Het bericht 'Bedrijven zetten recherche in bij ziekmeldingen werknemers: ’Toen bleek hij ergens anders aan het werk te zijn’' |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Wat is volgens u de oorzaak van het feit dat Nederland meer (deels) arbeidsongeschikten heeft dan de meeste andere Europese landen? Bent u het ermee eens dat er in ons stelsel in Nederland juist «prikkels» zijn die erop gericht zijn om dit te voorkomen? Welke van dit soort prikkels zijn er aanwezig in ons stelsel? Welke hiervan liggen bij werkgevers, welke bij werknemers en welke bij uitvoeringsinstanties?1 2 3 4
Er zijn diverse verklaringen voor waarom het aandeel arbeidsongeschikten per land verschillend is. Voor een deel zitten de verschillen bijvoorbeeld al in de definitie van arbeidsongeschiktheid en de voorwaarden om recht te krijgen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. En in welke soorten uitkeringen in de statistieken meetellen als arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Een van de verklaringen voor de internationale verschillen die ook in één van de in de vraag aangehaalde krantenartikelen staat, is dat in Nederland wordt beoordeeld in hoeverre iemand nog wel kan werken naast een arbeidsbeperking. Dat is niet in alle andere landen zo. Hierdoor zijn er weliswaar in verhouding meer mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar een relatief groot deel van die mensen werkt ook naast de uitkering. Daarnaast spelen de relatief hoge arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in Nederland mogelijk een rol. Ook heeft Nederland relatief veel mensen die werken in een tijdelijke arbeidsovereenkomst en blijft de re-integratie van deze groep werknemers achter.5 Verschillen tussen socialezekerheidsstelsels en statistieken daarover daarvan moeten altijd met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Vooral na problemen met de hoge instroom in de toenmalige WAO, zijn verschillende prikkels ingevoerd om re-integratie bij ziekte en arbeidsongeschiktheid te bevorderen en het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te beheersen. Die prikkels zitten door het hele stelsel, vanaf de periode van loondoorbetaling bij ziekte tot in de uitkeringshoogte en premiebetaling voor de ZW en de WIA. Voor werkgevers zijn de belangrijkste prikkels de wettelijke verplichting om gedurende de eerste twee jaar van ziekte 70% van het loon door te betalen en zich in te spannen voor re-integratie. De wettelijke loondoorbetaling van 70% geeft de werknemer ook een financiële prikkel om zo snel mogelijk het werk te hervatten, hoewel werkgevers en werknemers in CAO’s vaak bovenwettelijke aanvullingen afspreken tot 100% loondoorbetaling waarmee deze prikkel vermindert of verdwijnt. Ook heeft de werknemer in deze periode de verplichting om mee te werken aan re-integratie.
Als de werknemer na die twee jaar recht krijgt op een WIA-uitkering, dan betaalt de (oud-) werkgever nog maximaal 10 jaar mee aan de uitkering van deze werknemer. Als de werknemer instroomt in de WIA en nog arbeidsvermogen heeft, bestaan de belangrijkste prikkels voor de werknemer uit:
In hoeverre is het hoge verzuimniveau te verklaren door macrotrends, zoals een stijging van mentale klachten, de «hypernerveuze» samenleving, deeltijdcultuur met voltijdse taaklast, een krappe arbeidsmarkt en toegenomen werkdruk?
Een deel van het verzuim in Nederland kan door macrotrends en ontwikkelingen in de samenleving en op arbeidsmarkt worden verklaard.
Uit de tweejaarlijkse Arbobalans6 van TNO, in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, volgt dat van het totale ziekteverzuim in Nederland ongeveer 8% komt door psychische klachten. Na griep, verkoudheid en virusinfecties zijn psychische klachten hiermee de tweede reden die werknemers voor 2024 opgeven voor verzuim.7
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat meer mensen psychische problemen ervaren en vaker verzuimen op het werk. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) concludeert in een recent rapport dat onze «hypernerveuze samenleving» de mentale gezondheid onder druk zet.8 De toename van uitval door psychische klachten komt voort uit een samenspel van maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren. De toename van psychische aandoeningen in de WIA-instroom is geen uniek Nederlands verschijnsel en is ook niet inherent verbonden aan ons stelsel. Het past in een bredere, internationale, trend.9
Afgaande op de laatste vier metingen van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden over 2021–2024 lijkt er geen toename te zijn qua werkdruk, maar juist een afname. Wel blijft werkdruk als voornaamste reden van verzuim veroorzaakt door het werk in de periode 2022–2024 vrij stabiel rond de 27%.10 Eveneens blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden dat in de periode 2021–2024 het aandeel werknemers met burn-outklachten niet verder is gestegen.11, 12, 13, 14
Met betrekking tot het huidige en toekomstige verzuimniveau speelt een rol dat werknemers steeds langer doorwerken en dat het aandeel oudere werknemers is toegenomen. Hierdoor neemt het aandeel werknemers met chronische klachten en het daaraan gerelateerde verzuim toe.
De toegenomen instroom in de WIA kan voor een deel worden verklaard door de dubbele vergrijzing. Ongeveer de helft van de stijging tussen 2006 en 2024 is toe te schrijven aan het langer doorwerken van oudere werknemers. Dit is het gevolg van het afbouwen van vroegpensioenregelingen en de beleidsmatige verhoging van de AOW-leeftijd.15
Houdt uw ministerie een integraal en actueel overzicht bij van knelpunten in het stelsel van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, zoals ervaren door werkgevers? Zo ja, kunt u dit overzicht, inclusief eventuele oplossingsrichtingen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog structureel te gaan monitoren?
De (belangrijkste) knelpunten binnen het ziekte- en arbeidsongeschiktheidsstelsel zijn recent in het kader van onder meer de probleemanalyse en het advies van de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS)16, 17.
Mijn voorgangster heeft OCTAS verzocht om deze knelpunten en de mogelijke oplossingsrichtingen in kaart te brengen en daarover een advies uit te brengen. De probleemanalyse van deze commissie geeft de belangrijkste knelpunten weer en in het eindrapport wordt verder ingegaan op de mogelijke oplosrichtingen. Beide documenten zijn aan de Tweede Kamer aangeboden.18
Het nieuwe kabinet kan keuzes maken op basis van deze gesignaleerde actuele knelpunten en gepresenteerde oplossingsrichtingen en aanbevelingen.
Daarnaast zijn we altijd in gesprek met sociale partners over knelpunten die zij ervaren in het huidige stelsel. Mede op basis van die input en aanbevelingen wordt als onderdeel van arbeidsmarktpakket gewerkt aan een wetsvoorstel dat werkgevers eerder duidelijkheid gaat geven over de re-integratie en vervanging van langdurig zieke werknemers.
Ook werken we aan een wetsvoorstel om per 2028 het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend te maken bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en neemt het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Treft de regering aanvullend beleid om ziekteverzuim in Nederland terug te dringen?
In Nederland zijn werkgevers verplicht ervoor te zorgen dat hun werknemers veilig en gezond kunnen werken. De mate van bescherming die zij moeten bieden, is door de overheid vastgelegd in de Arbowet. Hiertoe dient elk bedrijf arbobeleid te voeren. Een goed arbobeleid leidt tot duurzame inzetbaarheid en verhoogde productiviteit. Het arbobeleid beperkt de gezondheidsrisico’s, vermindert het ziekteverzuim en bevordert de re-integratie.
In de Arbovisie 2040 presenteerde het kabinet de missie van nul doden door werk («zero death») en zo min mogelijk ongevallen en zieken door werk. Daarbij is focus op preventie essentieel. Met de Arbovisie 2040 is een traject ingezet om te komen tot een toekomstbestendig arbostelsel. Structurele verbeteringen zijn alleen te realiseren door een stevig commitment en goede samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de overheid en door inspanning van alle betrokkenen. Het realiseren van een trendbreuk van «zero-death» vraagt om een meerjarige, gefaseerde aanpak, die door het kabinet uiteen is gezet in de kabinetsreactie op het SER-advies «Gezond en veilig werken door effectieve regels en preventie».19
Daarnaast voert het kabinet een gezondheidsbeleid om te voorkomen dat mensen ziek worden en moeten verzuimen. Er zijn bijvoorbeeld landelijke afspraken en samenwerkingen voor een gezonde leefstijl, zoals het Preventieakkoord20, het Integraal Zorgakkoord21 en aanvullend zorg- en welzijnsakkoord22. Om te bevorderen dat zieke werkenden tijdens hun behandeling (deels) aan het werk kunnen blijven of na behandeling sneller weer aan het werk kunnen is samenwerking tussen arbeidsgerelateerde zorg en curatieve zorg essentieel.
Initiatieven vanuit de beroepsgroepen van bedrijfsartsen en medisch specialisten dragen hier inmiddels aan bij, met ondersteuning van het Ministerie van SZW.23
Beschikt de regering over cijfers of schattingen van misbruik van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon- of WIA-voorschotten? Indien dergelijke cijfers ontbreken: waarom worden deze niet systematisch verzameld en bent u bereid dit te verbeteren?
De regering beschikt niet over cijfers die inzichtelijk maken of en in welke mate er door werknemers misbruik zou worden gemaakt van ziekmeldingen, re-integratieverzuim of ten onrechte ontvangen loon. Bij eventuele twijfel over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer kan de werkgever de bedrijfsarts vragen daar op basis van diens medische expertise een inschatting van te laten maken. Ik zie in centrale registratie van deze cijfers, als die überhaupt mogelijk zou zijn, onvoldoende toegevoegde waarde. Daarnaast zou dit voor werkgevers aanzienlijke extra administratieve lasten en kosten met zich meebrengen.
Ook over eventueel misbruik van WIA-voorschotten zijn geen cijfers beschikbaar. Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.24 Hierop ga ik verder in bij het antwoord op vraag 13. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
Bent u het ermee eens dat de rechten die ziekte meebrengt voor werknemers, en de plichten die ziekte meebrengt voor werkgevers soms tot complexiteit en mogelijk misbruik leiden? Zijn u cijfers bekend van misbruik van ziekmeldingen en het recht op doorbetaling?
Voor wat betreft uw vraag over de aanwezigheid van eventueel misbruik van ziekmeldingen en het recht op loondoorbetaling verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 5.
In veel situaties zal er bij de werkgever geen aanleiding zijn om te twijfelen aan de ziekmelding van de werknemer. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 uiteen heb gezet, heeft een werkgever, in het geval er toch aanleiding voor twijfel is over de ziekmelding of de (medische) belastbaarheid van de werknemer, de mogelijkheid de bedrijfsarts te vragen op basis van diens medische expertise een inschatting te maken.
Een ziekmelding is voor de werknemer overigens niet vrijblijvend. Voor zowel de werkgever als werknemer gelden na een ziekmelding verplichtingen om te werken aan spoedige en duurzame re-integratie van de werknemer terug naar arbeid. Bij het (verwijtbaar) niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen heeft de werkgever mogelijkheden om over te gaan tot, waarschuwen, loonopschorting, loonstop of – in ernstige gevallen – ontslag (zie ook mijn antwoord op vraag25.
