Een via Nederland verspreide tuberculose-uitbraak bij apen die als proefdier worden gebruikt |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Kunt u de berichtgeving van Animal Rights bevestigen waaruit blijkt dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid bij apen die als proefdier worden gebruikt?1
Ja, wij kennen deze berichtgeving.
Wanneer bent u op de hoogte gebracht van deze tuberculose-uitbraak? Welke stappen zijn er ondernomen sinds de besmetting is vastgesteld?
De NVWA heeft op 28 april 2023 melding uit Frankrijk ontvangen dat bij een aap, afkomstig van een groep apen die via een bedrijf in Nederland in de EU was geïmporteerd, tuberculose was vastgesteld. De NVWA heeft de Ministeries van LNV en VWS op de hoogte gesteld. Tevens heeft de NVWA het bedrijf geblokkeerd en is door LNV melding gedaan van deze besmetting aan de andere EU-lidstaten die apen uit de originele groep hadden verkregen. De apen die nog in Nederland aanwezig waren zijn door de NVWA onderzocht op besmetting met tuberculose; 15 dieren bleken hierbij positief op een variant van het Mycobacterium tuberculosis complex waarop bij de import en intraverkeer binnen de EU niet is getest. Onderzoek op de in deze casus aangetoonde variant (M. bovis caprae) was ten tijde van de import geen verplichting. Wel is getest op M. tuberculosis; daarop testten de apen negatief. Uiteindelijk zijn op verzoek van de eigenaar alle nog in Nederland aanwezige apen geëuthanaseerd. De NVWA heeft daarnaast contact gezocht met het RIVM en de tuberculose-arts van de regionale GGD. Deze hebben de casus geanalyseerd en de risico’s voor de volksgezondheid als verwaarloosbaar klein beoordeeld.
Waarom heeft u de Tweede Kamer hier niet over geïnformeerd, maar moet de Kamer in plaats daarvan van het Spaanse Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedsel, via een dierenrechtenorganisatie, vernemen dat deze uitbraak heeft plaatsgevonden?
Het komt vaker voor dat er besmettingen met (mogelijke) zoönosen bij gehouden of wilde dieren worden aangetoond. We melden u niet elke besmetting, alleen waar dat mogelijk gevolgen voor de volksgezondheid heeft.
Heeft u op enig moment overwogen om de Kamer hierover te informeren, gezien het belang van een transparant bestuur, de politieke aandacht voor zoönosen en de politieke wens om een einde te maken aan dierproeven met apen? Zo nee, waarom niet?
Zie ook het antwoord op vraag 3. Verder maakt het RIVM elk jaar in opdracht van de NVWA een overzicht van de belangrijkste zoönosen in Nederland en hoe vaak ze voorkomen. Deze Staat van Zoönosen wordt online gepubliceerd. Zaken, die mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid hebben, melden we ook los van deze publicatie.
Bent u bereid om de Kamer voortaan (tijdig) te informeren over dergelijke uitbraken van dierziektes? Zo nee, waarom niet?
Zie ook het antwoord op vraag 3 en 4. Uitbraken van dierziektes die mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid hebben worden, ook los van de jaarlijkse Staat van de Zoönosen, aan uw Kamer gemeld.
Hoeveel besmette apen zijn er in Nederland aangetroffen en hoeveel, via Nederland getransporteerde, besmette apen zijn er in andere landen aangetroffen?
Na de melding uit Frankrijk over de tuberculosebesmetting zijn de apen uit de originele groep die nog in Nederland waren middels de testmethode tuberculinatie onderzocht op besmetting met tuberculose. 15 dieren testten positief in deze test. Na aanvullend onderzoek bij Wageningen Bioveterinairy Research (WBVR) werd de tuberculosebacterie getypeerd als Mycobacterium bovis caprae, dit is een andere variant dan de humane variant die over het algemeen bij mensen en apen wordt gevonden (M. tuberculosis).
De andere lidstaten die apen hebben verkregen uit de originele groep zijn geïnformeerd over de besmettingen. Het is aan die lidstaten om hier opvolging aan te geven, wij hebben geen informatie over aantallen besmette apen in andere lidstaten.
Kunt u bevestigen dat deze besmette apen vanuit Vietnam naar Nederland zijn getransporteerd? Via hoeveel transporten zijn deze apen naar Nederland gekomen?
De apen zijn in één zending in Nederland aangekomen vanuit Vietnam.
Klopt het dat deze apen naar Nederland zijn getransporteerd om vanaf hier verder te verhandelen voor proefdieronderzoeken? Zo niet, voor welke reden zijn de apen dan naar Nederland getransporteerd?
De apen zijn naar Nederland getransporteerd ten behoeve van proefdieronderzoek in erkende proefdiercentra in verschillende EU-lidstaten.
Naar welke landen zijn deze apen geëxporteerd?
Uit de originele groep zijn apen naar erkende proefdiercentra verplaatst in Frankrijk, Duitsland, Spanje, Hongarije en Italië.
Hadden deze apen al tuberculose voordat ze naar Nederland zijn getransporteerd of hebben ze de tuberculose in Nederland opgelopen?
Als apen worden geïmporteerd uit landen buiten de EU gelden er voorwaarden ten aanzien van de gezondheid. Daarnaast heeft de importeur aanvullende eisen gesteld, omdat de apen bestemd zijn voor proefdiercentra. Hier gelden zeer hoge gezondheidseisen in verband met het onderzoek dat aan deze dieren wordt gedaan. De apen waren onder meer bedoeld voor tuberculose-onderzoek en daarom was het noodzakelijk dat ze niet met tuberculose besmet waren. In Vietnam zijn daarom, als vereiste door de importeur, alle apen middels een Mantoux-test onderzocht op besmetting met Mycobacterium tuberculosis, de humane variant van tuberculose welke over het algemeen bij apen kan voorkomen. Alle dieren testten negatief. De apen waren klinisch gezond voorafgaand en tijdens de reis.
Na aankomst in Nederland zijn de apen in quarantaine gegaan en daar opnieuw door de importeur onderzocht met de Mantoux-test, als extra waarborg voor de proefdiercentra waar de apen voor bestemd waren. Opnieuw testten de dieren negatief op M. tuberculosis.
Na de melding uit Frankrijk zijn de dieren, die nog in Nederland aanwezig waren, door de NVWA ook onderzocht op andere varianten van het tuberculose-complex. Uiteindelijk bleken de apen besmet met Mycobacterium bovis caprae, een variant waar de Mantoux-test geen uitslag op geeft. Gezien de lange incubatietijd is het aannemelijk dat de apen al in Vietnam besmet zijn geraakt.
Welke eisen worden gesteld aan de import, quarantaine en export van apen? Zijn deze eisen in dit geval goed nageleefd?
Zie ook het antwoord op vraag 10. De veterinaire regels over het binnenbrengen van dieren in de Europese Unie zijn vastgelegd in EU-wetgeving. Deze wetgeving voorziet in de veterinaire vereisten voor import, zoals een verplichte klinische gezondheidsinspectie vooraf aan transport en de aanwezigheid van een gezondheidscertificaat. Deze certificaten worden afgegeven door de bevoegde autoriteit van het exporterende land. De apen voldeden aan deze vereisten.
In de praktijk wordt in aanvulling hierop de volgende handelwijze betracht: de toepassing van een quarantaineperiode (30 dagen vóór de export), binnen de EU alleen vervoer naar of tussen geconsigneerde inrichtingen (dat zijn bedrijven met een specifieke vergunning zoals dierentuinen of onderzoeksinstellingen), en een verblijf van de apen op het bedrijf van oorsprong van minimaal één jaar voor het moment van export.
Voor het intraverkeer naar andere EU-lidstaten gelden de eisen uit de EU-diergezondheidsverordening en onderliggende wetgeving. Die regels bevatten eisen met betrekking tot o.a. gezondheid, vervoer en welzijn. Het testen op tuberculose is hierin voor apen niet opgenomen. Tenslotte stellen geconsigneerde inrichtingen soms zelf aanvullende, private, eisen. Dit was in dit geval ook aan de orde.
Wat is er met de besmette apen gebeurd? Wat is er met de andere apen gebeurd die op dezelfde transporten zaten, maar niet besmet waren?
De apen in het Nederlandse bedrijf, zowel de besmette apen als de nog aanwezige apen waar geen besmetting bij is aangetoond, zijn uiteindelijk op verzoek van de eigenaar door de eigen bedrijfsdierenarts geëuthanaseerd. Er bestaat geen verplichting deze dieren te euthanaseren, de eigenaar heeft hier na zorgvuldige overweging en in overleg met experts voor gekozen. De apen waren niet meer geschikt voor het onderzoeksdoel waarvoor ze waren gekomen, noch was gebruik in een dierentuin mogelijk omwille van de gezondheidsrisico’s voor andere apen en voor bezoekers. Het is ons niet bekend wat er met de apen uit dezelfde groep in de andere EU-lidstaten is gebeurd, dit is aan de autoriteiten en onderzoeksinstellingen van die lidstaten.
Het Kabinet werkt actief aan het verminderen van dierproeven in het algemeen en aan dierproeven met apen in het bijzonder. Nederlandse onderzoeksinstellingen hebben in principe de afspraak gemaakt dat apen voor dierproeven niet uit het buitenland afkomstig kunnen zijn. Deze afspraak geldt in Nederland maar niet in andere EU-lidstaten, waar de apen voor bestemd waren. De euthanasie van deze apen voelt daarom zeer ongemakkelijk.
Kunt u bevestigen dat de besmette apen voordat ze zijn geïmporteerd, negatief zijn getest op tuberculose, en dat een dergelijke test dus niet de garantie biedt dat we apen zonder zoönosen importeren?
Zie het antwoord op vraag 10.
Heeft u, nadat u op de hoogte bent gebracht van de tuberculose-uitbraak, het transport van apen vanuit Vietnam naar Nederland stilgelegd? Zo ja, voor hoe lang? Zo nee, waarom niet?
De besmetting kwam als een verrassing, omdat de dieren door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst waren gecertificeerd en in de quarantaineperiode in Nederland geen ziekteverschijnselen vertoonden. De besmetting was daarom geen reden om de handel in apen stil te leggen. Het treffen van noodmaatregelen, zoals een schorsing van de binnenkomst van dieren, kan door de Europese Commissie worden ingezet, of vooruitlopend daarop door een lidstaat, als er significante risico’s bestaan voor bijvoorbeeld de volksgezondheid (artikelen 261 en 262 van verordening 2016/429). Dat was in dit geval niet aan de orde.
De casus is wel aanleiding geweest om rondom het importen van apen actiever onderzoek te doen naar de aanwezigheid van alle varianten van het Mycobacterium tuberculosis complex, inclusief de variant die gevonden is bij deze groep apen.
Heeft u, nadat u op de hoogte bent gebracht van de uitbraak, het transport van apen vanuit Nederland naar andere landen stilgelegd? Zo ja, voor hoe lang? Zo nee, waarom niet?
Nee dat is niet gebeurd. Wel is zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 het Nederlandse bedrijf, waar nog apen uit de originele groep zich bevonden, geblokkeerd zoals dat gebruikelijk is bij aantonen van besmettelijke dierziekten. Tevens zijn de lidstaten die apen uit de originele groep hebben ontvangen ingelicht over de geconstateerde besmetting.
Kunt u bevestigen dat er handhavend is opgetreden tegen de betreffende handelaar die apen met gevaarlijke zoönosen naar Nederland heeft gehaald? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Er is niet handhavend opgetreden, de importeur heeft geen regels overtreden. Wel is het bedrijf geblokkeerd en is nader onderzoek uitgevoerd. Zie verder de antwoorden op de vragen 6, 10 en 12.
Wat bedoelt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) met: «Ondertussen is de certificering aangepast zodat dit niet meer kan voorkomen»?2
Zie het antwoord op vraag 14.
Kunt u bevestigen dat dit niet het eerste geval is van tuberculose-besmetting bij getransporteerde apen vanuit Zuidoost-Azië, maar dat er ook andere recente gevallen zijn, in bijvoorbeeld de Verenigde Staten?3
Tuberculose wordt veroorzaakt door een wereldwijd zeer veel voorkomende bacterie die zowel mens en dier kan besmetten. Het komt vaker voor dat besmettingen met tuberculose bij dieren worden vastgesteld.
Hoe verklaart u het verschil in handelen tussen de Amerikaanse overheid en de Nederlandse overheid, waarbij in de Verenigde Staten meteen een bericht uitging naar de veterinaire instanties en het luchtvaart- en vliegveldpersoneel werd gewaarschuwd, terwijl er in Nederland is besloten om «geen verdere ruchtbaarheid» aan deze uitbraak te geven, zoals de NVWA meldt op vragen van Animal Rights?
Wij kennen de overwegingen van de Amerikaanse overheid niet. Mogelijk zijn andere afwegingen gemaakt over het risico, of was sprake van omstandigheden die een reëel risico voor mensen heeft opgeleverd. Dit is ons niet bekend.
Deelt u de mening dat het over de hele wereld verschepen van apen uit Zuidoost-Azië een risico met zich meebrengt voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
In zijn algemeenheid bestaan er risico’s bij importen van dieren. De handel in apen voor onderzoeksdoeleinden is echter omgeven met voldoende regels en waarborgen, zodat het risico voor de gezondheid van mensen die in direct contact komen met deze dieren beperkt is, en het risico voor de volksgezondheid vrijwel nihil. Zie het antwoord op vragen 11 en 14.
Bent u bereid om de import van apen vanuit Zuidoost-Azië stil te leggen, gezien het risico voor de volksgezondheid en voor het dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 14 en 15. De import van apen is vooralsnog noodzakelijk aangezien er voor dierproeven in Europa met name op gebied van infectieziekten en ernstige neurologische aandoeningen -naast andere dieren- nog altijd apen gebruikt moeten worden. Deze onderzoeksgebieden zijn complex en daarom (nog) niet na te bootsen in beschikbare proefdiervrije technieken. Voor het verkrijgen van deze dieren zijn onderzoeksinstellingen grotendeels afhankelijk van toelevering van buiten Europa.
Toepassing van de regelgeving van de Europese Unie en de actieve monitoring op de aanwezigheid van alle varianten van het Mycobacterium tuberculosis complex, maakt dat de risico’s beheersbaar zijn en gezien het feit dat deze dieren geen contact hebben met het publiek is het risico onzes inziens acceptabel in het licht van het maatschappelijk doel wat aan deze transporten ten grondslag ligt.
Bent u bereid om, gezien deze risico’s, een einde te maken aan de commerciële handel in apen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 14 en 15.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is ons door de noodzakelijk afstemming met de NVWA niet gelukt om binnen de gestelde termijn te antwoorden.
De onlangs openbaar gemaakte Woo-documenten ‘’Stikstofadvies Remkes’’ deel I-II-III |
|
Cor Pierik (BBB), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Kunt u de volledige inhoud van de brief, waarin we lezen dat Mobilisation for the Environment (MOB) inzake het op te stellen stikstofadvies destijds een brief aan de heer Remkes en op verzoek aan u heeft gestuurd, openbaar maken? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?1
Deze brief is reeds openbaar en te vinden op de website van Mobilisation for the Environment.2
Kunt u exact aangeven aan welke onderdelen uit deze brief gehoor is gegeven? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Deze brief is naar zowel de heer Remkes als naar het kabinet gestuurd en is net als vele andere brieven, gesprekken en adviezen inbreng geweest voor de heer Remkes om uiteindelijk te komen tot zijn eindrapport «Wat wel kan»3. In dit eindrapport schrijft de heer Remkes dat hij, evenals MOB, van mening is «dat het noodzakelijk is om op zeer korte termijn veel minder stikstof te gaan uitstoten, om natuurherstel mogelijk te maken» en, evenals MOB, «kritisch is op het gevoerde beleid» van de voorafgaande jaren. In de uitwerking van deze uitgangspunten heeft de heer Remkes evenwel een eigen denklijn opgesteld en uitgewerkt, die afwijkt van de brief van MOB, zoals u daarin hebt kunnen lezen.
Bent u voornemens, mede doordat te lezen valt dat bij stikstofreductie en natuurverbetering de landbouwketen economisch nadelig wordt geraakt, om het belang van de landbouw niet onder te laten sneeuwen onder de nu vele uitgesplitste maatschappelijke belangen en sturing te geven in de belangenafweging die provincies moeten maken om uitvoering te geven aan het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG)? Zo ja, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?2
Ja, het kabinet en provincies hebben oog voor het belang van de landbouw en de bredere toekomst van het landelijke gebied. Zo moeten de gebiedsprogramma’s in alle gevallen een sociaaleconomische impactanalyse bevatten. De gebiedsprogramma’s die provincies momenteel opstellen als onderdeel van het NPLG zullen wij integraal beoordelen op zowel het bereiken van deze fysieke doelen als sociaaleconomische aspecten. In het aangehaalde onderzoek waarin staat dat de landbouwketen negatief geraakt wordt, is sec gekeken naar de effecten van de eerder door het Rijk getroffen maatregelen uit het programma stikstofreductie en natuurverbetering. Voor een goede beoordeling van de economische effecten op de landbouwketen is het noodzakelijk om zowel naar het effect van dergelijke (bron)maatregelen te kijken, als naar dat van stimulerende en compenserende maatregelen die ook kunnen worden getroffen. Overigens zijn een robuuste natuur, water en bodem en de klimaatopgave ook van groot belang voor een toekomstbestendige landbouw. Daarnaast is het goed te realiseren dat het geen statisch gegeven is hoeveel en welke impact beleid heeft. Ondernemers spelen altijd in op risico’s en kansen, die voortvloeien uit beleid.
Klopt het dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) aan banken vraagt te sturen op de doelen: klimaat, stikstof, bodem, water, biodiversiteit, circulariteit (mest/ veevoer) en dierwaardigheid, zoals te lezen valt in de Wet open overheid (Woo)-documenten?3
De Woo-stukken waar deze vraag betrekking op heeft waren bedoeld voor positiebepaling LNV in overleggen over hoe de bijdrage van ketenpartijen aan de transitie van de landbouw eruit zou kunnen zien. Tijdens de onderhandelingen over het concept-Landbouwakkoord hebben banken aangegeven dat zij willen bijdragen aan de transitie naar een duurzaam landbouw- en voedselsysteem. Een aantal banken heeft na het beëindigen van de onderhandelingen publiekelijk aangegeven en toegelicht hoe ze de transitie beogen te bevorderen. Naast de bijdrage die banken op eigen initiatief aan de transitie leveren, is ook wet- en regelgeving omtrent de klimaatopgave relevant voor hoe banken de bijdrage aan de verduurzaming van het Nederlandse landbouw- en voedselsysteem vormgeven. Deze wet- en regelgeving stelt dat banken rekening houden met klimaat en milieu in hun bedrijfsvoering. Dit heeft gevolgen voor de duurzaamheid van de leningenportefeuille van banken, al zal de wijze waarop banken op grond van deze wetgeving en normen hun bedrijfsmodel, strategie en handelen ten aanzien van agrarische financieringen zullen aanpassen variëren per bank.
Klopt het dat de Rabobank daar ondertussen (gedeeltelijk) al gehoor aan heeft gegeven?
Rabobank heeft op eigen initiatief aangegeven dat verduurzamingsplannen van klanten in de land- en tuinbouwsector een belangrijke rol spelen bij de beoordeling en verstrekking van nieuwe financieringen. Dit heeft Rabobank eind 2023 kenbaar gemaakt in haar Agrofoodvisie 20406.
Was deze vraag aan de banken toen (nog) vrijblijvend? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van LNV voert continu gesprekken met de banken over hun bijdrage aan de transitie naar een duurzaam landbouw- en voedselsysteem. Deze gesprekken zijn ook gevoerd in het kader van de onderhandelingen over een Landbouwakkoord. Na het staken van deze onderhandelingen vind ik het van belang banken te blijven stimuleren om zich constructief op te stellen en een eerlijke bijdrage aan de transitie te leveren
Is deze vraag aan banken inmiddels niet meer vrijblijvend? Wat is dan de juridische basis van deze verplichting, indien deze sturing inmiddels voor de banken verplichtend is?
Na het staken van de onderhandelingen over een Landbouwakkoord is het niet gelukt om met banken tot bindende afspraken over hun bijdrage aan de transitie te komen. Er vindt gesprek plaats met de banken over hun bijdrage aan de transitie.
Naast de bijdrage vanuit banken zelf, is huidige en aanstaande wet- en regelgeving omtrent de klimaatopgave relevant voor hoe banken de bijdrage aan de verduurzaming van het Nederlandse landbouw- en voedselsysteem vormgeven. Deze wet- en regelgeving stelt dat banken rekening houden met klimaat en milieu in hun bedrijfsvoering. Dit heeft gevolgen voor de duurzaamheid van de leningenportefeuille van banken, al zal per bank de wijze verschillen waarop zij op grond van deze wetgeving en normen hun bedrijfsmodel, strategie en handelen ten aanzien van agrarische financieringen zullen aanpassen.
Was deze vraag aan andere ketenpartijen dan de banken toen (nog) vrijblijvend? Zo nee, bij welke ketenpartijen was dat niet meer vrijblijvend en waarom niet?
De Woo-stukken waar deze vraag betrekking op heeft waren bedoeld voor positiebepaling LNV in overleggen over hoe de bijdrage van ketenpartijen aan de transitie van de landbouw eruit zou kunnen zien. Het was onze inzet om over de bijdrage van ketenpartijen aan de verduurzaming van de agrarische sector afspraken te maken in het Landbouwakkoord. Tijdens de onderhandelingen is onder andere gesproken over het verbeteren van de transparantie met betrekking tot duurzaamheidsinspanningen, het ontwikkelen en implementeren van een duurzaamheidsstandaard en het vergroten van de markt voor duurzame producten. Het akkoord is er niet gekomen7 en daarmee zijn de conceptafspraken niet bindend.
Is deze vraag aan andere ketenpartijen dan de banken inmiddels niet meer vrijblijvend? Wat is dan de juridische basis van deze verplichting, indien deze sturing inmiddels voor andere ketenpartijen dan de banken verplichtend is?
Het was onze inzet om in het Landbouwakkoord tot concrete afspraken te komen over de bijdrage van ketenpartijen aan de transitie van de landbouw. Doordat het proces om tot een Landbouwakkoord te komen is geëindigd en een succesvolle afronding is uitgebleven zijn de afspraken uit het concept-Landbouwakkoord niet bindend.
Is er beleid ontwikkeld, of in ontwikkeling, om deze verplichting wettelijk te kunnen borgen?
Op dit moment worden verschillende wettelijke maatregelen onderzocht die een bijdrage van ketenpartijen aan de transitie kunnen borgen. Recent heeft u een verkenning ontvangen over welke mogelijkheden er zijn voor een wettelijke grondslag om ketenpartijen te helpen verduurzamen en hierover eenduidige, vergelijkbare informatie inzichtelijk krijgen8. Om hierin al stappen te zetten zonder wettelijke verplichting, is bijvoorbeeld recentelijk het dashboard duurzaamheid supermarkten gepubliceerd. Tevens heeft u afgelopen jaar het onderzoeksrapport naar de mogelijkheden van een inkoopverplichting van duurzame landbouwproducten ontvangen9. Ook wordt er gekeken naar de mogelijkheden die een eventuele uitbreiding van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen biedt.
Zijn de hier bedoelde instrumenten om «de ketenpartijen in de tang te krijgen» inmiddels ontwikkeld?4
Instrumenten om de bijdrage van ketenpartijen aan de transitie wettelijk te borgen zoals benoemd in het antwoord op vraag 10 zijn op dit moment niet ontwikkeld. Het is aan een nieuw kabinet om te bezien of het wenselijk is om dergelijke instrumenten in te zetten.
Zo ja, welke instrumenten zijn dat en wat is hun juridische grondslag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Zijn de hier bedoelde instrumenten om «de ketenpartijen in te tang te krijgen» inmiddels in ontwikkeling?
Zie antwoord vraag 11.
Zo ja, welke instrumenten zijn dat en wat is hun juridische grondslag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Klopt het dat LNV schrijft dat bufferstroken als regeringsbeleid in het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn (7e AP) reeds als maatregel zijn opgenomen en dat de overheid de provincies meegeeft om in hun gebiedsprogramma’s met dergelijke bufferstroken te moeten werken?5
Deze vraag refereert aan een mail waarin wordt gesproken over het opnemen van «brede bufferstroken (100–250m)» in het NPLG. Bij de beantwoording van vraag 15, 16 en 17 gaan wij ervan uit dat wordt gedoeld op de brede bufferstroken in beekdalen als onderdeel van het addendum bij het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn. Ten tijde van de mailwisseling waaraan gerefereerd wordt waren het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn12, het addendum van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn13 en de Startnotitie NPLG14 reeds gepubliceerd.
In het addendum van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn staat dat de realisatie van brede bufferstroken in beekdalen in de zandgebieden van Centraal-Nederland, Oost-Nederland en Zuid-Nederland onderdeel wordt van de integrale gebiedsgerichte aanpak, zoals opgenomen in het coalitieakkoord. Het addendum van het 7e AP refereert hiermee aan het Nationaal Programma Landelijk Gebied, dat vanuit de afspraken in het coalitieakkoord ontwikkeld is. In de Startnotitie NPLG staat aangekondigd dat in het NPLG een structurerende keuze ontwikkeld zal worden voor bufferstroken/zones rond beken. De Startnotitie NPLG benoemt ook dat het NPLG structurerende keuzes en (regionale) doelen vastlegt, als basis voor de provinciale gebiedsprogramma’s. In de startnotitie wordt zowel over bufferzones als over bufferstroken gesproken. In het ontwerp-NPLG is dit onderwerp uitgewerkt in de structurerende keuze «grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden». Hierbij is consequent de term bufferzones gehanteerd, ter onderscheiding van de smallere bufferstroken van maximaal 5 meter, die als mestvrije zones langs waterlopen zijn ingesteld.
Wat is de wettelijke grondslag voor de provincies om deze bufferstroken in hun gebiedsplannen te moeten opnemen?
Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden is een structurerende keuze uit het NPLG. Als onderdeel hiervan worden provincies gevraagd om in hun gebiedsprogramma’s ruime bufferzones te realiseren in beekdalen op zandgronden voor waterkwaliteit, en bijdragend aan infiltratie grondwater. Deze structurerende keuze is direct gerelateerd aan de doelen voor waterkwaliteit uit de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn. Zowel het NPLG als de gebiedsprogramma’s zijn programma’s als bedoeld in artikel 3.4 en 3.5 van de Omgevingswet, een onverplicht programma dat alleen het vaststellende bestuursorgaan bindt. Om in aanmerking te komen voor financiering van het gebiedsprogramma heeft het Rijk een aantal vereisten opgesteld. Een daarvan betreft de uitwerking van de bufferzones voor beken waarvoor dit nodig is. Provincies kunnen beredeneerd ook voor een andere oplossing kiezen.
Wat is of zijn de consequentie(s) voor de provincies wanneer ze deze bufferstroken niet in hun gebiedsplannen opnemen?
De uitwerking van de structurerende keuze grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden is één van de minimale vereisten voor de gebiedsprogramma’s die in de Handreiking Gebiedsprogramma’s NPLG beschreven staan. Het uitgangspunt is hierbij de ontwikkeling van bufferzones van 100 tot 250 meter aan beide zijden van de beek. Voor de uitwerking van deze structurerende keuze geldt een «comply or explain» systematiek: wanneer wordt afgeweken van de structurerende keuze geldt dat dit expliciet uitlegbaar en toetsbaar moet zijn en dat de achterliggende doelen wel gehaald worden. Bij de beoordeling van gebiedsprogramma’s door het Rijk wordt getoetst aan de vereisten die in de Handreiking Gebiedsprogramma’s beschreven staan. Als een provincie met beekdalen op hoge zandgronden deze bufferzones niet opneemt in het gebiedsprogramma en ook niet op een andere wijze de opgaven oppakt, leidt dit tot een negatief oordeel over het gebiedsprogramma. Een positieve beoordeling is een voorwaarde voor het kunnen doen van aanvragen voor rijksbijdragen.
Klopt hetgeen we lezen over «bestaande zorgen m.b.t. het creëren van een tegenstrijdigheid tussen de ecologische en sociaaleconomische analyse»?6
Het NPLG bevat stevige doelen die voortkomen uit internationale verplichtingen die Nederland is aangegaan. De maatregelen die nodig zijn om deze doelen te halen, zullen impact hebben in de gebieden en op het boerenerf. Daarom voeren de provincies een sociaaleconomische impactanalyse (inclusief een agro-economische impactanalyse) uit op de provinciale gebiedsprogramma’s om in beeld te brengen welke impact de plannen van de provincies hebben op de brede welvaart in de gebieden en op het boerenerf. Daarnaast wordt door de Ecologische Autoriteit gekeken naar de breed ecologische onderbouwing van de gebiedsprogramma’s en het doelbereik ervan. Provincies kunnen op basis van de sociaaleconomische impactanalyse en de bevindingen van de Ecologische Autoriteit de provinciale plannen aanpassen. Juist door het meenemen van zowel de sociaaleconomische als de ecologische analyses, kunnen eventuele tegenstrijdigheden tijdig worden ondervangen.
