De behandeling van patiënten met Ehlers-Dantos. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten die het Ministerie van VWS en de Kamer vragen om zo spoedig mogelijk in actie te komen voor duizenden patiënten die geen, of onvoldoende hulp krijgen? Zo ja, herkent u de signalen en wat heeft u tot nu toe gedaan?
Ik ben bekend met de oproep van de Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten en ik neem hun zorgen serieus. De toegankelijkheid van zorg voor patiënten met zeldzame aandoeningen vind ik belangrijk. In het kader van deze oproep heb ik bij verschillende partijen navraag gedaan naar de actuele situatie.
Is bekend hoeveel mensen in Nederland het (hypermobiele) Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben? Hoe is de verdeling naar geslacht?
Het is niet bekend hoeveel mensen in Nederland het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) hebben, noch wat de verdeling naar geslacht is. Er bestaat geen landelijke registratie en er zijn geen betrouwbare nationale prevalentiegegevens beschikbaar.
In de internationale literatuur lopen prevalentieschattingen sterk uiteen, variërend van ongeveer 1 op de 500 tot 1 op de 5.000 personen. Deze verschillen hangen samen met methodologische keuzes, variatie in gebruikte databronnen en verschillen in gehanteerde diagnostische criteria. Hierdoor zijn deze cijfers beperkt vergelijkbaar en niet zonder meer te vertalen naar de Nederlandse situatie.
Hoeveel van hen hebben geen of onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg?
Het is niet bekend welk aandeel van de mensen met het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) of Hypermobility Spectrum Disorder (HSD) momenteel geen of onvoldoende zorg ontvangt. Voor deze specifieke doelgroep worden geen landelijke wachtlijsten bijgehouden en er zijn geen systematische gegevens beschikbaar over zorggebruik of zorgtoegang.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) en Zorgverzekeraars Nederland geven bij navraag aan dat bij hen geen signalen bekend zijn van onvoldoende toegang tot noodzakelijke zorg voor deze patiëntengroep.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC, aan dat hoewel exacte aantallen ontbreken, zowel klinische ervaring als signalen uit patiëntenorganisaties erop wijzen dat een deel van de patiënten in de praktijk onvoldoende toegang heeft tot passende zorg. Deze signalen betreffen met name tijdige diagnostiek, doorverwijzing naar gespecialiseerde zorg en de beschikbaarheid van multidisciplinaire behandeling.
Klopt het dat er nauwelijks artsen zijn met specifieke expertise op het gebied van hEDS en HSD? Hoe kan dit?
Er is in Nederland een beperkt aantal artsen die zich via onderzoek en wetenschappelijke expertise specifiek hebben toegelegd op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). Het betreft aandoeningen met een relatief beperkte patiëntengroep; uitgaande van een prevalentie van circa 1 op de 5.000 personen gaat het naar schatting om ongeveer 3.600 patiënten in Nederland. In Nederland zijn meer dan 7.000 zeldzame aandoeningen erkend. Hierdoor is de beschikbare onderzoeks- en expertisecapaciteit per afzonderlijke aandoening beperkt en bestaan slechts voor een deel van deze aandoeningen gespecialiseerde expertisecentra of onderzoeksgroepen.
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan dat voor behandeling specifieke expertise in veel gevallen niet nodig is. Afhankelijk van de zorgvraag kunnen patiënten, op verwijzing van de huisarts of medisch specialist, bij reguliere revalidatie-instellingen terecht voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen.
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC geeft desondanks dat er behoefte is aan meer specifieke expertise. Zij stelt daarbij dat dit samenhangt met het ontbreken van duidelijke afspraken over waar de zorg voor hEDS en HSD structureel is belegd binnen de zorgketen. De zorg bevindt zich op het snijvlak van meerdere disciplines, zonder eenduidige verantwoordelijkheid, wat leidt tot versnippering en belemmeringen in de borging van expertise.
De door het expertisecentrum genoemde onduidelijkheid acht ik onwenselijk. Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Klopt het dat het Erasmus MC het enige academische expertisecentrum is dat zich op hEDS en HSD richt? Klopt het ook dat de wachtlijsten langer zijn dan een jaar en het academische expertisecentrum uitsluitend is voor diagnostiek in de derdelijnszorg? En dat er slechts enkele revalidatieartsen zijn, maar zij wachtlijsten hebben van soms meer dan vijf jaar?
Het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC is momenteel het enige academische expertisecentrum in Nederland dat zich specifiek richt op het hypermobiele Ehlers-Danlos syndroom (hEDS) en Hypermobility Spectrum Disorder (HSD). De zorg binnen dit centrum betreft derdelijnszorg en is primair diagnostisch van aard, aangevuld met advisering richting vervolgzorg in de eerste en tweede lijn.
Het expertisecentrum geeft aan dat de wachttijden voor deze specialistische diagnostiek langer dan een jaar bedragen.
Voor revalidatieartsen met specifieke expertise gericht op hEDS en HSD geldt eveneens dat het om een beperkt aantal zorgverleners gaat en dat wachttijden per regio en instelling sterk kunnen verschillen. Uitspraken over exacte wachttijden, waaronder wachttijden van meerdere jaren, zijn bij het ontbreken van landelijke gegevens niet te onderbouwen.
Niet alle mensen met hEDS of HSD hebben specialistische zorg nodig. Een deel kan volstaan met zelfzorg of begeleiding in de eerste lijn. Indien nodig kunnen patiënten, op verwijzing, terecht bij reguliere revalidatie-instellingen voor behandeling van klachten zoals pijn, vermoeidheid en functionele beperkingen, aldus de VRA.
Bent u het eens met de analyse van de Ehlers-Dantos-patiëntenvereniging dat er in Nederland geen multidisciplinaire aanpak is en ondanks dat internationaal de kennis en ontwikkeling toenemen, patiënten in Nederland hier nauwelijks profijt van hebben? Herkent u hun zorgen dat de problemen alleen maar groter worden?
De Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) geeft aan zich niet te herkennen in het beeld dat de zorg voor deze patiëntengroep niet wordt georganiseerd. Vanuit de revalidatiegeneeskunde wordt aangegeven dat multidisciplinaire zorg binnen bestaande zorgstructuren mogelijk is.
Tegelijkertijd geeft het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen van het Erasmus MC aan de analyse van de patiëntenvereniging te delen dat er geen structureel ingerichte multidisciplinaire aanpak bestaat voor hEDS en HSD. Het expertisecentrum herkent tevens de zorg dat de problematiek zonder structurele oplossingen kan toenemen.
Goede en toegankelijke zorg moet voor alle patiënten beschikbaar zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is. In dat kader zal mijn ministerie in gesprek gaan met Vereniging van Ehlers-Danlos Patiënten om te bespreken wat deze ontwikkeling nu in de weg staat.
Bent u ermee bekend dat revalidatiezorg vanaf 2026 niet meer wordt vergoed door (de meeste) zorgverzekeraars? Kunt u schetsen welke gevolgen dat heeft voor deze groep patiënten?
Ik heb hierover navraag gedaan bij Zorgverzekeraars Nederland. Zij geven aan dit beeld niet te herkennen. De zorg zoals revalidatieartsen die plegen te bieden blijft onderdeel van het vergoede pakket.
In uw vraag wordt vermoedelijk verwezen naar berichtgeving van zorgverzekeraar CZ. CZ heeft aangegeven vanaf 2026 medisch specialistische revalidatie alleen te vergoeden indien deze plaatsvindt in een revalidatiecentrum of ziekenhuis waar minimaal twee revalidatieartsen werkzaam zijn. CZ geeft aan dit van belang te vinden om intake en behandeling op één plek te laten plaatsvinden binnen een multidisciplinaire setting.
Kunt u verklaren waarom de zorg en hulp aan deze patiënten zo slecht toegankelijk is? Wat is uw verantwoordelijkheid hierin en welke verantwoordelijkheid hebben zorgverzekeraars?
Uit het contact met Zorgverzekeraars Nederland blijkt dat bij hen geen signalen bekend zijn dat de zorg voor patiënten met een indicatie voor revalidatiezorg slecht toegankelijk is.
Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en zijn verplicht ervoor te zorgen dat verzekerde zorg in voldoende mate beschikbaar is.
Bent u bereid om voor het einde van 2025 samen met zorgverzekeraars te zorgen voor duidelijkheid over de vergoedingen?
De onderhandelingen over inkoopcontracten lopen momenteel. Zorgverzekeraars zijn op grond van beleidsregels van de NZa verplicht hun verzekerden te informeren over de gevolgen hiervan voor de vergoedingen. Er moet altijd duidelijkheid zijn over de vergoeding van verzekerde zorg. Verzekerden kunnen daarnaast contact opnemen met hun zorgverzekeraar voor nadere informatie.
Deelt u de mening dat de andere problemen zoals wachtlijsten, gebrek aan expertise en kennis ook dienen te worden opgelost? Bent u bereid samen met de patiëntenvereniging, revalidatieartsen en andere deskundigen om tafel te gaan en een plan te maken voor een multidisciplinaire aanpak met oplossingen voor de korte en de lange termijn? Zo ja, op welke termijn gaat u hiermee beginnen? Zo nee, waarom niet?
Passende zorg moet voor alle patiënten toegankelijk zijn. Het is aan de betrokken partijen, zoals de patiëntenvereniging, huisartsen, revalidatieartsen en andere deskundigen, om gezamenlijk tot een multidisciplinaire aanpak te komen. Als Minister stimuleer ik deze ontwikkeling onder meer door het erkennen van Expertisecentra voor Zeldzame Aandoeningen, waarbij de ontwikkeling van een zorgpad voor de gehele zorgketen een vereiste is.
Vanuit het ministerie zal naar aanleiding van de gestelde vragen contact opgenomen worden met de patiëntenorganisatie om te bespreken welke belemmeringen bestaan om tot afspraken te komen over taken en verantwoordelijkheden binnen het zorgpad.
Kunt u deze vragen met spoed behandelen en uiterlijk in de week van 15 december 2025 de antwoorden aan de Kamer sturen?
Dit is helaas niet gelukt. De afstemming met verschillende partijen, waaronder de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, het Expertisecentrum voor Ehlers-Danlos syndromen en Zorgverzekeraars Nederland, heeft meer tijd in beslag genomen.
Het bericht 'Nederland koopt opvang migranten af voor 33 miljoen euro' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederland de opvang van 1.650 migranten afkoopt bij de EU voor een bedrag van 33 miljoen euro – oftewel 20.000 euro per migrant?1 Hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja. De Raad heeft inmiddels een politiek akkoord bereikt over de vaststelling van de omvang van de solidariteitspool op 21.000 herplaatsingen of 420 miljoen euro. Het aandeel van Nederland is 5,2%, wat neerkomt op een financiële bijdrage van 21,9 miljoen. Nederland heeft steun verleend aan het voorstel en aangegeven financieel te zullen bijdragen.
Waarom zijn de betreffende cijfers uit de zogenoemde «Europese Spreidingswet» niet openbaar gemaakt en is zelfs de Tweede Kamer hierover slechts onder geheimhouding geïnformeerd? Hoe beoordeelt u deze werkwijze in het kader van transparantie en de noodzakelijke democratische controle? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de Asiel- en migratiebeheerverordening is wettelijk vastgelegd dat het Commissievoorstel voor een Raadsbesluit over de vaststelling van de jaarlijkse solidariteitspool niet openbaar gemaakt worden tot de Raad overeenstemming heeft bereikt om het besluitvormingsproces te faciliteren.2 Het stuk is vertrouwelijk met uw Kamer gedeeld.
Kunt u garanderen dat asielzoekers die elders in de EU al asiel hebben aangevraagd, niet alsnog – na afkoop door Nederland – naar ons land reizen en hier opnieuw asiel aanvragen? Zo ja, hoe kunt u dit garanderen? Zo nee, wat is dan het nut van deze afkoopregeling en andere Europese afspraken op het gebied van migratie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn onder het Migratiepact verschillende maatregelen genomen om doorreis van asielzoekers te voorkomen, waaronder maatregelen om het buitengrensbeheer te versterken, zoals betere registratie in Eurodac, verplichte uniforme screening en de asielgrensprocedure.
Daarnaast zijn de Dublinregels integraal onderdeel van het Migratiepact. De Commissie beoordeelt op 12 juli en 15 oktober of de lidstaten onder migratiedruk zich aan deze Dublinregels houden. Indien lidstaten zich niet houden aan de Dublinregels, zal Nederland geen solidariteit leveren.
Onder het Pact is een balans afgesproken tussen verantwoordelijkheid, o.a. door de versterking van de buitengrenzen en het tegengaan van secundaire migratie, van lidstaten aan de ene kant en solidariteit aan de lidstaten die onder migratiedruk staan aan de andere kant. De solidariteitsbijdrage is daarom essentieel onderdeel van het Pact.
Worden biometrische gegevens van asielzoekers centraal en effectief geregistreerd? Zo nee, erkent u dan dat de mogelijkheid bestaat dat asielzoekers hun paspoort weggooien, waardoor zij niet kunnen worden geïdentificeerd en hun reis- en asielgeschiedenis binnen de Europese Unie niet kan worden achterhaald, waarop zij in Nederland alsnog asiel kunnen aanvragen? Acht u dit wenselijk?
Onder de huidige Eurodac-verordening worden biometrische gegevens van asielzoekers worden geregistreerd en opgeslagen. Dit blijft zo onder de nieuwe Eurodac-verordening, maar het type data dat geregistreerd wordt, wordt verbreed, waardoor naast vingerafdrukken bijvoorbeeld ook gezichtsopnamen, identiteitsgegevens en kopieën van identiteits- en reisdocumenten worden opgeslagen. Ook wordt de bewaartermijn voor bepaalde soorten gegevens verlengd. Hierdoor wordt de mogelijkheid van identificatie van asielzoekers EU-breed verbeterd.
Wat is de status van de Dublinverordening, die bepaalt dat asielzoekers moeten worden teruggestuurd naar het EU-land van eerste aankomst? Waarom weigeren landen als Italië momenteel deze asielzoekers terug te nemen en waarom accepteert Nederland deze weigering? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment geldt de Dublinverordening onverkort. Vanaf de inwerkingtreding van het Pact zal de Dublinverordening worden vervangen door de Asiel- en migratiebeheerverordening. Ook hier is, kort gezegd, dat bij het ontbreken van gezinsleden in de EU, lidstaten van eerste aankomst verantwoordelijkheid zijn voor de aanvraag en asielprocedure van de desbetreffende asielzoeker. De Commissie heeft in het Uitvoeringsbesluit ter bepaling van de lidstaten waar sprake is van migratiedruk, van een risico van migratiedruk of van een significante migratiesituatie opgenomen dat de Commissie op 12 juli en 15 oktober zal vaststellen of deze lidstaten het Dublinacquis weer uitvoeren. Indien dit niet het geval is zal Nederland niet verplicht zijn om solidariteit te leveren aan de desbetreffende lidstaten.
Worden migranten die worden opgevangen in landen als Italië of Griekenland ontmoedigd om zich alsnog vrij binnen de Schengenzone te verplaatsen – inclusief richting Nederland? Zo ja, hoe ziet deze ontmoediging eruit en hoe effectief is deze ontmoediging binnen de Europese praktijk van open binnengrenzen? Zo nee, wat is dan het nut van deze afkoopregeling en andere Europese afspraken op het gebied van migratie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onder de asielgrensprocedure zal een deel van de asielzoekers in detentie worden geplaatst en dus ook niet in de gelegenheid zijn om door te reizen naar Nederland. Naar de inzet van Nederland t.a.v. van de Dublinverordening verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
Wordt het bedrag van circa 33 miljoen euro, dat nu dreigt te worden uitgegeven aan de afkoop van migrantenopvang, in mindering gebracht op de Nederlandse netto EU-bijdrage, gezien het feit dat Nederland al jaren een van de grootste nettobetalers aan de Europese Unie is? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog af te dwingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe de bijdrage wordt vastgesteld en op welke wijze dit wordt overgemaakt is vastgelegd in de Asiel- en migratiebeheerverordening.
Hoe beoordeelt u het feit dat andere landen – zoals Polen, Estland en Oostenrijk – een korting of zelfs vrijstelling hebben kunnen bedingen op de afspraken? Hoe beoordeelt u het feit dat Hongarije weigert aan deze afspraken te voldoen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Commissie heeft Polen, Estland, Oostenrijk, Kroatië en Tsjechië aangemerkt als lidstaten met een significante migratiesituatie vanwege uiteenlopende redenen. Voor Polen en Estland geldt dat zij een hoog aantal Oekraïense ontheemden hebben opgevangen in vergelijking met andere lidstaten over de periode van de afgelopen vijf jaar. Voor Oostenrijk geldt dat er een zeer hoog aantal ontvankelijke asielaanvragen is geregistreerd in vergelijking met andere Europese lidstaten over de afgelopen vijf jaar.
Wat betreft Hongarije onderstreep ik graag het belang dat alle lidstaten zich aan het asielacquis houden, waaronder het Migratiepact.
Neemt u – zeker gezien de feiten zoals benoemd in vraag 7 – een voorbeeld aan de landen zoals genoemd in vraag 8? Bent u het eens met de stelling dat ook Nederland een vrijstelling of tenminste een korting zou moeten bedingen en, indien de Europese Unie deze weigert toe te zeggen, in navolging van Hongarije zou moeten weigeren aan de afspraken te voldoen? Bent u bereid om deze vrijstelling, korting of weigering alsnog af te dwingen – ook na bekendmaking van de verdeelsleutel op maandag aanstaande?
Met de inwerkingtreding van het Migratiepact worden belangrijke stappen gezet naar het versterken van de buitengrenzen en het tegengaan van irreguliere migratie. Het is daarom van belang dat alle lidstaten, ook Nederland, zich houden aan de wet- en regelgeving van het Migratiepact.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk doch uiterlijk vóór aanvang van het Kerstreces beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de berichten «Meisjes krijgen lagere schooladviezen dan jongens terwijl ze beter scoren» en «Doorstroomtoets helpt ook niet tegen onderadvisering meisjes, maar Staatssecretaris schuift aanpassing op lange baan»?1, 2
Ja.
Deelt u de constatering dat meisjes structureel lagere adviezen krijgen dan jongens, ondanks dat zij gemiddeld hoger scoren op de doorstroomtoets én in het voortgezet onderwijs vaker op hoger niveau eindigen? Hoe beoordeelt u dit in het licht van kansenongelijkheid?
Ik deel de constatering dat meiden nog veel te vaak te maken krijgen met onderadvisering in het voorlopig schooladvies. Dat blijkt uit het onderzoek van DUO over onderadvisering bij meiden.3 Uit de jaarlijkse monitor van DUO over het schooladvies en de doorstroomtoets4 weten we dat onderadvisering in het voorlopig schooladvies speelt bij verschillende groepen. Het is niet acceptabel dat er nog steeds groepen leerlingen zijn die bij gelijke geschiktheid géén gelijk advies krijgen. En daarmee geen gelijke onderwijskansen.
Deze onderzoeken onderstrepen het belang van de doorstroomtoets en de maatregel bijstellen schooladvies voor kansengelijkheid in de overgang van po naar vo. Sinds de invoering van deze maatregel over bijstelling van het schooladvies, krijgt ca. 3 op de 4 leerlingen die op de toets hoger scoort dan het voorlopig schooladvies, een bijgesteld schooladvies.5
Wat zijn volgens u de primaire oorzaak voor de toename van de kloof in advisering tussen jongens en meisjes sinds 2017/2018?
DUO doet geen uitspraken over de oorzaak van de toegenomen onderadvisering van meiden op grond van hun onderzoek. De onderzoekers geven aan dat hier verdiepend onderzoek voor nodig is.
OCW zet daarom in op kennisvergroting. Bijvoorbeeld door de leerloopbanen van leerlingen op langere termijn te volgen. En door in 2026 verdiepend onderzoek te starten naar de oorzaken van onderadvisering.6
Ouderlijke druk blijkt een grote invloed te hebben op het verkrijgen van een hoger advies, hoe waarborgt u dat het schooladvies onafhankelijk tot stand komt om zo onderadvisering van meisjes tegen te gaan?
Ik vertrouw op de professionaliteit van het team op de basisschool dat zich bezighoudt met de schooladviesprocedure. Zij wegen verschillende factoren om tot een gedegen schooladvies te komen. Eén van die factoren is de informatie die zij van ouders meekrijgen over de leerling. Onderzoek laat zien dat ouders goed en tijdig betrekken bij de stap van po naar vo zorgt voor een soepelere overgang voor leerlingen. Middels de Handreiking schooladvisering ondersteun ik scholen daarbij.7
Bent u bereid om het door DUO aanbevolen vervolgonderzoek te faciliteren waarbij leerlingen langer worden gevolgd (tussen voorlopig advies en plaatsing in leerjaar 3) om meer inzicht te krijgen in deze problematiek?
Ja, ik ben bereid om dit te faciliteren.
Wat vindt u ervan dat de doorstroomtoets in de praktijk onvoldoende corrigeert voor onderadvisering van meisjes terwijl die toets juist bedoeld was als objectief tegenwicht?
Het probleem van onderadvisering wordt door de toets als objectief gegeven niet geheel opgelost, maar wel al voor een groot deel gecorrigeerd. Voor meiden geldt dat ten tijde van de laatste eindtoets in 2022 ca. 8500 meiden een bijgesteld advies kregen, terwijl dat steeg naar 21.000 meiden na de invoering van de doorstroomtoets en de maatregel bijstellen in 2023.
Dat meiden toch achterblijven in het definitieve advies, ondanks vergelijkbare scores op de toets, kan met verschillende factoren te maken hebben. Niet álle meiden die onderschat zijn, krijgen een bijgesteld advies. Maar bijvoorbeeld ook overadvisering van jongens zou kunnen meespelen. Dat er ook in het definitieve advies nog verschillen zijn, vind ik onwenselijk. En daarom zet ik in op kennisvergroting (zie antwoord8 en daarnaast op ondersteuning van scholen en leerkrachten bij de schooladviesprocedure, bijvoorbeeld met de Handreiking schooladvisering.9
Hoe reflecteert u op de uitspraken van uw ambtsvoorganger dat specifiek meisjes baat hebben bij het naar boven bijstellen van het niveau, maar dat dit in de praktijk niet gebleken is?