Ik kan mij enerzijds voorstellen dat het advies van de bedrijfsarts, en in sommige gevallen beperkt inzicht in de toestand van de werknemer, soms tot onduidelijkheid en vragen leidt bij werkgevers en daarmee dus ook extra complexiteit met zich meebrengt. Anderzijds is het voor een zorgvuldige inschatting in het belang van zowel de werkgever als de werknemer noodzakelijk dat juist een deskundig en onafhankelijk arts die inschatting maakt. Daarbij geldt dat van de bedrijfsarts verwacht mag worden dat hij een duidelijke inschatting maakt van wat de werkgever, bij medische beperkingen van de werknemer, wel en niet mag verwachten in het kader van het re-integratietraject. Dat moet de werkgever voldoende duidelijkheid en houvast geven om goede afspraken met de werknemer te maken over een passend re-integratietraject.
Waar het stelsel enerzijds effectief is gebleken waar het gaat om het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid26 begrijp ik anderzijds dat werkgevers, en zeker kleine, werkgevers dit als zwaar en complex kunnen ervaren. We werken dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers bij de verplichtingen rondom loondoorbetaling bij ziekte te ontlasten:
Tot slot is het ook aan het nieuwe kabinet om keuzes te maken naar aanleiding van de aanbevelingen en adviezen van de OCTAS en het IBO-WIA, gericht op een beter uitlegbaar, betaalbaar en uitvoerbaar stelsel voor ziekte- en arbeidsongeschiktheid, ook voor werkgevers. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3.
Klopt het dat er in de praktijk beperkt sancties worden uitgedeeld aan werknemers die hun re-integratieverplichtingen niet nakomen? Hoe verhoudt dit zich tot sancties die aan werkgevers opgelegd worden? Kunnen werkgevers loonsancties opgelegd krijgen door verwijtbaar handelen van de werknemer? Zo nee, zijn er signalen (zoals uit het artikel) dat dit wel gebeurt? Bent u bereid dit nader te onderzoeken?
Wanneer een werknemer niet of onvoldoende meewerkt aan de re-integratie en daarmee (verwijtbaar) geen gevolg geeft aan diens wettelijke verplichtingen, heeft de werkgever verschillende mogelijkheden om in te grijpen. Denk daarbij aan het, na een (schriftelijke) waarschuwing, eventueel opschorten van het loon, een loonstop, of -in ernstige gevallen- ontslag wegens verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie. Voor de onderbouwing van een dusdanig ontslagverzoek bij de kantonrechter is in ieder geval een deskundigenoordeel van UWV nodig. Over in hoeveel situaties gebruik wordt gemaakt van die mogelijkheden zijn geen cijfers.
Verschillende door de rechtspraak gepubliceerde uitspraken geven inzicht in voorbeelden maar kunnen niet als indicatie gebruik worden voor het daadwerkelijk aantal gevallen. In het door werkgevers laten registreren van dit soort cijfers zie ik overigens onvoldoende meerwaarde, temeer omdat dit voor werkgevers extra administratieve lasten en (regeldruk)kosten met zich mee zou brengen.
Een verlenging van de loondoorbetalingsplicht bij het verrichten van onvoldoende re-integratie-inspanningen (de loonsanctie) kan alleen door UWV opgelegd worden aan een werkgever. Wel kan UWV bij de conclusie dat de werknemer onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht een maatregel opleggen zoals een korting op de WIA-uitkering.
Wanneer een werknemer onvoldoende re-integratieverplichtingen verricht kan dit een rol spelen bij het opleggen van een loonsanctie. Uit cijfers van UWV blijkt dat loonsancties die (mede) door verwijtbaar handelen van de werknemer aan de werkgever worden opgelegd nauwelijks voorkomen (0,6% van de loonsancties in de periode 2022–2024). Daarbij is van belang op te merken dat een loonsanctie in deze situaties alleen opgelegd kan worden indien de werkgever onvoldoende heeft gedaan om de werknemer tot medewerking te bewegen. Wanneer de werkgever aan diens verplichtingen heeft voldaan, waaronder in voldoende mate heeft gepoogd de werknemer te activeren, maar de werknemer niet, dan is dat geen aanleiding voor het opleggen van een loonsanctie aan de werkgever.
Ik acht het met u van groot belang dat een werkgever geen loonsanctie opgelegd krijgt indien hij in het kader van de re-integratie van de werknemer heeft gedaan wat van hem verwacht wordt. In dat kader wordt zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 6, onder meer gewerkt aan het wetsvoorstel dat bij de RIV-toets van UWV het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de werknemer leidend maakt, dit wetsvoorstel geeft de werkgever vooraf (vóór de RIV-toets van UWV) meer zekerheid over wat van hem in het kader van de re-integratie verwacht mag worden.
Hoe duidt u de scherpe stijging van mentale klachten als verzuimreden, onder zowel werknemers als zelfstandigen? Kunt u aangeven in hoeverre deze klachten volgens wetenschappelijke inzichten werkgerelateerd zijn, dan wel voortkomen uit privéomstandigheden of maatschappelijke druk?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2 is, op basis van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden werkdruk als verzuimreden veroorzaakt door het werk, voor werknemers in de afgelopen drie jaar stabiel rond de 27% gebleven. Uit de Arbobalans 2024 blijkt voor werknemers dat 75% van de psychische klachten als verzuimreden, hoofdzakelijk of deels, werkgerelateerd is.
Daarvan uitgaande kan worden verondersteld dat de overige 25% wordt veroorzaakt door privéomstandigheden en/of maatschappelijke oorzaken.
Op basis van de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat psychische klachten, overspannenheid en burn-out als verzuimreden voor zelfstandigen in de periode 2021–2025 is gezakt van 6,4% naar 4,5%.27, 28, 29
Uit de Zelfstandigen Enquête Arbeidsomstandigheden blijkt dat verzuim hoofdzakelijk of deels veroorzaakt door werk is gezakt van 30% naar 19%. Hierin is een te hoge werkdruk als belangrijkste reden van verzuim gezakt van 26% naar ongeveer 20%.
Zoals beschreven zijn psychische klachten door het werk een groot deel van de totale verzuimkosten zijn. Het is daarom van belang om in de aanpak van werkstress en werkdruk te blijven investeren.30 Niet alleen is het vervelend als een werknemer zijn beroep niet kan uitoefenen of dat een werkgever zijn arbeidskracht moet missen. Ook brengt een (langdurig) uitvallende werknemer de nodige maatschappelijke kosten met zich mee.
Zijn de re-integratietrajecten die toegepast worden op mentale problematiek in lijn met de wetenschappelijke inzichten die we hebben over mentale klachten? Hoe worden werkgevers hierbij betrokken? Hebben zij inspraak in de re-integratieaanpak? Is dat wat u betreft voldoende effectief?
Een aanzienlijk deel van het ziekteverzuim (ongeveer 8%) heeft betrekking op psychosociale klachten.31 Wat voor medische behandeling eventueel wordt toegepast bij mentale problematiek hangt af van de diagnose en de aard van de aandoening en klachten. Vaak zal de behandelaar (of behandelend arts) op basis van de huidige kennis over de specifieke problematiek een eventuele behandeling voorschrijven.
De Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (NVAB) heeft voor bedrijfsartsen en verzekeringsartsen een richtlijn voor het handelen bij werkenden met psychische problemen.32 De bedrijfsarts zal bij (potentieel) langdurig verzuim op basis van de medische klachten een probleemanalyse opstellen die ook ingaat op de belastbaarheid van de werknemer. Op basis van de probleemanalyse van de bedrijfsarts wordt uiterlijk in de achtste ziekteweek een plan van aanpak opgesteld door werkgever en werknemer. In dat plan van aanpak worden afspraken gemaakt over de re-integratie-inspanningen die nodig zijn om weer te komen tot een duurzame en (waar mogelijk) spoedige terugkeer van de werknemer naar werk. De werkgever heeft daarbij inspraak en een belangrijke rol bij de totstandkoming van het plan van aanpak (en dus ook het re-integratietraject) alsmede bij de regelmatige evaluatie en, waar nodig, aanpassing daarvan.
Deze bovenstaande aanpak is onderdeel van de Wet verbetering poortwachter. De Wet verbetering poortwachter is vanaf de invoering effectief gebleken in het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.33 Tegelijkertijd vraagt het veel van werkgevers en werken we dan ook aan verschillende (wets)trajecten om werkgevers op dit vlak te ontlasten. Zie daarvoor ook mijn antwoord op vraag 3 en vraag 7.
Voor mensen met mentale problematiek stelt UWV voor de UWV- en gemeentelijke doelgroep het instrument IPS (Individuele Plaatsing en Steun) ter beschikking.
IPS is wetenschappelijk onderbouwd en is dé methode om mensen met een ernstige psychische aandoening te helpen bij het verkrijgen en behouden van betaald werk. GGZ-instellingen die voldoen aan het door kenniscentrum Phrenos opgestelde kwaliteitskader voor de implementatie van IPS kunnen dit instrument in overleg met een cliënt aanvragen. De uitvoering van dit instrument gebeurt door mensen die door Phrenos zijn opgeleid als IPS-begeleider. Naast IPS voor mensen met ernstige psychische aandoeningen wordt ook geëxperimenteerd met IPS voor lichtere psychische aandoeningen (IPS-CMD). Naast IPS biedt UWV aan mensen met mentale problematiek en een UWV uitkering persoonlijke ondersteuning bij hun re-integratie, waarbij UWV ook de mogelijkheid heeft om re-integratie trajecten en of scholing in te kopen.
UWV heeft daarnaast via de werkgeversdienstverlening ook aandacht voor werkgevers rond dit thema. Zo biedt de divisie Werkbedrijf proactief kennis aan, bijvoorbeeld middels kennissessies over een mentaal gezonde werkvloer. Maar ook door middel van gerichte begeleidingstrajecten worden werkgevers ondersteund.
Hoort bij alle mentale klachten automatisch het advies tot volledige arbeidsongeschiktheid, of is er sprake van een mismatch tussen klachten en de feitelijke medische noodzaak van ziekmelding? Hoe wordt voorkomen dat ziekmelding een «toevluchtsoord» wordt bij conflicten, werkdruk of privéproblemen? Welke rol mogen werkgevers hierin spelen?
De aanwezigheid van mentale klachten leidt niet per definitie tot de conclusie dat de betreffende werknemer niet of in het geheel niet in staat is diens of andere passende werkzaamheden te verrichten, noch leidt dit per definitie tot de conclusie dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA. Indien een werknemer zich ziekmeldt ten gevolge van mentale klachten kan de werkgever de bedrijfsarts om advies vragen vanuit diens medische expertise over in welke mate die klachten de werknemer beperken om diens werkzaamheden uit te oefenen.
Indien de klachten geen medische oorzaak blijken te hebben maar bijvoorbeeld voortkomen uit een conflict (denk aan zogenaamde «situatieve arbeidsongeschiktheid» bij een conflict), dan gaat het niet om uitval door ziekte maar zijn er andere redenen voor de werkgever en werknemer om samen om de tafel te gaan zitten. Daarbij komt aan de werkgever als een van de twee partijen in de arbeidsrelatie uiteraard een essentiële rol toe.
Het is aan diegene met medische expertise om te kunnen beoordelen of er sprake is van arbeidsuitval door ziekte of niet. Daarvoor zijn in ons stelsel de bedrijfsarts en verzekeringsarts de aangewezen deskundigen.
Klopt het dat werkgevers niet mogen vragen naar de aard of oorzaak van de ziekte, maar wel volledig verantwoordelijk zijn voor re-integratie en voor naleving van alle verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter? Zijn er signalen bij u bekend dat werkgevers problemen ervaren met de privacywetgeving omtrent zieke werknemers? Hoe beoordeelt u deze asymmetrie? Kunt u aangeven welke informatie een werkgever minimaal zou moeten kunnen krijgen om effectief en verantwoordelijk te kunnen re-integreren zonder de privacywetgeving te schenden?
