Het nu alweer niet nakomen van de afspraken om de sterfte van bokjes in de melkgeitenhouderij terug te dringen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u beloofde de Kamer voor het einde van 2018 te informeren over de voortgang van het door de sector opgestelde «Plan van aanpak welzijn geitenbokken van de melkgeitenketen»?1
Ja.
Heeft u opgemerkt dat we inmiddels ruim in de tweede maand van 2019 leven?
Ja.
Kunt u toelichten wat u bedoelde toen u in uw Beleidsbrief Dierenwelzijn over hoge sterfte onder jonge dieren in de veehouderij schreef dat u de sectorplannen rond de «vitaliteit» van jonge dieren «nauwlettend» volgt?2
Zoals ik mijn Beleidsbrief Dierenwelzijn heb aangegeven, vind ik het belangrijk dat de sterfte onder jonge dieren wordt teruggedrongen. Ik ben blijvend in gesprek met sectoren, zowel over de uitwerking van de plannen, de implementatie van de maatregelen als de monitoring van de resultaten.
Waarom heeft u de Kamer niet volgens belofte geïnformeerd over de voortgang van de aanpak die de sectororganisaties zelf mochten opstellen over het ernstige probleem van de sterfte onder bokjes in de melkgeitenhouderij?
Het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes kent een aanpak waarbij de uitval onder lammeren in een kalenderjaar wordt vastgesteld en wordt vergeleken met een benchmark. Met ingang van 1 januari 2018 is binnen het kwaliteitssysteem KwaliGeit een normering opgenomen voor het bewaken van de lammersterfte conform de definitie in het plan van aanpak. Na afloop van het 4e kwartaal van 2018 is gestart met het berekenen van de jaargemiddelde sterftecijfers op individuele geitenhouderijen. De eerste toetsing op de normering vindt plaats in het eerste kwartaal van 2019. Het Platform Melkgeitenhouderij rapporteert in april van dit jaar over deze eerste toetsing.
Zoals ik in het plenair debat over dieren in de veehouderij van 24 januari jongstleden heb toegezegd, stuur ik uw Kamer in het voorjaar van 2019 een stand-van-zakenbrief dierenwelzijn. Zoals daar ook toegezegd zal in die brief ook worden ingegaan op de sterfte van jonge dieren. Ik zal uw Kamer bij die brief het rapport van het Platform Melkgeitenhouderij over de eerste toetsing op de normering uit het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes meesturen. Vooruitlopend op dat rapport treft u bij deze brief een rapportage3) van het Platform Melkgeitenhouderij aan waarin ingegaan wordt op de implementatie en uitvoering van het plan van aanpak.
Hebben de Nederlandse Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) en de Nederlandse GeitenZuivel Organisatie (NGZO) u wel geïnformeerd over de voortgang van het door hen opgestelde plan van aanpak? Zo ja, op welk moment? Zo nee, waarom accepteert u dat van de sectororganisaties?
Ik voer op regelmatige basis overleg met de melkgeitenketen, onder andere over het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes. In goed overleg met de melkgeitenketen is besloten de rapportage over de voortgang van de maatregelen uit het plan van aanpak door te schuiven naar een moment waarop de gegevens over het gehele kalenderjaar beschikbaar en geanalyseerd zijn.
Vindt u de inspectieresultaten van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over 2017 (gemiddeld 32% sterfte op bokkenmesterijen in 2017 ten opzichte van 31% in 2016) acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, wat vindt u wel acceptabele sterftecijfers onder geitenlammeren die ter wereld komen in de melkgeitenhouderij?3
Ik vind de in 2016 en 2017 geconstateerde sterftecijfers op bokkenmesterijen onacceptabel. Daarover kan geen misverstand bestaan. Deze cijfers zijn aanleiding geweest voor het vorige kabinet om de sector nadrukkelijk aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid om de sterfte onder geitenbokjes terug te dringen en hiervoor zelf maatregelen te implementeren. Dit heeft geresulteerd in het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes, waarvan ik de eerste rapportage over het jaar 2018 binnenkort van de sector verwacht en aan uw Kamer zal toesturen.
Mijn inzet is erop gericht het sterftecijfer onder jonge dieren in de melkgeitensector, maar ook in andere sectoren, zo ver als mogelijk terug te dringen. In het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes wordt door de melkgeitenketen een doelstelling gehanteerd voor het jaar 2020. In de komende periode ga ik, mede op basis van de resultaten over het eerste jaar van het plan van aanpak, in het kader van het programma Versnelling Verduurzaming Veehouderij met de melkgeitensector in gesprek over de ambitie om sterfte onder jongen dieren zo snel als mogelijk terug te dringen.
Kunt u, gelet op het feit dat de NVWA meldt niet te weten hoeveel bokkenmesters er zijn in Nederland, met zekerheid zeggen dat het nu door de NVWA genoemde hoogste sterftecijfer (61% op een bedrijf in 2017) ook daadwerkelijk de hoogste sterfte is die in de geitenzuivelsector voorkomt? Zo ja, op basis waarvan? Zo nee, erkent u dat de sterftecijfers ook nog hoger kunnen liggen dan nu door de NVWA genoteerd?
Bedrijven die geiten houden dienen zich te laten registreren bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en krijgen een Uniek Bedrijfsnummer (UBN) toegekend. Daaronder vallen ook de bedrijven die uitsluitend of in overwegende mate geitenbokjes houden. Dergelijke bedrijven kunnen aangemerkt worden als «bokkenmester», maar staan niet onder die aanduiding geregistreerd bij RVO.nl of de NVWA. In het I&R-systeem wordt de verblijfplaats (locatie) van geiten geregistreerd.
Op basis van het UBN en het I&R-register is bij de overheid bekend waar de bedrijven zijn gevestigd en op welke locaties de geiten staan geregistreerd. Op grond van deze registers kan middels data-analyse afgeleid worden welke van deze bedrijven uitsluitend of in overwegende mate geitenbokjes houden en dus gezien kunnen worden als «bokkenmester». Op basis van de analyse in 2017 kon gesteld worden dat het geconstateerde sterftepercentage van 61% het hoogste percentage was bij de bedrijven waarvan uit analyse was gebleken dat die uitsluitend of in overwegende mate geitenbokjes hielden in dat betreffende jaar.
Hoeveel geitenlammeren zijn er in 2018 in de Nederlandse melkgeitenhouderij levend dan wel dood geboren, hoe is dat geregistreerd en hoe en door wie is dat gecontroleerd?
In 2018 zijn door melkgeitenhouders 291.405 geboortes geregistreerd in het I&R-systeem. Het I&R-systeem kent diverse administratieve controles. Daarnaast worden door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteiten (NVWA) fysieke controles uitgevoerd. Geitenhouders hoeven doodgeboortes niet te registreren in het I&R-systeem.
Hoeveel geitenlammeren die levend geboren zijn in de Nederlandse melkgeitenhouderij zijn er in 2018 alsnog gestorven, op welke leeftijd gebeurde dat, hoe is de sterfte onder geitenlammeren geregistreerd en hoe en door wie is dat gecontroleerd?
In onderstaande tabel staan per leeftijdscategorie de in 2018 door geitenhouderijen in het I&R-systeem dood gemelde geiten. Dit betreft doodmeldingen van geiten in alle leeftijdscategorieën (niet uitsluitend geitenlammeren) door alle geitenhouders, dus niet uitsluitend melkgeitenhouders (niet gespecificeerd naar productiedoel).
0 tot 7 dagen
4.588
7 tot 29 dagen
25.296
30 t/m 365 dagen
22.422
Meer dan 365 dagen
45.321
Geiten moeten na geboorte worden gemeld in het I&R-systeem op het moment dat ze van het geboortebedrijf worden afgevoerd. Indien een geit niet van het geboortebedrijf wordt afgevoerd dient melding in ieder geval binnen 6 maanden na de geboorte plaats te vinden. De verplichting om sterfte van geiten op het bedrijf te melden in I&R geldt alleen voor dieren die zijn voorzien van een oormerk.
Kunt u nader specificeren hoe het aantal van 110.237 doodmeldingen van geiten in de Nederlandse veehouderij in 2017 is opgebouwd, in elk geval naar de leeftijd (of leeftijdscategorie) waarop de dieren gestorven zijn?
In onderstaande tabel staan per leeftijdscategorie de in 2017 door geitenhouderijen in het I&R-systeem dood gemelde geiten. Dit betreft doodmeldingen van geiten in alle leeftijdscategorieën (niet uitsluitend geitenlammeren) door alle geitenhouders, dus niet uitsluitend melkgeitenhouders (niet gespecificeerd naar productiedoel).
0 tot 7 dagen
6.411
7 tot 29 dagen
22.227
30 t/m 365 dagen
27.635
Meer dan 365 dagen
53.964
Is het cijfer dat u noemde het totale aantal geiten dat in de Nederlandse veehouderij in 2017 is gestorven, inclusief de doodgeboren geitenlammeren? Zo nee, hoe hoog is het cijfer dan?4
Dit cijfer geeft het aantal doodmeldingen van geiten die in het I&R-systeem zijn geregistreerd. Er is geen wettelijke verplichting om doodgeboren geitenlammeren te melden in I&R.
Wat was het sterftecijfer onder geiten in de Nederlandse veehouderij in 2016?
In onderstaande tabel staan per leeftijdscategorie de in 2016 door geitenhouderijen in het I&R-systeem dood gemelde geiten. Dit betreft doodmeldingen van geiten in alle leeftijdscategorieën (niet uitsluitend geitenlammeren) door alle geitenhouders, dus niet uitsluitend melkgeitenhouders (niet gespecificeerd naar productiedoel).
0 tot 7 dagen
6.394
7 tot 29 dagen
18.663
30 t/m 365 dagen
25.336
Meer dan 365 dagen
42.022
Kunt u het cijfer bevestigen dat Wakker Dier in haar rapport «Sterfte in de veehouderij» noemde, te weten 91.000 dieren? Zo nee, om welk cijfer gaat het dan? Zo ja, vindt u een stijging van meer dan 20%, oftewel 20.000 geiten die nog voor de slacht zijn gestorven in de Nederlandse veehouderij, acceptabel?5
Het door Wakker Dier in rapport genoemde cijfer over sterfte onder geiten heeft betrekking op het jaar 2016 en is, zoals bij de betreffende tabel in het rapport is aangegeven, een «benadering van de jaarlijkse sterfte». Op basis van cijfers uit I&R kom ik voor het jaar 2016 op een sterfte van 92.415, in alle leeftijdscategorieën (zie de tabel bij het antwoord op vraag 12).
Om een oordeel te kunnen vellen over de stijging van het aantal sterfgevallen onder geiten tussen 2016 en 2017 (19,3%) is meer informatie noodzakelijk, bijvoorbeeld over het totaal aantal gehouden geiten en de oorzaak van de sterfgevallen. Ten algemene ben ik van mening dat het percentage vroegtijdige sterfte omlaag moet, met name, maar niet uitsluitend, onder jonge dieren.
Erkent u de constitutionele verhoudingen, onder andere keer op keer benadrukt door de Algemene Rekenkamer, dat de Kamer het beleid van het kabinet moet kunnen controleren op concrete en afrekenbare doelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete en afrekenbare doelen koppelt u aan het beleid dat u voert voor het terugdringen van de sterfte onder geitenlammeren in de geitenzuivelketen?
Daar waar het gaat om het concretiseren van de algemene zorgplicht is het niet altijd effectief en haalbaar om afrekenbare doelen te formuleren en op te leggen aan individuele ondernemers. Dit geldt met name daar waar het beoogde beleidsdoel niet uitsluitend beïnvloed wordt door het handelen van de ondernemer. In het geval van sterfte en ziektes zijn er vele factoren die bepalend zijn voor het behaalde resultaat. Factoren die zich deels in de invloedssfeer van de ondernemer bevinden, maar deels ook daarbuiten. Ik ben van mening dat de sector in den brede en individuele ondernemers in het bijzonder aangesproken moeten worden op hun (maatschappelijke) verantwoordelijkheid en hun professionaliteit om maximaal invulling te geven aan de zorgplicht die op hun rust. Daarbij kunnen koplopers als benchmark dienen voor de rest van de sector en is het van belang dat partijen uit de veehouderijketen en maatschappelijke organisaties bijdragen aan de juiste omstandigheden om sterfte terug te dringen tot een zo laag mogelijk niveau.
Neemt u het doel over dat de sectororganisaties in het plan van aanpak hebben geformuleerd? Zo ja, kunt u verhelderen wat dat doel dan inhoudt wanneer het plan spreekt over 9,3% sterfte in 2020, maar tegelijk spreekt over een stoplichtenmodel dat ruimte laat voor veel hogere sterftepercentages? Zo nee, welk doel stelt u dan en welke deadline houdt u daarvoor aan?6
Het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes is per brief van 11 december 2017 aan uw Kamer toegezonden (Kamerstuk 28 286, nr. 939). In het plan is als doel voor 2020 het percentage van maximaal 9,3% opgenomen. Het plan is met uw Kamer besproken tijdens het Algemeen Overleg Dierenwelzijn van 7 februari 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 968). Het «stoplichtenmodel» waar de Partij voor de Dieren over spreekt laat geen ruimte voor een hoger sterftepercentage. Het stoplichtenmodel maakt inzichtelijk bij welke bedrijven het sterftepercentage te hoog is en koppelt hier maatregelen aan. Het plan van aanpak zal geëvalueerd worden waarbij een belangrijke toets zal zijn wat het doel voor de periode na 2020 kan en zal worden.
Hoe verhoudt het (vage) sectordoel van 9,3% met ruimte voor veel hogere sterftepercentages zich tot de uitspraken van oud-minister Kamp dat ook een sterfte van slechts 2% te bereiken is?7
Het percentage van 2% waar oud-minister Kamp tijdens het dertigledendebat over misstanden in een bokkenmesterij van 13 september 2017 op doelde, had betrekking op een individueel bedrijf. Op het betreffende bedrijf werden uitsluitend bokjes van één primair melkgeitenbedrijf afgemest. Doordat er geen koppels jonge dieren van verschillende primaire bedrijven werden samengebracht was op dit bedrijf de ziektedruk laag. Dit benadrukt het belang van het streven van de melkgeitensector om zoveel mogelijk bedrijven ertoe te bewegen geitenbokjes op hun eigen bedrijf af te mesten.
Oud-minister Kamp heeft tijdens genoemd debat het volgende gezegd over wat in zijn ogen een realistisch en haalbaar sterftecijfer kan zijn: «Bij bokkenhouders waar controles zijn geweest en waar is opgetreden, is gebleken dat het sterftecijfer teruggebracht kan worden naar 12%. Ik denk dat het nog verder teruggebracht kan worden. Dat zal nu per bedrijf moeten gebeuren en wij zullen daar bovenop moeten zitten.»
Wat bedoelt de NVWA als zij in haar rapport «Welzijn geiten. Inspectieresultaten 2017» schrijft dat de «aanpak» is geïntensiveerd toen de hoge sterfte bij bokkenmesterijen in beeld kwam in 2017 en kunt u uiteenzetten wat de aanpak vóór 2017 dan precies was en de inspectieresultaten van de voorgaande vijf jaar naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?8
In 2017 is in het project Welzijn Geiten van de NVWA aandacht besteed aan geitenbokjes, naar aanleiding van aanwijzingen bij inspecties in voorgaande jaren. De bokkenmesters zijn geselecteerd door middel van een data-analyse op basis van gegevens uit I&R en de Gecombineerde opgave van 2016. Aan de hand van deze data-analyse bleek er sprake te zijn van (zeer) hoge sterfte onder geitenbokjes bij bokkenmesters. Dit was aanleiding om extra inspecties bij bokkenmesters uit te voeren in 2017.
Vóór 2017 waren bokkenmesters voor de NVWA geen aparte doelgroep bij welzijnsinspecties omtrent geiten. In het voorjaar van 2014 is door de NVWA een project uitgevoerd, gericht op geitenlammeren. Bij primaire bedrijven is daarbij gecontroleerd op gebruik van diergeneesmiddelen, I&R en dierlijke bijproducten. Tevens is het vervoer van jonge dieren gecontroleerd. In 2015 is dit project herhaald. Er zijn destijds geen welzijnsovertredingen aangetroffen.
Kunt u uitleggen hoe het in hemelsnaam zo kan zijn dat de NVWA niet weet hoeveel bokkenmesters er in Nederland zijn?
Het beeld dat de NVWA geen of onvolledig toezicht zou kunnen houden op het welzijn van geitenbokjes, klopt niet. De NVWA weet op welke locaties er geiten gehouden worden. Voor het overige wordt verwezen naar het antwoord op vraag 7.
Hoe kan de toezichthouder toezicht houden op het welzijn van dieren als ze niet eens weet in welke schuren en op welke locaties ze worden vetgemest voor de slacht? Identificatie en registratie (I&R) is toch ook voor geitenlammeren verplicht?
Zie antwoord vraag 18.
Hoe kan de Kamer controleren wat de sterftepercentages in de melkgeitenhouderij zijn als bedrijven of stallen waarin dieren worden gehouden niet eens in beeld zijn bij de toezichthouder?
Zie antwoord vraag 18.
Hoe kan de Kamer controleren of de handhaving van dierenwelzijnsregels op orde is als bedrijven of stallen waarin dieren worden gehouden niet eens in beeld zijn bij de toezichthouder/handhaver?
Zie antwoord vraag 18.
Zijn er nog meer veehouderijsectoren waarbij de NVWA geen compleet beeld heeft van het aantal bedrijven en de precieze locaties van de stallen waarin dieren worden gefokt, gebruikt en vetgemest voor de slacht? Zo ja, welke? Zo nee, waaruit blijkt dat de NVWA wel een volledig beeld heeft van alle andere veehouderijsectoren dan de sector bokkenmesterij?
Houders van runderen, varkens, schapen, geiten en nertsen zijn verplicht de verblijfplaats (locatie) van deze dieren te laten registreren, zelfs in het geval er slechts één dier van genoemde diercategorieën wordt gehouden. Houders van konijnen en pluimvee (kippen, parelhoenders, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten, patrijzen en loopvogels) moeten melding doen van de verblijfplaats indien sprake is van het bedrijfsmatig houden van deze dieren. Voor runderen, varkens, schapen, geiten en pluimvee geldt daarnaast een I&R-registratie. Met genoemde registraties heeft de NVWA een volledig beeld van de locaties waar dieren worden gefokt, gehouden en gemest voor de slacht.
Erkent u dat het welzijn van melkgeiten niet alleen wordt aangetast door het laten werpen van jongen die meteen bij haar worden weggehaald, maar ook door het zogenaamde «duurmelken»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke kaders hanteert u voor het welzijn van deze dieren?
