Bent u bekend met het bericht «113.nl: structurele privacy schending in digitale zorgverlening» dat 12 mei 2026 verscheen op het onafhankelijke security & privacy journalistiek platform «Hackedemia», dat breed in de media, zoals BNR en Hart van Nederland, werd overgenomen?1
Bent u bekend met het gegeven dat 113.nl werkte met een session-recording- en heatmaptool, fingerprinting- en trackingtools?
Bent u bekend met het gegeven dat enkele van deze tools niet vermeld stonden in het cookiebeleid, DPIA’s (Data Protection Impact Assessment) ontbraken en de opgehaalde data werd uitgestuurd naar derden?
Wat is uw reactie op de bevindingen dat een kwetsbare groep, verkerend in acute psychische nood, op dergelijke wijze werd blootgesteld aan privacyschendingen?
Is bekend bij welke zorgorganisaties dit probleem nog meer voorkomt? Zo nee, wat gaat u er concreet aan doen om hier een landsdekkend overzicht van te verkrijgen?
Hoe denkt u het vertrouwen in die organisatie en soortgelijke organisaties te herstellen en te voorkomen dat mensen in nood niet meer durven bellen?
Bent u het eens met de stelling dat 113 snel en adequaat heeft gehandeld en ziet u mogelijkheden om de uit deze casus voortgekomen controlelijst (checklist) als standaard te handhaven? Graag een onderbouwing van uw beantwoording.
Welke stappen gaat u ondernemen om dergelijke privacyschendingen in de zorgsector in de toekomst effectief te voorkomen?
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Recente internationale ontwikkelingen omtrent de therapeutische toepassing van psychedelica |
|
Marc Vervuurt (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de algehele tendens in de internationale ontwikkelingen omtrent psychedelische therapieën en middelen zoals MDMA en psilocybine, met toenemende aandacht voor mogelijke therapeutische toepassingen bij onder meer therapieresistente PTSS, depressie en verslavingsproblematiek?
Herkent u het beeld dat er in meerdere landen wordt gezocht naar medische toegang tot psychedelica-ondersteunde behandelingen voor ernstige, therapieresistente aandoeningen, zonder dat MDMA of psilocybine daar als regulier geneesmiddel zijn geregistreerd?
Hoe gaat u voorkomen dat Nederlandse patiënten die wegens therapieresistente psychiatrische klachten baat hebben bij psychedelica-ondersteunde therapie zich genoodzaakt zullen zien te kiezen voor ofwel een niet-medische behandeling, ofwel een behandeling in het buitenland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in Duitsland, waar middels een compassionate useprogramma psilocybinetherapie is goedgekeurd als behandeling voor depressie?
Welke uitgangspunten van deze aanpak acht u relevant voor het Nederlandse beleid, bijvoorbeeld op het gebied van patiëntselectie, behandelsetting, monitoring, dataverzameling en toezicht?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbaar compassionate useprogramma in Nederland?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Tsjechië, waar psilocybinetherapie sinds 1 januari 2026 is goedgekeurd als behandeling voor mensen met hardnekkige depressie en andere therapieresistente psychische stoornissen?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe kijkt u naar de ontwikkelingen in Australië, waar sinds 2023 de medische toepassing van psilocybine en MDMA bij behandeling van therapieresistente depressie en PTSS is toegestaan, ondanks gebrek aan registratie als regulier geneesmiddel, en waar voor specifieke doelgroepen zoals veteranen publieke financiering beschikbaar is gesteld?
Bent u bereid te onderzoeken wat de juridische en praktische mogelijkheden zijn voor een vergelijkbare aanpak in Nederland?
Hoe kijkt u naar de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten, waar de president zich heeft uitgesproken voor de therapeutische toepassing van psychedelica, in het bijzonder voor de behandeling van PTSS?
Welke lessen, aandachtspunten en kansen voor Nederlands beleid ziet u in deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de focus van farmaceutische bedrijven die zich in de ontwikkeling en toekomstige goedkeuring van psychedelische therapieën vooralsnog vooral op de Verenigde Staten lijken te richten? Welke rol kan Europa spelen in het versnellen van (voorlopige) goedkeuring?
Onderschrijft u het in de Verenigde Staten uitgesproken potentiële belang van psychedelische therapie voor specifieke doelgroepen die vaker behoefte hebben aan een behandeling van PTSS, waaronder veteranen?1
Bent u bekend met de recente casestudie gepubliceerd in Frontiers in Neuroscience, waarin een tijdelijke, significante functionele verbetering werd waargenomen bij een patiënt met vergevorderde Alzheimer na toediening van psilocybine?2
Welke mogelijkheden ziet u om onderzoek naar de medische toepassing van psychedelica bij neurodegeneratieve ziekten, zoals Alzheimer, in Nederland actief te faciliteren of te ondersteunen?
Welke mogelijkheden ziet u voor bredere ontwikkeling van potentieel therapeutisch inzetbare psychedelische middelen binnen Nederland, naast de eerdere specifieke discussie en onderzoeken rondom MDMA?
Indien u belemmeringen ziet, welke daarvan kunnen worden weggenomen met wetswijzigingen, en welke met beleidsaanpassingen of andere maatregelen?
Welke onderzoeken, pilots of wetenschappelijke ontwikkelingen volgt u momenteel omtrent de ontwikkeling van therapeutisch inzetbare psychedelische middelen?
Welke mogelijkheden ziet u om wetenschappelijk onderzoek naar psychedelische therapieën op een veilige, gecontroleerde en medisch verantwoorde manier te faciliteren, naast het recente onderzoek naar MDMA?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze ervaringen, wetenschappelijke inzichten en praktijkonderzoeken uit andere landen betrokken worden bij de Nederlandse beleidsvorming, regelgeving en medische praktijk rondom psychedelische therapieën?
Kunt u toelichten welke rol Nederlandse kennisinstellingen, zorgprofessionals en toezichthouders momenteel spelen bij het volgen van de internationale ontwikkelingen rondom psychedelische therapieën en mogelijke toekomstige toepassingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?
Kunt u uiteenzetten op welke wijze het belang van psychotherapie wordt gewaarborgd bij de beoordeling van psychedelische medicijnen door de geneesmiddelenautoriteiten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De documentaire Nachtkinderen en de normalisering van drugsgebruik onder jongeren |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de documentaire «Nachtkinderen» en deelt u de zorg dat drugsgebruik onder jongeren en jongvolwassenen steeds vaker als normaal wordt gezien?
Hoe hebben de cijfers over drugsgebruik onder jongeren van 12 tot 21 jaar zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld, uitgesplitst naar leeftijdsgroep en type middel?
Welke gevolgen ziet u van drugsgebruik voor de fysieke gezondheid, mentale gezondheid en ontwikkeling van jongeren?
Hoeveel jongeren onder de 21 jaar zijn de afgelopen vijf jaar in aanraking gekomen met de verslavingszorg, geestelijke gezondheidszorg of spoedeisende hulp als gevolg van drugsgebruik?
Acht u het huidige preventiebeleid voldoende effectief om het gebruik van drugs onder jongeren terug te dringen? Kunt u uw antwoord onderbouwen met concrete resultaten?
Deelt u de mening dat overheidsvoorlichting niet alleen gericht moet zijn op het beperken van risico’s, maar ook duidelijk moet uitdragen dat drugsgebruik schadelijk is en ontmoedigd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Welke specifieke maatregelen neemt het kabinet om de normalisering van drugsgebruik onder jongeren tegen te gaan?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige preventiecampagnes daadwerkelijk leiden tot minder drugsgebruik onder jongeren en de Kamer hierover te informeren?
Hoe beoordeelt u de invloed van sociale media, influencers en online platforms op de beeldvorming rondom drugsgebruik onder jongeren en welke rol ziet u voor preventiebeleid op dit terrein?
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen indien uit onderzoek blijkt dat de normalisering van drugsgebruik onder jongeren verder toeneemt?
Het bericht 'Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan' |
|
Dieke van Groningen (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan» en «Veel meer gonorroe en syfilis in Europa, ook in Nederland meer infecties»?1, 2
Hoe beoordeelt u de sterke stijging van het aantal soa-besmettingen onder jongeren en jongvolwassenen, ook in het licht van het dalende condoomgebruik bij wisselende seksuele contacten?
Deelt u de mening dat preventie essentieel is om de druk op de zorg en de maatschappelijke gevolgen van soa’s te beperken? Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Deelt u de zorg dat jongeren steeds vaker worden blootgesteld aan online desinformatie over hormonale anticonceptie, condoomgebruik, vaccinaties en vruchtbaarheid? Zo nee, waarom niet?
In welke mate herkent u het beeld dat sociale media en influencers bijdragen aan wantrouwen tegenover bewezen veilige anticonceptiemiddelen, onder andere door het verspreiden van onbewezen claims dat hormonen «vergif» zouden zijn of dat condooms «onnatuurlijk» zijn?
Welke concrete acties onderneemt het kabinet momenteel om desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid tegen te gaan, specifiek gericht op jongeren?
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om jongeren beter te informeren over veilig vrijen, het belang van condoomgebruik en de risico’s van soa’s?
Ziet u aanleiding om publiekscampagnes over condoomgebruik en soa-preventie te intensiveren nu het aantal besmettingen stijgt? Zo nee, waarom niet?
Welke acties onderneemt het kabinet om ervoor te zorgen dat betrouwbare medische informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid beter zichtbaar wordt op sociale media?
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om met grote online platforms in gesprek te gaan over de rol van algoritmen bij het versterken van medische desinformatie over anticonceptie en seksuele gezondheid?
Bent u bereid om gezamenlijk te onderzoeken hoe online algoritmen bijdragen aan gezondheidsrisico’s door het versterken van desinformatie over anticonceptie, vaccinaties en seksuele gezondheid?
Welke mogelijkheden ziet u om influencers en online contentmakers die onbewezen gezondheidsclaims verspreiden beter aan te pakken of te verplichten duidelijk te waarschuwen wanneer informatie niet wetenschappelijk onderbouwd is?
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Om te voorkomen dat speelgoed met asbest op de markt komt, gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen, door de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand actief te delen met de branche.
Fabrikanten en importeurs hebben de verplichting om te (laten) controleren of hun product veilig is. Die verplichting kunnen ze nakomen door een controle uit te (laten) voeren op het veiligheidsdossier van het product. In het veiligheidsdossier, dat door de fabrikant van het consumentenproduct met speelzand is opgesteld, moet worden aangetoond dat het product voldoet aan Europese veiligheidsvoorschriften. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Het onderzoek van de NVWA laat zien welke producten wel en niet aan de producteis voldoen. Het is aan kinderopvangcentra, scholen en huishoudens om te bepalen welk speelgoed zij gebruiken. Het advies van de brancheverenigingen in de kinderopvang is om geen speelzand meer te gebruiken.
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Zoals aangegeven in het vorige antwoord bepalen de kinderopvangcentra, scholen en huishoudens zelf of ze dit speelgoed gebruiken. Er zijn diverse acties ondernomen die eraan bijdragen dat de kans nog verder afneemt dat consumenten een onveilig product kopen. Zo is inmiddels de lijst openbaar gemaakt waarin de resultaten van de onderzochte productmonsters staan vermeld. Daarnaast deelt de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand met de branche. Tot slot kunnen consumenten bij de importeur of distributeur navragen of het product veilig is.
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
De NVWA heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd dat zoveel als mogelijk representatief is voor de markt in Nederland. Marktverkenningen zijn altijd steekproeven en het is onmogelijk om alle producten op de markt te controleren.
De juiste onderzoeksmethode is beschreven in het advies van TNO: «Asbestos in play sand». Het onderzoek van de NVWA is volgens die methode uitgevoerd.
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Kinderopvang-centra, scholen en huishoudens bepalen zelf of ze dit speelgoed willen gebruiken.
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat slechts een beperkt aantal monsters asbest bevatten boven de geldende norm. De NVWA concludeert dat het aannemelijk is dat de geschatte levensgemiddelde blootstelling beneden het maximaal toelaatbare risiconiveau blijft.
Bovendien zijn de namen van de producten, waarvan de hoeveelheid asbest in het onderzochte monster boven de geldende norm uitkwam, direct openbaar gemaakt en van de markt gehaald.
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Dit heeft te maken met het feit dat voor openbaarmaking een vastgestelde zienswijze-procedure gevolgd moet worden. Deze procedure duurt zo’n 2 weken. Gezien het belang van snelle publicatie van het NVWA-onderzoek, is ervoor gekozen om deze twee documenten afzonderlijk van elkaar te publiceren.
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder geantwoord op uw vragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) is het van belang dat onderzoek van de NVWA boven elke twijfel verheven is. Het gaat bijvoorbeeld om bemonstering, monsteropslag en voorbehandeling door beëdigde inspecteurs. Bij onderzoek dat niet door de NVWA is uitgevoerd, is dit niet gegarandeerd.
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is het ermee eens dat er een duidelijke asbestnorm voor speelgoed moet komen. Zoals eerder geantwoord op uw eerdere Kamervragen (Handelingen II 2025/26, nr. 1660) zet het kabinet zich daarom in Europees verband in op aanscherping van de norm voor asbest in speelgoed.
Bedrijven zijn verplicht om aan de wettelijke eisen te voldoen en moeten dit ook kunnen aantonen. Het is echter niet aan het kabinet om te bepalen hoe bedrijven dit bereiken. Daarom kiest het kabinet niet voor een testverplichting.
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Naast de controlerende toezichtactiviteiten van de NVWA, om de naleving te vergroten, zal de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in deze producten actief delen met de branche. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen op dit gebied, wordt informatie daarover onder de branche verspreid. Daarbij verwacht de NVWA van de betreffende speelgoedbedrijven een proactieve houding om ook via andere informatiebronnen dan de NVWA op de hoogte te blijven van de meest recente relevante wetenschappelijke ontwikkelingen.
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Zoals eerder geantwoord op uw Kamervragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via, onder andere, de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS in 2026 € 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Het kabinet heeft het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zet zich in Europees verband in voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen wordt verder gewerkt aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
De EU heeft enkele van de strengste veiligheidseisen voor speelgoed en zet de veiligheid van kinderen altijd voorop. Het kabinet onderschrijft dit. Daarom heeft het kabinet het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zal zich in samenwerking met andere landen inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder aangegeven zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Hoe zij invulling geven aan deze verantwoordelijkheid is aan henzelf. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke verantwoordelijkheid.
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het EU-meldsysteem voor consumentenproducten maakt het mogelijk snel informatie te verstrekken over maatregelen tegen gevaarlijke non-foodproducten onder de nationale toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor productveiligheid in de landen van de EU.
De meldingen hebben betrekking op producten die niet aan de Europese wetgeving voldoen. Europese wetgeving wijkt af van bijvoorbeeld Australische wetgeving. Dit kan ook nog per productcategorie verschillen. Daarom is het niet mogelijk om in algemene termen aan te geven welke criteria moeten worden gehanteerd voor de veiligheid van producten en heeft aansluiting op het Europese waarschuwingssysteem geen meerwaarde.
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Nee, dit klopt niet.
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen2 van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan.
De Schijf van Vijf combineert al langer gezondheid, duurzaamheid en veiligheid. De afgelopen jaren zijn er steeds meer wetenschappelijke data over duurzaamheid en veiligheidsaspecten beschikbaar gekomen. Dit maakte het mogelijk voor het Voedingscentrum om duurzaamheid en voedselveiligheid geïntegreerd mee te nemen in de aanpassingen van de meest recente Schijf van Vijf.
