Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta’ |
|
Suzanne Kröger (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe (SP), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Israëlische strijdkrachten schepen met (onder meer) Nederlandse opvarenden in internationale wateren hebben geënterd en daarbij personen hebben aangehouden?1
Hoe beoordeelt u het besluit van de Israëlische autoriteiten om op zo’n 1.000 km buiten de eigen territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone over te gaan tot aanhouding en detentie van Nederlandse burgers?
Bent u het ermee eens dat het aanhouden en detineren van Nederlandse burgers door Israël in internationale wateren in strijd is met het internationaal zeerecht en in het bijzonder met het beginsel van vrijheid van navigatie?
Deelt u de opvatting dat dergelijk optreden een risicovol precedent kan scheppen voor extraterritoriale handhaving door staten?
Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zet u om dit tegen te gaan?
Welke maatregelen neemt het kabinet om Nederlandse zeevarenden in het algemeen, maar ook resterende opvarenden van de flotilla, in de toekomst te beschermen tegen onrechtmatige aanhouding (in internationale wateren) door derde staten?
Deelt u de zorg, die ook onder de opvarenden leeft, dat Israëlische autoriteiten structureel onvoldoende humanitaire hulp Gaza in laten?
Zo ja, welke concrete stappen zet Nederland, bilateraal en in EU-verband, om Israël te bewegen zich te houden aan zijn verplichtingen onder het internationaal recht en het staakt-het-vuren, waaronder het toelaten van voldoende humanitaire hulp?
De bekladding van het Nationaal Monument op de Dam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bekladding van het Nationaal Monument op de Dam met rode verf, vlak voor de Nationale Dodenherdenking?1
Hoe beoordeelt u deze daad, mede gezien de symbolische waarde van het monument en het moment waarop deze plaatsvond?
Hoe is het mogelijk dat een nationaal monument op een dergelijk gevoelig moment niet afdoende beveiligd is gebleken en deelt u de mening dat dit in het vervolg anders aangepakt moet worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
In hoeverre was er vooraf rekening gehouden met het risico op dergelijke acties, mede gezien eerdere incidenten en maatschappelijke spanningen?
Klopt het dat het Nationaal Monument de afgelopen jaren vaker doelwit is geweest van vandalisme en welke lessen zijn daaruit getrokken?
Deelt u de mening dat herhaalde incidenten wijzen op tekortschietende beveiliging en handhaving rond dit nationale symbool? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen en acht u de huidige aanpak en strafmaat afschrikwekkend genoeg? Zo ja, hoe rijmt u dat met het feit dat het herhaalde incidenten zijn? Zo nee, bent u bereid deze flink aan te scherpen?
Het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend zouden zijn?
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding, aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe) informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen deze middelen zijn verstrekt?
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke omvang en periode?
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes, demonstraties of academische programma’s?
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort is geschoten?
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren en waar nodig te stoppen?
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte en het resultaat is geweest?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties zoals Hamas?
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk de regie op voert?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
Het bericht dat mensen in Dordrecht-West vaker longkanker krijgen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» van de GGD Zuid-Holland Zuid?1
Deelt u de mening dat het alarmerend is dat bij bewoners van Dordrecht-West longkanker zo vaak voorkomt?
Op hoeveel andere plekken in Nederland lopen bewoners gezondheidsrisico door luchtvervuiling door onder meer industrie?
Hoe gaat u de aanbevelingen van de GGD Zuid-Holland Zuid opvolgen, graag specificeren per aanbeveling?
Welke stappen worden er gezet om ervoor te zorgen dat de kans op longkanker in Dordrecht niet langer boven het landelijke gemiddelde blijft?
Welke stappen gaat u zetten om in het algemeen de kans op kanker in dit soort wijken, met veel luchtverontreiniging, te verlagen?
Het bericht 'Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal' |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Na Vesteda krijgt ook woningbelegger Bouwinvest te maken met een uitstroom van kapitaal»1 en wat betekent dit voor het aanbod aan middenhuurwoningen in Nederland?
In welke mate veroorzaakt deze uitstroom liquiditeitsdruk bij Bouwinvest, en hoe verhoudt dit zich tot de situatie bij Vesteda, waar eerder eveneens kapitaaluitstroom heeft plaatsgevonden?
Hoe groot acht u de kans dat Bouwinvest, net als Vesteda, woningen zal moeten verkopen om aan uitstapverzoeken te kunnen voldoen? Zo ja, in welke omvang?
Kunt u aangeven wat de mogelijke gevolgen zijn voor de beschikbaarheid van middenhuurwoningen en voor de ontwikkeling van de huurprijzen?
Deelt u de zorg dat gelijktijdige uitstroom bij meerdere woningfondsen kan leiden tot bredere effecten op de woningmarkt, zoals prijsdruk of een toename van uitponden?
In welke mate dragen nationale beleidsmaatregelen, zoals huurregulering en fiscale wijzigingen, volgens u bij aan het terugtrekken van investeerders uit Nederlandse woningfondsen?
Kunt u per relevante maatregel toelichten wat het effect is op de investeringsbereidheid van institutionele beleggers?
In hoeverre verlagen Nederlandse pensioenfondsen momenteel hun allocatie naar vastgoed, en specifiek naar woningbeleggingen? Indien dit het geval is, wat zijn daarvoor de belangrijkste oorzaken?
Wat zijn de gevolgen van deze ontwikkeling voor fondsen als Bouwinvest, die in belangrijke mate afhankelijk zijn van Nederlands pensioenkapitaal?
Welke impact heeft dit op de financiering en realisatie van nieuwbouwprojecten, in het bijzonder binnen het middenhuursegment?
Kunt u toelichten of en in welke mate projecten worden uitgesteld of afgeblazen als gevolg van teruglopende investeringen?
Deelt u de analyse dat Nederland minder aantrekkelijk wordt voor institutionele woningbeleggers ten opzichte van andere Europese landen?
Acht u het risico aanwezig dat kapitaal structureel verschuift naar andere markten, en welke gevolgen heeft dit voor de woningbouwopgave in Nederland?
In welke mate acht u de huidige structuur van open-end vastgoedfondsen met uitstapmogelijkheden kwetsbaar onder veranderende marktomstandigheden?
Acht u aanvullende maatregelen of aanpassingen in de regelgeving noodzakelijk om deze kwetsbaarheden te mitigeren?
In uw Kamerbrief van 20 april jl. (Kamerstuk 27 926, nr. 409) neemt u enkele maatregelen om voornamelijk het uitponden van middenhuur woningen tegen te gaan; welke andere maatregelen heeft u overwegen, waarom zijn deze afgevallen?
Uit de enquête van Vastgoed Belang blijkt dat investeerders de aangekondigde maatregelen onvoldoende achten om het uitponden tegen te gaan; herkent de Minister deze signalen, waarom acht de Minister aanvullende maatregelen nu niet nodig?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het investeringsklimaat voor woningbouw op peil te houden, mede gezien de signalen van partijen als Bouwinvest?
Bent u bereid in overleg te treden met institutionele beleggers en pensioenfondsen om te verkennen hoe investeringen in de Nederlandse woningbouw kunnen worden behouden dan wel vergroot?
Welke maatregelen neemt de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw om te waarborgen dat investeren in middenhuurwoningen aantrekkelijk blijft voor institutionele beleggers, zodat woningzoekenden niet de negatieve gevolgen ondervinden van fiscale beleidsmaatregelen?
Het bericht: 'Sweden Drops Use of the Term Islamophobia' |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sweden Drops Use of the Term «Islamophobia»»?1
Ja.
Klopt het dat Zweden niet langer de term Islamofobie gebruikt?
