De sluiting van fabriek Fibrant op Chemelot |
|
Natascha Wingelaar (NSC) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Fabriek Fibrant op Chemelot gaat sluiten, honderd werknemers ontslagen: vrees voor domino-effect»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de sluiting van Fibrant, waarbij 100 banen verloren gaan en de productie wordt verplaatst naar China?
Het kabinet deelt de zorgen over de voorgenomen sluiting van een aantal fabrieken van Fibrant op Chemelot. Allereerst, voor de betrokken medewerkers die op dit moment in grote onzekerheid zijn over hun baan. Verder deelt het kabinet de zorgen van de Provincie Limburg en het cluster Chemelot, waar Fibrant één van de grotere bedrijven is. Chemelot is een sterk geïntegreerd cluster, waardoor een herstructurering bij één bedrijf mogelijk ook andere bedrijven op het cluster zal raken. Het is op dit moment echter te voorbarig om te spreken over een definitief besluit.
Op 21 oktober jl. heeft Fibrant in een persbericht het voorgenomen besluit tot herstructurering van de organisatie naar buiten gebracht. Door dit voorgenomen besluit zouden circa 100 medewerkers gedwongen hun baan verliezen. Fibrant heeft het voorgenomen besluit voorgelegd aan de ondernemingsraad (OR) voor advies. Pas na een advies van de OR zal er een definitief besluit worden genomen.
De ontwikkelingen bij Fibrant zijn zorgwekkend en passen in een beeld dat we helaas vaker zien, waarbij bedrijven in de energie-intensieve industrie (EII) in Nederland moeilijk kunnen concurreren. De financiële uitdagende situatie bij Fibrant komt volgens het bedrijf onder meer door aanhoudende druk op de productiekosten in combinatie met overcapaciteit op de (Europese) markt. Deze overcapaciteit is mede het gevolg van toenemende productiecapaciteit in landen zoals China, al is in dit specifieke geval geen sprake van verplaatsing van productie. Het kabinet herkent deze signalen over de concurrentiepositie van de industrie en deelt deze zorgen.
Hoe verhoudt deze sluiting zich tot de doelstellingen van het kabinet om de maakindustrie en werkgelegenheid in Nederland te behouden en om de regio Zuid-Limburg economisch te versterken?
Het voorgenomen besluit voor sluiting van de caprolactam-fabrieken van Fibrant op Chemelot laat zien dat het vestigingsklimaat in Nederland onder druk staat. Het kabinet heeft in haar recente brief met het Toekomstperspectief voor de EII benadrukt dat bedrijven gestimuleerd moeten worden om in Nederland te blijven produceren, maar wel anders dan nu: schoner, concurrerender en minder afhankelijk van fossiele energie en kwetsbare importketens.2 Het behouden van de EII is cruciaal voor het Nederlandse verdienvermogen en het streven naar strategische autonomie. Fibrant heeft de afgelopen jaren al grote investeringen gedaan om deze stap richting een schonere productie te realiseren en behoort tot de meest efficiënte en duurzame sites voor de productie van caprolactam in Europa. De sterke verwevenheid van Fibrant met het cluster Chemelot, waarbij bedrijven grondstoffen aan elkaar leveren of restwarmte met elkaar delen, maakt dat de gevolgen van een eventuele sluiting ook breder gevoeld zullen worden. De werkgelegenheid en economische activiteiten op het cluster zijn van groot belang voor de regionale economie.
Het belang van een sterke en groene basischemie voor het toekomstig verdienvermogen van Nederland wordt ook onderschreven door het Perspectief voor de chemiesector3 en innovatieve chemie is door het kabinet recent aangemerkt als strategische markt die van groot belang is voor onze economie, maatschappelijke uitdagingen en economische weerbaarheid.4 De eventuele sluiting van een aantal fabrieken van het bedrijf op Chemelot zou niet bijdragen aan deze beleidsdoelstellingen en het verlies van deze kennis en productiecapaciteit in Nederland zou betreurenswaardig zijn voor de regionale, nationale en Europese economie en autonomie.
Bent u ermee bekend dat Fibrant eerder dit jaar nog subsidie ontving in het kader van de regeling «Klimaat en Groene Groei» om de ammoniakuitstoot te reduceren, samen met OCI en Rockwool? Hoeveel subsidie is daadwerkelijk toegezegd en uitgekeerd aan Fibrant? Wat gebeurt er met die middelen nu de fabriek sluit?
Ja, dit is bekend. In maart 2025 heeft Fibrant vanuit de Rijksoverheid een subsidie van € 30 miljoen toegekend gekregen om haar ammoniakuitstoot significant te reduceren. Deze subsidie is verstrekt vanuit de Aanpak Piekbelasting Industrie (API) om bij te dragen aan een duurzamere en schonere basisindustrie.5 Zoals eerder is aangegeven ligt er op dit moment nog een aantal toekomstscenario's op tafel. Het is daarom nog te voorbarig om uitspraken te doen over de mogelijk impact voor dit reductieproject.
Na een beschikking wordt het subsidiebedrag, zoals gebruikelijk bij dergelijke subsidies, in tranches bevoorschot, in lijn met de voortgang van het betreffende project. Onderdeel van deze subsidiebeschikking is een prestatieafspraak. Indien het project niet wordt gerealiseerd, moet het eerder voorgeschoten bedrag door het bedrijf worden terugbetaald. Tot nog toe is circa € 5 mln. als voorschot aan Fibrant uitgekeerd. Zodra meer duidelijk is over de toekomst van Fibrant, kan ook inzicht worden gegeven in wat de mogelijke impact is op de voortgang van dit specifieke project.
Hoe beoordeelt u het dat overheidsgeld is ingezet om verduurzaming te ondersteunen, terwijl de buitenlandse eigenaar vervolgens besluit de productie volledig naar China te verplaatsen?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is aangegeven, betreft het voorgenomen besluit van Fibrant een mogelijke sluiting van de caprolactam-installaties op Chemelot en niet een verplaatsing (naar China of elders). Een eventuele sluiting van deze activiteiten ziet het kabinet, zoals hiervoor aangegeven, als zorgwekkend.
Het kabinet zet zich in voor het behoud van de EII in Nederland, door te zorgen voor de noodzakelijke randvoorwaarden voor investeringen in verduurzaming. Zoals het kabinet eerder heeft aangegeven moeten bedrijven in Nederland kunnen verduurzamen, een toekomst kunnen hebben en concurrerend kunnen zijn.6 Naast het verbeteren en realiseren van de randvoorwaarden, is een brede waaier aan instrumenten beschikbaar om bedrijven te ondersteunen bij het realiseren van hun verduurzamingsambities in Nederland.
Met de reeds genomen en aangekondigde maatregelen blijven er uitdagingen voor (de verduurzaming van) bedrijven in de industrie. Bij de (formatie van) een nieuwe kabinet zal ook gekeken moeten worden naar welke (nieuwe) maatregelen eventueel nodig zijn om bedrijven en banen in de industrie te behouden.
Welke gevolgen heeft deze sluiting voor andere bedrijven op Chemelot, waaronder OCI en SABIC, en voor de honderden toeleveranciers en onderhoudsbedrijven die afhankelijk zijn van deze keten?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt er momenteel interdepartementaal overleg gevoerd met de Ministeries van Economische Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en met de provincie Limburg om de gevolgen voor werkgelegenheid en regionale economie op te vangen? Zo ja, welke concrete stappen worden gezet? Zo nee, bent u bereid dit alsnog op te starten?
Het kabinet heeft, samen met Provincie Limburg, zeer intensief contact met de bedrijven over de ontwikkelingen op Chemelot. Zoals gezegd liggen er op dit moment nog meerdere scenario's op tafel, waarbij het doel is om zoveel mogelijk werkgelegenheid en economische activiteit te behouden. Het kabinet deelt de zorgen over de voorgenomen sluiting van een aantal van fabrieken van Fibrant op Chemelot.
Vooralsnog zal het kabinet inzetten op het voorkomen van ontslagen en het behoud van werkgelegenheid in het cluster. Indien er onverhoopt toch wordt overgegaan tot sluiting en daarmee gedwongen ontslagen voor werknemers, dan zal het kabinet, aansluitend op de afspraken tussen de werkgever en werknemers en de inzet op «van werk naar werk» en in nauwe samenwerking met de Ministeries van Economische Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, provincie Limburg, gemeenten, UWV en andere betrokken partijen, zich richten op goede begeleiding van getroffen medewerkers naar nieuw werk.
In dat geval kan, aansluitend op de afspraken tussen werkgever en werknemers, het vinden van nieuw werk worden ondersteund door de werkgeversdienst-verlening van UWV en gemeenten. Vanuit de regionale samenwerkingsverbanden in Zuid-Limburg is goed zicht op de arbeidsmarkt en op de beschikbare personeelsvraag bij andere bedrijven. Deze partners kunnen gezamenlijk maatwerk bieden, gericht op het voorkomen van langdurige werkloosheid en het benutten van kansen in en voor de regio.
Erkent u de uitspraak van de vakbonden dat dit een «zware klap» is voor de regio, en welke maatregelen overweegt u om de gevolgen voor de getroffen werknemers en de regio te beperken?
Zie antwoord op vraag 7.
Deelt u de zorg dat hoge energieprijzen, onzeker energiebeleid en complexe regelgeving bijdragen aan een verslechterd investeringsklimaat voor de Nederlandse industrie? Zo ja, wat gaat u daaraan doen om een gelijk speelveld met het buitenland te creëren?
Het kabinet herkent de signalen en deelt de zorgen over de verslechterde concurrentiepositie van de industrie in Nederland. De beschreven ontwikkelingen zijn herkenbaar: bij veel bedrijfstakken in de Nederlandse industrie staat de productie onder druk door een combinatie van factoren zoals de hoge energie-prijzen, complexe regelgeving en de sterk gestegen loonkosten. Een gunstig ondernemingsklimaat, met optimale randvoorwaarden en een gelijk speelveld, zijn van cruciaal belang voor het welslagen en de ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid in Nederland.
Deze factoren zijn immers bepalend voor de concurrentiepositie en marktkansen van bedrijven. Het is essentieel dat ondernemers kunnen opereren onder gelijkwaardige voorwaarden en niet worden verdrongen door buitenlandse concurrenten die onder gunstiger omstandigheden en regelgeving kunnen opereren. Dat is niet alleen van belang voor de bedrijven, maar ook voor ons verdienvermogen.
Voor de verbetering van het gelijke speelveld voor bedrijven in de EII heeft het kabinet met Prinsjesdag een aantal nieuwe maatregelen aangekondigd, een uitwerking van het Pakket voor Groene Groei gericht op een gelijker speelveld.7 Het kabinet heeft onder andere aangekondigd de subsidieregeling indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) te verlengen tot en met 2028, om de elektriciteitskosten concurrerender te maken. Verder heeft het kabinet een werkgroep ingesteld met als opdracht om tot een alternatief te komen voor de nationale CO2-heffing, waarmee invulling wordt gegeven aan de brede wens van de Kamer om verbetering van de concurrentiepositie van de industrie in Nederland te realiseren. Het kabinet erkent dat de hoge nettarieven in Nederland een uitdaging zijn voor de industrie en onderzoekt mogelijkheden om de hoge elektriciteitskosten voor de EII te verlagen.
Het kabinet zet zich ook in voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden, zoals vermindering van de regeldruk, beschikbaarheid van talent, netcongestie en betere werking van de EU interne markt. Bij investeringsbeslissingen is ook stabiliteit van beleid op de lange termijn voor bedrijven belangrijk. Naast inzet op randvoorwaarden is strategisch beleid nodig gericht op het stimuleren van investeringen in sectoren en gebieden relevant voor verdienvermogen, maatschappelijke opgaven en weerbaarheid. In dit licht is de Kamer recent geïnformeerd over de productiviteits-agenda8, het aanpakken van regeldruk9 en het nieuwe industriebeleid.10
Bent u bereid om samen met betrokken bedrijven, provincie en kennisinstellingen te werken aan een toekomstplan voor de Chemelot-site, gericht op behoud van hoogwaardige werkgelegenheid, innovatie en circulaire productie?
Het voorgenomen besluit van Fibrant om haar caprolactam-activiteiten te stoppen is nog niet definitief. Het kabinet is nauw betrokken bij de huidige ontwikkelingen rondom Fibrant, waarbij wordt gezocht naar passende en toekomstgerichte oplossingen, gericht op het beperken van de impact op de regio. Het kabinet heeft recent samen met de Provincie Limburg gevraagd aan Mark Verheijen, clusterregisseur Chemelot, en Koos van Haasteren, Executive Director Chemelot om samen met betrokken private partijen een gedragen plan uit te werken, waarbij zoveel mogelijk werkgelegenheid en economische activiteiten kunnen worden behouden voor een toekomstbestendig en duurzaam cluster. Het kabinet zal daarbij ook bezien hoe deze plannen, waar passend en mogelijk, eventueel kunnen worden ondersteund.
Er lopen momenteel ook verschillende (maatwerk)gesprekken met het cluster en de Provincie Limburg die passen binnen het bredere actieplan «Limburgs Bod voor een Duurzaam Chemelot». Het einddoel is een circulaire, CO2-neutrale én toekomstbestendige site rond 2040. Een goed voorbeeld van de maatwerkaanpak is de Joint Letter of Intent die op 8 juli jl. met AnQore en de Provincie Limburg is getekend. De nationaal groeifondsprogramma’s Circulair Plastics NL en BioBased Circular zijn voorbeelden van reeds bestaande publieke financiering in samenwerking met kennisinstellingen Brightlands Chemelot Campus, Universiteit Maastricht en TNO. Beide programma's zijn samen goed voor € 558 miljoen aan publieke financiering, naast regulier nationaal instrumentarium.
Welke lessen trekt u uit eerdere bedrijfssluitingen zoals Apollo Vredestein en Batavus? Waarom is het niet gelukt om soortgelijke besluiten te voorkomen, ondanks eerdere waarschuwingen?
Vooropgesteld moet worden geconstateerd dat deze casussen allemaal uniek zijn. Het voorgenomen besluit van Fibrant betreft een andere casus dan eerdere bedrijfssluitingen van de bedrijven Apollo Vredestein en Batavus. Met het bedrijf Apollo Vredestein is, zoals ook is toegelicht in de beantwoording van Kamervragen van de leden Saris en Postma, intensief contact geweest tussen de overheid en het bestuur van Vredestein.11 Het kabinet heeft geprobeerd het bedrijf te overtuigen van de voordelen van productie in Nederland, met name door te focussen op hoogwaardige, innovatieve productie. Daarbij is door het kabinet ondersteuning aangeboden om de business case hier aantrekkelijker te maken.
De eigenaren van Apollo Vredestein hebben echter steeds benadrukt dat het bedrijf zich, vanwege de ervaren concurrentiedruk, genoodzaakt ziet vooral op kosten te sturen. Deze aanpak sluit niet aan bij het Nederlandse industriebeleid, dat juist gericht is op een hoogwaardige, kennisintensieve maakindustrie. Uiteindelijk bleek het verschil in visie te groot om tot een gezamenlijke oplossing te komen.
In algemene zin bevestigt het voorgenomen besluit om de fabrieken van Fibrant te sluiten de noodzaak van het realiseren van een gelijk speelveld voor duurzame en concurrerende bedrijven. Het kabinet blijf zich inzetten voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden, zoals energiekosten en nettarieven, de vermindering regeldruk, de beschikbaarheid van talent, netcongestie en (Europese) marktcreatie voor duurzame producten.
Naast inzet op randvoorwaarden is strategisch beleid nodig gericht op het stimuleren van investeringen in sectoren en gebieden relevant voor verdienvermogen, maatschappelijke opgaven en weerbaarheid. In dit licht heeft het kabinet de Kamer de afgelopen periode geïnformeerd over haar productiviteitsagenda, het aanpakken van regeldruk, het toekomstperspectief voor de EII en chemie en het nieuwe industriebeleid.
Klopt het dat Fibrant de afgelopen jaren publieke steun heeft ontvangen van het Rijk of via Europese of provinciale regelingen voor verduurzaming of innovatie van productieprocessen? Hoe wordt binnen dergelijke regelingen geborgd dat bedrijven die publieke middelen ontvangen hun productie niet kort daarna beëindigen of verplaatsen? Wordt in dit geval onderzocht of terugvordering van (een deel van) de steun aan de orde is?
De afgelopen jaren heeft Fibrant vanuit de Rijksoverheid via nationale subsidies, deels uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), een aantal subsidies ontvangen of toegekend gekregen voor het verduurzamen van haar fabrieken op Chemelot. Dit betreft de eerder genoemde toekenning van een subsidie van € 30 miljoen in 2025 voor de reductie van ammoniakuitstoot, als onderdeel van de API. Daarnaast heeft het bedrijf een DEI+-subsidie toegekend gekregen van € 3,5 miljoen en heeft het bedrijf deelgenomen aan een PPS-toeslagproject, maar hiervoor ontvangt het bedrijf geen PPS-toeslag of subsidie. Er is ook een subsidie in de vorm van een renteloze lening van € 27 miljoen voor de reductie van Fibrant’s lachgasemissie gegeven door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Deze lening uit 2019 was onderdeel van het pakket Urgenda-maatregelen.
Bij het beoordelen van een subsidieaanvraag en tijdens de looptijd van een project wordt getoetst of een subsidieontvanger voldoet aan de verplichtingen of voorwaarden die zijn opgenomen in de regeling of subsidievoorwaarden. Subsidie-ontvangers hebben een meldingsplicht om substantiële afwijkingen hiervan proactief door te geven aan RVO of het Ministerie. Bij dergelijke wijzigingen in een project wordt er altijd getoetst of de wijziging in overeenstemming met de subsidieregeling is. Als dit niet het geval is, kan dat effect hebben op het vast te stellen subsidiebedrag.
Indien tijdens de looptijd van een project bedrijfsbeëindiging of bedrijfs-verplaatsing plaatsvindt, betekent dat dat het bedrijf (de subsidieontvanger) niet of niet langer aan de voorwaarden of verplichtingen uit de subsidieregeling voldoet. De subsidieaanvraag kan dan worden geweigerd, de subsidieverlening kan worden ingetrokken of de subsidie kan lager worden vastgesteld. Eventueel reeds bevoorschotte of ingezette subsidies kunnen dan worden teruggevorderd. Omdat er op dit moment alleen nog een voorgenomen besluit is kenbaar gemaakt over de eventuele sluiting van een aantal fabrieken van Fibrant, is het nog te vroeg om vooruit te lopen op terugvordering van de subsidies.
Houdt u systematisch bij hoeveel industriële bedrijven de afgelopen jaren hun productie geheel of gedeeltelijk hebben beëindigd in Nederland en wat de belangrijkste oorzaken daarvan zijn? Zo nee, bent u bereid dit structureel te monitoren en daarover periodiek aan de Kamer te rapporteren?
De Rijksoverheid heeft een redelijk goed beeld van dergelijke besluiten voor zover die publiekelijk kenbaar zijn, maar houdt die op dit moment niet systematisch bij. Dit gebeurt niet, omdat een dergelijke monitor een vertekend en eenzijdig beeld zou kunnen geven van de dynamiek binnen de industrie, waar altijd sprake is van volatiliteit in de productie. Dat neemt niet weg dat de trend goed inzichtelijk is voor de overheid. De Rijksoverheid staat via verschillende (overleg)structuren, bijvoorbeeld via het NPVI en de clusterorganisaties, in nauw contact met vertegenwoordigers uit het de industrie en het bredere bedrijfsleven in Nederland. Daarnaast worden de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten gehouden, met behulp van de Top 60-rapportage voor de inventarisatie van knelpunten bij CO2-reductieplannen in de EII, de Regeldrukmonitor en de bredere monitor Ondernemingsklimaat.
Als bedrijven op grote schaal besluiten om hun productie te verminderen of te beëindigen in Nederland vanwege randvoorwaarden die niet op orde zijn of vanwege een ongelijk speelveld is dat zorgelijk. Wel wijst het kabinet er op dat in een gezonde economie sprake is van voortdurende vernieuwing en herstructurering: sommige bedrijven verdwijnen of verplaatsen hun activiteiten, terwijl andere juist ontstaan of uitbreiden. Dat is inherent aan een goed functionerende economie. Dat neemt niet weg dat een inperking van bedrijfsactiviteiten – zeker op de korte termijn – ingrijpend en zeer vervelend kan zijn voor de betrokken medewerkers.
Kunt u deze vragen, gezien de ernst van de situatie, binnen een week beantwoorden?
Het kabinet heeft deze vragen zo snel mogelijk beantwoord. Helaas is dat niet gelukt binnen een week.
Het bericht 'Vacatures voor renovatie Binnenhof duiden op schijnzelfstandigheid' |
|
Bart van Kent (SP), Jimmy Dijk |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten van de Aannemersfederatie, FNV & CNV dat er sprake is van schijnzelfstandigheid bij de renovatie van het Binnenhof?1
Deze berichten zijn ons bekend, maar het Rijksvastgoedbedrijf herkent zich niet in de berichtgeving. Van ondernemingen die contracten afsluiten met de Rijksoverheid en dus ook met het Rijksvastgoedbedrijf wordt verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Dit is ook in de contracten geborgd. Dat betekent overigens niet dat er geen ruimte is voor zelfstandigen binnen de Rijksoverheid. Daar waar het mogelijk is om voor eigen rekening en risico te werken, en waar geen sprake is van gezag, kunnen zelfstandigen worden ingezet.
Bij het Rijksvastgoedbedrijf, noch bij de voor het Binnenhof door het Rijksvastgoedbedrijf gecontracteerde aannemers, zijn meldingen ontvangen van de bonden. Daarnaast hechten het Rijksvastgoedbedrijf en de aannemers eraan dat de vakbonden wanneer de wens daartoe bestaat, een bezoek kunnen brengen aan de bouwplaats. Er is geen verzoek ontvangen van FNV en CNV om een bezoek te brengen aan de bouwplaats. Op de bouwplaats van het Binnenhof gelden veiligheidsmaatregelen, waardoor deze niet vrij toegankelijk is. Dit geldt voor meer bouwplaatsen in Nederland. Vanwege de veiligheidsbeperkingen is het maken van een afspraak voorafgaand aan het verkrijgen van toegang tot de bouwplaats noodzakelijk. Van een van de aannemers hebben wij vernomen dat op 27 oktober jl. contact is opgenomen. Dit heeft nog niet geleid tot een afspraak om de bouwplaats te bezoeken.
In algemene zin is het kabinet van mening dat de Rijksoverheid zelf het goede voorbeeld moet geven bij de uitvoering van beleid en zich aan geldende wet- en regelgeving moet houden. In dat kader wordt het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen binnen het Rijk zo snel mogelijk naar nul afgebouwd, voor 1 januari 2026. Hiervoor is eerder ook een circulaire ontwikkeld, waarmee ieder departement is opgeroepen om in hun inhuurbestand bij te houden wat de ondernemingsvorm van een inhuurkracht is. Over de voortgang van het afbouwen van het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen bij de Rijksoverheid wordt u op korte termijn geïnformeerd door de Minister van BZK.
Hoe is het mogelijk dat schijnzelfstandigheid zich voordoet op een bouwplaats van het Rijksvastgoedbedrijf terwijl het Rijk tegelijkertijd zich inzet om schijnzelfstandigheid te beperken?
Zie het antwoord op vraag 1. Bij het Rijksvastgoedbedrijf zijn geen gevallen van schijnzelfstandigheid bekend. Van de gecontracteerde aannemers wordt ook verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Bij een overtreding zullen passende maatregelen worden genomen door het Rijksvastgoedbedrijf.
Kunt u inzage geven in hoe de aanbesteding is verlopen met de verschillende bedrijven waarbij mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid?
Over de renovatie van het Binnenhof wordt uw Kamer geïnformeerd met halfjaarlijkse voortgangsrapportages. In deze rapportages wordt ook ingegaan op de contractering. In de Kamerbrief van 23 november 2016 (Kamerstuk 34 293, nr. 31) is toegelicht dat het project renovatie Binnenhof geheim is verklaard in de zin van de Aanbestedingswet 2012. Dit mede gebaseerd op het advies van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid. Het geheim verklaren heeft als doel om informatie bij een zo klein mogelijke groep van marktpartijen te houden. Dit heeft onder meer tot gevolg dat werkzaamheden voor de renovatie door het Rijksvastgoedbedrijf aan een of meer partijen worden opgedragen zonder dat een aanbestedingsprocedure wordt gevolgd.
Bij hoeveel werknemers is er sprake van schijnzelfstandigheid op het Binnenhof, mocht u geen concrete getallen hebben, dan graag een schatting?
Er zijn bij het Rijksvastgoedbedrijf geen gevallen van schijnzelfstandigheid bekend.
