Aanhoudende problemen met loden leidingen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «gemeente Amsterdam wacht niet meer af en gaat zelf loden leidingen opsporen»?1
Ja.
Kunt u zich vinden in het standpunt van de gemeente Amsterdam dat het tempo van het opsporen en vervangen van loden leidingen veel te laag ligt? Zo nee, waarom niet?
Ik ben blij met de actieve houding van de gemeente Amsterdam om het probleem van de loden leidingen aan te pakken. Dit helpt om eigenaren aan te sporen om hun loden leidingen te saneren. Het is immers aan eigenaren van panden om resterende loden leidingen op te sporen en te vervangen. Huurders kunnen zich daarvoor tot hun verhuurder wenden en indien nodig tot Huurcommissie of rechter. Gemeenten en Rijksvastgoedbedrijf saneren hun eigen bezit. De verhuurderskoepels hebben actie ondernomen richting hun leden.
Recent heb ik alle gemeenten gevraagd om, in navolging van het voorbeeld van Amsterdam, eigenaren en bewoners van panden van voor 1960 actief te benaderen met informatie over de mogelijkheid dat hun panden nog loden leidingen bevatten en hen op te roepen deze te controleren en, zo nodig, te saneren.
In de brief van 2 juli 2020 over acties lood in drinkwater is toegezegd dat de Kamer jaarlijks per gezamenlijke brief wordt gerapporteerd over de ontwikkelingen en de voortgang van saneringen. Ik verwacht u na de zomer in de voortgangsrapportage een eerste beeld te kunnen geven van het tempo van het opsporen en vervangen van loden leidingen en de verdere stand van zaken van de in de brief van 2 juli besproken acties.
Deelt u de mening dat verhuurders verplicht zouden moeten zijn om de aanwezigheid van loden leidingen te melden aan de huidige bewoners? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in de brief van 2 juli vorig jaar heb aangegeven is mijn aanpak erop gericht dat eigenaren en bewoners zich (weer) bewust zijn van de mogelijke aanwezigheid van loden leidingen in panden van voor 1960. Dat voorkomt ook dat zij onbewust vervuild kraanwater drinken. Verhuurders zijn als eigenaren in de eerste plaats verantwoordelijk voor de controle van hun panden. Als zij weten dat er zich nog loden leidingen in het pand bevinden dienen zij hier uiteraard de huurder van op de hoogte te stellen.
De verhuurderskoepels hebben inmiddels actie ondernomen richting hun leden. Bij verhuurders is erop aangedrongen om zich actief op te stellen bij het opsporen en verwijderen van loden leidingen in hun panden en hiertoe ook zelf het initiatief nemen en niet wachten tot ze aangesproken worden door hun huurders. Ik verwacht u hier in de voortgangsrapportage nader over te kunnen informeren.
Wanneer huurders zelf loden leidingen in hun woningen ontdekken kunnen ze daar hun verhuurder op aanspreken.
Wanneer komt u met de resultaten van het onderzoek naar de mogelijkheid om de aanwezigheid van loden leidingen te vermelden in een huurcontract?
IVBN en Vastgoed Belang onderzoeken samen met de Raad voor Onroerende Zaken (ROZ) de mogelijkheid om in het ROZ-model woonruimte bij huurcontracten van woningen gebouwd voor 1960 een bepaling op te nemen waarin de verhuurder verklaart wel of niet bekend te zijn of er loden leidingen aanwezig zijn en zo ja, welke maatregelen en op welke termijn de verhuurder heeft gepland om die te vervangen. Hiermee wordt gewaarborgd dat huurders bij aangaan van het contract worden geïnformeerd over de mogelijke aanwezigheid van lood. Ik kom hierop terug in de jaarlijkse voortgangsrapportage.
Deelt u de mening dat niet alleen in Amsterdam maar overal in Nederland de aanpak van loden leidingen veel te traag verloopt?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Beseft u dat voornamelijk kinderen ernstig ziek kunnen worden door loden leidingen? Beseft u dat er serieuze mentale en fysieke problemen kunnen ontstaan? Waarom doet u daar zo weinig aan?
Water uit loden leidingen is vooral gevaarlijk voor de ontwikkeling van ongeborenen, baby’s en kinderen tot en met 7 jaar. Bij kinderen tot een jaar of 7 is er kans op hersenschade, bij volwassenen kunnen looddeeltjes tot hart- en nieraandoeningen leiden. Ik ben mij zeer bewust van deze risico’s en heb daarom in mijn brief van 2 juli 2020 een groot aantal lopende en geplande acties genoemd die moeten leiden tot het terugdringen hiervan.
Bent u bereid een uiterlijke datum te noemen waarop niemand in Nederland schade meer mag ondervinden van te hoge concentraties lood in water? Zo nee, waarom niet?
Nu al zou niemand meer schade mogen ondervinden van te hoge concentraties lood in drinkwater. Ik streef er dan ook naar dat niemand onbewust water uit loden leidingen drinkt.
Bent u bereid om alsnog een algeheel verbod op loden leidingen in te voeren?
Zoals in de brief van 2 juli 2020 aangegeven zal in de jaarlijkse rapportage over de ontwikkelingen en de voortgang van saneringen de voortgang van de maatregelen worden gevolgd. Mocht blijken dat er onvoldoende voortgang zit in de aanpak van het probleem met het thans beschikbare instrumentarium, dan zal ik zeker overwegen om alsnog een verbod op loden leidingen voor alle woningeigenaren in te stellen.
Ventilatie op scholen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Gaat u, nu de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft erkend1 dat aerosolen een rol spelen bij coronabesmettingen en onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam, Universiteit Twente en de Universiteit van Cambridge oproepen dat er meer rekening moet worden gehouden met aerosolen als besmettingsgevaar bij covid, uw beleid ten aanzien van ventilatie in scholen aanpassen? Zo ja, met welke maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van luchtkwaliteit in schoolgebouwen volg ik de adviezen van het RIVM. Van meet af aan is benadrukt dat goede luchtverversing in schoolgebouwen belangrijk is. Scholen en gemeenten zijn opgeroepen de geldende ventilatieadviezen op te volgen, en indien dit nog niet het geval is, ervoor te zorgen dat hun schoolgebouwen aan de geldende eisen (gaan) voldoen. Met de Specifieke Uitkering Ventilatie in Scholen (SUViS-regeling) hebben scholen de afgelopen periode subsidie kunnen aanvragen voor het nemen van ventilatie-verbeter-maatregelen. Het subsidieplafond van de regeling is bijna bereikt. Ondertussen is een start gemaakt met de vormgeving van de resterende € 260 miljoen.
Hoe kan het dat in augustus 2020 een motie2 van de leden Asscher en Klaver is aangenomen om de ventilatiesystemen op scholen te verbeteren en schoolbesturen nu in april 2021 aangeven dat dit nog steeds niet is gelukt?3 Bent u het ermee eens dat het bizar is dat sommige kinderen de hele herfst- en winterperiode met open ramen les hebben moeten krijgen? Bent u het ermee eens dat dit geen acceptabele arbeidsomstandigheden zijn voor docenten?
In navolging van de motie van de leden Asscher en Klaver is het Landelijk Coördinatieteam Ventilatie in Scholen (LCVS) ingesteld met de opdracht in kaart te brengen hoe de ventilatie in schoolgebouwen in het funderend onderwijs was. Naar aanleiding van de uitkomsten zijn scholen opgeroepen hun ventilatie – daar waar niet wordt voldaan aan de normen – acuut aan te pakken. Ruimte-OK heeft daarvoor een handzame Handreiking Optimaal ventileren in scholen opgesteld en biedt ondersteuning waar dat gevraagd wordt. Daarnaast is in januari 2021 de SUViS-regeling opengesteld om scholen tegemoet te komen in de kosten voor ventilatiemaatregelen. Er kunnen specifieke oorzaken zijn waardoor ramen voortdurend open zijn, daar heb ik geen specifiek beeld van.
Schoolbesturen hebben vanuit goed werkgeverschap de verantwoordelijkheid zorg te dragen voor een veilige en prettige werkomgeving. Voor een goed binnenklimaat is het belangrijk te zorgen voor voldoende luchtverversing. Hoe en wanneer het verstandigst gelucht kan worden is handzaam beschreven in de Handreiking optimaal ventileren in scholen op www.lesopafstand.nl/ventilatie.
Hoeveel besturen hebben een aanvraag gedaan via de ventilatie subsidieregeling SUVIS (Specifieke uitkering ventilatie in scholen)? Hoeveel geld is er tot nu toe uitgekeerd aan scholen? In hoeveel schoolgebouwen is de ventilatie hiermee inmiddels daadwerkelijk aangepast? In hoeveel schoolgebouwen voldoet de ventilatie niet en is deze nog niet verbeterd? Is bij alle schoolgebouwen inmiddels in beeld of de ventilatie voldoet aan de regels?
Afgelopen week stond de teller op 865 aanvragen. Bij de SUViS-regeling zijn de gemeenten aanvrager. Dat betekent dat een gemeente voor één of meerdere schoolbesturen een aanvraag heeft ingediend. De regeling is op € 2 miljoen na uitgeput. Het toekennen van de subsidie betekent niet automatisch dat er meteen bij ontvangst van de subsidie maatregelen getroffen kunnen worden. De aard van de maatregelen verschillen per geval. In de uitvoering van de goedgekeurde projecten zijn de schoolbesturen vrij en qua tijdspanne hebben scholen nog tot uiterlijk 31 december 2023 de tijd om de maatregelen uit te voeren. Er wordt geen centraal overzicht bijgehouden. Naar aanleiding van het IBO Onderwijshuisvesting wordt verkend hoe een centraal beeld van de onderwijshuisvesting eruit kan zien. Ruimte-OK voert een verdiepend onderzoek uit naar de kwaliteit van luchtverversing en mogelijke noodzakelijke interventies alsmede daaraan verbonden kosten.
Herkent u de signalen die schoolbesturen geven over het niet functioneren van de subsidieregeling ventilatie? Zo ja, kunt u bevestigen dat er gemeenten zijn die niet kunnen voldoen aan de voorwaarde van 70% cofinanciering met betrekking tot de vernieuwing van ventilatiesystemen van scholen omdat zij hier niet voldoende middelen voor hebben? Wat gaat u hieraan doen? Zijn er ook andere manieren van cofinanciering mogelijk? Zijn scholen hiervan op de hoogte?
Er zijn signalen binnengekomen over de invulling van de cofinanciering. De 70% cofinanciering kan door de school óf de gemeenten óf door hen gezamenlijk ingevuld worden. Dat is ook terug te vinden op de website van RVO waar de aanvraag ingediend kan worden. Tot nu zijn in ieder geval 865 aanvragen voor de SUViS-regeling ontvangen. Over het vervolg van de SUViS-regeling is het gesprek met schoolbesturen, gemeenten, raden en VNG inmiddels gestart. Daarbij wordt rekening gehouden met voornoemde signalen en de vraag over de reikwijdte.
Klopt het dat het beschikbare budget van de SUVIS subsidieregeling inmiddels overschreden is? Zo ja, met hoeveel? Komen de aanvragen, die nog kunnen worden ingediend tot en met 30 juni 2021, nog wel in aanmerking voor een subsidie? Zo niet, wat gebeurt er met die aanvragen?
Aanvragen worden op volgorde van binnenkomst beoordeeld. Op het moment dat het subsidieplafond is bereikt wordt de aanvraag afgewezen.
Is al meer duidelijk over wanneer en op welke manier de overige 260 miljoen euro van de toegezegde 360 miljoen euro voor het verbeteren van ventilatie beschikbaar komt? Wanneer denkt u hier duidelijkheid over te hebben? Is het vanwege de urgentie van het probleem en de inmiddels overtekende subsidieregeling een idee om dit geld eerder beschikbaar te stellen?
Zoals aangegeven zou met de invulling van de resterende € 260 miljoen gewacht worden op de aanbevelingen uit het IBO Onderwijshuisvesting. Dat is inmiddels uitgebracht en aan uw Kamer gestuurd. Over het vervolg van de SUViS-regeling is het gesprek met schoolbesturen, gemeenten, PO-Raad, VO-raad en VNG inmiddels gestart. Daarbij wordt rekening gehouden met eerdergenoemde signalen en de aanbevelingen uit het IBO Onderwijshuisvesting. De Commissie OCW heeft voorgesteld het IBO Onderwijshuisvesting niet-controversieel te verklaren.
Bent u het ermee eens dat alle kinderen en al het onderwijspersoneel een gezonde en veilige schoolomgeving verdienen en dat er haast gemaakt moet worden met het verbeteren van ventilatie op scholen? Bent u het tevens ermee eens dat de urgentie hiervoor alleen maar is toegenomen door de bevestiging van wetenschappers dat aerosolen een belangrijke rol spelen bij coronabesmettingen? Zo ja, wat gaat u concreet doen?
Ja. Ik blijf de adviezen van het RIVM ten aanzien van ventilatie in scholen volgen. Met het vormgeven en inrichten van het vervolg op de SUViS regeling alsmede de constructieve en voortvarende opstelling van scholen, gemeenten, PO-Raad, VO-raad en VNG zie ik het gevoel van urgentie bevestigd.
Bent u bereid om met de besturen een plan te maken zodat vóór de volgende herfst alle schoolgebouwen adequate ventilatiesystemen hebben?
Schoolbesturen en gemeenten laten zien dat er een gedeeld gevoel van urgentie is om de ventilatie in schoolgebouwen aan te pakken. Zij hebben voortvarend aanvragen voor de SUViS-regeling gedaan. Doel is het realiseren van adequate ventilatie in alle schoolgebouwen, dat zal gezien de opgave niet voor deze herfst gerealiseerd kunnen worden, ondanks alle inspanningen of een landelijk plan.
Wilt u deze vragen één voor één en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
De ingewikkelde coronamaatregelen voor speeltuinen, stads- en kinderboerderijen |
|
Michiel van Nispen |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Deelt u de mening dat het juist voor kinderen op dit moment extra belangrijk is om in de buitenlucht te kunnen spelen, sporten en bewegen, omdat kinderen momenteel minder bewegen door de coronapandemie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is te alle tijden belangrijk dat kinderen in de buitenlucht kunnen spelen en bewegen. Op advies van het OMT zijn daarom de maatschappelijk beheerde kleine buitenspeeltuinen begin maart weer geopend. Spelen speelt namelijk een belangrijke rol bij de gezonde ontwikkeling van kinderen.
Kunt u uitleggen waarom maatschappelijk beheerde speeltuinen inmiddels gelukkig weer enige tijd open zijn voor kinderen om te spelen, maar dat vergelijkbare speelplekken in de vorm van stads- en kinderboerderijen nog altijd gesloten zijn?
Begin maart zijn de maatschappelijk beheerde kleine speeltuinen geopend. Het betreft speeltuinen in de buitenlucht die zijn gericht op kinderen die in de directe omgeving wonen. Hiermee zijn deze speeltuinen gelijkgetrokken met de openbaar toegankelijke speeltuinen. Er is voor gekozen om niet alle activiteiten voor kinderen te heropenen om het aantal contact- en reismomenten nog zoveel mogelijk te beperken. Versoepeling kan immers enkel stap voor stap. Onder stap 2 van het openingsplan zijn de kinderboerderijen die hoofdzakelijk in de buitenlucht zijn gelegen weer geopend sinds 19 mei.
Waarom is de sluiting van stads- en kinderboerderijen epidemiologisch noodzakelijk, terwijl de sluiting van de beheerde speeltuinen dat schijnbaar niet is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals hiervoor aangegeven is er niet voor gekozen om alle activiteiten voor kinderen meteen te heropenen om het aantal contact- en reismomenten nog zoveel mogelijk te beperken. Door het openen van de kleine buitenspeeltuinen kregen kinderen meer mogelijkheden om weer buiten te spelen in de eigen buurt. De epidemiologische situatie was echter op dat moment nog niet dusdanig dat alle buiten activiteiten voor kinderen weer geopend konden worden.
Kunt u duidelijkheid geven in welke fase van het openingsplan de stads- en kinderboerderijen weer open kunnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Is het denkbaar dat stads- en kinderboerderijen eerder open kunnen dan grotere doorstroomlocaties, omdat deze voorzieningen vaak in de wijk liggen en er daardoor minder reisbewegingen zijn die effect kunnen hebben op besmettingen en de druk op de zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op 19 mei zijn de kinderboerderijen die voornamelijk in de buitenlucht zijn gelegen reeds opengegaan. Zij maakten onderdeel uit van stap 2 van het openingsplan. De kinderboerderijen zijn tegelijkertijd met de andere dierenparken die voornamelijk in de buitenlucht zijn gelegen opengesteld.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het eerstvolgende debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus? Zo neen, waarom niet?
Nee, er was onvoldoende tijd om deze vragen tijdig te beantwoorden.
De berichtgeving dat arbeidsmigranten niet allemaal een vaccin krijgen en de maatschappelijke opvang voor ongedocumenteerden wordt afgebouwd |
|
Jan Paternotte (D66), Wieke Paulusma (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat arbeidsmigranten niet allemaal een vaccin krijgen en de maatschappelijke opvang voor ongedocumenteerden en dak- en thuislozen wordt afgebouwd?1 2
Ja.
Onderschrijft u de berichtgeving dat zowel arbeidsmigranten als ongedocumenteerden niet in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) staan en om die reden niet of niet op de gebruikelijke wijze een uitnodiging krijgen voor vaccinatie?
Personen die niet in de BRP staan met hun correcte contact- en adresgegevens kunnen niet op de gebruikelijke wijze een uitnodiging krijgen voor vaccinatie. Dat betekent niet dat mensen geen vaccinatie kunnen krijgen. In mijn brief van 11 mei jl. aan uw Kamer ben ik reeds op deze doelgroepen ingegaan.
Ik bestrijd de suggesties dat álle arbeidsmigranten niet in de BRP staan. Alle arbeidsmigranten die in Nederland aan het werk zijn, staan in de BRP. Een deel van de totale groep arbeidsmigranten staat ingeschreven op een Nederlands woonadres. Die groep krijgt op de reguliere manier een uitnodiging in de brievenbus. Een ander deel van de (kort-verblijvende) arbeidsmigranten staat niet ingeschreven op een Nederlands woonadres, waardoor zij geen brief kunnen ontvangen. We zijn op dit moment bezig om die groep op een andere manier te bereiken.
Kunt u aangeven wanneer en hoe u samen met werkgeversorganisaties, uitzendbureaus en de vakbonden de arbeidsmigranten alsnog wilt bereiken om hen te kunnen laten vaccineren?
Samen met het Ministerie van SZW en het RIVM ben ik reeds in gesprek met betrokken maatschappelijke, werknemers- en werkgeversorganisaties, om ook het deel van de arbeidsmigranten dat niet op de gebruikelijke wijze een uitnodiging kan krijgen, te kunnen informeren en een vaccinatie aan te bieden.
Gaat u voor ongedocumenteerden en dak- en thuislozen eveneens een oplossing zoeken om hen te kunnen laten vaccineren? Zo niet, hoe wilt u het risico wegnemen dat het virus kan blijven rondgaan in deze groep en er daardoor onnodig gezondheidsschade wordt geleden en het risico van heropleving van het virus blijft bestaan?
Uiteraard wordt ook de groep ongedocumenteerden en dak- en thuislozen de mogelijkheid om te vaccineren geboden. Het Ministerie van VWS heeft GGD-en verzocht – in samenwerking met regionale partners zoals gemeenten, opvanginstellingen en straatdokters – een regionaal uitvoeringsplan te maken voor de vaccinatie van dakloze mensen, mensen die verblijven in de vrouwenopvang en ongedocumenteerde mensen. Omdat voor deze mensen een uitnodiging via de reguliere route niet mogelijk is, vindt vaccinatie plaats op locaties waar de doelgroep vindbaar is, zoals in inloophuizen en locaties van de maatschappelijke opvang. Regio’s bepalen zelf vaccinatiemomenten waarop ze zo veel mogelijk mensen kunnen bereiken. Inmiddels zijn de plannen in een vergevorderd stadium en is een aantal GGD-regio’s al gestart met de vaccinatie van deze groepen. De overige GGD-regio’s volgen zo snel mogelijk.