Is er sturing gegeven aan deze mogelijke tegenstrijdigheid? Zo ja, door wie, hoe en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 18.
Klopt het dat de heer Remkes door de Unie van Waterschappen (UvW) is verzocht om het instellen van bufferstroken wettelijk te borgen? Over exact welk «concept» sprak de UvW hier?7
In het document met de inbreng van de Unie van Waterschappen (UvW) voor het gesprek op 22 augustus 2022 onder leiding van de heer Remkes staat aangegeven dat de UvW van het Ministerie van LNV beleid verwacht dat het concept «bufferstroken» wettelijk regelt. Uit het document wordt niet duidelijk op welk concept bufferstroken de UvW hier doelt. De UvW kan hebben gedoeld op de generieke maatregel voor bufferstroken die is opgenomen in het 7eActieprogramma Nitraatrichtlijn17. Deze maatregel behelst een aan te houden bufferstrook door alle landbouwers langs watervoerende sloten. Deze generieke maatregel is op 1 maart 2023 geïmplementeerd18. Het is ook denkbaar dat de UvW hier heeft gedoeld op de brede bufferstroken in beekdalen die genoemd staan in het addendum van het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn. In het ontwerp-NPLG wordt hiervoor de term bufferzones gehanteerd19.
Welke wetenschappelijke onderbouwing heeft de UvW daarvoor bij LNV aangedragen?
Zie antwoord vraag 20.
Klopt het dat er in de uitnodigingsbrief van de heer Remkes aan de deelnemers door LNV werd geopperd om in de eerste alinea een statement te maken: «Zou in eerste alinea niet alleen stikstof aanhalen maar ook natuur, klimaat en water noemen»? Waarom is dit statement niet in de uiteindelijke uitnodigingsbrief terug te lezen?8
LNV heeft, op verzoek van de heer Remkes, een voorzet gemaakt voor de uitnodigingsbrief aan de gespreksdeelnemers. De heer Remkes heeft zelf besloten hoe de uiteindelijke uitnodigingsbrief vorm kreeg.
Probeerde LNV hiermee een eigen statement dat aansluit op coalitiebeleid aan de heer Remkes en zijn deelnemers op te dringen? Zo nee, wat was de reden voor dit statement, aangezien het stikstofdossier al problematisch genoeg is?
LNV heeft aan de heer Remkes niets proberen op te dringen maar op zijn verzoek een voorzet voor een uitnodigingsbrief opgesteld. Daarbij is overwogen dat de landbouw, zoals bekend, voor grote duurzaamheidsopgaven op het gebied van natuur, water en klimaat staat, die wettelijk vastliggen. Met een integrale aanpak kunnen maatregelen elkaar aanvullen en kan voorkomen worden dat (agrarische) ondernemers geconfronteerd worden met telkens nieuwe eisen voortkomend uit verschillende beleidsopgaven. Door gelijktijdig te werken aan de opgaven maken we het Nederlandse landelijke gebied zo snel mogelijk klaar voor een economisch en ecologisch gezonde toekomst.
Klopt het dat de UvW stelt dat je een probleem «soms groter moet maken om het op te kunnen lossen»?9
Dat blijkt inderdaad uit de documenten waarnaar verwezen wordt.
Heeft de heer Remkes en/of ambtenaren en/of uzelf daar gebruik van gemaakt? Zo ja, wanneer en hoe?
Nee.
Klopt het dat we lezen dat, om de sociaaleconomische impact van de NPLG op een eenduidige manier inzichtelijk te maken, een methodiek wordt ontwikkeld om provincies te ondersteunen?10
Ja, dat klopt. De sociaaleconomische impactanalyse is een vereiste voor het gebiedsprogramma dat de provincies maken op basis van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Deze impactanalyse bevat de verwachte sociaaleconomische effecten (ook wel: brede-welvaarteffecten) van de maatregelen uit het gebiedsprogramma. Een onderdeel van de sociaaleconomische impactanalyse is de agro-economische impactanalyse. Deze geeft inzicht in hoe de gebiedsprogramma’s kunnen uitpakken op de verdiencapaciteit van de agrarische sector in het gebied, waarbij specifieke aandacht is voor de verdiencapaciteit van de blijvende agrarische ondernemingen en voor de toeleverende en verwerkende ketenschakels. Overigens is het goed hierbij de kanttekening voor ogen te houden die in het antwoord op vraag 3 wordt gemaakt dat het geen statisch gegeven is hoeveel en welke impact beleid heeft. Ondernemers spelen altijd in op risico’s en kansen, die voortvloeien uit beleid. Daarom is de stimulering van de economische transitie zo belangrijk.
De methodiek van de sociaaleconomische impactanalyse is ontwikkeld door Wageningen Economic Research (WEcR), in opdracht van en gefinancierd door IPO en BIJ1223. Het Ministerie van LNV was betrokken bij de begeleiding van het onderzoek naar de methode, vanwege de link met de gebiedsprogramma’s en het NPLG. De methode bouwt voort op de nationale studie naar de sociaaleconomische effecten van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering dat WEcR in 2022 heeft uitgevoerd24. De kern van deze methode is het concept van brede welvaart en participatieve gebiedssessies. Deze sessies leveren informatie op over de te verwachten sociaaleconomische effecten. Aan de methodiek voor de agro-economische impactanalyse wordt nog gewerkt door WEcR, in opdracht van het Ministerie van LNV en in afstemming met de provincies.
Is deze methodiek (gedeeltelijk) al toepasbaar? Zo ja, door wie en per wanneer? Zo nee, waarom niet?
De methode voor de sociaaleconomische impactanalyse is al toepasbaar. In april 2023 is deze gepubliceerd door WEcR en door BIJ12 en IPO met de provincies gedeeld. Sinds dit moment kunnen provincies de methode gebruiken voor het opstellen van de sociaaleconomische impactanalyse van hun gebiedsprogramma. De agro-economische impactanalyse is nog niet toepasbaar omdat deze nog in ontwikkeling is. Er wordt nu samen met WEcR en provincies gewerkt om enkele pilots op te starten om de methodiek te testen en te verbeteren.
Kunt u de Kamer terstond op de hoogte brengen wanneer deze methodiek (gedeeltelijk) gaat worden toegepast? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven benoemd is het voor provincies al mogelijk de methode voor de sociaaleconomische impactanalyse te gebruiken. Enkele provincies hebben dit ook gedaan voor hun gebiedsprogramma in 2023. LNV en IPO werken nauw samen om met de provincies kennis uit te wisselen, want het maken van de sociaaleconomische impactanalyse en het gebruiken van de methode is vooral een lerende aanpak. Voor de agro-economische analyse worden nu eerst de voorgenomen pilots uitgevoerd, waarna besloten kan worden over het vervolg en de toepasbaarheid van de methodiek. Hierbij past de kanttekening die in het antwoord op vraag 26 is gemaakt dat de impact van beleid afhankelijk is van de wijze waarop ondernemers daarop anticiperen en reageren.
Is deze methodiek met inspraak van de provincies ontwikkeld? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De sociaaleconomische impactanalyse is in opdracht van BIJ12 en IPO ontwikkeld, dus door en samen met de provincies. Het Ministerie van LNV was betrokken bij de begeleiding van het onderzoek. Er hebben met provincies diverse gesprekken plaatsgevonden over de methode. Daarnaast zijn er pilots uitgevoerd in een aantal regio’s om de methode verder aan te scherpen. De agro-economische impactanalyse wordt ook in nauwe afstemming met provincies ontwikkeld: zowel IPO als enkele individuele provincies zijn vertegenwoordigd in de begeleidingscommissie voor de ontwikkeling van deze methodiek.
Zijn de provincies verplicht om van deze methodiek gebruik te maken? Zo ja, wat is daarvoor de wettelijke grondslag?
Nee, de provincies zijn niet verplicht om specifiek de WEcR-methode voor de sociaaleconomische impactanalyse te gebruiken. Ook andere methodes en cijfermatige onderbouwing kunnen helpen om een sociaaleconomische impactanalyse uit te voeren. Dit is in de handreiking voor de gebiedsprogramma’s verder uitgewerkt25. Voor de agro-economische impactanalyse wordt in de handreiking van het NPLG aan provincies gevraagd om de door WEcR ontwikkelde methodiek te gebruiken, wanneer deze toepasbaar is. Dit is het geval wanneer de maatregelen voor een gebied concreet zijn en de methode tijdig beschikbaar is gesteld.
Kunt u zo spoedig mogelijk alle communicatie vrijgeven die aan de ontwikkeling van deze methodiek heeft bijgedragen? Zo nee, waarom niet?
De sociaaleconomische impactanalyse in opdracht van BIJ12 en IPO ontwikkeld door WEcR. Wij hebben dan ook geen volledig inzicht in alle communicatie die heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van deze methode. Wel kunnen we uw Kamer informeren dat een aantal bijeenkomsten heeft plaatsgevonden in het kader van de ontwikkeling van de methode en/of begeleiding van het onderzoek. Zo hebben er in 2023 diverse communicatie- en contactmomenten met de provincies plaatsgevonden, georganiseerd door IPO, BIJ12 en het Ministerie van LNV. Het doel van deze momenten was het presenteren van de methodiek, het oefenen met de methodiek en het meenemen van leerpunten richting de afronding van de methodiek door WEcR. Tijdens en na afronding hiervan hebben ook bijeenkomsten plaatsgevonden om ervaringen en leerpunten tussen provincies uit te wisselen. De ontwikkeling van de agro-economische analyse is een aantal keer besproken met LTO, NAJK en financiële partijen. Op een aantal van de bijeenkomsten met provincies is ook de agro-economische analyse besproken. Zoals gezegd is de methodiek nog in ontwikkeling en wordt er nog verder afgestemd.
Klopt het dat LNV reeds heeft uitgezocht hoe lang het duurt voordat het intrekken van vergunningen effectief leidt tot een verminderde emissie?11
Het klopt dat LNV hier ambtelijk een inschatting van heeft gemaakt.
Is dit uitgezocht omdat LNV toen voornemens was om vergunningen actief in (te laten) trekken?
Nee, het kabinet was dat niet voornemens. Er is ambtelijk een inschatting gemaakt van de doorlooptijd en andere aspecten van het instrument intrekkingen vergunningen om goed te kunnen adviseren over deze en andere af te wegen maatregelen.
Zo ja, op basis van welke wettelijke grondslag was men dat voornemens te doen?
Zoals hierboven toegelicht was LNV dit niet voornemens.
Is LNV er dan inmiddels op teruggekomen, indien voor zover LNV, ondanks de hier geventileerde mogelijkheid, destijds toch niet voornemens zou zijn geweest om vergunningen actief in (te laten) trekken? En zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet was en is niet voornemens om vergunningen actief in te (laten) trekken, maar probeert om met andere maatregelen tot de benodigde daling van de stikstofneerslag te komen. Wel is uw Kamer geïnformeerd dat niet kan worden uitgesloten dat bevoegde gezagen door gerechtelijke uitspraken gedwongen worden tot het intrekken van een vergunning.
Over welke expliciete instrumenten heeft u het hier?12
In het door u aangehaalde document staat dat in het kader van het NPLG onontkoombare en juridisch afdwingbare maatregelen en instrumenten worden voorbereid en ontwikkeld om onder andere een fors dalende lijn in stikstofdepositie te realiseren. De door Rijk en provincies in te zetten mix van maatregelen om hiertoe te komen was en is nog in ontwikkeling. Voorbeelden van mogelijk in te zetten instrumenten zijn stimuleringsregelingen, beëindigingsregelingen, de sturingsmogelijkheden rond ruimtelijke ordening en vergunningen, alsook normerende maatregelen.
Werden of worden één of meerdere van deze instrumenten door de Rijksoverheid aan de provincies aangereikt? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Onder het NPLG kunnen provincies aanvraag doen voor middelen ten behoeve van maatregelen voor hun gebiedsprogramma’s. Provincies kunnen kiezen welke instrumenten zij inzetten om de lokale opgaven op te lossen. Daarvoor kunnen ook diverse instrumenten vanuit het Rijk worden benut, zoals bijvoorbeeld de regelingen onder de aanpak piekbelasting. Provincies hebben met het omgevingswetinstrumentarium op het gebied van ruimtelijke ordening en vanuit hun rol als bevoegd gezag diverse mogelijkheden om concrete maatregelen te treffen. Hiervoor zijn dan ook geen aanvullende instrumenten aangereikt.
Worden of werden de provincies door de Rijksoverheid verplicht om één of meerdere van deze instrumenten in te zetten? Zo ja, wanneer en onder welke normstelling? Zo nee, waarom niet?
Nee, provincies zijn niet verplicht om een van deze instrumenten in te zetten. Provincies zijn uiteraard wél verplicht om aan hun wettelijke taken te voldoen. Wij zijn met provincies in gesprek over hoe hieraan voor wat betreft natuurkwaliteit en het tegengaan van verslechtering het beste invulling kan worden gegeven.
De Dual Fuel tractoren van Blue Fuel Solutions |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
![]() |
Wat vindt u van de innovatie van Blue Fuel Solutions om bestaande «Stage V»-tractoren om te bouwen tot Dual Fuel-tractoren die deels op waterstof rijden? Hoe waardeert u de emissiereductie die hierbij kan oplopen tot 45 procent? Bent u het ermee eens dat dit een prachtige innovatie is die flink kan bijdragen aan de vergroening van de agrarische sector en het groenbeheer?
Ik sta positief tegenover iedere poging om emissies terug te brengen.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat er al sinds 2021 contact is met de RDW over goedkeuring van deze Dual Fuel-tractoren, maar dat dit tot op heden nog niet heeft geleid tot typegoedkeuring van deze voertuigen? Klopt het dat in eerste instantie is aangegeven dat de regeling voor typegoedkeuring direct na de zomer van 2022 opgesteld zou zijn? Kunt u uitleggen waarom dit nog niet gelukt is?
Mijn ministerie is in gesprek met de initiatiefnemers. Voor de goedkeuring van dit type voertuigen moet een zogenaamde artikel 35 procedure-worden gestart. Hierbij is het betreffende voertuig minimaal gedurende 36 maanden in de gehele EU toegestaan in afwachting van de aanpassing van de Verordening om een definitieve goedkeuring te kunnen afgeven. Zodra de aanvraag in behandeling wordt genomen kan de lidstaat het voertuig op nationaal gebied toelaten.
Mijn ministerie en de RDW staan klaar om deze procedure te starten, maar om deze procedure te starten heeft de initiatiefnemer toestemming nodig van de eerstefasefabrikant, oftewel de fabrikant van het voertuig waarop de Dual Fuel-techniek wordt toegepast. De initiatiefnemer zou ook de tweedefasefabrikant kunnen worden, met toestemming van de eerstefasefabrikant. Zodra de initiatiefnemer goedkeuring van de fabrikant heeft ontvangen dient het bedrijf een emissietest conform de eisen uit 2016/1628 Vo uit te laten voeren door een geaccrediteerde/aangewezen technische dienst. Dit om zekerheid te verkrijgen over de duurzaamheid van Dual Fuel-tractoren op de lange termijn. Bovenstaande is 4 december jl. tijdens een overleg op het departement en ook in eerdere overleggen door de RDW aan de initiatiefnemers toegelicht. Ik ben nog in afwachting van de resultaten van deze emissietesten.
Tot slot dient de initiatiefnemer ervoor te zorgen dat het voertuig aan de overige punten van de constructie-eisen en veiligheidseisen voldoet als gesteld in de Verordening. Als hieraan is voldaan kan een traject voor typegoedkeuring worden gestart.
Kunt u aangeven waarom de afgegeven tijdelijke goedkeuring is ingetrokken door de RDW? Wat is ervoor nodig deze tijdelijke goedkeuring opnieuw af te geven en/of te komen tot definitieve goedkeuring?
Er is tot op heden geen sprake van een goedkeuring voor het gebruik van waterstof voor deze voertuigcategorie. De betreffende tractoren zijn in het verleden geregistreerd als dieselvoertuigen, waarmee op onjuiste gronden een kenteken is verkregen. Vanwege het ontbreken van een goedkeuring voor het gebruik van waterstof als energiedrager kan de RDW niet anders dan de kentekens intrekken. Om tot een tijdelijke goedkeuring te komen dient een artikel 35-procedure (zie antwoord op vraag 2) te worden opgestart.
Hoe kunt u verklaren dat uw ministerie en/of het RDW nu pas aangeven dat door het ontbreken van regelgeving er een artikel 35-procedure1 bij de Europese Commissie dient te worden doorlopen? Klopt het dat uw ministerie heeft aangegeven in te zetten op aanpassing van de betreffende regelgeving ná het starten van de artikel 35-procedure? Zo ja, waarom?
De artikel 35-procedure is al vanaf de start van de gesprekken in 2021 als oplossing benoemd. Vanaf de start van de artikel 35-procedure is er sprake van een tijdelijke goedkeuring in de gehele EU voor een periode van minimaal 36 maanden. Gedurende die periode heeft de EC de tijd om te werken aan een definitieve goedkeuring. Waarbij het niet zeker is dat de Commissie die betreffende artikel 35 aanvraag ook daadwerkelijk honoreert. Ik kan hieromtrent geen garanties geven. Wel is de RDW graag bereid om de gesprekken met de fabrikant voort te zetten en nadere toelichting te geven op de voorwaarden en de vormgeving van de benodigde emissietest.
Welke stappen heeft u gezet of gaat u zetten in het geval Nederlandse regelgeving achterwege blijft om de artikel 35-procedure te versnellen en de Europese Commissie te overtuigen van het nut en de veiligheid van de Dual Fuel-tractor?
Het heeft de voorkeur om dit op Europees niveau te regelen in plaats van op nationaal niveau. Een nationale voorlopige goedkeuring heeft een kortere duur (24 maanden) en geldt enkel in Nederland. Bovendien zijn ook voor een nationale goedkeuring voornoemde emissietesten noodzakelijk. Om de Commissie te overtuigen is een formele artikel 35 aanvraag benodigd. Onderdeel van deze aanvraag zal minimaal een impactanalyse op de veiligheid van het waterstof systeem alsmede van het voertuig zijn, zodat het milieubeschermingsniveau en voertuigveiligheidsniveau zijn gewaarborgd.
Klopt het dat de RDW de mogelijkheid heeft om een voorlopige EU-typegoedkeuring te verlenen in afwachting van het goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie? Is de RDW bereid hier gebruik van te maken? Zo nee, waarom niet?
Vanaf de start van de artikel 35-procedure heeft de RDW de juridische basis om de betreffende voertuigen voorlopig goed te keuren voor gebruik op nationaal grondgebied.
Klopt het dat de RDW geadviseerd heeft voorlopig in te zetten op individuele emissiekeuring waarbij voor elke tractor een emissietest uitgevoerd moet worden? Kunt u aangeven of dit ertoe zou leiden dat elke individuele tractor door de RDW gekeurd moet worden? Erkent u dat dit tot financiële kosten als tijdsbelasting zal leiden?
Nee, dit heeft de RDW niet geadviseerd. Enkel het moederproduct dient getest te worden. Een nieuwe test is enkel nodig wanneer het moederproduct wijzigt.
Bent u bereid om in gesprek te treden met de RDW om zo spoedig te komen tot (wijziging van) benodigde regelgeving om te komen tot typegoedkeuring van de Dual Fuel-tractoren, zodat deze innovatieve tractoren zo snel mogelijk weer de weg op kunnen?
Er heeft al overleg plaatsgevonden tussen mijn departement, de RDW en de initiatiefnemers, ik ben voornemens dit voort te zetten langs bovengenoemde lijnen.
Het bericht '#SIA2024 : lancement du plan gouvernemental renforcé de reconquête de notre souveraineté sur l’élevage' |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Bent u, naast het nut van mest, bekend met het tal van ecologische voordelen van de veehouderij waar het Franse ministerie naar verwijst?1
In het bericht en het plan wordt niet verder uitgeweid welke ecologische voordelen het Franse ministerie daarmee bedoelt. Het Franse ministerie geeft aan te werken met vijf prioritaire gebieden, waarvan de vijfde betrekking heeft op het centraal stellen van de veehouderij in de ecologische transitie. Hier wordt de veehouderij een rol toegedicht in de ecologische transitie als het gaat om decarbonisatie, via valorisatie van biomassa en dierlijke bijproducten. Mogelijk worden het benutten van reststromen en agrarisch landschapsbeheer bedoeld als andere voordelen.
Welke oplossingen biedt de veeteelt volgens het Franse ministerie voor de grote uitdagingen van deze eeuw?
In het bericht wordt niet verder uitgeweid over de oplossingen waar het Franse ministerie over spreekt. In het plan wordt gesproken over positieve externe effecten van de veehouderij op sociaal, territoriaal, economisch, voedsel- en milieuvlak en dat de veehouderijsectoren moeten worden aangemoedigd om deze positieve externe effecten te maximaliseren. Er wordt echter niet verder op ingegaan.
Het Franse ministerie wil de veehouderij in het hart van de ecologische transitie plaatsen. Betekent dit dat de Fransen streven naar het inrichten van de veehouderij op een circulaire en natuurinclusieve manier?
In het bericht geeft het Franse ministerie aan te werken met vijf prioritaire gebieden, waarbij het vijfde prioritaire gebied gaat over het in het hart van de ecologische transitie plaatsen van de veehouderij. In het bericht wordt hier niet verder over uitgeweid, en de termen circulair of natuurinclusief worden niet genoemd.
Bent u bekend met de «ongerechtvaardigde aanvallen» op de veehouderij waar het Franse ministerie over spreekt? Zo ja, welke zijn dit en waarom worden ze als onrechtvaardig gezien?
In het bericht en het plan wordt niet aangegeven op welke «ongerechtvaardigde aanvallen» op de veehouderij gedoeld wordt.
Bent u tevens bekend met de ideologie die gericht is op het einde van de tot nu toe bekende mens-dierrelatie?
In het bericht en het plan wordt gesproken over een ideologie die gericht is op het einde van de tot nu toe bekende mens-dierrelatie, maar hier wordt verder niet op ingegaan.
Wordt in vraag 6 met de tot nu toe bekende mens-dierrelatie gerefereerd aan het houden, fokken en slachten van dieren?
Het bericht en het plan gaan hier niet op in, maar het is te verwachten dat hier gerefereerd wordt het aan het houden, fokken en slachten van dieren.
Begrijpt u waarom Frankrijk pleit voor een Europees verbod op kweekvlees?
Cellulaire agricultuur, waaronder kweekvlees, is een belangrijke ontwikkeling om op een duurzame manier en met te verwaarlozen dierenleed dierlijke eiwitten te produceren. In sommige Europese lidstaten bestaat angst bij met name agrarische organisaties dat deze vorm van landbouw het bestaansrecht van de gangbare veehouderijen en daarmee de leefbaarheid van het platteland gaat bedreigen. De verwachting is dat de komende jaren nog onderzoek nodig is en dat cellulaire agricultuur aanvullend kan zijn op de gangbare veehouderij. Daarnaast wordt er op dit moment onderzocht welke kansen kweekvleesproductie kan bieden voor agrariërs en de leefbaarheid van het platteland en hoe dat vorm te geven.
Kunt u verklaren waarom Frankrijk stelt dat kweekvlees een minder duurzaam alternatief is dan vlees van een koe, ondanks dat de enige uitstoot CO2 is, wat drastisch zal verminderen zodra fabrikanten kunnen gaan opschalen?
Onderzoek van onder andere CE Delft, Universiteit van Amsterdam (UvA) en Universiteit van Oxford bevestigt dat de productie van kweekvlees leidt tot minder emissies dan bijvoorbeeld rundvlees. Ook laat het een besparing van water en grondgebruik zien. Tenslotte zijn er veel minder dieren voor nodig en is het beter voor dierenwelzijn. Het is daarmee een duurzame manier van productie van dierlijke eiwitten die complementair kan zijn aan de gangbare veehouderij. Het is van belang dat Nederland met andere lidstaten een koplopersgroep vormt om draagvlak binnen Europa voor cellulaire agricultuur te vergroten, in lijn met de motie van het lid De Groot (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 94). In dat kader zal het kabinet bezien met welke andere lidstaten constructieve gesprekken over dit onderwerp kunnen worden gevoerd.
D66 pleit voor kweekvlees als alternatief, niet vervanger, voor dierlijk vlees in ons dieet zoals margarine dat al jaren voor boter is. In hoeverre ziet u kweekvlees als een «bedreiging» voor de veehouderij?
Voor de marktintroductie van kweekvleesproducten moeten de producten eerst getoetst worden op voedselveiligheid door de Europese Commissie. Op dit moment heeft er nog geen bedrijf in Europa een dossier bij de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) ingediend. Daarnaast is er nog aanvullend onderzoek nodig onder andere op energieverbruik en opschaling. Daarom is de verwachting dat deze duurzame manier van productie van dierlijke eiwitten complementair kan zijn aan de gangbare veehouderij. Met een groeiende wereldbevolking en een daarmee gepaard gaande toenemende vraag naar dierlijke eiwitten zijn nieuwe innovatieve productiemethoden als kweekvlees en precisie fermentatie (cellulaire agricultuur) noodzakelijk als aanvulling op de bestaande productie. Op dit moment wordt onderzocht welke kansen kweekvleesproductie kan bieden voor agrariërs en de leefbaarheid van het platteland en hoe dat vorm te geven.
Bent u het ermee eens dat de komst van kweekvlees bijdraagt aan de verduurzaming van onze landbouw zonder dat de vleesconsumptie hoeft te dalen?
Uit onderzoek, zoals hierboven aangehaald, blijkt dat kweekvlees leidt tot minder emissies dan bijvoorbeeld rundvlees en daarnaast leidt tot minder water- en grondgebruik. Ook zijn er voor de productie minder dieren nodig. Het is daarmee een duurzame manier van productie van dierlijke eiwitten die complementair kan zijn aan de gangbare veehouderij. Duurzame en gangbare productie kunnen naast elkaar bestaan.
Bent u het ermee eens dat het verbieden van kweekvlees in de EU, zoals de Franse regering wenst, een stap in de verkeerde richting is?
Het kabinet ziet cellulaire agricultuur, waaronder kweekvlees, als een belangrijke ontwikkeling om op een duurzame manier en met te verwaarlozen dierenleed dierlijke eiwitten te produceren. Nederland heeft nu een voorsprong op concurrenten in het buitenland, het is belangrijk om die vast te houden. Bovendien biedt de nieuwe techniek veel kansen voor duurzame groei van het Nederlandse agrobedrijfsleven.
Omdat er nog veel onderzoek nodig is, onder andere naar de energiebehoefte en de opschaling, is het onwenselijk om nu voortijdig een verbod op te stellen.
Kunt u toelichten wat wordt bedoeld met de onjuiste informatie over de veehouderij en welke tegenargumenten de Franse overheid daarover op hun website wil plaatsen?
Het plan spreekt over onwetendheid over de realiteit van het Franse veehouderijmodel, dogmatisme, stigmatisering en karikaturen die daarmee gepaard gaan. Het wordt uit het bericht en het plan niet duidelijk welke tegenargumenten de Franse overheid op hun website wil plaatsen. Wel geeft het plan aan dat het Franse ministerie zich daarin wil baseren op wetenschappelijke argumenten.
Bent u het ermee eens dat dit bericht van de Franse regering meer lijkt op een wenslijst van de slachtsector dan op beleid van een onafhankelijke regering?
Ik ben het daar niet mee eens, ik heb geen enkele reden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de Franse regering.
Kunt u toezeggen om met de Franse Minister in gesprek te gaan over de Franse beleidskeuzes, de inzet richting de EU en de impact die dat heeft voor heel Europa?
De Franse beleidskeuzes kunnen, zoals die van iedere lidstaat, impact hebben op andere EU-landen. De Franse inzet is daarom ook voor Nederland relevant. Het kabinet beziet continu met welke lidstaten het gesprek te voeren om te weten wat er in andere lidstaten speelt en om aandacht en begrip te krijgen voor de Nederlandse inzet in de EU.
Kunt u toezeggen de voordelen van kweekvlees en de keuzevrijheid die het biedt, te bespreken met uw Franse collega?
Het kabinet zet zich al langere tijd in om het draagvlak voor kweekvlees in Europa te vergroten, en zal dat ook gaan doen voor het vormen van een kopgroep, conform de motie van het lid De Groot (D66) (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 94). Met de lidstaten die positief zijn over de ontwikkeling van kweekvlees, zal het kabinet bezien met welke andere lidstaten constructieve gesprekken over dit onderwerp kunnen worden gevoerd.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van dat gesprek?
Het kabinet zal, samen met gelijkgestemde lidstaten, bezien met welke lidstaten er constructieve gesprekken gevoerd kunnen worden over dit onderwerp. Het verzoek om met mijn Franse collega te spreken neem ik hierbij mee. Over ontwikkelingen hieromtrent wordt de Kamer via de gebruikelijke kanalen geïnformeerd.
De relatie tussen stikstofemissie en stikstofdepositie |
|
Cor Pierik (BBB) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
![]() |
Wat is de relatie tussen stikstofemissie en stikstofdepositie in algemene zin? Hoe verplaatst deze stikstof zich?