Hoelang is er al sprake van schijnzelfstandigheid? Is dit al vanaf het begin van de renovatie in 2021 of is dit op een later moment pas geïnitieerd?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke maatregelen gaat u nemen om de schijnzelfstandigheid op het Binnenhof tegen te gaan zoals is afgesproken binnen de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA)? Hoe gaat specifiek de handhaving worden verbeterd?
Van ondernemingen die contracten afsluiten met de Rijksoverheid en dus ook met het Rijksvastgoedbedrijf wordt verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Dit is ook in de contracten van het Rijksvastgoedbedrijf geborgd middels een aantal uniforme bepalingen. Gedurende de uitvoering wordt door het Rijksvastgoedbedrijf risicogestuurd getoetst op de werkwijze en het naleven van de processen door de opdrachtnemer. Daarnaast is dit onderwerp van gesprek in de voortgangsoverleggen van het Rijksvastgoedbedrijf met de opdrachtnemer en wordt de opdrachtnemer – indien noodzakelijk – gewezen op het strikt naleven van de wettelijke en contractuele bepalingen. Bij een overtreding zullen passende maatregelen worden genomen door het Rijksvastgoedbedrijf.
In het kader van de verbetering van de handhaving is op 1 januari 2025 het handhavingsmoratorium voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen opgeheven. Dit betekent dat de Belastingdienst weer volledig kan handhaven en weer met terugwerkende kracht naheffingen loonheffingen kan opleggen tot 1 januari 2025. Met betrekking tot de periode vóór 1 januari 2025 geldt dat Belastingdienst – met inachtneming van de vijfjaarstermijn – alleen naheffingen kan opleggen als sprake is van kwaadwillendheid of als een eerder gegeven aanwijzing niet in voldoende mate is opgevolgd. Zoals eerder aangegeven in de Kamerbrief van 24 juni 2022 inzake de Kabinetsreactie rapporten ARK en ADR en daaropvolgende voortgangsbrieven werken met en als zelfstandige(n) is enkel het verbeteren van de handhaving echter niet de oplossing van het probleem rondom schijnzelfstandigheid. Daarom heeft het kabinet gekozen voor een aanpak langs drie lijnen waarin naast het verbeteren van de handhaving, een gelijker speelveld tussen contractvormen (lijn 1) en meer duidelijkheid over de vraag wanneer gewerkt wordt als werknemer dan wel als zelfstandige (lijn 2) urgent zijn om stappen op te zetten.
Daarnaast heeft het kabinet de Kamer onlangs geïnformeerd dat de afgesproken verbetering op de handhaving van schijnzelfstandigheid wordt voortgezet en de zachte landing niet wordt verlengd2.
Bent u bekend met het signaal van zowel werkgevers- als werknemersorganisaties dat intermediairs op grote schaal schijnzelfstandigen bemiddelen in de bouw ondanks de aangekondigde en lopende wetgeving? Zo ja, wat gaat u hier op korte termijn aan doen? Zo nee, bent u bereid tot een rondetafelgesprek met deze organisaties?
Het kabinet voert regelmatig gesprekken met werkgevers-, werknemers en zelfstandigenorganisaties over de aanpak van schijnzelfstandigheid in den brede, maar ook als het gaat om specifieke sectoren zoals de bouw. Het doel hiervan is om tijdig signalen op te halen en met elkaar te delen. Tevens zijn er in aanloop naar de opheffing van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 – maar ook in het afgelopen jaar – veel gesprekken gevoerd met brancheorganisaties om meer duidelijkheid te geven over het aangaan van de juiste arbeidsrelatie, en te werken conform wet- en regelgeving. Dat geldt ook voor de bouwsector. Deze gesprekken blijven wij waar nodig ook de komende periode voeren, ook als het gaat om de bouw.
Bent u zich bewust van waar soortgelijke situaties zich nog meer afspelen waar het Rijk onderdeel van uitmaakt? Zo ja, welke plekken zijn dat? Zo nee, bent u van plan hier onderzoek naar te doen?
In algemene zin wordt er door het kabinet naar gestreefd het aantal schijnzelfstandigen binnen het Rijk zo snel mogelijk af te bouwen. Dat wil helaas (nog) niet zeggen dat er op dit moment helemaal geen sprake meer is van situaties waarbij mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. Daarom zijn acties er op gericht het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen zo snel mogelijk naar nul af te bouwen, voor 1 januari 2026.
Over de voortgang van het afbouwen van het aantal (potentieel) schijnzelfstandigen bij de Rijksoverheid wordt u, conform de motie Boon, op korte termijn geïnformeerd door de Minister van BZK.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de werknemers waarover het gaat zo snel mogelijk een vast contract krijgen aangeboden?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, zijn er geen gevallen van schijnzelfstandigheid bekend bij het Rijksvastgoedbedrijf. In het algemeen benadruk ik dat de renovatie van het Binnenhof een grote en complexe bouwopgave is. Hiervoor is een grote noodzaak om (specialistisch) personeel te werven en te behouden. Via aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden wordt juist ingezet op de werving van personeel.
Is hier mogelijk sprake van een fiscaal delict doordat er sprake is van een belastingschuld van de werkgever? Zo ja, is de FIOD hiervan op de hoogte en wordt er een onderzoek gestart? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst kan deze vraag op grond van zijn geheimhoudingsplicht niet beantwoorden. In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat ook bij handhaving op het gebied van arbeidsrelaties het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD 2023) gevolgd wordt. Het Protocol beschrijft hoe de Belastingdienst de aanmeldingen van delicten die voor mogelijke strafrechtelijke afdoening in aanmerking komen, selecteert op het terrein van belastingen, douane en toeslagen. Als er sprake is van een fiscaal nadeel van meer dan € 100.000 en een vermoeden van opzet, wordt de zaak aangemeld.
Hoe verantwoordt u dat er bij aanbestedingen geen eisen worden gesteld ten aanzien van onderaannemers, zodat preventief al gehandhaafd kan worden op schijnzelfstandigheid?
Van ondernemingen die contracten afsluiten met de Rijksoverheid en dus ook met het Rijksvastgoedbedrijf wordt verwacht dat zij werken volgens wettelijke kaders en regelgeving. Dit is ook in de contracten geborgd.
De Arbeidsinspectie geeft aan dat de kans op een ongeval hoger is voor werknemers in de flexibele schil, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt beperkt? Hoe wordt daarbij ook de toezicht verbeterd zodat ook de kleinere ongevallen, waar geen medische hulp bij nodig is, inzichtelijk worden gemaakt?2
Structureel werk zou moeten worden uitgevoerd op basis van een vast contract of een tijdelijk contract met uitzicht op vast. De realiteit is helaas dat veel structureel werk ook nog steeds wordt uitgevoerd door mensen in de flexibele schil. De werkgever hoort er primair voor te zorgen dat iedere werkende het werk gezond en veilig moet kunnen uitvoeren. Dat betekent op de werkvloer voor de werkgever mogelijk extra aandacht voor ervaring, opleiding, competenties, werkinstructies en toezicht om aan de zorgplicht te voldoen. Mede vanuit de Arbovisie 2040 wordt ingezet op nog meer bewustwording en kennis hierover richting werkgevers.
Indien er sprake is van een ernstig arbeidsongeval, is de werkgever verplicht dit te melden aan de Arbeidsinspectie. Naast deze gemelde arbeidsongevallen, dient de werkgever ook op basis van artikel 9 lid 2 van de Arbowet een lijst bij te houden van arbeidsongevallen die hebben geleid tot verzuim van meer dan drie werkdagen. Bij dit soort arbeidsongevallen hoeft geen medische hulp nodig te zijn geweest. De werkgever dient de aard en datum te registreren en de gegevens toegankelijk te maken voor deskundigen als arbodeskundigen en arbodiensten.
Deelt u de mening dat een Bouwplaats-ID een goede oplossing is om meer toezicht te krijgen in de werkzaamheden op de bouwplaats, zeker ook preventief met betrekking tot schijnzelfstandigheid. Zo ja, wanneer bent u bereid dit in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Op 30 oktober jl. is uw Kamer per brief geïnformeerd dat onvoldoende rechtvaardiging bestaat om ondernemingen en werkenden via een wettelijke verplichting te onderwerpen aan een allesomvattend Bouwplaats-ID systeem. Het belang van eerlijk, gezond en veilig werk op de bouwplaats kan evenwel worden onderschreven. De brief vermeldt mogelijke alternatieven die zonder wettelijke verplichting kunnen worden gerealiseerd.
Het artikel ‘Arbeidsinspectie luidt noodklok over misstanden bij asbestsaneringen’ |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van dit artikel?1
Ja.
Bent u bekend met de recente signalen van de Arbeidsinspectie waaruit blijkt dat een derde van de asbestinspectiebedrijven hun werk niet goed uitvoert?
Ja.
Klopt het dat er woningen «asbestvrij» verklaard worden terwijl er nog gevaarlijke resten aanwezig zijn en zo ja, hoe beoordeelt u de ernst van deze situatie?
Volgens het signaal van de Arbeidsinspectie komt het inderdaad voor dat na het verwijderen van asbest een locatie ten onrechte wordt vrijgegeven en er nog resten asbest aanwezig zijn. De Arbeidsinspectie schat in dat meer dan een derde van de inspectie-instellingen de eindbeoordelingen niet goed uitvoert. Hoewel exacte aantallen dus niet bekend zijn, is het signaal zorgelijk. Het is uiteraard van groot belang dat elke asbestverwijdering en elke daaropvolgende eindbeoordeling zorgvuldig wordt uitgevoerd om risico’s door blootstelling aan asbest te voorkomen.
Of daadwerkelijk sprake is van een gezondheidsrisico voor bewoners, omstanders of werknemers hangt geheel af van hoeveel asbest in welke hoedanigheid is achtergebleven en vooral of en in welke mate dat leidt tot blootstelling aan asbest. In sommige voorbeelden in het signaal van de Arbeidsinspectie zal er geen sprake zijn van directe blootstelling. Bijvoorbeeld als er asbest achter een afdichting is achtergebleven of in een niet-toegankelijke ruimte tussen gebouwen ligt. De kans dat iemand ziek wordt, hangt af van de hoogte en de duur van de bloostelling. Bij een kortdurende beperkte blootstelling is de kans klein dat dit leidt tot gezondheidsklachten, maar het is niet onmogelijk. Het is dus zeker niet de bedoeling dat er asbestresten achterblijven.
Klopt het dat saneringsbedrijven zelf mogen kiezen welk bureau hun werk controleert?
In het Arbeidsomstandighedenbesluit is niet voorgeschreven wie opdracht geeft voor de eindbeoordeling. Het doel van de eindbeoordeling is om na het verwijderen van asbest vast te stellen of de locatie weer schoon en veilig is om te betreden. In het Besluit bouwwerken leefomgeving en in het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is bepaald dat de opdrachtgever van de asbestverwijdering de eindbeoordeling moet laten uitvoeren, maar dit sluit niet uit dat het saneringsbedrijf dit doet namens zijn opdrachtgever. Het klopt dus dat een saneringsbedrijf zelf mag kiezen wie de eindbeoordeling uitvoert, als de opdrachtgever van het saneringsbedrijf niet zelf de opdracht geeft voor de eindbeoordeling.
Volgens de huidige regelgeving is het verplicht dat een eindbeoordeling wordt uitgevoerd door een onafhankelijk laboratorium in risicoklassen 2 en 2A. Dit is een extra controle of de locatie na de asbestverwijdering schoon en veilig is.
In de eerste plaats is het de verantwoordelijkheid van het saneringsbedrijf om te zorgen dat de locatie na de asbestverwijdering schoon en veilig is voor de leefomgeving, bewoners en werkenden. Saneringsbedrijven moeten voor asbestwerkzaamheden in risicoklasse 2 en 2A gecertificeerd zijn en werken volgens het werkplan op grond waarvan de werkzaamheden zijn gemeld. Op de naleving van de asbestregelgeving wordt toezicht uitgeoefend door onder meer de Arbeidsinspectie en omgevingsdiensten ter bescherming van respectievelijk werknemers en leefomgeving. Daarnaast toetsen certificerende instellingen of wordt gewerkt volgens de eisen in het certificatieschema. Er bestaat dus al een heel systeem van eisen en controles. Met het implementeren van de Asbestrichtlijn2 wordt dit bovendien aangevuld met een vergunningplicht voor het verwijderen van asbest, waardoor het veel beter mogelijk wordt om slecht presterende bedrijven van de markt te weren. Volgens de huidige planning treedt deze vergunningplicht op 1 januari 2027 in werking.
Vindt u het wenselijk dat er op deze manier sprake kan zijn van commerciële afhankelijkheid tussen saneerders en inspecteurs?
Een commerciële afhankelijkheid kan op zich een kwetsbaarheid in het systeem vormen, zoals de Arbeidsinspectie in haar signaal aangeeft. Van geaccrediteerde laboratoria wordt echter verwacht dat zij hun werk onafhankelijk uitvoeren en een commerciële afhankelijkheid mag dit niet in de weg staan. Het asbestwerkveld is hier zeker niet uniek in. Zo is er bijvoorbeeld ook sprake van een belang van opdrachtgevers bij het onderzoeken of producten, zoals medicijnen of bouwproducten, voldoen aan bepaalde eisen of bij onderzoek waarbij de mate van milieuverontreiniging in bijvoorbeeld de bodem van een bouwperceel moet worden vastgesteld.
Het rapport van Panteia «Onafhankelijkheid eindbeoordeling asbest»3 beschrijft enkele kwetsbaarheden in het systeem. Daarbij werd ook aangegeven dat niet duidelijk is in hoeverre die kwetsbaarheden tot daadwerkelijke problemen leiden in de praktijk, mede doordat het toezicht op de eindbeoordeling beperkt is. In het rapport is het risico benoemd dat de eindbeoordelaar financieel afhankelijk wordt van de asbestverwijderaar waarvan hij het werk moet beoordelen. De conclusie luidde dat dit niet tot grote problemen leek te leiden, omdat er voor eindbeoordelaars voldoende werk voorhanden is. Dit zou mogelijk in de toekomst kunnen veranderen als de markt zou krimpen, maar daar is vooralsnog geen sprake van. Panteia adviseerde dat enkele aanpassingen in het systeem gedaan kunnen worden om de risico’s met betrekking tot de onafhankelijkheid te beperken. In het antwoord op vraag 14 ga ik hier verder op in.
Hoe beoordeelt u het risico dat controleurs bewust soepel controleren om meer opdrachten te krijgen in lijn met het waarborgen van de volksgezondheid en milieubescherming?
De Arbeidsinspectie stelt dat een eindinspectie-instelling die het niet zo nauw neemt, eerder een vaste relatie wordt van de saneerder met als risico dat de saneerder dan minder zorgvuldig gaat werken.
Uiteraard zou dit vanuit de bescherming van de volksgezondheid en de bescherming van de leefomgeving zeer ongewenst zijn. Het is een situatie die zich in theorie kan voordoen. Zoals in het antwoord op vraag 5 is toegelicht was het volgens het onderzoek van Panteia niet bekend in welke mate dat werkelijk het geval is en leek dit risico niet tot grote problemen te leiden omdat er voor eindbeoordelaars voldoende werk voorhanden is.
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, zijn er behalve de eindcontrole ook diverse andere instrumenten ter borging en controle van een zodanige uitvoering dat de locatie schoon en veilig wordt opgeleverd. Met de introductie van de vergunningplicht komt daar een belangrijk instrument bij.
Wat vindt u van de constatering dat meetapparatuur soms al in de auto wordt aangezet om een langere inspectieduur te simuleren?
Uiteraard is het ontoelaatbaar als een dergelijk frauduleuze handelwijze wordt gehanteerd.
Deelt u de mening dat dit niet slechts om slordigheid gaat, maar om bewuste fraude en mogelijk milieudelicten?
Of sprake is van bewuste fraude en een mogelijk milieudelict is aan de rechter om een oordeel over te vellen. Als meetapparatuur al in de auto wordt aangezet om een langere meettijd te simuleren, dan lijkt dit niet op een slordigheid.
Wie is momenteel verantwoordelijk voor de bescherming van bewoners en omwonenden bij asbestsaneringen en vindt u dat deze verantwoordelijkheid voldoende belegd is?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is het primair de verantwoordelijkheid van het saneringsbedrijf om zorgvuldig te werken en risico’s voor de leefomgeving, bewoners en werkenden zoveel mogelijk te beperken. Bij het zorgvuldig werken hoort zeker ook het goed schoonmaken van de locatie. Door omgevingsdiensten wordt toezicht gehouden op asbestsaneringen met het oog op de bescherming van de leefomgeving. De verantwoordelijkheid is hiermee voldoende belegd.
Klopt het dat de Raad voor Accreditatie voornamelijk op papier controleert en zo ja, acht u dat toereikend gelet op de risico’s van ondeugdelijke inspecties?
Nee, dit klopt niet. Via een jaarlijkse kantoorbeoordeling controleert de Lead Assessor van de Raad voor Accreditatie (RvA) of de instelling voldoet aan de eisen van de EN ISO/IEC 17020. Een Technical Assessor van de RvA beoordeelt met een steekproef onder meer de competentie van het personeel en verschillende klantdossiers. Daarnaast woont de Technical Assessor een aantal inspecties bij die verschillende inspecteurs van de inspectie-instelling bij hun klanten uitvoeren.
Het uitgangspunt bij accreditatiebeoordeling is vertrouwen dat de instelling in staat is om de activiteiten competent, onpartijdig en consistent kan uitvoeren. Het is geen garantie dat een instelling nooit fouten maakt. Net als het hebben van een rijbewijs geen garantie is dat nooit door rood wordt gereden.
Is er monitoring of registratie van gevallen waarin bewoners of bouwvakkers gezondheidsklachten hebben opgelopen nadat een woning onterecht als asbestvrij is verklaard?
Nee, deze monitoring of registratie is er niet en is ook niet te realiseren. Als er al gezondheidsklachten zouden optreden als gevolg van het onterecht asbestvrij verklaren van een woning, dan is dat meestal pas tientallen jaren later het geval en daardoor moeilijk te herleiden naar een mogelijke incidentele blootstelling in het verleden. Bepaalde asbestgerelateerde ziekten kunnen niet alleen zijn veroorzaakt door asbest, maar ook door andere oorzaken. Zo kan longkanker ook worden veroorzaakt door roken. Als dan sprake is van een incidentele kortdurende blootstelling aan asbest, kan niet worden gesteld dat dit de oorzaak is. Alleen als sprake is van mesothelioom kan met voldoende zekerheid worden gesteld dat dit is veroorzaakt door asbest, maar dan nog is de vraag wanneer welke blootstelling heeft plaatsgevonden.
Kunt u inzicht geven in het aantal gevallen waarin bewoners of bouwvakkers gezondheidsklachten hebben opgelopen nadat een woning onterecht als asbestvrij is verklaard?
Nee, dit is niet mogelijk. Voor een verdere toelichting hierop verwijs ik naar het antwoord op vraag 11.
Deelt u de analyse dat de menselijke maat ontbreekt in het huidige systeem van toezicht, en dat burgers hierdoor onnodig risico lopen?
Ik zie mogelijkheden voor verbeteringen van het huidige systeem, zoals ik in het antwoord op vraag 14 toelicht. Uiteraard is het ongewenst als een locatie na een asbestverwijdering niet schoon en veilig wordt opgeleverd en er vervolgens onterecht een goed resultaat volgt uit de eindbeoordeling. Elk risico dat hierdoor ontstaat is onnodig.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om het toezicht fundamenteel te verbeteren?
In de brief van 26 november 20214 is een beleidsreactie gegeven op het rapport van Panteia. Hierin is toegelicht dat de oplossingsrichtingen die zijn genoemd in het rapport van Panteia, zijn besproken met betrokken partijen. Daarbij is aangegeven dat prioriteit werd gegeven aan het aanpassen van de regelgeving in het kader van de meerjarenaanpak5 om een aantal fundamentele verbeteringen door te voeren in het asbeststelsel op het gebied van arbeidsomstandigheden. In deze aanpak was ook voorzien in een aantal inhoudelijke verbeteringen van de eindbeoordelingen om deze meer risicogericht te maken.
Vanwege de wijziging van de Asbestrichtlijn is de procedure van de destijds voorziene wijziging van de regelgeving niet voortgezet. Inmiddels is in het kader van de implementatie van de Asbestrichtlijn een wetsvoorstel op 29 oktober 2025 bij uw Kamer ingediend6.
Dit wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om de normadressaat in het Arbeidsomstandighedenbesluit te verbreden. Daardoor kunnen bepalingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit worden opgenomen waaraan laboratoria die eindbeoordelingen uitvoeren zich moeten houden en waarop publiek toezicht kan worden gehouden. Over deze aanpassing en eventuele aanvullende maatregelen vindt nog overleg plaats met betrokken partijen. Ook moeten nog diverse toetsen worden uitgevoerd, waaronder een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets door de Arbeidsinspectie. In mijn brief van 28 mei 2025 7 heb ik uw Kamer gemeld dat de ambitie is om de gewijzigde regelgeving op 1 januari 2027 in werking te laten treden.
De Arbeidsinspectie heeft in haar recente signaal, naast het mogelijk maken van publiek toezicht, meerdere oplossingsrichtingen aangedragen, namelijk het onafhankelijk laten selecteren van de inspectie-instelling, een steekproefsgewijze onderlinge herinspectie en het een publieke taak laten zijn van eind-inspecties. Deze oplossingen lijken nu niet het meest voor de hand te liggen, omdat deze sterk ingrijpen op de marktwerking en volgens het rapport van Panteia de financiële afhankelijkheid niet tot grote problemen leek te leiden. In de antwoorden op de vragen 15 en 16 ga ik hier verder op in.
Uiteraard is het signaal van de Arbeidsinspectie wel zorgelijk. Daarom zal ik met de branchevereniging Fenelab, de Arbeidsinspectie, de Ministeries van IenW en VRO en de RvA bespreken of eventueel maatregelen moeten worden genomen in aanvulling op het mogelijk maken van publiek toezicht. Fenelab, de branchevereniging van geaccrediteerde laboratoria en kalibratie- en inspectie-instellingen, heeft mij al laten weten dat zij bereid is te kijken naar oplossingsrichtingen voor de branche. Van dat aanbod maak ik graag gebruik. Fenelab heeft daarbij overigens ook aangegeven dat zij wel de zorgen deelt, maar dat het hoge percentage overtredingen zoals gerapporteerd door de Arbeidsinspectie, niets zegt over het aantal saneringsprojecten dat fout zou zijn beoordeeld door laboratoria.
Hoe kijkt u aan tegen het idee om inspecties zoveel mogelijk weg te halen bij commerciële belangen?
Dergelijke maatregelen zijn minder eenvoudig en minder snel te realiseren dan het mogelijk maken van publiek toezicht en grijpen sterk in op het functioneren van de markt.
Hoe kijkt u aan tegen het invoeren van verplichte rotaties van keuringsbedrijven?
De Arbeidsinspectie noemt dit in het signaal als mogelijke oplossing. In het rapport van Panteia wordt als oplossing genoemd dat een onafhankelijke partij de inspectie-instelling kiest, wat mogelijk ook neerkomt op een verplichte rotatie. Een dergelijke maatregel acht ik niet uitvoerbaar wegens de inbreuk op de vrije marktwerking. Partijen hebben dan niet meer de vrijheid om een opdrachtnemer te kiezen, hetgeen de concurrentie tussen opdrachtnemers verstoort. Saneerders moeten op dit moment al moeite doen om een beschikbaar laboratorium te vinden dat bij voorkeur op beperkte afstand van de locatie beschikbaar is. Dit is relevant omdat het beëindigen van werkzaamheden niet altijd goed te plannen is.
Daarbij is het met verplichte rotaties nog steeds aannemelijk dat de saneerder en de eindbeoordelaar elkaar in het werkveld regelmatig tegenkomen.
Hoe kijkt u aan tegen het openbaar maken van de resultaten van asbestinspecties?
De Arbeidsinspectie maakt geconstateerde asbestovertredingen openbaar via de website https://asbestovertredingen.nlarbeidsinspectie.nl/. De wijze waarop openbaarmaking van deze inspectiegegevens plaatsvindt en wat daarbij aan gegevens wordt getoond, is vastgelegd in de «Beleidsregel openbaarmaking inspectiegegevens bij zware of ernstige asbestovertredingen»8.
Hoe kijkt u aan tegen het beter beschermen en uitrusten van inspectiediensten voor onafhankelijk toezicht?
Zoals ik in het antwoord op vraag 14 heb toegelicht, zet ik in eerste instantie in op publiek toezicht mogelijk maken. Daarnaast zal ik in overleg met de Arbeidsinspectie, de Ministeries van IenW en VRO, omgevingsdiensten, de RvA en de branchevereniging Fenelab nagaan of eventueel aanvullende maatregelen moeten worden genomen.