Nee. Het duurmelken van geiten, waarbij geiten na het krijgen van nakomelingen langer in lactatie blijven, wordt door de melkgeitensector in het Plan van aanpak welzijn geitenbokjes als één van de oplossingen genoemd voor het terugdringen van de sterfte onder geitenbokjes, doordat het aantal benodigde nakomelingen – en daarmee dus ook bokjes – verminderd wordt.
Veel uitval van melkgeiten is volgens onderzoek van de Animal Sciences Group van Wageningen UR gerelateerd aan dracht en aflammeren en aan maag-darm-problemen en mastitis in de eerste vier à vijf maanden van de lactatie10. Duurmelken vermindert de risico’s op uitval onder volwassen melkgeiten.
Herinnert u zich dat u in het debat over het lijden en sterven van dieren in de veehouderij d.d. 24 januari 2019 liet weten het oneens te zijn met de analyse van de Partij voor de Dieren-fractie dat er een groot gat zit tussen wat mensen wordt voorgespiegeld over (de herkomst van) dierlijke producten en de dagelijkse realiteit voor de dieren (in de veehouderij)?9
In het plenaire debat over dieren in de veehouderij van 24 januari 2019 heeft de PvdD-fractie aangegeven van mening te zijn dat er een enorm gat zit tussen wat mensen wordt voorgespiegeld en de dagelijkse realiteit voor de dieren en werd daaraan de conclusie verbonden dat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) daarin een taak heeft. Ik heb in het debat aangegeven dat de consument ook een plicht heeft om zelf te onderzoeken, zich te verdiepen, zelf kennis van zaken op mag doen.
Hoe verklaart u de massale uitingen van verbazing en ontzetting die in mei 2018 in de (sociale) media zichtbaar en hoorbaar waren nadat in een uitzending van Boer zoekt Vrouw te zien was hoe op een biologisch geitenbedrijf de pasgeboren lammeren werden weggehaald bij de moedergeit en in een doos werden gezet?
De reactie van mensen is afhankelijk van ieders eigen referentiekader. Mensen die van mening zijn dat een lam na de geboorte gedurende een periode bij de moeder moet blijven zullen anders naar de betreffende beelden kijken dan mensen die van mening zijn dat met het weghalen bij de moedergeit en het afzonderen van de individuele lammeren verspreiding van infecties voorkomen wordt en individuele zorg geboden kan worden. Het is aan de individuele ondernemer om te bepalen hoe lang een lam bij de moedergeit gehouden wordt. De zorg voor jonge dieren staat daarbij altijd voorop.
Vond u de toelichting van de presentatrice «de doos geeft de geitjes een veilig gevoel» een correcte en/of complete duiding van wat er precies met de dieren gebeurt in het systeem van (biologische) geitenzuivelproductie?
Het reduceren van hetgeen in de (biologische) geitenzuivelproductie gebeurt tot een enkele scene uit een aflevering van Boer zoekt Vrouw doet in mijn ogen geen recht aan de (biologische) geitenzuivelsector.
Wat zou u vertellen als iemand u, als Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn, die bovendien meent dat overheid en sector niets achterhouden als het gaat om de daadwerkelijke situatie voor de dieren in de veehouderij, zou vragen waar (biologische) geitenzuivel vandaan komt?
Ik zou zeggen dat (biologische) geitenzuivel van melkgeitenhouderijen komt waar agrarische ondernemers elke dag van de week de best mogelijk zorg geven aan hun dieren, vanuit een intrinsieke motivatie en omdat een goede zorg ten gunste van hun onderneming is.
De bekendheid van burgers met het dierenleed dat schuilgaat achter dons |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in het debat over het lijden en sterven van dieren in de veehouderij op 24 januari 2019 liet weten het oneens te zijn met de analyse van de Partij voor de Dieren-fractie dat er een groot gat zit tussen wat mensen wordt voorgespiegeld over (de herkomst van) dierlijke producten en de dagelijkse realiteit voor de dieren (in de veehouderij)?1
Ik heb tijdens het debat op 24 januari aangegeven dat ik geen andere voorstelling van zaken geef over de veehouderij dan hoe zij daadwerkelijk is. En dat ik niets achter te houden heb bij de vraag hoe de situatie is. Ik heb ook aangegeven dat het ook aan de consument is om enige kennis van zaken op te doen en zelf op onderzoek uit te gaan als hij of zij zich wil verdiepen in de herkomst van producten.
Heeft u de uitzending gezien die Kassa op 2 februari 2019 wijdde aan het dierenleed dat schuilgaat achter dons?2
Ja, ik heb de uitzending van Kassa gezien.
Kunt u bevestigen dat dons dat in Nederland wordt verkocht ofwel afkomstig is van eenden die in China levend worden geplukt ofwel van eenden die in Nederland worden gefokt en gedood voor vlees en dons? Zo nee, waarvan is het dan afkomstig?
Dit kan ik niet bevestigen. Bedrijven die zich hebben aangesloten bij het Convenant Duurzame Kleding en Textiel (CKT) hebben zich gecommitteerd om due diligence uit te voeren en daarbij aandacht te geven aan negen thema’s. Dierenwelzijn is één van deze 9 thema’s. Vanaf het tweede jaar van deelname brengen bedrijven in beeld welke materialen ze gebruiken en welke potentiele risico’s met deze materialen gemoeid zijn.
In 2018 hebben deelnemende bedrijven deze informatie aan het secretariaat CKT aangeleverd. De geaggregeerde resultaten zijn samengevat en online te vinden: www.imvoconvenanten.nl/~/media/files/imvo/kleding/2018-factsheet.ashx
Uit deze informatie blijkt dat van het totaal aan materialen die de bedrijven gebruiken 1% bestaat uit dierlijke materialen (bont, dons, exotische leer, leer (koe, kalf, geit, varken), wol, zijde). Van die 1% bestaat 2% uit dons. In totaal hebben de bedrijven aangegeven 14 ton dons te gebruiken. Bedrijven geven aan dat hiervan 11 ton is gecertificeerd met de Responsible Down Standard (RDS) hetgeen betekent dat het dons niet van levend geplukte eenden afkomstig is. Van de overige 3 ton die niet is gecertificeerd zijn geen nadere gegevens.
Van bedrijven die zich hebben aangesloten bij het CKT wordt verwacht dat zij in 2021 geen dons meer gebruiken van levend geplukte en/of dwang-gevoederde ganzen en eenden.
Kunt u bevestigen dat er een keurmerk bestaat dat verkopers van dons van niet levend geplukte dieren gebruiken op hun producten, waarmee consumenten wordt verteld dat het gaat om «gecertificeerd verantwoord» dons, het Responsible Down Standard (RDS)-keurmerk?
Ja.
Heeft u gezien dat de filmploeg van Kassa langsging bij een aantal bekende kledingwinkels en medewerkers daar vroeg naar de herkomst van het dons dat in de kleding is verwerkt die zij daar verkopen en heeft u gezien en gehoord dat geen enkele medewerker de (undercover)filmploeg duidelijke informatie kon verschaffen over de herkomst van het dons dat in de betreffende jassen is gebruikt en over wat de dagelijkse realiteit is voor de dieren in de donsindustrie?
Ja, dat heb ik gezien.
Heeft u gezien dat Stichting Animal Rights een klacht heeft ingediend bij de Reclame Code Commissie over de reclame van beddenfabrikant Auping, die dons gebruikt van eenden uit de Nederlandse eendenhouderij, waarin werd gesteld dat het dons dat zij gebruiken het RDS-keurmerk draagt en dat dit betekent dat de eenden en ganzen gezond leven, geen pijn lijden en geen angst of stress ervaren?
Ja, dat heb ik gezien.
Heeft u gezien dat de Reclame Code Commissie begin 2018 heeft geoordeeld dat Auping de consument misleidt met onjuiste claims over dierenwelzijn, gebaseerd op het RDS-keurmerk, waardoor «de gemiddelde consument [...] ertoe kan worden gebracht een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen»?3
Ja, dat heb ik gezien.
Wanneer nam u kennis van die uitspraak, waarmee de stichting Animal Rights in het gelijk werd gesteld, en heeft u actie ondernomen toen u doorkreeg dat consumenten werden misleid over de herkomst van dons? Zo ja, welke?
Het is niet mijn taak om te beoordelen of reclames misleidend zijn en hier actie op te ondernemen. Dit is aan de Reclame Code Commissie die ook in deze zaak uitspraak heeft gedaan.
Heeft u gezien dat Kassa mensen op straat beelden heeft laten zien uit de eendenhouderij, zowel beelden van het levend plukken van eenden voor dons in China als beelden uit Nederlandse stallen waarin eenden zitten opgesloten met als doel om ze te doden voor vlees en dons?
Ja, dat heb ik gezien.
Heeft u opgemerkt dat de mensen op straat, geconfronteerd met deze beelden van de dagelijkse realiteit voor de dieren die gebruikt worden voor dons, zeer verbaasd en geschokt waren over wat ze zagen en dat deze mensen lieten weten geen idee te hebben dat dit schuilging achter dons en dat dit in producten zit die ze zelf ook hebben aangeschaft, zoals dekbedden en jassen?
Ja, ik heb de reactie op de getoonde beelden gezien.
Herinnert u zich nog dat u zei dat de consument ten aanzien van het dierenwelzijn een plicht heeft om zelf te onderzoeken wat er schuilgaat achter dierlijke producten? Hoe kan de consument deze plicht vervullen, denkt u, als de donsindustrie zelf niet zorgt dat de beelden van de dieren bekend zijn bij mensen, als bedrijven consumenten misleiden met een keurmerk en als (verkoop)medewerkers die donsproducten verkopen, zelfs als er actief naar de herkomst wordt gevraagd, geen duidelijke of zelfs onjuiste informatie geven over de manier waarop dieren in de donsindustrie worden gefokt, gebruikt en gedood?
De betekenis van het RDS-keurmerk is door de consument op te zoeken. Bedrijven misleiden mensen niet wanneer zij uitdragen dat zij volgens dit keurmerk handelen. De producten met het RDS keurmerk zijn ook herkenbaar in de winkels. Het is aan de retail om medewerkers te instrueren over de producten die zij verkopen.
Ziet u parallellen met de herkomst van andere dierlijke producten? Zo ja, welke? Zo nee, waarop baseert u uw aanname dat deze situatie van misinformatie zich alleen zou afspelen bij dons?
Deze parallellen zie ik. Veel kleding- en textielbedrijven hebben beperkte kennis over de dierenwelzijnsaspecten van de dierlijke materialen die zij gebruiken. Daarom is dit in het kader van het Convenant Duurzame Kleding en Textiel voor de bedrijven in beeld gebracht. Dit heeft in 2018 geresulteerd in het rapport «Dierenwelzijn in de Kleding- en Textielsector». In navolging van dit rapport en het due diligence proces dat bedrijven hebben doorlopen (zie ook mijn antwoord op vraag 3), wordt van bedrijven verwacht dat zij risico’s prioriteren en adresseren. Dit gaat om risico’s ten aanzien van negen thema’s waaronder dierenwelzijn. Voor wat betreft dierenwelzijnsaspecten bekijken bedrijven vervolgens hoe zij de negatieve impact kunnen gaan voorkomen of verminderen. Daarvoor kunnen zij gebruik maken van de oplossingsrichtingen uit het rapport «Dierenwelzijn in de Kleding- en Textielsector». En daarbij hoort ook dat bedrijven hun klanten goed informeren over het gebruik van de (gecertificeerde) materialen van dierlijke oorsprong.
Wat zou u zelf vertellen als iemand u, als Minister die verantwoordelijk is voor dierenwelzijn, die bovendien meent dat overheid en sector niets achterhouden als het gaat om de daadwerkelijke situatie voor de dieren in de veehouderij, zou vragen wat de herkomst is van dons?
Het is algemeen bekend dat dons bestaat uit veren van vogels. Er is ook vrij gemakkelijk online terug te vinden dat dons op verschillende manieren kan worden verzameld. Daarnaast kan de consument ervoor kiezen om producten zoals jassen en dekbedden te kopen waarbij niet-dierlijke materialen zijn gebruikt in plaats van dons.
De stalbrand in Biezenmortel waarbij zeker 2500 varkens zijn omgekomen en over het lot van de varkens die de brand in hun stal hebben overleefd |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Hoe en hoe laat werd u geïnformeerd dat op vrijdag 1 februari 2019 in Biezenmortel stallen in brand stonden waarin zich 2.500–3.000 varkens bevonden en hoe heeft u de ontwikkelingen rond de brand gevolgd?1
Ik heb dit in de loop van vrijdag 1 februari vernomen.
Erkent u dat de houderijsystemen voor varkens die onder uw verantwoordelijkheid zijn toegestaan in Nederland bestaan uit dit soort stallen waaruit dieren zich onmogelijk kunnen bevrijden als er brand uitbreekt?
De stalsystemen in de varkenshouderij voldoen aan de wettelijke eisen. Daarnaast worden aanvullende maatregelen genomen om de kans op een brand te verkleinen.
Erkent u dat de morele opvatting in de samenleving is dat dieren levende wezens zijn met bewustzijn en gevoel en voorts dat er grote spanning in de samenleving kan en zal ontstaan als de overheid niet in overeenstemming met deze morele opvatting handelt door toe te staan dat dieren, opgesloten in potdichte stallen, nauwelijks beter worden beschermd tegen brand dan goederen?
In mijn Beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 991) en in het debat over de veehouderij op 24 januari jl. ben ik uitgebreid ingegaan op het houden van dieren. Tevens heb ik in mijn Kamerbrief over brief stalbranden van 14 januari jl. (Kamerstuk 35 000, nr. 71) aangegeven dat bij elke stalbrand het leed voor de dieren, de veehouder, de hulpverleners en omwonenden groot is. Iedere brand doet ons dat pijnlijk opnieuw beseffen. We zijn het unaniem eens dat het noodzakelijk blijft om de kans op een stalbrand te verkleinen en het aantal dieren dat omkomt bij een stalbrand te verminderen. Samen met de veehouders, de brandweer, de verzekeraars, de dierenbeschermingsorganisaties werken we daaraan op basis van het actieplan Brandveilige veestallen 2018 – 2022 (Kamerstuk 28 286, nr. 988).
Vindt u het nog steeds «niet proportioneel» om brandveiligheidseisen te stellen aan bijvoorbeeld de dakisolatie van stallen en de compartimentering van technische ruimtes, waarmee volgens het onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) de meeste dierenlevens kunnen worden gespaard als er brand uitbreekt?2
In mijn brief Stalbranden van 14 januari jl. (Kamerstuk 35 000, nr. 71) ben ik uitvoerig ingegaan op de afwegingen die ik gemaakt heb naar aanleiding van het onderzoek van het EIB. In de brief heb ik geschetst op welke manier ik, samen met betrokken partijen, werk aan het verkleinen van de kans op een stalbrand en het verminderen van het aantal dieren dat daarbij omkomt. Het blijft belangrijk om goed te blijven kijken naar de oorzaken van branden en te kiezen voor passende maatregelen die daarbij aansluiten om branden te voorkomen. Dat betekent dat een palet van maatregelen wordt ingezet zoals de periodieke elektrakeuring, voorlichting, oververhitting beveiliging van machines en het aanbrengen van rookdetectie in de technische ruimte bij varkens en pluimveestallen.
Wanneer nam u er kennis van dat de brandweer zei dat ze niet naar binnen kon gaan om de dieren te redden en erkent u dat ook dit het gevolg is van het beleid waar u verantwoordelijk voor bent, namelijk het opsluiten van dieren in potdichte stallen zonder noemenswaardige brandveiligheidseisen aan de gebouwen waarin de dieren opgesloten zitten?
Ik werd op de hoogte gehouden van het verloop van de brand via de media. Al snel was duidelijk dat het redden van de varkens in de brandende stal niet meer mogelijk was en dat alle aandacht gericht was op het behouden van de direct naast gelegen stallen. Uiteindelijk is het gelukt om een deel van de vierde stal met de daarin aanwezige dieren voor brand te behoeden. Zie verder mijn antwoord bij vraag 4.
Heeft er een periodieke elektrakeuring plaatsgevonden in de vier varkensstallen van het bedrijf in Biezenmortel? Zo ja, wat is er bij deze keuring aangetroffen en wat was hierbij de conclusie? Zo nee, hoe is dit mogelijk, aangezien u schreef dat alle varkensstallen voor 1 januari 2019 een (eerste) periodieke elektrakeuring zouden hebben ondergaan? Hoeveel stallen zijn er daadwerkelijk voor 1 januari 2019 gekeurd en hoeveel niet?
Op het bedrijf heeft de periodieke elektrakeuring volgens de voorwaarden van het kwaliteitssysteem KKS Holland Varken plaatsgevonden. Hierbij is niet naar voren gekomen dat er problemen waren. De oorzaak van de brand in Biezenmortel is niet bekend. De brandweer doet onderzoek naar de oorzaak, maar vaak is de oorzaak niet meer te achterhalen. In de voortgangsrapportage over het actieplan Brandveilige veestallen, welke voor het zomerreces zal verschijnen, zal worden gerapporteerd over de uitvoering en de resultaten van de periodieke elektrakeuring.
Heeft u er kennis van genomen dat ook de sector stelt dat de brand zich zo snel heeft kunnen verspreiden door de luchtwassers in de stallen, waardoor er «geen houden meer aan is» zoals de voorzitter van de Producenten Organisatie Varkenshouderij (POV) stelt in de media?3
Ja.
Waarom heeft u een voorstel van het lid Ouwehand voor een verbod op luchtwassers vanwege het risico op stalbranden afgewezen?4
Voor het realiseren van milieu en natuurdoelstellingen zijn luchtwassers van groot belang omdat hiermee de emissies van ammoniak en geur uit varkensstallen naar de leefomgeving fors worden verminderd. Mijn beleid is erop gericht om samen met de betrokken partijen effectief toe te werken naar het verkleinen van de kans op een stalbrand en het verminderen van het aantal dieren dat daarbij omkomt. Ik zal het mogelijke risico van de snelle verspreiding van brand als gevolg van de klimaatinstallaties op bedrijven laten meenemen in het actieplan en te komen met maatregelen.
Ging het om een bedrijf dat zowel fokzeugen hield als vleesvarkens vetmestte? Zo nee, wat voor bedrijf betreft het?
Het betreft een bedrijf waar zowel fokzeugen als vleesvarkens worden gehouden.
Voor hoeveel dieren waren er dierrechten en (milieu/omgevings-/natuur-)vergunningen afgegeven voor elk van de betreffende vier stallen?
De registratie van dierrechten betreft het gemiddeld aantal dieren dat de ondernemer in kader van de mestproductie mag houden gedurende een jaar, en zegt niets over het daadwerkelijke aantal te mogen houden varkens op een bepaald moment. De dierrechten zijn ook niet per stal gespecificeerd. Verder beschik ik niet over de informatie van vergunningen, deze worden door de gemeente afgeven.