Ik ben het eens met mijn ambtsvoorganger, dat meiden baat hebben bij de maatregel bijstellen. Zij doelde op het veel hogere aantal bijstellingen sinds de doorstroomtoets (zie vraag10 en op de cijfers over onderadvisering uit de jaarlijkse monitoring door DUO. Daaruit blijkt dat meiden baat hebben bij de maatregel, omdat zij vaker dan jongens te maken hebben met onderadvisering in het voorlopige schooladvies.11 In 2023 zagen we dat ondergeadviseerde meiden ook nog iets vaker dan ondergeadviseerde jongens daadwerkelijk een bijgesteld schooladvies krijgen.12
Hoe weegt u de uitspraken van onderwijswetenschapper prof. dr. Meeter dat de doorstroomtoets niet functioneert als objectief tegenwicht?
Ik ben het daar niet mee eens. Door de maatregel bijstellen schooladvies krijgen veel meer ondergeadviseerde leerlingen een advies dat past bij de vaardigheden die ze hebben laten zien op de toets. Het probleem van onderadvisering is daarmee nog niet opgelost, maar wel al voor een groot deel gecorrigeerd. Als deze maatregel niet zou worden toegepast, dan zou jaarlijks voor duizenden meiden (en jongens) het voorlopig schooladvies waarin zij zijn onderschat blijven staan.
Kunt u reflecteren op het feit dat meisjes in het voortgezet onderwijs vaker opstromen dan jongens? Deelt u de analyse dat dit een aanwijzing is dat meisjes bij aanvang te laag worden ingeschaald?
Het is niet met zekerheid te zeggen, of de opstroomcijfers op zichzelf betekenen dat leerlingen in het schooladvies onderschat zijn. Echter, de jaarlijks terugkerende hogere mate van discrepantie tussen het voorlopig schooladvies en het toetsadvies bij meiden, is wel een indicatie dat er sprake is van structurele onderadvisering en dat meiden dus bij aanvang worden onderschat.
Voor sommige leerlingen is een directe weg richting een bepaalde onderwijssoort de meest passende route, waar andere leerlingen juist baat hebben bij stapelen of switchen. Ook vertellen opstroom- en afstroomcijfers niet het hele verhaal: niet alle leerlingen die zijn onderschat stromen «op». Leerlingen kunnen ook «afstromen» zonder dat er sprake was van overschatting, bijvoorbeeld wanneer een andere (meer praktische) onderwijssoort beter past bij hun wensen. De data over deze «wisselstroom» houden we goed in de gaten middels monitoring en evaluatie en analyseren we uitgebreider in het aangekondigde vervolgonderzoek naar leerloopbanen.
Hoe beoordeelt u de analyse dat de huidige systematiek van verplichte bijstelling naar boven eerder leidt tot verschillen tussen scholen dan tot eerlijkere kansen tussen leerlingen?
Ik deel deze analyse niet. De maatregel bijstellen schooladvies is nu twee jaar van toepassing geweest. Over het algemeen gesproken zien we dat veel meer leerlingen die op de toets laten zien meer uitdaging aan te kunnen, sinds de invoering van deze maatregel daadwerkelijk een bijgesteld advies krijgen. We zien daarbij verschillen tussen groepen leerlingen, hoe vaak zij voor een bijstelling in aanmerking komen en hoe vaak zij die ook daadwerkelijk krijgen.13 Maar voor alle groepen geldt dat zij nu veel vaker een bijgesteld advies krijgen, dan voorheen. Daarmee zorgt de maatregel voor eerlijkere kansen in de overgang van po naar vo.
Het is belangrijk om te kijken hoe de maatregel bijstellen schooladvies in de komende jaren in de praktijk uitpakt voor verschillende groepen leerlingen. Dat gebeurt in de evaluatie van de Wet doorstroomtoetsen po en het aangekondigde vervolgonderzoek naar leerloopbanen. Daarbij wordt ook gekeken naar analyses zoals die van de PO-raad, over verschillen tussen soorten gemeentes. Ik ben hier met de relevante partijen, zoals de PO-Raad en de Inspectie, over in gesprek.
Hoe beoordeelt u vormen van latere selectie, zoals een landelijk dekkend netwerk van brede brugklassen of uitstel van selectie voor het merendeel van de leerlingen, als oplossing voor deze toetsproblematiek en alle bijkomende druk op twaalfjarige leeftijd?
Vormen van latere selectie zouden kunnen bijdragen aan het verminderen van de druk op het overgangsmoment van po naar vo, zowel voor leerkrachten en scholen als voor leerlingen en hun ouders. Dit is gebleken uit verschillende onderzoeken en rapporten, zoals het advies van de Onderwijsraad over «Later selecteren, beter differentiëren» en de daaropvolgende ex ante beleidsevaluatie «Doorstroom in een kansrijk stelsel».14
In die beleidsevaluatie is de aanbeveling gedaan om vooralsnog het huidige stelsel te behouden, en intussen meer kennis op te bouwen en verder te werken aan «reparatiemogelijkheden» om de nadelige effecten van vroege selectie te ondervangen. OCW zet om die reden in op kennisopbouw en kennisdeling op dit thema. Zo lopen er onder andere via het NRO verschillende leertrajecten. Daarnaast werk ik aan de verkenning naar een breder schooladvies, naar aanleiding van de motie Rooderkerk.
Scholen kunnen ondertussen in de organisatie van hun onderwijs al bewuste keuzes maken om vormen van latere selectie toe te passen. Bijvoorbeeld door tweejarige dakpanklassen aan te bieden.
Bent u bekend met de oproep van de PO-raad om uiterlijk in 2027 over te gaan op één landelijke doorstroomtoets, mede om ongelijkheid tussen toetsaanbieders te verminderen en het stelsel begrijpelijker te maken voor ouders en leerlingen? Hoe reageert u hierop en acht u dit haalbaar?3
Ja, ik ben bekend met de oproep van de PO-Raad. Het is niet haalbaar om uiterlijk in 2027 over te gaan op één landelijke doorstroomtoets, zoals ik ook aan uw kamer heb toegelicht tijdens het debat van 11 december jl. Het snelst mogelijke afnamemoment van één landelijke doorstroomtoets is 2029, waarvan hieronder het tijdpad is weergegeven. Het is goed om te weten dat aan deze versnelde invoering verschillende haken en ogen zitten die zorgvuldig moeten worden gewogen. Een stelselwijziging vraagt om beleidsontwikkeling, een wetswijziging, toetsontwikkeling en implementatie. Kortom, stappen waar geen versnelling op mogelijk is. Ook vind ik het belangrijk om te weten wat de wensen van scholen zijn als het gaat om de doorstroomtoets. Daarnaast is het van belang dat scholen zich goed kunnen voorbereiden en zij de komende jaren niet worden geconfronteerd met verandering op verandering. Dat neemt niet weg dat ik welwillend tegenover een mogelijke stelselovergang naar één doorstroomtoets sta. Binnen de mogelijkheden die er zijn zal ik mijn uiterste beste doen om het traject zo snel mogelijk te laten verlopen.
Q1 t/m Q2
Beleidsmatige voorbereiding
Besluit over stelselovergang
Q3 t/m Q4
Wetsvoorstel ontwerpen
Q1
Internetconsultatie
Q2
Advies Raad van State
Q3 t/m Q4
Indiening wetsvoorstel Tweede Kamer
Q1
Behandeling wetsvoorstel in Tweede Kamer
Q2
Behandeling wetsvoorstel in Eerste Kamer
Q3
Inwerkingtreding
Q1
Eerste afname één landelijke doorstroomtoets
Het doodschieten van een wolf. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Wat ging er door u heen toen u kennisnam van het bericht van provincie Utrecht dat op de Utrechtse Heuvelrug een wolf is doodgeschoten?1
Van de provincie Utrecht heb ik vernomen dat de houder van de afschotvergunning voor probleemwolf GW3237m de provincie heeft geïnformeerd dat er een wolf is afgeschoten op de Utrechtse Heuvelrug, waarvan werd aangenomen dat het probleemwolf GW3237m was. Ik ben blij dat de provincie en houder van de afschotvergunning adequaat hebben kunnen optreden, omdat er grote zorgen leefden in de omgeving over deze probleemwolf.
Kunt u bevestigen dat de jager op het moment van schieten niet met zekerheid kon vaststellen of het om wolf Bram, het dier waarvoor een afschotvergunning is verleend, ging?
Of het hier de probleemwolf GW3237m betrof moest DNA-onderzoek uitwijzen. Op 12 december jongstleden werd bevestigd dat het hier inderdaad probleemwolf GW3237m betrof.
Kunt u bevestigen dat het verboden is om een beschermd dier te doden wanneer op het moment van schieten onduidelijk is of voor dat specifieke dier een afschotvergunning is afgegeven? Zo nee, hoe wordt dan voorkomen dat beschermde dieren onnodig worden gedood?
Het doden van een wolf is door de wijziging van de beschermingsstatus onder de Habitatrichtlijn in Nederland niet langer vergunningplichtig. Om het doden van een wolf weer vergunningplichtig te maken, is nodig dat het ontwerp-Besluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met de bescherming van de wolf en goudjakhals van kracht wordt. De behandeling in uw Kamer van het voorgehangen ontwerpbesluit is evenwel nog niet afgerond, nu uw Kamer op 18 juni 2025 heeft verzocht ter zake geen onomkeerbare stappen te zetten (Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 295).
Het doden van een wolf kan in strijd zijn met de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het is aan provincies om erop toe te zien en eventueel bij maatwerkvoorschrift te verzekeren dat binnen de kaders van de specifieke zorgplicht wordt gehandeld. Dit betekent dat alle zorgvuldigheid in acht moet worden genomen om te voorkomen dat een wolf wordt gedood waarvoor dat niet gerechtvaardigd is. Voor de volledigheid deel ik u mee dat de afschotvergunning betreffende wolf GW3237m is afgegeven onder het eerdere beschermingsregime voor wolven.
Welke sancties staan op het doden van beschermde wolven, waarvoor geen afschotvergunning is verleend?
Handelen in strijd met artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving – dat zijn grondslag vindt in artikel 4.3 van de Omgevingswet – kan een strafbaar feit opleveren op grond van artikel 1a, aanhef en onder 1°, van de Wet economische delicten. Als sprake is van opzettelijk handelen dan geldt het strafbaar feit als een misdrijf en kan een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, een taakstraf of een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Is geen sprake van opzet, dan geldt het strafbaar feit als een overtreding waarvoor hechtenis van ten hoogste een jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd. Verwezen wordt naar de artikelen 2 en 6 van de Wet economische delicten.
Kunt u bevestigen dat handhavend zal worden opgetreden, omdat op het moment van schieten onduidelijk was of voor de wolf een afschotvergunning is verleend? Zo nee, waarom niet?
Ik heb hierover navraag gedaan bij de provincie Utrecht. De provincie Utrecht geeft aan dat voor wolf GW3237m een afschotvergunning is verleend. De provincie Utrecht geeft aan dat er op dit moment geen aanleiding is tot handhaving.
Kunt u bevestigen dat tevens handhavend zal worden opgetreden als blijkt dat niet wolf Bram, maar een andere wolf is doodgeschoten? Zo nee, waarom niet en hoe rijmt dit met de wet?
Zie mijn antwoorden op de vragen 2 en 5.
Bent u bereid om provincie Gelderland per direct op te roepen om de afschotvergunning voor wolf Hubertus in te trekken om te voorkomen dat meer wolven worden doodgeschoten, terwijl blijkbaar niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het om het juiste dier gaat? Zo nee, waarom niet?
De bevoegdheid ligt hier bij gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, niet bij mij. Ik kan en ga mij niet mengen in de bevoegdheid van een ander bestuursorgaan. En ik doe er alles aan om incidenten zoveel mogelijk te voorkomen en om te verzekeren dat – als deze zich toch voordoen – er daadkrachtig kan worden opgetreden. Daar strekt ook het in het antwoord op vraag 3 genoemde ontwerpbesluit toe, dat voor de zomer 2025 bij de Tweede Kamer en de Eerste Kamer is voorgehangen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is helaas niet binnen één week gelukt.
Het sectoraal uitzendverbod en initiatieven van de Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) om de omstandigheden van arbeidsmigranten te verbeteren |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u een voorstander van de toepassing van het sectorale uitzendverbod als beleidsinstrument? Waarom wel/niet?
Alle arbeidskrachten moeten goed behandeld worden. Er zijn verschillende instrumenten om hier toezicht op te houden en op te handhaven. Uit de verkenning naar een sectoraal in- en uitleenverbod komt naar voren dat in sectoren waar arbeidswetten wijdverspreid en stelselmatig worden overtreden, een aanvullende maatregel kan worden overwogen naast de Wtta. Ook is in de verkenning naar voren gekomen dat er in de vleessector wijdverspreide en stelselmatige overtredingen van arbeidswetten zijn. Het kabinet heeft daarom besloten om als stok achter de deur een in- en uitleenverbod voor te bereiden voor de vleessector.
Volgens de vleessector blijven de omstandigheden die faciliterend zijn aan misstanden ook bij een sectoraal uitzendverbod nog altijd bestaan, omdat uitzendkrachten enkel een andere contractvorm zouden krijgen, bent u het eens met deze stelling? Kunt u toelichten waarom wel/niet?
In grote gedeelten van de vleessector is sprake van hoge percentages flexwerk (rond de 70%) en met name uitzendkrachten. Indien een uitzendbureau betrokken is zijn er meer dan twee keer zo veel overtredingen van arbeidswetten. De aanwezigheid van een uitzendconstructie is zelfs de belangrijkste voorspeller voor deze vorm van overtredingen. Ook voor overtredingen van arbeidswetten die toezien op arbeidsomstandigheden is de aanwezigheid van een uitzendbureau een belangrijke voorspeller. Een sectoraal in- en uitleenverbod richt zich naast de uitlener ook specifiek op de inlener die oneigenlijk drukken van de prijs en daarmee de misstanden faciliteert. Bij de uitwerking van het in- en uitleenverbod voor de vleessector wordt er gekeken naar weglekrisico’s. Het gaat hier om de situatie dat arbeidskrachten via een andere flexibele arbeidsrelatie worden ingehuurd om het in- en uitleenverbod te omzeilen. Daarnaast dient deze maatregel te worden bezien als een mogelijke aanvulling op de bestaande mogelijkheden om te handhaven op overtredingen van arbeidswetten.
De Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) richt zich naar eigen zeggen op verbetermaatregelen voor de sector zoals het opzetten van onboardingprogramma’s om arbeidsmigranten wegwijs te maken in hun werkomgeving en rechten en het implementeren van preventieve maatregelen om bedrijfsongevallen te voorkomen, ziet u deze inzet ook?
Op (hoog)ambtelijk niveau worden er gesprekken gevoerd met VleesNL (de nieuwe naam van COV) over de stappen die zij kunnen zetten om echt impact te hebben. Ook in die gesprekken maken zij duidelijk dat ze hier als sector mee bezig zijn. Op basis van de voortgang van deze gesprekken zal de Kamer op de hoogte worden gebracht over de stand van zaken in de sector.
Klopt het dat de COV u actief een verzoek heeft gedaan voor een gesprek?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om in gesprek te treden met de COV over de gang van zaken rond eventuele verbeterprocessen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om af te zien van de optie tot een sectoraal uitzendverbod en zich met sectorpartijen als de COV in te zetten voor het tegengaan van misstanden, gegeven de vermeende beperkingen van een sectoraal uitzendverbod?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht 'Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland levert militair materieel aan Indonesische marine, die mensenrechten schendt in West-Papoea»?1 Wat is uw reactie op dit artikel?
Ja. Zie onderstaande beantwoording op vragen over dit artikel.
Kunt u specifiek reageren op de bevindingen van Pointer waaruit blijkt dat de Indonesische marine wel degelijk een rol speelt bij mensenrechtenschendingen, zoals illegale uithuiszettingen en martelingen?
Het ministerie toetst elke vergunningaanvraag individueel aan de hand van de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole2 waarbij per ingediende aanvraag wordt gekeken naar de aard van de goederen, het eindgebruik en (de situatie in) het land van eindbestemming. De toetsing wordt gedaan op grond van de actuele situatie waarbij alle relevante ontwikkelingen, waaronder de mensenrechtensituatie in het land van eindbestemming, worden meegenomen.
Daaruit volgt dat om te komen tot een negatieve toetsing van het EUGS (waaronder het criterium dat ziet op het bestaan van een duidelijk risico dat de goederen gebruikt worden voor het begaan van ernstige schendingen van mensenrechten en/of het humanitair oorlogsrecht) er een duidelijk (potentieel) verband moet bestaan tussen de uit te voeren goederen en de geconstateerde zorgen. Algemene zorgen over bepaalde ontwikkelingen in een land van eindbestemming leiden niet direct tot een afwijzing van een vergunningaanvraag. Dat geldt eveneens voor de betrokkenheid van een dienstonderdeel van een krijgsmacht bij dergelijke punten van zorg. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen met als eindgebruiker de Indonesische marine niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in het artikel van Pointer genoemde vergunningaanvragen.
Is dit nieuwe informatie voor u of was u al op de hoogte van de in het artikel genoemde aanwijzingen voor betrokkenheid van de marine bij mensenrechtenschendingen?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen werken diverse directies binnen het Ministerie van Buitenlandse Zaken nauw samen, in afstemming met de betrokken ambassade(s) en waar relevant ook met andere departementen. Ook openbare bronnen en informatie die voortvloeit uit het lokale netwerk van de ambassade(s) worden in de toetsing meegenomen.
Het ministerie is op de hoogte van de genoemde punten van zorg in de door Pointer aangehaalde bronnen. Om te komen tot een negatieve toetsing moet echter sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. In dat licht en gelet op de specifieke aard van de goederen en het eindgebruik is in de toetsingen voor eerdere afgegeven vergunningen een dergelijk risico niet vastgesteld.
Kunt u toelichten hoe u in het verleden bent gekomen tot de conclusie, zoals verwoord in brieven aan de Tweede Kamer, dat de Indonesische marine, «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen? Welke bronnen zijn geraadpleegd en leidden tot deze conclusie? Is de publiekelijk beschikbare informatie geraadpleegd door Pointer hierbij meegewogen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u zich ervan bewust dat het zeer moeilijk is om informatie over de situatie in West-Papoea te krijgen, omdat internationale journalisten West-Papoea niet binnen komen, lokale journalisten worden geïntimideerd, en ook de VN-mensenrechtencommissaris niet welkom is? Is het u bekend dat West-Papoea om deze reden door experts een «black box» wordt genoemd, vergelijkbaar met Tsjetsjenië, Xinjiang en Tibet?
Het is bekend dat het voor internationale journalisten lastig kan zijn om een vergunning te krijgen om naar de Papoea provincies van Indonesië te reizen. Er zijn echter verschillende organisaties die rapporteren over de mensenrechtensituatie in Indonesië, bijvoorbeeld de organisaties die worden aangehaald in het betreffende artikel van Pointer. Daarnaast heeft de ambassade een uitgebreid netwerk in de verschillende regio’s van Indonesië, inclusief de Papoea provincies, waarmee Nederland de mensenrechtensituatie in Papoea nauwlettend kan en blijft volgen.
Als er zo weinig informatie over de situatie in West-Papoea beschikbaar is, vindt u het dan van gepaste zorgvuldigheid getuigen om export toe te staan omdat de Indonesische marine «voor zover bekend» niet betrokken is bij mensenrechtenschendingen?
Wapenexportcontrole bestaat uit een zorgvuldige risicoanalyse van alle beschikbare informatie die op het moment van toetsing beschikbaar is. Om te komen tot een negatieve toetsing moet sprake zijn van een duidelijk risico dat specifiek het uit te voeren goed door de eindgebruiker gebruikt wordt voor het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of van het humanitair oorlogsrecht. Een dergelijk duidelijk risico is in de voor uitvoer naar Indonesië goedgekeurde vergunningaanvragen niet vastgesteld; dat geldt ook voor de in deze vraag genoemde vergunningaanvragen met betrekking tot de uitvoer van schepen en scheepsonderdelen. Ter illustratie: in het geval van de uitvoer van scheepsonderdelen is na zorgvuldige analyse geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type goed gezien de aard en specificaties zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover wordt bericht.
Bent u het eens dat Europese regelgeving vraagt om uitvoer niet toe te staan bij alleen al het risico op mensenrechtenschendingen? Hoe is uw ministerie in tegenstelling tot mensenrechtenexperts tot de conclusie gekomen dat dit risico niet bestaat?
Nee. Het EU Gemeenschappelijk Standpunt vraagt van lidstaten onder meer te onderzoeken of er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen of technologie kunnen worden gebruikt voor het toepassen of faciliteren van binnenlandse onderdrukking, ernstige daden van op gender gebaseerd geweld of ernstige daden van geweld tegen vrouwen en kinderen of andere ernstige schendingen van de mensenrechten. Het kabinet erkent in algemene zin dat naleving van de, ook in de Indonesische Grondwet vastgelegde, mensenrechten op verschillende terreinen een punt van zorg is, bijvoorbeeld in de Papoea provincies van Indonesië. Ten aanzien van de voor uitvoer naar Indonesië afgegeven vergunningen geldt echter dat vanwege de aard van de uit te voeren goederen er bij de toetsingen op grond van toepasselijke juridische kaders geen duidelijk risico op ongewenst eindgebruik is vastgesteld dat deze goederen gebruikt zullen worden voor het begaan van de schendingen waarover wordt gerapporteerd.
Wapenexportbeleid is geen sanctiebeleid, waarmee eventuele afkeuring van het beleid van een ander land kenbaar wordt gemaakt. Om een dergelijk gesprek vorm te geven gebruikt het kabinet andere kanalen.
Is het onderzoek van Pointer aanleiding voor u om de uitvoer van materiaal naar de Indonesische marine te heroverwegen? Zo ja, hoe gaat u de kamer over het herbeoordelingsproces informeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat het staande wapenexportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Met inachtneming van de algemene punten van zorg ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Indonesië is het kabinet, gelet op de aard van de onder lopende vergunningen uit te voeren goederen, niet voornemens om lopende vergunningen voor uitvoer naar Indonesië opnieuw te beoordelen.