Gegevens over zieke werknemers zijn bijzondere, zeer privacygevoelige persoonsgegevens. Daarvoor gelden strenge regels. Het vastleggen en delen (verwerken) van bijzondere persoonsgegevens over zieke werknemers door de werkgever is verboden. Dit betekent dat bij een ziekmelding de werkgever alleen voor hem noodzakelijke gegevens mag registreren, bijvoorbeeld of ziekte verband houdt met een arbeidsongeval. Elke werkgever in Nederland moet een basiscontract hebben afgesloten met een gecertificeerde arbodienst of BIG-geregistreerde bedrijfsarts. Zij ondersteunen de werkgever bij preventieve taken en verzuimbegeleiding. Bij langdurig verzuim is het aan de arbodienst of bedrijfsarts om de werkgever te informeren over de verwachte duur van de ziekte en te adviseren over de belastbaarheid van de werknemer in geval van herstel en re-integratie. De bedrijfsarts dient die informatie ook inzichtelijk te maken in de, uiterlijk in de zesde week van ziekte op te stellen, probleemanalyse. Inzicht in de belastbaarheid van de werknemer is voor de werkgever van belang om samen met de werknemer een effectief en verantwoord re-integratietraject tot stand te kunnen brengen zonder dat daarmee medische gegevens gedeeld hoeven te worden. De probleemanalyse van de bedrijfsarts biedt de werkgever en werknemer dan ook een belangrijke basis voor het opstellen van het plan van aanpak waarin onderlinge afspraken worden gemaakt over de re-integratie van de werknemer.
Klopt het dat werkgevers geen inspraak hebben in de door UWV opgelegde stappen in het plan van aanpak, maar wel aansprakelijk zijn voor het niet tijdig of volledig uitvoeren hiervan? Bent u bereid te onderzoeken of de positie van werkgevers hierin evenwichtiger kan worden ingericht?
Uiterlijk in de zesde week van het ziekteverzuim dient een gesprek met de bedrijfsarts plaats te vinden waarna deze (de bedrijfsarts of de arbodienst) een probleemanalyse opstelt. In die probleemanalyse wordt onder meer inzicht gegeven in welke belastbaarheid de werknemer heeft.
Uiterlijk in de achtste week van het ziekteverzuim dienen werkgever en werknemer het plan van aanpak op te stellen. Daarbij heeft het UWV geen rol maar gaat het dus om de afspraken die werkgever en werknemer onderling maken over het te volgen re-integratietraject. Zij gebruiken daarbij wel de probleemanalyse van de bedrijfsarts en zo nodig kunnen andere deskundigen adviseren (zoals een arbeidsdeskundige).
Op dit moment wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat er toe moet leiden dat de inschatting van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend is bij de toets die het UWV uitvoert op het re-integratieverslag (de RIV-toets). Hierdoor kunnen werkgevers, o.a. bij het vormgeven van het plan van aanpak, blijven uitgaan van het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid en hoeven zij zich geen zorgen te maken over de vraag of de verzekeringsarts van UWV, na twee jaar, mogelijk een andere inschatting over de belastbaarheid maakt. Daarmee neemt voor de werkgever het risico op een verlenging van de loondoorbetalingsperiode met maximaal 52 weken (loonsanctie) af.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarin arbeidsongeschikten een voorschot houden wanneer UWV bij de uiteindelijke beoordeling vaststelt dat de werknemer niet of minder arbeidsongeschikt is dan eerder aangenomen? Geldt dit ook wanneer sprake is van aantoonbare misleiding of kwade trouw? Zo ja, acht u dit wenselijk? Zo nee, hoe waarborgt u dat misbruik wordt aangepakt?
Het gaat hier om het kwijtscheldbeleid rondom WIA-voorschotten dat sinds medio 2021 geldt.34 Op dit moment is dat beleid tegenwettelijk en daarom was het beleid altijd tijdelijk. Vanwege de verwachting dat het beleid langer nodig is, zijn afgelopen voorjaar middelen vrijgemaakt om het tijdelijke kwijtscheldbeleid van WIA-voorschotten structureel te maken.35 Dit geeft mensen de zekerheid dat zij het voorschot dat ze krijgen in afwachting van de WIA-claimbeoordeling niet hoeven terug te betalen. Wel kan het voorschot verrekend worden met een WGA- of WW-uitkering als na de WIA-claimbeoordeling blijkt dat er tijdens de voorschotperiode recht was op een dergelijke uitkering. Er zijn geen signalen bekend dat er misbruik wordt gemaakt van dit beleid.
De afgelopen periode is er gewerkt aan het creëren van een wettelijke grondslag voor dit beleid. Het wetsvoorstel hiertoe wordt naar verwachting voor de zomer aan uw Kamer aangeboden.
De verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat kinderen in krimp- en grensregio’s een bovengemiddelde kans hebben om in energiearmoede op te groeien?1
Ja het kabinet is bekend met het onderzoek van TNO over kinderen in energiearmoede. TNO heeft becijferd dat in 2024 naar schatting 510.000 huishoudens (circa 6% van het totaal aantal huishoudens) en 293.000 kinderen in energiearmoede leven. TNO laat daarbij zien dat kinderen die in energiearmoede opgroeien zich in een kwetsbaardere sociaaleconomische situatie bevinden. Zo is het huishoudinkomen vaak aanzienlijk lager. Energiearmoede komt het vaakst voor in de Randstad (frequentie), maar de diepte van energiearmoede is in de grensregio’s gemiddeld groter, doordat het gemiddelde inkomen lager ligt en de gemiddelde woonoppervlakte groter is2. In de overige regio’s zien we gemiddeld een lager percentage huishoudens in energiearmoede.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen in krimp- en grensregio’s een grotere kans hebben om in energiearmoede op te groeien?
Het kabinet vindt het belangrijk dat alle huishoudens in Nederland kunnen meekomen in de energietransitie en een betaalbare energierekening hebben, ongeacht waar iemand woont. Daarnaast zet het kabinet zich ook breed in om (de gevolgen) van kinderarmoede tegen te gaan3. Geen kind zou in armoede moeten opgroeien. Daarom blijft dit kabinet zich er sterk voor maken om kinderarmoede aan ta pakken, waar dan ook in Nederland. Zoals in de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, komt energiearmoede (onder kinderen) het vaakst voor in de Randstad en in grensregio’s. Om huishoudens in energiearmoede te ondersteunen heeft dit kabinet diverse maatregelen verlengd of verder uitgebreid, zoals de inzet van de Specifieke uitkering Energiearmoede aan gemeenten met in totaal € 550 miljoen, het Tijdelijk Noodfonds Energie en het verder uitfaseren van huurwoningen met een EFG-label. Zie hiervoor ook de Kamerbrief uit augustus vorig jaar: Monitor Energiearmoede 20244. De gevolgen die energiearmoede kan hebben op kinderen zijn daarbij belangrijk om mee te wegen in het te nemen beleid.
Hoe bent u van plan te waarborgen dat gezinnen met kinderen in krimp- en grensregio’s toegang houden tot betaalbare energie?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is benoemd, hecht het kabinet eraan dat huishoudens in Nederland een betaalbare energierekening hebben. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen en nog steeds van kracht. Op dit moment werkt het kabinet ook aan de uitwerking van een publiek energiefonds5, waarmee aan huishoudens in energiearmoede tijdelijke financiële steun wordt geboden en huishoudens actief worden doorverwezen naar hulp bij het verduurzamen van de woning.
TNO heeft in opdracht van het Rijk naar aanleiding van een motie van het voormalig Kamerlid Postma6 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van beleidsopties om energiearmoede verder tegen te gaan tijdens de energietransitie. De uitkomsten hiervan zijn recent met de Kamer gedeeld7.
Deelt u het inzicht dat krimpregio’s zoals Zuid-Limburg en Noord-Groningen te maken hebben met een dubbele kwetsbaarheid, namelijk (1) slechtere energetische kwaliteit van de woningvoorraad en (2) demografische achteruitgang?
Uit cijfers van het CBS en een prognose van ABF Research8 blijkt dat elke regio zijn eigen demografische uitdagingen kent. Het kabinet deelt dat het aandeel energiearme huishoudens en de demografische ontwikkeling in de genoemde regio’s onze aandacht verdienen. In de genoemde regio’s is sprake van vergrijzing en het wegtrekken van jongeren, waardoor lokale faciliteiten onder druk komen te staan. Dat vraagt daarmee ook om een regionale aanpak die juist ook rekening houdt met de lokale gevolgen van demografische ontwikkelingen. Het kabinet en de regio’s werken samen om de kwaliteit van leven, wonen en werken van inwoners en ondernemers te verhogen, onder meer via de regiodeals.
Bent u bereid concrete maatregelen te nemen om in aansluiting op het rapport «Elke regio telt!» deze regionale ongelijkheden te verkleinen, zo ja welke en zo nee waarom niet?
Het kabinet onderzoekt, in lijn met motie-Van der Plas, hoe een plattelandstoets kan worden vormgegeven over de breedte van het nationale beleid. Belangrijke input hiervoor volgt uit de Rural Policy Review die in september 2025 van start is gegaan en loopt tot begin 2027. Dit onderzoek, dat wordt uitgevoerd door de OESO, heeft als doel om meer inzicht te krijgen in de (sociaaleconomische) staat van het landelijk gebied en de mogelijke beleidsinzet hierop, waar een plattelandstoets onderdeel van kan zijn.
Het kabinet heeft daarnaast, in aansluiting op het rapport «Elke regio telt» en het daaruit voortgekomen Nationaal Programma Vitale Regio’s, oog voor regionale en lokale ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij de aanpak van energiearmoede. De Monitor Energiearmoede geeft een inschatting van energiearmoede op nationaal en lokaal niveau. De verdeling van de Specifieke uitkering aanpak energiearmoede is gebaseerd op het percentage huishoudens met energiearmoede in de verschillende gemeenten. Verder is de aanpak van energiearmoede onderdeel geweest van regio- en wijkgerichte programma’s. Zo was de bespaarcoach één van de projecten van de Regio Deal Oost-Groningen I om woningeigenaren met een laag inkomen te ondersteunen bij het verduurzamen van hun woning en het besparen van energie. Door de City Deal Energieke Wijken zijn huishoudens in de gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) geholpen bij het verduurzamen van hun woning. Specifiek voor de regio’s Groningen en Noord-Drenthe is voor toekomstbestendige woningen van goede energetische kwaliteit ook maatregel 29 van Nij Begun van belang. Tenslotte dragen het Nationaal isolatieprogramma, de Nationale prestatieafspraken met woningcorporaties, de wijkaanpak met een regierol voor gemeenten en andere subsidies en ondersteuning ook in deze regio’s bij aan de aanpak van energiearmoede. Besluitvorming over verdere maatregelen om regio’s en wijken te versterken en mogelijke verschillen terug te dringen is aan een nieuw kabinet.
Op welke wijze wordt met betrekking tot de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s de regiotoets uitgevoerd, zodat de gevolgen voor regio’s en plattelandsgebieden expliciet worden meegewogen, in lijn met de aangenomen motie van het lid Van der Plas over onderzoeken hoe een plattelandstoets nader uitgewerkt kan worden en een rol kan spelen bij overheidsbeleid en wet- en regelgeving (Kamerstuk 36 410, nr. 121)?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u een actuele uitsplitsing geven van energiearmoede naar regio, inclusief het aantal huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie (het structureel uitzetten of laag houden van verwarming)?
