monitoren van pilots is een belangrijk onderdeel van de aanpak. De selectie van representatieve pilots wil het ministerie samen met de (bouw)partners doen. Deze zijn niet alleen gericht op het opdoen van ervaring met de effectiviteit van beheersmaatregelen voor gebouwgebonden systemen, maar ook ervaring op te doen met bijvoorbeeld collectieve oplossingen. Hierbij wordt ook gekeken naar de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) die een rol heeft in het verlenen van ontheffingen en het goedkeuren van meetprogramma’s.
Met een ontheffing van de ILT is bijvoorbeeld al een pilot in Tilburg5 opgestart om bad- en douchewater te gebruiken om toiletten te spoelen. In Silvolde6 zijn meerdere woningen gebouwd die regenwater in het gebied opgevangen waar ze drinkwater van kunnen maken; met een goedgekeurd meetprogramma kunnen ze daarmee aan de slag. Datzelfde geldt voor SUPERLOCAL7 in Kerkrade waar voor twee appartementencomplexen regenwater hergebruikt wordt. Dit soort pilots kunnen we gebruiken om van te leren hoe het gebruik van grijs- en hemelwater verantwoord kan. Zoals toegezegd wordt de Kamer hier in 2027 over geïnformeerd.
Waarom kiest u ervoor om (opnieuw) pilots uit te voeren terwijl in andere landen en regio’s, zoals Vlaanderen, al uitgebreide ervaring is opgedaan met grijswatersystemen? Welke lessen uit Vlaanderen zijn inmiddels concreet vertaald naar Nederlands beleid en regelgeving?
Pilots bieden de gelegenheid om op gecontroleerde schaal te experimenteren en te monitoren hoe gezondheidsrisico’s beheerst kunnen worden. De lessen uit andere landen nemen we daarin mee. De overeenkomsten en verschillen met Vlaanderen heeft onderzoeksinstituut KWR in juli 2025 geïnventariseerd in het rapport «Veilig water uit alternatieve bronnen»8. Vertaling naar beleid en regelgeving kan pas als de risico’s beheersbaar zijn. Een cruciaal verschil tussen het Nederlandse en Vlaamse drinkwater is overigens wel de toevoeging van chloor in Vlaanderen, waardoor daar de gezondheidsrisico’s veel kleiner zijn bij gebruik van alternatieve bronnen.
Welke specifieke belemmeringen staan momenteel grootschalige toepassing van grijswatersystemen in de weg in zowel nieuwbouw als bestaande bouw (bijvoorbeeld op het gebied van NEN-normering, toezicht door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), volksgezondheid of kosten)?
Het RIVM heeft in haar kennisnotitie concrete aanbevelingen gedaan voor het beheersbaar maken van de gezondheidsrisico’s: o.a. borging van correcte aanleg en ingebruikname van huishoudwatersystemen, beheersmaatregelen om wanverbindingen te voorkomen en het voorlichten van leveranciers en bewoners over mogelijke risico’s. Deze aanbevelingen zien toe op concrete acties voor zowel beleid als praktijk. In de Kamerbrief van 27 januari jl. is dit nader toegelicht.
In hoeverre zijn risico’s zoals foutaansluitingen inmiddels voldoende in beeld en beheersbaar, en welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk om deze risico’s te beperken?
Hiervoor wordt verwezen naar de kennisnotitie van het RIVM en de beleidsappreciatie die hierop aan de Kamer is gegeven op 27 januari jl.
Acht u het noodzakelijk om de norm voor grijswater- en hemelwatersystemen in nieuwbouw uiterlijk in 2035 naar voren te halen gezien de grote urgentie?
In het WGO Water op 2 februari jl. is aangegeven dat over twee jaar samen met de Minister van VRO de balans opgemaakt kan worden uit de acties in de beleidsappreciatie en we dan bezien of het verantwoord is om de wet- en regelgeving aan te passen.
Kunt u toelichten waarom een mogelijke opname van grijswatersystemen in het Bouwbesluit (of opvolgende regelgeving) volgens u een tijdslijn van circa twee jaar vergt, en ziet u mogelijkheden om dit proces te versnellen?
Zoals met de Kamer gedeeld in januari jl., kunnen aan het gebruik van grijs- en hemelwater risico’s voor de volksgezondheid zitten. Ook dat is een verantwoordelijkheid van de regering. Daarnaast speelt bij zo’n extra eis in het Bbl de substantiële verhoging van de bouwkosten, die de betaalbaarheid van de nieuwbouw verder onder druk zet. De komende twee jaar zijn nodig om de beheersing van de gezondheidsrisico’s zorgvuldig te onderzoeken in praktijkproeven in de verschillende fases van aanleg, beheer en onderhoud. Ook worden de kosten en baten en integrale impact op milieu onderzocht om zo verantwoord een heroverweging te kunnen maken. Tegelijk kijkt het ministerie naar alternatieve oplossingen om vraag en aanbod van drinkwater in evenwicht te houden, zoals de aanbodkant vergroten maar ook het drinkwaterbesparings-potentieel, op verschillende schaalniveaus van de drinkwaterketen.
Welke rol spelen kostenoverwegingen in uw afweging, en hoe verhouden deze zich tot de maatschappelijke baten van drinkwaterbesparing en het voorkomen van drinkwatertekorten?
In algemene zin moeten de kosten opwegen tegen de baten. Uit eerder onderzoek van Witteveen en Bos (2023) blijkt dat de investeringen in een grijs- of hemelwatersysteem € 4.000 tot € 7.000 per grondgebonden woning bedragen, met jaarlijkse onderhoudskosten van € 330 tot € 640. In de beleidsappreciatie op dat rapport (Kamerstukken 27 625, nr. 658) is aangegeven dat een nadere uitwerking van de kosten en baten van individuele mogelijke systemen volgt. Hierbij moeten ook de kosten van (extra) drinkwaterbereiding in ogenschouw worden genomen.
Hoe voorkomt u dat Nederland te maken krijgt met «drinkwatercongestie», en welke rol ziet u daarbij voor decentrale wateroplossingen zoals grijswatersystemen?
Het is belangrijk dat vraag en aanbod van drinkwater in balans blijven. Hiervoor werkt het Ministerie van IenW met de provincies en drinkwaterbedrijven samen aan het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023–2030 om de productiecapaciteit van de drinkwaterbedrijven te vergroten met minimaal 100 miljoen kubieke meter drinkwater per jaar. Tegelijk wordt ook met veel partijen samengewerkt aan het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het drinkwatergebruik bij particulieren terug te dringen naar 100 liter per persoon per dag en 20% zuiniger drinkwatergebruik bij bedrijven. Voor de periode na 2030 werkt het ministerie aan een perspectief en strategie. Decentrale oplossingen zijn daar een onderdeel in en deze kunnen van betekenis zijn als er lokale knelpunten zijn.
Op welke wijze wordt het gebruik van grijswater momenteel gestimuleerd via bestaande instrumenten, zoals de MIA/VAMIL-regeling, en acht u deze stimulansen voldoende?
Op de Milieulijst voor MIA/Vamil staan verschillende technieken die bijdragen aan besparing van water (niet per sé drinkwater) in brede zin. Zowel in de industrie als in de landbouw. Uit het jaarverslag 2024 blijkt dat de totale steun die is verleend aan waterbesparing vanuit het MIA/Vamil-budget op het totale budget helaas beperkt is. Daarom wil ik in het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing verkennen of uitbreiding van financiële regelingen voor drinkwaterbesparing bij zakelijke gebruikers mogelijk is. Specifiek wordt gekeken naar de mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande nationale financiële regelingen, zoals MIA/Vamil en Veki9 en vraag ik IPO en VNG de bestaande regionale financiële regelingen in kaart te brengen met daarbij de mogelijkheden voor uitbreiding.
Bent u bereid om, vooruitlopend op eventuele aanpassing van het Bouwbesluit, al concrete maatregelen te nemen om de toepassing van grijswater in de bouwpraktijk te versnellen? Zo ja, welke?
Zoals hierboven toegelicht wil ik nu al pilots stimuleren. Om het generiek uit te rollen zijn er concrete beheersmaatregelen aanbevolen om dit in de toekomst wel veilig te kunnen doen. Hiermee ga ik aan de slag en pas dan kan worden overwogen of het drinkwaterbesluit en het besluit bouwwerken leefomgeving in deze zin worden aangepast.