Hoeveel dieren bevonden zich daadwerkelijk in de stallen en kunt u het antwoord uitsplitsen naar zeugen, biggetjes bij de zeug, gespeende biggen, vleesvarkens en beren? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de informatie van de houder gaat het om ongeveer 3000 varkens. Ik beschik niet over de uitgesplitste gegevens.
Hoeveel dieren zijn er precies omgekomen en kunt u het antwoord uitsplitsen naar zeugen, biggetjes bij de zeug, gespeende biggen, vleesvarkens en beren? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel dieren hebben de brand in de drie afgebrande stallen overleefd en wat is het lot van deze (naar schatting 10 tot 12) dieren op dit moment?5 6
Op basis van informatie van de houder hebben 10 dieren afkomstig uit de drie afgebrande stallen de brand overleefd. Deze hebben kort buiten gelopen en zijn na controle opgenomen in de stal die bij de brand gespaard is gebleven. Later zijn deze varkens zoals gepland op reguliere wijze afgevoerd voor de slacht.
Deelt u de mening dat het maatschappelijk initiatief om de dieren die de brand in hun stal hebben overleefd vrij te kopen en een rustige oude dag te gunnen te prefereren valt boven het afvoeren van deze dieren naar de slacht of destructie? Zo nee, waarom vindt u dat deze dieren alsnog moeten worden doodgemaakt?
Ik heb begrepen dat de betreffende varkens, zoals ook al was bedoeld, naar de slacht zijn gegaan.
Kunt u bevestigen dat het vervoeren van deze dieren naar een ander varkensbedrijf met als doel om ze verder te gebruiken als fokzeug of vleesvarken niet (zomaar) is toegestaan op grond van de huidige regelgeving, onder andere met het oog op dierziekten? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Het is mogelijk om onder voorwaarden een ontheffing te geven voor het verplaatsen van varkens waarbij de risico’s van insleep van dierziekten wordt meegewogen.
Deelt u de mening dat het maatschappelijk initiatief om deze dieren vrij te kopen en een rustige oude dag te gunnen te prefereren valt boven het scenario waarin de dieren opnieuw in een potdichte stal worden gebruikt voor vleesproductie? Zo nee, waarom vindt u dat deze dieren die na de brand in hun stal voor het eerst gras onder hun voeten hebben gevoeld, wel weer terug mogen naar een leven als gebruiksvoorwerp in de dichte stallen van de veehouderij?
Ik herken de opvatting van de Partij van de Dieren in de vraagstelling. Maar het is aan de houder van de dieren om te bepalen of hij deze dieren wil laten vrijkopen of houdt voor de productie van vlees. Ik verwijs hiervoor ook naar mijn antwoord op vraag 14.
Klopt het dat er naast de drie afgebrande stallen nog één stal is overgebleven en dat daarin 500 varkens werden gehouden en was de bezetting daarmee op het maximale niveau?
Het is de brandweer gelukt om een deel van de vierde stal te sparen. Op basis van informatie van de veehouder heb ik begrepen dat daarin 500 varkens worden gehouden.
Erkent u dat het niet is toegestaan om extra varkens te plaatsen in een stal die reeds tot de maximale bezetting is volgezet met varkens?
Bij de bezetting van de stal moet voldaan worden aan de wettelijke eisen.
Wat is het huidige lot van de 500 varkens uit de vierde schuur en wat gaat er met deze dieren gebeuren?
Deze varkens krijgen de zorg van de varkenshouder die ze nodig hebben en worden gehouden voor de voedselproductie.
Bent u, gelet op de grote maatschappelijke betrokkenheid bij het lot van de dieren die de brand hebben overleefd, bereid deze vragen binnen twee dagen te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb getracht de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
De berichten ‘Microplastics bewust in diervoeding gestopt’ en ‘ECHA proposes to restrict intentionally added microplastics’ |
|
Suzanne Kröger (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Microplastics bewust in diervoeding gestopt» en «ECHA proposes to restrict intentionally added microplastics»?1 2
Ja.
Kunt u inzicht geven in welke landbouwproducten in Nederland bewust microplastics gebruikt worden en op welke schaal deze producten gebruikt worden?
Op de Europese markt worden deeltjes microplastics bewust toegevoegd aan diverse producten, zoals bepaalde cosmetica, persoonlijke verzorgingsproducten, wasmiddelen, schoonmaakmiddelen, verf, toepassingen in de olie- en gasindustrie en middelen om te zandstralen. In de overzichten komen ook land- en tuinbouwtoepassingen voor. Het betreft geen toepassing in diervoeding, zoals de vragen doen vermoeden. Wel worden in de land- en tuinbouw polymeren gebruikt in meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen en in coating van zaden om het afgifte-patroon van de nutriënten of actieve stof te reguleren en het zaad te beschermen tegen ziektes. Er zijn geen publieke gegevens bekend van de schaal waarop deze producten worden gebruikt.
Welk effect hebben landbouwproducten met microplastics op het Nederlandse dierenwelzijn, de bodem en het water, en hoe hoog schat u de kosten om microplastics te verwijderen?
De directe effecten van microplastics op het dierenwelzijn zijn naar verwachting klein, aangezien de producten niet direct aan dieren worden gevoerd. De effecten op bodem en water bij toepassingen in de landbouw en tuinbouw (meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen) zijn er mogelijk wel, zoals wordt beschreven in het rapport van ECHA. De kosten om microplastics te verwijderen uit bodem te verwijderen zijn hoog, ten opzichte van de mogelijkheden om deze stoffen te vervangen met bioafbreekbare alternatieven.
Bent u bereid om op korte termijn het advies van het European Chemicals Agency (ECHA) over te nemen en een verbod op bewust aangebrachte microplastics in te stellen?
Het rapport van ECHA betreft de eerste stap om in het kader van de Europese stoffenverordening REACH te komen tot een Europese restrictie op het gebruik van microplastics. Nederland vindt het belangrijk dat breed wordt gekeken hoe de verspreiding van microplastics in het milieu kan worden teruggedrongen. Daarvoor zijn afspraken op Europees niveau van groot belang. Nu volgt een periode van inspraak en beoordeling van de voorstellen die in het rapport worden gedaan, waarna het definitief aan de Commissie wordt aangeboden. Dit proces duurt ongeveer één jaar. Hierna legt de Europese Commissie, op basis van dit rapport, een voorstel ter stemming aan een lidstatencomité voor. Uiteraard zal Nederland het besluit dat dan wordt genomen, overnemen en handhaven.
Daarnaast doet ECHA voorstellen om binnen bepaalde Europese productverordeningen om het gebruik van dergelijke stoffen te verbieden. De Europese Commissie heeft dit reeds opgepakt. Zo worden er in de nieuwe EU-Meststoffenverordening voorstellen gedaan om het gebruik van slecht afbreekbare polymeren bij de productie van controlled-release-fertilizers te verbieden. Vanaf 2026 zal het slechts toegestaan zijn bioafbreekbare polymeren te gebruiken. Momenteel wordt een test ontwikkeld waarmee bedrijven deze nieuwe stoffen kunnen ontwikkelen. Nederland ondersteunt de Europese Commissie in deze lijn, die voor de gehele interne markt gaat gelden.
De concrete aanpak van bedreigingen van boeren |
|
Kathalijne Buitenweg (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat intimidaties van boeren en hun gezinnen door gewelddadige dierenactivisten verwerpelijk zijn, nooit vallen te rechtvaardigen en door politie en Justitie moeten worden bestreden?1
Ja, dat ben ik helemaal met u eens.
Wat is de aard en de omvang van de tegen boeren en hun gezinnen gerichte bedreigingen, vernielingen of andere strafbare feiten door gewelddadige dierenactivisten? Wat is te zeggen over de aangiftebereidheid van boeren die slachtoffer worden van dit soort intimidaties? Kunt u aangeven in hoeveel gevallen strafvervolging en veroordeling volgt?
De activiteiten van de dierenrechtenorganisaties vallen uiteen in activisme, waarbij de wet in principe niet wordt overtreden, en dierenrechtenextremisme, waarbij de grenzen van de wet wél worden overschreden. Over deze laatste categorie wordt drie keer per jaar gerapporteerd in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN).
De activiteiten van de dierenrechtenorganisaties bestaan voornamelijk uit het heimelijk filmen van (vermeende) misstanden in stallen en intimidaties op sociale media. Deze intimidaties en/of gerichte bedreigingen en vernielingen die gepaard gaan met het heimelijk filmen of in welke andere context dan ook, acht ik volstrekt ontoelaatbaar. Over de exacte omvang van deze activiteiten kan ik geen uitspraken doen. Bedreiging van boeren of vernieling van stallen vanuit dieren-activistische motieven, wordt niet als zodanig door het Openbaar Ministerie en de politie geregistreerd. Slachtoffers van misdrijven worden door de politie en het Openbaar Ministerie gewezen op de mogelijkheid tot het doen van aangifte. Politie en justitie nemen aangiften van bedreiging en vernieling altijd serieus. Indien er een vermoeden bestaat dat strafbare feiten worden gepleegd, kan hiernaar door politie en het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzoek worden gedaan. Daarnaast wordt bekeken of een eventuele dreiging aanleiding geeft tot het treffen van beveiligingsmaatregelen.
Ik heb recent in een persoonlijk gesprek en tijdens een werkbezoek kennis genomen van de zorgen die leven onder boerengezinnen. Daarbij heb ik nogmaals het belang van het doen van aangifte benadrukt. Dit kan door middel van meerdere kanalen zodat burgers kunnen kiezen voor de methode die hem/haar het beste past.
Kunt u aangeven hoe de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst op dit moment de actuele dreiging van gewelddadig dierenactivisme beoordeelt?
De AIVD kan vanuit zijn taakuitvoering onderzoek doen naar personen of organisaties die door de doelen die zij nastreven of door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor (het voortbestaan van) de democratische rechtsorde. Organisaties die zich bezighouden met dierenrechten bedienen zich in algemene zin de laatste jaren van actiemiddelen die vallen binnen de grenzen van de democratische rechtsorde zoals vreedzame demonstraties en voorlichtingscampagnes. Daarmee is de dreiging vanuit deze groeperingen een aantal jaar geleden reeds afgenomen. Wel komt het thans voor dat veehouders bijvoorbeeld naar aanleiding van een publicatie (incidenteel) bedreigingen en verwensingen ontvangen van individuen, vooral via social media. Daarnaast komen illegale erf- en stalbetredingen regelmatig in het nieuws.
Als de dreiging toeneemt en activisten overgaan op ondemocratische methodes zoals geweldpleging en intimidaties, kunnen zij in de aandacht van de AIVD komen. Over eventuele individuele gevallen of lopende onderzoeken kunnen geen uitspraken worden gedaan.
Bent u bereid om de bestrijding van intimidaties van boerengezinnen door gewelddadige dierenactivisten te intensiveren? Zo ja, welke maatregelen neemt u zich voor? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 worden aangiften van intimidatie en bedreiging serieus genomen door de politie en het Openbaar Ministerie. Slachtoffers van misdrijven worden door de politie en het Openbaar Ministerie gewezen op de mogelijkheid tot het doen van aangifte en ik roep, net als mijn collega van LNV, veehouders op daadwerkelijk aangifte te doen indien er sprake is van bedreiging. Indien er een vermoeden bestaat dat strafbare feiten worden gepleegd, kan hiernaar door politie en het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzoek worden gedaan. Daarnaast wordt bekeken of een eventuele dreiging aanleiding geeft tot het treffen van beveiligingsmaatregelen.
Het bericht ‘Pulsmissie van Veerman strandt in Frankrijk’ |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Pulsmissie van Veerman strandt in Frankrijk»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke werkzaamheden de heer Veerman de afgelopen maanden heeft verricht in het kader van het zoeken van een oplossing voor de ontstane impasse met betrekking tot de pulsvisserij?
De heer Veerman heeft geprobeerd om met de Fransen in gesprek te komen over het pulsdossier. Vanuit Franse kant is ondanks herhaaldelijk aandringen nooit een counterpart aangewezen. De redenen daarvoor zijn ons onbekend. De heer Veerman heeft daardoor geen invulling kunnen geven aan zijn beoogde rol als bemiddelaar.
Kunt u aangeven waarom de Franse regering ervoor heeft gekozen geen bemiddelaar aan te wijzen, ondanks aandringen van de Nederlandse regering?
Zie antwoord vraag 2.
Betekent het feit dat de missie van de heer Veerman in Frankrijk gestrand is, dat de heer Veerman nu zijn taak als speciaal pleitbezorger voor de Nederlandse pulsvissers heeft neergelegd?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wat het instellen van een speciaal pleitbezorger voor de Nederlandse pulsvissers heeft opgeleverd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn op dit moment de door u te ondernemen vervolgstappen om op Europees niveau het belang van de pulstechniek en de positie van Nederlandse vissers aan het voetlicht te brengen?
Voor de huidige stand van zaken en de te nemen vervolgstappen verwijs ik naar de Kamerbrief waar deze bijlage bij hoort.
Deelt u de mening dat de onduidelijkheid rondom de pulstechniek nu lang genoeg heeft geduurd en dat snel duidelijkheid bieden aan Nederlandse vissers van zeer groot belang is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u een overzicht geven van de wetenschappelijke onderzoeken die op dit moment worden uitgevoerd inzake pulsvisserij en wanneer de uitkomsten hiervan worden verwacht?
Een overzicht van onderzoeken en publicaties van pulssvisserij heeft u vorig jaar van ons ontvangen (Kamerstuk 32 201, nr. 89). Voor lopende onderzoeken verwijs ik u naar de website www.pulsefishing.eu. Van de belangrijkste onderzoeken worden de resultaten verwacht in 2019–2020.
Wanneer hoopt u de Nederlandse vissers en de Kamer te informeren over de uitkomsten van de zogenaamde triloog die op dit moment nog steeds gevoerd wordt over de Verordening Technische Maatregelen (Visserij)?
Ook voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de Kamerbrief waar deze bijlage bij hoort.
De afvoer van fosfor via melk |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van Jan Dijkstra, universitair hoofddocent rundveevoeding aan de Wageningen Universiteit, over de berekening van de fosfaatexcretie van melkvee?1
Ja.
Deelt u de constatering dat Nederland voerverliezen in zijn geheel toerekent aan de fosfaatexcretie via de mest, in tegenstelling tot België?
Ja. Voerverliezen maken deel uit van de Nederlandse forfaitaire excretienormen. Doorgaans worden voerresten samen met de uitgescheiden mest op het land gebracht. Om deze verliezen te kunnen verantwoorden maken ze deel uit van de forfaitaire excretienormen.
Deelt u de constatering dat Nederland de vastlegging van fosfor in melk onderschat en dus de fosfaatexcretie via de mest overschat?
Sinds 2018 worden door de zuivelsector structureel metingen gedaan naar fosforuitscheiding in melk. Een jaar eerder werd al een onderzoek naar de fosforgehalten in melk gedaan. Medio 2018 bleek uit een wetenschappelijke analyse door Wageningen University & Research (WUR), dat deze metingen nauwkeurig en betrouwbaar waren. Dat heeft ertoe geleid dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) toen heeft besloten om voor de berekening van de fosfaatproductie in 2017 rekening te houden met de hogere fosforuitscheiding in melk. Ook in de berekening van de fosfaatproductie over 2018 zal het CBS hiervan uitgaan.
De forfaitaire excretienormen in de regelgeving worden gebaseerd op gemiddelden over drie voorgaande jaren. Deze middeling wordt gedaan om schommelingen tussen jaren voor individuele bedrijven te ondervangen. Deze zijn ook bedoeld om vooraf duidelijkheid te hebben over de fosfaatproductie. Wat betreft de fosforgehalten in melk is sprake van een relatief recent inzicht. Dit nieuwe inzicht zal worden betrokken bij het advies dat de Commissie Deskundigen Meststoffenwet zal geven over de actualisatie van de excretieforfaits.
Met de excretieforfaits wordt getracht om de realiteit zo dicht mogelijk te benaderen. Daarom worden ook voerverliezen hierin meegenomen, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. Het zo realistisch mogelijk bepalen van de forfaits is belangrijk, omdat Nederland uiteindelijk afgerekend wordt op de werkelijke productie van fosfaat en stikstof. Dat is ook waar het fosfaatrechtenstelsel op stuurt. Een herberekening van de forfaits waarbij de voerverliezen buiten beschouwing worden gelaten, zou een minder realistisch beeld geven en daarmee de onzekerheid voor boeren vergroten. Dat acht ik niet gewenst.
Naast het zo realistisch mogelijk bepalen van de forfaits is het voor boeren wenselijk om de forfaits enige jaren gelijk te houden, omdat zij anders te maken zouden hebben met jaarlijkse aanpassingen wat zou leiden tot onzekerheid in de bedrijfsvoering. Die balans zoek ik dus bij het periodiek opnieuw bepalen van de forfaits.
Kunt u voor de afgelopen vijf jaar aangeven wat de fosfaatexcretie van de melkveestapel zou zijn geweest bij het meerekenen van een hogere fosforuitscheiding via de melk respectievelijk het niet volledig meetellen van voerverliezen bij de excretie?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) pas in 2018 is gaan rekenen met een fosforgehalte van 1,012 gram per kilo melk in plaats van 0,97 gram per kilo melk, terwijl de hogere waarde blijkbaar al enkele jaren bekend was?2
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, worden de forfaitaire excretienormen gebaseerd op gemiddelden over drie jaren en is het gemeten fosforgehalte in boerderijmelk een relatief nieuw gegeven. In 2017 is voor het eerst het werkelijke fosforgehalte in boerderijmelk gemeten in de praktijk. Het was nog niet gestaafd of dit onderzoek in de praktijk voldoende wetenschappelijk onderbouwd is om voor een jaarrondproductie een verantwoord gemiddelde van het fosforgehalte in koemelk te kunnen vaststellen. Ik heb daarom in 2018 aan WUR opdracht gegeven een wetenschappelijke toetsing uit te voeren. Toen op basis daarvan duidelijk was dat de metingen wetenschappelijk verantwoord waren, heeft het CBS het aangepaste gemiddelde gebruikt voor de werkelijke fosfaatexcretie over 2017. Ook over 2018 (en in latere jaren) zal een gemiddeld fosforgehalte op basis van gemeten waarden worden toegepast. Deze relatief recent aangepaste wijze van vaststelling van het fosforgehalte in melk maakt dan ook (nog) geen deel uit van de huidige forfaitaire excretienormen en zal worden betrokken bij de volgende actualisatie van de excretieforfaits.