In het natuur- en stikstofdossier gaat het bij depositie over het neerdalen van stikstofcomponenten uit de lucht. De stikstofcomponenten komen in de lucht als gevolg van activiteiten zoals wegverkeer (stikstofoxiden) en het houden van dieren (ammoniak), de emissie. Hoe, waar, en in welke mate die emissie weer op de bodem deponeert, hangt af van heel veel variabelen zoals het weer, de locatie van de emissie, de emissiehoogte, en de terreinruwheid. In algemene zin geldt dat een halvering van de emissie van een specifieke bron, ook ongeveer een halvering van de depositie als gevolg van die specifieke bron betekent.
Meer algemene informatie is te vinden op de website van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).1
Voor een specifieke situatie, waarbij de locatie en de karakteristieken van de emissiebron bekend zijn, kan de relatie tussen die emissie en de bijbehorende depositie bepaald worden met behulp van AERIUS Calculator.
Wat is de relatie tussen stikstofemissie en stikstofdepositie door wilde dieren? Hoe verplaatst deze stikstof zich?
Er is geen specifieke uitspraak te doen over die relatie, daarvoor is het afhankelijk van te veel variabelen. Dat geldt ook voor de manier waarop de stikstofemissie verplaatst.
Wordt hierbij rekening gehouden met de insleep van stikstof in Natura2000-gebieden? Ganzen, zwijnen en herten fourageren immers vaak buiten Natura2000-gebieden, terwijl de rust en verblijfgebieden zich binnen Natura2000-gebieden bevinden.
Zoals aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen op 16 februari 20242 is dit bekend en wordt hier tot op zekere hoogte rekening mee gehouden.
Hoeveel van de 1,9 kiloton stikstofemissie door wilde dieren met een oorsprong van buiten Natura2000-gebieden komt terecht in Natura 2000-gebieden?
Er is een inschatting gemaakt van de totale ammoniakemissie naar de lucht afkomstig wilde dieren in Nederland. Bij die analyse is geen berekening gemaakt hoeveel daarvan binnen Natura 2000 terechtkomt en hoeveel daarbuiten.
Wat is het effect hiervan op deze Natura 2000-gebieden?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verdedigt u uw stelling dat 1,9 kiloton stikstofemissie door wilde dieren slechts van beperkte impact is op de doelstellingen van het stikstofbeleid en het behoud van Natura 2000-gebieden?
In 2021 was de totale ammoniakemissie van Nederlandse bronnen 122 kiloton. De bijdrage van wilde dieren is met 1,9 kiloton dus ongeveer 1,5% op het totaal aan emissies. De totale ammoniakemissie van Nederlandse bronnen zorgt voor iets minder dan de helft van de totale depositie op Natura 2000-gebieden (de andere helft komt van stikstofoxiden en buitenlandse bronnen).
De bijdrage van wilde dieren op de totale stikstofdepositie is bij benadering dus minder dan 1% en daarmee beperkt.
Hoe wordt de variabiliteit in foerageergedrag en rustpatronen van verschillende watervogelsoorten en hoefdieren meegenomen in de emissieberekeningen van stikstof en welke stappen worden genomen om deze factoren nauwkeuriger te kunnen beoordelen in toekomstig onderzoek?
Zoals aangegeven in de beantwoording van uw eerdere Kamervragen op 16 februari 20243 heeft het RIVM onderzoek gedaan naar biogene emissies. Op dit moment ziet het RIVM, mede vanwege de geringe bijdrage, geen aanleiding om hier nader onderzoek op uit te voeren.
De berekende totale depositie in Natura 2000-gebieden wordt altijd gekalibreerd op basis van metingen in die gebieden. In de gerapporteerde monitoringscijfers is de bijdrage van wilde dieren daarmee indirect verwerkt.
Erkent u dat de fecaliën van (water)vogels, hoefdieren, huisdieren en paarden die terecht komen in Natura2000-gebieden met een oorsprong van buiten deze gebieden, van veel grotere directe invloed kan zijn in de stikstofbelasting in Natura2000-gebieden dan de depositie van ammoniak en stikstofoxide in gasvorm via de lucht?
Nee. De uitwerpselen van (water)vogels, hoefdieren, huisdieren en paarden kunnen lokaal een negatief effect hebben op de biodiversiteit, maar de hoeveelheden verschillen sterk per soort en per gebied en zijn daardoor niet in het algemeen te vergelijken met stikstofdepositie uit de lucht. In sommige locaties binnen Natura 2000-gebieden kan de bijdrage aan vermesting van huisdieren zoals honden, relatief groot zijn. Dat is bij beheerders veelal bekend, zie ook het antwoord op vraag 16. Stikstofdepositie uit de lucht vindt overal binnen een gebied plaats en heeft naast een vermestend effect ook een verzurend effect. De invloeden zijn dus moeilijk met elkaar te vergelijken.
Klopt het dat één wintergans (in rust) in een Natura2000-gebied verantwoordelijk is voor 14 mol N (stikstof) per hectare en in slaap op het water er ongeveer 100 gram poep per dag in het water terecht komt? Heeft dit laatste invloed op de waterkwaliteit?
Mij is de oorsprong van deze cijfers niet bekend.
Het algemene effect van (wilde) dieren is uitgewerkt in het antwoord op vraag 8. Daarnaast is in de beantwoording van de eerder genoemde Kamervragen op 16 februari 2024 aangegeven dat de totale stikstofdepositie door vogeluitwerpselen gering is. Studies waaronder die van Wageningen Environmental Research (WEnR) in de provincie Utrecht concluderen dat de bijdrage van watervogels aan de stikstofdepositie als klein kan worden beschouwd.4
Klopt het dat bij de berekening van de stikstofdepositie in de Natura2000-gebieden er geen rekening wordt gehouden met de stikstofemissie van wilde dieren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 wordt de berekende totale depositie in Natura 2000-gebieden altijd gekalibreerd op basis van metingen in die gebieden. In de gerapporteerde monitoringscijfers is de bijdrage van wilde dieren daarmee indirect verwerkt.
In de natuurdoelanalyses is uitgegaan van de gerapporteerde totale depositie en is veldonderzoek in de gebieden zelf uitgevoerd.
Klopt het dat er ook in de natuurdoelanalyses geen rekening wordt gehouden met stikstofemissie door wilde dieren?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe groot is de omvang van ontbrekende data over soorten ten tijde van aanwijzing van de Natura2000-gebieden?
De inschattingen van de stikstofemissie naar de lucht die afkomstig is van wilde dieren zijn niet voor historische jaren berekend.
Tegelijk geldt, net als bij de eerdere antwoorden, dat ook ten tijde van de aanwijzing de totale depositie werd gekalibreerd op basis van metingen.
Wat voor gevolgen heeft het ontbreken van deze data?
Zoals in eerdere antwoorden aangegeven wordt de totale depositie gekalibreerd op basis van metingen om zo te corrigeren voor eventueel ontbrekende data. Omdat de bijdrage van wilde dieren aan de totale emissie van stikstof naar de lucht zo beperkt is, worden hier geen generieke beleidsmaatregelen op gericht.
Op welke manier en wanneer wordt deze ontbrekende data aangevuld?
Zie antwoord vraag 13.
Klopt het dat als er referentiedata ontbreekt en er slechts data beschikbaar is van één meetmoment, dit kan leiden tot de conclusie dat de staat van de natuur kan verslechteren?
Bij het opstellen van de natuurdoelanalyses deed zich inderdaad soms de situatie voor dat er beperkingen waren in de beschikbaarheid van data over de referentiesituatie. In deze gevallen is gebruik gemaakt van een «beste schatting» op basis van wat wel bekend is. Hiervoor zijn bestaande (historische) bronnen gebruikt en in combinatie met een onderbouwde beredenering. Daarbij is het van belang dat de gebruikte redenering navolgbaar is, daar toetst de Ecologische Autoriteit ook op. Dit betekent dus dat het ontbreken van gegevens over de referentiesituatie niet per se hoeft de leiden tot een conclusie dat verslechtering niet is uit te sluiten.
Bent u bekend met het onderzoek van de universiteit van Gent over de effecten van uitwerpselen van honden op de natuur?1
Ja.
Welke conclusies verbindt u hieraan?
Het onderzoek heeft het aantal honden in natuurgebieden geteld en op basis daarvan een berekening gemaakt. Het onderzoek heeft niet specifiek gekeken naar het aantal uitwerpselen dat is achtergelaten door honden in de natuur, waardoor het gemiddelde volume van urine en uitwerpselen slechts een schatting is. Dat laat onverlet dat ik het raadzaam vind dat natuurbeheerders bezoekers van natuurgebieden blijven wijzen op de schade die hondenpoep en -urine toe kan brengen aan de natuur.
Klopt het dat er onderzoeken zijn met hierin scenario’s waarin hondeneigenaren hondenpoep opruimden en hiermee de stikstofdepositie met 56 procent is gedaald?
De genoemde 56% daling van de stikstofbijdrage betreft alleen het aandeel van de honden zelf. Het is geen daling ten opzichte van de totale stikstof die in de natuur terecht komt. De stikstof in uitwerpselen van honden moet worden onderscheiden van de atmosferische stikstofdepositie, omdat de effecten en hun locaties heel verschillend zijn.
Bent u bereid om ook dergelijke onderzoeken in Nederland te laten uitvoeren?
Ook in Nederland wordt lokaal onderzoek gedaan naar hondenpoep in natuurgebieden. Bijvoorbeeld ten behoeve van het beheerplan in het Ulvenhoutse bos.
Het artikel ‘Overijssel voorlopig niet van stikstofslot: boeren en projecten langer in onzekerheid?’ |
|
Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het door de Tubantia gepubliceerde artikel «Overijssel voorlopig niet van stikstofslot: boeren en projecten langer in onzekerheid?»?1
Ja.
Kunt u aangeven in welke provincies de vergunningverlening, net als in Overijssel, momenteel stil ligt en hoe lang dit al het geval is?
Alle provincies staan extern salderen op dit moment maar heel beperkt en alleen onder strenge voorwaarden toe. Bij extern salderen moet worden onderbouwd dat de maatregel die stikstofreductie oplevert, niet nodig is voor behoud van de natuur en het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (de additionaliteitstoets). In de praktijk kan dit veelal niet worden onderbouwd. Gezien de beperkingen die provincies hierin ondervinden is vergunningverlening in het hele land op dit moment maar beperkt mogelijk.
Kunt u aangeven hoeveel Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders er sinds de PAS-uitspraak, zoals gedaan door de Raad van State van bijna vijf jaar geleden, zijn gelegaliseerd door rijksbeleid? Kunt u daarbij aangeven hoeveel dit er zijn ten opzichte van het totale aantal PAS-melders en hoeveel hiervan zijn gelegaliseerd met de Regeling uitvoering aanpak piekbelasting?2
Er zijn 2488 legalisatieverzoeken ingediend. De provincies hebben aangegeven dat voor 144 meldingen reeds een oplossing is:
Tegen de verleende vergunning van 7 PAS-melders loopt nog een beroepsprocedure. Tot nu toe is van 103 legalisatieverzoeken vastgesteld dat deze dubbel zijn ingediend of naderhand ingetrokken. Hiervoor geldt dat legalisatie niet meer nodig is. Daarnaast is tot nu toe is van 378 dossiers vastgesteld dat deze niet in aanmerking komen voor legalisatie. Redenen hiervoor zijn onder andere dat het project al is vergund; niet meldingsplichtig was; onvoldoende is gerealiseerd of nooit gemeld is. Circa 75% van de legalisatieverzoeken wacht nog op een besluit of een oplossing.
Kunt u aangeven, indien alle huidige inschrijvingen voor de aanpak piekbelasting worden gehonoreerd en uitgevoerd, met hoeveel de stikstofdepositie dan in zijn totaliteit zal dalen (mol per hectare per jaar)? Kunt u daarbij ook aangeven bij welke Natura 2000-gebieden en op welke termijn de stikstofdepositie voldoende is teruggedrongen om PAS-melders te legaliseren?
Het is nog te vroeg in het uitvoeringsproces om een beeld te geven van de potentiële stikstofdepositiereductie van de aanpak piekbelasting. Zodra het mogelijk is, wil ik dit beeld graag opleveren. Ik vind het van belang hier zeer zorgvuldig mee om te gaan, mede omdat de opbrengst van de aanpak – waar mogelijk – ingezet zal worden om PAS-melders te legaliseren. Zoals toegezegd in mijn Kamerbrief van 23 januari jl.4, zal ik u zo spoedig mogelijk informeren over de opbrengst van de aanpak.
De mogelijkheden om PAS-melders te legaliseren hangen af van de beschikbaarheid van depositieruimte in combinatie met de locatie en de kenmerken van de gebieden waarop een effect is. Ook moet de staat van de natuur dit toelaten. Het is daarom niet te zeggen waar en wanneer in generieke zin de stikstofdepositie voldoende is teruggedrongen.
Kunt u aangeven, indien alle als zodanig aangemerkte piekbelasters vrijwillig zouden stoppen met hun activiteiten,en zij dus geen stikstofdepositie meer veroorzaken, met hoeveel de stikstofdepositie dan in zijn totaliteit zal dalen (mol per hectare per jaar)? Kunt u daarbij ook aangeven bij welke Natura 2000-gebieden en op welke termijn de stikstofdepositie vervolgens genoeg is gedaald, zodat ruimte ontstaat om PAS-melders te legaliseren?
Afgelopen januari heeft het RIVM, in opdracht van mijn ministerie, een rapport gepubliceerd waarbij de keuze voor het criterium om deel te kunnen nemen aan de aanpak piekbelasting is gevalideerd.5 Uit het rapport blijkt dat indien alle ondernemingen die daarvoor in aanmerking komen, deel zouden nemen aan de vrijwillige beëindigingsregeling Lbv-plus, de stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur in Nederlandse Natura 2000-gebieden gemiddeld zou dalen met ongeveer 206 mol per hectare per jaar.
De mogelijkheden om PAS-melders te legaliseren hangen af van de beschikbaarheid van depositieruimte in combinatie met de locatie en de kenmerken van de gebieden waarop een effect is. Ook moet de staat van de natuur dit toelaten. Het is daarom niet te zeggen waar en wanneer in generieke zin de stikstofdepositie voldoende is teruggedrongen.
Hoeveel PAS-melders verwacht u uiterlijk in februari 2025, wanneer de maatregelen dienen te zijn afgerond(met uitzondering van landaankoop), te hebben gelegaliseerd door middel van de Regeling uitvoering aanpak piekbelasting gezien het feit dat u bij de begrotingsbehandeling van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft aangegeven «(...) en dat wij op een korte termijn ruimte krijgen voor herstel van de natuur, voor nieuwe vergunningverlening en vooral voor het legaliseren van de PAS-melders»? Hoe schat u daarnaast de kans in dat alle PAS-melders zijn gelegaliseerd voor november 2028, wanneer de Regeling uitvoering aanpak piekbelasting in principe vervalt?3 4
De regeling uitvoering aanpak piekbelasting draagt bij aan de benodigde depositievermindering. Daar waar dat kan wordt de eerst beschikbare ruimte ingezet voor PAS-melders. Een voorwaarde voor het toekennen van stikstofruimte aan PAS-meldingen (net als voor alle activiteiten) is dat de staat van de natuur dit toelaat. De regeling is echter nog te vroeg in het uitvoeringsproces om een beeld te geven van de potentiële stikstofdepositiereductie.
Het kabinet doet er alles aan om PAS-meldingen zo snel mogelijk van een oplossing te voorzien. Er wordt een fors pakket met diverse bronmaatregelen getroffen en aanvullend daarop wordt maatwerk ingezet om de aanpak te versnellen. Daar waar het mogelijk is om stikstofruimte rechtmatig aan PAS-meldingen toe te delen, wordt dat meteen gedaan.
Gezien de onzekerheden kan ik op dit moment niet speculeren over het aantal legalisaties in 2025. Wat ik helaas moet vaststellen, is dat het aantal legalisaties lager is dan ik had gewild en dat het minder snel gaat dan gehoopt. De benodigde ruimte moet komen uit bronmaatregelen maar het uitvoeren van het bronmaatregelenpakket moet zorgvuldig gebeuren en kost tijd, met name als het gaat om beëindigingsregelingen die gebaseerd zijn op vrijwilligheid. Daarom werk ik nu aan de mogelijkheden om de aanpak voor PAS-meldingen te verbreden. Aanvullend op de generieke bronmaatregelen wordt ook ingezet op maatwerk om in individuele gevallen tot oplossingen te komen of om tijdelijk af te kunnen zien van handhaving. Een verbreed actieplan past bij de motie-Nijhof en met dit actieplan hoop ik voor meer PAS-melders een oplossing te kunnen aanbieden.
Hoe ziet u dan de werksituatie van deze nog te legaliseren PAS-melders in de periode tussen maart 2025 en november 2028, indien niet alle PAS-melders zijn gelegaliseerd in februari 2025? Kunt u daarnaast ook aangeven hoe u de werksituatie ziet van PAS-melders na november 2028, indien zij dan nog niet zijn gelegaliseerd?
Het is voor de PAS-melders zeer vervelend dat zij al lange tijd in onzekerheid verkeren. Het kabinet doet er alles aan om PAS-meldingen zo snel mogelijk van een oplossing te voorzien en verbreedt waar mogelijk de aanpak. Aanvullend op de generieke bronmaatregelen wordt ook ingezet op maatwerk om in individuele gevallen tot oplossingen te komen of om tijdelijk af te kunnen zien van handhaving. Recente jurisprudentie biedt de mogelijkheid de feitelijke bedrijfsvoering vooralsnog voort te zetten.8
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en binnen vier weken beantwoorden?
Ik streef er altijd naar uw vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden. In dit geval is het helaas niet gelukt deze binnen de reguliere termijn te beantwoorden. Daarover heb ik uw Kamer geïnformeerd per brief op 19 maart jl.
Het bericht ‘Boetes elk jaar omhoog, behalve voor dierenleed in slachthuizen’ |
|
Thom van Campen (VVD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Boetes elk jaar omhoog, behalve voor dierenleed in slachthuizen»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat boetes voor overtredingen in slachthuizen al sinds 2012 niet meer zijn verhoogd?
De boetebedragen in het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren zijn sinds de inwerkingtreding daarvan in 2013 niet meer aangepast.
Ik vind het belangrijk dat de hoogte van boetes voor overtredingen voldoende afschrikwekkend zijn. Daarom wil ik ten eerste een inflatiecorrectie toepassen op de hoogte van boetecategorieën voor bedrijven. Hiertoe zal ik een wijzigingsbesluit in procedure brengen.
De inflatie is in de periode van 2013 (het jaar waarop het Besluit in werking is getreden) tot en met 2023 met 28,1%2 gestegen. Dat betekent dat de huidige boete van 2500 € voor overtreding van onder meer regels voor het doden van dieren in een slachthuis, na correctie voor inflatie, ruim 3200 € zal bedragen voor een enkele overtreding. Ik wil deze correctie doorvoeren voor alle boetecategorieën.
Ik vind echter dat enkel een inflatiecorrectie onvoldoende is. Elk incident waarbij het dierenwelzijn bij slachthuizen in het geding is, is er een te veel. Dat moet beter, en de sector is aan zet om dit te bewerkstelligen. Daar waar de sector dat niet doet, moet de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) stevig in kunnen grijpen. Ik heb diverse maatregelen genomen om het NVWA toezicht op de vleesketen te versterken (Kamerbrief 28 286, nr. 1294 en Kamerbrief 28 286, nr. 1335), waaronder de 3 strikes out aanpak en de inzet op cameratoezicht (zie hierover ook het antwoord op vragen 9 en 10). Om ervoor te zorgen dat boetes ook voor grotere bedrijven voldoende afschrikwekkend zijn, wil ik de mogelijkheid creëren om aan deze grote bedrijven, zoals bijvoorbeeld de grote slachthuizen, hogere boetes op te leggen. Dit vergroot de slagkracht van de NVWA om dierenwelzijnsnormen af te kunnen dwingen. Zie voor een nadere toelichting hierover mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u aangeven wat op dit moment de hoogtes van de boetebedragen zijn en kunt u daarnaast een reflectie geven op deze bedragen?
In het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren zijn de volgende 5 boetecategorieën vastgelegd:
Daarnaast geldt dat, als het economisch voordeel dat behaald is door een overtreding de hoogte van een van de boetecategorieën aanmerkelijk overschrijdt, de Minister van LNV een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste de categorie 5.
In het Besluit worden omstandigheden gespecificeerd die aanleiding kunnen geven om deze genoemde basisbedragen te verhogen of te verlagen. Zo kan de boete, indien risico’s of gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, dierenwelzijn, diergezondheid of milieu gering zijn of ontbreken, worden gehalveerd; bij ernstige risico’s of gevolgen kan het bedrag worden verdubbeld. Recidive is een andere boeteverhogende omstandigheid: als een overtreder binnen vijf jaar nadat voor een overtreding een bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden opnieuw die overtreding begaat, wordt het boetegedrag verhoogd met het bedrag van de eerder opgelegde bestuurlijke boete. Dat betekent dat een overtreder aan wie een boete van € 2.500 is opgelegd en die binnen vijf jaar nadat die boete onherroepelijk is geworden eenzelfde overtreding begaat, een boete krijgt van € 5.000, de boete voor de derde overtreding is € 7.500 enzovoorts.
In de praktijk kunnen met name partijen die onder permanent toezicht staan, zoals slachterijen, met de toepassing van de recidivebepaling te maken krijgen.
Ik heb in 2022 een onderzoek laten uitvoeren naar de effecten van de bestuurlijke boete. Uit het onderzoeksrapport van Berenschot blijkt dat de bestuurlijke boete een afschrikwekkend effect heeft. Het rapport signaleert dat boetes zwaar kunnen uitvallen voor kleine bedrijven en relatief licht zijn voor grote bedrijven. Slachterijen, zo meldt het rapport, geven aan dat de boetes door de samenloop van permanent toezicht en toepassing van de recidive-bepaling zeer hoog kunnen oplopen. Ik heb u dit rapport vergezeld van mijn reactie in mei 2023 toegestuurd (Kamerstuk 28 286, nr. 1294).
Zoals ik reeds heb aangegeven in het antwoord op vraag 2 vind ik het van belang dat de boetes voldoende afschrikwekkend zijn.
Deelt u de mening dat het uitblijven van verhogingen en de huidige hoogte voor een perverse prikkel kan zorgen bij slachthuizen, waarmee wordt afgedaan aan de hoge standaard waaraan we deze bedrijven moeten houden?
Als ik de vraag goed begrijp, bedoelt u met een «perverse prikkel» dat het voor slachthuizen bij de huidige hoogte van de bestuurlijke boetes kan lonen om overtredingen te begaan. Het met de overtreding te behalen voordeel zou groter kunnen zijn dan het verschuldigde boetebedrag.
Ik vind het belangrijk dat de hoogte van de boetes voorkomt dat een dergelijke perverse prikkel bestaat. Overtredingen ten aanzien van dierenwelzijn en/of voedselveiligheid zijn onacceptabel en mogen niet lonen. Ik acht een juiste interventiemix van bestraffende bestuurlijke boetes en corrigerende interventies cruciaal om naleving te bewerkstelligen. Bestuurlijke boetes zorgen vaak voor een «wake up call» door een kortstondige negatieve financiële prikkel. Corrigerende interventies kunnen langduriger effecten hebben waardoor bijvoorbeeld een verbeterde cultuur van een bedrijf leidt tot betere naleving. Een recent voorbeeld is de aanpak die de NVWA heeft ontwikkeld voor verscherpt toezicht (waaronder de «3 Strikes Out-aanpak», zie hierover ook het antwoord op vraag 9) bij slachthuizen die herhaaldelijk in overtreding zijn.
Vindt u de huidige boetetarieven afdoende afschrikwekkend? Zo nee, bent u bereid om de boetes op te hogen conform een tarief dat afdoende afschrikwekkend is en bedrijven aan voorgenoemde hoge standaard kunnen worden gehouden?
Boetes kunnen relatief zwaar uitvallen voor kleine bedrijven en particulieren (zoals kinderboerderijen/ hobbyboeren) en relatief licht zijn voor grote bedrijven (zoals grote slachthuizen). Tegelijkertijd worden boetes als gevolg van «boetestapeling» door toepassing van de recidivebepaling door slachterijen als hoog ervaren.
Er is daarom een behoefte vanuit de toezichthouder om maatwerk te kunnen leveren. Om daarin te kunnen voorzien pas ik, zoals ik eerder heb aangegeven, het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren aan (Kamerstuk 18 286, nr. 1294).
Ik wil dat hogere boetes (naast een door te voeren inflatiecorrectie) aan grote bedrijven, zoals grote slachthuizen, kunnen worden opgelegd, om te garanderen dat boetes ook voor deze slachthuizen voldoende afschrikwekkend zijn. Daarvoor onderzoek ik op welke wijze de omzetgerelateerde boete in de boeteregelgeving beter uitvoerbaar kan worden gemaakt. Het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren biedt de mogelijkheid om, zoals aangeven in het antwoord op vraag 3, een omzetgerelateerde boete op te leggen als het economisch voordeel dat behaald is door een overtreding aanmerkelijk hoger is dan de aangewezen boetecategorie. Dit geldt voor alle categorieën. De uitvoerbaarheid van het opleggen van deze omzetgerelateerde boete is voor verbetering vatbaar. Het voorgeschreven vaste percentage en het ontbreken van voldoende mogelijkheden tot maatwerk kunnen zorgen voor niet proportionele boetes. Daarnaast onderzoek ik of het boetebedrag van categorie 3, dat kan worden opgelegd bij overtreding van regels voor het doden van dieren in een slachthuis verder (naast de inflatiecorrectie) kan worden verhoogd voor slachthuizen, zonder dat dit leidt tot buitenproportionele boetes voor kleine slachthuizen en zelfslachters.
Kunt u aangeven wanneer u deze ophoging inregelt, indien u bereid bent om de boetes op te hogen? Zo nee, waarom niet?
Ik streef ernaar om het aangepaste besluit in juli 2025 in werking te laten treden. Het vergt helaas enige tijd om de voor een dergelijk besluit noodzakelijke processtappen te doorlopen. In de tussentijd streef ik ernaar om overtredingen van bepaalde welzijnsregels door slachthuizen in een hogere boetecategorie te plaatsen, zoals omschreven in het antwoord bij vraag 5.
Deelt u de mening dat er met de benoemde tijd tussen de geconstateerde overtreding en het opleggen van de boete, een onevenredige discrepantie bestaat met de tijd tot wanneer de boete wordt ontvangen?
Wanneer een overtreding wordt geconstateerd, ziet de NVWA er als eerste op toe dat de overtreder de overtreding beëindigt. De interventie die de toezichthouder ter plekke inzet, is passend bij de overtreding. Hier gaat direct een corrigerende werking vanuit. Een voorbeeld van zo’n corrigerende interventie is dat de NVWA de slachtband stil legt of de slachtsnelheid verlaagt. Daarnaast kan de NVWA besluiten om ook een Rapport van Bevindingen (RvB) op te maken. De NVWA streeft ernaar om de afhandeling van RvB’s binnen de termijn van 13 weken af te ronden. Deze termijn werd de afgelopen jaren vaak niet behaald. Ik ben net als de inspecteur-generaal van de NVWA van mening dat met een spoedige afhandeling de overtreder beter de link legt tussen de overtreding en de ontvangen boete. De NVWA werkt er dan ook hard aan om de overtreder binnen de wettelijke termijn van dertien weken te laten weten welke sanctie wordt opgelegd. Zie ook mijn antwoord op vraag 8.
Zo ja, kunt u aangeven waardoor het zo lang moet duren voordat boetes worden ontvangen en bent u voornemens om doorlooptijd te verkorten? Zo nee, waarom niet?
De reden voor de lange doorlooptijden is een combinatie van de zorgvuldigheid waarmee een afweging gemaakt wordt en de druk op de beschikbare capaciteit. Eind 2023 is de NVWA een project gestart om de doorlooptijden te verkorten. Zo wordt de toezichthouder optimaal ondersteund bij het maken van een RvB, is de samenwerking in de afhandeling geoptimaliseerd en wordt gericht capaciteit ingezet om de voorraad weg te werken. De NVWA doet er alles aan om de RvB’s die na 15 januari 2024 zijn opgemaakt, binnen 13 weken af te ronden.
Kunt u een stand van zaken geven over de uitvoering van de motie van van de leden Van Campen/Eerdmans (Kamerstuk 28 286, nr. 1249), waarbij de Kamer pleit voor een strengere procedure langs het three-strikes out principe?