Wordt het onderzoek van Pointer bij toekomstige beoordeling van uitvoer naar Indonesië meegewogen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beoordeling van vergunningaanvragen maakt het kabinet gebruik van diverse informatiebronnen. Op het moment dat nieuwe informatie zich aandient, wordt ook deze informatie meegewogen; dat geldt ook voor het onderzoek van Pointer.
Bent u van plan uw Indonesische ambtsgenoot te spreken over de bevindingen uit het onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De bilaterale relatie met Indonesië is breed en hecht, wat het bespreken van de mensenrechtensituatie vergemakkelijkt. Op verschillende niveaus wordt de mensenrechtensituatie besproken, zowel in bilateraal, EU- als multilateraal verband. Daarbij kijkt het kabinet nadrukkelijk naar wat de meest effectieve wijze is om zorgen over mensenrechten over te brengen, dat geldt ook voor de bevindingen uit het onderzoek.
Deelt u de zorgen van de inzet van drones voor mensenrechtenschendingen in West-Papoea, bijvoorbeeld doordat burgers ermee worden aangevallen?2
In algemene zin deelt het kabinet de zorgen over de inzet van drones door de Indonesische strijdkrachten daar waar deze inzet door onafhankelijke berichtgeving in verband wordt gebracht met mensenrechtenschendingen. In het geval van de eerder verleende exportvergunning voor de uitvoer van drones is na zorgvuldige analyse echter geconcludeerd dat het niet in de rede lag dat het betreffende type drone, gezien de aard en specificaties, zal worden gebruikt voor ongewenste inzet waarover is bericht. Op grond van de wapenexporttoets heeft het ministerie geen gronden voor afwijzing gevonden. Ook hier geldt dat het feit dat drone-inzet heeft plaatsgevonden niet een op een wordt vertaald naar een exportverbod op alle typen drones. Die weging wordt per geval gedaan.
Kunt u uitsluiten dat door Nederland geleverde drones in Indonesië worden ingezet bij mensenrechtenschendingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u het ermee eens dat ook dual use exportvergunningen voor drones heroverwogen dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
De uitvoer van dual-use goederen voor militair eindgebruik wordt langs dezelfde lijnen beoordeeld als de uitvoer van militaire goederen. Daarmee geldt dat het kabinet van mening is dat het staande exportbeleid, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 1 en 2, volstaat voor een zorgvuldige controle. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de termijn van drie weken beantwoorden?
De vragen zijn binnen een termijn van drie weken beantwoord. Daar waar dit passend werd geacht zijn enkele vragen gebundeld.
Het bericht ‘Opmars illegaleaanbieders bedreigt Nederlands gokbeleid’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opmars illegale aanbiedersbedreigt Nederlands gokbeleid»1 en zo ja, wat is uw eerste reactie op deze stijging?
Ik ben bekend met het bericht «Opmars illegale aanbieders bedreigt Nederlands gokbeleid». De groei van de illegale markt voor online kansspelen vind ik zorgelijk.2 Een van de doelstellingen van het kansspelbeleid is het verhinderen van deelname aan illegaal gokken en bestrijding van illegaal aanbod om zo kansspelgerelateerde schade en criminaliteit te voorkomen. De stijging van de uitgaven bij aanbieders van online kansspelen zonder vergunning kan duiden op een hoger risico op schade voor mensen die daar gokken en een hoger risico op kansspelgerelateerde criminaliteit en fraude. Dat is wat ik juist wil voorkomen en daar is mijn beleid op gericht.
Hoe verklaart u dat ondanks regulering en strengere regels voor legale aanbieders de omzet naar illegale aanbieders stijgt, juist op het moment dat de legale sector het zwaar heeft?
Maatregelen binnen het vergunde aanbod kunnen ervoor zorgen dat voor een deel van de gokkers het legaal aanbod niet meer aantrekkelijk genoeg is. Voorbeelden zijn speellimieten, interventies vanuit zorgplicht of belastingen. Een deel van de spelers kijkt hoe (financieel) aantrekkelijk een spel is en wijkt dan uit naar illegaal aanbod. De Ksa ziet in dit kader dat momenteel een beperkt percentage van de spelers bij illegale aanbieders speelt, maar daar wel veel geld verliest.3 Dit onderstreept de noodzaak om naast het reguleren van het vergunde aanbod ook effectiever de illegale aanbieders te bestrijden.
Deelt u de mening dat websites waarop geadverteerd wordt met teksten als «Beste casino’s zonder Cruks», direct offline moeten worden gehaald?
Om illegaal aanbod effectief bestrijden kijkt de Ksa enerzijds naar het aanpakken van de aanbieders zelf en anderzijds naar derde partijen die illegaal gokken faciliteren en/of bevorderen, zoals betaaldienstverleners, internetserviceproviders en marketingpartijen. Het (laten) verwijderen van de websites waar in bovenstaande vragen aan wordt gerefereerd hoort hier bij. De Ksa spant zich hier binnen het huidige instrumentarium voor in, onder andere met de in 2025 opgerichte Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen.4 Als het gaat om websites met een «.nl» adres zijn er mogelijkheden. Zo kan Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) domeinnamen ontkoppelen als websites in strijd met haar reglementen handelen. Daarvan is sprake wanneer een website Nederlandse wet- en regelgeving overtreedt. Hiervoor geldt dat SIDN de overtreding zelfstandig moet kunnen vaststellen. In de praktijk betreft dit vooral affiliatewebsites. Voor websites met een andere extensie dan.nl is het moeilijker om effectief op te treden.
Hoe kunt u, in samenwerking met de Kansspelautoriteit (Ksa), strenger handhaven op illegale casino’s die gebruik maken van het omkatten van een oude website naar een plek voor verwijzingen naar illegaal gokken?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat een wetsvoorstel in voorbereiding is om de Ksa de bevoegdheid te geven om illegaal materiaal binnen een dag te verwijderen en zo ja, wanneer kan de Kamer de contouren hiervan verwachten?
In het eerste kwartaal van dit jaar informeer ik uw Kamer over de contouren van de beoogde wetswijzigingen naar aanleiding van de evaluatie van de Wet kansspelen op afstand en de nieuwe visie op kansspelen, zoals aangekondigd in de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming van 14 februari 2025.5 Verbeteringen op het gebied van handhaving op illegaal aanbod zijn hier een onderdeel van. Zoals vermeld in mijn antwoord op vragen 3 en 4 zijn de mogelijkheden om illegale websites uit de lucht te halen momenteel beperkt effectief. Ik onderzoek daarom hoe de Ksa effectiever kan ingrijpen om illegale websites ontoegankelijk te maken voor mensen in Nederland. Het doel is om dit snel en efficiënt te maken, zodat de Ksa veel websites in een korte tijd aan kan pakken.
Zijn er in de tussentijd, voordat het wetsvoorstel klaar is, maatregelen die genomen kunnen worden om illegale goksites zo snel mogelijk offline te halen en de Ksa hier een grote rol in te laten spelen?
Het ontoegankelijk maken van websites door de Ksa vergt in de meeste gevallen een nadere wettelijke basis dus hier kan niet mee gestart worden voordat een eventuele nieuwe wet in werking is getreden. Ondertussen blijft de Ksa inzetten op bestrijding van het illegaal aanbod met haar huidige instrumentarium. Zie hiervoor mijn antwoord op vragen 3 en 4.
Is de daling van het brutospelresultaat (BSR) bij legale aanbieders (met name in 2025) volgens u een teken van effectiviteit van het beleid, of juist van verdringing naar illegaal aanbod?
Op basis van alleen een daling of stijging van het brutospelresultaat kunnen geen conclusies worden getrokken over de effectiviteit van beleid. De afname van het brutospelresultaat in de legale markt komt onder meer door de positieve effecten van maatregelen die in oktober 2024 zijn ingevoerd om spelers te beschermen. Ik verwijs hierbij naar de monitoringsrapoprtage van de Ksa die ik 13 oktober 2025 met uw Kamer heb gedeeld.6 Zo is het verlies per maand van de gemiddelde speler sinds de invoering van de beschermende maatregelen substantieel gedaald. In zoverre beoordeel ik het beleid als effectief. Wel is het zorgelijk dat het brutospelresultaat op de illegale markt is toegenomen.
Deelt u de inschatting van de Ksa dat met name «zware gokkers» weglopen naar het illegale aanbod? En zo ja, wat is het beleid om deze groep te bereiken en te beschermen?
Ik deel de inschatting van de Ksa dat het veelal spelers die met hoge bedragen spelen zijn, die naar het illegaal aanbod overstappen. Mijn beleid is erop gericht om mensen beter te beschermen tegen de risico’s van kansspelen. Naast het tegengaan van illegaal aanbod is het verbeteren van de bescherming binnen het vergunde aanbod belangrijk.
Daarnaast is het van belang om in te zetten op preventie en doorgeleiding naar passende hulp en ondersteuning bij gokproblematiek. Bijvoorbeeld door (potentiële) spelers te informeren over de extra grote risico’s op schade bij het spelen bij illegaal aanbod. In dat kader werk ik aan een strategische meerjarenagenda, samen met de Ksa en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ik zal uw Kamer hierover in het eerste kwartaal van dit jaar nader informeren.
Hoe garandeert u dat de handhaving tegen illegale aanbieders effectief is, gezien de vaak complexe buitenlandse constructies en de geringe inning van boetes zoals regelmatig door de Ksa wordt gemeld?
Complexe buitenlandse constructies en het feit dat buitenlandse organisaties doorgaans niet reageren op Nederlandse bestuursrechtelijke maatregelen maken de aanpak inderdaad complex en weerbarstig.7 Daarom kijk ik niet alleen naar de traditionele instrumenten in de bestuursrechtelijke aanpak, zoals het opleggen van boetes, maar vooral ook naar instrumenten om het netwerk aan faciliteerders en bevorderaars rondom illegaal aanbod te verstoren.
Hoe waarborgt u dat minderjarigen en kwetsbare groepen niet (meer) terechtkomen bij illegale gokaanbieders, gegeven de onderzoeksuitkomsten dat dergelijke sites nauwelijks identiteits- of leeftijdscontroles kennen?
Ik wil zo veel mogelijk voorkomen dat minderjarige en kwetsbare groepen terechtkomen bij illegale aanbieders. Daarom is mijn doel om dit aanbod en de toegang daartoe zoveel als mogelijk te beperken.8
Hoe beoordeelt u de maatschappelijke en publieke gezondheidsrisico’s van de groei van illegaal gokken, onder andere wat betreft gokverslaving, fraude, datamisbruik en ontmoediging van verantwoord spelen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om, al dan niet Europees, regels te versterken om de toegang tot illegale aanbieders structureel te voorkomen?
Ik ben daartoe bereid en onderzoek nu ook de mogelijkheden daartoe. Zie ook mijn beantwoording van Kamervragen van het lid Boswijk van 4 september 2025.9
Het bericht dat bijna een kwart van het personeel weg moet bij ABN AMRO |
|
Teun van Dijck (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna kwart van personeel moet weg bij ABN AMRO, AI neemt werk over: «Dit slaat in als een bom»? 1
Ja.
Wat is de verklaring voor de nieuwe strategie van ABN AMRO, waarbij een kwart van de banen bij ABN AMRO wordt geschrapt? Hoe beoordeelt u dit bezuinigingsplan?
Bij het aantreden van de nieuwe CEO van ABN AMRO, Marguerite Bérard, op 23 april 2025 is aangekondigd dat in november 2025 een strategie-update zou worden gepresenteerd aan beleggers.
Een bezuinigingsplan en bijbehorende processen hebben een grote impact op de medewerkers van de bank. Het verlies van banen doet pijn. Tegelijkertijd heb ik er vertrouwen in dat ABN AMRO zich als een goed werkgever opstelt. De gepresenteerde strategie moet ervoor zorgen dat de bank toekomstbestendig en kostenefficiënt is, zodat de bank weer volledig op eigen benen kan staan.
Welke invloed heeft u gehad op de totstandkoming van dit plan en waarom is de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd?
De strategie is een aangelegenheid van de Raad van Bestuur onder toezicht van de Raad van Commissarissen van de bank. Noch NLFI, noch de staat hebben invloed gehad op de totstandkoming van het bezuinigingsplan en de strategie. Op grond van maatregelen van de ACM mogen NLFI en de staat ook geen invloed uitoefenen op de commerciële strategie van de bank.
Het is aan de vennootschap om informatie over de strategie openbaar te maken. Ik kan uw Kamer daardoor alleen achteraf informeren op basis van de informatie die de vennootschap al heeft verstrekt. Daarom is het staand beleid dat ik uw Kamer niet informeer bij dergelijke aangelegenheden. In het geval van ABN AMRO geldt daarnaast in algemene zin dat ik vanwege de beursnotering terughoudend moet zijn in de informatievoorziening.
Wordt met deze kostenbesparing voorgesorteerd op een mogelijke overname van ABN AMRO? Wat zijn de verdere gevolgen voor de dividenduitkeringen in 2025 en 2026 aan de Staat?
Ik kan en ga niet speculeren of dat ABN AMRO zich hiermee klaar maakt voor een mogelijke overname. Het is van belang dat ABN AMRO een gezonde en toekomstbestendige bank is.
Of er gevolgen zijn voor het dividend in 2025 en 2026, en zo ja, welke, kan ik niets zeggen. Een eventueel dividend is afhankelijk van onder meer de gemaakte winst en het voorstel dat wordt gedaan voor bestemming van de winst.
Met welk doel heeft ABN AMRO de NIBC Bank van Blackstone overgenomen? Waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd en welke invloed heeft u hierop gehad?
ABN AMRO heeft in haar persbericht over de voorgenomen overname van NIBC aangegeven dat met de overname haar retailbankactiviteiten worden uitgebreid en haar sterke positie op de markt wordt verstevigd.
Noch NLFI, noch de staat hebben invloed gehad op de overname. Op grond van maatregelen van de ACM mogen NLFI en de staat ook geen invloed uitoefenen op de commerciële strategie van de bank. Daarnaast valt de investering onder de drempel waarvoor goedkeuring nodig is van de vergadering van aandeelhouders voor het doen van een investering.
Het is aan de vennootschap om informatie over onder meer investeringen en overnames openbaar te maken. Ik kan uw Kamer daardoor alleen achteraf informeren op basis van de informatie die de vennootschap al heeft verstrekt. Daarom is het staand beleid dat ik uw Kamer niet informeer bij dergelijke aangelegenheden. In het geval van ABN AMRO geldt daarnaast in algemene zin dat ik vanwege de beursnotering terughoudend moet zijn in de informatievoorziening.
Hoeveel winst heeft Blackstone gemaakt met deze verkoop?
ABN AMRO heeft aangegeven dat de geschatte overnameprijs rond de EUR 960 miljoen zal zijn. Dit bedrag is onder voorbehoud van aanpassingen bij de afronding van de transactie.
Bent u bereid om de overige ABN AMRO aandelen in handen van de staat op korte termijn te verkopen, aangezien de koers de hoogste stand in 10 jaar heeft bereikt?
ABN AMRO wordt zo snel als verantwoord mogelijk is, volledig naar de markt gebracht. De timing van dergelijke transacties wordt bepaald op basis van verschillende factoren, zoals de ontwikkeling van de aandelenprijs, open en gesloten periodes, interesse bij investeerders en de marktomstandigheden. NLFI weegt deze factoren voordat zij mij adviseert om aandelen te verkopen.
Ik heb uw Kamer op 9 september 2025 geïnformeerd dat een nieuw aandelenverkoopprogramma is gestart, waarmee het belang in ABN AMRO wordt afgebouwd van 30,5% tot circa 20%. Dit verkoopprogramma loopt nog. Ik kan geen mededelingen doen over de rationale van de timing of de omvang van de verdere verkoop van het aandelenbelang in ABN AMRO. Deze informatie zou koersgevoelig kunnen zijn en openbaarmaking daarvan zou een negatief effect op voorgenomen transacties kunnen hebben.
Het nieuws dat er een deal is gesloten tussen het kabinet en de NAM over de gaswinning bij Ternaard |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de overeenkomst tussen u en de NAM tot stand zijn gekomen?
Welke afspraken heeft u wanneer met wie gehad om tot deze deal te komen en wat is daar besproken?
Kunt u de voorbereiding en verslagen van deze onderhandelingen delen? Zo nee, waarom niet?
Hoe zijn de bedragen waarmee deze overeenkomst gepaard gaan berekend en welke gegevens en berekeningen heeft u gebruikt om te beoordelen of dit bedrag gerechtvaardigd is? Kunt u een toelichting geven op het rekenmodel dat u hiervoor heeft gebruikt?
Om tot een marktconforme waardering te komen is een nauwkeurig proces doorlopen. Hierbij zijn de potentiële baten van toekomstige gaswinning in Ternaard als basis genomen. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat een deel van de opbrengsten van gaswinning via EBN en via belastingafdrachten van NAM en EMPN terug zouden vloeien naar de staat. Hiertoe is een rekenmodel opgesteld. Dit rekenmodel gaat uit van onderbouwde aannames voor het winningsprofiel, de gasprijs, discontovoet, de kapitaalinvesteringen en de operationele kosten in de periode 2026–2037. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er grote onzekerheden zijn, waardoor een aanpassing in aannames tot grote veranderingen in de uitkomst kan leiden. In de berekening zijn de kosten en baten met elkaar verrekend en de geldende afdrachtensystematiek toegepast. Dit resulteert in een jaarlijkse vrije kasstroom. Deze toekomstige kasstroom is vervolgens tot één bedrag in het heden verdisconteerd. Het resultaat is de netto contante waarde van het Ternaard gasveld.
Wat waren de hoogste en laagste mogelijke waarden die uit de scenario’s van KPMG en TNO kwamen?
TNO heeft zich geconcentreerd op het beoordelen van de mogelijk winbare volumes. Hierbij hebben zij gegeven de huidige gebruiksruimte per winningsprofiel (laag/midden/hoog) bepaald hoeveel gas er binnen de gebruiksruimte gewonnen kan worden. Daarnaast is er per profiel gerekend met een «open» en een «gesloten» breukscenario, waarbij er veel dan wel weinig gas tussen de breukblokken stroomt. Het resultaat van drie profielen met elk twee variaties levert zes verschillende waardes op in de bandbreedte 0,7 t/m 2,1 bcm. KGG heeft deze zes waardes teruggebracht tot een gewogen gemiddelde van 1,67 bcm.
KPMG heeft deze 1,67 bcm als gegeven aangenomen. KPMG heeft opgemerkt dat, vergeleken met de volumescenario’s uit het winningsplan, dit volume aan de lage kant is. KPMG heeft in haar doorrekeningen geen verschillende scenario’s gepresenteerd die tot een heldere bandbreedte leiden. Wel heeft KPMG voor een aantal elementen een gevoeligheidsanalyse gemaakt. Het meest van invloed is de gehanteerde discontovoet. Een discontovoet van 10% leidt tot een netto contante waarde (NCW) voor NAM van 55,8 mln. Een discontovoet van 15% leidt tot een NCW voor NAM van 40,5 mln. Deze laatste discontovoet is in de uiteindelijke waardering gehanteerd.
Gezien u stelt dat NAM en EMPN vinden dat de commerciële waarde «veel hoger» ligt dan de huidige compensatie van 163 miljoen, heeft u deze hogere waardering gezien? Zo ja, kan dit met de Kamer worden gedeeld?
In één van de ambtelijke gesprekken is door NAM mondeling een indicatie gegeven van de commerciële waarde die NAM aan het project toe kent. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie.
Waarom is gekozen voor een bedrag dat volledig de door het kabinet ingeschatte winst compenseert, terwijl het commerciële risico normaal geheel bij de onderneming ligt?
In de waardering is bij voorbaat al uitgegaan van een hoog commercieel risicoprofiel. Dit heeft een significante neerwaartse druk gegeven op het totaalbedrag. Dit zit hem in de gehanteerde (hoge) discontovoet van 15% waarmee als het ware reeds een afslag is gemaakt voor het commerciële risico van deze operatie. Het commerciële risico zit dus verwerkt in de waardering.
Waarom is het eerdere plan voor het Gebiedsfonds volledig komen te vervallen, en is overwogen alsnog een vorm van natuurinvestering te koppelen aan de beëindiging van de gaswinning?
De afspraken rondom batendeling waren gekoppeld aan daadwerkelijke winning. Wel heeft NAM aangegeven de dwangsom (€ 75.000) (die de Staat NAM nog verschuldigd was in verband met het niet tijdig nakomen van de laatste uitspraak van de Raad van State) te verdubbelen en (wederom) aan het gebied ter beschikking te zullen stellen.
Hoe verhoudt deze deal zich tot andere gesprekken en procedures tussen u en de NAM?
De overeenkomst over Ternaard staat geheel los van de andere gesprekken en procedures met NAM en/of haar aandeelhouders.
Heeft u het in de onderhandelingen voor deze overeenkomst enkel gehad over Ternaard of is het ook gegaan over andere activiteiten van de NAM?
Bij het sluiten van deze overeenkomst is enkel Ternaard besproken.
Welke wederzijdse belangen zijn besproken en welke (financiële) verzoeken zijn in die bredere gesprekken door NAM, Shell of ExxonMobil op tafel gelegd, gezien u schrijft dat de gesprekken eerder deel uitmaakten van een bredere onderhandeling over onder meer Groningen?
In het voorjaar van 2025 zijn verkennende gesprekken gevoerd met Shell en ExxonMobil in samenwerking met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hierbij is gesproken over het schadeherstel en de versterkingsoperatie in Groningen, de inzet van de gasopslagen en de gaswinning in Ternaard. Die verkennende gesprekken hebben niet geleid tot onderhandelingen, zie het antwoord op vragen 1 tot en met 3.
Vanaf de zomer van 2025 is door het Ministerie van Klimaat en Groene Groei separaat doorgesproken met Shell en ExxonMobil over de gasopslagen en Ternaard. Hierna is met Shell en ExxonMobil afgesproken dat over Ternaard afzonderlijk zou worden verder gesproken tussen de staat en NAM. Daar is de huidige overeenkomst uit voortgekomen. Deze staat dus geheel los van de overige dossiers.