Hoe gaat u invulling geven aan de actualisatie van excreties?
De Commissie Deskundigen Meststoffenwet brengt voor de zomer van 2019 advies uit over de actualisatie van forfaitaire uitscheidingen van landbouwhuisdieren. Hierin wordt de huidige wijze van meten van het fosforgehalte in melk betrokken. Op basis van dit advies zal ik voor de zomer van 2019 een besluit nemen over eventuele aanpassing van forfaitaire excretienormen.
Het aantal gehouden varkens in Nederland over fraude met dierproductierechten van varkens |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Miljoenen varkens meer gefokt in Nederland dan toegestaan»?1
Ja.
Acht u het, op grond van de berekeningen van de Stichting Varkens in Nood, aannemelijk dat er meer varkens in Nederland worden gehouden dan er op grond van dierproductierechten gehouden mogen worden? Zo ja, om hoeveel varkens gaat het? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn brief van over het rapport «Miljoenen varkens in Nederland» van Varkens in Nood van 2 juli 2019, heb aangegeven is er in Nederland geen publiek centraal registratiesysteem voor het bijhouden van het aantal aanwezige varkens op een bedrijf. Varkens in Nood maakt gebruik van gegevens uit verschillende databronnen, die elk een ander doel en andere functie hebben. Ik kan daarom niet instaan voor de correctheid van de schatting en de conclusies van Varkens in Nood.
Deelt u de opvatting van de in het bericht geraadpleegde medewerker van de Wageningen Universiteit «Het lijkt er op dat we 2,3 miljoen dieren meer produceren per jaar»? Zo ja, wat zijn de gevolgen daarvan voor bijvoorbeeld de milieubelasting? Zo nee, waarom niet en op grond van welke gegevens is de opvatting onjuist?2
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat er een gat zit tussen de Nederlandse exportcijfers van varkens vanuit Nederland naar Duitsland en de Duitse importcijfers van varkens vanuit Nederland naar Duitsland? Zo ja, was het u eerder bekend dat er een verschil tussen de export- en importcijfers zit, was u bekend hoe groot dat verschil is en welke acties heeft u sindsdien ondernomen? Zo nee, waarom niet, wat is er niet waar aan het gestelde en op grond van welke gegevens baseert u dat?
Zoals ik in mijn brief van 2 juli 2019 (Kamerstuk 28 286, nr. 1058) heb aangegeven, heeft Varkens in Nood gegevens uit verschillende databronnen met elkaar vergeleken, welke daar niet geschikt voor waren. De Duitse importcijfers waar Varkens in Nood aan refereert, zijn schattingen van Duitse statistiekbureaus. De methodiek van deze bureaus is vergelijkbaar met die van het CBS. Wanneer de Duitse importcijfers worden vergeleken met de exportcijfers van het CBS, is er nagenoeg geen verschil. Varkens in Nood vergelijkt de gegevens van de Duitse statistiekbureaus echter met de gegevens van RVO-Marktordening. Deze gegevens worden wekelijks geselecteerd en hebben als doel om een eerste indicatie te geven van de marktomvang in de betreffende periode. Daarom wordt zo kort mogelijk na de betreffende week geselecteerd. Eventuele mutaties die achteraf gemeld worden, werden in de gepubliceerde overzichten niet meer meegenomen. Dat maakt dat deze cijfers niet geschikt waren om te vergelijken met de gegevens van de statistiekbureaus en verklaart een deel van de verschillen die Varkens in Nood constateert. Inmiddels worden deze mutaties wel meegenomen in de overzichten.
Daarnaast kan een deel van de verschillen verklaard worden door een discrepantie tussen I&R-gegevens en TRACES-gegevens. Exporten moeten door een varkenshouder zowel in TRACES als in I&R worden gemeld. Er is gebleken dat tussen deze twee systemen een discrepantie ontstaat. Van een aantal varkenshouders zijn wel exporten bekend in TRACES, maar zijn er geen (volledig correcte) exportmeldingen in I&R bekend.
Zoals ik in mijn brief van 2 juli 2019 heb aangegeven, zijn deze dieren wel in beeld bij de overheid. Deze dieren zijn voorafgaand aan het transport gecontroleerd door de NVWA en er is een exportcertificaat afgegeven voor het aantal goedgekeurde dieren. Dit certificaat, en daarmee ook het aantal dieren dat wordt geëxporteerd, is opgenomen in het TRACES-systeem. Daarmee is bij de overheid bekend hoeveel dieren er zijn geëxporteerd, op welke datum en wat het bedrijf van herkomst en het bedrijf van bestemming is. Ik ga daarom niet mee in de conclusie van Varkens in Nood dat er meer dieren naar Duitsland worden geëxporteerd dan bekend is bij de Nederlandse overheid. Wel worden de varkenshouders waarbij discrepanties zijn geconstateerd tussen TRACES en I&R hierop aangesproken. Tevens zal nader onderzocht worden of een automatische koppeling tussen TRACES en I&R haalbaar is.
In het geval dat u nu pas kennisneemt van het verschil tussen de export- en importcijfers, welke acties gaat u alsnog ondernemen?
Zie antwoord vraag 4.
Is de bewering in het nieuwsbericht waar dat volgens het Openbaar Ministerie jaarlijks tientallen ondernemers zijn veroordeeld omdat ze meer dieren hielden dan toegestaan? Zo ja, was dit bij u bekend en was dat voor u een signaal dat het systeem van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van dierproductierechten onvolkomenheden bevat en is dat aanleiding geweest om het systeem aan te passen en waaruit hebben die aanpassingen bestaan? En als u het systeem desondanks niet hebt aangepast, waarom niet? Zo nee, wat is er niet waar aan de genoemde bewering?
De controle op het aanwezig zijn van voldoende dierproductierechten wordt door RVO.nl administratief voor alle bedrijven gedaan en daaruit naar voren komende bedrijven worden risico-gericht geselecteerd en gecontroleerd door de NVWA. Deze risicogerichte inspecties hebben ook geleid tot het constateren van een aantal overtredingen. De resultaten van de geïnspecteerde risicobedrijven waar meer varkens zijn gehouden dan toegestaan kan echter niet worden geëxtrapoleerd, want er vindt al een risicogerichte selectie plaats voor de te controleren bedrijven (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 79).
Het niet voldoen aan de dierproductierechten wordt strafrechtelijk gehandhaafd. De NVWA maakt derhalve een proces verbaal op tegen bedrijven die meer varkens houden dan dat ze dierproductierechten hebben en leveren deze aan het OM voor de verdere afhandeling. Het feit dat er daadwerkelijk wordt gehandhaafd op dierproductierechten is voor mij een teken dat we in staat zijn om overtreders op te sporen en te bestraffen.
Ik ben van oordeel dat het stelsel van dierproductierechten goed functioneert, zie hiervoor ook de beantwoording van de brief over berichten dat dieraantallen in de veehouderijsector veelvuldig worden overschreden (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 79). Vanuit handhaving krijg ik geen signalen dat het stelsel niet te handhaven is.
Er zijn bedrijven (geweest) die meer dieren houden dan toegestaan, maar uit de uitgevoerde, risico-gebaseerde controles blijkt geen structurele fraude met dierproductierechten.
Is het waar dat uit inspecties van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) blijkt dat bij een op de vijf zogenaamde risicobedrijven meer varkens worden gehouden dan toegestaan? Zo ja, welke conclusies heeft u daaruit getrokken? Zo nee, wat zijn de juiste constateringen van de NVWA ten aanzien van het overschrijden van de dierproductierechten?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van oordeel dat het systeem van VTH voor dierproductierechten adequaat functioneert? Zo ja, wat zijn voor u de kritische indicatoren die dat uitwijzen? Zo nee, op welke onderdelen is het systeem inadequaat?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Omstreden jacht met bijna 80 man levert op: één dood zwijn’ en over het ‘Verslag bewegingsjacht 5 januari 2019 Wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente’ |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het «Verslag bewegingsjacht 5 januari 2019 Wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente» en het krantenartikel «Omstreden jacht met bijna 80 man levert op: één dood zwijn» dat over dit verslag gepubliceerd is?1
Ja.
Deelt u de mening dat het opensnijden van een mogelijk met Afrikaanse varkenspest (AVP) besmet wild zwijn, midden op een grasveld en in het bijzijn van 80 jagers en hun honden, de kans op verspreiding van de ziekte vergroot in plaats van verkleint?
Het opensnijden (ontweiden) van de geschoten wilde zwijnen geschiedt door personen die ervaring hebben met het herkennen van dierziekte.
Het achterlaten van dierlijke resten is in overeenstemming met het protocol voor Afrikaanse varkenspest. Aangezien in Zuid-Oost Twente geen sprake is van Afrikaanse varkenspest, is verspreiding hier niet aan de orde.
Wat vindt u ervan dat de jagers op de foto rond het kadaver van het wilde zwijn bebloede handen hebben en geen handschoenen dragen? Voldoet dit naar uw mening aan de strenge hygiënische voorschriften van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)2 en het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC)3 om de verspreiding van de AVP te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat de jagers voor de drijfjacht honden hebben gebruikt, terwijl dit in strijd is met de hygiënische voorschriften van de NVWA om de verspreiding van de AVP te voorkomen?4 Wat vindt u ervan dat de jagers de honden op de foto laten snuffelen aan het bebloede kadaver van het wilde zwijn? Vergroten of verkleinen de jagers daarmee de kans op de verspreiding van AVP?
De beperkte bewegingsjacht die op 5 januari 2019 in enkele jachtvelden in Zuid-Oost Twente heeft plaats gevonden, had niet tot doel om besmette dieren te doden, aangezien er geen sprake was van een uitbraak van Afrikaanse varkenspest.
Wat vindt u ervan dat er gegeten en gedronken wordt rond het bebloed van een kadaver wild zwijn? Verkleint dit volgens u de kans op verspreiding van de AVP? Is het eten en drinken rond het bebloede kadaver van een wild zwijn in lijn van de hygiënische voorschriften van de NVWA?5
Hiervoor verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 2 t/m 4.
Draagt het blazen op toeters volgens u bij aan het bewaren van de rust in een natuurgebied waar wilde zwijnen voorkomen, in het licht van uw uitspraken dat de beperkte bewegingsjacht een jachtvorm is waarbij de bezwaren die er bestaan tegen het drijven in het algemeen (waaronder verstoring van de rust in een natuurgebied) zijn weggenomen (Kamerstuk 29 683, nr. 245)?
De start van de bewegingsjacht, die gemarkeerd werd door blazen op toeters, vond plaats in de nabijheid van een buitenhuis op een landgoed. In natuurgebieden is dat niet herhaald.
Vindt u dat alle partijen op deze manier verantwoordelijkheid nemen voor de risico’s? Zo ja, op welke wijze?
Zie antwoord vraag 6.
Staan er sancties op het schenden van de hygiënische voorschriften en/of de voorwaarden waaronder u de beperkte bewegingsjacht heeft toegestaan? Zo nee, waarom niet? Welke maatregelen gaat u treffen tegen jagers, die de voorschriften van de NVWA met voeten treden en daarmee het risico voor lief nemen dat de AVP wordt verspreid?
Het niet voldoen aan de voorwaarden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming kan leiden tot boetes. In ernstige gevallen is ook intrekking van de jachtakte mogelijk. Bij de bewegingsjacht op 5 januari 2019 in Zuid-Oost Twente was geen sprake van schending van hygiënische of wettelijke voorschriften, zodat geen maatregelen worden overwogen.
Vindt u het waarschijnlijk dat er bij een jachtevenement met 80 jagers alleen lokale jagers aanwezig zijn? Hoe beoordeelt u dit in het licht van de voorschriften dat er zo veel mogelijk alleen met lokale jagers gewerkt moet worden om verspreiding van de AVP te voorkomen?6
De Wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente telt ruim 200 leden, zijnde jagers. Ik acht het derhalve zeer wel denkbaar dat er bij het evenement op 5 januari 2019 zoveel mogelijk met lokale jagers is gewerkt.
Het bericht ‘Mestoverschot berekend met verouderde cijfers’ |
|
Helma Lodders (VVD), Jaco Geurts (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mestoverschot berekend met verouderde cijfers»?1
Ja.
Klopt het dat het mestbeleid geformuleerd wordt op basis van verouderde cijfers waardoor Nederlandse melkveehouders op achterstand worden gezet?
Het betreffende bericht heeft betrekking op de forfaitaire excretienormen voor fosfaat en stikstof. Deze forfaits zijn gebaseerd op de gemiddelde rantsoensamenstelling in Nederland en zijn gedifferentieerd naar de melkproductie per koe, waarbij er wordt uitgegaan van een gemiddeld stikstof- en fosforgehalte in de melk. Op basis van de excretieforfaits wordt de stikstof- en fosfaatproductie per bedrijf bepaald en daarmee de benodigde hoeveelheid fosfaatrechten.
De fosfaat- en stikstofexcretie kunnen in de loop van de tijd veranderen, bijvoorbeeld door een andere rantsoensamenstelling. Daarom worden de forfaits in principe iedere drie á vier jaar geactualiseerd. De laatste herziening van de forfaits heeft plaatsgevonden in 2015.
In het afgelopen jaar heb ik tijdens meerdere AO’s met uw Kamer gesproken over actualisering van de forfaits en de relatie daarvan met het fosfaatrechtenstelsel. Zoals ik heb aangegeven is het van belang om daarbij rekening te houden met de hoeveelheid fosfaatrechten in de markt en met de gevolgen voor de werkelijke fosfaat- en stikstofproductie. Wat betreft de hoeveelheid fosfaatrechten in de markt bevindt het aantal toebedeelde fosfaatrechten zich momenteel boven het sectorale productieplafond van 84,9 miljoen kilogram fosfaat. Een actualisatie van de forfaits zou naar verwachting een verlaging van de forfaitaire normen voor de fosfaatexcretie inhouden. Daardoor daalt het aantal fosfaatrechten dat een melkveehouder per koe nodig heeft. Melkveehouders kunnen dan met hetzelfde aantal fosfaatrechten meer melkvee gaan houden. Als dit wordt gedaan zal de werkelijke fosfaat- en stikstofproductie toenemen, met het risico dat zich een overschrijding van de plafonds kan voordoen. Dat wil ik voorkomen. Zoals ook eerder gemeld in het Algemeen Overleg van 13 december jl., heb ik er daarom voor gekozen de forfaits vooralsnog niet te herzien. Het is van belang om eerst de hoeveelheid fosfaatrechten in de markt terug te brengen tot onder het sectorplafond.
Naast de hoeveelheid rechten in de markt moeten we ook oog houden voor de werkelijke productie van fosfaat en stikstof. Dat is immers waar het fosfaatrechtenstelsel op stuurt. In de meest recente prognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (Kamerstuk 33 037, nr. 350) wordt de fosfaatproductie onder het sectorplafond geraamd, maar de stikstofproductie daarboven. Dat betekent dat de productieruimte die er is al volledig wordt benut. Het is dan ook niet zo dat melkveehouders ten gevolge van de huidige forfaits op achterstand gezet zouden worden. Zoals hierboven aangegeven zou een actualisatie van de forfaits naar verwachting een verlaging van de forfaitaire normen voor de fosfaatexcretie inhouden, waardoor melkveehouders met hetzelfde aantal fosfaatrechten meer melkvee zouden kunnen gaan houden. Dat zou naast een stijging van de fosfaatproductie ook tot een stijging van de stikstofproductie leiden. Met name voor dat laatste lijkt op basis van de laatste prognose van het CBS geen ruimte te zijn.
Kunt u aangeven waarom het mestbeleid wordt gebaseerd op verouderde cijfers? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 zijn de forfaits bewust nog niet aangepast om te voorkomen dat de sectorale fosfaat- en stikstofproductieplafonds zouden worden overschreden.
Vindt u het rechtvaardig dat er beleid gevoerd wordt op basis van verouderde cijfers en doet dat recht aan een «betrouwbare overheid»? Zo ja, kunt u een uitgebreide toelichting geven? Zo nee, waarom geeft u het signaal af dat deze verouderde cijfers voorlopig niet worden aangepast? Wat gaat u daaraan doen?
Ik maak bij de ontwikkeling van beleid steeds een brede afweging waarbij ik ook kijk naar andere zaken, zoals in dit geval het fosfaat- en stikstofproductieplafond.
Deelt u de mening dat het beleid op de meest actuele inzichten gestoeld moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, zoveel als mogelijk. Ik heb u hierboven uitgelegd waarom ik ervoor kies de bestaande forfaits vooralsnog niet aan te passen.
Bent u bekend met de mogelijke gevolgen voor dieren (diergezondheid) als verouderde cijfers de basis zijn voor beleid? Heeft u hierover in de afgelopen periode een waarschuwing vanuit de sector ontvangen? Zo ja, welke en wat gaat u hiermee doen?
Een tekort aan fosfor kan gevolgen hebben voor de diergezondheid. Dit wordt bepaald door het rantsoen waar de boer voor kiest. Het zijn hier niet de forfaitaire excretienormen als zodanig die een risico vormen voor diergezondheid. Het is wel zo dat boeren niet oneindig het fosforgehalte in het voer omlaag kunnen brengen zonder dat dit gevolgen heeft voor de diergezondheid. Daar zijn zowel de sector als ik ons van bewust.
Bent u bereid in het vervolg en in ieder geval voor de komende wijziging van de Meststoffenwet nieuwe gegevens te gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM) reeds verzocht om advies uit te brengen over de actualisatie van de forfaitaire excretienormen. Ik verwacht dit advies voor de zomer en mede op basis van dit advies zal ik een besluit nemen over de aanpassing van de forfaits per 1 januari 2020. Ik neem daarbij ook de meest recente cijfers omtrent de fosfaat- en stikstofproductie in mijn overweging mee.
Kunt u het verschil verklaren tussen de Nederlandse en de Belgische excretieforfaits? Hoe zit het met de Nederlandse excretieforfaits in relatie tot andere Europese lidstaten?
De excretieforfaits zijn een onderdeel van het totale mestbeleid in Nederland en België. De excretieforfaits in Nederland en België kunnen niet met elkaar worden vergeleken zonder daarbij de context van het hele stelsel in ogenschouw te nemen.
De stelsels voor het mestbeleid van verschillende lidstaten zijn door het PBL vergeleken in het kader van de evaluatie van het meststoffenbeleid in 2016. Daarbij is geconcludeerd dat het Nederlandse beleid in ieder geval niet strenger is dan dat van België (Vlaanderen) en Denemarken, landen die qua veehouderij de meeste overeenkomsten vertonen met die in Nederland. Zo betreft de derogatie voor een hogere norm van dierlijke mest (meer dan 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare) in Nederland het grootste aantal bedrijven en het grootste (absoluut en relatief) areaal landbouwgrond. Ook zijn bijvoorbeeld de gebruiksnormen voor een aantal veel geteelde gewassen op zand in Nederland soepeler dan in Vlaanderen (Bron: Achtergronden Evaluatie Meststoffenwet 2016, PBL, Kamerstuk 33 037, nr. 193).
