De uitspraken van bestuursvoorzitter Air France-KLM over de dividenduitkeringen van Schiphol. |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-interview1 met Benjamin Smith, bestuursvoorzitter van Air France-KLM?
Ja.
Klopt de uitspraak van Benjamin Smith die stelt dat Schiphol in 2025 een recordwinst heeft geboekt en het hoogste dividend ooit uitkeert aan de staat en de andere aandeelhouders?
Schiphol heeft over 2025 een winst geboekt van € 550 mln. Dit is de hoogste winst die Schiphol ooit geboekt heeft. Schiphol stelt voor om € 162 mln. dividend uit te keren. Hierover moet de aandeelhoudersvergadering (AvA) nog een besluit nemen. Het dividendvoorstel van Schiphol is niet het hoogste dividend ooit, zo werd er in 2008 € 593 mln. aan de aandeelhouders van Schiphol uitgekeerd (inclusief superdividend).
Hoeveel dividend heeft de staat per jaar ontvangen tussen boekjaren 2015 en 2025?
In onderstaande tabel is vermeld wat er over boekjaren 2015–2025 aan de staat (met een aandelenbelang van 69,8%) is uitgekeerd. Zie ook de jaarverslagen van Schiphol en ook het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen over deze jaren.
Boekjaar
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Ontvangen dividend (in mln. euro) door de staat (uitbetaald in t+1)
131
104
105
82
0
0
0
0
0
0
Nog vast te stellen
Hoe verklaart u dat de bestuursvoorzitter van Air France-KLM – een private, commerciële partij – publiekelijk uitspraken doet over het dividend van Schiphol over boekjaar 2025, terwijl de aandeelhoudersvergadering pas in april 2026 plaatsvindt en het dividendbesluit dus formeel nog niet is genomen?
Schiphol heeft in een persbericht op 13 februari 2026 bekendgemaakt over boekjaar 2025 € 162 mln. aan haar aandeelhouders te willen uitkeren2. Dit is een voornemen, het definitieve besluit wordt op de aandeelhoudersvergadering in april vastgesteld door de aandeelhouders. Dit betreft een gebruikelijke gang van zaken, ook andere deelnemingen en beursgenoteerde ondernemingen nemen het dividendvoorstel op in hun jaarverslagen waarna de daadwerkelijke dividenduitkering pas later door de aandeelhoudersvergadering wordt vastgesteld.
Heeft Schiphol of de Staat aan Air France-KLM informatie verstrekt over de verwachte dividenduitkering over 2025 die niet aan de Kamer is verstrekt, en zo ja, op welke juridische of beleidsmatige grondslag is deze informatie wel met een private partij gedeeld maar niet met de Kamer?
Nee, zoals bij het antwoord op vraag 4 beschreven is deze informatie openbaar.
Waarom kan informatie wel met een private partij, zoals Air France-KLM, gedeeld worden en niet met de Kamer, gegeven uw eerdere weigering op grond van bedrijfsvertrouwelijkheid2
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 betreft dit openbare informatie. Deze informatie kon gepubliceerd worden aangezien dit gerealiseerd resultaat betreft en geen bedrijfsvertrouwelijke toekomstverwachting.
Bent u bereid de Kamer alsnog te informeren over de verwachte dividenduitkering over boekjaar 2025, nu het argument van bedrijfsvertrouwelijkheid is komen te vervallen doordat deze informatie al publiekelijk door een private partij verspreid is?
Zoals vermeld in de antwoorden op eerdere Kamervragen4 is het voorstel van Schiphol een winstuitkeringspercentage van 30% in 2026 over boekjaar 2025. De bovengenoemde € 162 mln. (totale dividend aan alle aandeelhouders) is 30% van de aan de aandeelhouders toekomende winst, zijnde € 539 mln.5
Het bericht ‘Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: ‘Dit is zeer zorgelijk’' |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: «Dit is zeer zorgelijk»»?1
Hoe kan het dat Chemelot jarenlang kennelijk veel meer kankerverwekkende stoffen uitstoot dan het rapporteert? Waarom stelt de provincie vertrouwen te hebben in de cijfers van Chemelot, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) daar geen zekerheid over geeft?
Hoe reageert u op emeritus-hoogleraar Toxicologie Martin van den Berg, die stelt dat «de uitstoot dusdanig overschrijdend is dat de omgevingsdienst hier direct met Chemelot over om tafel had gemoeten»?
Is Chemelot inderdaad meteen aangesproken en welke maatregelen heeft de provincie genomen?
Wat zijn de gezondheidseffecten en de potentiële risico’s van de stapeling van schadelijke stoffen voor de omwonenden?
Wat betekent het volgens u dat uit onderzoek blijkt dat omwonenden van Chemelot hun gezondheid structureel lager beoordelen dan het landelijk gemiddelde, dat de zorgkosten daar aanzienlijk hoger liggen dan het landelijk gemiddelde en dat omwonenden van Chemelot – in vergelijking met andere Nederlandse gemeenten – significant meer chronische ziekten, een minder goede algemene gezondheid en een lager mentaal welzijn rapporteren?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Gera Nagelhout dat de waslijst aan gezondheidsklachten in de regio angstaanjagend is (vaker astma, longaandoeningen, hart- en vaatziekten, kanker, slaapproblemen, geluidsoverlast, etc.)?
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Van Schayck dat er in het Chemelot-rapport gekeken is naar slechts drie afzonderlijk gerapporteerde zeer zorgwekkende stoffen (terwijl er meer schadelijke stoffen zijn uitgestoten) en dat als de logische stap was gezet om het effect van die stoffen bij elkaar op te tellen, de uitstoot boven de grenswaardes van wat gevaarlijk is zou uitkomen?
Waarom is er niet gerapporteerd over de nog ongeveer twaalf andere zeer zorgwekkende stoffen die bij de vergunning horen?
Wordt er nog op korte termijn gekeken wat de stapeling en cocktail aan schadelijke stoffen voor effect heeft op de gezondheid van de omwonenden? Op welke manier wordt in de tussentijd het voorzorgsbeginsel toegepast?
Bent u het ermee eens dat extra bescherming van de gezondheid van omwonenden niet nog jarenlang op onderzoek mag wachten, maar dat er uit voorzorg extra maatregelen moeten worden getroffen? Zo nee, waarom neemt u onnodige risico’s met de gezondheid van mens en milieu?
Bent u het met hoogleraar Van Schayck eens dat de provincie als vergunningverlener moet eisen dat de ontbrekende concentraties van zeer zorgwekkende stoffen in kaart worden gebracht en dat als Chemelot zich niet aan de vergunning houdt, er handhavend moet worden opgetreden?
Wanneer zijn de voor milieu en gezondheid belangrijkste vergunningen van Chemelot voor het laatst geactualiseerd en aangescherpt?
Klopt het dat Chemelot schadelijke stoffen loost die kilometers worden verspreid en steeds uit het drinkwater moeten worden gezuiverd op kosten van de belastingbetaler?
Is er in het kader van de doelen van de Kaderrichtlijn Water, bescherming van natuur en (de kosten van) drinkwaterkwaliteit overwogen om de lozingsvergunningen voor Chemelot aan te scherpen, in ieder geval vanaf 2027? Zo ja, wat gebeurt er dan concreet? Zo nee, waarom niet?
Is er bereidheid om te kijken naar het effect van de combinatie van schadelijke chemische stoffen, microplastics en zware metalen op het milieu en de gezondheid en bijvoorbeeld de Hazard Index te gebruiken? Zo ja, hoe precies? Zo nee, waarom blijven we dan onnodige risico’s nemen met gezondheid van mens en milieu?
Weet u nog dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeerde dat onder andere de gezondheidsschade door de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in Nederland 46 miljard euro per jaar kost?
Wat zijn in euro’s ongeveer de kosten van de schade die Chemelot veroorzaakt?
Bent u zich bewust van het feit dat de Algemene Rekenkamer het toezicht op vervuilende lozingen ontoereikend en zorgwekkend vindt en hoe kijkt u vanuit die conclusies naar de casus van Chemelot?2
Bent u zich bewust van het feit dat er vaker geconstateerd is dat uitstootgegevens die bedrijven rapporteren niet blijken te kloppen met echt onafhankelijke metingen en dat vanuit onder andere burgers, maatschappelijke organisaties, gezondheidsexperts (zoals de Expertgroep Gezondheid IJmond) en medeoverheden er een roep is om meer en onafhankelijk te meten bij bedrijven en regelgeving en toezicht op grote vervuilende bedrijven aan te scherpen?
Bent u zich ervan bewust dat de omgevingsdienst als toezichthouder op Tata Steel daarom terecht sinds een paar jaar als beleid heeft juist scherper aan de wind te zeilen in toezicht en handhaving bij Tata Steel, een bedrijf dat zich volgens de omgevingsdienst «calculerend en opportunistisch» gedraagt?
Wat bedoelt het kabinet dan precies met de zin uit het coalitieakkoord: «We maken afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig is»?
Hebben omwonenden er volgens u recht op om op elk moment te weten aan hoeveel schadelijke stoffen ze worden blootgesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit beter faciliteren?
Gaat u de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in staat stellen om zelf vaker nauwkeurige emissiemetingen te doen van schadelijke stoffen bij Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het provinciebestuur eerder heeft geprobeerd om de publicatie van een kritische RIVM-analyse over de kankerverwekkende uitstoot van Chemelot te voorkomen, omdat het zou kunnen zorgen voor «onrust, negatieve beeldvorming en voorbarige conclusies»? Zo ja, hoe denkt u dat dat overkomt op burgers?
Hoe reageert u op Jack Renet, oud-medewerker van Chemelot, die stelt: «Het is elke keer hetzelfde verhaal; de overheid probeert Chemelot overal buiten te houden en stopt alles onder de mat. Wederom verkiest de provincie economisch belang boven het belang van haar inwoners»?
Bent u het ermee eens dat het rapporteren van veel te lage uitstootcijfers van schadelijke stoffen een overtreding is op de Wet op de economische delicten?
Gaat u aangifte doen tegen Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het commissiedebat Leefomgeving van 2 april?
Het bericht dat QatarEnergy zich beroept op overmacht. |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte gesteld door QatarEnergy dat zij zich beroepen op overmacht en daarom op dit moment hun contractuele verplichtingen niet kunnen nakomen?1
Ja.
Kunt u aangeven of er sprake is van contractbreuk met QatarEnergy (27-jarig contract)?
De Staat heeft geen contracten met (markt)partijen, zoals QatarEnergy, over gasleveringen. Het leveren van gas wordt gedaan door energiebedrijven die hiervoor leveringscontracten sluiten. Marktpartijen hebben in deze contracten vaak clausules opgenomen waardoor het toegestaan is geen gas te leveren onder extreme omstandigheden, zoals door oorlog (force majeur/overmacht). Deze clausules zijn zeer gebruikelijk. Zonder dit soort clausules zouden de contracten veel duurder zijn. Het staat marktpartijen vrij om indien zij zich benadeeld achten en het contract geschonden is een schadevergoeding te vorderen.
Zijn er passages in het contract waarop Nederland zich in dit soort situaties zich kan beroepen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om een schadeclaim in te dienen bij QatarEnergy?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om (al dan niet vertrouwelijk) het contract met QatarEnergy ter inzage aan de Kamer te leggen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven heeft de Staat geen leveringscontracten.
Wat zijn de gevolgen voor Nederland nu QatarEnergy zich beroept op overmacht en de productie van LNG stopt?
Ik kan aangeven dat Nederland in 2025 geen LNG-volumes rechtstreeks uit Qatar heeft ontvangen via de LNG-terminals in Rotterdam en de Eemshaven. Het heeft daarom geen directe consequenties op de LNG-volumes die naar Nederland stromen. Wel zien we op de wereldmarkt dat de prijs van gas stijgt en daarmee ook op de prijs die men in Nederland hiervoor betaalt. Voor wat betreft de stopzetting van de LNG-productie door QatarEnergy en de bijbehorende leveringscontracten, daar heb ik geen kennis over.
Vindt u het niet ongelofelijk dom dat wij de gasvoorraad van Nederlandse bodem, de grootste van Europa, gaan dichtmetselen terwijl we zien dat onze leverancier van LNG in één keer de toevoer kan stoppen, om welke reden dan ook?
Nee. Zoals onder meer op 5 maart jl. aangegeven in het Commissiedebat over de Energieraad zijn er duidelijke beloftes gedaan aan Groningen en de Groningers na jaren van leed en onduidelijkheid: het Groningenveld blijft dicht. Een betrouwbare overheid komt daar niet op terug. Het verbod op winning uit het Groningenveld is in 2024 vastgelegd in een wet die met overgrote meerderheid in beide Kamers is aangenomen. Op dat moment was bekend dat de geopolitieke situatie veranderd was. Rusland was de Oekraïne al binnengevallen.
Het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld voor enkel nationaal gebruik is niet mogelijk. Nederland is immers onderdeel van een Europese gasmarkt. Dit is vastgelegd in Europese wetgeving. Op grond van deze wetgeving mogen lidstaten geen maatregelen nemen die de gasstromen binnen de interne markt beperken.
Uiteraard is het essentieel dat onze gasvoorziening op orde is. Er dreigen echter geen fysieke tekorten en het openhouden van Groningen verlaagt de prijzen op de internationale gasmarkt niet. De prijzen zullen ook dan dus hoog blijven voor huishoudens. Wel zal staatsbedrijf EBN deze zomer opnieuw de gasopslagen vullen voor zover de markt het niet doet. Daar is eerder al geld voor vrijgemaakt. Daarnaast houden we de gaswinning op de Noordzee op peil, is de importcapaciteit van LNG sinds 2022 fors uitgebreid en blijven we inzetten op duurzame energie zodat we minder afhankelijk worden van import van fossiele brandstoffen.