Bent u bereid om een actieplan naar de Kamer te sturen waarin wordt uitgewerkt hoe dit systeem wordt verbeterd vóórdat er meer slachtoffers vallen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 11 heb toegelicht, kan niet worden gesteld dat er slachtoffers zijn gevallen of dat er momenteel slachtoffers vallen. Het actieplan bestaat eruit dat publiek toezicht en handhaven mogelijk wordt gemaakt door aanpassing van de wet- en regelgeving en dat ik in overleg met de Arbeidsinspectie, de Ministeries van IenW en VRO, de RvA en de branchevereniging Fenelab zal nagaan of eventueel aanvullende maatregelen moeten worden genomen.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Ik heb u per brief van 5 november jl. laten weten dat het helaas niet lukt om deze vragen tijdig te beantwoorden, vanwege de benodigde afstemming met de Arbeidsinspectie.
De publicatie 'Understanding Anti-Christian Hate Crimes and Addressing the Security Needs of Christian Communities' |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op de publicatie «Understanding Anti-Christian Hate Crimes and Addressing the Security Needs of Christian Communities» van het OSCE Office for Democratic Institutions and Human Rights (ODIHR)?1
Het kabinet verwelkomt de ODIHR-publicatie «Understanding Anti-Christian Hate Crimes and Addressing the Security Needs of Christian Communities». De publicatie laat duidelijk zien dat anti-christelijke incidenten – variërend van vernieling tot bedreiging en geweld – ernstige gevolgen hebben voor de veiligheid en vrijheidsbeleving van christelijke gemeenschappen. Het kabinet onderschrijft het belang dat wordt gehecht aan tijdige signalering, goede registratie, effectieve bescherming, interreligieuze dialoog en slachtoffergerichte ondersteuning. Dit sluit aan bij de Nederlandse mensenrechtenprioriteit gericht op het beschermen en bevorderen van vrijheid van religie en levensovertuiging, waarbij bijzondere aandacht bestaat voor kwetsbare religieuze minderheden, onder wie christenen.
Hoe beoordeelt u het feit dat, sinds het ODIHR begon met rapporteren over anti-christelijke haatmisdrijven, incidenten uit meer dan dertig OSCE-landen zijn gerapporteerd? Meent u dat er voldoende aandacht is voor het aanpakken van anti-christelijke haatmisdrijven, zowel op nationaal als internationaal niveau?
Het feit dat ODIHR meldingen van anti-christelijke incidenten uit meer dan dertig OSCE-landen registreert, laat zien dat deze problematiek in verschillende landen speelt en internationale aandacht vereist. Vrijheid van religie en levensovertuiging blijft een kernprioriteit van het Nederlandse mensenrechtenbeleid, met aandacht voor kwetsbare religieuze minderheden, onder wie christenen.
Nederland zet zich daarnaast internationaal actief in om naleving van vrijheid van religie en levensovertuiging te bevorderen en samenwerking met gelijkgezinde landen te versterken. Daarbij ondersteunt Nederland religieuze gemeenschappen via diplomatie, multilaterale fora en gerichte programma’s. Ook brengt Nederland het thema consequent onder de aandacht binnen de VN-Mensenrechtenraad en de EU. Waar nodig worden zorgen rechtstreeks besproken met partnerlanden en in andere internationale gremia, mede ondersteund door de inzet van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de mensenrechtenambassadeur.
Welke lessen trekt u in het bijzonder uit deze publicatie voor de nationale situatie? Kunt u concreet aangeven welke opvolging u aan aanbevelingen uit de publicatie geeft?
Iedereen die zich in Nederland bevindt kan met ervaringen en klachten over discriminatie op grond van religie terecht bij lokale antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s), de politie of bij het College voor de Rechten van de Mens. Het aantal meldingen over discriminatie op grond van religie is bij deze instanties laag. Gelet op het geringe aantal meldingen geven deze instanties geen aparte cijfers over discriminatie van bijvoorbeeld christenen. Dit gebeurt wel bij de cijfers van het Meldpunt Online Discriminatie. Daaruit blijkt dat in 2024 discriminatie van christenen 3% van het aantal meldingen betrof van discriminatie op grond van geloof.2 Vanwege het geringe aantal meldingen is er op dit moment geen specifiek beleid om discriminatie van christenen tegen te gaan. Indien blijkt dat het aantal meldingen van discriminatie van christenen in de komende jaren stijgt, dan kan daarop passende actie volgen.
In het kader van de stelselherziening van de ADV’s werkt de Minister van BZK aan brede publiekscommunicatie ter verhoging van de meldingstoegankelijkheid van iedere vorm van discriminatie. Die communicatie heeft tot doel om burgers gemakkelijker hun weg te laten vinden naar een ADV, waar ze melding kunnen maken van discriminatie en terecht kunnen voor advies en bijstand. Bij het voorbereiden van die campagne werkt de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties samen met uiteenlopende stakeholders uit het maatschappelijk middenveld. Daarvoor liet hij een vooronderzoek doen: Van ervaren tot melden: motivaties en barrières bij discriminatie melden | Rapport | Rijksoverheid.nl. Dit onderzoek biedt de uitgangspunten voor de strategie van de publiekscommunicatie. De ontwikkeling van de communicatie is beoogd voor het eerste kwartaal van 2026.
Ziet u ook in Nederland intolerantie jegens christenen? Op welke manier geeft u opvolging aan de aanbeveling om bewustwordingscampagnes en activiteiten te ontwikkelen en te implementeren om bewustwording en begrip van de intolerantie jegens christenen te vergroten?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke manier draagt u bij aan het opbouwen van vertrouwen tussen christelijke gemeenschappen en overheden? Ziet u dat dat vertrouwen toeneemt? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat is daarvan de oorzaak en welke concrete stappen zet u om het vertrouwen te vergroten?
Door haatmisdrijven goed te monitoren, prioriteit te geven aan de vervolging ervan en daders harder te straffen, streeft het kabinet naar een samenleving waar eenieder, ook christenen, vrijelijk hun religie en identiteit kunnen belijden en uiten.
De Minister van Justitie en Veiligheid is tevens Minister van Eredienst. In die hoedanigheid onderhoudt hij periodiek contact met religieuze (koepel)organisaties, waaronder het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, met als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen het Rijk en deze organisaties. Hier kunnen onder meer zorgen ten aanzien van intolerantie tegen christenen ter sprake komen. Op deze manier wordt aan vertrouwen gebouwd.
Deelt u de constatering dat er onderraportage en onderregistratie plaatsvindt van (anti-christelijke) haatmisdrijven? Geldt dat ook voor Nederland? Welke concrete stappen zet u, in lijn met de aanbevelingen, om het aantal haatmisdrijven beter in beeld te krijgen?
Het is bekend dat niet alle mensen die discriminatie ervaren dit ook melden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de Veiligheidsmonitor 2023 van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het is gewenst dat meer mensen hun discriminatie ervaringen melden en zo nodig aangifte doen. Hierdoor kunnen individuen die discriminatie ervaren tijdig adequate ondersteuning krijgen en kunnen gemeenten en het Rijk hun beleid daarop afstemmen. Het kabinet zet zich op meerdere vlakken in om onderrapportage en onder registratie te verbeteren. Zo hebben aangiftes van discriminatie prioriteit bij politie en het Openbaar Ministerie en wordt het stelsel van gemeentelijke anti-discriminatievoorzieningen herzien, zodat burgers die discriminatie ervaren dit eenvoudig kunnen melden.
Op welke manier vraagt u op internationaal niveau aandacht voor anti-christelijke haatmisdrijven, ook in landen waar christenvervolging niet of minder aanwezig lijkt te zijn? Is dit regelmatig onderdeel van gesprek? Zo nee, bent u bereid om hier meer aandacht aan te geven in uw bilaterale contacten?
Het kabinet vraagt structureel aandacht voor religieus gemotiveerde haatmisdrijven, ook waar christelijke personen of gemeenschappen worden geraakt. Dit gebeurt onder meer binnen de VN-Mensenrechtenraad en de EU, alsmede via internationale samenwerkingsverbanden zoals de International Religious Freedom and Belief Alliance. In dat kader brengt Nederland ook concrete situaties onder de aandacht, bijvoorbeeld in landen waar christelijke gemeenschappen onder druk staan, zoals Nigeria, Pakistan en Syrië. De Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging onderhoudt daarnaast nauw contact met relevante maatschappelijke organisaties en spreekt partnerlanden waar nodig aan op incidenten en zorgelijke ontwikkelingen.
Ook in landen waar het risico minder zichtbaar lijkt, blijft Nederland alert op signalen van discriminatie en geweld. Diplomatieke posten volgen ontwikkelingen nauwgezet en kaarten deze waar nodig bilateraal aan. Aandacht voor de positie van christelijke gemeenschappen maakt deel uit van de bredere inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen. Waar passend wordt dit onderwerp ook in bilaterale contacten verder geagendeerd.
Het bericht “Meer plek in verpleeghuizen, ouderen worden liever thuis verzorgd” |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Nicki Pouw-Verweij (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Meer plek in verpleeghuizen, ouderen worden liever thuis verzorgd»?1
Ja, ik ken deze artikelen.
Kent u het artikel van «Een koekje bij de koffie – dat kost zo 75 euro per maand in de commerciële ouderenzorg»2?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toelichten of de in het NOS-artikel genoemde leegstand is vastgesteld in reguliere verpleeghuizen, of ook in commerciële verpleeghuizen waar wonen en zorg gescheiden zijn?
Ik ontvang signalen uit het veld dat er sprake is van minder vraag naar zorg dan op basis van de demografische trends verwacht had mogen worden. Er is momenteel geen zicht op het aantal leegstaande plekken in reguliere en commerciële verpleeghuizen omdat daarvan geen registratie bestaat.
Kunt u uitleggen waaruit het genoemde onderzoek bestaat waarin het RIVM aanvullend onderzoek doet naar de stijgende leegstand in verpleeghuizen?
Om inzicht te krijgen in de verminderde vraag naar ouderenzorg heb ik het RIVM gevraagd om hiernaar onderzoek te doen. Het RIVM zal onderzoeken of (en zo ja, in welke mate) sprake is van vraaguitval, welke verklaringen daarvoor zijn en of sprake is van tijdelijke of structureel verminderde vraag. De verwachting is dat het onderzoek voor de zomervakantie van 2026 gereed is.
Wordt in dit onderzoek van het RIVM ook meegenomen dat het aantal commerciële verpleeghuizen met scheiding van wonen en zorg toeneemt, en dat dit mogelijk bijdraagt aan de leegstand in reguliere verpleeghuizen?
Ja.
Onderzoekt het RIVM de mogelijke consequenties van de leegstand van reguliere en commerciële verpleeghuizen?
Uit het onderzoek zal eerst moeten blijken in welke mate sprake is van verminderde vraag en (zo ja) of deze een structureel karakter heeft.
Onderzoekt het RIVM ook wat de consequenties voor het zorgpersoneel zijn door door de leegstand in verpleeghuizen?
Het laatste onderdeel van het onderzoek gaat over hoe de vraag naar ouderenzorg zich in de toekomst gaat ontwikkelen. Dit heeft ook een relatie met de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.
Welk vangnet biedt u aan verpleeghuizen die in financiële problemen komen door langdurige en aanzienlijke leegstand (lege bedden)?
Leegstand kan ontstaan als een gevolg van een verschil tussen vraag en aanbod van specifieke vormen van zorg en heeft onder andere te maken met (veranderende) voorkeuren van mensen en het ontstaan van alternatieve vormen van zorgverlening. Het is aan bestuurders van zorginstellingen en de zorgkantoren is om binnen hun werkgebied/regio in te spelen op veranderingen. Met het onderzoek door het RIVM wil ik deze partijen meer houvast bieden bij de keuzes die ze moeten maken.
Wat doet u als door leegstand financiële problemen ontstaan bij reguliere verpleeghuizen die specifieke zorg geven zoals, reablement, revalidatie en crisisopnames?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met het feit dat het aantal commerciële verpleeghuizen in de afgelopen jaren fors is gegroeid? En kent u het huidige aantal commerciële instellingen en het aantal bedden hierbij?
Ik herken dat de groei van de verpleeghuiszorg in de afgelopen jaren vooral plaats heeft gevonden buiten de intramurale zorginstellingen op basis van scheiden van wonen en zorg in mpt (modulair pakket thuis), pgb (persoonsgebonden budget) en vooral vpt (volledig pakket thuis). De leveringsvorm van de geleverde zorg wordt centraal geregistreerd binnen de Wlz, maar niet de rechtsvorm van de zorginstellingen die deze zorg leveren. Daarmee heb ik geen inzicht in de groei van commerciële instellingen.
Bent u ervan op de hoogte dat bij commerciële verpleeghuizen met gescheiden wonen en zorg, het onderdeel wonen vaak in handen is van grote investeringsmaatschappijen of beursgenoteerde bedrijven?
Ik ben me ervan bewust dat commerciële verpleeghuizen met gescheiden wonen en zorg in handen kunnen zijn van investeringsmaatschappijen en beursgenoteerde bedrijven.
Bent u ervan op de hoogte dat bij de commerciële verpleeghuizen, met scheiden van wonen en zorg, voor het wonen vaak extreme huurprijzen gevraagd worden, zoals 2.500 euro voor een appartement van 25m2 en 1.200 euro aan servicekosten?
Ik ben me ervan bewust dat er een grote variëteit is aan zorgwoningen, met ook een grote variëteit aan oppervlakte, huurprijzen en servicekosten. Het is aan zorgkantoren en aan cliënten zelf om de zorg en het wonen daar in te kopen waar zij een goede prijs/kwaliteit verhouding krijgen.
Kunt u uitleggen of zorgwoningen waarbij wonen en zorg gescheiden zijn onder de huurwet vallen? Waarom wel of waarom niet?
In beginsel geldt dat een woonruimte met een kwaliteit waarmee die volgens het woningwaarderingsstelsel (WWS) gereguleerd zou zijn, onder de huurprijsbescherming valt. Daarmee zijn wetten zoals de Wet goed verhuurderschap en de Wet betaalbare huur van toepassing. Voor zorgwoningen geldt dat in het geval de component «zorg» overduidelijk de overhand heeft ten aanzien van de component «wonen», de reguliere huurprijsbescherming (en daarmee het WWS) niet van toepassing is. Als «wonen» de overhand heeft, kan voor deze component op basis van het WWS een maximale huurprijsgrens bepaald worden. Voor de servicekosten die «wonen» aangaan, geldt dat die bepaald moeten worden aan de hand van het Besluit servicekosten. Dit hoeft daarmee niet de totale prijs te zijn die de bewoner betaalt, omdat de component «zorg» op een andere manier bepaald wordt.
Nederland kent een grote variatie aan zorgwoningen. Van intensieve intramurale zorg voor zorgbehoevende bewoners met een WLZ-indicatie tot een zelfstandige bewoner op leeftijd die slechts behoefte heeft aan een gelijkvloerse woning met lage drempels. Ik ga niet in op individuele gevallen, maar grijze gebieden hierbinnen zijn onvermijdelijk. Het moge duidelijk zijn dat ik excessen wil uitbannen zonder goede initiatieven te dwarsbomen. Ik ben daarom voornemens om samen met de Minister van VRO met de sector in gesprek te gaan over het demarqueren van een duidelijke scheidslijn tussen welke zorgwoningen wel en niet onder de huurprijsregulering vallen. Dit moet op een zorgvuldige wijze gebeuren waarbij eerlijke huurprijzen gevraagd worden zonder zorgwoningen onrendabel te maken. Daar hoort ook een gesprek bij over hoe de zorgwoningen die wél onder de huurprijsregulering vallen in het stelsel gereguleerd worden.
Kunt u aangeven of het volgende voorbeeld onder de huurwet valt: een geclusterde zorgflat (met 24-uurszorg), met 30 appartementen van elk 25m2, met een gezamenlijke ruimte van 150m2, een huurprijs van 2.500 euro en 1.200 euro aan servicekosten?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid te onderzoeken of er commerciële verpleeghuizen zijn die met de woon- en servicecomponent de huurwet overschrijden?
Zie antwoord vraag 13.
Op welke manier bent u van plan regie te houden op het aantal bedden in zowel commerciële als niet-commerciële verpleeghuizen, zodat leegstandproblematiek wordt voorkomen?
Zie antwoord op vraag 8 en 9.
De structurele overlast van groepen jongeren in Heemskerk en Beverwijk |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Groepen jongeren veroorzaken al jaren overlast in Heemskerk en Beverwijk, dit is wat er speelt»?1
Ja.
Is het waar dat Beverwijk en Heemskerk al jaren te maken hebben met ernstige jeugdoverlast? Zo ja, deelt u dan de mening dat er sprake is van een structureel probleem en niet van een aantal losstaande incidenten? Zo nee, wat is er dan niet waar?
De geregistreerde meldingen «overlast door jeugd» door de politie laten voor Beverwijk over een periode van vijf jaren een significante daling zien.2 Van 434 meldingen in 2020, naar 445 meldingen in 2021, naar 340 meldingen in 2022, naar 283 meldingen in 2023 en 341 meldingen in 2024. In de gemeente Heemskerk is eveneens een significante daling te zien over een periode van vijf jaren van de geregistreerde meldingen. Van 468 meldingen in 2020, naar 513 meldingen in 2021, naar 375 meldingen in 2022, naar 285 meldingen in 2023 en 192 meldingen in 2024. Dit laat onverlet dat (een deel van) deze meldingen ernstig kan zijn.
Beschikt u over gegevens of andere aanwijzingen dat gemeenten zoals Beverwijk en Heemskerk te maken met hebben met bovengemiddeld veel sociaaleconomische problemen waaronder, naast meer jeugdoverlast, tevens een krappere woningmarkt, verhoudingsgewijs lage inkomens of hogere werkloosheid?
Het landelijke en openbare dashboard «Zicht op wijken» laat zien dat de gemeenten Beverwijk en Heemskerk in vergelijking met andere gemeenten geen bovengemiddelde problematiek kennen op het gebied van sociale- en veiligheidsproblematiek zoals jeugdoverlast, lage inkomens of hogere werkloosheid dan wel krapte op de woningmarkt.3
De CBS SES-WOA score is een indicator voor de sociaaleconomische status op basis van welvaart, opleidingsniveau en recent arbeidsverleden. De score is zo opgebouwd dat het landelijke gemiddelde op 0 staat. De CBS SES-WOA van Beverwijk (0.03) ligt lager dan die van Heemstede (0.32). Daarmee liggen beide plaatsen boven het landelijke gemiddelde.4
Wat is de score voor de sociaaleconomische status van gemeenten, wijken en buurten (CBS SES-WOA) voor gemeenten, wijken en buurten in de IJmond?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat er naast noodmaatregelen om de acute onrust te bestrijden en de daders aan te pakken er ook een bredere samenhangende aanpak nodig is om sociaaleconomische uitdagingen in de IJmondgemeenten het hoofd te bieden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Jeugdoverlast kan een grote invloed hebben op de ervaren veiligheid in de buurt en op school. De verantwoordelijkheid voor de aanpak van overlast ligt bij de lokale driehoek. De burgemeester is het bevoegd gezag als het gaat om openbare orde en veiligheid. De afweging voor het stellen van prioriteiten op basis van de plaatselijke problematiek en incidenten wordt gemaakt binnen deze lokale driehoek. Voor een effectief lokaal antwoord op jeugdoverlast is het belangrijk om een samenhangende aanpak te hebben waarbij wordt samengewerkt met organisaties uit het zorg- en sociaal domein. Zo worden preventieve en repressieve maatregelen op elkaar afgestemd en wordt er gericht geïntervenieerd.
Deelt u de mening dat er behalve voor de grotere steden ook voor kleinere gemeenten in een regio zoals de IJmondgemeenten waar sprake is van een structureel slechte sociaaleconomische situatie ondersteuning vanuit het Rijk mogelijk zou moeten zijn? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Het Rijk heeft verschillende programma’s die zich (ook) inzetten voor kleinere gemeenten waar problematiek is ten aanzien van de leefbaarheid, bestaanszekerheid en veiligheid. Voorbeelden hiervan zijn de Regio Deals en het Nationaal Programma Vitale Regio’s. In de Regio Deals staat het verbeteren van het leven, wonen en werken van inwoners en ondernemers centraal. Dit gebeurt vanuit een brede integrale blik. Naast het versterken van de economie gaat het ook om het verbeteren van het welzijn van mensen en de leefbaarheid binnen een regio. De zesde en laatste tranche is dit jaar verdeeld.5
Het Nationaal Programma Vitale Regio’s zet zich in om onwenselijke achterstanden die inwoners in bepaalde regio’s ervaren op onder andere het gebied van wonen, zorg, onderwijs en inkomen te verkleinen. Hier ziet het kabinet dat meerjarige inzet nodig is. Op dit moment wordt hard gewerkt aan de interbestuurlijke plannen met 11 regio’s.6
Naast de gemeenten met een stedelijk focusgebied wordt op basis van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid ook ondersteuning geboden aan andere gemeenten bij het bevorderen van kansengelijkheid, leefbaarheid en veiligheid in kwetsbare wijken en gebieden. Iedere gemeente in Nederland die een integrale aanpak wil inzetten op een concentratie van maatschappelijke problemen binnen een specifiek gebied, kan gebruik maken van de producten en diensten die vanuit het programma worden ontwikkeld en via het kennis- en leernetwerk van WijkWijzer beschikbaar komen. In samenspraak tussen adviseurs van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de gemeente wordt (zoveel mogelijk samen met andere relevante lokale partijen) een passend arrangement georganiseerd, waarbij de vraag vanuit de gemeente centraal staat. De basis van waaruit activiteiten plaatsvinden is WijkWijzer, het platform voor kennisuitwisseling tussen beleidsmakers, wijkprofessionals en actieve bewoners.7
Ik begrijp dat betrokken gemeenten de ambitie hebben om hun weerbaarheid te verhogen en juich dat ook toe. Het is de realiteit dat niet alle gemeenten in Nederland aanvullend financieel kunnen worden ondersteund. Des te belangrijker is het bouwen van een netwerk en het verspreiden van kennis en ervaringen voor het structureel aanpakken van de sociaal en economische situatie.
Deelt u de mening dat een dergelijke regio ook als een kwetsbaar gebied in het kader van Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) aangewezen zou moeten kunnen worden? Zo ja, waarom en hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het programma Preventie met Gezag ook ter beschikking zou moeten komen aan gemeenten die in een regio gezamenlijk beleid te voeren op jeugdoverlast, veiligheid en preventie? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ik juich het toe dat gemeenten regionaal met elkaar werken aan veiligheid, preventie en het tegengaan van jeugdoverlast. Zij kunnen daarbij gebruik maken van de geleerde lessen binnen Preventie met Gezag. Vanuit Preventie met Gezag worden immers geleerde lessen actief gedeeld met alle gemeenten. Dit wordt gedaan via de digitale vindplaats, maar ook met lerende netwerken. Hier worden onder andere ervaringen uitgewisseld over de aanpak van jeugdcriminaliteit, het voorkomen van escalatie en het bieden van perspectief aan jongeren.
Het artikel 'Noodpakket vaak te duur voor mensen in armoede, ze hebben die spullen nu al dagelijks nodig' van 17 oktober 2025 |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Vindt u het rechtvaardig dat het huidige beleid ervan uitgaat dat iedereen financieel in staat is om een noodpakket aan te schaffen?1
De recent gestarte campagne «Denk Vooruit» heeft als doel mensen bewust te maken van wat zij in een noodsituatie nodig kunnen hebben, zoals een noodplan en een noodpakket. Wij beseffen dat dit voor veel mensen niet vanzelfsprekend of eenvoudig is. Voor huishoudens die financieel krap zitten kan het lastig zijn om extra uitgaven te doen, ook als het om noodvoorbereiding gaat.
Naast bewustwording is het belangrijk dat mensen, ongeacht hun financiële situatie, weten waar ze terecht kunnen voor hulp.
Erkent u dat mensen met lage inkomens of schulden vaak al moeite hebben om aan hun dagelijkse basisbehoeften te voldoen, en dat het advies om een noodpakket samen te stellen voor hen onhaalbaar is?
Mensen met lage inkomens of schulden kunnen moeite hebben om in hun dagelijkse basisbehoeften te voorzien. Voor hen kan het samenstellen van een noodpakket een grote uitdaging zijn.
De campagne benadrukt dat mensen in huis halen wat binnen hun mogelijkheden past. Sommige spullen hebben mensen mogelijk al in huis, vervolgens kunnen mensen kijken wat haalbaar is binnen de eigen mogelijkheden. Dit kan ook gezamenlijk met bijvoorbeeld buren, familie en/of vrienden. De campagne bevat ook veel kosteloze voorbereidingsstappen. Het belangrijkste is dat iedereen, ook mensen die financieel krap zitten, kan nadenken over wat in hun eigen situatie nodig is, waar ze voor hulp terecht kunnen en hierover met naasten in gesprek kan gaan. Tegelijkertijd moet bekeken worden hoe mensen in kwetsbare posities beter ondersteund kunnen worden.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is dat de overheid (gedeeltelijk) voorziet in noodpakketten voor huishoudens met een laag inkomen?