Kunt u uitsluiten dat deze deal effecten heeft gehad op andere lopende dossiers, zoals de schadeafhandeling in Groningen?
Ja. Het dossier Ternaard is geheel in isolatie behandeld. Dit blijkt ook uit de vaststellingsovereenkomst: deze gaat over Ternaard en niet over enig ander onderwerp.
Hoe voorkomt u dat deze deal als precedent gebruikt wordt door andere vergunninghouders die in (ecologisch) gevoelige gebieden actief zijn en straks eveneens compensatie zullen eisen om van winning af te zien?
De overeenkomst betreft een in de ogen van de staat marktconforme transactie en geen compensatie. Op die manier kan er dus geen precedentwerking werking zijn voor compensatie voor andere vergunninghouders.
Kunt u garanderen dat voor andere bestaande aanvragen of winningsplannen geen vergelijkbare financiële compensatieregelingen zullen worden overeengekomen? Zo nee, waarom niet?
De gesprekken en uiteindelijke overeenkomst tussen de staat en NAM zijn tot stand gekomen omdat het kabinet op grond van de wet en de weging van de ontvangen adviezen instemming met het winningsplan niet kon weigeren en er tegelijk politiek en maatschappelijk geen draagvlak is voor instemming. Daarbij weegt mee dat de gaswinning plaats zou vinden onder een wereldwijd uniek getijdengebied dat bovendien Unesco werelderfgoed is. Het kabinet is tegen gaswinning onder de Waddenzee, maar staat ook voor een betrouwbare overheid die geen onrechtmatige besluiten neemt. Om dit dilemma op te lossen is het kabinet met NAM in gesprek gegaan, hetgeen een intensief proces is geweest. Zoals ook in het antwoord op vraag 13 gemeld, betreft het in de ogen van de staat een marktconforme transactie en geen compensatie.
Heeft u juridisch advies ingewonnen over de houdbaarheid van deze deal? Zo ja, kunt u dit advies delen? Zo nee, waarom niet?
De landsadvocaat heeft in mijn opdracht de conceptovereenkomst opgesteld, was bij alle gesprekken met NAM over de vaststellingsovereenkomst aanwezig en heeft naar aanleiding van de gesprekken de definitieve overeenkomst opgesteld. Op specifieke elementen heeft de landsadvocaat schriftelijk geadviseerd. Deze procesadviezen van de landsadvocaat worden niet openbaar in verband met de procespositie van de staat.
Wat zijn de gevolgen van deze deal voor andere gas- en zoutwinningprojecten onder de Wadden en in de Noordzeekustzone bij de Waddeneilanden?
Wat zijn de gevolgen van deze deal voor andere mijnbouwactiviteiten op de Noordzee?
Wat zijn de gevolgen van deze overeenkomst voor andere mijnbouwactiviteiten op land?
Betekent deze overeenkomst dat u geen gaswinning en andere vormen van mijnbouw, zoals zoutwinning, zal gaan vergunnen?
Bent u bereid op korte termijn het Gebruiksruimtebesluit onder de Wadden te herzien?
Het gebruiksruimtebesluit is op 25 april 2024 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2024 vastgesteld op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze geldt tot 1 januari 2029. Indien er tussentijds nieuwe inzichten zijn, kan het kabinet deze eerder aanpassen. Deltares heeft een studie uitgevoerd naar het meegroeivermogen van de kombergingen gerelateerd aan de kritische zeespiegelstijgingssnelheid voor verdrinking in de Nederlandse Waddenzee. Tevens heeft TNO een verkenning uitgevoerd naar de haalbaarheid van een zuiver probabilistische gebruiksruimtetoets. U bent hier eerder over geïnformeerd in de Kamerbrief «Stand van zaken gebruik diepe ondergrond Waddenzee»2. De huidige «hand-aan-de-kraan»- methode is op deze punten conservatiever (veiliger) dan eerder gedacht. Het is aan een volgend kabinet hoe om te gaan met deze nieuwe inzichten die meer ruimte lijken te geven voor activiteiten in de Waddenzee dan het huidige vastgestelde »hand-aan-de-kraan»-beleid. Daarbij worden de adviezen van SodM en TNO vanzelfsprekend betrokken.
Daarnaast wordt verwacht dat in 2026 de Raad van State zitting zal plaatsvinden voor het huidige gebruiksruimtebesluit, omdat meerdere partijen tegen dit besluit in beroep zijn gegaan. Als de Raad van State aangeeft dat de gebruiksruimte (tussentijds) moet worden herzien dan zal het kabinet dat natuurlijk doen.
Bent u bereid aan het KNMI te vragen een actualisatie van het Gebruiksruimtebesluit Waddenzee te laten maken op basis van de meest recente wetenschappelijk inzichten over klimaatverandering en zeespiegelstijging?
Zie antwoord op vraag 20. Een actualisatie van het zeespiegelstijgingsadvies zal, naar verwachting, niet leiden tot een significant andere gebruiksruimte omdat de nieuw beschikbare data en modellen beperkt zijn of niet toegespitst op de Nederlandse situatie.
Gelden de uitgangspunten van het huidige Gebruiksruimtebesluit Waddenzee nog wel nadat op de COP30 duidelijk werd dat het doel van het Parijsakkoord (opwarming van de aarde beperken tot 1,5 graad) uit zicht raakt, doordat klimaatverandering sneller gaat dan verwacht en de zeespiegel sneller stijgt?
In het advies onderliggend aan het gebruiksruimtebesluit geven de wetenschappers aan dat ze uitgegaan zijn van een scenario waarbij de opwarming van de aarde beperkt blijft tot 2,7 graden in 2100. Het uitgangspunt voor het gebruiksruimtebesluit is daarmee hoger dan de 1,5 graden die hierboven wordt genoemd.
Wanneer komt de herziening van de Mijnbouwwet naar de Kamer?
Het demissionair kabinet werkt aan de herziening van de Mijnbouwwet. Het doel van deze herziening is onder andere een herijkt wettelijk kader voor veilig en financieel, maatschappelijk en ruimtelijk verantwoord gebruik van de diepe ondergrond, met meer regie bij de overheid, dat past bij afwegingen met betrekking tot de schaarse ruimte, de veranderde rol van de diepe ondergrond en het maatschappelijk perspectief op het gebruik ervan. Er wordt hard gewerkt aan de inhoudelijke uitwerking van de verschillende beleidsthema’s en de afstemming van concept-wetteksten met alle betrokken partijen en adviseurs. Daarna zal nog tijd nodig zijn voor het voldoen aan de verschillende verplichtingen (bv. regeldruk en notificatie) en om de formele stappen te doorlopen. Het doel is om in Q2 van 2026 het wetsvoorstel open te stellen voor internetconsultatie. Het demissionair kabinet heeft als streven dat de herziening van de Mijnbouwwet medio 2027 bij de Tweede Kamer wordt ingediend. De precieze timing en het moment van indienen van de herziene Mijnbouwwet is aan een nieuw kabinet.
Kunt u deze vragen ruim voor de behandeling van de suppletoire begroting beantwoorden?
Ja.
De situatie in en rondom Venezuela en de rol daarin van de overzeese gebieden van het Nederlandse koninkrijk |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het escalerende conflict tussen de Verenigde Staten en Venezuela?
Ja.
Kunt u uiteenzetten hoe het kabinet deze situatie op dit moment beoordeelt en welke risico’s het ziet voor de rijksdelen in de regio?
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in en rond Venezuela nauwgezet. Op dit moment is er geen sprake van een acute militaire dreiging voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Venezuela verkeert al geruime tijd in een situatie van aanhoudende politieke, sociaaleconomische en humanitaire instabiliteit. Gezien de geografische nabijheid is er bijzondere aandacht voor mogelijke indirecte gevolgen voor de Benedenwindse eilanden. Deze kunnen samenhangen met oplopende regionale en geopolitieke spanningen, waaronder een (gedeeltelijke) sluiting van zee- en luchtruim, verstoringen in logistieke verbindingen en risico’s voor kritieke infrastructuur, zoals energie- en brandstofvoorziening. Daarnaast blijven migratie- en veiligheidsvraagstukken in de regio een belangrijk aandachtspunt.
Aruba, Curaçao en Bonaire bereiden zich daarom voor op verschillende scenario’s die uit dergelijke spanningen kunnen voortvloeien. Nederland treft eveneens voorbereidingen om, waar nodig, bijstand en ondersteuning te kunnen verlenen. Daarbij wordt rekening gehouden met mogelijke veranderingen in migratiestromen en met bredere implicaties voor de veiligheid en stabiliteit in de regio.
De genoemde risico’s worden continu gemonitord en betrokken bij de actualisering van scenario’s, evenals in de reguliere en intensieve samenwerking binnen het Koninkrijk op het terrein van crisisbeheersing.
Is er op dit moment contact met de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten over de veiligheidssituatie in de regio? Hoe beoordeelt het kabinet de huidige risico’s voor deze rijksdelen (en de bijzondere gemeenten, indien van toepassing)?
Het kabinet houdt de ontwikkelingen nauwgezet in de gaten. Ik sta in nauw contact met de regeringen van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en houdt hen op de hoogte van de ontwikkelingen.
Er is geen sprake van een acute militaire dreiging voor de eilanden. Desondanks werken Aruba, Bonaire en Curaçao aan verschillende scenario’s ter voorbereiding op mogelijke indirecte effecten, zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, waaronder logistieke vraagstukken. De eilanden kunnen daarbij rekenen op ondersteuning van de Nederlandse departementen. Ook Nederland treft voorbereidingen om, waar nodig, hulp en bijstand te kunnen verlenen. Dit alles maakt onderdeel uit van de reguliere samenwerking binnen het Koninkrijk op het gebied van crisisbeheersing.
Heeft het kabinet aanwijzingen dat de spanningen kunnen leiden tot migratiestromen richting de Caribische delen van het Koninkrijk? Zo ja, welke voorbereidingen worden getroffen?
Op dit moment is er geen verhoogde instroom vanuit Venezuela. De landen in het Koninkrijk houden de migratiestromen richting Aruba, Curaçao en Bonaire goed in de gaten. De vier landen van het Koninkrijk werken op grond van het protocol versterking grenstoezicht in de Caribische landen van het Koninkrijk en de onderlinge regeling vreemdelingenketen al nauw samen op het gebied van grenstoezicht. Het Ministerie van Asiel en Migratie verricht in samenwerking met de betrokken ketenpartners zoals de Koninklijke Marechaussee, Korps Politie Caribisch Nederland, IND en de openbare lichamen de nodige activiteiten om het huidige (nood)scenario in het geval van een bovenmatige instroom van migranten, te actualiseren.
Welke belangen spelen er voor (de overzeese gebieden van) Nederland in dit conflict?
Allereerst is het van belang dat lucht- en zeeverbindingen veilig en betrouwbaar blijven. Dit is essentieel voor zowel de lokale voedselvoorziening als de economische continuïteit, waarbij het toerisme een belangrijke pijler vormt van de economieën van de eilanden.
Voor een nadere duiding van mogelijke indirecte effecten verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Hoe waarborgt het kabinet dat Nederland niet ongewild partij wordt in een conflict tussen de Verenigde Staten en Venezuela, terwijl tegelijkertijd de veiligheid van het Koninkrijk moet worden gegarandeerd?
Het Koninkrijk is niet betrokken bij de huidige militaire operatie van de Verenigde Staten. Het betreft een nationaal aangestuurde operatie van de VS. Op dit moment is er geen acute militaire dreiging voor het Koninkrijk: de acties vinden plaats buiten de territoriale grenzen van het Koninkrijk en er is geen indicatie dat Aruba, Curaçao of Bonaire betrokken raakt in een eventueel conflict. Wat betreft de veiligheid van het luchtruim van Curaçao en Aruba is op verschillende niveaus met de Verenigde Staten gesproken om herhaling te voorkomen.
Het kabinet benadrukt dat alle partijen zich moeten inspannen om verdere escalatie te voorkomen en zich dienen te houden aan het internationaal recht. Het kabinet roept, samen met andere EU-lidstaten, hiertoe op. Dit werd op 9 november 2025 ook onderschreven in de gezamenlijke verklaring van de CELAC-EU-top met Latijns-Amerikaanse – en Caribische landen.
Kunt u de Kamer een actuele risicoanalyse toezenden over de impact van dit conflict op het Koninkrijk, inclusief mogelijke gevolgen voor veiligheid, migratie, economie en diplomatieke relaties?
De actuele risicoanalyse gaat over (mogelijke) impact als gevolg van de spanningen in en rond Venezuela, zoals ook hierboven beschreven. Deze analyses bevatten vertrouwelijke informatie over dreigingsinschattingen. Om die reden zijn de onderliggende stukken niet geschikt voor openbare toezending aan de Kamer.
Kunt u deze vragen zo volledig en spoedig mogelijk beantwoorden, gezien de snelle ontwikkelingen?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Bedrijven zetten recherche in bij ziekmeldingen werknemers: ’Toen bleek hij ergens anders aan het werk te zijn’' |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is volgens u de oorzaak van het feit dat Nederland meer (deels) arbeidsongeschikten heeft dan de meeste andere Europese landen? Bent u het ermee eens dat er in ons stelsel in Nederland juist «prikkels» zijn die erop gericht zijn om dit te voorkomen? Welke van dit soort prikkels zijn er aanwezig in ons stelsel? Welke hiervan liggen bij werkgevers, welke bij werknemers en welke bij uitvoeringsinstanties?1 2 3 4
Er zijn diverse verklaringen voor waarom het aandeel arbeidsongeschikten per land verschillend is. Voor een deel zitten de verschillen bijvoorbeeld al in de definitie van arbeidsongeschiktheid en de voorwaarden om recht te krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. En in welke soorten uitkeringen in de statistieken meetellen als arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Een van de verklaringen voor de internationale verschillen die ook in één van de in de vraag aangehaalde krantenartikelen staat, is dat in Nederland wordt beoordeeld in hoeverre iemand nog wel kan werken naast een arbeidsbeperking. Dat is niet in alle andere landen zo. Hierdoor zijn er weliswaar in verhouding meer mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar een relatief groot deel van die mensen werkt ook naast de uitkering. Daarnaast spelen de relatief hoge arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in Nederland mogelijk een rol. Ook heeft Nederland relatief veel mensen die werken in een tijdelijke arbeidsovereenkomst en blijft de re-integratie van deze groep werknemers achter.5 Verschillen tussen socialezekerheidsstelsels en statistieken daarover daarvan moeten altijd met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Vooral na problemen met de hoge instroom in de toenmalige WAO, zijn verschillende prikkels ingevoerd om re-integratie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid te bevorderen en het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te beheersen. Die prikkels zitten door het hele stelsel, vanaf de periode van loondoorbetaling bij ziekte tot in de uitkeringshoogte en premiebetaling voor de ZW en de WIA. Voor werkgevers zijn de belangrijkste prikkels de wettelijke verplichting om gedurende de eerste twee jaar van ziekte 70% van het loon door te betalen en zich in te spannen voor re-integratie. De wettelijke loondoorbetaling van 70% geeft de werknemer ook een financiële prikkel om zo snel mogelijk het werk te hervatten, hoewel werkgevers en werknemers in CAO’s vaak bovenwettelijke aanvullingen afspreken tot 100% loondoorbetaling waarmee deze prikkel vermindert of verdwijnt. Ook heeft de werknemer in deze periode de verplichting om mee te werken aan re-integratie.
Als de werknemer na die twee jaar recht krijgt op een WIA-uitkering, dan betaalt de (oud-) werkgever nog maximaal 10 jaar mee aan de uitkering van deze werknemer. Als de werknemer instroomt in de WIA en nog arbeidsvermogen heeft, bestaan de belangrijkste prikkels voor de werknemer uit:
In hoeverre is het hoge verzuimniveau te verklaren door macrotrends, zoals een stijging van mentale klachten, de «hypernerveuze» samenleving, deeltijdcultuur met voltijdse taaklast, een krappe arbeidsmarkt en toegenomen werkdruk?
Een deel van het verzuim in Nederland kan door macrotrends en ontwikkelingen in de samenleving en op arbeidsmarkt worden verklaard.
Uit de tweejaarlijkse Arbobalans6 van TNO, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, volgt dat van het totale ziekteverzuim in Nederland ongeveer 8% komt door psychische klachten. Na griep, verkoudheid en virusinfecties zijn psychische klachten hiermee de tweede reden die werknemers voor 2024 opgeven voor verzuim.7
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat meer mensen psychische problemen ervaren en vaker verzuimen op het werk. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) concludeert in een recent rapport dat onze «hypernerveuze samenleving» de mentale gezondheid onder druk zet.8 De toename van uitval door psychische klachten komt voort uit een samenspel van maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren. De toename van psychische aandoeningen in de WIA-instroom is geen uniek Nederlands verschijnsel en is ook niet inherent verbonden aan ons stelsel. Het past in een bredere, internationale, trend.9
Afgaande op de laatste vier metingen van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden over 2021–2024 lijkt er geen toename te zijn qua werkdruk, maar juist een afname. Wel blijft werkdruk als voornaamste reden van verzuim veroorzaakt door het werk in de periode 2022–2024 vrij stabiel rond de 27%.10 Eveneens blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden dat in de periode 2021–2024 het aandeel werknemers met burn-outklachten niet verder is gestegen.11, 12, 13, 14
Met betrekking tot het huidige en toekomstige verzuimniveau speelt een rol dat werknemers steeds langer doorwerken en dat het aandeel oudere werknemers is toegenomen. Hierdoor neemt het aandeel werknemers met chronische klachten en het daaraan gerelateerde verzuim toe.
De toegenomen instroom in de WIA kan voor een deel worden verklaard door de dubbele vergrijzing. Ongeveer de helft van de stijging tussen 2006 en 2024 is toe te schrijven aan het langer doorwerken van oudere werknemers. Dit is het gevolg van het afbouwen van vroegpensioenregelingen en de beleidsmatige verhoging van de AOW-leeftijd.15
Houdt uw ministerie een integraal en actueel overzicht bij van knelpunten in het stelsel van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, zoals ervaren door werkgevers? Zo ja, kunt u dit overzicht, inclusief eventuele oplossingsrichtingen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog structureel te gaan monitoren?
De (belangrijkste) knelpunten binnen het ziekte- en arbeidsongeschiktheidsstelsel zijn recent in het kader van onder meer de probleemanalyse en het advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS)16, 17.
Mijn voorgangster heeft OCTAS verzocht om deze knelpunten en de mogelijke oplossingsrichtingen in kaart te brengen en daarover een advies uit te brengen. De probleemanalyse van deze commissie geeft de belangrijkste knelpunten weer en in het eindrapport wordt verder ingegaan op de mogelijke oplosrichtingen. Beide documenten zijn aan de Tweede Kamer aangeboden.18
Het nieuwe kabinet kan keuzes maken op basis van deze gesignaleerde actuele knelpunten en gepresenteerde oplossingsrichtingen en aanbevelingen.
Daarnaast zijn we altijd in gesprek met sociale partners over knelpunten die zij ervaren in het huidige stelsel. Mede op basis van die input en aanbevelingen wordt als onderdeel van arbeidsmarktpakket gewerkt aan een wetsvoorstel dat werkgevers eerder duidelijkheid gaat geven over de re-integratie en vervanging van langdurig zieke werknemers.
Ook werken we aan een wetsvoorstel om per 2028 het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend te maken bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en neemt het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Treft de regering aanvullend beleid om ziekteverzuim in Nederland terug te dringen?
In Nederland zijn werkgevers verplicht ervoor te zorgen dat hun werknemers veilig en gezond kunnen werken. De mate van bescherming die zij moeten bieden, is door de overheid vastgelegd in de Arbowet. Hiertoe dient elk bedrijf arbobeleid te voeren. Een goed arbobeleid leidt tot duurzame inzetbaarheid en verhoogde productiviteit. Het arbobeleid beperkt de gezondheidsrisico’s, vermindert het ziekteverzuim en bevordert de re-integratie.
In de Arbovisie 2040 presenteerde het kabinet de missie van nul doden door werk («zero death») en zo min mogelijk ongevallen en zieken door werk. Daarbij is focus op preventie essentieel. Met de Arbovisie 2040 is een traject ingezet om te komen tot een toekomstbestendig arbostelsel. Structurele verbeteringen zijn alleen te realiseren door een stevig commitment en goede samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de overheid en door inspanning van alle betrokkenen. Het realiseren van een trendbreuk van «zero-death» vraagt om een meerjarige, gefaseerde aanpak, die door het kabinet uiteen is gezet in de kabinetsreactie op het SER-advies «Gezond en veilig werken door effectieve regels en preventie».19
Daarnaast voert het kabinet een gezondheidsbeleid om te voorkomen dat mensen ziek worden en moeten verzuimen. Er zijn bijvoorbeeld landelijke afspraken en samenwerkingen voor een gezonde leefstijl, zoals het Preventieakkoord20, het Integraal Zorgakkoord21 en aanvullend zorg- en welzijnsakkoord22. Om te bevorderen dat zieke werkenden tijdens hun behandeling (deels) aan het werk kunnen blijven of na behandeling sneller weer aan het werk kunnen is samenwerking tussen arbeidsgerelateerde zorg en curatieve zorg essentieel.
Initiatieven vanuit de beroepsgroepen van bedrijfsartsen en medisch specialisten dragen hier inmiddels aan bij, met ondersteuning van het Ministerie van SZW.23
Beschikt de regering over cijfers of schattingen van misbruik van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon- of WIA-voorschotten? Indien dergelijke cijfers ontbreken: waarom worden deze niet systematisch verzameld en bent u bereid dit te verbeteren?
De regering beschikt niet over cijfers die inzichtelijk maken of en in welke mate er door werknemers misbruik zou worden gemaakt van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon. Bij eventuele twijfel over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer kan de werkgever de bedrijfsarts vragen daar op basis van diens medische expertise een inschatting van te laten maken. Ik zie in centrale registratie van deze cijfers, als die überhaupt mogelijk zou zijn, onvoldoende toegevoegde waarde. Daarnaast zou dit voor werkgevers aanzienlijke extra administratieve lasten en kosten met zich meebrengen.