Bent u bereid om het Groninger gasveld opnieuw in gebruik te nemen, exclusief voor nationaal gebruik, mits u de Groningers ruimhartig en zonder bureaucratische hobbels compenseert, om zo de komende 20 jaar voor vaste (goedkope) prijzen gas aan alle Nederlanders te leveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u het ermee eens dat het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld goed is voor de Nederlandse economie en dus zorgt voor meer rust in de portemonnee? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om deze vragen voor dinsdag 15:00 uur te beantwoorden en in de tussentijd direct te beginnen met het winnen van gas van Nederlandse bodem? Zo nee, waarom niet?
Beantwoording voor dinsdag 15.00 is niet mogelijk gebleken, de vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Bent u bekend met het bericht «Extinction Rebellion lijmt deuren van meer dan dertig scholen in Amsterdam dicht: «Dit heeft niets meer met demonstratievrijheid te maken»»?1
Wat vindt u ervan dat dit soort misstanden blijft voortduren en zich uitbreidt naar nieuwe maatschappelijke sectoren en dat overheden er kennelijk niet in slagen om zulke misstanden te verijdelen of zo snel mogelijk te beëindigen voordat maatschappelijke overlast ontstaat?
In hoeverre was de gemeente vooraf op de hoogte van de plannen om scholen te blokkeren en wat is verricht om deze misstanden te voorkomen of zo snel mogelijk te beëindigen?
Hoe reageert u op de aankondiging van Extinction Rebellion (XR) dat er noodzaak zou zijn de strijd te intensiveren? Welke inspanningen verricht u om te voorkomen dat meer scholen met deze overlast te maken krijgen?
Hebben alle scholen inmiddels aangifte gedaan tegen XR? Stimuleert u scholen dit te doen en hoe bevordert u dat de kosten zoveel mogelijk verhaald worden op XR?
Onderkent u dat gezien de aanhoudende, intensieve en brede inzet van XR om de maatschappij te ontwrichten door belangrijke locaties zoals snelwegen, stations en scholen te bezetten en te blokkeren, specifieke landelijke regie en ondersteuning van gemeenten nodig is om deze organisatie de kop in te drukken en misstanden vaker te kunnen voorkomen? Wil u hierbij uitdrukkelijk aandacht besteden aan scholen?
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie een onderzoek in voorbereiding heeft om de rechter te verzoeken XR te verbieden, gezien het feit dat XR daadwerkelijk op allerlei terreinen uitwerking geeft aan de uitdrukkelijke doelstelling om de maatschappij te ontwrichten?
Hoe verhoudt de kennelijke doelstelling van XR om te maatschappij te ontwrichten zich tot de fiscale ondersteuning van de ANBI-regeling die gericht is op het bevorderen van maatschappelijk nut? Vindt u ook dat organisaties die blijkens eigen uitingen een doelstelling nastreven die in strijd is met het algemeen nut niet voor de ANBI-status in aanmerking mogen komen?
Strafbare acties van Extinction Rebellion en het blokkeren van scholen in Amsterdam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat activisten van Extinction Rebellion in de nacht van 4 op 5 maart 2026 meerdere middelbare scholen in Amsterdam hebben geblokkeerd door sloten dicht te lijmen en kettingen om schoolhekken te leggen, waardoor de toegang tot de gebouwen werd verhinderd?1
Deelt u de mening dat het dichtlijmen van sloten, het blokkeren van de toegang tot gebouwen en het veroorzaken van schade aan eigendommen simpelweg strafbare feiten zijn en niets te maken hebben met het recht op demonstratie?
Hoe beoordeelt u het feit dat Extinction Rebellion zelf aangeeft dat deze actie «nog maar het begin» is en dat verdere ontwrichtende acties worden aangekondigd?
Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht naar aanleiding van deze actie en welke strafbare feiten worden de betrokken activisten precies ten laste gelegd?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de volledige schade, herstelkosten en politie-inzet op de daders en de organisatie worden verhaald, zodat niet de samenleving maar de veroorzakers betalen?
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek moet worden aangepast of uitgebreid zodat ook organisaties die structureel maatschappelijke ontwrichting of chaos nastreven, maar op dit moment misschien niet direct onder de reikwijdte van dit wetsartikel vallen, effectiever kunnen worden verboden?
Wat gaat u verder concreet doen tegen deze anarchistische organisatie die herhaaldelijk strafbare en ontwrichtende acties organiseert en welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Extinction Rebellion opnieuw publieke voorzieningen kan blokkeren en de openbare orde kan verstoren?
Het bericht ‘Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert , Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RTL-bericht «Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland»?1
Ja.
Hoe kan het dat een Nederlands bedrijf zo lang ongemerkt illegaal producten kon exporteren naar Rusland via Azerbeidzjan die rechtstreeks nodig zijn voor de illegale oorlogsvoering ter waarde van tientallen miljoenen euro’s?
In algemene zin geldt dat sanctieomzeiling onacceptabel is. Daarom heeft de aanpak van sanctie-omzeiling de hoogste prioriteit voor het kabinet. Daarbij wordt ingezet op analyse van handelsstromen, samenwerking, handhaving en aanvullende sanctiemaatregelen waar nodig. De handhaving van sanctiemaatregelen ten aanzien van de in-, door- en uitvoer van goederen is de verantwoordelijkheid van de Douane in opdracht van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarbij wordt ook nadrukkelijk ingezet op het tegengaan van omzeiling.
In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat de Douane risicogericht handhaaft. Als er een verhoogd risico op sanctieomzeiling wordt geconstateerd, dan worden de gehanteerde risicoprofielen hierop aangescherpt. De Douane werkt nationaal en internationaal samen met andere (uitvoerings-)organisaties, de Europese Commissie en andere lidstaten om signalen die mogelijk op omzeiling wijzen uit te wisselen.
Desalniettemin blijft het tegengaan van omzeiling van de sanctiemaatregelen tegen Rusland via derde landen een grote uitdaging in de handhaving. Dit komt door de lange en complexe handelsketens, maar ook de omvang van handelsstromen vanuit Nederland. Over individuele bedrijven, specifieke handhavingsaanpak en de door de Douane onderkende risico’s doet het Kabinet geen uitspraken.
Is het bedrijf inmiddels gestopt met de illegale import? Op welke manier wordt dit gecontroleerd?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt het bedrijf gesanctioneerd, zo ja, wat is de sanctie? Zo nee, waarom niet?
Het schenden of omzeilen van EU-sancties geldt als een economisch delict. Wanneer vanuit de handhavingstaak van de Douane geconcludeerd wordt dat een bedrijf sancties heeft overtreden, wordt de zaak voorgelegd aan het OM voor strafrechtelijke vervolging. Zo heeft de Douane in 2025 422 handhavingsonderzoeken afgerond waar onder andere onderzoek is gedaan naar de naleving van de sanctiewetgeving. In 2025 zijn 16 onderzoeken overgedragen aan het Functioneel Pakket van het OM.
Wordt er meteen via het ImportGenius databedrijf uitgezocht of er meer illegale goederen worden geëxporteerd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gebruikt diverse informatiebronnen om handelsstromen richting Rusland te onderzoeken en omzeiling op te sporen.
Heeft het bedrijf Valvoline AZ nog anderszins banden met Nederland?
Het kabinet gaat niet in op individuele bedrijven. Wanneer signalen over sanctieomzeiling naar specifieke entiteiten in derde landen aan het licht komen neemt de Douane gepaste actie om dit naar de toekomst toe te voorkomen. Daarnaast vinden uiteraard ook eventuele handhavingsacties binnen Nederland plaats.
Het artikel 'Kabinet overtrad beperking wapenexport die schending mensenrechten moest voorkomen' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het nieuws dat verschillende Ministers van Buitenlandse Handel wapenexportvergunningen uitgaven aan de Verenigde Aribische Emiraten (VAE), ondanks afspraken met de Tweede Kamer en overduidelijke risico’s?1
Hoe verantwoordt u dat, ondanks de gesloten presumption of denial (POD) en aangegeven waarschuwingen voor risico’s, er toch vergunningen zijn verleend aan de VAE? Op welke gronden zijn besluiten genomen en kunnen deze gedeeld worden met de Kamer?
Zijn er andere schendingen van de presumption of denial in deze periode of daarna? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer? Zo nee, hoe bent u daar zo zeker van?
Waarom is de informatie over de vergunningen niet gedeeld met de Kamer?
Deelt u de mening dat, gezien de grootschalige investeringen in Defensie, het belangrijk is om een debat te kunnen voeren over de inzet en implicaties van de investeringen? Zo ja, hoe gaat u dit implementeren? Zo nee, waarom niet?
Hoe bent u van plan de Kamer beter mee te nemen in de beslisnota’s van wapenexportvergunningen, zeker nu we steeds meer aan militaire middelen gaan uitgeven?
Hoe bent u van plan de mensenrechten te beschermen en immorele exportvergunningen in de toekomst tegen te gaan, zeker gezien het belang van het internationaal recht zoals aangegeven in het coalitieakkoord?
Nederland toetst alle aanvragen voor de uitvoer van militaire goederen zorgvuldig aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole, waarbij duidelijke risico’s op ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht tot een afwijzing gebieden. In de toetsing worden alle belangen meegenomen, waarbij juridische verplichtingen en veiligheidsbelangen boven economische belangen staan.
Als er vanuit het ministerie vergunningen worden verleend, is dat dan eenmalig of ook voor toekomstige orders? Indien dat laatste, hoe weegt het ministerie dat met de wapenexportcriteria indien blijkt dat, na het vergeven van de vergunning, het wapenbedrijf mensenrechtenschendingen begaat?
Nederland kent afhankelijk van het type uitvoer en overdracht individuele vergunningen, globale vergunningen en algemene vergunningen.
Het kabinet heeft de bevoegdheid om, wanneer nieuwe omstandigheden zich voordoen, een verleende vergunning opnieuw te beoordelen, al is het daartoe niet verplicht. Dit heeft in het verleden ook geleid tot een intrekking van een eerder afgegeven vergunning.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat niet alleen economische belangen meespelen in het verlenen van vergunningen, maar ook morele en juridische factoren?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe staat het op heden met de wapenexportvergunningen naar de VAE, gezien de grootschalige genocide die plaatsvindt in Soedan en het aandeel van de VAE hierin?2 Kunt u inzage geven in welke vergunningen zijn verleend en op welke beslispunten dit is gebaseerd?
Nederland toetst alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen per geval conform het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole, waarbij duidelijke risico’s op ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht leiden tot een afwijzing van de vergunningaanvraag. Daarin is er verder specifieke aandacht voor het risico op omleiding van de goederen naar ongewenste eindgebruikers. Dit geldt ook voor het omleidingsrisico naar Soedan. Er zijn bij de regering geen aanwijzingen bekend dat dergelijke omleiding onder Nederlandse vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen plaatsgevonden heeft.
Voor de actuele kerngegevens over alle afgegeven vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen verwijs ik u graag naar het overzicht hierover op rijksoverheid.nl.5
Staat u achter de redenen die gegeven zijn in 2025 voor het afschaffen van de POD? Zo ja, kunt u dat toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft op 14 juli 2023 het aanvullend nationaal beleid in de vorm van de presumption of denial afgeschaft6. De presumption of denial kon ertoe leiden dat ook transacties die niet duidelijk in verband konden worden gebracht met ongewenste inzet in Syrië en Jemen, maar tegemoetkwamen aan een legitieme veiligheidsbehoefte, moesten worden afgewezen.
In de praktijk bleek de presumption of denial evenmin noodzakelijk om te voorkomen dat Nederlandse strategische goederen in Jemen of Syrië worden ingezet. Een toets van de transactie aan de acht criteria van het wapenexportbeleid, in het bijzonder aan criteria 2 «risico op schendingen van het humanitair oorlogsrecht en/of mensenrechten» en 4 «bijdrage aan regionale conflicten», had dezelfde uitkomst in geval van ongewenste transacties.
Naast de hierboven genoemde effecten past het voeren van aanvullend nationaal beleid in de vorm presumption of denial ook niet goed bij de systematiek van het Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (ook wel bekend als het Verdrag van Aken) waar Nederland zich bij wil aansluiten. In dat Verdrag vertrouwen verdragspartners op elkaars exportcontroletoets aangezien alle verdragspartijen aan dezelfde of zeer vergelijkbare toetsingskaders gebonden zijn. Voortzetting van depresumption of denial zou kunnen leiden tot een ongewenste situatie waarin Nederland dergelijke transacties onder dit Verdrag zou tegenhouden.
Vindt u het van belang dat wapenexportcriteria een belangrijke overweging zijn in het uitgeven van vergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zie gebundelde antwoord op vraag 7 en 9.
Bent u van mening dat criteria een hoge standaard moeten zetten en ervoor moeten zorgen dat militaire middelen die Nederland exporteert niet tot mensenrechtenschendingen mogen leiden? Zo nee, waarom niet?
Zie gebundelde antwoord op vraag 7 en 9.
Als u bovenstaande twee vragen positief heeft beantwoord, bent u dan van plan om opnieuw een POD in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie antwoord op vraag 11.
Bent u van plan de keuze tot toetreding van het verdrag van Aken te heroverwegen, gezien de woorden van Minister Schreinemacher aantonen dat de wapenexportcriteria afnemen door toetreding van dit Verdrag?