De Zweedse regering heeft in december 2024 een actieplan tegen racisme en haatmisdrijven aangenomen. Uit dat actieplan wordt duidelijk dat het begrip antimoslimracisme het begrip islamofobie vervangt in alle officiële communicatie.
Zoals de Zweedse Minister van Buitenlandse Zaken op 24 april jl. aan het Zweeds parlement heeft toegelicht, zijn de redenen daarvoor dat het woord «fobie» doet denken aan irrationele angsten van individuele personen, in plaats van aan discriminatie, uitsluiting en racisme. Bovendien kan het begrip de indruk wekken dat het uitsluitend gaat om de opvatting over de islam als religie en niet om de opvatting over moslims.
Klopt het dat Zweden ook binnen de verschillende gremia van de EU nu aandringt om deze term niet langer te gebruiken?
Ook binnen de EU heeft de verandering van «islamofobie» naar «anti-moslim discriminatie» of «anti-moslim-haat» al plaatsgevonden en gebruik van deze aanduidingen is inderdaad staand EU beleid.
Indien dat het geval is kunt u ons toezeggen dat de Nederlandse regering dat verzoek van Zweden steunt? Zo nee waarom niet?
Nederland steunt een breed gedragen uniforme omschrijving binnen de Europese Unie voor de beschrijving van discriminatie, vijandigheid of geweld gericht tegen moslims of personen die als moslim worden gezien. Deze benadering richt zich niet op het beschermen van religies als zodanig, maar op het beschermen van individuen en hun fundamentele rechten. De Zweedse benadering sluit aan bij de bestaande Nederlandse en Europese praktijk.
Los van dit nieuwsbericht over Zweden, is het Nederlandse kabinet bereid de term Islamofobie te schrappen en juist ruimte te geven aan de vrijheid van meningsuiting en religie kritiek? Zo nee waarom niet?
Binnen de Europese Unie is het reeds staande praktijk om de term «anti-moslimhaat» te gebruiken voor discriminatie, vijandigheid of geweld gericht tegen moslims of personen die als moslim worden gezien. In internationale context is dat eveneens de term die Nederland hanteert. In binnenlandse context hanteert Nederland de term «moslimdiscriminatie». Moslimdiscriminatie is wanneer iemand negatief bejegend, uitgesloten of achtergesteld wordt vanwege het feit dat diegene (vermeend) moslim is.2 Voor Nederland is het essentieel dat het tegengaan van haat en discriminatie hand in hand gaat met het waarborgen van de vrijheid van meningsuiting.
Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Natuurbranden op defensieterreinen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de recente natuurbranden op defensieterreinen, waaronder de grote brand bij ’t Harde1, de Oirschotse Heide2 en de Weerterheide3?
Ik betreur de situatie zeer. Ik spreek mijn waardering uit voor alle brandweermensen, hulpverleners, militairen en andere betrokkenen die zich hebben ingespannen om de natuurbranden te bestrijden en de gevolgen ervan te beperken. Dankzij hun tomeloze inzet, professionaliteit en betrokkenheid zijn de branden onder controle gebracht. Daarnaast ook veel waardering voor de ondersteuning vanuit België, Duitsland en Frankrijk. Deze internationale bijstand heeft bijgedragen aan een effectieve gezamenlijke inzet ter bescherming van de gezondheid en veiligheid van mensen, dieren en de fysieke leefomgeving.
Begrijpt u twijfels van omwonenden van defensieterreinen over de brandveiligheid en het risico op brand op defensieterreinen?
Defensie heeft begrip voor het feit dat omwonenden vragen hebben over de veiligheid van hun directe leefomgeving. Ik wil benadrukken dat Defensie haar verantwoordelijkheid als beheerder van grote natuurgebieden serieus neem en dat veiligheid is verankerd in de operationele bedrijfsvoering. Door samenwerking met de veiligheidsregio’s en lokale overheden wordt getracht de brandveiligheid op en rondom defensieterreinen te waarborgen en de gezamenlijke reactiesnelheid in geval van calamiteiten te optimaliseren.
Er is een verhoogd risico op natuurbranden in tijden van aanhoudende droogte. Op basis van de risico’s stelt de veiligheidsregio het natuurbrandrisico vast. Defensie hanteert de brandrisicofase zoals vastgesteld door de veiligheidsregio. Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn risicobeheersende maatregelen genomen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op de overige oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
Waarom hebt u de Kamer niet zelf proactief geïnformeerd over de situaties van de branden op defensieterreinen in de afgelopen paar dagen, gezien de grote schaal van de branden en de maatschappelijke impact ervan?
Tegelijk met het verzenden van de beantwoording op deze Kamervragen, verstuurt de Minister van JenV een kamerbrief mede namens de Minister van LVVN en mijzelf.
Hoeveel van de 124 natuurbranden op defensieterreinen in 2025 zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen? Indien deze branden niet zijn ontstaan door oefeningen, hoe verklaart u dan het grote aantal branden op defensieterreinen?
Op het ASK (Artillerie Schietkamp) en ISK (Infanterie Schietkamp) zijn branden een onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Defensie beschikt op het ISK en ASK over bedrijfsbrandweer en werkt nauw samen met het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid) voor de registratie van branden en de oorzaken. Voor een zorgvuldige beheersing zijn deze locaties hierop specifiek ingericht. Voor een specifieke beantwoording ten aanzien van de cijfers is aanvullend onderzoek en afstemming met het NIPV nodig. Wij zullen de Kamer nader informeren voor het debat van 10 juni.
Hoeveel natuurbranden op defensieterreinen zijn er geweest in 2026 en hoeveel daarvan zijn (waarschijnlijk) veroorzaakt door militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 4
Op 30 april meldde Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim in de media dat per 30 april strengere maatregelen zijn ingegaan, in de vorm van een aanscherping zodat er geen hitte kan ontstaan tijdens oefeningen; welke strenge maatregelen betreft dit en waarom zijn die strengere maatregelen eerder nog niet genomen? Gezien het grote aantal natuurbranden dat is ontstaan op defensieterreinen vindt u het verantwoord dat die strengere maatregelen nu pas zijn genomen?
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Het Artillerieschietkamp beschikt over bedrijfsbrandweer. Hier gelden tevens de afspraken over extra mitigerende maatregelen zoals vastgelegd in een convenant dat is afgestemd met de verantwoordelijke Veiligheidsregio en burgemeesters.
Met een tijdelijke aanscherping van de maatregelen doelde de Commandant der Strijdkrachten op een verbod op alle uitzonderingen zoals benoemd in het protocol, zoals het wel toestaan van het gebruik van oefenmunitie indien er voldoende brandbestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn in de directe nabijheid van de gebruikslocatie. Voorafgaand aan het uitbreken van de natuurbranden op 29 en 30 april was er geen reden om de maatregelen aan te scherpen, het protocol volgt de fasering vanuit de Veiligheidsregio’s.
Bent u het eens met de uitspraken van Commandant der Strijdkrachten dat het niet nodig is om te stoppen met militaire oefeningen in tijden van droogte, ook gezien het grote aantal natuurbranden dat ontstaat op defensieterreinen?
Ik onderschrijf het belang van militaire oefeningen. De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Realistisch oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we in binnen- en buitenland, bij dag en bij nacht en bij koud en bij warm weer. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. We hebben alle activiteiten met een verhoogd risico tijdelijk stopgezet, maar militaire oefeningen zijn nooit zonder enig risico.
Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 11 van de Partij van de Dieren ingediend op 30 april die gebundeld met deze antwoorden is verzonden. Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het protocol, alsmede de inrichting van de terreinen, draagt zorg dat niet alleen militairen realistisch en veilig kunnen trainen, maar dat ook de natuur en omwonenden veilig zijn.