Kunt u toezeggen dat de Kamer vóór het commissiedebat over ruimtelijke ordening wordt geïnformeerd over de voortgang en mogelijke beleidsopties, zodat hierover gericht besluitvorming kan plaatsvinden?
In het WGO Water van 2 februari jl. is al toegezegd dat de Kamer over een jaar wordt geïnformeerd.
Het bericht dat archieffragmenten van Pim Fortuyn zijn geblokkeerd en niet mogen worden uitgezonden |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt de bewering in de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 dat een groot aantal archieffragmenten van Pim Fortuyn in televisiesystemen wel kan worden teruggevonden, maar niet (meer) mag worden uitgezonden?
Nee, dit is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.1 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat. Daarnaast geeft Beeld & Geluid aan dat het aantal daadwerkelijk geblokkeerde fragmenten in hun archief laag is.
Klopt het dat redacties bij het raadplegen van deze archieven worden geconfronteerd met een technische blokkade, waardoor uitzending van deze fragmenten slechts mogelijk is na aanvullende toestemming of helemaal niet is toegestaan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Is het waar dat deze blokkades zijn aangebracht binnen systemen waarvan omroepen gebruikmaken, zoals het archiefsysteem van de NPO en/of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid? Zo niet, om welk systeem gaat het dan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Welke instanties of partijen hebben besloten tot het aanbrengen van deze blokkades bij archieffragmenten van Pim Fortuyn?
Zoals ik onder antwoord 1 heb aangegeven fungeren de omroepen als rechthebbende en licentieverstrekker als het materiaal aan hen toebehoort. Zij bepalen of een licentie voor hergebruik wordt verstrekt. Voor het verwerken van blokkeringen of licentiebeperkingen dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem aanpassen.
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor het publiek kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke uitzondering valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo geven de omroepen aan dat het mogelijk is dat het auteursrecht op het fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico zou kunnen betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade op de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkering het materiaal nog steeds te bekijken is in het archief van Beeld & Geluid. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Is het waar dat het hierbij (mede) gaat om fragmenten met aantoonbare historische en politieke betekenis, waaronder interviews en debatmomenten uit de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn?
Beeld & Geluid geeft aan zelf niet te beoordelen of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kan maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zal uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma <I>NOVA</I> uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten in DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Met welke reden of redenen zijn deze fragmenten geblokkeerd, en op basis van welk juridisch, beleidsmatig of contractueel kader is deze beslissing genomen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er naast de in de uitzending genoemde fragmenten nog meer archiefbeelden van Pim Fortuyn die (gedeeltelijk) zijn geblokkeerd, en zo ja, kunt u aangeven om hoeveel fragmenten het gaat en op welke gronden deze zijn geblokkeerd?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat betrokkenen die in deze fragmenten voorkomen, via een systeem kunnen aangeven dat zij niet wensen dat bepaalde beelden opnieuw worden uitgezonden?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien de publieke omroep verantwoordelijk is voor het blokkeren van deze archieffragmenten, acht u deze handelwijze verenigbaar met de publieke taak van de publieke omroep om de Nederlandse politieke en maatschappelijke geschiedenis toegankelijk en inzichtelijk te maken?
Zoals ik onder antwoord 4 heb aangegeven, onderschrijf ik het uitgangspunt van de omroepen om vanuit hun publieke taak materiaal waarvan zij rechthebbende zijn, zoveel mogelijk beschikbaar te stellen. Daarom vind ik het goed dat omroepen een zorgvuldige afweging maken voordat ze bepalen of een fragment geblokkeerd moet worden.
Veel licenties voor archiefmateriaal, waaronder dat van Fortuyn, worden dan ook regelmatig verstrekt. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is.
Deelt u de mening dat historisch-politieke archieffragmenten die met publieke middelen zijn vervaardigd of beheerd, in beginsel vrij beschikbaar moeten zijn voor journalistieke en maatschappelijke duiding?
Ja. Audiovisueel archiefmateriaal draagt bij aan de beleving van historische momenten. Het geeft inzage in een tijdsbeeld en kan bijdragen aan historisch inzicht en het begrip van complexe hedendaagse vraagstukken. Daarom is het goed dat een breed publiek kennis kan nemen van archiefmateriaal. Tegelijkertijd zijn er gronden waarop het hergebruik van materiaal beperkt kan worden.
Deelt u de mening dat het structureel blokkeren van dergelijke fragmenten neerkomt op het beperken van het zicht op de Nederlandse politieke geschiedenis?
Nee. Op dit moment is er mijns inziens geen sprake van het «structureel» blokkeren van archiefmateriaal. Omroepen gaan slechts na een zorgvuldige afweging over tot het blokkeren van materiaal. Ik vind het goed dat omroepen hier terughoudend mee omgaan, vanwege de maatschappelijke waarde die het materiaal heeft. Dat neemt niet weg dat omroepen soms genoodzaakt zijn om een afweging te maken tussen het belang van het hergebruik en overige relevante omstandigheden, zoals het belang van de betrokkenen.
Zoals ik onder antwoord 5 heb aangegeven, constateert Beeld & Geluid dat omroepen ook voor programma’s die een blokkade bevatten, licenties geven voor hergebruik.
Kunt u toezeggen dat u zich actief zal inzetten om ervoor te zorgen dat archieffragmenten van Pim Fortuyn met historische en politieke betekenis weer zonder belemmeringen kunnen worden uitgezonden? Zo niet, waarom niet?
Nee. Beeld & Geluid geeft aan dat er in algemene zin licenties worden verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal van Fortuyn. Bovendien is ook voor het desbetreffende fragment uit het nieuwsbericht meerdere malen een licentie verstrekt voor hergebruik. Daarnaast zetten omroepen zich in om zoveel mogelijk materiaal beschikbaar te maken. Het blijft uiteindelijk aan de rechthebbende om een afweging te maken rondom het verstrekken van licenties.
Bent u bekend met het bericht «Opgepakte verdachte steekpartij Winschoten is dief van knuffels voor Jeffrey en Emma»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schandalig en onacceptabel is dat deze Syriër, na zijn veroordeling voor diefstal op een herdenkingsplek van vermoorde Nederlandse kinderen, nog steeds in Nederland verblijft en opnieuw strafbare feiten pleegt?
Hoewel ik niet op deze individuele casuïstiek kan ingaan, hecht ik eraan te benadrukken dat ik crimineel gedrag veroordeel en dat dit kabinet in de aanpak van overlast en crimineel gedrag van asielzoekers strenger wil optreden bij recidive.
Hoeveel keer moet een Syriër in Nederland een misdrijf plegen voordat u hem het land uit zet? Is er voor u überhaupt nog een grens?
Een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling is reden voor de IND om te onderzoeken of naast strafrechtelijke consequenties, ook verblijfsrechtelijke consequenties kunnen worden toegepast. Dat kan ook betekenen dat een afgegeven asielvergunning wordt ingetrokken. Daarbij moet wel worden voldaan aan hoge eisen van Europees Unierecht. De Kwalificatierichtlijn vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er voor het weigeren of intrekken van een asielvergunning sprake moet zijn van veroordeling wegens een (bijzonder) ernstig misdrijf.
Na een afwijzend besluit of een intrekking van de IND start de DTenV het terugkeerproces. Dit kan, afhankelijk van de situatie, vanuit strafdetentie of (aansluitend in) vreemdelingenbewaring plaatsvinden.
Op 18 december 2024 heeft toenmalig Minister Faber uw Kamer geïnformeerd over aanscherping van het openbare-ordebeleid in asielzaken.2 Die beleidsaanscherping is onverkort van kracht en betekent dat we in asielzaken het maximale doen.
Het is aan de officier van justitie om te bepalen of in individuele gevallen vervolging wordt ingesteld en voor welke afdoening wordt gekozen.
Kunt u aangeven waarom deze en andere criminele Syriërs nog steeds niet zijn uitgezet, ondanks de overduidelijke overlast en criminaliteit die zij veroorzaken? Gaat u dit alsnog doen?
Zie antwoord vraag 3.