Conform het coalitieakkoord wenst het kabinet toe te treden tot het Verdrag inzake exportcontrole in het defensiedomein (ook wel bekend als het Verdrag van Aken). Geopolitieke ontwikkelingen maken het noodzakelijk dat Europa meer verantwoordelijkheid neemt voor de eigen veiligheid. Het kabinet zet daarom in op het verdiepen van de Europese defensiesamenwerking. Het Verdrag bevordert Europese defensiesamenwerking, specifiek de ontwikkeling en productie van defensiematerieel. Toetreding tot het Verdrag zal de bredere nationale en Europese veiligheidsbelangen dienen.
Dit verdrag berust op het vertrouwen dat verdragspartijen hebben in elkaars wapenexportcontrolesystemen, onder andere omdat deze zijn gestoeld op toetsing aan de gezamenlijk overeengekomen EU-wapenexportcriteria in het EUGS. Als verdragspartijen een uiteenlopende risico-inschatting hebben bij de uitvoer van militaire goederen naar een derde land hebben zij de mogelijkheid om elkaar te consulteren. Verdragspartijen kunnen in uitzonderlijke gevallen bezwaar maken tegen een voorgenomen export als deze in strijd wordt geacht met de nationale veiligheid of een direct nationaal belang. Ook zijn alle verdragspartijen gehouden aan de bepalingen van het VN-Wapenhandelsverdrag.7
Deelt u de mening van Frank Slijper dat radar- en communicatiesystemen niet louter defensief zijn, gezien deze apparatuur gebruikt kan worden om in kaart te brengen welke mogelijke doelwitten er zijn. Zo ja, waarom is dat argument dan wel in de casus van het artikel gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven is er in het kader van de legitieme veiligheidsbehoefte van de landen in kwestie in specifieke gevallen weloverwogen besloten het PoD-beleid niet doorslaggevend te laten zijn. Het ging hier bijvoorbeeld om afweer van inkomende projectielen op zee en ontmijningsdrones voor trainingsdoeleinden. In alle gevallen was sprake van een positieve toetsing op de criteria van het EUGS.
Is er volgens u sprake van een medeplichtigheid van Nederland in het schenden van het internationaal recht in Jemen, zoals VN-experts duiden3, door het leveren van militaire middelen aan de VAE?
Nee. Medeplichtigheid onder het internationaal recht kan niet ontstaan wanneer hulp of bijstand bijdraagt aan de algemene militaire capaciteit van een staat, aangezien dat geen internationaal onrechtmatige daad inhoudt. Zie voor verdere toelichting de Kamerbrief van 12 januari 2024 betreffende de Zienswijze op het concept van medeplichtigheid onder internationaal recht.9
Het bericht 'Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is»?1 Hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja.
De gasprijzen zijn sterk gestegen door de huidige situatie in het Midden-Oosten. De meeste Nederlandse consumenten zijn echter op korte termijn beschermd tegen prijsschokken doordat ze een vast contract hebben waarmee de prijs voor langere tijd vastligt. Voor huishoudens met een dynamisch contract of die een nieuw energiecontract moeten afsluiten, kunnen de gestegen gasprijzen wel impact hebben.
Bent u bekend met het bericht «TNO: niet alle gasputten Groningen dichtmetselen, acuut tekort denkbaar»?2 Hoe beoordeelt u de uitspraken van TNO?
Ja. Het kabinet heeft kennisgenomen van de opvatting van TNO. Het kabinet ziet geen aanleiding om terug te komen op het besluit om de gaswinning uit het Groningenveld te beëindigen; een besluit dat met een zeer ruime meerderheid door zowel de Tweede als de Eerste Kamer is genomen.
Erkent u dat het heropenen van het Groninger gasveld zou betekenen dat de energierekening omlaag gaat voor Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Het heropenen van het Groningenveld betekent niet dat de energierekening voor Nederlanders omlaag gaat. Op de Nederlandse gashandelsplaats, de Title Transfer Facility (TTF), is in 2025 meer dan 77.000 TWh verhandeld en 442 TWh afgeleverd.3 Hiermee is in dat jaar meer verhandeld op de Nederlandse gashandelsplaats dan Nederland in ca. 250 jaar verbruikt, terwijl het afgeleverde volume een omvang heeft van slechts ca. 1,5 keer het Nederlandse jaarverbruik. Omdat er zoveel gas wordt verhandeld op de TTF zullen volumes uit het Groningenveld geen invloed hebben op de prijs van de verschillende producten en contracten die daar verhandeld worden. Toen het Groningenveld werd gesloten had dat evenmin effect op de gasprijs.
Deelt u de mening dat het in tijden van geopolitieke instabiliteit en oorlog onwenselijk is om afhankelijk te zijn van het importeren van gas uit het buitenland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland is sinds 2018 een netto-importeur van gas, net als andere landen in de Europese Unie. Nederland heeft daarbij het voordeel dat het over goede interconnecties met buurlanden beschikt alsmede over twee terminals voor de invoer van vloeibaar aardgas (LNG). Dat maakt het mogelijk dat op diverse manieren, via pijpleiding en scheepsvaart, in onze importbehoefte wordt voorzien.
Daarnaast zet Nederland met het op 23 april 2025 gesloten «Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie» in op de optimalisatie van de gaswinning op de Noordzee. Voor gaswinning op land zijn er op 16 januari 2026 aanvullende afspraken gemaakt die bijdragen aan meer duidelijkheid over gaswinning uit kleine velden op land tijdens de transitieperiode en de voorwaarden waaronder deze gaswinning daar nog kan plaatsvinden.
Klopt het dat het gasveld in Groningen het grootste in Europa is?
Ja, dat klopt, uitgaande van de oorspronkelijke inhoud en zolang Rusland niet tot Europa wordt gerekend.
Erkent u dat de gasvoorraad in Groningen door de recente geopolitieke ontwikkelingen veel meer waard is geworden? Bent u bereid dit te benutten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit aanpakken?
De eventuele waarde van het gas dat nog in het Groningenveld aanwezig is, speelt voor het kabinet geen rol. Het kabinet zal niet tot heropening overgaan.
Acht u het in het Nederlands belang om de gasputten in Groningen vol te storten met cement en daarmee de mogelijkheid uit te sluiten een beroep te kunnen doen op de gasvoorraad in geval van nood? Bent u bereid om het volstorten met cement stop te zetten, of in ieder geval te pauzeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Groningenveld is sinds 19 april 2024 bij wet gesloten om de aardbevingsproblematiek in Groningen bij de bron aan te pakken en recht te doen aan het veiligheidsbelang van de inwoners van Groningen, die nog altijd de negatieve gevolgen ondervinden van de voormalige gaswinning. Nu het Groningenveld gesloten is, is de NAM als laatste vergunninghouder verplicht om de productielocaties te ontmantelen. Het zorgvuldig afsluiten maakt hier om veiligheidsredenen onderdeel van uit.
Bent u bereid om de gaswinning in Groningen, zelfs al zij het maar tijdelijk, te hervatten om de energiezekerheid van Nederland veilig te stellen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals aangegeven bij de vorige vraag is het Groningenveld is bij wet gesloten en is het stopzetten van de winning een duidelijke belofte aan de Groningers waarmee een overweldigende meerderheid van zowel de Eerste als de Tweede Kamer heeft ingestemd. Daarbij zou het hervatten van gaswinning uit het Groningenveld niet per definitie leiden tot het veiligstellen van de energiezekerheid van Nederland. Het gas komt namelijk terecht op de Europese en internationale gasmarkt en kan dus ook naar andere landen stromen bij aankoop door buitenlandse marktpartijen. Het kabinet staat dan ook voor de beëindigde gaswinning en de ontmanteling van het Groningenveld.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, in ieder geval voor het debat over Iran, en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Deze vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Beantwoording binnen de gebruikelijke termijn is helaas niet gelukt.
Het bericht 'Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen' |
|
Björn Schutz (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Bertram , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Chinese staatszender kocht een week lang reclameruimte in NS-treinen»?1
Bent u ervan op de hoogte dat in de treinen van de NS-reclame is uitgezonden van China Media Group (CMG)?
Deelt u de mening dat het Centrale Propaganda Departement onder andere gericht is op buitenlandse beïnvloeding? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat buitenlandse mogendheden toegang hebben tot advertentieruimte in Nederlandse infrastructuur, zoals het openbaar vervoer?
Deelt u de mening dat staatsbedrijven, zoals de NS, een voorbeeldfunctie hebben om buitenlandse mogendheden geen reclameruimte te bieden? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kunnen staatsbedrijven, zoals de NS, afstemmen en schakelen met een contactpersoon binnen de rijksoverheid over zaken als buitenlandse inmenging en beïnvloeding? Zo ja, tot wie kunnen zij zich richten en is dat op dit moment ook gebeurd? Zo niet, bent u bereid te onderzoeken of hier behoefte aan is?
In hoeverre kunnen commerciële partijen, zoals DSBP-consultants, schakelen met contactpersonen binnen de rijksoverheid over ongewenste buitenlandse inmenging en beïnvloeding?
Bestaan er richtlijnen of kaders vanuit de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst over samenwerking met buitenlandse propagandakanalen? Zo ja, kunt u deze delen met de Kamer en zijn deze ook gedeeld met de NS? Zo nee, waarom niet?
Bent u van plan om in gesprek te treden met de NS over bovenstaande zaak en het advertentiebeleid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de NS zich niet kan verschuilen achter het argument dat het advertentiebeleid formeel is nageleefd?
Zijn er bij u andere gevallen bekend van de afgelopen twaalf maanden waarbij buitenlandse mogendheden gebruik maken van advertentieruimte van de NS?
De financiële envelop voor onderwijs |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Mikal Tseggai (PvdA), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat de verdeling van de envelop voor onderwijs al klaar is, zoals valt te lezen in de beslisnota horende bij de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord «Aan de slag», maar dat deze van de Minister van Financiën niet mag worden gedeeld met de Kamer? Zo ja, waarom mag deze informatie niet met de Kamer worden gedeeld? Kunt u deze verdeling alsnog aan de Kamer doen toekomen?1
Bureau Kabinetsformatie heeft op 30 januari 2026 de verdeling van de investeringen op het terrein van OCW gedeeld met de Ministeries van OCW en Financiën. In de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord is toegezegd dat wij uw Kamer nog verder informeren over deze verdeling, omdat de precieze invulling van deze envelop nog extra uitwerking vereist. Er wordt onder andere nog gekeken naar de uitvoerbaarheid, de randvoorwaarden, de kosten van de uitvoering van de maatregelen die niet in de budgettaire tabel staan, de doelmatigheid, de verdeling tussen sectoren en instrumenten en de financiële doorrekening. Daarmee kan het uiteindelijke voorstel zoals wij dat aan uw Kamer zullen sturen met onze beleidsbrief afwijken van de tabel zoals die door Bureau Kabinetsformatie is verstrekt. Deze beleidsbrief bevat informatie van het kabinet over de uitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord, de brief ontvangt uw Kamer in april.
De tabel zoals deze is opgesteld door Bureau Kabinetsformatie is hieronder toegevoegd. Deze tabel is in lijn met de ambities van het coalitieakkoord. Het gaat hier deels om het een-op-een volledig terugdraaien van de bezuinigingen van kabinet Schoof. Daarbij is het mogelijk dat sommige teruggedraaide bezuinigingen terugkeren in een nieuwe vorm met een ander instrument. Daarnaast gaat het om nieuwe investeringen op de OCW-begroting voor het onderwijs, wetenschap en media.
Terugdraaien bezuiniging beperken school en omgeving
120.615
120.615
120.615
120.615
120.615
Herstellen en hervormen brede brugklassubsidie
57.686
57.686
57.686
57.686
57.686
Terugdraaien SPUK-korting (oa GOAB en VSV/RMC)
85.296
85.296
85.296
85.296
85.296
Doorzetten regionaal investeringsfonds mbo
14.600
34.609
33.667
28.526
28.526
Meer tijd voor schoolontwikkeling op teamniveau
350.000
350.000
350.000
350.000
350.000
Verhogen uitwonende basisbeurs met 110 mln.
5.000
25.000
45.000
110.000
Maximeren rente studiefinanciering op 2,5%
40.000
Bevordering zij-instroom
79.324
88.074
88.074
88.074
88.074
Beter en regelmatig inspectietoezicht
5.000
11.000
21.000
30.000
Intensivering Fonds onderzoek en wetenschap via bestaand instrumentarium (sectorplannen, praktijkgericht onderzoek, onderzoeksinfrastructuur en Europese samenwerking)
224.479
332.720
370.662
447.803
433.803
Taakstellende intensivering lumpsum internationalisering (verhoging bedrag per student)
68.000
121.000
158.000
156.000
156.000
Terugdraaien verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep
45
45
45
45
45
Versterking van persveiligheid en -vrijheid
5
5
5
5
5
Klopt het dat het geld dat naar Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) gaat in de jaren 2027, 2028, 2029 en 2030 de bezuinigingen van kabinet Schoof niet dekken? Klopt het dat er de facto dan alsnog bezuinigd wordt op de begroting van OCW gezien er sprake is van een netto-krimp? Klopt het dat de uitspraak «we gaan investeren in onderwijs» van het lid Paternotte dan feitelijk onjuist is?2, 3, 4
Een deel van de bezuinigingen van kabinet Schoof is eerder teruggedraaid met de amendementen Bontenbal c.s.5 en Eerdmans c.s.6 Zoals in de tabel met de verdeling van de envelop bij vraag 1 te lezen is, heeft kabinet Jetten ervoor gekozen om naast het terugdraaien van een deel van de bezuinigingen ook nieuwe investeringen te doen. In totaal wordt structureel € 1,55 miljard geïnvesteerd door kabinet Jetten op de OCW-begroting. In onderstaande tabel is te zien dat het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter is dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof. Dat geldt voor de jaren 2027 t/m 2030 en structureel. De reeksen van kabinet Schoof zijn de nettoreeksen na de verwerking van de eerdergenoemde amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.