Momenteel wordt bekeken welke hulp vanuit bestaande organisaties beschikbaar is. Van de VNG begreep ik dat er initiatieven bij enkele gemeenten ontstaan.
Daarnaast zullen de verschillende betrokken ministeries nagaan wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op dreigingen, rampen of incidenten.
Investeringen in de continuïteit van sociale structuren zijn essentieel voor de weerbaarheid van de samenleving. Daarom wordt er gewerkt aan het versterken van de positie van mensen, waaronder die in een kwetsbare positie, door te investeren in zelf- en samenredzaamheid en gebruik te maken van de kracht van lokale initiatieven.
Hoe voorkomt u dat beleid over «zelfredzaamheid» onbedoeld leidt tot extra druk of stigmatisering van mensen die in armoede leven?
Momenteel wordt bekeken welke hulp vanuit bestaande organisaties beschikbaar is. Daarnaast moet bekeken worden wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding van dreigingen, rampen of incidenten. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met stigmatisering en druk. Het uitgangspunt is dat een vangnet dichtbij huis, vindbaar en toegankelijk moet zijn, zodat mensen niet onnodig worden belast of gestigmatiseerd.
Acht u het realistisch dat mensen in armoede naast hun dagelijkse lasten ook middelen kunnen reserveren voor noodvoorbereiding?
Wij realiseren ons dat het apart zetten van contant geld of het aanschaffen van extra spullen voor sommige huishoudens lastig kan zijn. Daarom vragen we mensen om te doen wat past binnen hun eigen budget en mogelijkheden en te onderzoeken waar zij voor hulp terecht kunnen. Zoals eerder gezegd wordt er bekeken wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen bij het voorbereiden op dreigingen, rampen of incidenten.
Welke alternatieven ziet u om de weerbaarheid van kwetsbare huishoudens te vergroten zonder dat dit extra financiële lasten met zich meebrengt?
Op denkvooruit.nl staan veel praktische en kosteloze stappen die mensen direct kunnen nemen, zoals belangrijke telefoonnummers paraat hebben of weten hoe zij hun woning veilig kunnen verlaten. Ook wordt benadrukt dat mensen zelf binnen hun eigen netwerk en omgeving of wijk kunnen kijken welke hulp beschikbaar is.
Waar ligt volgens u de prioriteit: in het stimuleren van individuele noodpakketten of in het structureel versterken van bestaanszekerheid zodat mensen überhaupt de ruimte hebben om zich voor te bereiden op noodsituaties?
Beide zijn belangrijk en versterken elkaar. Bestaanszekerheid vormt een basis voor weerbaarheid, maar het is daarnaast nodig om mensen handelingsperspectief te geven bij incidenten, rampen en dreigingen.
Welke rol ziet u voor maatschappelijke organisaties, lokale initiatieven en gemeenten in het ondersteunen van huishoudens met lage inkomens bij noodvoorbereiding?
Momenteel wordt bekeken welke hulp vanuit bestaande organisaties beschikbaar is en wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen bij voorbereiding op dreigingen, rampen of incidenten. Daarbij wordt expliciet ook gekeken naar de rol van gemeenten en maatschappelijke organisaties en naar de vraag welke ondersteuning passend kan zijn, juist omdat gemeenten dichter bij de mensen staan en hun situatie beter kennen.
In de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van uw ministerie is voor het jaar 2026 een periodieke rapportage voor het thema armoede en schulden geagendeerd, bent u bereid om bij deze evaluatie ook het noodpakket voor mensen in armoede en schulden te betrekken?
Nee. Deze periodieke rapportage binnen de Strategische Evaluatie Agenda is een brede doorlichting van het armoede- en schuldenbeleid over de periode 2019–2025, gericht op doeltreffendheid en doelmatigheid. Het noodpakket wordt om die reden niet specifiek benoemd omdat sprake is van maatwerk.
Hoe meet u of beleid rond weerbaarheid daadwerkelijk effect heeft bij de meest kwetsbare groepen in de samenleving?
In de verdere uitwerking wordt ook gekeken naar hoe de effecten van het beleid op verschillende groepen, waaronder mensen in de meest kwetsbare posities, daadwerkelijk uitwerken en hoe dit gemonitord kan worden.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De kabinetsreactie op het adviesrapport STOER en de uitvoering van het amendement-Welzijn (fatale beslistermijnen bij omgevingsvergunningen) |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het eindrapport van de adviesgroep STOER «Woningbouw: sneller, meer, goedkoper» en van uw eigen kabinetsreactie van 10 oktober 2025 waarin u namens het kabinet stelt dat «besluitvorming binnen wettelijke termijnen» en «versnelling van bezwaar- en beroepsprocedures» noodzakelijk zijn om de woningbouwopgave te halen?
Ja1
Erkent u dat de adviesgroep STOER expliciet adviseert om de zogenoemde lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning) te introduceren bij woningbouwprojecten, als effectief middel om bestuurlijke traagheid te voorkomen en voorspelbaarheid te vergroten?
Ja, dit is een onderdeel van het advies.
Zo ja, deelt u dan de conclusie dat dit advies inhoudelijk verder gaat dan het amendement-Welzijn (Kamerstuk 36 512, nr. 98), dat alleen voorziet in een fatale beslistermijn bij omgevingsvergunningen?
De invoering van de lex silencio positivo voor de technische bouwactiviteit en de invoering van het amendement-Welzijn zouden beide verstrekkende gevolgen hebben, maar in verschillende richtingen. Er is dus niet aan te geven welke optie verder gaat. Bij de invoering van de lex silencio positivo ontstaat bij termijnoverschrijding van rechtswege een vergunning. Daarbij blijft echter de gemeente als bevoegd gezag verantwoordelijk voor de bekendmaking daarvan, voor afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, en voor toezicht en handhaving op de bouwactiviteit. Deze optie kan voor de technische bouwactiviteit inhoudelijk vergaand zijn omdat voorafgaande beoordeling van de aanvraag ontbreekt, wat bij de technische bouwactiviteit voor woningbouw als risicovol wordt beschouwd (zie ook het antwoord op vraag 10). Het amendement zou ervoor zorgen dat de Minister van VRO bij termijnoverschrijding als bevoegd gezag geheel verantwoordelijk wordt voor de beslissing op de vergunningaanvraag inclusief bezwaar- en beroepsprocedures, toezicht en handhaving. Bezien vanuit de bestuurlijke verhoudingen en de uitvoeringspraktijk is die optie meer ingrijpend.
Waarom kondigt u, zonder invoeringstoets, een novelle aan om het amendement-Welzijn terug te draaien, terwijl zowel de adviesgroep STOER als het kabinet zelf vaststellen dat te late besluitvorming door overheden een van de grootste oorzaken is van vertraging in woningbouwprojecten?
Zoals aangekondigd in mijn brief aan de Eerste Kamer2 van 26 augustus jl. is er, naar aanleiding van het amendement-Welzijn samen met de medeoverheden een Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) uitgevoerd. Die UDO heb ik toegezonden als bijlage bij de nota naar aanleiding van het verslag in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting aan de Eerste Kamer.3 Deze UDO is als bijlage bij deze beantwoording toegevoegd. Op basis van de UDO kom ik tot de conclusie dat dit amendement niet tot versnelling van de vergunningverlening zal leiden, terwijl er wel significante gevolgen zijn voor de uitvoeringspraktijk en het disproportioneel ingrijpt in de bestuurlijke verhoudingen. Om die reden is mijn analyse dat het wetsvoorstel op dit onderdeel reparatie behoeft door het schrappen van dit onderdeel. Daartoe is een novelle op het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting opgesteld die van 3 tot 17 oktober in consultatie is geweest.4 Uit de consultatie is gebleken dat dit onderdeel van het voorstel kan rekenen op steun van het IPO en de VNG.
Bent u ervan op de hoogte dat deze vertragingen ontwikkelaars en woningcorporaties ieder jaar weer luttele miljarden kost, geld dat daardoor dus niet aan meer nieuwe woningen uitgegeven kan worden?
Ik deel de opvatting dat alle vertragingen in de woningbouw ongewenste financiële consequenties kunnen hebben. Uit de UDO blijkt echter dat in meer dan 95% van de gevallen waar het amendement op ziet, tijdig wordt besloten op de vergunningaanvragen. De vertraging in de woningbouw ziet dus niet primair op deze fase. Ik zet in op versnelling in alle fasen van het bouwproces. Ik richt mij op versnelling in de voorfase door middel van publiek-private samenwerking, waarbij marktpartijen goed zicht houden op de voortgang en gezamenlijk zoeken naar werkbare oplossingen. Op die manier kunnen projecten sneller worden losgetrokken. Het sturen op doorlooptijden wordt daarbij een standaardvoorwaarde bij gebiedsontwikkelingen en projecten waarbij het Rijk betrokken is. De resultaten van de pilots met parallel plannen worden opgeschaald naar landelijk niveau.
Om de fase van planvorming en vergunningverlening te versnellen, zet ik in op een structurele versterking van de uitvoeringskracht bij gemeenten. Dit gebeurt door het beschikbaar stellen van extra financiële middelen en het versterken van kennis. In de fase na de vergunningverlening voorziet het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting in procedurele versnellingen van de beroepsprocedure bij woningbouwzaken, wat kan leiden tot een tijdwinst van maximaal een jaar. Dit zorgt ervoor dat sneller duidelijkheid ontstaat over de voortgang van woningbouwprojecten. Tot slot kan ook de bouwfase worden versneld door meer in te zetten op innovatie en industrieel bouwen, waarbij minder arbeidskrachten nodig zijn. Het doel is dat in 2030 de helft van alle woningen industrieel wordt gebouwd.
Wat vindt u ervan dat overheden hier de oorzaak van zijn en bent u bereid uw verantwoordelijkheid te nemen om deze vertragingen te stoppen?
Mijn beeld is veeleer dat vertraging van de woningbouw veroorzaakt wordt door een samenstel van factoren. Een belangrijke sleutel om versnelling te realiseren is een goede samenwerking tussen overheden en marktpartijen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 5 neem ik maatregelen in alle fases van de woningbouw om versnelling te realiseren.
Kunt u aangeven op welke feitelijke of juridische gronden u meent dat uitvoering van het amendement-Welzijn risico’s zou opleveren voor kwaliteit of zorgvuldigheid, en waarom deze risico’s zwaarder wegen dan het maatschappelijke belang van het versnellen van de bouw van 100.000 woningen per jaar in de wetenschap dat we in een diepe wooncrisis zitten die zeer ontwrichtend is en tot woonstress leidt bij honderdduizenden woningzoekers?
Uit de UDO blijkt dat het amendement significante gevolgen heeft voor onder andere de uitvoeringspraktijk, met daarbij risico’s voor de kwaliteit en zorgvuldigheid van de behandeling. Zo kan het amendement leiden tot aanzienlijke complexiteit voor de afhandeling van vergunningaanvragen. Zo behouden gemeenten (en provincies) hun advies- en instemmingsrechten als de bevoegdheid verschuift naar het Rijk. Het betreft advies- en instemmingsrechten voor andere vergunningplichtige activiteiten die tegelijk met de technische bouwactiviteit zijn aangevraagd. Daarnaast is nog steeds lokale kennis nodig voor de beoordeling van de aanvraag en het toezicht op de naleving. Bijvoorbeeld kennis over de bodemgesteldheid. Dit kan leiden tot extra overleg, onzekerheid over verantwoordelijkheden en extra vertraging.
Gemeenten signaleren bovendien dat zij onder druk van een fatale termijn vaker onvolledige aanvragen zullen moeten afwijzen of strategisch kunnen handelen om het verlies van bevoegdheid te voorkomen. Het amendement vergroot daarnaast juist de onvoorspelbaarheid, omdat een gemeente onbevoegd wordt als zij niet tijdig besluit en de bevoegdheid op dat moment – zonder dat daarvoor een duidelijke signalering bestaat – verschuift naar de Minister van VRO. De UDO signaleert in dit verband het risico op onbevoegde vergunningverlening op één of enkele dagen na de fatale termijn. Daarnaast doorkruist het amendement de systematiek van het interbestuurlijk toezicht. Normaal gesproken houden provincies toezicht op gemeenten en kunnen zij ingrijpen bij structurele taakverwaarlozing.
Deze risico’s wegen niet op tegen de mogelijke voordelen, aangezien uit de UDO blijkt dat het amendement in de praktijk niet zal leiden tot versnelling van de woningbouw en zelfs op onderdelen tot extra vertraging kan leiden.
Bent u het ermee eens dat uw eigen passage in de kabinetsreactie – «Besluitvorming binnen de wettelijke termijn is noodzakelijk om vertraging te voorkomen en voorspelbaarheid te vergroten» – in feite een beleidsmatige erkenning vormt van de noodzaak van fatale termijnen, en dat het niet uitvoeren van het amendement hiermee in strijd is?
Uiteraard is het standpunt van het kabinet dat overheden wettelijke beslistermijnen moeten respecteren. In het antwoord op vraag 4 heb ik aangegeven waarom het amendement niet bijdraagt aan versnelling en ik het noodzakelijk vind dit onderdeel van het wetsvoorstel via een novelle te schrappen. Uit de UDO blijkt dat in meer dan 95% van de gevallen tijdig wordt besloten op de vergunningaanvragen voor de (technische) bouwactiviteiten, waar het amendement op ziet. Daar waar niet tijdig wordt besloten wil ik vooral gemeenten in staat stellen om tijdig te besluiten op vergunningaanvragen, door versterking van de capaciteit.
Deelt u de conclusie van de adviesgroep STOER dat door cumulatie van regelgeving en langdurige vergunningprocedures de voorbereidingstijd van woningbouwprojecten gemiddeld zeven jaar bedraagt, en dat een halvering daarvan tot drieënhalf jaar haalbaar is bij toepassing van het voorgestelde maatregelenpakket, inclusief harde termijnen? Zo ja, waarom laat u dan een van de meest directe maatregelen om die versnelling te bereiken (fatale beslistermijnen) buiten beschouwing?
Ik deel de conclusie dat er tijdswinst te behalen valt in alle fases van de woningbouw en dat stapeling van regelgeving onderdeel is van het probleem. Om die reden heeft het kabinet een groot aantal adviezen van de adviesgroep STOER overgenomen en neem ik maatregelen, zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb toegelicht.
Kunt u uiteenzetten hoe u het kabinetsvoornemen om «besluitvorming binnen wettelijke termijnen» te waarborgen denkt te realiseren zonder een juridische stok achter de deur zoals de fatale beslistermijn?
Ik ben allereerst van mening dat gemeenten vooral in staat moeten worden gesteld om tijdig te besluiten op een vergunningaanvraag door versterking van de uitvoeringskracht van gemeenten. Hierover zijn eind 2024 op de Woontop afspraken gemaakt met de desbetreffende medeoverheden. Verder kan ik wijzen op de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen, die in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is ingevoegd. Deze regeling biedt aanvragers een rechtsmiddel als de wettelijke termijnen van besluitvorming worden overschreden. Onder andere doordat de gemeente van rechtswege een dwangsom kan verbeuren als na ingebrekestelling door de aanvrager alsnog niet tijdig wordt beslist.
Erkent u dat de lex silencio positivo, zoals door STOER voorgesteld, juridisch verenigbaar is met de Omgevingswet en Europese regelgeving, mits adequate waarborgen voor veiligheid en gezondheid blijven gelden? Zo ja, kunt u toelichten waarom u desondanks kiest voor een novelle in plaats van voor uitvoering?
Het amendement over fatale termijnen heeft geen betrekking op een vergunning van rechtswege bij termijnoverschrijding, maar betreft verschuiving van het bevoegd gezag van gemeente naar het Rijk bij termijnoverschrijding. Europese regelgeving verzet zich voor sommige vergunningaanvragen tegen de lex silencio positivo. Zo vereisen de mer-richtlijn en het Verdrag van Aarhus een voorafgaande inhoudelijke beoordeling dan wel een uitgebreide voorbereidingsprocedure bij besluiten met aanzienlijke milieugevolgen. Europese regelgeving verzet zich niet tegen de lex silencio positivo bij een aanvraag om alleen een «technische» bouwactiviteit. Het kabinet is desondanks geen voorstander van herinvoering van de lex silencio positivo bij een vergunningaanvraag voor een technische bouwactiviteit. Door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen is voor woningbouw alleen nog een vergunning nodig voor een technische bouwactiviteit voor niet-grondgebonden woningen. Voor dergelijke projecten wordt vergunningverlening van rechtswege zonder voorafgaande toetsing aan de technische eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving als te risicovol wordt beschouwd. In het antwoord op vraag 3 heb ik toegelicht waarom ik reparatie van het bovengenoemde amendement nodig acht.
Bent u bereid om, in lijn met de aanbevelingen van STOER en de kabinetsreactie, alsnog uitvoering te geven aan het amendement-Welzijn, eventueel in de vorm van een pilotregeling of gefaseerde invoering, zodat de effecten in de praktijk kunnen worden gemonitord?
Uit de UDO is gebleken dat het amendement niet zal leiden tot versnelling van de woningbouw en op onderdelen leidt tot extra vertraging. Daarnaast heeft het negatieve gevolgen voor de uitvoeringspraktijk en grijpt het disproportioneel in op de bestuurlijke verhoudingen. Om die reden vind ik het noodzakelijk te voorzien in reparatie door via de novelle dit gewijzigde onderdeel te schrappen. Ik zie daarom geen aanleiding voor een pilotregeling of een gefaseerde invoering. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid het door de Tweede Kamer aangenomen amendement-Welzijn, in het licht van zowel het rapport STOER als de kabinetsreactie van 10 oktober 2025, intact te laten en de invoering daarvan te ondersteunen?
Ik vind het niet wenselijk dat dit gewijzigde onderdeel van het wetsvoorstel in werking treedt om de redenen die ik onder meer in mijn antwoorden op de vragen 4 en 12 heb genoemd.
Bent u bereid om vóór de plenaire behandeling van de Wet versterking regie op de volkshuisvesting in de Eerste Kamer een invoeringstoets te laten uitvoeren naar de praktische en juridische werking van de fatale beslistermijn, inclusief de verwachte effecten op bouwsnelheid, voorspelbaarheid en uitvoeringscapaciteit bij gemeenten?
Ik heb inmiddels via een uitvoeringstoets decentrale overheden (UDO) de uitvoeringseffecten en juridische werking in kaart gebracht, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bent u op de hoogte van pilots in diverse gemeenten in het land waar zelfs gewerkt wordt aan een vergunning in één dag?
Ik ben er mee bekend dat diverse gemeenten door uitgebreide voorbereiding en vooroverleg in de voorfase voorkomen dat een plan vaker terug wordt gestuurd naar de tekentafel waardoor uiteindelijk de besluitvorming kan worden versneld.
Wilt u hierop reflecteren in het licht van het amendement van lid Welzijn die stelt dat binnen de wettelijke termijn van 8 weken met mogelijkheid van verlenging binnen de wet van 6 weken en vindt u dit dan ook meer dan voldoende tijd om de omgevingsvergunning binnen de gestelde termijn af te ronden?
Zoals ik heb begrepen wordt in de pilots gebruik gemaakt van conceptueel bouwen. Als de bouwlocatie bekend is en de bouwwerken worden gestandaardiseerd kan ik me voorstellen dat het vergunningentraject flink versneld kan worden en ruimschoots binnen de wettelijke termijnen afgerond kan worden. Zulke processen onderschrijf ik ten volste.
Wat doet u om ervoor te zorgen dat het vooroverleg tussen gemeenten en ontwikkelaars verbetert, zodat er geen «garbage in, garbage out» situatie optreedt omdat problemen die niet in het vooroverleg worden opgelost onnodig overgetankt worden naar de aanvraag omgevingsvergunning, die daardoor niet binnen de gestelde wettelijke termijn afgewikkeld wordt?
Via het programma Uitvoeringskracht Woningbouw, dat ik samen met IPO en VNG start, werken we aan praktische adviezen aan gemeenten en woningbouwpartners om planprocedures te versnellen en vereenvoudigen. Actief delen van goede voorbeelden uit de praktijk is daar onderdeel van.
Hoe kijkt u in algemene zin naar deze inefficiënte werkwijze rond het vooroverleg en de omgevingsvergunning?
Laat ik voorop stellen dat er altijd wel ergens zaken beter en sneller kunnen, maar in algemene zin herken ik mij niet in uw beeld dat de werkwijze rondom het vooroverleg en de omgevingsvergunning bij alle gemeenten inefficiënt is. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een nulmeting uitgevoerd, waarin onder andere is gekeken naar de doorlooptijden van het vooroverleg en de omgevingsvergunning. Hier kwam uit naar voren dat de gemiddelde doorlooptijd van het vooroverleg 82 dagen (11,7 weken) bedroeg. Bij de behandeling van een omgevingsvergunning, met de reguliere procedure was de gemiddelde doorlooptijd 49,5 dagen (7,1 weken), terwijl de wettelijke behandeltermijn 8 weken bedraagt.5 Hoe dit onder de Omgevingswet uitpakt kan ik op dit moment nog niet aangeven.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er sprake is van meer kansrijke omgevingsvergunningsaanvragen, zodat gemeenten hun schaarse capaciteit niet op kansloze aanvragen hoeven in te zetten?
Het merendeel van de omgevingsvergunningsaanvragen is al kansrijk. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een nulmeting uitgevoerd, waarin naar voren kwam dat onder het voormalige regime van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ruim 90% van de aanvragen om omgevingsvergunning die werden ingediend bij gemeenten leidden tot een vergunning. De overige 10% kende een andere uitkomst.6 Hoe de verhouding tussen verleende en afgewezen aanvragen onder de Omgevingswet uitpakt kan ik op dit moment nog niet aangeven. Daarnaast draagt het nieuwe Omgevingsloket ook nadrukkelijk bij aan het vergroten van het aantal kansrijke omgevingsvergunningsaanvragen. In het Omgevingsloket kan een initiatiefnemer, op één locatie, de voor hem of haar relevante regelgeving vinden en daar zodoende beter rekening mee houden voorafgaand aan het indienen van een omgevingsvergunningsaanvraag. Tot slot speelt ook hier een goed en efficiënt ingericht vooroverleg een belangrijke rol in, omdat in het vooroverleg niet kansrijke omgevingsvergunningaanvragen eruit gefilterd kunnen worden, dan wel kunnen worden aangepast/aangevuld tot kansrijke omgevingsvergunningsaanvragen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De geestelijke verzorging bij de politie |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat het politievak morele vorming van politiemensen vereist om goed politiewerk te leveren en op de been te blijven? Hoe is morele vorming van politiemensen nu expliciet en systematisch ingebed in de initiële opleiding en vervolgopleiding?
Om goed politiewerk te kunnen uitoefenen, is een professionele beroepsidentiteit belangrijk. Dit vormt het morele kompas van de politiemedewerker. De basispolitieopleiding niveau 4 (PO21) is erop gericht om de aspirant voor te bereiden op de uitoefening van de politietaak. Dit betekent dat de aspirant tijdens de opleiding kennis en vaardigheden opdoet en een professionele beroepsidentiteit ontwikkelt waar het politiewerk om vraagt. De ontwikkeling van een professionele beroepsidentiteit loopt als een rode draad door de hele basispolitieopleiding heen. Hiervoor is onder andere een geïntegreerd weerbaarheidsprogramma ontwikkeld. Om in aanmerking te komen voor het diploma moet de aspirant aantonen de kennis en vaardigheden te beheersen en een professionele beroepsidentiteit te hebben verworven. Ook in de bacheloropleidingen politieleider, politieagent, wijkagent en rechercheur is de ontwikkeling van een professionele beroepsidentiteit en morele weerbaarheid een vast onderdeel van het curriculum. Daarnaast wordt er in diverse leiderschapsopleidingen aandacht besteed aan moreel leiderschap. Voor politiemedewerkers die zich verder willen verdiepen in morele weerbaarheid biedt het vakspecialistisch politieonderwijs mogelijkheden tot het volgen van aanvullende trainingen en cursussen.
Bent u ermee bekend dat politiemensen bovengemiddeld vaak te maken hebben met geweld, maatschappelijke spanningen, leed en de dood en dat dit leidt tot verhoogde risico’s op morele verwonding, posttraumatische stressstoornis (PTSS) en uitval? Hoe wordt hierin structureel voorzien door middel van geestelijke verzorging, anders dan psychologische hulpverlening?
