Het bericht ‘Op de universiteit is geen plaats meer voor politieke diversiteit’ |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Op de universiteit is geen plaats meer voor politieke diversiteit»?1
Ja.
Wat is de taak van eendiversity officer op een Nederlandse universiteit? Welke universiteiten in Nederland hebben een dergelijke diversity officer?
De reikwijdte van de taken van een Diversity Officer (DO) verschilt tussen instellingen. DO’s kunnen zich richten op het vergroten van de bewustwording op het gebied van diversiteit en inclusie, het maken en ontwikkelen van diversiteitsbeleid, het identificeren en stimuleren van initiatieven die diversiteit en inclusie bevorderen, monitoring en rapportage, het opzetten en onderhouden van een netwerk. De bevoegdheden van DO’s richten zich op beleidsontwikkeling, het agenderen van diversiteit en inclusie (D&I) binnen de organisatie en advisering. In een aantal instellingen ondersteunen DO’s de faculteiten en diensten bij het faciliteren van een inclusieve universitaire cultuur en structuur.
Het profiel van DO’s en hun positionering binnen de organisatie is divers. Soms zijn zij decaan of hoogleraar, in andere gevallen betreft het een (senior) beleidsmedewerker, projectleider of HR-medewerker. Soms zijn zij benoemd door het college van bestuur, in andere gevallen zijn zij wetenschapper binnen een eenheid of werken zij voor de HR afdeling. Het kan gaan om een tijdelijke of structurele functie. De meeste universiteiten hebben een (chief) Diversity Officer, sommigen zelfs meer dan één. Er zijn echter meerdere universiteiten die geen (chief) Diversity Officer hebben en beleggen deze taak bij beleidsmedewerkers of een Taskforce. Er is geen wettelijke verplichting voor de hoger onderwijsinstellingen aan OCW te rapporteren of men wel of niet een DO heeft. De verantwoordelijkheid voor maatregelen en uitvoering van het diversiteitsbeleid blijft bij het college van bestuur en de decanen.
In hoeverre beoordelendiversity officers of op de literatuurlijsten geen racistische of seksistische boeken staan? Op welke manier wordt dit beoordeeld en wat zijn de gevolgen hiervan voor het curriculum en de gebruikte lesmaterialen?
Zie het antwoord bij vraag 2. Het beoordelen van literatuurlijsten hoort doorgaans niet bij de taak of bevoegdheden van Diversity Officers. Bij instellingen waar DO’s betrokken zijn bij het onderwijs kan de DO wel advies en expertise bieden. Het is aan docenten, opleidingsdirecteuren en opleidingscommissies de literatuurlijst vast te stellen. Het curriculum wordt aangepast en gewijzigd wanneer dat volgens de opleidingsverantwoordelijken wenselijk is.
Bij wie en op welke manier kunnen medewerkers en studenten zich melden wanneer zij zich onder druk gezet voelen om «een tentamenvraag anders te formuleren», «verplicht deel te nemen aan diversity lunches» of te luisteren naar werkgroepen die het curriculum willen «dekoloniseren»?
Er bestaan binnen hoger onderwijsinstellingen reguliere aanspreekpunten in het kader van sociale veiligheid. Medewerkers kunnen onder andere terecht bij hun leidinggevenden, de opleidingsdirecteur en de medezeggenschap. Studenten kunnen terecht bij de opleidingscommissie, de facultaire studentenraad of het faculteitsbestuur. Vertrouwenspersonen en ombudsfunctionarissen voor studenten en medewerkers hebben hierin ook een belangrijke rol; de aanwezigheid en inrichting van deze functies verschillen per instelling. De Diversity Officer heeft vooral een adviserende rol in het bevorderen van een inclusieve gemeenschap; voor individuele casussen bestaat een uitgebreid bouwwerk sociale veiligheid.
Herinnert u zich nog de motie Straus/Duisenberg, over advies van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) over zelfcensuur en beperking van diversiteit van perspectieven in de wetenschap2 en de daaruit volgend briefadvies «vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland» door de KNAW?3
Ja
Op welke manier geeft u invulling aan de aanbeveling van de KNAW om te blijven streven naar diversiteit in de vertegenwoordiging van wetenschappelijke stromingen en perspectieven, als het gaat om politieke diversiteit?
Ik hecht grote waarde aan academische vrijheid. Wetenschappers moeten veilig hun wetenschappelijke inzichten kunnen delen. Zoals ik vorig jaar in de Wetenschapsbrief heb aangegeven, moeten alle spelers in het wetenschapsveld aandacht blijven houden voor diversiteit in perspectieven. Ik heb met de KNAW en de universiteiten afgesproken dat zij aandacht blijven geven aan thema’s als zelfcensuur. De toenemende complexiteit van maatschappelijke uitdagingen vraagt ook om grotere, interdisciplinaire onderzoeksteams. Daarbij is politieke diversiteit, net als andere vormen van diversiteit, geen doel op zich. Het gaat om een inclusieve omgeving met divers samengestelde teams en een cultuur waarin optimaal wordt geprofiteerd van de verschillen in perspectieven en opvattingen.
Hoe verhoudt hetgeen wordt verkondigd in bovengenoemd opiniestuk zich met de aanbeveling van de KNAW dat er sprake moet zijn van een open organisatieklimaat en cultuur, waarbij verschillen in perspectief en onderling debat worden gewaardeerd? Deelt u de mening dat medewerkers en studenten niet door eendiversity officer onder druk gezet dienen te worden om een dergelijk politiek perspectief na te streven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u hierop toezien en op welke manier eventueel ingrijpen?
Een open cultuur waarin vrij kan worden gedebatteerd is en blijft belangrijk. Om met de hele sector een volgende stap te zetten richting een meer diverse en inclusieve werk- en leeromgeving in het hoger onderwijs en onderzoek, presenteer ik in september een nationaal actieplan. Zie verder ook het antwoord bij vraag 2 en 4.
Op welke manier monitort u de aanbevelingen van de KNAW uit het briefadvies «Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland»? Wat is de laatste stand van zaken en van wanneer dateert die stand van zaken?
In mijn brief van 30 maart 2018 aan uw Kamer heb ik een reactie gegeven op de aanbevelingen uit het briefadvies «Vrijheid van wetenschapsbeoefening in Nederland» van de KNAW. De KNAW concludeert in dit advies dat er geen signalen zijn dat er in de wetenschap structureel sprake is van zelfcensuur en beperking van diversiteit van perspectieven. De KNAW wijst hierbij wel op het belang van een adequate dialoog tussen wetenschappers onderling en tussen wetenschap en maatschappij.
Op 4 februari 2020 is de motie Westerveld c.s. aangenomen waarin wordt verzocht om voor 1 januari 2021 een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar beïnvloeding door de derde geldstroom. Ik heb het Rathenau Instituut gevraagd dit te onderzoeken. Voorts verwacht ik dit najaar een position paper van de KNAW over academische vrijheid. In dit advies komen vragen aan de orde zoals welke verplichtingen en verantwoordelijkheden er tegenover de academische vrijheid staan en voor wie? Welke grens is er aan academische vrijheid? De KNAW geeft in haar briefadvies ook aanbevelingen mee aan onder meer universiteiten met als doel het behouden van diversiteit en academische vrijheid.
De VSNU en universiteiten streven naar diversiteit in de wetenschappelijke en beleidsmatige vertegenwoordiging. Vergroting van de diversiteit is bijvoorbeeld een van de doelen van het sectorplan Bèta en Techniek. Daarnaast is diversiteit een belangrijk onderdeel in het Erkennen en Waarderen programma en het nieuwe Strategie Evaluatie Protocol (SEP) van VSNU, KNAW en NWO. Deze is recent vernieuwd.
De KNAW beveelt in hun briefadvies aan de codes voor goede wetenschapsbeoefening regelmatig te evalueren en te actualiseren. Naar aanleiding van deze aanbeveling is de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening op 1 oktober 2018 vervangen door de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit. De KNAW wijst verder in dit briefadvies op het toegenomen belang van projectfinanciering en hoe dit kan leiden tot ongewenste beïnvloeding van de financier. Met het oog op dit vraagstuk is in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit het beginsel van onafhankelijkheid opgenomen.
Academische vrijheid en onafhankelijk onderzoek zijn essentieel voor de Nederlandse universiteiten en een centraal aspect in de in 2018 geïntroduceerde Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke integriteit. De VSNU geeft over de gedragscode mee dat de implementatie van de code rond het begin van 2021 zal worden geëvalueerd. Er zal eerst een inventarisatie gedaan worden van de door de universiteiten genomen initiatieven, best practices en knelpunten t.b.v. de implementatie van de gedragscode. Daarna zullen in verschillende ronde tafel gesprekken aandacht gevestigd worden op de gedagscode bij bestuurders, beleidsmedewerkers en wetenschappers en zullen er best practices worden uitgewisseld om de verdere implementatie van de code te bewerkstelligen.
Het bericht 'China beïnvloedt Nederlands hoger onderwijs en wetenschap' en het rapport 'China’s invloed op onderwijs in Nederland' |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «China beïnvloedt Nederlands hoger onderwijs en wetenschap»1 en het rapport «China’s invloed op onderwijs in Nederland»?2
Ja. Zoals ik in mijn aanbiedingsbrief bij het genoemde rapport3 al aangaf, wil ik uw Kamer dit najaar verder informeren over de positie van Nederland ten opzichte van China op het terrein van onderwijs en wetenschap, in lijn met de kabinetsnotitie Nederland – China: een nieuwe balans van mei 2019.
Herinnert u zich dat u in het kader van de berichtgeving inzake de geplande campus van de Rijksuniversiteit Groningen in Yantai in een brief aan de Kamer3 aangaf: «Ik ben van mening dat de academische vrijheid, ook aan een Nederlandse opleiding in het buitenland, nooit ter discussie mag staan»? Hoe weegt u deze uitspraak in relatie tot de vaststelling in het rapport dat de academische vrijheid in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit van de VSNU is vastgelegd maar dat «deze kernwaarden niet verankerd zijn in onderwijs en onderzoek» in China? Bent u van mening dat op dit vlak wederkerigheid dringend gewenst is?
Mijn uitspraak had betrekking op Nederlandse opleidingen, waar ook ter wereld aangeboden. Daarvoor geldt inderdaad dat academische vrijheid nooit ter discussie mag staan. De uitspraak die u citeert uit het Clingendael rapport heeft betrekking op Chinees onderwijs en onderzoek in China. Over de verankering van academische vrijheid in China heb ik geen zeggenschap. Dat de situatie in China verschilt van die in Nederland is een gegeven waar Nederlandse instellingen zich terdege rekenschap van moeten geven wanneer zij samenwerken met Chinese partners.
Kunt u bevestigen dat de auteurs van het rapport doelen op Nederlandse gesprekspartners als zij stellen dat «gesprekspartners zich [niet] vrij [voelen] om in alle openheid hun kennis en ervaringen te delen»? Zo ja, hoe weegt u de situatie dat Nederlandse gesprekspartners niet open durven te communiceren over hun samenwerking met China?
De auteurs geven desgevraagd aan dat dat het geval is. Onderzoekers zijn voorzichtig om de vertrouwensband die zij met hun Chinese partners hebben onnodig te schaden. Maar er loopt een belangrijke scheidslijn tussen voorkomendheid en zelfcensuur.
Het kabinet is in gesprek met afzonderlijke instellingen voor hoger onderwijs, de instellingen voor toegepast onderzoek (TO2-instellingen), de relevante koepelorganisaties en het Platform Integrale Veiligheid Hoger Onderwijs (IV-HO) om het bewustzijn van veiligheids- en andere risico’s onder bestuurders, onderzoekers en studenten te vergroten. In deze gesprekken worden ook relevante bevindingen uit rapporten als die van Clingendael besproken, waaronder bovenstaande bevinding.
Bent u bereid, zoals de auteurs voorstellen, om herhaaldelijk en uitgebreider onderzoek te doen en daarbij onderzoeken uit meerdere landen te betrekken om zo patronen van heimelijke beïnvloeding te herkennen?
Dit verkennende onderzoek van Clingendael zoomt in op de Nederlandse situatie. Er zijn daarnaast ook rapporten beschikbaar die het mondiale perspectief schetsen, bijvoorbeeld de onderzoeken van het Australian Strategic Policy Institute (ASPI).5 Ik vind het van belang dat we onze kennis en bewustzijn over het risico van ongewenste beïnvloeding in onderwijs en wetenschap blijven vergroten. Dat doe ik door kennis te nemen van onderzoeken van partnerlanden en – waar nodig – door opdracht te verlenen tot het uitvoeren van onderzoek.
Wat is uw reactie op de conclusie dat «voortdurende alertheid op en een actieve preventie van politieke beïnvloeding door Confucius Instituten» wenselijk is? Neemt u deze aanbeveling serieus? Welke stappen bent u bereid te nemen om hierop toe te zien?
De onderzoekers geven aan dat er geen aanwijzingen zijn dat er momenteel politieke beïnvloeding plaatsvindt via de Confucius Instituten tijdens colleges in het hoger onderwijs in Nederland. Maar gelet op de verbondenheid met en aansturing vanuit de Chinese overheid is de mogelijkheid van beïnvloeding aanwezig, zo stellen zij, en dus is alertheid en actieve preventie geboden. Die observatie deel ik. Dat vraagt iets van de betrokken Nederlandse hogeronderwijsinstellingen, die – zoals ook door het rapport wordt aangegeven – zich bewust zijn vanwege het publieke debat rond de Confucius Instituten. Ik bekijk of aanvullende hulpmiddelen of kaders nodig zijn en zal uw Kamer hierover informeren in de eerder genoemde brief over de positie van Nederland ten aanzien van China op het gebied van onderwijs en wetenschap (zie antwoord vraag 1).
Bent u het met het Clingendael Instituut en de vragensteller eens dat de contractuele inbedding van Confucius Instituten in Nederlandse universiteiten op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid van Nederlandse kennisinstellingen en de Nederlandse waarden en normen op gebied van wetenschap? Welke stappen gaat u in overleg met de betrokken instellingen nemen om de contractuele inbedding van de instituten te beëindigen?
Ik wil benadrukken, zoals ik dat eerder deed6, dat de instellingen voor hoger onderwijs in Nederland een hoge mate van autonomie hebben, waarbinnen zij zelf verantwoordelijk zijn voor afspraken die zij maken met andere, ook buitenlandse instellingen. Op de vraag of de huidige contractuele situatie aanpassing behoeft, kom ik terug in de eerdergenoemde brief (zie antwoord vraag 1).
Hoe kijkt u aan tegen de bevindingen in het rapport inzake zelfcensuur? Welke wegen ziet u om de weerbaarheid tegen dergelijke ontwikkelingen te vergroten? Kunt u een beeld schetsen van de afspraken die Nederlandse kennisinstellingen maken in gevallen van onderzoek in samenwerking met Chinese wetenschappers om reciprociteit en/of wetenschappelijke integriteit te waarborgen? Hoe kijkt u aan tegen het gegeven dat onderzoekers censuur vaststellen bij publicaties in China van wetenschappelijk werk van onderzoekers werkzaam aan Nederlandse universiteiten?
Zie antwoord op vraag 3. Ik vind het belangrijk dat Nederlandse kennisinstellingen alert zijn op mogelijke risico’s rond ongewenste beïnvloeding en adequate maatregelen treffen om kernwaarden als wetenschappelijke integriteit, academische vrijheid en openheid en transparantie te borgen. Het opnemen van deze kernwaarden in samenwerkingsovereenkomsten is belangrijk, maar niet voldoende: het vergt van de kant van de Nederlandse partners voortdurende alertheid in de dagelijkse onderwijs- en onderzoekspraktijk. De checklist die het The Hague Center for Strategic Studies (HCSS) heeft opgesteld voor academische samenwerking met China, kan daarbij een nuttig hulpmiddel zijn.7
De gesprekken met de kennisinstellingen hebben nadrukkelijk tot doel om het bewustzijn van dit soort risico’s te vergroten.
Hoe weegt u de vaststelling dat studenten die opleidingen of cursussen op het gebied van China volgen aan zelfcensuur doen, ook waar het gaat om thema’s voor onderzoek? Op welke wijze spannen universiteiten zich in om deze trend terug te dringen? Gebeurt dit naar uw mening voldoende? Waarom wel/niet?
Zie antwoord op vraag 3. Het academische klimaat bij opleidingen aan Nederlandse hogeronderwijsinstellingen dient zodanig te zijn dat studenten zich veilig voelen om zich uit te spreken en niet schromen om in het kader van hun opleiding gevoelige thema’s te onderzoeken.
Herkent u de vaststelling uit het rapport dat Chinese studenten een belangrijk doelwit van en instrument voor politieke beïnvloeding zijn omdat zij vaak worden gemonitord door (Chinese) medestudenten en/of de Chinese ambassade? Eerder werd bekend dat Chinese studenten zich verplicht dienen aan te sluiten bij een studentenvereniging voor Chinese studenten4 en dat zij in voorkomende gevallen rapport dienen uit te brengen op de Chinese ambassade5, wat is uw reactie hierop? Waarom staat u deze praktijken in Nederland toe? Is deze situatie onderwerp van gesprek geweest in diplomatieke contacten?
Het rapport wijst op de toenemende bemoeienis van de Chinese overheid met Chinese studenten in het buitenland, als onderdeel van China’s beleid om in het buitenland verblijvende Chinezen naast doelgroep ook als instrument van publieksdiplomatie te beschouwen. Uit het rapport van Clingendael blijkt evenwel niet dat lidmaatschap van de Association of Chinese Scholars and Students in the Netherlands (ACSSNL) verplicht is en er zijn ook geen aanwijzingen dat de ACSSNL initiatieven neemt tot politieke beïnvloeding.
Daarnaast beschrijft het rapport dat de Chinese ambassade in Nederland activiteiten organiseert gericht op in Nederland studerende Chinese studenten en dat deze een vaderlandslievend karakter hebben. Hoewel het feit dat een ambassade contact onderhoudt met studenten uit het eigen land op zichzelf niet uitzonderlijk is, dient daarbij wel steeds voorop te staan dat studenten in Nederland geheel vrij zijn in hun keuze om al dan niet contact te houden met of deel te nemen aan activiteiten die door ambassades worden georganiseerd.
Kunt u bevestigen dat op dit moment er geen CCP-partijcellen aan Nederlandse universiteiten actief zijn op het gebied van politieke beïnvloeding? Hoe gaat u de bewustwording van politieke beïnvloeding uit China bij kennisinstellingen vergroten? Hoe gaat u relevante kennis over China versterken binnen Nederlandse kennisinstellingen?
Evenals de onderzoekers heb ik geen concrete aanwijzingen dat er een CCP-partijcel actief is aan een Nederlandse universiteit op het vlak van politieke beïnvloeding. Wat bewustwording en kennisvermeerdering betreft verwijs ik respectievelijk naar de antwoorden op vragen 3 en 4.
Herinnert u zich dat u mede namens uw collega van Buitenlandse Zaken in de reactie op het verzoek van het lid Van der Molen, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van 25 april 2019 over het bericht «Promoveren in Nederland met een zak geld uit China»6, bevestigend gereageerd heeft op de vraag of het kabinet met een mond spreekt inzake de aanwezigheid van Chinese promovendi in Nederland? Hoe kan het dan zijn dat de gesprekspartners die in het rapport worden aangehaald de overheid oproepen om met een stem te spreken? Hoe reageert u op het citaat «de ene partij roept ons op om in te zetten op samenwerking en de andere partij fluit ons terug; dat schept onduidelijkheid»? Heeft u achteraf gezien in uw reactie op het aangehaalde verzoek eerder een wens uitgesproken dan een bestaande situatie willen schetsen?
Wat de aanwezigheid in Nederland van Chinese promovendi betreft kan ik herbevestigen dat het kabinet met één mond spreekt.