Begrijpt u, gelet op dit soort weerzinwekkende incidenten en de vele andere misdrijven door asielzoekers en statushouders, waarom de opstand onder de Nederlandse bevolking steeds groter wordt? Zo ja, waarom voert u dan nog steeds geen onmiddellijke, volledige asielstop in en waarom zet u niet massaal criminele vreemdelingen uit?
Tegen de achtergrond van de recente asielrellen, herhaal ik op dit punt wat ik ook in het Commissiedebat van 13 mei jl. met uw Kamer heb gewisseld. Onze rechtstaat mag niet worden ondermijnd door intimidatie, bedreiging en geweld. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten. Dit kabinet kiest voor meer grip op migratie door de instroom te verlagen en vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers te verhogen. Daarbij ben ik bereid om alle juridische ruimte te gebruiken, maar zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop.
Zo geeft dit kabinet nu prioriteit aan het implementeren van het Europese Migratiepact, waarmee meer grip op de Europese instroom wordt verkregen.
Om effectieve terugkeer en vertrek van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen te bevorderen is het streven van het kabinet om met de nieuwe Terugkeerverordening de terugkeerprocedure simpeler, efficiënter en doeltreffender te maken en de samenwerking met landen buiten de Europese Unie te versterken, onder andere via migratiepartnerschappen.
Om de geïntensiveerde inzet op brede, strategische partnerschappen en de samenwerking met derde landen vorm te geven wordt er in een ambtelijke taskforce internationale migratie samengewerkt met betrokken departementen waaronder Buitenlandse Zaken en uitvoeringsorganisaties.
Ten slotte komt het kabinet met een nieuw wetsvoorstel voor de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders op basis van een zorgvuldige procedure, advisering en gesprekken met maatschappelijke organisaties.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Vreemdelingen- en Asielbeleid op 13 mei aanstaande?
Ik heb ernaar gestreefd uw vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De transparantie bij de Nederlandse Loterij en de publieke verantwoordelijkheid van de Staat in relatie tot gokschade |
|
Joost Eerdmans (JA21), Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de Nederlandse Loterij – exploitant van o.a. Staatsloterij, Lotto, Eurojackpot, Miljoenenspel, Krasloten, Lucky Day en Toto – geen inzicht geeft in de verhouding tussen online en fysieke winnaars bij deze spellen, terwijl deze gegevens technisch eenvoudig beschikbaar zijn?
Ik ben ermee bekend dat Nederlandse Loterij (NLO) geen inzicht geeft in deze gegevens.
Waarom publiceert de Nederlandse Loterij geen basisinformatie over het aantal online verkochte loten en deelnames, het aantal winnende online loten en deelnames, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor al deze kansspelen?
NLO is niet verplicht om informatie te publiceren over het aantal online verkochte loten, het aantal winnende online loten, en de verdeling van grote prijzen per verkoopkanaal voor deze kansspelen. Loten kunnen digitaal worden aangeschaft via de website van NLO of fysiek via één van de retailkanalen. De keuze voor het online dan wel fysiek aanschaffen van een lot heeft geen invloed op de winstkans. Hierdoor ontbreekt de meerwaarde van het openbaar maken van dergelijke indicatoren. Van belang is dat loterijen eerlijk verlopen en hiervoor bestaan strenge wettelijke vereisten. Om een eerlijk verloop te borgen wordt de gebruikte trekkingsapparatuur gekeurd en zijn de trekkingen openbaar. Ook vinden trekkingen plaats in aanwezigheid van een notaris en wordt hiervan een proces-verbaal opgemaakt. De Kansspelautoriteit (Ksa) houdt hier toezicht op.
Bent u bereid de Nederlandse Loterij te verplichten dergelijke transparantie-indicatoren jaarlijks openbaar te maken voor alle door haar geëxploiteerde kansspelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt het actief stimuleren van deelname aan kansspelen door een staatsbedrijf zich tot de verantwoordelijkheid van de overheid om gokschade te beperken, zeker gezien de groei van online deelname bij spellen als Lucky Day, Toto en Eurojackpot?
Een staatsdeelneming dient zich net als andere aanbieders van kansspelen te houden aan de wet- en regelgeving. De wet- en regelgeving ten aanzien van kansspelen is gericht op het realiseren van de doelstellingen van het kansspelbeleid, in het bijzonder de bescherming van mensen tegen gokschade. Daarnaast mag van een staatsdeelneming verwacht worden dat zij hun maatschappelijke opdracht centraal stellen. Hierbij gaat het onder meer om de bescherming van spelers en het aanbieden van een betrouwbaar en veilig kansspelaanbod. Het aandeelhouderschap in NLO valt onder de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Financiën. In zijn brief van 8 juni jl. geeft de Staatssecretaris van Financiën aan dat hij als aandeelhouder van NLO de nadruk legt op het borgen van het publiek belang van het verantwoord aanbieden van kansspelen.1 De Staatssecretaris van Financiën ziet dit als de belangrijkste (strategische) doelstelling van NLO.
Erkent u dat deze dubbele rol bestuurlijk onzuiver is en vergelijkbaar met een overheid die zelf alcohol produceert, consumptie stimuleert en tegelijkertijd waarschuwt voor de schadelijke gevolgen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke waarborgen bestaan er om te voorkomen dat omzetdoelen van de Nederlandse Loterij zwaarder wegen dan het beperken van maatschappelijke schade, gezien de sterke commerciële promotie van o.a. Toto en Eurojackpot?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedragen de maatschappelijke kosten van gokverslaving jaarlijks, en hoe verhouden deze zich tot de totale afdracht van de Nederlandse Loterij aan de Staat?
Uit het recent gepubliceerde jaarverslag blijkt dat NLO in 2025 € 126,4 miljoen heeft afgedragen aan de Staat der Nederlanden. Ik beschik niet over precieze bedragen ten aanzien van de jaarlijkse maatschappelijk kosten van gokverslaving. Wel is in 2023 middels een indicatieve kosten-baten analyse getracht de maatschappelijke kosten en baten van kansspelen te kwalificeren en vervolgens indicatief te kwantificeren.2 In die analyse schatten de onderzoekers de maatschappelijke kosten van kansspelverslaving in 2019 op € 1.137 miljoen. Echter, dat bedrag is van voor de legalisering van online kansspelen en de maatschappelijke kosten verschillen per type kansspel, waarbij de kosten de hoger zijn naarmate het kansspel meer risico op gokschade met zich meebrengt. Ik beschik niet over specifieke bedragen voor de maatschappelijke kosten van de producten van NLO. Het voorkomen van gokschade heeft mijn prioriteit, en zoals ik aan uw Kamer gecommuniceerd heb in de Kamerbrief van 12 juni jl. streef ik naar een structurele daling van de omvang van gokschade in Nederland.3
Waarom vindt er geen structurele monitoring plaats van de relatie tussen online deelname aan loterijen en kansspelen (zoals Lucky Day en Toto) en problematisch speelgedrag, terwijl de risico’s van online kansspelen breed worden erkend?
Loterijen – zoals Lucky Day – vallen onder de wettelijke bepalingen voor landgebonden kansspelen en niet onder online kansspelen. In wet- en regelgeving wordt geen onderscheid gemaakt tussen loten die online of fysiek aangeschaft worden. In beide gevallen valt het kansspel onder de vergunning van loterijen, waarbij het internet een alternatief verkoopkanaal betreft. Loterijen kennen een lager risico op gokschade dan online kansspelen. In het jaarlijkse onderzoek «Deelname aan kansspelen» wordt voor loterijen, landgebonden kansspelen en online kansspelen de relatie met problematisch speelgedrag gemonitord.4 Voor online kansspelen, waaronder online sportweddenschappen, geldt daarnaast dat structurele monitoring plaatsvindt middels de tweejaarlijkse monitoringsrapportages van de Kansspelautoriteit en het onderzoek «Perspectief van Nederlanders op Kansspelen».5
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de maatschappelijke effecten van de groei van online deelname aan alle kansspelen van de Nederlandse Loterij? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij vraag 8, vindt structurele monitoring plaats voor online kansspelen. NLO wordt als één van de aanbieders van online kansspelen meegenomen in die monitoring. Momenteel is het verbeteren van de bescherming tegen gokschade bij online kansspelen het meest urgent. Daar ligt dan ook mijn prioriteit. Nadat dat traject is afgerond, zal ik bezien waar eventuele vraagstukken met betrekking tot landgebonden kansspelen resteren. Daarbij kan ook aandacht besteed worden aan de maatschappelijke effecten van de mogelijke groei van online verkoop van landgebonden kansspelen. Ik zal in die context bezien of, en zo ja, welk type onderzoek nodig is.