Het aantal energiearme huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie was in 2023 naar schatting circa 124 duizend. Dit is in kaart gebracht in de jaarlijkse Monitor Energiearmoede die met de Tweede Kamer is gedeeld9. TNO schat dat voor 2024 deze groep licht zal dalen in absolute aantallen, naar ongeveer 119 duizend huishoudens. De regionale verdeling van onderconsumptie is niet in kaart gebracht.
Figuur 1 presenteert de energiearmoedekaart van Nederland voor 2024 op gemeenteniveau10. De gemeenten waarbij het aandeel huishoudens met energiearmoede naar schatting boven 10% uit komt in 2024 zijn: Heerlen, Vaals, Enschede, Rotterdam, Almelo, Pekela, Oldambt, Maastricht, Arnhem en Kerkrade.
Figuur 1. percentage energiearme huishoudens per gemeenten in 2024 (voorlopige schatting)
Klopt het dat beleid rondom energiearmoede momenteel versnipperd is over meerdere ministeries (Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en dat hierdoor een overkoepelende visie ontbreekt?
De ministeries van KGG, VRO en SZW werken samen aan de aanpak van energiearmoede. Huishoudens met energiearmoede hebben een laag inkomen, hoge kosten voor gas en elektriciteit en/of een woning van lage energetisch kwaliteit. Dit vraagt om een aanpak op verschillende fronten. De Minister van VRO heeft het voortouw bij beleid dat gericht is op het verbeteren van de energetische kwaliteit van woningen. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor het behoud van koopkracht en gerichte financiële ondersteuning. De Minister van KGG is stelselverantwoordelijk voor het energiesysteem, waaronder de betaalbaarheid van de energierekening.
In 2022 zijn de ministeries van KGG, VRO en SZW onder leiding van TNO het Landelijk Onderzoeksprogramma Energiearmoede gestart. Dit programma is september 2025 afgelopen, maar het vraagstuk blijft actueel. Structurele monitoring en meerjarige kennisontwikkeling blijft nodig om nationale en lokale besluitvorming over energiearmoede te ondersteunen. De ministeries van KGG, VRO en SZW hebben daarom in samenwerking met TNO en RVO het Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO) opgezet. Het NEO ontwikkelt en ontsluit kennis via (1) monitoring, (2) onderzoek en (3) kennisnetwerkbeheer. Het vervult ook een belangrijke signaalfunctie: het brengt zowel effectief beleid als knelpunten in de uitvoering vroegtijdig in beeld, zodat de overheid tijdig en gericht kan worden geïnformeerd en geadviseerd. Het observatorium is sinds 1 januari 2026 van start gegaan.
Bent u bereid een langetermijnstrategie energiearmoede op te stellen met duidelijke doelen, indicatoren en interdepartementale coördinatie?
Zie antwoord vraag 8.
Herkent u de signalen dat de private sector – zoals netbeheerders en energiebedrijven – bereid is een grotere rol te spelen in het opsporen en oplossen van energiearmoede?
Bij de aanpak van energiearmoede hebben publieke en private partijen elk een eigenstandige rol. Veel energiebedrijven helpen met het bestrijden van energiearmoede door informatie te verstrekken over verduurzamen of over energiebesparing. Energiebedrijven hebben vaak een loket opgezet waarbij ze consumenten helpen met verduurzamen via informatieverstrekking of met het aanbieden van woningadvies op maat.
Publieke en private partijen werken samen bij het oplossen van betalingsproblemen. Het doel is om zo vroeg mogelijk te signaleren wanneer huishoudens in de problemen komen en tijdig een passende oplossing te bieden. Deze samenwerking is vastgelegd in de Energieregeling en in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en onderliggende afspraken. De bescherming van de consument is specifiek vastgelegd in de Energieregeling en recent uitgebreid en is vanaf 1 januari jl. van kracht. De vernieuwde regels zijn opgesteld in samenwerking met schuldhulpverleners, de VNG, energieleveranciers en Netbeheer Nederland.11 De regeling is erop gericht om de consument te beschermen en gezamenlijk afsluiting van energie te voorkomen. Concreet vereist de regeling leveranciers en netbeheerders om contact op te nemen met de consument om de betalingsachterstand op te lossen, bijvoorbeeld door een redelijke en passende betalingsregeling te treffen. Verder zijn de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling tussen leveranciers en gemeente uitgebreid, zodat tijdig hulp geboden kan worden bij schuldhulpverlening. Het kabinet monitort continu hoe deze wijzigingen uitpakken.
Bent u bereid deze rol te verankeren, bijvoorbeeld door afspraken over vroegsignalering, datadeling en lokale samenwerking?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid de rol van energiecoöperaties en energiecoaches te versterken in de aanpak van energiearmoede, gelet op hun nabijheid en het grotere vertrouwen dat zij genieten in wijken?
Ja. Gemeenten hebben in drie tranches in 2022 en 2023 in totaal € 550 miljoen ontvangen voor de aanpak van energiearmoede via de SPUK Aanpak Energiearmoede. Veel gemeenten hebben deze middelen ingezet door middel van de inzet van energiehulporganisaties, ook veelal lokaal gewortelde organisaties. De uitvoeringstermijn van deze SPUK is verlengd van 2025 naar 2027 zodat gemeenten meer tijd hebben voor de uitvoering. Op 7 november heeft het Ministerie van SZW nog aanvullend 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de lokale energiearmoedeaanpak12.
Daarnaast heeft het kabinet, naar aanleiding van amendementen Postma/Rooderkerk13, een subsidie van 7,5 miljoen euro verstrekt aan het Actienetwerk Energiehulp. Met dit netwerk, opgericht door Fixbrigade Nederland en Energiebank Nederland, wordt gewerkt aan het bestrijden van energiearmoede en een rechtvaardige energietransitie. Dat doet het netwerk door lokale sociaal-maatschappelijke energiehulp-initiatieven op te zetten of te versterken waar dat nodig is, en door te bouwen aan een landelijk netwerk van lokaal gewortelde energiehulp-initiatieven die een bewezen effectieve energiehulp-aanpak toepassen.
De SPUK Aanpak Energiearmoede is ingezet in reactie op de energiecrisis van 2022. De middelen lopen nu af. De inzet voor het Europese Sociaal Klimaat Fonds en eventuele andere besluitvorming over verdere maatregelen die kunnen bijdragen aan de aanpak van energiearmoede nemen de lessen uit de ervaringen hiervan mee. Ook inzichten uit het recent verschenen onderzoek van TNO over energiearmoede ter opvolging van de motie-Postma bieden handvatten daartoe14.
Hoe gaat u gemeenten ondersteunen in het benutten van bestaande buurtpunten en wijkcentra bij het bereiken van moeilijk bereikbare groepen, waaronder bewoners met diverse culturele achtergronden?
Bij het signaleren en aanpakken van geldzorgen is het belangrijk dat er laagdrempelige hulproutes zijn. Er zijn ruim twintigduizend vrijwilligers die mensen met geldzorgen begeleiden aan de keukentafel. SZW stimuleert dit middels een subsidie aan de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp. Ook zijn er inmiddels 170 inlooppunten waar vrijwilligers mensen met geldzorgen helpen; ook hiervoor heeft SZW subsidie verstrekt. Deze en andere hulproutes worden beter vindbaar gemaakt door publiekscampagnes samen met Geldfit. Ook lopen er trajecten om huisartsen, geboortezorg, scholen, werkgevers etc. te betrekken bij de aanpak van geldzorgen. Meer hierover staat in het Nationaal Programma Armoede & Schulden, die de Kamer in juni 2025 heeft ontvangen15.
Tevens wordt samengewerkt met sleutelpersonen en ervaringsdeskundigen. Het is vaak lastig voor mensen met geldzorgen om hulp te vragen en in contact te komen met maatschappelijke en gemeentelijke organisaties. Andersom geldt dit ook. Daarvoor heb je mensen nodig die een brug kunnen slaan tussen deze organisaties en inwoners met geldzorgen. In een aantal gemeenten zijn ervaringswerkers en sleutelpersonen aan de slag gegaan om verbinding te leggen met inwoners en hen actief in contact te brengen met organisaties die hulp en ondersteuning bieden. Deze aanpak wordt nu uitgerold in andere gemeenten. Divosa, Pharos, Stichting Expertisecentrum Sterk uit Armoede, Vereniging Humanitas, Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, en Sociaal Werk Nederland16 versterken netwerken die het gesprek over geld stimuleren, waarin zorgen erkend worden en hulp snel te vinden is. In dit project wordt daarom onder andere ingezet op het trainen van ervaringswerkers en sleutelpersonen waarbij de geleerde lessen worden meegenomen.
Hoe voorkomt u dat huurders opgescheept blijven met torenhoge energierekeningen als gevolg van slechte woningkwaliteit waar zij zelf niet in kunnen of mogen investeren?
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is met woningcorporaties afgesproken dat woningcorporaties zich inzetten om uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de sector te laten verdwijnen. Zij zijn hierin al goed op weg. Het aantal sociale huurwoningen met een EFG-label is gedaald van 180.700 in 2023 naar 127.500 in 2025. In de NPA is ook afgesproken meer in te zetten op reductie van de gemiddelde warmtevraag van huurwoningen door isolatie. In 2030 wordt verwacht dat ruim 800.000 huurders bij sterk verbeterde isolatie € 350 tot € 550 euro per jaar kunnen besparen. Het aantal corporatiewoningen met een A-label of hoger is 47%.
Met het opnemen van minimum energieprestatie-eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor huurwoningen zorgen we voor toekomstbestendige woningen voor alle huurders. Het uitgangspunt hierbij is dat een juridische regeling moet zorgen dat een goed evenwicht ontstaat tussen de belangen van verhuurders, huurders en het algemeen belang. Alle eigenaren van huurwoningen met een energielabel E, F of G moeten hun pand uiterlijk op 1 januari 2029 verduurzamen naar minimaal energielabel D. Het opnemen van de eis draagt bij aan meer grip op de energierekening en beter wooncomfort van huurders. De verhuurder verbetert de woning, wat zich terugvertaalt in een hogere waarde van de woning en in de huurprijs. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 9 januari 202617 wordt parallel aan de Bbl-wijziging bekeken hoe de huurregels in het Burgerlijk Wetboek (BW) moeten worden aangepast, zodat investeringen in verduurzaming eenvoudiger in de huurprijs kunnen worden verwerkt. Het voornemen is om voor de wijziging van het BW begin 2026 een internetconsultatie te starten. Het uitgangspunt wat het kabinet wil hanteren is dat een verhuurder hierbij een redelijke huurverhoging kan vragen gezien de nodige investering en verbetering. Het voorstel om de eisen op te nemen in het Besluit bouwwerken leefomgeving is in november in internetconsultatie gegaan.
Bij de invoering van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 is in het woningwaarderingsstelsel (WWS) een puntenaftrek voor energielabels E, F en G opgenomen. Daarmee worden verhuurders nu ook al financieel geprikkeld de woningen met de laagste energielabels uit te faseren. Met onder andere een uitbreiding en verbetering van de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) worden private verhuurders ondersteund in het realiseren van de verduurzaming.
Huurders kunnen daarnaast gebruik maken van het wettelijk initiatiefrecht. Dit houdt in dat huurders verduurzaming bij de rechter af kunnen dwingen, als zij hiertoe een redelijk voorstel doen. Een ontwerpwetsvoorstel om het initiatiefrecht uit te breiden, zodat huurders ook initiatief kunnen nemen voor een maatregel als een (hybride) warmtepomp, is in internetconsultatie gebracht.