Wilt u bij de met algemene stemmen aangenomen motie van de leden Van der Molen/Wiersma7 over nieuwe afspraken over kennisontwikkeling gerateerd aan defensie en veiligheid naast de aanbevelingen uit het rapport «Kennis in vizier»8 van het Rathenau Instituut ook de aanbevelingen uit het rapport «China’s invloed op onderwijs in Nederland» van het Clingendael Instituut meenemen? Zo ja, wanneer kunnen we de uitwerking van deze motie verwachten? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik neem de aanbevelingen uit dit en andere relevante rapporten mee in het proces om te komen tot nieuwe afwegingskaders, heldere procedures en duidelijke afspraken om maatschappelijk verantwoord vorm te geven aan kennisontwikkeling die o.a. raakt aan defensie en veiligheid. Dit sluit aan bij de activiteiten in het kader van de zgn. «brede kennisregeling», zoals genoemd in de beleidsreactie op het rapport van het Rathenau Instituut die u in december 2019 van Staatssecretaris Keijzer en mij ontving13. Dit najaar zal ik de Kamer nader informeren over de stand van zaken hieromtrent.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Appen tijdens je tentamen: ook nu frauderen studenten' |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Appen tijdens je tentamen: ook nu frauderen studenten»?1
Ja
Klopt de constatering dat de fraudezaken bij online tentamens «zich langzaam opstapelen»? Waaruit blijkt dat?
Van de VH en VSNU heb ik geen signalen ontvangen dat het aantal fraudezaken zich opstapelt. Door de grootschalige omschakeling naar online onderwijs is in veel gevallen ook de toetsvorm veranderd naar online varianten. Wanneer de toetsvorm verandert, verandert ook de wijze waarop studenten mogelijk kunnen frauderen. Onderwijsinstellingen zetten met hun examencommissies in op fraudepreventie. Dit kan bijvoorbeeld door de inzet van alternatieven als online mondelinge tentamens en (met de juiste privacy-waarborgen omklede) online proctoring. Er wordt daarbij per opleiding, per tentamen gekeken welke toetsvorm geschikt is.
Er zijn mij wel enkele fraudezaken bekend bij online tentamens. Bij deze fraudezaken zijn door de instellingen passende maatregelen genomen. Instellingen leren hiervan, bijvoorbeeld door bepaalde toetsvormen aan te passen of op een andere manier in te zetten. Hierover wordt ook afgestemd binnen de SIG (Special Interest Group) Toetsen op afstand van SURF en de landelijke werkgroep Tentamineren van de VSNU, zodat instellingen ook van elkaar kunnen leren.
Is er momenteel vaker sprake van fraude bij het afnemen van tentamens of andere examinering in het hoger onderwijs dan voor maart 2020?
Van de VH en VSNU heb ik geen signalen ontvangen dat er momenteel bij hogescholen en universiteiten vaker sprake zou zijn van fraude bij het afnemen van tentamens of andere examinering in het hoger onderwijs dan voor maart 2020. Zoals uit mijn antwoord op vraag 2 blijkt, worden door de instellingen en hun examencommissies al veel maatregelen genomen om fraude tegen te gaan.
Op welke manier worden hoger onderwijsinstellingen geholpen om fraude tegen te gaan bij het afnemen van examens en tentamens op afstand binnen de kaders van de coronamaatregelen?
SURF, de ICT-coöperatie van de hoger onderwijsinstellingen, ondersteunt instellingen door op nationaal niveau kennisuitwisseling te organiseren over toetsen op afstand. SURF doet dit middels de SIG Toetsen op afstand. Daarnaast krijgt dit onderwerp een plek in het Versnellingsplan onderwijsinnovatie met ICT, waarin SURF samenwerkt met de VH, VSNU en OCW. In het Versnellingsplan zal vanaf het komende collegejaar een werkgroep Toetsen op afstand starten. Het Versnellingsplan, door mij financieel ondersteund, stelt middelen beschikbaar om een aantal vraagstukken rond toetsen op afstand gecoördineerd aan te pakken op landelijk niveau.
Daarnaast heeft het SURF-netwerk van ICT-hoofden uit wo, hbo en mbo aangegeven samen op te trekken in het ontwikkelen van maatregelen, middelen en kennis om aspecten rondom fraude en privacy gezamenlijk op te pakken.
Vanuit de VSNU wordt ook samengewerkt in de landelijke werkgroep Tentamineren, waar onder andere ook gesproken wordt over fraudegevallen en passende maatregelen om deze te voorkomen.
Binnen al deze gremia wordt relevante kennis opgebouwd en signaleren experts op welke terreinen actie nodig is.
Op welke manier bent u in gesprek met hoger onderwijsinstellingen, de Vereniging van Universiteiten(VSNU) en de Vereniging Hogescholen om fraude bij examens en tentamens op afstand op een adequate manier tegen te gaan?
Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om bij de evaluatie van het afstandsonderwijs door de coronacrisis ook expliciet te kijken naar de beste praktijken rondom het afnemen van examinering en toetsing op afstand in het hoger onderwijs? Zo ja, wanneer kan de Kamer hier de eerste resultaten van verwachten? Zo nee, waarom niet?
De huidige omstandigheden maken dat instellingen in sneltreinvaart kennis opdoen over online onderwijs en ook over online examinering en toetsing op afstand. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb aangegeven, worden de daarbij opgedane ervaringen en inzichten al breed benut en met elkaar gedeeld. Ik ga niet centraal monitoren, omdat ik de instellingen niet teveel wil belasten. Ook bij de start van het komende collegejaar hebben de instellingen vooral ruimte nodig om zich zo goed mogelijk te concentreren op het verzorgen van onderwijs.
Het bericht dat tienduizenden studenten studievertraging oplopen |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van ResearchNed waaruit blijkt dat meer dan 50.000 studenten studievertraging oplopen als gevolg van de coronamaatregelen?1
De COVID-19-crisis heeft grote gevolgen voor het hele onderwijs, van de voorschool tot de universiteit. Onderwijsinstellingen hebben het onderwijs in de afgelopen maanden anders ingericht en op afstand georganiseerd. Mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten zijn sinds 15 juni gedeeltelijk weer gestart met het verzorgen van onderwijs op locatie.
Door alle betrokkenen in alle sectoren is de afgelopen periode keihard gewerkt aan het mogelijk maken van het onderwijs op afstand. Ik ben trots op wat er door het onderwijsveld onder zulke moeilijke omstandigheden in korte tijd is bereikt. Ondanks deze grote inspanningen is het onvermijdelijk gebleken dat sommige studenten studievertraging oplopen.
Op welke wijze wordt studievertraging en uitval als gevolg van de coronamaatregelen gemonitord? Bent u voornemens in de nabije toekomst studievertraging en uitval als gevolg van de coronamaatregelen te gaan monitoren?
Ik ga ervan uit dat individuele opleidingen zelf monitoren welke mate van studievertraging en uitval plaatsvindt. Daarnaast besteedt de jaarlijkse monitor beleidsmaatregelen hoger onderwijs aandacht aan de cijfers over uitval en aan de studievoortgang in de beleving van studenten. De eerstvolgende monitor verwacht ik u dit jaar na de zomer toe te sturen. Daarin zullen de gevolgen van corona nog niet zichtbaar zijn. Ik zal deze wel gaan betrekken in de monitor beleidsmaatregelen. De benodigde gegevens komen beschikbaar na afloop van het betreffende studiejaar. Als de inschrijvingscijfers over het nieuwe studiejaar 2020–2021 definitief zijn kan uitval in 2019–2020 inzichtelijk gemaakt worden. Kanttekening daarbij is dat het niet goed mogelijk zal zijn onderscheid te maken tussen uitval door de coronacrisis of uitval door andere redenen. Ook de studentbeleving van 2019–2020 komt in de loop van 2020–2021 beschikbaar. Ik verwacht op uitval, studievoortgang en corona, vergeleken met de periode vóór corona, in te kunnen gaan in de Monitor beleidsmaatregelen hoger onderwijs die in 2021 verschijnt.
Bent u voornemens om studenten meer ruimte te geven om fysiek onderwijs te volgen? Zo ja, op welke wijze? Bent u het daarnaast met de mening eens dat de ruimte die nu aan studenten wordt gegeven in het openbaar vervoer veel te mager is?
Met ingang van het nieuwe studiejaar wordt het mbo, hbo en wo verder opengesteld voor onderwijsactiviteiten op de locatie van de mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten. Sinds 15 juni was dit al het geval voor praktijkonderwijs, toetsing en begeleiding van kwetsbare studenten, maar na de zomervakantie mag de instelling aanvullend daarop zelf weer keuzes maken over onderwijsactiviteiten op locatie. Uiteraard met inachtneming van de RIVM richtlijnen waaronder het bewaren van de 1,5 meter afstand tot elkaar. Om studenten op verantwoorde wijze naar de onderwijsinstellingen te kunnen laten komen en met het openbaar vervoer te laten reizen hebben koepelorganisaties, vervoerdersorganisaties, IenW en OCW nieuwe afspraken gemaakt over het OV-gebruik. De gezamenlijke ambitie is zoveel mogelijk mensen veilig te kunnen vervoeren naar de onderwijsinstellingen met het OV. De afspraken vervangen de eerdere afspraken over het tijdsvenster van 11–15 uur. De nieuwe afspraken geven meer ruimte. Er is afgesproken om begin- en eindtijden van onderwijsactiviteiten te spreiden en het onderwijs zo te organiseren dat studenten niet of nauwelijks in de spits hoeven te reizen. Studenten wordt geen toegang tot de spits ontzegd en het studentenreisproduct wordt niet beperkt. Het uitgangspunt is regionale afspraken op basis van een landelijk model, zodat goed rekening kan worden gehouden met specifieke omstandigheden en mogelijkheden.
Kunt u een beeld geven van hoeveel studenten die studievertraging oplopen buiten de eerder gepresenteerde compensatieregeling vallen? Kunt u daarnaast een inschatting maken van de extra kosten die studenten met studievertraging maken als gevolg van de coronamaatregelen?
Hoeveel studenten daadwerkelijk studievertraging hebben opgelopen en hoe groot hun studievertraging is, is op dit moment niet te zeggen. Ik kan dan ook niet aangeven hoeveel studenten studievertraging oplopen en buiten de eerder gepresenteerde compensatieregeling vallen. In elk geval vallen studenten die niet in de afrondende fase van hun hbo-bachelor of wo-masteropleiding zitten, buiten de eerder gecommuniceerde compensatieregeling.
In uitvoering van de motie Jetten/Heerma zijn de financiële gevolgen van de maatregelen als gevolg van COVID-19 voor studenten in kaart gebracht:
Bent u alsnog bereid om alle studenten die studievertraging oplopen vanwege de coronamaatregelen op gepaste wijze te compenseren, vergelijkbaar met hbo-bachelorstudenten en wo-masterstudenten?
Studenten in eerdere fases van de studie hebben meer ruimte voor het inhalen van eventuele studievertraging, daarom ben ik niet voornemens om ook deze studenten toe te voegen aan de compensatieregeling.
De ruimte die er is gekomen voor tentaminering, examinering en praktijkonderwijs zorgt er voor dat ook deze studenten hun onderwijsactiviteiten kunnen voltooien, zodat verdere vertraging wordt voorkomen.
Op welke wijze worden instellingen en docenten ondersteund bij het terugdringen van de studievertraging en uitval?
Het voorkomen van studievertraging en uitval vraagt om creatieve oplossingen in het geven van afstandsonderwijs, betrokkenheid bij de student, aandacht voor studentenwelzijn, een goede samenwerking tussen onderwijssectoren en anders werken dan we normaal gewend zijn. Hogeronderwijsinstellingen en iedereen die daarbinnen aan het werk is, doen nu alles wat in hun macht ligt om die inspanningen te leveren en uitval en studievertraging zoveel mogelijk te beperken. OCW ondersteunt hen om dit zo goed mogelijk te kunnen doen. OCW biedt bijvoorbeeld financiële ondersteuning aan het Versnellingsplan onderwijsinnovatie met ICT. Dit versnellingsplan speelt met de Vraagbaak Online Onderwijs een belangrijke rol in de uitwisseling van kennis over goed online onderwijs dat studievertraging en uitval kan voorkomen. Andere manieren waarop OCW ondersteuning biedt, zijn het wegnemen van belemmeringen in wet- en regelgeving (zoals in de toelating van studenten die nog niet aan alle instroomeisen voldoen), het maken van afspraken met toezichthouders over handhaving, het faciliteren van kennisuitwisseling middels de werkgroep Studentenwelzijn en het meedenken in oplossingen.
Afspraken hierover staan opgenomen in het, ook aan uw Kamer toegezonden, Servicedocument Hoger Onderwijs, waarmee wordt beoogd om instellingen handreikingen en ruimte te bieden in deze tijd van crisis. Op basis van signalen en behoeften van instellingen, studenten, onderwijsvakbonden en andere betrokkenen op landelijk niveau, is dit document in de afgelopen weken steeds weer geactualiseerd en zijn er waar nodig nieuwe afspraken gemaakt.
Het bericht ‘lastig leden werven en geen evenementen, corona brengt studentenvereniging in problemen’ |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lastig leden werven en geen evenementen, corona brengt studentenvereniging in problemen»?1
Ja.
Aan welke voorschriften moeten studenten- en studieverenigingen vanaf 1 juni voldoen, zowel voor binnen- als buitenactiviteiten, om weer bijeenkomsten te mogen organiseren?
Voor activiteiten van studenten- en studieverenigingen gelden de algemene regels uit de noodverordeningen en de RIVM-richtlijnen.
Tot 15 juni gold dat er in het hoger onderwijs geen onderwijsactiviteiten plaatsvonden op de locaties van hogeronderwijsinstellingen. Met de Vereniging van hogescholen (VH) en de Vereniging van universiteiten (VSNU) is hierover afgesproken dat activiteiten georganiseerd door studenten- en studieverenigingen tot 15 juni in principe werden afgeschaald, net als alle andere activiteiten die niet direct bijdroegen aan het georganiseerd onderwijs. Deze afspraken zijn vastgelegd in het servicedocument ho. De versoepelingen per 1 juli bieden meer ruimte voor de openstelling van allerlei activiteiten. Op hoofdlijnen wordt er een onderscheid gemaakt tussen basisregels voor activiteiten binnen en buiten. Voor meer informatie over deze verschillende basisregels en de voorwaarden die gelden zie de brief COVID-19 Update stand van zaken van het Ministerie van VWS.2 Uiteraard kunnen activiteiten alleen plaatsvinden wanneer dat past bij de bepalingen van de regionale (nood)verordening en de adviezen van de GDD en het RIVM. Daarom blijft gelden dat studenten- en studieverenigingen over de mogelijkheden voor activiteiten in nauw overleg moeten blijven met de instelling, gemeente en veiligheidsregio.
Klopt het dat voor studentenverenigingen, die beschikken over een horecavergunning, per 1 juni dezelfde verruiming van de corona-maatregelen geldt als voor de horeca? Zo nee, waarom niet?
De verruiming van de corona-maatregelen voor de horeca geldt ook voor studentenvereniging met daarin een eet- en drinkgelegenheid. Zij kunnen de deuren weer openen met inachtneming van de regels van de horeca. Vanaf 1 juli gelden er verschillende basisregels voor binnen en buiten activiteiten. Dat houdt in dat binnen per zelfstandige ruimte maximaal 100 personen zijn toegestaan (exclusief personeel), mits er sprake is van placering en als de personen 1,5 meter afstand van elkaar kunnen bewaren, de bijbehorende verkeersstromen zijn gescheiden en hygiënemaatregelen zijn getroffen. Deze voorwaarden gelden ook voor buitenterrassen met maximaal 250 personen. Binnen kunnen meer dan 100 en buiten meer dan 250 personen worden toegelaten als naast bovenstaande voorwaarden ook wordt gereserveerd en een gezondheidscheck plaatsvindt.
Waar kunnen studenten- en studieverenigingen zich melden over onduidelijkheden rondom de coronamaatregelen met betrekking tot het organiseren van activiteiten of de organisatie van de introductieweken?
Studenten- en studieverenigingen kunnen zich met vragen omtrent de coronamaatregelen richten tot de instelling, de gemeente of de veiligheidsregio.
Bent u in overleg met de VSNU, de Vereniging van Hogescholen en de Landelijke Kamer van Verenigingen over de gevolgen van de coronamaatregelen op de introductieweken van aankomende studenten? Zo nee, bent u bereid dat alsnog te doen? Zo ja, wat zijn de afspraken die hieruit zijn voortgekomen?
Met regelmaat vindt er overleg plaats met o.a. de VSNU en de VH over de gevolgen van de coronamaatregelen voor het hoger onderwijs en de activiteiten die binnen en buiten de instelling plaatsvinden. Hetzelfde geldt voor overleg met de studentenorganisaties, ISO en LSVb. Met de LKvV hebben we nog geen overleg gevoerd. Zij houden onder meer met de instellingen en andere stakeholders in de regio contact.
Ik vind het belangrijk dat eerstejaarsstudenten op een goede manier kennis kunnen maken met hun studentenstad, hun studie en hun medestudenten. De gebruikelijke grootschalige introductieweken vlak voor aanvang van het nieuwe collegejaar voor nieuwe studenten kunnen niet in de gebruikelijke vorm plaatsvinden. In overleg met de instelling, gemeente en veiligheidsregio kunnen er mogelijk fysieke activiteiten op beperkte schaal plaatsvinden, uiteraard met inachtneming van de algemene voorschriften van het RIVM. Verder zal ook van digitale middelen gebruik gemaakt moeten worden. De organisatie van deze introductieactiviteiten vraagt om flexibiliteit van alle betrokkenen. Ik heb begrepen dat hier ook al goede ideeën voor ontstaan. Ik verwacht dat instellingen over wat er wel en niet kan communiceren richting studenten en studenten- en studieverenigingen en dat de verenigingen hierover ook contact onderhouden met de gemeente en veiligheidsregio.
Het bericht dat studenten drie maanden collegegeld terugkrijgen bij vertraging afstuderen |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Welke reden ziet u om aan te nemen dat studenten die niet in het jaar van afstuderen zitten en studievertraging oplopen dit nog kunnen inhalen? Zijn hierover afspraken gemaakt met de instellingen in het hoger onderwijs? Op welke wijze gaan instellingen in het hoger onderwijs hiervoor gecompenseerd worden?1
Alle onderwijsinstellingen in het mbo en ho werken hard aan het voorkomen van studievertraging voor studenten. Studenten die niet in het laatste jaar van hun studie zitten kunnen tijdens hun studie nog eventuele vakken inhalen. Instellingen spannen zich in om ervoor te zorgen dat studenten zo weinig mogelijk achterstand oplopen of deze tijdens de studie kunnen inlopen. Laatstejaars studenten met vertraging kunnen dat niet omdat zij in het laatste jaar zitten. In het hoger onderwijs loopt het meeste onderwijs gewoon (digitaal) door. Zowel de student als de instelling heeft baat bij zo min mogelijk studievertraging. Toch zal dit voor sommige studenten niet geheel te voorkomen zijn en geldt voor hen dat zij hun studievertraging op een later moment dienen in te halen. Voor hen geldt dat de oplossing meer ligt in het bieden van meer tijd om die studievertraging binnen een redelijke termijn in te halen. Hier zijn in het kader van het servicedocument ho afspraken over gemaakt. Zo geven instellingen eerstejaarsstudenten die door de coronamaatregelen studievertraging oplopen en als gevolg daarvan de norm van het bindend studieadvies (bsa) in het studiejaar 2019–2020 niet halen, de mogelijkheid de bsa-norm te halen in het volgende studiejaar. Ook kunnen studenten in het hoger onderwijs erop rekenen dat coulance wordt betracht wanneer zij door corona niet binnen de diplomatermijn kunnen afstuderen. Normaliter wordt de hele prestatiebeursschuld omgezet in een lening (alle ontvangen basisbeurs, aanvullende beurs en de reisvoorziening) als een student niet binnen 10 jaar na aanvang van de studiefinanciering afstudeert. Dit is opgelost door de diplomatermijn ter verlengen met coulance/hardheidsclausule. Voor studenten die de overstap willen maken van het hbo naar het wo, of van bachelor naar master, maar door het COVID-19 virus niet op tijd aan de vooropleidingseisen of toelatingseisen kunnen voldoen, zijn ook afspraken gemaakt met instellingen. Deze studenten kunnen doorstromen naar de vervolgopleiding onder de voorwaarde dat zij binnen een redelijke termijn alsnog voldoen aan de vooropleidingseisen of toelatingseisen. Onderwijsinstellingen worden voor deze inspanningen niet gecompenseerd.