Bij de hoogte van de prijsbijstelling in 2025 zij aangetekend dat de prijsbijstelling bij Voorjaarsnota 2025 met de helft is gekort vóórdat deze werd toegevoegd aan de departementale begrotingen. Deze korting is niet verwerkt in onderstaande tabel. Ook met deze korting is het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof.
– 1.126.000
– 1.265.000
– 1.357.000
– 1.373.000
– 1.278.000
1.437.000
187.500
168.000
156.000
141.000
– 25.000
– 30.000
– 64.000
– 112.000
– 112.000
1.050.000
1.250.000
1.350.000
1.450.000
1.550.000
Bedragen x € 1.000
De totale hoogte van de OCW-begroting wordt ook bepaald door andere factoren. Zo zijn er jaarlijks mee- en tegenvallers, waaronder de jaarlijkse autonome raming van leerling- en studentenaantallen. Ook is er sprake van structurele krimp van de leerling- en studentenaantallen en wordt er soms ook binnen de OCW-begroting omgebogen ten behoeve van tegenvallers binnen de OCW-begroting of rijksbrede tegenvallers. Daarnaast wordt er in principe ook jaarlijks loon- en prijsbijstelling toegevoegd aan de OCW-begroting, deze was bij Voorjaarsnota 2025 structureel € 2,1 miljard. Voor de vergelijking van intensiveringen en bezuinigingen door twee kabinetten zijn deze factoren niet meegenomen in bovenstaande vergelijking tussen de kabinetten Schoof en Jetten.
Gezien er te weinig geld gaat naar de begroting van OCW om alle bezuinigingen van het kabinet Schoof terug te draaien, kunt u puntsgewijs per bezuiniging aangeven of deze helemaal, gedeeltelijk of niet wordt teruggedraaid:
Zoals af te lezen is uit de tabel bij vraag 1 draait het kabinet een aantal bezuinigingen terug (zowel uit het Hoofdlijnenakkoord als de verwerking van de ingediende amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.). Daarnaast is ervoor gekozen om ook nieuwe investeringen te doen. Over de invulling en verdeling wordt u geïnformeerd bij de beleidsbrief.
Wanneer er bij de vorige vraag sprake is van gedeeltelijk of niet terugdraaien van de voorgenomen bezuiniging, kunt u motiveren waarom u hiervoor kiest?
Het wel of niet (geheel) terugdraaien van bezuinigingen en de keuze voor nieuwe investeringen, zoals weergegeven in de tabel bij vraag 1, zijn de uitkomst van keuzes tijdens de formatie. Uw Kamer wordt geïnformeerd over de specifiekere uitwerking van de investeringsenvelop met de beleidsbrief.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor het verhogen van de uitwonende basisbeurs? Met welk bedrag gaat de uitwonende beurs per maand omhoog en per wanneer?
Zoals in de tabel bij vraag 1 te zien is wordt er structureel een bedrag van € 110 miljoen gereserveerd voor het verhogen van de uitwonendenbeurs. Momenteel wordt de precieze invulling nog uitgewerkt.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor nieuwe beleidsposten op de OCW-begroting? Welke nieuwe beleidsposten zullen dit zijn?
De volgende posten uit de tabel bij vraag 1 bevatten (deels) nieuwe beleidsposten:
Kunt u deze vragen met spoed maar in ieder geval binnen drie weken beantwoorden zodat de Kamer goed geïnformeerd het debat kan voeren?
Ja.
Het bericht ‘Bijna helft van docenten heeft te maken met fysiek geweld door leerlingen en ouders: Tijdens zwangerschap in mijn buik getrapt’ |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat uit het onderzoek van EenVandaag en CNV blijkt dat bijna de helft van de docenten te maken heeft gehad met fysiek geweld en dat dit dus geen uitzondering meer is maar een structureel probleem?1
Ik heb kennis genomen van het onderzoek en betreur dat bijna de helft van de docenten die hebben gereageerd, aangeven dat ze te maken hebben gehad met fysiek geweld. Ik vind elke vorm van geweld tegen docenten onacceptabel.
Hoe verklaart u dat leraren in Nederland, één van de rijkste en best georganiseerde landen ter wereld, niet eens veilig hun werk kunnen doen?
Verreweg de meeste scholen slagen er in om een veilig schoolklimaat te creëren, ondanks dat verruwing in de samenleving en in de wijken ook de school binnenkomt. Uit de laatste Landelijke Veiligheidsmonitor po/vo blijkt dat in schooljaar 2021/2022 3 procent van het po-personeel eenmaal per maand of vaker fysiek geweld heeft meegemaakt (een lichte stijging ten opzichte van het jaar ervoor). Voor vo-personeel is dat 1 procent, wat geen significante stijging is ten opzichte van het jaar ervoor.2 Maar laat er geen twijfel over bestaan: elk geval van geweld tegen onderwijspersoneel is er één te veel. Leraren en overig onderwijspersoneel moeten het werk altijd op een veilige manier kunnen uitvoeren.
Deelt u de mening dat geweld tegen docenten automatisch moet leiden tot aangifte en stevige sancties, in plaats van interne afhandeling of het bagatelliseren van incidenten? Zo nee, waarom niet?
De school moet een veilige plek zijn om te leren én te werken. Daarom roept het kabinet schoolbesturen ook op om altijd aangifte te doen bij een vermoeden van een strafbaar feit. Dat kan een schoolbestuur ook doen namens een slachtoffer. Het bagatelliseren of in de doofpot stoppen van incidenten is uiteraard geen goede werkwijze; een schoolbestuur verzaakt dan zijn zorgplicht voor een veilige werkomgeving. De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wet- en regelgeving en kan besturen sanctioneren indien zij hun zorgplicht onvoldoende invullen.
Het zorgdragen voor een veilige omgeving voor personeel, leerlingen en studenten is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van scholen en schoolbesturen. Stichting School & Veiligheid biedt scholen en besturen hierbij ondersteuning, niet alleen met handreikingen, maar ook met een adviespunt en een 24/7 calamiteitenteam.
Het kabinet zet in op de goede randvoorwaarden voor veilig onderwijs. Zo ligt op dit moment het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs in de Tweede Kamer. Met dit wetsvoorstel krijgen scholen beter zicht op veiligheid, worden slachtoffers beter ondersteund als zich een incident voordoet en zorgen we dat scholen hun veiligheidsbeleid beter coördineren en evalueren, bijvoorbeeld door een vertrouwenspersoon en veiligheidscoördinator aan te stellen. De beoogde inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is 1 augustus 2027.
Wat gaat u concreet en aantoonbaar doen tegen schoolbesturen die geweldsincidenten in de doofpot stoppen of hun docenten na bedreiging en mishandeling in de steek laten en welke sancties volgen als zij hun wettelijke zorgplicht niet nakomen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat docenten die aangifte willen doen, soms worden afgeremd door hun eigen schoolbestuur uit angst voor imagoschade of minder aanmeldingen en vindt u dat acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Als onderwijspersoneel zich niet veilig voelt om aangifte te doen dan is dat onacceptabel. De angst voor imagoschade mag daarbij geen rol spelen. Het aanstellen van een vertrouwenspersoon kan bijdragen aan de meldingsbereidheid, want een vertrouwenspersoon is er voor om slachtoffers van incidenten bij te staan. Met het al genoemde Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt het aanstellen van een interne én een externe vertrouwenspersoon verplicht. Ik roep besturen op om meldingen altijd serieus op te pakken en om altijd aangifte te doen bij vermoedens van strafbare feiten. Dat mag ook namens een medewerker.
Bent u bereid om te onderzoeken of definitieve verwijdering van gewelddadige leerlingen sneller en consequenter moet worden toegepast, zodat de veiligheid van personeel voorop komt te staan? Zo nee, waarom niet?
Er is geen plek voor agressie in het onderwijs. Elke vorm van geweld, intimidatie of ander ongewenst gedrag is wat mij betreft onacceptabel. Het is nu ook al mogelijk om leerlingen te schorsen of in het zwaarste geval te verwijderen van school. Ook kan ouders de toegang tot de school worden ontzegd. Bij vermoedens van strafbare feiten is aangifte doen ontzettend belangrijk. Een besluit tot schorsing of verwijdering is aan de school. Stichting School & Veiligheid heeft expertise op dit vlak en ondersteunt scholen hierbij. Ik acht het dan ook niet nodig om hier onderzoek naar te doen, en vind het veel belangrijker dat scholen de weg naar goede ondersteuning weten te vinden
Bent u zich ervan bewust dat in een tijd van historisch lerarentekort bijna een kwart van de docenten overweegt het onderwijs te verlaten, mede door geweld en bedreigingen en begrijpt u dat het huidige, halfzachte optreden direct bijdraagt aan het verder leeglopen van onze scholen? Zo nee, hoe kunt u dit falen nog langer ontkennen? Zo ja, welke harde, concrete maatregelen worden op zeer korte termijn genomen om leraren daadwerkelijk te beschermen en wanneer zien we daar resultaat van?
Ik vind het buitengewoon ernstig dat docenten en ander onderwijspersoneel enige vorm van fysiek geweld ervaren en daarbovenop, dit niet altijd kunnen melden. Ieder incident is er één te veel. Het is belangrijk dat schoolbesturen achter hun personeel staan, incidenten serieus nemen en waar nodig aangifte doen. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs komt het kabinet met een stevig en omvattend pakket maatregelen om de veiligheid op scholen verder te vergroten. Dat wetsvoorstel bespreek ik binnenkort met uw Kamer. En hoewel het wetsvoorstel nog niet in werking is getreden, roep ik schoolbesturen op om nu al aan de slag te gaan met de maatregelen uit het wetsvoorstel. Zo kunnen scholen alvast beginnen met het registreren van alle veiligheidsincidenten en het melden van ernstige feiten bij de inspectie. Ook kunnen ze alvast aan de slag met het aanstellen van vertrouwenspersonen.
Het bericht 'Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking' |
|
Daan de Kort (VVD), Björn Schutz (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat bushaltes voor iedereen toegankelijk moeten zijn, mede gelet op het feit dat Nederland tien jaar geleden het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap heeft geratificeerd?
Ja, bushaltes zouden voor iedereen toegankelijk moeten zijn.
Bent u zich ervan bewust dat veel mensen met een beperking volledig afhankelijk zijn van het Openbaar vervoer en dat toegankelijke mobiliteit een essentiële voorwaarde vormt om volwaardig te kunnen deelnemen aan andere maatschappelijke domeinen, zoals onderwijs, werk en sport?
Ja, toegankelijke mobiliteit is voor mensen met een beperking van groot belang om volwaardig te kunnen deelnemen aan de samenleving.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om de toegankelijkheid van het Openbaar vervoer te verbeteren, in het bijzonder voor mensen met een visuele beperking en voor mensen met een mobiliteitsbeperking?
Het Rijk heeft in 2022 het Bestuursakkoord Toegankelijkheid Openbaar Vervoer 2022–2032 (verder te noemen Bestuursakkoord) gesloten met de decentrale ov-autoriteiten, dat zijn de provincies en vervoersregio’s, ProRail, en vervoerders.2 In het akkoord zijn afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van het openbaar vervoer verder te verbeteren voor reizigers met een beperking. De afspraken hebben onder andere betrekking op de toegankelijkheid van reisinformatie, stations, voertuigen, en bus- en tramhaltes. Alle partijen hebben een eigen rol in het realiseren hiervan. Het Rijk heeft € 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de afspraken en volgt de uitvoering ervan.
Bent u van mening dat bij de aanbesteding van nieuwe Openbaarvervoerlocaties expliciete en afdwingbare toegankelijkheidseisen moeten worden opgenomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ja, in het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer is bepaald dat alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde haltes en stations toegankelijk moeten zijn.
Deelt u de opvatting dat bij renovatie of herinrichting van bestaande ov-locaties de toegankelijkheid aantoonbaar moet worden verbeterd? Zo ja, hoe gaat u dit waarborgen?
Ja, de regelgeving verplicht provincies en gemeentes als wegbeheerders, haltes die dat nog niet zijn toegankelijk te maken wanneer er reconstructie of groot onderhoud plaatsvindt.
In lijn met de afspraken in het Bestuursakkoord hebben de decentrale ov-autoriteiten uitvoeringsprogramma’s opgesteld waarin zij aangeven hoe zij uitvoering geven aan afspraken uit het akkoord, waaronder het toegankelijk maken van haltes. Het Rijk heeft € 28 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de programma’s. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bewaakt de voortgang van de afspraken in het Bestuursakkoord en bespreekt het periodiek met de decentrale ov-autoriteiten.
In het Bestuursakkoord is verder afgesproken dat het Rijk wegbeheerders stimuleert en motiveert om meer haltes toegankelijk te maken door kennisdeling te bevorderen, goede voorbeelden te delen en de samenhang te bevorderen met andere verbeteringen van toegankelijkheid in het fysieke domein. In 2023 zijn de totale kosten voor het toegankelijk maken van de resterende bus- en tramhaltes geraamd op circa € 760 miljoen.3 Dit maakt het een lange termijnopgave.
Over de toegankelijkheid van treinstations heeft het Rijk afspraken gemaakt met ProRail. Via het Implementatieplan Toegankelijkheid wordt gewerkt aan het toegankelijk maken van treinstations. Daarnaast zijn er EU-verordeningen van toepassing op de toegankelijkheid van treinstations en rijdend treinmaterieel.