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Het kabinet hecht aan individuele keuzevrijheid: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding.
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Nee, de vernieuwde Schijf van Vijf is net als voorheen een goede houvast om gezond te eten. De adviezen van het Voedingscentrum voldoen aan de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en leveren alle voedingsstoffen en energie die nodig zijn voor een gezond voedingspatroon.
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan. De Wereldgezondheidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) adviseren landen gezondheid en duurzaamheid samen te bekijken in de voedingsrichtlijnen, met als duidelijke afspraak dat dit nooit ten koste mag gaan van gezondheid.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?
Mensen zijn vrij om zelf te kiezen wat zij op hun bord willen hebben. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het Voedingscentrum biedt, voor wie dit wil, praktische tips hoe je stapsgewijs meer volgens de Schijf van Vijf kan eten. Het kabinet zet zich in om de gezonde keuze makkelijker maken. Maar nogmaals, de keuze is aan mensen zelf.
Het bericht dat werkgevers in de zorg twijfelachtige certificaten blijven accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De zorg blijft twijfelachtige certificaten accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in de zorg nog steeds actief gezocht wordt naar potentiële werknemers met EVC-certificaten?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat er nog steeds actief wordt gezocht naar werknemers op basis van EVC-certificaten. De dringende oproep die ik samen met mijn collega bewindspersonen heb gedaan is gebaseerd op verschillende signalen en onderzoeken waaruit blijkt dat het huidige EVC-stelsel onvoldoende kwaliteitsborging kent en ruimte laat voor misbruik. Een EVC-certificaat biedt daarom op dit moment geen betrouwbare garantie voor de vereiste kennis en vaardigheden.
Hoe rijmt u de dringende oproep vanuit vier collega bewindspersonen om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten met het feit dat werkgevers in de zorg nog steeds actief zoeken naar kandidaten met deze certificaten?
Het kabinet begrijpt het belang van het erkennen van leer- en werkervaring in brede zin. Echter, in het geval van het erkennen van leer- en werkervaring op basis van EVC-certificaten is gebleken dat dit in de praktijk vaak een «papieren exercitie» is, waardoor de deur open wordt gezet voor fraude met deze certificaten. Dat is ook de aanleiding geweest voor onze dringende oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten. Tegelijkertijd is het EVC-stelsel privaat en kunnen werkgevers er daarom voor kiezen om hier toch gebruik van te maken. Maar het accepteren van een EVC-certificaat neemt de verantwoordelijkheid van partijen niet weg om zelf te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is. Werkgevers en onderwijsinstellingen blijven verantwoordelijk voor de inzet van deskundige medewerkers (in de zorg) en voor het verlenen van vrijstellingen. Dit is ook nadrukkelijk onderdeel van onze oproep geweest.
Wat vindt u ervan dat er hierdoor nog steeds personen zonder de vereiste kennis en ervaring toegang krijgen tot functies, opleidingen en voorzieningen waarvoor zij onvoldoende gekwalificeerd of bevoegd zijn?
Dat is zorgelijk. De geconstateerde fraudegevoeligheid in het EVC-stelsel maken dat EVC-certificaten geen betrouwbare weergave zijn van iemands competenties. Het is daarom onacceptabel dat personen hierdoor toegang krijgen tot functies of opleidingen waarvoor zij niet voldoende zijn gekwalificeerd. Dit onderstreept de noodzaak om gehoor te geven aan de oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten en te kijken naar andere mogelijkheden om leer- en werkervaring te erkennen. Ik benadruk nogmaals, als werkgevers ervoor kiezen om gebruik te blijven maken van EVC-certificaten, dan ontslaat dat hen niet van de verantwoordelijkheid om zelf te beoordelen dat hun personeel bekwaam en bevoegd is. De verantwoordelijkheid om te borgen dat (potentiële) werknemers over de kennis en vaardigheden beschikken om het werk uit te voeren blijft bij de werkgever.
Wat vindt u ervan dat volgens Trouw voor onder andere vacatures voor pedagogisch hulpverlener (voor uithuisgeplaatste jongeren) en jeugdzorgwerker EVC-certificaten nog steeds worden gebruikt terwijl deze medewerkers juist met kwetsbare jongeren werken?
De kwaliteit en veiligheid van kwetsbare jongeren die jeugdhulp ontvangen moeten zo goed als mogelijk worden gewaarborgd. Als er nog werkgevers en jeugdhulpaanbieders zijn die professionals werven op een EVC-certificaat, zonder te controleren of deze echt bekwaam en bevoegd zijn, dan is dat zorgwekkend. Onze brief van februari 2026 over fraude met EVC-certificaten, is gebaseerd op onderzoeken van het Openbaar Ministerie, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie van Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De dringende oproep om niet langer te vertrouwen op EVC-certificaten is gericht aan alle branches binnen de zorg, ook jeugdhulpaanbieders. Om de veiligheid, kwaliteit en integriteit van zorg te waarborgen is de inzet van werkgevers nodig en dienen zij zorgvuldig te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is om zorg te verlenen.
Hoe verhoudt het feit dat er jeugdzorgwerkers worden gezocht met EVC-certificaten zich tot het voornemen van Jeugdzorg Nederland om niet langer gebruik te maken van EVC-certificaten? Welke status heeft dit voornemen van de brancheorganisatie?
Uit afstemming met Jeugdzorg Nederland blijkt dat niet zonder meer is vast te stellen of het de leden van Jeugdzorg Nederland zijn die nog professionals met EVC-certificaten zoeken. Het standpunt van Jeugdzorg Nederland is dat zolang de kwaliteit van EVC-certificaten niet betrouwbaar getoetst kan worden, men zeer terughoudend moet zijn in het aannemen/inzetten van mensen met EVC-certificaten. Jeugdzorg Nederland heeft haar leden opgeroepen kandidaten en hun dossiers met werkervaring en opleiding grondig te controleren. Jeugdzorg Nederland blijft dit standpunt onderstrepen. Dat standpunt komt overeen met strekking van de brief die in februari dit jaar door mij en mijn collega bewindspersonen is verzonden aan veldpartijen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat kwaadwillenden middels deze certificaten dus nog steeds de mogelijkheid hebben om kwetsbare jongeren te ronselen voor criminele activiteiten?
Ik deel de zorgen over fraude en de signalen over het ronselen van kwetsbare jongeren binnen de jeugdhulp. Jongeren moeten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van jeugdzorg en de professionals die deze bieden. Het is onaanvaardbaar dat jongeren de dupe zijn van fraude met certificaten en niet de zorg krijgen die zij nodig hebben. Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan. De problematiek van fraude en zware georganiseerde criminaliteit gaat helaas veel verder dan het zorgdomein en vraagt een brede integrale aanpak. Zo werk ik structureel samen met andere departementen, toezichthouders, gemeenten en opsporingsdiensten. Onderdeel daarvan is de brief van mij en mijn collega bewindspersonen van februari dit jaar, waarin veldpartijen wordt opgeroepen terughoudend te zijn met de inzet van professionals op basis van EVC-certificaten.
Wat vindt u ervan dat verschillende zorgopleidingen nog steeds reclame maken voor deze vorm van diplomering?
Onderwijsinstellingen zijn door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in een brief op 19 juni 2025 geïnformeerd over het misbruik met EVC-certificaten in de «onderwijsroute». Examencommissies zijn er met de brief extra op gewezen om alleen een vrijstelling te verlenen als boven alle twijfel verheven is dat iemand geheel voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen. Dit laat onverlet dat laagdrempelig om- en bijscholen mogelijk moet blijven. Onderwijsinstellingen blijven de ruimte houden om zelf betrouwbare valideringstrajecten in te zetten gericht op het (h)erkennen van relevante eerder opgedane leer- en werkervaring en het bieden van maatwerktrajecten aan zij-instromers die aansluiten op wat zij al kennen en kunnen. Ik blijf in nauw overleg met de Minister van OCW over waar dit goed gaat en waar niet, waar we indien nodig passende maatregelen treffen.
Hoe wilt u uitvoering geven aan het amendement-Synhaeve/Wendel aangaande EVC fraude?
Middels het amendement Synhaeve/Wendel trek ik in 2026 elk geval 200.000 euro uit voor het vervolgonderzoek naar onvolkomenheden in de onderliggende dossiers behorend bij EVC-certificaten van professionals in de jeugdhulp. Momenteel ben ik in gesprek met onder andere de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd om tot afspraken te komen over de inzet van deze middelen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat werknemers zich gemakkelijk kunnen bij- of omscholen op een manier waarop dat wel vertrouwd is, nu u heeft opgeroepen om geen EVC-certificaten meer te accepteren en we tegelijkertijd zien dat verschillende werkgevers dit nog wel doen vanwege krapte op de arbeidsmarkt?
Ik vind het lovenswaardig om te zien hoe veldpartijen, zoals Jeugdzorg Nederland, Actiz, VGN en de Nederlandse GGZ zich hebben verbonden om de fraude aan te pakken en alternatieven te bedenken voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. Hierbij vind ik het van belang dat een eventueel alternatief geen ruimte laat voor fraude. Erkenning van werkervaring, competenties of vaardigheden is zowel voor onze zorgverleners als ook voor de werkgevers belangrijk. Hierbij gaat het dan om status, doorgroeimogelijkheden, salaris en ook behoud van mensen voor zorg en welzijn.
Ik zal veldpartijen faciliteren bij het vinden van betrouwbare alternatieven, bijvoorbeeld door goede voorbeelden aan te reiken. In het kader van het Transformatieplan Limburg wordt bijvoorbeeld ingezet op «bekwaam is inzetbaar». Hierbij wordt uitgegaan van skillsgerichte inzet en verschuift de focus van diploma-eis naar beheersing van de vaardigheden voor de taken waarvoor men wordt ingezet. De gemeente Nijmegen heeft in het aanbestedingsproces de diploma-eis losgelaten en zij hebben hiermee positieve resultaten voor wat betreft inzet en beschikbaarheid geboekt. In plaats van de diploma-eis is gekeken wat wettelijk vereist is en is de verantwoordelijkheid voor goede kwaliteit bij de opdrachtnemer gelegd. Die kan hierdoor taken toebedelen op basis van vakbekwaamheid in combinatie met de aard en zwaarte van de hulpvraag. De gemeente Nijmegen is nu een traject gestart om dit ook bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten onder de aandacht te brengen, met het doel dit verder uit te rollen. Ook heeft de overheid, met de landelijk beschikbare skillstaal Competent NL een mooi instrument ontwikkeld dat partijen op de arbeidsmarkt kan helpen om vak- en kennisvaardigheden eerder te herkennen. Onder leiding van VNO-NCW/MKB wordt daarnaast door sociale partners gewerkt aan afspraken over het valideren van skills. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt hiervan op de hoogte gehouden. Zoals ook door mijn voorgangers toegezegd zal ik in nauw contact blijven met het veld en meedenken met alternatieven.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De uitzending van Pointer over tabaksspeciaalzaken |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Pointer, waaruit blijkt dat verhitte tabak wordt aangeprezen als schoner alternatief voor sigaretten, dat het aantal tabaksspeciaalzaken flink groeit en dat Philip Morris hier een belangrijk aandeel in heeft?1
Het is zorgelijk dat de tabaksindustrie steeds nieuwe tabaks- en nicotineproducten aan de man probeert te brengen en die, tegen de regels in, te promoten als «gezonder» alternatief voor normaal roken. Het kabinet snapt daarnaast ook de zorgen over de groei van het aantal tabaksspeciaalzaken. Het is echter belangrijk ook op te merken dat het verkooppuntenbeleid zijn vruchten afwerpt en heeft geleid tot een grote netto-daling van het aantal verkooppunten. De verwachting is dat na het verbod op de verkoop in supermarkten en horeca-inrichtingen per 1 juli 2024 het aantal verkooppunten de komende jaren nog verder zal dalen. Eind 2023 waren er nog circa 10.000 tabaksverkooppunten waaronder 6.400 supermarkten die deze producten nu niet meer mogen verkopen. Er zijn verkooppunten (met name speciaalzaken) hiervoor teruggekomen maar veel minder dan het aantal dat is verdwenen. Voorzien is dat per 2032 rookwaren alleen nog verkocht zullen mogen worden in speciaalzaken. Het wetsvoorstel hiervoor is op 20 maart j.l. ingediend.2
Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat winkeliers verhitte tabak als «beter», «schoner» of «gezonder» alternatief voor sigaretten aanprijzen? Deelt u dat dit onacceptabel is en klopt het dat dit in strijd is met de Tabaks- en rookwarenwet?
Dit is inderdaad onacceptabel en in algemene zin zijn dergelijke uitingen in strijd met het reclameverbod in de Tabaks- en rookwarenwet. Het is aan de NVWA of de uitingen die in de uitzending zijn gedaan een overtreding inhouden van het reclameverbod.
Kunt u klip en klaar aangeven dat het gebruik van verhitte tabak, zoals bij de genoemde IQOS-apparaten, helemaal niet gezonder, schoner of beter is dan sigaretten?
Verhitte tabaksproducten zijn net als gewone sigaretten schadelijk voor de gezondheid. Dat blijkt ook uit recent onderzoek van het RIVM.3 Hoewel de langetermijneffecten nog niet volledig bekend zijn, blijkt uit dit onderzoek dat verhitte tabaksproducten op korte termijn schadelijk zijn voor de gezondheid. Daarmee zijn verhitte tabaksproducten geen veilig alternatief voor roken. Het gebruik van deze producten moet dus, net zoals bij gewone sigaretten, ten zeerste worden afgeraden.
Wordt er door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gehandhaafd op dit soort illegale gezondheidsclaims? Zo ja, hoe kan het dat dit op zo’n grote schaal gebeurt?
Ja, de NVWA handhaaft de Tabaks- en rookwarenwet en treedt op tegen dit soort claims. De NVWA heeft eerder een boete van vierhonderdvijftigduizend euro opgelegd voor een vergelijkbare gezondheidsclaim over verhitte tabak die op schermen in een verkooppunt getoond werden. De rechter heeft de NVWA gelijk gegeven maar er loopt nu een hoger beroep. Als de NVWA ook in hoger beroep gelijk krijgt, kan met meer zekerheid worden optreden tegen dergelijke claims. Verder werd in de uitzending getoond dat medewerkers van de verkooppunten dit soort claims ook mondeling doen richting klanten. Dit bemoeilijkt het toezicht omdat dergelijke uitingen door de inspecteurs moeten worden waargenomen.
Wat vindt u van de rol van Philip Morris hierin, als winkelpersoneel wordt getraind over de voordelen van verhitte tabak? Is dit toegestaan en zo nee, hoe wordt hierop richting Philip Morris gehandhaafd?
Het kabinet ziet voor de volksgezondheid geen voordelen van verhitte tabak ten opzichte van tabak die wordt gerookt. Verhitte tabak brengt de rookvrije generatie niet dichterbij en het kabinet is dan ook niet blij met deze trainingen. Of de trainingen een overtreding van het reclameverbod zijn, moet worden vastgesteld door de NVWA. Een overtreding van het reclameverbod moet de NVWA bewijzen met feiten en omstandigheden. En dat is in het geval van mondelinge commerciële mededelingen erg lastig. Niet alleen vanwege de scheidslijn tussen informatie delen tussen producenten en verkoper (wat is toegestaan) en verkoopbevordering (wat niet is toegestaan), maar ook omdat het gaat om mondelinge mededelingen.