Ook over eventueel misbruik van WIA-voorschotten zijn geen cijfers beschikbaar. Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.24 Hierop ga ik verder in bij het antwoord op vraag 13. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
Bent u het ermee eens dat de rechten die ziekte meebrengt voor werknemers, en de plichten die ziekte meebrengt voor werkgevers soms tot complexiteit en mogelijk misbruik leiden? Zijn u cijfers bekend van misbruik van ziekmeldingen en het recht op doorbetaling?
Voor wat betreft uw vraag over de aanwezigheid van eventueel misbruik van ziekmeldingen en het recht op loondoorbetaling verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
In veel situaties zal er bij de werkgever geen aanleiding zijn om te twijfelen aan de ziekmelding van de werknemer. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 uiteen heb gezet, heeft een werkgever, in het geval er toch aanleiding voor twijfel is over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer, de mogelijkheid de bedrijfsarts te vragen op basis van diens medische expertise een inschatting te maken.
Een ziekmelding is voor de werknemer overigens niet vrijblijvend. Voor zowel de werkgever als werknemer gelden na een ziekmelding verplichtingen om te werken aan spoedige en duurzame re-integratie van de werknemer terug naar arbeid. Bij het (verwijtbaar) niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen heeft de werkgever mogelijkheden om over te gaan tot, waarschuwen, loonopschorting, loonstop of – in ernstige gevallen – ontslag (zie ook mijn antwoord op vraag25.
Ik kan mij enerzijds voorstellen dat het advies van de bedrijfsarts, en in sommige gevallen beperkt inzicht in de toestand van de werknemer, soms tot onduidelijkheid en vragen leidt bij werkgevers en daarmee dus ook extra complexiteit met zich meebrengt. Anderzijds is het voor een zorgvuldige inschatting in het belang van zowel de werkgever als de werknemer noodzakelijk dat juist een deskundig en onafhankelijk arts die inschatting maakt. Daarbij geldt dat van de bedrijfsarts verwacht mag worden dat hij een duidelijke inschatting maakt van wat de werkgever, bij medische beperkingen van de werknemer, wel en niet mag verwachten in het kader van het re-integratietraject. Dat moet de werkgever voldoende duidelijkheid en houvast geven om goede afspraken met de werknemer te maken over een passend re-integratietraject.
Waar het stelsel enerzijds effectief is gebleken waar het gaat om het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid26 begrijp ik anderzijds dat werkgevers, en zeker kleine, werkgevers dit als zwaar en complex kunnen ervaren. We werken dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers bij de verplichtingen rondom loondoorbetaling bij ziekte te ontlasten:
Tot slot is het ook aan het nieuwe kabinet om keuzes te maken naar aanleiding van de aanbevelingen en adviezen van de OCTAS en het IBO-WIA, gericht op een beter uitlegbaar, betaalbaar en uitvoerbaar stelsel voor ziekte- en arbeidsongeschiktheid, ook voor werkgevers. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3.
Klopt het dat er in de praktijk beperkt sancties worden uitgedeeld aan werknemers die hun re-integratieverplichtingen niet nakomen? Hoe verhoudt dit zich tot sancties die aan werkgevers opgelegd worden? Kunnen werkgevers loonsancties opgelegd krijgen door verwijtbaar handelen van de werknemer? Zo nee, zijn er signalen (zoals uit het artikel) dat dit wel gebeurt? Bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Wanneer een werknemer niet of onvoldoende meewerkt aan de re-integratie en daarmee (verwijtbaar) geen gevolg geeft aan diens wettelijke verplichtingen, heeft de werkgever verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Denk daarbij aan het, na een (schriftelijke) waarschuwing, eventueel opschorten van het loon, een loonstop, of -in ernstige gevallen- ontslag wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie. Voor de onderbouwing van een dusdanig ontslagverzoek bij de kantonrechter is in ieder geval een deskundigenoordeel van UWV nodig. Over in hoeveel situaties gebruik wordt gemaakt van die mogelijkheden zijn geen cijfers.
Verschillende door de rechtspraak gepubliceerde uitspraken geven inzicht in voorbeelden maar kunnen niet als indicatie gebruik worden voor het daadwerkelijk aantal gevallen. In het door werkgevers laten registreren van dit soort cijfers zie ik overigens onvoldoende meerwaarde, temeer omdat dit voor werkgevers extra administratieve lasten en (regeldruk)kosten met zich mee zou brengen.
Een verlenging van de loondoorbetalingsplicht bij het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen (de loonsanctie) kan alleen door UWV opgelegd worden aan een werkgever. Wel kan UWV bij de conclusie dat de werknemer onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht een maatregel opleggen zoals een korting op de WIA-uitkering.
Wanneer een werknemer onvoldoende re-integratieverplichtingen verricht kan dit een rol spelen bij het opleggen van een loonsanctie. Uit cijfers van UWV blijkt dat loonsancties die (mede) door verwijtbaar handelen van de werknemer aan de werkgever worden opgelegd nauwelijks voorkomen (0,6% van de loonsancties in de periode 2022–2024). Daarbij is van belang op te merken dat een loonsanctie in deze situaties alleen opgelegd kan worden indien de werkgever onvoldoende heeft gedaan om de werknemer tot medewerking te bewegen. Wanneer de werkgever aan diens verplichtingen heeft voldaan, waaronder in voldoende mate heeft gepoogd de werknemer te activeren, maar de werknemer niet, dan is dat geen aanleiding voor het opleggen van een loonsanctie aan de werkgever.
Ik acht het met u van groot belang dat een werkgever geen loonsanctie opgelegd krijgt indien hij in het kader van de re-integratie van de werknemer heeft gedaan wat van hem verwacht wordt. In dat kader wordt zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 6, onder meer gewerkt aan het wetsvoorstel dat bij de RIV-toets van UWV het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend maakt, dit wetsvoorstel geeft de werkgever vooraf (vóór de RIV-toets van UWV) meer zekerheid over wat van hem in het kader van de re-integratie verwacht mag worden.
Hoe duidt u de scherpe stijging van mentale klachten als verzuimreden, onder zowel werknemers als zelfstandigen? Kunt u aangeven in hoeverre deze klachten volgens wetenschappelijke inzichten werkgerelateerd zijn, dan wel voortkomen uit privéomstandigheden of maatschappelijke druk?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is, op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden werkdruk als verzuimreden veroorzaakt door het werk, voor werknemers in de afgelopen drie jaar stabiel rond de 27% gebleven. Uit de Arbobalans 2024 blijkt voor werknemers dat 75% van de psychische klachten als verzuimreden, hoofdzakelijk of deels, werkgerelateerd is.
Daarvan uitgaande kan worden verondersteld dat de overige 25% wordt veroorzaakt door privéomstandigheden en/of maatschappelijke oorzaken.
Op basis van de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat psychische klachten, overspannenheid en burn-out als verzuimreden voor zelfstandigen in de periode 2021–2025 is gezakt van 6,4% naar 4,5%.27, 28, 29
Uit de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat verzuim hoofdzakelijk of deels veroorzaakt door werk is gezakt van 30% naar 19%. Hierin is een te hoge werkdruk als belangrijkste reden van verzuim gezakt van 26% naar ongeveer 20%.
Zoals beschreven zijn psychische klachten door het werk een groot deel van de totale verzuimkosten zijn. Het is daarom van belang om in de aanpak van werkstress en werkdruk te blijven investeren.30 Niet alleen is het vervelend als een werknemer zijn beroep niet kan uitoefenen of dat een werkgever zijn arbeidskracht moet missen. Ook brengt een (langdurig) uitvallende werknemer de nodige maatschappelijke kosten met zich mee.
Zijn de re-integratietrajecten die toegepast worden op mentale problematiek in lijn met de wetenschappelijke inzichten die we hebben over mentale klachten? Hoe worden werkgevers hierbij betrokken? Hebben zij inspraak in de re-integratieaanpak? Is dat wat u betreft voldoende effectief?
Een aanzienlijk deel van het ziekteverzuim (ongeveer 8%) heeft betrekking op psychosociale klachten.31 Wat voor medische behandeling eventueel wordt toegepast bij mentale problematiek hangt af van de diagnose en de aard van de aandoening en klachten. Vaak zal de behandelaar (of behandelend arts) op basis van de huidige kennis over de specifieke problematiek een eventuele behandeling voorschrijven.
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (NVAB) heeft voor bedrijfsartsen en verzekeringsartsen een richtlijn voor het handelen bij werkenden met psychische problemen.32 De bedrijfsarts zal bij (potentieel) langdurig verzuim op basis van de medische klachten een probleemanalyse opstellen die ook ingaat op de belastbaarheid van de werknemer. Op basis van de probleemanalyse van de bedrijfsarts wordt uiterlijk in de achtste ziekteweek een plan van aanpak opgesteld door werkgever en werknemer. In dat plan van aanpak worden afspraken gemaakt over de re-integratie-inspanningen die nodig zijn om weer te komen tot een duurzame en (waar mogelijk) spoedige terugkeer van de werknemer naar werk. De werkgever heeft daarbij inspraak en een belangrijke rol bij de totstandkoming van het plan van aanpak (en dus ook het re-integratietraject) alsmede bij de regelmatige evaluatie en, waar nodig, aanpassing daarvan.
Deze bovenstaande aanpak is onderdeel van de Wet verbetering poortwachter. De Wet verbetering poortwachter is vanaf de invoering effectief gebleken in het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.33 Tegelijkertijd vraagt het veel van werkgevers en werken we dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers op dit vlak te ontlasten. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3 en vraag 7.
Voor mensen met mentale problematiek stelt UWV voor de UWV- en gemeentelijke doelgroep het instrument IPS (Individuele Plaatsing en Steun) ter beschikking.
IPS is wetenschappelijk onderbouwd en is dé methode om mensen met een ernstige psychische aandoening te helpen bij het verkrijgen en behouden van betaald werk. GGZ-instellingen die voldoen aan het door kenniscentrum Phrenos opgestelde kwaliteitskader voor de implementatie van IPS kunnen dit instrument in overleg met een cliënt aanvragen. De uitvoering van dit instrument gebeurt door mensen die door Phrenos zijn opgeleid als IPS-begeleider. Naast IPS voor mensen met ernstige psychische aandoeningen wordt ook geëxperimenteerd met IPS voor lichtere psychische aandoeningen (IPS-CMD). Naast IPS biedt UWV aan mensen met mentale problematiek en een UWV uitkering persoonlijke ondersteuning bij hun re-integratie, waarbij UWV ook de mogelijkheid heeft om re-integratie trajecten en of scholing in te kopen.
UWV heeft daarnaast via de werkgeversdienstverlening ook aandacht voor werkgevers rond dit thema. Zo biedt de divisie Werkbedrijf proactief kennis aan, bijvoorbeeld middels kennissessies over een mentaal gezonde werkvloer. Maar ook door middel van gerichte begeleidingstrajecten worden werkgevers ondersteund.
Hoort bij alle mentale klachten automatisch het advies tot volledige arbeidsongeschiktheid, of is er sprake van een mismatch tussen klachten en de feitelijke medische noodzaak van ziekmelding? Hoe wordt voorkomen dat ziekmelding een «toevluchtsoord» wordt bij conflicten, werkdruk of privéproblemen? Welke rol mogen werkgevers hierin spelen?
De aanwezigheid van mentale klachten leidt niet per definitie tot de conclusie dat de betreffende werknemer niet of in het geheel niet in staat is diens of andere passende werkzaamheden te verrichten, noch leidt dit per definitie tot de conclusie dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Indien een werknemer zich ziekmeldt ten gevolge van mentale klachten kan de werkgever de bedrijfsarts om advies vragen vanuit diens medische expertise over in welke mate die klachten de werknemer beperken om diens werkzaamheden uit te oefenen.
Indien de klachten geen medische oorzaak blijken te hebben maar bijvoorbeeld voortkomen uit een conflict (denk aan zogenaamde «situatieve arbeidsongeschiktheid» bij een conflict), dan gaat het niet om uitval door ziekte maar zijn er andere redenen voor de werkgever en werknemer om samen om de tafel te gaan zitten. Daarbij komt aan de werkgever als een van de twee partijen in de arbeidsrelatie uiteraard een essentiële rol toe.
Het is aan diegene met medische expertise om te kunnen beoordelen of er sprake is van arbeidsuitval door ziekte of niet. Daarvoor zijn in ons stelsel de bedrijfsarts en verzekeringsarts de aangewezen deskundigen.
Klopt het dat werkgevers niet mogen vragen naar de aard of oorzaak van de ziekte, maar wel volledig verantwoordelijk zijn voor re-integratie en voor naleving van alle verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter? Zijn er signalen bij u bekend dat werkgevers problemen ervaren met de privacywetgeving omtrent zieke werknemers? Hoe beoordeelt u deze asymmetrie? Kunt u aangeven welke informatie een werkgever minimaal zou moeten kunnen krijgen om effectief en verantwoordelijk te kunnen re-integreren zonder de privacywetgeving te schenden?
Gegevens over zieke werknemers zijn bijzondere, zeer privacygevoelige persoonsgegevens. Daarvoor gelden strenge regels. Het vastleggen en delen (verwerken) van bijzondere persoonsgegevens over zieke werknemers door de werkgever is verboden. Dit betekent dat bij een ziekmelding de werkgever alleen voor hem noodzakelijke gegevens mag registreren, bijvoorbeeld of ziekte verband houdt met een arbeidsongeval. Elke werkgever in Nederland moet een basiscontract hebben afgesloten met een gecertificeerde arbodienst of BIG-geregistreerde bedrijfsarts. Zij ondersteunen de werkgever bij preventieve taken en verzuimbegeleiding. Bij langdurig verzuim is het aan de arbodienst of bedrijfsarts om de werkgever te informeren over de verwachte duur van de ziekte en te adviseren over de belastbaarheid van de werknemer in geval van herstel en re-integratie. De bedrijfsarts dient die informatie ook inzichtelijk te maken in de, uiterlijk in de zesde week van ziekte op te stellen, probleemanalyse. Inzicht in de belastbaarheid van de werknemer is voor de werkgever van belang om samen met de werknemer een effectief en verantwoord re-integratietraject tot stand te kunnen brengen zonder dat daarmee medische gegevens gedeeld hoeven te worden. De probleemanalyse van de bedrijfsarts biedt de werkgever en werknemer dan ook een belangrijke basis voor het opstellen van het plan van aanpak waarin onderlinge afspraken worden gemaakt over de re-integratie van de werknemer.
Klopt het dat werkgevers geen inspraak hebben in de door UWV opgelegde stappen in het plan van aanpak, maar wel aansprakelijk zijn voor het niet tijdig of volledig uitvoeren hiervan? Bent u bereid te onderzoeken of de positie van werkgevers hierin evenwichtiger kan worden ingericht?
Uiterlijk in de zesde week van het ziekteverzuim dient een gesprek met de bedrijfsarts plaats te vinden waarna deze (de bedrijfsarts of de arbodienst) een probleemanalyse opstelt. In die probleemanalyse wordt onder meer inzicht gegeven in welke belastbaarheid de werknemer heeft.
Uiterlijk in de achtste week van het ziekteverzuim dienen werkgever en werknemer het plan van aanpak op te stellen. Daarbij heeft het UWV geen rol maar gaat het dus om de afspraken die werkgever en werknemer onderling maken over het te volgen re-integratietraject. Zij gebruiken daarbij wel de probleemanalyse van de bedrijfsarts en zo nodig kunnen andere deskundigen adviseren (zoals een arbeidsdeskundige).
Op dit moment wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat er toe moet leiden dat de inschatting van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend is bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers, o.a. bij het vormgeven van het plan van aanpak, blijven uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en hoeven zij zich geen zorgen te maken over de vraag of de verzekeringsarts van UWV, na twee jaar, mogelijk een andere inschatting over de belastbaarheid maakt. Daarmee neemt voor de werkgever het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarin arbeidsongeschikten een voorschot houden wanneer UWV bij de uiteindelijke beoordeling vaststelt dat de werknemer niet of minder arbeidsongeschikt is dan eerder aangenomen? Geldt dit ook wanneer sprake is van aantoonbare misleiding of kwade trouw? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, hoe waarborgt u dat misbruik wordt aangepakt?
Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.34 Op dit moment is dat beleid tegenwettelijk en daarom was het beleid altijd tijdelijk. Vanwege de verwachting dat het beleid langer nodig is, zijn afgelopen voorjaar middelen vrijgemaakt om het tijdelijke kwijtscheldbeleid van WIA-voorschotten structureel te maken.35 Dit geeft mensen de zekerheid dat zij het voorschot dat ze krijgen in afwachting van de WIA-claimbeoordeling niet hoeven terug te betalen. Wel kan het voorschot verrekend worden met een WGA- of WW-uitkering als na de WIA-claimbeoordeling blijkt dat er tijdens de voorschotperiode recht was op een dergelijke uitkering. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
De afgelopen periode is er gewerkt aan het creëren van een wettelijke grondslag voor dit beleid. Het wetsvoorstel hiertoe wordt naar verwachting voor de zomer aan uw Kamer aangeboden.
Het bericht 'Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Maagdelijkheidstests zijn in Zweden vanaf vandaag officieel verboden»?1
Ja.
Hoe bekijkt u deze maatregelen van de Zweedse regering die juist bedoeld zijn om vrouwen en meisjes te beschermen tegen schadelijke en onbewezen praktijken?
In Nederland mogen meisjes en vrouwen nooit worden gedwongen tot een maagdelijkheidstest. Het is dan ook van belang meisjes en vrouwen hiertegen te beschermen. Tevens geldt dat maagdelijkheidstests medisch niet betrouwbaar zijn en in Nederland – volgens de geldende richtlijnen – niet uitgevoerd mogen worden door medisch professionals. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3.
Vooropgesteld staat dat het recht op zelfbeschikking in Nederland een groot goed is. Meisjes en vrouwen moeten altijd zelf over hun eigen lichaam kunnen beschikken. Dit is ook vastgelegd in wet- en regelgeving. Het kabinet zet zich in om dit recht op zelfbeschikking te waarborgen. De leidraad voor het medisch handelen in Nederland zijn de juridische en ethische kaders zoals die in wet- en regelgeving en in ethische normen zijn vastgelegd. Belangrijke uitgangspunten daarvoor zijn de grondwettelijke bescherming van de lichamelijke integriteit en het (daarmee verband houdende) recht op zelfbeschikking.
In de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) is de vereiste van toestemming voor behandeling vastgelegd: zorgverleners mogen een patiënt alleen onderzoeken of behandelen als de patiënt daar zelf toestemming voor geeft. Aanvullend daarop is het recht op informatie en overleg opgenomen. Patiënten hebben recht op duidelijke en begrijpelijke informatie over hun ziekte, de behandeling en de mogelijke gevolgen daarvan, de mogelijke gevolgen bij afzien van behandeling, andere onderzoeken en behandelingen door andere hulpverleners, de uitvoeringstermijn van de behandeling en de verwachte tijdsduur daarvan (informed consent) en op tijdig overleg hierover met de hulpverlener (samen beslissen).
Kunt u bevestigen dat maagdelijkheidstests volgens de Nederlandse professionele standaard niet binnen de reguliere zorg thuishoren en dat artsen geacht worden deze verzoeken af te wijzen? Zijn er desondanks aanwijzingen dat dergelijke verzoeken toch worden gedaan bij huisartsen, gynaecologen of andere zorgprofessionals? Zo ja, kunt u aangeven wat de omvang hiervan is, hoe deze signalen momenteel worden geregistreerd of opgevolgd en of deze verzoeken aanleiding vormen voor toezicht door de IGJ? Indien geen cijfers beschikbaar zijn, bent u bereid hierover structurele monitoring te laten plaatsvinden?
Ja, ik deel uw mening dat maagdelijkheidstests niet binnen de reguliere zorg thuishoren en dat artsen geacht worden deze verzoeken af te wijzen. Een maagdelijkheidstest is volgens artsen en experts wetenschappelijk onbetrouwbaar. Er bestaat geen test om maagdelijkheid vast te stellen.
Ik heb contact gehad met de Nederlandse Verenging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG) met de vraag of er in Nederland binnen de beroepsgroepen artsen aanwezig zijn die een dergelijk verzoek inwilligen. Zowel de NVOG als de NHG geven aan dat er geen aanwijzingen zijn dat er gynaecologen of huisartsen zijn in Nederland die een maagdelijkheidstest uitvoeren of bewijzen van maagdelijkheid afgeven. De NVOG stelt dat het uitvoeren van dergelijke tests in strijd is met de uitgangspunten van de beroepsvereniging en het standpunt hymenreconstructie2. In dit standpunt staat beschreven dat «niemand door lichamelijk onderzoek of anders, kan vaststellen of een vrouw nog maagd is». Beide beroepsgroepen kunnen niet volledig uitsluiten dat het voorkomt.
De professionele norm binnen de zorg staat voorop. Wanneer zorgverleners te maken krijgen met verzoeken in deze context, staat de veiligheid van de vrouw altijd centraal. Bij signalen van druk, dwang of een onveilige situatie wordt maatwerk geleverd om de vrouw zo goed mogelijk te helpen, bijvoorbeeld door advies, doorverwijzing of het betrekken van passende hulpverlening.
Ook vanuit de zelforganisaties die werken met sleutelpersonen vanuit gemeenschappen zelf zijn geen signalen over maagdelijkheidstests naar voren gekomen. Er zijn geen verdere cijfers bekend over de eventuele omvang van het aantal verzoeken om een maagdelijkheidstest.
Het kabinet is niet voornemens structurele monitoring naar maagdelijkheidstests op te zetten. Voor het monitoren van maagdelijkheidstests geldt dat betrouwbare informatie lastig te verkrijgen is. Gezien de uitgangspunten van de beroepsverenigingen niet mee te werken aan dergelijke tests, worden ook geen gegevens hierover geregistreerd. Monitoring zou daarmee onbetrouwbaar en onvolledig zijn. De IGJ heeft aangegeven dat signalen over handelen buiten de professionele standaard, reden kunnen zijn om er in het toezicht aandacht aan te besteden.
Deelt u de mening dat maagdelijkheidstests geen enkele medische grondslag hebben en dat een dergelijke praktijk kan bijdragen aan het onderdrukken en controleren van meisjes en vrouwen? Zo ja, hoe wilt u dit toepassen in Nederland? Zo niet, waarom niet?