Op welke wijze bent u voornemens ervaringsdeskundigen structureel te betrekken bij het verbeteren van de toegankelijkheid van bushaltes en andere Openbaarvervoerlocaties?
In de Wet Personenvervoer 2000 is bepaald dat concessieverleners, dat zijn het Rijk en decentrale ov-autoriteiten, consumentenorganisaties betrekken. Dit gebeurt onder andere in het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (LOCOV) en de Regionale Overleggen Consumentenorganisaties Openbaar Vervoer (ROCOV’s). Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat overlegt daarnaast regelmatig over de uitvoering van het Bestuursakkoord met consumentenorganisaties die over ervaringsdeskundigheid beschikken. Ook wordt, in het kader van de motie Paulusma, met hen gesproken over de ondersteuning van ervaringsdeskundigen die betrokken zijn bij het realiseren van toegankelijk openbaar vervoer.4
Bent u bereid om in overleg te treden met het Interprovinciaal Overleg (IPO) om provinciebesturen te bewegen bij de verlening en herziening van ov-concessies nadrukkelijker en bindender toegankelijkheidseisen op te nemen? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd is in het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer bepaald dat alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde voertuigen, haltes, stations en reisinformatie toegankelijk moeten zijn. De provincies en vervoersregio’s zijn hier bij de verlenging en herziening van ov-concessies aan gehouden. Met de ondertekening van het Bestuursakkoord hebben zij het belang van toegankelijkheid opnieuw onderkend. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft periodiek overleg met DOVA, het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten, over de uitvoering van de afspraken in het Bestuursakkoord.
Gelet op het feit dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de inrichting van bushaltes, bent u bereid om tevens in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om te bevorderen dat bij aanleg, herinrichting en onderhoud van bushaltes toegankelijkheid structureel wordt verbeterd en conform het VN-verdrag handicap wordt geborgd? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven?
In het Bestuursakkoord is afgesproken dat de decentrale ov-autoriteiten met de wegbeheerders werken aan het verder toegankelijk maken van bushaltes. Zij bekijken samen in welk tempo en met welke prioritering haltes toegankelijk gemaakt kunnen worden, gegeven de daarvoor beschikbare middelen. Het ministerie voert zoals gezegd periodiek overleg met het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten waarbij ook wordt gesproken over het verder toegankelijk maken van bushaltes.
De raming van tienduizenden extra asielopvangoplekken. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er bijna 38.000 extra opvangplekken voor asielzoekers gerealiseerd moeten worden vóór halverwege 2027?1
Hoe verhoudt deze enorme uitbreiding van asielopvang zich tot de belofte van het nieuwe kabinet om de asielinstroom te beperken?
Waarom worden gemeenten gedwongen opvangplekken te realiseren, terwijl veel gemeenten al kampen met een groot tekort aan woningen voor de eigen inwoners?
Bent u bereid de spreidingswet in te trekken, nu blijkt dat deze wet leidt tot een verdere toename van de druk op gemeenten en de samenleving?
Deelt u de mening dat Nederland de grenzen moet sluiten zolang er geen oplossing is voor de huidige opvangcrisis?
Hoe verklaart u dat zijn voorganger weigerde deze ramingen te publiceren?
Hoeveel van de huidige 77.500 opvangplekken worden bezet door mensen waarvan de asielaanvraag is afgewezen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de mensen waarvan de asielaanvraag is afgewezen zo snel mogelijk uit Nederland worden gezet?
Bent u het eens met de stelling dat de spreidingswet een ondemocratisch instrument is dat gemeenten en haar inwoners verplicht tot iets waar zij niet om hebben gevraagd?
Bent u het eens met de stelling dat Nederland haar eigen burgers – met name daklozen, mensen op de wachtlijst voor sociale huurwoningen, spoedgevallen door scheiding, maar ook starters – voorrang moet geven boven asielzoekers?
Bent u bereid het Nederlandse asielbeleid volledig te herzien en in lijn te brengen met de wens van de meerderheid van de Nederlandse bevolking, die volgens meerdere peilingen een strenger asielbeleid wenst?
Gezondheid en kankerrisico’s rond Chemelot |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» (19 december 2025), waarin wordt geconcludeerd dat er onvoldoende gezondheidsgegevens beschikbaar zijn om vast te stellen of ziekten, waaronder kanker, rond Chemelot vaker voorkomen dan elders in Nederland?
Ja
Hoe verklaart u dat anno 2026 nog geen epidemiologisch gezondheidsonderzoek onder omwonenden van Chemelot is uitgevoerd, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aangeeft dat bestaande gegevens onvoldoende zijn om mogelijke gezondheidseffecten van het chemiecluster te beoordelen?
GGD Zuid-Limburg voert in opdracht van de gemeenten een vierjaarlijkse GGD Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen uit die een beeld geeft van de gezondheid in Zuid-Limburg, waaronder ook in de gemeenten rond Chemelot. De GGD doet dit onderzoek voor gemeenten. Gemeenten hebben, buiten deze monitor, niet om aanvullend onderzoek gevraagd en tot op heden heeft de GGD geen aanleiding gezien zelf dergelijk aanvullend onderzoek uit te voeren. Het RIVM geeft aan dat aanvullend onderzoek op hun verkenning vooral zinvol is als op basis van de analyse van de blootstelling aan stoffen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, als uit ander onderzoek blijkt dat er (mogelijk) milieugerelateerde gezondheidseffecten zijn en/of als er geen (betrouwbaar) beeld is over blootstelling en/of gezondheid. Dat lijkt alleen voor geluidbelasting van toepassing. De luchtkwaliteit komt weliswaar als aandachtspunt voor de gezondheid naar voren, maar de gezondheidsrisico’s vanuit luchtkwaliteit komen voor een belangrijk deel door fijnstof en stikstofoxiden. Deze luchtvervuiling is voor een groot deel afkomstig van andere bronnen, waarbij de totale waarden in de gebieden rond het chemiecluster niet opvallend hoog zijn en de opgetelde bijdrage van de belangrijkste zeer zorgwekkende stoffen op een concentratie rond het niveau van het maximaal toelaatbaar risiconiveau wordt geschat. De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft provinciale staten op 19 december 2025 een reactie gestuurd op het onderzoek van het RIVM met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten om daarop te reageren.
Klopt het dat blootstelling van omwonenden aan chemische stoffen rond Chemelot momenteel niet rechtstreeks via biomonitoring (bijvoorbeeld bloed- of urinemonsters) wordt gemeten, maar hoofdzakelijk wordt geschat via milieumetingen en modellen? Zo ja, acht u dit voldoende voor gezondheidsbescherming?
Het kabinet heeft hierover contact gehad met de provincie Limburg, die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening aan Chemelot, en met GGD Zuid-Limburg. Het klopt dat geen onderzoeken zijn uitgevoerd met behulp van biomonitoring. Met behulp van biomonitoring kan worden vastgesteld of bepaalde gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in het bloed of andere lichaamsstoffen van omwonenden, maar daarmee kan niet aangetoond worden hoeveel van die stoffen afkomstig is van Chemelot. Om te kunnen adviseren over maatregelen die Chemelot kan nemen, is het belangrijker om naar de uitstoot van Chemelot te kijken en die waar nodig terug te dringen.
De Gezondheidsraad heeft in 2023 geadviseerd een structureel landelijk meetprogramma op te zetten voor de blootstelling aan chemische stoffen met behulp van biomonitoring. Het kabinet heeft het RIVM gevraagd in beeld te brengen hoe zo’n meetprogramma eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre mogelijke verhoogde ziekte- en zorgkosten in de Chemelot-regio samenhangen met industriële blootstelling en leefomgevingsfactoren, en wat de sociaaleconomische gevolgen zijn voor bewoners, zorgstelsel en regionale gezondheidsverschillen?
Het Ministerie van IenW heeft in 2024 aan de Kamer toegezegd te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Uit een gegeven opdracht aan een extern onderzoekbureau bleek afgelopen jaar dat het een complex onderzoek is. Daarom heeft het Ministerie van IenW de vraag nu aan het RIVM gesteld. RIVM voert dit onderzoek uit als onderdeel van de opdracht om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s als gevolg van industriële activiteiten. RIVM maakt hiervoor inzichtelijk welke informatie op dit vlak er al ligt (bijvoorbeeld handleidingen die de GGD’en gebruiken), samen met de leerpunten uit de onderzoeken die afgelopen jaren zijn gedaan. Waar nodig vult het RIVM dit aan om kennislacunes te dichten. Eén van die onderdelen betreft zorgkosten. Naar verwachting levert het RIVM na de zomer het eerste deel van deze studie op (inzicht in bestaand materiaal met lessen uit uitgevoerd onderzoek). De overige onderdelen, waaronder het onderdeel over zorgkosten, volgen daarna. Bij dit onderdeel zal het RIVM starten met een verkenning van de mogelijkheden én onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven dat het zinvol kan zijn te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
Kunt u inzicht geven in hoeveel inwoners uit de Chemelot-regio zorg ontvangen voor aanhoudende lichamelijke klachten (SOLK/ALK), voor chronische en respiratoire aandoeningen en voor kanker, en of deze ziekte- en zorgpatronen afwijken van landelijke gemiddelden?
Het kabinet heeft geen specifieke rapportages of overzichten op dat schaalniveau («Chemelot-regio»). In opdracht van het kabinet worden echter wel veel gegevens op het schaalniveau van GGD-regio’s en gemeenten beschikbaar gesteld. De informatie is vindbaar in de Atlas VZinfo waarin regionale verschillen rondom zorg en ziekten in beeld worden gebracht op meer dan 500 kaarten, waaronder kaarten over chronische en respiratoire aandoeningen, kanker en de ervaren gezondheid.1 Daarnaast beheert het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) de Nederlandse Kanker Atlas, waar op driecijferig postcodeniveau gegevens worden weergeven van kankerdiagnoses.2
Kunt u aangeven welke concrete gezondheidskundige onderzoeken en maatregelen het kabinet voor 2030 rond Chemelot zal uitvoeren om eventuele verhoogde gezondheids- en kankerrisico’s voor omwonenden aantoonbaar vast te stellen en te verminderen? Kunt u daarbij toezeggen dat een biomonitoringsprogramma onder omwonenden wordt opgezet, inclusief periodiek bloed- en urinemonsteronderzoek naar blootstelling aan relevante (zeer zorgwekkende) chemische stoffen?
De verantwoordelijke voor de vergunningverlening (provincie Limburg) heeft op 19 december 2025 een reactie op het RIVM-rapport gestuurd aan provinciale staten met het beleid dat in de regio wordt gevoerd. Het is aan provinciale staten daarop te reageren.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, heeft het Ministerie van IenW het RIVM gevraagd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden gerelateerd aan industrie. Dit gaat om een algemeen onderzoek, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot. Daarnaast loopt de studie van het RIVM waarmee in beeld gebracht wordt hoe een landelijk meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen eruit zou kunnen zien en hoeveel dat zou kosten. Het kabinet heeft toegezegd voor de zomer van 2026 daar een besluit over te nemen en dat aan de Tweede Kamer te sturen. Dit zou ook gaan om een algemeen meetprogramma, dus niet specifiek toegespitst op Chemelot.
Het bericht dat wanbetalende Oekraïners lastig aan te pakken zijn door maas in de wet. |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wanbetalende Oekraïners zijn lastig aan te pakken door maas in de wet: Kostbaar en omslachtig»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoeveel Oekraïense ontheemden die een eigen bijdrage moeten betalen hebben dit geweigerd? Hoeveel van deze wanbetalers zijn er tot nu toe mee weggekomen zonder enige serieuze consequentie? Hoe hoog is het totale bedrag dat daardoor niet is ingevorderd?
Er is geen landelijk beeld van het aantal ontheemden uit Oekraïne dat een eigen bijdrage dient te betalen en deze (nog) niet heeft betaald. Een landelijk totaalbedrag is daardoor niet bekend. Gemeenten hebben wel voor hun eigen gemeente inzichtelijk welke ontheemden de eigen bijdrage (nog) niet heeft betaald.
Het is belangrijk dat gemeenten de eigen bijdrage kunnen innen. Op verschillende manieren probeert het Rijk gemeenten hierbij te ondersteunen. Naast algemene communicatie is een handreiking geschreven om gemeenten te ondersteunen bij de invoering. Bekend is dat enkele gemeenten zijn gestart met gerechtelijke procedures om inning van de eigen bijdrage af te dwingen. Juridische kosten die gemeenten maken als gevolg van deze procedures worden door het Rijk vergoed.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat Oekraïners, die al geen zorgpremie en eigen risico hoeven te betalen, zelfs weigeren hun minimale eigen bijdrage voor opvang te betalen, terwijl de hardwerkende Nederlandse belastingbetaler voor alles opdraait? Zo nee, waarom vindt u voorkeursbehandeling voor wanbetalende Oekraïners acceptabel?
Ontheemden uit Oekraïne die werken en/of eigen inkomsten hebben, dienen sinds 1 juli 2024 een eigen bijdrage voor hun opvang in de gemeentelijke opvang te betalen. Het is onwenselijk dat ontheemden met werk en/of eigen inkomsten geen eigen bijdrage betalen. Ontheemden met werk of eigen inkomsten dragen met het betalen van de eigen bijdrage bij aan de kosten voor opvang, net zoals andere vluchtelingen en asielzoekers. Deze regels staan opgenomen in de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) en daar hoort iedereen zich aan te houden. Daarnaast is de eigen bijdrage per 1 oktober 2025 verhoogd om het bedrag passender te maken voor de voorzieningen die worden geboden. Met de verhoging is eveneens aansluiting gezocht bij het maximale bedrag dat asielzoekers in de COA-opvang betalen indien zij inkomsten genieten. In de gevallen waar ontheemden dit weigeren kunnen gemeenten deze alsnog innen via een gerechtelijke procedure.