Wat betreft de excretienormen kunnen de verschillen door verscheidene factoren ontstaan, ook bij vergelijkbare melkproductieniveaus.
In bijna alle landen in EU wordt de fosfaatexcretie berekend volgens de formule:
Een verschil tussen Vlaanderen en Nederland bij melkkoeien kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt doordat in Vlaanderen meer snijmais in het rantsoen zit, waardoor gemiddeld sprake is van een lagere fosfaatinname in de Vlaamse melkveehouderij.
De manier waarop fosfaat- en stikstofproductie wordt berekend is een nationale bevoegdheid. Zo worden in Nederland de verliezen aan stikstof en fosfor die door middel van voerverliezen optreden (tijdens het voeren van de dieren, met name in de stal) verrekend in de forfaits, omdat de stikstof en de fosfor die zo verloren gaan doorgaans via de mest(opslag) op het land terechtkomen. Die keuze is gemaakt om de forfaitaire normen zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de werkelijke situatie. In Vlaanderen worden voerverliezen niet meegenomen in de forfaitaire normen, waarmee overigens niet is gezegd dat dit niet op een andere plek in het rekenmodel toch wordt meegenomen. Uiteindelijk worden alle lidstaten afgerekend op de werkelijke nitraatuitspoeling en waterkwaliteit, en ook voerverliezen hebben daar een effect op.
Bent u bereid de Nederlandse cijfers (in relatie tot de Belgische cijfers) onafhankelijk wetenschappelijk te laten toetsen door een instituut dat niet eerder betrokken is geweest bij Nederlands onderzoek naar mestbeleid en aanlevering van cijfers in het kader van het mestbeleid? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het is een bewuste keuze de forfaitaire normen nu niet aan te passen. Het is niet zo dat er twijfel bestaat over de wetenschappelijke onderbouwing en dat er dientengevolge behoefte is aan een toetsing.
Kunt u aangeven of u op de hoogte was van de forse verschillen tussen de Nederlandse en Belgische excretieforfaits? Zo ja, waarom gaf dat u geen reden om dit nader te onderzoeken?
Iedere lidstaat is verantwoordelijk voor zijn eigen wet- en regelgeving en de bijbehorende onderbouwing. Lidstaten zijn moeilijk met elkaar te vergelijken en hoewel Nederland en Vlaanderen een vergelijkbare intensieve melkveehouderij kennen, kunnen verschillen in rantsoen en genetische aanleg van koeien verschillen in excretie veroorzaken. De excretie verschilt in Nederland overigens ook per regio en verandert ook in de loop der tijd door deze zelfde factoren.
Klopt het dat verschillende instanties, organisaties en wetenschappers al meerdere keren en langere tijd hebben aangegeven dat de cijfers waarop het mestbeleid geformuleerd wordt niet kloppen? Kunt u een overzicht verstrekken van deze organisaties en de voorstellen en vragen, onder andere ten aanzien van het openbaar maken van gegevens, die zij u hebben aangereikt en welke stappen u hierop heeft gezet?
Mijn keuze om de forfaits niet aan te passen zijn gelegen in de hoogte van de fosfaat- en stikstofproductie. Ik heb al eerder aangekondigd, onder meer tijdens het Algemeen Overleg van 27 juni en 13 december jl., dat ik ervoor gekozen heb nog geen wijziging door te voeren in de forfaits. Dit is een bewuste keuze waarover ik ook steeds transparant ben geweest. Ik heb het CDM om advies gevraagd over de actualisatie van de forfaits. Ook dit heb ik reeds gemeld. Voor de zomer van 2019 zal ik besluiten of per 1 januari 2020 een aanpassing van de forfaits wordt doorgevoerd.
Bent u zich bewust van het feit dat het gebruik van verouderde cijfers niet alleen impact heeft op het mestbeleid, maar dat deze ook op andere gebieden gebruikt worden?
Ik ben bekend met het feit dat de excretieforfaits voor fosfaat en stikstof van toepassing zijn op de gehele Meststoffenwet, alsmede daarbuiten, zoals de excretieforfaits voor stikstof bij de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Daarbij golden de excretieforfaits voor fosfaat en stikstof al voor de inwerkingtreding van het fosfaatrechtenstelsel.
Kunt u aangeven welke informatie en cijfers de basis zijn geweest voor de gesprekken aan de klimaattafels? Zo nee, waarom niet?
De gesprekpartners aan de klimaattafels zijn bekend met het feit dat de huidige excretieforfaits zijn gebaseerd op de herziening van 2015 en dat een actualisatie van de forfaits een verlaging van de forfaitaire normen tot gevolg kan hebben.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De berichten ‘Bewegingsjacht om dierziekte te voorkomen ‘veel gedoe voor weinig opbrengst’’ en ‘Omstreden jacht met bijna 80 man levert op: één dood zwijn’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bewegingsjacht om dierziekte te voorkomen «veel gedoe voor weinig opbrengst»» en het artikel «Omstreden jacht met bijna 80 man levert op: één dood zwijn»?1 2
Ja.
Bent u bekend met het door de Volkskrant aangehaalde openbare jachtverslag van de wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente, waarin verslag wordt gedaan van een grootschalige bewegingsjacht op wilde zwijnen op 5 januari jongstleden?
Ja.
Valt de in het jachtverslag van de wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente beschreven bewegingsjacht, waarbij 79 geweerdragers, 61 drijvers en een onbekend aantal jachthonden een gebied van 17 aaneengeschakelde jachtvelden hebben doorkruist, onder uw definitie van beperkte bewegingsjacht zoals u deze heeft beschreven in uw brief van 12 oktober 2018, inhoudende maximaal 6 geweerdragers, 3 jachthonden en 6 drijvers die hoorbaar een jachtgebied doorkruisen en kunt u uw antwoord toelichten?3
Uit informatie van de provincie Overijssel blijkt dat er sprake was van een telling van wilde zwijnen over in totaal 17 jachtvelden in het gebied Zuid-Oost Twente. Dit vond plaats in een groot areaal van enkele duizenden hectares aan weerszijden van de grens met Duitsland. In sommige van die jachtvelden is ook een beperkte bewegingsjacht, uitgevoerd met maximaal 6 jagers en 6 drijvers per jachtveld. Hierbij zijn in totaal vier wilde zwijnen gedood. Deze aanpak past binnen de definitie van de beperkte bewegingsjacht, zoals door mij is neergelegd in de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest van 19 oktober 2018.
Is het wat u betreft onder de geldende ministeriële regeling toegestaan dat jachtvelden op de hierboven beschreven wijze gecombineerd worden, waardoor er in de praktijk in één jachtveld tientallen jagers en drijvers rondlopen en kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het in algemene zin wenselijk dat uw besluit om beperkte bewegingsjacht toe te staan in de praktijk nu heeft geleid tot een jachtevenement waar 140 jagers aan hebben deelgenomen, met alle verstoring voor het in het gebied aanwezige wild van dien, met als resultaat één gedood wild zwijn? Zo ja, waarom wel?
Zoals uit het vorige antwoord blijkt, past dit binnen de definitie van beperkte bewegingsjacht. Er was daarnaast sprake van een telling in een groot gebied om een beeld te krijgen van de aanwezigheid en de aantallen wilde zwijnen in het gebied Zuid-Oost Twente. Deze telling werd gecombineerd met een afschotactie aan Duitse kant van de grens. Er was dus geen sprake van een jacht waaraan 140 jagers hebben deelgenomen. Wel is het zo dat er meer jagers bij de telling waren betrokken.
Hoe verhoudt de in het jachtverslag beschreven invulling van «beperkte bewegingsjacht» zich tot de uitspraak in uw brief van 12 oktober jongstleden dat beperkte bewegingsjacht een vorm is die de bezwaren die er zijn tegen het drijven in het algemeen (ecologische schade, verstoring, een niet-selectieve werking en dierenwelzijnsissues) wegneemt? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Het doel van de gehouden bewegingsjacht in Zuid-Oost Twente was primair een inschatting maken van de omvang van de populatie wilde zwijnen die zich in de grensstreek met Duitsland ophoudt. Wilde zwijnen zijn lastig te tellen, omdat zij zich ophouden in dicht struikgewas dat voor mensen en aangelijnde honden niet of nauwelijks toegankelijk is. Door de bewegingsjacht werden de zwijnen beperkt opgejaagd en was het mogelijk ze beter te tellen. Deze telling werd in enkele jachtvelden gecombineerd met het afschot van wilde zwijnen (in totaal vier) om zo de populatie niet verder te laten groeien in het kader van preventie van de Afrikaanse varkenspest.
Hoe verhouden de volgende twee uitspraken uit het Volkskrant-artikel zich tot elkaar en tot bovengenoemde stelling uit uw brief aan de Kamer van 12 oktober jongstleden dat beperkte bewegingsjacht geen ecologische schade aanricht en niet verstorend werkt: «de verstoring meeviel door de grote omvang van de jachtvelden» (uw ministerie volgens de Volkskrant) en deze vorm van jacht «toch een aanslag is op de natuur, en we willen de zwijnen niet teveel verstoren» (de voorzitter van de wildbeheereenheid Zuid-Oost Twente)?
Zie antwoord vraag 6.
Zit er wat u betreft een bovengrens aan het aantal jagers dat simultaan kan deelnemen aan één bewegingsjacht en zo ja, wat is die bovengrens?
Er was niet sprake van één bewegingsjacht, maar van meerdere bewegingsjachten in meerdere jachtvelden tegelijkertijd. Deze zijn uitgevoerd conform de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest.
Deelt u de mening dat het instrument bewegingsjacht met de grootste zorgvuldigheid moet worden ingezet en alleen als nut en noodzaak onomstotelijk vaststaat vanwege het zijn van een verregaande vorm van faunabeheer die niet voor niets is uitgesloten op grond van de Wet Natuurbescherming en die maatschappelijk gevoelig ligt?
De bewegingsjacht zoals bedoeld in de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest heeft tot doel de populatie wilde zwijnen te verkleinen, teneinde het risico op een besmetting met het AVP-virus te minimaliseren. Uiteraard dient daarbij de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht te worden genomen, teneinde verstoring aan andere ecologische waarden zo veel mogelijk te voorkomen. Uit informatie verkregen van provincie en faunabeheereenheid concludeer ik dat hieraan in het beschreven geval is voldaan.
Bent u van mening dat dit voorwaarden zijn, zie vraag 9, waar in het hierboven beschreven geval aan is voldaan? Zo ja, waarom wel?
Zie antwoord vraag 9.
Hebben er, naast de twee bewegingsjachten op wilde zwijnen in Brabant en Twente, meer bewegingsjachten plaatsgevonden en/of zijn er in de komende maanden meer voorzien en wat waren hiervan de resultaten?
In Noord-Brabant hebben op twee dagen twee bewegingsjachten plaatsgehad. Daarbij zijn in totaal tien wilde zwijnen afgeschoten. Mij zijn geen andere bewegingsjachten bekend dan de twee genoemde bewegingsjachten in Noord-Brabant en de in voorgaande antwoorden bedoelde bewegingsjachten in Zuid-Oost Twente.
Bent u bereid de Kamer spoedig te informeren over de bewegingsjachten die hebben plaatsgevonden en/of in de komende maanden zijn voorzien?
Ik ben bereid de Kamer te informeren over de bewegingsjachten die hebben plaatsgevonden.
Bent u bereid om op redelijke termijn de effectiviteit en proportionaliteit van de ministeriële regeling te evalueren en de Kamer te informeren over de uitkomsten hiervan?
Ik ben voornemens de Regeling preventieve maatregelen Afrikaanse varkenspest twee jaar na inwerkingtreding te evalueren op effectiviteit en proportionaliteit. Uw Kamer zal ik van de uitkomst van deze evaluatie op de hoogte stellen.
Beperking van de geitenhouderij |
|
William Moorlag (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Geitenstop in meeste provincies uit angst voor gezondheidsrisico’s»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven welke provincies inmiddels beleid kennen om geitenboerderijen aan banden te leggen en welke maatregelen zij daarvoor nemen?
Het gaat om de provincies Noord-Brabant, Gelderland, Limburg en Flevoland, Zuid-Holland, Overijssel, Noord-Holland en Utrecht. In genoemde provincies gelden in grote lijnen dezelfde maatregelen, namelijk een verbod op nieuwvestiging en uitbreiding van bestaande stallen. Er kunnen verschillen bestaan tussen provincies als het gaat om uitzonderingssituaties. Zo is het in de provincie Noord-Brabant nog wel toegestaan om bij een gelijkblijvend aantal dieren een geitenstal te verplaatsen ten behoeve van de verbetering van de volksgezondheid en om de oppervlakte van een geitenstal uit te breiden ten behoeve van het dierenwelzijn.
Deelt u de mening dat naarmate meer provincies maatregelen nemen om het aantal geiten te beperken, dit tot gevolg kan hebben dat geitenhouderijen zich in andere provincies vestigen? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat alleen al om deze reden landelijk beleid nodig is en hoe gaat u daar voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
In het verleden zijn bepaalde taken en bevoegdheden betreffende ruimtelijke ordening en milieu weloverwogen neergelegd bij gemeenten en provincies, onder meer inzake het verlenen van omgevingsvergunningen voor veehouderijbedrijven. In de provincies waar op dit moment geen verbod op nieuwvestiging van melkgeitenhouderijen van kracht is kunnen gemeenten, en in voorkomende gevallen provincies, met bestaande bevoegdheden voorwaarden stellen aan nieuwvestiging van veehouderijbedrijven, waaronder ook melkgeitenhouderijen. Het is aan provincies en gemeenten om in deze hun eigen afwegingen te maken.
Deelt u de mening dat vervolgonderzoeken naar nadelige gezondheidseffecten van de geitenhouderij geen reden mogen zijn om tot die tijd af te zien van verdere beperkende maatregelen omdat het belang van de volksgezondheid boven het belang van (uitbreiding van) de geitenhouderij gaat? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik uw Kamer op 24 januari jongstleden, in het plenaire debat over dieren in de veehouderij, heb aangegeven, loopt op dit moment, naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid en Omwonende (VGO), vervolgonderzoek naar de mogelijke oorzaken van het verhoogde risico op longontstekingen rond melkgeitenhouderijen. Ook bij de aanbieding van het deelrapport «Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartsenpraktijken 2014–2016» heb ik aangegeven dat deze studies het belang benadrukken van inzicht in de oorzaak van de verhoogde ziektedruk.
Zolang er geen oorzaak is gevonden is er ook geen objectief aangrijpingspunt op basis waarvan risicoreducerende maatregelen genomen kunnen worden, zoals een nationale begrenzing van de melkgeitenhouderij. Een nationaal vestigingsverbod of een nationaal maximum aan het aantal geiten wordt om die reden op dit moment niet overwogen. Provincies hebben op grond van het omgevingsrecht de bevoegdheid om vanuit het voorzorgprincipe tijdelijke maatregelen te nemen. Zoals aangeven in het antwoord op vraag 1 hebben acht provincies van deze bevoegdheid gebruikgemaakt. De resultaten van de vervolgonderzoeken worden in de loop van 2020 verwacht.
Deelt u de mening dat, omdat uit onderzoek is gebleken dat geitenboerderijen een verhoogd gezondheidsrisico voor omwonenden opleveren en omdat provincies vanwege die risico’s geitenboerderijen aan banden leggen, het voorzorgsprincipe zou moeten worden gehanteerd en dat zelfs al zou er wetenschappelijke onzekerheid kunnen bestaan over de gevolgen voor de volksgezondheid dat verdergaand landelijk beleid met betrekking tot de beperking van de geitenhouderij nu al nodig is? Zo ja, waarom en hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet en hoe verhoudt zich dat tot de zorgen die provincies blijkbaar wel hebben?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat een landelijk vestigingsverbod voor nieuwe geitenboerderijen nodig is? Zo ja, waarom en hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Overweegt u in navolging van veel provincies een maximum aan het aantal geiten stellen? Zo ja, hoe gaat u dit doen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat de biggensterfte in Nederland is toegenomen in plaats van afgenomen |
|
Frank Futselaar |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
Bent u bekend met de uitzending van het programma Nieuwsuur van 7 januari 2019 waarin werd gesteld dat inmiddels jaarlijks ruim vijf miljoen biggen voortijdig sterven ondanks afspraken met de sector dat dit aantal omlaag moet? Zo ja, wat is uw reactie op dit bericht?1
Ja. De hoge sterfte onder biggen is een probleem en daar moet verbetering in komen. Niet voor niets is de zorg voor jonge dieren expliciet onderdeel van mijn beleidsbrief Dierenwelzijn die ik 4 oktober 2018 naar uw Kamer heb gestuurd. De verdere daling van de biggensterfte blijft een belangrijke zaak.
Deelt u de mening van verschillende experts dat de belangrijkste sleutel voor het terugdringen van de biggensterfte ligt in het aanpassen van fokprogramma’s, omdat op dit moment de biologische grenzen van het aantal biggen per worp teveel zijn opgerekt?
Er zijn meerdere factoren die meespelen bij biggensterfte. Het uitgangspunt van het plan van aanpak «Verlaging biggenuitval» is dat een zeug zelfstandig haar biggen kan grootbrengen. Aandacht in fokkerij voor moedereigenschappen en bigvitaliteit is een belangrijk punt om de biggenuitval te verlagen.
Ziet u daarnaast nog kansen in de verbetering van leefomstandigheden van pasgeboren biggen om de overlevingskans te vergroten? Zo ja, welke maatregelen zijn volgens u het meest kansrijk?
Het is van belang dat pasgeboren biggen de zorg krijgen die ze nodig hebben en dat de zeug in staat is haar biggen zelf groot te brengen. Hiervoor is het nodig dat de omstandigheden van de zeug voor, tijdens en na het werpen van de biggen goed geregeld is. Hiervoor is in 2018 de checklist bigvitaliteit, als onderdeel van het plan van aanpak «Verlaging biggenuitval», opgesteld. De checklist geeft inzicht in verbeterpunten op het bedrijf. De focus ligt daarbij op een goede gezondheid, management, huisvesting in de kraamstal, huisvesting van guste en dragende zeugen, voeding en opvang en adaptatie van opfokzeugen.
Deelt u de mening dat we kunnen spreken van een mislukking op het gebied van de gezamenlijke ambitie uit 2009 om biggensterfte naar beneden te brengen, aangezien we nu, tien jaar later, moeten constateren dat het percentage dode biggen in de periode alleen maar is gestegen?