Herkent u het beeld dat er sinds 2021 minimaal 250 tabaksspeciaalzaken zijn bijgekomen? Welke cijfers heeft u over (de stijging van) het aantal tabaksspeciaalzaken en het aantal verkooppunten in totaal?
Ja, dit zijn herkenbare cijfers. In 2022 is het verbod op tabaksautomaten4 in werking getreden, gevolgd door het verbod op online verkoop5 in 2023. Eind 2023 waren er nog circa 10.000 tabaksverkooppunten, waarvan 6.400 supermarkten. Per 1 juli 2024 geldt het verbod op de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten in supermarkten en horeca-inrichtingen.6 Daarmee is het 6.400 supermarkten niet meer toegestaan deze producten te verkopen. Omdat supermarkten tot 1 juli 2024 meer dan de helft van de verkoop van tabak en vapes voor hun rekening namen, werd voorzien dat nieuwe verkooppunten zouden worden geopend om de vrijgevallen omzet op te vangen. In een door het toenmalige kabinet uitgezet onderzoek uitgevoerd door SEO Economisch Onderzoek (hierna: SEO)7 werd ervan uitgegaan dat circa 800 nieuwe tabaksverkooppunten zouden openen. Het aantal nieuw geopende verkooppunten na invoering van het supermarktverbod blijft hierbinnen. Uit recent onderzoek van SEO8 volgt namelijk dat er relatief weinig nieuwe tabaksspeciaalzaken en gemakszaken bij zijn gekomen sinds het supermarktverbod. SEO telde aan het einde van 2024 548 tabaksspeciaalzaken, waarvan 120 nieuw geopend zijn na 1 januari 2024. Volgens SEO compenseren de nieuw geopende zaken de daling in het aantal tabaksverkooppunten nauwelijks. Voorts volgt uit de factsheet «Monitor nieuwe verkooppunten van rookwaren oktober-november 2024» van de NVWA dat er in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2024 netto 656 nieuwe verkooppunten van rookwaren zijn geopend, waarvan ruim 40% kan worden aangemerkt als speciaalzaak. Deze cijfers wijken niet significant af van de door Pointer genoemde cijfers. Pointer stelt dat het aantal speciaalzaken van 246 in 2021 is gestegen naar 494.
Deelt u de mening dat deze stijging direct ingaat tegen de doelstelling van het rookbeleid om het aantal verkooppunten terug te dringen?
Het kabinet deelt die mening niet. Om te voorkomen dat jongeren gaan roken en om ex-rokers te beschermen heeft het toenmalige kabinet er in 2020 voor gekozen het aantal verkooppunten te verminderen en de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten te beperken tot verkoopkanalen waar doorgaans geen kinderen en ex-rokers komen.9 Het kabinet zet dit beleid voort. Het verminderen van de (toen nog) brede beschikbaarheid van rookwaren beschermt jongeren en ex-rokers tegen de verleiding om te gaan roken en het doen van impulsaankopen van rokers. Er is gekozen voor een gefaseerde aanpak waarbij tabaksproducten en aanverwante producten vanaf 1 januari 2032 alleen nog in speciaalzaken verkocht mogen worden. Speciaalzaken richten zich op de volwassen roker en verkopen vrijwel alleen tabaksproducten en aanverwante producten.
Het aantal nieuw geopende tabaksverkooppunten ligt vele malen lager dan het aantal van 6.400 verkooppunten dat per 1 juli 2024 met het verbod op tabaksverkoop door supermarkten verdwenen is. Daarbij was reeds voorzien dat andere verkooppunten (met name speciaalzaken) een deel van het weggevallen aanbod zouden overnemen. Het aantal nieuw geopende verkooppunten blijft binnen de marge van het aantal dat SEO op voorhand had verwacht (namelijk 800 nieuwe verkooppunten). Dat een groter deel van de verkoop plaatsvindt in speciaalzaken draagt er bovendien aan bij dat ex-rokers, stoppers en kinderen minder vaak in aanraking komen met tabaksproducten vergeleken met de situatie waarbij sigaretten nog verkocht werden in de supermarkt.
Deelt u de mening dat snelle invoering van de registratieplicht essentieel is, om zicht te hebben op het aantal verkooppunten van tabak? Klopt het dat de vertraagde invoering hiervan leidt tot minder zicht op het aantal verkooppunten?
Het effect van het supermarktverbod en de beperking van het verkopen tot uiteindelijk alleen speciaalzaken kan nauwkeurig worden gemeten met de gegevens die met de aangekondigde registratieplicht zullen worden verkregen.
Per 1 juli 2026 zal de registratieplicht gelden voor verkooppunten van tabaksproducten en aanverwante producten.
Wat vindt u ervan dat Philip Morris de stijging van het aantal tabaksspeciaalzaken faciliteert, door inrichtingen en verbouwingen te financieren?
Het kabinet vindt dit een zorgelijke ontwikkeling. De NVWA heeft dergelijke praktijken in onderzoek en het Trimbos-instituut is gevraagd inzicht te geven in het effect van reclame in speciaalzaken op het rookgedrag van klanten.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de betrokkenheid van tabaksfabrikanten bij tabaksspeciaalzaken en de Kamer hierover voor de zomer per brief te informeren?
Ja, de NVWA werkt nu aan een factsheet over deze ontwikkelingen in speciaalzaken. Het kabinet verwacht u de reactie op deze factsheet en de bevindingen van het Trimbos-instituut voor de zomer toe te sturen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het aantal tabaksspeciaalzaken niet meer, maar juist minder wordt en dat ook het totaal aantal verkooppunten verder afneemt?
Het Nederlandse verkooppuntenbeleid maakt de eisen die aan tabaksverkoop gesteld worden steeds strenger. In 2032 mogen alleen speciaalzaken rookwaren verkopen. Speciaalzaken mogen dan naast rookwaren alleen nog loten en dagbladen verkopen. Uit onderzoek van SEO10 blijkt dat met deze eisen alleen een beperkt aantal verkooppunten rendabel kan zijn. Het aantal levensvatbare speciaalzaken in Nederland in 2032 wordt geschat op circa 1.500. Het aantal nieuw geopende verkooppunten na invoering van het supermarktverbod blijft binnen de marge van het aantal dat SEO op voorhand had verwacht.
Deelt u dat invoering van een vergunningstelsel voor de verkoop van rookwaren het meest effectieve instrument is om het aantal verkooppunten terug te dringen? Zo ja, bent u bereid de invoering hiervan voor te bereiden per 2032?
De verwachting is dat het aantal verkooppunten in 2032 zal zijn gedaald naar 1.500 wat een vermindering inhoudt van 85% ten opzichte van eind 2023. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding voor verdergaande maatregelen. Wel blijft het kabinet uiteraard de effecten evalueren en monitoren.
De uitkomsten van Europees rioolwateronderzoek naar drugsgebruik, waaruit blijkt dat Nederland hoog scoort op MDMA en ketamine |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groot rioolwateronderzoek naar drugs: Nederland bovenaan met MDMA en ketamine», waarin wordt bericht over de uitkomsten van Europees rioolwateronderzoek door het drugsagentschap EUDA?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat Nederland tot de Europese top behoort als het gaat om MDMA-gebruik en dat het ketaminegebruik in Nederlandse steden volgens dit onderzoek met ruim 40 procent is gestegen ten opzichte van het voorgaande jaar?
Het kabinet vindt het zorgelijk dat Nederland volgens dit onderzoek tot de Europese top behoort als het gaat om MDMA-gebruik en dat hogere concentraties ketamine in Nederlandse steden zijn gemeten. Het Sewage Analysis Core Group (SCORE)-onderzoek laat zien dat het gebruik van MDMA in 2025 in de Nederlandse steden die deelnemen aan dit onderzoek (Amsterdam, Eindhoven en Utrecht) het hoogste is van alle deelnemende Europese steden. Tegelijkertijd signaleert het onderzoek, in vergelijking met 2024, een afname van het MDMA-gebruik in deze steden. Voor ketamine geldt dat Amsterdam en Eindhoven behoren tot de Europese steden met de hoogst gemeten restanten en dat sprake is van een toename ten opzichte van 2024.
Deze uitkomsten moeten zorgvuldig worden geïnterpreteerd. De deelnemende steden zijn niet representatief voor het drugsgebruik in Nederland als geheel, zoals onder andere blijkt uit de landelijke pilotstudie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Trimbos-instituut uit november 2025 (zie onder andere het antwoord op vraag 5).2 Daarnaast kent rioolwateronderzoek beperkingen: een toename in gemeten restanten kan niet zonder meer worden vertaald naar een toename van het aantal gebruikers, omdat ook gebruiksfrequentie, dosering en zuiverheid van invloed zijn op de uitkomsten. Daarbij is het van belang de uitkomsten in een meerjarig perspectief te bezien. Voor ketamine geldt dat er nog slechts enkele jaren aan meetgegevens beschikbaar zijn, waardoor het op dit moment niet mogelijk is om uitspraken te doen over langjarige trends.
Deelt u de zorg dat het sterk toenemende gebruik van ketamine, een middel met aanzienlijke gezondheidsrisico’s, erop kan wijzen dat dit middel in toenemende mate wordt genormaliseerd binnen het recreatieve uitgaansleven? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan voor het huidige drugsbeleid?
Het kabinet deelt de zorg om het niet medische gebruik van ketamine. Uit verschillende gegevensbronnen blijkt dat het gebruik hiervan stijgt. Drugsgebruik maakt geen onderdeel uit van een normale, gezonde leefstijl. Deze ontwikkeling bevestigt het belang van het huidige beleid gericht op het ontmoedigen van drugsgebruik het denormaliseren van drugsgebruik.
In hoeverre bevestigen deze cijfers volgens u het beeld dat drugsgebruik in Nederland niet afneemt, maar in bepaalde vormen juist structureel toeneemt? Wat betekent dit voor de inzet van het kabinet op het ontmoedigen en denormaliseren van drugsgebruik?
De cijfers uit het rioolwateronderzoek geven geen eenduidig beeld dat drugsgebruik in algemene zin structureel toeneemt. Wel laten zij zien dat er verschillen zijn per middel en per locatie, en dat bij sommige middelen sprake is van een stijgende trend. Dit bevestigt het belang van het huidige beleid gericht op het ontmoedigen en denormaliseren van drugsgebruik. Het kabinet blijft inzetten op preventie, monitoring en het tijdig signaleren van nieuwe ontwikkelingen, zodat waar nodig gericht kan worden bijgestuurd.
Hoe verhouden de uitkomsten van dit Europese rioolwateronderzoek zich tot de lopende Nederlandse pilot met rioolwatermetingen om trends in drugsgebruik inzichtelijk te maken?
De uitkomsten van het Europese rioolwateronderzoek zijn wat de metingen in grote steden en gemeenten betreft vergelijkbaar met de bevindingen uit de landelijke pilotstudie van het RIVM en Trimbos. De pilot heeft aangetoond dat dit beeld niet overeenkomt met drugsgebruik in kleinere gemeenten en steden. Hier is het gebruik van verschillende drugs over het algemeen lager. Beide onderzoeken laten de meerwaarde zien van rioolwatermetingen als aanvullend instrument om trends in drugsgebruik inzichtelijk te maken. Wel is sprake van verschillen in de onderzochte stoffen. In het SCORE-onderzoek is gekeken naar MDMA, amfetamine, cocaïne, ketamine, cannabis en methamfetamine. In de Nederlandse pilot is niet gekeken naar cannabis en ketamine, maar in plaats daarvan naar 3-CMC en 4-CMC. In de toekomst kunnen mogelijk andere stoffen in beschouwing worden genomen. Bij de besluitvorming daarover worden recente risico-ontwikkelingen en signalen over trends in gebruik betrokken. Daarbij wordt onder meer gebruik gemaakt van inzichten van het RIVM en het Trimbos-instituut.
Bent u bereid om, mede in het licht van deze Europese cijfers, rioolwateronderzoek structureel en landelijk in te zetten als aanvullend instrument om trends in drugsgebruik te monitoren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet rioolwateronderzoek inderdaad als een waardevolle aanvulling op bestaande monitoringsinstrumenten. Het kabinet informeert de Kamer voor het zomerreces over de opzet van een landelijk rioolwateronderzoek.
Welk rioolwateronderzoek naar drugsgebruik wordt er op dit moment gedaan en op wiens initiatief?
Er worden incidenteel en structureel rioolwatermetingen uitgevoerd in verschillende delen van het land. Zo voerde het Wetterskip Fryslân in opdracht van de gemeente Leeuwarden een rioolwatermeting uit waarover de Kamer op 3 december 2025 schriftelijke vragen heeft ingediend.3 Het is bekend dat meerdere gemeenten dergelijke metingen laten uitvoeren, veelal met ondersteuning van kennisinstellingen zoals KWR Water Research Institute. Deze instelling voert sinds 2011 in opdracht van gemeenten rioolwateronderzoek uit en levert jaarlijks data aan voor het Europese SCORE-onderzoek, dat in samenwerking met het Europese Drugsagentschap (EUDA) wordt uitgevoerd. In 2025 namen 128 Europese steden deel aan het SCORE-onderzoek: dit aantal neemt jaarlijks toe. Van meet af aan worden hiervoor een week lang rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) in de omgeving van Amsterdam, Eindhoven en Utrecht bemonsterd. In de afgelopen jaren hebben Zwolle, Rotterdam, Groningen, Nieuwegein en Leeuwarden vergelijkbare metingen laten uitvoeren door KWR, waarbij de resultaten met instemming van de gemeenten zijn gedeeld met het SCORE-consortium. Deze verschillende onderzoeken leveren waardevolle signalen over ontwikkelingen in drugsgebruik op deze locaties. Met de landelijke pilot van het RIVM en Trimbos is gekozen voor een opzet waarmee wordt beoogd een meer representatief beeld te verkrijgen van ontwikkelingen in drugsgebruik op nationaal niveau.
Welke lessen voor de effectiviteit van het huidige preventie- en handhavingsbeleid trekt u uit het feit dat het onderzoek laat zien dat bij middelen als MDMA en cocaïne sprake is van duidelijke weekendpieken, terwijl bij sommige steden en middelen juist sprake lijkt van meer verspreid gebruik door de week?
De waargenomen weekendpieken bij bepaalde middelen sluiten aan bij het beeld dat drugsgebruik samenhangt met het uitgaansleven. Dit soort inzichten helpt om preventie- en handhavingsactiviteiten gerichter in te zetten, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij specifieke momenten en contexten van gebruik.
Laat de volgende uitkomst volgens u zien dat er sprake is van problematisch drugsgebruik in het uitgaansleven en dat hier maatregelen voor nodig zijn? Welke schade heeft dit gebruik elk weekend voor de veiligheid, gezondheid en het milieu en zijn gebruikers daar bekend mee?
Hoewel de uitkomsten van rioolwateronderzoek in samenhang met andere bronnen moeten worden bezien, is het bekend dat drugsgebruik problematische vormen kan aannemen. Dit kan leiden tot gezondheidsrisico’s voor gebruikers, zoals acute intoxicaties en verslavingsproblematiek, maar ook tot risico’s voor de veiligheid, bijvoorbeeld in het verkeer of in de vorm van gewelddadig gedrag richting hulpverleners.4 Daarnaast zorgen de productie en handel van illegale drugs voor milieuschade en houdt deze handel een criminele praktijk in stand die schade toebrengt aan de rechtstaat. Om deze risico’s te beperken zet het kabinet in op een combinatie van preventie, handhaving en bewustwording. Zo heeft in uitvoering van de motie Bikker c.s. uit februari 2024 vorig jaar een campagne gedraaid die jongeren bewust maakt van de negatieve gevolgen van drugsgebruik voor de samenleving, het milieu en de gezondheid. Het kabinet heeft eerder informatie verschaft over de voortgang van deze campagne5 en zal de Kamer voor de zomer informeren over onze plannen met betrekking tot het voortzetten van deze campagne.