Waarom is er nog geen wetsvoorstel ingediend om het vorderen van de eigen bijdrage van Oekraïners door gemeenten makkelijker te maken, zoals de PVV al een jaar geleden heeft voorgesteld onder andere via een dwangbevel? Bent u bereid alsnog met spoed een wetsvoorstel naar de Kamer te sturen om dit te regelen?
De huidige werkwijze is dat gemeenten een eigen bijdrage kunnen innen via een gerechtelijke procedure indien niet (tijdig) wordt betaald. Bekend is ook dat enkele gemeenten deze procedures gestart zijn.
Op dit moment is er geen wettelijke grondslag voor gemeenten om de eigen bijdrage te innen per dwangbevel. In de verzamelbrieven d.d. 4 juli 2025 en 25 november 2025 is aan uw kamer gecommuniceerd dat in de voorbereiding van het lange termijn beleid voor ontheemden uit Oekraïne voor de periode na afloop van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), ook de mogelijkheid tot het dwangbevel is meegenomen.
Bent u bekend met het bericht dat tussen Wit-Rusland en Polen tunnels zijn aangetroffen die mogelijk zijn gegraven door terroristische organisaties zoals Hamas, Islamitische Staat (IS), Hezbollah of Iran-gelieerde groeperingen om illegale migranten Europa binnen te smokkelen?1
Ja.
Erkent u dat, als deze tunnels daadwerkelijk zijn gebruikt, er duizenden terroristen via deze route Europa en mogelijk dus ook Nederland kunnen zijn binnengekomen?
Nederland en de EU werken nauw samen om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. Een onderdeel van deze samenwerking is de intensieve informatie-uitwisseling tussen de verschillende veiligheidspartners. Alle betrokken veiligheidspartners blijven zowel nationaal als internationaal alert op mogelijke dreigingen en zetten zich onverminderd in om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren.
Hoewel het bekend is dat terroristen mogelijk misbruik kunnen maken van migratiestromen is het overgrote deel van de migranten niet betrokken bij terrorisme. Dat dergelijke door de Poolse grensautoriteiten onderkende tunnels door migranten kunnen zijn benut is hoe dan ook een kwalijke zaak. Het kabinet onderstreept dan ook het belang van de inzet door landen aan de Europese buitengrens, in samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), om mogelijke irreguliere grenspassages tegen te gaan en de integriteit van de Europese buitengrens te beschermen. Lidstaten zijn daarbij verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie (EU) meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen.
Realiseert u zich dat één doorgelaten jihadist al voldoende is voor een bloedige aanslag op Nederlandse bodem?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe ziet u deze ontwikkeling in het licht van de oplopende spanningen met Iran en de angst voor de inzet van terroristische netwerken om aanslagen in Europa te plegen?
Het is bekend dat Iran en aan Iran gelieerde groepen in Europa doorgaans via clandestiene netwerken, terroristische of criminele proxy’s en (online) gerekruteerde individuen opereren, maar niet via logistiek complexe infrastructuur zoals tunnels. De oplopende spanningen hebben de hoogste aandacht van alle veiligheidsdiensten.
Kunt u ons garanderen dat via deze route géén personen met banden met jihadistische organisaties Nederland zijn binnengekomen? Zo nee, erkent u dat alle Nederlanders dus ernstig gevaar lopen?
Ondanks de strenge procedure en inspanningen kan er nooit een absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen. Nederland heeft een sterke en brede aanpak om signalen van terrorisme tijdig te onderkennen en personen die worden verdacht van misdrijven met een terroristisch oogmerk op te sporen, te vervolgen en, indien toepasselijk, te bestraffen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3 blijft het kabinet zich onverminderd inzetten om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. De bescherming van de nationale veiligheid vergt constante inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen.
Binnen de asiel- en nareisprocedure bestaan daarnaast verschillende maatregelen om eventuele risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Hier worden besluiten over toelating en verblijf per casus zorgvuldig afgewogen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen de nationale en Europese wettelijke kaders en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen. Onder de coördinatie van de NCTV is in 2023 een systeemcheck uitgevoerd over het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken binnen de migratie- en veiligheidsketen. Uw Kamer is over de bevindingen en maatregelen geïnformeerd door middel van de Kamerbrief «Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen».2
Hoeveel illegale migranten zijn in 2024 en 2025 via de oostelijke buitengrens de EU binnengekomen, hoeveel daarvan zijn in Nederland terechtgekomen en hoeveel van deze groep zijn daadwerkelijk uitgezet?
Volgens cijfers van Frontex werden in 2025 10.846 irreguliere grenspassages aan de oostelijke landgrens van de EU waargenomen, dit is 37% minder dan in 2024.3 Over het aantal migranten dat vervolgens doorreist naar Nederland, en het aantal daarvan dat (al dan niet gedwongen) terugkeert zijn geen cijfers beschikbaar. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de afgelegde reisroute niet in de cijfers wordt geregistreerd, en er voorts ook geen koppeling mogelijk is met de terugkeercijfers.
Bent u het eens dat, als Europa en Nederland overspoeld worden met miljoenen illegale migranten, miljoenen mensen moeten worden uitgezet en bent u bereid daartoe een massief uitzetprogramma te starten? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het kabinet van mening dat de omvang van migratie naar Nederland ingeperkt moet worden. Dat geldt ook voor asielmigratie. Binnen de geldende internationale en Europese juridische kaders doet het kabinet dan ook wat kan om dit te bewerkstelligen. Een belangrijk sluitstuk van het migratiebeleid richt zich reeds op het bewerkstelligen van effectieve terugkeer, al dan niet door gefaciliteerde zelfstandige terugkeer middels terugkeer- en herintegratieondersteuning van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) of via gedwongen vertrek indien vreemdelingen vertrekplichtig zijn en niet meewerken aan zelfstandig vertrek. Zoals u ook kunt lezen in het regeerakkoord steunt het kabinet de nieuwe EU-terugkeerverordening waarmee onder andere de mogelijkheden voor gesloten opvang voorafgaand aan gedwongen vertrek worden verruimd. Het kabinet is hierbij tevens voorstander van het verruimen van het zogeheten bandencriterium, waardoor het gemakkelijker wordt op EU-niveau terugkeerafspraken te maken met landen buiten Europa. Bij afspraken over terugkeer- en transithubs waarborgt Nederland dat migranten nooit terug worden gestuurd naar een land waar zij het risico lopen om vervolgd te worden.4
Bent u het eens dat Wit-Rusland migratie inzet als hybride oorlogsvoering tegen Europa, dat dit bewuste ondermijning is van onze nationale veiligheid en dat daartegen harde tegenmaatregelen moeten volgen?
Het kabinet vindt de hybride dreiging door instrumentalisering van migratiestromen door Belarus onaanvaardbaar en heeft zich dan ook altijd voorstander getoond voor het sanctioneren van het Belarussische regime in Europees verband. Zo sprak de Europese Raad zich gezamenlijk al in 2021 uit tegen de hybride aanvallen aan de grenzen van de EU, en stelde daar gepast op te reageren richting het Belarussische regime.5 Zo werd de sanctieregeling aangepast waardoor ook opgetreden kan worden wanneer migranten worden ingezet voor politieke doeleinden, en zijn er om deze reden Europese sancties uitgevaardigd tegen Belarus. Sindsdien zijn er – mede in relatie tot de oorlog in Oekraïne – reeds verscheidene sanctiepakketten uitgevaardigd tegen het Belarussische regime en andere betrokkenen, ook in reactie op de hybride aanvallen tegen EU-landen.6
Bent u het eens dat dit precies laat zien waarom Nederland per direct een asielstop moet invoeren en weer volledige controle moet nemen over wie ons land binnenkomt? Zo nee, waarom niet?
Vreemdelingen die asielbescherming behoeven moeten die conform Europese en internationale verplichtingen ook kunnen krijgen. Een algehele asielstop is dus niet de juiste oplossing. Het kabinet staat voor een nieuw modern migratiemodel met meer grip migratie, een verlaging van de instroom en verhoging van de terugkeer van asielmigranten, fatsoenlijke opvang en sneller meedoen, en sturing op arbeidsmigranten. Het EU-migratiepact dat op 12 juni in werking treedt is een grote stap om meer grip te krijgen over wie er naar Nederland komt. Zoals toegelicht onder vraag 7 vormt een effectief terugkeerbeleid een sluitstuk van ons migratiebeleid, en zal de nieuwe EU-terugkeerverordening het Europese terugkeerbeleid effectiever maken en de nationale autoriteiten meer opties geven om terugkeer te effectueren. Daarnaast zet het kabinet onverkort in op nationale maatregelen en brengen we de asielketen op orde, spant het kabinet zich internationaal in voor de modernisering van het internationaal vluchtelingenrecht, en werkt het kabinet – zowel billateraal als in Europees verband – intensief samen met landen langs de migratieroutes met als doel het beperken van irreguliere migratie en het tegengaan van mensensmokkel, het bevorderen van terugkeer bij onrechtmatig verblijf en het bieden van bescherming aan migranten.
Kunt u deze vragen vóór vrijdag 6 maart om 12.00 uur beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
De impact van de kabinetsplannen op zwangere vrouwen en ouders |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «CNV: jaarlijks zeker 25.000 zwangeren geraakt door kabinetsplan»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat zestien weken 100% betaald zwangerschapsverlof een belangrijk verworven recht is? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het besluit om het maximumdagloon te verlagen, waardoor zwangere vrouwen er honderden euro’s per maand op achteruitgaan?
Ja, ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van de verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners en ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel te komen richting de Kamer.
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor de hoogte van het loon tijdens zwangerschapsverlof? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
Het dagloon vormt de grondslag voor de verlofuitkering en wordt berekend op basis van het SV-loon, waarbij het bevallings- en zwangerschapsverlof 100 procent dagloon is. Het dagloon is – in de hoofdregel – het loon dat een werknemer in de referteperiode heeft genoten en waarover belastingen en sociale premies zijn betaald, gedeeld door het gemiddeld aantal dagloondagen in één jaar (261). Het dagloon is per 1 januari 2026 wettelijk gemaximeerd op € 304,25 per dag, omgerekend is dit € 6.617,44 per maand. Iedereen die meer verdient dan 80% van dit bedrag wordt via de uitkering geraakt door de verlaging, aangezien het maximumdagloon wordt verlaagd met 20%. Voor inkomens die onder 80% van het maximumdagloon verdienen, geldt dat zij niet geraakt worden door de verlaging in het maximumdagloon. Deze verlaging ziet er per inkomenscategorie dan als volgt uit voor de uitkeringen uit de Wet arbeid en zorg, weergegeven per maand:
≥100%
€ 6.617,44
€ 5.293,95
€ 1.323,49
90%
€ 5.955,69
€ 5.293,95
€ 661,74
80%
€ 5.293,95
€ 5.293,95
–
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor vrouwen die ziek worden als gevolg van hun zwangerschap? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
De uitkeringen uit de ziektewet en de Wet arbeid en zorg (Wazo) zijn beide gebaseerd op de dagloonsystematiek. Wanneer vrouwen ziek worden als gevolg van of door hun zwangerschap wordt hun uitkering niet verlaagd en geldt dat zij een uitkering vanuit de Ziektewet ontvangen voor 100% van het maximumdagloon. De gevolgen op de uitkeringen van de verlaging van het maximumdagloon komen daarbij overeen zoals beschreven in antwoord 3.
Hoeveel vrouwen die met zwangerschapsverlof zijn gegaan in 2024 en 2025 vielen in de categorie 80–100% maximumdagloon? Welk percentage bedroeg dit van het totale aantal Wet arbeid en Zorg-uitkeringen (WAZO-uitkeringen)?
In 2024 waren er circa 13.900 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon, dit bedroeg 10,4% van het totale aantal zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen voor werknemers. Daarnaast zijn er in 2024 circa 8.500 vrouwelijke werknemers met een inkomen op of boven het maximumdagloon met zwangerschapsverlof gegaan (6,4% van het totale aantal uitkeringen). In 2025 waren er, op basis van voorlopige gegevens, circa 14.000 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon. Gegevens van 2025 over werknemers boven het maximumdagloon zijn nog niet bekend.
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens zwangerschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit een eerder onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 43 cao’s (29% van de werknemers van de onderzochte cao’s) het zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 100% van het loon wordt aangevuld.2 Werkgevers kunnen ook buiten een cao om de uitkering tijdens zwangerschap aanvullen tot 100% of het loon doorbetalen. Hier zijn geen cijfers over bekend.
Hoeveel extra kosten brengt het lagere maximumdagloon met zich mee voor werkgevers die het loon aanvullen? In hoeverre verwacht u dat dit zwangerschapsdiscriminatie in de hand werkt?
Het aanvullen van de uitkering wordt o.a. via cao-afspraken geregeld en er bestaat geen wettelijke verplichting hiertoe binnen de Wazo. Werkgevers zullen bij een lagere uitkering het loon meer moeten aanvullen als hierover binnen een cao afspraken zijn gemaakt. De grootte van deze aanvulling is afhankelijk van de hoogte van het loon van de werknemer en de afspraken binnen een cao of bedrijf. Een mogelijk gevolg van de verlaging is dat werkgevers hierdoor wellicht minder geneigd zullen zijn om het aanvullen van het loon tot 100% bij Wazo-uitkeringen vast te leggen in cao-afspraken. De gevolgen van deze maatregel op zwangerschapsdiscriminatie zijn moeilijk in te schatten.