Het streven van de politieorganisatie is dat politiemedewerkers zo veilig en gezond mogelijk hun werk kunnen uitvoeren. Hierbij ondersteunt de politie als werkgever haar medewerkers door een breed pakket van maatregelen. De werkgever biedt een politiemedewerker waar nodig zorg, aandacht en ondersteuning. De Zorgwijzer1 geeft een overzicht van het zorg- en ondersteuningsaanbod voor politiemedewerkers. Een voorbeeld hiervan is het Team Collegiale Ondersteuning (TCO), dat laagdrempelig ondersteuning biedt aan politiemedewerkers die een heftige gebeurtenis hebben meegemaakt. Het TCO bestaat uit politiemedewerkers die getraind zijn om gesprekken te voeren met hun collega’s. Daarnaast wordt er ook gewerkt aan preventie, zoals de Gezond Werken app. In deze app zijn tips, oefeningen en achtergrondinformatie op diverse thema´s opgenomen.
Naast ondersteuning op het gebied van fysieke en mentale gezondheid, is er in het brede pakket ook aandacht voor zingeving. Bij politiemedewerkers kunnen er in en door het politiewerk existentiële en ethische vragen opkomen. Politiemedewerkers kunnen hierin worden ondersteund door de geestelijk verzorgers. De geestelijk verzorgers maken deel uit van de Veilig en Gezond Werken (VGW) teams in de eenheden en zijn toegankelijk voor alle politiemedewerkers. Dit levert een bijdrage aan duurzame inzetbaarheid en aan goed politiewerk.
Waarom is er voor de krijgsmacht wel structureel geestelijke verzorging ingebed met voldoende capaciteit en is dit bij de politie nog altijd niet op vergelijkbare schaal gerealiseerd, terwijl beide beroepen structureel blootstaan aan existentiële en morele belasting?
De rollen van geestelijk verzorgers bij politie en Defensie zijn verschillend. Militairen worden over de hele wereld uitgezonden. Bij elke uitzending gaan er geestelijk verzorgers mee vanuit diverse denominaties. Dit leidt tot verschillen in inrichting en schaalgrootte ten opzichte van de politie. In tegenstelling tot uitgezonden defensiemedewerkers kunnen politiemedewerkers gebruik maken van levensbeschouwelijke en religieuze steun in hun persoonlijke netwerk en/of religieuze gemeenschap. Deze steun is beschikbaar naast de steun van de geestelijke verzorgers in de eenheden.
Bij de politie is de geestelijke verzorging structureel ingebed. Conform de afspraak in het arbeidsvoorwaardenakkoord sector politie 2018–2020 is de geestelijke verzorging uitgebreid naar 15 fte, zodat er ten minste 1 fte per eenheid beschikbaar is.
Kunt u garanderen dat geestelijke verzorging bij de politie met een beschermd beroepsgeheim en onafhankelijk van de hiërarchie is ingericht, vergelijkbaar met geestelijke verzorging bij de krijgsmacht? Zo nee, hoe wordt dan de vrijplaats beschermd en de noodzakelijke vertrouwensband gewaarborgd?
Iedere politiemedewerker kan een afspraak maken met een geestelijk verzorger zonder dat hiervoor toestemming of tussenkomst van een ander, zoals een leidinggevende, nodig is. Door de geheimhoudingsplicht (art. 272 Sr.) en het verschoningsrecht (art. 218 Sv.) biedt de geestelijk verzorger een veilige plaats waar politiemedewerkers vrijuit kunnen spreken. Ook zijn de geestelijk verzorgers bevoegd zich vrij in de politieorganisatie te bewegen wanneer dit voor de uitvoering van hun functie wenselijk of noodzakelijk is. Hiermee wordt de noodzakelijke vertrouwensband met de politiemedewerker gewaarborgd.
Is er sprake van een langetermijnvisie op de structurele inbedding van geestelijke verzorging bij de politie die de vrijplaats van geestelijke verzorging garandeert, vergelijkbaar met de structurele inbedding bij de krijgsmacht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel ‘Cordaan en Amsterdam UMC stoppen na zeven jaar met Wijkkliniek in Zuidoost’ |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van Cordaan en Amsterdam UMC om per december 2025 te stoppen met de wijkkliniek in Amsterdam Zuidoost, ondanks positieve uitkomsten en brede waardering voor het zorgconcept?1
Ja, ik ben bekend met dit besluit.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze sluiting voortkomt uit een verschil in visie tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders, en niet uit bijvoorbeeld negatieve resultaten of kwaliteit van zorg?
Het besluit van Cordaan om te stoppen met de wijkkliniek heeft te maken met meerdere factoren. De betrokken partijen hebben verschillende visies op de verdere doorontwikkeling van het concept, bijvoorbeeld over de locatie waar de zorg geleverd moet worden en wie de regiebehandelaar moet zijn. Daarnaast spelen ook organisatorische en financiële overwegingen een rol.
Ik vind het belangrijk dat partijen gezamenlijk tot één gedragen visie komen, gebaseerd op onderzoek en passend bij de landelijke ambitie voor toekomstbestendige ouderenzorg. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt toezicht op zorgvuldige contractering en gaat, samen met het Zorginstituut (ZiNL), in gesprek met Cordaan, Zilveren Kruis en het Amsterdam UMC om te begrijpen wat er is gebeurd en welke lessen hieruit kunnen worden getrokken.
Het sluiten van de wijkkliniek in Amsterdam betekent niet dat het zorgconcept als geheel stopt. Zorgverzekeraars geven aan dat er brede steun is voor opschaling, waardoor wordt gewerkt aan een toename van het aantal wijkklinieken van vijf naar tien in 2026.
Komt het vaker voor dat succesvolle zorgconcepten worden beëindigd vanwege beleidsmatige verschillen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders? Wat zegt dit over de stabiliteit en continuïteit van innovatieve zorgvormen?
Ik vind innovatie in de zorg belangrijk, met name als dit bijdraagt aan passende zorg. De overheid zet zich hier actief voor in. Vijf overheidspartijen zetten zich via het platform «Zorg voor Innoveren» in om informatie en ondersteuning aan zorginnovatoren te bieden. Daarnaast biedt de NZa veel ruimte om te experimenteren met innovatie binnen hun regels. Wanneer de innovatie aantoonbaar resulteert in betere, goedkopere en/of efficiëntere zorg, kijkt de NZa naar manieren waarop het zorgconcept opgenomen kan worden in de regels.
In 2019 deed de NZa onderzoek waaruit bleek dat 78% van de experimenten overgaat naar zorg die structureel wordt bekostigd. Dit toont dat wanneer een experiment met een innovatieve zorgvorm van start gaat, de kans op continuïteit groot is. Data over redenen van het niet slagen van experimenten op landelijk niveau is niet beschikbaar.
Deelt u de mening dat het verdwijnen van de wijkkliniek een verlies is voor de acute ouderenzorg in een kwetsbare wijk als Gein, en dat dit haaks staat op het streven naar passende zorg dichtbij huis?
Het verdwijnen van de wijkkliniek in Amsterdam betekent niet dat er onvoldoende zorg beschikbaar zal zijn. Zilveren Kruis heeft mij laten weten dat er voor de gehele regio, niet alleen voor de wijk Gein, ook na 1 december voldoende capaciteit zal zijn voor de opvang van kwetsbare ouderen. Hierover is contact geweest met zorgverzekeraars, die op hun beurt contact hebben gehad met zorgaanbieders (verpleeg- en verzorgingshuizen, ziekenhuizen, huisartsen en de ambulancedienst).
Daarnaast is er stedelijke beschikbaarheid van tijdelijk verblijf op verschillende locaties in de regio. Ter illustratie: recent is een transferafdeling geopend2 met 29 bedden in het Amsterdam UMC (locatie AMC in Zuidoost). Ik ga ervan uit dat daarmee voldoende beschikbaarheid geborgd is, in lijn met de zorgplicht van verzekeraars.
Hoe past het sluiten van de wijkkliniek binnen het streven naar passende zorg, zoals verwoord in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)?
Het zorgconcept van de wijkkliniek heeft veel potentie om passende zorg te bieden aan ouderen. Het is daarbij belangrijk om te kijken wat die passende zorg dan is. Daarom zijn er meerdere wijkkliniek proeftuinen. Ik zie dat andere wijkkliniek proeftuinen wel doorgaan en vanuit de praktijk verder input leveren om samen te bepalen wat passende zorg in de acute ouderenzorg is.
In afspraken uit het IZA en AZWA zetten we daarnaast in op goed afgestemde zorg thuis vanuit de eerstelijnszorgprofessionals als dat na opname nodig is. We bouwen daarbij in de wijk aan hechte wijkverbanden waarin ten minste de huisarts, wijkverpleging, apotheker en professional uit het sociaal domein samenwerken. Daardoor kan gezorgd worden dat als een patiënt weer naar huis komt het ook snel duidelijk is wat bijvoorbeeld van een huisarts of wijkverpleegkundige nodig is om de patiënt passend te ondersteunen.
Bent u bereid om binnen het AZWA te verkennen hoe wijkgerichte ouderenzorgconcepten zoals de wijkkliniek structureel kunnen worden ondersteund en beschermd tegen voortijdige beëindiging?
Zoals eerder aangegeven verdwijnt het zorgconcept wijkkliniek niet. Er is brede steun voor opschaling, zorgverzekeraars zetten zich in om het aantal wijkklinieken te vergroten van vijf naar tien in 2026.
Tijdens het bekostigingsexperiment revalidatie- en herstelzorg wordt deze zorgvorm geëvalueerd en wordt bepaald welke vorm van bekostiging het meest passend is. Daarmee wordt toegewerkt naar structurele bekostiging.
Bent u bereid om conform uw uitspraak tijdens het commissiedebat over acute zorg op 25 september 2025, «Als je acute zorg nodig hebt, dan moet je daar goede toegang toe hebben en dan moet je erop kunnen vertrouwen dat je goede zorg krijgt»2, actief aan te dringen bij de betrokken zorgverzekeraars op het openhouden van de wijkkliniek als acute voorziening voor kwetsbare ouderen in Amsterdam Zuidoost?
Acute zorg moet altijd van goede kwaliteit en toegankelijk zijn voor iedereen die acute zorg nodig heeft. Het is aan de zorgverzekeraars om ervoor te zorgen dat dit gewaarborgd blijft middels de zorgplicht. De NZa ziet hierop toe.
Het past niet bij mijn rol om zorgverzekeraars te dwingen zorg te contracteren bij specifieke zorgaanbieders. Ik vind het hierbij uiteraard van belang dat de kwaliteit, continuïteit en toegankelijkheid van acute zorg niet in het geding komt. Zoals aangegeven in vraag 4, is dit voor de regio gewaarborgd.
Kunt u toezeggen om in overleg te treden met zorgverzekeraars, Cordaan, Amsterdam UMC en de gemeente Amsterdam om te bezien hoe het concept van de wijkkliniek structureel behouden kan blijven?
Het sluiten van de wijkkliniek van Cordaan betekent niet dat het zorgconcept wijkkliniek verdwijnt. De NZa en ZiNL pakken hier hun systeemverantwoordelijke rol door samen in gesprek te gaan met Cordaan en Zilveren Kruis als respectievelijk zorgaanbieder en zorgverzekeraar, en met het Amsterdam UMC als betrokken partner. Zij onderzoeken gezamenlijk wat er is gebeurd en welke lessen hieruit getrokken kunnen worden.
Ik heb er vertrouwen in dat de informatie die in deze gesprekken wordt opgehaald, zorgverzekeraars en zorgaanbieders behulpzaam is bij de doorontwikkeling van deze zorgvorm. Ook draagt dit bij aan het ontstaan van een gemeenschappelijke visie op wijkkliniekzorg. Uiteraard laat ik mij goed informeren door NZa en ZiNL over de uitkomsten van de gesprekken.
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de randvoorwaarden zet ik mij in om de noodzakelijke voorwaarden voor het bekostigingsexperiment revalidatie- en herstelzorg mogelijk te maken. Binnen dit experiment kunnen zorgaanbieders en zorgverzekeraars deze zorgvorm verder ontwikkelen, waarbij wordt toegewerkt naar structurele bekostiging.
Het bericht 'Cordaan en Amsterdam UMC stoppen met Wijkkliniek' |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht uit Skipr «Cordaan en Amsterdam UMC stoppen met Wijkkliniek»?1
Ja.
Wanneer bent u op de hoogte gebracht dat de wijkkliniek in Amsterdam ZuidOost per 1 december 2025 verdwijnt?
Ik ben op 8 oktober 2025 door Zorgverzekeraars Nederland geïnformeerd over het stoppen van de wijkkliniek in Amsterdam Zuidoost.
Bent u ervan op de hoogte dat het doel van de wijkkliniek was om ouderen met een acute, medische zorgvraag te behandelen in een omgeving die voor hun herstel beter is dan een ziekenhuis?
De wijkkliniek heeft als doel om acute medische zorg en herstelgerichte ondersteuning te bieden aan ouderen. Ik zie veel waarde in het concept van de wijkkliniek. Onderzoek2 toont aan dat deze vorm van zorg effectief is en onnodige ziekenhuisopnames voorkomt. Het concept wordt inmiddels succesvol toegepast bij andere zorgaanbieders zoals ZZG Zorggroep, Pantein en De Zorgcirkel. Het is daarom belangrijk onderscheid te maken tussen de landelijke ontwikkeling van het concept wijkkliniek en de specifieke situatie van Cordaan in Amsterdam. Het stoppen van de wijkkliniek in Amsterdam betekent niet dat het concept als geheel verdwijnt.
Wat is uw reactie op het bericht dat de zorgverzekeraars deze acute, medische zorg alleen willen inkopen als het wordt aangeboden als onderdeel van een geriatrische revalidatie-afdeling van de verpleging, verzorging en thuiszorg (vvt), die gesitueerd is in ziekenhuizen met een spoedeisende hulp (SEH) en dus niet meer in een verpleeghuis, zoals nu nog het geval is?
Het afgelopen jaar heeft een evaluatie van het zorgconcept plaatsgevonden als onderdeel van het leren en verbeteren met de proeftuinen wijkkliniek door het projectteam wijkkliniek. De bevindingen zijn gepubliceerd in «Recente ontwikkelingen leernetwerk acute ouderenzorg – proeftuinen wijkkliniek»3.
Zorgverzekeraars hebben op basis van deze evaluatie en de data-analyse van de kosten de conclusie getrokken dat het wenselijk is dat de wijkkliniek is gepositioneerd nabij een spoedeisende hulp. Dit voorkomt dat er ambulancevervoer nodig is voor de verplaatsing van de patiënt.
Uit de evaluatie van zorgverzekeraars blijkt dat de locatie van de wijkkliniek nadrukkelijk niet binnen een ziekenhuis hoeft te zijn. Het heeft juist de voorkeur dat deze zorgvorm aangeboden wordt in een setting waar ook andere vormen van ouderenzorg worden geleverd. Dit betreft vaak verpleeghuizen met afdelingen eerstelijnsverblijf (Elv) en/of geriatrische revalidatiezorg (Grz).
Wat is uw reactie dat de zorgverzekeraars vinden dat de specialist ouderenzorg verantwoordelijk moet zijn voor de behandeling en daartegenover Cordaan en Amsterdam UMC vinden dat verantwoordelijkheid juist bij een medisch specialist moet liggen, zoals een klinisch geriater of internist ouderengeneeskunde, aangezien het om acute medische ouderenzorg gaat?
Ik vind het belangrijk dat partijen tot één gedragen visie komen, gebaseerd op onderzoek en passend bij de landelijke ambitie voor toekomstbestendige ouderenzorg. Zoals in het antwoord op vraag 4 beschreven heeft er een evaluatie van het zorgconcept wijkkliniek plaatsgevonden. Uit deze evaluatie blijkt dat de specialist ouderengeneeskunde (SO) de functie van regiebehandelaar kan vervullen, ook voor de complexe wijkkliniekzorg. Hieruit blijkt ook dat consultatie van een klinisch geriater of internist ouderengeneeskunde daarbij wenselijk is. Voor de complexere wijkkliniekzorg vinden de proeftuinen medebehandeling van een klinisch geriater of internist ouderengeneeskunde noodzakelijk.
Wat is uw reactie op het feit dat de zorgverzekeraars en Cordaan/ AmsterdamUMC er niet uit zijn gekomen om de wijkkliniek in Amsterdam ZuidOost te behouden?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zie ik veel waarde in het concept van de wijkkliniek. Het vormt een positieve stap in de beweging naar passende zorg.
Het besluit van Cordaan om te stoppen met de wijkkliniek in Amsterdam heeft te maken met meerdere factoren. De betrokken partijen verschillen van inzicht over de verdere doorontwikkeling van het concept, onder meer over de locatie waar deze zorg moet plaatsvinden en wie de regiebehandelaar is. Daarnaast spelen ook organisatorische en financiële overwegingen mee.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ziet toe op zorgvuldige contractering en gaat samen met het Zorginstituut Nederland (ZiNL), in gesprek met Cordaan, Zilveren Kruis en het Amsterdam UMC om te begrijpen wat er is gebeurd en welke lessen hieruit getrokken kunnen worden.
Kunt u uiteenzetten op welke onderdelen de beleidswijziging van de zorgverzekeraars overeenkomt met het rapport van Zorginstituut Nederland over «Kortdurende zorg in het tijdelijk verblijf en thuis», en op welke punten deze daarvan afwijkt?
In het advies van het ZiNL wordt aangegeven dat het wenselijk is dat er wordt toegewerkt naar één tijdelijk verblijf voor kortdurende zorg in de Zvw. Dit omvat niet alleen de wijkkliniek, maar ook Grz en Elv. Het aanbieden van deze zorgvormen op één locatie voorkomt verplaatsing van patiënten wanneer op- of afschalen van zorg nodig is.
De regiebehandelaar in de wijkkliniek kan wat betreft het ZiNL een SO of medisch specialist zijn. De zorgverzekeraars zien de SO als regiebehandelaar, eventueel met de medische specialist als medebehandelaar.
Wat is uw reactie op het feit dat sluiting van de wijkkliniek ertoe leidt dat ouderen vaker in het ziekenhuis worden opgenomen, terwijl dit juist leidt tot duurdere zorg en onnodige druk op de tweedelijnszorg?
Het stoppen van één aanbieder verandert niets aan de ambitie om onnodige ziekenhuisopnames bij ouderen te voorkomen. Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 3 wordt het zorgconcept inmiddels succesvol toegepast bij andere zorgaanbieders. De komende tijd wordt het zorgconcept verder opgeschaald. Zorgverzekeraars geven aan zich in te spannen om in 2026 het aantal proeftuinen uit te breiden van vijf naar tien. Hierdoor is de verwachting dat landelijk minder ouderen onnodig opgenomen worden in een ziekenhuis.
Wat is uw reactie op de dreiging dat het unieke zorgconcept van de wijkkliniek en daarmee toekomstgerichte zorg, gericht op de vergrijzing, verdwijnt?
Zoals eerder in het antwoord op vraag 8 sta ik achter het concept van de wijkkliniek en wordt dit concept juist verder opgeschaald.
Bent u bereid zich maximaal in te zetten voor het behoud van de wijkkliniek? Zo nee, wat zijn hiervoor de overwegingen? Zo ja, welke concrete stappen worden daarbij overwogen?
Het concept wijkkliniek is in mijn ogen een belangrijke toevoeging aan het aanbod van revalidatie- en herstelgerichte zorg. Dit moet, in een gedragen visie door zorgverzekeraars, aanbieders en patiënten, een vaste plek krijgen. Tijdens het bekostigingsexperiment revalidatie- en herstelzorg, wordt deze zorgvorm geëvalueerd en wordt bepaald welke vorm van bekostiging het meest passend is. Daarmee wordt toegewerkt naar structurele bekostiging.
Aanvallen van Hamas op Palestijnen in Gaza |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Klopt het dat Hamas sinds en rond het ingaan van het staakt-het-vuren de aanval heeft geopend op meerdere Palestijnen in de wijk Sabra in Gaza-stad en meerdere Palestijnen heeft geëxecuteerd? Hoeveel mensen zijn hierbij omgekomen?
Na het ingaan van het staakt-het-vuren keerde Hamas zichtbaar terug op straat in Gaza. Op sociale media circuleren beelden waarop te zien is hoe acht geblinddoekte mannen in Gaza-stad worden geëxecuteerd. Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over de exacte aantallen mensen die zijn geëxecuteerd. Het lijkt echter te gaan om tientallen executies. Onder druk van bemiddelende partijen bij het staakt-het-vuren zijn de executies op deze publieke wijze gestopt.
Klopt het dat Hamas-strijders zich bij deze aanval verschuilden in ambulances? Zo ja, hoe beoordeelt het kabinet dat? Is deze tactiek in de afgelopen twee jaar vaker ingezet?
Het kabinet kan dit specifieke incident niet eigenstandig verifiëren. In algemene zin veroordeelt het kabinet uiteraard dergelijk misbruik van civiele (hulp)middelen door Hamas.
Bent u bekend met de gezamenlijke oproep van de clans in Gaza?1 Hoe beoordeelt u deze oproep?
Het kabinet heeft deze oproep niet kunnen verifiëren.
Klopt het dat de woordvoerder van de veiligheidstroepen van de Palestijnse Autoriteit de uitspraak heeft gedaan dat Hamas nu de basis legt voor een burgeroorlog in Gaza?2 Hoe beoordeelt u deze uitspraak?
Woordvoerder Anwar Rajab heeft inderdaad een dergelijke uitspraak gedaan. Het kabinet deelt de opvatting dat Hamas het grootste obstakel vormt voor de implementatie van het vredesplan van president Trump. De ontwapening en ontmanteling van Hamas zijn dan ook cruciaal om orde en veiligheid in de Gazastrook te bewerkstelligen. Uit mijn recente gesprekken met mijn collega’s uit de regio maak ik op dat deze zienswijze breed binnen de regio wordt gedeeld.
Kan het kabinet zich in internationaal verband inzetten voor de veiligheid van onder andere de Dughmush clan en voorkomen dat buitengerechtelijke executies plaatsvinden? Hoe kan het kabinet in internationaal verband de veiligheid van verschillende clans, minderheden en Palestijnen in het algemeen in Gaza aankaarten?
Het belangrijkste voor het bijdragen aan de bescherming van de burgerbevolking in Gaza is dat het staakt-het-vuren standhoudt, en dat er zicht komt op een duurzame oplossing van het conflict. Het vredesplan dat op 13 oktober is ondertekend biedt daarvoor nu momentum. Het is zaak dat er afspraken worden gemaakt over de volgende fases van het plan: o.a. de totstandkoming van een internationaal ondersteund en technocratisch overgangsbestuur in Gaza en de ontwapening van Hamas. Dit zal niet gemakkelijk zijn. De inspanningen van het kabinet zijn erop gericht dit plan te laten slagen. Hiervoor bracht ik begin november een bezoek aan Israël en de Palestijnse Gebieden. Daar sprak ik onder meer de Amerikaanse Generaal Frank die leiding geeft aan het Civil Military Coordination Center(CMCC). Dit centrum is opgezet om de implementatie van het vredesplan van Trump te ondersteunen. Het kabinet plaatst twee tijdelijke civiele experts bij dit centrum. Daarnaast draagt het kabinet bij aan de EU missies EUBAM Rafah en EUPOL COPPS, en werkt het in EU-verband aan sancties tegen Hamas. Ook heeft het kabinet sinds 7 oktober 2025 zo’n EUR 94 miljoen beschikbaar gesteld specifiek voor humanitaire hulp aan de Gazastrook, en EUR 25 miljoen voor het versterken van medische capaciteit in Gaza en de omliggende landen. Tot slot kijkt het kabinet hoe het kan bijdragen aan de wederopbouw van de Gazastrook. Zo zal Nederland samen met een aantal andere landen mede-gastheer zijn van een conferentie in Kaïro over dit onderwerp.
In hoeverre heeft deze situatie invloed op het Amerikaanse vredesplan en de stabiliteit in Gaza?
Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2025?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Illegale gokaanbieders die zich richten op jongeren |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Illegale gokaanbieders paaien Nederlandse jongeren»? Hoe luidt uw reactie op de bevinding dat minderjarigen zich moeiteloos kunnen registreren bij verschillende illegale online casino’s?
Ja, ik heb kennisgenomen van genoemd artikel. Ik vind het heel zorgelijk dat minderjarigen zo makkelijk toegang hebben tot illegale online kansspelen. Illegale aanbieders voelen zich niet gebonden aan regels en bieden doorgaans geen waarborgen voor bescherming, zoals het beletten dat minderjarigen kunnen gokken. Daarom is een belangrijk doel van mijn beleidsinzet om dit aanbod en de toegang tot dit aanbod tegen te gaan.