Waarom acht u het verantwoord om in droogte en bij risico op brand door te gaan met militaire oefeningen? Bent u bereid om daarmee te stoppen als er droogte en risico op brand is?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid).
Natuurbranden zijn deels onderdeel van de reguliere gecontroleerde bedrijfsvoering waarop Defensie is ingericht. Op het Artillerieschietkamp zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering uitvoerige preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst en risicobeheersende maatregelen gericht op het voorkomen van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige terreinen is ook aandacht voor brandveiligheid. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisico als gevolg van droogte, afgekondigd door de veiligheidsregio, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor.
Wat is uw reactie op het bericht dat vliegveld Kempen Airport Defensie al maanden waarschuwt voor brand, ook nadat de brand bij ’t Harde uitbrak?4 Wanneer was u op de hoogte van deze waarschuwingen? Waarom is er niets gedaan met deze waarschuwingen door Defensie? Vindt u dat deze waarschuwingen door Defensie serieus zijn genomen en vindt u dat Defensie het risico op brand goed heeft ingeschat?
Ik heb geen signalen dat vliegveld Kempen Airport al maanden waarschuwt voor brandgevaar. Na het uitbreken van de brand in ’t Harde op 29 april is vanuit Kempen Airport omstreeks 18:43u een mail verstuurd aan de verantwoordelijke terreinbeheerder bij de 13e Lichte Brigade in Oirschot. Referte de brand in ’t Harde en een brand op de Weerterheide vorig jaar was het verzoek van de beheerder/zaakwaarnemer van Kempen Airport om op korte termijn hierover in gesprek te gaan. De melding is op die bewuste avond niet meer in behandeling genomen aangezien daar geen directe aanleiding voor was. Defensie hecht aan een goede relatie met de mensen die in de omgeving van oefen- en schietterreinen wonen of recreëren.
Hoe weegt u de veiligheid van omwonenden en het behoud van natuur met het doen van militaire oefeningen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat er natuurbranden ontstaan op defensieterreinen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Het bericht ‘Zware klap voor oliekartel Opec na vertrek Emiraten: wat betekent dit voor de olieprijs en het wereldtoneel?’ |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zware klap voor oliekartel Opec na vertrek Emiraten: wat betekent dit voor de olieprijs en het wereldtoneel?»?1
Hoe duidt u het besluit van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) om het Opec-kartel te verlaten in het licht van de structurele instabiliteit op de mondiale energiemarkt en de toenemende prijsvolatiliteit?
In hoeverre is de invloed van de Opec+ op de wereldwijde olieproductie de afgelopen jaren afgenomen ten gunste van producenten buiten dit kartel?
Welke rol speelt de nauwe samenwerking tussen Rusland en Saoedi-Arabië binnen de Opec+ momenteel bij het kunstmatig hooghouden van de olieprijs?
In hoeverre acht u het waarschijnlijk dat de verzwakking van de Opec – en daarmee de Opec+-alliantie – de effectiviteit van Russische marktmanipulatie inperkt en daarmee direct de financiering van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne bemoeilijkt?
Hoe beoordeelt u de informatie dat het vertrek van de VAE mede is ingegeven door fundamentele onenigheid binnen de Golfregio over de reactie op de oorlog met Iran en de voortdurende blokkade van de Straat van Hormuz?
Wat betekent het vertrek van de VAE uit de OPEC voor de GCC en wat betekent de eenheid binnen de Gulf Cooperation Council (GCC) voor de belangen van de Europese Unie (EU), niet alleen op het gebied van energiezekerheid maar ook voor de regionale veiligheid?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie in de straat van Hormuz een directe bedreiging vormt voor de mondiale leveringszekerheid en de stabiliteit van de wereldeconomie met inbegrip van de voedselzekerheid? Zo ja wat bent u bereid bij te dragen aan de verbetering van die situatie?
Wat verwacht u dat de toenemende rivaliteit tussen de VAE en Saoedi-Arabië als effect heeft voor de regionale veiligheid?
Verwacht u dat het besluit van de VAE om de OPEC te verlaten de onderlinge rivaliteit tussen de VAE en Saoedi-Arabië zal vergroten en daarmee de mogelijkheden voor samenwerking binnen de GCC bemoeilijkt?
Welke rol ziet u voor Nederland en de Europese Unie om bij te dragen aan het behoud van de eenheid van de GCC als strategische partner, juist nu de spanningen tussen de lidstaten over energie- en veiligheidsbeleid toenemen?
Kan de intensivering van de samenwerking tussen Nederland en de VAE op het gebied van energie-infrastructuur en maritieme veiligheid bijdragen aan de algehele stabiliteit in de regio en, zo ja, op welke manier?
Erkent u dat de toenemende volatiliteit op de oliemarkt de vraag naar alternatieve energiebronnen en technologieën, zoals elektrische voertuigen en zonnepanelen, onvermijdelijk versnelt?
Hoe zet het kabinet zich in om te voorkomen dat deze versnelling leidt tot een nieuwe, eenzijdige afhankelijkheid van onvrije staten zoals China voor de levering van kritieke grondstoffen en componenten?
Op welke wijze waarborgt u dat deze nieuwe afhankelijkheden niet opnieuw als geopolitiek wapen kunnen worden ingezet, naar het voorbeeld van de huidige Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz?
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Kunt u aangeven welke maatregelen en protocollen Defensie in het algemeen hanteert om natuurbranden op defensieterrein te voorkomen?1
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Hiervoor werkt Defensie intensief samen met de veiligheidsregio’s en het NIPV (Nederlands Instituut Publieke Veiligheid). Op het Artillerieschietkamp (omgeving ’t Harde) zijn ten aanzien van natuurbranden in de reguliere bedrijfsvoering preventiemaatregelen ingericht, waaronder de aanwezigheid van een eigen brandweerdienst. Op de overige schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor. In het geval van een toegenomen natuurbrandrisicofase als gevolg van droogte, legt Defensie beperkingen op aan de toegestane activiteiten en schrijft extra preventieve maatregelen voor, passend bij de afgegeven natuurbrandrisico-fase.
Hoe wordt een integrale aanpak samen met andere departementen en regio’s gewaarborgd voor een toekomstbestendig preventiebeleid rekening houdend met klimaatverandering, ook met oog op de noodzakelijke uitbreiding van Defensie?
Defensie erkent dat haar activiteiten impact hebben op de omgeving. Het vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering hebben impact op de bedrijfsvoering van Defensie. De inrichting van onze huidige en toekomstige oefenterreinen worden mede daarom klimaatadaptief en natuurinclusief uitgevoerd om het risico op uitbraken van natuurbranden te verminderen. Hiervoor maken we ook gebruik van de expertise van bijvoorbeeld het Ministerie van LVVN en Staatsbosbeheer.
De essentie van het beleid is echter dat deze activiteiten noodzakelijk zijn voor de nationale veiligheid, en altijd worden uitgevoerd binnen de kaders van de wet en met een zo groot mogelijke beperking van risico’s.
Wordt overwogen om expertise van andere landen en regio’s met meer ervaring met natuurbranden (zoals Frankrijk, Australië of Hawaï) in te winnen om zo tot een toekomstbestendig preventiebeleid te komen?