Welke impact heeft de verlaging van het maximumdagloon op de hoogte van het ouderschapsverlof? Kunt u dit uitsplitsen naar inkomenscategorie?
Voor het betaald ouderschapsverlof (en ook voor het aanvullend geboorteverlof) geldt een vergoeding van 70% tot het maximumdagloon. De impact van de verlaging van het maximumdagloon is in onderstaande tabel in beeld gebracht.
≥100%
€ 4.632,21
€ 3.705,77
€ 926,44
90%
€ 4.168,99
€ 3.705,77
€ 463,22
80%
€ 3.705,77
€ 3.705,77
€ 0,00
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens ouderschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 11 cao’s (16% van de werknemers van de onderzochte cao’s) de uitkering van 70% maximumdagloon voor het betaald ouderschapsverlof wordt verhoogd. In drie cao’s wordt het loon negen weken volledig doorbetaald; in twee cao’s wordt het loon vier weken volledig doorbetaald en gedurende de overige weken conform de wet; in vier cao’s wordt 75% van het loon doorbetaald; in één cao 70% van het laatstverdiende loon, en in één cao is gedurende 13 weken sprake van variabele doorbetaling (50 tot 90% afhankelijk van de salarisschaal).3
Welk gevolg verwacht u dat de verlaging van het maximumdagloon heeft op de hoeveelheid ouders die ouderschapsverlof opnemen? Welke impact heeft dit op de beschikbaarheid in de kinderopvang?
Vrouwen zijn verplicht om het zwangerschaps- en bevallingsverlof op te nemen, de opname van het geboorte- en het ouderschapsverlof is optioneel. De kans bestaat dat ouders minder snel dit verlof zullen opnemen, vanwege de mogelijke terugval in inkomen. Wat precies de impact van de verlaging zal zijn op het gebruik van het aanvullend geboorte- en ouderschapsverlof, is moeilijk te voorspellen. Uit onderzoek blijkt dat van de ouders die geen gebruik maakten van het volledig aanvullend geboorteverlof, 27% van hen aangaf het inkomen niet te kunnen missen. En 18% van hen aangaf dat het voor hen financieel niet aantrekkelijk was. Van de ouders die niet volledig gebruik maakten van het aanvullend geboorteverlof, gaf 15% aan dat zij het inkomen niet konden missen en 11% dat zij het financieel niet aantrekkelijk vonden.
Met een verlaging van het maximumdagloon bestaat de kans dat een deel van de ouders minder gebruik zullen gaan maken van het ouderschapsverlof of aanvullend geboorteverlof. Het is op dit moment niet goed in te schatten wat het effect daarvan is op de beschikbaarheid in de kinderopvang.
Deelt u de opvatting dat ouderschapsverlof eraan bijdraagt dat ouders de zorg voor hun kinderen op een gelijkwaardige manier kunnen verdelen? In hoeverre deelt u de zorg dat zorgtaken ongelijker verdeeld worden doordat ouders minder vaak verlof zullen opnemen omdat zij teveel loon moeten inleveren?
Het ouderschapsverlof is onder andere bedoeld om een gelijkwaardigere verdeling in zorgtaken tussen ouders te bevorderen en de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren.
In de beleidsevaluatie van het betaald ouderschapsverlof wordt onder andere beoordeeld of en hoe het ouderschapsverlof bijdraagt aan deze doelen. Deze evaluatie zal voor de zomer worden gepubliceerd.
Bent u bereid af te zien van de verlaging van het maximumdagloon voor alle 260.000 mensen die erdoor geraakt worden, waaronder 25.000 zwangeren? Zo nee, waarom niet?
Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet de arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas lastige keuzes bij nodig, maar ik vind het ook belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij kijk ik ook naar de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Deze opties wil ik eerst bespreken met sociale partners, waarna ik uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel kom richting de Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, zie bijgaand.
Grootschalige naamfouten in strafrechtelijke vonnissen |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verbijsterde Kamer eist duidelijkheid over massale naamfouten bij justitie»?1
Ja.
Klopt het dat eerder 876 naamfouten in strafrechtelijke vonnissen zijn vastgesteld, maar dat inmiddels signalen bestaan dat het mogelijk om circa 50.000 foutieve naamkoppelingen gaat? Sinds wanneer is uw ministerie bekend met deze hogere aantallen en waarom is de Kamer hierover niet eerder volledig geïnformeerd?
Ik ken de berichtgeving en de problematiek. Het in de mediaberichtgeving genoemde aantal van circa 50.000 onjuiste naamkoppelingen kan ik op basis van de nu beschikbare analyses niet bevestigen.; verschillende grootheden (identiteitsvaststelling in het strafvorderlijke proces versus onjuiste tenaamstelling in een onherroepelijk vonnis) lopen in de berichtgeving door elkaar.
In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de problematiek waar de grootste risico’s voor burgers en voor de uitvoering van straffen zitten, betreft de gevallen waarin na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, blijkt dat er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit en daardoor een mogelijk onjuiste tenaamstelling. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat het sinds 2014 tot medio mei 2025 867 zaken betrof en dit zich gemiddeld zo’n 50 keer per jaar voordoet.2
Wat wordt binnen de justitiële keten exact verstaan onder een «naamfout»? Beperkt dit zich tot administratieve verschrijvingen en typefouten of betreft het tevens gevallen waarin persoonsgegevens van onschuldige burgers ten onrechte zijn gekoppeld aan strafrechtelijke veroordelingen? Kunt u de verschillende categorieën fouten volledig en afzonderlijk kwantificeren?
Het gaat om situaties waarbij de Matching Autoriteit constateert dat de identiteit die zij op dat moment als leidend heeft bepaald, afwijkt van de tenaamstelling van het vonnis. Deze afwijkingen kunnen voortkomen uit schrijffouten, naamswijzigingen, betere identiteitsgegevens die pas later in het strafproces beschikbaar komen, identiteitsfraude of langdurige onzekerheid over de identiteit.
Hieronder is per gevalstype het percentage waarin afwijkingen voorkomen in de 867 geconstateerde zaken indicatief aangegeven:
Deze percentages kunnen wijzigen. Op grond van nadere toetsing kan blijken, dat een zaak tot een ander gevalstype behoort. Deze percentages geven daarmee een voorlopig beeld van de thans beoordeelde zaken.
Op welk moment in de strafrechtketen ontstaan deze fouten precies en waar ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen daarvan? Is sprake van een structurele systeemfout en is hiervoor eerder intern gewaarschuwd?
De problematiek kent verschillende oorzaken. Om te beginnen aan de voorkant van de keten. Daar kunnen verdachten onjuiste of onvolledige gegevens verstrekken die op dat moment niet kunnen worden geverifieerd. Ook kunnen fouten in de registraties ontstaan vanwege verschrijvingen of administratieve vergissingen. Later in het proces, zo leert de praktijk, komen er pas voor het eerst kwalitatief betere identiteitsgegevens beschikbaar (zoals vingerafdrukken). De registraties worden dan indien nodig geactualiseerd. Dat vergt nader ID-onderzoek. Een dergelijk onderzoek neemt veel tijd in beslag en duurt soms langer dan de periode van vervolging/berechting. Hierdoor kunnen fouten lange tijd in de registraties blijven staan en komt pas na het vonnis informatie beschikbaar op basis waarvan wordt geconstateerd dat de tenaamstelling onjuist is. In andere gevallen wordt bij de vervolging (uitbrengen dagvaarding) en berechting (vonnis) niet altijd gewerkt met de meest actuele tenaamstelling, en wordt de identiteit van de verdachte op die momenten niet daadwerkelijk geverifieerd. Bovendien kent de strafrechtketen op dit moment geen structureel herstelproces om deze fouten proactief te herstellen.
Het voorkomen van nieuwe fouten is één van de vier pijlers van de aanpak. Dat laat onverlet dat hier sprake is van een ketenbreed vraagstuk: de oorsprong ligt vaak vroeg in het proces, maar ook in latere fasen moeten signalen tijdig worden onderkend, geverifieerd en verwerkt. Daarom wordt samen met ketenpartners in kaart gebracht waar processen rond identiteitsvaststelling kunnen worden versterkt, zodat nieuwe gevallen worden voorkomen. Tegelijkertijd is het belangrijk om in te zien dat onzekerheid rondom de identiteit van een verdachte inherent is aan het strafproces. Dat houdt verband met het kernbeginsel dat de verdachte niet verplicht is mee te werken aan de eigen veroordeling, maar ook aan de wisselende betrouwbaarheid van de op dat moment beschikbare identiteitsgegevens. Een volledig foutloze keten is niet realistisch; er zal sprake blijven van menselijke invoerfouten en situaties waarin, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van gegevens, identiteiten in de praktijk niet zijn vast te stellen.
Het belang van de strafrechtspleging vergt dat er wordt gewerkt met de beste op dat moment beschikbare gegevens. Daarom wordt ingezet op zo snel mogelijke signalering en correctie binnen de wettelijke kaders. Dit is nadrukkelijk een ketenopgave. Daarom gebeurt dit in samenwerking met onder meer het OM, de Rechtspraak, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, DJI, CJIB, Politie en KMAR. Ook de migratieketen en de burgerketen zijn betrokken.
Klopt het dat eenmaal foutief gekoppelde persoonsgegevens automatisch doorwerken in gekoppelde justitiële databanken? Zo ja, welke systemen zijn daarbij betrokken en hoe verhoudt deze automatische doorwerking zich tot het beginsel van juistheid van persoonsgegevens zoals neergelegd in de Algemene verordening gegevensbescherming?
De Strafrechtketendatabank (SKDB) verwerkt identiteitsgegevens mede op basis van authentieke of gezaghebbende bronregistraties, waaronder in elk geval de Basisregistratie Personen en, voor zover relevant, de Basisvoorziening Vreemdelingen. Wijzigingen in dergelijke bronregisters kunnen doorwerken in de SKDB om identiteitsgegevens te actualiseren en ketenprocessen te ondersteunen. Of en hoe die doorwerking vervolgens effect heeft in andere ketenprocessen of registraties, hangt af van de aard van de wijziging, de betrokken systemen en de noodzakelijke beoordeling van de gevolgen daarvan.
Een beperkt aantal van de aan de SKDB gekoppelde organisaties valt onder de werking van de AVG. Voor andere organisaties geldt dat de Wet Politiegegevens (Wpg) of de Wet Justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing zijn, die overigens vergelijkbare bepalingen kennen ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de te verwerken persoonsgegevens. Die stelsels kennen ieder eigen regels over de juistheid, zorgvuldigheid en – waar nodig – correctie van persoonsgegevens. De geautomatiseerde doorwerking van brongegevens ontslaat betrokken organisaties dus niet van hun verantwoordelijkheid om, binnen het voor hen geldende wettelijke kader, onjuistheden te corrigeren wanneer die blijken.
Klopt het dat het corrigeren van foutief gekoppelde persoonsgegevens in de praktijk wordt bemoeilijkt doordat wijzigingen automatisch doorwerken in andere systemen? Deelt u de mening dat systeemtechnische beperkingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen om onjuiste strafrechtelijke registraties in stand te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat systeemtechnische beperkingen nooit zouden mogen leiden tot het in stand houden van onjuiste strafrechtelijke registraties. Juist om die reden heeft de Matching Autoriteit de wettelijke taak (Wivvg) de leidende administratieve identiteit van verdachten en veroordeelden te bepalen. Deze identiteit wordt binnen de strafrechtketen gedeeld en vervolgens in alle fasen van het strafproces gebruikt. Door het centraal beheer en onderhoud van identiteitsgegevens in de strafrechtketen en het eenduidig gebruik hiervan in de keten(-systemen), kunnen de uniformiteit van gegevens, dataconsistentie en de mogelijkheid tot integraal herstel (na constatering onjuiste tenaamstelling) worden geborgd. Dat neemt niet weg dat herstel in de praktijk per systeem en per rechtsgevolg verschillende handelingen kan vergen. Juist daarom is van belang dat onjuiste registraties niet alleen technisch, maar ook juridisch en procesmatig zorgvuldig kunnen worden hersteld. Om die reden is begin dit jaar een wijziging in de systemen gerealiseerd waardoor het mogelijk is geworden om geautomatiseerd doorgevoerde wijzigingen weer terug te draaien.
Bestaat er binnen de justitiële keten onduidelijkheid over wie bevoegd is om fouten in strafrechtelijke vonnissen en de daaraan gekoppelde registraties te herstellen? Zo ja, hoe beoordeelt u het feit dat geen eenduidige herstelbevoegdheid is vastgelegd terwijl dergelijke fouten verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de rechtspositie van burgers?
Er bestond inderdaad onzekerheid omtrent de herstelbevoegdheden. Deze onzekerheid is inmiddels in belangrijke mate verduidelijkt door het ontwikkelde Toetsings- en handelingskader dat de rechtstatelijke bevoegdheidsgrenzen expliciet maakt. Dat kader is conform toezegging in Q1 definitief vastgesteld en wordt in de komende tijd verder geoperationaliseerd in de uitvoeringspraktijk. Met dit kader wordt de werkwijze rond de registratie van onherroepelijke vonnissen in geval van twijfel over de tenaamstelling, heringericht. Dit kader is gebaseerd op een door deskundigen in- en extern gevalideerde juridische grondslag. Daarbij geldt als uitgangspunt dat correctie van registraties onder omstandigheden mogelijk is, maar dat wijziging van een onherroepelijk rechterlijk oordeel uitsluitend door de rechter zelf kan worden gedaan.