De zorgelijke cijfers over minderjarigen en jongvolwassenen die deelnemen aan kansspelen, benadrukken hoe belangrijk het is om in te zetten op het voorkomen van gokschade, zoals ook is aangegeven in de brief over de visie op het kansspelbeleid, die op 14 februari 2025 aan uw Kamer is gestuurd.1 In deze brief zijn ook maatregelen aangekondigd om de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) te herzien. De nieuwe visie kent als belangrijkste doelstelling het beschermen van burgers tegen schade door gokken, met specifieke aandacht voor jongvolwassenen en minderjarigen. Daarnaast wordt ingezet op intensievere bestrijding van het illegale aanbod en deelname daaraan. Dit doe ik door aanvullende instrumenten voor handhaving in wet- en regelgeving te creëren. De Kansspelautoriteit (Ksa) zet ook specifiek in op het beschermen van minderjarigen en jongvolwassenen en heeft dit als prioriteit opgenomen in haar Toezichtsagenda 2025.
Naast wijziging van de wet- en regelgeving en handhaving door de Ksa wordt ingezet op preventieve maatregelen, zoals gerichte bewustwordingsactiviteiten om met name jongvolwassenen en hun omgeving bewust te maken van de risico’s van gokken. Daarbij worden ook vanuit het Verslavingspreventiefonds onverminderd initiatieven mogelijk gemaakt of ondersteund en wordt hierop verder geïntensiveerd. Zoals door mijn voorganger is aangegeven in zijn brief van 3 juli 2025 is Verslavingskunde Nederland (VKN) gevraagd om in hun programma «preventie en vroegsignalering van verslavingsproblematiek» aandacht te hebben voor de groei van gokken onder minderjarigen. Daarbij werkt VKN onder meer nauw samen met gemeenten en wordt ook ingezet op het tegengaan van gokproblematiek. VKN gaat bekijken of en hoe zij in hun bestaande preventietrajecten meer aandacht kan hebben voor het voorkomen van gokken onder minderjarigen.
Er loopt voorts een aantal onderzoeken naar gokgedrag onder jongeren. Zo doet de Ksa verdiepend onderzoek naar deelname van minderjarigen aan online kansspelen bij legale aanbieders. De vraag hoe minderjarigen deelnemen aan online kansspelen zal tevens worden meegenomen in het onderzoek Perspectief van Nederlanders op kansspelen 2025 dat dit jaar wordt opgeleverd.
Daarnaast wordt vanuit het Verslavingspreventiefonds, in samenwerking met ZonMW, het programma «Preventie voor kansspelverslaving» gefinancierd, waarbinnen een programma zich specifiek richt op onderzoek naar kwetsbare spelers.
Tot slot werk ik in het kader van de verbreding van verslavingspreventie naar het tegengaan van gokschade samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Ksa aan een strategische meerjarenagenda bescherming tegen gokschade ter opvolging van de werkagenda verslavingspreventie kansspelen.2
Hoe luidt uw reactie op de bevinding dat minderjarigen geld kunnen storten naar online casino’s vanaf een jongerenrekening?
De bevinding dat een minderjarige geld kan storten naar illegale online casino’s, zoals in het nieuwsbericht is beschreven, vind ik uitermate zorgelijk. Jongeren behoren tot een kwetsbare groep die extra gevoelig is voor de verleidingen van gokken. Dit geldt in het bijzonder voor minderjaren, voor wie het om die reden ook verboden is om te gokken. Ik vind dat een minderjarige geen geld moet kunnen storten bij online casino’s en mijn inzet is erop gericht om dit te voorkomen. Samen met de Ksa bezie ik op welke wijze dit efficiënt en effectief kan worden tegen gegaan en zet ik in op preventiebeleid zoals in het antwoord op vraag 1 omschreven.
Klopt het dat transacties tussen bankrekeningen voor minderjarigen en online gokspellen geblokkeerd behoren te worden? Hoe verklaart u de bevinding dat dit desondanks wel mogelijk blijkt? Hoe kunt u deze blokkade, waar nodig samen met de bankensector, nader effectueren?
Laat ik voorop stellen dat minderjarigen niet mogen deelnemen aan kansspelen en dat ik zo veel mogelijk wil voorkomen dat dit gebeurt.
Binnen het vergunde kansspelaanbod is het kansspelaanbieders verboden een minderjarige toegang te geven tot de spelomgeving. Voor vergunde kansspelaanbieders gelden strenge wettelijke eisen voor leeftijdscontrole. Zij moeten de identiteit van een speler verifiëren en daarmee ook de meerderjarigheid van een persoon voordat zij deze mogen inschrijven. De Ksa houdt hier scherp toezicht op. Bij het aanmaken van een account bij een vergunde aanbieder moet ook de aan het account gekoppelde bankrekening worden gecontroleerd. Een bankrekening die op naam staat van een minderjarige mag niet worden gekoppeld. Daardoor is het waarschijnlijker dat minderjarigen door anderen toegang krijgen tot de spelomgeving en op andermans account gokken, bijvoorbeeld van een meerderjarige vriend of een familielid. Als dit het geval is, ligt er ook een verantwoordelijkheid bij degene die toegang tot zijn account geeft.
Er wordt van betaaldienstverleners op grond van de huidige wet- en regelgeving niet verwacht dat zij actief onderzoeken welke transacties mogelijk betrekking hebben op verboden deelname aan kansspelen en deze blokkeren. Wel kan worden verwacht dat een betaaldienstverlener een transactie redelijkerwijs blokkeert, wanneer zij weet dat het een transactie betreft die deelname aan verboden kansspelen mogelijk maakt. Op dit moment wordt onderzocht hoe betaaldienstverleners in staat kunnen worden gesteld om informatie te krijgen van transacties met illegale aanbieders.
Welke aansprakelijkheid geldt hier voor de banken zelf?
Zie antwoord vraag 3.
Herkent u het beeld van het Keurmerk Verantwoorde Affiliates (KVA) dat minderjarigen steeds vaker doelwit zijn van online marketingcampagnes van illegale gokaanbieders?
Ik heb over het aantal minderjarigen dat reclames van illegale gokbedrijven ziet geen specifieke gegevens. Dat laat onverlet dat ik signalen hierover van organisaties als het Keurmerk Verantwoorde Affiliates serieus neem. Ik vind het zeer onwenselijk dat werving en reclame door illegale aanbieders überhaupt mensen bereikt, in het bijzonder minderjarigen en jongvolwassenen.
Naast het illegaal aanbieden zelf is het ook verboden om illegaal aanbod te faciliteren of bevorderen, zoals vermeld in het antwoord op vragen 3 en 4. De Ksa ontwikkelt momenteel binnen het huidige wettelijke kader methoden om het aanbod van illegale aanbieders terug te dringen. Daarvoor zoekt de Ksa actief de samenwerking op met partijen zoals de financiële sector, gokspelleveranciers, internetbedrijven, sociale mediaplatforms, collega-toezichthouders, vertegenwoordigers van vergunninghouders en affiliates. Deze samenwerking, genaamd de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen (hierna: Alliantie), richt zich met name op het frustreren van de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken om hun illegale diensten aan te bieden. Dit sluit ook aan op de aangenomen motie Dral.3 Daarnaast is mijn inzet erop gericht om in het aangekondigde wetstraject op het gebied van kansspelen op afstand aanvullende instrumenten te scheppen, waarmee de Ksa makkelijker en sneller partijen die illegaal aanbod faciliteren kan aanspreken en ervoor zorgen dat geen toegang tot illegaal aanbod meer wordt verleend.
Deelt u de verontrusting dat illegale gokbedrijven steeds vaker minderjarigen benaderen via advertenties? Welke maatregelen gaat u ondernemen om deze illegale advertenties een halt toe te roepen?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre wordt een effectieve aanpak van reclame gericht op jongeren door illegale gokbedrijven gehinderd doordat dergelijke advertering via servers van Discord of Telegram plaats vindt? Welke maatregelen kunt u hierin nemen? In hoeverre is het mogelijk servers waarop illegaal geadverteerd wordt uit de lucht te halen?
De aanpak van reclame voor illegaal kansspelaanbod vormt een belangrijk aandachtsgebied voor de Ksa, dat zij samen met de Alliantiepartners actief oppakt. Zo wordt alle gesignaleerde illegale reclame bij de betreffende platforms door de Ksa gemeld, met als doel de zichtbaarheid van dit aanbod te verminderen. Daarnaast stimuleert de Ksa online platforms om illegale content proactief te weren van hun platforms. Tot slot verplicht de Digitale dienstenverordening (DSA) online platforms om effectieve meldkanalen voor illegale content in te richten en kortdaad te reageren op meldingen van deze kanalen. De Ksa onderhoudt hierover intensief contact met de Autoriteit Consument en Markt (ACM), de aangewezen toezichthouder op de DSA. De DSA biedt ook de mogelijkheid om een «trusted flagger» aan te wijzen, wat de aanpak van illegale gokcontent online verder kan versterken.4 De Ksa stimuleert organisaties om haar als toezichthouder de status van «trusted flagger» toe te kennen. Bij meerdere platforms is dit al het geval.
In de praktijk is het voor de Ksa moelijker om toezicht te houden op besloten platforms. Om beter toezicht te kunnen houden op deze platforms kan het in antwoord 6 beschreven aanvullende wettelijke instrumentarium nodig zijn om effectiever te kunnen handhaven.
Hoe luidt uw reactie op de bevinding van onderzoeksbureau Ipsos dat het percentage Nederlandse jongeren van 16- en 17 jaar dat online gokt gestegen is naar 20 procent ligt? Deelt u de mening dat dit een schrikbarend hoog aandeel is? Welke maatregelen gaat u nemen om dit percentage terug te dringen?
De in het onderzoek van Ipsos I&O geconstateerde stijging van het percentage van zestien- en zeventienjarigen dat online gokt van twaalf naar twintig procent vind ik zeer zorgwekkend.5 Het is niet duidelijk of deze jongeren illegaal hebben gegokt, of het speelaccount van een meerderjarig persoon hebben gebruikt, of dat zij de strenge identificatieplicht die bij legaal aanbod geldt hebben kunnen omzeilen. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, wordt hier momenteel onderzoek naar gedaan. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 en vraag 6, treffen de Ksa en ik maatregelen om gokschade te voorkomen en illegaal aanbod en deelname daaraan tegen te gaan.
Op welke wijze gaat u jongeren die verslaafd zijn geraakt aan online gokken ondersteuning bieden? Wat is uw boodschap aan jongeren die in voorkomende gevallen veel geld zijn kwijtgeraakt door het online gokken bij illegale aanbieders? Hoe gaat u voorkomen dat nog meer jongeren verslaafd raken?
Voor jongeren die problemen hebben door gokken of zelfs verslaafd zijn geraakt aan gokken is hulp en zorg beschikbaar. Onder andere via Openovergokken.nl, een initiatief van de Ksa, is hulp te vinden. Het is daarnaast van groot belang om te voorkomen dat jongeren in de problemen raken door gokken. In mijn antwoord op vraag 1 heb ik uiteengezet hoe ik inzet op betere bescherming van jongvolwassenen en minderjarigen.
Hoe luidt uw reactie op de constatering dat van de 56 miljoen euro aan boetes die de kansspelautoriteit uitschreef aan illegale casino’s, minder dan drie procent is betaald? Hoe kunt u dit verklaren? Welke actie gaat u ondernemen om deze boetes te innen?
Zoals ik in mijn antwoorden op Kamervragen van het lid Boswijk (CDA) heb aangegeven, is het onacceptabel dat illegale aanbieders hun betalingsverplichtingen met betrekking tot de door de Ksa opgelegde boetes niet nakomen.6 Het is in de praktijk echter lastig om met boetes het illegale aanbod effectief te bestrijden. Deze boetes kunnen namelijk vaak niet worden geïnd vanwege complexe juridische constructies en/of vestiging van de illegale aanbieder in een land waar Nederland geen internationale afspraken mee heeft. Daarom zet de Ksa deurwaarders in om alsnog onbetaalde boetes ingevorderd te krijgen en richt de Ksa zich niet alleen op de aanbieder zelf, maar ook op de infrastructuur die illegale online aanbieders gebruiken zoals beschreven in het antwoord op vraag 6.
Hoe beoordeelt u de stelling van de Nederlandse vereniging van Banken dat «jongeren bij illegale casino’s [vaak storten] met cryptovaluta of cadeaubonnen. Het gaat hier om buitenlandse bedrijven. Dit moet op EU-niveau worden bestreden»? Bent u bereid zich op Europees niveau in te spannen om deze praktijken te bestrijden? Zo ja, hoe? Welke regelgeving dient daarvoor gewijzigd te worden?
Het is mij bekend dat betalingen met cryptovaluta en cadeaukaarten bij sommige illegale partijen mogelijk zijn. Het aanbieden van kansspelen zonder vergunning is in Nederland verboden, ongeacht welke betaalmiddelen daarvoor worden aangeboden. Het illegaal aanbod wordt daarom aangepakt ongeacht de vraag of de betaalmiddelen zelf zijn toegestaan of niet. Om dit effectiever te kunnen doen is ook samenwerking benodigd met andere Europese lidstaten. Ten aanzien van kansspelen is er nog geen Europees wettelijk kader. Daarom zetten zowel de Ksa als ik ons in voor het creëren van Europese samenwerking op dit gebied.
Wat is er nog extra nodig in de reclameregelgeving zodat illegale gokadvertenties niet bij minderjarigen terechtkomen?
De reclameregelgeving voor kansspelen heeft betrekking op de vergunde aanbieders. Illegaal aanbod is verboden en daarmee is ook alle reclame voor dit aanbod verboden. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 6, vind ik het onacceptabel dat reclame voor illegaal aanbod mogelijk is en in het bijzonder dat deze reclame bij minderjarigen terecht komt. In dat antwoord ben ik ook ingegaan op de maatregelen waar ik op inzet.
Bent u bereid de kansspelautoriteit als toezichthouder bevoegdheden te geven om illegale casinosites zelf offline te halen? Zo ja, hoe snel realiseert u dat? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderzoek op dit moment op welke wijze de Ksa de mogelijkheid kan krijgen om websites snel op zwart te zetten. Ik kijk momenteel op welke manier dit juridisch en technisch mogelijk kan worden gemaakt. De beste optie hiervoor neem ik mee in het wetsvoorstel voor verbeteringen rond kansspelen op afstand dat ik in 2026 in consultatie wil brengen.
Wilt u uw steun aan de «Alliantie voor het Bestrijden van Illegale Online Kansspelen»? Hoe luidt uw reactie op de opmerking dat «Er op dit moment geen kabinet [is] om zich hier over te buigen; op korte termijn zoeken we met ketenpartners naar oplossingen.» Bent u bereid zo spoedig mogelijk te gaan participeren in deze alliantie?
Ik ben er voorstander van om in de aanpak van illegaal aanbod samenwerking met andere partijen te zoeken en te kijken op welke wijze, naast aanpassingen van wet- en regelgeving, illegaal aanbod bestreden kan worden. De Ksa is de onafhankelijke toezichthouder op de kansspelsector. Ik vind het logisch dat de Ksa het initiatief heeft voor de Alliantie. In deze samenwerking wordt gekeken wat mogelijk is binnen de bestaande wet- en regelgeving en is daarmee niet afhankelijk van de status van het kabinet. Waar nodig wordt uiteraard vanuit het ministerie een bijdrage geleverd aan de aanpak die met de Alliantie wordt voorgestaan.
Op welke wijze beïnvloedt de voorliggende berichtgeving – en die van zoveel andere berichten en instanties die de noodklok luiden rondom (verslaving aan) online gokken – uw mening over dit onderwerp? Wanneer is de maat vol en gaat u de legalisering van online gokken terugdraaien?
De verontrustende berichten over jongeren die online gokken en daardoor in de problemen raken vind ik zeer zorgwekkend. Dit is voor mij ook aanleiding om het ingezette wetstraject en de initiatieven daaromheen volop voort te zetten. Het terugdraaien van de legalisering vind ik echter niet de oplossing voor dit probleem en komt ook niet uit de evaluatie van de Wet koa naar voren. De evaluatie laat wel zien dat een fundamentele aanscherping van de wet- en regelgeving nodig is. Het is daarnaast juist van belang dat wordt ingezet op vroegsignalering van problemen en adequate interventies. Dat neemt niet weg dat de realiteit is dat het illegale aanbod nog altijd aanwezig is. Dit moet hard aangepakt worden. Zoals in bovenstaande antwoorden aangegeven is de aanpak van illegaal aanbod en partijen die illegaal aanbod faciliteren prioriteit voor mij, voor de Ksa en partners in de Alliantie.
Het bericht ‘Verpleeghuizen kampen met leegstand terwijl bijna 18.000 ouderen op de wachtlijst staan: hoe kan dat?’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Verpleeghuizen kampen met leegstand terwijl bijna 18.000 ouderen op de wachtlijst staan: hoe kan dat?»1
Dat verpleeghuizen kampen met leegstand betekent dat er minder cliënten moeten verhuizen naar een verpleeghuis. Dat minder mensen moeten verhuizen naar een verpleeghuis blijkt ook uit het gegeven dat de wachtlijsten dalen. Het is goed nieuws dat het aantal mensen op de wachtlijst voor verpleegzorg daalt. In september van dit jaar stonden er 18.211 mensen op de wachtlijst, terwijl dat er in september 2024 nog 20.563 waren. Van de 18.211 wachtenden waren er 332 urgent wachtend, in september 2024 waren dat er nog 349. Urgent wachten betekent dat de cliënt op (zeer) korte termijn een plek moet hebben. Deze cijfers illustreren de signalen uit het veld dat er sprake is van minder vraag naar zorg dan op basis van de demografische trend verwacht had mogen worden. Uiteraard is het zo dat als een cliënt (urgent) een plek nodig heeft, hij/zij deze zo snel mogelijk moet krijgen.
Wat is, in algemene zin, uw reactie op het voorbeeld dat wordt gegeven in het artikel over de 78-jarige moeder van Julian voor wie thuiswonen niet meer gaat, thuiszorg niet genoeg is, voor wie de wijkverpleegkundige een verpleeghuisindicatie is aangevraagd, maar die is afgewezen?
Ik begrijp heel goed dat situaties zoals die van mevrouw, die niet langer thuis kan wonen en waarbij thuiszorg niet voldoende blijkt, erg ingrijpend en zorgelijk zijn. Ik wil benadrukken dat het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) bij de beoordeling van zorgbehoeften zorgvuldig en met oog voor de individuele situatie te werk gaat. De beoordeling is gebaseerd op uitgebreide informatie over de cliënt, waarmee wordt vastgesteld of er sprake is van een blijvende behoefte aan intensieve 24/7 zorg of toezicht.
Wanneer de huidige thuiszorg niet toereikend is, wordt door de betrokken zorgverleners eerst onderzocht of vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) of vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorg kan worden uitgebreid. Alleen wanneer aan de criteria van de Wet langdurige zorg (Wlz) wordt voldaan, is het mogelijk om in aanmerking te komen voor een indicatie voor langdurige zorg en dit wordt dan beoordeeld en toegekend door het CIZ.
Herkent u de signalen van bestuurders en wijkverpleegkundigen dat het steeds moeilijker is om van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een indicatie te krijgen voor opname in het verpleeghuis, ook als wijkverpleegkundigen hebben vastgesteld dat die weldegelijk nodig is?
Ik herken deze signalen niet. Uit de gegevens van het CIZ blijkt dat het aantal afwijzingen voor de Wet langdurige zorg (Wlz) dit jaar niet is gestegen ten opzichte van vorig jaar. Van de afgeronde aanvragen Wlz- en Wet zorg en dwang (Wzd) artikel 21 in Q2 2025 had 91% een positieve uitkomst: toegang tot de Wlz, een aangepast zorgprofiel of een gelijkblijvend zorgprofiel bij een aanvraag voor een aangepast zorgprofiel.
Bij 9% was de uitkomst negatief: geen toegang tot de Wlz. Een jaar geleden in Q3 2024 was dit vergelijkbaar, 9,3%. Er zijn dus niet meer afwijzingen dan vorig jaar.
Wel is er al sinds 2024 een daling zichtbaar in het aantal aanvragen en deze trend zet zich in 2025 door. In de eerste helft van 2025 lag het totaal aantal aanvragen voor de Wlz en de Wzd artikel 21 meer dan 5% lager dan in dezelfde periode van 2024 en bijna 9% lager dan in 2023.
CIZ is gepositioneerd als onafhankelijke poortwachter van de langdurige zorg. De doelstelling van het CIZ is een zorgvuldig, objectief en mensgericht proces van indicatiestelling volgens de criteria die zijn vastgelegd in wet- en regelgeving.
Erkent u dat ouderen en hun familie in de knel komen als thuiswonen niet meer gaat, maar er ook geen toegang is tot het verpleeghuis?
Om te voorkomen dat ouderen en hun familie in de knel komen, krijgen zij thuis de zorg en ondersteuning die zij nodig hebben om de wachttijd te overbruggen. In het antwoord op vraag 1 is aangegeven dat er 332 cliënten urgent wachtend zijn. Urgent wachten betekent dat de cliënt op (zeer) korte termijn een plek moet hebben. De overige wachtenden wachten op een plek van hun voorkeur.
Klopt het dat het CIZ van hogerhand opgelegd heeft gekregen dat binnengekomen aanvragen strenger moeten worden beoordeeld? Zo nee, hoe verklaart u dan dit antwoord vanuit het CIZ? En zo nee, hoe verklaart u dan de vele signalen dat er wel strenger wordt beoordeeld?
Nee, dit klopt niet. Het CIZ heeft haar indicatieregels niet aangepast. Het blijkt ook niet uit de data (zie vraag 3) dat er strenger wordt beoordeeld. De criteria voor de toegang tot de Wlz zijn onveranderd. VWS heeft geen wijzigingen in wet- regelgeving doorgevoerd ten aanzien van de toegang tot de Wlz. Ook heb ik geen opdracht gegeven aan het CIZ om strenger te indiceren.
Vindt u het wenselijk dat ouderen die verpleegzorg nodig hebben deze indicatie niet kunnen krijgen?
Nee. Ouderen die op basis van de Wlz aanspraak verpleegzorg nodig hebben moeten daar de indicatie voor krijgen. Ik heb geen aanwijzingen dat dit op dit moment niet gebeurt.
Hoeveel verpleeghuisplekken staan op dit moment leeg, en hoe lang bent u al hiervan op de hoogte?
Het bericht in de Telegraaf sluit aan bij de signalen uit het veld dat er sprake is van minder vraag naar zorg dan op basis van de demografische trends verwacht had mogen worden. Ook door ActiZ wordt aangegeven dat haar leden melden te maken te hebben met verminderde vraag naar verpleeghuisplekken. Er is geen zicht op het aantal leegstaande plekken omdat daarvan geen registratie bestaat.
Om grip te krijgen op de verminderde vraag naar ouderenzorg heb ik het RIVM gevraagd om hiernaar onderzoek te doen. Het RIVM zal onderzoeken of (en zo ja, in welke mate) sprake is van vraaguitval, welke verklaringen daarvoor zijn en of sprake is van tijdelijke of structureel verminderde vraag. De verwachting is dat het onderzoek voor de zomer van 2026 gereed is. Uiteraard zal ik de Tweede Kamer op de hoogte houden van (tussen)resultaten.
Vindt u het wenselijk dat verpleeghuisplekken leeg staan terwijl ouderen die zorg nodig hebben op een wachtlijst staan? Zo nee, wat gaat u hier concreet aan doen? Kan de Kamer daar op zeer korte termijn een oplossing voor verwachten?
Uiteraard is het niet wenselijk dat ouderen die zorg in een verpleeghuis nodig hebben op de wachtlijst staan. Gelukkig nemen de wachtlijsten in omvang af, zodat het gemakkelijker wordt voor zorgkantoren om de wachtenden te bemiddelen naar de verpleeghuisplek van hun voorkeur. Overigens geven veel ouderen aan dat zij liever nog thuisblijven en wachten op een plek van voorkeur, dan dat ze sneller opgenomen worden in een verpleeghuis wat niet per se de eerste keuze is.
Hoe gaat u voorkomen dat verpleeghuisplekken verdwijnen omdat instellingen nu in de problemen komen vanwege financiële tekorten door kunstmatig gecreëerde leegstand?
Er is geen sprake van kunstmatig gecreëerde leegstand doordat het CIZ strenger indiceert. We hebben te maken met verminderde vraag naar ouderenzorg waarvan de oorzaak wordt onderzocht. Bij vraag zeven heb ik aangegeven dat ik het RIVM heb gevraagd om dit onderzoek te doen. Het onderzoek wordt begeleid door ActiZ, ZN, CIZ, NZa, RegioKracht en VWS. Uit dit onderzoek zal o.a. moeten blijken in welke mate sprake is van verminderde vraag en (zo ja) of deze een structureel karakter heeft. Indien sprake is van incidentele vraaguitval is de beleidsreactie uiteraard anders dan indien sprake is van structurele vraaguitval.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het afhandelen van de hack op Clinical Diagnostics en de gevolgen voor gedupeerden |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Wat zijn de meest recente ontwikkelingen rondom het datalek bij het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker?