De hoge biggensterfte is een reden tot zorg, zoals ik ook heb geschreven in de brief dierenwelzijn van 4 oktober 2018 (Kamerstuk 28 286, nr.991) heeft dit mijn aandacht. Naast de ingezette acties rondom bigvitaliteit wil ik een benchmark op laten zetten binnen de varkenssector welke gericht is op het verminderen van de biggensterfte. Door de sterfte van jonge dieren onderling tussen de bedrijven inzichtelijk te maken, zullen ondernemers gemotiveerd zijn om in te zetten op de vermindering van biggensterfte.
Deelt u de mening dat er feitelijk tien jaren verloren zijn gegaan als het gaat om bestrijden van biggensterfte?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft u de woorden «Dan komt inderdaad het punt in zicht waarop je als overheid zegt: ja, sorry, we hebben het geprobeerd met afspraken maar dat heeft niet gewerkt» van de Staatssecretaris in 2016 over het gebrek aan voortgang in het bestrijden van biggensterfte door de sector zelf?2
Ik zal u, conform mijn toezegging in het debat Dieren in de veehouderij van 24 januari jl., in het voorjaar informeren over de voortgang van de activiteiten gericht op betere zorg voor het jonge dier.
Deelt u de mening dat inmiddels het punt is bereikt dat vrijblijvende afspraken met de sector geen optie meer zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om op korte termijn een brief aan de Kamer te sturen waarin u aangeeft welke aanvullende maatregelen u gaat nemen om ervoor te zorgen dat de biggensterfte wordt teruggedreven?
Zie antwoord vraag 6.
De berichten ‘Paardenstallen getroffen door uitbraak zeer besmettelijk griepvirus influenza’ en ‘Openheid van zaken over influenza uitbraak in Limburg’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Paardenstallen getroffen door uitbraak zeer besmettelijk griepvirus influenza» op Nu.nl en «Openheid van zaken over influenza uitbraak in Limburg» op horses.nl?
Ja.
Kunt u een actuele stand van zaken geven over de uitbraak van het zeer besmettelijke griepvirus influenza?
Op basis van de signalen die ik heb gekregen is het beeld dat de verspreiding van de ziekten regionaal is gebleven. Er zijn vooral berichten van besmette paarden in de regio Limburg. Een heel nauwkeurig beeld over het voorkomen van influenza bij paarden is er niet aangezien het geen aangifteplichtige ziekte is en er geen monitoringsprogramma is. Eigenaren of houders van paarden zijn dan ook niet verplicht gegevens over deze ziekte te melden. Daarbij komt dat bepaalde eigenaren en houders de gegevens als vertrouwelijk bestempelen en deze niet wensen te delen. Influenza bij paarden is qua status vergelijkbaar met de ziekte Rhinopneumonie. In antwoorden op Kamervragen over Rhinopneumonie in 2012 heeft de toenmalig Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie reeds aangegeven waarom dergelijke ziekten bij paarden niet aangifteplichtig zijn (Kamerstukken vergaderjaar 2011–2012, aanhangselnummer 2087 en aanhangselnummer 2088).
Bent u in overleg met de Sectorraad Paarden over de ontstane situatie? Zo ja, wat is de uitkomst van deze gesprekken?
De kwestie is besproken op 10 januari 2019 in het reguliere Gezondheidsoverleg paard. Naast onder meer de Faculteit diergeneeskunde (FD) en de Gezondheidsdienst voor dieren (GD) zit ook de Sectorraad Paarden (SRP) aan tafel. Afgesproken is dat er inspanning moeten blijven worden geleverd om zowel eigenaren als dierenartsen te wijzen op het belang van het goed uitvoeren van het vaccinatieschema.
Vindt u dat er voldoende gecommuniceerd wordt over symptomen en bestrijding van dit griepvirus? Zo nee, wat zijn de vervolgstappen?
Sinds de eerste signalen van besmettingen van paarden met influenza in december is er door zowel de SRP, FD en GD veel informatie verstrekt via internetsites. De SRP heeft de organisaties die samenwerken in de SRP gevraagd de informatie in hun achterbannen te verspreiden. De genoemde partijen hebben het beeld dat deze informatie veel wordt gelezen. Ik vind het goed dat deze partijen actief communiceren en vind dat ze dit voldoende doen.
Klopt het dat de paarden ingeënt kunnen worden tegen het griepvirus? Klopt het dat het verplicht is in Nederland om alle paarden hier tegen in te enten? Zo ja, welke paarden wel en welke niet en waarom is deze keuze gemaakt?
Er is een aantal verschillende influenza-vaccins in Nederland beschikbaar waardoor houders en eigenaren hun paarden door een dierenarts kunnen laten vaccineren. Er is geen algehele wettelijke verplichting tot vaccineren van paarden. Wel zijn er sport- en fokkerijorganisaties die vaccinatie van paarden verplicht stellen als voorwaarde voor deelname aan hun activiteiten. De sectororganisaties adviseren daarnaast aan houders en eigenaren om op vrijwillige basis hun paarden te vaccineren. Om zelfde redenen waarom influenza bij paarden niet aangifteplichtig is ligt het niet in de reden om vaccinatie vanuit de overheid te verplichten.
Wat is het percentage paarden dat ingeënt wordt tegen het griepvirus in Nederland en hoe ligt dat percentage in bijvoorbeeld Duitsland en België?
Of paarden gevaccineerd worden of niet wordt niet centraal bijgehouden. Daardoor is het niet mogelijk dit in een percentage weer te geven. Overigens geldt dit ook voorde genoemde landen omdat ook daar de ziekte niet aangifteplichtig is.
Zijn er specifieke groepen die niet of later beginnen met enten, zoals bijvoorbeeld jonge paarden (0 tot 3 jaar) en hobbypaarden? Wat vindt u hiervan? Welke stappen kunnen in samenwerking met de sector gezet worden om de vaccinatiegraad te verhogen?
Er is niet een duidelijke lijn te trekken tussen groepen paarden. Sommige mensen laten hun jonge paarden en hobby- en manegepaarden niet vaccineren (er is geen verplichting), terwijl andere eigenaren alle paarden en pony’s vanaf 6 maanden leeftijd wel laten vaccineren. Zoals boven omschreven wordt de vaccinatiestatus van paarden en pony’s alleen gecontroleerd in het kader van deelname aan activiteiten van sport- en fokkerijorganisaties.
Is er verschil tussen de Nederlandse richtlijn voor het enten van paarden en de internationale regels van de Fédération Equestre Internationale (FEI)? Zo ja, wat zijn de verschillen?
Ja, er worden verschillende vaccinatieschema’s gehanteerd.
Voor de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportbond (KNHS) dient een basisvaccinaties vanaf een leeftijd van 5 maanden te worden gegeven met een jaarlijkse hervaccinatie.
Voor de FEI (Fédération Equestre International – internationale paardensportorganisatie) is het vaccinatieschema uitgebreider. De basisvaccinatie bestaat uit twee vaccinaties en een derde moet binnen 6 maanden + 21 dagen worden gegeven. Ook hier jaarlijks een hervaccinatie. Als het paard op FEI wedstrijden uitkomt, moet het tweemaal per jaar gevaccineerd worden en dan mogen er weer niet meer dan 6 maanden en 21 dagen tussen twee vaccinaties liggen.
Alle vaccinaties (zowel voor de KNHS als de FEI) moeten in het paardenpaspoort worden geschreven door de dierenarts op de juiste datum met stempel en handtekening.
Kunt u inzicht geven of paarden die volgens de Nederlandse richtlijn ingeënt zijn vaker symptomen vertonen dan paarden die volgens de internationale regels geënt zijn? Zo nee, waarom kunt u dit inzicht niet geven? Indien Nederlandse paarden vaker symptomen vertonen wat vindt u daarvan?
Zoals boven omschreven is influenza bij het paard geen aangifteplichtige ziekte en is noch bij de overheid noch bij de sector bekend hoeveel paarden en pony’s er worden gevaccineerd en hoeveel dieren de ziekte hebben opgelopen. Ook is niet verplicht om paarden te testen als ze verkoudheidssymptomen vertonen en als er wel wordt getest, worden de uitslagen nogal eens als vertrouwelijk bestempeld.
De signalen dat paarden die volgens de «Nederlandse richtlijn» zijn gevaccineerd vaker symptomen zouden vertonen ken ik. Er is echter geen wetenschappelijk onderzoek gedaan naar deze bewering. Deskundigen geven aan dat in het algemeen paarden die korter geleden zijn gevaccineerd (korter dan 6 maanden geleden) minder symptomen vertonen dan paarden die langer geleden zijn gevaccineerd.
Het bericht 'Konijnenfokkers bedreigd: ‘Ik ben bang voor een kogel door mijn raam'' |
|
Antoinette Laan-Geselschap (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van EenVandaag «Konijnenfokkers bedreigd: Ik ben bang voor een kogel door mijn raam»?1
Ja.
Hoeveel konijndierhouders hebben we in Nederland en klopt het geschetste beeld dat het aantal overtredingen relatief laag is?
Voorlopige cijfers over 2018 van het CBS geven aan dat er in Nederland 50 bedrijven zijn waar konijnen commercieel worden gehouden.
In de jaren 2015, 2016 en 2017 zijn bij 54 bedrijven met vleeskonijnen inspecties uitgevoerd. Op 9 bedrijven waren tijdens de inspectie geen dieren aanwezig. Bij 15 van de resterende 45 inspecties zijn overtredingen geconstateerd. De afwezigheid van knaagmateriaal is als overtreding het vaakst geconstateerd. Andere voorbeelden van geconstateerde overtredingen zijn te lage lichtintensiteit, uitstekende (scherpe) delen of het ontbreken van plateaus. De geconstateerde overtredingen zijn in het interventiebeleid van de NVWA niet geclassificeerd als ernstige overtredingen en ze zijn opgevolgd met een mondelinge of schriftelijke waarschuwing.
Bent u bekend met de signalen dat naast de konijndierhouders ook pelsdierhouders en varkenshouders met de dood worden bedreigd? Wat vindt u van deze signalen?
Het is mij bekend dat demonstranten actie voeren tegen de konijnenhouderij. Ik heb signalen ontvangen dat daarbij haatzaaiende teksten, doodsverwensingen en bedreigende taal worden gebruikt.
Ook heb ik signalen ontvangen dat varkenshouders met doodsbedreigingen te maken hebben. Het is mij niet bekend dat er recent doodsbedreigingen zijn geuit aan het adres van pelsdierhouders. Het uiten van (doods)bedreigingen, in welke context dan ook, vind ik absoluut ontoelaatbaar en veroordeel ik ten zeerste.
Deelt u de mening dat veehouders (zowel voor commercieel gebruik als niet commercieel gebruik) goed voor hun dieren moeten zorgen maar dat iedere vorm van bedreiging onacceptabel is?
Ja. Zoals ik ook heb aangegeven tijdens het plenaire debat dieren in de veehouderij 24 januari jl. zijn er verschillende mogelijkheden om mistanden aan te kaarten en vind ik bedreigingen op geen enkele manier te rechtvaardigen.
Wat vindt u van de doodsbedreigingen aan het adres van de dierhouders die op een legale en eerlijke manier hun veehouderij runnen?
Doodsbedreigingen vind ik altijd onacceptabel en veroordeel ik ten zeerste. Dergelijke bedreigingen hebben een grote impact op betrokkenen. Bedreigingen leiden tot een gevoel van onveiligheid in huis, op het bedrijf en op straat en hebben daardoor grote invloed op het persoonlijk leven van de dierhouders. Ik vind het onacceptabel dat dierhouders in dit soort situaties terechtkomen en met dergelijke gecoördineerde acties geconfronteerd worden.
Welke maatregelen worden er op nationaal en regionaal niveau genomen teneinde dierhouders die worden geconfronteerd met dergelijke bedreigingen, vernieling en intimidatie veiligheid te bieden?
Bij elke bedreiging is het van belang dat aangifte wordt gedaan. Aangiftes bij de politie worden daar waar nodig bekeken met het oog op de aanpak van extremisme en de benodigde urgentie die daarbij hoort. Het lokale gezag draagt in het algemeen zorg voor de veiligheid en het welzijn van haar burgers. Het lokale gezag beoordeelt in hoeverre de persoon en/of zijn werkgever in staat is weerstand te bieden aan de dreiging. Indien nodig, treft zij aanvullende beveiligingsmaatregelen. Hierbij is de inschatting van de dreiging en het risico leidend voor het vaststellen van het beoogde weerstandsniveau en de bijbehorende beveiligingsmaatregelen.
Op landelijk niveau zijn de AIVD, politie en NCTV alert op de ontwikkelingen rondom het dierenrechtenextremisme en delen het dreigingsbeeld op hoofdlijnen met betrokken veiligheidspartners.
Kunt u een overzicht maken van het aantal aangiften van bedreiging, inbraak en andere wetsovertredingen aan het adres van dierhouders in de afgelopen vijf jaar?
De politie registreert niet specifiek op het beroep van slachtoffers en heeft hierover dan ook geen cijfers beschikbaar.
Kunt u in dit overzicht ook aangeven in hoeveel gevallen aangifte heeft geleid tot, en zo ja welke, rechterlijke uitspraak?
Het aantal aangiften van bedreiging, inbraak en andere wetsovertredingen aan het adres van dierhouders wordt, evenals het aantal aangiften, niet als zodanig geregistreerd. Hierover heb ik dan ook geen cijfers beschikbaar.
Hoe verklaart u het gevoel van dierhouders dat politie en justitie maar in beperkte mate optreden tegen dierenactivisten die willens en wetens een hardwerkende ondernemer intimideren, bedreigen en in sommige gevallen eigendommen van de veehouder vernielen en dieren de dood in jagen?
Dat er zorgen leven over dierenrechtenextremisme bij de konijnenhouders is mij duidelijk. Die zorgen neem ik uiteraard serieus. Het uiten van (doods)bedreigingen of het vernielen van eigendommen vind ik, in welke context dan ook, volstrekt ontoelaatbaar. De signalen dat politie en justitie in beperkte mate optreden herken ik niet. Als aangifte wordt gedaan van bedreiging of vernieling nemen de politie en het gezag dit serieus. Aangiftes bij de politie worden daar waar nodig bekeken met het oog op de aanpak van extremisme en de benodigde urgentie die daarbij hoort. Als de dreiging te groot wordt, maken het bevoegd gezag en de politie afspraken over eventuele beveiligingsmaatregelen.
Deelt u de mening dat dergelijke acties niet meer vallen onder de categorie activisme, maar onder de categorie extremisme? Zo ja, wat betekent dit voor de strafmaat?
Wanneer personen of groepen vanuit ideologisch motief bereid zijn in ernstige mate de wet te overtreden of activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen, is er sprake van extremisme. Of daarvan sprake is, zal in die gevallen waar aangifte is gedaan, moeten blijken uit strafrechtelijk onderzoek. Activisme is niet strafbaar.
Wilt u de vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Assistentiehonden |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Erkent u het belang van keuzevrijheid van gebruikers van assistentiehonden en de toegankelijkheid van deze vorm van zorg?
Ja
Klopt het volgens u dat het therapeutische en praktische effect van hulphonden, die relatief goedkoop zijn als ze een langere periode meegaan, voor heel veel mensen voorkomt dat zij andere dure zorgkosten maken?
Op grond van de Zorgverzekeringswet en daar aan aanverwante wet- en regelgeving hebben mensen aanspraak op een functionerend hulpmiddel, als ze daarop redelijkerwijs zijn aangewezen. Dat kan in sommige gevallen een hulphond zijn. Een hulphond is een hond die een substantiële bijdrage levert aan de mobiliteit en de algemene of huishoudelijke dagelijkse
levensverrichtingen (ADL) van een verzekerde die volledig doof is; of die als gevolg van blijvende, ernstige lichamelijke functiebeperkingen, aangewezen is op hulp bij die mobiliteit of bij ADL, en waarbij een hulphond de zelfstandigheid van de verzekerde vergroot en het beroep op zorgondersteuning (bijvoorbeeld thuiszorg) wordt verminderd. Bij het bepalen of een hulphond het meest passende hulpmiddel is, wordt onder meer ook gekeken naar welke zorg (bijvoorbeeld thuiszorg) door de hulphond kan worden voorkomen.
Deelt u de mening dat er in de samenleving nog stappen te zetten zijn wat betreft de erkenning van assistentiehonden?
Ja
Erkent u dat een assistentiehond in de praktijk voor gebruikers veel meer is dan een medisch hulpmiddel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u op de hoogte van de wijziging in het inkoopbeleid van CZ waarbij zij voortaan enkel hulphonden vergoeden die in eigendom van de hulphondenschool zijn, terwijl er hulphondenscholen zijn die bewust voor een andere werkwijze kiezen waar de hulphond altijd eigendom is van de patiënt, en enkel de status van de hond in het eigendom van de school is?
Ja, en ik heb hierover contact gehad met zorgverzekeraar CZ. CZ geeft aan deze eis vanaf 2019 te stellen om de kwaliteit van de hulphond voor de kwetsbare groep verzekerden die daar gebruik van maakt beter te kunnen waarborgen. Een hondenschool zal doorgaans beter kunnen beoordelen of een hond geschikt is als hulphond. Doordat de hulphond in bruikleen wordt verstrekt en de hondenschool eigenaar blijft van de hulphond, kan de zorgverzekeraar nadere afspraken maken over kwaliteit van training, begeleiding, dierenartszorg, verzekering etc. Tot slot benadrukt CZ dat bij hun verzekerden zich nog nooit een situatie heeft voorgedaan waarin het voorkwam dat een hulphond is afgenomen.
Erkent u dat deze wijziging onwenselijk is, aangezien scholen die op deze manier werken nu niet meer in zee gaan met CZ, omdat zij willen vasthouden aan hun unieke werkwijze waarbij de gebruiker van de assistentiehond zich minder bezwaard voelt om eventuele problemen aan te kaarten, omdat de angst dat de hond hem/haar wordt afgenomen dan niet bestaat, aangezien enkel de status van de hond kan worden ontnomen en niet de hond zelf?
Nee, het is aan de zorgverzekeraars om te bepalen op welke wijze zij bepaalde zorg (wat dus in de vorm van een hulphond kan zijn) bij welke zorgaanbieder willen contracteren. Zowel zorgverzekeraars als zorgaanbieders zijn echter niet verplicht om overeenkomsten met elkaar aan te gaan.
Verder kan juist het feit dat een hond in eigendom is van een hondenschool ervoor zorgen dat een verzekerde eventuele problemen kan melden, omdat dan de mogelijkheid open staat dat voor een andere hulphond gekozen kan worden bij dezelfde hondenschool, mocht dat nodig zijn.