Brandweer Nederland werkt samen met buitenlandse brandweerkorpsen. Defensie sluit daar zoveel mogelijk op aan. Zo heeft Defensie bijvoorbeeld expertise opgehaald in Spanje. Defensie is ook aangesloten bij het Landelijk Netwerk Natuurbrandbeheersing overleg en het NATO Crash Fire and Rescue Panel om een protocol voor WILDFIRE op te maken voor de militaire brandweerorganisaties uit aangesloten landen.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van de regels en grenswaarden die Defensie gebruikt om oefeningen aan te passen of stil te leggen bij droogte en verhoogd risico op natuurbranden? Hoe verloopt de interne afstemming?
De veiligheidsregio stelt de natuurbrandrisico-fase vast. Defensie hanteert dit als de grenswaarde. Per natuurbrandrisicofase zijn de beperkingen vastgelegd in een intern voorschrift. Hieraan dienen oefenende eenheden zich te houden.
Hoe sluiten deze regels aan op de werkwijze van veiligheidsregio’s, het KNMI en terreinbeheerders, hoe verloopt onderlinge afstemming en wordt er gewerkt met dezelfde landelijke uitgangspunten?
Elke veiligheidsregio is zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van het natuurbrandrisico. Voor de actuele natuurbrandrisico-fase per veiligheidsregio heeft Defensie regelmatig contact met de veiligheidsregio of raadpleegt https://www.brandweer.nl/natuurbrandrisico/.
Oefenende eenheden krijgen hun richtlijnen per oefening van de verantwoordelijke schiet- of oefenterreinbeheerder. Voor advies kan de oefenterreinbeheerder terecht bij op de Accountmanager Brandweerzorg.
Welke concrete maatregelen worden standaard genomen om de kans op natuurbranden tijdens oefeningen te verkleinen, bijvoorbeeld bij het gebruik van munitie of de inzet van blusmiddelen?
Een standaard concrete maatregel is dat er, ook wanneer er geen verhoogd risico is op natuurbranden, dat er ten alle tijden voldoende blusmiddelen beschikbaar en bereikbaar zijn. Verder zijn er in het terrein verschillende gebieden aangewezen die specifiek zijn ingericht op het gebruik van bepaalde typen munitie of explosieven. Hier zijn bijvoorbeeld zones ingericht zonder bebossing zodat branden niet of minder snel kunnen verspreiden.
Op 30 april gold in grote delen van Nederland natuurbrandrisico fase 2 zoals afgekondigd door de veiligheidsregio. Het protocol van Defensie schrijft voor schiet- en oefenterreinen zonder aanwezige bedrijfsbrandweer onder andere voor dat er niet meer mag worden gerookt, er geen gebruik van pyrotechnische middelen en spring- en ontstekingsmiddelen mag worden gemaakt. Tevens moet na iedere activiteit waarbij brand kan ontstaan, een controle (brandronde) plaats te vinden.
Welke ruimte hebben lokale commandanten om zelf te besluiten een oefening aan te passen of te stoppen bij verhoogd risico en hoe wordt gezorgd dat dit overal op een vergelijkbare manier gebeurt?
Commandanten hebben deze ruimte. Ze kunnen eigen oefeningen aanpassen. Tegelijkertijd is de organisatie zo ingericht dat een bezoekende eenheid die komt oefenen een «Leider der oefening» (Ldo) heeft. Deze persoon stemt altijd af met de lokale oefenterreinbeheerder. Zij maken beide een inschatting van het natuurbrandrisico. De Ldo is ook te alle tijden telefonisch bereikbaar.
In aanvulling op vraag 6 maakt de lokale schiet- of oefenterreinbeheerder de afweging of hij of zij één of meerdere uitzonderingen op de beperkingen bij natuurbrandrisico fase 2 verantwoord acht. Hij of zij kan zich hierbij laten adviseren door de lokale Account Manager Brandweerzorg of de Afdeling Veiligheid op het niveau van het betreffende defensieonderdeel.
Hoe wordt gecontroleerd of de huidige maatregelen goed werken en welke lessen zijn recent geleerd uit incidenten of situaties die bijna misgingen?
Defensie werkt conform het protocol en procedures op basis van het natuurbrandrisico zoals afgekondigd door de veiligheidsregio voor de brandveiligheid, specifiek in natuurrijke omgevingen. Leren en verbeteren is onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Daar waar ongeacht het uitvoeren van het protocol en de procedures incidenten voorkomen, doet Defensie onderzoek en streeft Defensie ernaar hier zo goed mogelijk lessen uit te trekken. Naar aanleiding van de brand op 3 april 2025 op de Ederheide heeft Defensie het bestaande protocol opnieuw bekeken en als afdoende beschouwd. Daarnaast zijn de eenheden specifiek gewezen op het geldende voorschrift. Bovendien heeft eind maart 2026, voorafgaand aan het droge seizoen, een sessie met terreinopzichters plaatsgevonden om het protocol te bespreken. Tot slot is begin dit jaar een pilot gestart met de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) om tot een mogelijke verfijning van de natuurbrandrisicofases te komen.
In hoeverre wordt bij de planning van oefeningen rekening gehouden met droge seizoenen en wordt overwogen om bepaalde activiteiten vaker te verplaatsen naar minder risicovolle momenten of locaties?
In de planning van onze oefeningen houden we altijd rekening met de beperkingen en mogelijkheden die de oefenterreinen in binnen- en buitenland bieden. De lokale klimatologische omstandigheden maken ook onderdeel uit van die overwegingen. We gaan ons protocol, processen en procedures tegen het licht houden. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben.
Welke alternatieven voor oefenen, zoals simulaties, aangepaste munitie of oefenen in het buitenland, worden ingezet om risico’s voor natuur in droge periodes te beperken?
We gebruiken verschillende simulatie systemen voor de (schiet)opleiding en training van onze mensen. Dit vermindert het gebruik van onze schiet- en oefenterreinen. Om de gereedheid van de Nederlandse krijgsmacht in stand te houden en zo weinig mogelijk risico te lopen op natuurbrand kijken we ook naar mogelijkheden om meer van onze schietoefeningen in het buitenland te houden, in gebieden waar de kans op natuurbranden kleiner is. Ook wordt gekeken naar het gebruik van digitale klein-kalibermunitie. De resultaten van een pilot hiermee zijn positief.
Hoe wordt de afweging gemaakt tussen het belang van militaire paraatheid en de veiligheid van natuur en omwonenden, en zijn hiervoor duidelijke richtlijnen vastgesteld?
De veiligheidssituatie in de wereld vraagt om een sterke en goed getrainde krijgsmacht. Oefenen is daarvoor essentieel. Dat doen we zo veilig mogelijk voor mens, natuur en omgeving. Militaire oefeningen zijn echter nooit zonder enig risico. Onze terreinen zijn ingericht om veilig en realistisch te trainen. Tegelijkertijd is het natuurbeleid van Defensie gericht op multifunctioneel gebruik van gronden met een balans tussen militair gebruik en natuurbehoud en -versterking. De operationele gereedstelling en het gebruik van de terreinen voor oefeningen staan centraal, en de inrichting en het beheer van de terreinen is hierop afgestemd. Door maatregelen te nemen om de biodiversiteit te versterken en de ecosystemen te beschermen, draagt Defensie concreet bij aan het verantwoord beheer van deze waardevolle gebieden. Op het Artillerieschietkamp zijn ter voorkoming van branduitbreiding en het faciliteren van een effectieve inzet van hulpdiensten risicobeheersende maatregelen genomen. Hierbij valt te denken aan brandweerroutes, boomvrije zones, brandbanen, brandsingels en bluswatervijvers. Op overige militaire schiet- en oefenterreinen is ook aandacht voor brandveiligheid.
In hoeverre is de huidige aanpak volgens u voorbereid op vaker voorkomende droogte in de toekomst? Welke extra maatregelen worden overwogen?