Kunt u toelichten waarom u een richtlijn heeft gemaakt om de eerdere uitbreiding van de maatschappelijke opvang af te bouwen nu het aantal gevaccineerden toeneemt? Erkent u dat de besmettingen vooralsnog op hoog niveau blijven en de meeste gebruikers van de opvang ook nog helemaal niet gevaccineerd zijn?
De Staatssecretaris van VWS heeft sinds het begin van de pandemie, via de richtlijn «Opvang dak- en thuisloze mensen», gemeenten opgeroepen om, vanuit humanitaire overwegingen, alle dak- en thuisloze mensen opvang te bieden zo lang sprake is van een landelijke lockdown. Vanaf 19 mei is stap 2 van het openingsplan ingegaan. Dat betekent dat vanaf deze datum de afbouwperiode van de noodopvang is ingegaan. De afbouwperiode duurt twee weken; van 19 mei tot 2 juni. Het Rijk roept gemeenten op om in overleg met de GGD regio de afbouw zoveel mogelijk aan te laten sluiten op het moment van vaccinatie. Daarnaast kunnen mensen in de afbouwperiode geïnformeerd worden over de mogelijkheid zich vanaf 24 mei te laten vaccineren. Ook na de sluiting van de noodopvang blijft vaccinatie – op andere locaties – mogelijk voor deze doelgroep.
Het RIVM heeft eerder aangegeven dat het niet aannemelijk is dat er op straat een groter risico is op verspreiding van COVID-19 onder dak- en thuisloze mensen dan in de opvang. De opvang gedurende de lockdown vindt dan ook plaats op basis van humanitaire overwegingen, omdat we dan van iedereen in Nederland vragen zo veel mogelijk thuis te blijven.
Zie ook de beantwoording van Kamervragen van het lid Simons op dit onderwerp.
Kunt u bevestigen dat er in diverse gemeenten al sinds 1 april geen nieuwe mensen meer worden toegelaten in de noodopvang voor illegalen en Oost-Europeanen en deze opvangcentra in mei geheel sluiten? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat het?
Ja dit kan ik bevestigen. Dit is ook conform de richtlijn d.d. 12 maart 2021 die is gepubliceerd naar aanleiding van bestuurlijk overleg met de VNG en wethouders. Het is niet bekend in hoeveel gemeenten zich na 1 april nog niet-rechthebbende dakloze mensen hebben gemeld die geen toegang hebben gekregen tot de opvang. We monitoren signalen op dit thema via het tweewekelijkse clusteroverleg met partijen uit het veld en passen op basis daarvan de landelijke richtlijn indien nodig aan.
Acht u de timing van de afbouw nog altijd passend, ook gelet op de problemen bij het bereiken van deze groepen voor vaccinatie doordat zij (grotendeels) niet in de BRP staan?
Ja, ik acht de timing voor de start van de afbouw van de noodopvang vanaf stap 2 nog steeds passend. Op dit moment verkeren we niet meer in een landelijke lockdown waarbij we iedereen oproepen om thuis te blijven en gelden de reguliere regels voor de maatschappelijke opvang.
Voor de vaccinatiestrategie ten aanzien van deze doelgroep, zie vraag 4.
Kunt u aangeven of, en zo ja, hoe lange afstandsgeliefden die hier langere tijd verblijven in aanmerking kunnen komen voor vaccinatie?
Volgens de RIVM-richtlijn heeft iedereen die langer dan één maand in Nederland verblijft recht op een vaccin. Voor afstandsgeliefden, maar ook voor personen die om een andere reden (bijvoorbeeld gezondheid of familieomstandigheden) langer dan een maand in Nederland verblijven geldt dus dat zij in aanmerking komen voor een vaccin. Omdat zij niet in het BRP bij een gemeente staan ingeschreven, kunnen deze mensen vooralsnog echter geen uitnodigingsbrief ontvangen. Samen met het RIVM, de GGD’en en het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt hard gewerkt aan de uitvoering en communicatie van de mogelijkheid tot vaccinatie voor deze groep, waarbij het Register Niet-Ingezetene (RNI) zo veel als mogelijk benut zal worden. Zodra hier meer over bekend is, wordt hierover via de website van de rijksoverheid, ambassades en relevante instanties gecommuniceerd.
Voor de groep mensen die hier momenteel langer verblijft en een Nederlands paspoort en BSN heeft (bijvoorbeeld geëmigreerde Nederlanders), geldt dat zij zich ook zonder uitnodiging voor vaccinatie kunnen melden met hun DigiD, zodra hun leeftijdscohort aan de beurt is.
Zijn er andere groepen dan de hierboven genoemden die wel langere tijd in Nederland verblijven maar niet binnen het vaccinatieprogramma vallen? Zo ja, welke groepen zijn dit en bent u van plan vaccinatie voor deze mensen te bevorderen?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Rusland en China twijfel zaaien over Europese vaccins. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU: Rusland en China zaaien twijfel over onze vaccins»?1
Ja, dat ben ik.
Deelt u de mening dat agressieve misinformatiecampagnes over Europese en Amerikaanse vaccins en toezichthouder EMA (Europees Medicijn Agentschap) een vorm van ondermijning van de aanpak van de coronacrisis vormen? Zo nee, waarom niet?
Pogingen om op heimelijke wijze het debat over de corona aanpak in Nederland en Europa te beïnvloeden, door middel van desinformatie of desinformatiecampagnes of het kunstmatig versterken van online berichten, zijn absoluut afkeurenswaardig en kunnen een ondermijnende werking bij de aanpak van de coronacrisis hebben. Tegelijkertijd heeft het kabinet vertrouwen in het pluriforme Nederlandse en Europese medialandschap, waarin de vrije pers dit soort berichtgeving op z’n merites beoordeelt en de impact van dit soort desinformatie vooralsnog klein is.
Kunt u de lezing van de Europese dienst voor extern optreden (EEAS) bevestigen dat China onwaarheden verspreidt, zoals de bewering dat het coronavirus uit Europese laboratoria afkomstig is?
De berichtgeving van EUvsDesinfo komt onafhankelijk tot stand. Het EDEO-rapport constateert dat vertegenwoordigers van de Chinese overheid bij gelegenheid pleiten voor een onderzoek naar de rol van Fort Detrick, een biologisch laboratorium in de VS, bij het ontstaan van de pandemie.2 Beweringen over Europese laboratoria zijn ons niet bekend.
Over het algemeen geven de rapporten op basis van openbare informatie goed weer waar bevindingen op gestoeld zijn. De AIVD verwoordt het in zijn jaarverslag als volgt: «Heimelijke beïnvloeding gaat soms samen met openlijke propaganda. China probeerde in 2020 in Nederland en elders beeldvorming te beïnvloeden rond het coronavirus. Dat deed het land met propaganda, die in de loop van het jaar offensief werd: uitingen prezen de Chinese aanpak, en zaaiden twijfel over de oorsprong van het virus en de aanpak van Europese landen.»
Bent u bereid in de EU te pleiten voor een effectief antwoord op ondermijning van de vaccinatiecampagne middels sociale media of staatsmedia? Wat adviseert u de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, Borrell, te doen om deze fake news campagnes tegen te gaan?
Ja, Nederland pleit voor een effectief antwoord op ondermijning van en desinformatie over de vaccinatiecampagne. De Nederlandse strategie om desinformatie te adresseren bestaat uit drie lijnen: preventie, verstevigen van de informatiepositie en reageren.3 Deze drie lijnen bepleit Nederland ook in de EU en vinden daar weerklank.
Zo werkt de Europese Commissie aan het Europees Democratie Actieplan4. Hierin zet de Commissie onder meer in op het vergroten van de mediawijsheid onder Europese burgers. Dit zal een preventieve werking hebben: wanneer burgers zelf berichten op waarde schatten zijn zij minder vatbaar voor misleidende informatie.
Ook wordt er in het Europees Democratie Actieplan de ontwikkeling van een EU-instrumentarium voor het tegengaan van buitenlandse inmengings- en beïnvloedingsoperaties aangekondigd. Hierbij horen nieuwe instrumenten die het mogelijk maken kosten op te leggen aan actoren achter beïnvloedingsoperaties, (bijvoorbeeld staten die georganiseerde desinformatiecampagnes voeren) en het versterken van de strategische communicatieactiviteiten en taskforces van de EDEO.
Daarnaast hebben sociale media bedrijven ook een verantwoordelijkheid in het adresseren van desinformatie. De Europese Commissie zet zich daarom, zoals aangegeven in het Europees Democratie Actieplan, ook in om deze bedrijven hierop te wijzen. Dit doet zij d.m.v. de herziening van EU gedragscode tegen desinformatie en het voorstel voor een verordening inzake digitale diensten (DSA).
Onderdeel van de Europese internationale respons op COVID-19 is nadrukkelijk ook proactieve communicatie vanuit EU-delegaties, afgestemd op ontwikkelingen in partnerlanden waaronder de activiteiten van derde landen en de levering van Europees geproduceerde vaccins. In deze communicatie wordt onder meer aandacht besteed aan de Europese inzet op een multilaterale respons voor coronacrisis, zoals substantiële bijdrage van de EU aan COVAX, het initiatief voor een wereldwijde solidaire toegang tot vaccins.
Kunt u de Chinese en Russische ambassadeurs aanspreken op deze kwestie?
Verspreiden van desinformatie is onacceptabel. Aan de Russische en Chinese staat gelieerde nieuwsbronnen verspreiden misleidende dan wel onjuiste informatie over de Europese vaccinatiestrategie. Tegelijkertijd blijft het ingewikkeld te achterhalen wie informatie precies aandraagt en bestaat er een grijs gebied tussen propaganda en desinformatie. Het is daarom een goede zaak dat EDEO de situatie zo nauwgezet mogelijk monitort. De EU heeft Rusland en China aangesproken op het verspreiden van desinformatie gerelateerd aan COVID-19 en in relatie tot de Europese vaccinatiestrategie. Ook spreekt het kabinet Rusland en China waar nodig aan op het verspreiden van onjuiste informatie en/of desinformatie.
Deelt u de mening dat, om vertrouwen in vaccinatie op hoog peil te houden en in de hele wereld de verspreiding van het coronavirus onder controle te brengen, ook Chinese en Russische vaccins zich zouden moeten houden aan de WHO-standaarden voor klinisch onderzoek naar effectiviteit, veiligheid en immunogeniciteit, onder andere middels het doorlopen van trials in drie fasen en openbare rapportage hiervan? Zo nee, waarom niet?
Verschillende landen en vaccinproducenten doorlopen ander soort routes voor goedkeuring van vaccins. Het is belangrijk dat uiteindelijk de wereldbevolking voldoende beschermd is tegen het COVID-virus, dit is de enige manier om de wereld weer open te krijgen. Tegelijkertijd is het van groot belang dat alle kandidaat-vaccins worden ontwikkeld en getest volgens internationale ethische standaarden en wetenschappelijke principes. Klinisch onderzoek moet – overal ter wereld – op ethische wijze worden uitgevoerd, met inachtneming van de internationale klinische en wetenschappelijke richtlijnen. Onderzoeksdeelnemers moeten er te allen tijde op kunnen vertrouwen dat het onderzoek medisch ethisch verantwoord is opgezet. Voor een voldoende hoge vaccinatiebereidheid moeten mensen ook vertrouwen hebben in de totstandkoming en werking van de vaccins.
Kunt u aangeven welke peer reviewed kennis er momenteel is over de kwaliteit van de vaccins van makers Sinopharm en Sinovac, ook gezien de berichten over – in vergelijking tot de vier door het EMA goedgekeurde vaccins – zeer lage effectiviteit van deze vaccins?
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft begin mei het coronavaccin van de Chinese farmaceut Sinopharm goedgekeurd voor voorwaardelijke markttoelating. De werkzaamheid van het Sinopharm-vaccin wordt door de WHO geschat op 79 procent. De WHO geeft wel aan dat weinig mensen boven de zestig jaar hebben deelgenomen aan de klinische studies. Over de werkzaamheid van het vaccin bij ouderen kan dus geen uitspraak worden gedaan. De WHO is nog bezig met de beoordeling van het Sinovac-vaccin.
Hoe beoordeelt u de aankondiging van de directeur van het Chinese centrum voor infectieziekenbestrijding Gao Fu dat China de vaccins van Sinopharm en Sinovac wil gaan «mixen» om te kijken of de effectiviteit zo verbeterd kan worden?2
Het gebeurt vaker dat twee verschillende vaccins worden gecombineerd om een ziekteverwekker te bestrijden. Dit wordt heterologe prime-boost vaccinatie genoemd. We zien dat er momenteel meerdere onderzoeken lopen naar het combineren van coronavaccins. Er wordt onderzocht of het combineren van vaccins een sterkere immuunreactie kan opwekken. Het is begrijpelijk dat ook China hier onderzoek naar doet. Ook kan de mogelijkheid om vaccins te combineren vaccinatieprogramma’s eventueel flexibeler maken, bijvoorbeeld door de impact van vertragingen in leveringen op te vangen.
Kunt u aangeven wat de status is van de aanvraag van het Sputnik vaccin bij het Europees Medicijn Agentschap?
Het Europees Medicijn Agentschap (EMA) is op 4 maart jl. een rolling review gestart van het Sputnik V (Gam-COVID-Vac) vaccin. Deze review loopt op dit moment nog. Zodra voldoende bewijs beschikbaar is, kan er gestart worden met de formele aanvraag tot marktautorisatie. Er is geen indicatie wanneer dit exact mogelijk is.
Het bericht 'Vaccineer zo snel mogelijk ook in armere landen om mutaties te voorkomen' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vaccineer zo snel mogelijk ook in armere landen om mutaties te voorkomen»?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) dat het onwenselijk is als het nog tot eind 2024 duurt voordat iedereen in de wereld die dit wil zijn of haar vaccinatie heeft ontvangen?
Ja.
Hoe reflecteert u op het feit dat de COVID-19 Vaccines Global Access (Covax)-doelstellingen nu al niet zijn gehaald?
De doelstellingen opgesteld door COVAX zijn nastrevenswaardig en ambitieus. Het niet behalen van de initiële doelstellingen is daarom ook spijtig maar wel te begrijpen. De doelstellingen zijn toentertijd opgesteld, voordat vaccins feitelijk beschikbaar waren. De COVID-19 pandemie is een crisis van ongekende grootte en tegenslagen zijn onvermijdelijk en voorzienbaar. De rampzalige situatie in India is meer dan illustratief. De leveringsproblemen die Nederland kent, zijn wereldwijd ook zichtbaar, wat de donatie van vaccins aan COVAX niet bevordert. Dat gezegd hebbende, steunt Nederland de initiatieven van COVAX en zal daarbij actief blijven bijdragen aan de mondiale beschikbaarheid van vaccins via het COVAX-mechanisme.
Bent u voornemens om u in te zetten om ervoor te zorgen dat de Covax-doelstellingen in de toekomst wel gehaald worden? Zo ja, hoe?
Daar waar mogelijk draagt Nederland financieel bij aan ACT-A in het algemeen en Covax in het bijzonder. Twee weken geleden heeft Nederland een extra bijdrage van 40 miljoen aan COVAX toegezegd bovenop de steun die Nederland geeft via het internationale COVAX-programma om te zorgen voor veilige, effectieve en betaalbare vaccins voor landen die daar zelf geen of onvoldoende geld voor hebben. Tevens zal Nederland mogelijk, uit een waarschijnlijk surplus aan vaccins, in kind bijdragen aan Covax.
Kunt u toelichten hoe u het voorstel van India en Zuid-Afrika inzake het realiseren van een TRIPS-waiver beoordeelt?
De doelstelling van het kabinet is glashelder: we moeten ervoor zorgen dat zo snel mogelijk zo veel mogelijk vaccins worden geproduceerd en verdeeld worden over de wereld. Over dit doel is iedereen het eens.
Het kabinet steunt daarom de nieuwe directeur-generaal van de World Trade Organization (WTO), dr. Ngozi Okonjo-Iweala, in haar pogingen om een «derde weg» te vinden binnen de discussie over de productie van vaccins. Ook verwelkomt het kabinet de bereidheid van de Verenigde Staten om met een voorstel te willen komen dat kan bijdragen aan een constructieve discussie. De VS geven daarbij aan dat verdere uitwerking daarvan vanwege de complexiteit van de vraagstukken niet eenvoudig zal zijn. Ook India en Zuid Afrika hebben inmiddels aangegeven met een aangepast waiver-voorstel te komen. Het kabinet zal dit verder op Europees niveau bespreken. Dit onderwerp is ook tijdens de Europese Raad van afgelopen weekend besproken. Zoals gebruikelijk zal uw Kamer het verslag hiervan ontvangen.
Universele en eerlijke toegang tot vaccins is van levensbelang, en het kabinet stelt zich positief op jegens elk initiatief dat dit doel dichterbij kan brengen. Het kabinet zal binnen de EU bepleiten dat Europa constructief aan deze discussie bijdraagt. Leidend is of een maatregel daadwerkelijk bij zal dragen aan het opschalen van de mondiale productie.
Het (na)maken van veilige en effectieve geneesmiddelen en vaccins, op basis van een octrooischrift is niet simpel. Betrokkenheid van de oorspronkelijke ontwikkelaar is belangrijk omdat deze de kennis en ervaring heeft om het vaccin te maken. Het delen van dergelijke vertrouwelijke kennis kan, anders dan weleens wordt gesuggereerd, niet worden afgedwongen. Vrijwillige samenwerking heeft daarom altijd de voorkeur. Opschorting van intellectuele eigendomsrechten zou op de korte termijn dan ook niet leiden tot opschaling van productiecapaciteit. Ook moeten we ervoor waken de drijfveren weg te nemen voor investeringen in R&D voor nieuwe COVID-mutaties of toekomstige pandemieën. Over deze aspecten dient verder en in meer diepte gesproken te worden binnen de WTO.
Tegelijk moet opgemerkt worden dat het gaat om complexe materie. Het juridisch raamwerk van intellectueel eigendom draagt namelijk ook bij aan een veilige kennisoverdracht door bedrijven aan andere mogelijke producenten. Bovendien is kennis en technologie noodzakelijk die veel verder gaat dan hetgeen in octrooien is opgenomen.
Om tijdens de in WTO-verband lopende discussies over een al dan niet aangepast waiver-voorstel geen tijd te verliezen, moet de internationale gemeenschap zich blijven inspannen om bestaande knelpunten voor de productie van vaccins, zoals een gebrek aan grondstoffen of gekwalificeerd personeel voor productielocaties, aan te pakken. Ook moet de internationale gemeenschap matchmaking tussen bedrijven met capaciteit en bedrijven met kennis van vaccinproductie verder op gang brengen, bijvoorbeeld via de recent aangekondigde COVAX-manufacturing taskforce van de WHO.
Ziet u een mogelijkheid om u tijdens de volgende vergadering van de WHO actief in te zetten om een TRIPS-waiver te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Ziet u een mogelijkheid om farmaceuten aan te moedigen hun kennis te delen via Common Terminal Acquirer Protocol (C-TAP)? Zo ja, hoe?
Ik neem – in de context van de andere vragen – aan dat u met C-TAP bedoelt, de COVID-19 Technology Access Pool. In het kader van C-TAP wordt mede gesproken over het succesvol positioneren van de pool. Zoals eerder aangegeven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 21 501-02, nr. 2297, p. 11/12), betwijfelt de regering of C-TAP het juiste instrument is om productiecapaciteit van vaccins nog verder op te schalen, zeker op korte termijn. Bedrijven kunnen immers, als er geschikte beschikbare productiecapaciteit is, ook onderling afspraken maken over het delen van kennis en intellectuele eigendom en dit gebeurt reeds op grote schaal. Zoals toegelicht in antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Van Gerven (SP) over het bericht «EU still firmly opposed to lifting intellectual property rights on vaccines» (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1785) heeft ook GAVI, die als inkopende partner in de COVAX-alliantie steeds in gesprek is met de farmaceutische industrie, vooralsnog aangegeven met deze werkwijze verder te willen gaan.