Waarom is in dit steunpakket geen compensatie opgenomen voor de instellingen in het hoger onderwijs?
In het compensatiepakket zoals beschreven in de brief van 15 mei jl. is een subsidieregeling aangekondigd voor het inhalen van onderwijsachterstanden voor groepen kwetsbare kinderen en studenten. Doordat de coronacrisis kan leiden tot verergering van de kansenongelijkheid en daarmee tot verlies aan menselijk kapitaal, heeft het kabinet extra aandacht voor deze kwetsbare groepen. Omdat deze groepen meer voorkomen in het po, vo en mbo is ervoor gekozen om het compensatiepakket daarop te richten.
Deelt u de mening dat het juist dankzij een geweldige inspanning van de docenten in het hoger onderwijs is, dat er nog zoveel onderwijs doorgang kan vinden? Kunt u dit toelichten?
Voor alle onderwijssectoren geldt dat juist door inspanning van alle leraren en docenten het onderwijs zo veel mogelijk doorgang kan vinden. Ook voor het hoger onderwijs is dat zeker waar. In alle sectoren gaat het onderwijs zo veel mogelijk digitaal door. Ik waardeer de inzet van al die leraren en docenten dan ook zeer.
Bent u zich ervan bewust dat deze omslag naar digitale onderwijsvormen ook kosten met zich meebrengt? Zo ja, hoe worden deze gecompenseerd?
Het is logisch dat er kosten zullen zijn voor digitale onderwijsvormen. Dat neemt niet weg dat deze omslag in het hoger onderwijs voor een deel al was voorzien. De investeringen hierin zouden waarschijnlijk later in de toekomst zijn gedaan en zijn nu naar voren gehaald. Dat betekent dat dit jaar een deel van de (bestemmings)reserves kan worden ingezet dat anders later werd ingezet. Tevens staan tegenover dit soort meerkosten ook minderkosten voor instellingen door minder gebruik van gebouwen.
Op welke manier worden instellingen vergoed voor de extra kosten die zij maken om de studievertraging, waarvoor studenten nu terecht gecompenseerd worden, met extra onderwijsinspanningen in te lopen?
Zie eerdere antwoorden op vraag 1, 2 en 4.
Op welke manier wordt er publieke verantwoordelijkheid genomen voor de vertraging die onderzoekers oplopen? Deelt u de mening dat hun positie als gevolg van de coronacrisis benard is en dat dit ook overheidssteun rechtvaardigt?
Ik ben me er van bewust dat de huidige situatie veel vraagt van wetenschappers. Ik neem deze signalen dan ook zeer serieus. Samen met de publieke kennispartners (NWO, KNAW, VSNU, VH en NFU) houdt OCW de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Doel is om geen onderzoekers tussen wal en schip te laten vallen. Er worden door de samenwerkende publieke kennispartners verschillende stappen gezet om onderzoeksvertraging waar mogelijk op te vangen of beoordeling aan te passen, ook in het licht van het nieuwe erkennen en waarderen. Daarnaast is NWO begonnen met het openbaar maken van calls die in de toekomst gepubliceerd worden. Dit geeft onderzoekers meer tijd om aanvragen voor te bereiden en hun planning daarop aan te passen. Nieuwe sluitingsdata van gepauzeerde calls worden ruim van tevoren gepubliceerd. Ook wordt gekeken of er mogelijkheden zijn om onderzoekers verlenging te bieden indien ze die nodig hebben om hun onderzoek af te ronden.
We kijken daarnaast naar mogelijkheden om het onderzoekswerk te hervatten binnen de kaders van de coronamaatregelen. Ik verwijs u daarvoor graag naar het servicedocument dat wij regelmatig uitbrengen en het protocol «Herstart Universiteiten». Alle bovenstaande maatregelen zijn er op gericht om onderzoekers zo veel mogelijk te ondersteunen in deze bijzondere omstandigheden.
Daarnaast investeert het kabinet in totaal € 47,5 miljoen – via de ministeries van VWS, OCW en EZK en wetenschapsfinanciers ZonMw en NWO en de topsector LSH – in coronagerelateerd onderzoek. Tot slot span ik mij in Europa in om binnen de financiële middelen van Horizon 2020 de continuïteit voor onderzoeksprojecten te borgen. Dat betreft een case by case benadering, geen generieke maatregelen.
Welke financiële consequenties heeft de meer kleinschalige inrichting, zoals die de komende tijd te verwachten is als gevolg van de coronamaatregelen, op de instellingen in het hoger onderwijs? Bent u bereid deze consequenties op te vangen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Voor alle onderwijssectoren geldt dat de anderhalvemetersamenleving consequenties zal hebben. Welke financiële impact dat heeft is niet bekend. Deze kosten hangen ook af van hoelang de crisis duurt en wanneer de coronamaatregelen versoepeld kunnen worden. Voor het hoger onderwijs zijn op dit moment de Vereniging Hogescholen en VSNU nog bezig met een inventarisatie van de kosten voor de korte en middellange termijn. Dit kan inzichtelijk maken tegen welke kosten instellingen aanlopen. Hogescholen en universiteiten zijn grotendeels publiek bekostigde instellingen. Er zijn op dit moment geen acute liquiditeitsproblemen.
De uitvoering van de aangenomen motie inzake geen coronaboetes voor studenten in hun eigen studentenhuis. |
|
Wybren van Haga (Lid-Haga) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangenomen motie Van Haga/Hiddema inzake geen coronaboetes voor studenten in hun eigen studentenhuis (Kamerstuk 25 295, nr. 344)?
Ja.
Kunt u aangeven op welke wijze en binnen welke termijn u uitvoering zult gaan geven aan deze motie?
Zoals aangegeven bij de beantwoording heden van de vragen van de leden Den Boer, Paternotte en Van Eijs geldt het verbod van groepsvorming alleen in de publieke ruimte. In artikel 2.2, eerste lid, van de op 8 mei 2020 door de voorzitters van de veiligheidsregio’s opgestelde modelnoodverordening staat nu expliciet dat het groepsvormingsverbod geldt voor de publieke ruimte. Bovendien is hier bij de instructie voor de handhaving nogmaals op gewezen. Hiermee heb ik uitvoering gegeven aan de motie.
Kunt u aangeven of de reeds opgelegde boetes op grond van de aangenomen motie zullen worden teruggedraaid, aangezien de consequenties van deze boetes voor de studenten erg groot zijn?
Als men van mening is dat ten onrechte een boete is opgelegd voor groepsvorming buiten de publieke ruimte, dan kan de betrokkene tegen de opgelegde OM-strafbeschikking in verzet gaan bij de rechter. De rechter beoordeelt de zaak dan opnieuw en toetst of de strafbeschikking terecht is uitgevaardigd.
Vindt u niet dat de definitie van een «gezamenlijk huishouden» op landelijk niveau zou moeten worden geregeld?
Zoals aangegeven in de brief van 1 mei 20201 is het kabinet momenteel bezig om via nieuwe, aanvullende wetgeving maatregelen vorm te geven om COVID-19 te blijven bestrijden. Bij de totstandkoming van deze wetgeving zullen dergelijke definities en andere regelelementen opnieuw vorm worden gegeven. Bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel wissel ik hierover graag met u van gedachten.
Vindt u niet dat de definitie van een «gezamenlijk huishouden» zodanig moet worden gewijzigd dat wordt voorkomen dat er sprake is van discriminerend onderscheid tussen verschillende woonvormen?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Oplossing voor onderzoekers aan universiteiten hard nodig' |
|
Harry van der Molen (CDA), Jan Paternotte (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Oplossing voor onderzoekers aan universiteiten hard nodig»1 en «Erken en waardeer solidariteit in tijden van crisis»?2
Ja.
Heeft u zicht op hoeveel onderzoekers afhankelijk zijn van projectfinanciering en vervolgfinanciering?
Tot en met 2017 bevatten de jaarlijkse Kengetallen Universitair Onderzoek (KUOZ-data) van de VSNU informatie over de onderzoeksinzet van de universiteiten per geldstroom. Uit die data blijkt dat:
Indien men naar de financiën kijkt, is er sprake van een andere verdeling. Op basis van de cijfers in de jaarverslagen van de universiteiten en umc’s, de onderzoekcoëfficiënten voor de universiteiten en voor de werkplaatsfunctie van het CBS, is te berekenen dat:
Het verschil kan als volgt worden verklaard: uit de eerste geldstroom worden niet alleen de personeelskosten voor het onderzoekspersoneel betaald, maar ook (overhead)kosten voor huisvesting, ondersteunend personeel, faciliteiten. Alsook de overige kosten, zoals infrastructuur en materialen, benodigd voor het onderzoek aan de universiteiten en umc’s.
Bij de lectoraten is het aandeel van de in competitie verkregen middelen (2e en 3e geldstroom) in de totale middelen voor praktijkgericht onderzoek de laatste jaren gegroeid van 34 procent in 2015 tot 42 procent in 2017.
Klopt het dat het vooral promovendi en post-docs zijn die op basis van projectfinanciering een tijdelijk dienstverband bij een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstelling hebben?
Ja, dat klopt. Promovendi hebben bijna altijd een tijdelijk contract, van de postdoc onderzoekers heeft 88 procent een tijdelijk contract en van de universitair docenten 26 procent. Overigens verschilt het aantal tijdelijke dienstverbanden sterk per universiteit3.
Bij de hogescholen heeft 20 procent van de medewerkers een tijdelijke aanstelling.
Wat vindt u van de suggestie om onderzoeksinstellingen de mogelijkheid te bieden om eenmalig een extra tijdelijk dienstverband aan te bieden?
Door de COVID-19 crisis ligt veel onderzoek stil. Veel onderzoekers hebben geen toegang meer tot labs of collecties, kunnen geen data verzamelen, of zetten zich in het ziekenhuis in. Dit heeft een grote impact op het Nederlandse onderzoek. Met name onderzoekers met tijdelijke contracten lopen vertraging op bij de afronding van hun onderzoeksprojecten. Samen met NWO, KNAW (incl. De Jonge Akademie), AOb, FNV, VH, VSNU en NFU houd ik de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Doel is om geen onderzoekers tussen wal en schip te laten vallen. Samen met deze partijen wordt gekeken naar oplossingen voor onderzoekers met een tijdelijk contract die in de problemen komen.
Voor welke periode verwacht u dat onderzoekscalls gepauzeerd of uitgesteld worden?
Om de schade voor de sector te beperken is het belangrijk dat de tweede geldstroom niet te lang stilvalt. NWO heeft de verantwoordelijkheid om een eerlijk speelveld en een zorgvuldig beoordelingsproces te borgen, ook in deze periode. NWO heeft daarom maatregelen genomen om wetenschappers te ondersteunen en verfijnt deze constant:
Heeft de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) al alternatieve selectieprocedures ingericht om bijvoorbeeld de interviews in de lopende en nieuwe onderzoekscalls weer doorgang te kunnen laten vinden zolang de voorzorgsmaatregelen rondom het nieuwe coronavirus van kracht zijn?
Zie het antwoord bij vraag 5.
Welke mogelijkheden hebben onderzoekers met een door NWO verstrekte beurs als het onderzoek door coronamaatregelen pas later dan gepland voltooid kan worden?
Op dit moment is het binnen de geldende (budgettaire) kaders voor al het door NWO gefinancierde onderzoek mogelijk om, in overleg, naar budgetneutrale oplossingen te zoeken. Mogelijkheden zijn bijvoorbeeld aanpassingen van onderzoeksopzet of aanpassingen van dataverzameling waardoor de vertraging minder kan zijn.
Heeft u – eventueel op basis van historische gegevens – zicht op de afname van de derde geldstroom bij economische neergang? Welke consequenties heeft dat voor onderzoekers en de positie van Nederland als kennisland?
Ondanks de kredietcrisis van 2007–2009 hebben de totale baten van de universiteiten zich van 2004 tot 2018 positief ontwikkeld. De inkomsten uit «Werk voor derden» zijn in deze periode gegroeid, van 22 procent tot 26 procent.
Uiteraard deel ik de zorg van de kennisinstellingen dat de derde geldstroommiddelen zullen afnemen, we houden dit nauwlettend in de gaten.
Bent u bereid om NWO te vragen per geval te bekijken of reeds toegekende onderzoeksbeurzen verlengd kunnen worden als de onderzoeker kan aantonen dat door de coronamaatregelen het onderzoek pas later voltooid kan worden?
Dit is niet alleen de verantwoordelijkheid van NWO, maar ook van bijvoorbeeld de universiteiten. Zie ook het antwoord op vraag 4 en vraag 7. NWO beoordeelt aanvragen voor verlenging of vaststelling van lopend onderzoek altijd per individueel geval. Universiteiten zijn ook op zoek naar oplossingen, onder andere in de nieuwe CAO.
Welke mogelijkheden hebben universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen op dit moment om onderzoeksactiviteiten op locatie doorgang te laten vinden en zijn er mogelijkheden om met inachtneming van de RIVM-richtlijnen de mogelijkheden voor onderzoek te verruimen?
Universiteiten hebben gedurende de intelligente lockdown de mogelijkheid gehouden om, met in achtneming van de RIVM-voorschriften, op kleine schaal op locatie door te gaan met onderzoek. De universiteiten zijn daar divers mee omgegaan. Nu er sprake is van een verruiming van de maatregelen neemt de mogelijkheid tot het doen van onderzoek op locatie verder toe.
Het bericht ‘Studenten protesteren tegen tentamensoftware die beelden van hun huiskamer opslaat’ |
|
Jan Paternotte (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel »Studenten protesteren tegen tentamensoftware die beelden van hun huiskamer opslaat»?1
Ja.
Welke hogescholen en universiteiten maken op dit moment gebruik van software voor online tentamens, waarbij videobeelden van de student of van het computerscherm worden opgeslagen?
De Vereniging Hogescholen (VH) geeft desgevraagd aan dat bijna alle hogescholen op verschillende manieren in pilotvorm testen met proctoring. In een recent gepubliceerd white paper duidt SURF deze verschillende wijzen van proctoring in «niveaus»2. Een tweetal hogescholen (Avans en Hogeschool Leiden) heeft aangegeven geen gebruik te maken van surveillance-software. Ook de kunsthogescholen maken, gezien de aard van het onderwijs, nauwelijks gebruik van proctoring.
De Vereniging van Universiteiten (VSNU) geeft desgevraagd aan dat de Maastricht University, de Universiteit Utrecht en de Open Universiteit geen gebruikmaken van software voor online tentamens. Bij de overige universiteiten gebeurt dit, al dan niet in pilotvorm, op verschillende manieren en schaalgrootte wel.
Van welke softwareaanbieder(s) maken de betreffende onderwijsinstellingen gebruik? Kunt u daarbij aangeven of dat Amerikaanse of Europese zogeheten «proctorbedrijven» zijn?
De onderwijsinstellingen maken gebruik van de softwareaanbieders ProctorExam, Proctorio en Remote Proctor Now. ProctorExam is een Nederlands bedrijf waarvan de data in Duitsland worden verwerkt. Proctorio en Remote Proctor Now zijn bedrijven uit de Verenigde Staten met vestigingen en datacentra in de Europese Unie.
Verzoeken de betreffende proctorbedrijven toestemming aan de student of die zijn persoonsgegevens, zoals videobeelden van diens gezicht, mogen opslaan? Voldoen zij verder aan de vereiste van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)?
Het is aan de onderwijsinstellingen om de studenten goed te informeren over het gebruik en de werking van de proctoring software, bijvoorbeeld middels een privacyverklaring. Een student kan ervoor kiezen niet aan deze tentamenvorm deel te nemen, zoals ik ook toelicht in mijn antwoord op vraag 8.
In mijn antwoord op de schriftelijke vragen van uw collega Futselaar (SP) gaf ik reeds het volgende aan. Bij het gebruik van online proctoring verwerken onderwijsinstellingen (beeld, geluid en andere) gegevens van studenten. Op deze verwerkingen van persoonsgegevens is de AVG van toepassing. De AVG verplicht – kort gezegd – om persoonsgegevens op een behoorlijke en rechtmatige wijze te verwerken. Deze verantwoordelijkheid rust in dit geval op de onderwijsinstelling. De onderwijsinstelling moet kunnen aantonen dat de wijze waarop deze online proctoring toepast bij het afnemen van toetsen, in lijn is met de verplichtingen uit de AVG, in het bijzonder met de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie, doelbinding, minimale gegevensverwerking, juistheid, opslagbeperking en integriteit en vertrouwelijkheid. De Autoriteit persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op de naleving van de AVG. Bovendien kondigde de AP recent aan na te gaan of onderwijsinstellingen «voldoende werk maken van het beschermen van de privacy van hun leerlingen of studenten. Zij moeten aantonen hoe zij dit doen.»
Hogeronderwijsinstellingen geven aan dat de gekozen software en haar leveranciers voldoen aan de AVG. Zo worden de persoonsgegevens die de proctoring software verzamelt enkel gebruikt voor het opsporen van mogelijke fraude tijdens een tentamen. Studenten worden voorgelicht over het gebruik en de werking van de proctoring software. De persoonsgegevens zullen niet langer bewaard worden dan strikt noodzakelijk. De instelling verzorgt in bijzondere gevallen alternatieven voor studenten die daar voor in aanmerking komen. Bijvoorbeeld wanneer de student niet kan beschikken over de benodigde ICT-middelen.
De ICT-coöperatie van de hogeronderwijsinstellingen SURF heeft een whitepaper, zoals genoemd in de beantwoording van vraag 2, gepubliceerd. Deze publicatie is een belangrijke handleiding voor de instellingen om proctoring conform de AVG in te kunnen zetten.
Begrijpt u de angst van studenten dat de proctorbedrijven de opgeslagen gegevens niet verwijderen en mogelijk voor andere doeleinden gebruiken of doorverkopen?
Die angst kan ik mij goed voorstellen. Het is aan de onderwijsinstellingen om die angst weg te nemen door aan te tonen dat het gebruik van de software voldoet aan de AVG en dat er goede afspraken met de proctorbedrijven zijn gemaakt die de privacyrechten van studenten borgen. Onderwijsinstellingen nemen die verantwoordelijkheid. Zie ook mijn antwoord bij vraag 4.
Mag een onderwijsinstelling voor deelname aan onderwijs of tentaminering de student vragen om aanvullende of bijzondere persoonsgegevens te verstrekken?
In mijn antwoord op de schriftelijke vragen van uw collega Futselaar (SP) over dit thema gaf ik reeds het volgende aan.
Net als bij de reguliere afname van tentamens zijn bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zoals gegevens over religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging of gezondheid af te leiden aan uiterlijke kenmerken. De webcam is gericht op de student in zijn persoonlijke leefomgeving waaruit deze bijzondere persoonsgegevens te herleiden kunnen zijn. Dit vergt een gedegen voorlichting door de onderwijsinstelling aan de student om de bewustwording te vergroten en de kans op het zien en tijdelijk opslaan van deze bijzondere persoonsgegevens te verkleinen. Als studenten niet willen dat dergelijke gegevens uit de beelden afgeleid kunnen worden, kunnen ze, voor zover mogelijk, zorgen dat de uiterlijke kenmerken die daartoe aanleiding geven niet in beeld zijn. Ook staat het hen vrij ervoor te kiezen niet deel te nemen aan deze vorm van tentaminering.