In grote delen van Nederland zijn we inmiddels terug naar natuurbrandrisico fase 1, waarbinnen geen extra maatregelen nodig zijn om natuurbranden te voorkomen. In geval van fase 2 heeft Defensie het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek in de natuur tijdelijk stilgelegd. Momenteel wordt, zie ook het antwoord op vraag 14, onderzocht op welke manier het protocol kan worden aangescherpt en zullen deze concrete maatregelen voor 1 juli helder zijn.
Wordt overwogen om te komen tot één duidelijke landelijke aanpak of set regels voor militaire oefeningen bij een verhoogd risico op natuurbranden? Zo ja, hoe zou die eruit kunnen zien?
Zie het antwoord op vraag 1.
In de media is al gezegd dat de huidige protocollen niet meer aansluiten bij het huidige klimaat; kunt u aangeven of dit geldt voor meer soorten van extreme weersomstandigheden en op welke termijn deze protocollen kunnen worden aangepast?
Defensie onderzoekt of het huidige protocol en de procedures ten aanzien van natuurbrandbeheersing moeten worden aangepast en daarbij wordt specifiek bekeken of deze aansluiten bij het huidige klimaat en de trends. Ik wil de eerste verbetervoorstellen voor de zomer gereed hebben en op 1 juli bij ILT aanleveren.
Hoe reflecteert u op de huidige inzet met het oog voor de inzet van alle betrokkenen (Brandweer, specialisten veiligheidsregio’s en defensiepersoneel) in de bestrijding van de natuurbranden? Waren er voldoende mensen en middelen ter beschikking? Verliep de onderlinge afstemming naar behoren? Hebben zij hun werk naar omstandigheden veilig uit kunnen voeren?
Ik heb veel waardering voor de inzet van al het betrokken personeel. In de gezamenlijke Kamerbrief die door mijn collega van JenV is op verzonden op 11 mei wordt uitgebreider ingegaan op de inzet van de diverse hulpverlenende instanties.
Kunnen de vragen afzonderlijk van elkaar en voor 28 mei 2026 worden beantwoord?
Ja.
Het bericht ‘Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTI’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTIQ+’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland» waaruit blijkt dat opnieuw meerdere Instagramaccounts van LHBTIQ+-organisaties, activisten en gemeenschappen, waaronder accounts uit Nederland, offline zijn gehaald of ontoegankelijk zijn gemaakt?1
Ja, daar zijn we bekend mee.
Bent u eens met de stelling dat het blokkeren van specifieke LHBTIQ+ accounts en content onrechtmatig, discriminerend en onacceptabel is? Bent u het ook eens met de stelling dat het optreden hiervan, meermaals en herhaald in vrij korte tijd, niet steeds door Meta afgedaan kan worden als een incident maar dat het onderdeel lijkt te zijn van hun beleid?
Het zonder motivering blokkeren van lhbtiq+-accounts lijkt in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA), zeker als dit herhaaldelijk gebeurt. Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. De DSA verplicht online platforms om, bij het toepassen van inhoudsmoderatie (zoals het schorsen of verwijderen van een account), op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Het is aan de bevoegde toezichthouder of rechter om daar uiteindelijk een oordeel over te vellen.
Deelt u de ernstige zorgen dat het blokkeren van LHBTIQ+ personen en LHBTIQ+ organisaties, zonder geldige reden, discriminerend is, de vrijheid van meningsuiting aantast en de acceptatie en het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+-gemeenschap onder druk zet? Zo ja, waarom en welke acties onderneemt u om deze ernstige zorgen te adresseren?
Die zorgen delen we. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de organisaties en personen die dit overkomt, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Het kabinet is van oordeel dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementale Plan van aanpak tegen online discriminatie.2 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid, en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ook is er aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen online in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.3 Een van de doelstellingen is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Is het bij u bekend in hoeverre andere minderheidsgroepen dan LHBTIQ+ ook te maken hebben met structurele discriminatie en aantasting van hun vrijheid van meningsuiting door sociale media platforms?
Voor zover eventuele aantasting van de vrijheid van meningsuiting door socialemediaplatforms zelf plaatsvindt, zijn hierover geen cijfers bij ons bekend. Het recente rapport «Discriminatiecijfers in 2025» laat zien dat veel mensen regelmatig online discriminerende uitingen tegenkomen of zelf ervaren.4 Daarbij gaat het ook om andere minderheidsgroepen dan lhbtiq+ personen. De European Observatory of Online Hate laat eveneens zien dat er sprake is van online haat op socialemediaplatforms.5 Tegelijk weten we dat slechts een klein deel van deze ervaringen uiteindelijk wordt gemeld bij de bevoegde instanties. Online discriminatie is complex en wordt niet eenduidig geregistreerd. De aanwezigheid van online haat en discriminatie op platforms kan negatieve effecten hebben op de mate waarin minderheidsgroepen gebruik (kunnen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
Kunt u toelichten in hoeverre het blokkeren van deze LHBTIQ+ accounts en content zonder duidelijke uitleg in lijn is met de verplichtingen uit de Digital Services Act, met name ten aanzien van transparantie, motivering en effectieve bezwaarprocedures en welke stappen het kabinet en de Europese Commissie zetten om hier actief op te handhaven?
Het blokkeren van accounts en content zonder duidelijke uitleg is in strijd met de verplichtingen uit de DSA. Op grond van de DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Zij zijn verplicht om, bij het toepassen van dergelijke beperkingen, op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Ook moeten zij een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij een dergelijk besluit nemen. In dat geval moeten zij ook de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Afnemers kunnen op grond van de DSA ook geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.6
Welke acties zijn sinds de vorige blokkades (in december 2025) ondernomen door het kabinet of bevoegde toezichthouders naar aanleiding van deze signalen?
De Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft de signalen aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. In aanvulling daarop is ook op ambtelijk niveau navraag gedaan bij Meta over de blokkades om meer informatie te krijgen. Daarnaast is het signaal met de Europese Commissie gedeeld. De Europese Commissie kan naar aanleiding van deze signalen besluiten om nader onderzoek in te stellen naar de naleving van de DSA door Meta en, indien nodig, handhavend optreden.
Is er tevens contact geweest met belangenorganisaties van LHBTIQ+ personen om te vragen welke signalen er nog meer zijn en waar behoefte aan is?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie staat in goed contact met strategische samenwerkingspartners die de belangen van de lhbtiq+-gemeenschap behartigen. De strategische partners zijn zelf niet getroffen door ongemotiveerde schorsingen of verwijderingen. Zij staan wel in contact met de getroffen organisaties. Met hen bespreken we wat de getroffen organisaties hebben ervaren en ook gaan we in gesprek met een aantal van de getroffen organisaties om te horen wat hun ervaringen zijn en waar behoefte aan is.