Welke onafhankelijke instantie controleert of de kansverdeling tussen online en fysieke loten en deelnames identiek is bij alle spellen, en waarom worden deze auditbevindingen niet openbaar gemaakt?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 8, wordt in wet- en regelgeving geen onderscheid gemaakt tussen online en fysiek gekochte loten. Voor zowel online als fysiek gekochte loten geldt dat er regels zijn voor het proces van prijsbepaling, om te waarborgen dat het proces eerlijk verloopt. Bij prijsbepaling dient een methode te worden toegepast die beïnvloeding van buitenaf uitsluit en waarbij het toevalskarakter is gewaarborgd. De vergunninghouder moet processen die gebruikt worden bij prijsbepaling laten keuren door een door de Minister aangewezen keuringsinstelling of onafhankelijke deskundige. Verder moet de vergunninghouder jaarlijks een IT-audit laten uitvoeren volgens door de Ksa vastgestelde regels.6 Daarnaast moeten alle trekkingen openbaar en in aanwezigheid van een notaris plaatsvinden.
Bent u bereid deze audits voortaan te publiceren, zodat burgers kunnen controleren of het systeem eerlijk functioneert?
De keurings- en auditrapporten bevatten bedrijfsgevoelige informatie. Ze dienen alleen voor het toezicht door de Kansspelautoriteit, die zo nodig aanwijzingen aan de vergunninghouders geeft. Ik zal daarom het publiceren van de keurings- en auditrapporten niet verplichten.
Waarom gelden voor online loterijen en kansspelen van de Nederlandse Loterij niet dezelfde zorgplichten als voor andere online kansspelen, terwijl de drempelloze beschikbaarheid van online deelname vergelijkbare risico’s met zich meebrengt?
Het beschermen van burgers tegen gokschade is een centrale doelstellingen in het kansspelbeleid. Uitgangspunt daarbij is risicogebaseerde bescherming, waarbij de mate van ingrijpen en benodigde bescherming voor een bepaald kansspel afhankelijk is van het risico op gokschade van dat kansspel. Ik wijs hierbij op het onderzoek «risico’s op gokschade: Een rangorde van gokproducten» dat ik op 17 april jl. naar uw Kamer gestuurd heb.7 De risicoclassificatie zoals in het onderzoek wordt gepresenteerd, geeft inzicht in de mate van risico op gokschade van verschillende typen kansspelen. Loterijen, ongeacht het verkoopkanaal, kennen andere kenmerken dan online kansspelen. Hierdoor hebben loterijen een ander, lager, risicoprofiel dan online kansspelen. Voor online kansspelen gelden in lijn daarmee meer verplichtingen en verboden, bijvoorbeeld met betrekking tot de zorgplicht en reclame. Ik werk aan een wetswijziging voor online gokken, waarin ik extra maatregelen neem om de bescherming tegen gokschade te verbeteren. Onderdeel van die wetswijziging is het verstevigen van de zorgplicht. Zoals aangegeven bij vraag 9 zal ik, nadat dat traject is afgerond, bezien waar eventuele vraagstukken met betrekking tot landgebonden kansspelen resteren.
Het bericht ‘Niet alleen 110 banen weg: waarom het faillissement van Coldenhove heel Eerbeek raakt’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Niet alleen 110 banen weg: waarom het faillissement van Coldenhove heel Eerbeek raakt»?1
Ja.
Wanneer ontving u de eerste signalen dat na het faillissement van De Hoop ook Coldenhove failliet dreigde te gaan?
Het ministerie onderhoudt contact met de brancheorganisatie Vereniging van Nederlandse Papier- en Kartonfabrieken (VNP) maar heeft geen verzoek om steun van het bedrijf zelf ontvangen alvorens het bericht naar buiten kwam. Het investeren en de aanschaf van een e-boiler in het najaar van 2025, waarvoor ook een SDE++ subsidie is toegekend, gaf geen aanleiding te vrezen voor een aanstaand faillissement. Wel zijn er al langer signalen van overproductie in de Europese papierindustrie met consolidaties tot gevolg. In het bijzonder de kleinere producenten die in deze wereldwijde markt opereren hebben het lastig. Signalen met betrekking tot met name overproductie in de papierindustrie leiden echter niet direct tot ingrijpen van de overheid.
Welke stappen heeft u na deze signalen genomen? Indien u geen stappen heeft ondernomen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen hebben u of uw voorganger genomen om een faillissement zoals bij Coldenhove te voorkomen, na het plenaire Kamerdebat op 20 maart 2024 over problemen in de papier- en kartonindustrie in Nederland als gevolg van de hoge energieprijzen?2
Voor de Nederlandse en regionale economie zijn deze maakindustrie bedrijven van wezenlijke betekenis. De hoogte van de energieprijzen speelt in vele sectoren. Hiervoor heeft het kabinet nadrukkelijk aandacht. Met het coalitieakkoord zijn daarom aanzienlijke middelen vrijgespeeld. Enerzijds wordt de indirecte kostencompensatie (IKC-ETS) verhoogd om de elektriciteitskosten van energie-intensieve industrie te verlagen, Daarnaast zijn middelen beschikbaar gesteld voor het verlagen van de elektriciteitsprijs van de (basis) industrie die veel elektriciteit verbruikt, voor het creëren van een meer gelijk speelveld. De middelen zijn gereserveerd tot en met 2035. Daarnaast behoort de papier- en kartonindustrie in Nederland tot de zogenoemd cluster 6 of regionale industrie. Voor de verduurzaming van cluster 6 industrie is een specifieke aanpak ontwikkeld, het zogenoemde Actieplan 2.0 voor cluster 6; het ministerie voert dit Actieplan 2.0 Cluster 6 op dit moment uit.
Bovendien is er een uitgebreid instrumentarium subsidieregelingen voor verduurzaming waar bedrijven gebruik van kunnen maken. Hieronder vallen ook energiebesparende maatregelen die helpen om de energiekosten van een bedrijf te verlagen.
Hoeveel bedrijven in de Nederlandse maakindustrie dreigen door de opnieuw stijgende energieprijzen binnen het komende jaar ook failliet te gaan?
Het is onmogelijk om exact te voorspellen welke bedrijven failliet gaan door hoge energieprijzen. Faillissementen ontstaan vrijwel altijd door een stapeling van factoren, waarbij energiekosten een van die factoren kan zijn.
Wat doet u om dit te voorkomen?
Het kabinet werkt aan een versterking van de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie. Zie daarvoor ook de inzet van dit kabinet zoals genoemd in antwoord op vraag 4. Daarnaast is het kabinet in regulier overleg met VNO-NCW en de verschillende brancheverenigingen over de gevolgen van de hoge energieprijzen voor het Nederlandse bedrijfsleven.
Bent u het ermee eens dat de Nederlandse maakindustrie, waaronder de papier- en kartonproductie, essentieel is voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is een gezonde en vitale industrie essentieel voor Nederland en van substantieel belang voor de (regionale) economie in Nederland. De industrie draagt voor een belangrijk deel bij aan het verdienvermogen van Nederland en daarmee aan onze welvaart nu en in de toekomst. Voor de toekomst van de Nederlandse industrie is het van belang in te blijven zetten op de groene transitie, maar ook op nieuw verdienvermogen, en meer strategische autonomie. Het kabinet kiest dan ook voor een balans in het Europese en Nederlandse klimaat- energie- en industriebeleid. Hierin gaan concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid hand in hand.
Welke stappen neemt u om de ontslagen medewerkers van Coldenhove zo snel mogelijk aan nieuw werk te helpen?
Wanneer de curator overgaat tot ontslag van de werknemers kunnen zij afhankelijk van hun werkverleden bij UWV of hun gemeente terecht voor ondersteuning richting nieuw werk. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de dienstverlening en de publiek-private samenwerking in en via het Werkcentrum.
Bent u het ermee eens dat een eventuele doorstart voor de medewerkers van Coldenhove een oplossing zou kunnen zijn? Zo ja, welke stappen neemt u om een eventuele doorstart van Coldenhove mogelijk te maken?