Ja, ieder meisje en vrouw heeft het volste recht om te allen tijde zelf te beschikken over haar lichaam en haar seksualiteit. Het kabinet zet zich in om meisjes en vrouwen te beschermen en dit recht te waarborgen. Er bestaat geen test om maagdelijkheid vast te stellen. Maagdelijkheidstests passen niet bij het recht op zelfbeschikking. Het recht op onaantastbaarheid van het eigen lichaam is bovendien verankerd in onze Grondwet. Met de aanpak gericht op zelfbeschikking en de preventie van schadelijke praktijken wordt ingezet op normverandering en het beschermen van meisjes en vrouwen. Via sleutelpersonen uit betrokken gemeenschappen wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de acceptatie van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen en het versterken van zelfbeschikking, ook als het gaat om seksualiteit.
Is er recentelijk onderzoek gedaan in hoeverre maagdelijkheidstests voorkomen in Nederland in de privésfeer? Zo ja, kunt u de resultaten van dit onderzoek delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid om dit in kaart te laten brengen? Is het in Nederland op dit moment strafbaar om een maagdelijkheidstests uit te voeren of een maagdelijkheidsverklaring af te geven door niet-medische personen?
Er is recentelijk geen onderzoek gedaan naar de vraag of maagdelijkheidstests in Nederland voorkomen en er bestaat ook geen voornemen daartoe. Er zijn geen betrouwbare (registratie)gegevens beschikbaar waardoor (een schatting van) de omvang naar verwachting niet betrouwbaar is vast te stellen, zoals ook in de beantwoording van vraag 3 vermeld. Daarnaast wijzen signalen vanuit diverse professionals en organisaties erop dat maagdelijkheidstests niet of nauwelijks voorkomen in Nederland.
Er is geen sprake van een aparte strafbaarheidsstelling voor het uitvoeren van maagdelijkheidstests of het afgeven van een maagdelijkheidsverklaring door niet-medische personen. Het Wetboek van Strafrecht kent mogelijke strafbepalingen afhankelijk van de wijze waarop de tests worden uitgevoerd of de verklaringen worden afgegeven. Zo kan er bij het tegen iemands wil binnendringen van een seksueel lichaamsdeel sprake zijn van schuldverkrachting, zoals strafbaar gesteld in artikel 242 Wetboek van Strafrecht. En bij een valselijk afgegeven verklaring kan mogelijk sprake zijn van valsheid in geschrifte in de zin van artikel 225 Wetboek van Strafrecht. Als hiervan aangifte wordt gedaan, is het aan het Openbaar Ministerie om deze aangifte te beoordelen aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval.
In Zweden wordt het ook strafbaar om geen melding te maken van gedwongen huwelijken en kindhuwelijken, in het licht hiervan hoe staat het met de uitvoering van de motie-Dral c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 293) die toeziet op een meldplicht?
Zoals in de kabinetsreactie op het inspectierapport inzake het incident met het pleegmeisje in Vlaardingen3 van januari 2025 is aangegeven en de motie Dral verzoekt, verkent het Ministerie van VWS een adviesplicht binnen de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De invoering van een adviesplicht vraagt een aantal inhoudelijke keuzes, zoals de verhouding tot collegiale toetsing, de impact op professionals en de uitvoerbaarheid. Het ministerie zal de komende tijd
met betrokken organisaties een aantal scenario’s van de adviesplicht bespreken en vervolgens verder uitwerken tot een voorkeursscenario. De vervolgstap is om in beeld te brengen wat dit betekent voor aanpassing van wet- en regelgeving.
Welke concrete stappen acht u op korte termijn haalbaar om ervoor te zorgen dat meisjes en vrouwen in Nederland niet langer worden geconfronteerd met pseudomedische claims, sociale druk of dwang rondom «maagdelijkheid», inclusief handhaving, voorlichting, regelgeving en mogelijke strafbaarstelling?
De bescherming van meisjes en vrouwen in Nederland tegen geweld, dwang en onderdrukking is een prioriteit van het kabinet. Het kabinet zet in op het versterken van zelfbeschikking en de preventie van schadelijke praktijken. Maagdelijkheidstests passen niet bij het recht op zelfbeschikking. Binnen de aanpak gericht op verandering vanuit gemeenschappen zelf, wordt via sleutelpersonen uit betrokken gemeenschappen gewerkt aan de acceptatie van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen en het versterken van zelfbeschikking, ook als het gaat om seksualiteit. Zoals eerder vermeld in antwoord op vraag 3 zijn er, volgens de NVOG, in Nederland geen aanwijzingen dat er in Nederland gynaecologen zijn die een maagdelijkheidstest uitvoeren of bewijzen van maagdelijkheid afgeven. Ook zijn vanuit de betrokken zelforganisaties, die bijvoorbeeld zijn aangesloten bij de Alliantie Verandering van Binnenuit, gefinancierd door het Ministerie van OCW of vanuit de initiatieven die met middelen van het Ministerie van SZW worden gesteund, geen signalen over het uitvoeren van maagdelijkheidstests naar voren gekomen. Niet door artsen en ook niet door personen uit de privésfeer. Een specifieke strafbaarstelling voor het uitvoeren van maagdelijkheidstests is daarom vooralsnog niet noodzakelijk. Daarnaast wijzen medici erop dat een verbod ertoe kan leiden dat eventuele verzoeken voor dergelijke tests in het illegale circuit terechtkomen. Dat is onwenselijk en kan nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid en ondersteuning van vrouwen.
Welke stappen worden er op dit moment vanuit het kabinet nog meer ondernomen om meisjes en vrouwen in Nederland beter te beschermen tegen schadelijke praktijken die hun lichamelijke integriteit, autonomie en rechten aantasten?
Het kabinet vindt het van groot belang meisjes en vrouwen te beschermen tegen iedere vorm van geweld. De bescherming tegen schadelijke praktijken is daar onderdeel van. De aanpak van schadelijke praktijken vereist inzet op zowel preventie, bescherming en ondersteuning van slachtoffers als op strafbaarstelling. Versterking van het recht op zelfbeschikking draagt bij aan de preventie van schadelijke praktijken. In dit kader wordt gewerkt aan voorlichting binnen (gesloten) gemeenschappen in samenwerking met sleutelpersonen. Specifiek over maagdelijkheid verstrekken organisaties zoals Sense en Rutgers op laagdrempelige manieren informatie. Informatie en voorlichting over dit onderwerp is belangrijk, omdat er helaas sprake kan zijn van onjuiste (medische) informatie. Daarnaast is en blijft de verklaring tegen meisjesbesnijdenis beschikbaar ter preventie van vrouwelijke genitale verminking. Deze verklaring kan worden uitgereikt aan ouders afkomstig uit risicolanden die van plan zijn om naar het land van herkomst te gaan. Met de verklaring kunnen familieleden worden geïnformeerd over de consequenties en strafbaarheid van vrouwelijke genitale verminking.
Naast voorlichting en het stimuleren van dialoog over deze thema’s in de betrokken gemeenschappen om verandering te bewerkstelligen, is het heel belangrijk de kennis en vaardigheden van professionals te vergroten en de samenwerking tussen ketenpartners te versterken. Om professionals voldoende handvatten te geven, zodat zij (signalen over mogelijke) schadelijke praktijken eerder herkennen en weten hoe te handelen, wordt door VWS ingezet op deskundigheidsbevordering, onder andere van huisartsen en verloskundigen. Aanvullend hierop zal door de Staatssecretaris Participatie en Integratie worden ingezet op deskundigheidsbevordering van professionals in het sociaal domein en zal een ketenaanpak op de preventie van schadelijke praktijken worden opgezet in twee regio’s waar die nu nog ontbreekt.
De samenwerking tussen ketenpartners wordt verder bevorderd door het Landelijk Netwerkknooppunt Schadelijke Praktijken. Het kabinet draagt financieel bij aan dit netwerk. Binnen het netwerk bestaat de behoefte een digitaal platform op te zetten zodat gemakkelijk en snel informatie en vragen kunnen worden gesteld. Het kabinet stelt in de jaren 2026–2029 financiële middelen beschikbaar om dit platform te ontwikkelen.
Tot slot zal de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid – naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen uit het WODC-onderzoek «Over grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking» – onderzoeken of en hoe het huidige juridische instrumentarium kan worden aangevuld met maatregelen in lijn met preventieve beschermingsbevelen, geïnspireerd op het voorbeeld uit het Verenigd Koninkrijk. Deze civielrechtelijke maatregelen kunnen strafrechtelijk worden gehandhaafd. Op deze wijze kan de bescherming van (potentiële) slachtoffers aanzienlijk worden vergroot.
Het Young Global Leader programma van het World Economic Forum |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u dit jaar toegetreden tot het zogenaamde «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum?1
Ja.
Door wie en wanneer bent u uitgenodigd toe te treden tot de 2025 «Young Global Leaders» klas van het World Economic Forum? Was dit een schriftelijke uitnodiging? Zo ja, kan de Tweede Kamer deze uitnodiging ontvangen?
De uitnodiging is in januari 2025 per e-mail ontvangen vanuit The Forum of Young Global Leaders Foundation (YGL Foundation).
Is het correct dat u bent uitgenodigd in uw hoedanigheid van Minister? Zo nee, waarom staat dit dan letterlijk zo aangegeven op de «Young Global Leader» website? Is het kabinet op de hoogte van deze nevenfunctie?2
Nee, de nominatie voor en deelname aan het Young Global Leaders programma is op persoonlijke titel. Dat de huidige functie van deelnemers wordt vermeld op de website van het programma doet daar niets aan af. Deelname aan het programma betreft geen nevenfunctie.
Wat waren uw beweegredenen om (op deze uitnodiging in te gaan en) lid te worden van de 2025 klas met «Young Global Leaders» van het World Economic Forum?
Ik heb positief gereageerd op de uitnodiging, omdat ik het eervol vind hiervoor te zijn genomineerd en het een kans biedt om internationaal van gedachten te wisselen met getalenteerde leiders.
Kan de Tweede Kamer dit driejarige «ontwikkelingsprogramma» van de 2025 «Young Global Leader» klas waar u (namens het kabinet) onderdeel van uitmaakt ontvangen? Bij welke «thematische bijeenkomsten» bent u aanwezig geweest? Welke «academische modules» van het World Economic Forum heeft u gevolgd?
Er is geen formeel ontwikkelingsprogramma, op de website van het Young Global Leaders programma kunt u meer lezen over de bijeenkomsten en modules waar men optioneel aan kan deelnemen. Ik ben (nog) niet bij een thematische bijeenkomst van het programma aanwezig geweest en heb geen academische module gevolgd.
Het «Young Global Leader» programma verschaft daarnaast, «opportunities to contribute to strategic initiatives aligned with the World Economic Forum’s mission», op welke manier heeft u, als WEF «Young Global Leader» bijgedragen aan welke specifieke doelstellingen van het World Economic Forum? Kan de Tweede Kamer hiervan een overzicht ontvangen?
Ik heb niet bijgedragen aan specifieke doelstellingen van het World Economic Forum. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe zou het kabinet de «doelstellingen van het World Economic Forum» omschrijven?
De WEF biedt een nuttig platform voor de uitwisseling van ideeën, onderzoeksresultaten en inzichten over actuele thema’s tussen politici, wetenschappers, journalisten en vertegenwoordigers van internationale organisaties, het bedrijfsleven en ngo’s. Het biedt ook een goede gelegenheid om in bilaterale gesprekken met internationale leiders en het bedrijfsleven specifieke onderwerpen te bespreken die van belang zijn voor Nederland.
Het doel van het WEF is het bijeenbrengen van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties om gezamenlijk bij te dragen aan een betere wereld.
Kan uit het feit dat u, als Minister van Defensie, bent toegetreden tot het «Young Global Leader» programma van het World Economic Forum logischerwijs worden geconcludeerd dat het kabinet de doelstellingen van het World Economic Forum steunt? Zo nee, waarom niet?
Nee, deelname aan dit programma geschiedt op persoonlijke titel. Zie ook het antwoord op vraag 3 en 7.
Is het correct dat Klaus Schwab, de inmiddels omstreden oprichter van het World Economic Forum, op 20 september 2017 op de Harvard Kennedy School, in het openbaar te kennen heeft gegeven trots te zijn dat het World Economic Forum het Young Global Leader programma wereldwijd gebruikt om, in zijn woorden, «kabinetten te penetreren»?3
Het is niet aan mij om de woorden van dhr. Schwab te recenseren.
Vindt het kabinet het wenselijk als leden van het kabinet deelnemen aan een programma waarvan de bedenker zélf aangeeft dat het bedoeld is om wereldwijd «kabinetten te penetreren»?
Zie antwoord op vraag 9.
Is het correct dat de Koning ook een WEF «Young Global Leader» is (geweest)? Ja of nee?4
Nee.
Kunt u de bovenstaande simpele en feitelijke ja-nee-vraag met alleen «ja» of «nee» beantwoorden? Zo nee, waarom bent u daartoe maar niet in staat?
Ja.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Opvang op locaties op het water |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opvang gaat te water, veiligheid blijft aan wal: een op de vijf asielschepen voldoet niet aan de eisen»?1
Wat vindt u ervan de desbetreffende vastgoedondernemer in Terneuzen zich actief heeft gemengd met het verzet tegen het openen van een asielzoekerscentrum (azc), specifiek met winstbejag als doel, terwijl de gemeente al had gekozen voor een leegstaand bedrijfspand als opvanglocatie?
Deelt u de zorgen dat commerciële aanbieders door actieve beïnvloeding van bewoners en lokale politici besluiten over asielopvang kunnen sturen richting voor hen financieel aantrekkelijke, maar mogelijk minder veilige of realistische alternatieven? Acht u dit een risico voor de integriteit van het proces en voor de zorgvuldige democratische besluitvorming op lokaal niveau?
Bent u bereid om met gemeenten het gesprek aan te gaan over het risico van campagnes door commerciële scheepsexploitanten of vastgoedeigenaren die reguliere azc-plannen frustreren om hun eigen diensten te promoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de concurrentiestrijd door de toenemende vraag naar asielboten ten koste gaat van de veiligheid op de opvanglocaties op water? Zo ja, welke concrete stappen neemt u hiervoor?
Kunt u aangeven hoeveel asielzoekers en hoeveel statushouders op dit moment verblijven in een locatie op water?
Kunt u aangeven hoeveel kinderen op dit moment verblijven op opvanglocaties op water en kunt u daarbij aangeven welke locaties dit zijn en of deze allemaal voldoen aan de wettelijke veiligheids- en pedagogische eisen?
Klopt het dat volgens de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) ongeveer een vijfde van de gecontroleerde asielboten niet voldoet aan de veiligheidsregels, en dat in de afgelopen drie jaar in totaal 664 gebreken zijn geconstateerd? Zo ja, kunt u toelichten om welke typen veiligheidsrisico’s het hierbij gaat?
Hoe is de deskundigheid van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) sinds 2022 versterkt als het gaat om de kwaliteit van de asielopvang op locaties op water? Is er hierbij specifiek aandacht voor de veiligheid van kinderen? Zo ja, op welke manier?
Klopt het dat exploitanten van cruiseboten jaarlijks gemiddeld 63.000 euro per opgevangen asielzoeker ontvangen en dit vele malen duurder is dan opvang in een azc? Zo ja, wat vindt u van de situatie waarbij het COA vanwege hun wettelijke taak noodgedwongen is om bij commerciële scheepsexpoitanten plekken af te nemen en de gestegen kosten voor rekening van de samenleving komen. Bent u het met ons eens dat dit ook afbreuk doet aan het draagvlak voor opvang?
Wat is uw appreciatie van het feit dat doordat boten niet openbaar worden aanbesteed, onderhandelaars hogere prijzen kunnen vragen en bent u hierover in gesprek met het COA?
Deelt u de mening dat het voor zowel de veiligheid van asielzoekers, maar ook vanwege kostenaspect en draagvlak, zeer wenselijk is om asielopvang op het water af te schalen? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u daartoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Agressie in de zorg |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Is u bekend dat het Erasmus MC zich distantieert van een observatie, namelijk dat agressie in de zorg vaker voorkomt bij migrantenfamilies, gedaan door een IC-arts werkzaam in het Erasmus MC?1
Het is mij bekend dat het Erasmus MC zich distantieert van de uitspraak van een IC-arts dat agressie bij hen op de IC vaker voorkomt bij migrantenfamilies.
Hoe kan het Erasmus MC zich distantiëren van een waarneming verricht door een arts? Is het management van het Erasmus MC misschien ook dagelijks aanwezig op de IC en neemt het management daar zelf iets heel anders waar?
Het is aan het Erasmus MC om zich al dan niet te distantiëren van uitspraken van medewerkers en daar eventueel verantwoording over af te leggen. Ik heb geen inzicht in de afwegingen die in dit specifieke geval gemaakt zijn.
Vindt u het wenselijk dat het management van een ziekenhuis zich «distantieert» van waarnemingen die artsen verrichten? Begint een analyse, onderzoek en waarheidsvinding niet bij het doen van waarnemingen? Wordt deze waarheidsvinding niet geweld aan gedaan als het management van een ziekenhuis zich gaat «distantiëren» van waarnemingen? Zorgt dat er immers niet logischerwijs voor dat artsen zich niet langer zomaar vrij durven uit te spreken over datgene wat ze op de werkvloer zelf met hun eigen ogen zien en meemaken? Brengt een dergelijke (angst)cultuur daarmee de patiëntveiligheid uiteindelijk niet in gevaar?
Het is aan het management van een ziekenhuis om zorgvuldige afwegingen te maken bij het zich al dan niet distantiëren van publiekelijke uitspraken van medewerkers. Daar hoort ook bij dat zij inschatten wat de consequenties daarvan zijn en dat zij eventuele negatieve effecten voorkomen.
Uw analyse dat het zich distantiëren van uitspraken er toe leidt dat de waarheidsvinding geweld wordt aangedaan omdat het er logischerwijs toe leidt dat artsen zich niet meer vrij durven uit te spreken, er een angstcultuur ontstaat en de patiëntveiligheid in gevaar komt deel ik dan ook niet.
Wat gaat u hieraan doen? Bent u bereid hierover met het Erasmus MC in gesprek te gaan? Bent u bereid aan het Erasmus MC te vragen waarom (en op welke gronden, zijn er aanwijzingen, is er ook maar enig bewijs dat de gewraakte waarneming feitelijk onjuist is) het management zich blijkbaar geroepen voelt zich publiekelijk «te distantiëren» van een waarneming die is verricht door een arts die werkt in het Erasmus MC?
Ik ga niet over de specifieke communicatiebesluiten van een zorginstelling. Het management van het Erasmus MC is bevoegd om het eigen communicatiebeleid in te richten.
Het artikel 'Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kippenboeren zitten klem door vogelgriep en stikstof. Hoe verder?»?1
Ja.
In het artikel wordt gesproken over een vaccin tegen het vogelgriepvirus voor kippen dat door de European Medicines Agency (EMA) is goedgekeurd, is dit goedgekeurde vaccin wellicht een «mRNA-vaccin»?
Het in het artikel genoemde vaccin is geen mRNA-vaccin, maar een vectorvaccin, INNOVAX-ND-AI, van MSD Animal Health. Dat is een vaccin dat na een beoordeling door het Europees Medicijnagentschap (EMA), door de Europese Commissie is toegelaten in de Europese Unie, voor gebruik bij kippen. Dit vaccin is door het EMA beoordeeld op werkzaamheid en veiligheid voor dier, mens en milieu.
Betreft dat misschien dit door de EMA goedgekeurde (mRNA-)vaccin, gezien het feit dat er wordt gesproken over één pluimveehouderij in Nederland die zijn kippen heeft gevaccineerd?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waar worden de eieren van deze pluimveehouderij in Nederland verkocht? Kan de Nederlandse consument op de verpakking zien dat de kippen die deze eieren hebben gelegd met dit (mRNA-)vaccin zijn gevaccineerd? Zo nee, waarom wordt dit voor de Nederlandse consument (bewust?) verborgen gehouden?
De eieren worden sinds eind juli 2025 via de bestaande afzetkanalen op de markt gebracht. Er is geen noodzaak om te melden in welke winkels de producten liggen, aangezien de eieren van gevaccineerde hennen veilig zijn.
Vindt u het belangrijk dat consumenten goed kunnen worden geïnformeerd over het voedsel dat ze eten?
Ja.
Vindt u het belangrijk dat, zeker als consumenten daar prijs op stellen, pluimveehouders, te allen tijde, vrij zijn om aan te geven, op hun pak eieren, of de eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo nee, waarom niet? Waarom mogen consumenten niet weten of eieren wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Zo ja, hoe kijkt u aan tegen de volgende zin in het genoemde artikel: «Je wit niet, zegt hij, dat in andere landen eieren op de markt worden gebracht van kippen die «ongevaccineerd» zijn, als een soort keurmerk.?»; waarom zou men dat niet willen? Wat is erop tegen om consumenten, die dat graag willen weten, in staat te stellen te achterhalen of de eieren op hun bord wel of niet afkomstig zijn van gevaccineerde kippen? Hoe gaat u deze consumenten beschermen en garanderen dat Nederlandse pluimveehouders, die dat willen, op hun doosje eieren wel degelijk kunnen (blijven) aangeven dat de eieren afkomstig zijn van (on)gevaccineerde kippen?
Consumenten eten al decennia eieren en vlees van gevaccineerde kippen. Kippen worden tegen veel ziekten gevaccineerd, ook met vergelijkbare vaccins. Voorbeelden van ziekten waartegen wordt gevaccineerd zijn infectieuze bronchitis, infectieuze bursitis, infectieuze larynhgotracheitis, Newcastle disease, Salmonella Enteritidis en coccidiose. Dit gebeurt met vaccins die op de markt zijn toegelaten na een beoordeling op werkzaamheid en veiligheid voor mens, dier en omgeving. De eieren en het vlees van gevaccineerde kippen zijn veilig voor humane consumptie. Op verpakkingen van eieren en vlees staat niet welke vaccins zijn toegediend. Dit geldt ook in het geval van de eieren en het vlees van de kippen uit de pilot. Ik wil u er ook op wijzen dat het Voedingscentrum Nederland informatie geeft over voedsel afkomstig van gevaccineerde dieren2.