Wilt u de Kamer uiterlijk eind december dit jaar informeren over wat u gaat doen met de aanbevelingen uit het rapport van TNO?
Energiearmoede onder kinderen is onverminderd een belangrijk onderwerp. Jaarlijks brengt de Monitor Energiearmoede de ontwikkelingen van energiearmoede in kaart. De Kamer heeft daarnaast enkele weken geleden het TNO onderzoek ontvangen waarbij is onderzocht hoe energiearmoede zich zal ontwikkelen gedurende de energietransitie op basis van een factoranalyse18. Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede. Besluitvorming over eventuele generieke of gerichte maatregelen zoals genoemd in het rapport, is aan een volgend kabinet omdat dergelijke maatregelen een meerjarige beleidsaanpak vergen en ook forse budgettaire consequenties kunnen hebben. Zowel het rapport van TNO naar energiearmoede onder kinderen als het eerder genoemde onderzoek naar de effecten van beleidsopties op energiearmoeden bieden hier relevante overwegingen voor.
Het bericht '56 procent van Nederlanders draait verwarming niet open vanwege te hoge energiekosten: ’Kiezen tussen warm blijven of eten op tafel' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de Telegraaf dat steeds meer Nederlanders besluiten de verwarming dicht te draaien vanwege te hoge energiekosten?1
Ik heb kennis genomen van het bericht van de Telegraaf.
Kunt u kenbaar maken of deze cijfers in overeenstemming zijn met de gegevens van het ministerie? Zo ja, kunt u deze inzichtelijk maken en specificeren per gezinssituatie en onderverdelen in kinderen, volwassenen en senioren?
Voor cijfermatige inzichten in de ontwikkeling van energiearmoede maakt het kabinet gebruik van de jaarlijkse rapportages van CBS en TNO over dit onderwerp. Binnen deze rapportages is ook aandacht voor de onderconsumptie van energie, wat door TNO omschreven wordt als «verborgen energiearmoede». Het gaat hierbij om huishoudens met een laag inkomen en een woning van lage energetische kwaliteit die minder energie verbruiken dan verwacht.
De cijfers uit het artikel zijn niet in overeenstemming met de door TNO gepubliceerde inzichten. Het rapport waar de Telegraaf zich op baseert is tot stand gekomen op basis van een enquête. De resultaten uit deze enquête geven een belangrijk signaal af over de mate waarin huishoudens zich zorgen maken over de betaalbaarheid van de energierekening. Het kabinet houdt voor wetenschappelijke inzichten en het observeren van trends vast aan de data die TNO hierover publiceert.
In de meest recente rapportage wordt ingeschat dat het aantal huishoudens dat kampt met verborgen energiearmoede in 2024 ongeveer 119.000 bedraagt, ongeveer 1.4% van alle huishoudens.2 Dit aantal fluctueert de afgelopen jaren tussen de 1% en 1,5% van alle huishoudens in Nederland. TNO heeft in haar rapportage geen nadere uitsplitsing gemaakt van deze groep, een verdeling naar gezinssituatie is hiermee niet voorhanden.
Hoe verklaart u deze trend van verhoogde energiearmoede en een van de hoogste gasprijzen van Europa? Waarom is het als kabinet niet gelukt deze trend te keren?
Volgens de voorlopige inschatting in de Monitor Energiearmoede van TNO en CBS leven in 2024 510.000 huishoudens in energiearmoede. Dit is bijna 180.000 huishoudens meer dan in 2023. Het rapport vindt de verklaring hiervoor in het energieprijsniveau en het aflopen van de financiële steunmaatregelen die waren ingesteld ten tijde van de energiecrisis, meer specifiek de energietoeslag en het prijsplafond.
Daarnaast geeft het onderzoek aan dat het aantal energiearme huishoudens lager ligt dan in 2019, voor de energiecrisis. Dit komt onder andere door de getroffen verduurzamingsmaatregelen, gedragsverandering van consumenten en een stijging van het besteedbaar inkomen. Het aantal huishoudens met een combinatie van een lage energetische kwaliteit woning en een laag inkomen daalt door verduurzaming van woningen.
De inkoopprijs van gas op de groothandelsmarkt (TTF) is over het afgelopen jaar bezien gedaald en gestabiliseerd. De gasprijs lag in december 2025 op het laagste niveau sinds 2 jaar tijd, met 26,55 EUR/MWH. De month-aheadprijs ligt op dit moment van schrijven op 36,88 EUR/MWH, en de day-aheadprijs van elektriciteit is gemiddeld 17% lager ten opzichte van vorig jaar.2 Deze lagere prijzen vormen de basis van de prijzen voor consumenten in nieuwe contracten. De ACM rapporteert dat ten opzichte van de piek in februari de tarieven nu 14% lager liggen voor langlopende vaste contracten, 8% lager voor één jaarcontracten en 7% lager voor variabele contracten. De gemiddelde consument betaalt bij een nieuw contract 130 euro minder per jaar.3
Klopt het dat het kabinet zich nog steeds heeft gecommitteerd aan het niet laten toenemen van armoede en het tegengaan van de langetermijngevolgen van armoede?
Zoals in het Regeerprogramma aangegeven streeft het kabinet er naar om de (kinder-) armoedecijfers niet uit te laten komen boven het referentiejaar 2024. Hoe het kabinet dit aanpakt is uitgewerkt in het Nationaal Programma Armoede en Schulden. Ik verwacht u dit kwartaal de eerste voortgangsrapportage te kunnen sturen.
Hoe verantwoordt u dan de oplopende energiearmoede en het feit dat nu één op de twaalf kinderen opgroeit in energiearmoede?2
Het kabinet vindt het belangrijk om huishoudens in energiearmoede te helpen met het betalen van de energierekening en om in te zetten op maatregelen die structureel de energierekening verlagen.
De toename van het aantal huishoudens in energiearmoede tussen 2023 en 2024 is, zoals aangegeven bij vraag 2, voornamelijk het gevolg van het weggevallen van de steunmaatregelen. Deze maatregelen waren in de crisissituatie nodig om huishoudens te beschermen tegen sterk gestegen prijzen. Tegelijkertijd waren het prijsplafond en de energietoeslag relatief ongericht. Inmiddels zijn de energieprijzen gestabiliseerd en ervaart een meerderheid van de consumenten de energierekening als betaalbaar5.
Tegelijkertijd weten we dat er nog steeds een groep kwetsbare huishoudens moeite heeft met het betalen van de energierekening. Om die reden heeft het kabinet afgelopen drie jaar ook een subsidie verstrekt aan de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie. Het effect van deze financiële tegemoetkoming is overigens niet meegenomen in de genoemde monitor. Daarnaast komen de effecten van diverse verduurzamingsmaatregelen die na 2023 zijn genomen en die ook van belang zijn voor huishoudens met (risico op) energiearmoede, zoals de inzet van SPUK Aanpak Energiearmoede, het verder uitfaseren van EFG-huurwoningen, niet in de voorlopige inschatting voor 2024 tot uiting.
Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving, bijvoorbeeld middels de prestatieafspraken met corporaties om woningen met slechte energielabels uit te faseren. Voor alle verhuurders gaat normering op dit punt gelden vanaf 2029. Ook heeft het kabinet recent de bevindingen van TNO in het kader van de motie Postma naar de Kamer gestuurd.6 Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede.
Welke maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan en onmiddellijke verlichting voor gezinnen te bieden, nu het publieke energiefonds nog een jaar op zich laat wachten?
Het kabinet werkt op diverse manieren aan het betaalbaar houden van de energiekosten voor gezinnen met weinig geld. Dit is een gedeelde verantwoordelijkheid van het Ministerie van KGG (stelselverantwoordelijkheid energiesysteem), het Ministerie van VRO (energetische kwaliteit van woningen) en het Ministerie van SZW (armoedebestrijding).
Via een Decentrale Uitkering (DU) heeft het kabinet in 2025 € 10 miljoen toegevoegd aan het Gemeentefonds. In 2026 komt hier nog eens € 20 miljoen bij. De financiële dekking voor deze impuls komt van de SZW-begroting (€ 10 miljoen) en het amendement Grinwis (€ 20 miljoen). De middelen worden via een Decentrale Uitkering verstrekt aan gemeenten en zijn daarmee breed inzetbaar. Deze middelen vormen geen vervanging van het Tijdelijk Noodfonds Energie, dat directe inkomenssteun verleende aan inwoners. Gemeenten kunnen deze middelen inzetten om de bestaande dienstverlening binnen de lokale aanpak van energiearmoede te versterken. Binnen die aanpak zijn er verschillende manieren waarop de middelen kunnen worden benut. Ik ben met de VNG tot deze brede formulering gekomen, omdat huishoudens in energiearmoede zowel mogelijk financiële problematiek als bij het verduurzamen van het huis hulp kunnen gebruiken. Daarbij weten gemeenten vaak het beste hoe ze hun inwoners verder kunnen helpen.
Daarnaast heb ik in de Kamerbrief van 7 november geschetst welke inspanningen ik heb gepleegd om te bezien of er opnieuw een Tijdelijk Noodfonds Energie kon komen deze winter en waarom dit niet mogelijk is.
Met de impuls van € 30 miljoen voor de lokale energiearmoedeaanpak en het benutten van de data van 151.000 huishoudens van de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie kunnen gemeenten aanvullende en gerichtere hulp aanbieden.
Deelt u de mening van de Stichting Consumer Justice (CJF) dat de grote energieleveranciers misbruik maken van de prijswijzigingsclausules en daarmee het consumentenrecht en mededingingsrecht hebben overtreden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
De zaak waarover Stichting Consumer Justice spreekt, wordt momenteel in cassatie behandeld voor een individuele klant. Daarnaast is Stichting Consumer Justice een procedure gestart voor een massaclaim voor klanten die een soortgelijke situatie hebben meegemaakt. Het proces wordt door het Kabinet met aandacht gevolgd, maar het kabinet laat zich niet inhoudelijk uit over een zaak die zich nu nog onder de rechter bevindt. Er moeten diverse stappen doorlopen worden voordat duidelijk is wat de uitkomst zal zijn en of en zo ja voor welke groep consumenten deze uitspraak gevolgen kan hebben.
Bent u bereid een einde te maken aan telefonische werving, zoals de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voorstelt? Zo nee, waarom niet?
Er komen helaas veel gegronde klachten binnen van consumenten over telefonische werving. Dit probleem blijft niet onopgemerkt, want er wordt op allerlei manieren gewerkt aan maatregelen om klachten ten aanzien van telefonische werving aan te pakken vanuit zowel het Ministerie van Economische zaken als het gaat om consumentenbeleid in den brede -als het Ministerie van Klimaat en Groene Groei indien het specifiek de energiesector betreft. Een totaalverbod op telefonische werving is momenteel niet mogelijk, gezien de Europese kaders die daarvoor gelden. Wel wordt telemarketing op grond van de klantrelatie in 2026 verboden. Op dit moment mogen consumenten alleen worden gebeld als zij de beller daarvoor toestemming hebben gegeven of als zij klant zijn (geweest). Consumenten mogen straks alleen worden gebeld als zij de beller daar vooraf expliciet toestemming voor hebben gegeven.