Hierin is de rijksoverheid geen partij. Dit behoort tot de technische mogelijkheden maar dit is aan de curator.
Gaat u in gesprek met de provincie Gelderland om eventuele obstakels voor een doorstart van de papier- en kartonindustrie in Eerbeek weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 9 gegeven, is een eventuele doorstart aan de curator.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Toezeggingen over omzetplafonds in de GGZ. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 waarin de toenmalig Staatssecretaris stelde dat er een scenario zou worden verkend waarin het gebruik van omzetplafonds voor het deel van de cliëntenpopulatie die cruciale ggz nodig heeft, door zorgverzekeraars op termijn volledig of gedeeltelijk kan worden beëindigd en dat de Kamer hierover in voorjaar 2026 over zou worden geïnformeerd?1
Er wordt momenteel verkend op welke wijze de afhankelijkheid van omzetplafonds in de ggz kan worden verminderd. Deze verkenning wordt uitgewerkt in een routekaart voor passende ggz, waarbij de afbouw van omzetplafonds in samenhang wordt bezien met het ontwikkelen en verbeteren van alternatieve sturingsinstrumenten.
De routekaart moet daarmee de afhankelijkheid van omzetplafonds verkleinen en de sturing van zorgverzekeraars op de beweging van lichte naar zwaardere ggz versterken. Dit gebeurt onder andere door het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden op het gebied van informatievoorziening, kwaliteit en aanspraken. In aansluiting op de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) moet dit er uiteindelijk toe bijdragen dat het zorgaanbod beter aansluit op de zorgvraag. Voor de zomer zal het kabinet de Kamer informeren over de stand van zaken.
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 met betrekking tot het actief toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wat de effecten van omzetplafonds zijn op zorgaanbieders die er mogelijk toe leiden dat beschikbare behandelcapaciteit in de cruciale ggz onbenut blijft en hier cijfermatige duiding bij te geven?
VWS en de NZa kiezen ervoor het toegezegde onderzoek naar de effecten van omzetplafonds in de ggz breed en grondig vorm te geven, zodat inzicht wordt verkregen in de samenhang tussen bijcontractering, zorgbemiddeling, behandelcapaciteit en wachtlijsten. Ook wordt hierbij gekeken of er sprake is van eventuele signalen over beschikbare maar mogelijk onbenutte capaciteit bij zorgaanbieders, bijvoorbeeld wanneer aanbieders via bijcontractering aangeven meer patiënten te kunnen behandelen. Wanneer een verzoek tot bijcontractering wordt afgewezen, moet immers aannemelijk zijn dat de zorgverzekeraar van oordeel is dat binnen de regio al voldoende passende zorg is ingekocht of beschikbaar is via zorgbemiddeling.
Juist omdat het onderzoek ziet op de feitelijke werking van bijcontractering en zorgbemiddeling in de praktijk, vraagt dit om een zorgvuldige analyse van data en processen bij alle zorgverzekeraars. Deze bredere aanpak vraagt aanvullende inzet en capaciteit, waarover VWS en de NZa momenteel in gesprek zijn. Het onderzoek zal naar verwachting binnenkort van start gaan.
Hebt u een overzicht bij welke aanbieders van GGZ-zorg er op dit moment voor 2026 reeds een opnamestop is of op korte termijn zal zijn voor verzekerden bij een of meer verzekeraars, omdat het omzetplafond reeds is bereikt? Kunt u aangeven welke verzekeraars, aanbieders en regio’s dit betreft?
Nee, het kabinet beschikt niet over een dergelijk landelijk overzicht van ggz-aanbieders met (dreigende) opnamestops in 2026 als gevolg van bereikte omzetplafonds, uitgesplitst naar verzekeraars, aanbieders en regio’s. Contractering en afspraken over omzetplafonds vinden plaats tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders, waarbij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toeziet op de naleving van de zorgplicht. Het kabinet merkt hierbij op dat zorgverzekeraars, indien de door hen gecontracteerde capaciteit onvoldoende blijkt om aan hun zorgplicht te voldoen, verplicht zijn om aanvullende capaciteit te contracteren om alsnog aan deze zorgplicht te voldoen, voor zover dit mogelijk is gegeven de schaarste in de ggz. Daarnaast is de betreffende aanbieder verplicht de patiënt te wijzen op mogelijkheid van zorgbemiddeling in het geval dat een omzetplafond is bereik. De zorgverzekeraar kan de patiënt dan een alternatieve plek binnen de treeknorm aanbieden. Kan de zorgverzekeraar dat alternatief niet bieden, dan moet er worden bijgecontracteerd bij de oorspronkelijke aanbieder. Als het alternatief buiten het gecontracteerde aanbod van de polis valt, is de zorgverzekeraar verplicht volledige vergoeding te geven en geen eigen bijdrage voor de ongecontracteerde zorg in rekening te brengen.
De overlast van invasiewaterplanten |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overlast invasieve waterplanten. «Boosdoeners» én methoden van bestrijding in beeld» in het mei-nummer 2026 van het VISblad?1
Ja
Deelt u de constatering dat invasieve uitheemse waterplanten, zoals de waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora), zich steeds verder verspreiden in Nederlandse wateren en daarbij inheemse flora en fauna verdringen?
Ja
Kunt u een actueel overzicht geven van de verspreiding in Nederland van invasieve waterplanten, waaronder watercrassula (Crassula helmsii) en grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides), en aangeven hoe deze verspreiding zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?
Op verspreidingsatlas.nl2 is de verspreiding van een groot aantal soorten (water)planten binnen Nederland door de tijd te volgen. Zowel watercrassula (Crassula helmsii)3 als grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides)4 nemen sterk toe.
Welke ecologische gevolgen hebben deze invasieve waterplanten voor visstanden, waterkwaliteit en biodiversiteit?
De exacte effecten verschillen per gebied en per soort. Sommige invasieve waterplanten kunnen bijvoorbeeld waterlichamen met een dichte mat van stengels en bladeren overgroeien. Hierdoor worden inheemse planten verdrongen, onderwaterplanten sterven af en aanwezige dieren verdwijnen. De dichte matten en het afsterven van grote massa’s waterplanten kunnen leiden tot zuurstofgebrek in het water. Dit heeft een negatieve invloed op andere waterorganismen en kan leiden tot vissterfte.
In hoeverre belemmeren invasieve waterplanten het recreatief gebruik van wateren, waaronder sportvisserij, waterrecreatie en onderhoud van watergangen?
Bij overvloedige groei van invasieve waterplanten kunnen watergangen en waterinlaten verstopt raken. Planten kunnen hinder veroorzaken voor de pleziervaart en recreatieve mogelijkheden zoals zwemmen, duiken en sportvisserij beperken. Het beheer en onderhoud van watergangen wordt bemoeilijkt door verstopping van waterlopen en ophoping van plantenmassa bij kunstwerken, wat kan leiden tot wateroverlast.
Recreatie kan zelf ook een bron van verdere verspreiding van invasieve exoten vormen, doordat (delen van) planten meeliften met bijvoorbeeld scheepsschroeven en visgerei.
Welke rol spelen waterschappen bij de signalering, beheersing en bestrijding van invasieve waterplanten en op welke wijze vindt landelijke coördinatie plaats?
In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten5, dat door voormalig Staatssecretaris Rummenie in januari van dit jaar naar de Tweede Kamer is gestuurd, staat beschreven hoe de aanpak van invasieve exoten in ons land is georganiseerd.
Vanuit hun verantwoordelijkheid voor het waarborgen van de waterveiligheid, voldoende waterafvoer en een goede waterkwaliteit, monitoren waterschappen actief de aanwezigheid en ontwikkeling van waterplanten. Hierdoor zijn waterschappen vaak de eerste overheden die nieuwe vestigingen van invasieve waterplanten signaleren.
Wanneer invasieve soorten de doorstroming negatief beïnvloeden, kunnen de waterschappen vanuit hun waterbeheertaak maatregelen treffen om verspreiding te voorkomen en schade te beperken, bijvoorbeeld preventieve maatregelen, snelle verwijdering bij nieuwe introducties of beheersing van gevestigde populaties.