In de Kamerbrief van 1 september 20251 kondigde ik aan dat Bevolkingsonderzoek Nederland (BVO NL) een brief zou sturen naar alle betrokkenen die hebben deelgenomen aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker en van wie de gegevens naar het laboratorium Clinical Diagnostics zijn gestuurd. De brieven zijn halverwege september verstuurd. Het klantcontactcentrum van BVO NL was opgeschaald en uitgebreid met een speciale informatielijn met specialisten op het gebied van crisistelefonie. Dit zodat alle vragen die naar aanleiding van de brieven zijn gesteld snel beantwoord konden worden. Er is op dit moment met de reguliere bezetting voldoende capaciteit om de vragen aan te kunnen en op tijd te beantwoorden.
De toezegging om uw Kamer blijvend op de hoogte te houden van de laatste ontwikkelingen staat nog steeds.
Wat is de stand van zaken omtrent de maatregelen die u aankondigde in uw brief van 1 september 2025?1 Kunt u dit per maatregel toelichten?
Hieronder geef ik per maatregel uit de brief van 1 september 2025 een toelichting op de stand van zaken.
Z-CERT heeft op verzoek van de Minister van VWS alle laboratoria benaderd die zijn betrokken bij de bevolkingsonderzoeken naar kanker en screeningsprogramma’s rond zwangerschap en geboorte. Het doel is om die ook toe te voegen aan de scanningsdienst van Z-CERT. Hierover is uw Kamer geïnformeerd op 30 september 2025.3 Inmiddels zijn nagenoeg alle benaderde laboratoria toegevoegd aan de scanningsdienst. Met deze dienst van Z-CERT wordt continu gemonitord op bekende kwetsbaarheden op de systemen van deze laboratoria die benaderbaar zijn via het internet. De resultaten worden aan de laboratoria teruggekoppeld, zodat zij waar nodig maatregelen kunnen treffen.
BVO NL heeft zelf ook een quickscan uit laten voeren naar acute risico’s bij de twee laboratoria die momenteel werkzaamheden uitvoeren voor het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. Hieruit kwam naar voren dat deze laboratoria voldoende veilig zijn.
De oorzaak van de hack vormt onderwerp van nader onderzoek. Op dit moment is nog niet concreet te duiden wanneer de uitkomsten daarvan bekend zullen worden.
Afronding van dit onderzoek wordt eind dit jaar verwacht.
De AP en de IGJ voeren hun toezichthoudende taak onafhankelijk uit. Zij bepalen daarbij hun eigen werkwijze en planning voor de onderzoeken. Op dit moment beschik ik niet over nadere informatie over deze onderzoeken.
Het is niet aan mij hier nader op in te gaan, hiervoor verwijs ik naar het Openbaar Ministerie.
Zoals gezegd, monitort Z-CERT momenteel de twee laboratoria die werkzaamheden uitvoeren voor het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker. Z-CERT heeft op verzoek van de Minister van VWS daarnaast alle laboratoria benaderd die zijn betrokken bij de bevolkingsonderzoeken naar kanker en screeningsprogramma’s rond zwangerschap en geboorte. Dit met als doel om die ook toe te voegen aan de scanningsdienst van Z-CERT. Inmiddels zijn nagenoeg alle benaderde laboratoria toegevoegd aan de scanningsdienst. De resultaten worden aan de laboratoria teruggekoppeld.
Dit betreft doorlopende inzet. De Minister van VWS geeft hier bijvoorbeeld invulling aan door zorgbestuurders per brief op te roepen om prioriteit te geven aan het nemen van de nodige maatregelen, te beginnen met het voldoen aan de norm, de NEN 7510.
Zijn inmiddels alle gedupeerden op de hoogte dat zij getroffen zijn door het datalek en is voor hen duidelijk welke data van hen is buitgemaakt?
In september zijn alle betrokkenen die hebben deelgenomen aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker en van wie gegevens met het laboratorium zijn gedeeld, geïnformeerd. In de brieven heeft BVO NL ook aangegeven welke persoonsgegevens BVO NL met het laboratorium heeft gedeeld. Er is op dit moment niet te zeggen welke gegevens bij de hack zijn bemachtigd.
Heeft u gemerkt dat het datalek heeft geleid tot een lagere bereidheid om mee te doen aan volgende bevolkingsonderzoeken? Wat doet u om de deelname op peil te houden?
De deelname aan het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker wordt nauwlettend in de gaten gehouden. Normaal gesproken is er een dip in de deelname in de zomervakantie en gaat de deelname daarna weer omhoog. In de eerste weken na de zomer bleef de instroom van ingestuurde testen bij de labs achter, maar dit lijkt de afgelopen periode weer wat bijgetrokken. Om te kunnen constateren of dit ook daadwerkelijk de deelname heeft beïnvloed, moet over een langere periode gekeken worden. Ter illustratie: het is bijvoorbeeld mogelijk dat vrouwen de zelfafnameset iets langer laten liggen vanwege de datahack, maar op een later moment toch nog deelnemen. Zodra we hier meer over kunnen zeggen en als sprake is van een significante verandering in de deelname, zal ik uw Kamer daarover informeren.
Is gebleken dat gedupeerden van het datalek vaker het doelwit zijn van phishing, fraude en andere online criminaliteit? Heeft u cijfers of analyses waaruit dit blijkt?
Dat kan ik niet aangeven, omdat in geval van phishing, fraude of andere online criminaliteit het de vraag is of daarbij gebruik is gemaakt van persoonsgegevens die betrokken zijn geweest bij de datahack, of dat de gebruikte persoonsgegevens op andere wijze in handen zijn gekomen van criminelen.
Hoe lang blijft het klantcontactcentrum van Bevolkingsonderzoek Nederland bereikbaar voor gedupeerden? Zorgt u ervoor dat gedupeerden altijd ergens terecht kunnen met zorgen en vragen?
Het klantcontactcentrum van BVO NL is tijdens kantooruren altijd bereikbaar. Hier kunnen mensen terecht voor vragen in relatie tot de bevolkingsonderzoeken, waaronder uiteraard ook met vragen over de datahack. Het klantcontactcentrum van BVO NL was opgeschaald, zodat de grote hoeveelheid vragen die kwam naar aanleiding van de datahack snel beantwoord werd. Die opschaling is inmiddels weer afgebouwd, maar het klantcontactcentrum blijft beschikbaar voor alle vragen en is op dit moment in staat om alle vragen op tijd te beantwoorden.
Heeft u op basis van uw contact met gedupeerden, of op basis van hun klachten en signalen, aanvullende acties ondernomen om tegemoet te komen aan hun behoeften?
Naar aanleiding van de eerste brieven die BVO NL had verzonden in de week van 18 augustus, zijn veel reacties gekomen. Er was kritiek op de inhoud van de brief en BVO NL kreeg vele suggesties ter verbetering, onder andere van de Nationale ombudsman. Deze suggesties zijn door BVO NL meegenomen bij het opstellen van de tweede ronde brieven die naar ruim 941.000 mensen zijn verzonden. Ik heb destijds de brief van de Ombudsman direct doorgestuurd naar BVO NL met het verzoek deze mee te nemen in de formulering van die tweede ronde brieven. Ook andere signalen en suggesties zijn meegenomen bij het opstellen van de tweede ronde brieven.
Bent u bekend met maatschappelijke initiatieven, zoals de Digitale Dolle Mina’s, die gedupeerden samenbrengen en informatie verschaffen?2 Hoe trekt u samen met deze initiatieven op om gedupeerden te bereiken?
Ik ben bekend met deze initiatieven. De primaire informatievoorziening verloopt via BVO NL. Deelnemers van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker die zijn getroffen door de datahack, zijn hierover geïnformeerd door BVO NL. Naast de persoonlijke brieven, zijn er de breed gedeelde nieuwsberichten geweest op onder andere 11 augustus en 29 augustus jl. om mensen te informeren over de datahack.
Is inmiddels duidelijk geworden hoe de hack en het datalek plaats hebben kunnen vinden? Zo ja, welke oorzaak lag daaraan ten grondslag en hoe gaat dit in de toekomst worden voorkomen? Zo nee, wanneer kan de Kamer de uitkomst van dat onderzoek verwachten?
De oorzaak van de hack vormt onderwerp van nader onderzoek. Op dit moment is nog niet concreet te duiden wanneer de uitkomsten daarvan bekend zullen worden. Uiteraard zal op basis van de uitkomsten worden bezien welke lessen daaruit kunnen worden getrokken.
Voert de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) vooraf checks uit naar de informatieveiligheid van partnerorganisaties bij nieuwe samenwerkingen, zoals laboratoria? Zo ja, wat zijn de aandachtspunten van de IGJ bij die checks? Zo nee, waarom wordt dat niet gedaan?
Nee, de IGJ voert hier niet vooraf checks op uit. Er is geen verplichting om samenwerkingen zoals hier omschreven (vooraf) bij de IGJ te melden.
De norm voor informatiebeveiliging (NEN 7510) stelt dat organisaties zelf de informatiebeveiligingspraktijken en de dienstverlening van leveranciers regelmatig moeten monitoren, beoordelen en evalueren. De IGJ houdt achteraf toezicht op het voldoen aan de eisen voor informatiebeveiliging.
Zijn er aanvullende beveiligingsmaatregelen die dit kabinet gaat invoeren om de tijd totdat de behandeling van de Cyberbeveiligingswet is afgerond te overbruggen? Zo ja, welke maatregelen zijn dat? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat het risico op datalekken zoals deze zo klein mogelijk wordt?
Zorgaanbieders zijn in de eerste plaats zelf wettelijk verantwoordelijk voor hun informatiebeveiliging. Zij bepalen welke maatregelen genomen moeten worden om de risico’s op het gebied van informatiebeveiliging te beheersen. Als stelselverantwoordelijke neemt de Minister van VWS de regie om het zorgveld hierbij te ondersteunen. Dit doet hij door zich in het huidige beleid te richten op het stimuleren van bewustwording, passende hulp te bieden, toezicht te versterken en te ondersteunen bij incidenten.
Hebben de politie en het Openbaar Ministerie vooruitgang kunnen boeken in het vinden van de datasets op het dark web en ook in het vinden van de daders? Heeft Z-CERT bij het monitoren van de data al gezien dat het op het dark web is verschenen?
Het Openbaar Ministerie heeft bekend gemaakt strafrechtelijk onderzoek te doen naar het datalek. Het is niet aan mij om hier nader op in te gaan, hiervoor verwijs ik naar het Openbaar Ministerie.
Wat betreft Z-CERT, ben ik hier in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Kathmann van 9 september 2025 op ingegaan.5 In het algemeen kan ik over de monitoring van Z-CERT alleen aangeven dat de resultaten van de monitoring aan de laboratoria worden teruggekoppeld zodat zij waar nodig maatregelen kunnen treffen.
Heeft u collega-bewindspersonen op de hoogte gesteld van deze casus en van het belang van gegevensbeveiliging om dergelijke incidenten buiten de zorg ook te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft het kabinet een plan gemaakt om bij alle departementen en hun ketenpartners het risico op datalekken te verminderen?
Mijn collega-bewindspersonen zijn op de hoogte gesteld van en bijgepraat over de datahack, onder andere op vrijdag 8 augustus, vrijdag 15 augustus en vrijdag 29 augustus 2025. Cybersecurity en digitale weerbaarheid zijn permanent onderwerp van aandacht binnen de hele overheid.
Kunt u aangeven wanneer verdere informatie en uitkomsten van lopende onderzoeken naar de Kamer worden gestuurd en met betrokkenen worden gedeeld?
Zoals in de beantwoording hiervoor is aangegeven, verwacht ik van sommige onderzoeken de uitkomsten in het najaar. Van andere onderzoeken kan ik op dit moment nog niet concreet duiden wanneer de uitkomsten daarvan bekend worden. Uiteraard zal ik uw Kamer nader informeren zodra dat mogelijk is.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en, indien van toepassing, betrekken bij de eerstvolgende periodieke update aan de Kamer over het datalek?
Dat zal ik doen.
De antiregeringsprotesten in Georgië |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recente grootschalige demonstraties en arrestaties in Tbilisi?
Ja.
Bent u het eens dat wij als Nederland en Europa alles moeten doen wat in onze macht ligt om alle burgers op ons continent te beschermen tegen democratische afbrokkeling en invloed vanuit Rusland?
De agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne en de destabiliserende invloed van Rusland in landen aan zijn grenzen vormen een grote dreiging voor de Europese veiligheid en democratie. Het bestendigen van de democratische rechtstaat in deze landen is een prioriteit voor het kabinet. Via de MATRA en mensenrechten instrumenten ondersteunt Nederland landen die grenzen aan de EU in het versterken van de eigen democratische en rechtsstaatinstituties en respect voor mensenrechten. De betreffende programma’s dragen bij aan de stabiliteit in deze landen en het beperken van Russische beïnvloeding. Daarnaast zet het kabinet in op het versterken van de weerbaarheid van deze landen door middel van ondersteuning in het tegengaan van hybride dreigingen, zoals recentelijk in aanloop naar de verkiezingen in Moldavië.
Deelt u de opvatting van uw voorganger, de heer Veldkamp, dat Nederland niet moet aarzelen om alle unilaterale en multilaterale middelen in te zetten wanneer de Georgische autoriteiten doorgaan met het ondermijnen van de democratie en het schenden van mensenrechten?
De situatie in Georgië is zeer verontrustend. Het kabinet heeft dan ook verschillende unilaterale en multilaterale middelen ingezet om de situatie in Georgië te adresseren. Zo zijn samenwerkingsprogramma’s met de Georgische autoriteiten opgeschort, zoals Georgische deelname aan het MATRA Rule of Law trainingsprogramma, en zijn politieke en hoogambtelijke contacten afgeschaald. Ook heeft Nederland het Weens Mechanisme binnen de OVSE geïnitieerd. Op basis van dit mechanisme hebben 38 OVSE-landen Georgië kritisch bevraagd over de mensenrechtensituatie in het land en hebben de Georgische autoriteiten hierover verantwoording moeten afleggen.
Ook in Europees kader zijn verschillende maatregelen genomen. Zo is EU projectsteun die direct ten goede kwam aan de Georgische begroting of bestond uit technische assistentie aan de regering ter waarde van EUR 120 miljoen stopgezet, evenals EUR 30 miljoen binnen de Europese Vredesfaciliteit (EPF) bestemd voor de defensiesector. Op 14 april jl. maakte Nederland, in Benelux-verband, paspoorthouders van een Georgisch diplomatiek of servicepaspoort visumplichtig, nadat de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken eerder dit jaar de visumfacilitatieovereenkomst gedeeltelijk opschortte. Binnen de Raad worden gesprekken gevoerd over activatie van het visumopschortingsmechanisme. Het kabinet steunt de activering van dit mechanisme voor Georgië, zodra de herziening hiervan rond is. Ook blijft het kabinet in EU verband inzetten op individuele sancties.
Deelt u de mening dat Nederland, indien Europese consensus over sancties uitblijft, bijvoorbeeld door het optreden van Hongarije, zelfstandig gerichte sancties zou moeten kunnen treffen, net zoals de Baltische staten dat al hebben gedaan?
Op grond van de Sanctiewet 1977 kan Nederland geen zelfstandige sancties opleggen, maar worden sancties uitgevoerd die voortvloeien uit internationale verplichtingen, bijvoorbeeld in VN- of EU-verband. Hoewel het gebruik van juridisch bindende internationale grondslagen de sterke voorkeur heeft van het kabinet, voorziet de Sanctiewet 1977 ook in de mogelijkheid sancties op te leggen als deze voortvloeien uit niet-bindende internationale afspraken.
Een internationale afspraak moet betrekking hebben op de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme. Een gezamenlijke verklaring van Ministers van Buitenlandse Zaken zou als een dergelijke internationale afspraak kunnen gelden. Echter, de gezamenlijke verklaring van Ministers van Buitenlandse Zaken waar deze vraag waarschijnlijk op doelt kan niet als een internationale afspraak gelden om binnen de kaders van de Sanctiewet 1977 sancties te kunnen opleggen, daar deze verklaring onvoldoende concreet is.
Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om de druk op Georgië verder te vergroten, in verband met het geweld tegen demonstranten en journalisten eind 2024. Het kabinet streeft naar het aannemen van maatregelen in Europees verband, mede met het oog op de effectiviteit. Nederland spant zich hier in EU-kader actief voor in binnen de Raad van Minister van Buitenlandse Zaken. Alternatieve wegen hebben dan ook niet de voorkeur van het kabinet.
Bent u bereid te laten onderzoeken of en op welke wijze Nederland binnen de kaders van de Sanctiewet 1977 zelfstandig sancties kan opleggen tegen verantwoordelijken voor democratische ondermijning in Georgië, en daarbij expliciet te betrekken of recente gezamenlijke verklaringen van Ministers van Buitenlandse Zaken als een internationale overeenkomst kunnen gelden?
Zie antwoord vraag 4.
Bonaire en klimaatmaatregelen |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rijkaart , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het krantenartikel over de situatie op Bonaire met betrekking tot de gevolgen van de klimaatcrisis?1
Ja.
Wat is de laatste stand van zaken wat betreft de maatschappelijke en ecologische impact van de klimaatcrisis op Bonaire?
De effecten van klimaatverandering in Caribisch Nederland worden doorlopend onderzocht en gemonitord. Dit gebeurt ook voor Bonaire. Naast de KNMI’23 Klimaatscenario’s, waar een hoofdstuk is opgenomen voor Caribisch Nederland, brengt het KNMI jaarlijks «De Staat van ons Klimaat» uit waarin aandacht wordt besteed aan het klimaat in Caribisch Nederland. In de laatste versie hiervan uit januari 20252 wordt aandacht besteed aan de bovengemiddelde warme temperaturen en het orkaanseizoen van 2024. Ook is in 2025 de «Staat van de Natuur Caribisch Nederland» uitgekomen. De Kamer is hier recent over geïnformeerd.3 Daarin wordt klimaatverandering – naast «loslopend vee» en «invasieve soorten» – geïdentificeerd als de belangrijkste bedreiging die brede gevolgen heeft voor de natuur van Caribisch Nederland, op zowel korte als midden-lange termijn.
Welke maatregelen zijn tot nu toe door u genomen om Bonaire te beschermen tegen overstromingen, extreme hitte, schade aan koraalriffen en andere klimaatgerelateerde risico’s?
Vanuit de Rijksoverheid wordt ondersteuning geboden aan Bonaire in de vorm van rijksbeleid, ondersteuning van beleid, onderzoek en subsidies voor infrastructurele en ecologische projecten. Een voorbeeld van rijksbeleid waar ruim aandacht wordt gegeven aan klimaatadaptatie is het Ruimtelijk Ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland (ROCN) dat in 2024 is vastgesteld.4 Daarnaast heeft de Rijksoverheid in het kader van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) klimaatadaptatieprojecten gefinancierd. Voorbeelden hiervan zijn onder andere het mangroveherstel, dammenherstel, en het ontwerpen van een afvalwatervisie. Een volledig overzicht van alle projecten van het NMBP is met de evaluatie van het NMBP aan de Kamer gestuurd.5 Andere voorbeelden zijn de financiering van de Klimaateffectenatlas BES die in opdracht van de Rijksoverheid wordt opgesteld en geactualiseerd om de bevolking van Bonaire te informeren over klimaatrisico’s.
In de Kamerbrief «Kabinetsreactie op sommatiebrief van Greenpeace en zeven inwoners Bonaire» is een overzicht gegeven van al het onderzoek dat in opdracht van de Rijksoverheid in het kader van klimaat(adaptatie)beleid voor Bonaire (en breder voor Caribisch Nederland) is uitgevoerd.6 In 2024 zijn ook risicoprofielen door overstromingen opgesteld aan de hand van de KNMI’23 klimaatscenario's.7
Bent u bereid concrete extra maatregelen te nemen om Bonaire beter te beschermen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De Klimaattafel Bonaire, die door de Ministeries van BZK, KGG en IenW wordt ondersteund, schrijft op dit moment aan een klimaatplan. In dit klimaatplan wordt in beeld gebracht welke aanvullende maatregelen nodig zijn op Bonaire om weerbaarder te worden tegen de gevolgen van klimaatverandering. De klimaattafel verwacht in het eerste kwartaal 2026 het klimaatplan op te leveren. Daarnaast wordt de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) momenteel herijkt, deze zal ook een hoofdstuk bevatten over Caribisch Nederland.
Kunt u aangeven of en wanneer overleg is gevoerd met het bestuur van Bonaire en relevante maatschappelijke organisaties over klimaatbescherming?
De hierboven genoemde onderzoeken – zoals de KNMI’23 scenario’s en de risicoprofielen voor overstromingen – zijn toegelicht en besproken met het Openbaar Lichaam Bonaire (OLB) en maatschappelijke organisaties op Bonaire. Verder is klimaatbescherming en de stand van zaken van de Klimaattafel Bonaire één van de terugkerende gespreksonderwerpen in de reguliere gesprekken met gedeputeerden en maatschappelijke organisaties. Deze gesprekken vinden elk kwartaal plaats, de laatste was in oktober.
Op welke wijze worden inwoners van Bonaire door u geïnformeerd over en betrokken bij de aanpak van de klimaatcrisis op Bonaire?
Alle plannen en programma’s voor Caribisch Nederland zoals het ROCN en het NMBP doorlopen een participatieproces en worden publiekelijk geconsulteerd op de eilanden. Ook de Klimaattafel Bonaire heeft de afgelopen maanden brede consultatierondes gehouden, zowel met lokale organisaties als inwoners. Daarnaast ondersteunt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zowel de Klimaateffectatlas BES8 als het Kennisportaal Klimaatadaptatie (Cariben).9 Deze webpagina’s zijn voor iedereen toegankelijk en laten zowel de gevolgen van klimaatverandering zien, als welke maatregelen genomen kunnen worden.
Bent u het eens met het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat Nederland een wettelijke zorgplicht heeft Bonaire te beschermen tegen de klimaatcrisis en dat nalaten van actie kan leiden tot schending van grond- en mensenrechten?
Ja, in de Klimaseniorinnen-uitspraak van 9 april 2024 heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bevestigd dat het recht op eerbiediging van privé, gezins- en familieleven van artikel 8 EVRM het recht van personen omvat op effectieve bescherming door de overheid tegen de ernstige negatieve gevolgen van klimaatverandering voor hun leven, gezondheid, welzijn, en levenskwaliteit. En dat elke staat een verantwoordelijkheid heeft om klimaatverandering tegen te gaan.10 Het Hof benadrukt dat naast mitigatiemaatregelen ook adaptatiemaatregelen moeten worden genomen en dat procedurele waarborgen van belang zijn, zoals het openbaar maken van informatie en toegang tot de rechter. Het niet nakomen van deze verplichtingen kan leiden tot een schending van artikel 8 EVRM.
Hoe waarborgt u dat het nationale klimaatbeleid integraal rekening houdt met de dringende klimaatuitdagingen in de Caribische delen van het Koninkrijk?
Zie de antwoorden op de vragen 4, 9 en 11.
Hoe waarborgt u dat Caribische gemeenten volwaardig worden betrokken in Europese en mondiale klimaatstrategieën?
Voor zowel klimaatadaptatiebeleid als klimaatmitigatiebeleid acht het kabinet het van belang om Caribisch Nederland volwaardig te betrekken in Europese en mondiale klimaatstrategieën.
Door het kabinet wordt actief ingezet op Europese en mondiale samenwerking en kennisuitwisseling. Op het gebied van klimaatmitigatie wordt dit gedaan door o.a. het organiseren van de CCEC (Caribbean Climate and Energy Conference) en wordt elk jaar gewerkt aan een gezamenlijke inzet voor de COP om zo de belangen van het Caribische deel van het Koninkrijk te behartigen. Op het gebied van klimaatadaptatie wordt dit gedaan via het International Panel for Deltas and Coastal areas (IPDC). Via het IPDC worden alle zes de eilanden van het Koninkrijk ondersteund bij het ontwikkelen van eigen klimaatadaptatieplannen. Tevens wordt via het IPDC onderlinge kennisuitwisseling gestimuleerd.