Daarnaast zit in de nieuwe Energiewet, die op 1 januari 2026 van kracht is geworden, een nieuwe grondslag die ruimte beidt aan de ACM om de vergunning van een energieleverancier in te trekken die zich meermaals schuldig maakt aan oneerlijke handelspraktijken, zoals misleiding bij telefonische verkoop. Ook als namens een vergunning houdende energieleverancier geworven wordt, kan deze nieuwe stevige bepaling ingezet worden door de ACM.
Bent u bekend met het concept van de prijzenwaakhond in Zwitserland? Kunnen we soortgelijke bevoegdheden geven aan de ACM zodat zij de prijzen kunnen reguleren, controleren en, indien nodig, blokkeren? Zo ja, wanneer wilt u dit gaan invoeren? Zo nee, waarom niet?
In Zwitserland is de energiemarkt anders ingericht dan in Nederland, want de energiemarkt is daar niet volledig geliberaliseerd. Ook gelden de Europese kaders ten aanzien van de inrichting van de gas- en elektriciteitsmarkt niet in Zwitserland. De ACM kan geen prijzen reguleren of blokkeren, dat gaat in tegen de Europese regels over vrije prijsvorming. Wel mag de ACM prijzen controleren. Het is in beginsel aan energieleveranciers zelf om hun prijzen te bepalen en aan consumenten om een afweging te maken tussen de producten en prijzen van verschillende aanbieders. Een vergunning houdende energieleverancier moet energie leveren tegen transparante en redelijke prijzen. Een prijs is niet redelijk als deze onevenredig hoog is gezien de kosten van de leverancier of niet concurrerend is. De ACM houdt hierop toezicht en kan een bestuurlijke boete opleggen indien hieraan niet voldaan wordt.
Zou het volgens u helpen om de energie betaalbaar te maken door deze publiek te organiseren en zeggenschap te geven aan bijvoorbeeld omwoners zoals we steeds meer zien gebeuren door het land heen? Zo ja, hoe bent u van plan dit nationaal te stimuleren? Zo nee, waarom niet?3
Het publiek organiseren an sich helpt niet om energie betaalbaarder te maken, mede omdat een gevarieerd aanbod en concurrentie tussen energieleveranciers op de energiemarkt financieel voordeliger zijn voor de consument. Als omwonenden een energieproductiefaciliteit in eigendom hebben, vaak via een lokale energiecoöperatie, kan dit bijdragen aan de betaalbaarheid van energie als de coöperatief opgewekte energie tegen kostprijs aan de omgeving wordt geleverd.
Energiecoöperaties zijn echter ook kwetsbaar vanwege een beperkt portfolio waardoor risico’s onvoldoende gespreid kunnen worden.8 In de Kamerbrief over energiegemeenschappen van 29 september jl. is toegelicht hoe het kabinet de ontwikkeling van lokale energie-initiatieven stimuleert.9
Een belangrijke voorwaarde voor, en aandachtspunt bij, een goed werkende concurrerende energiemarkt is en blijft transparantie ten aanzien van prijzen en contractvoorwaarden. Dit is een consumentenrecht en wordt in de nieuwe Energiewet op verschillende punten aangescherpt. Zo hebben consumenten recht op een kosteloos en onafhankelijk vergelijkingsinstrument waarin energiecontracten vergeleken kunnen worden. Ook is verankerd dat een energieleverancier zijn prijzen en voorwaarden presenteert op een dusdanige wijze dat eindafnemers in staat zijn prijzen en voorwaarden van verschillende energieleveranciers te vergelijken. Voor lokaal opgewekte energie wordt gewerkt aan een transparante prijsvorming via een kostprijs-plus model dat voor alle energiegemeenschappen gelijk is. Zo zijn energiegemeenschappen een nieuw – niet commerciële speler op de energiemarkt en een alternatieve keuze voor consumenten om in hun energie te voorzien.
Erkent u dat het idee van de SP dat het reguleren van de prijzen van basisproducten, zoals energie en boodschappen, ervoor zorgt dat de (energie)armoede afneemt en gezinnen meer ruimte over houden in hun portemonnee? Zo ja, bent u bereid om deze maatregel te nemen? Zo nee, waarom niet?
Aan het reguleren van de prijzen kleven in de praktijk flinke nadelen aan. De Minister van Economische Zaken is dieper op prijsregulering ingegaan in de Kabinetsreactie op Initiatiefnota «Minder inflatie, meer bestaanszekerheid» van NSC en PVV. Maximumprijzen kunnen leiden tot schaarste en verminderde toegankelijkheid van producten en diensten. Daardoor kunnen goedbedoelde maatregelen verkeerd uitpakken, en zijn consumenten uiteindelijk slechter af. Het kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat energieleveranciers geen nieuwe energiecontracten meer willen afsluiten, of dat bepaalde boodschappen niet meer beschikbaar zijn. Prijsregulering kan worden gebruikt in markten waarin een structureel marktfalen leidt tot gebrekkige concurrentie en verslechterde consumentenbescherming. In Nederland beoordeelt de ACM of er sprake is van misbruik van marktmacht en of er gebrekkige concurrentie is. Zo heeft de ACM in september aangekondigd onderzoek te doen naar prijzen van boodschappen en mogelijke marktproblemen die leiden tot hogere prijzen. De ACM maakt als onafhankelijke toezichthouder op basis van deskundigheid zelf een beslissing over het opstarten van een onderzoek.
Het bericht 'Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: ‘Niet in het belang van het kind’' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vaders niet vervolgd voor huiselijk geweld: «Niet in het belang van het kind»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat gerechtshoven in een substantieel aantal artikel 12-zaken besluiten om vervolging niet te gelasten met als reden dat het niet in het belang van het kind zou zijn?
Dat de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij «alle maatregelen betreffende kinderen» (zoals rechterlijke beslissingen) is een belangrijke verdragsverplichting die is vastgelegd in artikel 3 van het Verdrag van de Rechten voor het Kind. Het is echter niet aan mij om in gerechtelijke beslissingen te treden.
Hoeveel zaken van huiselijk geweld worden er per jaar geseponeerd waarbij expliciet het argument «in het belang van het kind» wordt genoemd? Worden deze gegevens al bijgehouden? Zo ja, kunt u deze gegevens delen met de Kamer? Zo niet, bent u bereid dit te laten monitoren?
De inhoudelijke redenen voor een sepot worden niet systematisch gedocumenteerd op het niveau van individuele zaken. Enkel dossieronderzoek, dat veel tijd en capaciteit kost, zou hier meer inzicht in kunnen geven. Ik heb het vertrouwen dat het Openbaar Ministerie in staat is om de juiste afweging te maken in deze zaken, waarbij de belangen van slachtoffers, waaronder kinderen, voorop staan.
Op welke basis waarvan wordt het «belang van het kind» gewogen in beslissingen van het Openbaar Ministerie (OM) om huiselijk geweld niet te vervolgen? Zijn dit landelijke kaders of afhankelijk van het gerechtshof? In welke mate heeft u invloed op deze kaders?
Het belang van het kind wordt gewogen op grond van de bestaande (internationale en Europese) wet- en regelgeving, de beleidsregels van het Openbaar Ministerie en de stukken uit het strafdossier, waaronder rapportages die omtrent het kind zijn opgemaakt. De beleidsregels zijn voor wat betreft huiselijk geweldzaken neergelegd in de Richtlijn voor Strafvordering Huiselijk Geweld en de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.
Landelijke richtlijnen en Aanwijzingen worden formeel vastgesteld door het College van Procureurs-Generaal. Ik heb dan ook geen directe invloed op deze kaders. Het is wel mogelijk via algemene beleidsaanwijzingen en wetgeving indirect invloed uit te oefenen op deze kaders.
Bent u bereid met het OM te bespreken een richtlijn te ontwikkelen voor zaken van huiselijk geweld waarbij kinderen zijn betrokken waarbij het uitgangspunt is dat bij een geweldsdelict niet geseponeerd wordt?
Uit de Richtlijn voor strafvordering Huiselijk Geweld volgt dat het uitgangspunt is dat bij zaken van huiselijk geweld wordt gedagvaard, vanwege de ernst van het plegen van geweld in afhankelijkheidsrelaties en de bestraffing die daarbij passend is.
Uit de Aanwijzing Huiselijk Geweld en Kindermishandeling volgt dat alleen zaken waarin sprake is van het ontbreken van letsel, dan wel (heel) licht letsel, het ontbreken van een dreiging van nieuw geweld, een eerste incident en/of een berouwvolle dader die hulp zoekt en aanvaardt, voor een OM-strafbeschikking in aanmerking komen. Verder kan aan een OM-strafbeschikking een gedragsaanwijzing worden verbonden conform artikel 257c lid 1 Sv, mits de verdachte door de officier van justitie is gehoord en zich bereid heeft verklaard zich aan de betreffende gedragsaanwijzing te houden. Delicten die met een buitengerechtelijke afdoening kunnen worden afgedaan zijn vernieling (art. 350 Sr), verbale bedreiging (art. 285 Sr) en eenvoudige mishandeling (art. 300 Sr).2 Andere delicten die vallen onder huiselijk geweld en belaging in de zin van stalking door een (ex-)partner of door iemand anders uit de huiselijke kring of privésfeer worden alleen buitengerechtelijk afgedaan bij hoge uitzondering met expliciete toestemming van de reclasseringsofficier.
Zowel uit de Richtlijn als de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie volgt dat zaken die vallen onder huiselijk geweld in beginsel worden gedagvaard en in uitzonderlijke gevallen met een OM-strafbeschikking worden afgedaan.
Bent u bekend met het gegeven dat er geen wetenschappelijke onderbouwing bestaat voor de stelling dat het vervolgen van een ouder negatieve effecten heeft op kinderen? Zo ja, welke onderbouwing gebruikt het OM om dit argument wel te laten meewegen in de beslissing?
Het is bekend dat er geen eenduidige wetenschappelijke consensus bestaat over de negatieve effecten van vervolging van ouders op kinderen. Het Openbaar Ministerie weegt zijn beslissing tot vervolging zorgvuldig af op grond van alle dossierstukken, inclusief rapportages van deskundigen (waaronder de Raad voor de Kinderbescherming) en adviezen van (jeugd)hulpinstanties waarin de belangen van het kind zijn meegenomen. Op grond van alle informatie tezamen beslist het Openbaar Ministerie welk belang per individuele casus het zwaarst weegt.
Hoe verhoudt deze praktijk zich tot de algemene plicht van het OM om strafbare feiten te vervolgen? Deelt u de mening dat het een bijzonder voorbeeld schept dat er bij zaken van huiselijk geweld wel wordt geseponeerd in het belang van het kind waarbij juist het kind in sommige gevallen ook slachtoffer is, en in gevallen van bijvoorbeeld drugssmokkel dit argument niet wordt gebruikt?
Het Openbaar Ministerie heeft de wettelijke taak om strafbare feiten te vervolgen. Hierbij spelen ook maatschappelijke belangen mee, zoals de bescherming van kwetsbare kinderen. Het seponeren van zaken van huiselijk geweld in het belang van het kind raakt aan de taak en onafhankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De vergelijking in de vraag toont de complexiteit van het vervolgingsmonopolie en de noodzaak voor een zorgvuldige afweging die elke keer opnieuw dient plaats te vinden wanneer er kinderen betrokken zijn.
Hoe ziet u het zelfstandig gebruik van het argument «in het belang van het kind» om af te zien van vervolging? Bent u het met de deskundigen in het artikel eens dat dit vrouwen en kinderen in situaties van huiselijk geweld extra kwetsbaar kan maken?