De uitvoering van bestrijdings- en beheersmaatregelen van invasieve uitheemse soorten is in Nederland grotendeels gedecentraliseerd naar provincies. Provincies zijn primair verantwoordelijk voor het natuurbeleid en de aanpak van de meeste invasieve uitheemse soorten van de Europese Unielijst, met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
De landelijke afstemming vindt plaats via verschillende overleg- en samenwerkingsstructuren, waaronder interbestuurlijke overleggen tussen Rijk, provincies en waterschappen en gezamenlijke programma’s.
Welke bestrijdings- en beheersmaatregelen worden momenteel toegepast en wat is bekend over de effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen?
Waterschappen en provincies geven aan dat zij diverse methodes toepassen, zoals machinaal en handmatig verwijderen, peilverlaging en machinaal afgraven. Er wordt ook geëxperimenteerd met nieuwe methodes zoals elektrocutie en bevriezen met droogijs.
De effectiviteit en duurzaamheid van deze maatregelen zijn in de praktijk echter vaak beperkt. Veel invasieve waterplanten kunnen zich snel herstellen en verspreiden zich via fragmenten, waardoor herhaald beheer noodzakelijk is. Bestrijding leidt zelden tot volledige uitroeiing en het langdurig treffen van beheersmaatregelen blijft vaak nodig. Om die reden wordt veelal ingezet op het beperken van schade en risico’s in plaats van volledige eliminatie.
Zijn er volgens u voldoende financiële en personele middelen beschikbaar bij waterschappen en andere beheerders om de problematiek van invasieve waterplanten effectief aan te pakken?
In het kader van het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is over specifieke invasieve exoten die de waterschappen aangaan (waaronder invasieve uitheemse waterplanten) tussen LVVN, provincies en de Unie van Waterschappen (UvW) ambtelijk afstemming geweest. Voor waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
De aanpak van invasieve waterplanten vraagt om een structurele inzet van financiële en personele middelen. Hoewel waterschappen en andere beheerders zich actief inzetten, staan deze middelen in de praktijk onder druk. Bestrijding is arbeidsintensief, langdurig en moet vaak worden herhaald, terwijl de effectiviteit van maatregelen beperkt kan zijn. In de praktijk wordt de inzet gericht op prioritering en het beheersen van de grootste risico’s.
Ik heb geen zicht op de financiële en personele middelen bij beheerders. Waterschappen hebben echter aangegeven in 2024 € 6,1 mln. uitgegeven te hebben aan de bestrijding van invasieve waterplanten, uitgevoerd door externe partijen. Ten algemene geldt dat LVVN en provincies vanuit het natuurbeleid (waaronder het exotenbeleid) afspraken maken over prioritering en de aanpak van invasieve exoten, met daarbij de ambities per soort en een financieringsopgave voor de komende vier jaar. Deze afspraken zijn opgenomen in het aanvalsplan invasieve exoten. Met de beschikbare middelen wordt prioriteit gegeven aan preventie en vroegtijdige detectie en eliminatie van invasieve exoten waarvoor eliminatie het doel is. Daarnaast heb ik dit jaar specifiek voor de aanpak van invasieve waterplanten in natuurgebieden door provincies € 6,5 mln. euro gereserveerd op de LVVN-begroting, om in een aantal natuurgebieden een eerste start te maken.
In hoeverre draagt de verkoop van potentieel invasieve waterplanten via tuincentra en webshops bij aan verdere verspreiding in het Nederlandse watersysteem?
Van een aantal invasieve waterplanten is bekend dat ze in het verleden verhandeld werden in de vijver- en aquariumhandel. Hoewel de handel in soorten van de Europese Unielijst van zorgwekkende invasieve exoten (verder: Unielijst) inmiddels is verboden, worden nog steeds waterplanten aangeboden waarvan bekend is dat ze onder bepaalde omstandigheden invasief kunnen worden. De handel heeft dus bijgedragen aan de aanwezigheid van invasieve waterplanten in Nederland. Daadwerkelijke introductie in het milieu gebeurt veelal door bewust of onbewust weggooien van invasieve vijver- of aquariumplanten door consumenten. Verdere verspreiding kan vervolgens op uiteenlopende manieren plaatsvinden, onder andere door werkzaamheden en recreatie. Vanuit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten worden daarom acties voorbereid die gericht zijn op preventie en bewustwording van onder andere consumenten en tuinbranche.
Kunt u toelichten hoe Nederland uitvoering geeft aan de Europese exotenverordening (Verordening (EU) nr. 1143/2014) voor wat betreft invasieve waterplanten?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd, binnen Nederland en in Europees verband. Het bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid.
Rijk, provincies en waterschappen werken samen om invasieve exoten aan te pakken. Ze hebben daarbij ieder hun eigen verantwoordelijkheden. Het Ministerie van LVVN is verantwoordelijk voor nationaal beleid op het gebied van natuur en biodiversiteit en systeemverantwoordelijk voor het exotenbeleid. Met betrekking tot invasieve exoten vallen onder de verantwoordelijkheid van LVVN taken zoals preventie, onderzoek, monitoring, communicatie, toezicht en handhaving, risicobeoordelingen, rapportage aan Brussel.
Uitvoering van het natuurbeleid is in Nederland in 2012 grotendeels gedecentraliseerd naar de provincies. Na de inwerkingtreding van de Exotenverordening is vervolgens in 2018 ook de verantwoordelijkheid voor het treffen van bestrijdings- en beheersmaatregelen tegen de meeste invasieve exoten van de Unielijst gedecentraliseerd naar de provincies. Provincies zijn ook verantwoordelijk voor herstelmaatregelen in natuurgebieden met het oog op bescherming van de biodiversiteit.
Het Rijk en provincies hebben afspraken gemaakt over het ambitieniveau per soort van de Unielijst. Voor een aantal soorten van de Unielijst is artikel 17 van de Europese Exotenverordening van toepassing. Dit zijn soorten die nog niet in Nederland voorkomen of in een vroeg stadium van invasie zijn en waarvoor een eliminatiedoelstelling geldt. Soorten die wijdverspreid zijn, zijn meestal niet meer volledig te verwijderen en vallen onder artikel 19 van de Europese Exotenverordening. De Exotenverordening schrijft voor dat lidstaten beheersmaatregelen moeten treffen tegen deze soorten. Lidstaten hebben beleidsruimte om zelf te bepalen hoe zij hier invulling aan geven.
De goede ecologische waterkwaliteit conform de Kaderrichtlijn Water (KRW) valt onder de systeemverantwoordelijkheid van het Ministerie van IenW. In de Rijkswateren is de uitvoering van deze taak belegd bij Rijkswaterstaat (RWS).
De waterschappen zien toe op het functioneren van het waterbeheer in regionale wateren. Beheer vindt plaats vanuit hun taken op gebied van waterbeheer (aan- en afvoer) en waterkwaliteit (KRW). Voor invasieve waterplanten geldt dat waterschappen deze ruimen als ze de water aan- en afvoer belemmeren.
Klopt het dat verbodsbepalingen uit de Europese exotenverordening uitsluitend gelden voor soorten die zijn opgenomen op de zogeheten Unielijst en dat invasieve uitheemse soorten die niet op deze lijst staan nog steeds verhandeld mogen worden?
Ja. Wel geldt sinds 2022 in Nederland ook een nationaal handelsverbod voor drie Aziatische duizendknopen. Deze staan sinds augustus 2025 ook op de Unielijst.
Acht u het wenselijk dat ernstig schadelijke invasieve waterplanten die (nog) niet op de Unielijst staan nationaal beperkender worden gereguleerd, bijvoorbeeld via verkoopverboden of aanvullende beheersmaatregelen?
Voor soorten die (nog) niet op de Unielijst staan kan overwogen worden om een nationaal handelsverbod in te stellen. In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten staat dat een mogelijk nationaal handelsverbod op «typisch Nederlandse» invasieve exoten, waaronder de gele bieslelie, wordt verkend. De gele bieslelie staat deels in het water, meestal op de oever, maar ook op de hogere droge delen.
Een handelsverbod kan een effectieve maatregel zijn om nieuwe introducties binnen Nederland tegen te gaan. Hier dient wel een goede onderbouwing aan ten grondslag te liggen. Een nationaal handelsverbod kan ook uitwerking hebben op het ónopzettelijk verspreiden of importeren van deze invasieve exoten. Zoals in het geval dat de invasieve exoot of delen daarvan (zaden, stengel- of worteldelen) onopzettelijk meelift in andere producten of materialen (zoals potplanten, grond of bagger).