Het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens is in beginsel verboden. Het verwerken van deze persoonsgegevens is slechts toegestaan in de gevallen die AVG noemt. De AP kwalificeert camerabeelden echter niet als bijzondere persoonsgegevens indien (1) het doeleinde van de verwerking niet gericht is op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens dan wel op het onderscheid maken op grond van een bijzonder persoonsgegeven, (2) het voor de verantwoordelijke redelijkerwijs niet voorzienbaar is dat de verwerking zal leiden tot het maken van onderscheid op grond van een bijzonder persoonsgegeven, en (3) de verwerking van die bijzondere persoonsgegevens onvermijdelijk is bij die verwerking.
Mag een onderwijsinstelling een student van onderwijs of tentaminering uitsluiten als die geen toestemming verleent om aanvullende of bijzondere persoonsgegevens te verstrekken?
Proctoring wordt ingezet als er geen andere geschikte vormen van toetsing voor handen zijn. Dit geldt met name voor tentamens die zijn gericht op het toetsen van kennis. In veel gevallen zijn deze kennistoetsen gebaseerd op een digitaal systeem zoals een databank van tentamenvragen. Dit type tentaminering is fraudegevoelig. Proctoring is hiervoor een belangrijke oplossing.
Een onderwijsinstelling moet een alternatieve vorm van toetsing aanbieden als een student ervoor kiest niet deel te nemen aan deze vorm van tentaminering. Alternatieve vormen van toetsing zoals digitale toetsing op de campus met behulp van menselijke surveillance, kunnen door de coronacrisis op dit moment niet plaatsvinden. Hierdoor kunnen onderwijsinstellingen niet uitsluiten dat er studievertraging optreedt bij de keuze voor een alternatieve vorm van tentaminering.
Deelt u de opvatting dat studenten nu geen eerlijke afweging kunnen maken bij het gebruiken van deze software, aangezien studenten immers aangeven koste wat kost hun vakken te willen halen om geen studievertraging oplopen en zij zich gedwongen voelen om in te stemmen met de gestelde voorwaarden en deze software te accepteren?
Naast online proctoring bieden de onderwijsinstelling andere, minder ingrijpende, toetsvormen aan zoals openboektentamens en inleveropdrachten. In bepaalde gevallen is geen alternatieve toetsvorm mogelijk. In die gevallen wordt online proctoring ingezet om studenten geen studievertraging te laten oplopen. Daarbij voorziet de onderwijsinstelling in bijzondere gevallen in een alternatief voor studenten die daarvoor in aanmerking komen. Studenten die geen gebruik willen maken van online proctoring kunnen er ook voor kiezen te wachten tot de beperkende maatregelen van de Covid-19 crisis zijn opgeheven en fysieke toetsing weer mogelijk is.
Bent u bereid om in uw overleg met de onderwijskoepels en studentenorganisaties adequate bescherming van de privacy van studenten – ook in crisistijd – aan de orde te stellen, waarbij studenten de suggestie doen om te werken met open boek examens, alternatieve opdrachten of het schrijven van essays?
In mijn regelmatige overleg met onderwijskoepels en studentvertegenwoordigers spreken wij over het voorkomen van studievertraging en de privacy van studenten. Voor de instelling is de bescherming van privacy van studenten, ook in crisistijd, essentieel. De instellingen maken gebruik van diverse toetsvormen, waaronder de door u genoemde vormen. Echter, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 7 en 8, is de inzet van online proctoring in bepaalde gevallen de enige geschikte toetsvorm.
Bent u bereid te onderzoeken of het desnoods mogelijk is om hogescholen en universiteiten in de rest van het academisch jaar alleen voor tentaminering beperkt te openen, of als alternatief voor tentaminering door middel van proctoring?
Samen met de onderwijsinstellingen onderzoeken we maatregelen om het onderwijs en de examinering zo veel mogelijk doorgang te laten vinden, binnen de grenzen van wat gegeven de crisis veilig kan worden geacht. In het geval van deze specifieke tentamens gaat het vaak om grote groepen studenten, wat een groot beslag legt op het openbaar vervoer. Daarom laat het kabinet de ministeries OCW en IenW nu samen verkennen of en onder welke voorwaarden er een lichte versoepeling van maatregelen voor het hoger onderwijs kan komen, zodat tentaminering, voor zover dat online niet afdoende kan, weer op de instelling zou kunnen plaatsvinden.
Het bericht ‘VU blundert er op los met loting opleiding geneeskunde: “het gaat om onze toekomst”’. |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «VU blundert er op los met loting opleiding geneeskunde: «het gaat om onze toekomst»»?1
Ja.
Wat is er precies gebeurd bij de loting bij de studie Geneeskunde en wat is er precies fout gegaan? Heeft de Vrije Universiteit (VU) gebruik gemaakt van de extra mogelijkheden die er nu zijn om tot een alternatieve selectieprocedure te komen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Door de overheidsmaatregelen met betrekking tot COVID-19 kon de tweede ronde van de selectieprocedure bij de VU geen doorgang vinden. De VU heeft ter vervanging van deze toetsdag een aanvullende alternatieve selectieprocedure gebruikt waarbij een deel van de kandidaten (37%) op basis van gewogen loting is gerankt.
Kort voordat de definitieve ranglijst moest worden aangeleverd, ontstond bij de VU twijfel of OCW akkoord zou gaan met deze alternatieve selectieprocedure. Dit nadat OCW in een andere casus een vorm van loting had afgekeurd. Daarop heeft de VU zelf besloten over te gaan op een andere alternatieve methode zonder loting.
Onder deze tijdsdruk zijn de ranglijsten van beide methoden verwisseld. De ranglijst in Studielink is gebaseerd op het eerste alternatief. De toelichtingsbrief aan studenten is uitgegaan van de nieuwe selectiemethode. Dit betekent dat ongeveer 50 aspirant--studenten in Studielink een laag, niet plaatsbaar rangnummer kregen toegewezen, terwijl zij in de brief van de VU werden geïnformeerd over een hoger en plaatsbaar rangnummer. Op basis van de VU regeling voor selectie en plaatsing is de ranglijst in Studielink leidend.
Wat betekent de toezegging van de Vrije Universiteit «dat er voor elke scholier een passende oplossing zal worden gezocht»? Deelt u de mening dat juist voor een studie als Geneeskunde, waar grote behoefte aan is op de arbeidsmarkt, foutief geïnformeerde scholieren alsnog toegang zouden moeten krijgen tot deze opleiding?
De VU spant zich in om de 50 aspirant-studenten alsnog toe te laten tot de opleiding Geneeskunde. De VU wil daartoe de opleidingscapaciteit voor de bacheloropleiding Geneeskunde dit jaar eenmalig verhogen met 50 plaatsen. Daartoe heeft de VU inmiddels schriftelijk een verzoek om toestemming bij mij ingediend. Gezien de uitzonderlijke omstandigheden en in het belang van de 50 aspirant-studenten heb ik besloten toestemming te geven voor deze eenmalige ophoging van de opleidingscapaciteit.
Herinnert u zich het nieuwe servicedocument «Hoger Onderwijs – Aanpak Coronavirus COVID-19» van 9 april 2020, op basis waarvan de instroom in een numerus fixus opleiding dit jaar hoger mag zijn, omdat (internationale) studenten vanwege COVID-19 vaker hun aanmelding weer intrekken? Ziet de Minister in dat licht mogelijkheden om deze studenten in de regeling mee te nemen? Welke (andere) stappen zet de Minister om deze studenten alsnog toe te laten en om daarnaast ook in de toekomst structureel capaciteit voor studies die opleiden voor tekortsectoren te vergroten?
Het klopt dat in het Servicedocument Hoger Onderwijs de mogelijkheid is geboden om vooruitlopend op de Wet Taal en Toegankelijkheid voor een numerus fisxusopleiding nu alvast meer opleidingsplaatsen uit te schrijven dan de maximale onderwijscapaciteit. Daarmee biedt dit een mogelijkheid voor de VU om eenmalig extra onderwijsplaatsen uit te schrijven en die ook in te zetten voor deze groep van 50 aspirant-studenten. Daarnaast kunnen van deze 50 aspirant-studenten mogelijk ook enkelen geplaatst worden bij de reguliere naplaatsing voor de opleiding.
Voor de structurele capaciteit van de opleiding Geneeskunde baseert het kabinet zich onder meer op de ramingen van het Capaciteitsorgaan dat de toekomstig benodigde capaciteit aan professionals in de zorg en de daarvoor benodigde instroom in de zorgopleidingen onderzoekt. Daarnaast is één van de ambities uit de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek een betere aansluiting tussen het onderwijs en de vraag op de arbeidsmarkt. Daartoe wordt onder meer de strategische samenwerking door middel van sectorplannen of sectorale verkenningen krachtig voortgezet. Zo wordt er in het hbo dit jaar gewerkt aan een sectorplan zorg.
Kunt u ervoor zorgen dat voor de betreffende studenten spoedig een oplossing wordt gevonden, zodat zij ook in deze bijzondere tijd zich goed kunnen voorbereiden op hun aanstaande studie?
Zoals gezegd, spant de VU zich in om zo spoedig mogelijk een oplossing te vinden voor deze aspirant-studenten. Daartoe heeft de VU mij om toestemming gevraagd voor een eenmalige ophoging van de opleidingscapaciteit, zodat deze aspirant-studenten alsnog kunnen worden toegelaten tot de bachelor Geneeskunde aan de VU. Ik ben van mening dat de aspirant-studenten in geen geval de dupe mogen worden van deze uitzonderlijke situatie en daarom heb ik de VU toestemming gegeven voor deze eenmalige ophoging.
Het bijgesteld advies van het Capaciteitsorgaan ‘Capaciteitsplan 2011-2024’ en de opleidingscapaciteit van tandartsen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Is het juist dat het Capaciteitsorgaan een bijgesteld advies heeft uitgebracht voor Medische en Tandheelkundige Vervolgopleidingen, omdat het Centraal Bureau voor de Statistiek in zijn nieuwe Kernprognose bevolking 2019–2060 een extra bevolkingstoename van ruim 900.000 heeft geraamd?1
Vindt u deze ramingen adequaat?
Bent u bereid dit advies over te nemen met name ook met betrekking tot de jaarlijkse instroom van studenten geneeskunde en de instroom te handhaven op 2900 en deze niet te verlagen naar 2700 studenten?
Wilt u ook het advies overnemen om bij het toekennen van opleidingsplaatsen uit te gaan van de bovenkant van de bandbreedte aan instroom dat het Capaciteitsorgaan in zijn nieuwe advies voorstelt? Zo neen, waarom niet?
Klopt het dat de huidige opleidingscapaciteit voor tandartsen 240 per jaar bedraagt?
Klopt het dat het Capaciteitsorgaan in zijn nieuwste advies pleit voor een opleidingscapaciteit voor tandartsen van 359?
Is het juist dat u de instroom van mondzorgkunde en tandheelkunde in 2021 niet wilt uitbreiden, ondanks dat het Capaciteitsorgaan aangegeven heeft dat er meer tandartsen moeten worden opgeleid om de vraag in de komende jaren aan te kunnen?2
Vindt u het wenselijk dat door het niet uitbreiden van de opleidingscapaciteit u zorgt voor een grotere tweedeling in de mondzorg, omdat een gebrek aan tandartsen en mondhygiënisten leidt tot minder goed bereikbare mondzorg voor de lagere sociaaleconomische groeperingen? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Hoe is de capaciteit van zorgopleidingen wanneer deze moet worden aangepast gerelateerd aan het budget van OCW? Hoeveel extra geld is ermee gemoeid als de capaciteit voor tandartsen wordt uitgebreid conform het voorstel van het Capaciteitsorgaan?
Bent u bereid om uw besluit te heroverwegen en alsnog de capaciteit van mondzorgkunde en tandheelkunde uit te breiden op basis van het bijgestelde advies van het Capaciteitsorgaan en in lijn met de antwoorden op Kamervragen, waaraan men de hoop kon ontlenen dat het advies zou worden overgenomen? Zo neen, waarom niet?4
De financiële situatie van studenten |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Ontvangt u ook signalen dat studenten in financiële problemen zijn gekomen vanwege de coronacrisis?
Ja, onder andere via de studentenbonden ontvang ik signalen dat daar zorgen over zijn.
Is het aantal studenten dat hiervoor geen lening had lopen bij DUO, maar daar nu wel voor heeft gekozen, afgelopen 30 dagen toegenomen? Zo ja, over welke getallen hebben we het dan?
Dagelijks doen ook normaliter gemiddeld meer dan honderd studenten een eerste aanvraag voor de studielening. De aantallen fluctueren per dag, maar ook per maand, waardoor het niet zo eenvoudig is cijfers van de afgelopen corona-periode te vergelijken met de periode daarvoor. In de beschikbare cijfers tot nu toe is er geen stijging in de aantallen zichtbaar. In de periode van 16 maart tot en met 22 april waren er gemiddeld 114 eerste aanvragen van de studielening per dag. In februari waren dit gemiddeld 165 eerste aanvragen per dag.
Met hoeveel procent is het leenbedrag van studenten afgelopen 30 dagen toegenomen, volgens de gegevens van DUO?
Het maandelijkse leenbedrag dat DUO aan studenten heeft overgemaakt was in februari € 217,8 miljoen. In maart was dit € 216,6 miljoen en in april is het € 214,4 miljoen. Er is dus geen sprake van een toename in deze bedragen. Studenten kunnen ook een leenbedrag aanvragen met terugwerkende kracht. De betalingen van deze bedragen staan los van de maandbetalingen en worden wekelijks door DUO uitgevoerd. De leenbedragen met terugwerkende kracht zijn wel wat gestegen in de corona-periode. In de eerste vijf weken van de corona-periode ging het om € 8,6 miljoen waar het in de vijf weken daarvoor ging om € 8,1 miljoen.
Kunt u zich voorstellen dat de coronacrisis een grote financiële strop kan betekenen voor studenten die net niet in aanmerking komen voor een aanvullende beurs, maar waarvan de ouders financieel niet kunnen bijspringen?
Ik kan mij voorstellen dat sommige ouders meer mogelijkheden hebben om bij te springen dan anderen. Alle studenten beschikken vanuit de studiefinanciering wel over dezelfde financiële middelen. De aanvullende beurs en de leenruimte zijn namelijk communicerende vaten. Een student die net niet in aanmerking komt voor de aanvullende beurs kan net zoveel geld ontvangen van DUO als iemand met een maximale aanvullende beurs. Het bedrag van de aanvullende beurs kan in dat geval namelijk geleend worden. Dit kan resulteren in een hogere studieschuld, maar hoeft niet tot problemen te leiden aangezien de terugbetaalvoorwaarden zeer sociaal zijn.
Kunt u een overzicht met de Kamer delen van de verschillende inkomensgroepen van ouders met studerende kinderen in het hoger onderwijs? Wat is het gemiddelde gezinsinkomen van studenten in het hoger onderwijs? Hoe groot is het aandeel van studenten met ouders met een gezinsinkomen van tenminste drie keer modaal (>€ 108.000 p.j.), tenminste tweeënhalf keer modaal (>€ 90.000 p.j.), tenminste twee keer modaal (>€ 72.000 p.j.), tenminste anderhalf keer modaal (>€ 54.000 p.j.), tenminste een keer modaal (>€ 36.000 p.j.) en minder dan een keer modaal (<€ 36.000 p.j.)?
ResearchNed heeft deze gegevens kunnen verzamelen door een bestandkoppeling met DUO-data en CBS-gegevens. De analyse is uitgevoerd op studenten uit 2018/2019 en inkomens uit 2017 omdat recentere inkomensgegevens niet voorhanden waren. Het gemiddelde gezinsinkomen in het hoger onderwijs is ongeveer € 89 duizend. Onderstaande tabel laat de verdeling zien naar de gevraagde inkomensklassen.
Tenminste drie keer modaal
18%
Tenminste tweeënhalf keer modaal
9%
Tenminste twee keer modaal
14%
Tenminste anderhalf keer modaal
16%
Tenminste één keer modaal
13%
Minder dan één keer modaal
15%
Inkomen onbekend
15%
Zijn voornoemde inkomensgegevens ook bekend voor studerende kinderen in het middelbaar beroepsonderwijs of kunt u daarvan een inschatting met de Kamer delen?
Het gemiddelde gezinsinkomen in het middelbaar beroepsonderwijs is ongeveer € 57 duizend. Onderstaande tabel laat de verdeling zien naar de gevraagde inkomensklassen.
Tenminste drie keer modaal
7%
Tenminste tweeënhalf keer modaal
5%
Tenminste twee keer modaal
11%
Tenminste anderhalf keer modaal
20%
Tenminste één keer modaal
23%
Minder dan één keer modaal
30%
Inkomen onbekend
4%
Zijn er gegevens bekend van het gemiddelde aantal kinderen per gezinssituatie dat gelijktijdig studeert? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Dit gegeven is bij DUO niet voor alle studenten beschikbaar. DUO heeft alleen gegevens over aantallen kinderen in het gezin wanneer er sprake is van een aanvullende beurs, omdat het aantal kinderen per gezin bepalend is bij de berekening daarvan. Uit deze gegevens blijkt dat er gemiddeld sprake is van 1,17 studerende kinderen per gezin.
Zijn er gegevens bekend van het gemiddelde vermogen van ouders van studerende kinderen? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Nee, deze gegevens zijn mij niet bekend. Het vermogen van ouders heeft geen directe invloed op de studiefinancieringsbedragen en zijn derhalve ook niet bij DUO bekend.
Wat is, naar benadering, de omvang van de verschillende opleidings- en ontwikkelingsfondsen? Hoe groot zijn de reserves van deze fondsen?
Opleidings- en ontwikkelingsfondsen vallen onder de zogenoemde cao-fondsen, waarin werkgevers- en werknemersorganisaties door premieheffing middelen reserveren voor verschillende doelen. De rapportage van het Ministerie van SZW, CAO afspraken 2018, geeft een beeld van baten, lasten en reserves van 75 algemeen verbindend verklaarde cao-fondsen, op basis van de financiële jaarverslagen over 2017. In 2017 waren de baten van de onderzochte fondsen € 355,4 miljoen, voornamelijk uit premieheffing. De lasten bedroegen € 339,8 miljoen, waarvan 34% uitgaven aan opleiding en ontwikkeling betrof. Andere uitgaven zijn gericht op verbeteren werkgelegenheid, arbeidsomstandigheden en cao gerelateerde uitgaven. De reserves van de onderzochte fondsen bedroegen eind 2017 in totaal € 473,6 miljoen, waarvan ruim driekwart valt onder 11 van de 75 fondsen. Reserves zijn nodig voor periodes waarin geen premies worden ontvangen, maar wel vaste lasten en activiteiten moeten worden gefinancierd.
Kunt u een overzicht delen met de Kamer over het gemiddelde totale leenbedrag van studenten gecategoriseerd op basis van het inkomen van hun ouders? Zijn er grote verschillen in het te lenen bedrag tussen studenten wiens ouders één of twee keer modaal verdienen en studenten wiens ouders drie keer modaal of meer verdienen?
In onderstaande tabel zijn de jaarbedragen van lenende studenten opgenomen, uitgesplitst naar de inkomensklassen die ook bij de vijfde en zesde vraag zijn gebruikt. Uit deze gegevens blijkt dat hoe hoger het gezinsinkomen is, hoe meer gemiddeld door de student geleend wordt. Voor een groot deel wordt dit verklaard doordat in gezinnen met hogere inkomens relatief meer studenten uit het hoger onderwijs aanwezig zijn, die gemiddeld meer lenen dan studenten uit het middelbaar beroepsonderwijs. Volledigheidshalve, studenten uit gezinnen met lagere inkomens lenen wel vaker, dan uit gezinnen met hogere inkomens, maar lagere bedragen. Als beiden worden gecombineerd (hoe vaak geleend wordt en hoeveel geleend wordt) lenen studenten uit hogere en lagere inkomens ongeveer evenveel.
Tenminste drie keer modaal
6.864
Tenminste tweeënhalf keer modaal
6.602
Tenminste twee keer modaal
6.399
Tenminste anderhalf keer modaal
6.208
Tenminste één keer modaal
5.780
Minder dan één keer modaal
5.300
Inkomen onbekend
5.840
Kunt u de toekenningssystematiek van de aanvullende beurs met de Kamer delen, op basis waarvan beoordeeld wordt tot welk gezinsinkomen je als student in aanmerking komt voor een volledige aanvullende beurs en de afbouw hiervan?