De «3 Strikes Out-aanpak» is vanaf 1 december 2023 onderdeel van het verscherpt toezicht in slachthuizen en ingebed in het reguliere handhavingsbeleid. Inmiddels zijn in januari en februari bij twee verschillende roodvleesslachthuizen strikes vastgesteld. In een brief heb ik de Kamer geïnformeerd over welke overtredingen in ieder geval onder «3 Strikes Out» vallen (Kamerstuk 28 286, nr. 1315). Als bij deze ondernemers voor de derde keer in 2 jaar een overtreding uit die lijst wordt geconstateerd, is het bedrijf «out» en worden de erkenningen van deze bedrijven geschorst. Deze ondernemers hebben dus één strike achter hun naam staan, moeten een verbeterplan indienen en zijn ook onder verscherpt toezicht geplaatst (Kamerbrief 28 286, nr. 1335).
Wat is de stand van zaken van het wetsvoorstel Cameratoezicht in slachthuizen, wat volgens de beantwoording van de feitelijke vragen over de begroting LNV 2024 binnenkort in consultatie zou moeten gaan? Wordt met dit wetsvoorstel ook de mogelijkheid van artificial intelligence in slachthuizen geregeld, waarmee bij toezicht meer kan worden gekeken naar dierenwelzijn in de hele bedrijfsvoering, dan enkel naar incidenten?
Ik verwacht dat het ontwerp-wetsvoorstel cameratoezicht in slachthuizen en verzamelcentra in het voorjaar in consultatie gaat. In het ontwerp-wetsvoorstel is een grondslag opgenomen om regels te kunnen stellen over de toepassing van kunstmatige intelligentie, algoritmes en sensortechnologie om camerabeelden beter te kunnen selecteren en te analyseren. Er zijn reeds verschillende van deze «slimme» camerasystemen in ontwikkeling om bedrijven te helpen, dierenwelzijn structureel beter te borgen in hun bedrijfsvoering. Ik ga ervan uit dat deze technologieën op termijn ook van meerwaarde zullen zijn voor het toezicht van de NVWA. De toepassing van kunstmatige intelligentie en algoritmes zal conform het implementatiekader «verantwoorde inzet algoritmes» plaatsvinden.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, alle vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Ik heb ernaar gestreefd om de antwoorden zo snel mogelijk, binnen de gebruikelijke termijn aan uw Kamer te sturen. Helaas is dat niet gelukt vanwege de benodigde afstemming tussen de betrokken diensten bij het opstellen van de antwoorden.
De illegale spieringvisserij in de Waddenzee. |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Vissers halen meer dan 20 ton aan «verboden» vis uit Waddenzee»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat er in januari van dit jaar al meer dan 23 ton spiering uit de Waddenzee is gevist zonder dat daar een natuurvergunning voor is afgegeven?
Het vissen op spiering met het sleepnet in dit Natura 2000-gebied is zonder vergunning niet toegestaan. Het is volstrekt onacceptabel dat een aantal vissers toch, ondanks de kenbaarheid van dit verbod, deze visserij zeer bewust lijken te ondernemen. Mijn toezichthouders hebben deze visserij waargenomen en gerapporteerd. De Minister voor Natuur en Stikstof heeft drie vissers hierop formeel gewaarschuwd. Bij verdere overtredingen zullen uiteraard vervolgstappen ondernomen worden.
Welk gevolg is er gegeven aan de uitspraak die op 6 december 2023 werd gedaan door Rechtbank Midden-Nederland, waarin de natuurvergunningen voor spieringvisserij op acht locaties in de Waddenzee als niet voldoende onderbouwd werden verklaard? Kunt u verklaren hoe het mogelijk is dat op deze grote schaal illegaal gevist wordt zonder dat hierop wordt gehandhaafd?2
De Minister voor Natuur en Stikstof heeft geconstateerd dat de visserijbedrijven wiens eerdere natuurvergunning voor de spieringvisserij zijn vernietigd door de rechtbank, deze uitspraak respecteren. In zoverre geven zij dus gevolg aan de uitspraak. De vergunningplicht geldt uiteraard algemeen, ook voor vissers en visserijbedrijven die niet eerder om een natuurvergunning hebben verzocht.
Mij zijn drie concrete gevallen van ogenschijnlijk doelbewuste visserij op spiering, zonder geldige natuurvergunning, bekend. Zoals in mijn antwoord op vraag 2 aangegeven zijn hierop inmiddels passende actie gezet. De Minister voor Natuur en Stikstof zal die actie continueren bij voortgaande visserij.
Bent u bekend met het feit dat garnalenvissers hun netten hebben aangepast om op spiering te kunnen vissen?
Vanuit twee kaders bestaan specifieke verplicht aan te houden maaswijdtes voor de uitvoering van de garnalenvisserij. Vanuit de garnalenvergunning die is uitgeven op basis van de Visserijwet is een maaswijdte van minimaal 16 mm verplicht. Deze verplichting geldt dus altijd voor de garnalenvisserij. In de gedoogbeschikking voor het vissen op garnalen met het sleepnet alsmede met het bordennet op specifieke locaties in diverse Natura 2000-gebieden zonder vergunning op basis van de Wet natuurbescherming (inmiddels opgegaan in de Omgevingswet) is een maaswijdte van minimaal 20 mm in het gehele net en 22 mm in de kuil van de netten (de laatste 150 rijen van de mazen) verplicht. Dit laatste geldt dus alleen voor de garnalenvissers die onder de gedoogbeschikking in de Waddenzee vissen. Niet elk van de bewuste vissers heeft zich aan de vanuit deze gedoogbeschikking verplichte minimummaaswijdte gehouden, afgaande op de door henzelf ingevoerde data in het verplichte logboek. Mede daarom zullen de toezichthouders de komende periode hier fysiek gericht toezicht op houden.
Wat is uw reactie op de uitspraken van de Vogelbescherming dat de garnalenvissers een bepaalde vistechniek gebruiken, waardoor er geen sprake is van bijvangst maar van bewuste vangst van spiering?
Aan garnalenvissers is vanuit de Visserijwet een vergunning verleend voor het gebruik van enig vistuig geschikt voor het vangen van garnalen, zonder specificatie van soorten die daarmee wel of niet, en in welke hoeveelheden, mogen worden bijgevangen. Dit bemoeilijkt een eventueel oordeel of er sprake is van bijvangst dan wel een bewuste vangst van spiering. Het specifieker vaststellen van de vergunning wordt meegewogen voor het lange termijnperspectief. Om bijvangst in de garnalenvisserij te beperken, is de zeeflap een verplicht onderdeel van het garnalenvistuig. De betreffende garnalenvissers maakten hier gebruik van.
Los van de specifieke vistechniek die men mogelijk hanteert, vinden zowel ik als de Minister voor Natuur en Stikstof vooral de gekozen locaties voor het vissen op garnalen zeer opmerkelijk. De spuikommen bij Den Oever en Kornwerderzand zijn geenszins een reguliere locatie om op garnalen te vissen in de Waddenzee. De spuikommen zijn immers circa 25 meter diep. Garnalenvisserij vindt doorgaans op ondiepere locaties plaats waar met klossen aan het sleepnet de garnalen die zich in de zeebodem bevinden opgeschrikt worden. In combinatie met de aangelande hoeveelheden aan vangsten en de verhouding daarin tussen spiering en garnaal is in de optiek van de Minister voor Natuur en Stikstof een natuurvergunning voor spieringvisserij een vereiste.
Kunt u toezeggen onderzoek te doen naar de gehanteerde vistechnieken op de Waddenzee en maatregelen om de bijvangst van spiering zoveel mogelijk te beperken?
De betrokken toezichthouders zijn in hun waarnemingen alert op de specifieke vispatronen, exacte vislocaties, gehanteerde netconfiguraties en algehele uitvoering van deze visserijen die de betreffende vissers hanteren. Die analyses worden vastgelegd en zijn mede basis voor de dossiervorming richting vervolgstappen in optreden hiertegen.
Wat vindt u van het feit dat het Kornwerderzand één van de plekken is waar intensief wordt gevist, terwijl dit een gebied een voorgenomen visserijvrije zone is? Geldt dit ook nog voor andere gebieden?
Bij de spuisluizen van Kornwerderzand is nog geen visserijvrije zone van toepassing. De besluitvorming hierover is nog in voorbereiding. Over de stappen die hierin zijn genomen heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 32 627, nr. 45). In de beantwoording op vraag 8 ga ik hier nader op in. Hoewel er dus nog geen visserijvrije zones zijn ingesteld, is de spieringvisserij in het Natura 2000-gebied Waddenzee, en dus ook op deze locaties, niet toegestaan.
Welk gevolg is er gegeven aan de beleidsvoornemens om visserij nabij vismigratievoorzieningen waaronder stuwcomplexen in de Afsluitdijk aan te pakken, zoals staat vermeld in de brief gestuurd op 3 juli 2020 naar aanleiding van de motie van het lid Tjeerd de Groot (Kamerstuk 29 664, nr. 197) uit 2019?3
Uw Kamer is geïnformeerd over het beleidsvoornemen voor het instellen van een generieke visserijvrije zone van 250 meter bij alle vismigratievoorzieningen, bij de sluizen van de Afsluitdijk aan de zeezijde een zone van 1.000 meter en bij het Haringvlietsluis aan de zeezijde een zone van 1.500 meter (Kamerstuk 29 664, nr. 204).
Op 8 december 2020 heeft de Kamer de motie Lodders (Kamerstuk 33 450, nr. 82) aangenomen die verzoekt dat er wordt afgezien van het instellen van generieke visserijvrije zones en dat in plaats daarvan tot visserijvrije zones op maat wordt gekomen om de impact op de sportvisserij te verminderen. Per brief van 20 april 2021 is door mijn ambtsvoorganger aangegeven op welke wijze invulling zou worden gegeven aan de motie (Kamerstuk 29 675, nr. 200).
Naar aanleiding hiervan is in het commissiedebat zee- en kustvisserij op 30 juni 2021 over het onderwerp gesproken (Kamerstuk 29 675, nr. 207). Hierbij is toegezegd om met Sportvisserij Nederland in overleg te gaan om te kijken of voor bepaalde categorieën wateren kleinere visserijvrije zones ingesteld kunnen worden. De Kamer is hierover per brief van 9 juni 2022 geïnformeerd (Kamerstuk 29 664, nr. 207). Als gevolg hiervan is dus opnieuw bekeken welke omvang de visserijvrije zones op welke locaties zouden moeten krijgen en conform de motie Lodders is aan Sportvisserij Nederland en de waterbeheerders verzocht hier een gezamenlijk gedragen advies over uit te brengen. Dit advies is recent afgerond en zal worden betrokken in de definitieve besluitvorming over de instelling van visserijvrije zones. De Kamer is hierover laatstelijk per brief van 1 maart 2023 geïnformeerd (Kamerstuk 32 627, nr. 45).
Kunt u verklaren waarom de visserijvrijezones niet in de loop van 2021 zijn ingevoerd, zoals in de brief van 3 juli 2020 was aangekondigd?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 8.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang van het invoeren van de visserijvrije zones die in 2024 plaats zal vinden volgens de brief gestuurd door de Minister op 1 maart 2023?4
Ik heb in de beantwoording op vraag 8 toegelicht welke processtappen reeds zijn doorlopen. Het maatwerkadvies van Sportvisserij Nederland en de waterbeheerders wordt nu beoordeeld om te bepalen in welke mate dit advies kan worden overgenomen om tot een afbakening van de visserijvrije zones te komen die de trekvissen voldoende beschermen. Op korte termijn zal ik de resultaten van het traject met Sportvisserij Nederland delen met de Tweede Kamer en bekendmaken hoe ik vervolg zal geven aan het instellen van visserijvrije zones.
De verkoop van illegaal gefokte dieren met ernstige erfelijke aandoeningen via Marktplaats. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Kunt u bevestigen dat er op Marktplaats talloze advertenties zijn aangetroffen waarin kittens van het ras Scottish Fold en aanverwante kruisingen worden aangeboden?1
Ja, dit kan ik bevestigen.
Kunt u bevestigen dat het verboden is om te fokken met Scottish Fold katten, omdat deze dieren continu ernstig lijden vanwege erfelijke afwijkingen?
Ja, het is op grond van artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren verboden om te fokken met katten met vouworen (waaronder Scottish Fold katten), omdat deze katten drager zijn van een gen dat zorgt voor kraakbeenafwijkingen in het hele lichaam. Hierdoor krijgen ze op latere leeftijd ernstige gezondheidsproblemen, zoals kreupelheid en pijn. Ik vind het vreselijk dat deze dieren nog steeds worden gefokt.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van House of Animals blijkt dat in drie maanden tijd via meer dan honderd advertenties Scottish Fold kittens zijn aangeboden?
Uit het onderzoek blijkt helaas dat een verbod op het fokken met katten met vouworen onvoldoende effectief is. Daarom werk ik ook aan een houdverbod voor deze katten.
Hoe verklaart u dat fokkers deze illegaal gefokte dieren nog steeds kunnen verkopen via online handelsplatformen, zoals Marktplaats?
Deze dieren kunnen worden verkocht via online handelsplatformen, omdat het momenteel nog toegestaan is om Scottish Fold katten te houden, kopen en voor de verkoop aan te bieden. Online handelsplatformen hebben geen verplichting om na te gaan of de aangeboden kittens legaal zijn gefokt. Voor een online handelsplatform is het ook niet mogelijk om op basis van een advertentie vast te stellen of de aangeboden kittens illegaal zijn gefokt.
Herkent u de signalen dat advertenties voor Scottish Fold kittens op Marktplaats niet adequaat worden verwijderd, in tegenstelling tot andere op het platform verboden producten, zoals sigaretten?
De verkoop en aankoop van dieren op Marktplaats is in beginsel toegestaan als de handel hierin niet is verboden door nationale of internationale wet- en regelgeving. Zo is bijvoorbeeld sinds 1 juli 2023 de online verkoop van tabak en e-sigaretten verboden. Advertenties voor Scottish Fold kittens zijn dat niet. De vergelijking tussen sigaretten en Scottish Fold kittens kan dan ook niet gemaakt worden.
Deelt u de mening dat Marktplaats hiermee ernstig dierenleed faciliteert? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Het zijn de fokkers van deze katten die dit ernstige dierenleed veroorzaken voor hun eigen (financiële) gewin.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) in 2023 113 waarschuwingsbrieven en 227 naleefbrieven heeft verstuurd naar fokkers van Scottish Fold katten?
Dat klopt.
Deelt u de mening dat het, gezien het feit dat al zeker 10 jaar verboden is te fokken met dit soort katten, geen tijd meer is voor waarschuwingen, maar dat er meteen moet worden ingegrepen?
Nee, deze mening deel ik niet. Het artikel uit het Besluit houders van dieren dat gaat over het fokken met gezelschapsdieren is inderdaad op 1 juli 2014, dus bijna 10 jaar geleden, in werking getreden. Het betreft hier echter een open norm, waarbij pas meer recent duidelijk is geworden2 en gecommuniceerd3, 4 dat het fokken met katten met vouworen een overtreding van dit artikel is. Daarom is het niet gek dat er op dit moment waarschuwingen worden verstuurd.
Hoe vaak heeft de NVWA het afgelopen jaar, naar aanleiding van advertenties op Marktplaats, handhavend opgetreden bij fokkers van Scottish Fold katten?
De NVWA heeft in 2023 naar aanleiding van advertenties op Marktplaats 113 officiële waarschuwingen en 227 naleefbrieven verstuurd naar fokkers van vouwoorkatten zoals de Scottish Fold katten.
Hoe vaak heeft de NVWA het afgelopen jaar de betaalgegevens en/of de advertentiehistorie van verkopers van Scottish Fold katten gevorderd?
Vanaf juni 2023 verstuurt de NVWA officiële waarschuwingen naar aanbieders van vouwoorkatten zoals de Scottish Fold. Ten behoeve van het kunnen versturen hiervan is gestart met het vorderen van gegevens bij banken. In 2023 heeft de NVWA bij Marktplaats 201 keer de advertentiehistorie en bankrekeningnummers gevorderd van verkopers van vouwoorkatten zoals de Scottish Folds. Daarnaast heeft de NVWA de naam, adres en woonplaats (NAW)-gegevens van adverteerders 130 keer opgevraagd bij de banken.
Welke mogelijkheden ziet u om de handhaving te verbeteren en ervoor te zorgen dat er een einde komt aan de illegale fok van dieren die lijden vanwege erfelijke kenmerken?
Om ervoor te zorgen dat er een einde komt aan de illegale fok van dieren die lijden vanwege erfelijke kenmerken is het ook nodig om de vraag naar deze dieren te stoppen. Daarom heb ik in de Kamerbrief «Aanpak gezelschapsdieren met schadelijke uiterlijke kenmerken» d.d. 20 januari 2023 (Kamerstuk 28 286, nr. 1288) aangegeven een houd- en vertoningsverbod te willen voor gezelschapsdieren met schadelijke uiterlijke kenmerken. In de verzamelbrief dierenwelzijn gezelschapsdieren van 13 juli 2023 (Kamerstuk 28 286, nr. 1303) heb ik aangegeven zo snel mogelijk een houdverbod in te voeren voor katten met vouworen. Momenteel wordt dit houdverbod vormgegeven. Zoals aangegeven in de verzamelbrief dierenwelzijn van 24 januari 2024 (Kamerstuk 28 286, nr. 1324) verwacht ik dit voorjaar de internetconsultatie te starten.
De in voorbereiding zijnde nationale en in het EU-voorstel «Verordening inzake het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid» (COM/2023/769 final) opgenomen identificatie- en registratieplicht (I&R) voor katten zal toezichthouders beter in staat stellen om een fokker te traceren, te achterhalen of een dier illegaal in Nederland is gefokt, en/of illegaal (voor de leeftijd van de verplichte rabiës-vaccinatie, 15 weken) is geïmporteerd.
Daarnaast is in het EU-voorstel (COM/2023/769 final) een artikel opgenomen waarin staat gesteld dat exploitanten van fokbedrijven ervoor moeten zorgen dat fokstrategieën niet leiden tot het ontstaan van genotypen en fenotypen met schadelijke gevolgen voor het welzijn van honden en katten of van hun nakomelingen. Voor de effectiviteit van dit voorschrift is het van belang dat de gedelegeerde bevoegdheden hieromtrent ook daadwerkelijk en zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verordening opgesteld worden. Ik dring er in de raadswerkgroepen dan ook op aan dat dit op korte termijn gebeurt voor de kenmerken waarover nu al wetenschappelijk onderbouwd stelling kan worden genomen, zoals brachycefale dieren, katten met vouworen en bepaalde designer breeds5.
Bent u bereid om er bij Marktplaats op aan te dringen dat ze advertenties van dieren die in Nederland niet mogen worden gefokt sneller gaan verwijderen? Zo ja, op welke manier gaat u dit waarborgen?
Nee, het is niet doenlijk om op basis van foto's van een dier vast te stellen of deze al dan niet illegaal is gefokt.
Bent u bereid om strengere regels op te stellen voor de online verkoop van levende dieren?
De voornoemde «Verordening inzake het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid» (COM/2023/769 final) zal hier naar verwachting mogelijkheden toe bieden. In dit voorstel worden maatregelen voorgesteld om de handel in honden en katten via online platforms beter te reguleren, onder andere door een EU-brede verplichting tot identificatie en registratie (I&R) van honden en katten, en een verplichte controle op deze I&R voordat een advertentie geplaatst kan worden. Online platforms worden daarnaast verplicht om bij advertenties voor honden en katten een waarschuwing te plaatsen waarin het belang van verantwoord houderschap wordt benadrukt.
Daarnaast ziet de Digitaledienstenverordening (Digital Servies Act, EU 2022/2065), die sinds 17 februari 2024 van kracht is, toe op verdere zorgvuldigheidsverplichtingen voor online marktplaatsen die relevant zijn voor online verkoop van levende dieren zoals een verbeterde traceerbaarheid van handelaren. Deze ontwikkelingen maken dat ik momenteel geen aanleiding zie tot strengere nationale regelgeving.
Welke andere mogelijkheden zijn er, tot het houdverbod voor katten met vouworen in werking treedt, om te voorkomen dat deze katten nog worden aangeboden via Marktplaats?
Op korte termijn zie ik geen andere mogelijkheden om te voorkomen dat deze katten nog worden aangeboden via Marktplaats. Dat laat onverlet dat ik ook wil dat deze katten niet meer worden aangeboden op Marktplaats, en ik mij daar voor inzet middels het houdverbod.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
De vreselijke import van kalfjes uit Ierland |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Wat dacht u toen u zag dat de Nederlandse kalversector ook in 2023 wéér meer kalfjes uit Ierland naar Nederland heeft gehaald – een «recordaantal» van meer dan 106.000 kalfjes – ondanks uw gesprekken met de sector over deze ontwikkeling, die ook u zorgwekkend heeft genoemd?1,2,3
De toename van het transport van ongespeende kalveren van Ierland naar Nederland in 2023 past niet bij mijn inzet om in EU-verband – onder andere bij de herziening van Europese Verordening (EG) nr. 1/2005 (de Transportverordening) – te komen tot een verbod op langeafstandstransporten (>8 uur) voor jonge ongespeende dieren. Deze transporten kan ik echter niet verbieden vanwege de regels omtrent vrij verkeer van goederen en de transportverordening die langeafstandstransporten van ongespeende kalveren onder voorwaarden toelaat. Dit moet EU-breed worden aangepakt. Daarom zet ik daar op in; zie ook mijn inzet voor het voorstel voor de herziening van de transportverordening, uiteengezet in het BNC-fiche Herziening verordening dierenwelzijn tijdens transport (Kamerstuk 22 112, nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat u al jaren zegt een verbod te willen op langeafstandstransporten van ongespeende dieren, zoals de piepjonge Ierse kalfjes die tot wel 50 uur onderweg zijn naar Nederland, waarbij uit onderzoek van Eyes on Animals, L214 en Ethical Farming Ireland bij herhaling is gebleken dat de dieren ernstig worden mishandeld op Franse «rustplaatsen» waar kalfjes worden geschopt, geslagen met stokken en peddels en worden voortgesleept aan hun staart, oren en benen?4
Ik ben inderdaad een groot voorstander van een verbod op langeafstandstransporten (>8 uur) voor jonge ongespeende dieren en ik zet mij hier op Europees niveau voor in. Zie ook mijn inzet voor het voorstel voor de herziening van de transportverordening, uiteengezet in het BNC-fiche Herziening verordening dierenwelzijn tijdens transport (Kamerstuk 22 112, nr. 3861).
Kunt u bevestigen dat de veewagens waarmee jonge kalfjes uit Ierland worden vervoerd geen systemen aan boord hebben, waaruit deze kalfjes melk kunnen drinken?
Veewagens waarmee jonge ongespeende kalveren worden vervoerd hebben meestal geen drinksystemen aan boord waar de kalveren melk uit kunnen drinken. Er zijn een aantal bedrijven die dergelijke systemen wel hebben ontwikkeld en Ierland heeft deze eind oktober 2023 getest aan boord van de Roll-on-Roll-off-boot (waarbij de veewagen met daarin de dieren aan boord van de boot wordt geladen) van Ierland naar het vaste land van Europa en de kalveren ook een week gemonitord op de bestemming op het vaste land van Europa. Op dit moment worden de resultaten van die test geanalyseerd door de Ierse onderzoeksinstelling Teagasc. In 2024 voert Teagasc mogelijk nog meer onderzoek uit op dit onderwerp. Mijn departement onderhoudt nauw contact met de Ierse collega’s om deze ontwikkelingen goed te volgen.
Kunt u bevestigen dat elk transport met ongespeende kalfjes per boot van Ierland naar het Europese vasteland in principe de Europese regels overtreedt, aangezien de kalfjes tijdens de 19 uur durende overtocht met de veerboot van Ierland naar Frankrijk geen melk kunnen drinken in de veewagens waarin zij blijven staan?
Ieder transport met dieren moet voldoen aan de eisen die daaraan worden gesteld door de transportverordening. Dat betekent dat ook aan de regels omtrent voederen en drenken moet worden voldaan. Ik vind het heel belangrijk dat er – naast een verbod op lange afstandstransporten van ongespeende dieren – duidelijke regels zijn voor het drenken en voederen van dieren tijdens het transport. Daarom zet ik mij in het kader van de nieuwe transportverordening hiervoor in. Het is aan de Competente Autoriteit van de desbetreffende lidstaat om toezicht te houden op de naleving van de (huidige) transportverordening. In dit geval checkt de Competente Autoriteit van Ierland onder ander de planning van deze transporten voorafgaande aan het transport. Als deze niet in orde is, dan mag het transport niet worden uitgevoerd. Mijn departement heeft hierover contact met de Ierse collega’s, die aangeven dat deze transporten worden uitgevoerd volgens de regels in de Transportverordening.
Bent u bereid om opnieuw contact op te nemen met de Ierse autoriteiten en hen te wijzen op het feit dat zij goedkeuring geven aan transporten die niet zouden mogen worden goedgekeurd en hen met klem te verzoeken daar zo snel mogelijk mee te stoppen? Zo nee, waarom niet?
De Ierse autoriteiten zijn ervan op de hoogte dat ik geen voorstander ben van deze transporten. Zo heb ik in oktober 2023 nog naar mijn Ierse collega benadrukt dat deze transporten van Ierland naar Nederland eindig zijn en dat Ierland zelf voor deze kalveren moet zorgen in de toekomst.
Bent u bereid om, als de Ierse autoriteiten vervolgens nog steeds weigeren te stoppen met het goedkeuren van deze transporten, de Europese Commissie te verzoeken een EU-inbreukprocedure tegen Ierland te starten? Zo nee, waarom niet?
De Europese Commissie ziet toe op de naleving van de transportverordening door EU-lidstaten5. Nederland vertrouwt erop dat de Europese Commissie een lidstaat aanspreekt als door die lidstaat de transportverordening niet of niet voldoende wordt nageleefd en daarbij beziet of een inbreukprocedure in de rede ligt. Ik zal de Europese Commissie daarom niet verzoeken om een inbreukprocedure tegen Ierland te starten.
Kunt u bevestigen dat ook de drenksystemen waar kalfjes tijdens transport water uit zouden moeten kunnen drinken, vaak niet geschikt zijn? Kunt u bevestigen dat u hiervan al jaren op de hoogte bent, aangezien andere EU- lidstaten door Nederland meermaals zijn gewezen op de noodzaak van flexibele spenen waar kalfjes uit kunnen drinken, zonder dat dit heeft geleid tot aanpassingen in andere landen van de EU? Wat gaat u hieraan doen?
Metalen bijtnippels – waarmee de meeste veewagens zijn uitgerust – zijn ongeschikt voor ongespeende kalveren. Deze dieren kunnen daar niet goed uit drinken. In Nederland controleert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) of veewagens die ongespeende kalveren vervoeren zijn uitgerust met flexibele spenen. Nederland heeft inderdaad andere EU-lidstaten meermaals op de noodzaak van deze flexibele spenen gewezen. Helaas heeft dit vooralsnog niet geleid tot aanpassingen in andere landen van de EU. Drinksystemen maken onderdeel uit van de position paper van de Vught-groep waar Nederland onderdeel vanuit maakt. De Vught-groep roept daarmee de Europese Commissie onder andere op om in de herziene Transportverordening duidelijkere regels te stellen over waaraan de drinksystemen voor ongespeende dieren moeten voldoen. Dit is in de huidige Transportverordening onvoldoende duidelijk omschreven. Ik zal mij ervoor inzetten dat een verplichting op geschikte drinksystemen voor ongespeende kalveren duidelijk wordt opgenomen in de herziening van de Transportverordening.
Heeft u gezien dat door Ierse kalverexporteurs nu voor de zoveelste keer wordt gesproken over het onzalige plan om kalfjes op het vliegtuig te zetten?5 Veroordeelt u dit nog steeds?6 Op welke wijze gaat u dit kenbaar maken aan de Ierse autoriteiten?
Ja, dit heb ik gezien. Ik ben van mening dat transport van ongespeende kalveren per vliegtuig ook dierenwelzijnsrisico’s kent, zoals extra stressfactoren (laad- en losmomenten en onbekende geluiden, geuren en bewegingen die bij vliegverkeer horen). De Ierse autoriteiten zijn op de hoogte van mijn standpunt in deze.
Kunt u bevestigen dat de kalversector en de VanDrie Group weliswaar op papier hebben beloofd om voor 2026 een einde te maken aan de import van kalfjes uit Ierland, maar in de praktijk jaar na jaar weer meer dieren naar Nederland slepen?7
Ja, ik kan bevestigen dat de import van kalfjes uit Ierland jaarlijks toeneemt. VanDrie Group had in het MVO-jaarverslag 2020 opgenomen dat het bedrijf voor 2026 zou stoppen met import van kalveren uit Oost-Europa en Ierland naar Nederland. In het verslag van 2021 is dit jaartal niet meer opgenomen.
Kunt u bevestigen dat u al vele jaren zegt hierover in gesprek te gaan met de kalversector en hen te wijzen op hun verantwoordelijkheid?
Ja, dit kan ik bevestigen.
Wat hebben deze gesprekken volgens u concreet opgeleverd?