Acht u het wenselijk dat sommige zorgverzekeraars verplichten dat de hulphonden rashonden zijn?
Ik heb daar geen oordeel over, omdat het aan de zorgverzekeraars is om te bepalen op welke wijze zij bepaalde zorg bij welke zorgaanbieder willen contracteren om aan hun zorgplicht te voldoen.
Overigens heeft CZ mij laten weten dat zij een dergelijke eis in haar inkoopbeleid 2019 had opgenomen, maar dat deze eis inmiddels is komen te vervallen, na een nadere toelichting door de hondenscholen over de selectie van een eventuele hulphond. De selectie van de hulphond vindt plaats onder de goede regie van de hondenscholen.
Is er volgens u sprake van willekeur in de vergoeding van assistentiehonden?
Zie mijn antwoorden op vraag 6 en 7
Wat vindt u ervan dat gebruikers van assistentiehonden moeite ondervinden bij het overstappen van zorgverzekeraar, bijvoorbeeld dat terwijl beide zorgverzekeraars onderhandelen over het restbedrag van de assistentiehond de hond tijdelijk wordt afgenomen, en zelfs definitief als de zorgverzekeraars hierover geen overeenkomst bereiken?
Op basis van mijn inzichten heb ik de indruk dat zorgverzekeraars hun taak om te zorgen voor continuïteit van zorg bij overstappen serieus nemen. Navraag bij Zorgverzekeraars Nederland (ZN) leert dat waar dit niet goed loopt, zorgverzekeraars dit met elkaar oplossen in het belang van de verzekerde. Wel heb ik begrepen dat de betaling van de onkostenvergoeding voor verzorging van de hulphond aan de verzekerde wel eens laat kan plaatsvinden. Zorgverzekeraars hebben, aldus ZN, onderling contact om deze situaties te voorkomen.
Het afzwakken van de ambitie om in 2025 wereldleider proefdiervrije innovatie te zijn |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Is het waar dat u de landelijke ambitie om in 2025 wereldleider te zijn op het gebied van proefdiervrije innovatie heeft afgezwakt (van wereldleider naar voorloper en minder strikte definiëring van het jaartal 2025)?1 2
Ik heb de ambitie niet afgezwakt. Wel heb ik met diverse partners die cruciaal zijn voor een versnelling van de gewenste transitie gezocht naar een passende formulering voor deze belangrijke opgave. Deze is als volgt geformuleerd: «Nederland als voorloper in de internationale transitie met proefdiervrije innovatie». De ambitie is wat mij betreft daarmee niet verminderd. Tijdens het Algemeen Overleg (AO) van 7 juni jl. heb ik gezegd dat Nederland zelfs eerder voorloper kan zijn in de transitie dan in 2025.
Kunt u toelichten waarom u dit niet heeft gerapporteerd aan de Kamer?
Ik heb zowel in mijn brief d.d. 1 juni jl. aan de Kamer als in de bijlage «Filosofie en werkwijze Transitie Proefdiervrije Innovatie» de huidige formulering van de ambitie met u gedeeld. Bovendien hebben wij in het AO van 7 juni jl. gesproken over deze ambitie. Naar nu blijkt, constateer ik dat wellicht een uitgebreidere toelichting op deze herformulering goed zou zijn geweest.
Kunt u uitleggen waarom u de ambitie heeft afgezwakt? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 1 en ook naar de uitleg in mijn brief d.d. 11 december jl. (Kamerstuk 32 336, nr. 86). Ik wil benadrukken dat het van belang is voor het welslagen van de versnelling van de transitie om een beweging op gang te brengen. Daarvoor is een haalbare ambitie waar mensen zich mee kunnen identificeren, een eerste vereiste. De huidige formulering van de ambitie voorziet hierin.
Is het afzwakken van de ambitie een gevolg van onvoldoende prioriteit vanuit uw ministerie en/of andere betrokken ministeries? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1 en vraag 3.
Is het afzwakken van de ambitie een gevolg van onvoldoende financiering vanuit uw ministerie en/of andere betrokken ministeries? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn brief d.d. 29 oktober 2018 (Kamerstuk 32 336, nr. 85), waarin ik de kosten van TPI in 2018 heb geschetst (de totale uitgaven TPI liggen nog iets onder het beschikbare maximumbedrag voor proceskosten) en de investeringen van direct betrokken partners in onderzoek proefdiervrije innovatie. Verder breng ik onder uw aandacht dat er in de samenleving meer partijen zijn die aan alternatieven en proefdiervrije innovatie werken, zoals bedrijven, universiteiten en universitair medische centra.
Hoe voorkomt u dat de ambitie hierdoor verwatert?
De ambitie verwatert niet, omdat mijn inzet evenals die van de TPI-partners3 op geen enkele wijze veranderd is. Alle betrokkenen zetten zich in voor een versnelling van de transitie, maar lopen tevens tegen de realiteit aan en zullen zich met die realiteit – gewenst of niet – moeten verhouden. Voor de inhoud van de realiteit per domein refereer ik aan het rondetafelgesprek d.d. 14 september 2017 in uw Kamer, waarin de mogelijkheden en onmogelijkheden rond proefdiervrije innovatie naar voren zijn gebracht door de door uw Kamer gehoorde stakeholders.
Kunt u de overgebleven ambitie concretiseren (inclusief tijdpad en tussendoelen), zodat kan worden bepaald of Nederland op schema loopt met het behalen van de ambitie? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het AO van 7 juni jl. heb ik hier uitgebreid over gesproken met uw Kamer en heb ik u uitgelegd dat de TPI-partners en ik werken aan versnelling van de transitie proefdiervrije innovatie. Het in gang zetten en waar dat al kan bestendigen van structurele veranderingen pak ik met partners aan via zogenaamde vernieuwingsnetwerken. Inmiddels zijn er tien vernieuwingsnet-werken en projecten actief in verschillende domeinen. Hiermee stimuleren we dat relevante professionals en organisaties geïnspireerd raken en gefaciliteerd worden om in beweging te komen. Via de vernieuwingsnetwerken ontstaat inzicht in welke innovaties mogelijkheden bieden en wat er voor nodig is om deze in betreffende domeinen tot gemeengoed te gaan maken. Daarbij wordt ook duidelijker welk tempo voor innovaties en domeinen realistisch is.
Wat nu vooral van belang is, is dat de motor achter het proces blijft draaien en gezamenlijk aan de versnelling van de transitie gewerkt wordt. Zowel ik als de TPI-partners spannen zich maximaal hiervoor in.
Zijn er in ieder geval tot 2025 evaluatie momenten ingepland, zodat bijsturing mogelijk is?
In de vernieuwingsnetwerken apart en tussen de vernieuwingsnetwerken onderling is sprake van een voortdurende bespreking van de aanpak en de resultaten. Op die manier kan ik met de TPI-partners bepalen of en zo ja, welke bijstelling in de aanpak van de vernieuwingsnetwerken nodig is. Daarnaast houdt de kerngroep TPI ook de vinger aan de pols wat betreft de ontwikkelingen op het geheel van de gewenste transitie. Ik onderzoek momenteel welke aanvullende monitoringinstrumenten in welke fase van de transitie kunnen worden ingezet.
Ik zal u jaarlijks van de ontwikkelingen en vorderingen op de hoogte brengen en hierover met u tijdens AO’s het gesprek aangaan. Een volgende voortgangsrapportage stuur ik u voor de zomer van 2019 toe.
Zijn er extra middelen achter de hand indien de ambitie en tussendoelen niet gehaald dreigen te worden? Zo nee, waarom niet?
Dat is op dit moment niet aan de orde.
De gruwelijke wereld achter de handel in cavia’s |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Kassa van zaterdag 24 november 2018 over de ernstige misstanden in de fokkerij van- en handel in cavia’s?1
Ja, deze uitzending is mij bekend.
Was u op de hoogte van de manier waarop cavia’s worden gehuisvest, behandeld en getransporteerd in groothandels? Zo nee, waarom niet?
Ik betreur het dat cavia’s bij de op TV getoonde handelaar op deze manier gehuisvest en behandeld zijn. Op basis van beelden bij één handelaar zijn echter geen conclusies te trekken. In Nederland is sprake van specifieke dierenwelzijnswetgeving voor dieren die bedrijfsmatig gehouden worden. Indien overtredingen worden geconstateerd dan kan hier tegen opgetreden worden.
Hoeveel cavia’s worden er jaarlijks verkocht in Nederland?
ik houd geen cijfers bij over de verkoop van cavia’s. In het rapport «Feiten en cijfers gezelschapsdierensector 2015» wordt geschat dat er in Nederland in 2014 zo’n 500.000 knaagdieren werden gehouden, waaronder cavia’s.
Welk toezicht is er in Nederland op de (tussen)handel in cavia’s?
De NVWA en de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) zijn aangewezen als toezichthouders voor de naleving van de regelgeving op het terrein van dierenwelzijn, waarbij de LID het voortouw heeft voor de welzijnscontroles bij handelaren in gezelschapsdieren (niet zijnde honden). Zij voeren toezichtcontroles uit bij bedrijfsmatige houders van dieren. Indien overtredingen van de dierenwelzijnsregelgeving door particulieren gesignaleerd worden, dan kunnen die gemeld worden bij het meldnummer 144. De LID en de politie nemen deze meldingen in behandeling.
Hoe vaak is de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de afgelopen vier jaar op inspectie geweest bij tussenpartijen die handelen in cavia’s, welke overtredingen van de Wet dieren en het Besluit Houders van dieren zijn daarbij geconstateerd en welke bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke maatregelen zijn er in die periode opgelegd?
De LID heeft sinds 1 januari 2015 47 inspecties ter plaatse uitgevoerd bij handelaren. Dit betrof niet enkel de inspecties van handelaren in cavia’s, maar omvatte ook handelaren in andere diersoorten. Naar aanleiding van vier van deze inspecties is een proces-verbaal opgemaakt en zijn meerdere bestuursrechtelijke sancties opgelegd (last onder dwangsom en boete).
De LID zal de controles in 2019 meer gaan richten op inspecties van toeleveranciers van dieren die voor de verkoop worden aangeboden in tuincentra en dierenspeciaalzaken.
Is de door Kassa bezochte groothandel in cavia’s bij u bekend?
De bezochte groothandel is mij bekend.
Zijn er bij de door Kassa bezochte handelaar recentelijk inspecties uitgevoerd door de NVWA en/of andere toezichthoudende instanties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kwam er uit de inspectie(s) naar voren en welke maatregelen zijn genomen tegen de handelaar?
De NVWA noch de LID hebben recentelijk inspecties uitgevoerd bij de door Kassa bezochte groothandel. Er wordt risicogericht toezicht gehouden. Dit betekent dat er met name daar inspecties plaatsvinden waar het risico op niet naleving het hoogst is.
Wat is uw reactie op het verhaal van een oud-medewerker van de groothandel, die vertelt hoe in de handel zieke dieren in de praktijk niet naar een dierenarts worden gebracht, maar worden doodgeslagen?
Volgens het Besluit houders van dieren moet een gewond of een ziek dier direct passende zorg ontvangen. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten moet elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden worden bespaard. Indien deze nodige zorg niet wordt verleend, of indien het doden niet volgens de regels gebeurt, is er sprake van een overtreding en kan hier tegen opgetreden worden.
Klopt het dat het doodslaan van (zieke) dieren een strafbaar feit is?
Ja, het doodslaan van dieren kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden aangepakt.
Wordt hier door de NVWA op gecontroleerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke schaal gebeurt het dat zieke dieren door de houder zelf worden gedood?
Indien de NVWA of de LID op een bedrijf komen en kunnen vaststellen dat dieren worden gedood in strijd met de regelgeving dan kan hier tegen opgetreden worden. De schaal waarop kleine knaagdieren zelf worden gedood door handelaren is lastig in te schatten. De doodsoorzaken van cavia’s worden niet landelijk bijgehouden.
Weet u hoe vaak er in Nederland bij de caviafokkerij en de caviahandel en -tussenhandel «culling» voorkomt (het doden van gezonde dieren door de houder, omdat het dier bijvoorbeeld een ongewenste kleur heeft, of omdat het dier te oud is om nog een goede prijs op te brengen)? Zo nee, waarom niet, waarom ontbreekt dat overzicht en bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Nee, over dit overzicht beschik ik niet. Zoals hiervoor aangegeven worden de doodsoorzaken van cavia’s niet landelijk bijgehouden. Bij de evaluatie van de Wet Dieren zal er ook gekeken worden naar de bepalingen betreffende het doden van dieren, waaronder de situaties waarin dieren mogen worden gedood.
Werkt het feit dat cavia’s voor de wet productiedieren zijn en ook op die wijze gefokt en verhandeld mogen worden, waarbij iedere extra uitgave aan bijvoorbeeld dierenarts of medicijnen er een is die de prijs van het «product» omhoog stuwt, dit soort praktijken in de hand? Zo nee, waarom niet?
Ook in dieren die niet voor de productie mogen worden gehouden kan worden gehandeld. Cavia’s zijn voor de wet ook gezelschapsdieren. Om deze dieren te beschermen zijn speciaal voor bedrijfsmatig gehouden gezelschapsdieren welzijnseisen opgenomen in het Besluit houders van dieren.
Wat is uw reactie op het feit dat de betreffende groothandel cavia’s verkoopt met een ontsteking van het oogslijmvlies (Chlamydia caviae)?
Ik betreur het dat er zieke dieren worden verkocht, maar dieren kunnen nu eenmaal ziek worden. Zij moeten dan wel passend worden verzorgd zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 8. Op basis van de getoonde beelden kan ik geen oordeel vellen over de gezondheid van de cavia’s.
Bent u ervan op de hoogte dat de bacterie (Chlamydia caviae) die deze ziekte bij cavia’s veroorzaakt bij mensen oogontsteking en longontsteking kan veroorzaken?2
Ja, chlamydia is een zoönose die verschillende klinische klachten bij de mens kan veroorzaken.
Klopt het dat het verkopen van zieke dieren strafbaar is?
In beginsel is dit niet verboden. Volgens het Besluit houders van dieren dient de verkoper van het dier de koper te voorzien van juiste informatie betreffende de gezondheidsstatus van het dier. Ook dient een dier op een passende wijze te worden verzorgd. Indien aan beide voorwaarden wordt voldaan kan een koper een dier overnemen. De nieuwe eigenaar heeft daarbij ook de plicht om het dier op een passende wijze te verzorgen.
Welke actie gaat u samen met de Minister van Justitie en Veiligheid ondernemen tegen de verkoper van de zieke cavia’s?
Het toezicht op de handel ligt bij de LID en de NVWA en niet bij de politie. Deze diensten treden op indien zij misstanden controleren.
Welk effect van voorlichting voor de potentiële koper van een huisdier verwacht u, wanneer deze koper niet kan controleren wat de dierenwelzijnsomstandigheden zijn bij de groothandel, aangezien deze vrijwel altijd gesloten zijn voor particulieren en dierenwinkels?
Een verantwoorde aanschaf van een huisdier en de borging van het welzijn van huisdieren in Nederland is mijns inziens alleen mogelijk indien alle betrokken partijen hun verantwoordelijkheid nemen. Fokkers en handelaren zijn primair verantwoordelijk voor een goede en gezonde fokkerij en de verkoop van dieren. De landelijke overheid stelt met welzijnsregels de ondergrens vast en controleert hierop. Een kritische, goed geïnformeerde consument kan mogelijke misstanden signaleren en proberen een juiste fokker of winkelier te kiezen op basis van de door voorlichting beschikbaar gestelde informatie. Ik verwacht dus niet dat een koper alle misstanden weet te voorkomen, wel dat hij kritisch blijft bij de aanschaf en eventuele misstanden meldt.
Wat is uw reactie op de beelden waarin een verkoper van de dierenwinkel onjuiste informatie aan een mogelijke koper geeft over zorg die nodig is voor een cavia door te stellen dat een cavia best solitair gehouden kan worden en dat het dier voldoende heeft aan «genoeg knuffelen»?
Een dierenwinkel heeft de verantwoordelijkheid correcte informatie te laten verstrekken over het houden en verzorgen van dieren. Hiervoor kunnen bijvoorbeeld de bijsluiters van het LICG gebruikt worden. Hierin wordt afgeraden cavia’s alleen te houden. Om juiste informatie aan de koper te borgen dient in elke dierenwinkel een beheerder aanwezig te zijn met een bewijs van vakbekwaamheid. Voor dierenwinkels die reeds op 1 juli 2014 bedrijfsmatig handelden in dieren geldt een overgangstermijn tot 1 januari 2020 in verband met het halen van het bewijs van vakbekwaamheid.
Klopt het dat het verstrekken van onjuiste informatie aan een mogelijke koper strafbaar is?
Op basis van het Besluit houders van dieren dient inderdaad informatie verstrekt te worden aan de koper met betrekking op de verzorging, huisvesting en het gedrag van het gezelschapsdier en de kosten die gemoeid gaan met het houden van het gezelschapsdier. Wanneer de verkoper zich hier niet aan houdt kan hiertegen opgetreden worden.
Deelt u de mening van de dierenarts die in de uitzending zegt dat de manier waarop cavia’s in glazen bakken of «diereilanden» tentoongesteld worden aan potentiële kopers slecht is voor het welzijn van de cavia’s?
Op grond van het Besluit houders van dieren mag een dier geen onnodige stress ervaren. Dit houdt in dat in een verblijf van de dieren voldoende schuilplekken aanwezig dienen te zijn zodat een dier zich aan het zicht van de mensen kan onttrekken. Het beschrijft ook dat dier zijn eigen fysiologische en etiologische gedrag moet kunnen uitvoeren. Wanneer er schuilplekken zijn kan een cavia zelf kiezen waar hij zich bevindt.
Bent u bereid een verbod in te stellen op het tentoonstellen van dieren voor de verkoop in zogenaamde diereilanden, analoog aan het verbod op het tentoonstellen van dieren in etalages?
Op grond van Besluit houders van dieren dienen er schuilmogelijkheden te zijn in de verblijven van cavia’s. Als dit goed geregeld is dan is er voor mij geen reden om een verbod verder uit te breiden.
Vormen de misstanden die in bovengenoemde uitzending aan bod komen aanleiding om uw beleid op het tegengaan van broodfok, impulsaankopen en de verkoop van huisdieren via dierenwinkels en tussenpartijen aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb mijn beleid voor de komende jaren uitgezet. Dit kunt u terugvinden in de beleidsbrief dierenwelzijn van 4 oktober (Kamerstuk 28 286, nr. 991). De in uw vragen opgesomde misstanden betreffen veelal overtredingen van bestaande regelgeving die nu al bestraft kunnen worden als zij kunnen worden aangetoond.