De aanvullende beurs wordt berekend op basis van het verzamelinkomen van de ouders van twee jaar geleden (bij grote wijzigingen in het inkomen kan op verzoek naar recentere gegevens worden gekeken). Ook wordt rekening gehouden met het aantal schoolgaande of studerende kinderen in een gezin en met een eventuele studieschuld van de ouders. De maximale hoogte van de aanvullende beurs bedraagt in het hoger onderwijs 403,17 euro per maand. In het middelbaar beroepsonderwijs is dat 371,10 euro per maand. Naarmate het inkomen toeneemt, neemt de hoogte van de aanvullende beurs af. De aanvullende beurs is in het hoger onderwijs maximaal tot een verzamelinkomen van bijna 33.000 euro. Vanaf een inkomen van ruim 51.000 euro is er geen recht meer op de aanvullende beurs. Deze grenzen gelden in een situatie van één studerend kind, geen andere kinderen, twee ouders en geen aanwezige studieschuld bij de ouders. In artikelen 3.8 tot en met 3.13 van de Wet Studiefinanciering 2000 wordt in detail beschreven hoe de veronderstelde ouderlijke bijdrage en de aanvullende beurs worden berekend. In de grafiek hieronder zijn een aantal voorbeelden getoond. Het betreffen voorbeelden van de hoogte van de aanvullende beurs naar inkomen van studenten in het hoger onderwijs. In de basis is sprake van één studerend kind. Daarnaast worden voorbeelden getoond voor de situatie met twee studerende kinderen en voor één studerend kind en een niet-studerend kind.
Kunt u een overzicht delen met de Kamer over de studieduur van studenten in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs? Dat wil zeggen, wat is het aandeel van studenten dat vier, vijf of zes (et cetera) jaar over de studie doet?
Om dit inzichtelijk te maken is van instroomcohort 2011/2012 de groep studenten genomen waarvan inmiddels bekend is dat zij een diploma hebben gehaald. Deze groep is uitgesplitst naar het aantal jaren dat zij erover hebben gedaan om het diploma te halen. Onderstaande tabellen geven deze informatie voor respectievelijk studenten die een voltijd bol opleiding hebben gedaan en studenten die een opleiding in het hoger onderwijs hebben gevolgd.
1 jaar
12%
2 jaar
29%
3 jaar
31%
4 jaar
23%
5 jaar
4%
>5 jaar
1%
<3 jaar
4%
4 jaar
30%
5 jaar
26%
6 jaar
19%
7 jaar
13%
8 jaar
8%
Kunt u bovenstaande vragen één voor één uiterlijk op maandag 20 april beantwoorden?
Helaas is het niet gelukt deze vragen uiterlijk 20 april te beantwoorden.
Het bericht dat universiteiten met surveillance-software studenten thuis in de gaten houden |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Hoe gaan we toetsen (en mag Big Brother ook meekijken?)»?1
Hogescholen en universiteiten werken met man en macht aan het organiseren van onderwijs op afstand. Het uitgangspunt hierbij is dat studenten zo min mogelijk vertraging oplopen. Er zijn in korte tijd enorme stappen gezet op het gebied van onderwijsinnovatie met ICT. Toetsen op afstand is één van de grootste uitdagingen voor onderwijsinstellingen. In een online werkbezoek aan SURF – de ICT-coöperatie van de hoger onderwijsinstellingen – en het Versnellingsplan onderwijsinnovatie met ICT, liet ik mij onder andere informeren over de mogelijkheden en uitdagingen van toetsen op afstand. Onderwijsinstellingen dienen een grondige afweging te maken in de wijze van tentamineren, die zoveel mogelijk past bij de tentamenstof. Ik ben bekend met de mogelijkheden die online proctoring (software om toegang te krijgen tot online tentamens en fraude op te kunnen sporen bij online tentamens) biedt. Die mogelijkheden zijn groot. Het gaat hier om technologie die de potentie biedt om toetsing en examinering op afstand mogelijk te maken. Een middel dat we in de huidige crisis hard nodig kunnen hebben. Echter, deze techniek wordt tot nu toe op relatief kleine schaal in pilots toegepast. De huidige crisis vraagt om grootschalige oplossingen in zeer korte tijd. De keuze voor een vorm van toetsen op afstand moet ondanks die tijdsdruk doordacht gebeuren. De inzet van een technologie als online proctoring vraagt een grondige voorbereiding en uitvoering, juist ook om de privacy van studenten te borgen.
Is bij u bekend hoeveel opleidingen gebruik maken of van plan zijn gebruik te maken van surveillance-software en in hoeverre is hier landelijk overleg over, bijvoorbeeld binnen de VSNU?2
Van de hogeronderwijsinstellingen begrijp ik dat zij ter vervanging van de gebruikelijke tentamens op de campus, zich in eerste instantie wenden tot toetsvormen als openboektentamens of inleveropdrachten. Voor die tentamens waar dat echt niet mogelijk is, wordt gekeken of online proctoring een oplossing kan bieden. Dit gebeurt in overleg met examencommissies en functionarissen voor gegevensbescherming. In veel gevallen gaat het dan om kennistoetsen die gebaseerd zijn op een digitaal systeem.
Veel hogescholen en universiteiten – de meerderheid – zijn middels pilots bezig met online proctoring. Een kleiner aantal instellingen, waaronder NHL Stenden, zet online proctoring – na een zorgvuldige afweging – op grotere schaal in.
Op diverse plekken wordt kennis en ervaring over online proctoring gedeeld. Zo heeft SURF een zogenoemde Special Interest Group over digitaal toetsen. Zij organiseren webinars om hun kennis te delen met onderwijsinstellingen.
Ook de VSNU voert landelijk overleg over digitaal toetsen. Het Landelijk Overleg Kwaliteitszorgmedewerkers (LOK) heeft een Landelijke Werkgroep Tentamineren ingericht die zich bezig houdt met de vragen rondom digitaal toetsen, inclusief online proctoring. Daarnaast overleggen de functionarissen voor gegevensbescherming van hogescholen en universiteiten met elkaar over dit type technologische ontwikkelingen.
Op welke wijze is de privacy van studenten voldoende gewaarborgd mocht dergelijke surveillance-software gebruikt gaan worden op universiteiten? In hoeverre is het gebruik van deze software in strijd met de AVG3 en zijn er richtlijnen voor het gebruik van dergelijke software in het hoger onderwijs?
Bij het gebruik van online proctoring verwerken onderwijsinstellingen (beeld, geluid en andere) gegevens van studenten. Op deze verwerkingen van persoonsgegevens is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. De AVG verplicht – kort gezegd – om persoonsgegevens op een behoorlijke en rechtmatige wijze te verwerken. Deze verantwoordelijkheid rust in dit geval op de onderwijsinstelling. De onderwijsinstelling moet kunnen aantonen dat de wijze waarop deze online proctoring toepast bij het afnemen van toetsen, in lijn is met de verplichtingen uit de AVG, in het bijzonder met de beginselen van rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie, doelbinding, minimale gegevensverwerking, juistheid, opslagbeperking en integriteit en vertrouwelijkheid. De Autoriteit persoonsgegevens (AP) houdt toezicht op de naleving van de AVG.
Hogeronderwijsinstellingen verzekeren mij dat de gekozen software en haar leveranciers voldoen aan de AVG. Zo worden de persoonsgegevens die de proctoring software verzamelt enkel gebruikt voor het opsporen van mogelijke fraude tijdens een tentamen. Studenten worden voorgelicht over het gebruik en de werking van de proctoring software, bijvoorbeeld middels een privacyverklaring. De persoonsgegevens zullen niet langer bewaard worden dan strikt noodzakelijk. De instelling verzorgt in bijzondere gevallen alternatieven voor studenten die daar voor in aanmerking komen. Bijvoorbeeld wanneer de student niet kan beschikken over de benodigde ICT-middelen.
SURF heeft begin april het rapport «privacy analyse online proctoring» gepubliceerd. Daarin zijn de drie voornaamste aanbieders op tien belangrijke AVG-aspecten beoordeeld. Deze handreiking biedt onderwijsinstellingen concrete handvatten om deze verwerkers in te zetten, op een manier die in overeenstemming is met de AVG.4
Klopt het dat de surveillance-software toegang heeft tot de webcam, microfoon, locatie, identiteit, klembord, muislocatie, browser, Windowns, hoofd-, oog- en mondbewegingen, je scherm, alle websites die je bezoekt en alle openstaande applicaties en schermen die met je computer verbonden zijn? Zo ja, is dit wettelijk toegestaan en wat wordt er na afronding van een tentamen met de beelden en andere informatie gedaan?
Surveillance-software is bedoeld om fraude tijdens tentamens op te sporen. Frauderen kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door online informatie op te zoeken of het gebruik van een ouderwetse spiekbrief. De software let hier op, net als een surveillant normaal gesproken zou doen. Afhankelijk van de gebruikte software worden verschillende soorten persoonsgegevens verzameld. Hiervoor geldt dat er niet meer gegevens mogen worden verzameld dan nodig zijn om toegang te verstrekken tot het tentamen en fraude tijdens het tentamen op te sporen. Daarnaast geldt dat persoonsgegevens niet langer bewaard mogen worden dan nodig is voor deze doelen.
De AVG staat niet in de weg van het gebruik van surveillance-software, mits de toepassing daarvan in lijn is met alle wettelijke vereisten (zie het antwoord bij vraag 2).
In hoeverre worden zogeheten «bijzondere gegevens» geregistreerd? Deelt u de mening dat het opslaan van gegevens over religie, politieke voorkeur, gezondheid en etniciteit van een persoon bij het maken van een tentamen niet mogelijk moet zijn?
Net als bij de reguliere afname van tentamens zijn bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zoals gegevens over religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging of gezondheid af te leiden aan uiterlijke kenmerken. De webcam is gericht op de student in zijn persoonlijke leefomgeving waaruit deze bijzondere persoonsgegevens te herleiden kunnen zijn. Dit vergt een gedegen voorlichting door de onderwijsinstelling aan de student om de bewustwording te vergroten en de kans op het zien en tijdelijk opslaan van deze bijzondere persoonsgegevens te verkleinen. Als studenten niet willen dat dergelijke gegevens uit de beelden afgeleid kunnen worden, kunnen ze, voor zover mogelijk, zorgen dat de uiterlijke kenmerken die daartoe aanleiding geven niet in beeld zijn. Ook staat het hen vrij ervoor te kiezen niet deel te nemen aan deze vorm van tentaminering.
Het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens is in beginsel verboden. Het verwerken van deze persoonsgegevens is slechts toegestaan in de gevallen die AVG noemt. De AP kwalificeert camerabeelden echter niet als bijzondere persoonsgegevens indien (1) het doeleinde van de verwerking niet gericht is op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens dan wel op het onderscheid maken op grond van een bijzonder persoonsgegeven, (2) het voor de verantwoordelijke redelijkerwijs niet voorzienbaar is dat de verwerking zal leiden tot het maken van onderscheid op grond van een bijzonder persoonsgegeven, en (3) de verwerking van die bijzondere persoonsgegevens onvermijdelijk is bij die verwerking.
Kunnen universiteiten en hogescholen de OER4 aanpassen zonder de medezeggenschap te betrekken? Zo nee, gaat u de Universiteit Leiden hierop aanspreken? Kunt u dit toelichten?
De onderwijs- en examenregeling (OER) wordt vastgesteld door de instelling. Bij een wijziging van de OER wordt de medezeggenschap (opleidingscommissie en faculteitsraad) betrokken. De medezeggenschap heeft zowel instemmingsrecht – met betrekking tot de niet-onderwijsinhoudelijke delen – als adviesrecht ten aanzien van de OER. Ook in deze uitzonderlijke tijden moet de medezeggenschap binnen instellingen goed betrokken blijven. Ik ga er hierbij van uit dat de medezeggenschap aanpassingsvermogen toont, zich daar waar nodig flexibel opstelt en in gesprek gaat met de instelling om gezamenlijk tot passende werkafspraken te komen. Vertegenwoordigers van werknemers hebben mij in een bestuurlijk overleg toegezegd zich ten aanzien van de procedures flexibel op te stellen.
Bij navraag heeft de Universiteit Leiden aangegeven dat uit de bestaande OER reeds volgt dat het gebruik van proctoring is toegestaan en dat – nu de OER niet hoeft te worden aangepast – er dus geen sprake is van aanpassing van de OER. Om te garanderen dat het gebruik van de gegevens binnen de AVG past, zal de Universiteit Leiden met de leveranciers van proctoringsoftware een contract afsluiten – een data protection agreement – waarmee wordt gegarandeerd dat het gebruik van de gegevens binnen de AVG past. Ook komt er een duidelijke privacy-verklaring voor studenten en docenten.
Is een OER dat is vastgesteld zonder inspraak van de medezeggenschap juridisch houdbaar?
Het is van cruciaal belang dat instellingen juist in deze bijzondere tijden goed bestuurd kunnen worden en ik verwacht dat flexibiliteit bij iedereen voorop staat. Waar nodig kunnen instellingen naar eigen inzicht de OER aanpassen, uiteraard met inachtneming van de rol van de medezeggenschap. Indien de continuïteit van het onderwijs en de examinering dit vereist, kan de medezeggenschap ook achteraf worden betrokken. Ook in een dergelijk geval spant de instelling zich in om te zorgen dat de medezeggenschap, zij het achteraf, haar rol kan vervullen.
De gevolgen van de coronacrisis voor studenten |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Herkent u de onduidelijkheid voor studenten als het gaat om de definitie van een huishouden en bijbehorende adviezen, zoals het «met het hele gezin in quarantaine gaan» indien iemand ziek wordt? Bent u bereid duidelijk te maken wat dit betekent voor studentenhuizen waar meerdere, soms meer dan tien, studenten samenwonen?
Ik begrijp dat er vragen zijn als het gaat om samenwonende studenten. Deze vragen gaan voor een deel over de betekenis en de uitleg van de RIVM-richtlijnen en betreffen het beleidsterrein van mijn ambtsgenoot van het Ministerie van VWS. Voor een deel betreft het ook de wijze waarop de voorzitter van de veiligheidsregio en lokale bestuurders de noodverordening die voor de betreffende veiligheidsregio is vastgesteld, lokaal handhaven.
In zijn algemeenheid geldt dat studentenhuizen in de noodverordening niet worden aangemerkt als een gezamenlijk huishouden. Dat betekent dat ook samenwonende studenten die zich in de publieke ruimte niet aan de noodverordening houden, hiervoor een boete kunnen krijgen. Geen boetes kunnen worden opgelegd aan samenwonende studenten die in de private ruimte geen 1,5 meter afstand tot elkaar houden.
In de noodverordening is opgenomen dat het verbod om zich in een groep van drie of meer personen op te houden zonder tot de dichtstbijzijnde persoon in die groep en andere personen een afstand te houden van ten minste 1,5 meter, niet geldt voor gezamenlijke huishoudens. Een gezamenlijke huishouding is in de model-noodverordening gedefinieerd als «de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel en ouders, grootouders en kinderen, voor zover zij op één adres woonachtig zijn». De uitzondering voor gezinnen en huishoudens om wel als groep binnen 1,5 m afstand buiten te mogen zijn is daardoor niet van toepassing op studentenhuizen.
Wat niet bij noodverordening is vastgesteld maar wel geldt als een dringend advies, is dat huisgenoten wordt geadviseerd om niet naar buiten te gaan (thuisquarantaine toe te passen) als een huisgenoot symptomen heeft die passen bij COVID-19.
Op de website van de rijksoverheid is uitgebreidere informatie beschikbaar: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19/openbaar-en-dagelijks-leven/aanpak/groepsvorming-en-samenscholingsverbod
Deelt u het belang dat studenten zoveel als mogelijk duidelijkheid moet worden geboden over waar zij op kunnen rekenen indien de coronacrisis resulteert in studievertraging en de (financiële) gevolgen daarvan? Zo ja, bent u bereid nader toe te lichten hoe u vindt dat de Dienst Uitvoering Onderwijs om moet gaan met verzoeken met betrekking tot het uitstellen van college- en lesgeld en het al dan niet vasthouden aan afstudeertermijnen?
Ja, ik vind het heel belangrijk dat studenten weten waar ze in deze tijden aan toe zijn. Overigens is nog niet goed te zeggen of en in welke mate de coronacrisis leidt tot studievertraging, want instellingen zijn hard aan de slag om onderwijs zoveel mogelijk doorgang te laten vinden, in aangepaste vorm. Studenten die in tijden van corona financiële moeilijkheden ervaren, kunnen collegegeldkrediet aanvragen of hun lening verhogen. Dat kan ook met terugwerkende kracht tot het begin van het studiejaar. Mocht dat niet afdoende zijn, dan kunnen ze met DUO contact opnemen om te vragen naar de mogelijkheden. Daarnaast betracht DUO gepaste coulance als studenten hun lesgeld niet op tijd kunnen betalen, door bijvoorbeeld betalingsregelingen aan te bieden of te verlengen.
Normaal gesproken moeten studenten binnen tien jaar na aanvang een diploma hebben behaald, zodat de prestatiebeurs wordt omgezet in een gift. Studenten die ondanks de inzet van instellingen deze termijn als gevolg van de coronamaatregelendreigen te overschrijden kunnen contact opnemen met DUO.
Ook is de maximale duur van het reisrecht voor studenten in het hoger onderwijs met 3 maanden verlengd. In aanvulling hierop ga ik, mede naar aanleiding van de motie Jetten/Heerma (Kamerstuk 25 295-284), de gevolgen voor studenten van de coronacrisis in beeld brengen.
Hoe duidt u het feit dat studenten wiens (praktijk)onderwijs en eventuele vergoedingen daaruit zijn weggevallen, ook in deze crisistijd geen recht hebben op de bijstand omdat zij staan ingeschreven bij een onderwijsinstelling? Erkent u dat het wrang is dat deze groep studenten daarmee geen andere keuze wordt gelaten dan (extra) financiële schulden aan te gaan? Zo ja, bent u bereid hier iets aan te doen? Zo nee, waarom niet?
Ik kan me goed voorstellen dat studenten die in deze crisistijden tijdelijk inkomsten verliezen, zich daar zorgen om maken. Daarom kunnen ze een beroep doen op studiefinanciering. Het is nu nog niet te overzien hoe lang de genomen maatregelen om corona te bestrijden gelden en wat daar de gevolgen van zijn. Ik houd dit scherp in de gaten en blijf hierover in gesprek met de studenten- en jongerenorganisaties.
Verder wijs ik erop dat de situatie van studenten die de Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) volgen, verschilt van die van studenten die de Beroeps Opleidende Leerweg (BOL) volgen of voltijd in het hoger onderwijs studeren. BBL-studenten werken vier dagen en gaan één dag per week naar school. Zij zijn over het algemeen in dienst van een werkgever. Met de Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) is een voorziening gecreëerd om werkgevers in staat te stellen de lonen van hun personeel te kunnen blijven betalen. De overheid probeert daarmee zoveel mogelijk te voorkomen dat werknemers, waaronder dus ook BBL-studenten kunnen vallen, hun inkomen verliezen.
In de Participatiewet is bepaald dat personen jonger dan 18 jaar zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand. Dit geldt ook voor personen van 18 tot 27 jaar als ze bekostigd onderwijs kunnen volgen én daarmee aanspraak maken op studiefinanciering. Een BBL-student heeft echter geen recht op studiefinanciering en valt daarom formeel niet onder de bovengenoemde uitsluitingsbepaling van de Participatiewet, ook al staat de BBL-student formeel nog ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Wanneer de arbeidsovereenkomst van de BBL-student onverhoopt beëindigd wordt, geldt dat het aan de gemeente is om te beoordelen of de student recht op (aanvullende) algemene bijstand heeft.