Op welke wijze wordt samengewerkt met gemeenten en andere belangrijke samenwerkingspartners om de uitkomsten van dit soort onderzoeken te vertalen naar gerichte lokale maatregelen om het gebruik van drugs terug te dringen?
Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden vanuit de rijksoverheid gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals ondersteunen bij het voeren van drugspreventiebeleid. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Voor dit basispakket wordt eveneens gebruikgemaakt van door het Trimbos-instituut ontwikkelde materialen. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Daarnaast heeft het Trimbos-instituut het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, dat een gemeente helpt bij het schrijven van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid. Het Trimbos-instituut kan daarnaast een zogeheten Scanner-onderzoek uitvoeren, om gemeenten meer inzicht te geven in de lokale situatie rond middelengebruik en mogelijke handelingsperspectieven.
Naast het verschaffen van deze kennis en tools is ook regelmatig contact met verschillende gemeenten en de VNG over relevante onderwerpen.
Leiden de uitkomsten van dit onderzoek tot andere prioriteiten in preventie, opsporing en handhaving? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De uitkomsten van het onderzoek laten het belang zien van een preventiebeleid gericht op vermindering en denormalisering van het drugsgebruik. Signalen uit het onderzoek worden meegenomen om de effectiviteit van het beleid te verbeteren.
Keuzes betreffende opsporing en handhaving worden gemaakt door het bevoegd gezag. Aangezien het gebruik van middelen op zichzelf niet strafbaar is in Nederland, ligt het niet in de rede dat dit onderzoek, dat inzicht geeft in gemeten concentraties en mogelijke ontwikkelingen in gebruik, aanleiding zou zijn voor herprioritering.
Deelt u de zorg over de gezondheidsrisico’s van ketaminegebruik, zoals verslaving en problemen met geheugen en concentratie, met name onder jongeren en jongvolwassenen? Zo ja, welke maatregelen neemt het kabinet om deze risico’s te beperken?
Ja, het kabinet deelt de zorg over de gezondheidsrisico’s van ketaminegebruik. Daarom heeft het kabinet het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring nieuwe drugs (CAM) gevraagd een risicobeoordeling uit te voeren en te adviseren over passende maatregelen.
De risicobeoordeling is zeer recent opgeleverd en brengt zowel de gezondheids- als de maatschappelijke risico’s in kaart. De voorgestelde beleidsopties worden momenteel gewogen. Het kabinet informeert de Kamer hierover voor het zomerreces.
De situatie bij Fivoor |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van de eerdere Kamervragen over de situatie in de gemeente Zeist over de situatie van Fivoor in Den Dolder en de Kamerbrief van 16 april 2025 over de toekomst van de klinieken in Den Dolder?1, 2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke gesprekken er zijn gevoerd sinds april 2025 om ervoor te zorgen dat concrete vertrekplannen van Fivoor uit Den Dolder worden gerealiseerd? Kunt u de laatste stand van zaken geven?
In 2025 zijn vier Regionale Regietafels georganiseerd om de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor te begeleiden. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht. Hiermee onderstrepen we de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de regio om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden. Het voorzitterschap ligt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De tafel wordt voorgezeten door de verantwoordelijk Staatssecretaris of een vertegenwoordiger van het ministerie. Ik zet die inzet voort.
Er wordt gewerkt langs twee sporen:
Er zijn drie locaties in beeld voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op het lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties deel ik daarom nu niet.
Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) is op dit moment niet actief betrokken bij de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor. In het voorjaar van 2025 heeft het RVB meerdere specifieke locaties onderzocht. Zoals mijn voorganger in de brief aan de Tweede Kamer van 16 april 2025 heeft toegelicht, betrof dit vastgoed dat in gebruik is bij het Ministerie van Defensie.3 Dat vastgoed is primair bestemd voor de opgaven van Defensie. Gezien de huidige geopolitieke situatie en de noodzaak de Nederlandse defensiecapaciteit uit te breiden, heeft Defensie laten weten om die reden geen terreinen te verkopen. Daarom loopt er momenteel geen traject via het RVB. Mochten er in de toekomst locaties in beeld komen waar de RVB kan bemiddelen, dan is de afspraak dat zij direct worden aangehaakt.
Welke locatie of locaties zijn op dit moment in beeld om Fivoor te huisvesten en in hoeverre is het Rijksvastgoedbedrijf gecommiteerd aan de inzet om verhuizing van Fivoor mede mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen zijn er in de tussentijd getroffen om de veiligheid in Den Dolder te waarborgen?
JenV ondersteunt gemeente Zeist bij de maatregelen die zij treft om de veiligheid te borgen tot 1 januari 2027, met de optie dit te verlengen als Fivoor langer blijft en de maatregelen effectief blijken. Maatregelen die door de gemeente worden genomen zijn:
Doel van de inzet is om het veiligheidsgevoel te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorgangers om ook zelf in gesprek te gaan en te blijven met de omwonenden? Zo ja of nee, waarom?
Ja, zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, continueer ik de inzet van mijn voorganger. Ik ga op een passend moment graag in gesprek met de omwonenden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóór het commissiedebat over tbs op 25 maart 2026?
Ja.
Schimmelwoningen |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schimmel, scheuren en schaamte: huurders jarenlang in ongezonde woningen»?1
Ja, ik ben bekend met dit nieuwsbericht.
Zou u de omvang van het aantal meldingen van vocht- en schimmelproblematiek in huurwoningen in kaart willen brengen, in samenwerking met corporaties en gemeenten?
Ik onderschrijf het belang van een landelijk beeld van de omvang van vocht- en schimmelproblematiek in woningen. In dat kader wordt bij het driejaarlijkse WoON-onderzoek uitvraag gedaan naar vocht- en schimmelproblematiek. Huishoudens worden voor dit onderzoek gevraagd naar onderhoudskwaliteit van de woning en naar vocht- en schimmelproblematiek in de woning. Er worden geen vragen gesteld over de mate van de problematiek.
In 2024 gaf 20 procent van de huishoudens aan last te hebben van vocht en schimmel in de woning, vergeleken met 15 procent in 2021. Voor corporatiehuurders nam de vocht- en schimmelproblematiek volgens WoON2024 toe van 24% in 2021 naar 29% in 2024. In de private huur was er in deze periode een toename van 23% naar 31%.
Tegelijkertijd worden het aantal meldingen bij corporaties en gemeenten niet centraal geregistreerd. Ik heb met de VNG, Aedes en de Woonbond afgesproken dat zij bij hun achterban aandacht blijven vragen voor meldingsbereidheid van huurders, hierbij hoort ook het in kaart brengen van de meldingen op lokaal niveau. De oorzaken en de aard van de meldingen lopen zeer uiteen, landelijke conclusies trekken uit deze cijfers is moeilijk. In de lokale prestatieafspraken kunnen afspraken gemaakt worden over het in kaart brengen van de meldingen, lokale partijen (gemeente, huurdersorganisaties en verhuurders) hebben de problematiek, de oorzaken en een passende lokale aanpak het beste in beeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Beckerman (Kamerstuk 28 847, nr. 1325), waarin de regering wordt verzocht met spoed met een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen en dit uiterlijk in het najaar van 2025 aan de Kamer te presenteren?
Welke concrete stappen zijn sinds de aanneming van deze motie gezet om tot een landelijk actieplan tegen schimmelwoningen te komen?
Welke organisaties – zoals woningcorporaties, gemeenten, huurdersorganisaties en gezondheidsinstanties – zijn tot nu toe betrokken bij de uitwerking van dit actieplan?
Wanneer verwacht u het actieplan tegen schimmelwoningen daadwerkelijk aan de Kamer te kunnen presenteren?
Zou u inzicht willen geven in de manier waarop het Rijk momenteel regie neemt op de aanpak van schimmelproblematiek in woningen?
Welke concrete doelstellingen en resultaten wilt u met dit actieplan bereiken, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal woningen waarin schimmelproblematiek structureel wordt aangepakt?
Hoe reflecteert u op signalen dat huurders zich in dergelijke situaties soms niet serieus genomen voelen door verhuurders en instanties?
Ik herken het signaal dat huurders zich niet altijd serieus voelen genomen door verhuurders als het gaat om vocht- en schimmelmeldingen. Door middel van de aanpak zoals genoemd in de beantwoording van vraag 3 t/m 8 is de verwachting dat het vertrouwen van huurders zal toenemen. De afspraak met woningcorporaties is dat zij zich proactief zullen opstellen bij de aanpak vocht- en schimmel, ik roep Aedes, VNG en de Woonbond op om meer aandacht te besteden aan meldingsbereidheid en bij ernstige problematiek kan een onafhankelijk vocht- en schimmelexpert worden ingezet.
Hoe verhoudt de aanpak van schimmelproblematiek zich tot het Nationaal Isolatieprogramma, en op welke wijze wordt geborgd dat isolatiemaatregelen altijd gepaard gaan met adequate ventilatievoorzieningen?
Verduurzaming leidt vaak tot een beter te verwarmen woning en meer wooncomfort. Tegelijk moet ervoor worden gewaakt dat er geen vocht- en schimmelproblemen ontstaan, zoals wanneer er in een verduurzamingsplan onvoldoende aandacht is voor ventilatievoorzieningen of wanneer er nieuwe koudebruggen ontstaan. Daarom besteedt VRO in campagnes speciale aandacht aan ventileren in combinatie met isoleren en wordt in voorlichting bijvoorbeeld via verbeterjehuis.nl aandacht besteed aan een juiste manier van isoleren waarbij bouwfysische problemen worden voorkomen.
Hoe gaat u borgen dat de aanpak van schimmelwoningen daadwerkelijk prioriteit krijgt bij woningcorporaties en gemeenten?
Hoe wordt er op toegezien of corporaties en gemeenten lokaal afspraken maken over de aanpak van vocht- en schimmelproblematiek, zoals afgesproken in de Nationale Prestatieafspraken?
Hoe wordt geborgd dat dergelijke afspraken daadwerkelijk zorgen voor voldoende voortgang op het gebied van schimmelaanpak?
Hoe gaat u bevorderen dat woningcorporaties beschikken over voldoende expertise om schimmelproblematiek snel en effectief aan te pakken, bijvoorbeeld door inzet van specialistische kennis of onafhankelijke experts?
De inzet van vocht- en schimmelexperts vloeit voort uit de Nationale Prestatieafspraken tussen het Rijk, Aedes en de VNG. Voor de periode 2027 tot en met 2029 stelt het Rijk hiervoor jaarlijks € 2 miljoen beschikbaar. Deze experts worden ingezet wanneer huurder en verhuurder (woningcorporatie) er samen niet uitkomen, nadat de corporatie al onderzoek heeft gedaan. De expert brengt vervolgens een onafhankelijk rapport uit met conclusies en aanbevelingen. Deze aanpak is gebaseerd op de succesvolle werkwijze van de gemeente Den Haag.
Het uitgangspunt blijft dat verhuurders verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van hun woningen, inclusief het oplossen van vocht- en schimmelproblemen. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om de inzet van onafhankelijke experts te stimuleren en de urgentie van deze problematiek te benadrukken. Daarom kies ik voor een gerichte en uitvoerbare aanpak die aansluit bij bestaande lokale initiatieven en verantwoordelijkheden.
In deze aanpak dragen verhuurders 75% van de kosten voor een vocht- en schimmelonderzoek, terwijl het Rijk via een subsidie aan gemeenten de overige 25% voor zijn rekening neemt. De uitvoering vindt plaats op het niveau van woningmarktregio’s, waarbij centrumgemeenten een coördinerende rol hebben. Dit sluit aan bij bestaande samenwerkingsstructuren en maakt regionaal maatwerk mogelijk.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat huurders goed geïnformeerd worden over hun rechten en mogelijkheden om schimmelproblematiek aan te kaarten, bijvoorbeeld via de Huurcommissie?
Wanneer bewoners van mening zijn dat de verhuurder te lang wacht met het aanpakken van vocht- en schimmelproblemen, beschikken zij over verschillende mogelijkheden om onderhoud af te dwingen. Huurders kunnen terecht bij de Huurcommissie, die in zulke gevallen een tijdelijke huurverlaging kan opleggen zolang gebreken niet zijn verholpen. Daarnaast kunnen alle huurders een procedure starten bij de kantonrechter om herstel af te dwingen. Bij ernstige klachten over de bouwtechnische staat van de woning kunnen huurders zich bovendien wenden tot het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht. Ik ga met de Woonbond en de Huurcommissie in gesprek of er meer duidelijkheid moet komen over de mogelijkheden die huurders hebben om vocht- en schimmelproblematiek aan te kaarten.
Hoe gaat u bevorderen dat huurders snel geholpen worden wanneer zij schimmelproblematiek melden bij hun verhuurder?
Zie hiervoor de beantwoording op vraag 3 t/m 8. Door middel van de afspraken uit de NPA verwacht ik een grote verbetering te zien bij woningcorporaties wat betreft en proactief oppakken van vocht- en schimmelproblematiek.
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
Veiligheids- en gezondheidsrisico’s van windturbines |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
van Bruggen , Bertram |
|
|
|
|
Gelet op de antwoorden op eerdere Kamervragen over de veiligheidsrisico’s van windturbines en de daarin genoemde verwijzingen naar rapportages van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV)1 heeft het lid Vermeer de volgende aanvullende vragen.
Zoals eerder is geantwoord op de Kamervragen van Kamerlid Vermeer (BBB) van 12 november 2025, kunnen windturbines door de Onderzoeksraad worden onderzocht. De Onderzoeksraad kan hiertoe vanuit zijn bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan beslissen. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar de veiligheidsrisico’s van windturbines op land. In de 4e kwartaalrapportage luchtvaart3 van 2021 heeft de Onderzoeksraad het onderwerp windturbines genoemd. De resultaten waren geen aanleiding voor een verder onderzoek.
Waarom wordt in uw beantwoording gesteld dat er geen significante veiligheidsrisico’s zijn, terwijl de OVV-kwartaalrapportage juist wél benoemt dat windturbines bijdragen aan verdichting van VFR-verkeersstromen2 en daarmee een verhoogde kans op luchtbotsingen?
De Rijkswet op de Onderzoeksraad voor Veiligheid garandeert de onafhankelijke positie van de Onderzoeksraad. Voor enkele typen voorvallen geldt een onderzoeksverplichting. Voorvallen met windturbines vallen daar niet onder. De Onderzoeksraad heeft zelfstandige beslissingsbevoegdheid om uit de veelheid van voorvallen en veiligheidsthema’s, onafhankelijk te kiezen welke hij wil onderzoeken. Iedereen kan een verzoek doen aan de Onderzoeksraad tot het starten van een onderzoek en dat gebeurt ook regelmatig. Ook dan maakt de Onderzoeksraad zijn eigen afweging. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad onvoldoende aanleiding gezien om voorvallen met windturbines te onderzoeken.
Waarom heeft de OVV nooit een volledig onderzoek uitgevoerd naar veiligheidsrisico’s van windturbines, terwijl burgers voor hun veiligheid volledig afhankelijk zijn van overheid, bedrijven en instellingen?