Welke mogelijkheden ziet u voor zich om bij sociale media platformen de transparantie over het blokkeren van accounts af te dwingen zodat voor gebruikers duidelijk is op welke gronden een blokkade is ingesteld en waar ze terecht kunnen met klachten of vragen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u om platforms ertoe te bewegen geblokkeerde accounts te herstellen en/of gedupeerden te ondersteunen bij het herstellen van hun account?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen sociale media platforms die LHBTIQ+ personen en organisaties discrimineren? En welke aanvullende maatregelen overweegt u om het digitaal targetten van LHBTIQ+ gemeenschappen via sociale media platforms tegen te gaan en de LHBITQ+ gemeenschap beter te beschermen?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. Platforms als Meta moeten bij het toepassen van hun inhoudsmoderatie rekening houden met grondrechten in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, waaronder het recht op non-discriminatie. In het algemeen moeten zij de toepasselijke Europese wetgeving, waaronder de DSA, naleven. Het is aan de bevoegde toezichthouder, in dit geval de Europese Commissie, om deze regelgeving te handhaven. De lopende onderzoeken en procedures naar Meta tonen aan dat de Commissie dit doet. Voor de aanvullende kabinetsinzet op het gebied van het tegengaan van online discriminatie en het bevorderen van gender- en lhbtiq+-gelijkheid verwijzen we u naar antwoorden 3 en 7.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Deelt u de mening dat het actief verwijderen of weren van boeken uit bibliotheken en schoolbibliotheken een bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting?1, 2
Deelt u de opvatting dat juist voor jongeren die thuis of in hun omgeving weinig toegang hebben tot informatie of herkenning rondom bijvoorbeeld seksuele diversiteit of genderidentiteit, een laagdrempelige en diverse bibliotheekcollectie van groot belang is?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling die wordt geschetst door de Schrijverscentrale en bibliotheken, waarbij bepaalde titels op sommige scholen niet meer welkom zijn, en ouders actief collecties «opschonen»?
Heeft u zicht op hoe vaak en welke typen titels in Nederland ter discussie worden gesteld of verwijderd uit (school)bibliotheken?
Herkent u het beeld uit de Verenigde Staten dat met name boeken over seksualiteit, seksuele diversiteit, LHBTI-personen, vrouwen en minderhedenrechten relatief vaak onderwerp zijn van verwijdering of discussie? In hoeverre speelt dit in Nederland?
Heeft u zicht op in hoeverre georganiseerde belangengroepen druk uitoefenen op bibliotheken en scholen om bepaalde titels te weren of te verwijderen?
Welke waarborgen bestaan er in Nederland om te voorkomen dat politieke of maatschappelijke druk leidt tot beperking van het aanbod in bibliotheken en het onderwijs?
Welke mogelijkheden ziet u om scholen en bibliotheken beter toe te rusten omstreden boeken te behouden, ook bij bezwaren van ouders of belangengroepen?
Bent u bereid om, samen met relevante belangenorganisaties op het gebied van onder andere LHBTI-emancipatie, gendergelijkheid en seksuele educatie, te verkennen hoe bibliotheekcollecties op deze thema’s beschermd kunnen worden?
Het bericht ‘Zelenskyy threatens Israelis with sanctions over stolen grain’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Israëlische autoriteiten om tot tweemaal toe door de Europese Unie (EU) gesanctioneerde schepen uit de Russische schaduwvloot aan te laten meren en hen toe te staan graan uit door Rusland bezette delen van Oekraïne te exporteren?1
Heeft u signalen dat Israël de afgelopen jaren vaker graan uit door Rusland bezette gebieden heeft geïmporteerd?
Hoe beoordeelt u deze stappen van de Israëlische regering en welk effect hebben die op de handhaving van sancties jegens Rusland?
Hoe beoordeelt u het financieren van de Russische oorlogskas in relatie tot het associatieakkoord tussen de EU en Israël, in het bijzonder artikel 2?
Bent u het ermee eens dat het aankopen van graan uit illegaal door Rusland bezet gebied in Oekraïne bijdraagt aan de financiering van de Russische agressieoorlog op het Europese continent, en daarmee indruist tegen zowel Europese veiligheidsbelangen als het internationaal recht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen overweegt u richting de Israëlische regering om de import van dergelijk illegaal verkregen graan te stoppen?
Bent u bereid om, in navolging van Oekraïne, te streven naar aanvullende sancties tegen de bedrijven, entiteiten en functionarissen die op deze wijze bijdragen aan export uit bezet gebied? Zo ja, maakt u dit een inzet bij het 21ste sanctiepakket? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen zo snel mogelijk, een voor een, beantwoorden?
Het bericht dat defensie vasthoudt aan zero-tolerancebeleid voor drugs. |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat met het zero-tolerancebeleid sollicitanten bijvoorbeeld worden afgewezen op basis van het roken van een joint in hun tienerjaren?
Het zerotolerancebeleid zoals we dat bij Defensie kennen ten aanzien van drugs is niet onverkort van toepassing op aspirant-militairen. Wel wordt sollicitanten gevraagd naar drugsgebruik, waarbij drugsgebruik in het verleden afhankelijk van de omstandigheden en bijvoorbeeld de geambieerde functie wordt meegenomen in de beoordeling.
Kunt u exact toelichten op basis waarvan (welk verleden en/of gebruik) defensiepersoneel kan worden ontslagen of als ongeschikt kan worden bestempeld tijdens een sollicitatie?
Er is sprake van een beoordeling op een algeheel beeld van een sollicitant, waarbij specifiek ten aanzien van drugs de frequentie, recentheid, context van drugsgebruik, het soort drugs en de leeftijd worden meegenomen bij de afweging. Daarnaast is de reden van het gebruik en het eventuele disfunctionele gedrag als gevolg hiervan ook van belang. Dit geldt zowel voor de psychologische selectie als de medische keuring. In dit laatste geval wordt vooral gekeken naar middelenafhankelijkheid, -misbruik en functioneren.
Kunt u voor de afgelopen tien jaar aangeven hoeveel militairen er jaarlijks vanwege drugsgebruik zijn ontslagen en hoeveel sollicitanten zijn afgewezen vanwege drugsgebruik in het verleden?
Uit een eerdere inventarisatie is gebleken dat in de afgelopen vijf jaar jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag is verleend onder toepassing van het drugsbeleid. Omdat er geen centrale registratie plaatsvindt van ontslagen wegens drugsgebruik, kan ik met u op dit moment geen gegevens delen van langer geleden.
Over cijfers van het aantal sollicitanten dat is afgewezen vanwege drugsgebruik beschik ik niet, aangezien niet wordt geregistreerd dat een sollicitant specifiek op basis van drugsgebruik wordt afgewezen. Bij de psychologische selectie valt drugsgebruik onder diverse beoordelingspunten, bijvoorbeeld discipline en psychische belastbaarheid of morele verantwoordelijkheid en algemene stabiliteit. Bij de medische keuring kan middelenafhankelijkheid of verslaving betrekking hebben op meerdere bijzondere functie-eisen van de militair, waaronder emotionele piekbelasting en waakzaam kunnen zijn.
Hoe verhoudt dit beleid zich tot de huidige maatschappelijke realiteit waarin (beperkt) recreatief gebruik van bijvoorbeeld cannabis voorkomt, zonder dat dit leidt tot disfunctioneren?
Het gezamenlijk kabinetsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel, mede gezien de taakstelling. Defensie hecht aan het huidige zerotolerancebeleid, omdat de veiligheid, inzetgereedheid en het goede functioneren van militairen vooropstaan. In een cultuur waarin het onderling vertrouwen in elkaars capaciteiten en waakzaamheid voorop staat, is het essentieel dat het belang hiervan niet alleen wordt uitgesproken, maar ook wordt gehandhaafd. Het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen wordt niet getolereerd. Het drugsbeleid bij Defensie heeft daarmee een zekere afschrikwekkende functie, die met voorgaande redenen wordt gerechtvaardigd.
Overwegende dat uit onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat een kwart van de Nederlanders wel eens wiet of cannabis heeft gebruikt, erkent u dat de keuze voor een zero-tolerancebeleid een groot deel van de Nederlanders uitsluit van actief dienen voor Defensie? Zo niet, hoe kunt u dit onderbouwen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de constatering dat het huidige beleid geen ruimte laat voor maatwerk en proportionaliteit, bijvoorbeeld bij een eenmalige overtreding zonder relatie tot de dienst?