Daarnaast heeft de Staat per 18 april 2023 de heer Edison Rijna (voormalig gezaghebber van Bonaire) benoemd tot speciaal gezant voor Caribisch Nederland voor EU-fondsen, fondsen van de Verenigde Naties (VN) en economische betrekkingen met Latijns-Amerika. De speciaal gezant zet zich in voor betere toegang tot fondsen van de EU en VN voor de BES-eilanden. Op het gebied van klimaatmitigatie zijn -mede door de inzet van de speciaal gezant – de BES-eilanden onlangs toegelaten tot het «30 for 2030» project van de EU. De eilanden kunnen hierdoor rekenen op intensieve ondersteuning vanuit de EU om hun ambitie te realiseren uiterlijk in 2030 de energievoorziening volledig te hebben verduurzaamd. Dit komt boven op de nationale inspanning van het kabinet op het gebied van de energietransitie voor Caribisch Nederland. In 2022 is € 33,6 miljoen beschikbaar gesteld voor een versnelde overstap op duurzame elektriciteit op de BES-eilanden.
Op het gebied van klimaatadaptatie hebben de BES-eilanden (en tevens Aruba, Curaçao en Sint Maarten) toegang tot specifiek voor hen geoormerkte fondsen, via het Europese LGO-besluit (Landen en Gebieden Overzee). Dit besluit biedt alle Caribische delen van het Koninkrijk de mogelijkheid om onder meer in te zetten op biodiversiteit, water en waterbeheer.
Kunt u antwoord geven op de vraag die in het artikel wordt gesteld door Angelo Vrolijk, te weten «(w)aarom moeten op Bonaire ziekenhuizen en scholen overstromen als er weer een grote storm is geweest, maar is dat in Europees Nederland onacceptabel?»
Meerdere rapporten laten zien dat ook Caribisch Nederland niet ontkomt aan de gevolgen van klimaatverandering. Net als in Europees Nederland – waar overstromingen en wateroverlast als gevolg van extreme neerslag steeds vaker voorkomen – kunnen we deze niet allemaal voorkomen. We kunnen ons wel beter voorbereiden. Dat voorbereiden doen we onder meer door het concreet maken van de risico’s van klimaatverandering, nu en in de toekomst, en het identificeren van maatregelen om deze te beheersen. Dat is voor alle Nederlandse gemeenten van belang.
Hierbij wordt het Openbaar Lichaam op verschillende wijzen door de Rijksoverheid ondersteund. Dit jaar nog zal op de Klimaateffectatlas BES een kaartlaag verschijnen die de gevolgen van een extreme regenbui op Bonaire goed inzichtelijk maakt. Ook worden verschillende maatregelen voor regenwaterbeheer, zoals het aanpakken van achterstallig onderhoud bij dammen en rooien, ondersteund via het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland. De Rijksoverheid ondersteunt ook de Klimaattafel Bonaire, waar toegewerkt wordt naar een klimaatplan met nadruk op aanpassen aan klimaatverandering. Verder worden via de Nationale Adaptatiesstrategie (NAS), die in 2026 uitkomt, stappen bepaald voor zowel Europees Nederland als Caribisch Nederland om beter voorbereid te zijn op dit soort extreme situaties.
Daarnaast wordt gewezen op de antwoorden op eerdere vragen hierover naar aanleiding van de hevige regenval en overstromingen op Bonaire in 2022.11
Bent u het ermee eens dat Nederland ook zelf aan klimaatdoelen moet voldoen om de uitstoot voldoende terug te dringen en op die manier ook moet bijdragen aan het verminderen van klimaatrisico’s voor Bonaire? Zo ja, op welke manier?
Het kabinet erkent dat klimaatverandering overal ter wereld negatieve gevolgen heeft voor mens en natuur; ook in het Caribisch deel van het Koninkrijk en in Europees Nederland. Daarom zet Nederland zich, in lijn met de Overeenkomst van Parijs, in voor de beperking van de mondiale temperatuurstijging tot ruim beneden de 2 ⁰C en zo mogelijk 1,5 ⁰C. Dat gebeurt op allerlei manieren, zowel op nationaal, Europees als internationaal niveau. Het gaat onder meer om maatregelen die zijn en worden genomen met het oog op de doelen uit de Nederlandse Klimaatwet, maatregelen in het kader van de EU Green Deal en het Fit-for-55-pakket, de financiering van emissiereductieprojecten buiten de Europese Unie en de bijdrage van Nederland aan kennisontwikkeling en technologieoverdracht. Ook zet Nederland zich in bij internationale onderhandelingen over toekomstige emissiereductiedoelstellingen.
Bent u het eens met de stelling dat zelfs beperkte CO2-reducties essentieel zijn voor het beschermen van kwetsbare gebieden zoals Bonaire tegen de ernstige gevolgen van de klimaatcrisis?
Zoals in het antwoord op vraag 11 beschreven, zet het kabinet zich in voor de beperking van de mondiale temperatuurstijging. Klimaatverandering is een mondiaal probleem dat om gezamenlijke inspanning vraagt op nationaal, Europees en mondiaal niveau. Elke reductie van broeikasgassen, hoe beperkt ook, draagt bij aan het beperken van klimaatverandering. Alleen door gezamenlijke mondiale emissiereductie kunnen de risico's voor kwetsbare gebieden worden beperkt. Het is ook om die reden dat Nederland zich blijft inzetten voor de beperking van de mondiale temperatuurstijging tot ruim beneden de 2 ⁰C en zo mogelijk 1,5 ⁰C.
Hoe rechtvaardigt u het feit dat Nederland met fossiele subsidies grote vervuilers hand boven het hoofd houdt terwijl de kwetsbare bevolking van Bonaire nu al lijdt onder de gevolgen van gebrekkig klimaatbeleid?
Het kabinet voert klimaatbeleid gericht op de Europese en nationale klimaatdoelen, zodat Nederland zijn bijdrage levert aan het realiseren van de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. Dit beleid is gericht op een effectieve, efficiënte en rechtvaardige transitie naar een klimaatneutraal Nederland en Europa. In deze transitie zal, mede als gevolg van dit beleid, het gebruik van fossiele energiedragers verminderen. Tegen deze achtergrond kan een vorm van staatssteun aan het gebruik van fossiele energiedragers – binnen de toegestane Europese kaders – echter (tijdelijk) nodig zijn om bijvoorbeeld energiearmoede, leveringszekerheid of verplaatsing van bedrijven en CO2-uitstoot (weglek) naar het buitenland te voorkomen.
Zijn er plannen om het klimaatbeleid specifiek te richten op het verminderen van sociale ongelijkheid in de effecten van de klimaatcrisis, bijvoorbeeld voor kwetsbare groepen op Bonaire?
Het kabinet vindt het belangrijk om bij het maken van klimaatbeleid oog te houden op wat de impact is voor kwetsbare groepen. Zo ook op Bonaire. Hier wordt nadrukkelijk aandacht aan besteed in het proces van de klimaattafel Bonaire en in de NAS. Om deze reden wordt voor de NAS ook een Sociale Impact Analyse (SIA) opgesteld. Daarnaast doet het Ministerie van OCW nu onderzoek dat inzicht geeft in de gebieden met hoge risico’s en de minder toekomstbestendige woningen in Europees Nederland en op Bonaire. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar inkomen, gender, leeftijd, migratieachtergrond en het soort woning. Tevens worden mogelijke interventies onderzocht om verdere ongelijkheid in deze gebieden te voorkomen en waar mogelijk juist te verminderen. Daarnaast heeft de Wetenschappelijk Raad voor Regeringsbeleid (WRR) onlangs een rapport uitgebracht over de sociale dimensie van klimaatadaptatie.12 Voor Caribisch Nederland zal in 2026 ook een soortgelijke publicatie verschijnen.
Wilt u toezeggen het klimaatbeleid in Caribisch Nederland hetzelfde gewicht te geven als in Europees Nederland, en met een daadkrachtig actieprogramma voor Bonaire te komen?
Het kabinet werkt – net als in Europees Nederland – aan klimaatbeleid voor Caribisch Nederland. Op het gebied van klimaatmitigatie werkt het kabinet aan de versnelde overstap op duurzame elektriciteit op de BES-eilanden, waarvoor in 2022 € 33,6 miljoen beschikbaar is gesteld.13 De aanpak van klimaatadaptatiebeleid – en voor Caribisch Nederland in het algemeen – is volop in ontwikkeling. Zo zal de Kamer binnenkort worden geïnformeerd over de tweede fase van het NMBP en is op 7 november jl. een kabinetsreactie naar de Kamer verstuurd over het advies omtrent de staat van het fysiek domein in Caribisch Nederland van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) en Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB).14 Verder wordt er ook gewerkt aan de herijking van de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar ook aandacht is voor Caribisch Nederland. Al deze initiatieven dragen bij aan daadkrachtig klimaatbeleid voor Caribisch Nederland en daarmee dus ook voor Bonaire.
De volgende berichten in de uitzending Pauw & De Wit op NPO1 van 6 oktober 2025 |
|
Kati Piri (PvdA), Daniëlle Hirsch (GL), Sarah Dobbe (SP), Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaande berichten en de inhoud van bovenstaande uitzending?1
Ja.
Bent u bereid te pleiten voor een onafhankelijk, internationaal onderzoek naar de vermeende mishandelingen van (Nederlandse) opvarenden van de Global Sumud Flotilla door Israël? Zo nee, waarom niet?2
Het kabinet heeft destijds bij de Israëlische autoriteiten aandacht gevraagd voor de detentieomstandigheden van de betrokken Nederlanders. Sinds de onderschepping van de schepen van het Flotilla heeft het kabinet consulaire bijstand verleend en zich verder op alle mogelijke niveaus ingezet voor een spoedig vertrek van alle betrokken Nederlanders uit Israël. De behandeling van gedetineerden is al langere tijd onderwerp van gesprek en Nederland heeft bij meerdere gelegenheden zorgen daarover geuit en Israël aangesproken op zijn verplichtingen onder het internationaal recht. Het kabinet overweegt op dit moment geen andere stappen.
Hoe beoordeelt u het besluit van Spanje om een klacht in te dienen tegen Israël bij het Internationaal Strafhof vanwege de gebeurtenissen omtrent de Global Sumud Flotilla?3
Het kabinet beschikt niet over nadere informatie over deze klacht en onthoudt zich daarom van een nadere beoordeling van dit bericht.
Bent u bereid om, in navolging van Spanje, ook een klacht in te dienen tegen Israël bij het Internationaal Strafhof? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid andere vergelijkbare stappen te ondernemen?
Nee. Sinds de onderschepping van de schepen van het Flotilla heeft het kabinet zich op alle mogelijke niveaus ingezet voor een spoedig vertrek van alle betrokken Nederlanders uit Israël. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in contacten met de Israëlische autoriteiten meermaals aangedrongen op een goede behandeling van de Nederlandse deelnemers. Daarnaast heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Israëlische autoriteiten verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen. Het kabinet is in afwachting van deze onderbouwing.
Erkent u dat de onderschepping van de humanitaire vloot, A Thousand Madleens, in internationale wateren strijdig is met het internationaal recht, zoals ook VN-experts oordelen? Zo nee, waarom niet? Kunt u in dat geval de juridische onderbouwing daarvan per ommegaande met ons delen?4
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen. Het kabinet is in afwachting van deze onderbouwing.
Zo ja, welke actie(s) onderneemt u om het internationaal recht ten uitvoering te brengen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat de opvarenden van A Thousand Madleens niet onderworpen waren aan Israëlische wet- en regelgeving op het moment van onderschepping door Israël in internationale wateren? Zo ja, welke actie koppelt u aan dit feit? Zo nee, kunt u juridisch onderbouwen waarom dit wel het geval zou zijn?
Ja, het klopt dat de opvarenden van A Thousand Madleens op het moment van onderschepping door Israël in internationale wateren waren en dus niet onderworpen waren aan Israëlische wet- en regelgeving. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de Israëlische autoriteiten verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen. Het kabinet is in afwachting van deze onderbouwing.
Bent u bereid om de meest recente onderschepping van de Freedom Flotilla Coalition, The Conscience en A Thousand Madleens door Israël in internationale wateren te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft zorgen op dit gebied overgebracht bij de Israëlische autoriteiten en daarnaast verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen. Het kabinet is in afwachting van deze onderbouwing.
Heeft Nederland contact gehad met de Verenigde Naties of met andere Europese partners over de bescherming van de opvarenden van de flotilla, zoals de VN-experts hebben verzocht?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft meermaals contact gehad met EU-partners over de bescherming van de opvarenden van de Flotilla.
Bent u bereid voor aankomende humanitaire missies van internationale flotilla’s bescherming te bieden aan de (Nederlandse) opvarenden? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire bijstand aan Nederlanders in nood naargelang de mogelijkheden en specifieke omstandigheden. Tegelijkertijd roept het kabinet Nederlandse burgers op om niet naar de Gazastrook af te reizen. De kleurcode van het reisadvies voor de Gazastrook is rood. Dat betekent: wat uw situatie ook is, reis er niet heen. Het is er te gevaarlijk.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor gezamenlijke maatregelen om naleving van het internationaal recht af te dwingen, inclusief het waarborgen van veilige doorgang voor toekomstige humanitaire missies?
Humanitaire hulp moet onmiddellijk en aanzienlijk worden opgeschaald en moet alle mensen in nood kunnen bereiken in de hele Gazastrook. Nederland blijft aandringen bij de Israëlische autoriteiten om veilige en ongehinderde humanitaire toegang van professionele en gemandateerde hulporganisaties tot de hele Gazastrook te faciliteren, in lijn met de verplichtingen van Israël onder internationaal recht. Daarvoor pleit het kabinet ook in EU-verband.
Bent u bereid om in multinationaal (Europees) verband de aankomende humanitaire missies van de internationale flotilla’s bescherming te bieden?
Professionele, gemandateerde hulporganisaties moeten structurele en ongehinderde toegang krijgen voor de invoer en distributie van hulpgoederen, ook in Gaza. Nederland blijft hierop aandringen.
Erkent u dat het uitblijven van een internationale reactie de kans vergroot dat Israël doorgaat met aanvallen op humanitaire schepen? Welke stappen neemt Nederland om dit te voorkomen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de zorgen op dit gebied overgebracht aan de Israëlische autoriteiten en tevens verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen naar aanleiding van de onderschepping van de schepen. Het kabinet is in afwachting van deze onderbouwing.
Kunt u bovenstaande vragen los van elkaar en, gezien de ernst van de situatie, met spoed uiterlijk vóór aanvang van het debat over de Europese top van volgende week donderdag (d.d. 16 oktober) beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De uitvoering van de motie Dijk en Dobbe over maatregelen om de kraamzorg in Nederland te behouden |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Klopt het dat er een meedenksessie is georganiseerd over de uitvoering van de motie Dijk en Dobbe1 over maatregelen om de kraamzorg in Nederland te behouden?
Ja, dat klopt. Naar aanleiding van de toezegging gedaan tijdens het debat Zorgverzekeringsstelsel van 18 juni jl. heeft er een gesprek plaatsgevonden met kraamverzorgenden om het te hebben over het toekomstperspectief van de beroepsgroep en daarmee ook over de uitvoering van de motie Dijk en Dobbe2.
Klopt het dat de initiatiefnemers van het vakbondsmanifest, dat de aanleiding was voor deze motie, niet zijn uitgenodigd? Zo ja, waarom zijn de initiatiefnemers niet uitgenodigd?
Ja, dat klopt. Zoals eerder aangegeven was de insteek van de bijeenkomst om het gesprek aan te gaan met kraamverzorgenden. Deze bijeenkomst is in gezamenlijkheid met het Kenniscentrum Kraamzorg, de Nederlandse Beroepsvereniging van Kraamverzorgenden en Bo geboortezorg tot stand gekomen. Zij hebben de uitnodiging voor het gesprek breed verspreid in hun netwerk en dat heeft geleid tot een goed gesprek. Ik zie dit gesprek als één van meerdere gesprekken die ik zal voeren om ervaringen en behoeften uit de praktijk op te halen.
Bent u bereid om alsnog in gesprek te gaan met de initiatiefnemers van dit manifest en hen te betrekken bij de uitvoering van deze motie?
Ja.
Het bericht: ‘Circis doceert al 40 jaar Nederlands aan nieuwkomers: ’Taaleisen mogen écht verder omhoog’’ |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Circis doceert al 40 jaar Nederlands aan nieuwkomers: «Taaleisen mogen écht verder omhoog»»?1
Ja, ik ben bekend met dat artikel.
Herkent u het beeld dat in het artikel wordt geschetst dat in de praktijk inburgeraars vaker op een lager niveau taalexamen doen (A2 in plaats van B1)? Bent u het met de VVD eens dat het doel van de Wet Inburgering 2021 juist was om de taaleis op te schroeven naar B1? Hoe rijmt u deze beelden met elkaar?
Het klopt dat er inburgeraars zijn die in de B1-route starten, maar afschalen naar A2-niveau. Exacte cijfers over het behaalde taalniveaus van (cohorten) inburgeraars onder de Wet inburgering 2021 (Wi2021), zijn nog niet te geven. De inburgeringstermijn duurt immers drie jaar en de inburgeringstermijn van het cohort 2022 is voor een grote groep inburgeraars nog niet verstreken. In de tussenevaluatie van de Wi2021, die eind 2025 wordt opgeleverd, wordt nader ingegaan op de examens en behaalde taalniveaus.
Ik ben het met u eens dat door B1-taalniveau de kans op duurzaam werk groter is. Dat is ook de reden dat in de Wi2021 het taalniveau verhoogd is naar B1-niveau. Het doel van de Wi2021 is dat inburgeringsplichtigen snel en volwaardig meedoen in de Nederlandse samenleving, bij voorkeur via betaald werk. Dit gebeurt met maatwerk en duale trajecten die taal leren combineren met participatie.
Inburgeraars worden zorgvuldig ingedeeld in een passende leerroute op basis van een brede intake, waarin de leerbaarheidstoets een verplicht en objectief onderdeel is.
Deze toets bepaalt of het taalniveau B1 (of A2) binnen de inburgeringstermijn haalbaar is. Als dit niet het geval is en de overige intakegegevens dit bevestigen, wordt gekozen voor de Z-route. Zo wordt een combinatie van toets resultaten en persoonlijke beoordeling gebruikt om een realistische en haalbare route te bieden.
Ik zet erop in dat inburgeraars, in lijn met het beleidsdoel van de Wi2021, het voor hen dan hoogst haalbare taalniveau bereiken. Ik stimuleer dat gemeenten hier ook naar handelen.
Deelt u de mening dat beheersing van de Nederlandse taal als sleutel kan dienen tot een succesvolle integratie in Nederland?
Een goede beheersing van de Nederlandse taal is cruciaal voor een succesvolle integratie. Het vergroot de kans op werk en maakt actieve deelname aan de samenleving mogelijk. Daarnaast speelt taal een belangrijke rol in het leggen van sociale contacten, het opbouwen van relaties en het uitbreiden van het sociale netwerk. Op deze manier draagt taal bij aan maatschappelijke binding en versterkt het de sociale cohesie. Daarom is het verbeteren van de taalvaardigheid van nieuwkomers een belangrijk speerpunt in de Actieagenda Integratie en de Open en Vrije Samenleving.
Hoeveel procent van de inburgeraars in de B1-route doet uiteindelijk examen op B1-niveau? Hoeveel procent van de inburgeraars in de B1-route doet uiteindelijk examen op A2-niveau? Kunt u de ontwikkelingen hiervan schetsen sinds de invoering van de Wet Inburgering 2021?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening, zoals geformuleerd door de heer Budak, dat het huidige inburgeringsstelsel makkelijker is geworden voor inburgeraars in plaats van ambitieuzer? Zo ja, wat zijn uw plannen om hier iets aan te doen? Zo niet, waarom niet?
Nee. De Onderwijsroute en de B1-route richten zich met taalniveau B1 op een hoger taalniveau dan onder de Wi2013, waarin het beoogde taalniveau A2 was. Dit hogere taalniveau vraagt een stevige inspanning van inburgeraars. Voor de Z-route geldt een uitgebreid pakket aan eisen, van 800 uren taalonderwijs en 800 uren participatieactiviteiten. Dit is een behoorlijke verzwaring ten opzichte van de Wi2013. In tegenstelling tot de Wi2013 is het onder de Wi2021 vrijwel niet mogelijk om ontheffing van de inburgeringsplicht te krijgen. Tot nu toe is slechts 1% ontheffing verleend, alleen op basis van een medische indicatie, terwijl onder de Wi2013 ruim 20% werd ontheven. Dit laatste betrof ontheffingen op basis van een medische indicatie en aantoonbaar geleverde inspanningen.
Ik wil deze intensiteit van de Z-route behouden. Tegelijkertijd wil ik meer inzetten op taal op de werkvloer. Daarom kies ik voor een vernieuwde invulling van de urenverplichtingen. Ik wil inburgeraars in de Z-route de mogelijkheid bieden om 200 uur taalonderwijs in te vullen op de werkvloer. Het is belangrijk dat deze uren op de werkvloer betekenisvol worden ingevuld met (betaald) werk. Ik denk hierbij aan startbanen en duale trajecten in een Nederlandstalige werkomgeving. Door deze wijziging in de urenverplichtingen stimuleer ik dat ook de overige participatie uren in de Z-route ingezet worden voor toeleiding naar betaald werk. Ik werk deze wijziging verder uit in het Besluit inburgering 2021.
In hoeverre hebben gemeenten de ruimte om van landelijke normen af te wijken door individuen op een lager taalniveau in te schalen dan B1?
Inburgeraars worden door gemeenten, op basis van de brede intake en de verplichte uniforme leerbaarheidstoets (LBT), ingedeeld in een passende leerroute: de Onderwijsroute, B1-route of Z-route. De LBT zorgt voor een objectieve inschatting van het haalbare taalniveau en komt grotendeels overeen met de daadwerkelijke route-indeling. Uit de CBS Statistiek Wet inburgering 2021 – periode t/m 2024 – blijkt dat binnen de Z-route 12% van de asielstatushouders een LBT-resultaat had dat «B1 haalbaar» was. In de B1-route had 17% van de asielstatushouders een LBT-resultaat «niet haalbaar». Dit laat zien dat wanneer gemeenten afwijken van de LBT-uitslag, inburgeraars vaker op een traject met een hoger taalniveau worden geplaatst (bijvoorbeeld van de Z-route naar de B1-route of Onderwijsroute) dan andersom (van de B1-route of Onderwijsroute naar de Z-route).
Bent u bereid om te onderzoeken of er minder uitzonderingsmogelijkheden kunnen worden ingebouwd in het inburgeringsstelsel waardoor B1 de norm is en blijft voor mensen behoudens psychische en lichamelijke klachten?
Het doel van het inburgeringsstelsel op het gebied van taalverwerving is dat inburgeraars integreren op het hoogst haalbare taalniveau, bij voorkeur op niveau B1. Ik onderschrijf dit uitgangspunt en moedig gemeenten en taalaanbieders aan om inburgeraars te ondersteunen bij het behalen van een zo hoog mogelijk taalniveau. Tegelijkertijd is het niet voor alle inburgeraars haalbaar om binnen de gestelde inburgeringstermijn van 3 jaar niveau B1 te bereiken, bijvoorbeeld omdat zij bij aanvang analfabeet zijn of weinig tot geen onderwijs hebben genoten. Zij hebben binnen de Wi2021 een stevige verplichting om 800 uren taalonderwijs en 800 uren participatieactiviteiten te verrichten.
Bent u het eens met de stelling dat het onwenselijk is dat er een traject bestaat waarbij inburgeraars kunnen «slagen» zonder examen te hoeven afleggen, de Z-route?
De Z-route vraagt om een intensieve inzet op taalverwerving, gecombineerd met participatie in de praktijk. Inburgeringsplichtigen volgen 800 uur taallessen en nemen daarnaast deel aan 800 uur praktijkgerichte participatieactiviteiten, die zoveel mogelijk aansluiten bij hun mogelijkheden. Het hoofddoel van de Z-route is activering, participatie en het vergroten van de zelfredzaamheid.
Hoewel het behalen van taalniveau A2 geen verplichting is binnen deze route, wordt van taalscholen verwacht dat zij inburgeraars, waar mogelijk, op de verschillende taalonderdelen naar een zo hoog mogelijk niveau begeleiden en toetsen. Ook wordt van gemeenten verwacht dat zij inburgeraars stimuleren om centrale examens af te leggen, wanneer tijdens het traject blijkt dat zij één of meerdere taalonderdelen op A2-niveau kunnen beheersen. Zoals bij vraag 5 aangegeven wil ik met aanpassing van de Z-route de arbeidsparticipatie van inburgeraars in deze route stimuleren.
Wanneer regelt het kabinet de afspraak uit het Hoofdlijnenakkoord dat voor het verkrijgen van een Nederlands paspoort in principe altijd een taaltoets wordt afgenomen op B1-niveau?
Een concept Besluit naturalisatietoets is in voorbereiding. Dit wordt naar verwachting dit laatste kwartaal van dit jaar in (internet) consultatie gegeven.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met ervaren taaldocenten zoals de heer Budak, om hun praktijkervaringen te benutten bij toekomstige aanpassingen van het inburgeringsbeleid?
Ja hiertoe ben ik bereid.