Er lopen inderdaad al jaren gesprekken met de kalversector. Deze gesprekken zijn moeizaam, maar de kalversector zet stappen in de goede richting. Zo heeft de sector het voornemen om vanaf 2026 kalveren minimaal tweemaal daags te voeren met melk met een maximaal tijdsinterval van 14 uur, ook tijdens vervoer van melkvee- naar kalverhouder. De sector geeft tevens aan de import van kalveren uit Oost-Europa te stoppen. Omdat ik deze stappen nog niet ambitieus genoeg vind, zet ik me tegelijkertijd in Europa in voor strengere regels omtrent het vervoer van jonge ongespeende kalveren om verdere vooruitgang te stimuleren. Daarnaast werk ik aan een bestrijdingsplan voor de dierziektes BVD (Bovine Virale Diarree) en IBR (Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis, in de volksmond ook wel koeiengriep genoemd), dat ook de kalversector raakt en het transport van kalveren vanuit andere lidstaten naar Nederland beperkt. Ik zal de Kamer op korte termijn informeren over het tijdpad van de IBR-en BVD-bestrijding in Nederland. Uiteraard is de kalversector ook betrokken bij het traject rondom de dierwaardige veehouderij.
Erkent u dat de Kamer bij herhaling zeer duidelijk heeft gemaakt dat er een einde moet komen aan deze vreselijke transporten kalfjes, gelet op de aangenomen moties van de PvdD- en D66-fracties?8
Ja, dat erken ik.
Wat gaat u doen als de kalversector niet levert en de Ierse autoriteiten de regels blijven negeren om dit dierenleed tegen te gaan?
Ik vind het belangrijk dat dieren te allen tijde op een dierwaardige manier worden behandeld, zeker kwetsbare dieren zoals ongespeende kalveren. Daarom zet ik me op Europees niveau in voor een verbod op langeafstandstransporten van ongespeende dieren, zoals aangegeven in het BNC fiche Herziening verordening dierenwelzijn tijdens transport (Kamerstuk 22 112, nr. 3861). Ik word daarbij gesteund door het EFSA-rapport van 202210.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen afzonderlijk beantwoord, maar helaas niet binnen de daarvoor gestelde termijn.
Amfetamine in mestvergisters |
|
Cor Pierik (BBB), Caroline van der Plas (BBB) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met de artikelen «Amfetamine in vergister blijkt biochemisch proces» en «Amfetamine in mestvergisters is geen drugsafval, verder onderzoek naar ontstaan stof»?1, 2
Ja.
Hoe reageert u op het onderzoek van twee onafhankelijke advocatenkantoren dat de Opiumwet niet van toepassing zou zijn en dat er geen sprake zou zijn van een overtreding van de Meststoffenwet? Hoe verhoudt dat zich met uw zienswijze?
De Opiumwet is van toepassing op de handelingen genoemd in artikel 2 en 3 met middelen die zijn vermeld op de lijsten I en II bij die wet. Met het oog op de bescherming van de volksgezondheid – meer specifiek de gezondheid van gebruikers – en van de openbare orde bevat de Opiumwet bepalingen met betrekking tot het voorkomen van de productie, de handel, het bezit en het gebruik van de middelen van de lijsten I en II. Amfetamine is een stof die is opgenomen op lijst I bij de Opiumwet, zodat de Opiumwet van toepassing is op de verboden handelingen met amfetamine. De nu beschikbare informatie lijkt er echter op te wijzen dat de aangetroffen amfetamine- en metamfetamineresten zodanig zijn vermengd met het digestaat dat deze niet kunnen worden gebruikt voor de productie van drugs, en daarmee evenmin voor de andere verboden handelingen op grond van de Opiumwet. Bij deze stand van zaken ligt toepassing op grond van de Opiumwet dan ook niet direct voor de hand.
Voor wat betreft de Meststoffenwet geldt dat als amfetamine is bijgemengd, er geen sprake is van een verhandelbare meststof. Dit is ook zo opgenomen in mijn zienswijze, die is opgenomen in de memo die ik op verzoek van de betrokken provincies (Drenthe, Friesland en Groningen) heb opgesteld en eind november aan hen heb verstrekt. Amfetamine is immers geen stof die op grond van het bepaalde bij of krachtens de Meststoffenwet bij covergisting van mest mag worden toegevoegd. Als geen bijmenging heeft plaatsgevonden, dus als de in het digestaat aangetroffen amfetamine niet is toegevoegd aan de dierlijke mest, niet is toegevoegd aan aanvoerstromen naar de covergister en ook niet is toegevoegd aan het digestaat zelf en er voorts uitsluitend stoffen zijn gebruikt die zijn opgenomen in de bijlage Aa, onder IV, onder categorie 1 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, kwalificeert het digestaat wel als verhandelbare meststof dat ook als zodanig gebruikt mag worden. Wel blijft voor de verhandelbaarheid van de geproduceerde meststoffen artikel 6, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet bepalend. Dit betekent dat het digestaat alleen mag worden verhandeld als het onder normale gebruiksomstandigheden geen schadelijke gevolgen heeft voor de gezondheid van mens, dier of plant of voor het milieu.
Hoe kijkt u naar het feit dat de aangetroffen amfetamine in het digestaat waarschijnlijk afkomstig is van een biochemisch proces?
In het door de groen-gassector opgestelde informatiedocument3 blijkt dat niet uitgesloten is dat de amfetamine is ontstaan tijdens of na de vergisting. Het is van belang dat het onderzoek hiernaar wordt voortgezet, zodat hierover ook wetenschappelijk meer duidelijkheid wordt verkregen. Ook in deze situatie mag het digestaat alleen worden verhandeld als het veilig is voor mens, dier of plant of milieu.
Heeft u inzichtelijk wat de financiële schade is bij de vergisters?
Ik heb hier geen gegevens van.
Is volgens u deze financiële schade het gevolg van het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico?
Het is niet aan mij om hier een oordeel over te geven. In deze casus is door de bevoegde instanties na onderzoek door de gezamenlijke noordelijke omgevingsdiensten, geconstateerd dat er stoffen in het digestaat zijn aangetroffen die niet in het digestaat thuishoren. Overigens zijn de provincies en de gemeentes de bevoegde instanties als het gaat om toezicht en handhaving op het gebied van afval. De provincies hebben in oktober 2023 vastgesteld dat het eindproduct van de covergisting niet meer mag worden verhandeld als meststof, maar door de vondst van amfetamine moet worden bestempeld als afvalstof. De provincies hebben dit vervolgens ook aan de betrokken ondernemers schriftelijk meegedeeld.
Maakt het voor uw antwoord op vraag 5 nog uit dat de amfetamine waarschijnlijk afkomstig is van een biochemisch proces?
Nee. Zoals ook bij vraag 5 aangegeven betreft dit het optreden door de bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor toezicht en handhaving op de afvalstromen bij de betreffende vergisters.
Bent u bereid om over te gaan tot nadeelcompensatie ten aanzien van de vergisters?
Nee, het betreft hier, zoals af te leiden is uit de antwoorden op vraag 5 en 6, geen verantwoordelijkheid van het Ministerie van LNV, maar het handelen van de bevoegde instanties (provincies en gemeenten). Het Ministerie van LNV is in dit handelen niet betrokken, maar heeft op verzoek van de provincies pas naderhand een zienswijze verstrekt ten aanzien van de interpretatie van de Meststoffenwet over de juridische status van digestaat waarin amfetamine is bijgemengd.
Bent u bereid om nader te onderzoeken hoe deze afvalstof precies ontstaat?
Zoals ik ook bij vraag 3 heb aangegeven is het van belang dat het onderzoek hiernaar wordt voortgezet, zodat hierover meer wetenschappelijke duidelijkheid kan worden verkregen. Dit is ook van belang om het toezicht en handhaving op de amfetamine in digestaat en de oorsprong ervan, in de toekomst adequaat te kunnen uitvoeren. In dit kader is het tevens van belang vast te stellen dat het digestaat met amfetamine geen schadelijke gevolgen heeft voor de gezondheid van mens, dier of plant of voor het milieu zoals in vraag 2 aangegeven. Dit is een vereiste om het digestaat als verhandelbare meststof te mogen toepassen. Het blijft voor de ondernemers daarom van belang dat de herkomst van deze amfetamine wordt achterhaald.
Klopt het dat amfetamine door water en daglicht snel biologisch wordt afgebroken?
Het RIKILT, tegenwoordig Wageningen Food Safety Research (WFSR), heeft in 2017/2018 een stabiliteitsstudie uitgevoerd naar amfetamine in onder andere mest van varkens en runderen. Uit de stabiliteitsstudie kan worden geconcludeerd dat amfetamine in mest in 2 maanden tijd voor meer dan 80% afbreekt. Dit zowel voor mest afkomstig van varkens als van runderen. Het onderzoek toonde ook aan dat amfetamine in grondwater zeer langzaam afbreekt (na 6 maanden ca 20% afbraak). Verder gaf het onderzoek aan dat amfetamine dusdanig stabiel is in mest en grond op basis waarvan het aannemelijk is dat deze stoffen in een gewasplant terecht kunnen komen.
Klopt het dat er bij bodemonderzoek op akkers waar digestaat is uitgereden in 2023 en in de jaren daarvoor geen sporen van amfetamine in de bodem zijn aangetroffen?
Voor zover bij mij bekend, wordt er niet standaard bemonsterd en geanalyseerd op amfetamine op akkers waar digestaat is uitgereden.
Wat moet er volgens u gebeuren om het digestaat nu alsnog zo snel mogelijk uit te kunnen rijden? Welke rol is daarin voor u weggelegd?
De provincies hebben begin februari de betreffende covergisters een brief gestuurd dat het digestaat weer als verhandelbare meststof mag worden toegepast. In reactie daarop heeft de NVWA haar verantwoordelijkheid genomen door onderzoek te laten doen naar de mogelijke gevolgen op de volksgezondheid en de voedselveiligheid, wanneer het betreffende digestaat wordt uitgereden of op een andere wijze wordt verwerkt. Dit onderzoek is verricht door Bureau Risicobeoordeling & Onderzoek (bureau) van de NVWA. Bureau heeft hierbij ook contact gehad en gebruik gemaakt van een soortgelijk onderzoek dat gelijktijdig in opdracht van de noordelijke omgevingsdiensten door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is uitgevoerd. De conclusie van bureau is dat op basis van de indicatieve beoordeling van RIVM, het eenmalig uitrijden van digestaat met een gesommeerd gehalte aan amfetamine en metamfetamine kleiner dan of gelijk aan 1 mg/kg vers gewicht niet leidt tot risico’s voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid. Hierbij wordt wel meegegeven, dat uit onderzoek (zie ook antwoord op vraag 9) is aangegeven dat deze stoffen in een gewasplant terecht kunnen komen, erop toe te zien dat de gehaltes aan amfetamines en andere contaminanten in de levensmiddelen en diervoeders afkomstig van met digestaat bemeste landbouwgronden geen risico’s vormen voor de voedselveiligheid en diergezondheid. Bureau beveelt aan er bij de verantwoordelijke partijen op aan te dringen dat de bron van amfetamines bekend wordt. Daarom heeft de NVWA aan de provincies verzocht om opdracht te geven aan een deskundige partij om brononderzoek uit te voeren.
De Kamerbrief 'Voortgang innovatie emissiereductie veehouderij' |
|
Eline Vedder (CDA) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Kunt u specificeren op welke aspecten «veel systemen of technieken» het nog niet goed genoeg doen?1
Emissiearme stalsystemen en technieken dienen technisch goed te werken, betaalbaar te zijn, juridisch te kunnen worden geborgd en maatschappelijk te zijn geaccepteerd. De emissiearme stalsystemen en staltechnieken dienen op deze aspecten goed te scoren, om houdbaar succesvol te kunnen worden ingezet in de veehouderij. In de praktijk blijken bepaalde technieken op één of meer van deze aspecten niet voldoende goed te scoren, zoals technieken die in de praktijk minder emissie reduceren dan ze volgens de emissiefactor zouden moeten doen.
Is inmiddels bekend wie aansprakelijk is voor de investeringen van boeren in (verplichte) stalinnovaties die uiteindelijk minder effectief bleken dan verwacht? Wat is de huidige stand van zaken op dit gebied?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de antwoorden op eerdere Kamervragen van het lid Bromet2, waarin is aangeven dat bij een aansprakelijkheidsstelling kenbaar moet zijn dat door het doen of nalaten van een ander schade is geleden.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) zet in op verbetering van de werking van de stalsystemen in de praktijk. Tussen veehouderijen zijn grote verschillen in emissies per dierplaats zichtbaar, ook tussen bedrijven die dezelfde emissiearme techniek toepassen. De aan de stalinnovaties toegekende emissiefactoren zijn gebaseerd op metingen in proefstallen en geven de gemiddelde emissie van een emissiearm stalsysteem per dierplaats weer. De prestatie van bepaalde staltechnieken blijkt in de praktijk echter achter te blijven, waardoor de aan de techniek toegekende emissiefactor onvoldoende zekerheid biedt. Uit onderzoek van Wageningen University & Research uit 2022 is gebleken dat de achterblijvende prestatie betrekking heeft op zowel het ontwerp, de beoordeling en het gebruik van de staltechniek, en daarnaast kan het toezicht op het gebruik van de stalsystemen verbeteren. Het rapport3 benadrukt de noodzaak om de effectiviteit van de werking van emissiearme stalsystemen in de praktijk fors te verbeteren en doet daartoe aanbevelingen. Deze aanbevelingen zijn door de Staatssecretaris van IenW overgenomen en worden verder uitgewerkt in het interdepartementale programma Vernieuwing Stalbeoordeling dat in november 2023 van start is gegaan. Het doel van de vernieuwde stalbeoordelingssystematiek is om tot betrouwbare emissie-indicatoren te komen die gericht zijn op het bieden van voldoende zekerheid en die innovaties mogelijk maken en borgen. De vernieuwing van het stelsel wordt uitgewerkt langs de volgende hoofdlijnen:
Verder zijn de fabrikanten van emissiearme vloeren voor melkvee aangeschreven om een plan voor te leggen om de werking van hun emissiearme stalsysteem onderbouwd beter te borgen; ook partijen in de varkens- en pluimveesector zijn aangeschreven.
Op welke termijn kunnen veehouders een oplossing vanuit de overheid verwachten voor wat betreft het verkrijgen van een natuurvergunning voor een stal met bepaalde innovatieve emissiearme stalsystemen?
In de Kamerbrief van 23 januari 20244 is onder andere de aanpak om innovatieve stalsystemen te faciliteren en met meer zekerheid vergund te krijgen geschetst. Onderdeel daarvan zijn de acties die in gang gezet zijn gericht op de toestemmingverlening Natura 2000-activiteiten. Het onderzoek over de borging van het gebruik van emissiearme stalsystemen voor vergunningen met een Natura 2000-activiteit wordt binnenkort afgerond. Daarna vindt een uitwerking plaats hoe de uitkomsten van dit onderzoek verder vormgegeven kan worden; deze uitwerking zal naar verwachting medio dit jaar afgerond zijn en zal dan met de Kamer gedeeld worden. De resultaten van het onderzoek om een handreiking op te stellen die ondernemers kan ondersteunen bij de vergunningaanvraag voor een emissiearm stalsysteem waarbij een passende beoordeling overlegd moet worden, worden binnenkort opgeleverd. De resultaten daarvan zullen, zoals eerder toegezegd, met de Kamer gedeeld worden. Afhankelijk van de resultaten van bovengenoemde onderzoeken zal nader bezien moeten worden in hoeverre deze voldoende aanknoping bieden om te zorgen dat weer met zekerheid vergunningen voor Natura 2000-activiteiten afgegeven kunnen gaan worden. In de zomer/najaar van dit jaar wordt daar meer duidelijkheid over verwacht voor de korte termijn. Daarnaast kunnen, op de middellange termijn, de resultaten van het programma Vernieuwing Stalbeoordeling, zoals beschreven in het antwoord op vraag 2, een basis bieden om meer duidelijkheid te creëren in de vergunningverlening voor Natura 2000-activiteiten.
Overigens is er recent een uitspraak geweest van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State5 waar blijkt dat voor chemische luchtwassers de emissiefactor, zoals in bijlage 5 van de Omgevingsregeling is opgenomen, kan worden ingezet bij een vergunningaanvraag.
Ook blijkt uit de bijlage bij de Kamerbrief van 23 januari jl. dat voor álle luchtwassers negatieve effecten kunnen worden uitgesloten bij gelijkblijvende dieraantallen, mits het systeem wordt gemonitord. Dit biedt perspectief om luchtwassers te vergunnen. Daarbij is, zoals ook in die brief benoemd, relevant dat bij toepassing van nageschakelde technieken het belang van dierenwelzijn en brandveiligheid goed moet worden afgewogen. Per techniek zal beoordeeld moeten worden of het wenselijk is om deze wel of niet te subsidiëren, zoals gemeld aan de Kamer in een appreciatie6 van de (aangehouden) motie van het lid Van der Plas (BBB)7.
Kunnen provincies van de landelijk passende beoordeling afwijken? Zo nee, waarom niet?
De handreiking voor de passende beoordeling wordt geen document waaraan een ondernemer gehouden is om tot een passende beoordeling te komen. Het wordt een hulpmiddel dat door een ondernemer gebruikt kan worden om een passende beoordeling op te kunnen stellen. Het staat ondernemers vrij om ook zonder gebruik van de handreiking een vergunning aan te vragen middels een passende beoordeling. En ook de provincies zijn niet gebonden aan de handreiking om een aanvraag op basis van een passende beoordeling in behandeling te nemen.
Wat doet het met de juridische status van de passende beoordeling indien provincies zelf een handreiking en passende boordeling opstellen en deze wijken af van die van de landelijke overheid?
De handreiking passende beoordeling is een toezegging van de Minister voor Natuur en Stikstof om handvatten te bieden over hoe een passende beoordeling opgesteld zou kunnen worden. De handreiking heeft dus geen invloed op de juridische status van een passende beoordeling. Het bevoegd gezag kan zelf ook een dergelijke toelichting geven op het doen van een passende beoordeling, zie ook het antwoord op vraag 4. Met een passende beoordeling wordt aangetoond dat de gevraagde activiteit geen significant negatieve effecten veroorzaakt op beschermde natuurgebieden. Het staat de ondernemer vrij op welke wijze dit wordt aangetoond, als de aanvraag maar wetenschappelijk onderbouwd is.
Kunt u aangeven wat u met aanvullende voorschriften bedoelt, in het kader van het borgen van het gebruik van emissiearme stalsystemen voor natuurvergunningverlening?
Momenteel wordt onderzocht of er ruimte is voor een betere borging van de toepassing van emissiearme stalsystemen op individueel bedrijfsniveau door in wet- en regelgeving voorschriften op te nemen, of door het opnemen van aanvullende voorschriften in individuele omgevingsvergunningen voor Natura 2000-activiteiten. Het idee is dat met aanvullende voorschriften het duidelijker is voor de ondernemer op welke manier de emissiearme techniek moet worden toegepast en dat deze ook handvatten bieden voor toezicht en handhaving door het bevoegd gezag. Op deze manier kan ervoor worden gezorgd dat de bandbreedte in de emissie op individueel bedrijfsniveau wordt verkleind.
Wanneer verwacht u dat er weer natuurvergunningen kunnen worden verleend, ervan uitgaande dat het onderzoek naar de aanvullende voorschriften komend voorjaar is afgerond?
De acties die zijn ingezet om de natuurvergunningverlening weer op gang te brengen, bieden geen garantie dat natuurvergunningen, na afronding van deze acties, met zekerheid weer verleend kunnen worden door het bevoegd gezag. Daarvoor moet ook de natuur herstellen. Over de termijn waarop natuurvergunningen weer met zekerheid verleend kunnen worden, is, mede gelet op de verschillende werkingsprincipen van emissiearme stalsystemen, niet eenduidig te stellen. Het is een complex vraagstuk waarbij zowel het Rijk als de provincies en de sectoren samen zullen moeten werken om tot een werkbare en juridisch houdbare oplossing te kunnen komen. Het is ook mogelijk dat voor bepaalde emissiearme stalsystemen of technieken de vergunningverlening eerder mogelijk is dan voor andere typen (zie ook het antwoord op vraag 3).
Bent u bereid om met veehouders, die al jaren ervaring hebben met bedrijfsspecifiek meten, in gesprek te gaan en hen te helpen in hun verdere traject naar vergunningverlening? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Zoals de Minister voor Natuur en Stikstof en ik in de Kamerbrief «Voortgang innovatie emissiereductie veehouderij» van 23 januari jl. hebben aangeven, zijn we daartoe bereid. Het kan gaan om veehouders die gebruik gaan maken van bedrijfsspecifiek continu meten met sensoren, al dan niet in combinatie met een doelvoorschriftenvergunning. Een doelvoorschriftenvergunning is een mogelijkheid die de Omgevingswet biedt voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. We volgen dergelijke initiatieven nauwgezet en ondersteunen waar mogelijk. Bovendien is op 25 januari jl. het nieuwe meetprotocol voor monitoring van stalemissies8 gepubliceerd dat in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is opgesteld. Hierin staat omschreven hoe mechanisch geventileerde stallen gemeten moeten worden om de emissie van ammoniak continu te monitoren. Dit protocol kan voor dergelijke initiatieven gebruikt worden. Een veehouder hoeft overigens geen ervaring te hebben opgedaan met continu meten om een doelvoorschriftenvergunning voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit aan te vragen bij het bevoegd gezag. In een aantal provincies zijn initiatieven voor het opstellen van een dergelijke doelvoorschriftenvergunning, waarbij voor het betreffende bedrijf een emissieplafond wordt vastgesteld.
En waarbij het plan is om met continu meten aan te tonen dat de emissie onder het plafond blijft.
Maken de bestaande innovatieve technieken, waarvan de effectiviteit al dan niet ter discussie heeft gestaan, onderdeel uit van het onderzoek naar «doorbraakinnovaties»? Kunt u dit toelichten?
In het convenant «Regieorgaan Versnellen innovatie emissiereductie duurzame veehouderij» definiëren de betrokken partijen een doorbraak als een oplossing voor substantiële verlaging van emissies van stikstof, broeikasgas, geur en/of fijnstof die zowel technisch, economisch, juridisch als maatschappelijk haalbaar is. Om tot dergelijke doorbraken te komen wil het Regieorgaan het convenant uitvoeren met een focus op enkele praktijkpilots. Deze zijn gedefinieerd als experimenteeromgevingen waarin allerhande partijen samenwerken om nieuwe technologieën en managementmaatregelen in de praktijk te kunnen ontwikkelen en testen binnen de vigerende regelgeving. Bestaande emissiearme stalsystemen en technieken kunnen daar onderdeel van uit gaan maken, maar dan moet verbetering op de vier genoemde aspecten: technisch werkend, economisch rendabel, juridisch houdbaar en maatschappelijk draagvlak wel kansrijk zijn. Ook zal er sprake moeten zijn van een vernieuwende doorontwikkeling van bestaande emissiearme stalsystemen en technieken.
Wanneer worden de uitkomsten van de verkenning naar doorbraakinnovaties verwacht?
De termijn waarop de innovatie-inspanningen tot doorbraken leidt laat zich niet precies uitmeten. Innovatie is in zoverre te sturen dat je de kans op succes vergroot. Dat doen de betrokken partijen die regie nemen door strikt te focussen op wat kansrijk is. Daarbij is tijd nodig om testlocaties en -faciliteiten op te zetten en uit te voeren, en om te leren wat wel en niet werkt.
Van belang is zorgvuldigheid ten aanzien van zekerheid van de werking van innovaties die emissies reduceren, het praktisch kunnen werken met de techniek en data, de handhaafbaarheid en de juridische houdbaarheid. De inschatting nu is dat in een periode van drie jaar zicht is op enkele doorbraken die daarna breed toegepast kunnen gaan worden. Een zorgvuldige aanpak is nodig om te voorkomen dat veehouders breed investeren in innovaties die achteraf niet goed werken, juridisch niet te borgen zijn of waar geen maatschappelijk draagvlak voor is.
Welke eisen stelt u aan het regieorgaan wat betreft het tijdspad, behalve dat het realistisch moet zijn? Is het bijvoorbeeld denkbaar dat wordt gekozen voor de kortst denkbare optie en dat wordt bezien wat ervoor nodig is om dat mogelijk te maken?
Het is aan het Rijk om te komen tot een nieuwe borgingssystematiek en de wet- en regelgeving daarop in te richten.
Het Regieorgaan denkt na hoe het werken met doelsturing zo ingericht kan worden dat het ondersteunend is voor doelsturing op emissies, bijvoorbeeld door te borgen dat de emissies systematisch en wetenschappelijk gemeten en gemonitord kunnen worden. Een belangrijke randvoorwaarde om tot een toekomstige borgingssystematiek te komen is dat er betrouwbare meetsystemen en een geborgde meetketen komen. Daarbij zijn drie aspecten van belang: de ontwikkeling van stalmeetmethoden, datagebruik- en uitwisseling en de juridische aspecten. Ook relevant is haalbaarheid en betaalbaarheid van sensor- en datasystemen. Ik ga er van uit dat het Regieorgaan al deze aspecten meeneemt in adviezen over het tijdpad. Naast zorgvuldigheid en realisme verwacht ik dat binnen het Regieorgaan ook gesproken zal worden over snelheid, mede omdat de sectorpartijen ook onderdeel uitmaken van het Regieorgaan.
Hoe kunnen individuele provincies hierop inspelen? Kunnen zij afwijken van de landelijke borgingssystematiek? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Onder de Omgevingswet kan het bevoegd gezag (voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit is dat het college van burgemeester en wethouders) de veehouder toestemming verlenen voor het bouwen van een stal met een innovatieve techniek, ook als geen emissiefactor is afgegeven voor die techniek in bijlage V van de Omgevingsregeling. Dit kan als binnen twee jaar in die stal wordt gemeten volgens het geldende meetprotocol (2013a) en de resultaten daarvan worden toegestuurd aan het bevoegd gezag. Met maatwerk kan het bevoegd gezag bij aanvraag afwijken van de meetverplichting, wanneer afdoende metingen plaatsvinden in stallen met dezelfde innovatieve techniek.
Ook heeft het bevoegd gezag onder de Omgevingswet de mogelijkheid een doelvoorschriftenvergunning te verlenen, in combinatie met emissiemonitoring op het bedrijf, via continu meten. In de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit kan vooraf door het bevoegd gezag een emissieplafond worden bepaald. Met deze nieuwe werkwijze wordt de komende jaren verder ervaring opgedaan, onder andere via het Regieorgaan, om uiteindelijk toe te werken naar het breder kunnen toepassen van doelschriftenvergunningen, gecombineerd met emissiemonitoring op bedrijfsniveau. Gezien de benodigde kennisontwikkeling, praktijkervaring en technische ontwikkelingen zal het enkele jaren duren voordat deze werkwijze ook breed toegepast kan worden. Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 11.
Voor de omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit (waarvoor de provincie in de meeste gevallen het bevoegd gezag is) geldt op dit moment dat als een ondernemer een innovatieve staltechniek wil toepassen, daar vooraf de zekerheid moet zijn verkregen dat deze geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden heeft.
Ook voor deze activiteiten worden momenteel de mogelijkheden onderzocht om te komen tot doelvoorschriften in combinatie met emissiemonitoring op bedrijfsniveau en hoe deze gecombineerd kunnen worden met de doelvoorschriften voor milieubelastende activiteiten.
Hoe gaat u in het kader van de Versnellingsaanpak Samenwerkingsverband provincies en sectoren om met pilots die al geruime tijd lopen en betreffende veehouders al veel hebben gekost? Gaat u hen ook financieel ondersteunen om zo hun innovaties verder in ontwikkeling en tot vergunningverlening te brengen? Zo nee, waarom niet?2
Zoals bij Incidentele Suppletoire Begroting (ISB) Prinsjesdag 2023 van LNV10 gemeld aan de Kamer draag ik bij aan de financiering van de uitvoering van de versnellingsaanpak «Mest, stallen en emissies», waaronder een bijdrage aan de pilots in deze aanpak. Met een SPUK (specifieke uitkering voor provincies) is de bijdrage van het Rijk van 7,5 miljoen euro aan de provincies beschikbaar gesteld. Hiermee kunnen de provincies vervolgens zorgen voor inzet van deze middelen voor onder andere de pilots.
Wat wordt bedoeld met de verbreding van de scope van de regeling naar emissiereductie met zowel brongerichte als nageschakelde technieken?
De investeringsmodule van de Subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) is, zoals de titel aangeeft, gericht op subsidie voor investeringen in brongerichte emissiereductie. Op dit moment wordt bekeken of het mogelijk is om met deze subsidieregeling ook nageschakelde technieken te subsidiëren en daarmee dus de scope van de regeling te verbreden. Nageschakelde technieken zijn technieken die emissies afvangen, voordat ze de stal verlaten. Een luchtwasser is een voorbeeld van een nageschakelde techniek. Daarbij is relevant dat bij toepassing van nageschakelde technieken het belang van dierenwelzijn en brandveiligheid goed moet worden afgewogen. Per techniek zal beoordeeld moeten worden of het wenselijk is om deze wel of niet te subsidiëren, zoals gemeld aan de Kamer in een appreciatie11 van de (aangehouden) motie van het lid Van der Plas (BBB)12.