Het Openbaar Ministerie kan op grond van het opportuniteitsbeginsel beslissen om een zaak niet te vervolgen (artikel 167 en artikel 242 Sv). Uit de beleidsregels van het Openbaar Ministerie volgt echter dat bewijsbare huiselijk geweld zaken in beginsel wel worden vervolgd. In uitzonderlijke gevallen wordt daarvan afgezien, bijvoorbeeld wanneer het gaat om een gering feit of wanneer de pleger meteen verantwoordelijkheid heeft genomen door te bekennen en vrijwillig in behandeling te gaan voor bijvoorbeeld gedragsproblemen. Wanneer het Openbaar Ministerie besluit om niet te vervolgen, kan de zaak middels een artikel 12 procedure aan het gerechtshof worden voorgelegd om op die manier een vervolging te bewerkstelligen. De omstandigheid dat de belangen van het kind in elke individuele zaak zorgvuldig en als eerste overweging worden meegewogen, ook wanneer wordt beslist om niet te vervolgen, is op zichzelf een goede praktijk. Het is daarbij uiteraard van belang dat steeds wordt bezien of een beslissing om niet te vervolgen alle rechten en belangen van het kind, waaronder ook diens recht op bescherming tegen geweld, voldoende borgt. Uit verschillende onderzoeken volgt immers dat kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld blijvend schade kunnen oplopen, en dat dit zelfs intergenerationeel kan doorwerken. Voor slachtoffers, nabestaanden en ook de maatschappij is het belangrijk dat een pleger wordt gestopt, en verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn daden. Daar horen consequenties bij, zoals een straf en/of het zoeken naar hulp om het gebruik van geweld in de toekomst te voorkomen. Elke zaak is uniek. Dit betekent dat elke keer opnieuw een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt tussen de verschillende belangen, waarbij die van het kind de eerste overweging vormen.
Hoe wordt geborgd dat slachtoffers van huiselijk geweld voldoende bescherming, rechtszekerheid en toegang tot het recht hebben wanneer het OM besluit niet te vervolgen?
Er zijn verschillende mogelijkheden om het slachtoffer te beschermen wanneer het Openbaar Ministerie besluit om een zaak niet te vervolgen. Wanneer sprake is van acute onveiligheid kan via de burgemeester een beroep worden gedaan op het tijdelijk huisverbod. Hiermee is het slachtoffer voor een periode van maximaal 28 dagen beschermd tegen de pleger, die dan het huis niet mag betreden en ook geen contact mag opnemen met het slachtoffer en de kinderen. Verder kan een melding worden gedaan bij Veilig Thuis die vervolgens een risico-inschatting kan doen en een veiligheidsplan kan opstellen. Wanneer hulpverleningsinstanties zoals Veilig Thuis concluderen dat sprake is van acute onveiligheid dan kan het slachtoffer – onder voorwaarden – in aanmerking komen voor een AWARE-knop. Dit is een draagbare noodknop waarmee de politie kan worden gealarmeerd in geval van acuut gevaar. De politie kan met behulp van die knop de locatie van het slachtoffer bepalen en snel ter plaatse komen.
Rechtszekerheid en toegang tot het recht zijn geborgd doordat een slachtoffer middels een kort geding bij de civiele rechter een contactverbod kan eisen. Tot slot kan een slachtoffer via een artikel 12-procedure bij het gerechtshof een vervolging afdwingen.
Kunt u deze vragen een voor een en voor het kerstreces beantwoorden in combinatie met de set schriftelijke vragen van het lid Becker van 17 november 2025?
De antwoorden op de set Kamervragen van 17 november 2025 zijn op 19 december 2025 verzonden. Helaas is het niet gelukt om onderhavige set Kamervragen voor het kerstreces te beantwoorden.
Het artikel 'William uit Aadorp werd ziek door werk bij Defensie, toch wordt zijn claim afgewezen' |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «William uit Aadorp werd ziek door werk bij Defensie, toch wordt zijn claim afgewezen»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u aangeven of in soortgelijke gevallen als William het mogelijk is om met alleen een schriftelijk bewijs van een diagnose door een bevoegd arts te voldoen aan de bewijslast voor een claim?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december 20242 wordt een diagnose van een arts in principe geaccepteerd binnen de TSB. De inhoud van onderliggend onderzoek is niet nodig. De diagnose wordt niet overgedaan. Wel moet de diagnose zijn van één van de ziekten op de Lijst beroepsziekten van de TSB.3 Wat de situatie bij allergisch beroepsastma lastig maakt, is dat artsen zelden die complete diagnose stellen. Een arts stelt dan bijvoorbeeld wel de diagnose astma, maar niet allergisch astma. Of wel een allergisch astma, maar zonder te benoemen door welk allergeen. In Nederland hebben meer dan 500.000 volwassenen de diagnose astma.4 Om te waarborgen dat de middelen van de TSB terechtkomen bij de doelgroep, is het noodzakelijk om bepaalde kaders te stellen.
Klopt het dat de zogenoemde sensibilisatietest niet langer vereist is voor het toekennen van een claim? Deelt u de mening dat het onwenselijk is wanneer aanvragen toch stranden op deze test, terwijl deze volgens de nieuwe regeling niet meer toegepast zou moeten worden?
Als een aanvrager allergisch astma heeft, maar niet duidelijk is welk allergeen de astma veroorzaakt, is voor de TSB nodig dat dit wordt onderzocht. Om een toekenning te krijgen, moet het allergeen op het werk aanwezig zijn. De aanvrager laat hiervoor een sensibilisatietest doen. Zonder deze test is niet vast te stellen of het allergeen voorkomt op de werkvloer of in de privésfeer. Dit soort onderzoek wordt niet volledig gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet. Om te voorkomen dat deze kosten terechtkomen bij aanvragers, is er financiering vanuit een tijdelijke pilot. Hierover heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd.5
Hoeveel aanvragen voor compensatie zijn er sinds de start van de regeling ingediend en hoeveel daarvan zijn afgewezen? Kunt u daarnaast aangeven in hoeveel gevallen de afwijzing (mede) gebaseerd was op het niet (voldoende) kunnen aanleveren van onderliggend onderzoek zoals de sensibilisatietest?
Sinds de start van de regeling zijn circa 900 aanvragen voor een tegemoetkoming ingediend. Van de ingediende aanvragen zijn ongeveer 600 aanvragen beoordeeld. Van de beoordeelde aanvragen is 34% toegekend. Onderliggend onderzoek ontbreekt met name voor de beroepsziekten allergisch beroepsastma en voor CSE. Voor allergisch beroepsastma geldt dat in 70–75% van de aanvragen onderliggend onderzoek niet is aangeleverd. Voor CSE geldt dat in 20–25% van de aanvragen informatie ontbreekt.
Bij beroepsziekten zoals allergisch beroepsastma en CSE zijn bepaalde onderzoeken onmisbaar om de beroepsziekte vast te stellen. Die onderzoeken moeten gedaan zijn voor het ontvangen van een toekenning uit de TSB. Het is niet de bedoeling de diagnose opnieuw te stellen, maar in de diagnosebrief moeten de conclusies of resultaten van de uitgevoerde onderzoeken zijn beschreven. Anders kan het Deskundigenpanel niet bevestigen dat sprake is van de beroepsziekte.
In een brief van 26 maart schrijft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: «Ik heb besloten om de eerder afgewezen aanvragers actief te informeren over de wijziging van de regeling. Zij kunnen een nieuwe aanvraag indienen na ingang van de wijziging, 1 juli 2025.» (Kamerstuk 25 883, nr. 523) Kunt u toelichten op welke wijze deze actieve informatievoorziening wordt ingericht en hoe wordt gewaarborgd dat alle betrokkenen daadwerkelijk bereikt worden?
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft alle eerder afgewezen aanvragers6 tussen de start van de regeling en 1 juli 2025 schriftelijk benaderd. In die brief staat uitgelegd dat de aanvrager opnieuw een aanvraag kan indienen. Ook staat in de brief dat de aanvrager voor meer informatie kan bellen met het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen (ISBG).
Bent u bereid om alle eerder afgewezen aanvragers actief te benaderen en hen expliciet te wijzen op de mogelijkheid om na 1 juli 2025 opnieuw een aanvraag in te dienen?
De Sociale Verzekeringsbank heeft alle eerder afgewezen aanvragers7 al actief benaderd, en daarbij expliciet gewezen op de mogelijkheid opnieuw een aanvraag in te dienen.
De voortgangsrapportage Hertsteloperatie Toeslagen |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom acht u het disproportioneel om gegevensdeling tussen UHT en DUO wettelijk mogelijk te maken teneinde inzicht te krijgen in welke jongeren een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire, terwijl dezelfde informatie wel noodzakelijk is om de omvang en aard van het probleem in kaart te brengen?1
Gegevensdeling tussen UHT en DUO zou uitsluitend inzicht geven in de hoogte en de aantallen studieleningen van getroffen jongeren, niet over of die leningen het gevolg zijn van de toeslagenaffaire. Een dergelijke gegevensdeling zal dus niet de omvang en aard van het mogelijke probleem in kaart brengen. Het zal alleen een onvolledig beeld geven, op basis waarvan geen onderbouwd beleid te ontwikkelen is.
De Tweede Kamer heeft meermaals aangegeven geen voorstander te zijn van een generieke regeling voor het kwijtschelden van studieleningen. Ook de Raad van State heeft gewezen op de risico’s van meer generieke regelingen2 en ook de commissie Van Dam waarschuwt dat een algemene regeling op dit gebied niet wenselijk is3. Het kabinet kan zich geheel in die conclusies vinden. Nu er geen generieke kwijtscheldingsregeling zal komen, is het disproportioneel om de gevraagde gegevens te verzamelen en te verwerken. Een wetswijziging realiseren om een dergelijke gegevensdeling alsnog mogelijk te maken is om die reden dan ook onwenselijk aangezien dit een onnodige inbreuk op de privacy van de betrokken jongeren zal betekenen.
Dit neemt niet weg dat het kabinet het leed erkent dat kinderen en jongeren hebben ervaren als gevolg van de toeslagenaffaire. Ook zij zijn getroffen.
Daarom is er samen met hen in 2022 de kindregeling ontwikkeld en wettelijk vastgelegd. De kindregeling is bedoeld als steun in de rug, als onverplichte betaling, om hen tegemoet te komen. De groep kinderen die geraakt is door de toeslagenaffaire is namelijk zeer divers, in leeftijd en in behoeften.
Daarom bestaat de ondersteuning aan getroffen kinderen uit een breed aanbod:
Op deze manier draagt het kabinet bij aan een hoopvolle toekomst voor jongeren.
Ik zie en erken ook de signalen van openstaande studieleningen van getroffen jongeren die zij als gevolg van de toeslagenaffaire zijn aangegaan. Dat is één situatie, er zijn ook veel andere manieren waarop het gezin overeind is gebleven tijdens de problemen met de kinderopvangtoeslag. Daarom gaat financiële compensatie en aanvullende schadevergoeding in de hersteloperatie naar de erkend gedupeerde ouder en diens gezin; de ouders weten als geen ander hoe zij het hoofd boven water hebben gehouden en wie daarbij hebben geholpen. Na de beoordeling door UHT en na het eventueel doorlopen van een aanvullende schaderoute5 krijgen ouders hun financiële schade gecompenseerd. Zij kunnen dit geld inzetten om de mensen terug te betalen die hen ten tijde van de toeslagenaffaire financieel hebben bijgestaan, bijvoorbeeld hun kinderen.