Erkent u dat de huidige profileringsfondsen niet zijn berekend op de (mogelijke) toename van aanvragen van studenten als gevolg van de coronacrisis? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten? Zo nee, waarom niet?
Het profileringsfonds is een voorziening waarmee instellingen individuele studenten in overmachtssituaties financieel kunnen ondersteunen indien zij door bijzondere omstandigheden zoals ziekte, zwangerschap, functiebeperking of mantelzorg studievertraging (zullen gaan) oplopen. Het profileringsfonds is voor deze gevallen een open-einderegeling. Elke student die een aanvraag doet en naar het oordeel van de instelling aan de voorwaarden voldoet, heeft recht op ondersteuning. Tot op heden is gebleken dat het door instellingen jaarlijks begrote budget meer dan toereikend is voor deze individuele gevallen.
Er zullen studenten zijn die bijvoorbeeld ziek worden door corona of mantelzorg moeten verlenen en hierdoor studievertraging (zullen gaan) oplopen. Voor deze studenten is er – indien zij aan de overige voorwaarden voldoen – een aanspraak op het profileringsfonds. Hoe groot deze groep precies is valt op dit moment niet te voorzien, de situatie kan voorts ook per instelling of regio verschillen. Omdat het profileringsfonds voor overmachtssituaties een open- einde-regeling is, kan dit betekenen dat sommige instellingen meer dan het door hen begrote budget aan het profileringsfonds moeten besteden. Met de instellingen maak ik afspraken over het monitoren van de financiële ondersteuning uit het profileringsfonds aan studenten voor corona gerelateerde bijzondere omstandigheden.
Voor meer informatie over aanspraak op het profileringsfonds verwijs ik naar het servicedocument hoger onderwijs.
Klopt het dat (hoger)onderwijsinstellingen deels zelfstandig opereren in zaken zoals wel of geen fysiek onderwijs gedurende de sluitingsperiode alsook dat sommige instellingen nu al aangeven tot zeker 1 juni a.s. gesloten te blijven waar andere vooralsnog vasthouden aan 28 april a.s.? Hoe duidt u het bestaan van deze verschillen, ook in het kader van de wenselijke duidelijkheid voor studenten?
Het klopt dat instellingen eigen keuzes maken in de wijze waarop de kabinetsmaatregelen aan de individuele instelling worden uitgevoerd. Het servicedocument voor het ho geeft hier ook de ruimte voor. In de noodverordening is vastgelegd dat er geen onderwijsactiviteiten op de instellingen plaatsvinden. Onder onderwijsactiviteiten wordt niet verstaan de verdediging van scripties en promoties in kleine kring (deze vinden uiteraard als mogelijk online plaats) en (eind)examenactiviteiten waarbij fysieke aanwezigheid van de student nodig is. Te allen tijde wordt rekening met de algemene instructies van RIVM en GGD gehouden, zoals voldoende afstand van elkaar. Voor de omgang met faciliteiten op de campus, zoals bibliotheken en onderzoeksruimten, kunnen instellingen zelf keuzes maken. Ook hier geldt dat die passen binnen de algemene instructies van RIVM en GGD.
Er zullen, net als in de situatie vóór de coronacrisis, altijd verschillen zijn tussen keuzes die individuele instellingen maken. Wat in verband met de duidelijkheid van studenten vooral van belang is, is dat de individuele instelling de belangen van de student, waaronder duidelijkheid en rust voor de student, goed meeweegt in de keuzes die zij maakt. Deze belangen hebben de onderwijskoepels dan ook als onderdeel van het afwegingskader voor instellingsbesturen, met elkaar afgesproken en zo zijn deze belangen vastgelegd in het servicedocument.
Er kunnen instellingen zijn die langer gesloten willen blijven dan op dit moment door kabinetsmaatregelen wordt voorgeschreven. Op het moment dat het verbod tot het geven van fysiek onderwijs zou worden opgeheven, zullen instellingen met een zeer beperkte voorbereidingstijd het regulier onderwijs weer moeten opstarten. In die situatie zal rekening gehouden moeten worden met de doorwerking van de periode waarin afstandsonderwijs moest worden gegeven. Ook wordt rekening gehouden met het belang van continuïteit in het onderwijsprogramma, met beperkingen die het gevolg kunnen zijn van nog geldende gedragsregels in verband met het coronavirus, en met eventuele beperkingen in de beschikbaarheid van het onderwijspersoneel, mede als gevolg van ziekteverzuim bij onderwijspersoneel als gevolg van de crisis. Het is daarom denkbaar dat op grond van objectieve (organisatorische en andere) redenen het niet mogelijk is de dienstverlening weer onmiddellijk, volledig en op dezelfde wijze voort te zetten.
Watverwacht u van (middelbaar en hoger)onderwijsinstellingen die bij het nieuwe schooljaar aanmeldingen krijgen van leerlingen die misschien enkele studiepunten missen als gevolg van studievertraging door de coronacrisis? Deelt u de wens om hier uniforme afspraken over te maken? Zo ja, op welke termijn zal dit beleid duidelijk worden voor instellingen en studenten? Zo nee, waarom niet?
Voor studenten die door het coronavirus nu niet in de gelegenheid zijn om hun examens en tentamens af te leggen en op tijd hun diploma te behalen dat nodig is voor de doorstroom naar het vervolgonderwijs zijn afspraken gemaakt die zijn opgenomen in de servicedocumenten mbo (d.d. 2 april) en ho (d.d. 8 april).
Wat vindt u ervan dat enkele universiteiten, waaronder de Universiteit Maastricht, momenteel werken aan noodfondsen voor internationale studenten die als gevolg van de coronacrisis in financiële problemen (dreigen te) komen1? Klopt het dat dit louter gaat om geld uit crowdfundingsacties en niet om het instellingsgeld, en hoe beziet u de publieke verantwoordelijkheid om internationale studenten die in de financiële problemen komen te hulp te schieten?
We hebben te maken met een unieke crisis van grote omvang. Dat instellingen studenten die in problemen komen proberen te steunen is begrijpelijk. Op de website van de UM staat inderdaad dat er een crowdfunding-actie is gestart voor (internationale) studenten in nood. Ook andere instellingen hebben dit initiatief genomen. De UM geeft tevens aan dat haar uitgangspunt is dat studenten die een beroep doen op het noodfonds niet in aanmerking komen voor andere, al bestaande (Nederlandse overheids-)regelingen die soelaas kunnen bieden in hun noodsituatie.
Wanneer het gaat om bedragen vanuit crowdfunding acties zijn instellingen vrij om dit te doen. Instellingen hebben diverse inkomsten die niet publiek zijn en kunnen zelf keuzes maken in hoe zij deze inzetten.
Ik ben op dit moment met de VSNU, NFU, NRTO, MBO Raad en Vereniging Hogescholen in gesprek over het inzichtelijke maken van gevolgen van Corona voor studenten en instellingen. Afspraken die ik daarover maak worden opgenomen in de servicedocumenten mbo en ho die regelmatig worden bijgewerkt.
Wat is uw reactie op het pleidooi van de Jonge Akademie voor maatregelen waarmee de positie van universitair personeel, waaronder jonge onderzoekers en promovendi, gedurende de coronacrisis beter wordt beschermd2?
De Jonge Akedamie (DJA) roept op tot solidariteit met collega’s die in deze maanden alles op alles moeten zetten om in hoog tempo nieuwe vormen van online onderwijs en toetsing te realiseren. Begrip voor collega’s die hun normale uren niet kunnen maken omdat ze hun kinderen lesgeven of andere zorgtaken vervullen. Begrip en aandacht voor internationale wetenschappers die in Nederland een wetenschappelijke carrière op willen bouwen, en nu noodgedwongen alleen thuis zitten.
Ik heb zowel van De Jonge Akademie, als van de VSNU, NWO, ZonMw, NFU, PNN, PostDocNl en de Aob bezorgde oproepen ontvangen op dit gebied. Het goede nieuws is dat men samen werkt aan oplossingen om de ontstane problemen het hoofd te bieden en zo voldoet aan de grote mate van solidariteit en begrip voor elkaar waar DJA tot oproept. Instellingen doen er alles aan om naast onderwijs ook onderzoek zoveel mogelijk doorgang te laten vinden.
Bovenstaande partijen noemen vaak dat zij zich zorgen maken om de positie van jonge wetenschappers. Doordat veel onderzoekers werken op een tijdelijk contract (promovendi, postdocs), waarbij de resultaten binnen die contractduur bereikt moeten worden, kunnen sommige onderzoeken mogelijk niet afgerond worden of zelfs wegvallen. Men zoekt samen naar oplossingen.
Ook ik ben bezorgd om de ontstane onzekerheid en bijbehorende werkstress voor jonge onderzoekers. Ik ben in gesprek met betrokken partijen over wat de werkgevers hieraan kunnen doen en of en hoe ik hen mogelijk kan ondersteunen.
Hulp voor Nederlandse uitwisselingsstudenten, stagiairs en instellingen voor hoger onderwijs met de situatie rond het coronavirus. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inspanningen van universiteiten en hogescholen om hun uitwisselingsstudenten te helpen met gewenste terugkeer naar Nederland? Kunt u aangeven in hoeverre de instellingen er – gezien de snel toenemende reisbeperkingen – in slagen om studenten die dat wensen terug naar Nederland te laten keren?
Ja, ik weet dat alle instellingen momenteel druk bezig zijn om studenten die willen terugkeren naar het land van herkomst, hierin te ondersteunen en met hen mee te denken. Ik ben hier ook op dit moment over in gesprek met de VSNU, de Vereniging Hogescholen en de NRTO. Voor het overige verwijs ik u naar mijn brief over de COVID-19 aanpak hoger onderwijs die ik heden aan uw Kamer heb gezonden.
Heeft u zicht op het aantal uitwisselingsstudenten of bij een instelling voor hoger onderwijs ingeschreven stagiairs dat zich momenteel bevindt buiten de EU?
Vanwege de steeds veranderende ontwikkelingen die ook nog eens per land verschillen is het lastig om op dit moment precies in kaart te brengen om welke aantallen studenten in het buitenland het gaat.
Bij de VSNU en de Vereniging Hogescholen is een uitvraag gedaan en op basis daarvan beschik ik over de volgende informatie. Volgens de eerste opgave van de VSNU bevinden zich momenteel nog 1.158 Nederlandse studenten in het buitenland, maar nog niet alle cijfers zijn bij de VSNU binnen en heeft men al goed kunnen interpreteren. Bovendien is niet bekend hoeveel van deze studenten willen terugkeren naar Nederland en daarbij problemen ondervinden. Het gaat hier om alle studenten in het buitenland, zowel binnen als buiten de EU.
Concrete cijfers van de VSNU over studenten die buiten de EU tegen problemen aanlopen, staan hieronder aangegeven. Dit betreft een eerste inventarisatie over een per uur wisselend beeld.
Bhutan
1
Ecuador
4
Fillipijnen
2
Guatemala
12
Marokko
4
Mozambique
1
Peru
3
Zuid Korea
58
De Vereniging Hogescholen beschikt op dit moment nog niet over concrete cijfers.
Bent u in overleg met de Vereniging Hogescholen (VH) en de Vereniging van Universiteiten (VSNU) over een gezamenlijke aanpak ten aanzien van hulp voor studenten in deze situaties? Zo ja, kunt u aangeven welke afspraken er met de VSNU en VH gemaakt zijn?
Ik ben steeds in gesprek met de VSNU, de Vereniging Hogescholen, en NRTO over de gevolgen van het Coronavirus, en dus ook over studenten in deze situaties. Zie verder mijn brief hierover die ik u heden heb gestuurd.
Welke hulp kunnen hogescholen en universiteiten krijgen wanneer zij niet in staat zijn zelf effectieve hulp te bieden aan studenten die zelf niet in repatriëring kunnen voorzien?
Op mijn ministerie is een contactpersoon aangesteld die voor zowel studenten als personeel als liaison tussen de koepels en BZ functioneert. Zie verder hiervoor mijn brief die ik u heden heb gestuurd.
Zijn er landen die Nederlandse uitwisselingsstudenten of stagiairs vragen het land te verlaten of actief verblijfsrechten intrekken?
Van ambassades zijn geen berichten ontvangen dat er actief verblijfsrechten worden ingetrokken. Zoals aangegeven ben ik in gesprek met de koepels over de situaties die zich voordoen met betrekking tot studenten in het buitenland. Ook wordt contact gehouden met BZ over de rol die zij waar nodig kan spelen. In de komende tijd zullen in dit verband waar nodig nadere afspraken worden gemaakt.
Komen studenten die door het afbreken van hun uitwisseling studievertraging kunnen oplopen, in aanmerking voor ondersteuning uit het profileringsfonds? Ziet u andere mogelijkheden voor hulp voor deze studenten?
Studenten zullen door het afbreken van hun uitwisseling tegen allerlei vragen aanlopen, zowel financiële als andere vragen bijvoorbeeld over hun studievertraging. Studenten die vragen hebben over hulp bij opgelopen studievertraging kunnen op een aantal plekken terecht voor antwoorden. Allereerst is op veel vragen antwoord te vinden in beschikbaar gestelde Q&A’s voor het hoger onderwijs op de website van de rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19/veelgestelde-vragen-over-coronavirus-en-het-onderwijs/vragen-over-hoger-onderwijs.
DUO wijst daarnaast op de mogelijkheid om tijdelijk per maand meer te lenen. Dat kan ook met terugwerkende kracht, tot aan het begin van het studiejaar. Ook kunnen studenten nog collegegeldkrediet aanvragen. Zij kunnen dit zelf regelen in mijnDUO. Mocht dit onvoldoende zijn, kunnen zij contact opnemen met DUO over de mogelijkheden. DUO betracht maximale coulance richting studenten die met financiële tegenslagen kampen door de coronamaatregelen.
Op het moment wordt gewerkt aan het beschikbaar stellen van Q&A’s in het Engels; deze zullen op korte termijn beschikbaar zijn.
Bent u bekend met de huidige inzet van – bijvoorbeeld – de nationale luchtvaartmaatschappij van Hong Kong om kortdurende specifieke extra vluchten in te zetten om burgers terug te halen uit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk?1 Heeft u overleg met KLM over vergelijkbare strategische inzet van incidentele vluchten om repatriëring van veel Nederlanders c.q. EU-burgers te faciliteren?
Ja, ik ben hiermee bekend. Reisorganisaties en luchtvaartmaatschappijen zijn bezig met het organiseren van vluchten om Nederlanders, waaronder studenten, terug te halen. Dit gebeurt op commerciële basis. BZ staat met de luchtvaartmaatschappijen en reisorganisaties in nauw contact. Met OCW staat zij in contact inzake de terugkeer van personen die in het buitenland vastzitten, waaronder studenten.
De ontstane situatie in het hoger onderwijs als gevolg van de uitbraak van het corona-virus. |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is de algemene stand van zaken met betrekking tot het onderwijs op afstand en in hoeverre ondersteunt het ministerie de instellingen hierbij? In hoeverre komen er bij het ministerie verzoeken van instellingen binnen die vragen om aanpassing van de regels omtrent (afstands)onderwijs?
Ik weet dat alle instellingen momenteel druk bezig zijn om onderwijs op afstand te organiseren. Ik ben hier ook op dit moment over in gesprek met de VSNU, de Vereniging Hogescholen en de NRTO, de vakbonden en de studentenbonden. Voor het overige verwijs ik u naar mijn brief over de COVID-19 aanpak hoger onderwijs die ik heden aan uw Kamer heb gezonden.
In hoeverre worden studenten die studievertraging oplopen tegemoet gekomen? Op welke wijze worden zij in staat gesteld om tentamens en hertentamens op een later tijdstip te maken? Bent u daarnaast bereid om te kijken of de harde knip, die stelt dat je pas aan een masteropleiding kunt beginnen als je je bacheloropleiding hebt afgerond, onder strikte voorwaarden los te laten? Zo nee, waarom niet en welke maatregelen gaat u nemen?
Instellingen hebben de inspanningsverplichting om te zorgen dat studenten zo min mogelijk nadeel ondervinden van de situatie, door alternatieve oplossingen te bieden en onderwijsactiviteiten zoveel mogelijk op een later moment of op andere wijze te organiseren. Dit geldt ook voor het maken van (her)tentamens. Ik weet dat instellingen hier momenteel hun uiterste best voor doen. Voor het overige verwijs ik u naar mijn brief over de COVID-19 aanpak hoger onderwijs die ik heden aan uw Kamer heb gezonden.
Bent u bereid om, in navolging van de Hogeschool Rotterdam, andere hogescholen en universiteiten te vragen het bindend studieadvies op te schorten? Zo nee, hoe gaat u er dan voor zorgen dat studenten niet worden weggestuurd vanwege studievertraging naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus?
Voor de antwoorden op deze vragen verwijs ik u naar mijn brief over de COVID-19 aanpak hoger onderwijs die ik heden aan uw Kamer heb gezonden.
Op welke wijze gaat u studenten tegemoet komen die vanwege de uitbraak van het coronavirus langer over hun studie doen en daardoor ook langer moeten lenen? Bent u bereid studenten enige korting op hun studieschuld te geven in het geval dat studenten meer lenen? Zo nee, welke oplossing ziet u voor deze groep studenten?
Studenten zullen door het afbreken van hun uitwisseling tegen allerlei vragen aanlopen, zowel financiële als andere vragen bijvoorbeeld over hun studievertraging. Studenten die vragen hebben over hulp bij opgelopen studievertraging kunnen op een aantal plekken terecht voor antwoorden.
Allereerst is op veel vragen antwoord te vinden in beschikbaar gestelde Q&A’s voor het hoger onderwijs op de website van de rijksoverheid: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19/veelgestelde-vragen-over-coronavirus-en-het-onderwijs/vragen-over-hoger-onderwijs.
DUO wijst daarnaast op de mogelijkheid om tijdelijk per maand meer te lenen. Dat kan ook met terugwerkende kracht, tot aan het begin van het studiejaar. Ook kunnen studenten nog collegegeldkrediet aanvragen. Zij kunnen dit zelf regelen in mijnDUO. Mocht dit onvoldoende zijn, kunnen zij contact opnemen met DUO over de mogelijkheden. DUO betracht maximale coulance richting studenten die met financiële tegenslagen kampen door de coronamaatregelen.
Ten slotte is mijn ministerie in contact met de studentenorganisaties LSVb en ISO, langs welke weg tevens vragen van studenten worden beantwoord vanuit het ministerie.
Op het moment wordt gewerkt aan het beschikbaar stellen van Q&A’s op de website van de rijksoverheid in het Engels; deze zullen op korte termijn beschikbaar zijn.
Kunnen studenten daarnaast aanspraak maken op het profileringsfonds vanwege studievertraging door uitbraak van het coronavirus? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat er grote verschillen tussen instellingen gaan ontstaan als het gaat om tegemoetkoming uit het profileringsfonds?
Wettelijk kunnen studenten aanspraak maken op het profileringsfonds indien ze vanwege bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen. Het is aan instellingen om verstandig om te gaan met de toekenning van de middelen uit het profileringsfonds.
Ik ben op dit moment in gesprek met de VH en VSNU over wat de huidige situatie betekent voor het profileringsfonds.
In hoeverre brengt u de vragen en antwoorden onder de aandacht van studenten en instellingen en bent u ook voornemens om deze vragen en antwoorden in andere talen beschikbaar te stellen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid met instellingen en verhuurders te kijken of er soepel met huurovereenkomsten kan worden omgegaan, omdat sommige studenten, met name internationale studenten, slechts beperkte tijd hier studeren en daarom ook beperkte contracten hebben?
Zoals gemeld in mijn brief over de COVID-19 aanpak hoger onderwijs die ik heden aan uw Kamer heb gezonden, roep ik verhuurders op om coulance te betrachten richting huurders die door COVID-19 maatregelen tegen financiële problemen aanlopen
Bent u op de hoogte van de open brief, die hoogleraren Fries aan u hebben geschreven, waarin zij de noodklok luiden over de toekomst van universitaire opleidingen Fries en het KNAW rapport «Nederlands verdient meer»?1 2 3
Ja.