De veiligheidsperimeters staan op de Aandachtskaart-Windturbines4, die brandweer handvatten biedt bij de bestrijding van incidenten rondom windturbines. De Aandachtskaart is ontwikkeld door het NIPV samen met deskundigen van de brancheorganisatie Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA, nu bekend onder de naam NedZero) en deskundigen uit de diverse veiligheidsregio's. De Aandachtskaart is vastgesteld door de landelijke Vakraad Incidentbestrijding en gecommuniceerd met de 25 veiligheidsregio’s, waar de brandweer onderdeel van is. De veiligheidsregio’s zijn zelf verantwoordelijk voor verdere verspreiding over lokale korpsen.
Welke veiligheidsperimeter wordt gehanteerd rond een brandende windturbine, wie stelt deze instructies vast en zijn deze eenduidig bekend bij alle brandweerkorpsen en veiligheidsregio’s?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het opruimen van brokstukken, gesmolten materiaal en brandresten na afloop van een incident. De Omgevingsdiensten adviseren en controleren of de opruimwerkzaamheden correct worden uitgevoerd. Er is geen sprake van een standaard straal van verspreiding, omdat dit onder andere afhankelijk is van de locatie van de brand en de windrichting. Het gebied wordt bepaald in samenwerking met de brandweer, gespecialiseerde schoonmaakbedrijven en de omgevingsdiensten.
Hoe wordt gecontroleerd wat er gebeurt met brokstukken, brandresten en gesmolten materialen die van grote hoogte verspreid worden en tot welke afstand wordt dit onderzocht?
De vergunningverlenende partij stelt hiervoor geen specifieke eisen in het vergunningstraject. Wel is de exploitant vanuit de zorgplicht (artikel 2.11 Besluit Activiteiten Leefomgeving) verplicht alle passende maatregelen te treffen tegen de nadelige gevolgen van een incident. Als vanuit de zorgplicht aanvullende communicatie noodzakelijk is, dan wordt hierbij samengewerkt met de veiligheidsregio. De veiligheidsregio’s hebben onder andere de taak en verantwoordelijkheid om omwonenden te informeren over risico’s op het moment dat er risico’s ontstaan bij eventuele incidenten.
Welke concrete eisen stellen vergunningverlenende partijen aan initiatiefnemers met betrekking tot communicatie over risico’s en noodprocedures voor omwonenden?
Actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines zijn te berekenen met de rekenmethodiek van het RIVM5. De rekenmethodiek wordt vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en aangewezen in de Omgevingsregeling (Artikel 4.11 lid b). In 2021 heeft de laatste herziening van de rekenmethodiek6 plaatsgevonden op basis van incidentencasuïstiek tot die tijd.
Het incident zoals in Nieuwleusen heeft na 2021 plaatsgevonden en wordt ondervangen in de huidige rekenmethodiek. In de huidige rekenmethodiek neemt het RIVM diverse risicoscenario’s mee op basis van casuïstiek en wetenschappelijke literatuur. Een van die scenario’s is brand op hoogte. Gevolg daarvan is dat delen van de windturbine zich kunnen verspreiden in de omgeving en het is mogelijk dat daardoor personen en gebouwen getroffen kunnen worden. De veiligheidsafstand tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties die volgt uit de rekenmethode, en de inzet vanuit de veiligheidsregio, zorgen dat een voldoende veiligheidsniveau wordt gewaarborgd.
Wat zijn de actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines, hoe wordt de rekenmethodiek vastgesteld, door wie, en wanneer zijn deze afstanden voor het laatst aangepast op basis van incidentcasuïstiek zoals bij Nieuwleusen?
Voor windturbines geldt de zorgplicht onder artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving en daarnaast is de veroorzaker op grond van de Wet milieubeheer (artikel 17.13) verantwoordelijk voor het beperken en herstellen van de milieugevolgen van de brand. De verantwoordelijkheid voor het herstellen van milieuschade door een incident met windturbines en bijbehorende kosten, ligt bij de exploitant. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat verzekeraars de schade zullen vergoeden die onder de dekking van de bij hun afgesloten polis valt.
Het is bekend dat actieve brandbestrijding in windturbines niet mogelijk is in verband met toegangsbeperkingen. Daarom focust de sector op preventie, passieve bewaking, en schadebeperking, om veiligheid van mensen te beschermen, ondersteund door regelmatig onderhoud en verplichte jaarlijkse inspecties.
Hoe wordt van exploitanten verwacht dat zij milieuschade beperken wanneer brandbestrijding bij windturbines feitelijk niet mogelijk is en welke normen of eisen gelden hiervoor?
Voor projecten met 3 of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet en worden eisen gesteld op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor 1 of 2 windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Conform deze gebruiksregels dient bijvoorbeeld een jaarlijkse inspectie plaats te vinden bij de windturbine ten behoeve van de externe veiligheid (artikel 4.428 Bal) en geldt een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Aanvullend wordt afstand gehouden rondom windturbines bij ruimtelijke ontwikkelingen van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties op basis van risicocontouren (artikel 5.7 lid 1 en artikel 5.8 lid 1c Bkl).
Voor windturbines zijn ook veiligheidsnormen vastgelegd in de NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 en Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 8400. De provincie of gemeente (in sommige gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan deze eisen. Hierop kunnen zij de veiligheidsregio vragen om advies. Zie ook de Kennisbundel Windturbines7 van het NIPV voor een nadere toelichting op regelgeving rondom windturbines.
Naar welke specifieke wet- en regelgeving wordt verwezen wanneer wordt gesteld dat de bestrijdbaarheid en gevolgen voor de leefomgeving voldoende zijn ondervangen, terwijl u tegelijk aangeeft dat brandbestrijding op hoogte niet kan plaatsvinden?
In de Aandachtskaart-Windturbines8 is een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter opgenomen in geval van het mogelijk afbreken van vallende delen en wordt tot nu toe als handvat gebruikt. Op dit moment wordt deze afstand nog als actueel gezien op basis van de huidige turbinehoogtes.
Op welke turbinehoogte is de brandweeraandachtskaart met een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter gebaseerd en is deze afstand nog actueel gezien de aanzienlijke toename in turbinehoogtes?
Het bericht ‘Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: ‘Dit is zeer zorgelijk’' |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD), Bertram |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Kankerrisico voor omwonenden Chemelot veel groter dan gedacht: «Dit is zeer zorgelijk»»?1
Ja.
Hoe kan het dat Chemelot jarenlang kennelijk veel meer kankerverwekkende stoffen uitstoot dan het rapporteert? Waarom stelt de provincie vertrouwen te hebben in de cijfers van Chemelot, terwijl het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) daar geen zekerheid over geeft?
De provincie Limburg is bevoegd gezag voor Chemelot. De Omgevingsdienst Zuid-Limburg (ODZL) houdt namens de provincie toezicht, met zowel wettelijke controles als bovenwettelijke controlemetingen.
De provincie Limburg heeft op 19 december 2025 een reactie op het RIVM-rapport gestuurd aan provinciale staten met het beleid dat in de regio wordt gevoerd2. De provincie Limburg heeft daarin aangegeven dat de ODZL, net als het RIVM, verschillen heeft gevonden tussen de gemeten immissiewaarden en berekeningen van immissiewaarden op basis van de geregistreerde emissiegegevens van Chemelot.3, 4
Verschillen tussen berekeningen en metingen zijn niet ongebruikelijk, maar vanwege de grootte van de verschillen tussen de immissiemetingen en de verspreidingsberekeningen heeft de ODZL veelvuldig met Chemelot gesproken en is nader onderzoek gepleegd naar mogelijke oorzaken bij Chemelot. Volgens de ODZL werd de stijging van immissies veroorzaakt door lekkages bij twee pompen en een niet goed functionerende fakkelinstallatie. De lekkages zijn in het najaar van 2023 verholpen en de betreffende fakkelinstallatie is sinds 2024 niet meer in gebruik voor dit productieproces.
Sinds deze maatregelen zijn getroffen, liggen de berekende en gemeten waarden dichter bij elkaar en laten metingen zien dat de concentraties van geëmitteerde stoffen in de lucht in de afgelopen jaren zijn gedaald.
Hoe reageert u op emeritus-hoogleraar Toxicologie Martin van den Berg, die stelt dat «de uitstoot dusdanig overschrijdend is dat de omgevingsdienst hier direct met Chemelot over om tafel had gemoeten»?
De ODZL is naar aanleiding van de verschillen tussen metingen en berekeningen met Chemelot in overleg getreden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Is Chemelot inderdaad meteen aangesproken en welke maatregelen heeft de provincie genomen?
Ja, de ODZL is naar aanleiding van de verschillen tussen metingen en berekeningen met Chemelot in overleg getreden en er zijn maatregelen getroffen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Wat zijn de gezondheidseffecten en de potentiële risico’s van de stapeling van schadelijke stoffen voor de omwonenden?
Het bepalen van gezondheidseffecten en potentiële risico’s die optreden door «stapeling» van schadelijk stoffen is zeer complex en hierover is veel nog niet bekend. Om deze risico’s te ondervangen wordt in Europees verband (REACH) o.a. de mogelijkheid van een «mixture assessment factor» onderzocht voor het beoordelen van stoffen.
De concentraties van individuele chemische stoffen in de lucht bij Chemelot, gemeten of berekend, laten zien dat het maximaal toelaatbaar risico (MTRlucht) voor desbetreffende stoffen niet wordt overschreden. Het MTR is gedefinieerd als de kans op maximaal één extra geval van overlijden (door kanker) op een miljoen mensen per jaar door blootstelling aan een stof.
Bij RIVM-onderzoek naar de toepasbaarheid van de Hazard Index-methode (bedoeld om mengselrisico’s vast te kunnen stellen) is voor drie stoffen5 die specifiek op grond van hun risicoprofiel door ODZL zijn bemeten, een mengselrisico geconstateerd bij meetpunt Vouershof (op/aan de rand van het Chemelotterrein) voor de jaren 2018–2021 en 2023. Hierover is gerapporteerd in het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot».
De gezondheidseffecten van «stapeling» met andere stoffen zoals NOx en fijnstof zijn helaas nog lastiger te duiden. Daarom blijft de inzet gericht op de terugdringing van álle schadelijke emissies, onder andere door het opstellen vermijdings- en reductieprogramma’s (VRP’s) voor de industrie bij zeer zorgwekkende stoffen.
Wat betekent het volgens u dat uit onderzoek blijkt dat omwonenden van Chemelot hun gezondheid structureel lager beoordelen dan het landelijk gemiddelde, dat de zorgkosten daar aanzienlijk hoger liggen dan het landelijk gemiddelde en dat omwonenden van Chemelot – in vergelijking met andere Nederlandse gemeenten – significant meer chronische ziekten, een minder goede algemene gezondheid en een lager mentaal welzijn rapporteren?
Het kabinet heeft vernomen dat de omwonenden bij Chemelot helaas hun gezondheid structureel lager beoordelen dan het landelijke gemiddelde. De gezondheid van omwonenden van industrie wordt bepaald door verschillende factoren, zoals leefomgeving, arbeid, opleiding, inkomen, leefstijl en genetische factoren.6 Gezondheid is in Nederland, maar ook in de rest van de wereld, helaas niet gelijk verdeeld. We zien verschillen in ervaren gezondheid tussen regio’s en wijken, maar ook tussen mensen met een hoger en lager inkomen en een hogere of lagere opleiding. Al deze factoren kunnen een rol spelen in het lager ervaren van gezondheid van omwonenden bij Chemelot. Naast een adequaat stoffenbeleid (zie het antwoord op vraag 5) is dus ook het terugdringen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen een belangrijk doel van het preventiebeleid van het kabinet.
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Gera Nagelhout dat de waslijst aan gezondheidsklachten in de regio angstaanjagend is (vaker astma, longaandoeningen, hart- en vaatziekten, kanker, slaapproblemen, geluidsoverlast, etc.)?
In een aantal regio’s en wijken komen gezondheidsklachten vaker voor dan elders in Nederland. Dat geldt ook voor andere delen van Zuid-Limburg.7 Hier kunnen verschillende factoren een rol in spelen. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Hoe reageert u op de conclusies van hoogleraar Van Schayck dat er in het Chemelot-rapport gekeken is naar slechts drie afzonderlijk gerapporteerde zeer zorgwekkende stoffen (terwijl er meer schadelijke stoffen zijn uitgestoten) en dat als de logische stap was gezet om het effect van die stoffen bij elkaar op te tellen, de uitstoot boven de grenswaardes van wat gevaarlijk is zou uitkomen?
In het RIVM-rapport «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» is voor de beoordeling van het mengselrisico gekeken naar meer dan de drie zeer zorgwekkende stoffen (ZZS’en). Op basis van de beschikbare gegevens uit de emissieregistratie zijn vijftien zeer zorgwekkende stoffen (ZZS’en) in de analyse betrokken8. Voor drie van de twaalf ZZS’en (namelijk 1,3-butadieen, monovinylchloride en benzeen) zijn (immissie)metingen op leefomgevingsniveau beschikbaar, die door de ODZL zijn uitgevoerd.
De keuze om juist deze drie stoffen te meten op leefomgevingsniveau en hiervoor het mengselrisico op de locatie van het meetpunt te bepalen, hangt samen met het gegeven dat juist deze drie stoffen belangrijke bijdrages leveren aan het mengselrisico. Dit wordt uitvoeriger beargumenteerd in de rapportage van ODZL (zie ook mededeling provincie Limburg9) en het RIVM-rapport (Risicobeoordeling mengsels van stoffen bij de industriële uitstoot naar lucht: casus Chemelot).
Voor het antwoord op het tweede deel van de vraag, zie ook het antwoord op vraag 5.
Waarom is er niet gerapporteerd over de nog ongeveer twaalf andere zeer zorgwekkende stoffen die bij de vergunning horen?
In het RIVM-onderzoek «Gezondheid en leefomgeving rond Chemelot» zijn ook de genoemde twaalf andere ZZS’en meegenomen. In dit onderzoek zijn voor deze ZZS’en de berekende totale jaargemiddelde luchtconcentraties opgenomen op basis van de Emissieregistratie, omdat hiervoor geen metingen op leefomgevingsniveau beschikbaar zijn. De stoffen die zijn doorgerekend, zijn de stoffen uit de Emissieregistratie die ook op de ZZS-lijst van het RIVM staan. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Wordt er nog op korte termijn gekeken wat de stapeling en cocktail aan schadelijke stoffen voor effect heeft op de gezondheid van de omwonenden? Op welke manier wordt in de tussentijd het voorzorgsbeginsel toegepast?
De bepaling van gezondheidseffecten door stapeling en mengselvorming van chemische stoffen is op dit moment nog niet goed mogelijk. Dit blijkt onder andere uit het cumulatieonderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de Actieagenda Industrie en omwonenden10. Daarom wordt hier nader onderzoek naar gedaan. Zo loopt op dit moment bijvoorbeeld een onderzoek bij het RIVM naar de Hazard Index-methode. Zie ook het antwoord op vraag 5.
In het kader van het Impulsprogramma Chemische Stoffen onderzoekt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (mede op basis van de onderzoeksuitkomsten) hoe cumulatie van chemische stoffen het best in beleid kan worden meegenomen. Toepassing van het voorzorgsbeginsel is een afweging die aan het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Limburg, is.