Nederland maakt met Brazilië, Maleisië, Pakistan en Zuid-Afrika deel uit van een kerngroep, onder leiding van Costa Rica, die met de WHO verder spreekt over de invulling van C-TAP, zodat de data van bedrijven voldoende beschermd zijn en de noodzakelijke informatie wel breder gedeeld kan worden. Binnen ACT-A/COVAX staat het denken over versnellen en opschalen van de productie ook niet stil. Zo heeft de WHO met de ACT-A partners het initiatief genomen voor een mondiale COVAX Manufacturing Taskforce. Het organiseren van lokale productie is hierbij ook een belangrijk actiepunt, waarbij momenteel de focus ligt op het bijelkaar brengen van farmaceutische bedrijven en potentiële contract producenten (CMO’s).
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit in de toekomst het geval gaat zijn, aangezien op dit moment nog geen enkele farmaceut kennis in C-TAP heeft gedeeld?
Het feit dat nu geen kennis via C-TAP wordt gedeeld, betekent niet dat er geen sprake is van technology sharing via andere kanalen. Het gaat om het bereiken van het doel, voldoende vaccins voor alle landen op de wereld. Daarvoor moeten mondiale productielijnen voor vaccins worden opgezet. Dat vraagt om nauwgezette afstemming en coördinatie, opdat veilige vaccins kunnen worden afgeleverd. Ook hier kan C-Tap een rol bij spelen.
Erkent u dat het succes van Covax gedeeltelijk afhangt van de bereidheid van farmaceuten om hun patenten te delen in Covax, aangezien u (de Minister van VWS) in het plenaire debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus d.d. 22 april jl. aangaf: «maar ik maak me sterk dat de snelheid waarmee we productiefaciliteiten uit de grond stampen eigenlijk de enige belemmerde factor op dit moment is», terwijl in het artikel in Knowledgde Ecology International te lezen valt dat er bedrijven zijn die willen produceren, maar dat hun aanvraag wordt geblokkeerd door producerende farmaceuten?2
Wereldwijd moet de productie van coronavaccins worden versneld. Zoals bij de andere antwoorden betoogd ben ik van mening dat het bij elkaar brengen van brengen van farmaceutische bedrijven en potentiële contract producenten om de productie te vergroten de snelste en meest effectieve manier is om de mondiale vaccinproductie op te schalen.
Vindt u ook dat het uit de grond stampen van productiefaciliteiten derhalve niet de enige belemmerende factor is in de snellere wereldwijde vaccinatie?
Ook andere knelpunten voor de productie van vaccins behoeven aandacht, zoals een gebrek aan grondstoffen of gekwalificeerd personeel voor productielocaties. Tevens zijn voldoende financiële middelen voor Covax een knelpunt om vaccins te kunnen aankopen en de vaccinatieprogramma’s te bekostigen.
Wat wordt de inzet van Nederland in de nieuwe ronde contractonderhandelingen over de inkoop van nieuwe vaccins?3
In nauw overleg met de Europese lidstaten en de Europese Commissie zullen wij de contractonderhandelingen voeren over een nieuwe inkoopronde. Uitgangspunt is dat de EU over voldoende vaccins moet beschikken voor een effectieve vaccinatie-response in de periode 2022/2023. Ook willen we dat deze vaccins zoveel als mogelijk kunnen worden aangepast aan toekomstige variaties van het virus. Ten slotte zetten we in op goede donatiemogelijkheden.
Zijn er al contacten met de Belgische regering om hier samen op te trekken? Zo ja, op welke manier geeft u dit vorm? Zo nee, bent u bereid om samen met de Belgen op te trekken op deze specifieke zaak?
Ja, er is overleg met de Belgische regering over deze kwestie. Er zijn nog geen concrete afspraken over samenwerking.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden, voorafgaand aan het eerstvolgende debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus?
Ja.
Sociaal-economische gezondheidsverschillen door de coronapandemie |
|
Maarten Hijink , Renske Leijten |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Kunt u inzichtelijk maken hoe en hoezeer de sociaaleconomische gezondheidsverschillen gegroeid zijn door de coronapandemie? Zo nee, waarom niet?1
Voorafgaand aan de Covidpandemie was het verschil in levensverwachting over de periode tussen een hogere en een lagere sociaaleconomische positie ongeveer 6 jaar3. Het verschil in levensverwachting in goede ervaren gezondheid was 14 jaar4.
In de Corona-inclusieve Volksgezondheid Toekomst Verkenning (C-VTV) is aangegeven dat de coronacrisis, die allerlei aspecten van het leven raakt, harder toe lijkt te slaan bij de lager opgeleiden. Wat echter precies het effect van de coronapandemie zal zijn voor sociaaleconomische gezondheidsverschillen in de toekomst is nu nog niet te voorspellen5. Wel is bekend dat de risicofactoren voor het krijgen van een ernstiger beloop van Covid-19 meer voorkomen bij mensen met een lagere sociaaleconomische positie. Zij hebben vaker obesitas (21,8% t.o.v. 9,8%), roken vaker (23,9% t.o.v. 14,4%) en hebben vaker chronische aandoeningen, zoals diabetes (52,7% t.o.v. 14,7%), en COPD (24,4% t.o.v. 6,0%) dan mensen met een hogere sociaaleconomische positie6, 7. Hoe en in welke mate deze aspecten een rol spelen zal nader onderzocht worden.
Verder is bekend dat in achterstandswijken relatief veel mensen met een lage sociaaleconomische positie wonen. Hier lijkt men zwaarder getroffen te worden door de pandemie. Dit wordt bevestigd door 15 burgemeesters met een stedelijk vernieuwingsgebied binnen hun gemeente in hun oproep «Dicht de kloof», die op 26 mei j.l. aan de leden van uw Kamer is aangeboden. De eerste inzichten uit (met name buitenlandse) wetenschappelijke literatuur wijzen op vier lijnen van beïnvloeding: 1) verschillen tussen mensen met een lagere dan wel hogere sociaaleconomische positie in blootstelling (o.a. woonsituatie, gezinsgrootte, contactberoepen en arbeidsomstandigheden); 2) verschillen in kwetsbaarheid (o.a. leefstijl, ziektelast, armoede, stress); 3) verschillen in gevolgen voor gezondheid; 4) verschillen in maatschappelijke gevolgen. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) heeft in «Een eerlijke kans op gezond leven» ook nadrukkelijk aandacht gevraagd voor deze problematiek en adviezen gegeven met betrekking tot de gezondheidsachterstanden.
Naar verwachting zal de komende maanden meer duidelijk worden wat de gevolgen zijn van de pandemie voor de sociaaleconomische gezondheidsverschillen in Nederland. In een groot aantal lopende onderzoeken worden allerlei aspecten van de gevolgen voor groepen met een lage sociaaleconomische positie in kaart gebracht. Voorbeelden hiervan zijn:
Het RIVM doet in opdracht van VWS specifiek onderzoek naar sociaaleconomische gezondheidsverschillen in relatie tot de coronapandemie. Hierin worden de resultaten van o.m. de bovengenoemde studies geïntegreerd. In verschillende andere deelprojecten in dit programma, zoals rond ouderen of rond werkenden, wordt dit thema eveneens betrokken. Dit onderzoek is naar verwachting eind van het jaar afgerond.
Voor nadere informatie over de inrichting van het beleid omtrent mensen met een lagere sociaaleconomische positie in verband met de pandemie verwijs ik u naar de Kamerbrief stand van zaken Covid-19 van 13 april j.l.8.
Bent u zich er voldoende van bewust dat de pandemie mensen in een kwetsbaardere sociaaleconomische positie om uiteenlopende redenen, veel harder raakt? Zo ja, hoe heeft zich dat volgens u vertaald in beleid?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel communicatiemedewerkers zijn er in dienst van de gehele rijksoverheid? Hoeveel daarvan houden zich bezig, direct of indirect, met de communicatie over vaccineren en de coronamaatregelen?
Op de directies Communicatie van de kerndepartementen van de rijksoverheid zijn 811,5 fte werkzaam. Deze gegevens worden jaarlijks gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl. Op centraal niveau zijn er geen andere gegevens beschikbaar.
Bij het Ministerie van VWS is een communicatieteam verantwoordelijk voor de communicatie over het vaccinatieprogramma. Hierbij wordt nauw samengewerkt met alle betrokken partners, zoals o.a. het RIVM, de GGD’en, ziekenhuizen en huisartsen. Er werken in dit team op dit moment 15 fte op het gebied van publiekscommunicatie, waaronder campagnemanagement, contentproductie, webcare, maatschappelijke dialoog en desinformatie. Hieronder vallen ook woordvoering en stakeholdermanagement.
Het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie (NKC, onderdeel van de Rijkscrisisstructuur, ondergebracht bij de NCTV) is actief voor coördinatie en afstemming van alle coronacommunicatie. De voorbereiding en uitvoering van de communicatie over de maatregelen is daar een onderdeel van. Dit team wordt grotendeels bemenst door bestaande communicatiemedewerkers van verschillende departementen en andere overheidsorganisaties. Afhankelijk van de fase van de coronacrisis varieert het aantal mensen dat actief is (geweest) in het NKC van 5 tot 20 fte. Dit zogenoemde «basisteam» dat werkzaam is bij het NKC wordt op dagelijkse basis bijgestaan door een variabele groep communicatiemedewerkers van vrijwel alle departementen die direct of indirect betrokken zijn bij de communicatie van coronamaatregelen en de daarmee samenhangende versoepelingen. Denk hierbij aan medewerkers die publieksvragen en burgerbrieven beantwoorden, content maken voor social media kanalen of de informatie op rijksoverheid.nl bijwerken, communicatiecampagnes ontwikkelen of zorgdragen voor her- of vertalingen van publieksinformatie. Het aantal medewerkers dat een bijdrage levert aan deze communicatie varieert en is afhankelijk van de fase van de coronacrisis en de daarbij horende maatregelen en/of versoepelingen. Gegevens over het aantal fte dat met deze communicatie is belast zijn dan ook niet beschikbaar.
Zo’n 4 miljoen mensen zijn digitaal niet vaardig, zo’n 2,5 miljoen mensen zijn laaggeletterd, hoe probeert u deze mensen te bereiken met informatie over vaccineren en de coronamaatregelen? Zet u communicatiemedewerkers van de rijksoverheid extra in om deze doelgroep alsnog te bereiken?
Om het brede publiek te helpen met het maken van een keuze over vaccineren tegen corona voert de overheid campagne op radio, televisie en online, en is er veel informatie beschikbaar via www.coronavaccinatie.nl en via het telefoonnummer 0800 1351. De communicatie over coronamaatregelen, zoals opgenomen in de routekaart, is bovendien specifiek afgestemd op mensen die digitaal niet vaardig en/of laaggeletterd zijn. Er wordt hiervoor door de communicatiemedewerkers samengewerkt met de Direct Duidelijk Brigade, een team van taaldeskundigen die veel ervaring hebben met het bereiken van specifieke doelgroepen op decentraal niveau. Daarnaast worden ook andere middelen of kanalen ingezet die beter aansluiten bij laaggeletterden, anderstaligen, mensen met een migratieachtergrond en mensen met een lagere opleiding. Deze middelen hebben vaak veel beeld en/of gesproken tekst. Zo is er een praatplaat, zijn er informatiekaarten, video’s, talkshows, een Steffie-module en meer. Voor de productie en verspreiding werken we samen met experts als Pharos, Stichting Lezen en Schrijven, maar ook met partijen uit ons netwerk zoals gemeenten en GGD’en. Een bijzondere samenwerking hebben we afgesproken met Inclusia. Zij organiseren (online) informatiebijeenkomsten voor anderstalige gemeenschappen via sleutelpersonen. Voorlichters verspreiden hierin informatie over vaccineren. Materialen (korte filmpjes, animaties, informatiekaarten) worden ook in WhatsAppgroepen gedeeld. Zo krijgen deze groepen informatie van mensen die zij vertrouwen en die hun taal spreken. Om meer impact te hebben werken we ook samen met partijen om dichterbij mensen te komen die bijvoorbeeld in achterstandswijken wonen waar de vaccinatiebereidheid al van oudsher lager is. Voor mensen die minder digitaal vaardig zijn er via rijksoverheid.nl posters beschikbaar gesteld. Deze kunnen worden gebruikt door bijvoorbeeld winkels en huisartsen. Om minder digitaal vaardige mensen te helpen heeft dit kabinet de Informatiepunten Digitale Overheid opgezet in een aantal bibliotheken. Op 24 juni wordt het tweehonderdste Informatiepunt geopend. Daar worden mensen geholpen met online overheidsdiensten door een getrainde bibliotheekmedewerker. De Koninklijke Bibliotheek heeft een werkinstructie en toolkit beschikbaar gesteld aan lokale bibliotheken om hulp en uitleg te kunnen geven aan minder digitaal vaardige mensen over de CoronaMelder-app en het maken van een vaccinatieafspraak. Tevens wordt de informatie over bijvoorbeeld het openingsplan sterk gevisualiseerd in versies voor het publiek en een aparte versie voor bestuurders op decentraal niveau. Hierdoor zijn voor het publiek snel en eenvoudig de stappen te begrijpen die worden gezet in het openingsplan. Nieuwe visuele versies van de routekaart en het openingsplan worden regelmatig getest onder een representatief burgerpanel en indien nodig aangepast. Voorts is het zo dat de basismaatregelen, zoals 1,5 meter afstand houden en vaak handen wassen, in veel (audio-) visuele uitingen van de rijksoverheid worden meegenomen.
Bent u bereid – in lijn met de aangenomen motie-Marijnissen waarin de regering wordt verzocht om maatregelen die in verband met de aanpak van de coronacrisis genomen worden, zo in te richten dat deze bijdragen aan het verkleinen van de sociaaleconomische gezondheidsverschillen – om een uitgebreide analyse te maken over hoe de tweedeling in de samenleving vergroot wordt door de coronapandemie, daarbij meenemend, maar niet uitsluitend: Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 1.
Het bron- en contactonderzoek van de GGD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat personen die positief getest zijn op het coronavirus door de GGD standaard benaderd worden voor een bron- en contactonderzoek?
Het klopt dat personen die positief getest zijn op het coronavirus, waarvan de positieve uitslag is gemeld bij de GGD, door de GGD standaard benaderd worden voor een bron- en contactonderzoek.
Kunt u bevestigen dat dit een vrijwillig onderzoek betreft?
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat de GGD medewerkers instrueert om niet aanvankelijk mede te delen dat het bron- en contactonderzoek vrijwillig is en dit pas doet op moment dat iemand ernaar vraagt? Zo ja, hoe is die instructie tot stand gekomen en door wie en welke instantie is daartoe besloten?
De werkinstructies van de GGD'en zijn gebaseerd op het Protocol bron- en contactonderzoek van de Landelijk Coördinatie Infectieziekten (LCI). Deze werkinstructies stellen niet dat positief geteste personen pas geïnformeerd moeten worden dat het bron- en contactonderzoek vrijwillig is op het moment dat zij daarnaar vragen.
Bent u van mening dat mensen het recht hebben om te weten dat het bron- en contactonderzoek vrijwillig is? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om te zorgen dat mensen hiervan op de hoogte worden gesteld? Zo nee, waarom niet?
Deelname aan het bron- en contactonderzoek is vrijwillig. Dat zal ik op www.rijksoverheid.nl nogmaals onder de aandacht brengen. Daarbij wil ik benadrukken dat het van groot belang is dat mensen meedoen aan het bron- en contactonderzoek. Het doel van het bron- en contactonderzoek is namelijk meer zicht krijgen op het virus en de keten van besmettingen doorbreken. Ook dat zal ik blijvend onder de aandacht brengen.
Europese hulp aan het zwaar door het coronavirus getroffen India. |
|
Alexander Hammelburg (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de dramatische situatie in India, zoals ook beschreven in het bericht ««The system has collapsed»: India’s descent into Covid hell»1, alsmede met de oproep van onder andere Indiase virologen om hulp van de internationale gemeenschap, onder andere door exportbeperkingen voor grondstoffen op te heffen?2
Ja, ik ben met deze berichten bekend.
Bent u bereid India te helpen door het sturen van persoonlijke beschermingsmiddelen, medische apparatuur, zuurstofvoorzieningen en andere noodzakelijke schaarse middelen? Zo ja, wanneer verwacht u dit te kunnen doen?
Naar aanleiding van de COVID-ontwikkelingen verzocht India op 23 april jl. de internationale gemeenschap om hulp en samenwerking. In reactie daarop stuurt Nederland zuurstof-concentratoren, beademingsapparatuur en anti-virale middelen. De eerste van vier vluchten met deze middelen vertrok op donderdag 6 mei. Ook andere Europese landen sturen medische hulpgoederen. Het Emergency Response Coordination Centre van de EU coördineert de hulpverlening vanuit de EU-lidstaten.
Bij de nationale respons op de COVID-crisis speelt het Indiase Rode Kruis een centrale rol. Om dit werk te steunen, besloot de Minister voor Buitenlandse Handel en OS al op 25 april jl via het Nederlandse Rode Kruis EUR 1 miljoen ter beschikking te stellen, als onderdeel van in totaal 2,5 miljoen voor de bredere COVID-respons van de Internationale Rode-Kruisfederatie.
Als onderdeel van bredere steun aan de Access to COVID 19 Tools Accelerator (ACT-A) heeft Nederland ook een extra bijdrage van EUR 12 miljoen toegezegd aan het Global Fund for Aids, TB and Malaria (GFATM), ten behoeve van diagnostiek, geneesmiddelen en beschermingsmiddelen. Hiermee heeft Nederland ook bijgedragen aan de recente steun ter waarde van USD 75 miljoen die door het GFATM aan India is toegezegd.
Kunt u zich binnen de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) inzetten voor versnelling van de vaccinproductie in en leverantie naar India? Zo ja, kunt u dit toelichten?
De WHO staat in direct en nauw contact met India om de uitbraak daar het hoofd te bieden. De versnelling van vaccinproductie is een onderwerp dat de volle aandacht heeft van de WHO. Voor de mondiale coördinatie van aankoop en levering van COVID-19-vaccins heeft de WHO met een aantal partners het initiatief genomen voor de oprichting van COVAX, als onderdeel van de Access tot COVID-19 Tool Accelerator (ACT-A).
Twee weken geleden heeft Nederland een extra bijdrage van EUR 40 miljoen aan COVAX Advance Market Commitment (AMC) toegezegd, bovenop de eerdere steun die Nederland al heeft gegeven aan COVAX-AMC. De totale bijdrage van Nederland aan het internationale COVAX-AMC programma is daarmee EUR 70 miljoen. Hiermee draagt Nederland bij aan toegang tot veilige, effectieve en betaalbare vaccins voor landen die daar zelf geen of onvoldoende middelen voor hebben, waaronder India. Een deel van de bijdrage aan COVAX-AMC komt langs deze weg ten goede aan India. Zowel de Europese Commissie als Nederland zelf zijn lid van het bestuur van COVAX. Via deze rol zal Nederland steun uit blijven spreken voor COVAX in dit soort acute situaties, zodat ook landen als India en Brazilië voldoende worden geholpen. De totale bijdrage van de EU en haar lidstaten aan COVAX bedraagt momenteel EUR 2.2 miljard.
India is een belangrijke vaccinproducent en een grote leverancier van vaccins aan COVAX. Nu India de leveringen aan COVAX voorlopig heeft opgeschort spreekt onder andere de vaccinalliantie GAVI zorg uit dat leveringen wereldwijd ernstig belemmerd zullen worden. Dit zal met name een nadelig impact hebben op de landen in Afrika.