Hoeveel burgers hebben aantoonbaar nadeel ondervonden van onjuiste registraties in justitiële systemen, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag, bij werk- of veiligheidsscreening, in opsporingsonderzoeken, detentie of verblijfsrechtelijke procedures? In hoeveel gevallen hebben foutieve naamkoppelingen ertoe geleid dat veroordeelde personen niet (tijdig) zijn gedetineerd of ten onrechte op vrije voeten zijn gebleven?
In de Kamerbrief van 10 november 20253 is melding gemaakt van vier gevallen waarin foutieve tenaamstelling aan de orde was. In twee van die gevallen zijn personen bij identiteitscontrole gedetineerd geweest; nadat bleek dat zij niet de dader waren, zijn zij in vrijheid gesteld. Of er in meer zaken sprake is geweest van benadeling van burgers zal moeten blijken uit de lopende analyse van de overige zaken waarin er aanwijzingen zijn dat er sprake was van een foutieve tenaamstelling in een vonnis.
Ook is aangegeven dat in 8 gevallen waarin binnen de onderzochte groep een VOG-aanvraag aan de orde was, de nieuwe informatie niet tot een ander oordeel zou hebben geleid.
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak kon het vonnis niet worden betekend als gevolg van onvindbaarheid en staat de veroordeelde om die reden gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Hoeveel verzoeken tot correctie van onjuist verwerkte persoonsgegevens zijn sinds 2010 ingediend, hoeveel daarvan zijn toegewezen en hoeveel afgewezen, en op welke gronden zijn deze verzoeken afgewezen?
Op de door u gestelde vraag kan geen antwoord worden gegeven, omdat cijfermateriaal vanaf 2010 niet beschikbaar is. Het gevraagde, namelijk onjuist verwerkte persoonsgegevens, is daarbij een ander begrip en veel breder dan een «onjuiste tenaamstelling». Daarnaast kan een verzoek tot correctie betrekking hebben op verschillende onderdelen van de registratie van (persoons-)gegevens in de SKDB en niet uitsluitend op de correctie van de personalia van een betrokkene. Dat neemt niet weg dat ik zal bezien hoe de registratie van dergelijke signalen, verzoeken en afdoeningen vanaf nu eenduidiger kan plaatsvinden, zodat hierover in de toekomst beter kan worden gerapporteerd.
Erkent u dat het ten onrechte registreren van burgers als crimineel een ernstige aantasting kan vormen van hun rechtspositie, reputatie en grondrechten? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om alle foutieve registraties actief op te sporen, gedupeerde burgers te informeren en hen adequaat te compenseren?
Het is van groot maatschappelijk belang dat de identiteit van verdachten in het strafproces juist wordt vastgesteld, om te voorkomen dat onschuldigen nadeel ondervinden of dat daders hun straf ontlopen. Uit de rapportage van de Algemene Rekenkamer (ARK) in mei 2025 en de daarop volgende brieven aan uw Kamer5 blijkt dat het in het verleden niet altijd goed is gegaan
Om deze problematiek structureel en rechtstatelijk op te lossen, wordt momenteel een plan van aanpak uitgevoerd waarvan de hoofdlijnen eerder met uw Kamer zijn gedeeld. Kort samengevat bestaat dat uit:
Daarbij wordt niet alleen ingezet op het voorkomen van nieuwe gevallen en het beoordelen van bekende zaken, maar ook op het zo veel mogelijk in beeld brengen van gevallen waarin burgers concreet nadeel hebben ondervonden. Waar daar aanleiding toe bestaat, wordt bezien of en hoe betrokkenen actief kunnen worden benaderd en welke passende herstel- of schadetrajecten openstaan. Daarnaast kunnen burgers die menen nadeel te ondervinden van een onjuiste overheidsregistratie zich melden via onder andere het Meldpunt Fouten in Overheidsregistraties; bezien wordt hoe deze route in dit dossier zo toegankelijk mogelijk kan worden gemaakt.
Het artikel ‘KLM beschuldigd van onwettig straffen’ |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «KLM beschuldigd van onwettig straffen»?1
Ja.
Klopt het dat KLM meer dan alleen loon inhoudt over gestaakte uren? Klopt het dat er «boetes» worden opgelegd?
Op grond van artikel 6, vierde lid van het Europees Sociaal Handvest (ESH) is het staken een recht van werknemers. In beginsel is een werkgever niet verplicht loon te betalen wanneer een werknemer staakt. Het niet verrichten van arbeid komt voor rekening van de werknemers. Naast loon kan de werkgever ook loongerelateerde arbeidsvoorwaarden inhouden. Daarbij kan worden gedacht aan overwerk- en ploegentoeslagen, maar ook aan pensioenopbouw over de stakingsuren. De werkgever mag in beginsel geen boete opleggen wegens het meedoen aan een staking. Over de praktijk bij KLM kan ik geen uitspraken doen. Het is aan de rechter om te beoordelen of die wettelijk is toegestaan.
Zo ja, hoe kwalificeert u deze praktijk? Is dit volgens u wettelijk toegestaan?
Zie antwoord vraag 2.
Indien dit volgens u wettelijk toegestaan is, bent u dan bereid te kijken hoe de wet aangepast kan worden om dit in de toekomst te voorkomen?
In beginsel mogen er geen boetes worden opgelegd door de werkgever aan de werknemer omdat deze mee heeft gedaan aan een staking. Wel kunnen het loon én loongerelateerde arbeidsvoorwaarden worden ingehouden. Uiteindelijk is het aan de rechter om te beoordelen per situatie of de inhoudingen wettelijk zijn toegestaan. Daarbij zie ik geen aanleiding om de wet aan te passen. In de huidige wetgeving is gezocht naar een balans tussen het stakingsrecht en de bescherming van werknemers.
Wat voor gevolgen heeft dit voor het stakingsrecht? Deelt u onze zorgen dat het stakingsrecht hiermee in de weg kan worden gezeten?
Het stakingsrecht is verankerd in artikel 6, vierde lid van het ESH. Dit recht kan niet zomaar worden beperkt of bestraft. Het is aan de rechter om een oordeel te geven of daarvan sprake is in deze situatie.
Deelt u de opvatting dat deze praktijk geen vervolg mag krijgen?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs is naar de antwoorden op vragen 2 en 3.
Het bestraffen van frequente verkeersovertreders bij het veroorzaken van ernstige ongelukken |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Abdalla valt in slaap en rijdt voetganger dood, rechter geeft hem celstraf»?1
Ja.
Hoe wordt op dit moment in de vervolging en berechting rekening gehouden met de persoonlijke geschiedenis van het aantal en type verkeersovertredingen van de verdachte? Is deze praktijk volgens u toereikend?
Eerder opgelegde strafbeschikkingen en veroordelingen (met boetes boven de 130 euro) staan in de justitiële documentatie. Bij het bepalen van de strafeis door het Openbaar Ministerie en de oplegging van de straf door de rechter, wordt hier rekening mee gehouden. In de praktijk leidt recidive veelal tot hogere straffen. Artikel 179, vierde lid, van de Wegenverkeerswet bepaalt bijvoorbeeld dat als iemand binnen vijf jaar wederom een rijontzegging krijgt opgelegd, de rijontzegging in plaats van maximaal vijf jaar maximaal tien jaar bedraagt. Daarnaast vallen de misdrijven uit de Wegenverkeerswet 1994 onder de recidiveregeling zoals opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (artikelen 43a en 43b). Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer iemand zich schuldig maakt aan een verkeersmisdrijf terwijl er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een veroordeling voor een soortgelijk misdrijf, het strafmaximum met een derde kan worden verhoogd. Overtredingen die onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften vallen, staan niet in de justitiële documentatie omdat het uitgangspunt van deze wet is dat de overtredingen die hieronder vallen, ethisch neutraal zijn.
Kunt u toelichten waarop in de huidige praktijk de gedachte berust dat een gevangenisstraf en rij-ontzegging van één of enkele jaren voldoende is om recht te doen aan verkeerssituaties met dodelijke afloop waarin verdachten reeds herhaaldelijk gevaarzettend gedrag hebben vertoond in het verkeer?
De rechter moet bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met de verschillende omstandigheden van het geval. Daarbij wordt gekeken naar de gevolgen van het gedrag, maar vooral ook naar de mate van schuld. Dit kan in verkeerszaken erg uiteenlopen. Zo kan een kort moment van onoplettendheid fatale gevolgen hebben, terwijl zeer onvoorzichtig gedrag soms zonder gevolgen blijft. Hoe verwijtbaar het gedrag ook is, het gaat bij verkeersongevallen wel altijd om een bepaalde mate van schuld. Dit maakt dat de bovengrens van de straf lager is dan bij delicten die met opzet gepleegd worden. Indien een bestuurder iemand opzettelijk aanrijdt, is er geen sprake meer van een verkeersmisdrijf maar van (poging tot) doodslag. Daar gelden andere maximumstraffen voor.
De strafeisen in de richtlijn van het Openbaar Ministerie (OM) in geval van een dodelijke aanrijding lopen dan ook uiteen. Het wegenverkeersrecht kent vier oplopende gradaties van schuld.
Voor de lichtste vorm van schuld, aanmerkelijke schuld, geldt in de meeste gevallen een strafeis van een taakstraf van 240 uur in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar. In geval van ernstige schuld volgt een strafeis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar. Als er sprake is van een zeer hoge mate van schuld aan de kant van de verdachte is de strafeis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar. De vierde en zwaarste mate van schuld vormt roekeloosheid, waarvoor maximaal zes jaar gevangenisstraf en vijf jaar ontzegging van de rijbevoegdheid – die ingaat na de gevangenisstraf – kan worden opgelegd. Voor deze zwaarste categorie is in de OM richtlijn geen strafeis geformuleerd, maar er wordt altijd een hogere straf geëist dan bij de in de hiervoor beschreven gradaties.
Wanneer er bij de verdachte ook sprake is van alcohol- of drugsgebruik liggen de strafeisen in de richtlijn hoger, evenals de mogelijke maximumstraffen. Zo is de maximale straf bij roekeloosheid dan op negen jaar gevangenisstraf gesteld.
Vindt u dat sommige bestuurders definitief de rijbevoegdheid moet kunnen worden ontzegd? In hoeverre wordt die mogelijkheid nu geboden en gebruikt?
Op dit moment kan een rijontzegging oplopen tot tien jaar, afhankelijk van het strafbare feit. Dit kan zelfs langer zijn als voor verschillende feiten meerdere rijontzeggingen zijn opgelegd. De duur van een eventueel opgelegde gevangenisstraf wordt bij de termijn van de rijontzegging opgeteld. Ik acht de mogelijkheden die de wet daarmee biedt, toereikend. Een rijontzegging van tien jaar wordt in praktijk maar enkele keren per jaar opgelegd. Van de mogelijkheid om een langere rijontzegging op te leggen, zal daarom in de praktijk naar verwachting ook maar weinig gebruik worden gemaakt.
Op welke wijze wordt toegezien of een veroordeelde zich houdt aan de rij-ontzegging? Hoeveel personen zijn in de afgelopen jaren aangetroffen als bestuurder terwijl sprake was van een rij-ontzegging?
De politie handhaaft op het rijden zonder geldig rijbewijs. De politie hanteert een risicogestuurde aanpak. De politie zet hiervoor onder andere de Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-camera’s in. Personen met een ongeldig verklaard rijbewijs die een voertuig op hun naam hebben staan, kunnen met behulp van deze camera’s snel gelokaliseerd worden. ANPR-camera’s kunnen kentekens automatisch lezen en deze vervolgens vergelijken met lijsten van kentekens waarmee iets aan de hand is. De politie kan dan de bestuurder van het gelokaliseerde voertuig vervolgens controleren. De eigenaar van het voertuig van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard, kan immers zijn voertuig ook hebben uitgeleend aan of laten besturen door iemand die wel over een geldig rijbewijs beschikt.
In 2025 zijn er in totaal ruim 10.000 bestuurders staande gehouden voor het rijden met een ongeldig rijbewijs. Het ging in 689 gevallen om het rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid. Het merendeel van de gevallen betreft het rijden met een rijbewijs dat op grond van het bestuursrecht ongeldig is verklaard.
Vindt u het passen bij de ernst van de veroordeling tot rij-ontzegging na ernstige of zelfs dodelijke ongelukken dat volgens de richtlijn van het Openbaar Ministerie enkele weken gevangenisstraf wordt gevorderd bij niet-naleving?2 Waarop berusten de gekozen normen in de richtlijn?
Er is bij het schenden van een ontzegging van de rijbevoegdheid niet noodzakelijk sprake van het veroorzaken van gevaar, het gaat hierbij het negeren van een opgelegde maatregel. Wanneer er geen gevaarlijk rijgedrag is vastgesteld en er geen slachtoffers zijn gevallen, zou een veel langere gevangenisstraf niet voldoen aan het proportionaliteitsvereiste. De duur van de eerder opgelegde rijontzegging wordt met de duur van de gevangenisstraf verlengd. Na de gevangenisstraf geldt dus nog steeds de resterende duur van de rijontzegging. Ook kan voor het schenden van een rijontzegging naast de gevangenisstraf nog een aanvullende ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd.
Bent u bereid te verkennen of en hoe aanscherping van bestraffing nodig is bij ernstige verkeersongevallen door personen met gebleken risicovol gedrag in het verkeer, waaronder in ieder geval begrepen de bestraffing van het niet naleven van de rij-ontzegging?
Met de wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten zijn de strafmaxima voor een aantal ernstige verkeersdelicten reeds verhoogd. De wet is op 1 januari 2020 in werking getreden en wordt momenteel geëvalueerd. De uitkomsten worden in het najaar verwacht. Ik wil de uitkomsten van deze evaluatie afwachten en op basis van de bevindingen bekijken of de straffen verder moeten worden aangescherpt.