Bent u het ermee eens dat extra bescherming van de gezondheid van omwonenden niet nog jarenlang op onderzoek mag wachten, maar dat er uit voorzorg extra maatregelen moeten worden getroffen? Zo nee, waarom neemt u onnodige risico’s met de gezondheid van mens en milieu?
Toepassing van het voorzorgsbeginsel is een afweging die aan het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Limburg, is. Zie verder de antwoorden op vragen 5, 6 en 10.
Bent u het met hoogleraar Van Schayck eens dat de provincie als vergunningverlener moet eisen dat de ontbrekende concentraties van zeer zorgwekkende stoffen in kaart worden gebracht en dat als Chemelot zich niet aan de vergunning houdt, er handhavend moet worden opgetreden?
Zoals uit het antwoord op vraag 2 blijkt, is hier door de provincie Limburg als bevoegd gezag actie op ondernomen. Het bevoegd gezag opereert in dit soort kwesties overigens onafhankelijk, met in achtneming van de wettelijke kaders.
Wanneer zijn de voor milieu en gezondheid belangrijkste vergunningen van Chemelot voor het laatst geactualiseerd en aangescherpt?
De provincie Limburg is het bevoegd gezag voor Chemelot. De milieuvergunningen van Chemelot Site Permit BV, inclusief actualisaties van de vergunningen per fabriek, zijn te vinden op de website van de Omgevingsdienst Zuid-Limburg.11 Hier is onder andere te vinden dat het algemene deel gewijzigd is in 2024 en dat de lozingsvergunning voor de Integrale Afvalwaterzuiveringsinstallatie (IAZI) op het Chemelot-terrein in Geleen in december 2020 is afgegeven (revisie), voor een periode tot en met 31-12-2027. De lozingsvergunning is destijds geactualiseerd en aangescherpt.
Klopt het dat Chemelot schadelijke stoffen loost die kilometers worden verspreid en steeds uit het drinkwater moeten worden gezuiverd op kosten van de belastingbetaler?
Bevoegde gezagen passen wet- en regelgeving toe om vergunningen te laten voldoen aan vigerende wet- en regelgeving. Het bevoegde gezag voor de lozingsvergunning, het waterschap Limburg, geeft aan dat de aan Chemelot vergunde stoffen zijn getoetst conform de hiervoor geldende toetsingskaders.
Binnen deze kaders valt het Handboek Immissietoets, waarin de drinkwatertoets als verplichte stap is opgenomen. Deze drinkwatertoets moet worden uitgevoerd voor alle lozingen die invloed kunnen hebben op drinkwaterinnamepunten. Deze stap in de Immissietoets vereist ook dat de lozende partij tijdig contact opneemt met het drinkwaterbedrijf (voordat een aanvraag formeel wordt ingediend) om de (gevolgen van de) lozing te bespreken. Het uitgangspunt hierbij is dat emissies van ZZS’en zoveel mogelijk worden geminimaliseerd en, waar mogelijk, tot nul worden teruggebracht.
Ook voor de financiering van het zuiveren van drinkwater gelden specifieke wettelijke kaders (Drinkwaterwet).
Is er in het kader van de doelen van de Kaderrichtlijn Water, bescherming van natuur en (de kosten van) drinkwaterkwaliteit overwogen om de lozingsvergunningen voor Chemelot aan te scherpen, in ieder geval vanaf 2027? Zo ja, wat gebeurt er dan concreet? Zo nee, waarom niet?
Het waterschap Limburg is de bevoegde instantie voor de lozingsvergunningen voor Chemelot. Het waterschap geeft aan dat het proces om te komen tot een nieuwe lozingsvergunning per 1 januari 2028 zich in de fase van vooroverleg bevindt. Daarbij worden alle relevante wettelijke kaders, zoals de KRW, en het drinkwaterbelang meegewogen. Na het indienen van de aanvraag (naar verwachting eind 2026) zal de vergunning concreet vormgegeven worden. Mogelijk leidt dit tot aanscherping ten opzichte van de huidige vergunning.
Is er bereidheid om te kijken naar het effect van de combinatie van schadelijke chemische stoffen, microplastics en zware metalen op het milieu en de gezondheid en bijvoorbeeld de Hazard Index te gebruiken? Zo ja, hoe precies? Zo nee, waarom blijven we dan onnodige risico’s nemen met gezondheid van mens en milieu?
Ja, het is staand beleid om de mogelijke effecten van de combinatie van schadelijke stoffen beter in kaart te brengen, zie ook het antwoord op vraag 5 en 10. In het kader van het Impulsprogramma Chemische Stoffen onderzoekt het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (mede op basis van onderzoeksuitkomsten) hoe cumulatie van chemische stoffen het best in beleid kan worden meegenomen.
Weet u nog dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeerde dat onder andere de gezondheidsschade door de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen in Nederland 46 miljard euro per jaar kost?
De publicatie van het PBL is bekend.
Wat zijn in euro’s ongeveer de kosten van de schade die Chemelot veroorzaakt?
Het PBL heeft berekeningen op sectorniveau gemaakt. Bij het toepassen van de door het PBL gehanteerde methode op de specifieke maatschappelijke kosten als gevolg van uitstoot door specifieke bedrijven zouden de nodige methodologische slagen om de arm moeten worden gehouden. In een recent onderzoek12 van Natuur & Milieu wordt dit wel gedaan. Deze berekeningen zijn door het kabinet niet gevalideerd, maar kunnen een indicatie geven van de ordegrootte.
Hoe dan ook is de inzet van het kabinet om de maatschappelijke kosten van industriële activiteiten terug te dringen. Daarbij is het behulpzaam om de gevolgen van specifieke activiteiten (preciezer) in euro’s te kunnen uitdrukken. Het RIVM zal in dat kader onderzoek uitvoeren om tot een handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsrisico’s als gevolg van industriële activiteiten. Naar verwachting levert het RIVM na de zomer het eerste deel van deze studie op: een inventarisatie van inzichten uit bestaand onderzoek.
De overige onderdelen, waaronder inzicht in hoe zorgkosten voor inwoners nabij industrie kunnen worden bepaald, volgen daarna. Het RIVM start met een verkenning van de mogelijkheden en onmogelijkheden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkosten veroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij experts aangeven dat het zinvol kan zijn om te kijken naar specifieke kosten of naar specifieke aandoeningen.
Bent u zich bewust van het feit dat de Algemene Rekenkamer het toezicht op vervuilende lozingen ontoereikend en zorgwekkend vindt en hoe kijkt u vanuit die conclusies naar de casus van Chemelot?2
Zoals aangegeven in de reactie op het conceptrapport «Focus op industriële lozingen» van de Algemene Rekenkamer, kan het kabinet zich niet volledig vinden in de conclusies uit dat rapport14. In het rapport wordt geconstateerd dat er geen centraal systeem is waarin het toezicht op alle vergunde lozingen wordt vastgelegd. Dit betekent echter niet dat het toezicht niet goed uitgevoerd wordt. Regionaal en per vergunde lozing wordt conform afspraken tussen de lozer en Rijkswaterstaat toezicht gehouden. Rijkswaterstaat controleert daarbij aangekondigd en onaangekondigd. Daarnaast monitort Rijkswaterstaat de kwaliteit van het oppervlaktewater continu.
Het rapport van de Algemene Rekenkamer gaat in op de rol van Rijkswaterstaat in vergunningverlening, toezicht en handhaving. In het geval van Chemelot is de lozingsvergunning afgegeven door het waterschap Limburg. Ook vindt vanuit het waterschap toezicht plaats op de waterkwaliteit. Het waterschap bemonstert het effluent van de Integrale Afvalwaterzuiveringsinstallatie (IAZI)15 maandelijks en het bemonstert de deelstromen periodiek. Ook wordt periodiek met Circle16 gesproken over onder andere de voortgang van de onderzoeksverplichtingen, analyseresultaten, overschrijdingen en rapportages. Bij overschrijdingen van de norm meldt Circle dit direct bij het waterschap Limburg en wordt een achterafrapportage overgelegd. Aan de hand hiervan beoordeelt het waterschap Limburg of er sprake is van een overtreding.
Bent u zich bewust van het feit dat er vaker geconstateerd is dat uitstootgegevens die bedrijven rapporteren niet blijken te kloppen met echt onafhankelijke metingen en dat vanuit onder andere burgers, maatschappelijke organisaties, gezondheidsexperts (zoals de Expertgroep Gezondheid IJmond) en medeoverheden er een roep is om meer en onafhankelijk te meten bij bedrijven en regelgeving en toezicht op grote vervuilende bedrijven aan te scherpen?
Ja, het kabinet wil toewerken naar een systeem waarin emissies en immissies van relevante vervuilende stoffen goed en op de juiste momenten worden gemeten, dichterbij de bedrijven, waarbij meetgegevens transparanter en beter controleerbaar zijn.
Om te bepalen hoe dit het beste kan worden vormgegeven, wordt gestart met een aantal praktijkgerichte en risico-gestuurde meetpilots op het gebied van het betrouwbaarder en toegankelijker maken van immissie- en emissiemetingen bij een aantal industriële locaties. Dit zoals in december aan de Kamer gemeld in het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden17. Op iedere locatie is de problematiek en de behoefte anders. Daarom wordt gestart in de praktijk en worden bedrijf en omwonenden betrokken door het bevoegd gezag (en het Rijk). Bij immissiemetingen worden GGD’en en het RIVM betrokken. De resultaten van de pilot landen in een advies over wel of niet zetten van mogelijke vervolgstappen. Op basis daarvan kan worden besloten of, en zo ja hoe er een vervolg komt.
Diverse bevoegde gezagen hebben recent in het kader van hun toezichtstaak geïnvesteerd in meer eigen meetcapaciteit. Meer meetcapaciteit hoeft overigens niet altijd een voorwaarde te zijn voor vertrouwen in meetresultaten. De gebruikte meetmethode, betere informatievoorziening daarover en transparantie over de resultaten kunnen daar ook een positieve invloed op hebben. Deze invalshoeken worden meegenomen in de pilot.
Het bevoegd gezag heeft in het kader van zijn wettelijke toezichtstaak de bevoegdheid om onafhankelijke, eigen metingen uit te voeren bij bedrijven en is dus niet afhankelijk van de meetresultaten van de industrie zelf. In de praktijk maken bevoegde gezagen hier ook gebruik van.
Bent u zich ervan bewust dat de omgevingsdienst als toezichthouder op Tata Steel daarom terecht sinds een paar jaar als beleid heeft juist scherper aan de wind te zeilen in toezicht en handhaving bij Tata Steel, een bedrijf dat zich volgens de omgevingsdienst «calculerend en opportunistisch» gedraagt?
De situatie bij Tata Steel is bekend. Het is aan het bevoegd gezag om invulling te geven aan de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Wat bedoelt het kabinet dan precies met de zin uit het coalitieakkoord: «We maken afspraken met toezichthouders om regels niet strenger te interpreteren dan nodig is»?
Een belangrijk uitgangspunt binnen het kabinetsbeleid is het vermijden van regeldruk en van nationale koppen op Europese regelgeving, zodat er (zoveel mogelijk) een gelijk Europees speelveld is voor Nederlandse bedrijfsleven bij implementatie en uitvoering van (milieu)wet- en regelgeving.
In de eerste helft van dit jaar zet het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een internationaal milieuvergelijkingsonderzoek uit om de regeldruk in Nederland en vergelijkbare EU-lidstaten in kaart te brengen als gevolg van Europese- en nationale milieuregels. Zo ontstaat een gefundeerd beeld of en in hoeverre Nederland strengere implementatie en toepassing van milieuwet- en regelgeving kent, en wat de impact hiervan is voor het Nederlandse bedrijfsleven voor wat betreft de concurrentiepositie en het investeringsklimaat. Onderdeel van het onderzoek is een vergelijkende casusstudie naar vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) voor een specifieke situatie waarbij de regels gelijk zijn in de verschillende EU-lidstaten. De inzichten die hieruit naar voren komen kunnen worden benut voor beleidsontwikkeling.
Hebben omwonenden er volgens u recht op om op elk moment te weten aan hoeveel schadelijke stoffen ze worden blootgesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit beter faciliteren?
Het is belangrijk dat omwonenden informatie over hun leefomgeving snel en eenvoudig kunnen vinden. De Atlas Leefomgeving biedt toegankelijke informatie en kaarten over de leefomgeving in Nederland, zoals het instrument Check je Plek18. Om relevante informatie voor omwonenden te bundelen wordt momenteel in samenwerking met het RIVM verkend op welke manier informatie over de leefomgeving nabij industrie (beter) beschikbaar kan worden gesteld voor omwonenden.
Op luchtmeetnet.nl is te vinden hoe het met de luchtkwaliteit is gesteld op 99 locaties in Nederland. Dagelijks wordt onder meer de concentratie van fijnstof (PM10 en PM2,5), NO, NO2, Ozon (O3), roet, SO2 en NH3 gemeten.
In de pilot Meten in het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden wordt nader onderzocht hoe het meetproces rondom industrie beter kan worden ingericht en het begrip en vertrouwen bij omwonenden en bevoegde gezagen kan worden vergroot. Zie ook het antwoord vraag 20.
Consumenten worden behalve via de lucht ook via andere routes aan chemische stoffen blootgesteld, zoals via roken en voeding en uit consumentenproducten. De veiligheid van voedsel en consumentenproducten is op Europees niveau streng gereguleerd. Consumenten kunnen via de websites van het RIVM, het Voedingscentrum en «waarzitwatin.nl» meer informatie krijgen over de blootstelling, het veilig gebruik en de eventuele risico’s die dit met zich meebrengt.
Gaat u de Omgevingsdienst Zuid-Limburg in staat stellen om zelf vaker nauwkeurige emissiemetingen te doen van schadelijke stoffen bij Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, beschikt de Omgevingsdienst Zuid-Limburg al over de mogelijkheid om controlemetingen uit te voeren. Dit is een van de controlemiddelen die het bevoegd gezag in het kader van toezicht kan inzetten. Het bevoegd gezag is zelf verantwoordelijk voor de verdere invulling hiervan.
Klopt het dat het provinciebestuur eerder heeft geprobeerd om de publicatie van een kritische RIVM-analyse over de kankerverwekkende uitstoot van Chemelot te voorkomen, omdat het zou kunnen zorgen voor «onrust, negatieve beeldvorming en voorbarige conclusies»? Zo ja, hoe denkt u dat dat overkomt op burgers?
Naar aanleiding van de RIVM-kennisnotitie «Risicobeoordeling mengsels van stoffen bij de industriële uitstoot naar lucht: casus Chemelot» heeft de provincie Limburg een schriftelijke reactie op de uitkomsten van de notitie aan het Ministerie van IenW gestuurd. De provincie Limburg vroeg daarin om een nadere duiding van de rekenmethode en een tijdspad voor een eventuele beleidsmatige of wettelijke verankering. De schriftelijke reactie van het Ministerie van IenW daarop is als bijlage toegevoegd aan de Kamerbrief van 14 april 202519, waarmee de kennisnotitie aan de Kamer is aangeboden.
Hoe reageert u op Jack Renet, oud-medewerker van Chemelot, die stelt: «Het is elke keer hetzelfde verhaal; de overheid probeert Chemelot overal buiten te houden en stopt alles onder de mat. Wederom verkiest de provincie economisch belang boven het belang van haar inwoners»?
Ik herken mij niet in het beeld dat de overheid zaken «onder de mat» stopt. In het antwoord op vraag 23 is al aangegeven op welke manier de overheid informatie over de kwaliteit van de leefomgeving toegankelijk maakt voor burgers. Voor wat betreft de afweging van verschillende belangen door de provincie Limburg is het niet aan mij om hierop te reageren.