Het artikel ‘Baasje van ‘barbaarse’ bijthond lijkt van aardbodem verdwenen’ |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
Bent u bekend met het artikel «Baasje van «barbaarse» bijthond lijkt van aardbodem verdwenen»?1
Ja.
Hoe gaat u de teugels aanhalen om de veroordeelde dader te vinden die door de rechter verantwoordelijk wordt gehouden voor de brute dood van zevenjarig hondje Puc? Is de politie bereid om een opsporingsbericht hiertoe uit te doen?
De Minister van Justitie en Veiligheid geeft aan dat het bij deze zaak niet gaat om een strafrechtelijke veroordeling maar om een civiele veroordeling. Het civiele recht regelt de verhoudingen tussen burgers onderling. Een gedupeerde kan een schadevergoeding eisen door het instellen van een civiele procedure op grond van een onrechtmatige daad. Als de rechter de schadevergoeding toewijst, vindt de inning van de schadevergoeding plaats door vrijwillige betaling door de veroordeelde of door tenuitvoerlegging van dat vonnis met hulp van de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder kan beslag leggen op de bezittingen en op het vermogen van de veroordeelde.
Bent u het met de stelling eens dat straffeloosheid in dit soort gevallen niet door de beugel kan en mogelijk zal leiden tot nieuw agressief bijtgedrag?
De Minister van Justitie en Veiligheid stelt dat het evident is dat straffeloosheid in dit soort gevallen niet door de beugel kan. De Minister geeft aan het minstens zo belangrijk te vinden dat wordt ingezet op preventie, en dat effectieve maatregelen worden ingezet om bijtincidenten te voorkomen. Afgelopen december jl. heeft Minister Adema van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in een Kamerbrief vijf maatregelen voorgesteld om bijtincidenten aan te pakken (Kamerstuk 28 286, nr. 1322). Deze worden op dit moment verder uitgewerkt en zijn er onder meer op gericht om nieuwe gevallen van ernstige bijtincidenten te voorkomen.
Kunt u aangeven om hoeveel zaken het gaat waarbij de eigenaar van een veroordeelde bijthond het vonnis van de rechter niet nakomt, waardoor slachtoffers geen gerechtigheid krijgen?
De Rechtspraak houdt geen cijfers bij over zaken waarbij eigenaren van een bijthond het vonnis van de rechter niet nakomt.
Bent u nog steeds voornemens om een landelijk meldpunt bijtincidenten in te stellen, zoals u aangaf in uw Kamerbrief op 18 december 2023 (Kamerstuk 28 286, nr. 1322)?
Ja, ik ben voornemens een landelijk meldpunt in te richten waar iedereen in Nederland melding kan maken van signalen van gevaarlijk hondengedrag en bijtincidenten.
In hoeverre bent u voornemens het zogeheten «Landelijk Honden Dossier», waarbij onder andere bijtincidenten van honden kunnen worden bijgehouden, intensiever onder de aandacht van gemeenten te brengen, gezien het feit dat uit onderzoek van EenVandaag blijkt dat sinds 2021 slechts 50 van de 342 gemeenten bijtincidenten in hun eigen gemeente registreren?2
Mijn inzet is om in Nederland een betere registratie van gevaarlijk gedrag van honden en (bijt)incidenten door honden te realiseren. Het is belangrijk dat gemeenten incidenten registreren en het is dan ook te betreuren dat veel gemeenten nog niet zijn aangesloten bij het «Landelijk Honden Dossier». Ik blijf gemeenten daarom oproepen om zich hierbij aan te sluiten. Ondertussen werk ik ook aan een landelijk meldpunt. Zie daarvoor het antwoord op vraag 5.
Bent u het met de stelling eens dat bij de verkoop van potentieel gevaarlijke hondenrassen, of de zogeheten «hoogrisico-hond» met grotere bijtkracht, preventieve maatregelen getroffen moeten worden, maar dat we ook moeten voorkomen om iedere nieuwe hondeneigenaar te verplichten een cursus te volgen?
Ik ben van mening dat een verplichte cursus vóór de aanschaf van elk type hond belangrijk is bij het aanpakken van bijtincidenten. Onvoldoende kennis over de behoeften, het gedrag en welzijn van honden is namelijk een van de voornaamste redenen voor het ontstaan van bijtincidenten.
Een cursus zou toekomstige hondeneigenaren bij de aanschaf van een hond kunnen helpen om een betere afweging te maken, zodat de gekozen hond bij hun persoonlijke (leef) situatie past. Ook zal een eigenaar die zich bewust is van signalen van honden, zoals ongenoegen, angst of stress, hen in staat stellen hun hond veilig te begeleiden of te behoeden voor mogelijk bijtgedrag van anderen.
Kunt u aangeven hoeveel honden die vóór 2013 zijn aangeschaft, nog niet geregistreerd zijn, gezien het feit dat het sinds 2013 wettelijk verplicht is dat iedere hondenbezitter zijn hond laat registreren bij een hondendatabank?
Er is geen compleet beeld van het aantal niet geregistreerde honden dat is aangeschaft vóór 2013.
Kunt u aangeven wanneer u de Kamer de uitgewerkte voorstellen van 18 december j.l. toezendt (Kamerstuk 28 286, nr. 1322)?
Ik ben gestart met de uitwerking van de voorgestelde maatregelen om bijtincidenten aan te pakken. Het betreft meerdere, ingrijpende maatregelen waarvan de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid nader zal worden onderzocht. De Kamer zal na de zomer worden geïnformeerd over de stand van zaken.
Het leven en lijden van konijnen in de vleesindustrie |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Wat ging er door u heen toen u de nieuwe beelden zag, waarop is te zien hoe konijnen in de vleesindustrie lijden aan verwondingen, schurft, ontstekingen aan hun oren en ogen en hoe zij neurologische verschijnselen vertonen («draainek» of «scheve kop») waardoor ze niet of nauwelijks meer rechtop kunnen staan?1
Laat ik voorop stellen dat de «burgerinspecties» waarover stichting Animal Rights in haar bericht spreekt illegaal zijn, niet kunnen en niet mogen. Ongeacht de doelen of motieven die er aan deze incidenten ten grondslag liggen vind ik iedere vorm van geweld en opzettelijke vernieling van andermans eigendom niet te rechtvaardigen en onacceptabel en veroordeel ik.
De beelden vind ik uiteraard verschrikkelijk om te zien en dat doet mij ook wat. Zoals ik heb aangegeven2, vind ik dat dieren meer zijn dan een object of eigendom, het zijn levende wezens met een eigen waarde, los van de (gebruiks-)waarde die de mens er aan toekent. Deze intrinsieke waarde van dieren is vastgelegd in de Wet dieren en vormt dan ook het uitgangspunt van mijn beleid. We dienen met respect met ze om te gaan, ze goed te behandelen en goede huisvesting en verzorging te bieden, van fok tot slacht.
Heeft u gezien dat de dieren op deze beelden leven op kale spijlen in de kooien waarin zij zijn opgesloten, zonder de voorgeschreven plastic «welzijnsmatjes» of «afleidingsmateriaal» en zonder mogelijkheid om te schuilen?2 Wat vindt u hiervan?
Ik vind het belangrijk dat wet- en regelgeving wordt nageleefd door de houders van dieren. De welzijnsmatjes en schuilmogelijkheden zijn geen wettelijke vereisten. De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd4. Via dat plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten. De welzijnsmatjes en schuilmogelijkheden maken hier ook onderdeel van uit.
Hoe vaak zijn de hierboven genoemde overtredingen geconstateerd in de afgelopen vijf jaar?
Vanaf 2019 tot en met 2023 zijn bij drie inspecties bij konijnenhouderijen overtredingen gevonden op de eisen van huisvesting en afleidingsmateriaal.
Kunt u bevestigen dat uit door Stichting Animal Rights opgevraagde NVWA-inspectierapporten tussen 2017 en 2022 blijkt dat bij de helft van de inspecties melding is gemaakt van ernstige ziektes, óók als de inspecties akkoord werden bevonden?
Bij een aantal inspecties hebben inspecteurs geconstateerd en vastgelegd dat er sprake was van dierziektes op het geïnspecteerde bedrijf. De aanwezigheid van dierziekte(n) op een locatie is geen overtreding van een voorschrift. Hierbij is het bijvoorbeeld van belang dat een houder tijdig veterinaire hulp inschakelt indien nodig. Daarom kan het zijn dat deze inspecties wel akkoord zijn bevonden.
Kunt u bevestigen dat overtredingen als het niet aanhouden van een dag-nacht ritme door middel van verlichting in de stallen, het onjuist registreren van het aantal dode dieren en het onjuist of onvolledig administreren van medicatie, zijn afgedaan met een waarschuwing?
Ja, deze inspecties zijn, door de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA), met een officiële waarschuwing afgedaan.
Voor bovenstaande overtredingen kunnen volgens het Specifiek Interventiebeleid5 meerdere interventies worden toegepast. Indien de overtredingen ernstig en/of structureel van aard zijn kan een bestuurlijke boete en eventuele corrigerende interventies worden opgelegd. Indien deze overtredingen licht en/of incidenteel van aard zijn, kan worden gekozen voor een officiële waarschuwing. Dit is afhankelijk van de feiten en omstandigheden ter plaatse.
Kunt u verklaren waarom er geen sancties worden opgelegd bij deze overtredingen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Heeft u op de beelden gezien dat er verschillende dode dieren tussen de levende dieren lagen?
Ja, dit heb ik gezien.
Is de sterfte onder vleeskonijnen nog steeds 17,2 procent, zoals uw voorganger eerder schreef?3
Voor konijnenhouders is een goede zorg voor dieren het uitgangspunt. Elke houder dient uitval van de konijnen te registeren in de eigen administratie. Bij een uitvalspercentage hoger dan 10% dient de houder de dierenarts te consulteren met als doel het percentage te verlagen. Centrale registratie van uitval is echter niet verplicht en ik heb daarom geen cijfers over de uitval. Momenteel zet de konijnensector zet zich in om deze sterftecijfers centraal vast te leggen, dit doen zij samen met Wageningen Economic Research (WEcR).
Om de zorg voor jonge dieren in beeld te brengen is de Zorgwijzer ontwikkelt, deze geeft houders inzicht in diergezondheid en dierenwelzijn en biedt houders de mogelijkheid om cijfers met elkaar te vergelijken. Ervaring, onder andere uit het antibioticadossier, leert dat een dergelijke vergelijking houders intrinsiek motiveert verder te verbeteren. Vanaf 2025 wordt de deelname aan de Zorgwijzer, via het Integrale Keten Beheersing (IKB) systeem, verplicht voor konijnenhouders.
Kunt u bevestigen dat dit neerkomt op meer dan 381.000 dode dieren per jaar met 34.696 moederkonijnen die gemiddeld zes tot zeven keer per jaar worden geïnsemineerd en gemiddeld 6,8 nestjes moeten werpen van gemiddeld 9,4 jongen?4 Zo nee, op welke cijfers komt u dan uit?
Zie mijn antwoord op vraag 8. Er is mij geen actueel sterftepercentage van konijnen bekend.
Kunt u bevestigen dat dit betekent dat bij ieder van de 34 bedrijven met konijnen iedere dag opnieuw gemiddeld 30 dode dieren in de kooien liggen?
Zie mijn antwoord op vraag 8 en 9.
Herinnert u zich dat uw ambtsvoorganger geraakt was door beelden van dierenleed in de Nederlandse veehouderij en dat zij in beelden uit de konijnenhouderij uit 2019 aanleiding zag om de sector hierop aan te spreken en aan te dringen op verbetering?5
Ja.
Wat vindt u ervan dat in het jaar dat hierop volgde, 2020, slechts één dierenwelzijnscontrole is uitgevoerd in de konijnenhouderij en dan ook niet op eigen initiatief, maar pas nadat er een melding binnen kwam bij de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)?
Er is in 2020 één controle op welzijn uitgevoerd bij een bedrijf met konijnen die voor productie gehouden worden naar aanleiding van een melding. Daarnaast zijn er dat jaar nog 4 inspecties uitgevoerd in de konijnenhouderij in het kader van de naleefmeting diergeneesmiddelen, die is uitgevoerd in de periode 2019–2020. Hoewel deze inspecties een andere insteek hebben, zouden eventuele evidente welzijnsovertredingen daarbij zijn opgemerkt.
Heeft u zelf de indruk dat er sinds 2019 iets is verbeterd? Zo ja, wat en waar baseert u dit op?
Ja, de sector zet stappen op verschillende onderwerpen, zoals op antibiotica, huisvesting en de zorg voor jonge dieren.
In de Verzamelbrief Dierenwelzijn van april 2022 (Kamerstuk 28 286, nr. 1255) werd u geïnformeerd over het plan van aanpak huisvesting, opgesteld door de vakgroep konijnenhouderij van LTO Nederland. Dit plan bevat een viertal onderdelen op het gebied van huisvesting die bijdragen aan het verbeteren van dierenwelzijn voor alle konijnen gehouden voor productie. De vier onderdelen betreffen; (stal)klimaat en calamiteiten, omgevingsverrijking, comfort voor opfokvoedsters en leefruimte voor zowel vleeskonijnen als voedsters. In 2030 zal elke konijnenhouder, door middel van een puntensysteem, moeten voldoen aan de vereisten opgenomen in dit plan van aanpak. Eind 2025 dient elke konijnenhouder minimaal de helft van het totaalaantal punten behaald te hebben. Borging verloopt via het private kwaliteitssysteem.
De konijnensector heeft sinds begin 2022 een plan van aanpak antibioticumgebruik en aanpak hoog gebruikende bedrijven. Hiermee is afgelopen jaar een goed resultaat behaald zowel in algemene reductie als in reductie van het aantal hoog gebruikende bedrijven. In de brief Stand van zaken veterinair antibioticumbeleid (Kamerstuk 29 683, nr. 275), die uw Kamer op 24 augustus 2023 heeft ontvangen, kunt u dit terug vinden. Ten opzichte van 2021 is in 2022, het gebruik van antibiotica in de konijnensector gedaald met 32,4%. De konijnensector laat hiermee het laagste gebruik zien, sinds de start van de monitoring door de SDa (2016).
Herinnert u zich dat uw ambtsvoorganger in 2020 liet weten in gesprek te gaan met de konijnensector over het centraal registreren van het aantal konijnen dat sterft in de stallen? Hoe kan het dat hier op zijn vroegst pas vanaf 2025 mee zal worden gestart?6
Ja, dit herinner ik mij. Zie mijn antwoord op vraag 8.
Zou u het volgende dierwaardig noemen: konijnen die moeten leven in een kooi, zonder ruimte om te rennen, graven, schuilen of knagen, dag en nacht in een ammoniaklucht doorbrengend, waarbij de mannetjes die worden gehouden voor hun zaad in hun eentje in kooien zitten, net als (een groot deel van) de moederdieren op het moment dat zij geen jongen hebben? Kunt u dit toelichten?
Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1321) werk ik aan een dierwaardige veehouderij waar alle dieren, worden gehouden volgens de 6 leidende principes van de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA). Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de stappen die hierop worden ondernomen. De focus ligt nu bij de 4 grote sectoren maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken.
Zou u zelf nog konijnenvlees eten na het zien van deze beelden?
De beelden die ik heb gezien vind ik treurig. Het feit dat deze beelden zijn gemaakt, betekent niet dat deze beelden representatief zijn voor de gehele sector. Hierdoor kan ik geen algemene conclusie trekken over de gehele konijnensector. Daarnaast doen mijn persoonlijke wensen en behoeftes er in deze niet toe.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen die overwegen om (met kerst) konijnenvlees te eten, weten wat ze eten en wat voor lijden hier achter schuilt?
Het is aan mij regels te stellen waar de huisvesting van konijnen aan moet voldoen. En ik stel de NVWA in staat om hier toezicht op te houden. Ik vind het belangrijk dat burgers informatie kunnen opdoen over het voedsel dat zij kopen zodat zij zelf weloverwogen keuzes kunnen maken. Om die reden ondersteun ik het Voedingscentrum, die hier uitwerking aan geeft.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is mij niet gelukt om de vragen binnen de daarvoor gestelde termijn te beantwoorden, uw Kamer is hierover geïnformeerd op 11 januari j.l.
Het wetenschappelijke vangstadvies voor tong |
|
André Flach (SGP) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zware teleurstelling over tong-tAC»1?
Ja.
Waar heeft u uw uitspraken in de Kamer op gebaseerd dat de kans reëel is dat er in 2025 helemaal niet meer op tong gevist kan worden als je niet zou kiezen voor 60 procent reductie van het tongquotum en dat Wageningen Marine Research dit gezegd zou hebben?
Zoals in de Kamerbrief met het Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van
10-12 december jongstleden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1610) aangegeven, heb ik mijn eerdere toelichting in het debat van 7 december jongstleden genuanceerd. De situatie die ik heb willen schetsen is dat volgens schattingen van ICES in het vangstadvies voor 2024 het paaibestand van tong op dit moment niet in overeenstemming is met het niveau van maximale duurzame opbrengst (maximum sustainable yield, MSY). De schatting van ICES stelt dat het voortplantingsvermogen van tong in gevaar is. Het niet volgen van het hoofdadvies van ICES (-60%) zou een negatief effect kunnen hebben op toekomstige vangstadviezen en mogelijk zelfs kunnen leiden tot een verdere daling in het vangstadvies voor 2025.
Is de veronderstelling juist dat als de korting van 60 procent gehalveerd zou worden (34 procent-scenario ICES) de kans op een nul-vangstadvies voor 2025 nog steeds heel klein is, aangezien ook dan sprake is van een stijging van het paaibestand naar het Blim-niveau?
Bij een daling van de vangst met 34% ten opzichte van de TAC voor 2023 groeit volgens de modelvoorspelling van ICES de biomassa van tong tot net onder het limiet niveau waarbij de voortplanting in gevaar kan komen (Blim). Het herstel van het tong-bestand zal dan langzamer gaan.
Hoe kan het dat herhaaldelijk gedreigd is met een nul-vangstadvies onder verwijzing naar Wageningen Marine Research, terwijl het instituut zelf hier anders over denkt?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2.
Bent u voornemens in de toekomst zorgvuldig te communiceren over wat wel en niet wetenschappelijk is vastgesteld?
Ik streef er altijd al naar op een zorgvuldige manier te communiceren en zal dit ook blijven doen.
De controle op visfraude door de NVWA |
|
Ines Kostić (PvdD), Laura Bromet (GL), Tjeerd de Groot (D66), Marieke Koekkoek (D66) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met de rechterlijke uitspraak van 1 december 2023 inzake het beroep van ClientEarth en LIFE tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over de controle op visfraude?1
Ja.
Deelt u de conclusies van de rechter op 1 december 2023, die stelt dat «de NVWA signalen heeft dat binnen de Nederlandse zeevisserij wordt gefraudeerd en dat regels mogelijk structureel niet worden nageleefd?»
Ik heb regulier contact met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over de controle en handhaving van de visserijsector en in deze gesprekken deelt de NVWA ook signalen over fraude en niet-naleving van regelgeving in de visketen. Dergelijke signalen zijn door de NVWA ook geuit in de Integrale Ketenanalyse (IKA) Visketen, die ik op 5 september 2022 met de Tweede Kamer heb gedeeld (Kamerstuk 29 675, nr. 218). De IKA-visketen geeft mij waardevolle inzichten in de risico’s die de visketen met zich meebrengt. Deze helpen mij om ook de juiste aandacht hier aan te geven tijdens de transitie naar een duurzame visserijsector.
Deelt u eveneens de constatering van de rechter dat «niet [wordt] betwist dat het toezicht op die regels niet aan de daarvoor geldende normen voldeed»?
Samen met de NVWA werk ik continu aan het verbeteren van de kwaliteit van het toezicht om aan de Europese regels voor visserijcontrole te voldoen en daarmee aan de effectiviteit om fraude tegen te gaan. Het blijft echter een uitdaging om de uitvoering aan te laten sluiten op de Europese wet- en regelgeving. Dit gaat nog niet op alle aspecten goed. Dit heeft ertoe geleid dat er sinds 2021 twee inbreukprocedures van de Europese Commissie lopen die betrekking hebben op het Nederlandse toezicht op de visserijsector. Hierbij gaat het om de controle en handhaving van weging, het transport en de traceerbaarheid van vis en het toezicht op de aanlandplicht. Mede naar aanleiding van deze inbreukprocedures is er sinds 2021 een versterkte aandacht voor toezicht en handhaving in de visserijsector, wat ook geleid heeft tot een uitbreiding van de capaciteit bij de NVWA. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de inbreukprocedures betrekking hebben op bepaalde elementen van toezicht en handhaving in de visserijsector en niet op het gehele controle- en handhavingssysteem. Op dit moment is er al veel vooruitgang geboekt in het verbeteren van de handhaving en blijf ik in gesprek met de Europese Commissie over het verloop van beide procedures. Ook het onderhandelingsproces over nieuwe wet- en regelgeving kan er soms toe leiden dat de Europese regelgeving onvoldoende aansluit bij de uitvoering in elke lidstaat afzonderlijk. Bovendien worden er in deze onderhandelingen vaak uitzonderingsbepalingen vastgesteld. Deze maken de handhaving complexer. Daarom blijft ik mij in Brussel inzetten voor handhaafbare, fraudebestendige en uitvoerbare regelgeving.
Bent u er van op de hoogte dat de vissoorten makreel, horsmakreel en blauwe wijting, die in grote hoeveelheden aanlanden in Nederland, al jaren worden overbevist?2
Voor de westelijke horsmakreel zijn in 2021 en 2022 de totale vangstmogelijkheden (TACs) vastgesteld in lijn met het wetenschappelijk advies, echter voor 2023 en 2024 werd een nulvangstadvies gegeven en is er een zogenoemde bijvangst TAC vastgesteld. Met deze bijvangst TAC is het doel dat het bestand zich kan herstellen, maar dat deze vis ook beperkt bijgevangen kan worden en niet een visserij die niet gericht op deze soort vist wordt stilgelegd.
In 2024 is een benchmark gepland voor het model dat ten grondslag ligt aan dit vangstadvies, waarbij gekeken zal worden naar de methode achter bestandinschattingen voor de westelijke horsmakreel en de daaruit volgende adviesbepalingen. Deze ontwikkeling wordt op de voet gevolgd.
Voor makreel en blauwe wijting heeft de EU haar TACs de afgelopen jaren ook in lijn vastgesteld met het wetenschappelijk advies. De afgelopen jaren is er geen overeenstemming bereikt over de verdeelsleutel per visbestand tussen de Kuststaten (EU, Noorwegen, Verenigd Koninkrijk, Faeröer eilanden, Groenland, IJsland en de Russische Federatie). Om dit in de toekomst te voorkomen zullen onderhandelingen over de verdeling voor Atlanto-Scandian haring, makreel en blauwe wijting gecontinueerd worden.
Wat is uw reactie op de bewering dat, volgens ClientEarth, mogelijk een derde van de Europese visvangst voor haring, (hors)makreel en blauwe wijting niet goed wordt gecontroleerd, omdat het via Nederland naar binnenkomt?3
In de beantwoording op vraag 3 heb ik aangegeven dat er naar aanleiding van inbreukprocedures sinds 2021 een versterkte aandacht voor toezicht en handhaving is in de visserijsector, die ook geresulteerd heeft in uitbreiding van de capaciteit bij de NVWA. Een deel van deze capaciteit is toebedeeld aan het fysieke toezicht op het aanlanden van bevroren vis. Er wordt continu hard gewerkt om de kwaliteit van het toezicht te verbeteren om aan de Europese standaarden te voldoen.
Bent u het ermee eens dat gebrekkige controle op de visvangst de overbevissing op deze vissoorten mogelijk in de hand speelt?
Het bedrijfsleven is primair verantwoordelijk om de regels over duurzame visstand na te leven. De controle op de visvangsten is onder andere bedoeld om overbevissing te voorkomen en eventuele tekortkomingen vergroten de kans hierop. De controle en handhaving wordt daarom risico-gebaseerd ingericht om de risico’s zo klein mogelijk te maken. Overigens wordt, zoals eerder in de beantwoording op Kamervragen is aangegeven (Kamerstuk, 21 501, nr. 32), een aandeel niet of door fraude foutief aangelande vis meegewogen bij het vaststellen van de wetenschappelijke vangstadviezen door de International Council for the Exploration of the Sea (ICES). Hierdoor leiden eventuele tekortkomingen bij de controles niet direct tot overbevissing van bepaalde vissoorten, omdat een toename of afname in onjuist geregistreerde visvangst direct terug te zien in de adviezen.
Deelt u de mening dat overbevissing een reëel gevaar is voor de onderzeese natuur en ecosystemen, zoals ook wordt geconcludeerd in het OSPAR Quality Status-rapport van 2023?4
ICES-rapportages hebben aangetoond dat er eind vorige eeuw sprake was van overbevissing op bepaalde vissoorten in de ecoregio «Greater North Sea». Echter, sindsdien is er veel veranderd. Een toenemend aantal commerciële vissoorten wordt op dit moment bevist binnen de marges van MSY. Vissen op MSY-niveau is één van de doelstellingen van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB), dat onder andere is gericht op het duurzaam exploiteren van visbestanden op basis van wetenschappelijke adviezen van ICES. Dit niveau is mede bereikt doordat er maatregelen genomen zijn. Denk hierbij aan het instellen van technische visserijmaatregelen waardoor er selectiever gevist kan worden. Bepaalde visserijactiviteiten kunnen nog steeds een negatief effect op bepaalde mariene habitats en soorten hebben, zoals ook blijkt uit het Quality Status-rapport van 2023. Daarom is het belangrijk dat er gewerkt blijft worden aan innovaties en maatregelen om de visserijdruk op bepaalde ecosystemen te verlagen.
Zoals afgesproken in het Noordzeeakkoord werkt Nederland aan het instellen van instandhoudingsmaatregelen om 15% van de Noordzee te sluiten voor bodemberoerende visserij in 2030. Op dit moment zijn instandhoudingsmaatregelen van kracht in 5% van de Noordzee (Kamerstuk 36 360 XIV, nr. 6). Daarnaast is het belangrijk om meer kennis en gegevens te verkrijgen als het gaat om bijvangst, de impact van visserij op visbestanden en het voedselweb. Nederland zet zich daarom in om in internationaal verband meer kennis te ontwikkelen om zo waar nodig maatregelen te kunnen treffen voor een verdere verduurzaming van de visserij.
Bent u het ermee eens dat er bij gebrekkige controle op visfraude een ongelijk speelveld ontstaat tussen grote vissersbedrijven en kleine vissersbedrijven, waarin vooral die laatste groep wordt benadeeld?
Laat ik voorop stellen dat fraude niet acceptabel is en dat het noodzakelijk is dat wet- en regelgeving wordt nageleefd. Door fraude ontstaat er een ongelijk speelveld tussen vissers die zich wel houden aan de geldende wet- en regelgeving en diegene die dat niet doen. Dit is ongeacht de omvang van hun bedrijf. Vissers die wel handelen volgens de geldende wet- en regelgeving worden hierdoor onterecht benadeeld. Het systeem van controle- en handhaving is erop gericht om fraude te bestrijden en het naleefgedrag in de visserijsector te bevorderen, zodat het gelijkspeelveld tussen alle vissers gewaarborgd blijft.
Bent u het ermee eens dat gebrekkige controle duurzame vissers ook disproportioneel benadeelt? Zo ja, wat moet er veranderen in de controle om het Noordzee-akkoord na te leven?5
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 aangeef ontstaat er door fraude een ongelijk speelveld tussen vissers die zich wel houden aan de geldende wet- en regelgeving en diegene die dat niet doen. Het is voor alle vissers noodzakelijk om de bestaande regels na te leven, ongeacht of een duurzame of meer gangbare vangstmethode wordt gebruikt.
Bent u het ermee eens dat zonder adequate controle vangstcertificaten onbetrouwbaar worden?
De controles zijn gericht op het ontdekken van onvolkomenheden. Daaruit kan niet de conclusie worden getrokken dat iets, in dit geval vangstdocumentatie, automatisch onbetrouwbaar is als er geen controle heeft plaatsgevonden.
Er vindt 100% documentencontrole plaats van vangstdocumenten van visserijproducten die met containerschepen via Nederland voor het eerst worden aangeboden binnen Europa. Bij onvolkomenheden wordt altijd contact opgenomen met de bevoegde autoriteiten van het betreffende derde land en wordt er vervangende vangstdocumentatie vereist voordat vrijgave van goederen tot de Europese markt wordt verleend.
De controle van vangstdocumenten van visserijproducten die via vissersvaartuigen in Nederland voor het eerst worden aangeland wordt uitgevoerd middels een 100% documentencontrole en vindt plaats middels een vergelijking tussen het gewicht zoals aangegeven op de vangstdocumentatie en het door de marktdeelnemer vastgestelde aanlandgewicht. Indien het weegresultaat klopt met de resultaten op de ontvangen vangstdocumentatie wordt de partij geregistreerd en vrijgegeven voor de handel op de Europese markt. Indien de weegresultaten niet overeenkomen met de beschikbare vangstdocumentatie dient de visser een vervangend vangstdocument aan te leveren of aan te vragen bij de bevoegde autoriteit van het betreffende derde land met daarop de gecorrigeerde weegresultaten die zijn vastgesteld tijdens de eerste aanlanding. Pas als een vervangend vangstdocument wordt overlegd met daarop de vastgestelde gewichten tijdens de eerste aanlanding wordt de partij vrijgegeven voor de handel op de Europese markt.