Hoe zijn de verantwoordelijkheden op het terrein van invasieve waterplanten verdeeld tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en leidt deze verdeling in de praktijk tot knelpunten in de aanpak?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Welke rol spelen maatschappelijke organisaties, waaronder hengelsportorganisaties en natuurbeheerders, bij het signaleren en bestrijden van invasieve waterplanten?
Deze organisaties kunnen bijdragen aan het signaleren, melden en vrijwillig bestrijden van invasieve waterplanten. Samenwerking tussen waterbeheerders en deze partijen is van groot belang omdat invasieve waterplanten zich makkelijk via het water kunnen verspreiden. Deze organisaties hebben een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van verdere verspreiding via onzorgvuldig gebruik of onderhoud van onder meer scheepshuiden, -schroeven, ballastwater of visgerei.
Wordt het effect van bestrijding en beheer van invasieve waterplanten structureel gemonitord en zo ja, hoe worden deze resultaten gebruikt voor beleidsverbetering?
Er vindt monitoring van verspreiding plaats via een landelijk systeem waarin de kennisorganisaties een belangrijke rol spelen. De resultaten van deze monitoring worden gebruikt om verspreiding en effectiviteit van maatregelen te volgen, beheerstrategieën en prioriteiten bij te stellen en beleid gericht te verbeteren. Monitoring en kennisuitwisseling vormen daarmee een essentieel onderdeel van de doorontwikkeling van het exotenbeleid. Ik ben in overleg met provincies over het ontwikkelen van een online tool waarmee de verspreiding, de bestrijding en het beheer van invasieve exoten en het effect van die aanpak structureel gemonitord gaat worden. Invasieve waterplanten kunnen hier ook een plek in krijgen. Ik ben van plan om voor de ontwikkeling middelen vrij te maken, als een van de maatregelen uit het landelijk aanvalsplan invasieve exoten. De waterschappen monitoren de invasieve waterplanten in het kader van de Bedrijfsvergelijkingen. Deze cijfers worden gebruikt voor het volgen van trends en ontwikkelingen ten behoeve van het eigen beheer.
Bent u bereid te komen tot een nationale strategie voor invasieve waterplanten, waarin preventie, handel, bestrijding, verantwoordelijkheidsverdeling en samenhang met doelen uit de Kaderrichtlijn Water expliciet worden betrokken?
Het landelijk aanvalsplan invasieve exoten dat in januari 2026 door Staatssecretaris Rummenie naar de Tweede Kamer is gestuurd beschrijft hoe de aanpak vanuit het natuurbeleid op dit moment is georganiseerd (binnen Nederland en in Europees verband), welke acties genomen gaan worden om de aanpak te versterken en welke financiële consequenties daaraan verbonden zijn. Het aanvalsplan bevat voorstellen voor doorontwikkeling en versteviging van het exotenbeleid. De aanpak van invasieve waterplanten vormt hier een integraal onderdeel van. Onderliggend doel van het exotenbeleid en van het aanvalsplan is de nadelige gevolgen van invasieve exoten voor de biodiversiteit en voor ecosysteemdiensten te voorkomen, tot een minimum te beperken en te matigen. Daarbij draagt het aanvalsplan direct en indirect ook bij aan andere maatschappelijke doelstellingen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Erkent u dat snelgroeiende waterplanten in onder andere het Markermeer en de Randmeren leiden tot onveilige situaties voor watersporters en zwemmers?
Het is mij bekend dat watersporters en zwemmers hinder kunnen ondervinden van waterplanten en dat dit in sommige gevallen kan leiden tot onveilige situaties.
Hoe beoordeelt u het feit dat boten regelmatig vastlopen en zelfs reddingsboten hinder ondervinden van waterplanten?
Dat is vervelend, maar niet altijd te voorkomen. Inheemse waterplanten maken deel uit van en dragen bij aan een gezond ecosysteem.
Kunt u aangeven hoe vaak hulpdiensten, zoals de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM), moeten uitrukken vanwege problemen met waterplanten en hoe deze trend zich ontwikkelt?
Hierover zijn binnen mijn ministerie geen cijfers bekend.
Bent u bereid om met de KNRM in gesprek te gaan over de overlast van waterplanten zodat voorkomen kan worden dat ze onnodig veel moeten uitrukken.
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaarwegen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Ik zie daarin geen rol voor mij weggelegd.
Deelt u de zorg dat watersporters soms risicovolle handelingen verrichten om hun schroef vrij te maken, met mogelijk levensgevaarlijke situaties tot gevolg?
Dat is zorgelijk, maar het is ook de eigen verantwoordelijkheid van de recreant om eventuele waterplanten op een veilige manier te verwijderen.
Waarom worden waterplanten voornamelijk gemaaid in hoofdvaargeulen, terwijl recreatiegebieden en zwemlocaties relatief onbehandeld blijven?
Het verminderen van overlast door waterplanten in vaargeulen is een verantwoordelijkheid van de betreffende vaarwegbeheerders. Beheersing van waterplanten is erg intensief en daardoor kostbaar. Bovendien zijn inheemse waterplanten onderdeel van en dragen ze bij aan een gezond water ecosysteem. Daarom moeten keuzes worden gemaakt waar welke inzet op wordt gepleegd. Waterplanten worden in de praktijk vooral door vaarwegbeheerders gemaaid in hoofdvaargeulen omdat hier doorstroming, waterafvoer en veiligheid leidend zijn. Het vrijhouden van deze geulen is noodzakelijk om het waterbeheer te kunnen uitvoeren en om risico’s voor wateroverlast en scheepvaart te voorkomen.
Welke concrete maatregelen neemt u om de veiligheid buiten de hoofdvaargeulen te verbeteren, waar juist veel recreanten aanwezig zijn?
Dit valt niet onder mijn verantwoordelijkheid als Minister van LVVN, maar is primair een taak van de waterbeheerders.
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Ja, deze zorgen deel ik. Desinformatie over de Holocaust kan zich via sociale media snel verspreiden en het onderwijs hierover bemoeilijken. Daarom zet het Ministerie van OCW in op het versterken van mediawijsheid en digitale geletterdheid, zodat leerlingen beter leren omgaan met (des)informatie en de betrouwbaarheid van bronnen kunnen beoordelen.
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Het niet kunnen onderscheiden van een AI-gegenereerde afbeelding van een echte afbeelding hoeft niet direct samen te hangen met een gebrek aan historische basiskennis. Historische basiskennis is wel degelijk zeer belangrijk. Dezedie helpt leerlingen in weerbaarheid tegen desinformatie over de Holocaust. Daarom wordt vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie ingezet op het versterken van kennis over de Holocaust en het ondersteunen van docenten hierbij.
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Dit beeld herken ik voor een deel. Het Ministerie van OCW heeft in 2025 een docentenpeiling laten uitvoeren naar bevorderende en belemmerende factoren bij het geven van holocausteducatie.2 Een deel van de docenten (14%) geeft wel aan dat zij te maken hebben gehad met Holocaustontkenning; voor Holocaustbagatellisering of -verdraaiing is dit 38 procent van de docenten (waarbinnen de helft aangeeft dat dit «heel soms» gebeurt). Ook komt het geregeld voor dat docenten merken dat een leerling des- of misinformatie tot zich heeft genomen: een kwart van de docenten geeft aan dat dit «soms» of vaker gebeurde.
Ons oordeel op basis van deze cijfers is dat des- en misinformatie over de Holocaust een reëel en zorgelijk probleem is, ook al manifesteert het zich niet in alle klassen even sterk en speelt het breder dan alleen op dit onderwerp. De meeste docenten geven aan dat ze dit in hun lessen gebruiken en geen behoefte hebben aan extra ondersteuning.