Kunt u – al dan niet in Europees verband – India steun aanbieden bij het versterken van de monitoring van virusvarianten door grootschalige genome sequencing, om zo de kennis van de eigenschappen van de Indiase virusvariant B.1617 snel te verbeteren?
Ja, het kabinet wil in Europees verband India steun aanbieden bij het versterken van de monitoring van virusvarianten door grootschalige genome sequencing, om zo de kennis van de eigenschappen van de Indiase virusvariant B.1617 snel te verbeteren. Afhankelijk van de behoefte zal het kabinet bezien wat Nederland kan betekenen.
Bent u bereid om – al dan niet in Europees verband – de Verenigde Staten te vragen de exportbeperking op noodzakelijke grondstoffen voor vaccins op te heffen, zodat in India de vaccinproductie sneller kan worden opgevoerd?
Op 25 april jl. hebben de Verenigde Staten de voor de Indiase vaccinindustrie relevante exportbeperkingen opgeheven.
Heeft u contact met medefinancieringsorganisaties die actief zijn in India over wat zij nodig hebben om in de huidige situatie Nederlands ontwikkelingsgeld in te zetten voor noodzakelijke hulp, gezien het feit dat Nederland geen directe ontwikkelingsrelatie met India heeft? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Ja, er is contact met brancheorganisatie van Nederlandse NGO’s, Partos, die in kaart brengt waar de Nederlandse ontwikkelingsorganisaties in deze situatie tegenaan lopen. Nederlandse organisaties uiten hun zorgen over de schrijnende situatie in India, de hoge druk op de gezondheidszorg en het tekort aan medische voorzieningen door de tweede COVID19-golf in het land. Onder andere Oxfam Novib en Plan Nederland zijn fondsenwervingsacties gestart voor de wereldwijde strijd tegen de COVID19-pandemie. Hierbij gaat speciale aandacht uit naar de situatie in India, om in te spelen op de hoge noden.
Het bericht dat een farmaceut zijn zakken vult met de hulp van minister De Jonge. |
|
Geert Wilders (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Farmaceut Roche vult zijn zakken met zelftesten, met hulp van Minister De Jonge»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Wat is uw reactie op de bewering dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bijzonder behulpzaam is geweest om farmaceut Roche een grote voorsprong te geven op de concurrentie?
Normaliter is het zo dat er voor de markttoelating van een zelftest op de markt eerst een beoordeling door een keuringsinstantie (notified body) moet plaatsvinden. De huidige ontheffingsprocedure is bedoeld om zelftesten versneld op de markt beschikbaar te maken. Het dossier dat beoordeeld wordt om te bepalen of dit veilig kan, is op hoofdlijnen vergelijkbaar met het dossier dat een notified body beoordeelt. Bij de ontheffingsprocedure zien we in zijn algemeenheid daardoor dat partijen die bij de start van de ontheffingsprocedure al ver waren in het traject bij een notified body een voorsprong hebben ten opzichte van andere partijen die dit traject pas net waren gestart.
In het artikel wordt verwezen naar een validatiestudie die rond de jaarwisseling in opdracht van de Landelijke Coördinatiestructuur Testcapaciteit is uitgevoerd. Deze studie was gericht op het onderzoeken in hoeverre mensen zonder ervaring in staat zijn om zichzelf met een antigeen-sneltest te testen en hiervoor zijn antigeen-sneltesten van Roche en Becton Dickinson gebruikt. In het artikel wordt de uitgevoerde studie een grote voorsprong genoemd. Dit deel ik niet. Voor het verkrijgen van een ontheffing is een validatiestudie noodzakelijk, maar dat kan ook een andere wijze verkregen worden. Bovendien is de studie slechts één onderdeel van het ontheffingsdossier. Roche heeft dus geen grote voorsprong verkregen. Dit blijkt ook uit het feit dat Roche gelijktijdig met een andere leverancier (Biosynex), die niet bij de studie betrokken was, een ontheffing verkregen heeft. Ook heeft Becton Dickinson, wiens antigeen-sneltest wel bij de studie betrokken was en daarmee dezelfde vermeende voorsprong zou hebben gehad, de ontheffing pas recentelijk verkregen, later dan Roche en Biosynex.
Hoe is de selectie van de zelftest van Roche gegaan? Aan welke criteria moest deze voldoen? Wie bepaalde dat? Wie nam hiertoe de beslissing?
Op 4 maart 2021 is de ontheffingsprocedure gestart. Leveranciers hebben de gelegenheid gekregen een ontheffing aan te vragen. Alle aanvragen worden conform dezelfde procedure beoordeeld2. Besluiten worden mede op basis van onafhankelijk advies van het RIVM en IGJ genomen en op de website van de rijksoverheid openbaar gemaakt.
Van onrechtmatigheden bij de inkoop heb ik u op de hoogte gesteld. In mijn stand van zakenbrief van 23 maart 2021 heb ik u geïnformeerd dat ik, om zo snel mogelijk voor het onderwijs over voldoende zelftesten te beschikken, Dienst Testen de opdracht gegeven heb om zelftesten aan te kopen waarbij het gelet op de tijd niet mogelijk was een aanbestedingsprocedure te doorlopen. Deze opdracht is gelijk verstrekt aan de vijf partijen waar Dienst Testen een raamovereenkomst mee heeft voor de aankoop van antigeentesten voor professionele afname. Roche is één van deze partijen. Het gaat hier om een order van 46,5 miljoen testen in totaal, derhalve voor iedere partij 9,3 miljoen testen. Bij Roche is in maart 2021 derhalve een order voor 9,3 miljoen testen (in 1 stuks verpakking) geplaatst onder de voorwaarde van tijdige verkrijgen van een CE-certificaat dan wel een ontheffing daartoe. Tegelijk heb ik de Dienst Testen verzocht een aanbesteding op te starten, zodat ook bij andere partijen zelftesten ingekocht kunnen worden.
Omdat in april bleek dat niet alle hiervoor genoemde vijf partijen tijdig een ontheffing of certificaat verkregen terwijl er wel op korte termijn behoefte was aan zelftesten ten behoeve van de scholen, zijn bij twee van de hiervoor genoemde vijf partijen en nog bij een andere partij die op dat moment inmiddels een ontheffing hadden extra testen besteld. Roche was één van deze partijen en heeft daarom in april nog een order gekregen van 4 miljoen testen in 25 stuks verpakking. In de stand van zakenbrief van 13 april 2021 heb ik uw Kamer over deze onrechtmatigheid geïnformeerd. Omdat daarna bleek dat er nog meer testen nodig zouden zijn, zijn de benodigde zelftesten vervolgens bij nog twee andere partijen ingekocht aan wie inmiddels ook een ontheffing was verleend, waarbij het aantal benodigde testen gelijkelijk is verdeeld onder deze twee partijen. In de stand van zakenbrief van 11 mei 2021 heb ik uw Kamer over deze onrechtmatigheid geïnformeerd.
Was van tevoren bekend dat er niet genoeg zelftests geleverd konden worden?
Vanwege de ernst van de crisis en de belangrijke bijdrage die zelftesten kunnen leveren aan het voorkomen van virusverspreiding vond ik het belangrijk dat zelftesten snel grootschalig beschikbaar zouden komen, onder andere om ze in te kunnen zetten in het onderwijs. Vanwege deze urgentie heb ik Dienst Testen in het belang van de volksgezondheid de opdracht gegeven om zelftesten in te kopen bij de vijf partijen waarmee Dienst Testen eerder een raamovereenkomst heeft gesloten voor de levering van antigeen-sneltesten voor professioneel gebruik.
Heeft de schaarste in het aanbod tot een hogere prijs geleid? Zo nee, wat was dan de reden dat de zelftest relatief duur werd aangeboden?
De prijs wordt mede beïnvloed door de beschikbaarheid. Mijn beeld is niet dat zelftesten relatief duur zijn ingekocht.
Waarom is de mega-order van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 46,5 miljoen euro aan zelftests niet aanbesteed? Van dwingende spoed was immers geen sprake, of wel? Kunt u een toelichting geven in uw antwoord?
In mijn antwoord op vraag 3 heb ik dit toegelicht.
In Duitsland lag al een maand eerder een zelftest in de schappen bij de Aldi, waarom is niet voor diezelfde test gekozen?
Een ontheffing wordt alleen per lidstaat verleend. Ik heb de opdracht gegeven om de zelftests in eerste instantie in te kopen bij 5 partijen waarmee Dienst Testen een raamovereenkomst heeft gesloten voor het leveren van antigeentesten voor professioneel gebruik, onder voorwaarde van het verkrijgen van een ontheffing via de procedure die op 4 maart hiervoor is geopend. Deze antigeentesten zijn uitgebreid door het RIVM gevalideerd op betrouwbaarheid en hier is ook zelf in teststraten ervaring mee opgedaan. Ook in andere EU lidstaten is dergelijke ervaring met deze testen. Parallel is Dienst Testen gestart met een aanbesteding waar ook andere partijen aan mee kunnen doen.
Hoe komt het dat er talloze zelftesten op de markt zijn, maar er nog maar zes gevalideerd zijn in Nederland (tegen veertig in Duitsland)?
Naar mijn weten zijn in Europa nu slechts enkele antigeen-sneltesten door een notified body goedgekeurd om als zelftest te gebruiken In aanvulling daarop hebben op dit moment zes leveranciers een ontheffing verkregen om hun antigeentest als zelftest op de markt te brengen. In omringende landen zijn vergelijkbare procedures. Zo zijn in Duitsland op dit moment aan zo’n 40 leveranciers een sonderzulassung verleend en hebben in België drie leveranciers een derogatie verkregen.
Het aantal ontheffingen is voor mij geen doel op zich. Doel van de ontheffingsprocedure is om zelftesten versneld beschikbaar te maken, omdat deze testen een belangrijke rol kunnen spelen bij het veilig openen van de samenleving, bijvoorbeeld via inzet in het onderwijs. Dit doel is met de huidige ontheffingen bereikt. Zelftesten zijn nu overal beschikbaar en worden sinds kort ook in het onderwijs ingezet. Fabrikanten of distributeurs die aan de voorwaarden van de ontheffing kunnen voldoen, kunnen daartoe nog steeds een aanvraag indienen.
Wie doet de validatie van de zelftests en is van tevoren gecontroleerd of er mogelijk belangenverstrengeling aanwezig is of zelfs maar het vermoeden daarvan?
Voor de ontheffingsaanvraag moeten validatiestudies aangeleverd worden, namelijk rapportages over analytische en klinische validatie waaruit de prestaties van de test bij zelfgebruik zonder begeleiding én bij professioneel gebruik volgen (de sensitiviteit en specificiteit). De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het overleggen dan wel uitvoeren van (de uitkomsten van) dergelijke studies.
De beoordeling van de gevraagde dossiers voor het aanvragen van een ontheffing is uitgevoerd door het RIVM en de IGJ.
Staat u nog steeds achter het ontraden van de motie-Wilders met het argument dat de onafhankelijkheid van OMT-leden vanzelfsprekend is?2
Ik sta hier volledig achter.
AstraZeneca en een nieuw advies van de Gezondheidsraad |
|
Lisa Westerveld (GL), Aukje de Vries (VVD), Attje Kuiken (PvdA), Jan Paternotte (D66), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de nadere analyse van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) van de data aangaande bijwerkingen van het AstraZeneca-vaccin, waarin het EMA constateert dat voor alle leeftijdscategorieen de voordelen van het vaccin opwegen tegen de nadelen, het besluit van België om de leeftijdsgrens van AstraZeneca (alsnog) naar 41 jaar te verlagen en het advies van de National Advisory Committee on Immunization (NACI) in Canada om AstraZeneca aan te bieden vanaf 30 jaar?1, 2, 3
Ja.
Bent u bereid om op basis van deze nieuwe data en inzichten de Gezondheidsraad om advies te vragen aangaande de beschikbaarheid van AstraZeneca andere leeftijd- of risicogroepen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de Gezondheidsraad op 26 april jl., gevraagd met spoed te adviseren of de nieuwe informatie van het EMA tot een heroverweging van de inzet van het AstraZeneca-vaccin leidt. Hierover heb ik uw Kamer diezelfde dag per brief geïnformeerd (Kamerstuk 25 295, nr. 1169).
Indien het antwoord op de tweede vraag positief is, bent u bereid de Gezondheidsraad ook te vragen te kijken naar de man/vrouw-verdeling in de incidenties en de mogelijkheid dat het vaccin door onderscheid te maken breder kan worden ingezet op basis van deze verdeling?
De Gezondheidsraad betrekt alle relevante wetenschappelijke informatie bij zijn adviezen. Het EMA en het CBG geven aan dat de risicofactoren die ten grondslag liggen aan deze zeer zeldzame bijwerking nog onbekend zijn. Hoewel bij vrouwen vaker melding is gedaan van de combinatie van stolselvorming en een verlaagd aantal bloedplaatjes, is niet duidelijk of vrouwen een groter risico lopen dan mannen. Mogelijk heeft dit ook te maken met het aantal mannen en vrouwen dat tot op heden een vaccinatie met het AstraZeneca-vaccin heeft ontvangen. Mocht hierover nieuwe informatie beschikbaar komen, dan zal ik de Gezondheidsraad vanzelfsprekend vragen dit te betrekken bij de adviezen.
Heeft u kennisgenomen van het alarm dat huisartsen slaan ten aanzien van een dreigende vaccinatiekloof? Zo ja, wat gaat u doen met de oproep van deze huisartsen om te zorgen voor meer eenduidige comminicatie en voorlichting? Welke rol kunnen gemeenten met welzijnswerkers en de regionale GGD hier in spelen?4
Ja. Het is goed dat aandacht wordt gevraagd voor de communicatie met kwetsbare mensen in de samenleving. We hebben de initiators van het manifest, dat afgelopen week werd gepubliceerd, uitgenodigd om met ons om de tafel te gaan om van gedachten te wisselen.
Deze week heeft dat gesprek plaatsgevonden. Bij dit gesprek waren vier huisartsen uit achterstandswijken in de grote gemeente aanwezig, een vertegenwoordiger uit een ziekenhuis, een hoogleraar Gezondheidswetenschappen en een vertegenwoordiger van GGD Utrecht. Er is uitgebreid gesproken over hun ervaringen, welke problemen zij tegenkomen in hun verschillende praktijken en welke aanpak vanuit de verschillende perspectieven succesvol zouden kunnen zijn. Daaruit kwam onder andere naar voren dat het belang is om dichtbij mensen te komen, door het aanspreken van het netwerk in de wijken en het inzetten van herkenbare figuren voor het delen van de vaccinatieboodschap.
Het gesprek wordt uitgewerkt en vervolgd.
Juist lokale partijen spelen een grote rol bij het bereiken van de toch soms moeilijker bereikbare doelgroepen. GGD-en, gemeenten, welzijnsorganisaties weten wat lokaal speelt en hoe de mensen geïnformeerd kunnen worden. Vanuit VWS ondersteunen we daar graag bij. Wekelijks stemmen we af met experts en organisaties die zijn gespecialiseerd in de communicatie met deze groepen, zoals Pharos, Stichting Lezen en Schrijven en ABC. Ook is er intensief contact met communicatieprofessionals van de vier grote steden en GGD-en in de regio’s met relatief grote groepen die baat hebben bij dergelijke voorlichtingsmiddelen. Natuurlijk bespreken we met hen wat al wordt ondernomen op lokaal of regionaal niveau en op welke manier het Rijk daarbij kan ondersteunen.
Vanuit VWS zijn al veel informatiemiddelen geproduceerd en verspreid. Het betreft materiaal dat geschikt is voor specifieke doelgroepen, zoals laaggeletterden, mensen met een lagere opleiding of een lagere sociaal economische status, mensen met een migratieachtergrond. Specifiek is een basisfolder in 13 talen vertaald, een praatplaat waarin met pictogrammen en eenvoudige tekst uitleg wordt gegeven over coronavaccinatie (ook vertaald in 7 talen) en een Steffie-module, die in eenvoudige taal uitleg geeft over vaccineren. Deze is ook vertaald in meerdere talen. Maar ook regionaal en gemeentelijk (door GGD-en en gemeenten) is al veel gedaan om de specifieke doelgroepen te informeren over vaccineren.
Vanaf mei wordt de grote groep Nederlanders gevaccineerd. Het is dan ook belangrijk dat nog meer vragen worden beantwoord in eenvoudige taal en andere talen. Daarom breiden we het pakket aan informatie- en voorlichtingmateriaal de komende weken steeds verder uit. Onder andere met informatiekaarten en filmpjes over onderwerpen waar veel vragen over zijn (zoals bijwerkingen, zwangerschap, vaccineren ja/nee).
Vanaf half mei zetten we sleutelpersonen vanuit verschillende gemeenschappen in om (online) bijeenkomsten te organiseren. Zo krijgen deze groepen informatie van mensen die zij vertrouwen en die hun taal spreken. Uit ervaring blijkt dat deze manier van informeren goed werkt. De voorlichters verspreiden de informatie over vaccineren (korte filmpjes, animaties, informatiekaarten) ook via Whatsappgroepen. Zo bereiken we o.a. Marokkaanse, Arabischtalige (o.a Iraakse, Syrische, Yemen, Soedanese), Turkse, Surinaamse, Caribische, Somalische, Bulgaarse / Hongaarse en vluchtelingen (diverse Afrikaanse landen) gemeenschappen.
Voor meer informatie zie o.a.:
Is er sprake van significante verschillen in vaccinatiebereidheid c.q. opkomst bij vaccinatie-afspraken per GGD-regio? Zo ja, kunt u deze verschillen verklaren?
De opkomst voor vaccinaties bij de GGD’en is hoog: slechts een half procent van de mensen die een afspraak maakt voor vaccinatie komt niet opdagen. De verschillen tussen de GGD-regio’s zijn minimaal.
Herkent u het beeld dat huisartsen regelmatig aangeven moeite hebben om mensen te hebben om ervan te overtuigen zich te laten vaccineren, met name in het geval van het AstraZeneca-vaccin? Hoe beoordeelt u in dit licht de uitspraken van de heer Van Delden in het Algemeen Dagblad van 24 april, en specifiek de uitspraak: «Als ik 66 zou zijn en de huisarts zou me bellen, zou ik me ook afvragen: vandaag AstraZeneca, of over twee of drie weken Pfizer?»5
Ja, de signalen van de huisartsen zijn bekend. Gezien de reacties die het interview oproept concludeer ik achteraf dat de woordkeuze ongelukkig is en dat mensen daardoor in verwarring zijn geraakt. Ik wil benadrukken dat dat nooit de bedoeling is geweest. De heer Van Delden heeft slechts willen aangeven dat men met een BioNTech/Pfizer prik na 6 weken volledig is gevaccineerd en bij AstraZeneca duurt dat 12 weken. Hij begrijpt dat dat voor mensen een afweging kan zijn om te kiezen voor een vaccin met een korter interval. Beide vaccins zijn effectief gebleken. Voor AstraZeneca heb ik op advies van de GR besloten dat dit vaccin ingezet kan worden bij mensen boven de 60. Inmiddels is gelukkig het grootste deel van de 60 plussers gevaccineerd. Voor het laatste deel van deze groep, mensen in de leeftijd 60–64 moet duidelijk zijn dat AstraZeneca een veilig en effectief vaccin is en zij door in te gaan op de oproep van de huisarts snel beschermd worden met een eerste prik.
Deelt u de mening dat hiermee nog meer verwarring wordt gezaaid over het prikken met AstraZeneca juist bij groepen mensen die het meest kwetsbaar zijn om in het ziekenhuis te belanden? Zo nee, waarom niet?6
De stelling van de heer van Delden is dat de miljoenen doses die Nederland dit jaar nog ontvangt grotendeels niet zal worden gebruikt. AstraZeneca is nog zeker tot de tweede helft van mei nodig om de groep 60–65 jarigen te vaccineren en daarna voor de tweede prik van dit leeftijdscohort. Ook voor tweede prikken van zorgmedewerkers is nog vaccin nodig.