In 2021 bleek dat slechts twee inspecteurs verantwoordelijk zijn voor het toezicht houden op de Nederlandse pelagische visserij.Hoe is daar vervolgens op gehandeld?
Mijn ambtsvoorganger en ik hebben vaart gemaakt met de structurele uitbreiding van de capaciteit bij de NVWA en hebben veel inzet gepleegd om het zogenoemde steekproef- en controleplan goedgekeurd te krijgen. Concreet heeft dit geleid tot een structurele uitbreiding van de NVWA met 9,7 fte voor het toezicht op de zeevisserij. De nieuw toegevoegde capaciteit aan fte’s zijn binnen de NVWA inmiddels volledig inzetbaar en beschikbaar voor de volgende inspectietaken:
Welke concrete verbeteringen heeft de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) sinds 2021 aangebracht om visfraude tegen te gaan?
De NVWA werkt continu aan het verbeteren van de kwaliteit van het toezicht en daarmee aan de effectiviteit om fraude tegen te gaan. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van risicoanalyses gebaseerd op beschikbare visserijdata. Er vindt continue optimalisatie van deze risicoanalyses plaats. Daarnaast vergt het opleiden en het na- en bijscholen van het personeel ook de nodige inzet. De NVWA onderneemt interventies op het moment dat fraude wettig en overtuigend kan worden vastgesteld.
Kan u bevestigen dat de NVWA de visvangst nu volledig volgens de EU-voorschriften controleert?
De controle-inzet van de NVWA is daarop gericht. De vraag of de NVWA de visvangst nu volledig volgens de EU-voorschriften controleert is moeilijk te beantwoorden, omdat er altijd nieuwe situaties kunnen ontstaan in de praktijk. De voorschriften zijn complex, wat de handhaving ook complex maakt. Er zal altijd ruimte zijn voor verbetering. Daarnaast ben ik momenteel nog in gesprek met de Europese Commissie over mogelijke verbeteringen om de lopende inbreukprocedures tot een goed einde te brengen. Verder verwijs ik naar de beantwoording op vraag 23.
Kan u bevestigen dat de werkwijze voor het controleren van visvangst op basis van steekproeven is herzien en in lijn is met de EU-regelgeving?
Ja, dat kan ik bevestigen. Het nieuwe steekproefplan is in september 2022 goedgekeurd door de Europese Commissie.
Is er extra budget vrijgemaakt in 2023 en 2024 om de controle op de visvangst te verbeteren?
Zoals ik in de beantwoording op vraag 3 heb aangegeven is sinds 2021 structureel budget vrijgemaakt voor de uitbreiding van de capaciteit bij de NVWA in het visserijdomein. In de afgelopen jaren is in Europees verband gewerkt aan een herziening van de controleverordening (Verordening (EG) nr. 1224/2009). Dit heeft geleid tot een wijzigingsverordening die op 20 december 2023 is gepubliceerd. De inwerkingtreding zal in de komende tijd op verschillende momenten plaatsvinden. Met de herziening van de controleverordening zullen de komende jaren de bestaande controletaken van de NVWA worden uitgebreid. In aanloop naar de uitvoering van de verschillende controletaken zal gekeken worden of en zo ja welke aanvullende middelen nodig zullen zijn om ook in de toekomst de controle en handhaving in het visserijdomein te laten voldoen aan de Europese normen. Daarnaast wordt momenteel ook de bestuursrechtelijke handhaving in het visserijdomein mogelijk gemaakt. De wet wordt daar op aangepast.
Is de bezetting van de NVWA momenteel voldoende op orde om de visvangst die via Nederlandse havens komt te controleren? Kunt u toelichten waarom wel, dan wel niet?
De bezetting is voldoende op orde om in de Nederlandse havens de noodzakelijke controles uit te voeren, ik verwijs hiervoor ook naar de beantwoording van de vragen 11, 12 en 13 en 15. Komende tijd zal bij de implementatie van de herziene controleverordening gekeken worden wat er nodig is om dit ook in de toekomst te kunnen blijven garanderen.
Wat is, in het licht van de benchmarks die de Europese Unie (EU) voorschrijft, volgens u de gewenste bezetting bij de NVWA op het controleren van de visvangst?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 16 acht ik de huidige bezetting bij de NVWA voor het controleren van de visvangst voldoende, waarbij mijn inzet de afgelopen jaren groter is geweest dan in de studie van Deloitte over de benodigde capaciteit bij de NVWA werd aanbevolen (Kamerstuk 33 835, nr. 171). Zoals ik in de beantwoording op vraag 15 heb aangegeven zal bij de implementatie van de herziene controleverordening opnieuw beoordeeld moeten worden of en zo nodig welke aanvullende capaciteit nodig is.
Voelt u een extra verantwoordelijkheid om de controle op de visserij op orde te hebben, aangezien Nederland een bijzondere positie heeft als groot import- en exportland in de sector?
Nederland heeft een verantwoordelijkheid om Europese en internationale afspraken na te komen en te voldoen aan het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Door de omvang van de import en export in Nederland van visserijproducten is het belangrijk dat Nederland zich hiervoor inzet. Dat neemt niet weg dat Nederland zich onder elke omstandigheid moet inzetten om te voldoen aan Europese wet- en regelgeving.
Hoe verschilt het Nederlandse controlesysteem voor de visserijsector van die van andere Europese landen? In welke landen lukt het om de visvangst beter te controleren? Is er geregeld overleg en samenwerking met deze landen om het Nederlandse toezicht te verbeteren?
Controle en handhaving behoren tot een exclusieve Europese competentie, dat betekent dat vaststelling van regelgeving op Europees niveau plaatsvindt en voor alle lidstaten gelijk is. Voor visserijcontroles is dit grotendeels vastgelegd in de controleverordening en de illegale, ongemelde en ongereglementeerde (IOO) visserij verordening (Verordening (EG) nr. 1005/2008). Bevordering van harmonisatie tussen de lidstaten vindt plaats door afstemming onder leiding van het Europees Bureau voor visserijcontrole (EFCA) of in de regionale groepen. Waar mogelijk wordt samenwerking gezocht met andere lidstaten. Er blijven echter verschillen bestaan tussen de zeebassins, vlootsamenstellingen en type visserijen waarmee ook in de controle en handhaving rekening gehouden moet worden. Elk land heeft hierdoor een eigen nationale opgave wat betreft de controle en handhaving van de visserijsector.
Op welke manier is het toezicht op het naleven van visquota’s en de handel daarvan nu ingericht? Hoe intensief is de samenwerking met toezichthouders uit andere EU-landen?
Er is toezicht op het naleven van visquota’s via het nationale benuttingsoverzicht. Belanghebbenden ontvangen dit overzicht wekelijks. Maandelijks vindt aanlevering van de vangstopgaven plaats bij de Europese Commissie. Op basis van de aangeleverde vangstopgaven kan de Europese Commissie aansturen op een sluiting van een visserij of vragen om aanvullende maatregelen door een lidstaat om een overschrijding te voorkomen.
De internationale handel (ruilen) van visquota heeft als doel de benutting op peil te houden en eventuele overschrijdingen bij te ruilen. Veelal vinden onderhandelingen over ruilvoorstellen plaats tussen de producentenorganisaties van de lidstaten voordat deze op overheidsniveau worden voorgelegd. De kennisgeving aan de Europese Commissie vindt in geval van een internationale ruil met een lidstaat plaats door deze in te voeren in het Europese systeem.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft als uitvoeringsinstantie contact met zowel de sector als buitenlandse overheden en is verantwoordelijk voor het beheer van visquota. Bij het ontvangen van een ruilvoorstel vindt altijd een controle plaats of het binnen de nationale benutting past. De handel van visquota én gecontingenteerde visbestanden wordt in de nationale administratie nauwkeurig bijgehouden waarbij de producentenorganisaties elke twee weken een overzicht ontvangen met actuele visquota en transacties.
Heeft u advies of opmerkingen ontvangen van de Europese Directeur-Generaal van Maritieme Zaken en Visserij over tekortkomingen van het toezicht in Nederland?
Zoals eerder aangegeven in de antwoorden op de vragen 3 en 13 ben ik momenteel nog in gesprek met de Europese Commissie over het verloop van de inbreukprocedures. Als onderdeel van deze procedure heb ik adviezen en opmerkingen ontvangen vanuit de Commissie voor het verbeteren van het toezicht op de visserijsector in Nederland. Deze adviezen en opmerkingen zijn vertrouwelijk. Samen met de NVWA werk ik om zo goed mogelijk uitvoering te geven aan deze aanbevelingen.
Herkent u signalen dat de NVWA niet op tijd voldoet aan Wet open overheid (Woo)-verzoeken? Bent u het ermee eens dat deze vertragingen het lastig maken om toezicht te houden op de controle op visvangst?
De Wet open overheid (Woo) is een belangrijk instrument voor transparantie door de overheid. Het is daarom belangrijk dat verzoeken binnen de daartoe wettelijk gestelde termijn afgehandeld dienen te worden, zodat verzoekers waar mogelijk beschikking krijgen over de gevraagde informatie. Tegelijkertijd is de uitvoering van de Woo door de grote volumes aan informatie in de praktijk soms lastig. Daar worstelen veel bestuursorganen mee. De NVWA blijft zich inzetten om aan de wettelijke termijnen te voldoen, zodat de gevraagde informatie zo snel mogelijk beschikbaar komt.
Vindt u het wenselijk, gezien het feit dat de NVWA als enige de verantwoordelijkheid draagt om controles uit te voeren op grote hoeveelheden vis, dat de transparantie van haar werk toeneemt? Hoe gaat u daarvoor zorgen?
De NVWA ziet dat de samenleving steeds meer betrokken is bij haar werkzaamheden. Het zorgt ervoor dat de NVWA het werk zichtbaar, open en transparant maakt. In het jaarbeeld doet de NVWA publiekelijk verslag van de belangrijkste resultaten en gebeurtenissen in het afgelopen jaar. In de IKA-visketen heeft de NVWA in 2022 benoemd welke risico’s de visketen met zich meebrengt en doet zij aanbevelingen voor het inrichten van het toezicht. Verder geldt er vanuit de controleverordening elke vijf jaar een rapportageverplichting richting de Europese Commissie over de uitvoering van de controlemaatregelen uit de controleverordening. De Commissie stelt op basis van de door de lidstaten ingediende verslagen en haar eigen waarnemingen om de vijf jaar een verslag op dat moet worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad. Op deze en andere manieren probeert de NVWA de transparantie van haar werkzaamheden te vergroten.
Heeft u periodiek overleg met de NVWA over het toezicht op de visvangst? Zijn de signalen over visfraude besproken en is hier sindsdien adequaat op gehandeld?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2.
Zijn er mondelinge toezeggingen gedaan door het Ministerie van LNV of door de NVWA over het verbeteren van de controle op de visserij?
Het is mij niet duidelijk op wat voor toezeggingen in welk kader u hier doelt. In mijn communicatie met betrokkenen draag ik eenzelfde lijn uit, zoals ook weergegeven in mijn appreciatie op de IKA-visketen (Kamerstuk 29 675, nr. 220).
Heeft de Nederlandse overheid via andere wegen dan de NVWA signalen gekregen dat er mogelijk niet goed wordt gecontroleerd op de binnenlandse vishandel?
Mijn ambtenaren hebben contact met mensen die werkzaam zijn in de gehele visserijketen. Zij spreken regelmatig met de producentenorganisaties, afslagen, visserijgemeenten en individuele vissers. Ook de naleving van wet- en regelgeving en de controle in de visserijsector komen in deze gesprekken ter sprake. Mochten er dergelijke signalen worden afgegeven dat de controle op punten tekortschiet, dan worden deze gedeeld met de NVWA, zodat zij hier indien nodig op kunnen acteren om het toezicht te verbeteren.
Zo ja, hoe gaat u zo snel mogelijk deze signalen onderzoeken en rechtzetten?
Zie het antwoord op vraag 26.
Kunt u deze vragen apart van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Nieuwe klap voor boeren: grond onder hun voeten vandaan’ |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nieuwe klap voor boeren: grond onder hun voeten vandaan»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Klopt het dat Staatsbosbeheer recent een brief heeft gestuurd aan natuurbeherende boeren dat hun pachtovereenkomst, als deze per 1 januari 2024 eindigt, mogelijk niet wordt verlengd? Klopt het dat dit geldt voor ongeveer 550 boeren?
Staatsbosbeheer geeft (natuur)gronden in gebruik aan agrarische ondernemers door middel van verpachting. Het klopt dat Staatsbosbeheer een brief heeft gestuurd aan deze agrarische ondernemers dat hun pachtovereenkomst, als deze per 1 januari 2024 eindigt, niet automatisch kan worden verlengd. Als overheidsorganisatie mag Staatsbosbeheer sinds het zogeheten Didam-arrest namelijk niet langer gronden onderhands in gebruik geven aan haar pachters. Staatsbosbeheer geeft ongeveer 40.000 ha van haar areaal uit in geliberaliseerde pacht (< 6 jaar volgens titel 7.5 artikel 397 lid 1 van het BW). Dit betreft circa 3.000 pachters. Deze pachters maken deel uit van verschillende agrarische sectoren, zoals biologische boeren en landschapsboeren. De pachtovereenkomsten eindigen niet allemaal tegelijk. Jaarlijks eindigen er 500–600 pachtovereenkomsten.
Klopt het dat pachtovereenkomsten tot nu toe altijd stilzwijgend werden verlengd? Waarom zijn deze boeren hier zo laat over geïnformeerd dat dit nu niet zo is?
Het gaat in deze kwestie om pachtovereenkomsten die na een looptijd van maximaal 6 jaar definitief eindigen en dus niet (stilzwijgend) verlengd kunnen worden. Pachters kregen voorheen na het verlopen van de overeengekomen pachttermijn veelal onderhands een nieuwe pachtovereenkomst aangeboden. Na het Didam-arrest was ook Staatsbosbeheer genoodzaakt deze werkwijze te herzien, wat heeft geresulteerd in een nieuwe, openbare pachtprocedure. Deze procedure is in september 2023 door Staatsbosbeheer vastgesteld, waarna pachters hierover per brief zijn geïnformeerd. Wanneer Staatsbosbeheer in de periode voorafgaand aan de brief gesprekken voerde met pachters, is aandacht gevraagd voor de aankomende wijziging. Zulke gesprekken hebben echter niet met alle pachters plaatsgevonden, gelet op de grote hoeveelheid pachters en de beperkte tijd die beschikbaar was. Daarnaast zijn stakeholders, zoals LTO Nederland en de provincies, geïnformeerd. De formele kennisgeving met de pachter-specifieke informatie wat dit voor hun eigen contractsituatie zou betekenen, was pas mogelijk na de vaststelling van de nieuwe pachtprocedure in september. Ik heb er begrip voor dat het voor de pachters prettiger zou zijn geweest wanneer dit eerder had kunnen gebeuren.
Hoe ziet de nieuwe wijze van verpachten door Staatsbosbeheer eruit? Wat zijn de voorwaarden voor dit puntensysteem?
Staatsbosbeheer heeft de afgelopen jaren ingezet op duurzame ingebruikgeving (DIG) van zijn gronden. De basis voor de kwaliteit van de ingebruikgeving wordt gevormd door de voorwaarden in de pachtovereenkomst, waarbij de natuurdoelen in stand worden gehouden. Staatsbosbeheer zoekt naar intrinsiek gemotiveerde pachters die de natuurgronden in gebruik willen nemen en daar zijn toelatingscriteria en vergelijkingscriteria (de zogenaamde inschrijfvoorwaarden en gunningscriteria) voor opgesteld. De criteria zijn objectief, toetsbaar en redelijk, zoals ervaring hebben met het in gebruik hebben van natuurgrond/agrarische gronden met natuurdoelen, keurmerken zoals SKAL, het hebben van een GLB brons/zilver/goud label en de nabijheid van het bedrijf van de inschrijvende partij tot de pachtgrond. Met de gestelde criteria beoogt Staatsbosbeheer niet alleen te selecteren op prijs, maar ook een pachter te selecteren die ervaring met en kennis heeft van het gebruik van natuurgronden.
Klopt de uitspraak dat de intensieve melkveehouderij wordt bevoordeeld met de nieuwe systematiek? Deelt u de mening dat dit niet mogelijk zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, die uitspraak klopt niet. Bij het beoordelen van inschrijvingen op pachtpercelen maakt Staatsbosbeheer geen afweging tussen agrarische sectoren, maar wordt enkel geselecteerd op duurzaamheid, kwaliteit en prijs. Dit moet samen met de voorwaarden in het pachtcontract leiden tot het vinden van een pachter die in staat is op een optimale manier het in pacht uit te geven perceel te gebruiken, om de door de provincie gestelde natuurdoelen in stand te houden. De eerste resultaten van inschrijvingen volgens het nieuwe pachtproces laten zien dat de intensieve melkveehouderij niet wordt bevoordeeld met de nieuwe systematiek.
Op welke wijze worden de belangen afgewogen?
Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 5 maakt Staatsbosbeheer bij het beoordelen van inschrijvingen op pachtpercelen geen afweging tussen agrarische sectoren, maar wordt enkel geselecteerd op duurzaamheid, kwaliteit en prijs. Dit moet samen met de voorwaarden in het pachtcontract leiden tot het vinden van een pachter die in staat is op een optimale manier het in pacht uit te geven perceel te gebruiken, om de door de provincie gestelde natuurdoelen in stand te houden.
Op welke wijze wordt de afweging gemaakt tussen het voortbestaan van natuurbeherende boeren en het scherper sturen op natuurdoelen?
Staatsbosbeheer werkt graag samen met pachters die een duurzame bedrijfsvoering nastreven. Dit is meegenomen bij de inschrijfvoorwaarden en gunningscriteria. Met het voor pacht ter beschikking stellen van gronden en de specifiek daarvoor geldende pachtvoorwaarden biedt Staatsbosbeheer mogelijkheden voor meer natuurinclusieve bedrijfsvoering door boeren. Het voortbestaan van boeren en het scherper sturen op natuurdoelen gaan in die zin hand in hand. Staatsbosbeheer heeft echter geen taak om sectoren of specifieke, individuele boerenbedrijven te faciliteren – hetgeen bovendien in strijd zou zijn met het Didam-arrest.
Wordt bestaande natuurbeherende boeren ook mogelijkheden geboden om de grond te blijven pachten én scherper te sturen op natuurdoelen?
Ja. Alle pachters van Staatsbosbeheer hebben de mogelijkheid om mee te dingen naar pachtgrond, niet alleen hun huidige pachtgrond, maar ook pachtgrond elders. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 4 maken duurzaamheids- en natuurdoelstellingen onderdeel uit van de voorwaarden en de gunningscriteria van het nieuwe stelsel. Hiermee beoogt Staatsbosbeheer niet alleen te selecteren op prijs, maar ook een pachter te selecteren die ervaring met en kennis heeft van het gebruik van natuurgronden.
De gevolgen van de korting op het tongquotum |
|
André Flach (SGP) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de grote onvrede in de visserijsector over verloop van het overleg tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk over onder meer het tongquotum?1
Ja, ik heb kennis genomen van de zorgen die leven onder de visserijsector. In mijn contacten met de sector en in de bestuurlijk overleggen (BO’s) van 19 december 2023 en 25 januari jongstleden zijn deze zorgen aan de orde gekomen.
Is de hoge korting op het tongquotum door Nederland in de overleggen met de Europese Commissie en het Verenigd Koninkrijk geagendeerd als apart bespreekpunt? Zo nee, waarom niet?
De Europese Commissie voert namens de EU-lidstaten de bilaterale onderhandelingen tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk. Nederland zit zodoende als lidstaat niet aan de onderhandelingstafel met het Verenigd Koninkrijk. Ook in de Landbouw- en Visserijraad is dit geen apart agendapunt maar onderdeel van de bespreking van de voortgang van de onderhandelingen in kader van de vangstmogelijkheden. Wel heb ik in Landbouw- en Visserijraden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1582 en kenmerk 2023Z20651) en overleggen met de Europese Commissie (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1602) de hoge korting op de vangstmogelijkheden voor tong meermaals onder de aandacht gebracht en mijn zorgen over de sociaaleconomische gevolgen hiervan aangekaart. Ook heb ik bij de vaststelling Verordening Vangstmogelijkheden 2024 voor de Atlantische Oceaan en Noordzee een verklaring afgegeven over de sociaaleconomische gevolgen van de overeengekomen vangstmogelijkheden voor tong (kenmerk 2023Z20651).
Kunt u een inschatting geven van de sociaaleconomische gevolgen van de afgesproken korting van 60 procent op het quotum voor de tongvisserij op de Noordzee?
De uiteindelijke effecten zijn van meerdere factoren afhankelijk. Zo is het afhankelijk van hoe hoog de uiteindelijke vangstmogelijkheden gaan zijn zoals ook aangegeven in het verslag van de Landbouw en Visserijraad van december (kenmerk 2023Z20651) maar zal het effect ook verschillen tussen individuele vissers. In het BO van 19 december jl. heb ik richting de sector aangegeven dat ik de komende tijd meer duidelijkheid wil krijgen over deze effecten. Naar aanleiding van het bestuurlijk overleg van 25 januari jl. is naar voren gekomen dat er nog aanvullende vragen aan Wageningen Economic Research (WEcR) gesteld zullen worden om meer inzicht te krijgen in de bedrijfseconomische ontwikkelingen en toekomstperspectief.
Deelt u de analyse dat de genoemde korting, naast de saneringsregeling, het einde van nog meer visserijbedrijven zal betekenen?
Het is niet mogelijk om de gevolgen van de hoge korting inzichtelijk te maken voor individuele vissers. Dit is bijvoorbeeld mede afhankelijk van het aandeel contingenten wat een visser in zijn bezit heeft. Zoals aangegeven in het verslag van de Landbouw en Visserijraad van december (kenmerk 2023Z20651) blijf ik met de sector in gesprek over de gevolgen van deze afgenomen vangstmogelijkheden. Tevens laat ik WEcR verder analyse doen naar de gevolgen. Wanneer dit rapport wordt opgeleverd, zal ik de Kamer hier verder over informeren.
Wordt ervoor gezorgd dat nog voor 2024 de quota van gesaneerde kotters ter beschikking worden gesteld aan actieve visserijbedrijven? Kunt u een indicatie geven van de omvang hiervan?
Zoals aangegeven in de brief van 22 juli (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1455) zullen de vangstmogelijkheden van de vrijgekomen contingenten van de gesaneerde vaartuigen in 2024 beschikbaar gesteld worden voor de overgebleven vissers, waaronder de tongvissers. Deze vangstmogelijkheden worden in 2024 in beheer gegeven aan de producentenorganisaties (PO’s) op basis van hun vangsten in 2023. Voor tong betreft dit circa 24% van de totale te gecontingenteerde hoeveelheid. Het is aan de PO’s om vervolgens de vrijgekomen vangstmogelijkheden te verdelen over hun leden. Op deze manier wil ik er voor zorgen dat er geen vangstmogelijkheden ongebruikt blijven. Momenteel lopen nog juridische bezwaarprocedures over een aantal vervallen contingenten. Desondanks worden deze vangstmogelijkheden wel in beheer gegeven van de PO’s overeenkomstig met de uitvoeringsregeling en kunnen verdeeld worden door de PO’s over hun leden. Zowel de sector als ik hebben in het gesprek gedeeld dat het van belang is dat deze contingenten ter beschikking komen aan actieve vissers. Vanuit de PO’s zal hierin een gezamenlijke lijn worden opgesteld hoe hier invulling aan te geven. Tijdens het BO van 25 januari jl. heeft de sector hun voorstel voor de verdeling van de gesaneerde contigenten met mij besproken. Ik blijf met de sector in gesprek om te waarborgen dat deze ter beschikking komen van de actieve vissers.
Welke mogelijkheden ziet u binnen de bestaande stillig- en liquiditeitsregeling en daarbuiten voor financiële ruggensteun voor visserijbedrijven om 2024 te overbruggen?
De subsidiabiliteitsperiode van de Brexit Adjustment Reserve (BAR) loopt af op 31 december 2023. Alle subsidies moeten zijn uitgekeerd voor 31 december 2023 om nog gefinancierd te kunnen worden onder de BAR. Een uitbreiding van de huidige stillig- en liquiditeitsregeling is daarmee geen optie. De staatssteunkaders voor visserij en aquacultuur bieden op dit vlak weinig ruimte voor een snel te realiseren regeling voor financiële ruggensteun. Er zijn een aantal opties voor zo’n regeling, te weten: de-minimisregeling, vrijstellingsverordening, EMFAF en notificeren. De route van een de-minimisregeling kan maar eens per drie jaar worden ingezet en is afgelopen voorjaar gebruikt voor de overbruggingsregeling. Onder de BAR zijn de stillig- en liquiditeitsregeling ingericht, maar deze regelingen zijn genotificeerd bij de Europese Commissie. Dit proces kan tot anderhalf jaar duren en biedt daarmee dus geen soelaas. De vrijstellingsverordening biedt geen ruimte voor een stilligregeling. De enige optie die overblijft is een stilligregeling onder het EMFAF, maar die is aan strenge voorwaarden verbonden. Het is op dit moment nog niet duidelijk of de huidige situatie voldoet aan deze strenge voorwaarden. Daarbij wil ik benadrukken dat de wenselijkheid van financiële ruggensteun voor mij afhankelijk is van een duidelijker beeld van de sociaal economische effecten van de vastgestelde vangstmogelijkheden voor tong.
Wordt eventueel ongebruikt budget voor de saneringsregeling visserij verschoven naar de stillig- en liquiditeitsregeling?
Ja, dit is al gebeurd. De stilligregeling is tweemaal opgehoogd vanuit ongebruikt budget van de saneringsregeling. Alle aanvragers die in aanmerking kwamen voor de stillig- of liquiditeitsregeling en aan de voorwaarden voldoen zijn hiermee geholpen.
Gaat u ervoor zorgen dat uitgebreid nader onderzoek wordt gedaan naar de oorzaken van de veronderstelde achteruitgang van het tongbestand en de huidige onzekerheden in International Council for the Exploration of the Sea (ICES)-modellen?2
Begin 2024 zal ICES het model achter het advies evalueren en waar nodig herzien op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten. Ik heb geen invloed op de inbreng van deze exercitie. Ik heb meermaals het belang van een tijdige afronding van deze benchmark benoemd omdat ik het van belang acht dat de uitkomst meegenomen kan worden in de vangstadviezen voor 2025.De uit te voeren benchmark zal in principe geen herziening van het vangstadvies voor 2024 opleveren.
Kunt u inzicht geven in de onderzoeken die worden gedaan naar de cumulatieve gevolgen van (het bouwen van) windparken op zee voor het ecosysteem van de Noordzee en vispopulaties?
Het Rijk zet via verschillende wegen in op onderzoek naar de ecologische effecten van de uitrol van windenergie op zee (WOZ). Via het Wind op zee ecologisch programma (Wozep) wordt onderzoek gedaan naar de directe impact van WOZ op beschermde soorten zoals zeevogels en bruinvissen, maar ook bredere ecosysteem effecten. Dit gebeurt op cumulatieve schaal, nationale maar ook internationale windparken worden hierin meegenomen. Nederland loopt hierin wereldwijd voorop. Daarnaast kijkt het programma Monitoring-Onderzoek-Natuurversterking-Soortbescherming (MONS) naar de impact van veranderd gebruik op de Noordzee, breder dan alleen de impact van WOZ. Deze onderzoeken zijn op het Noordzeeloket te vinden. Het is goed om hierbij te vermelden dat bovenstaande onderzoeken op dit moment niet commerciële vissoorten betrekken. Ik ben aan het verkennen welke mogelijkheden er zijn om binnen de bestaande onderzoeksprogramma’s aandacht te geven aan commerciële soorten, waaronder de tong.
Wordt er onderzoek gedaan naar de gevolgen van stroomkabels in zee voor de migratie van vis?
Er wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de impact van elektromagnetische velden op vissen. Het betreft hier projecten die kijken naar de impact op kraakbeenvissen en bentische vissen zoals het project Elasmopower en WMR onderzoek naar de effecten van elektromagnetische velden op benthische vissen3. Ook hebben er eerder onderzoeken plaatsgevonden in dit kader zoals het TenneT onderzoek naar de exportkabel van windmolenpark Borssele4 en het monitoringsprogramma naar het Offshore windmolenpark Egmond aan Zee5. Daarnaast is ook onderzoek gedaan naar de effecten van elektromagnetische velden op migratiepatronen van vis6.