Het toenemende aantal hiv-diagnoses |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u onze zorgen over de trendbreuk dat het aantal hiv-diagnoses niet meer afneemt en zelfs stijgt in de komende jaren?
Ja, ik deel uw zorgen. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalt al een aantal jaar niet meer. Stichting hiv monitoring geeft op basis van haar berekeningen aan dat het aantal nieuwe diagnoses de komende jaren mogelijk zelfs weer zal stijgen.
Welke stappen gaat u ondernemen om juist Nederlanders met een laag inkomen, een migratieachtergrond en/of die gebruik maken van geestelijke gezondheidszorg met een verhoogde kans op een hiv-diagnose en die nu minder gebruik maken van PrEP, te helpen?
Op 28 november jl. gaf ik in mijn brief1 aan uw Kamer aan dat ik mij zorgen maak om groepen die meer kans hebben op een hiv-infectie, bijvoorbeeld vanwege een lager inkomen, een migratieachtergrond en/of psychische problemen. Voor deze groepen is de zorg door GGD’en vanuit de Regeling Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg (ASG-regeling) bedoeld, maar nog niet iedereen wordt bereikt. Daarom wil ik meer zicht krijgen op drempels die mensen ervaren om met hun soa-gerelateerde vragen of klachten naar de GGD of huisarts te gaan, zodat deze drempels kunnen worden verlaagd of weggenomen. Ik werk hierin samen met het RIVM, Soa Aids Nederland en enkele coördinerende GGD’en.
Ondertussen blijf ik Soa Aids Nederland ondersteunen om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Soa Aids Nederland richt zich hierbij ook specifiek op groepen met minder toegang tot soa- en PrEP-zorg.
Waarom maakt u PrEP-zorg niet gratis toegankelijk voor risicogroepen?
Het preventieve hiv-medicijn PrEP (Pre-Expositie Profylaxe) levert een onmisbare bijdrage aan het tegengaan van hiv en de ambitie om Nederland naar 0 nieuwe hiv-infecties te brengen. PrEP-zorg bij de GGD’en is gratis voor personen met een verhoogd risico op hiv. Deze zorg bestaat uit de soa-testen die horen bij PrEP, de reguliere behandeling na een positieve soa-uitslag en de begeleiding bij het (correct) gebruiken van PrEP door een zorgprofessional. De PrEP-medicatie moeten mensen zelf betalen. Het dagelijks gebruiken van PrEP kost ongeveer tussen de € 16 en € 30 per maand. Door PrEP-gebruikers deze kosten zelf te laten dragen, kunnen de GGD’en meer mensen helpen met PrEP-zorg. De evaluatie van het RIVM laat zien dat de overgang van de tijdelijke PrEP-pilot naar het structurele PrEP-programma de toegankelijkheid en flexibiliteit van PrEP-zorg aanzienlijk heeft vergroot. Het aantal nieuwe PrEP-deelnemers is toegenomen van 468 in het tweede kwartaal van 2024 naar 968 in het tweede kwartaal van 2025. Het totaal aantal mensen dat PrEP-zorg krijgt, is gestegen van 8.500 in juli 2024 naar 11.762 in juli 2025.
Deelt u de oproep van Soa Aids Nederland om te investeren in betere toegang tot PrEP, zonder wachtlijsten en financiële drempels? Zo nee, waarom niet?
Sinds augustus 2024 wordt PrEP-zorg regulier aangeboden door GGD’en in plaats van in een pilot. Deze overgang van pilot naar regulier programma ging onder andere gepaard met een structurele extra investering van 1 miljoen euro per jaar. Sindsdien is het aantal wachtenden voor PrEP-zorg bij de GGD’en afgenomen. Zoals in mijn brief van 28 november jl. genoemd, krijgen de GGD’en per 2027 middelen vanuit het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA). Dit zal naar verwachting helpen om de wachttijden te verminderen per 2028.
Daarnaast ondersteun ik Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Soa Aids Nederland biedt betrouwbare informatie over seksuele gezondheid, hiv, soa’s, condoomgebruik en PrEP met een breed palet aan interventies en ondersteunende activiteiten zoals online keuzehulpen, websites, infolijnen en deskundigheidsbevordering van professionals. Dit jaar zal Soa Aids Nederland op het platform Sense.info meer en extra aandacht besteden aan het onderwerp PrEP. Soa Aids Nederland lanceert dit jaar ook een campagne voor en door transpersonen om hen te informeren over PrEP en, in geval van risico op hiv, PrEP gebruik te stimuleren. Ook GGD’en informeren personen met een verhoogd risico op hiv over (correct gebruik van) PrEP en over (laagdrempelige) hiv-testen.
Omdat PrEP niet de enige manier is om hiv te voorkomen, start ik dit jaar een campagne om condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.2
Kunt u concreet toelichten wat u gaat doen ter promotie van PrEP, zodat meer mensen weten dat het een veilige manier is om hiv te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verklaart u de afname in de bereidheid om PrEP te gebruiken?
Uit de evaluatie van het RIVM over het gewijzigd PrEP-beleid blijkt géén afname in de bereidheid om PrEP te gebruiken. Wel is een lichte verschuiving van dagelijks naar intermitterend gebruik zichtbaar. Er is geen wetenschappelijk onderzoek beschikbaar over de bereidheid om PrEP te gebruiken. GGD’en, het RIVM, Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging geven aan dat mensen het dagelijks slikken van de PrEP-medicatie, of het steeds rekening moeten houden met eventuele seksuele activiteit (bij zogenaamd event-driven gebruik) soms belastend vinden.
Waarom is er in het PrEP-programma voor gekozen om deelnemers zelf hun medicatie te laten halen bij de apotheek? Werkt dit niet drempelverhogend?
Dit is allereerst nodig om de veiligheid beter te borgen. Apothekers controleren op onjuist gebruik en de werking van PrEP in combinatie met andere medicijnen. Het is dus van belang dat apothekers op de hoogte zijn van het PrEP-gebruik van hun cliënten. Daarnaast is landelijke inkoop van PrEP en distributie via de GGD’en niet conform staatssteunregels, omdat er geen sprake is van marktfalen. Bovendien kunnen en willen apothekers deze zorg ook bieden.
Er zijn mogelijkheden om, indien gewenst, gebruik te maken van een online apotheek. Een online apotheek biedt meer anonimiteit en kan daardoor als laagdrempeliger worden ervaren. Overigens blijkt uit de evaluatie van het RIVM over het gewijzigd PrEP-beleid niet dat het zelf afhalen van de medicatie heeft geleid tot een verminderde toegang tot PrEP.
Bent u van mening dat het huidige beleid afdoende is om iedereen in staat te stellen om keuzes te maken over de eigen seksualiteit, zoals u in uw brief als doel stelt? Zo nee, waarom niet?
In ieder geval is het mijn ambitie, om iedereen in staat te stellen keuzes te maken over de eigen seksualiteit. Daarvoor zet ik mij samen met partners in het veld volop in. Op diverse manieren, zoals omschreven in de beleidsvisie op seksuele gezondheid3, wordt dan ook hard aan dit doel gewerkt. Er gaan gelukkig veel dingen goed. Nederland heeft van oudsher een stevige infrastructuur voor seksuele gezondheid, met laagdrempelige en goede soa- en seksualiteitszorg via huisartsen, GGD’en en tweedelijnszorg. Voor de meeste mensen is er goede toegang tot anticonceptie. Er is goede monitoring van soa’s en hiv en een toegankelijk aanbod aan betrouwbare informatiebronnen en ondersteuningsmogelijkheden over anticonceptie, soa’s en seksualiteit. Nederland is internationaal koploper in relationele en seksuele vorming, waardoor jongeren, passend bij hun leeftijd, kennis en vaardigheden opdoen om bewuste en veilige keuzes te maken.4
Ik zie echter ook de nodige uitdagingen. De GGD’en staan al lange tijd onder druk en kunnen niet iedereen die dit nodig heeft aanvullende soa-zorg bieden. Het aantal nieuwe hiv-diagnoses daalt al een aantal jaar op rij niet meer en zal mogelijk de komende jaren gaan stijgen. Het gebruik van condooms neemt af. En onder bepaalde groepen heteroseksuele jongeren neemt gonorroe toe. Tot slot maak ik me grote zorgen om de negatieve invloed van mis- en desinformatie over bijvoorbeeld relationele en seksuele vorming.
Welke concrete maatregelen neemt u om dit streven te behalen?
In mijn brief van 28 november jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de acties die ik in gang heb gezet, bovenop bestaande activiteiten. Het gaat om de volgende acties:
Kunt u nader toelichten hoe het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) gaat bijdragen aan betere en toegankelijke PrEP-zorg, waar u in uw brief naar refereert?
In mijn brief van 28 november jl. informeerde ik uw Kamer over de extra middelen vanuit het AZWA voor de ASG-regeling en de PrEP-zorg. Dankzij het AZWA komt er vanaf 2027 budget beschikbaar voor de ASG-regeling, waaronder PrEP-zorg. Vanaf 2028 betekent dit ook een verbetering ten opzichte van de beschikbare middelen zoals deze vóór de 10% korting op de ASG-SPUK bestonden. Met deze extra middelen kunnen GGD’en wachttijden verkorten, meer mensen PrEP-zorg bieden en/of meer investeren in outreach en de verbetering van de samenwerking met ketenpartners.
Onderdeel van de afspraken in het AZWA over samenwerking op het snijvlak van het zorgdomein en het sociaal domein is ook de ontwikkeling van een ketenaanpak seksuele gezondheid. Daarin werken professionals vanuit verschillende domeinen samen om mensen met (een risico op) een seksuele gezondheidsachterstand tijdig te signaleren en hen hulp en ondersteuning te bieden.
In mijn antwoord op vraag 9 gaf ik aan dat ik, aanvullend op het huidige beleid, extra actie onderneem om de druk op de soa- en PrEP-zorg te verminderen, waaronder promotie van condoomgebruik en de verbetering van de samenwerking tussen huisartsen en GGD’en.
Wat gaat u er concreet aan doen om de lange wachtlijsten voor PrEP-zorg in te korten?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe wilt u meer zicht krijgen op de drempels die mensen ervaren om zorg omtrent soa’s op te zoeken?
De soa-zorg die door GGD’en wordt geboden vanuit de ASG-regeling is aanvullend op de huisartsenzorg. GGD’en constateren een grotere vraag naar soa-zorg dan zij op basis van de beschikbare financiële middelen kunnen bieden. Er is eerder dit jaar besloten om in de ASG-regeling te verduidelijken dat de soa-zorg bedoeld is voor personen uit specifieke doelgroepen die een verhoogd risico lopen op soa’s en een drempel tot de reguliere zorg hebben.
In de praktijk blijkt het soms lastig voor GGD’en om te bepalen in hoeverre iemand een drempel tot de reguliere zorg ervaart. Bovendien geven GGD’en aan nog niet alle mensen te bereiken waarvoor de ASG-regeling juist bedoeld is. Daarom heb ik het RIVM gevraagd onderzoek te doen naar drempels die mensen tot soa-zorg kunnen ervaren. Wat kenmerkt deze groep? En wat maakt dat zij een drempel tot reguliere (huisartsen)zorg of aanvullende soa-zorg ervaren? Wat is er nodig om deze drempels te verminderen of weg te nemen? Het RIVM werkt in dit onderzoek samen met Soa Aids Nederland en enkele GGD’en.
Wat gaat u concreet doen om het kennisniveau omtrent SOA’s en condoomgebruik bij jongeren die lager en middelbaar zijn opgeleid te verhogen en het stigma en taboe rondom PrEP te verlagen?
Ik ondersteun Soa Aids Nederland en de Hiv Vereniging om mensen die baat kunnen hebben bij PrEP-zorg hierover te informeren. Binnen de activiteiten van Soa Aids Nederland is specifiek aandacht voor jongeren op het praktijkonderwijs of het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Zo zijn alle websites, waaronder sense.info (speciaal gericht op jongeren), doorgelicht en herschreven naar B1-taalniveau om ervoor te zorgen dat de taal voor iedereen begrijpelijk is. De projectweek Lang Leve de Liefde wordt ingezet bij mbo-instellingen. En Soa Aids Nederland is actief op sociale media, waarbij op een visuele en toegankelijke manier allerlei vragen rond seksuele gezondheid aan bod komen.
Ook GGD’en informeren personen met een verhoogde kans op hiv, waaronder jongeren, over (correct gebruik van) PrEP en over (laagdrempelige) hiv-testen. Jongeren kunnen met al hun vragen over seksualiteit en relaties terecht bij Sense: via de website wordt informatie gegeven en jongeren kunnen appen, bellen, chatten of langskomen op het sense-spreekuur.
Zoals aangegeven in mijn brief van 28 november jl. start ik in 2026 met verschillende activiteiten voor jongeren om het gebruik van condooms te promoten.
Tot slot is er in het onderwijs, ook op het speciaal onderwijs en mbo, aandacht voor relationele en seksuele vorming, waaronder het maken van gezonde en veilige keuzes om soa te voorkomen en om de regie op een kinderwens te vergroten.
De verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat kinderen in krimp- en grensregio’s een bovengemiddelde kans hebben om in energiearmoede op te groeien?1
Ja het kabinet is bekend met het onderzoek van TNO over kinderen in energiearmoede. TNO heeft becijferd dat in 2024 naar schatting 510.000 huishoudens (circa 6% van het totaal aantal huishoudens) en 293.000 kinderen in energiearmoede leven. TNO laat daarbij zien dat kinderen die in energiearmoede opgroeien zich in een kwetsbaardere sociaaleconomische situatie bevinden. Zo is het huishoudinkomen vaak aanzienlijk lager. Energiearmoede komt het vaakst voor in de Randstad (frequentie), maar de diepte van energiearmoede is in de grensregio’s gemiddeld groter, doordat het gemiddelde inkomen lager ligt en de gemiddelde woonoppervlakte groter is2. In de overige regio’s zien we gemiddeld een lager percentage huishoudens in energiearmoede.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen in krimp- en grensregio’s een grotere kans hebben om in energiearmoede op te groeien?
Het kabinet vindt het belangrijk dat alle huishoudens in Nederland kunnen meekomen in de energietransitie en een betaalbare energierekening hebben, ongeacht waar iemand woont. Daarnaast zet het kabinet zich ook breed in om (de gevolgen) van kinderarmoede tegen te gaan3. Geen kind zou in armoede moeten opgroeien. Daarom blijft dit kabinet zich er sterk voor maken om kinderarmoede aan ta pakken, waar dan ook in Nederland. Zoals in de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, komt energiearmoede (onder kinderen) het vaakst voor in de Randstad en in grensregio’s. Om huishoudens in energiearmoede te ondersteunen heeft dit kabinet diverse maatregelen verlengd of verder uitgebreid, zoals de inzet van de Specifieke uitkering Energiearmoede aan gemeenten met in totaal € 550 miljoen, het Tijdelijk Noodfonds Energie en het verder uitfaseren van huurwoningen met een EFG-label. Zie hiervoor ook de Kamerbrief uit augustus vorig jaar: Monitor Energiearmoede 20244. De gevolgen die energiearmoede kan hebben op kinderen zijn daarbij belangrijk om mee te wegen in het te nemen beleid.
Hoe bent u van plan te waarborgen dat gezinnen met kinderen in krimp- en grensregio’s toegang houden tot betaalbare energie?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is benoemd, hecht het kabinet eraan dat huishoudens in Nederland een betaalbare energierekening hebben. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen en nog steeds van kracht. Op dit moment werkt het kabinet ook aan de uitwerking van een publiek energiefonds5, waarmee aan huishoudens in energiearmoede tijdelijke financiële steun wordt geboden en huishoudens actief worden doorverwezen naar hulp bij het verduurzamen van de woning.
TNO heeft in opdracht van het Rijk naar aanleiding van een motie van het voormalig Kamerlid Postma6 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van beleidsopties om energiearmoede verder tegen te gaan tijdens de energietransitie. De uitkomsten hiervan zijn recent met de Kamer gedeeld7.
Deelt u het inzicht dat krimpregio’s zoals Zuid-Limburg en Noord-Groningen te maken hebben met een dubbele kwetsbaarheid, namelijk (1) slechtere energetische kwaliteit van de woningvoorraad en (2) demografische achteruitgang?
Uit cijfers van het CBS en een prognose van ABF Research8 blijkt dat elke regio zijn eigen demografische uitdagingen kent. Het kabinet deelt dat het aandeel energiearme huishoudens en de demografische ontwikkeling in de genoemde regio’s onze aandacht verdienen. In de genoemde regio’s is sprake van vergrijzing en het wegtrekken van jongeren, waardoor lokale faciliteiten onder druk komen te staan. Dat vraagt daarmee ook om een regionale aanpak die juist ook rekening houdt met de lokale gevolgen van demografische ontwikkelingen. Het kabinet en de regio’s werken samen om de kwaliteit van leven, wonen en werken van inwoners en ondernemers te verhogen, onder meer via de regiodeals.
Bent u bereid concrete maatregelen te nemen om in aansluiting op het rapport «Elke regio telt!» deze regionale ongelijkheden te verkleinen, zo ja welke en zo nee waarom niet?
Het kabinet onderzoekt, in lijn met motie-Van der Plas, hoe een plattelandstoets kan worden vormgegeven over de breedte van het nationale beleid. Belangrijke input hiervoor volgt uit de Rural Policy Review die in september 2025 van start is gegaan en loopt tot begin 2027. Dit onderzoek, dat wordt uitgevoerd door de OESO, heeft als doel om meer inzicht te krijgen in de (sociaaleconomische) staat van het landelijk gebied en de mogelijke beleidsinzet hierop, waar een plattelandstoets onderdeel van kan zijn.
Het kabinet heeft daarnaast, in aansluiting op het rapport «Elke regio telt» en het daaruit voortgekomen Nationaal Programma Vitale Regio’s, oog voor regionale en lokale ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij de aanpak van energiearmoede. De Monitor Energiearmoede geeft een inschatting van energiearmoede op nationaal en lokaal niveau. De verdeling van de Specifieke uitkering aanpak energiearmoede is gebaseerd op het percentage huishoudens met energiearmoede in de verschillende gemeenten. Verder is de aanpak van energiearmoede onderdeel geweest van regio- en wijkgerichte programma’s. Zo was de bespaarcoach één van de projecten van de Regio Deal Oost-Groningen I om woningeigenaren met een laag inkomen te ondersteunen bij het verduurzamen van hun woning en het besparen van energie. Door de City Deal Energieke Wijken zijn huishoudens in de gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) geholpen bij het verduurzamen van hun woning. Specifiek voor de regio’s Groningen en Noord-Drenthe is voor toekomstbestendige woningen van goede energetische kwaliteit ook maatregel 29 van Nij Begun van belang. Tenslotte dragen het Nationaal isolatieprogramma, de Nationale prestatieafspraken met woningcorporaties, de wijkaanpak met een regierol voor gemeenten en andere subsidies en ondersteuning ook in deze regio’s bij aan de aanpak van energiearmoede. Besluitvorming over verdere maatregelen om regio’s en wijken te versterken en mogelijke verschillen terug te dringen is aan een nieuw kabinet.
Op welke wijze wordt met betrekking tot de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s de regiotoets uitgevoerd, zodat de gevolgen voor regio’s en plattelandsgebieden expliciet worden meegewogen, in lijn met de aangenomen motie van het lid Van der Plas over onderzoeken hoe een plattelandstoets nader uitgewerkt kan worden en een rol kan spelen bij overheidsbeleid en wet- en regelgeving (Kamerstuk 36 410, nr. 121)?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u een actuele uitsplitsing geven van energiearmoede naar regio, inclusief het aantal huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie (het structureel uitzetten of laag houden van verwarming)?
Het aantal energiearme huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie was in 2023 naar schatting circa 124 duizend. Dit is in kaart gebracht in de jaarlijkse Monitor Energiearmoede die met de Tweede Kamer is gedeeld9. TNO schat dat voor 2024 deze groep licht zal dalen in absolute aantallen, naar ongeveer 119 duizend huishoudens. De regionale verdeling van onderconsumptie is niet in kaart gebracht.
Figuur 1 presenteert de energiearmoedekaart van Nederland voor 2024 op gemeenteniveau10. De gemeenten waarbij het aandeel huishoudens met energiearmoede naar schatting boven 10% uit komt in 2024 zijn: Heerlen, Vaals, Enschede, Rotterdam, Almelo, Pekela, Oldambt, Maastricht, Arnhem en Kerkrade.
Figuur 1. percentage energiearme huishoudens per gemeenten in 2024 (voorlopige schatting)
Klopt het dat beleid rondom energiearmoede momenteel versnipperd is over meerdere ministeries (Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en dat hierdoor een overkoepelende visie ontbreekt?
De ministeries van KGG, VRO en SZW werken samen aan de aanpak van energiearmoede. Huishoudens met energiearmoede hebben een laag inkomen, hoge kosten voor gas en elektriciteit en/of een woning van lage energetisch kwaliteit. Dit vraagt om een aanpak op verschillende fronten. De Minister van VRO heeft het voortouw bij beleid dat gericht is op het verbeteren van de energetische kwaliteit van woningen. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor het behoud van koopkracht en gerichte financiële ondersteuning. De Minister van KGG is stelselverantwoordelijk voor het energiesysteem, waaronder de betaalbaarheid van de energierekening.
In 2022 zijn de ministeries van KGG, VRO en SZW onder leiding van TNO het Landelijk Onderzoeksprogramma Energiearmoede gestart. Dit programma is september 2025 afgelopen, maar het vraagstuk blijft actueel. Structurele monitoring en meerjarige kennisontwikkeling blijft nodig om nationale en lokale besluitvorming over energiearmoede te ondersteunen. De ministeries van KGG, VRO en SZW hebben daarom in samenwerking met TNO en RVO het Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO) opgezet. Het NEO ontwikkelt en ontsluit kennis via (1) monitoring, (2) onderzoek en (3) kennisnetwerkbeheer. Het vervult ook een belangrijke signaalfunctie: het brengt zowel effectief beleid als knelpunten in de uitvoering vroegtijdig in beeld, zodat de overheid tijdig en gericht kan worden geïnformeerd en geadviseerd. Het observatorium is sinds 1 januari 2026 van start gegaan.