Dertien procent van de docenten heeft wel behoefte aan ondersteuning bij het omgaan met Holocaustontkenning of -verstoring en 12% bij het omgaan met heftige discussies in de klas. Daarom zet het kabinet via het Nationaal Plan Holocausteducatie in op versterking van holocausteducatie. In september 2025 is vanuit amendement Ceder c.s. II3 een project van start gegaan dat zich richt op gastlessen over antisemitisme, racisme en discriminatie, waarbij persoonlijke verhalen centraal staan. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan antisemitische stereotypen en aan complottheorieën. Ik ben zelf met leraren in gesprek over wat nodig is om dergelijke thema’s en schurende onderwerpen goed te kunnen bespreken in de klas. Ook dragen de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid bij aan de toerusting van leerlingen om om des- en misinformatie te herkennen en kritisch te beoordelen. Daarbij worden docenten onder meer ondersteund via de subsidie Schurende Gesprekken van het Expertisepunt Burgerschap, die scholingsaanbod biedt in het voeren van gesprekken over gevoelige en maatschappelijk beladen onderwerpen in de klas.
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 blijkt dat de helft van de docenten bekend is met de conceptkerndoelen digitale geletterdheid en een kwart hier al mee werkt. De huidige curriculumherziening en -implementatie brengt dit nieuwe leergebied alleen maar nog meer onder de aandacht onder docenten.
Om docenten te ondersteunen is het Expertisepunt Digitale Geletterdheid opgericht. Dit expertisepunt verzamelt en ontsluit bestaande materialen en kan helpen om thema’s zoals online des- en misinformatie beter onder de aandacht te brengen. Daarnaast wordt er via het Expertisepunt Burgerschap scholingsaanbod ontsloten voor docenten voor het voeren van moeilijke gesprekken in de klas, dit kan gaan over polarisatie, maatschappelijke spanningen, maar ook over (online) desinformatie: Scholingsaanbod - Scholingsaanbod Schurende gesprekken. Dit onderwerp vraagt echter blijvende aandacht gezien de snelheid waarmee digitale ontwikkelingen en vormen van des- en misinformatie zich ontwikkelen.
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Met de ontwikkeling van nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid wordt gewerkt aan een stevigere verankering van digitale geletterdheid binnen het onderwijs. Deze kerndoelen bieden scholen en docenten meer handvatten om structureel aandacht te besteden aan mediawijsheid, online informatievaardigheden en het herkennen van des- en misinformatie. Scholen worden daarnaast ondersteund bij de implementatie van de kerndoelen, zodat scholen het leergebied digitale geletterdheid op een passende manier in hun onderwijs kunnen integreren. Op dit moment vind ik nog meer additionele maatregelen daarom niet nodig. Het kabinet blijft de voortgang op dit gebied monitoren en blijft, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, in gesprek met leraren over de implementatie van de kerndoelen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
De mogelijkheid om met AI-toepassingen realistisch ogende beelden te genereren brengt risico’s met zich mee, zeker wanneer het gaat om gevoelige historische gebeurtenissen zoals de Holocaust. AI-gegenereerde beelden kunnen bijdragen aan verwarring, misleiding en bagatellisering van historische feiten. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd raakt dit aan een bredere maatschappelijke ontwikkeling rondom generatieve AI en online desinformatie. Daarom zet het kabinet in op meerdere sporen: het versterken van digitale burgerschap en mediawijsheid via het onderwijs (o.a. met het Regieplan Digitalisering onderwijs), het stimuleren van verantwoord gebruik van AI en effectieve regulering van platforms via de DSA en nieuwe Europese regels rondom AI, en het toewerken naar een digitale publieke ruimte waarin publieke waarden, gebruikersbelangen, keuzevrijheid en democratische weerbaarheid centraal staan.
Tegelijkertijd geldt dat generatieve AI op zichzelf een technologie is met zowel positieve als negatieve toepassingen. Het kabinet acht het daarom van belang om gericht op te treden tegen onrechtmatig gebruik en verspreiding van dergelijke beelden, zonder afbreuk te doen aan fundamentele rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
Indien sprake is van uitingen die kwalificeren als groepsbelediging, aanzetten tot haat of discriminatie, of het opzettelijk bagatelliseren, ontkennen of goedkeuren van de Holocaust op een wijze die strafbaar is onder het Wetboek van Strafrecht, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Daarnaast wordt op Europees niveau gewerkt aan verdere normering van verantwoord AI-gebruik via onder meer de AI-verordening, die onder meer transparantieverplichtingen bevat voor aanbieders van AI-systemen die synthetische audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren. Zij moeten er op grond van de verordening voor zorgen dat de outputs van het AI-systeem worden gemarkeerd als kunstmatig gegenereerd of gemanipuleerd. Met andere woorden: AI-gegenereerde nepbeelden moeten als zodanig herkenbaar zijn.
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Indien AI-gegenereerde Holocaustbeelden worden gebruikt op een wijze die strafbaar is, bestaan verschillende instrumenten om daartegen op te treden. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan sprake zijn van strafbare feiten zoals groepsbelediging (artikel 137c, tweede lid Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (artikel 137d Sr) of andere strafbare vormen van Holocaustontkenning of -bagatellisering.
Het Openbaar Ministerie kan strafrechtelijk onderzoek verrichten en vervolging instellen. Het OM en de politie kunnen bij aangiften of meldingen van strafbare online content een vrijwillig verwijderverzoek richten aan de betreffende hostingdienst of het online platform om content offline te krijgen. Als dat niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken voor zover een aanbieder in Nederland gevestigd is. Geeft een aanbieder geen gehoor aan zo’n bevel, dan vervalt de bescherming tegen strafrechtelijke vervolging uit artikel 54a Wetboek van Strafrecht. Werkt een aanbieder wél mee, dan biedt artikel 54a Sr bescherming tegen strafrechtelijke vervolging. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat, maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijkheid van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten via een internationaal rechtshulpverzoek.
Op grond van de DSA gelden zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten, onder meer gericht op het tegengaan van de verspreiding van illegale content. Hostingdiensten, waaronder online platforms en sociale mediadiensten, moeten onder meer voorzien in mechanismen om personen of entiteiten de mogelijkheid te bieden illegale inhoud bij hen te melden en zij moeten deze meldingen tijdig en adequaat beoordelen en daarover beslissen. Meldingen van zogeheten betrouwbare flaggers dienen met voorrang te worden behandeld. Zo is Meld Online Discriminatie (MOD) onder de DSA als betrouwbare flagger aangewezen. Daarnaast moeten aangewezen zeer grote online platforms (VLOP’s) de zogeheten systeemrisico’s van hun dienst in kaart brengen en mitigeren, waaronder het risico op de verspreiding van desinformatie.
Indien sprake is van niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van de aangewezen zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines geldt dat de Europese Commissie de primaire bevoegde toezichthouder is op de naleving van de DSA. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of tussenhandeldiensten voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Wanneer sociale media-platforms strafbare content verspreiden, kunnen opsporingsinstanties en het OM optreden binnen de bestaande wettelijke kaders. Dat kan in specifieke gevallen leiden tot strafrechtelijke vervolging of verzoeken tot verwijdering van content. Daarnaast zet het kabinet in op een goede toepassing en de effectieve handhaving van de DSA, als belangrijk Europees wettelijk kader voor een veiligere online omgeving, waaronder de daaruit voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichtingen om illegale content en misbruik tegen te gaan en, voor zeer grote onlineplatforms, het beheersen van systeemrisico’s. De verspreiding van desinformatie of AI-gegenereerde nepbeelden, kan zo’n systeemrisico vormen.
Het kabinet blijft in gesprek met platforms over hun verantwoordelijkheid bij de bestrijding van illegale content en desinformatie. Ook heeft het kabinet samen met het onderwijs richtlijnen over het gebruik van sociale media op verschillende leeftijden en in relatie tot school gepubliceerd.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Het kabinet zoekt op het terrein van online content moderatie de dialoog met online platforms. In dit verband is relevant dat in 2023 een publiek-private samenwerking (PPS) is ingericht, onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP), die het gesprek tussen overheid en internetsector faciliteert over onder meer trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. Mijn ministerie verkent, samen met andere departementen, hoe de aanpak van online desinformatie, online discriminatie en antisemitisme hierin kan worden betrokken. Voor wat betreft de DSA, is het aan de bevoegde toezichthouders om toe te zien op de naleving daarvan. Het onderwerp desinformatie staat daarbij, ook op Europees niveau, op de agenda. Signalen over desinformatie en AI-geregenereerde nepbeelden over de Holocaust zijn doorgeven aan de ACM en de Europese Commissie.
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.