Bent u het ermee eens dat het rapporteren van veel te lage uitstootcijfers van schadelijke stoffen een overtreding is op de Wet op de economische delicten?
Het is aan de provincie Limburg als bevoegd gezag om te bepalen hoe het invulling geeft aan vergunningverlening, toezicht en handhaving, en om te bepalen of er sprake is van een overtredingen. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Gaat u aangifte doen tegen Chemelot? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 27.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor het commissiedebat Leefomgeving van 2 april?
De vragen konden in verband met de benodigde afstemming niet binnen de termijn van drie weken en voor het commissiedebat Leefomgeving van 2 april worden beantwoord.
Het artikel ‘GGD wil verbod op ziekmakend isolatieschuim’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Bertram , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «GGD wil verbod op ziekmakend isolatieschuim» over de oproep van de GGD tot een verbod op ziekmakend isolatieschuim?1
Ja.
Wat is uw reactie op de oproep van de GGD om het gebruik van UF-isolatieschuim per direct te verbieden?
Naar aanleiding van het rapport van de desktopstudie door de Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving «Gezondheidsrisico’s van na-isolatie met UR-schuim» raden GGD’en gebruik af totdat duidelijk is of en hoe UF-schuim veilig kan worden toegepast. De GGD’en adviseren huiseigenaren en woningcorporaties om voorlopig te kiezen voor een alternatief materiaal om de spouwmuur te isoleren. Ik volg de GGD’en in dit advies.
Welke concrete gezondheidsrisico’s zijn volgens het RIVM vastgesteld bij blootstelling aan formaldehyde uit UF-schuim?
Blootstelling aan formaldehyde kan irritatie van ogen, neus en luchtwegen veroorzaken, maar ook klachten als hoofdpijn en misselijkheid. Langdurige blootstelling aan formaldehyde verhoogt het risico op neuskanker en kanker aan de nasofarynx. Daarnaast kan formaldehyde mogelijk myeoloïde leukemie veroorzaken.
Klopt het dat formaldehyde is aangemerkt als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS)? Hoe verhoudt het gebruik van een bouwmateriaal dat formaldehyde kan uitstoten zich tot het nationale ZZS-beleid en het uitgangspunt van minimalisatie van blootstelling?
Formaldehyde is aangewezen als Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS). ZZS’en zijn de meest risicovolle stoffen voor mens en milieu. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren. Deze inzet is in lijn met het EU-doel voor 2050 in de zero pollution strategy en de verplichtingen in de Richtlijn Industriële Emissies.
Een minimalisatieplicht voor ZZS volgt uit de specifieke zorgplicht in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en geldt voor activiteiten die zijn aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Bal. Het isoleren van een pand is geen milieubelastende activiteit die wordt aangewezen in Hoofdstuk 3 van het Bal en de minimalisatieplicht van het Bal is daarom in deze situatie niet van toepassing.
Wel geldt vanuit de Arboregelgeving een minimalisatieplicht (voor zover technisch mogelijk) voor de blootstelling van werknemers aan kankerverwekkende stoffen als formaldehyde.
Hoe kan het dat een stof die is aangemerkt als ZZS op zo’n grote schaal wordt toegepast in woningen? Welke wettelijke kaders maken dit mogelijk, en acht u dat wenselijk?
UF-schuim is (nog) niet verboden. Niet in alle gevallen heeft de toepassing van UF-schuim tot klachten geleid. Artikel 6.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt een eis aan de maximale concentratie van formaldehyde in voor personen toegankelijke binnenruimtes. Deze norm moet uiteraard in alle gevallen, dus ook bij bouw- of isolatieactiviteiten, in acht worden genomen.
In Europees verband kunnen via de REACH-verordening beperkingen worden gesteld aan het op de markt brengen van chemische stoffen. Op dit moment zijn er beperkingen vanuit REACH met betrekking tot voorwerpen met formaldehyde, maar (nog) niet voor het gebruik van UF-schuim. Ik onderzoek momenteel de mogelijkheden die er zijn voor adequate regelgeving voor deze situaties.
Hoeveel woningen in Nederland bevatten UF-isolatieschuim in de spouwmuren of elders en hoeveel meldingen van gezondheidsklachten zijn hierover bekend?
In de jaren ’70 en ’80 is UF-schuim veel gebruikt voor isolatie van spouwmuren en daarna weer vanaf ongeveer 2014, vooral door woningcorporaties. Het is de laatste jaren bij tienduizenden woningen toegepast. De GGD’en hebben mede naar aanleiding van de recente berichtgeving inmiddels honderden meldingen over UF-schuim in relatie tot gezondheid binnengekregen. Deze meldingen variëren sterk: van algemene vragen zonder dat er gezondheidsklachten zijn tot meldingen van gezondheidsklachten na isolatie met UF-schuim.
Moeten deze woningen worden gesaneerd?
Wanneer bewoners gezondheidsklachten hebben gerelateerd aan de aanwezigheid van UF-isolatieschuim of het formaldehydegehalte van de binnenlucht te hoog is, dan moeten maatregelen genomen worden. Het is echter nog onvoldoende bekend welke kenmerken van een gebouw en welke omgevingsfactoren cruciaal zijn in het veroorzaken van de verhoogde formaldehydeconcentraties binnenshuis bij na-isolatie met UF-schuim en vervolgens ook welke interventies, anders dan tijdverloop en ventileren, effectief zijn om concentraties weer onder gezondheidskundige grenswaarden te krijgen.
Sanering, dat wil zeggen het verwijderen van het schuim uit de spouw, is technisch mogelijk maar lijkt niet altijd noodzakelijk of nuttig. Bijvoorbeeld wanneer er geen gezondheidsklachten zijn en/of wanneer het schuim langer dan 1 jaar geleden is aangebracht. In een enkel geval namen concentraties formaldehyde in een woning zelfs toe na het verwijderen van UF-schuim.
Klopt het dat bewoners in sommige gevallen het advies hebben gekregen hun woning per direct te verlaten? Zo ja, in hoeveel gevallen is dat gebeurd?
Ja, dat klopt. De GGD’en hebben geen totaaloverzicht van het aantal keren dat het advies is gegeven om de woning te verlaten, maar naar schatting gaat het om enkele tientallen woningen.
Acht u het verantwoord dat dit isolatiemateriaal nog steeds wordt toegepast terwijl er zorgen zijn over ernstige gezondheidsrisico’s?
Ik steun het advies van de GGD’en om UF-schuim niet toe te passen totdat duidelijk is of en hoe UF-schuim veilig kan worden toegepast. Ook branche- vereniging VENIN-Isolerend Nederland heeft haar leden opgeroepen om de toepassing van UF-schuim tijdelijk te pauzeren, totdat aanvullend onafhankelijk onderzoek is afgerond, helderheid bestaat over gezondheidskundige risico’s en – indien nodig – aangepaste certificeringseisen en verwerkingsrichtlijnen zijn vastgesteld.
Bent u bereid het gebruik van UF-schuim tijdelijk te verbieden totdat onafhankelijk onderzoek duidelijkheid geeft over de veiligheid?
Gezien het advies van de GGD’en en de oproep van branchevereniging VENIN aan isoleerders zie ik geen noodzaak tot een (tijdelijk) verbod op UF-schuim op korte termijn. Ik ga ervan uit dat het hierdoor vooralsnog niet meer wordt toegepast. Ik breng het advies van de GGD’en zoveel mogelijk onder de aandacht van de partijen die betrokken zijn bij het isoleren van gebouwen. Het is aan certificerende instanties om de beoordelings- en uitvoeringsrichtlijnen aan te passen en de veiligheid te garanderen als isoleerders dit product weer willen gaan gebruiken. Het toepassen van UF-schuim waardoor de grenswaarde van 120 microgram formaldehyde per m3 binnenlucht wordt overschreden is al verboden op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving. RIVM herziet momenteel de grenswaarden voor formaldehyde. Daarnaast ben ik voornemens om op korte termijn tijdelijk te stoppen met het subsidiëren van isolatiemaatregelen waarbij UF-schuim wordt gebruikt, totdat duidelijk is dat het veilig is te gebruiken.
Waar kunnen mensen terecht die vragen hebben of een onderzoek aan hun woning of de lucht in hun huis willen?
Wanneer mensen gezondheidsklachten ervaren die passen bij formaldehyde en hun huis is (kortgeleden) geïsoleerd met UF-schuim, dan kunnen zij zich voor advies wenden tot hun verhuurder, huisarts of de GGD, of informatie vinden op ggdleefomgeving.nl of rijksoverheid.nl. Ook Vereniging Eigen Huis, VNG en Aedes informeren hun leden. Ureumformaldehydeschuim is onder diverse merknamen op de markt gebracht, zoals onder meer Aminotherm, Hurefoam, FoamConnect+, Enverifoam en Aminofoam, maar ook vele andere, vandaar dat partijen niet altijd beseffen dat dit schuim is gebruikt.
Een luchtmeting van formaldehyde is mogelijk maar momenteel nogal kostbaar. Het Rijk werkt met RIVM, GGD en meetbedrijven aan een eenvoudigere maar betrouwbare manier van meten.
Welke mogelijkheden hebben bewoners om schade te verhalen wanneer hun woning onbewoonbaar wordt verklaard door dit isolatiemateriaal?
Aansprakelijkheid voor schade is een civielrechtelijke kwestie, waarbij diverse aspecten een rol kunnen spelen om te bepalen of een partij aansprakelijk kan worden gehouden. Mogelijk komen verschillende juridische grondslagen voor aansprakelijkheid in beeld, zoals aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen (artikel 6:175 Burgerlijk Wetboek, hierna: BW) of productaansprakelijkheid (artikel 6:185 BW). Iedere grondslag kent zijn eigen specifieke criteria waaraan getoetst moet worden voordat aansprakelijkheid kan worden aangenomen. Verder kunnen ook verjaringsregels een rol spelen. Ik kan om die reden geen uitspraken doen over de vraag welke concrete mogelijkheden bewoners hebben om schade te verhalen.
Op welke wijze worden bewoners ondersteund bij tijdelijke huisvesting en compensatie van kosten?
Wanneer bewoners een woning huren en zij moeten vanwege formaldehyde de woning (tijdelijk) verlaten, dan kunnen zij zich wenden tot hun verhuurder. Eigenaar-bewoners zullen hun eigen voorzieningen moeten treffen. Voor het verhaal van de kosten daarvan verwijs ik naar het antwoord op vraag 12.
Bent u bereid de Kamer op korte termijn te informeren over de omvang van het probleem en de maatregelen die u gaat nemen?
Dit heb ik hierbij gedaan.
Het artikel ‘Beperkte vaccinatie gordelroos vergroot ongelijkheid’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de reactie van Senioren Netwerk Nederland?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de stelling dat wanneer er om budgettaire redenen keuzes worden gemaakt over wie wel en niet toegang krijgen tot bewezen effectieve preventie er ongelijkheid ontstaat, in dit geval zowel tussen jongere en oudere generaties, maar ook tussen mensen die vaccinatie zelf kunnen betalen en mensen die dat niet kunnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De wens om iedereen van 60 jaar en ouder in aanmerking te laten komen voor vaccinatie tegen gordelroos is begrijpelijk. Helaas is dit niet haalbaar. Het gordelroosvaccin is namelijk heel kostbaar en de groep 60-plussers in Nederland omvat meer dan 5 miljoen mensen. De beschikbare financiële middelen zijn niet toereikend om al deze mensen gordelroosvaccinatie aan te bieden. Daarom is het RIVM om advies gevraagd over op welke manier, gegeven het beschikbare budget, de maximale gezondheidswinst kan worden behaald. Uit het RIVM-advies blijkt dat met vaccinatie op een leeftijd van 60 jaar, op de lange termijn de meeste gevallen van gordelroos kunnen worden voorkomen. Dat vindt het kabinet dan ook de beste manier om het beschikbare geld te besteden.
Dit kan door mensen die ouder zijn dan 60 jaar als teleurstellend worden ervaren. Dat is begrijpelijk. Zij die dat willen, kunnen ervoor kiezen om de vaccinatie zelf te betalen. Zij kunnen hiervoor terecht bij hun huisarts of GGD. Het kabinet is zich ervan bewust dat de mogelijkheid hiertoe mede afhangt van ieders persoonlijke financiële omstandigheden.
Deelt u de mening van Senioren Netwerk Nederland om bij de verdere uitwerking van het vaccinatiebeleid expliciet rekening te houden met het hogere risico bij oudere senioren, transparant te communiceren over de werkingsduur van het vaccin en te onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig zijn om de gezondheidswinst bij de oudste groepen te maximaliseren? Zo, nee, wat zijn de overwegingen?
Bij het uitwerken van het vaccinatiebeleid voor gordelroos zal altijd transparant gecommuniceerd worden, ook over de werkingsduur van het vaccin. Het RIVM monitort en evalueert de vaccinatieprogramma’s. Het kabinet baseert zich voor het vaccinatiebeleid op adviezen van de Gezondheidsraad en het RIVM. Hierbij is het realiseren van zoveel mogelijk gezondheidswinst een belangrijk uitgangspunt. Het RIVM heeft zeer recent advies hierover uitgebracht, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2. Het is begrijpelijk dat dit als teleurstellend kan worden ervaren door mensen die ouder zijn dan 60, maar aanvullend onderzoek heeft nu geen meerwaarde.
Is u bekend dat met deze keuze de oudste, kwetsbaarste groep, met het risico op de grootste en pijnlijkste complicaties bij gordelroos, met bovendien hoge zorgkosten tengevolg, buiten beeld blijft? Welke alternatieve maatregelen kunnen voor hen worden genomen?
Het is waar dat mensen die last krijgen van gordelroos vaak ouder zijn dan 60 jaar. De ziektelast van gordelroos stijgt immers met de leeftijd. Daarom zou het kabinet het liefst ook aan hen een vaccinatie aanbieden. Helaas is dat op basis van de beschikbare financiële middelen niet mogelijk. Door mensen op 60-jarige leeftijd een vaccinatie aan te bieden, kunnen we voorkomen dat deze mensen later gordelroos krijgen. Het is begrijpelijk dat dit door mensen die ouder zijn dan 60 als teleurstellend kan worden ervaren. Zij die dat willen, kunnen ervoor kiezen om de vaccinatie zelf te betalen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat ook de oudsten en kwetsbaarsten in de samenleving niet buiten schot mogen blijven bij preventie, en zeker niet om budgettaire redenen?
Vanzelfsprekend is het kabinet het ermee eens dat preventie ook van belang is voor de oudsten en kwetsbaarsten. Het is niet voor niets dat mensen van 60 jaar en ouder in aanmerking komen voor verschillende vaccinaties, namelijk de jaarlijkse griepvaccinatie en de pneumokokkenvaccinatie. In de ideale situatie komt iedereen boven de 60 jaar ook in aanmerking voor een gordelroosvaccinatie. Helaas is dit niet mogelijk. Tegelijk is het goed nieuws dat we nu wel kunnen gaan beginnen met vaccineren tegen gordelroos en dat we de toekomstige ouderen kunnen beschermen tegen de gevolgen van gordelroos.
Is het mogelijk deze vragen te beantwoorden voor de plenaire begrotingsbehandeling VWS?
Ja.
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Het kabinet begrijpt dat de resultaten van het onderzoek van het AD tot zorgen hebben geleid. Daarom is het goed dat de risicobeoordeling van de NVWA beschikbaar is. Hierin concludeert de NVWA dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat van de 106 speelzandmonsters er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die onder de grenswaarde van 0,1% blijft.