Deelt u de mening dat het van belang is om de ontwikkeling van de Friese taal te versterken, zoals ook de KNAW pleit over het versterken van de Nederlandse taal?
Ja, al is de problematiek zoals door de KNAW beschreven rondom de Neerlandistiek niet geheel gelijk aan die van het Fries. Zo is het aantal studenten dat een track of minor Fries volgt wel gering maar niet sterk dalend. Tegelijkertijd is er sprake van een tekort aan bevoegde docenten Fries in het voortgezet onderwijs.
Deelt u de mening dat de Friese taal van belang is voor de Friese samenleving zoals de KNAW vaststelt dat de Neerlandistiek van belang is voor de Nederlandse samenleving? Zo ja, wat gaat u eraan doen om de positie van de Friese taal te versterken? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening. Het Fries is, naast het Nederlands, een officiële taal in de provincie Fryslân. In mijn reactie op het KNAW briefadvies «Nederlands verdient meer» ga ik ook in op de brief die ik van de hoogleraren Fries heb ontvangen. In mijn reactie heb ik dan ook expliciet aandacht voor het Fries. In beantwoording van onderstaande vragen ga ik hier meer in detail op in.
Wilt u in uw geplande beleidsreactie op het rapport van de KNAW «Nederlands verdient meer» ook de oproep van de hoogleraren Fries meenemen?
Zoals ik in mijn beantwoording van vraag 3 aangeef, ga ik in mijn reactie op het KNAW briefadvies «Nederlands verdient meer» ook in op de brief die ik 27 januari jl. van de hoogleraren Fries heb ontvangen.
Bent u het eens met de vraagtekens die de hoogleraren Fries stellen bij het rapport van de KNAW over Neerlandistiek door het Fries niet mee te nemen?
Het briefadvies van de KNAW richt zich, conform mijn verzoek, op de Neerlandistiek. In de afgelopen tien jaar is het aantal bachelor- en masterafgestudeerden het sterkst gedaald (60% in de periode 2008–2018) bij de bacheloropleiding Nederlandse Taal en Cultuur. Dit vind ik een zorgelijke ontwikkeling en is voor mij dan ook aanleiding geweest om de KNAW te vragen om een advies uit te brengen specifiek gericht op het vergroten van het aantal Neerlandici. Een terugval in de instroom deed zich ook al eerder bij enkele moderne vreemde talen voor, al is deze niet zo sterk als bij de Neerlandistiek de laatste jaren. Academisch onderzoek en kennis over taal, taalbeheersing en cultuur zijn daarnaast van toegevoegde waarde voor andere disciplines bij de aanpak van de maatschappelijke uitdagingen van deze tijd. Het Nederlands en het Fries, als tweede officiële taal in de provincie Fryslân, nemen daarbij een bijzondere positie in. Ik vind het dan ook van belang dat gewerkt wordt aan het verder vergroten van de aantrekkelijkheid van de universitaire talenopleidingen voor (aspirant) studenten. In mijn beleidsreactie op het rapport van de KNAW en het rapport «Talen Centraal», betrek ik dan ook de situatie bij de andere talen waaronder het Fries. Zo roep ik de betrokken faculteiten op om voorbereidingen te treffen voor een sectorplan talen, en daarbij op de korte termijn in te zetten op het verder vergroten van de aantrekkelijkheid van het onderwijs bij de universitaire talenopleidingen. Dit teneinde de tendens van dalende studentenaantallen te doorbreken en meer studenten op te leiden met relevante kennis en vaardigheden voor maatschappij en werkveld. Het is van belang dat de faculteiten daarbij ook samen optrekken. Kijkend naar de daling van studentenaantallen en de tekorten aan leraren voor deze vakken in het voortgezet onderwijs, ligt het voor de hand hierbij in eerste instantie prioriteit te geven aan de universitaire talenopleidingen Nederlands, Fries, Engels, Frans en Duits.4 Het samennemen van enkele talen tegelijkertijd kan bovendien helpen omdat vergelijkbare vraagstukken spelen.
Wat is uw reactie op de oproep om:
Fries wordt in Nederland niet als zelfstandige opleiding aangeboden, maar is onderdeel van de opleiding Minorities and Multilangualism5. Reden voor het verbreden van de opleiding Friese taal en cultuur was het toekomstbestendig en levensvatbaar maken van de opleiding. Bovendien kunnen door deze verbreding meer politieke en culturele relevante kwesties aangesneden worden, wordt de aantrekkingskracht van de opleiding vergroot en zijn er bredere beroepsperspectieven voor afgestudeerden.
OCW heeft destijds een aanloopbekostiging beschikbaar gesteld voor een periode van vijf jaar (tot 2018). Daarnaast is in de Bestuursafspraak Friese Taal en Cultuur 2019–2023 opgenomen dat naast de rijksbijdrage van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de provincie Fryslân voor de looptijd van de Bestuursafspraak € 110.000 begroot voor de leerstoel Friese taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen.
In de landelijke curriculumherziening is het Fries niet meegenomen, aangezien het Rijk in 2014 de bevoegdheid tot het vaststellen van de kerndoelen Fries heeft overgedragen aan de provinciale staten van Fryslân. Wel heeft de provincie Fryslân een eigen paralleltraject opgezet. Net als in de landelijke werkwijze worden docenten, leerlingen en ouders betrokken.
Hoe ziet u uw rol als Minister voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het bevorderen van de Friese taal op basis van de Wet gebruik Friese taal, het Europees Handvest voor Regionale en Minderheidstalen, het Kaderverdrag Nationale Minderheden en het feit dat het Fries de tweede officiële taal is in Nederland?
Met betrekking tot de Friese taal en cultuur neem ik als Minister van OCW mijn verantwoordelijkheid voor de domeinen Onderwijs, Cultuur en Media. Afspraken over deze domeinen zijn uitgewerkt in de Bestjoersôfspraak Fryske taal en Kultuer 2019–2023. Onderliggend aan deze afspraken zijn de Wet Gebruik Friese taal, het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden en het Kaderverdrag inzake de bescherming van Nationale minderheden.
Wat vindt u van het idee om het Fries een prominente plek te geven bij het Nationaal Platform voor de Talen? Bent u bereid in uw contact met de deelnemende universiteiten dit doel te bevorderen?
In het kader van het sectorplan Duurzame Geesteswetenschappen zijn landelijke en facultaire projecten en programma’s opgestart. Eén van deze projecten is de oprichting van het Nationaal Platform voor de Talen door de faculteiten geesteswetenschappen van zeven Nederlandse universiteiten6. Het is aan hen om te kijken hoe zij het Nationaal Platform voor de Talen willen inrichten en continueren.
Hoe gaat u universiteiten stimuleren om Fries aantrekkelijk te maken voor studenten? Ziet u een oplossing in het aanbieden van minors Fries als onderdeel van een andere studie?
In de praktijk blijken er weinig studenten te zijn die er voor kiezen om Fries te studeren. Met de huidige constructie – het aanbieden van Fries als onderdeel van de opleiding Minorities and Multilangualism alsook de mogelijkheid om Fries als keuzevak te volgen – is een vorm gevonden waarmee het wetenschappelijk onderwijs in het Fries kan worden gecontinueerd en bestendigd. Desalniettemin kan, zoals ik in mijn beantwoording van vraag 5 aangeef, onderzocht worden of het Fries op andere manieren aantrekkelijker kan worden gemaakt. Ik heb de betrokken faculteiten verzocht om de voorbereidende activiteiten voor het verder vergroten van de aantrekkelijkheid van het onderwijs te concretiseren voor de zomer van 2021 zodat per studiejaar 2022/2023 de eerste veranderingen kunnen worden doorgevoerd. Het Decanenoverleg Letteren en Geesteswetenschappen (DLG) heb ik verzocht mij hierover te informeren. Deze activiteiten kunnen de aanloop zijn naar een sectorplan talen waarin meerdere universitaire talenopleidingen zijn opgenomen en/of activiteiten worden ingericht op zowel onderzoek, onderwijs en impact gezien de onderlinge verwevenheid.
Bent u bekend met de waarschuwing die onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam geven over de gevaren van ADHD-medicatie om studieprestaties te verbeteren en de zorgen van het Instituut Verantwoord Medicijngebruik (IVM) over gebruik van modafinil bij studenten?1 2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het eens met de onderzoekers uit Amsterdam die stellen dat door de toegenomen prestatiedruk in het hoger onderwijs en het leenstelsel studenten steeds meer ADHD-medicatie nemen, terwijl zij geen ADHD-patiënten zijn?
Het genoemde onderzoek is kwalitatief en gebaseerd op gesprekken met een beperkte groep experts in Amsterdam. Een directe link tussen toenemende prestatiedruk en het leenstelsel wordt in dit onderzoek niet aangetoond. Mentale druk onder studenten wordt door verschillende factoren veroorzaakt. Deze factoren worden in onderlinge samenhang door het RIVM onderzocht.
I.v.m. de Coronacrisis wordt het onderzoek naar mentale gezondheid van het RIVM verschoven naar 2021. Dit betekent dat de vragenlijst in mei/juni 2021 wordt uitgezet en het rapport eind 2021 zal verschijnen.
Momenteel zijn er geen landelijk representatieve cijfers over het middelengebruik onder studenten. Naar aanleiding van de motie van het lid Özdil3, wordt een grootschalig kwantitatief onderzoek naar mentale gezondheid en middelengebruik opgezet door Het Trimbos Instituut en GGD GHOR Nederland, i.s.m. het RIVM. In de toekomst gaan we de onderzoeken integreren in één monitor mentale gezondheid en middelengebruik.
Hierin wordt ook gevraagd naar het gebruik van prestatieverhogende middelen onder studenten, zoals ritalin of modafinil. Over deze twee onderzoeken wordt afzonderlijk door VWS en OCW in 2020 en 2021 gerapporteerd. Op basis van de resultaten zullen aanvullende maatregelen worden overwogen.
Mocht uit deze cijfers blijken dat sprake is van een stijging, of een grote groep deze medicijnen oneigenlijk gebruikt, dan zal worden nagedacht over preventiemaatregelen. Naast voorlichting zou een preventieaanpak ook gericht kunnen worden op de achterliggende redenen van het gebruik. Verder hebben Verslavingspreventie Nederland (VPN) en het Trimbos-instituut richtlijnen ontwikkeld voor middelenpreventie binnen het onderwijs. De richtlijnen zijn bedoeld voor preventieprofessionals van instellingen voor verslavingszorg en GGD’en, die vervolgens adviseren aan onderwijsinstellingen. Voor de factsheet over het gebruik van ritalin door studenten zie: https://www.trimbos.nl/aanbod/webwinkel/product/af1717-factsheet-ritalin. Dit is openbare informatie op de website van het Trimbos Instituut. Deze informatie wordt gebruikt ten behoeve van studiemiddagen en nieuwsbrieven voor de onderwijsinstellingen.
In het gecombineerde Trimbos, GGD/GHOR en RIVM zal worden gevraagd naar ADHD-medicijnen (zoals ritalin en concerta) zonder doktersvoorschrift, en slaap- of kalmeringsmiddelen (zoals benzodiazepinen, diazepam, oxazepam). Daarnaast krijgen studenten de mogelijkheid om nog andere middelen toe te voegen. Andere middelen waar specifiek naar wordt gevraagd, zijn cannabis, XTC, LSD, paddo’s en/of truffels, cocaïne, 2C-B, GHB, Ketamine, 4-fluoramfetamine en lachgas.
Bent u het eens met de zorgen die het IVM stelt dat studenten naast het gebruiken van ADHD-medicatie als ritalin, nu ook hun heil zoeken bij slaapstoornismedicatie als modafinil?
Modafinil is een geneesmiddel dat enkel op recept verkrijgbaar is en voor medische doeleinden wordt voorgeschreven door een arts. Het wordt verstrekt door een apotheker. Modafinil is een middel dat wordt voorgeschreven bij slaapstoornissen (narcolepsie). Als studenten dit middel ook voor niet-medische doeleinden en dus zonder voorschrift van een arts gebruiken, is dat onwenselijk en zijn de zorgen van het IVM terecht. Alle geneesmiddelen die zonder medische indicatie en zonder tussenkomst van een arts en apotheker worden verkregen en gebruikt, brengen immers gezondheidsrisico’s met zich mee voor de gebruiker en gebruik zonder medische indicatie is om die reden onverantwoord.
Hoe verhoudt dit onderzoek uit Amsterdam zich tot het onderzoek dat het IVM eerder heeft uitgevoerd? Is het onderzoek van de wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam wel representatief voor alle studenten in Nederland?3
Het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam betreft een kwalitatief onderzoek naar het perspectief van huisartsen, psychiaters en studentenpsychologen over het gebruik en misbruik van methylfenidaat door studenten in het hoger onderwijs. Alle geïnterviewde professionals werkten in Amsterdam. Het onderzoek van het IVM is uitgevoerd in kader van een stageopdracht waarbij gekeken is naar de voorspellende factoren van oneigenlijk gebruik van methylfenidaat onder studenten in het hoger onderwijs. Hiertoe is een online vragenlijst uitgezet onder studenten. Qua methodiek en opzet gaat het hier om twee verschillende onderzoeken.
Aan de basis van het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam liggen de ervaringen en meningen van professionals werkzaam in Amsterdam. Hieruit kan worden opgemaakt dat het vooral gaat over de studenten uit die regio en kan op basis hiervan niet worden vastgesteld dat het onderzoek representatief is voor alle studenten in Nederland.
Heeft u inmiddels onderzocht of en zo ja, aan welke wetenschappelijke kennis op het gebied van de effecten van het gebruik van methylfenidaat er nog meer behoefte is, zoals u eerder aangaf in uw beantwoording op schriftelijke vragen van het lid Kuik?4
Binnen ZonMw zijn er verschillende onderzoeksprogramma’s opgezet op het gebied van ADHD en geneesmiddelen. Binnen deze programma’s zijn en worden diverse onderzoeken op het gebied van (de lange termijn effecten van) methylfenidaat gestimuleerd. Met behulp van subsidies van ZonMW wordt voldoende wetenschappelijk onderzoek mogelijk gemaakt en is er geen aanleiding om de mogelijkheden hiertoe verder uit te breiden.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is als er van ADHD-medicatie ritalin onderwijsbreed gebruik gemaakt wordt? Zo ja, wat zou daar onderwijsbreed tegen gedaan kunnen worden? Zo nee, waarom deelt u deze zorgen niet?
Als dit het geval is, is dat inderdaad zorgelijk. Voor de opzet van het geciteerde onderzoek is gebruik gemaakt van semi-gestructureerde interviews. In totaal zijn één onderzoeker, drie huisartsen, drie psychiaters en twee studentenpsychologen geïnterviewd. Alle geïnterviewde professionals werken in Amsterdam. Niet duidelijk is of het middelbaar beroeps onderwijs (mbo) hierin ook is gehoord. Zoals ook al in antwoord op vraag 4 is geconcludeerd, is de representativiteit van een onderzoek dat is gebaseerd op de bevindingen van deze zeer beperkte groep respondenten uit één stad, te betwijfelen.
Als de uitkomsten van het RIVM-onderzoek bekend zijn, zal de noodzaak tot het nemen van aanvullende maatregelen worden overwogen, zie ook het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid stappen te zetten studenten voor te lichten over de gevaren van zogenaamde «studiedrugs», zoals modafinil? Zo ja, wat gaat u concreet doen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Verslavingspreventie Nederland (VPN) en het Trimbos-instituut hebben richtlijnen ontwikkeld voor middelenpreventie binnen het onderwijs. De richtlijnen zijn bedoeld voor preventieprofessionals van instellingen voor verslavingszorg en GGD’en, die vervolgens adviseren aan onderwijsinstellingen. Voor de factsheet over het gebruik van ritalin door studenten zie: https://www.trimbos.nl/aanbod/webwinkel/product/af1717-factsheet-ritalin.
Zie ook het antwoord op vraag 2 betreffende het RIVM-onderzoek. Mocht uit de cijfers van dit onderzoek inderdaad blijken dat sprake is van een stijging, of een grote groep die deze medicijnen oneigenlijk gebruikt, dan zal nagedacht worden over aanvullende preventiemaatregelen. Vanuit het Rijk worden geen voorlichtingscampagnes opgezet, om risicogedrag te voorkomen en daarmee ongewild mensen op ideeën te brengen. Een preventieaanpak, die we wel ondersteunen, zou gericht kunnen worden op achterliggende redenen van het gebruik.
OCW zal hierover, binnen het verband van de Landelijke Werkgroep Studentenwelzijn, verder in gesprek gaan met VWS op basis van resultaten van het RIVM-onderzoek die eind 2020 beschikbaar zijn. De noodzaak tot een bredere aanpak van het voorkomen en tegengaan van het gebruik van stimulerende middelen zullen dan worden geregistreerd in de Landelijke Werkgroep Studentenwelzijn.
Bent u bereid nader onderzoek te (laten) doen naar de exacte schaal en omvang van de handel dan wel het oneigenlijk gebruik van ADHD-medicatie en modafinil door leerlingen en studenten? Zo ja, wanneer gaat u dit uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 al is aangegeven, lopen er verschillende onderzoeken om meer inzicht krijgen in de omvang van het oneigenlijk gebruik van onder andere ADHD-medicatie en modafinil. Er is op dit moment geen noodzaak tot het doen van aanvullend onderzoek.
Herkent u het beeld dat door de Amsterdamse onderzoekers geschetst wordt dat in de praktijk huisartsen vaak afwijken van richtlijnen, waardoor medicatie voorgeschreven wordt zonder diagnose of zonder voorafgaande stap van gedragstherapie? Wat kan u doen om dit soort misstanden te voorkomen?
Het beeld dat door de Amsterdamse onderzoekers wordt geschetst herken ik niet. Huisartsen werken volgens strikte richtlijnen en die zij hanteren bij hun diagnostiek en behandeling. Richtlijnen zijn voor professionals een belangrijke richtsnoer op basis waarvan zij handelen en beoordeeld worden op onder andere het leveren van kwalitatief goede zorg.
Het voorschrijven van ADHD-medicatie aan patiënten zonder ADHD, met het doel de prestaties verhogen, is een niet-medische toepassing, die niet tot de taken van de huisarts behoort. Daarnaast is het voorschrijven van ADHD-medicatie zonder aandacht voor gedragsmatige aspecten van ADHD niet conform de zorgstandaard ADHD. Verder is bij het Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG) het uitgangspunt dat de huisarts in het algemeen ADHD-medicatie alleen herhaalt, na een eerste start in de 2e lijn. Daarover geeft het NHG-Standpunt «Herhalen gespecialiseerde GGZ-medicatie» aanbevelingen. Bijvoorbeeld de aanbeveling om gespecialiseerde GGZ-medicatie (hieronder valt ook ADHD-medicatie) alleen te herhalen bij duidelijke diagnose (uit de 2e lijn), en onder goede voorwaarden (bijvoorbeeld een goede instructie vanuit de 2e lijn, met informatie over noodzakelijke controles en de mogelijkheid om bij vragen te overleggen dan wel terug te verwijzen zonder wachttijd). Het NHG werkt momenteel aan een aparte bijlage over herhalen van methylfenidaat door de huisarts.
Klopt het dat er in sommige (studenten)steden aanzienlijke wachtlijsten zijn voor cognitieve gedragstherapie? Zo ja, waar worden deze wachtlijsten door veroorzaakt?
Cognitieve gedragstherapie kan bij meerdere psychische aandoeningen worden ingezet. Het klopt dat er langere tijd sprake is van wachttijden in de GGZ. Door alle betrokkenen wordt hard gewerkt om deze wachttijden terug te dringen. Ik verwijs u naar de meest recente brief die hierover naar uw Kamer is gezonden (Kamerstuk 25 424, nr. 504).
Kunt u bevestigen dat er handel is in ADHD-medicatie en modafinil? Zo ja, deelt u de zorgen dat de handel in ADHD-medicatie en modafinil een groot probleem is? Zo nee, waaruit blijkt dat dit niet het geval is, ondanks vermoedens uit de samenleving?