Bent u bereid een einde te maken aan zelfregulering door de sector, nu blijkt dat misstanden zich blijven voordoen, consumenten en dierenwinkels niet goed op de hoogte zijn van de omstandigheden waarin de dieren gefokt en gehouden voor ze bij hen terecht komen, en de ernst van de situatie gebagatelliseerd wordt door de brancheorganisatie?
Zoals in mijn antwoord op vraag 17 aangegeven is het voor de borging van het welzijn essentieel dat alle partijen hun verantwoordelijkheid nemen. De landelijke overheid heeft dierenwelzijnsregels opgesteld waaraan de fokkers zich dienen te houden. Consumenten dienen zich goed te informeren alvorens een dier aan te schaffen. Initiatieven van zelfregulering juich ik daarom juist toe en stimuleer ik ook. Een mooi voorbeeld vind ik «Happy Konijn» waarbij de Dierenbescherming en Dibevo samenwerken aan een verantwoorde aanschaf van dieren.
Het op tijd inrichten van een keurpunt voor levende dieren voor export naar het Verenigd Koninkrijk in verband met een eventuele harde Brexit |
|
Jaco Geurts (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NVWA: Keurpunt voor Brits vee nodig bij Brexit» en heeft u kennisgenomen van de uitspraken van de vertegenwoordiger van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) tijdens het rondetafelgesprek Verzamelwet Brexit op 5 december 2018?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat er geen keurpunt voor levend vee is voor export naar Groot-Brittannië en dat dit betekent dat export van levende dieren niet mogelijk is bij een harde Brexit?
Ik wil graag ingaan op het misverstand dat er mogelijk bestaat over dit keurpunt, ofwel inspectiepost. Zoals ook geschetst in het nieuwsbericht, heeft de vertegenwoordiger van de NVWA tijdens het rondetafelgesprek aangegeven dat er een inspectiepost nodig is voor het ontvangen van dieren2 uit het Verenigd Koninkrijk. Dit gaat dus over import van dieren.
In Nederland is op dit moment geen volgens de Europese Commissie erkende inspectiepost in een zeehaven waar de import van levende dieren uit derde landen kan plaatsvinden. Bij het ontbreken van een inspectiepunt betekent dit dat import van dieren via de Nederlandse zeehavens niet mogelijk zal zijn.
Deze inspectieposten bestaan wel op Schiphol airport en Maastricht Aachen airport. Levende dieren zouden bij een no deal scenario dus alleen direct in Nederland via het luchtverkeer geïmporteerd kunnen worden. Een andere optie kan zijn via een andere lidstaat als daar een erkende inspectiepost voor de import van levende dieren bestaat. Op dit moment bestaat er in andere lidstaten van de aan de gehele West-Europese kust van de Europese Unie (EU) geen erkende inspectiepost voor de import van levende dieren in een zeehaven.
Samengevat dus het volgende, er is geen keurpunt voor levend vee voor import in de EU in een zeehaven, wel in een luchthaven. Als er voor 29 maart 2019 geen nieuwe inspectieposten worden ingericht, zal er bij een no deal scenario dus geen import van levende dieren via een zeehaven kunnen plaatsvinden, wel via een luchthaven.
Klopt het dat alleen bij een harde (no deal) Brexit zo’n keurpunt nodig is, zodat het private bedrijfsleven huiverig is om een keurpunt in te richten, aangezien het niet gebruikt wordt in de andere Brexit-scenario’s?
Het klopt dat er in een no deal scenario een inspectiepost voor import van levende dieren nodig is. Bij een no deal scenario is deze inspectiepost nodig met ingang van 30 maart 2019 om import van levende dieren via een zeehaven per die datum mogelijk te maken. In gesprekken met het bedrijfsleven heb ik gemerkt dat de onzekerheden rondom de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie meespelen bij hun besluitvorming over het wel of niet gaan inrichten van een nieuwe inspectiepost. Ik kan geen uitsluitsel geven of het bedrijfsleven voornemens is om een inspectiepost in te richten. Ik heb gehoord dat er interesse is vanuit het bedrijfsleven, maar de NVWA heeft op dit moment nog geen aanvraag ontvangen.
Als het terugtrekkingsakkoord kan worden gesloten en in werking treedt komt er een overgangsperiode. Tijdens die overgangsperiode is er nog geen inspectiepost nodig, omdat het Verenigd Koninkrijk dan gedurende de overgangsperiode gebonden blijft aan de regelgeving van de Europese Unie (EU). De situatie blijft daarmee tot het einde van de overgangsperiode zoals die nu is. In eerste instantie duurt de overgangsperiode tot en met 31 december 2020. De EU en het Verenigd Koninkrijk kunnen via een gezamenlijk besluit eenmalig besluiten de overgangsperiode te verlengen uiterlijk tot en met 31 december 2022.
Na de overgangsperiode ga ik er op basis van de huidige informatie vanuit dat een inspectiepost nodig is, omdat het Verenigd Koninkrijk dan niet meer binnen de Europese Unie valt. Enkel in het zeer onwaarschijnlijke scenario dat het gehele Verenigd Koninkrijk in de interne markt blijft zijn er geen inspectieposten nodig.
Bent u bereid om er gezamenlijk met het bedrijfsleven voor te zorgen dat er een keurpunt ingericht wordt, dat in ieder geval op 29 maart 2019 («Brexit day») ingezet kan worden indien noodzakelijk en dan bij voorkeur op een plek die niet leidt tot onnodige extra kilometers tot het afvaartpunt?
Ik ben bereid om samen met de NVWA het bedrijfsleven te faciliteren bij het realiseren van een oplossing, als het bedrijfsleven daar het initiatief daarvoor neemt.
Het bedrijfsleven is verantwoordelijk voor de bouw en inrichting van inspectieposten. Wat betreft de genoemde ondersteuning: ambtenaren van de NVWA en mijn ministerie en het bedrijfsleven hebben reeds een aantal gesprekken gevoerd, waarin de verschillende partijen uit het bedrijfsleven samengebracht werden en de benodigde kennis en informatie werd gedeeld.
Ook is door de Nederlandse overheid tijdens een seminar over de Mededeling van de Europese Commissie over het Contingency Action Plan (COM(2018) 880 final) op donderdag 6 december jl. specifiek aandacht gevraagd voor het ontbreken van een erkende inspectiepost voor de import van levende dieren in een zeehaven aan de gehele West-Europese kust van de EU.
De Europese Commissie heeft laten weten de EU-lidstaten, waar mogelijk, te ondersteunen bij het zoeken naar een oplossing. Aanvragen voor een nieuwe inspectiepost kunnen behandeld worden als ze uiterlijk 15 februari 2019 ingediend zijn bij de Europese Commissie en de Europese Commissie wil graag in gesprek met de lidstaten hierover. Ik zal ingaan op het aanbod van de Europese Commissie om in gesprek te gaan over de inspectieposten.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
In verband met het kerstreces is dit helaas niet gelukt om de vragen binnen drie weken te beantwoorden.
De antwoorden op de schriftelijke vragen over het bericht 'Vis kan eindelijk door Haringvlietdam, maar daarachter wachten netten en fuiken' |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat is precies de onderzoeksvraag van het lopende onderzoek naar migrerende vissen?1
Naar aanleiding van vragen hierover van het lid De Groot in het Wetgevingsoverleg met de Minister van I&W op 26 november jl., is hierop ingegaan in de brief van de Minister van I&W van (Kamerstuk 35 000 J, nr. 30). Het betreft een onderzoek waarbij de visserij-impact van de verschillende visserijvormen op trekvissoorten op zoet-zoutovergangen, waaronder het gebied bij de Haringvliet, in beeld wordt gebracht. Het gaat daarbij om de verschillende vormen van beroepsvisserij, maar ook om de impact van de sportvisserij. Bekeken wordt hoeveel visserij er plaats vindt, hoeveel bijvangst van trekvissen er plaatsvindt, en wat overleving van trekvissen is na terugzet. Hiermee wordt dus de impact van de visserij in beeld gebracht, waarbij gebruik wordt gemaakt van zoveel mogelijk verschillende gegevensbronnen en veldgegevens. Waar het onderzoek niet voor is bedoeld is om de totale bestandsomvang voor de verschillende trekvissoorten in beeld te brengen. Voor dit laatste wordt gebruik gemaakt van de meerjarige onderzoeksreeksen uit de jaarlijkse bestandsmonitoring van Wageningen Marine Research (WMR).
Aangezien de Kier nog niet open is (of net) en het onderzoek wel binnen afzienbare tijd zal worden afgerond, hoe kan dan een causaal verband tussen trekvispopulatie en visserij aangetoond worden?
De aanwezigheid van trekvissen in het gebied is niet afhankelijk van de aan- of afwezigheid van de Kier. De trekvissen meldden zich altijd al in dit gebied, op zoek naar de mogelijkheid om verder te migreren, maar «stootten voor opening van de Kier dan vaker hun neus» op de gesloten sluisdeuren. In de gesloten situatie, voor opening van de Kier, was zelfs sprake van een iets grotere kans voor dieren om in een visnet of aan de hengel te belanden omdat, als gevolg van de gesloten sluizen, de dieren ter plaatse heen-en-weer-zwemgedrag gaan vertonen. Omdat dus ook in de «gesloten situatie» zonder Kier sprake is van aanwezigheid van trekvissen maakt dit het heel goed mogelijk om, zoals eerder in 2008 en ook op dit moment, onderzoek te doen om vast te stellen hoeveel dieren in de verschillende visserijvormen terecht komen.
Herinnert u zich dat tijdens het onderhandelingsproces waar u bij betrokken was, een kwalitatief onderzoek ter tafel is gebracht waarin de mogelijke impact van een tiental visserijtechnieken op trekvissen is aangetoond? Wat was de reden dat u dit onderzoek onvoldoende bewijslast vond om op basis van het voorzorgsprincipe nu tot visserijbeperkende maatregelen over te gaan?2
Het traject waar u aan refereert betreft geen onderhandelingsproces, maar behelsde een gezamenlijke inspanning van overheden, ngo’s, vissers en vissersorganisaties om te kijken of op vrijwillige basis, en met meerwaarde voor alle partijen, er afspraken gemaakt konden worden over de visserij in de omgeving van de Haringvlietsluizen. Ik heb u hierover in de beantwoording van de eerdere vragen over dit onderwerp geïnformeerd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nrs. 693 en 694). In het gesprek tussen de betrokken partijen zijn verschillende onderzoeksrapporten over tafel gekomen, waaronder het onderzoek waar u aan refereert.
Het betreffende onderzoek is een kwalitatief onderzoek dat in opdracht van de bij het proces betrokken ngo’s is uitgevoerd. Hierbij is gekeken naar de visserij-inspanning (hoeveelheid daadwerkelijk gebruikte netten) van de beroepsvisserij in het gebied. Vervolgens is op basis van literatuuronderzoek en expert-judgement een inschatting gemaakt hoeveel trekvissen in deze visserij terecht zouden komen en wat de impact op deze vissoorten zou kunnen zijn. Voor deze analyse is, in afwijking van het eerdere onderzoek uit 2008, geen veldonderzoek verricht, of zijn gegevens uit de visserij (anders dan de hoeveelheid netten) toegepast. Juist ook omdat de conclusies uit deze analyse aanzienlijk afwijken van de uitkomsten van het onderzoek op basis van visserijgegevens uit 2008, is besloten om dit eerdere onderzoek (in meer uitgebreide vorm, nu met aanvullende veldwaarnemingen) te herhalen.
Aangezien er weinig tot geen data beschikbaar zijn over (trek)visbestanden, vangt en bijvangst, hoe denkt u de impact van visserij op de trekvispopulaties op dit moment te kunnen meten in de huidige situatie (=een nog niet hersteld estuarium) en in relatie tot de toekomstige situatie?
Zie de beantwoording van de vragen 1 en 2.
Hoe gaat u monitoren wat de bijvangsten zijn?
Onderzoek naar trekvissen maakt onderdeel uit van de jaarlijkse reguliere monitoringsprogramma’s zoals die in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Rijkswaterstaat plaatsvinden. De mate waarin soorten door de sportvisserij worden gevangen, en de trends hierin, worden eveneens in regulier verband periodiek gemonitord. Voor de in dit kader meest relevante vormen van beroepsvisserij geldt daarnaast, op basis van het Natura-2000 beheerplan voor de Voordelta, de verplichting om bijvangsten van teruggezette trekvissoorten maandelijks te registeren.
Komt er een registratieverplichting voor alle gevangen dieren, ook die weer levend (of dood) overboord gezet worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid deze cijfers te delen met derden?
Individuele vangstregistraties van vissers kunnen op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) als bedrijfs-(economische) gegevens niet met derden worden gedeeld. De verschillende onderzoeksgegevens zijn in geaggregeerde vorm wel beschikbaar in de verschillende rapportages en onderzoeksrapporten zoals die door WMR op reguliere basis over de visserij in (o.a.) de kustzone worden gepubliceerd.
Wat gaat u doen om trekvissen te beschermen en zo het Kierbesluit te optimaliseren als uit het huidige onderzoek (conform eerder onderzoek uit 2008) blijkt dat er onduidelijkheid is over impact van visserij op trekvisbestanden?
Zoals ik in de beantwoording van de eerdere vragen hierover heb aangegeven is, op grond van de nu beschikbare onderzoeksgegevens, het beeld dat de impact van de verschillende visserijvormen op trekvissoorten beperkt is (Aanhangsel Handelingen II 2018–2019, nrs. 693, 694 en 695). Aanvullende beschermingsmaatregelen, bovenop de beperkingen zoals die nu al van kracht zijn, lijken daarmee dus niet noodzakelijk. Op de uitkomsten van het onderzoek zoals dat thans loopt kan ik nu nog niet vooruitlopen, waar gegevensverzameling tot op dit moment nog plaatsvindt. Ik zal u daar na afronding van het onderzoek over informeren.
Herinnert u zich uw stelling «dat er slechts sprake was van een voorstel van vissers en ngo’s om tegen betaling door de overheid een aantal jaren de visserij te beperken»? Deelt u de inhoudelijke analyse achter het voorstel tot het tijdelijk stilleggen van de visserij?3
Over de gang van zaken in het traject met overheden, ngo’s, vissers en vissersorganisaties, zoals dat in het afgelopen jaar heeft plaatsgevonden, ben ik in de beantwoording van uw eerdere vragen reeds uitgebreid ingegaan (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 694). In dit traject bleek dat sprake was van verschillende onderzoeksrapporten met tegenstrijdige conclusies over de mogelijke impact van de visserij, waar door partijen ook heel verschillende gevolgtrekkingen aan verbonden werden. Er was dus geen sprake van een eenduidige analyse van de situatie en juist daarom is het ook zo belangrijk dat nu het nieuwe grootschalige onderzoek wordt uitgevoerd. Voor het overige verwijs ik naar de beantwoording op de vragen 3 en 8.
Heeft u ook mogelijkheden tot cofinanciering door private partijen onderzocht, dit gezien uw opmerking dat de kosten voor het tijdelijk stilleggen van de visserij eenzijdig bij de overheid zouden komen te liggen?
Zie ook het antwoord op vraag 3. Voordat de vraag naar financiering ten volle kon worden onderzocht, is eerst gekeken naar de meerwaarde van het voorstel. Het voorliggende voorstel behelsde het stilleggen van een deel van de visserij (niet alle vissers wensten te participeren) voor een periode van 2 jaar tegen een indicatief bedrag van ca. € 1,5 miljoen. Daarbij zou dan sprake zijn van een tijdelijk moratorium van 2 jaar, waarna de visserij ofwel weer opnieuw zou kunnen plaatsvinden, ofwel waarna opnieuw financiering voor stilleggen zou moeten worden gevonden. De meerwaarde van dit voorstel is door de overheden als te beperkt beoordeeld.
De financiering van dit voorstel zou daarbij, zoals ik in de beantwoording van uw eerdere vragen heb aangegeven, bijna volledig door de overheid dienen plaats te vinden. Hiernaar gevraagd werd door de participerende niet overheidspartijen aangegeven dat vanuit deze organisaties er geen mogelijkheden voor substantiële medefinanciering waren.
Wat heeft u gedaan om zich, vanuit de inhoudelijk analyse, in te spannen om te zoeken naar financiering voor het voorstel?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u uw betrokkenheid bij het traject schetsen?
Zie hiervoor de beantwoording van de vragen 3, 10 en 11.
Kunt u aangeven hoeveel het Kierbesluit al heeft gekost?
Zie hiervoor de beantwoording van uw eerdere vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 694). Specifiek voor het Kierbesluit gaat het daarbij om een bedrag van ca. € 75 miljoen (gerealiseerd en gepland), vooral ten behoeve van verplaatsing van waterinnamepunten en waterleidingen en -sloten.
Hoeveel hebben andere EU-lidstaten uitgegeven aan vismigratie in de Rijn en Maas?
Zie antwoord vraag 13.
Hoe ziet u de investering van 1,5 miljoen euro in het genoemd onderzoek in het licht van de totaalkosten van het Kierbesluit?
In het lange proces van tot stand komen van het Kierbesluit is altijd zeer scherp gekeken naar kosten en baten. Het past in dat proces om niet verder te gaan met een voorstel waarvan het effect als zeer gering werd beoordeeld.
Kunt u aangeven in dit proces zorgvuldig te hebben gehandeld en dat u zich tot het uiterste heeft ingespannen om tot een oplossing te komen, gezien beantwoording op de vorige Kamervragen een passieve rol van de kant van de overheid suggereert als het gaat om het beperken van de visserij rondom de kier?
Op alle processtappen en acties zoals die vanuit de ministeries van LNV en I&W in de afgelopen periode hebben plaatsgevonden ben ik in bovenstaande, en in de beantwoording van de eerdere, vragen uitgebreid ingegaan. Ik herken me daarbij niet in het beeld dat er sprake zou zijn van een passieve rol vanuit de overheid. Dit geldt voor de verantwoordelijkheid zoals die is genomen voor een onderzoeksaanpak, om tot eenduidigheid in de tot dusver beschikbare onderzoeksresultaten te komen. En dit geldt ook voor de energie die is gestoken in het initiatief vanuit de ngo’s, om te kijken of er in een gezamenlijk traject tot vrijwillige afspraken over de visserij bij de Kier gekomen kon worden.
Hoe staat het met het onderzoek dat u heeft aangekondigd naar de mogelijkheid om rond belangrijke zoet-zout-overgangen in Nederland visserijvrije zones in te stellen?
Zoals ik u eerder heb geïnformeerd, loopt dit onderzoek tot het eerste kwartaal van volgend jaar. Na afronding hiervan zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u bereid om de antwoorden op deze Kamervragen voorafgaand aan het algemeen overleg Visserij op 6 december 2018 aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de vragen zo spoedig als mogelijk beantwoord.