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 13 april 2026 op vragen van het lid Van den Brink (CDA) (2026Z02311) schreef, hanteert Defensie in de kern een zerotolerancebeleid op het gebied van drugs. Het gebruik of bezit van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd en hierop volgt in de regel ontslag. De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd, zonder relatie tot de dienst. In dat geval kan worden volstaan met een waarschuwing.
Ik realiseer me dat een ontslag voor de betrokken militair en diens naasten grote persoonlijke gevolgen kan hebben. Daarom vind ik het belangrijk dat in die gevallen waarin de onverkorte toepassing van het beleid tot onevenredige uitkomsten voor de militair leidt, er de ruimte is om met inachtneming van de specifieke omstandigheden tot een afgewogen besluit te komen waarin het organisatiebelang en het persoonlijk belang op een zorgvuldige manier tegen elkaar zijn afgewogen.
Defensie onderzoekt of en op welke wijze die ruimte kan worden vormgegeven zonder dat dit een negatieve weerslag heeft op de helderheid en houdbaarheid van het onderliggende drugsbeleid. Het in een dergelijk geval kunnen bieden van een tweede kans heeft als secundair effect dat de uitstroom wordt beperkt. Daarnaast is er een Defensiebreed programma ontwikkeld gericht op bewustwording, voorlichting en preventie van alcohol- en drugsgebruik, hetgeen in de loop van dit jaar stapsgewijs binnen de organisatie wordt uitgerold.
Acht u het proportioneel dat een militair voor een eenmalig incident met softdrugs zijn gehele loopbaan kan verliezen, terwijl andere gedragingen (zoals overmatig alcoholgebruik) niet altijd tot vergelijkbare sancties leiden?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt het zero-tolerancebeleid op het gebied van drugs zich tot het beleid op het gebied van alcohol? Erkent u dat in veel gevallen alcoholgebruik gevaarlijker is voor militairen dan (het ooit gerookt hebben van) een joint?
De risico’s van alcohol- en drugsgebruik zijn niet altijd direct vergelijkbaar en hangen sterk af van de context en specifieke situatie. Zo geldt tijdens uitzendingen en missies in principe een strikt alcoholverbod, waarbij alleen de Commandant der Strijdkrachten op basis van het type missie kan besluiten tot een uitzondering. Defensie erkent dat alcoholgebruik net als drugsgebruik schadelijke effecten kan hebben op inzetbaarheid, veiligheid en groepsdynamiek. Daarom is er blijvende aandacht voor bewustwording, voorlichting en preventie van alcoholgebruik. Dit beleid wordt momenteel verder versterkt door gerichte campagnes en interventies, gericht op het voorkomen van risicovol gedrag en het bevorderen van verantwoord gebruik binnen de organisatie. Hiermee streeft Defensie ernaar een veilige, professionele en goed functionerende krijgsmacht te waarborgen.
Erkent u dat het vreemd is dat het roken van een joint zoals omschreven in het artikel van de NOS leidt tot ontslag terwijl drankgebruik compleet wordt geaccepteerd?1
Binnen Defensie wordt drankgebruik niet compleet geaccepteerd. Zie ook vraag 8.
Hoe beoordeelt u het risico dat waardevolle en schaars opgeleide militairen verloren gaan door een strikt sanctieregime, terwijl Defensie tegelijkertijd kampt met personeelstekorten?
Het risico dat militairen de organisatie verlaten door een streng drugsbeleid is reëel, vooral in een periode waarin Defensie kampt met personeelstekorten. Het zerotolerancebeleid is echter primair gericht op het waarborgen van veiligheid, inzetbaarheid en discipline binnen de krijgsmacht. Defensie weegt deze uitgangspunten zorgvuldig af tegen de personele uitdagingen. Tegelijkertijd wordt actief geïnvesteerd in werving, behoud en preventie, onder andere door bewustwordingscampagnes en ondersteuning van militairen bij verantwoord gedrag. Op deze manier probeert Defensie het verlies van ervaren personeel zoveel mogelijk te beperken, terwijl het sanctieregime gehandhaafd blijft om de operationele gereedheid en het vertrouwen binnen de organisatie te beschermen.
Bent u bekend met signalen dat militairen of aspirant-militairen zich gedwongen voelen om niet eerlijk te zijn over eerder (incidenteel) drugsgebruik uit angst voor afwijzing? Zo niet, hoe duidt u het feit dat aspirant-defensiepersoneel op online fora informatie en strategieën deelt over hoe om te gaan met vragen over hun drugsgebruik in hun tienerjaren?
Ja, hier zijn we ons van bewust. Ik ga er evenwel vanuit dat sollicitanten naar waarheid verklaren tijdens de sollicitatieprocedure.
Hoe beoordeelt u wetenschappelijke inzichten, zoals onderzoek waaruit blijkt dat beperkt drugsgebruik in het verleden geen negatieve correlatie heeft met functioneren of prestaties binnen de krijgsmacht?2
Zoals eerder aangegeven worden sollicitanten gevraagd naar drugsgebruik, waarbij drugsgebruik in het verleden afhankelijk van de omstandigheden en bijvoorbeeld de geambieerde functie wordt meegenomen in de beoordeling. Het roken van een enkele joint in het verleden is op zichzelf geen reden om een sollicitant af te wijzen. Tijdens het selectieproces maken wij op basis van de beschikbare informatie en verschillende selectiecriteria een inschatting van de geschiktheid van een kandidaat. Zie ook beantwoording bij vragen 1, 2 en 3.
Welk wetenschappelijk bewijs ligt er onder de keuze om te kiezen voor een zero-tolerancebeleid voor zowel soft- als harddrugs? Kunt u een overzicht geven van de onderzoeken die aantonen dat het gebruik (in het verleden) van softdrugs een groter risico vormt voor het functioneren van (aspirant-)militairen dan drankgebruik?
De reden om binnen Defensie een zerotolerancebeleid voor drugs te hanteren is omdat een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht een scherp drugsbeleid vereist, gezien de negatieve effecten van drugs op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede vanwege de lange periode waarin de werkzame stoffen in het lichaam actief blijven. Daarnaast kan gezamenlijk drugsgebruik leiden tot een groepsbinding die is gebaseerd op negatieve gronden, wat een extra reden vormt om actief op te treden tegen drugs binnen de krijgsmacht. Tot slot zijn er aantoonbare verbanden tussen drugshandel en andere vormen van criminaliteit en wordt het aanzien van het militaire ambt ernstig geschaad wanneer militairen zich op enigerlei wijze inlaten met drugs.
Bent u bereid om (in overleg met militairen, vakbonden en experts) te komen tot een herziening van het drugsbeleid waarin proportionaliteit, maatwerk en evidence-based beleid centraal staan?
Zoals ik eerder heb benadrukt, hecht Defensie aan het huidige zerotolerance beleid, vanwege het grote belang dat wordt gehecht aan de veiligheid, inzetgereedheid en het goede functioneren van militairen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat de discussie over drugsgebruik niet alleen draait om sanctionering, maar ook aspecten als preventiebeleid en het gebruik van alcohol omvat. Daarom is het van belang om het beleid periodiek op compleetheid en effectiviteit te bezien. Momenteel vindt een dergelijk onderzoek plaats, waarbij relevante stakeholders actief worden betrokken.
Het bericht ‘Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord»?1
Kunt u de Israëlische aanvallen op de flotilla in de meest krachtige termen veroordelen als een schending van het internationaal recht? Zo neen, waarom niet?
Bent u bereid om de onmiddellijke vrijlating van de gegijzelde opvarenden te eisen?
Bent u het ermee eens dat de Israëlische blokkade van Gaza illegaal is en doorbroken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Heeft u contact gelegd met de flotilla en in het bijzonder met de Nederlandse opvarenden? Zo neen, waarom niet?