In de gevallen waar sprake was van overschrijding van de norm, heeft de NVWA handhavend opgetreden en producten uit de schappen gehaald.
Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Nederland zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
In Nederland, maar ook in de rest van Europa, zijn marktdeelnemers, zoals fabrikanten, importeurs en verkopers, zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van het speelgoed en moeten zij die veiligheid kunnen aantonen. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd. De NVWA concludeert in de risico-beoordeling dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Verkopers en leveranciers van met asbest vervuild speelzand boven de norm van 0,1%, die geldt volgens het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ter implementatie van de Europese Speelgoedrichtlijn, worden door de NVWA aangesproken om de producten uit de handel te halen en eventueel bestuursrechtelijk gedwongen tot een terugroepactie. Voor de speelzandmonsters waarin meer dan 0,1% asbest is geconstateerd, is dit al gebeurd. Er zijn ook ondernemers die uit eigen beweging producten uit de handel hebben gehaald.
Daarom is het kabinet niet bereid een algemeen verkoopverbod voor speelzand in te stellen.
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
De NVWA werkt samen met SGS Search te Heeswijk, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’s), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA). De gezamenlijke expertise m.b.t. asbest binnen deze organisaties is ruim voldoende om een zorgvuldig onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen.
Een zorgvuldige bemonstering, analyse en risicobeoordeling van de NVWA is cruciaal om besluiten te nemen die bestuurs- of strafrechtelijk houdbaar zijn. Daarom kan de NVWA niet handhavend optreden op basis van laboratoriumresultaten van derden, bijvoorbeeld in opdracht van particuliere partijen. De NVWA heeft echter wel 14 Nederlandse laboratoria benaderd om hun onderzoeksresultaten met de NVWA te delen om zo een breder beeld te krijgen van de mogelijke aanwezigheid van asbest in speelzand.
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Het is begrijpelijk dat de aanwezigheid van asbest in speelgoed, zeker op plekken waar kinderen spelen, veel zorgen oproept. We kunnen geen betrouwbare inschatting geven van het aantal kinderen, ouders of medewerkers dat mogelijk is blootgesteld. Daarvoor ontbreken essentiële gegevens, zoals de exacte omvang van het gebruik van het vervuilde speelzand en de verspreiding van de betrokken producten.
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
De arbeidsinspectie is onafhankelijk. Daarom kan geen opdracht worden gegeven om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen en kinderopvangcentra, waar dit speelzand is gebruikt.
Bij vermoedens over gezondheids- en veiligheidsrisico’s van werkenden kan altijd een melding worden gedaan bij de arbeidsinspectie. De arbeidsinspectie pakt meldingen op basis van risicoanalyse en urgentie op. Meldingen worden met voorrang behandeld als er sprake is van direct gevaar, ernstig letsel of structurele misstanden. De arbeidsinspectie weegt dit per melding af.
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
De NVWA concludeert in haar rapport dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Uit een uitgebreid onderzoek naar asbest in cosmetische producten met talk door NVWA uit 2018 bleek dat slechts een klein aantal van de producten vervuild is met asbest. Uit de risicobeoordeling bleek het hierbij te gaan om een beperkt gezondheidsrisico.
Gezien de geconstateerde geringe gezondheidsrisico’s voor asbest in speelzand en cosmetische producten ziet het kabinet geen aanleiding voor een onderzoek naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest voorkomt.
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
In de brief van de toenmalig Staatssecretaris van 20 februari 2026 (Kamerstukken 2025–2026 25 834, nr. 201) is toegelicht welke acties de NVWA heeft genomen naar aanleiding van de berichten uit Australië en Nieuw-Zeeland over asbest in speelzand. De asbest analyses binnen dit onderzoek zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium SGS Search te Heeswijk. Aan de hand van deze analyseresultaten heeft het RIVM een risicobeoordeling gemaakt op basis waarvan het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek (Buro) van de NVWA een advies geformuleerd heeft. De risicobeoordeling van het RIVM en het Buro advies zijn op 8 april 2026 openbaar gemaakt via hun eigen websites.
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
De conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de aanwezigheid van asbest in speelzand zijn via de website van de NVWA openbaar gemaakt. Daarnaast maakt de NVWA de onderliggende resultaten actief openbaar volgens de daartoe opgestelde procedures.
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestverontreiniging in hun woning door het betreffende speelzand, kunnen in eerste instantie contact opnemen met de GGD van hun gemeente voor advies over gezondheidsrisico’s en mogelijke vervolgstappen. Als zij de aanwezigheid van asbest willen laten vaststellen, kan
dat via een gecertificeerd asbestlaboratorium of een geaccrediteerd inspectiebureau dat materiaalonderzoek uitvoert. Deze partijen kunnen monsters nemen en analyseren volgens de daarvoor geldende normen.
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Met asbest-vervuild speelzand dient, net als ander asbesthoudend afval, veilig gestort te worden op een stortplaats die asbest mag accepteren. Verkopers van speelzand dat met asbest vervuild is, dienen zelf afspraken te maken met een afvalinzamelaar over de veilige afvoer en verwerking van hun afval. Zij zijn gehouden aan de (strenge) geldende asbestregelgeving die als doel heeft om de leefomgeving en burgers en de werknemers te beschermen. Dit geldt ook voor andere bedrijven en instellingen (zoals kinderopvangcentra en scholen). Indien deze partijen zich willen ontdoen van asbest-vervuild speelzand, dan dienen zij zelf afspraken te maken met een afvalinzamelaar.
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Fabrikanten en importeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Verkopers en leveranciers van met asbest vervuild speelzand boven de norm van 0,1%, die geldt volgens het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ter implementatie van de Europese Speelgoedrichtlijn1, worden door de NVWA aangesproken om de producten uit de handel te halen en eventueel bestuursrechtelijk gedwongen tot een terugroepactie. Voor de speelzand monsters waarbij meer dan 0,1% asbest is geconstateerd is dit al gebeurd. Er zijn ook ondernemers die uit eigen beweging producten uit de handel halen en terugroepen bij klanten.
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
Naar aanleiding van dit incident heeft Nederland het voortouw genomen bij de gezondheidskundige risicobeoordeling van asbest in speelzand. Zo’n risicobeoordeling voor speelzand was nog niet eerder uitgevoerd, waardoor een uniforme aanpak binnen de Europese lidstaten ontbreekt.
De NVWA concludeert in de risico-beoordeling dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Nederland zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen zal verder gewerkt worden aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
Het bericht dat Nederland de Britse methode om zwangere vrouwen te laten stoppen met roken test |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stoppen met roken voor honderden euro’s aan shopbonnen: Nederland test Britse succesmethode»?1
Ja.
Vindt u het wenselijk dat zwangere vrouwen in Nederland cadeaubonnen krijgen zodat ze gemotiveerd worden om te stoppen met roken?
Roken is een hardnekkige verslaving. Veel zwangere vrouwen willen wel stoppen, maar zonder hulp lukt het vaak niet. Elk kind verdient een gezonde start van zijn leven, roken veroorzaakt al voor de geboorte veel ernstige problemen waar kinderen niet voor hebben gekozen. Een deel van de aanstaande moeders zoekt daarom zelf hulp in de vorm van begeleiding door professionele coaches. In de pilot, die door onderzoekers zelf is opgestart, wordt onderzocht of cadeaubonnen helpend kunnen zijn om zwangere vrouwen te ondersteunen succesvol te stoppen met roken, met de intensieve begeleiding altijd als basis. Ik wacht de uitkomsten van deze pilot af.
Deelt u de mening dat het de verantwoordelijkheid is van een zwangere vrouw om te stoppen met roken?
Ja. Mensen blijven in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun keuzes. Het zoeken van hulp om te stoppen met roken valt daar ook onder. De overheid heeft een rol waar het gaat om de bescherming van kwetsbaren en eerlijke kansen op een goede start voor ieder kind, zeker als het gaat om ongeboren kinderen. De overheid heeft om die reden al sinds 2018 met het Nationaal Preventieakkoord afgesproken samen met veel maatschappelijke partners zich ervoor in te zetten dat in 2040 geen zwangere vrouwen meer roken.
Deelt u de mening dat een gezond kind op de wereld zetten het allergrootste cadeau is waarvoor vrouwen zouden moeten stoppen met roken?
Een gezond kind mogen krijgen is inderdaad een groot goed. Voor veel vrouwen die roken is de zwangerschap gelukkig doorslaggevend om de stap naar een rookvrij leven te kunnen zetten. Helaas rookt nog circa 6% van de vrouwen tijdens de zwangerschap. Het kindje heeft daarin geen keuze terwijl die wel met alle gevolgen te maken krijgt.
Wat vindt u ervan dat belastinggeld, dat onder andere is bedoeld om goede zorg te leveren, wordt gebruikt om via cadeaubonnen zwangere vrouwen die roken te overtuigen om te stoppen?
De meeste rokers willen stoppen, blijkt uit onderzoek.2 In Engeland is het werken met cadeaubonnen als aanvulling op de coachingprogramma’s een standaard onderdeel geworden van de zorg voor zwangere vrouwen die willen stoppen met roken, na een zorgvuldig onderzoekstraject. Daar is het aantoonbaar effectief en bovendien kostenbesparend gebleken. Doordat roken tijdens de zwangerschap de kans op doodgeboorte, extreme vroeggeboorte en meerdere ontwikkelingsstoornissen sterk vergroot, veroorzaakt het leed en verdriet maar ook veel extra zorgkosten. De onderzoekers van Rotterdam MC en Trimbos-instituut doen een pilot naar het effect van de aanpak uit Engeland bij zwangere vrouwen in Nederland.3 Het gaat daarbij niet zozeer om zwangere vrouwen te overtuigen om te stoppen met roken, maar om zwangere vrouwen die uit zichzelf willen stoppen een steun in de rug te geven. De onderzoekers ontwerpen de cadeaubonnen ook niet als beloning, maar als stok achter de deur tijdens het moeilijke proces van stoppen met roken. Het vooruitzicht op een tastbare, directe consequentie, in dit geval de kans op een cadeaubon, helpt om de lange termijn gezondheidswinst dichterbij en concreter te maken. Uit de eerste resultaten blijkt volgens de onderzoekers dat het zwangere vrouwen twee tot drie keer vaker lukt om te stoppen met roken als zij naast coaching ook cadeaubonnen krijgen. Daarmee stellen zij dat deze methode hier ook uiteindelijk zorgkosten bespaart. Als dat daadwerkelijk het geval is, kan het werken met cadeaubonnen onder specifieke voorwaarden bijdragen aan goede zorg voor met name het ongeboren kind. Ik wacht de uitkomsten van de pilot daarvoor af.
Tabaksmaatregelen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bruijn |
|
|
|
|
Kunt u, in het kader van de beoordeling van de effectiviteit van het overheidsbeleid, wellicht aangeven wat de bijdrage (bij benadering) naar alle waarschijnlijkheid ongeveer is geweest van onderstaande (relatief recente) tabaksmaatregelen met betrekking tot het bereiken van de daarmee beoogde doelen (waaronder in ieder geval tabaksontmoediging)? Zijn de (kwantificeerbare) effecten van deze maatregelen bij het ministerie inmiddels bekend? En geldt dat misschien ook voor de (onbedoelde) neveneffecten (waaronder weglekeffecten naar het buitenland)? Zo nee, is de Minister bereid hier onderzoek naar te laten uitvoeren?1
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft in 2024 een doorrekening van de acties uit het Nationaal Preventieakkoord (NPA) gepubliceerd.2 Het doel was om in te schatten of de ambities voor 2040 worden behaald. In het NPA is de ambitie van een rookvrije generatie in 2040 afgesproken. Dat betekent dat in 2040 geen enkele jongere of zwangere meer rookt. Daarnaast rookt in 2040 nog maximaal 5% van de volwassenen. Het RIVM kon van verschillende tabaksmaatregelen uit het NPA de grootte van het effect en het bereik vaststellen zodat de impact van de maatregel berekend kon worden. Zo konden bijvoorbeeld de effecten worden berekend van de significante accijnsverhogingen in 2020, 2023 en 2024, het uitstalverbod, standaardverpakkingen, vermindering van verkooppunten, rookvrije omgevingen waar veel kinderen komen, de rookvrije werkomgeving en stoppen-met-rokenzorg.
In het referentiescenario daalt het percentage volwassen rokers tot ongeveer 13% in 2040. Ter vergelijking: in 2024 rookte 18,2 procent van de volwassenen en in 2018, net voor de start van het NPA, rookte nog 22,4 procent van de volwassenen. In het interventiescenario waarin de acties en maatregelen uit het NPA zijn opgenomen, daalt het percentage rokende volwassenen in 2040 ongeveer 2 tot 3 procentpunt extra ten opzichte van het referentiescenario. Het referentiescenario is gebaseerd op de historische trend tussen 2002 en 2018, voordat de acties en maatregelen uit het NPA in gang werden gezet. Er kan worden geconcludeerd dat de acties en maatregelen uit het NPA effectief zijn om roken terug te dringen. Wel blijkt dat deze acties en maatregelen niet voldoende zijn om de ambitie van maximaal 5% van de volwassenen (en geen jongere of zwangere) te halen en dat aanvullende inzet nodig is.
Verder heeft het Trimbos-instituut in 2022 de effectiviteit onderzocht van acties en maatregelen uit het NPA die gericht zijn op het terugdringen van het aantal jeugdige en volwassen rokers.3 Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de motie van het lid Maeijer van 28 juni 2021.4 Het Trimbos-instituut concludeerde dat de maatregelen die de Rijksoverheid in het kader van het NPA heeft genomen, direct of indirect bijdragen aan het verlagen van de rookprevalentie onder volwassenen en jongeren. Dit gebeurt onder andere door het aantal stoppogingen te verhogen, de stopmotivatie te verhogen, de manier waarop stoppen-met-rokenzorg gegeven wordt te versterken, de blootstelling aan tweede-handsrook te verminderen of door het bewustzijn van de schadelijkheid van roken te vergroten.
Het kabinet heeft verder bij het onderzoek naar de gevolgen van het beleid ook oog voor ongewenste gevolgen. Zo heeft het kabinet de gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2020, 2023 en 2024 apart laten onderzoeken en daarbij bleek dat deze prijsmaatregelen naast het gewenste gedragseffect (stoppen met roken) ook ongewenste gedragseffecten hadden zoals overstappen op goedkopere rookwaren of kopen over de grens. Ook zijn Empty Pack Surveys uitgevoerd waarbij onder andere naar de illegale markt wordt gekeken. Uw Kamer is over deze onderzoeken geïnformeerd.5 Een andere maatregel in dit opzicht is het verbod op e-sigaretten met smaken anders dan tabakssmaak. Uit eerste resultaten van RIVM-onderzoek naar de effecten van dit verbod bleek dat 22% van de onderzochte respondenten gestopt is met vapen, maar ook dat bepaalde gebruikers uitwijken naar e-sigaretten met smaken uit het buitenland.6 Het kabinet laat de markt van illegale e-sigaretten verder onderzoeken en de resultaten worden dit kwartaal met u gedeeld.
Al met al zijn er voldoende gegevens beschikbaar over de effectiviteit van het ingezette beleid, inclusief eventuele ongewenste gevolgen, en loopt er ook nog verder onderzoek. Aanvullend onderzoek is daarom naar mijn mening nu niet nodig.