Voorlopig zijn, uitgaande van alle toegezegde leveringen, alle vaccins nog nodig. Daarnaast is er nog altijd leveringsonzekerheid. Nu er inmiddels beschikking is over 4 verschillende vaccins betekent dit dat deze leveringsonzekerheid in de komende periode naar verwachting makkelijker opgevangen kan worden. Ondertussen werk ik met het RIVM verschillende scenario’s uit voor alternatieve inzet van het AstraZeneca-vaccin, waaronder inzet van AstraZeneca onder de 60 jaar met additionele informed consent. Ook heb ik de Gezondheidsraad op 26 april jl., gevraagd om nogmaals te adviseren over de inzet van dit vaccin.
Hoe beoordeelt u verder de stelling van de heer Van Delden dat de doses AstraZeneca die na half mei geleverd kunnen worden niet meer voor Nederland nodig zijn? Deelt u de mening dat de eerdere leveringsonzekerheden en prikpauzes juist aantonen dat je altijd met onzekerheden rekening moet houden in plaats van de meest gunstige scenario’s? Zo nee, waarom niet?
Dit is helaas niet gelukt.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk voor donderdag 29 april aanstaande beantwoorden?
Het vaccinatiebeleid |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit interview met twee artsen: «Pleidooi: beter niet iedereen vaccineren, het coronavirus verdwijnt namelijk toch niet» in het Brabants Dagblad van 26 maart jl.?1
Ja
Bent u het eens met de bewering dat het virus misschien ook nog overgedragen kan worden na vaccinatie? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van onderzoeken naar virustransmissie na vaccinatie zijn nog beperkt beschikbaar, de reeds beschikbare studies laten zien dat vaccinatie de transmissie verminderd. Op 21 april jl. heeft het Europees Centrum voor ziektepreventie en bestrijding (ECDC) een tussentijds richtsnoer gepubliceerd met betrekking tot de effecten van volledige vaccinatie op de overdracht van het virus. Hierin geeft het ECDC aan dat het restrisico voor transmissie dat een volledig gevaccineerd persoon vormt, als zeer laag kan worden beoordeeld. Gebaseerd op de voorlopige resultaten van beschikbare studies is de verwachting dat vaccinatie het aantal dagen dat iemand besmettelijk is sterk zal inkorten. Bovendien wordt verwacht dat vooral ook door de vermindering van klachten bij mensen, zoals hoesten en niezen, de transmissie wordt beperkt. Aannemelijk is dat vaccinatie leidt tot een reductie van transmissie, maar niet tot steriele immuniteit. Dus het risico wordt niet nul. Ook asymptomatische patiënten, ook indien gevaccineerd, kunnen een mogelijke bron van overdracht van SARS-CoV-2 zijn. Voorkomen van transmissie hangt ook samen met het type vaccin, leeftijd, de virusvariant, lokale omstandigheden, vaccinatiegraad en bijvoorbeeld het seizoen af. Op 2 maart is de Gezondheidsraad om advies gevraagd met betrekking tot transmissie na vaccinatie. De Gezondheidsraad is gevraagd te adviseren over wat de verwachting is over het effect van vaccinatie op de transmissie van SARS-CoV-2 in Nederland en hoe dit beoordeeld moet worden in de internationale context waarin verspreiding kan blijven plaatsvinden. Ik verwacht dat de GR mij hier in de tweede helft van mei over adviseert.
Bent u het eens met de bewering dat vaccins niet tegen alle varianten werkzaam zullen zijn? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van lopende studies wijzen erop dat de in Nederland beschikbare vaccins werkzaam zijn tegen de meest voorkomende nu circulerende varianten van het SARS-CoV-2 virus in Nederland. Het is de verwachting dat de vaccins ook in de nabije toekomst bescherming bieden tegen ernstige ziekte en sterfte door COVID-19. Het is echter van belang om de evolutie van het virus in de gaten te houden, zodat tijdig kan worden ingespeeld op toekomstige virusvarianten die mogelijk (gedeeltelijk) in slagen de huidige vaccins te omzeilen. Indien in de toekomst virusvarianten ontstaan die resistent zijn tegen de huidige vaccins, dan zouden de vaccins aangepast moeten worden. Farmaceuten leggen momenteel de basis voor een snelle respons in dit kader.
Is Zuid-Afrika gestopt met het toedienen van AstraZeneca-vaccins omdat dit vaccin niet werkzaam bleek te zijn tegen de Zuid-Afrikaanse variant? Wat betekent dit voor het gebruik van AstraZeneca in Nederland nu de Zuid-Afrikaanse variant ook hier aanwezig is? Zijn Nederlanders die zijn geïnjecteerd met AstraZeneca wel of niet tegen deze variant beschermd?
Hoe de Zuid-Afrikaanse variant van het virus reageert op de huidige vaccins, wordt momenteel wereldwijd onderzocht. Uit een kleine studie bij 2000 mensen in Zuid-Afrika kwam naar voren dat het AstraZeneca-vaccin mogelijk minder effectief is tegen milde en matige ziekte door de Zuid-Afrikaanse variant. Het is mogelijk dat het vaccin wel goede bescherming biedt tegen ernstige ziekte en sterfte veroorzaakt door de Zuid-Afrikaanse variant van het virus. Dit moet echter nog blijken uit grootschalige studies die lopen. Naar aanleiding van berichten over verminderde werkzaamheid van het vaccin in Zuid-Afrika, werd het OMT in februari om advies gevraagd over de inzet van het vaccin in Nederland. Het vaccin werkt wel tegen de nu meest voorkomende varianten in Nederland. Het OMT adviseerde daarom om het vaccin in te zetten, omdat de winst die behaald kan worden door het vaccin in deze fase van de pandemie opweegt tegen de onzekere werkzaamheid van het vaccin tegen ernstige COVID-19 veroorzaakt door de Zuid-Afrika variant. De situatie wordt uiteraard verder opgevolgd en de resultaten van lopend onderzoek zullen worden meegenomen wanneer deze beschikbaar zijn. Door laboratoriumonderzoek houdt het RIVM ook in de gaten hoe de Zuid-Afrika variant zich in Nederland verspreidt.
Bent u het eens met de bewering dat zodra de hele bevolking wordt gevaccineerd, varianten die ongevoelig voor dit vaccin zijn dominant (en dus in feite uitgeselecteerd) zullen worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, betekent dit dan niet automatisch dat de huidige vaccins geen bescherming zullen bieden tegen varianten van het virus die in de toekomst dominant zullen worden? Zullen voor deze nieuwe varianten weer nieuwe vaccins moeten worden ontwikkeld?
Als een virus zich vermenigvuldigt, zal het steeds een heel klein beetje veranderen. Meestal is die verandering (of mutatie) zo klein dat het bijna geen invloed heeft op hoe ziek je wordt en hoe het virus zich verspreidt. Soms zorgt een verandering er wel voor dat een virus zich anders gedraagt en bijvoorbeeld makkelijker verspreidt. Het RIVM houdt veranderingen in het coronavirus en de gevolgen ervan goed in de gaten.
Van veel virussen is bekend dat ze vaak veranderen. Van het coronavirus zijn al duizenden varianten. In het laboratorium onderzoekt het RIVM welke varianten er in Nederland zijn en wat dat betekent voor de verspreiding in Nederland. Het is vooral belangrijk om te weten of de varianten die rondgaan ook nieuwe eigenschappen hebben die extra risico’s met zich meebrengen. Bijvoorbeeld omdat ze makkelijker overgedragen worden, omdat mensen er zieker van worden, of omdat de virusvarianten minder goed op vaccinatie reageren.
Het RIVM houdt alle varianten nauwlettend in de gaten en zal hierop acteren als dit nodig is.
Bent u het eens met de bewering dat de lange termijn bijwerkingen van de vaccins nu nog onbekend zijn? Zo nee, wat zijn dan die bijwerkingen en hoe weet u dit?
Allereerst is het belangrijk om te weten dat het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen een vaccin alleen goedkeurt als de werkzaamheid, kwaliteit én veiligheid voldoende is aangetoond. Daarom is fase 3 van de klinische studies zo belangrijk.
Tijdens de klinische studies wordt het vaccin in meerdere fases op grote groepen mensen getest, in de laatste fase (fase 3) vaak op tienduizenden mensen. Bij een coronavaccin zijn dit er nu zelfs veel meer dan bij andere vaccins, zo tussen de 30.000 en 60.000 mensen. Dankzij deze studies kunnen we zien of én welke mogelijke bijwerkingen kunnen optreden. De meeste bijwerkingen worden binnen zes weken na vaccinatie zichtbaar. Deze worden dan tijdens de klinische studies opgepikt, als ze niet zeer zeldzaam zijn.
De kans op ernstige bijwerkingen nadat het vaccin is goedgekeurd, is dus klein. Deze vaccins hebben we nog niet heel lang kunnen volgen, waardoor het nooit helemaal uit te sluiten valt. Dit geldt trouwens niet alleen voor het coronavaccin. Daarom worden vaccins, ook na goedkeuring, op de langere termijn heel goed in de gaten gehouden. Voor het coronavaccin is daarom een speciaal Europees bewakingssysteem opgezet. Zo kan snel ingegrepen worden indien dat nodig is.
Bent u het eens met de bewering dat vaccins mogelijk het aanmaken van antistoffen door het lichaam voor toekomstige mutaties zou kunnen gaan bemoeilijken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, neemt u dan geen groot risico voor de volksgezondheid door de hele bevolking te laten vaccineren?
Wanneer iemand ziek wordt van een nieuw of gemuteerd virus, kan het lichaam altijd reageren door nieuwe afweer aan te maken. De kans bestaat echter wel dat je eerst ziek wordt.
Het is daarom van groot belang om een zo groot mogelijk deel van de bevolking te vaccineren tegen COVID-19. COVID-19 richt niet alleen grote schade aan bij de kwetsbaren binnen onze bevolking, maar ook bij gezonde mensen. Het is gebleken dat een deel van de samenleving (jong en oud) ernstig ziek kan worden en sommigen ook langdurig klachten kunnen houden na een doorgemaakte infectie.
Bent u het eens met de bewering van beide artsen dat het onverstandig is de gehele bevolking te vaccineren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Farmaceut Roche vult zijn zakken met zelftesten, met hulp van minister De Jonge' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Farmaceut Roche vult zijn zakken met zelftesten, met hulp van Minister De Jonge»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u toelichten waarom de order die het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in maart bij Roche plaatste van 46,5 miljoen zelftesten, niet is aanbesteed?
Ik heb uw Kamer eerder over deze onrechtmatige inkoop geïnformeerd. In mijn stand van zakenbrief van 23 maart 2021 heb ik u geïnformeerd dat ik, om zo snel mogelijk voor het onderwijs over voldoende zelftesten te beschikken, Dienst Testen de opdracht gegeven heb om zelftesten aan te kopen waarbij het gelet op de tijd niet mogelijk was een aanbestedingsprocedure te doorlopen. Deze opdracht is gelijk verstrekt aan de vijf partijen waar Dienst Testen een raamovereenkomst mee heeft voor de aankoop van antigeentesten voor professionele afname. Roche is één van deze partijen. Het gaat hier om een order van 46,5 miljoen testen in totaal, voor iedere partij 9,3 miljoen testen. Bij Roche is in maart 2021 een order voor 9,3 miljoen testen (in 1 stuks verpakking) geplaatst onder de voorwaarde van tijdig verkrijgen van een CE-certificaat dan wel een tijdelijke ontheffing. Tegelijk heb ik de Dienst Testen verzocht een aanbesteding op te starten, zodat ook bij andere partijen zelftesten ingekocht kunnen worden.
Omdat in april bleek dat niet alle hiervoor genoemde vijf partijen tijdig een ontheffing of certificaat verkregen terwijl er wel op korte termijn behoefte was aan zelftesten ten behoeve van de scholen, zijn bij twee van de hiervoor genoemde vijf partijen en nog bij een andere partij die op dat moment inmiddels een ontheffing hadden extra testen besteld. Roche was één van deze partijen en heeft daarom in april nog een order gekregen van 4 miljoen testen in 25 stuks verpakking. In de stand van zakenbrief van 13 april 2021 heb ik uw Kamer over deze onrechtmatigheid geïnformeerd. Omdat daarna bleek dat er nog meer testen nodig zouden zijn, zijn de benodigde zelftesten vervolgens bij nog twee andere partijen ingekocht aan wie inmiddels ook een ontheffing was verleend, waarbij het aantal benodigde testen gelijkelijk is verdeeld onder deze twee partijen. In de stand van zakenbrief van 11 mei 2021 heb ik uw Kamer over deze onrechtmatigheid geïnformeerd.
Hoeveel geld heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport betaald voor deze order?
Voor de totale order van 46,5 miljoen testen is een bedrag van ruim 300 miljoen euro gemoeid.
Kunt u toelichten waarom in Nederland pas zes fabrikanten een ontheffing voor hun sneltesten hebben gekregen, terwijl in Duitsland ruim veertig fabrikanten deze ontheffing hebben gekregen?
Een ontheffing wordt alleen per lidstaat verleend. Iedere lidstaat weegt zelf af of, en onder welke voorwaarden het verantwoord is een ontheffing te verlenen. Zo zijn in Duitsland op dit moment aan zo’n 40 leveranciers een sonderzulassung verleend en hebben in België drie leveranciers een derogatie verkregen.
Het aantal ontheffingen is voor mij geen doel op zich. Doel van de ontheffingsprocedure is om zelftesten versneld beschikbaar te maken vooruitlopend op het verkrijgen van een CE-markering, omdat deze testen een belangrijke rol kunnen spelen bij het veilig openen van de samenleving, bijvoorbeeld via inzet in het onderwijs. Dit doel is met de huidige ontheffingen bereikt. Zelftesten zijn nu overal beschikbaar en worden ook in het onderwijs ingezet. Fabrikanten of distributeurs die aan de voorwaarden van de ontheffing kunnen voldoen, kunnen daartoe nog steeds een aanvraag indienen.
Hoe verklaart u dat Roche zoveel sneller dan andere producenten een ontheffing heeft gekregen?
Normaliter is het zo dat er voor de markttoelating van een zelftest op de markt eerst een beoordeling door een keuringsinstantie (notified body) moet plaatsvinden. De huidige ontheffingsprocedure is bedoeld om zelftesten versneld op de markt beschikbaar te maken. Het dossier dat beoordeeld wordt om te bepalen of dit veilig kan is op hoofdlijnen vergelijkbaar met het dossier dat een notified body beoordeelt. Bij de ontheffingsprocedure zien we in zijn algemeenheid daardoor dat partijen die bij de start van de ontheffingsprocedure al ver waren in het traject bij een notified body een voorsprong hebben ten opzichte van andere partijen die dit traject pas net waren gestart.
Voorts wil ik het beeld rechtzetten dat Roche veel sneller dan anderen een ontheffing verkregen heeft. Roche heeft gelijktijdig met Biosynex een ontheffing verkregen. Ook in België, waar een vergelijkbaar ontheffingstraject bestaat, waren dit de eerste twee partijen die zogenaamde derogaties verkregen.
Waarom is na de marktconsultatie van maart niet overgegaan op het aanbesteden van het aankopen van zelftesten?
In antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat ik om het onderwijs tijdig met zelftesten te kunnen bedienen de opdracht aan Dienst Testen gegeven heb om zelftesten in te kopen bij leveranciers met een raamovereenkomst voor professionele testafname en dat ik Dienst Testen heb gevraagd om parallel een aanbestedingstraject op te starten.
Hoe reflecteert u op het aanbestedingsbeleid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ten opzichte van deze zelftesten?
Er was een grote urgentie om fysiek onderwijs zo veilig mogelijk voor docenten, leerlingen en studenten mogelijk te maken. Gelet op de ernst van de crisis heeft uw Kamer mij eerder verzocht om alles in het werk te stellen om zo snel en zo veel als mogelijk sneltesten in te kopen en daarbij naar overcapaciteit te streven. Toen duidelijk werd dat zelftesten daar een bijdrage aan konden leveren (na validatie van de zelftesten en het advies van de expertgroep onder leiding van de heer van der Zande) heb ik besloten zo snel mogelijk zelftesten in te kopen. In eerste instantie heb ik een gelijke opdracht geplaatst bij de 5 bedrijven met wie het ministerie een raamovereenkomst heeft afgesloten voor antigeentesten voor professionele afname op basis van een eerdere aanbesteding. Het Ministerie van VWS streeft met haar beleid na om voldoende testcapaciteit beschikbaar te maken en hierbij zoveel mogelijk de geldende aanbestedingsregels te volgen. In het belang van de volksgezondheid is dit door tijdsdruk echter niet altijd mogelijk.
Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om de zelftesten van Roche te prioriteren in dit proces?
In antwoord op vraag 2 heb ik u toegelicht dat dit niet het geval is.
De overtreding van de coronaregels bij een kalverslachthuis in Apeldoorn |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wanneer hoorde u het bericht dat positief geteste medewerkers bij kalverslachthuis ESA in Apeldoorn op donderdag 22 april niet naar huis werden gestuurd om in quarantaine te gaan, maar gewoon werden binnengelaten?1
De Minister van LNV heeft mij donderdagochtend 22 april 2021 geïnformeerd dat de NVWA haar werkzaamheden op deze locatie heeft gestaakt.
Kunt u uitsluiten dat deze slachthuismedewerkers, ondanks de aangetoonde coronabesmettingen, aan het werk zijn gegaan? Zo ja, op basis waarvan kunt u dat uitsluiten en waarom werden zij dan toegelaten tot het slachthuis?
Nee, dat kan ik niet uitsluiten. De richtlijn in het plan van aanpak van het betreffende bedrijf, waar dit slachthuis onderdeel van is, is dat een positieve test voor COVID-19 leidt tot: niet op het terrein komen en in thuisisolatie gaan. De GGD Noord- en Oost-Gelderland heeft in deze een adviserende rol en voert bron- en contactonderzoek (BCO) uit nadat een besmetting heeft plaatsgevonden.
Naar aanleiding van een aantal positief geteste medewerkers eerder die week heeft het bedrijf besloten om op 22 april jl. sneltesten uit te voeren aan de poort. De NVWA heeft geconstateerd dat positief geteste medewerkers vervolgens werden toegelaten in het bedrijf om hun persoonlijke eigendommen op te halen. Tevens nam het slachthuis onvoldoende maatregelen om te voorkomen dat positief geteste medewerkers in contact konden komen met dierenartsen van de NVWA en hun officiële assistenten in dienst van KDS. Dat was de aanleiding voor de NVWA om de werkzaamheden op deze locatie te staken.
Indien u dit niet kunt uitsluiten, wordt onderzocht of er sprake was van druk vanuit de werkgever om aan het werk te gaan? Zo ja, door wie? Wanneer verwacht u hiervan de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Uit het bron- en contactonderzoek dat de GGD heeft uitgevoerd bij positief geteste medewerkers van het slachthuis is niet naar voren gekomen dat het bedrijf en/of het uitzendbureau medewerkers had verplicht om ondanks klachten naar het werk te komen.
Door de aard van de gesprekken die hiervoor gevoerd worden, is niet te achterhalen of druk vanuit een werkgever heeft gespeeld. De GGD maakt bij de uitvoering van BCO gebruik van professionele tolken en zo min mogelijk van tolken in dienst van inleenbedrijven, om hiermee de invloed van sociale druk zo veel mogelijk te verlagen.
Deelt u de mening dat er sprake is van het doelbewust in gevaar brengen van de volksgezondheid als de werkgever deze medewerkers zou hebben gedwongen om na een positieve testuitslag aan het werk te gaan? Zo ja, wat gaat u hier mee doen?
Het is van belang dat de bevoegde autoriteiten goed zicht krijgen en houden op eventuele dwang en van wie die dwang uitgaat (slachthuis, uitzendbureau of een andere partij). Ik roep daarom medewerkers met concrete ervaringen op om aangifte te doen bij politie of om zich te melden bij de Inspectie SZW. Hoewel de Inspectie SZW niet over de volksgezondheid gaat, kan zij wel handhavend optreden tegen overtredingen in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet, bijvoorbeeld als de werkgever geen adequate maatregelen neemt of wanneer sprake is van dwang.