Bent u bereid een langetermijnstrategie energiearmoede op te stellen met duidelijke doelen, indicatoren en interdepartementale coördinatie?
Zie antwoord vraag 8.
Herkent u de signalen dat de private sector – zoals netbeheerders en energiebedrijven – bereid is een grotere rol te spelen in het opsporen en oplossen van energiearmoede?
Bij de aanpak van energiearmoede hebben publieke en private partijen elk een eigenstandige rol. Veel energiebedrijven helpen met het bestrijden van energiearmoede door informatie te verstrekken over verduurzamen of over energiebesparing. Energiebedrijven hebben vaak een loket opgezet waarbij ze consumenten helpen met verduurzamen via informatieverstrekking of met het aanbieden van woningadvies op maat.
Publieke en private partijen werken samen bij het oplossen van betalingsproblemen. Het doel is om zo vroeg mogelijk te signaleren wanneer huishoudens in de problemen komen en tijdig een passende oplossing te bieden. Deze samenwerking is vastgelegd in de Energieregeling en in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en onderliggende afspraken. De bescherming van de consument is specifiek vastgelegd in de Energieregeling en recent uitgebreid en is vanaf 1 januari jl. van kracht. De vernieuwde regels zijn opgesteld in samenwerking met schuldhulpverleners, de VNG, energieleveranciers en Netbeheer Nederland.11 De regeling is erop gericht om de consument te beschermen en gezamenlijk afsluiting van energie te voorkomen. Concreet vereist de regeling leveranciers en netbeheerders om contact op te nemen met de consument om de betalingsachterstand op te lossen, bijvoorbeeld door een redelijke en passende betalingsregeling te treffen. Verder zijn de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling tussen leveranciers en gemeente uitgebreid, zodat tijdig hulp geboden kan worden bij schuldhulpverlening. Het kabinet monitort continu hoe deze wijzigingen uitpakken.
Bent u bereid deze rol te verankeren, bijvoorbeeld door afspraken over vroegsignalering, datadeling en lokale samenwerking?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid de rol van energiecoöperaties en energiecoaches te versterken in de aanpak van energiearmoede, gelet op hun nabijheid en het grotere vertrouwen dat zij genieten in wijken?
Ja. Gemeenten hebben in drie tranches in 2022 en 2023 in totaal € 550 miljoen ontvangen voor de aanpak van energiearmoede via de SPUK Aanpak Energiearmoede. Veel gemeenten hebben deze middelen ingezet door middel van de inzet van energiehulporganisaties, ook veelal lokaal gewortelde organisaties. De uitvoeringstermijn van deze SPUK is verlengd van 2025 naar 2027 zodat gemeenten meer tijd hebben voor de uitvoering. Op 7 november heeft het Ministerie van SZW nog aanvullend 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de lokale energiearmoedeaanpak12.
Daarnaast heeft het kabinet, naar aanleiding van amendementen Postma/Rooderkerk13, een subsidie van 7,5 miljoen euro verstrekt aan het Actienetwerk Energiehulp. Met dit netwerk, opgericht door Fixbrigade Nederland en Energiebank Nederland, wordt gewerkt aan het bestrijden van energiearmoede en een rechtvaardige energietransitie. Dat doet het netwerk door lokale sociaal-maatschappelijke energiehulp-initiatieven op te zetten of te versterken waar dat nodig is, en door te bouwen aan een landelijk netwerk van lokaal gewortelde energiehulp-initiatieven die een bewezen effectieve energiehulp-aanpak toepassen.
De SPUK Aanpak Energiearmoede is ingezet in reactie op de energiecrisis van 2022. De middelen lopen nu af. De inzet voor het Europese Sociaal Klimaat Fonds en eventuele andere besluitvorming over verdere maatregelen die kunnen bijdragen aan de aanpak van energiearmoede nemen de lessen uit de ervaringen hiervan mee. Ook inzichten uit het recent verschenen onderzoek van TNO over energiearmoede ter opvolging van de motie-Postma bieden handvatten daartoe14.
Hoe gaat u gemeenten ondersteunen in het benutten van bestaande buurtpunten en wijkcentra bij het bereiken van moeilijk bereikbare groepen, waaronder bewoners met diverse culturele achtergronden?
Bij het signaleren en aanpakken van geldzorgen is het belangrijk dat er laagdrempelige hulproutes zijn. Er zijn ruim twintigduizend vrijwilligers die mensen met geldzorgen begeleiden aan de keukentafel. SZW stimuleert dit middels een subsidie aan de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp. Ook zijn er inmiddels 170 inlooppunten waar vrijwilligers mensen met geldzorgen helpen; ook hiervoor heeft SZW subsidie verstrekt. Deze en andere hulproutes worden beter vindbaar gemaakt door publiekscampagnes samen met Geldfit. Ook lopen er trajecten om huisartsen, geboortezorg, scholen, werkgevers etc. te betrekken bij de aanpak van geldzorgen. Meer hierover staat in het Nationaal Programma Armoede & Schulden, die de Kamer in juni 2025 heeft ontvangen15.
Tevens wordt samengewerkt met sleutelpersonen en ervaringsdeskundigen. Het is vaak lastig voor mensen met geldzorgen om hulp te vragen en in contact te komen met maatschappelijke en gemeentelijke organisaties. Andersom geldt dit ook. Daarvoor heb je mensen nodig die een brug kunnen slaan tussen deze organisaties en inwoners met geldzorgen. In een aantal gemeenten zijn ervaringswerkers en sleutelpersonen aan de slag gegaan om verbinding te leggen met inwoners en hen actief in contact te brengen met organisaties die hulp en ondersteuning bieden. Deze aanpak wordt nu uitgerold in andere gemeenten. Divosa, Pharos, Stichting Expertisecentrum Sterk uit Armoede, Vereniging Humanitas, Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, en Sociaal Werk Nederland16 versterken netwerken die het gesprek over geld stimuleren, waarin zorgen erkend worden en hulp snel te vinden is. In dit project wordt daarom onder andere ingezet op het trainen van ervaringswerkers en sleutelpersonen waarbij de geleerde lessen worden meegenomen.
Hoe voorkomt u dat huurders opgescheept blijven met torenhoge energierekeningen als gevolg van slechte woningkwaliteit waar zij zelf niet in kunnen of mogen investeren?
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is met woningcorporaties afgesproken dat woningcorporaties zich inzetten om uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de sector te laten verdwijnen. Zij zijn hierin al goed op weg. Het aantal sociale huurwoningen met een EFG-label is gedaald van 180.700 in 2023 naar 127.500 in 2025. In de NPA is ook afgesproken meer in te zetten op reductie van de gemiddelde warmtevraag van huurwoningen door isolatie. In 2030 wordt verwacht dat ruim 800.000 huurders bij sterk verbeterde isolatie € 350 tot € 550 euro per jaar kunnen besparen. Het aantal corporatiewoningen met een A-label of hoger is 47%.
Met het opnemen van minimum energieprestatie-eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor huurwoningen zorgen we voor toekomstbestendige woningen voor alle huurders. Het uitgangspunt hierbij is dat een juridische regeling moet zorgen dat een goed evenwicht ontstaat tussen de belangen van verhuurders, huurders en het algemeen belang. Alle eigenaren van huurwoningen met een energielabel E, F of G moeten hun pand uiterlijk op 1 januari 2029 verduurzamen naar minimaal energielabel D. Het opnemen van de eis draagt bij aan meer grip op de energierekening en beter wooncomfort van huurders. De verhuurder verbetert de woning, wat zich terugvertaalt in een hogere waarde van de woning en in de huurprijs. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 9 januari 202617 wordt parallel aan de Bbl-wijziging bekeken hoe de huurregels in het Burgerlijk Wetboek (BW) moeten worden aangepast, zodat investeringen in verduurzaming eenvoudiger in de huurprijs kunnen worden verwerkt. Het voornemen is om voor de wijziging van het BW begin 2026 een internetconsultatie te starten. Het uitgangspunt wat het kabinet wil hanteren is dat een verhuurder hierbij een redelijke huurverhoging kan vragen gezien de nodige investering en verbetering. Het voorstel om de eisen op te nemen in het Besluit bouwwerken leefomgeving is in november in internetconsultatie gegaan.
Bij de invoering van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 is in het woningwaarderingsstelsel (WWS) een puntenaftrek voor energielabels E, F en G opgenomen. Daarmee worden verhuurders nu ook al financieel geprikkeld de woningen met de laagste energielabels uit te faseren. Met onder andere een uitbreiding en verbetering van de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) worden private verhuurders ondersteund in het realiseren van de verduurzaming.
Huurders kunnen daarnaast gebruik maken van het wettelijk initiatiefrecht. Dit houdt in dat huurders verduurzaming bij de rechter af kunnen dwingen, als zij hiertoe een redelijk voorstel doen. Een ontwerpwetsvoorstel om het initiatiefrecht uit te breiden, zodat huurders ook initiatief kunnen nemen voor een maatregel als een (hybride) warmtepomp, is in internetconsultatie gebracht.
Wilt u de Kamer uiterlijk eind december dit jaar informeren over wat u gaat doen met de aanbevelingen uit het rapport van TNO?
Energiearmoede onder kinderen is onverminderd een belangrijk onderwerp. Jaarlijks brengt de Monitor Energiearmoede de ontwikkelingen van energiearmoede in kaart. De Kamer heeft daarnaast enkele weken geleden het TNO onderzoek ontvangen waarbij is onderzocht hoe energiearmoede zich zal ontwikkelen gedurende de energietransitie op basis van een factoranalyse18. Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede. Besluitvorming over eventuele generieke of gerichte maatregelen zoals genoemd in het rapport, is aan een volgend kabinet omdat dergelijke maatregelen een meerjarige beleidsaanpak vergen en ook forse budgettaire consequenties kunnen hebben. Zowel het rapport van TNO naar energiearmoede onder kinderen als het eerder genoemde onderzoek naar de effecten van beleidsopties op energiearmoeden bieden hier relevante overwegingen voor.
Het artikel 'Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?' |
|
Maes van Lanschot (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Tieman , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op. Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?» van Follow the Money?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de in het artikel genoemde casus en daarbij ook ingaan op gevolgen voor de jachtbouwers wiens bedrijfsgevoelige gegevens bij de desbetreffende keuringsinstantie bekend waren?
DCI heeft begin dit jaar de Raad van Accreditatie verzocht om de accreditatie voor het keuren van pleziervaartuigen en scheepsuitrustingen in te trekken. Per 1 september 2025 is deze accreditatie ingetrokken en is DCI geen erkende instelling (Notified Body – NoBo) meer. DCI heeft echter ten tijde van het laten intrekken van de accreditatie niet de technische dossiers overgedragen aan een andere NoBo of aan de markttoezichthouder, zoals voorgeschreven in de wet. Dit resulteerde in de situatie dat DCI, zonder te beschikken over de juiste accreditatie, nog in het bezit was van de technische dossiers. Het ministerie heeft geen berichten ontvangen dat deze situatie tot nadelige gevolgen voor jachtbouwers heeft geleid. Het ministerie en de markttoezichthouder (ILT) achtten het onwenselijk dat technische dossiers in het bezit waren van een organisatie waarvan de accreditatie – op eigen verzoek – was ingetrokken. De markttoezichthouder is dan ook een procedure gestart om de overdracht van de technische dossiers mogelijk te maken. Op 8 december jl. heeft de markttoezichthouder alle fysieke en digitale technische dossiers overgedragen gekregen. De dossiers met betrekking tot pleziervaartuigen zijn overgedragen aan een andere Nederlandse NoBo. De dossiers met betrekking tot scheepsuitrustingen zijn momenteel in het bezit van de markttoezichthouder. Deze dossiers staan ter beschikking van de betreffende eigenaren c.q. fabrikanten van deze dossiers. De fabrikanten zullen een nieuwe NoBo moeten vinden die beschikt over de juiste erkenning voor wat betreft scheepsuitrustingen. Binnen de EU zijn voldoende instellingen aanwezig die deze taak over kunnen nemen.
Kunt u aangegeven hoeveel private keuringsinstituten, ook wel notified bodies, geprivatiseerde controleurs of aangemelde instanties, zijn er in Nederland?
Nederland kent op dit moment één NoBo voor de richtlijn pleziervaartuigen. Voor de richtlijn scheepsuitrustingen kent Nederland op dit moment vier NoBo’s, maar geen van deze instellingen beschikt over de accreditatie scope «reddingsmiddelen», waar het in dit geval om gaat.
Kunt u aangegeven hoeveel hiervan in buitenlandse handen zijn, uitgesplitst in Europese Unie (EU), niet-EU en Chinees?
De in antwoord 3 genoemde NoBo’s zijn in Nederlandse handen.
Erkent u dat er risico’s zijn ten aanzien van onder andere kennislekkage bij verkoop van private keuringsinstanties aan buitenlandse actoren?
In antwoord op vragen d.d. 25 november 2020 over het bericht «Keuringsinstantie DCI Joure (NKIP) in Chinese handen» heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Justitie en Veiligheid, aangegeven dat het kabinet in de overname van dit instituut dat toeziet op de kwaliteit van plezierjachten geen risico’s ziet voor de nationale veiligheid. Dit antwoord is nog steeds van toepassing op deze overname.
Welke mate van toetsing of screening vooraf geldt er op dit moment bij de verkoop van private keuringsinstituten aan buitenlandse actoren?
Investeringstoetsing wetgeving is in Nederland ingevoerd om risico's voor de nationale veiligheid te beheersen. Private keuringsinstituten vallen buiten het toepassingsbereik van de nationale investeringstoetsing wetgeving.
Welke inzet pleegt u in Europees verband om de overname van private keuringsinstituten door buitenlandse bedrijven aan banden te leggen?
Het wordt niet opportuun geacht om in Europees verband een verbod te bedingen op buitenlandse overname van NoBo’s. Voor wat betreft scheepsuitrusting is deze casus voorgelegd aan de Europese Commissie, de lidstaten en de branche organisaties. Hierbij is afgesproken dat de komende revisie van de Richtlijn Scheepsuitrusting in 2026 extra aandacht zal besteden aan het handelingsperspectief van lidstaten voor die gevallen waarbij keuringsinstanties regels niet nakomen.
Een leerkracht van de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg die tot tweemaal toe een Free-Palestine shirt uittrekt bij Qasim (8) |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Juf trekt Free Palestine-shirt twee keer uit bij Qasim (8), zeggen ouders en ze stappen naar het College voor de Rechten van de Mens»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de beschrijving dat een leerkracht het t-shirt van een achtjarige leerling tot twee keer toe eigenhandig zou hebben uitgetrokken? Deelt u de mening dat dit een ernstige schending van de lichamelijke integriteit is?
Iedere leerling moet zich veilig voelen op school. Daar draagt de school de verantwoordelijkheid voor. Als een leerling zich door toedoen van een leerkracht onveilig voelt, is het belangrijk dat dit wordt uitgesproken en dat hier met alle betrokkenen het gesprek over wordt gevoerd.
Het voorval dat in het artikel beschreven wordt, heeft vorig jaar plaatsgevonden. Naar aanleiding van het voorval heeft de school contact opgenomen met de inspectie. De school heeft de inspectie laten zien dat zij na het voorval veel contact gehad heeft met alle ouders van de school, zowel over de sociale veiligheid op school als over de invulling van de burgerschapsopdracht op de school.
De casus ligt nu voor bij het College voor de Rechten van de Mens. Ik wacht hun oordeel af en neem dat oordeel uiterst serieus. Ik begrijp dat de school hetzelfde doet.
Zijn er binnen het primair onderwijs duidelijke richtlijnen voor situaties waarin een leerkracht een leerling (deels) aan- of uitkleedt? Zo ja, welke? Zo nee, acht u het wenselijk deze alsnog op te stellen?
Er zijn geen richtlijnen voor situaties waarin een leerkracht een leerling zonder toestemming aan- of uitkleedt. Het uitgangspunt is dat een leerkracht dat niet doet. De school draagt de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat dit duidelijk is onder leerkrachten. Ik zie geen noodzaak om hier vanuit het ministerie specifieke richtlijnen over op te stellen en dat lijkt me in het kader van de regeldruk ook niet gewenst.
Acht u het handelen van de leerkracht op de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg, zoals beschreven, in strijd met de zorgplicht voor een sociaal veilig schoolklimaat? Hoe beoordeelt u de mogelijke impact op het kind?
Het is niet aan mij, maar aan de inspectie om te beoordelen of een school handelt in strijd met de zorgplicht. De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat haar beoordeling is dat het bestuur na het voorval naar behoren heeft gehandeld. De inspectie geeft aan dat zij geen aanleiding ziet tot twijfel aan het zorgsysteem en dus geen aanleiding ziet tot handhavend optreden.
Hoe beoordeelt u de melding dat de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg later ontkende wat de leerkracht eerder zou hebben toegegeven? Vindt u dat scholen transparant moeten zijn richting ouders over dit soort incidenten?
Natuurlijk is het belangrijk dat scholen transparant zijn over incidenten die raken aan de sociale veiligheid van kinderen. Voor een beoordeling van dit voorval specifiek, verwijs ik naar de beoordeling van de inspectie. De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat haar beoordeling is dat het bestuur na het voorval naar behoren heeft gehandeld.
In hoeverre mogen scholen, waaronder de Koning Willem-Alexanderschool in Culemborg, leerlingen verbieden kleding met een politieke boodschap te dragen? Kunt u uiteenzetten welke juridische kaders hierbij gelden?
Scholen mogen schoolregels hanteren vanuit pedagogisch-didactische overwegingen en met het oog op de orde en veiligheid op school. Deze regels kunnen gaan over kleding. Denk aan het verplichten van gymkleding gedurende de gymles, aan het verbieden van petjes in de klas en ook aan het verbieden van kleding waar beledigende of opruiende uitlatingen op geschreven zijn.
Natuurlijk heeft een school daarbij rekening te houden met de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid van leerlingen. Tegelijkertijd heeft de school een verplichting om zorg te dragen voor een schoolcultuur waarin alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten, dat volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie bepaalt of scholen aan deze verplichting voldoet.
De school zegt neutraliteit na te streven, maar zou eerder wél acties voor Oekraïne hebben ondersteund. Acht u dit selectief neutraliteitsbeleid? Is dit verenigbaar met het discriminatieverbod en met burgerschapsonderwijs?
Een school bepaalt zelf aan welke onderwerpen zij wel en geen aandacht besteedt, uiteraard binnen de kaders van de daarvoor geldende voorschriften. De inspectie ziet erop toe dat scholen zich aan de wettelijke kaders houden en treedt zo nodig handhavend op.
De keuze van een school om wel aandacht te besteden aan één actueel onderwerp en niet aan een ander, kan bij leerlingen en ouders wel vragen oproepen. Het kan dan helpen als de school uitlegt waarop die keuze gebaseerd is of als de school toch ruimte maakt voor het bespreken van een actueel onderwerp als blijkt dat daar vanuit veel leerlingen behoefte aan is. Zo leren leerlingen dat verschillende opvattingen er mogen zijn en leren ze om daar op een respectvolle manier mee om te gaan. Dit past goed bij de wettelijke burgerschapsopdracht, die van scholen vraagt dat ze zorg dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen worden gestimuleerd om actief met deze basiswaarden te oefenen. Voor leerkrachten die het moeilijk vinden om zo’n gesprek te begeleiden, biedt het Ministerie van OCW via het Expertisepunt Burgerschap een subsidie aan die leerkrachten de gelegenheid geeft om zich hierin te laten bijscholen.
Is een intern «spreekverbod» over specifieke internationale conflicten volgens u pedagogisch en juridisch wenselijk? Wat zijn de risico’s voor het schoolklimaat?
De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze zorgdragen voor een schoolcultuur waarin alle leerlingen zich veilig en geaccepteerd weten. Bij het opstellen van leefregels dient de school daar rekening mee te houden.
Als een bepaald maatschappelijk onderwerp onder leerlingen op school leeft, is dat wat mij betreft een mooi haakje om hierover met leerlingen in gesprek te gaan. Juist als er heel verschillende opvattingen over zo’n onderwerp bestaan, zo leren leerlingen dat verschillende opvattingen er mogen zijn en leren ze om daar op een respectvolle manier mee om te gaan. Ook dat past goed bij de wettelijke burgerschapsopdracht.
Hoe kijkt u aan tegen de gestelde gevolgen voor de leerling, waaronder het gevoel van onveiligheid en de overstap naar een andere school? Vindt u dat de school hiermee heeft voldaan aan haar zorgplicht?
Iedere leerling die zich op school onveilig voelt, is er een te veel. Het is niet aan mij om te beoordelen of een school voldoet aan haar zorgplicht. De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat haar beoordeling is dat het bestuur na het voorval naar behoren heeft gehandeld. De inspectie geeft aan dat zij geen aanleiding ziet tot twijfel aan het zorgsysteem en dus geen aanleiding ziet tot handhavend optreden.
Ziet u aanleiding voor onderzoek of interventie door de Inspectie van het Onderwijs naar aanleiding van deze gebeurtenis? Zo ja, welke stappen overweegt u? Zo nee, waarom niet?
De inspectie heeft mij laten weten dat zij contact heeft gehad met de school en dat zij geen aanleiding hebben gezien tot handhavend optreden.
Zijn bij u of de Inspectie van het Onderwijs andere incidenten bekend waarbij leerlingen worden beperkt in politieke uitingsvrijheid, of waarin leerkrachten vergelijkbaar fysiek ingrijpen bij leerlingen? Zo ja, kunt u deze benoemen en aangeven of hiernaar onderzoek loopt?
De inspectie houdt geen specifieke registratie bij van dergelijke incidenten.
Bent u bereid scholen duidelijke handreikingen te bieden over het omgaan met politieke symboliek, lichamelijke integriteit en gesprekken over internationale conflicten? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
In relatie tot de omgang met politiek, lichamelijke integriteit en gevoelige maatschappelijke thema’s gelden wettelijke kaders, waaronder de zorgplicht van scholen en de wettelijke burgerschapsopdracht. Binnen die kaders zijn scholen zelf verantwoordelijk voor de invulling van hun onderwijs. Ik zie geen noodzaak om scholen van specifieke richtlijnen te voorzien.