Hoe zorgt Nederland ervoor dat Israël de veiligheid van de flotilla en diens opvarenden respecteert? Zal Nederland er politieke consequenties aan verbinden indien dit niet gebeurt?
Op welke wijze staat u de opvarenden en in het bijzonder de Nederlandse staatsburgers bij?
Bent u bereid om sancties te treffen tegen Israël vanwege de illegale entering van de flotilla?
Bent u bereid om deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden?
Het bericht 'Israël onderschept Gaza-flotilla voor kust van Kreta, ook Nederlanders aan boord' |
|
Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de Israëlische marine die humanitaire schepen van de Global Sumud Flotilla voor de kust van het Griekse eiland Kreta heeft geënterd en opvarenden heeft ontvoerd?1
Bent u ermee bekend dat Nederlandse deelnemers zich aan boord bevonden van de geënterde schepen?
Welke maatregelen neemt u om hun veiligheid en die van de overige Nederlanders te garanderen?
Erkent u dat het enteren en aanvallen van schepen met burgers en hulpgoederen in internationale wateren een ernstige schending van internationaal recht is?
Bent u bereid publiekelijk steun uit te spreken voor het recht van burgers en organisaties om zich vreedzaam in te zetten voor humanitaire doeleinden en solidariteit te tonen met de Palestijnse bevolking, ook als dit betekent dat zij blokkades vreedzaam proberen te doorbreken?
Welke stappen heeft Nederland tot nu toe ondernomen, of is het bereid te nemen, om veilige en ongehinderde toegang van humanitaire hulp tot Gaza te bevorderen?
Hoe verhoudt het optreden tegen humanitaire schepen zich volgens u tot de verplichtingen van staten onder het internationaal recht?
Deelt u de opvatting dat het blokkeren van humanitaire hulp in strijd kan zijn met de verplichting om levensreddende hulp toe te laten tot een burgerbevolking in nood? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden gezien de noodsituatie?
Het bericht dat Qatar de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) zou hebben omgekocht |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Wall Street Journal waarin ernstige beschuldigingen tegen Karim Khan, de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof (International Criminal Court, ICC), als ook de regering van Qatar besproken worden?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving over een getuigenverklaring en audio-opnames waarin wordt gesuggereerd dat Qatar steun en bescherming zou hebben aangeboden aan Khan, in relatie tot de uitgevaardigde arrestatiebevelen tegen Benjamin Netanyahu en Yoav Gallant?
Zoals het betreffende artikel van de Wall Street Journal ook stelt, kunnen de gemaakte beschuldigingen tegen Qatar en aanklager Khan niet zonder nader onderzoek bevestigd worden. Voor wat betreft de relatie met de arrestatiebevelen wijst het kabinet erop dat de arrestatiebevelen van het Internationaal Strafhof (ISH) niet worden uitgevaardigd door de aanklager, maar door de Kamer van Vooronderzoek (Pre-Trial Chamber) die bestaat uit drie onafhankelijke rechters. De aanklager kan slechts een verzoek om een arrestatiebevel bij de Kamer van Vooronderzoek indienen en het is vervolgens aan de rechters om te beoordelen of er voldoende bewijs is voor het uitvaardigen van een arrestatiebevel.
Beschikt het kabinet over eigen informatie die deze berichtgeving bevestigt of ontkracht? Zo nee, ziet u aanleiding om deze signalen via diplomatieke of internationale kanalen te (laten) verifiëren?
Het kabinet beschikt niet over eigen informatie die de in de berichtgeving genoemde beschuldigingen bevestigt of ontkracht. Het kabinet neemt kennis van het door Qatar afgegeven statement2, waarin de beschuldigingen categorisch worden ontkend en als ongegrond worden bestempeld. Gelet op de ernst van de aantijgingen en het belang van de onafhankelijkheid en integriteit van het Internationaal Strafhof, blijft het kabinet de berichtgeving nauwlettend volgen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Welke gevolgen kan de recente berichtgeving, in samenhang met eerdere onthullingen door The Guardian2, hebben voor de geloofwaardigheid en het functioneren van het ICC in het algemeen en voor de positie van de hoofdaanklager in het bijzonder? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
De ambtsdragers van het Hof dienen te worden gehouden aan de hoogste standaarden. Het systeem van het Hof is zo ingesteld dat de verschillende organen van het Hof onafhankelijk van elkaar opereren, waarbij het aan de rechters is om arrestatiebevelen en vonnissen uit te vaardigen volgens de standaarden die zijn vastgelegd in het Statuut van Rome.
Het kabinet stelt voorop dat de ambtsdragers van internationale hoven en tribunalen hun mandaat ongehinderd moeten kunnen uitvoeren, zonder enige vorm van bedreiging, intimidatie of beïnvloeding. Het is van belang dat alle 125 verdragspartijen bij het Statuut van Rome de ambtsdragers van het Hof ten volle beschermen en het werk van het ISH in de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven faciliteren. Als gastland heeft Nederland daarbij specifieke verplichtingen onder het Zetelverdrag, onder andere voor wat betreft de fysieke veiligheid. Daarnaast dienen alle staten de onafhankelijkheid van de organen van het ISH te respecteren en zich te onthouden van inmenging in de strafvorderlijke beslissingen van het Hof.
Hoe wordt binnen het ICC gewaarborgd dat de plaatsvervangende aanklagers onafhankelijk opereren en niet vatbaar zijn voor externe beïnvloeding vanuit Qatar en elders? Welke rol ziet u in dit verband weggelegd voor Nederland als gastland van internationale rechtsinstellingen?
Het toepasselijke juridische kader – dat onder andere bestaat uit het Statuut van Rome, de Rules of Procedure and Evidence, relevante administratieve besluiten van het Hof en resoluties van de Vergadering van verdragspartijen – voorziet in gedragscodes voor gekozen ambtsdragers en in de mogelijkheid van disciplinaire en strafrechtelijke procedures. In dit kader kan het interne toezichthoudende orgaan – het Independent Oversight Mechanism (IOM) – onderzoek doen naar vermeend wangedrag van gekozen ambtsdragers en werknemers van het ISH. Dit kan leiden tot disciplinaire maatregelen, en in het geval van ernstig wangedrag en/of ernstig plichtsverzuim, tot ontzetting uit het ambt.
Daarnaast heeft het ISH rechtsmacht over enkele misdrijven gericht tegen de rechtspleging, waaronder «het hinderen, intimideren of door middel van omkoping beïnvloeden van een beambte van het Hof teneinde deze te dwingen of over te halen zijn bediening niet of onjuist te vervullen» en het «als beambte van het Hof in samenhang met zijn bediening vragen om steekpenningen of het aannemen daarvan» (zie artikel 70 van het Statuut van Rome). Het toepasselijke juridische kader voorziet ten aanzien van deze procedures niet in een bijzondere rol voor het gastland van het Hof. Het Strafhof kan alle verdragspartijen, waaronder ook Nederland, verzoeken om ondersteuning bij onderzoeken in geval van eventuele misdrijven tegen de rechtspleging.
Nederland heeft als gastland een bijzondere verantwoordelijkheid op basis van het Zetelverdrag om de organen van het Hof te faciliteren bij het onafhankelijk uitvoeren van hun mandaat. Nederland heeft doorlopend contact met het ISH, waarbij ook verschillende veiligheidszorgen aan de orde komen. Indien nodig op grond van actuele dreigingsinformatie, treft Nederland de nodige veiligheidsmaatregelen.
De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
André Flach (SGP), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Pieter Heerma (CDA), van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?