Hoeveel besmettingen zijn er die donderdagochtend geconstateerd bij ESA, naast de tien besmettingen die op dat moment al bekend waren? Hoeveel medewerkers zijn er op dat moment in totaal getest?
Op dat moment waren 8 positief geteste personen bij de GGD bekend. Daarnaast zijn nog 20 personen positief getest. In totaal zijn op 22 en 23 april 2021 249 medewerkers getest.
Heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het afgelopen jaar meer overtredingen van de coronaregels geconstateerd bij dit slachthuis? Zo ja, hoe vaak en welke?
De NVWA is verantwoordelijk voor het veterinaire toezicht op slachthuizen. Onder deze verantwoordelijkheid van de NVWA verricht KDS de keuringswerkzaamheden. Zowel NVWA als KDS zijn onder andere op grond van de Arbeidsomstandighedenwet als werkgever verantwoordelijk voor de veiligheid van hun eigenpersoneel dat op de slachthuizen wordt ingezet. Bij niet-naleving van corona-maatregelen worden vanuit de oren- en ogenfunctie van de NVWA signalen gedeeld met de Inspectie SZW.
In de hoedanigheid van werkgever heeft de NVWA in oktober 2020 en nadien in januari 2021 onderzoek laten verrichten door een arbeidshygiënist. Beide onderzoeken gaven aan dat er positieve en verbeterpunten waren bij dit slachthuis, maar dat er voor de NVWA en KDS geen sprake was van een structureel onveilige werkplek.
Na het staken van de werkzaamheden op deze locatie op 22 april jl. door de NVWA heeft de Veiligheidsregio – mede namens de NVWA, Inspectie SZW, gemeente, GGD en LOT-C met het Samenwerkingsplatform arbeidsmigranten en COVID-19 – per brief van 26 april 2021 de directie aangegeven aan welke voorwaarden van de toezichthouders en de GGD moet worden voldaan voordat weer tot opening kon worden overgegaan. Na een schouw op 28 april jl. is het werk op 29 april jl. weer hervat met alleen de negatief geteste medewerkers. Daarnaast is in overleg met de GGD op de bedrijven een teststraat ingericht. Tenslotte zijn door het bedrijf extra toezichthouders aangesteld die toezien op het handhaven van de coronamaatregelen.
Op 4 mei 2021 is bij een inspectie door de Inspectie SZW echter geconstateerd dat geen of onvoldoende opvolging heeft plaatsgevonden van zaken die tijdens genoemde schouw op 28 april jl. zijn besproken. Hierop heeft de Inspectie SZW handhavend opgetreden. Vanuit de NVWA en KDS is eenzelfde beeld teruggekoppeld in het integrale afstemmingsoverleg van genoemde partijen. Deze bevindingen hebben geleid tot een brief aan het bedrijf. Het bedrijf, waar ESA onderdeel vanuit maakt, heeft vervolgens zelfstandig besloten de activiteiten bij ESA per 5 mei te staken, omdat het bedrijf meer tijd nodig heeft om beschermende maatregelen adequaat in te voeren.
Na doorvoeringen van enkele maatregelen, die onder andere toezien op het opleiden en aansturen van ingehuurde corona-toezichthouders en aanpassingen in gangpaden, kleedruimtes, productieafdelingen en hygiënesluizen, zijn de werkzaamheden op 6 mei 2021 weer opgestart.
De bevoegde partijen monitoren gezamenlijk de situatie nauwgezet en stemmen verdere acties, waaronder het inroepen van artikel 58l (zorgplicht besloten plaatsen) van de Wet publieke gezondheid, indien noodzakelijk af.
Kunnen de kalfjes die al bij het slachthuis waren aangekomen toen het slachtproces werd stilgelegd, zo snel mogelijk elders worden ondergebracht?
In de aanvoerhal stonden op het moment van stilleggen van de werkzaamheden door de NVWA nog 14 kalveren die daar verzorgd werden. Deze hebben donderdag 22 april jl. met toestemming van de NVWA het bedrijf verlaten.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
Ik heb mij ingespannen om deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Het dragen van mondkapjes en de mondkapjesverplichting |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de negatieve gevolgen, zowel lichamelijk als psychisch, van het dragen van mondkapjes, zoals aangetoond in talloze onderzoeken1 en via een kritisch advies van het RIVM (over het gebruik van mondkapjes)? Bent u bekend met de grote financiële gevolgen van op straat rondslingerende en in het riool terechtgekomen mondkapjes?2 Bent u bekend met de enorme schade aan natuur en milieu die achteloos weggegooide mondkapjes opleveren?3 Bent u bekend met de studie4 die laat zien dat na het invoeren van een mondkapjesplicht het aantal doden lijkt toe in plaats van af te nemen? Vindt u het dragen van mondkapjes gezien al deze onderzoeksresultaten nog te verantwoorden, gezien ook het RIVM aangeeft dat niet-medische mondkapjes waarschijnlijk niet of beperkt werken bij het voorkomen van besmettingen? Zou, gezien deze onderzoeksresultaten, niet zo snel mogelijk een landelijk verbod (in plaats van gebod) op (niet-medische) mondkapjes moeten worden ingevoerd?
Het dragen van mondkapjes levert, in combinatie met andere (basis)maatregelen, een bijdrage aan het tegengaan van het verspreiden van het Coronavirus. De maatregel van de mondkapjesplicht is in lijn met algemeen aanvaarde standaarden van de WHO, het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en een groot aantal andere landen in de wereld. Daarbij is het van belang dat mensen hun mondkapje op de juiste wijze dragen. Het RIVM wijst erop dat het correct dragen van mondkapjes nog verbetering behoeft. Communicatie is erop gericht om mensen te informeren over hoe een mondkapje op de juiste wijze gedragen zou moeten worden en mensen bewust te maken van het belang van het goed dragen van mondkapjes.
Het achterlaten van mondkapjes in de natuur of openbare ruimte is onwenselijk. Net zoals dat is voor ander afval. Als mensen mondkapjes weggooien dan horen deze thuis bij het restafval en de gewone prullenbakken in de openbare ruimte. Gemeenten en rijksoverheid attenderen mensen hierop. Er zijn daarom campagnes op gericht, ook vanuit milieuorganisaties. We blijven hiervoor aandacht vragen.
Op vrijdag 18 juni 2021 heeft het kabinet versoepelingen aangekondigd. Een onderdeel van de versoepelingen is dat de mondkapjesplicht is aangepast. De mondkapjesplicht voor publieke binnenruimten vervalt. De mondkapjesplicht blijft op basis van de adviezen van het OMT wel gelden in het voortgezet onderwijs, het openbaar vervoer, ander bedrijfsmatig personenvervoer en de luchtvaart.
Kunt u uitleggen, gezien het feit dat mondkapjes vorig jaar rond deze tijd werden afgeraden, hoe de mondkapjesplicht uiteindelijk toch tot stand is gekomen?
Het kabinet en uw Kamer hebben over de inzet van mondkapjes in het najaar van 2020 verschillende debatten met elkaar gevoerd. De afweging is gemaakt de bijdrage van het dragen van mondkapjes niet onbenut te laten. In combinatie met een aantal andere maatregelen kunnen mondkapjes een functie hebben in het tegengaan van verspreiding van het virus. Het dragen van mondkapjes is, na het aanvankelijke dringende advies, per december verplicht geworden. Afweging hiervoor is de gewenste duidelijkheid in de samenleving en de handhaafbaarheid van de maatregel. Het draagvlak voor deze maatregel en de naleving ervan is hoog gebleken.
Is het mogelijk dat de verspreiding van het coronavirus op termijn door onbedoelde gedragseffecten, zoals het met de hand vaker aanraken van mond en neus om het mondkapje recht te zetten of te verplaatsen, juist wordt bevorderd door het gebruik van mondkapjes? Indien dit nog onbekend is, bent u bereid dit soort onbedoelde en schadelijke gedragseffecten door het dragen van mondkapjes te laten onderzoeken?
In een eerder stadium heeft het NSCR gekeken naar gedragseffecten van het dragen mondkapjes. Hieruit bleek dat het dragen van mondkapjes niet zorgt voor onvoorzichtiger gedrag. Ook bleek niet dat mensen vaker of minder vaak hun gezicht aanraken.
Vindt u het verstandig om een onderzoek in te stellen naar andere mogelijk nog onbekende (negatieve) neveneffecten van het dragen van mondkapjes, gezien de snelle adoptie en het wijdverspreid gebruik van mondkapjes in onze samenleving? Kunt u bijvoorbeeld onderzoek doen naar de gevaren van het loslaten van vezels van de mondkapjes die vervolgens ingeademd kunnen worden? Wat zijn de gevaren van de toenemende bacteriële groei op het mondkapje na langdurig gebruik?
Het is belangrijk dat mensen hun mondkapje goed dragen en de adviezen hierover goed opvolgen. Dat voorkomt eventuele hinder of overlast die met het gebruik gepaard kunnen gaan. Tegen deze achtergrond is ook een NEN-specificatie gepubliceerd. Langdurig gebruik van mondkapjes wordt ontraden. Ik zie geen aanleiding voor nader onderzoek naar neveneffecten en/of de gevaren van bacteriële groei op mondkapjes na langdurig gebruik.
Kunt u een onderzoek instellen naar de psychologische en sociale effecten van het dragen van mondkapjes?
Ik zie geen meerwaarde in een onderzoek naar psychologische en sociale effecten van het dragen van mondkapjes. De coronamaatregelen in algemene zin hebben een grote maatschappelijke en sociale impact. De mondkapjesplicht heeft ook impact op ons leven. Tegelijkertijd weten we dat het draagvlak voor de maatregel hoog is en dat vertaalt zich ook in een goede naleving. Dit blijkt uit het gedragsonderzoek van het RIVM (www.rivm.nl/gedragsonderzoek). Mensen die vanwege een beperking of aandoening geen mondkapje kunnen dragen, zijn uitgezonderd van de plicht. Zij worden hiermee ontzien van fysieke en psychische last.
Kunt u het RIVM om een (korte) inhoudelijke reactie vragen op het artikel genoemd in de eerste voetnoot?
Het genoemde artikel «Facemasks in the COVID-19 era: A health hypotheses» somt verschillende studies kort op, zonder deze te vergelijken en opnieuw te analyseren. Het RIVM kan niet al deze los genoemde en geciteerde studies nader beoordelen. Het huidige standpunt van het RIVM over de effectiviteit en het gebruik van mondneusmaskers kunt u vinden op Mondkapjes en handschoenen | RIVM.
Tot slot, kunt u wellicht een indicatie geven hoeveel procent van het zorgpersoneel dat uit voorzorg in quarantaine gaat naderhand ook daadwerkelijk besmet bleek te zijn met het coronavirus?
Er is geen landelijke registratie van alle zorgmedewerkers die in quarantaine zijn. Wel is bekend dat van de zorgmedewerkers die sinds 1 februari 2021 in de GGD-teststraten getest zijn in het kader van bron- en contactonderzoek (en waarvan een groot deel in quarantaine zal zijn) ongeveer 6,5% een positieve testuitslag had. Dit is 6,3% voor ziekenhuismedewerkers, 7,0% voor medewerkers van verpleeg- en verzorgingshuizen en 6,5% voor overige zorgmedewerkers, zie tabel 18 uit de wekelijkse COVID-19 update van het RIVM van 27 april.
Vaccinatiedwang en vaccinatiedrang met name in relatie tot de invoering van de ‘Digital Green Pass’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wanneer is er volgens u sprake van vaccinatiedwang? Kunt u dit wellicht met een concreet voorbeeld illustreren?
Ik vind het belangrijk dat het een vrije keuze is en blijft voor mensen om zich te laten vaccinerenen. De Wet publieke gezondheid (Wpg) biedt ook geen mogelijkheid om iemand onder dwang te vaccineren. Volgens het advies van de Gezondheidsraad van 4 februari jl. is er sprake van dwang wanneer iemand tegen zijn wil wordt genoodzaakt iets te doen of te laten. Vaccinatiedwang betekent dat, met tussenkomst van de rechter, iemand tegen zijn wil wordt gevaccineerd, ook als hij zich (fysiek) verzet. Hiervan is geen sprake in Nederland, waardoor ik geen concreet voorbeeld uit de praktijk kan geven.
Wanneer is er volgens u sprake van vaccinatiedrang? Kunt u dit wellicht ook met een concreet voorbeeld illustreren?
Vanwege de bescherming van de volksgezondheid en de mogelijkheid de samenleving weer te openen, acht ik het van groot collectief belang om deelname aan het vaccinatieprogramma te stimuleren, maar het moet een vrije keuze blijven voor mensen om zich te laten vaccineren. Ik wil ook aansturen op het voorkomen van drang bij de vaccinatiecampagne. Dus ik wil voorkomen dat de beslissingsruimte van iemand wordt ingeperkt of zodanig wordt beïnvloed dat diegene feitelijk minder keuzevrijheid heeft. Eventueel wantrouwen bij mensen wordt niet weggenomen door dwang en verplichtingen. In de overheidscampagnes blijf ik dan ook inzetten op milde vormen van gedragsbeïnvloeding die de keuzevrijheid van mensen niet beperken. Een voorbeeld van vaccinatiedrang schets de Gezondheidsraad in haar advies van 4 februari jl. Zo geeft de Gezondheidsraad aan dat er sprake is van drang wanneer bijvoorbeeld sprake is van verhoging van de zorgpremie of verhoging van de (inkomens)belasting voor niet-gevaccineerden.
Klopt het dat, volgens het kabinet, vaccinatiedwang en vaccinatiedrang allebei onacceptabel zijn?
Zoals ik aangeef bij de beantwoording van vraag 2, vind ik het van groot collectief belang om deelname aan het vaccinatieprogramma te stimuleren, maar het moet een vrije keuze blijven voor mensen om zich te laten vaccineren. Er mag geen sprake zijn van een coronavaccinatieplicht, zonder dat er enige keuzevrijheid is (vaccinatiedwang). Ook wil ik voorkomen dat de beslissingsruimte van iemand wordt ingeperkt of zodanig wordt beïnvloed dat diegene feitelijk minder keuzevrijheid heeft (vaccinatiedrang). Ik stuur daarom aan op het voorkomen van dwang en drang bij de vaccinatiecampagne. Het kabinet kiest voor beleidsinterventies die de keuze voor vaccinatie kunnen beïnvloeden, maar de keuzevrijheid niet beperken.
Bent u bekend met het plan een Europees «vaccinatiepaspoort» in te voeren, de zogenaamde Digital Green Pass?
Ja.
Zou de invoering van zo’n «Digital Green Pass» er toe kunnen leiden dat gevaccineerden straks vrij kunnen reizen binnen de Europese Unie (EU) terwijl niet-gevaccineerden, voordat ze kunnen reizen, eerst een coronatest zullen moeten ondergaan en wellicht (daarnaast) in het land van aankomst een tijd in quarantaine zullen moeten verblijven?
De concept verordening van de Europese Commissie zoals voorgesteld op 17 maart jl. biedt een kader voor de afgifte, de verificatie en de aanvaarding van interoperabele vaccinatie-, test- en herstelcertificaten ter bevordering van het vrije verkeer van personen tijdens de COVID-19-pandemie, ook wel het Digitaal Groen Certificaat genoemd. Welke versoepelingen lidstaten toekennen aan het dragen van een dergelijk certificaat is aan de lidstaten zelf.
Kan een dergelijke situatie leiden tot «vaccinatiedrang» bij niet-gevaccineerden? Zo ja, wanneer is dit het geval en wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet en bij welke reisbelemmeringen voor niet-gevaccineerden is volgens u dan wél sprake van vaccinatiedrang?
De concept verordening «Digitaal Groen Certificaat» gaat niet in op de toepassing van het certificaat. Het is aan de lidstaten zelf deze in te zetten om maatregelen voor inreizenden te versoepelen. Nederland zet zich ervoor in dat naast een bewijs op basis van vaccinatie, een alternatief beschikbaar is, omdat je hiermee (indirecte) drang of dwang voorkomt. Gezien de huidige epidemiologische situatie en de ontwikkelingen ten aanzien van varianten van zorg acht ik het noodzakelijk voorwaarden te verbinden aan reizen. Zolang die situatie zich voordoet zullen maatregelen danwel voorwaarden gelden voor reizigers. Omdat lidstaten hier eigen afwegingen in maken zou het kunnen dat andere lidstaten hier niet toe geneigd zijn, tot nu toe zie ik geen ontwikkelingen in lidstaten die die kant op gaan.
Stel, heel concreet, dat na de invoering van de Digital Green Pass een gevaccineerde Duitser vrij naar Nederland kan reizen, maar een niet-gevaccineerde Duitser steeds eerst een test (kosten 50 euro per keer) moet ondergaan en vervolgens twee weken in quarantaine in Nederland moet verblijven: is in dit geval sprake van vaccinatiedrang? Zo ja, wat gaat het kabinet doen om dit te voorkomen? En wat gaat het kabinet doen om te voorkomen dat andere EU-landen, in het kader van de Digital Green Pass, dergelijke reisbelemmeringen invoeren die tot vaccinatiedrang bij Nederlanders kunnen leiden? Zo nee, bij welke (extra) reisbelemmeringen voor niet-gevaccineerden (ten opzichte van gevaccineerden), dat wil zeggen bij welke (combinatie van) test- en quarantaineverplichtingen (alleen) voor niet-gevaccineerden, is er wél sprake van vaccinatiedrang?
Zie de beantwoording van vraag 6.
Kunt u een (korte) notitie of brief met de Kamer delen, waarin nader wordt gereflecteerd op het begrip «vaccinatiedrang»? Dat wil zeggen, wanneer is (volgens u) precies sprake van vaccinatiedrang en wanneer niet en hoe verwacht u, niet alleen bij reizen maar op alle levensdomeinen, te gaan voorkomen dat niet-gevaccineerden zich straks gedwongen voelen zich te laten injecteren met een vaccin om zo bijvoorbeeld nog binnen de EU te kunnen reizen? Indien u niet bereid bent een dergelijke notitie of brief te verschaffen, kunnen we hieruit dan concluderen dat de verzekering van het kabinet dat er nooit sprake zal zijn van vaccinatiedrang in werkelijkheid weinig betekent?
Ik vind het belangrijk dat het een vrije keuze blijft voor mensen om zich te laten vaccineren en stuur daarom ook aan op het voorkomen van drang bij de vaccinatiecampagne. Eventueel wantrouwen bij mensen wordt immers niet weggenomen door dwang, drang en verplichtingen. In de overheidscampagnes blijf ik ook inzetten op milde vormen van gedragsbeïnvloeding die de keuzevrijheid van mensen niet beperken. Tegelijkertijd moet bij beleidsinterventies rondom COVID-19 (zoals quarantaine maatregelen) het collectieve belang van bescherming van de volksgezondheid steeds worden afgezet tegen de mate waarin de beleidsinterventie ingrijpt op individuele rechten en belangen. In het advies van de Gezondheidsraad Ethische en Juridische afwegingen COVID-19-vaccinatie van 4 februari 2021 staat ook beschreven dat drang niet per definitie onaanvaardbaar is, maar dat er wel een rechtvaardiging voor moet bestaan. In mijn brief van 8 maart 2021 aan de Kamer heb ik ook aangegeven dat het afwegingskader van de Gezondheidsraad bruikbare handvatten biedt in het geval dat het kabinet bij een hoge infectiedruk en eventueel lage vaccinatiegraad in de toekomst wel reden ziet om meer dringende interventies te overwegen om de samenleving te beschermen tegen het coronavirus.
De sluiting van de noodopvang voor ‘niet- rechthebbende’ dak- en thuislozen |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Waarom heeft u ervoor gekozen de noodopvang van «niet-rechthebbende» dak- en thuislozen per 1 mei te sluiten?