Uit meldingen en signalen bij de IGJ is bekend dat er illegale handel is in ADHD-medicatie en modafinil. Dit is zeer zorgelijk. De IGJ werkt waar mogelijk samen met andere handhavende diensten om hier stevig tegen op te treden.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de handel in ADHD-medicatie en modafinil tegengegaan kan worden en wat de oorzaken zijn? Zo nee, waarom niet?
Veel van het aanbod van ADHD-medicatie en modafinil verloopt via websites. Naar aanleiding van ontvangen meldingen inspecteert de IGJ websites die (illegale) geneesmiddelen aanbieden en daarvoor reclame maken. Bij deze inspecties gaat het vooral om websites die geneesmiddelen aanbieden waarvoor een recept verplicht is, of die (nog) niet geregistreerd zijn. Het risico op gezondheidsschade door gebruik van recept-plichtige geneesmiddelen is namelijk het grootst. Als de inspectie een website aantreft die illegale medicijnen aanbiedt of daarvoor reclame maakt, kan ze maatregelen nemen. Bijvoorbeeld door een waarschuwing te geven of een boete op te leggen. Steeds vaker is het voor de inspectie echter niet te achterhalen wie de exploitant is van de website. De reden hiertoe is dat de websitehouder bewust gegevens afschermt of vanuit het buitenland opereert. In het laatste geval heeft de IGJ geen zeggenschap meer. De IGJ kan wel collega-inspectiediensten in het buitenland informeren over de website en vragen om op te treden tegen de houder van de website (registrant), het bedrijf dat de domeinnaam registreert of het bedrijf dat de website oplaadt op een computersysteem (host). Dit kan uiteraard alleen als deze partijen zich op hun grondgebied bevinden, als de identiteit te achterhalen is en als de wetgeving in dat land hier mogelijkheden voor biedt.
Zie ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u cijfers geven omtrent de illegale handel in ADHD-medicatie en modafinil?
De exacte schaal en omvang van de handel in ADHD-medicatie en modafinil is onvoldoende bekend. Exacte cijfers zijn dan ook niet te geven. Wel verzamelt het RIVM jaarlijks de meldingen van geneesmiddelen van illegale oorsprong die bekend zijn bij de IGJ, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Lareb, het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC), de Dopingautoriteit, de Douane en het RIVM. Deze meldingen laten de trends en nieuwe ontwikkelingen zien, maar geven geen volledig beeld van de omvang van de ADHD-medicatie en modafinil die illegaal worden verhandeld.
Wat vindt u van de voorstellen van de Amsterdamse onderzoekers om ADHD-patiënten nauwkeuriger te monitoren om misbruik van ADHD-medicatie te voorkomen, niet klakkeloos herhaalrecepten op te volgen en jaarlijks te evalueren of ADHD-medicatie nog werkt bij de patiënt of een stoppoging gedaan moet worden?
De voorstellen van de Amsterdamse onderzoekers vallen onder de professionele verantwoordelijkheid van de voorschrijvers. Zoals in antwoord op vraag 9 is aangegeven, heeft de beroepsgroep richtlijnen ontwikkeld die misbruik van ADHD-medicatie voorkomt door een gepast en verantwoord voorschrijfbeleid.
Zie ook het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid een voorlichtingscampagne te starten om het probleem rondom «studiedrugs» onder studenten tegen te gaan, zoals ook de onderzoekers uit Amsterdam voorstellen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dat aanpakken en op welke termijn? Gaat u dit ook onderwijsbreed optuigen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Antwoorden op eerdere vragen inzake het bericht ‘ruzie met de universiteit over een briljant idee’ |
|
Dennis Wiersma (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Uit antwoorden op eerdere schriftelijke vragen blijkt dat de werkwijze van de Technische Universiteit (TU) Eindhoven uw aandacht heeft aangaande de werkwijze rondom intellectueel eigendom van studenten, waarom en op welke manier heeft deze werkwijze uw aandacht?1
Universiteiten moeten studenten zo veel mogelijk stimuleren en niet hinderen bij de valorisatie van door hen ontwikkelde intellectueel eigendom. De wettelijke regelingen voor intellectueel eigendom, met name de Rijksoctrooiwet en de Auteurswet, kennen een duidelijke hoofdregel. De hoofdregel bij uitvindingen is dat degene die de uitvinding heeft gedaan, ook degene is aan wie de aanspraak op octrooirechten toekomt. De twee wetten kennen ook uitzonderingen op de hoofdregel. En er is ruimte voor afspraken tussen partijen. Gezien bijvoorbeeld de heersende leer rond het auteursrecht kan het intellectueel eigendom mogelijk bij de student liggen (zie mijn antwoord op vraag 4 van 7 januari 2020, zie noot 1). Ik vind de werkwijze van de TU Eindhoven met de studentverklaring in deze vorm gelet hierop wel ver gaan. Geschillen op dit punt van auteursrecht tussen studenten en de TU Eindhoven zijn overigens niet bekend. De VSNU is nu bezig een richtsnoer voor te bereiden dat meer duidelijkheid geeft in welke situatie wie eigenaar is van intellectueel eigendom. Daar zal ook goed over worden gecommuniceerd. Het richtsnoer kan bijdragen aan evenwichtige afspraken. De universiteiten, ook de TU Eindhoven, gaan hun eigen handelwijze herbeoordelen in het kader van het richtsnoer. Huidige werkwijzen kunnen pas goed worden beoordeeld als het richtsnoer er is. Ik ga ervan uit dat de universiteiten, waaronder de TU Eindhoven, de herbeoordeling voortvarend oppakken na het verschijnen van het richtsnoer in het voorjaar. Ik ga er daarbij ook van uit dat de universiteiten die besluiten om hun werkwijze te wijzigen naar aanleiding van het richtsnoer, duidelijkheid scheppen over hoe zij omgaan met eerder gemaakte afwijkende afspraken.
Bent u het eens met de «studentenafstandsverklaring» waar studenten automatisch mee akkoord gaan wanneer zij zich inschrijven aan de TU Eindhoven? Zo nee, waarom bestaat deze studentenafstandsverklaring dan nog steeds?
Zie antwoord vraag 1.
In 2015 riep de toenmalige Eindhovens burgemeester Rob van Gijzel de TU Eindhoven al op om studenten een betere uitgangspositie te geven, op welke manier heeft de TU Eindhoven hier gehoor aan gegeven?2
De TU Eindhoven heeft mij bericht dat zij destijds contact heeft gehad met de Eindhovense burgemeester Rob van Gijzel en dat zij daarbij heeft aangegeven dat de TU Eindhoven geen intellectueel eigendom bezit dat aan studenten toebehoort. Ook heeft de TU Eindhoven mij bericht dat zij, al vanaf 2013, fors heeft geïnvesteerd in het ondersteunen van studentondernemerschap. Een mooi voorbeeld daarvan is de vorig jaar geopende Innovation Space op de campus.
Klopt het dat momenteel studenten van TU Eindhoven nog steeds bij het begin van hun studie een verklaring moeten ondertekenen waarin ze afstand doen van hun intellectuele eigendom? Zo ja, waarom vindt deze werkwijze nog doorgang terwijl u aandacht heeft voor deze werkwijze? Waarom stopt de TU Eindhoven niet tijdelijk, of definitief, met de studentenafstandsverklaring totdat het helemaal goed geregeld is? Welke rol gaat u spelen om deze afschaffing, of tijdelijke stopzetting, te versnellen?
Het klopt dat deze verklaring nog steeds geldt. Zoals ik ook in de beantwoording van de eerdere vragen 6 en 9 heb laten weten (zie noot 1), wordt deze werkwijze herbeoordeeld in het kader van het aankomende richtsnoer van de VSNU over studenten en intellectueel eigendom. Tot dit richtsnoer er is, is er geen ander richtsnoer waarin met name ook de belangen van derde partijen gewaarborgd worden, zoals van bedrijven die met de universiteit samenwerken. Ik verwijs verder naar het antwoord op de bovenstaande vragen 1 en 2. De stand rond het beoogde richtsnoer is dat de VSNU op korte termijn een bijeenkomst met stakeholders, waaronder studentvertegenwoordigers, organiseert om een concept van het richtsnoer te bespreken.
Uit de gegeven antwoorden blijkt dat verschillende universiteiten nu aan de slag gaan met de richtsnoer van de Vereniging van Universiteiten (VSNU), gepubliceerd april 2018, om intellectueel eigendom van hun studenten beter te beschermen, waarom gaan universiteiten nu pas aan de slag met deze richtsnoer?3 In hoeverre mogen universiteiten afwijken van de richtsnoer? Welke universiteiten wijken momenteel af van het VSNU richtsnoer? Vindt u het wenselijk dat universiteiten afwijken van het VSNU richtsnoer? Kunt u dit nader toelichten?
Ik ga ervan uit dat met de vraag gedoeld wordt op het «Richtsnoer omgang met intellectuele eigendomsrechten richting academische start-ups» dat de VSNU -hoewel in de vraag het jaartal 2018 wordt genoemd- in 2016 heeft uitgebracht. Dit richtsnoer ziet op situaties waarin een medewerker van een universiteit (onderzoeker) betrokken is bij een op intellectueel eigendom gebaseerde startup (zie ook het antwoord op de eerdere vraag 9, zie noot 1). Dit richtsnoer ziet dus niet op verhoudingen met studenten. Eerder is de behoefte aan duidelijkheid rond studenten en intellectuele eigendomsrechten, over de vraag van wie het intellectueel eigendom in welke situatie is, niet zo breed gevoeld als nu. De VSNU is daarom nu aan de slag voor een aanvulling bij het bestaande richtsnoer van 2016. Het richtsnoer wordt toegepast volgens «comply or explain»: pas toe of leg uit. Afwijking met uitleg is in een concreet geval bij goede redenen toegestaan. Ik vind het uitgangspunt van «comply or explain» een goed uitgangspunt, omdat het zo voor universiteiten mogelijk is om gezamenlijk landelijke uitgangspunten te formuleren die in beginsel moeten worden toegepast (hetgeen duidelijkheid en uniformiteit geeft) en tegelijkertijd bij toepassing van het richtsnoer in een concrete situatie afwijking mogelijk is met een goede reden. De VSNU geeft op basis van informatie van de knowledge transfer offices van de universiteiten en umc’s aan dat de universiteiten en umc’s volgens het richtsnoer van 2016 handelen (»comply») en er dus niet van hebben afgeweken.
Op welke termijn kunnen studenten verbetering verwachten aangaande de bescherming van hun intellectuele eigendom? Welke oplossing wordt er geboden aan huidige studenten die al verplicht een studentenafstandsverklaring hebben moeten ondertekenen? Welke rol gaat u hierin spelen?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 2.
Het rapport van WOinActie ‘Inventarisatie omvang en gevolgen van structureel overwerk aan de Nederlandse universiteiten’ |
|
Lisa Westerveld (GL), Wim-Jan Renkema (GL), Frank Futselaar (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat ruim 700 universiteitsmedewerkers collectief melding hebben gemaakt van de werkomstandigheden bij de Inspectie SZW?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de desbetreffende medewerkers structureel ruim één derde boven hun reguliere contractomvang onbetaald overwerken?
Ik heb begrepen dat de desbetreffende medewerkers melding hebben gemaakt van structureel overwerk boven hun reguliere contractomvang. Het is aan de Inspectie SZW om te onderzoeken of dit inderdaad het geval is.
Wat is de huidige wet- en regelgeving omtrent onbetaald overwerk? Is het wettelijk toegestaan om structureel gemiddeld 12 tot 15 uur per week extra onbetaald over te werken en dit tevens niet te kunnen compenseren met verlofdagen?
Als het gaat om de uitbetaling van gewerkte (over-)uren door werknemers, is de Wet minimumloon en vakantiebijslag (Wml) van toepassing. Op grond van deze wet is de werkgever verplicht voor ieder gewerkt uur gemiddeld minstens het wettelijk minimumloon te betalen. Indien daarover in de van toepassing zijnde cao en arbeidsovereenkomst afspraken zijn opgenomen bestaat de mogelijkheid om overwerk te compenseren in betaalde vrije tijd. Boven de verplichting uit de Wml wordt de definiëring en betaling en/of compensatie van overuren overgelaten aan het (cao-)overleg tussen werkgevers en werknemers. Een werkgever mag dus niet in strijd komen met de Wml, met de cao, of met hetgeen hij met de werknemer is overeengekomen. Daarnaast kan een medewerker die structureel meer uren werkt dan in zijn of haar arbeidsovereenkomst is overeengekomen een verzoek doen voor een verhoging van zijn of haar arbeidsomvang. In het Burgerlijk Wetboek is namelijk het rechtsvermoeden opgenomen dat deze overuren tot je arbeidsomvang behoren als je langer dan 3 maanden zoveel werkt.
Als het gaat om het maximaal te werken aantal uren geldt in beginsel de Arbeidstijdenwet (Atw). Daarin staan de gebruikelijke normen, zoals maximaal 12 uur arbeid per dienst en een gemiddelde arbeidsduur per week van maximaal 48 uur. Het is aan de Inspectie SZW om te beoordelen of deze normen worden nageleefd. Hieraan dient nog wel te worden toegevoegd dat de normen van de Atw niet van toepassing zijn op werknemers, wier jaarlijks in geld vastgesteld loon driemaal het wettelijk minimumloon of meer bedraagt.
Dit alles laat onverlet dat een werkgever op grond van de Arbowet de verplichting heeft om maatregelen te treffen om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen of in ieder geval te beperken. Daarnaast dient de werkgever zich als goed werkgever te gedragen. Ook dit begrip dient een belangrijke rol te spelen, juist in gevallen dat er in het arbeidscontract of in de cao geen duidelijke afspraken zijn vastgelegd over overwerk en de wijze van compensatie daarvan. Overigens dient in een dergelijke situatie ook de medewerker zich als goed werknemer te gedragen, bijvoorbeeld door ook zelf zijn grenzen goed in de gaten te houden en tijdig aan te geven wanneer die in zicht beginnen te komen. Ook de medezeggenschap heeft hierbij een taak.
Deelt u de mening dat de overheid een voorbeeldfunctie heeft rondom het naleven van arbeidsvoorwaarden en acceptabele werkdruk? Zo ja, wat vindt u ervan dat universiteitsmedewerkers dusdanig op hun tandvlees lopen? Zo nee, waarom niet?
Iedere werkgever moet maatregelen treffen om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen of in ieder geval te beperken, zo ook de overheid. Universiteiten zijn overigens geen overheid, maar zelfstandige instellingen die door de overheid bekostigd worden. Er wordt door steeds meer partijen aandacht besteed aan werk- en prestatiedruk.
Wat is volgens u de oorzaak van de hoge werkdruk onder universiteitsmedewerkers en een navenante cultuur van structureel overwerk?
In de Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek «Houdbaar voor de toekomst» (Kamerstuk 31 288, nr. 797) ben ik ingegaan op een aantal van de oorzaken waaronder hoge aanvraagdruk, meer onderwijstaken door de stijgende studentenaantallen en een dominante onderzoekscultuur.
Bent u het met de indieners eens dat de hoge werkdruk onder universiteitsmedewerkers een structureel probleem betreft? Zo ja, welke nieuwe acties gaat u als stelselverantwoordelijke concreet ondernemen om de werkdruk in het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek te verlagen? Zo nee, waarom blijven nieuwere concrete acties uit?
In de Strategische Agenda hoger onderwijs en onderzoek heb ik aangegeven dat ik zie dat het systeem van het hoger onderwijs en onderzoek onder druk staat.
Meer samenwerking zal leiden tot minder overlap, meer synergie en minder onnodige onderlinge competitie en verdringing. Dat moet meer rust brengen in het hoger onderwijs en onderzoek. Ik ga de samenwerking in onderwijs en onderzoek onder andere langs de volgende lijnen stimuleren:
Het aanpassen van de onderwijs- en onderzoeksbekostiging (meer balans tussen vaste en variabele deel);
Het krachtig doorzetten van sectorplannen;
Beleid om de aanvraagdruk omlaag te brengen;
Meer vaste contracten en meer waardering voor onderwijs, impact en teamscience.
Wat vindt u van de oplossingsrichting van WOinActie om meer personeel aan te stellen en meer uren toe te kennen aan onderwijsactiviteiten?
Van instellingen mag verwacht worden dat zij omstandigheden creëren waarin signalen over verkeerde inschatting van onderwijsuren tijdig herkend worden en serieus worden genomen. De personeelsgeleding van de medezeggenschap en het lokale vakbondoverleg kunnen hier een belangrijke bijdrage aan leveren. In het onderzoek van het Ministerie van OCW naar de toereikendheid van het macrobudget zal tevens aandacht worden besteed aan de vraag of de gewenste kwaliteit te verzorgen is onder acceptabele omstandigheden. Zie ook het antwoord op vraag 5 en 6.
Bent u ervan op de hoogte dat ruim 40% van het wetenschappelijke personeel in Nederland werkt op basis van tijdelijke contracten? Vindt u dat wenselijk en zo ja, waarom? Zo nee, wat is uw streefcijfer en binnen welk tijdspad moet dit aandeel omlaag worden gebracht? Wat is uw rol als bewindspersoon in het omlaag brengen van het aantal tijdelijke contracten?
Dat is ons bekend. Dit percentage van ruim 40% gaat over het gehele personeel bij de universiteiten, dus met inbegrip van OBP, post-docs en de promovendi. Hoewel het Ministerie van OCW niet de werkgever is, proberen we wel deze trend te keren, door minder concurrentie en meer samenwerking te stimuleren. Meer stabiliteit in de bekostiging zal bijdragen aan minder flexibele contracten. Daarvoor is dit jaar een eerste stap gezet door de vaste voet in de bekostiging te vergroten.
En zoals aangekondigd in de strategische agenda «houdbaar voor de toekomst», gaat de Minister van OCW met de instellingen in gesprek over meer vaste dienstverbanden en wordt er bij instellingen op aangedrongen dat zij hier werk van maken. De Minister van OCW wil met de VSNU in bestuurlijk overleg afspraken maken over het verminderen van de flexibele contracten.
Ook gaat de Minister van OCW de VSNU en haar leden vragen zich te verdiepen in de vraag waarom de ene Nederlandse universiteit het zoveel beter doet dan de andere universiteit op het gebied van flexibele contracten.
Omdat de arbeidsvoorwaarden gedecentraliseerd geregeld zijn is dit een onderwerp voor sociale partners in het cao overleg. In de cao-Nederlandse universiteiten is in 2015 een afspraak gemaakt om het percentage tijdelijke dienstverbanden bij het WP terug te brengen. De universiteiten hebben het percentage binnen de WP-categorieën hoogleraren, universitair hoofddocenten, universitair docenten en docenten terug gebracht naar 22% in 2016 conform cao-afspraak en naar 18% in 2018. Hierbij zijn promovendi en post-docs buiten beschouwing gelaten omdat deze functies per definitie tijdelijk zijn.
Kunt u een overzicht met de Kamer delen over het aandeel vaste- en flex-contracten binnen universiteiten van de afgelopen twintig jaar?
jaar
percentage
17
17
21
22
21
21
21
22
23
24
jaar
percentage
26
26
25
26
27
28
28
28
27
27
Bron: WOPI (VSNU)
Bent u bereid om de Inspectie SZW opdracht te geven een onderzoek in te stellen naar de werkomstandigheden waarin onder meer de normurensystematiek en «grijs verzuim» onderzocht wordt?
De inspectie SZW heeft de melding van WO in Actie in behandeling genomen. De inspectie SZW zal deze in volle omvang betrekken bij de reeds geplande inspecties bij de 14 Nederlandse universiteiten (naar aanleiding van een eerdere rapportage van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren waarin onder meer melding werd gemaakt van structurele ongewenste omgangsvormen richting vrouwelijke hoogleraren). In de inspecties zal ook de in de melding genoemde normurensystematiek en het grijs verzuim aan de orde zijn.
Kunt u bovenstaande vragen één voor één uitgebreid beantwoorden?