Hoe waardeert u de uitspraak van een Wageningen Marine Research (WMR)-onderzoeker dat «als het voorzorgsprincipe serieus gehanteerd zou worden […] er op grond van de Europese Kaderrichtlijn Marien en de resultaten van het laatste Quality Status-rapport van OSPAR geen windmolen meer gebouwd [zou] worden»?3
Bij de uitrol van Wind Op Zee (WOZ) worden zorgvuldig verschillende onderzoeken verricht zoals locatieonderzoek, en vindt toetsing op soorten- en gebiedsbescherming plaats. Het Ministerie van LNV heeft grenzen gesteld aan de impact om het behoud van het ecosysteem te waarborgen. Er zijn nog veel onzekerheden in de impact van WOZ en daarom wordt gewerkt met worst-case scenario’s en modellen om aan de veilige kant te zitten. Hiermee wordt dus wel degelijk gehoor gegeven aan het voorzorgsprincipe. Verschillende belangen worden afgewogen bij het gebruik op de Noordzee, waaronder de ontwikkeling van duurzame energie, noodzakelijk vanwege de klimaatverandering en vermindering van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. Wel ben ik mij er van bewust dat er met deze ontwikkeling een ruimtelijk vraagstuk is ontstaan voor andere gebruikers, zoals vissers. Om deze reden moet het belang van voedselwinning in specifieke gebieden zorgvuldig worden afgewogen tegenover andere belangen. Tot slot wil ik aangeven dat er aanwijzingen zijn dat de uitrol van WOZ ook positieve gevolgen voor het mariene ecosysteem, onder andere voor bodemfauna en vispopulaties, kan brengen. Gezien overig gebruik binnen windparken minder plaatsvindt, fungeren zij als zogenaamde «veilige haven». Dit zijn langlopende onderzoeken in het kader van Monitoring Onderzoek Natuurversterking Soortenbescherming, waar echter nog geen definitief uitsluitsel op is te geven.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het beoordelingskader van ICES voor offshore-wind op ecosystemen en de visserij?
Binnen ICES is er ook aandacht voor effecten van Offshore wind op ecosystemen en visserij. Dit is onder andere belegd in de ICES werkgroep Working Group on Offshore Wind Development and Fisheries. Wageningen Marine Research is hierbij betrokken vanuit Nederland. Ontwikkelingen rondom onderzoek naar een dergelijk beoordelingskader vinden op dit moment plaats.
Het bericht 'Varkensboer die voor miljoenen is uitgekocht, wil op andere plek uitbreiden' |
|
Jan Paternotte (D66) |
|
Christianne van der Wal (minister zonder portefeuille landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (VVD) |
|
![]() |
Wat vindt u van de in het artikel beschreven situatie, waarbij een uitgekochte varkenshouder elders zijn bedrijf uitbreidt?1
De varkenshouder waar het artikel betrekking op heeft, heeft gebruikgemaakt van de Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden – ook wel bekend als Maatregel gerichte aankoop (hierna: MGA) – om een veehouderijlocatie te beëindigen. Op grond van een voorwaarde uit de MGA mag een deelnemer niet elders in Nederland een veehouderij vestigen of overnemen, ook niet via een deelneming van de veehouder in een vennootschap, samenwerkingsverband of anderszins (het zogenoemde doorstartverbod). Een veehouder mag een bestaande veehouderijlocatie, die op het moment van aanvraag van de MGA al op zijn naam stond, voortzetten en, binnen de bestaande wettelijke kaders, uitbreiden.
Op grond van aan mij door provincie Noord-Brabant verstrekte informatie breidt de stoppende varkenshouder uit het artikel zijn bedrijf niet elders uit maar betreft de uitbreiding een ander bedrijf, namelijk het bedrijf van zijn broer, waar de stoppende varkenshouder bedrijfsmatig niet bij betrokken is.
In hoeverre geldt voor de landelijke opkoopregelingen dat de in Brabant ontstane situatie, waarbij een uitgekochte ondernemer elders een (familie-)bedrijf uitbreidt, kan worden voorkomen?
Net als in de MGA is ook in de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) en de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv) een doorstartverbod als voorwaarde verbonden aan subsidieverstrekking. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven mag een veehouder een bestaande locatie voortzetten en uitbreiden, mits deze locatie al op het moment van subsidieaanvraag op zijn of haar naam stond (of de betreffende veehouder al deelnemer was in de vennootschap, het samenwerkingsverband of anderszins).
Indien uw inschatting is dat een dergelijke situatie zich ook kan voordoen rondom de landelijke opkoopregelingen, deelt u dan de mening dat dit zeer onwenselijk is omdat publiek geld dan kan worden gebruikt voor het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten?
Het doorstartverbod vloeit voort uit het Europese steunkader, waar de landelijke beëindigingsregelingen door de Europese Commissie aan getoetst zijn. Deze regelingen laten ruimte voor het voortzetten van de bedrijfsactiviteiten in bepaalde gevallen, in het bijzonder op een andere bestaande locatie, zoals aangeduid in het antwoord op vraag 2. De regelingen bieden een subsidie voor veehouders die een locatie van hun bedrijf beëindigen maar bevatten geen voorschriften voor de concrete aanwending van die subsidie. De subsidie kan bijvoorbeeld worden aangewend voor het aflossen van een lening, maar ook voor investeringen in een ander bedrijf of voor de uitbreiding van een andere bestaande locatie voor zover dat is toegestaan binnen de regeling.
Daarbij heeft de veehouder ook de mogelijkheid om gebruik te maken van de latente ruimte binnen de voor die bestaande locatie aanwezige vergunning. Om uit te kunnen breiden, is echter meer nodig dan alleen de juiste vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Zo dient een veehouder te beschikken over voldoende productierecht voor melkvee, varkens en/of pluimvee en kan er in bepaalde gevallen ook een milieuvergunning/omgevingsvergunning nodig zijn om een uitbreiding mogelijk te maken. Voor de productierechten geldt dat wanneer een ondernemer gebruik maakt van een stoppersregeling, het merendeel van de productierechten wordt doorgehaald. Als een ondernemer dus besluit locatie A te beëindigingen via een beëindigingsregeling en locatie B wil uitbreiden, zal hij of zij productierechten van een andere ondernemer moeten overnemen (die bijvoorbeeld krimpt). Dankzij deze subsidievereisten daalt met de beëindigingsregelingen het aantal productierechten dat in Nederland beschikbaar is voor het houden van melkvee, varkens en pluimvee en wordt daarmee geborgd dat er sprake is van een blijvende daling van de stikstofdepositie.
In hoeverre geldt dat een ondernemer niet elders een soortgelijk bedrijf begint (het «beroepsverbod»), een voorwaarde die voortvloeit uit de Europese voorwaarden voor staatssteun waar de opkoopregelingen onder vallen wanneer er sprake is van een reeds afgegeven vergunning voor een bedrijf elders, zoals het geval is in Brabant?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 gold in de MGA als voorwaarde voor een aankoop dat de uitgekochte veehouder niet elders in Nederland een veehouderij mag vestigen of overnemen.
Ook bij de Lbv-plus en de Lbv is sprake van een verbod voor deelnemers aan deze regelingen om elders dezelfde activiteit te starten door een veehouderijlocatie te vestigen of over te nemen. De reikwijdte van dat verbod is expliciet vermeld in de toelichtingen bij de regelingen (paragraaf 5.4.4 en paragraaf 8), zoals die zijn gemeld bij en goedgekeurd door de Europese Commissie. Zoals ook aangegeven in voorgaande antwoorden kunnen deelnemers dus hun bedrijf op andere bestaande locaties voortzetten. Die voortzetting is naar zijn aard afhankelijk van de mogelijkheden die de vergunningen van betrokkene daarvoor bieden.
Vindt u het nodig om bij het vervolg van de landelijke opkoopregelingen ook oog te hebben voor reeds afgegeven vergunningen, waarmee het mogelijk is om de bedrijfsvoering op die andere vergunning toch voort te zetten?
De landelijke beëindigingsregeling hebben tot doel de stikstofdepositie die door individuele veehouderijlocaties wordt veroorzaakt op overbelaste en voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden te beëindigen. Het aangrijpingspunt van de landelijke beëindigingsregeling is daarmee de individuele veehouderijlocatie. De voorwaarden voor subsidieverstrekking (criteria, vereisten en vergoedingen) zien om die reden uitsluitend op de veehouderijlocatie waarvoor subsidie wordt verleend, niet op andere veehouderijlocaties die tot dezelfde onderneming behoren. Daarmee zou zich immers de situatie kunnen voordoen dat ook eisen worden gesteld aan een veehouderijlocatie die buiten de doelgroep van de betreffende regeling valt.
Hoe verhoudt het potentieel aan stikstofreductie door de opkoopregelingen zich tot het totaal aan ongebruikte vergunde stikstofruimte in Nederland?
Er is geen compleet beeld van latente ruimte in natuurvergunningen. Zoals eerder aan uw Kamer aangegeven bij de beantwoording van Kamervragen van het lid Omtzigt (De Groep-lid Omtzigt) (Kamerstuk 2022–2023 Aanhangsel 1670) schat ik, op basis van een door onderzoeksbureau Sweco uitgevoerde desk research, de omvang van latente ruimte in de agrarische sector in tussen de 25% en 40% van de verleende natuurvergunningen.
Ingebruikname van latente ruimte is onwenselijk, omdat het een risico kan vormen voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Een veehouder heeft echter meer nodig dan alleen ruimte in zijn natuurvergunning om te komen tot een uitbreiding op een locatie. Zo dient een veehouder te beschikken over voldoende productierecht voor melkvee, varkens en/of pluimvee en kan er in bepaalde gevallen ook een milieuvergunning («omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit») nodig zijn om een uitbreiding mogelijk te maken.
Ik onderken het risico van ingebruikname van latente ruimte voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Daarom heb ik in de Kamerbrief van 25 november 2022 de aanpak van latente ruimte aangekondigd, onder meer door herinvoering van een natuurvergunningplicht voor intern salderen. Begin 2023 heb ik daartoe een conceptwetsvoorstel in consultatie gebracht. Dat voorstel bevatte ook de in het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte IV aangekondigde aanscherping van de stikstofdoelen.2 In oktober 2023 heeft het lid Akerboom een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht om, indien de wetswijziging voor de aanscherping van de stikstofdoelen niet bij de Tweede Kamer wordt ingediend, het onderdeel voor de herintroductie van de vergunningplicht voor intern salderen wel zo snel mogelijk voor te leggen aan de Raad van State en vervolgens naar de Kamer te sturen.3 Deze motie is door de Kamer verworpen.4 Los daarvan geven de reacties uit de internetconsultatie aanleiding om te bezien welk instrument het beste aansluit bij het doel om grip te krijgen op latente ruimte en zekerheid bij natuurvergunningen. Daarbij kijk ik ook naar eventuele alternatieven voor de vergunningplicht. Ik wil de keuzes die hierover gemaakt kunnen worden, overlaten aan een volgend kabinet.
Het is nog te vroeg om een prognose te geven van de reductie van de ammoniakemissie en stikstofdepositie die met de Lbv en Lbv-plus gerealiseerd kan worden. Pas op het moment dat meer zekerheid bestaat over het aantal en het soort veehouderijlocaties (zoals ligging ten opzichte van overbelaste en voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, sector en omvang) dat daadwerkelijk overgaat tot definitieve en onherroepelijke beëindiging is het mogelijk om tot een onderbouwde prognose te komen.
Verwacht u dat met het huidige openstellingsbudget alle geïnteresseerde ondernemers zouden kunnen worden uitgekocht? Zo nee, hoe veel meer budget is daarvoor nodig in 2024?
De interesse voor de vrijwillige beëindigingsregelingen Lbv en Lbv-plus is groot. Om alle aanvragen die aan de voorwaarden voldoen te kunnen honoreren zijn extra middelen nodig. Ik maak me sterk voor het vinden van deze middelen. Ik zal uw Kamer op korte termijn nader informeren.
De mestderogatie |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
In de derogatiebeschikking is duidelijk opgenomen dat u per 1-1-2024 de nutriënten verontreinigde (NV)-gebieden moet hebben aangewezen. Erkent u dat u een serieus risico op Brussels ingrijpen neemt door deze gebieden nog niet te hebben aangewezen?
Erkent u dat u veehouders hiermee onnodig lang in onzekerheid houdt en mogelijk opzadelt met onnodig hoge kosten wanneer Brussel zelf de regie neemt? Zo ja, wat is uw beleid om veehouders vertrouwen te geven?
Met de bekendmaking van de regeling is voor landbouwers duidelijk welke nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden) zijn aangewezen. Hiermee implementeer ik de voorwaarden vanuit de derogatiebeschikking tijdig voor 1 januari 2024.
Het proces om te komen tot de (door mij gewenste gedetailleerde) aanwijzing van NV-gebieden vergde tijd, mede i.v.m. het noodzakelijke overleg met de Europese Commissie. Juist ook vanwege de ingrijpendheid van de maatregelen die gelden voor NV-gebieden wilde ik dat we de gebieden zo gedetailleerd mogelijk konden aanwijzen, zodat de gebieden worden aangewezen waar de maatregelen door de agrariërs ook echt nodig zijn en effect hebben.
Ik realiseer me dat de maatregelen een grote impact hebben op de agrarische bedrijfspraktijk. Vanwege die ingrijpendheid zal ik de agrariërs in de NV-gebieden helpen om er zo snel mogelijk voor te zorgen dat de waterkwaliteit in deze gebieden op orde komt. Dit wil ik doen met advies van de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet en het ophalen van best practices in de praktijk en bij waterschappen. Vervolgens zal ik actief de boeren in deze gebieden hierover informeren.
Bent u bereid om de bufferzones rond Natura 2000-gebieden, die u per 1-1-2024 moet toepassen, te baseren op maatwerk waarbij u zich vanuit het oogpunt van doeltreffendheid enkel focust op habitattypen waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden en niet op gehele Natura 2000-gebieden?
Met de aanwijzing van de derogatievrije zones rond Natura 2000-gebieden geef ik uitvoering aan de voorwaarde in de derogatiebeschikking, dat met ingang van 1 januari 2024 ook geen derogatievergunning meer mag worden verstrekt voor percelen die binnen een bufferzone liggen rondom de grens van een Natura 2000-gebied waar de kritische stikstofbelasting voor stikstofdepositie wordt overschreden. De voorwaarde uit de derogatiebeschikking ziet dus op het hele Natura 2000-gebied waar de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden. De derogatiebeschikking biedt geen ruimte om hiervan af te wijken door enkel te focussen op habitattypen in het Natura 2000-gebied waar de kritische depositiewaarde (KDW) wordt overschreden.
Op basis van een advies van Wageningen Environmental Research (WEnR) heb ik een zone vastgesteld rondom de Natura 2000-gebieden waar de KDW wordt overschreden. De Natura 2000-gebieden die het betreft zijn opgenomen in bijlage 5 van mijn Kamerbrief van 5 december over de voortgang implementatie derogatiebeschikking mest en implementatie van met nutriënten-verontreinigde gebieden (Kamerstuk 33 037, nr. 521) en in bijlage II bij de op 19 december gepubliceerde regeling (Stcrt. 2023, 34882).
Welke maatregelen treft u om de mestexcretie in 2025 zoveel mogelijk in overeenstemming te laten zijn met het dan geldende excretieplafond? Bent u bereid om hierbij alles in het werk te stellen om een generieke korting te voorkomen en om bedrijven die door willen te ontzien?
De maatregelen die ik nu reeds genomen heb – voorlopig afzien van het actualiseren van de excretieforfaits voor melkvee en voorlopig afzien van het openstellen van de fosfaatbank – richten zich op het voorkomen dat de mestproductie toe kan nemen. Dit is een eerste stap om de mestproductie in 2025 zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met het dan geldende nationale mestproductieplafond. Het effect van deze maatregelen en de resultaten van de Lbv en Lbv-plus op het doelbereik zullen door mij gemonitord worden en zo nodig zullen extra aanvullende maatregelen getroffen moeten worden. Over deze extra aanvullende maatregelen, zoals de mate van verhoging van het afromingspercentage bij overdracht van fosfaatrechten, ga ik het gesprek aan met sectorpartijen. Insteek daarbij is het voorkomen van een generieke korting op fosfaatrechten om te voldoen aan de mestproductieplafonds uit de derogatiebeschikking. Voorts verwijs is u naar mijn brief van 5 december jl. over dit onderwerp.
Bent u zich ervan bewust dat de afbouw/verlies van derogatie voor de veehouderij met bijbehorende gevolgen ertoe leidt dat komend jaar gezinsbedrijven acuut in financiële problemen komen?
Ik ben mij ervan bewust dat de derogatiebeschikking een grote impact heeft op de agrarische sector en op individuele bedrijven (zie ook mijn brief aan de Tweede Kamer van 28 september 2022 (Kamerstuk 33 037, nr. 480)). Daarnaast heeft het koude en natte voorjaar geleid tot minder afzetmogelijkheden voor dierlijke mest en een toename van de mestafzetkosten. Ter uitvoering van de moties van de leden Van Campen c.s. en Boswijk c.s. (Kamerstukken 33 037, nr. 468 en nr. 469) heb ik Wageningen Economic Research (WEcR) opdracht gegeven de economische effecten van de maatregelen uit de derogatiebeschikking voor verschillende typen melkveebedrijven in beeld te brengen. Ik streef ernaar dit onderzoek medio januari 2024 naar de Tweede Kamer te sturen.
Kunt u aangeven wat de additionele kosten zijn voor een doorsnee melkveehouder die het gevolg zijn van de afbouw/verlies van derogatie in combinatie met het verlies aan grond door het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) (bufferstroken)?
De additionele kosten voor mestafzet ten gevolge van de derogatiebeschikking zullen sterk uiteenlopen per melkveebedrijf. Deze zijn onder andere afhankelijk van de bedrijfsstructuur, het management en de regio waar het bedrijf zich bevindt. Ik verwijs u naar het onderzoek genoemd in het antwoord op vraag 5, dat ik naar verwachting medio januari 2024 naar de Tweede Kamer zal sturen.
Erkent u dat de huidige financiële situatie van veehouderijbedrijven, mede veroorzaakt door de afbouw/verlies van derogatie, ertoe leidt dat deze bedrijven geen financiële slagkracht meer overhouden om de door de overheid beoogde transitie in te zetten? Zo ja, wat gaat u voor deze bedrijven doen?
Zoals ik eerder heb aangegeven (Kamerstuk 30 252, nr. 77) is het verdienvermogen van agrarische ondernemers een cruciale factor voor het laten slagen van de transitie naar een duurzame landbouw. Ter uitvoering van ook de motie van de leden Thijssen en Bromet (Kamerstuk 36 200, nr. 38), heb ik het in het antwoord op vraag 5 genoemde onderzoek door WEcR uitgezet naar de economische en milieueffecten van mogelijke maatregelpakketten die inspelen op de beleidsopgaven voor natuur, klimaat en waterkwaliteit en op mogelijke transitiepaden. Vervolgens wordt nagegaan welk type ondersteunende instrumenten vanuit markt en overheid potentie hebben om de landbouwbedrijven in de transitie te ondersteunen. Ik streef ernaar dit onderzoek medio januari 2024 naar de Tweede Kamer te sturen. Het is ter overweging aan het volgende Kabinet of, en zo ja, welke maatregelen getroffen moeten worden.
Bent u zich er van bewust dat de huidige situatie op de mestmarkt als gevolg van de afbouw van derogatie in combinatie met overige factoren als oplopende rentestanden ertoe leidt dat vooral jonge ondernemers financieel naar de afgrond worden gedrukt en hiermee onze toekomstige voedselmakers en beheerders van het landschap worden verloren? Wat gaat u hieraan doen?
Ik vind het belangrijk dat jonge ondernemers behouden blijven in de agrarische sector. Ik zet mij in voor jonge boeren, onder andere met de jonge boerenregeling en ook fiscaal wordt bedrijfsoverdracht gefaciliteerd. Tegelijkertijd heb ik geen mogelijkheden om bepaalde algemene bedrijfsomstandigheden, zoals verhoging van de mestafzetkosten, te veranderen voor specifieke doelgroepen, zoals jonge boeren. Ik ben wel voornemens om in 2024 het steuninstrument vestigingssteun jonge landbouwers open te stellen. Hiervoor wordt vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 25.000 euro per jonge landbouwer gefinancierd. In mijn Kamerbrief van september (Kamerstuk 30 252, nr. 128) heb ik de Kamer geïnformeerd om 100 miljoen euro aan het steuninstrument toe te voegen.
Deelt u de mening dat de huidige afbouw/verlies van derogatie te snel gaat ten opzichte van de gehele transitie van de landbouw waardoor er nu bedrijven op «omvallen» staan?
Nederland heeft sinds 2006 een derogatie op de Nitraatrichtlijn verkregen. Bij het opnieuw verlenen van de derogatie werden daar steeds meer voorwaarden aan verbonden, omdat de waterkwaliteit in Nederland onvoldoende verbeterde. Hoewel het kabinet zich tot het uiterste heeft ingespannen voor het verkrijgen van een volledige nieuwe derogatie, heeft de Europese Commissie in de derogatiebeschikking voor de periode 2022–2025 een afbouwpad van de derogatie opgenomen en aan deze afbouwende derogatie strenge voorwaarden verbonden. Ik ben mij bewust van het korte tijdpad waarmee bedrijven geconfronteerd worden en de impact hiervan op de bedrijfsvoering.
Bent u bereid om alles in het werk te stellen om de daling van de gebruiksnorm voor N-dierlijk minder snel te laten dalen zodat er een transitiepad met perspectief ontstaat voor de agrarische sector?
Zowel het afbouwpad voor dierlijke mest als de korting op de totale stikstofgebruiksnorm in NV-gebieden die in de beschikking zijn opgenomen zijn bindend, ik zie geen ruimte om daarvan af te wijken.
Bent u bereid om de subsidiebedragen van de regeling «subsidie behoud graslandareaal» te herzien in het licht van de explosief gestegen mestafvoertarieven? En bent u bereid om in de berekening van het subsidiebedrag per tien kilogram stikstof uit te gaan van het actuele wettelijke forfaitaire stikstofgehalte van rundveedrijfmest in plaats van het oude forfait?
Ik ben mij ervan bewust dat de kosten voor het afzetten van dierlijke mest zijn gestegen vanwege de afname van de mestplaatsingsruimte. De Subsidieregeling behoud grasland is bedoeld als tegemoetkoming in een deel van de extra kosten die derogatiebedrijven moeten maken als gevolg van de afbouw van de derogatie en is erop gericht landbouwers te stimuleren derogatie aan te vragen om daarmee het graslandareaal van deze bedrijven te behouden. In de regeling wordt uitgegaan van een forfaitaire vergoeding van twintig euro per tien kg stikstof uit dierlijke mest per hectare terugval in de mestplaatsingsruimte. De berekening van deze vergoeding is gebaseerd op informatie van WEcR over mestafzetprijzen uit het bedrijveninformatienet (BIN) van 2020. Hierbij is rekening gehouden met het stikstofgehalte in een ton melkveemest zoals vastgesteld door de Werkgroep Uniformering berekening Mest en mineralencijfers (WUM). Op dit moment zie ik binnen het beschikbare budget voor de regeling (ca. 130 miljoen euro) en binnen de kaders van de Europese de-minimissteunvoorwaarden geen ruimte om de subsidiebedragen te verhogen, ondanks de toegenomen kosten voor mestafzet.
Bent u ermee eens dat de strikte definitie van het «geen aanspraak kunnen maken op een derogatievergunning» als uitsluitingsgrond binnen de regeling «subsidie behoud graslandareaal» onevenredig is voor bedrijven waarbij slechts een klein percentage van het areaal buiten Natura 2000-gebied of een waterwingebied ligt? Bent u bereid dit te herzien?
Ook bedrijven die een klein percentage van het areaal buiten een Natura 2000-gebied, een derogatievrije zone rondom een Natura 2000-gebied of een grondwaterbeschermingsgebied hebben liggen, kunnen onder voorwaarden voor de subsidie in aanmerking komen. Om hiervoor in het kalenderjaar 2024 in aanmerking te komen, moeten zij in 2021 of 2022 en ook in 2023 een derogatievergunning hebben gehad en opnieuw derogatie aanvragen en verkrijgen. De subsidie die een landbouwer ontvangt is afhankelijk van de mate van terugval in de mestplaatsingsruimte door afname van de derogatienorm en het aantal hectare dat in feitelijk gebruik is bij het bedrijf. Deze bedrijven ontvangen daarom voor de percelen in Natura 2000-gebied, derogatievrije zone rondom een Natura 2000-gebied of een grondwaterbeschermingsgebied een hogere vergoeding.
Erkent u dat het toekomstperspectief in de melkveehouderij voor een belangrijk deel afhankelijk is van de investeringen die gedaan kunnen worden in innovaties en de inzet van extra grond? Zo ja, ziet u mogelijkheden om extra investeringen mogelijk te maken binnen de komende begrotingsstaat Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)?
Naast investeringen in innovaties, waarvan de werkzaamheid en de milieu-impact kan worden geborgd, zijn langjarige vergoedingen voor ecosysteemdiensten en verlaging van de grondkosten belangrijk voor het toekomstperspectief van melkveebedrijven. Zoals u hebt kunnen lezen werden juist in het landbouwakkoord hierover afspraken gemaakt. Het is nu aan het volgende kabinet om te overwegen of er aanvullend op de LNV-begroting maatregelen moeten worden genomen.
Bent u het ermee eens dat mede door overheidsingrijpen de melkveehouderijsector de laatste acht jaar veel heeft moeten inleveren, zoals de generieke korting van 8,3 procent, de afbouw van de derogatie en de introductie van de bufferstroken en dat mede hierdoor het toekomstperspectief zwaar onder druk staat?
Ik ben mij ervan bewust dat de impact van overheidsingrijpen omwille van Europese kaders en natuur- en milieudoelen (waaronder waterkwaliteit) groot is op het boerenerf. Ten aanzien van het toekomstperspectief van melkveebedrijven verwijs ik naar mijn antwoord op voorgaande vragen.
Bent u bereid om het de hoeveelheid stikstofbemesting per hectare de komende jaren te verruimen om de sector de gelegenheid te bieden om de aanpassingen in de bedrijfsvoering over een periode van tien jaar te realiseren?
Zoals u terecht opmerkt in vraag 1 en 2 is er een reëel risico op ingrijpen van de Europese Commissie wanneer Nederland zich niet aan de voorwaarden uit de derogatiebeschikking alsmede andere EU-regelgeving houdt. Daar valt ook de 20% verlaging van de stikstofgebruiksnorm onder, die in de NV-gebieden zal plaatsvinden. Ook de gebruiksnorm voor stikstof uit dierlijke mest is gebonden aan Europese kaders (170 kg N/ha/jaar of voor bedrijven met een derogatievergunning in 2024 en 2025 nog de hogere derogatienorm). Ik zie daarnaast geen ruimte om de stikstofgebruiksruimte in andere gebieden te verhogen, omdat de Nitraatrichtlijn ook voorschrijft dat waterverontreiniging door nitraten uit de landbouw dient te worden verminderd en voorkomen. Een toename van de stikstofbemesting boven het huidige niveau is daarmee niet in lijn.
Als blijkt dat er door verouderde gegevens met betrekking tot de bijdrage van de landbouw onterecht gebieden zijn aangewezen als nutriënten-verontreinigd, wanneer herziet u dan deze gebieden?
De aanwijzing van de NV-gebieden geldt in ieder geval voor de duur van de derogatiebeschikking, 2024 en 2025. Deze aanwijzing en daarmee de geldende maatregelen in deze gebieden, staat hiermee vast voor de komende twee jaar. Voorts verwijs ik u naar de gelijktijdig verzonden brief aan uw Kamer naar aanleiding van een verzoek van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over dit onderwerp.
Betekent dit dat wanneer blijkt dat de bijdrage van de landbouw in de actuele cijfers lager blijkt dan 19 procent, de korting van uiteindelijk 20 procent totaal stikstof wordt teruggedraaid?
De aanwijzing van de NV-gebieden geldt in ieder geval voor de duur van de derogatiebeschikking, 2024 en 2025. Deze aanwijzing en daarmee de geldende maatregelen in deze gebieden, staat hiermee vast voor de komende twee jaar. Voorts verwijs ik u naar de gelijktijdig verzonden brief aan uw Kamer naar aanleiding van een verzoek van de vaste commissie voor LNV over dit onderwerp.
Waarom wordt met 19 procent aandeel zonder buitenlandse bronnen gerekend, terwijl het om het totaal van nutriënten in water gaat? Wat zou het percentage drempelwaarde-aandeel zijn als de overige bronnen wel worden meegerekend?
Het percentage drempelwaarde-aandeel van de landbouw is in de derogatiebeschikking vastgesteld op 19%, hiervan kan niet worden afgeweken. Om alle agrariërs in Nederland op dit punt gelijkwaardig te behandelen, is de buitenlandse belasting – evenals de inlaat vanuit Rijkswateren – bij de bepaling van de bijdrage van de landbouw in de verontreiniging van het oppervlaktewater niet meegewogen in de totaalsom. Ik heb hiertoe in afstemming met de Minister van Infrastructuur en Waterstraat (I&W) besloten.