Omdat de lockdown langer van kracht bleef dan wij in maart voorzagen, is de noodopvang niet per 1 mei jl. gesloten, maar is de afbouw van de noodopvang gestart vanaf 19 mei, het moment waarop stap 2 van het openingsplan is ingegaan. De afbouwperiode duurt tot 2 juni.
Ik heb sinds het begin van de pandemie, via de richtlijn «Opvang dak- en thuisloze mensen», gemeenten opgeroepen om, vanuit humanitaire overwegingen, alle dak- en thuisloze mensen opvang te bieden zo lang sprake is van een landelijke lockdown. Nu het kabinet de lockdown-maatregelen aanpast op basis van het openingsplan, heb ik gemeenten op 21 april jl. gevraagd de noodopvang open te houden totdat stap 2 van het openingsplan ingaat1 en pas vanaf dan de noodopvang in twee weken af te bouwen.
Vindt u het verantwoord, met oog op de stijgende en hoge besmettingscijfers, om deze mensen op straat te zetten?
Het RIVM heeft eerder aangegeven dat het niet aannemelijk is dat er op straat een groter risico is op verspreiding van COVID-19 onder dak- en thuisloze mensen dan in de opvang. De opvang gedurende de lockdown vindt dan ook plaats op basis van humanitaire overwegingen, omdat we tijdens een algehele lockdown van iedereen in Nederland vragen zo veel mogelijk thuis te blijven. De afbouw vindt – zoals eerder aangegeven – bovendien pas plaats vanaf stap 2 uit het openingsplan (19 mei). Op dit moment is geen sprake meer van stijgende besmettingscijfers.
Als iemand die nu vanuit de noodopvang op straat komt te staan ontdekt corona te hebben, hoe moet deze persoon dan aan de quarantaineplicht voldoen?
Instellingen voor de maatschappelijke opvang hebben quarantaine mogelijkheden geregeld, ook voor deze mensen. Dakloze mensen die geen gebruik van de opvang willen of kunnen maken, kunnen zich melden bij de GGD. Zij zullen in overleg met de maatschappelijke opvang-instelling op zoek gaan naar een quarantaine mogelijkheid.
Welke voorzieningen zijn er voor de mensen die door de sluiting van de noodopvang op straat komen te staan, aangezien met het wegvallen van de noodopvang ook voorzieningen wegvallen, toiletten zijn bijvoorbeeld niet openbaar toegankelijk, zeker in deze tijden?
In de meeste gemeenten zijn afdoende voorzieningen aanwezig waar mensen terecht kunnen voor bijvoorbeeld toiletbezoek, zoals in inloophuizen die juist voor kwetsbare doelgroepen open blijven. Mij zijn geen signalen bekend dat dit in de praktijk tot problemen heeft geleid.
Ziet u ook dat door de sluiting het probleem ontstaat dat «niet-rechthebbende» dak- en thuislozen onvindbaar en onbereikbaar zijn voor een vaccinatie-oproep? Hoe gaat u dit oplossen?
GGD regio’s hebben, in overleg met onder andere opvanginstellingen, straatdokters en gemeenten, een apart vaccinatieplan ontwikkeld voor de groep dakloze mensen, inclusief niet-rechthebbende dakloze mensen. Uw Kamer is hierover geïnformeerd via de stand van zaken COVID-19 brief op 11 mei2. In de meeste regio’s start de vaccinatie vanaf 24 mei. Dit valt samen met de afbouw van de noodopvang (woensdag 19 mei), waardoor gemeenten, in overleg met de GGD-regio en de opvanginstellingen, de periode van afbouw zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij het moment van vaccinatie. Dakloze mensen worden op dit moment geïnformeerd over de mogelijkheid zich te laten vaccineren. Dat gebeurt niet alleen in de noodopvang, maar ook op andere plekken waar deze doelgroep zich doorgaans bevindt. De vaccinatie vindt in de meeste regio’s op meerdere momenten plaats, op laagdrempelige locaties en met behulp van vertrouwde gezichten zoals straatartsen.
Bent u bekend met de wens van bijvoorbeeld het college van Amsterdam en de Haagse gemeenteraad om de noodopvang open te houden?1, 2
Ja, ik ben hiermee bekend.
Bent u van plan aan die wens gehoor te geven? Waarom wel of waarom niet?
Voor zover mij bekend was de oproep van de Amsterdamse en Haagse gemeenteraad om de opvang open te houden zolang als de lockdown duurt. Met mijn oproep tot verlenging van de opvang tot stap 2 van het openingsplan, is aan die wens tegemoet gekomen.
Bent u bereid de noodopvang te verlengen zolang de coronaroutekaart een risiconiveau 2 of hoger aangeeft? Waarom wel of waarom niet?
In overleg met de VNG heb ik ervoor gekozen de afbouw van de noodopvang te koppelen aan stap 2 van het openingsplan. Alleen in het geval van een landelijke lockdown roep ik gemeenten op deze opvang te openen, omdat we dan aan alle mensen in Nederland vragen zoveel mogelijk thuis te blijven.
Bent u bereid de noodopvang te verlengen, in ieder geval totdat het vaccinatieprogramma is afgerond? Waarom wel of waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 5 en 8. Dakloze mensen zijn al zoveel als mogelijk geïnformeerd over de mogelijkheid zich te laten vaccineren vanaf 24 mei. Ik heb gemeenten op 19 mei opgeroepen de afbouw van de opvang zoveel mogelijk aan te laten sluiten op het regionale vaccinatieprogramma via de richtlijn voor de opvang van dak- en thuisloze mensen.5
Deelt u met mij de mening dat iedereen, ongeacht status, het recht heeft op een dak boven het hoofd?
In de Grondwet is bepaald dat de overheid zich dient in te spannen voor de bevordering van voldoende woongelegenheid. In diverse wet- en regelgeving zoals de Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en de Huisvestingswet 2014 is dit nader uitgewerkt. Om te komen tot meer woonplekken (met begeleiding) heeft het kabinet in het kader van de brede aanpak dak- en thuisloosheid, Een (t)huis, een toekomst, in 2020 en 2021 een extra financiële impuls van 200 mln. euro beschikbaar gesteld. Dit geld is beschikbaar voor gemeenten ter uitvoering van regionale plannen van aanpak, gericht op het terugdringen van dak- en thuisloosheid. Daarnaast is in het kader van het doorbouwplan 50 mln. euro beschikbaar gesteld voor de huisvesting van kwetsbare groepen.
Ingevolge het koppelingsbeginsel zijn onrechtmatig verblijvende vreemdelingen in beginsel uitgesloten van voorzieningen, waaronder opvang en huisvesting. Onrechtmatig verblijvende vreemdelingen waarvan de 28-dagen vertrektermijn is verstreken kunnen onder voorwaarden worden opgevangen in een Vrijheidsbeperkende Locatie (vbl). Daarnaast kan, onder voorwaarden, verblijf en begeleiding worden geboden aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen in de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV’s). In dit kader lopen er pilots in vijf gemeenten waarin onderdak en begeleiding wordt geboden teneinde een bestendige oplossing te vinden. Hieronder wordt vertrek naar het land van herkomst, doormigratie, of, alleen indien aan de orde, legalisering van verblijf verstaan.
Veel hulpverleners constateren dat de noodopvang perspectief en ruimte biedt aan deze groep mensen om te werken aan structurele oplossingen op het gebied van werk, wonen en verblijf in of vertrek uit Nederland. Erkent u dit ook?
Ik herken de door u genoemde constatering van hulpverleners. Tegelijkertijd geven hulpverleners ook aan dat voor een deel van de groep de motivatie om mee te werken aan een structurele oplossing ontbreekt, zolang het mogelijk is in de opvang te blijven. Sinds het begin van de lockdown in december tot in ieder geval 19 mei hebben hulpverleners zich ingezet om deze mensen te begeleiden naar een passende volgende stap na de noodopvang, bijvoorbeeld de terugkeer naar werk of terugkeer naar het land van herkomst. De noodopvang is echter een tijdelijke maatregel, genomen op basis van humanitaire overwegingen, rechtstreeks gekoppeld aan de lockdown.
Gemeenten zetten zich, op grond van de Wmo2015, structureel in voor dak- en thuisloze mensen. Via Een (t)huis, een toekomst, de brede aanpak dak- en thuisloosheid, werken gemeenten en andere partijen met extra middelen aan preventie, vernieuwing van de opvang en de realisatie van 10.000 extra woonplekken om de omslag van «opvang naar wonen» eerder te kunnen maken. We ambiëren hiermee dak- en thuisloosheid te voorkomen en ervoor te zorgen dat niemand op straat hoeft te slapen. Tevens dat dak- en thuisloze mensen zo snel mogelijk een woonplek met begeleiding aangeboden krijgen en alleen in de maatschappelijke opvang verblijven, idealiter nooit langer dan drie maanden, als er echt geen andere mogelijkheid is.
Door middel van maatschappelijke kosten en batenanalyses wordt in beeld gebracht wat de effecten van deze beoogde beweging zijn, zodat het structurele beleid en de doelstellingen voor de jaren erna nog gerichter kunnen worden vormgegeven.
Voor buitenlandse werknemers die dak- en thuisloos zijn geraakt, ben ik samen met het Ministerie van SZW, JenV, BZK en gemeenten in april 2021 gestart met een werkgroep voor een betere aanpak om de situatie van dakloosheid te voorkomen dan wel op te lossen. Door de bredere openstelling van de noodopvang als gevolg van corona, kwamen de problemen van deze doelgroep meer dan ooit in beeld. Het betreft in de meeste gevallen EU-burgers die dakloos zijn geraakt. Gemeenten hebben mij verzocht om ook voor de periode na corona de problemen van deze doelgroep die al langer bekend is, gezamenlijk op te pakken.
In het kader daarvan heb ik in gezamenlijkheid met andere departementen en gemeenten opdracht gegeven voor een onderzoek naar de problemen van deze specifieke groep en wordt bezien welke interventies succesvol zijn deze groep sneller terug naar werk of het land van herkomst te begeleiden. Structurele onderliggende problemen rondom Europese arbeidsmigranten worden reeds opgepakt in de implementatie van het rapport van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten.6 De scope van de werkgroep dakloosheid EU-migranten is afgestemd op het proces van de implementatie van het rapport zodat er geen dubbelingen ontstaan.
Voor onrechtmatig verblijvende vreemdelingen werken Rijk en gemeenten in de eerdergenoemde LVV-pilots samen aan het vinden van bestendige oplossingen door onderdak en begeleiding te bieden (zie antwoord vraag 10). Zoals gemeld aan uw Kamer is de omschrijving van de doelgroep van de LVV landelijk afgesproken.7 Voor de vreemdelingen die zijn toegelaten tot de LVV wordt een begeleidingstraject gestart. Medewerking hieraan is een voorwaarde voor het tijdelijk onderdak in de LVV. Het doel van de LVV is het vinden van een bestendige oplossing, waarbij de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid heeft. Het onderdak en de begeleiding zien op het ondersteunen van die eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling.
Welke structurele oplossingen heeft u voor ogen om te zorgen dat iedereen, ongeacht status, een dak boven het hoofd kan hebben en niemand meer op straat hoeft te slapen?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bekend met het Housing First-model in de aanpak van dakloosheid?
Ja, ik ben zeker bekend met het Housing First-model. De ambitie van Een (t)huis, een toekomst is gestoeld op het maken van een omslag «van opvang naar wonen». Naast het op termijn af- en ombouwen van de opvangcapaciteit pakken gemeenten dak- en thuisloosheid aan op basis van het principe «wonen eerst» zodat o.a. kwalitatieve begeleiding, dagbesteding, inzet van ervaringsdeskundigheid en kleinschalige ondersteuning van (dreigend) dak- en thuisloze mensen in de wijk kan worden bereikt.
De gezamenlijke ambitie is om in lijn met het RVS-advies «Herstel begint met een huis» dak- en thuisloze mensen zo snel als mogelijk door te laten stromen naar een zo zelfstandig mogelijke passende woonplek met maatwerk begeleiding. Centrumgemeenten zijn via de financiering van de regionale plannen (die diverse vormen van «wonen met begeleiding» waaronder Housing First bevatten) en het brede ondersteuningsaanbod vanuit VWS, BZK en SZW gefaciliteerd om hieraan bij te dragen.
Wat is uw mening over dit model en ziet u kansen dit in Nederland te implementeren? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
De capaciteit bij de GGD’en |
|
Jeanet van der Laan (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Alarm over slagkracht GGD weggehoond: «Bewindsman zei: «Infectieziekten zijn toch voorbij»»» en «Een prikafspraak maken kan en moet makkelijker, stellen logistiek experts»?1, 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat al sinds 2000 gewaarschuwd wordt dat Nederland «onvoldoende is voorbereid»?
In de berichtgeving is gebruikgemaakt van rapporten die sinds 2000 zijn verschenen, daarbij is niet ingegaan op de reactie op die rapporten en de acties die er naar aanleiding van deze rapporten zijn ondernomen en waar uw Kamer via diverse Kamerbrieven van op de hoogte is gesteld. Ten aanzien van het eerste rapport waar sprake van is in dit stuk, de «Staat van de Gezondheidszorg 2005», heeft de toenmalige Minister van VWS op 16 december 2005 uitgebreid naar uw Kamer gereageerd. In 2005 is het huidige Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) als onderdeel van het RIVM opgericht, om de gewenste landelijke, inhoudelijke coördinatie vorm te geven.
In 2014 is het Ministerie van VWS, samen met de VNG, de GGD’en en het RIVM, het Stimuleringsprogramma Betrouwbare Publieke Gezondheid gestart. In dit programma zijn de in 2014 tot 2016 verschenen rapporten die in dit artikel genoemd worden betrokken. Uw Kamer is op 12 september 2017 uitgebreid geïnformeerd over de in dit stimuleringsprogramma behaalde resultaten en de manier waarop de publieke gezondheid geborgd werd (Kamerstuk 32 620, nr. 277).
Waren er pandemiedraaiboeken beschikbaar waarbij, met (financiële) hulp van de rijksoverheid, de GGD’en snel konden opschalen in het bron- en contactonderzoek? Zo ja, kunt deze met de Kamer delen en kunt u in uw antwoord aangeven in welke mate ICT voorkomt in deze draaiboeken?
De werkwijze voor opschalen van GGD’en bij infectieziekten is beschreven in het generieke draaiboek dat beheerd wordt door het RIVM3, in GGD-plannen (GGD Rampen Opvang Plan) en in plannen van de veiligheidsregio’s. De opschaling van ICT maakt daarvan – voor zover mij bekend – geen onderdeel van uit. In het generieke draaiboek is geen ziekte-specifieke informatie opgenomen, daarvoor wordt verwezen naar ziekte-specifieke richtlijnen. Een complicerende factor in de huidige pandemie is de aanvankelijke onbekendheid van de eigenschappen van het virus, het voortschrijdend wetenschappelijk inzicht en de daardoor noodzakelijke veelvuldige aanpassingen van het beleid, die steeds in de gehele keten moeten worden doorgevoerd.
In de Wet Publieke Gezondheid is opgenomen dat veiligheidsregio’s, inclusief de inzet van GGD’en, in geval van crises een extra financiële vergoeding kunnen krijgen (art. 62 Wpg). Op basis van dat artikel ontvangen GGD’en nu ook een vergoeding voor hun meerkosten. De voorbereiding op een pandemiescenario maakt ook deel uit van de Nationale Veiligheidsstrategie (Kamerstuk 30821–81, 7 juni 2019) en van de regionale risicoanalyses en crisisplannen van de veiligheidsregio’s.
Kunt u de uitspraak dat sinds 2008 is bezuinigd op de GGD’en cijfermatig ontkrachten dan wel bevestigen?
GGD’en zijn gemeenschappelijke regelingen en worden gefinancierd door de aangesloten gemeenten. De gemeenten bespreken elk jaar met de GGD’en welke taken in die regio moeten worden uitgevoerd en hoeveel geld daarvoor beschikbaar is. Het is aan de GGD’en en de gemeenten om daar een goede balans in te vinden. Of er sprake is van bezuinigingen is daardoor niet eenduidig te beantwoorden.
De gemeenten ontvangen geld van het Rijk in het Gemeentefonds om publieke gezondheidstaken te financieren. Bij uitbreiding van taken, zoals bijvoorbeeld de toevoeging van vaccinaties aan het Rijksvaccinatieprogramma, komt VWS met de Vereniging Nederlandse Gemeenten een toevoeging aan het Gemeentefonds overeen.
Ten tijde van het Stimuleringsprogramma Betrouwbare Publieke Gezondheid is door AEF onderzoek gedaan naar taken, mensen en middelen van de GGD’en met als titel «GGD’en in beeld». De Kamer heeft per brief van 12 september 2017 dit onderzoek ontvangen (Kamerstukken 32 793, nr. 277). Uit dit onderzoek bleek onder andere dat alle GGD’en de taken uit de Wet publieke gezondheid (Wpg) goed kunnen uitvoeren. Ook bleek uit dat onderzoek dat zij goed ingericht zijn op veranderende omstandigheden en innovatie.
Welke acties zijn vanuit de rijksoverheid ondernomen na het verschijnen van het rapport «Infectieziekte- en tuberculosebestrijding bij GGD’en op orde, maar kwetsbaar» van de Inspectie Gezondeidszorg en Jeugd in 2015?
Zoals de toenmalige Minister van VWS u in mei 2015 heeft gemeld, concludeerde de IGJ dat de GGD-en hun wettelijke taken op het terrein van de infectieziekte- en tuberculosebestrijding over het algemeen goed uitvoeren. IGJ wees daarnaast op de risico’s voor de langere termijn ten gevolge van doorgevoerde bezuinigingen. De paar GGD-en die minder scoorden, konden dit snel verbeteren. In combinatie met het stimuleringsprogramma (Kamerstuk 32 620, nr. 132)4 waarbij de vier pijlers van de GGD-en werden geborgd en waar nodig versterkt, was de overtuiging dat de infectieziekte- en tuberculosebestrijding ook voor de nabije toekomst goed geborgd was. Omdat tuberculose steeds minder voorkomt, vergt het specifieke aandacht om de kwaliteit van de bestrijding te waarborgen. Hiervoor is in 2019 een country review uitgevoerd door ECDC en WHO en de aanbevelingen daarvan worden verwerkt in de update van het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding.
Heeft uw ministerie in de periode van 2015 tot februari 2020, voordat de coronacrisis uitbrak, contact gehad met de GGD-GHOR over voorbereidingen op mogelijke pandemieën en de gewenste rol van de GGD’en daarbij? Zo ja, hoe vaak en welke acties vanuit de rijksoverheid zijn hier additioneel uit voortgekomen?
Ja. De voorbereiding op landelijke infectieziektebestrijding is belegd bij de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding van het RIVM (LCI). De LCI heeft veelvuldig contact met GGD’en en zorgt voor inhoudelijke ondersteuning en afstemming over de voorbereiding, en beheert daarvoor onder andere een generiek draaiboek infectieziektebestrijding en specifieke richtlijnen voor A-ziekten, die regelmatig worden bijgewerkt. Zogenoemde Regionaal Arts Consulenten vormen een belangrijke schakel voor de afstemming tussen GGD’en en het RIVM. In het Landelijk Overleg Infectieziektebestrijding (LOI) worden alle zaken besproken die relevant zijn voor de infectieziektebestrijding in Nederland. Het beleidsdepartement van VWS voert hierover regelmatig overleg met het RIVM.
Naast de intensieve contacten die het ministerie heeft gehad met de GGD’en tijdens het bij antwoord 2 genoemde Stimuleringsprogramma Betrouwbare Publieke Gezondheid, vinden ook andere contacten plaatst zoals periodieke overleggen van de directeur publieke gezondheid van VWS met de directeur GGD GHOR, maar ook contacten met de afzonderlijke directeuren PG of gezamenlijk wanneer zij bijeenkomen in hun beraad. Ook is er via het directeurenoverleg crisisbeheersing contact met de veiligheidsregio’s. En hoewel het bestuur van de veiligheidsregio’s in de eerste plaats zorg draagt voor de voorbereiding op uitbraken van A-ziekten (art. 6, Wpg), zijn er ook op het niveau van beleidsmedewerkers contacten met GGD «en, GGD GHOR Nederland-vertegenwoordigers en veiligheidsregio’s over de voorbereiding op pandemieën. Het ministerie heeft daar echter geen overzicht van bijgehouden. Het beleidsdepartement heeft ook een aantal keer meegewerkt aan regionale oefeningen, vaak samen met het RIVM.
Verder lijkt het me in dit verband nuttig om te wijzen op de betrokkenheid van VWS en regionale organisaties bij het opstellen van de Nationale Veiligheidsstrategie (Kamerstuk 30821–81, 7 juni 2019).5 Over de ontwikkelingen en voortgang daarvan wordt u regelmatig geïnformeerd door de Minister van Justitie en Veiligheid.
Kunt u bevestigen dat er sinds 2015 een tekort is aan verpleegkundigen en artsen rondom infectieziektebestrijding? Zo ja, wat is hiervoor de reden en in welke mate zijn de adviezen van het Capaciteitsorgaan gevolgd om dit tekort tegen te gaan?
Ja, er bestaat zowel een tekort aan artsen-infectieziektebestrijding als aan verpleegkundigen infectieziektebestrijding, waarbij er verschillen zijn tussen de GGD-en in aard en omvang van de tekorten.
De afgelopen jaren zijn er minder artsen Infectieziektebestrijding opgeleid dan dat gewenst was volgens de raming van het Capaciteitsorgaan (CO) en waarvoor financiering beschikbaar was vanuit VWS. De exacte reden voor het gebrek aan animo voor deze opleiding is mij niet bekend. VWS heeft door het inrichten van een centraal werkgeverschap met voor iedereen gelijke primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden voor artsen in opleiding zich ervoor ingezet om deze opleiding aantrekkelijker te maken.
Aan de hand van de raming van het CO bepaalt VWS jaarlijks het maximaal beschikbare aantal opleidingsplaatsen per vervolgopleiding. VWS benut daarbij de adviezen van het CO. De afgelopen jaren is ook voor wat betreft de opleiding tot arts infectieziektebestrijding het voorkeursadvies van het Capaciteitsorgaan gevolgd. Ten aanzien van het aantal opleidingsplaatsen voor de opleiding arts Infectieziektebestrijding voor het jaar 2021 is in het voorjaar van 2020 eveneens besloten om het voorkeursadvies van het CO van december 2019 te volgen.
In mijn reactie op de initiatiefnota van de leden van Gerven en Hijink over «Nu investeren in de GGD» van 9 juli jl. heb ik u geïnformeerd over de instroom in de opleiding tot arts Infectieziekten6.
Heeft u bij alle plannen waarbij de GGD’en dienen als uitvoeringsorganisatie eerst contact gezocht met de GGD alvorens dit te communiceren richting de Kamer in uw Kamerbrieven? Zo ja, hoe beoordeelt u dan deze uitspraken in het artikel: «Ook al was er vooraf intensief contact tussen GGD’s», «in de persconferentie hoorden we dan ineens dingen die niet waren afgesproken» en «in Kamerbrieven stonden beloftes terwijl daar in onze beleving nog over gesproken moest worden. Wij moesten het dan weer oplossen.»?
De betrokkenheid van de GGD’en bij de crisisaanpak van het kabinet verloopt als volgt. Veelal worden bepaalde besluiten die raken aan de uitvoering van de GGD’en al gedurende enkele weken voorbereid in periodieke overleggen tussen het ministerie en de GGD’en. De definitieve kabinetsbesluiten landen uiteindelijk in opdrachten aan de GGD en/of in Kamerbrieven. Conceptteksten van brieven aan de Tweede Kamer worden gelezen door medewerkers van GGD GHOR Nederland, de overkoepelende organisatie van de regionale GGD’en, om ervoor te zorgen dat de daarin opgenomen informatie over (afspraken met) de GGD'en correct is. De GGD GHOR is verantwoordelijk voor afstemming binnen de eigen gelederen. Daarnaast vormen OMT adviezen een belangrijke basis voor besluiten van het kabinet inzake de crisisaanpak. OMT adviezen worden besproken in het zogeheten BAO (Bestuurlijk Afstemmingsoverleg), waarin de GGD’en zijn vertegenwoordigd. In het BAO kunnen vanuit uitvoeringsperspectief aandachtspunten worden meegegeven aan het kabinet.
Uiteindelijk wordt het beleid definitief vastgesteld door het kabinet, en het kan natuurlijk altijd voorkomen dat bepaalde onderdelen op basis van laatste inzichten of overwegingen afwijken van wat in het voorafgaande traject is gewisseld.
Wat is volgens u de verklaring dat werknemers van bron- en contactonderzoek genoodzaakt werden om data incompleet aan te leveren bij het RIVM en dat taalbarrières ervoor zorgden dat bron- en contactonderzoek op momenten niet werd gedaan?
In de eerste maanden van de pandemie hield de personele capaciteit voor bron- en contactonderzoek (BCO) geen gelijke trend met de stijging van het aantal besmettingen. Om die reden is vanaf september 2020 ingezet op een uitbreiding van die capaciteit met zo'n 350 fte per week. Sinds december 2020 is in totaal 7.900 fte beschikbaar. In combinatie met de introductie van risicogestuurd BCO heeft dat tot gevolg dat het BCO kwalitatief goed kan worden uitgevoerd.
GGD’en werken daarbij ook met tolken. Er zijn bij mij en GGD GHOR Nederland geen signalen bekend dat taalbarrières een reden vormden om BCO niet uit te voeren.
Hoe zijn de problemen rondom het bron- en contactonderzoek (zoals deze geconstateerd worden in het AD-artikel) opgelost? Zijn er bijvoorbeeld extra mensen aangenomen om de taalbarrière te overbruggen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van een privaat-publieke samenwerking tussen bedrijven als Shell, ASML, Bol.com, KLM en Randstad en de GGD’en?
In het najaar van 2020 was snelle opschaling van de testcapaciteit nodig. Daarvoor breidden GGD’en hun al bestaande testactiviteiten verder uit. Onafhankelijk daarvan had ook VNO-NCW plannen ontwikkeld voor opschaling van de testcapaciteit Bij de totstandkoming van de (X)L-locaties in het najaar van 2020 hebben partijen vervolgens nauw samengewerkt en konden de locaties in hoog tempo gerealiseerd worden. De GGD'en hebben de locaties in gebruik genomen.
De huidige realisatie van testlocaties in het kader van het openen van de samenleving («spoor 2») vindt plaats door (samenwerkingsverbanden van) bedrijven. Tussen GGD GHOR Nederland en deze (organisaties van) bedrijven is contact en vindt zo nodig afstemming plaats.
Wanneer en waarvoor was er in 2020 voor het eerst sprake van een dergelijke privaat-publieke samenwerking?
Zie het antwoord op vraag 11.
Waarom worden de voorstellen van de private partijen met betrekking tot een flexibelere afsprakensysteem voor vaccinaties geweigerd, terwijl dit de productiviteit van het afspraken maken kan vergroten?
Het afsprakensysteem van de GGD'en functioneert adequaat. Op basis van de beschikbare vaccins worden een aantal weken vooruit afsprakenslots volgeboekt. Het systeem is verder ontwikkeld en voorbereid op de opschaling die in de komende weken zal plaatsvinden.
Ten aanzien van de werkprocessen op de vaccinatielocaties hebben onder andere private partijen de GGD'en geadviseerd, wat heeft bijgedragen aan de aanzienlijke versnelling van die processen.
Bent u het eens met de stelling dat het niet plannen of aanzienlijk vertragen van het plannen van afspraken ervoor kan zorgen dat vaccinaties langer dan nodig op de plank blijven liggen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van niet plannen of vertraging van het plannen van afspraken. Voor alle beschikbare vaccins worden een aantal weken vooruit afsprakenslots volgeboekt. Het aantal mensen dat uiteindelijk het vaccin niet komt halen is minder dan 1%. Er blijven geen vaccins langer dan nodig op de plank liggen.
Hoe wordt momenteel voorkomen dat callcenters van de GGD worden overspoeld door bellers die ze niet allemaal kunnen inplannen, of dat ze juist dagenlang niets te doen hebben?
Het personeel in het callcenter is met een omvang van circa 9.500 medewerkers gemakkelijk schaalbaar. Op drukke momenten zijn er veel medewerkers aan het werk en op minder drukke momenten is het aantal actieve medewerkers lager. Het uitnodigen om een afspraak te maken voor vaccinatie wordt gedoseerd, zodat de drukte gespreid kan worden. Tot slot wordt er steeds meer gebruik van het online webportaal voor het maken van afspraken.
Is het uitbreiden van werknemers en het updaten van CoronIT voldoende om de forse stijging in het aantal afspraken de komende weken op te vangen?
Ja dat is voldoende om de drukte op te vangen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja
Vliegverboden en de coronasituatie in India en Zuid-Amerika |
|
Kiki Hagen (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Delhi-to-Toronto flights bringing most Covid cases to Canada»1 en «India coronavirus: Delhi announces lockdown as Covid cases surge»?2
Ja.
Klopt het dat India sinds 15 april meer dan 200.000 besmettingen met het coronavirus per dag registreert, en er zorgen zijn over een mogelijk besmettelijkere dubbele virusmutatie (B.1.617) die in India circuleert en inmiddels ook Europa en Noord-Amerika heeft bereikt?
Ja, het klopt dat India de afgelopen dagen een flinke toename in de covid-19 incidentie registreert. Er zijn zorgen geuit over een mogelijke gevaarlijke variant in India. De WHO heeft op dit moment de variant nog niet als Variant of Concern (VOC) benoemt. De variant (B.1.617) komt in sequencing inmiddels in Europa naar voren. Het RIVM heeft mij gemeld dat op 20 april ook in Nederland de Indiase variant twee keer is aangetroffen. Door de betreffende GGD-regio wordt uitgebreid bron- en contactonderzoek ingezet.
Klopt het dat India weliswaar zelf tot eind april een internationaal vliegverbod (met uitzonderingen) heeft ingesteld, maar dat desondanks reizigers tussen India en Canada de belangrijkste toevoer van besmettingen door reizigers vormen?
Uit de beschikbare informatie kan worden afgeleid dat India vliegverboden heeft ingesteld, onder het Indiase vliegverbod mogen nog wel vluchten plaatsvinden. Ik kan u echter niet aangeven hoe de verspreiding van de Indiase mutatie in Canada heeft plaatsgevonden.
Is de afgelopen maand de lijst met landen waarvoor een vliegverbod geldt, thans landen in Zuid-Amerika en het land Zuid-Afrika, opnieuw tegen het licht gehouden om zo te kijken waar een vliegverbod nog nodig is en of er landen aan deze lijst toegevoegd moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Ja, de afgelopen maand zijn zowel het RIVM als ook het OMT meermaals om advies gevraagd over het al dan niet verlengen van de vliegverboden en/of er landen waarvoor het vliegverbod geldt aan de lijst moeten worden toegevoegd of worden verwijderd. Op 26 maart heeft VWS, toen de eerste signalen over de mogelijke mutatie van het virus in India in het nieuws waren, het RIVM gevraagd of aanvullende maatregelen nodig waren. Het RIVM heeft aangegeven dat aanvullende maatregelen op dat moment niet nodig waren. De WHO heeft de mutatie niet aangemerkt als een VOC of een VOI (Variant of Interest). Het RIVM heeft aangegeven de situatie te blijven monitoren en sequencing uit te voeren op monsters van reizigers uit India.
Het RIVM heeft ook recent aangegeven op dit moment geen aanleiding te zien om te adviseren een vliegverbod in te stellen.
Elke donderdag vindt overleg plaats tussen de WHO en de lidstaten, hier neemt ook het RIVM aan deel. Tijdens dit overleg wordt gesproken over de VOC’s en de verspreiding hiervan. Indien informatie uit deze bijeenkomst, of het eventuele besluit van de WHO om de mutatie aan te wijzen als een VOC, aanleiding geeft voor het RIVM om te adviseren een vliegverbod in te stellen, zal ze het kabinet hierover informeren.
Hoe verschilt in uw ogen de epidemiologische situatie in een land als Suriname, waarvoor inmiddels sinds januari een vliegverbod geldt en waar het aantal positieve coronatesten relatief ongeveer acht keer lager ligt dan in Nederland, met de epidemiologische situatie in India, waar de situatie juist ernstiger lijkt en waarvoor geen vliegverbod geldt?
Op dit moment is de mutatie variant in India niet door de WHO benoemd als Variant of Concern (VOC) of Variant of Interest (VOI). De mutatievariant (Braziliaanse P1-variant) is wel door de WHO aangemerkt als VOC. Op basis van de beperkte informatie die over de epidemiologische situatie in de landen beschikbaar is, heeft het RIVM Suriname, en andere Zuid-Amerikaanse landen, als een verhoogd risico geclassificeerd en heeft het RIVM geadviseerd het vliegverbod te handhaven.
Deelt u de mening dat, gezien het risico dat zorgelijke virusvarianten bieden op verlenging van de pandemie en mogelijke reductie in de effectiviteit van vaccinaties, het verstandig is het reizen van en naar landen met uitbraken die niet onder controle zijn zoveel mogelijk te beperken?
Ja, daarom heeft het kabinet verschillende maatregelen genomen om de verspreiding van (mutaties van) het virus door internationaal reizen te beperken, zoals de testverplichting(en), het generiek negatief reisadvies, quarantaine en in aanvulling op het EU-inreisverbod in het uiterste geval een vliegverbod. Daarnaast werkt het kabinet op dit moment aan een wetsvoorstel om de quarantaine voor reizigers uit zeer hoogrisicogebieden verplicht te stellen.
Bent u bereid de lijst met landen waar een vliegverbod voor geldt te herbezien, om te kijken voor welke landen dit verbod niet meer noodzakelijk is, en zo nodig landen aan de lijst toe te voegen?
Ja, het RIVM adviseert het Ministerie van VWS gevraagd en ongevraagd over de noodzakelijke maatregelen, zo ook over de verlenging van de vliegverboden. Zie verder antwoord op vraag 4.
Bent u specifiek bereid het RIVM een spoedadvies te vragen over de wenselijkheid van een vliegverbod voor India?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het coronadebat van donderdag 22 april?
Ja.
De bereikbaarheid van GGD-GHOR voor afspraken van vaccinaties |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het antwoord van de GGD-GHOR tijdens de technische briefing op 15 april 2021 in de Tweede Kamer over de bereikbaarheid van de GGD vaccinatielijn en de GGD website om afspraken te maken, namelijk dat de slechte bereikbaarheid slechts een probleem was gedurende drie dagen en dat er inmiddels een oplossing was en dat er beter gepland werd bij het versturen van brieven?
Ja.
Hoe is dit te rijmen met de melding van de GGD-GHOR op sociale media op diezelfde dag, dat het «momenteel erg druk is bij de afsprakenlijn» en «we werken aan een oplossing», en alle reacties daaronder van mensen die ellenlang in de wacht staan, verbinding die wordt verbroken, maar ook de directe reacties die binnen komen? Wat was de oorzaak van het probleem op dit dag?
Laat ik voorop stellen dat het bijzonder vervelend is als, door welke oorzaak dan ook, uitgenodigde mensen niet snel een afspraak kunnen maken. De GGD maakt momenteel gebruik van drie telefoonnummers: twee 0800-nummers, welke gebruikt kunnen worden door de zorgmedewerkers langdurige zorg en de leeftijdsgroepen die volgens de vaccinatiestrategie voor vaccinatie worden uitgenodigd, en één 088-nummer. Via laatstgenoemd nummer kunnen specifieke, kleinere doelgroepen afspraken maken.
Op de 0800-nummers was de bereikbaarheid goed. De problemen op 15 april deden zich voor bij het 088-telefoonnummer. Via dit nummer kunnen op dit moment mensen met obesitas en mensen met het downsyndroom afspraken maken. Deze groep is vanaf 14 april door de huisartsen uitgenodigd om een afspraak te maken bij de GGD. Er bleek door de huisartsen echter een grotere groep mensen met een medische indicatie te zijn uitgenodigd dan verwacht. In de uitnodiging was bovendien een korte reactietermijn voor het maken van een afspraak opgenomen. Hierdoor kwamen er op 15 en 16 april respectievelijk 156.000 en 95.000 gesprekken binnen op deze lijn. Een 088-nummer is hier niet op berekend en de drukte op deze lijn heeft ook gevolgen voor de bereikbaarheid van andere bedrijven. Het gevolg is geweest dat het nummer op 15 april enige tijd geblokkeerd en beperkt bereikbaar is geweest. De problemen met de bereikbaarheid op deze twee dagen lag dus niet aan de voorbereiding en bezetting van het callcenter. Inmiddels is besloten dat het 088-nummer zal worden omgezet naar een 0800-nummer, zodat ook bij dit soort bijzondere omstandigheden problemen opgevangen kunnen worden.
Bent u het ermee eens dat voor het draagvlak voor het vaccinatiebeleid, de vaccinatiebereidheid en het vaccinatietempo het van belang is dat het relatief eenvoudig is om een afspraak te kunnen maken? Zo nee, waarom niet?
Ik deel met u de mening dat een goed lopend afsprakenproces bijdraagt aan het draagvlak voor de vaccinatiecampagne. Er wordt geanticipeerd op mogelijke verstoringen in dit proces en verbeteringen doorgevoerd. Knelpunten en problemen die zich toch voordoen worden geëvalueerd en leiden eveneens tot aanpassingen en verbeteringen. Voorts wordt nu ook uitdrukkelijk gestimuleerd om een vaccinatieafspraak te maken via het online webportaal, zodat een evenwichtige belasting van het callcenter en het webportaal wordt gerealiseerd.
Wat zijn de oorzaken van de bereikbaarheidsproblemen en wachttijden bij de telefoonlijn en de website van de GGD-GHOR?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kan een overzicht worden gegeven van de bereikbaarheid (onder andere wachttijden) van de telefoon en de website van de GGD-GHOR in maart en april 2021, onder meer wachttijden, verbroken verbindingen, klachten, et cetera?
In de maand maart is 15,2% van de gesprekken verbroken door de beller; in april (tot en met 29 april) is dat percentage gedaald tot 6,3%. Bij het begin van het gesprek krijgt de beller het bericht dat ook online een afspraak gemaakt kan worden. Dit bericht wordt tijdens het wachten herhaald. De gemiddelde wachttijd is gedaald van 4 minuten en 37 seconden in maart tot 2 minuten en 34 seconden in april (tot en met 29 april).
Wat zijn de afgesproken normen voor de bereikbaarheid (onder andere wachttijden) voor de GGD-GHOR bij de telefoon en website? In hoeverre worden de normen gehaald? Hoe verhouden deze normen zich tot die van andere grote call centra?
Er is de afspraak dat 80% van de gesprekken binnen 20 seconden wordt opgenomen. In maart is die norm op 23 dagen gehaald. In april (tot en met 29 april) is die norm op 23 dagen gehaald. Op basis van analyses over belpatronen wordt de bezetting van het callcenter steeds geoptimaliseerd, zodat kan worden ingespeeld op verwachte piekmomenten. Inmiddels is het callcenter opgeschaald tot 9.500 medewerkers. Bovendien wordt nu gestimuleerd dat burgers zoveel als mogelijk gebruik maken van de mogelijkheid om online afspraken te maken. Hiermee wordt een evenwichtige verdeling nagestreefd tussen het gebruik van het callcenter en het webportaal.
Indien niet wordt voldaan aan de afgesproken normen, hoe wordt er dan voor gezorgd dat deze wel gehaald gaan worden en wanneer? Hoe wordt gewerkt aan het oplossen van de problemen met de bereikbaarheid (onder andere wachttijden)?
Zie antwoord vraag 6.