Mocht de studielening toch tot problemen leiden voor jongeren, dan kunnen zij terecht bij DUO. DUO kent verschillende mogelijkheden waar jongeren in veel gevallen een beroep op kunnen doen als zij problemen ervaren bij het terugbetalen van de lening, of tegen onvoorziene omstandigheden aanlopen tijdens hun studie. Onder meer om de hiervoor genoemde redenen ga ik geen regeling treffen voor studieleningen. Dat heeft ook de Kamer meermaals bevestigd.
Kunt u volledig uiteenzetten welke juridische obstakels bestaan voor gegevensdeling tussen UHT en DUO, en waarom deze niet kunnen worden weggenomen met een zorgvuldig vormgegeven wettelijke grondslag die privacy waarborgt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke alternatieven heeft u onderzocht om toch inzicht te krijgen in de omvang van studieschulden van jongeren die geraakt zijn door de toeslagenaffaire, zonder dat daarvoor directe gegevensuitwisseling nodig is?
Aan het CBS is gevraagd om te kijken naar mogelijkheden om de impact van de toeslagenaffaire op levens van getroffen gezinnen te onderzoeken. Het CBS heeft op 17 oktober jl. de Haalbaarheidsstudie Kinderen beëindigd, omdat een goede voor- en nameting niet te maken is, waardoor de kwaliteit van de onderzoeksresultaten niet voldoende is gewaarborgd. Het wel uitvoeren van dit onderzoek brengt te veel uitvoeringstechnische risico’s met zich mee om door het CBS uitgevoerd te worden. Ik volg daarin het advies van het CBS.
Hierbij vind ik het belangrijk nogmaals te benadrukken dat er geen generieke regeling komt voor studieleningen van getroffen kinderen, om de redenen die ik hierboven heb toegelicht. Het nogmaals en verder verkennen van andere methoden acht ik dan ook niet opportuun. Het palet aan mogelijkheden in het kader van de kindregeling, zoals beschreven in het antwoord op vraag 1 en 2, bieden samen met de bestaande voorzieningen bij DUO een breed aanbod dat past bij de diversiteit in problematiek van de kinderen van gedupeerde ouders, inclusief indirecte compensatie via de schadeherstelroute van de ouder. Ik vind het belangrijk om mijn energie te richten op het verbeteren en verspreiden van dat aanbod, en om geen valse verwachtingen te wekken bij jongeren op gebied van aanvullende regelingen die het kabinet niet zal introduceren.
Kunt u uitleggen waarom het oordeel van het CBS dat een dergelijk onderzoek «vooralsnog niet uitvoerbaar» is, betekent dat het überhaupt niet kan worden uitgevoerd, in plaats van dat wordt onderzocht onder welke voorwaarden het wél uitvoerbaar kan zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt uw standpunt zich tot de aanbevelingen van diverse belangenorganisaties (Het Onafhankelijk Jongerenpanel Toeslagen (OJPT), Ombudsman Rotterdam-Rijnmond (ORR) en de Rijnmondse Alliantie) en gedupeerden zelf, die juist pleiten voor inzichtelijkheid en transparantie in de omvang van jongerenproblematiek binnen de toeslagenaffaire?
Ik ben mij zeer bewust van de verhalen van getroffen jongeren en de impact die die de toeslagenaffaire ook op hun levens heeft gehad, onder andere op basis van de verhalen van de jongeren die ik persoonlijk spreek. Elk verhaal is anders. Ik vind het daarom belangrijk dat getroffen jongeren niet door hun schulden in de problemen komen. Daarom ben en blijf ik in gesprek met deze jongeren, waaronder met het Onafhankelijk Jongerenpanel Toeslagen, en met onder andere de (kinder)ombudsman Rotterdam-Rijnmond om de hulp die we hebben te blijven verbeteren.
Hoe waarborgt u dat jongeren die wél een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire volledig worden geholpen als er geen systematisch inzicht bestaat in welke jongeren dit betreft?
Het is belangrijk dat alle jongeren, en dus ook jongeren die een studieschuld hebben als gevolg van de toeslagenaffaire, de juiste hulp krijgen bij hun studielening als zij problemen hebben met deze lening, bijvoorbeeld als zij moeite hebben met terugbetalen of als zij tegen onvoorziene omstandigheden aanlopen tijdens hun studie. In veel gevallen kunnen zij in die situaties een beroep doen op de mogelijkheden die DUO biedt. In de kamerbrief van juni 20246 en in de beantwoording van de schriftelijke vragen in maart 20257 is aan uw Kamer uitgebreid uiteengezet wat deze mogelijkheden zijn, waaronder ook indirecte vergoeding via een schadeherstelroute van de ouder. Het is belangrijk dat jongeren weten wat de mogelijkheden bij DUO zijn. Daarom is er in de afgelopen periode extra aandacht besteed aan het verbeteren van informatievoorziening hierover, o.a. op de website kindregelingvoorjou.nl.
Bent u bereid om samen met DUO, UHT, het CBS en privacyexperts te verkennen welke (geanonimiseerde of statistische) methoden wél mogelijk zijn om de gevraagde informatie te verzamelen, en zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat zonder inzicht in aantallen, gemiddelde hoogte en totale studieschuld, het onmogelijk is voor de Kamer om weloverwogen beleid te maken of te beoordelen of bestaande compensatie voldoende is?
Ik ben het met u eens dat kinderen van gedupeerde ouders geraakt zijn door de toeslagenaffaire. Met de kindregeling erkent het kabinet dit leed en ondersteun ik hen richting de toekomst. Ik blijf me voor deze kinderen en jongeren inzetten.
Ik vind het daarbij belangrijk om helder te zijn in wat wel en niet mogelijk is en om geen valse verwachtingen te wekken. De kindregeling voor kinderen van gedupeerde ouders is ingevoerd met brede steun in uw Kamer, met het besef dat deze niet was en is bedoeld om schade of schulden uit het verleden te compenseren. Schade wordt vergoed aan de gedupeerde ouder en diens gezin, bijvoorbeeld voor gemist inkomen. Het kabinet heeft er samen met uw Kamer voor gekozen om kinderen en jongeren een steun in de rug te bieden: een (onverplichte) tegemoetkoming, richting de toekomst. We zetten daarbij in op ondersteuning op verschillende leefgebieden, passend bij de diversiteit aan problematiek en behoeften. Een aparte regeling past hier niet bij en is ook meermaals door uw Kamer verworpen. Ik wil daarom duidelijk zijn en mijn inzet richten op het verschil maken voor kinderen en jongeren, door in te zetten op verbetering en verspreiding van het brede pakket dat wij juist voor hen te bieden hebben.
Waarom acht u het acceptabel dat er anno 2025 nog steeds geen volledig beeld bestaat van de financiële schade die jongeren persoonlijk hebben geleden door de toeslagenaffaire, inclusief studieschulden?
Zie antwoord vraag 8.
Mobiel bereik in de grensstreek |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Michon-Derkzen (VVD) over het bericht «Geen mobiel bereik in grensstreek: 77-jarige man ligt na val machteloos half uur op de grond»?1
Ja.
Acht u het reëel om bij de beoordeling van 112-bereikbaarheid in grensregio’s te blijven uitgaan van alternatieven zoals wifi-bellen, de 112NL-app of vaste lijnen, wanneer uit signalen blijkt dat deze voorzieningen juist in deze gebieden structureel ontbreken?
Bellen via WiFi en de 112NL-app zijn uiteraard geen alternatief als er geen WiFi beschikbaar is of als er geen mobiele netwerkdekking is. Deze opties, en een vaste lijn, zijn met name een mogelijke oplossing als mobiele netwerkdekking in of om het huis tekortschiet, maar er wel verbinding is met een WiFi-netwerk.
Voor andere plekken waar mobiele netwerkdekking lokaal achterblijft zijn alternatieve oplossingen nodig. Het verbeteren van de mobiele netwerkdekking is er daar één van, maar er zijn natuurkundige en technische grenzen aan hetgeen daarmee mogelijk is. Omdat mobiele netwerken nationaal zijn, zijn ter voorkoming van onderlinge verstoringen afspraken gemaakt tussen buurlanden over het maximale zendvermogen op de grens. Om dat in de praktijk na te leven is het onvermijdelijk om kleine concessies te doen op (de kwaliteit van) de netwerkdekking.
De Nederlandse mobiele netwerkaanbieders zijn bovendien niet eigenstandig in staat om de mobiele netwerkdekking in de grensregio’s naar een hoger niveau te brengen. Daarvoor is het namelijk ook noodzakelijk dat de mobiele netwerken in Duitsland en België van voldoende kwaliteit zijn om dekking te bieden aan de Duitse en Belgische kant van de grens.2 Bij onvoldoende dekking van de Nederlandse netwerken wordt ook gebruikgemaakt van aanwezige buitenlandse netwerken door middel van roaming.
Een technologische en marktontwikkeling die op korte termijn potentie toont is die van satellietsystemen die 4G ondersteunen, en in de toekomst waarschijnlijk ook 5G. Satellieten kunnen immers eenvoudig grote geografische gebieden van dekking voorzien. Ook voor deze systemen geldt overigens dat de dekking wordt beïnvloed door zaken als de natuurkundige aard van radiocommunicatie, seizoensinvloeden, boombladeren en bebouwing. Een vrije zichtlijn met een satelliet is belangrijk voor goede dekking.
Steeds meer smartphones die op de markt komen ondersteunen communicatie via deze satellietsystemen. Sommige toestelfabrikanten bieden gebruikers nu al de mogelijkheid om via die satellietsystemen een SOS bericht te versturen naar hulpdiensten. Zo bieden Apple en Google hiervoor ondersteuning op iPhones vanaf versie 14, en Google Pixels 9 en 10-modellen.3 Het is mogelijk dat deze diensten in de toekomst beschikbaar komen in meer goedkopere toestellen. Dit kan op termijn de mobiele bereikbaarheid van 112 in de grensstreken verder verbeteren.
In de tussentijd ben ik uiteraard bereid om in samenwerking met provincies en gemeenten te kijken wat in concrete gevallen de oorzaak van een gebrekkige mobiele netwerkdekking is en of er oplossingen mogelijk zijn. Daarvoor is in het verleden de Handreiking mobiele bereikbaarheid opgesteld die concrete handvatten biedt.4 De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) is beschikbaar om gemeenten te helpen in de toepassing daarvan.
Het is tegelijkertijd onverminderd van belang dat mensen gebrekkige mobiele bereikbaarheid van 112 melden bij het Centraal Informatiepunt 112. Dat stelt de RDI in staat om te onderzoeken wat in concrete gevallen de oorzaak van problemen is. Uit de meldingen die tot nog toe zijn ontvangen blijkt bijvoorbeeld dat de mobiele netwerkdekking niet altijd de oorzaak is. Dankzij meldingen kan worden verzekerd dat de beschikbare tijd en middelen worden gericht op de gevallen waarin de mobiele netwerkdekking van de Nederlandse netwerken de oorzaak is, en er mogelijkheden bestaan om die te verbeteren.
Desondanks zal niet voor alle locaties een oplossing mogelijk zijn door verdere verbetering van de Nederlandse mobiele netwerken. Daarom vind ik de aandacht die u en de media aan dit onderwerp geven, zeer belangrijk. Het is belangrijk dat mensen weten dat de mobiele netwerkdekking niet altijd en overal in Nederland kan worden gegarandeerd. Zelfs al behoren die netwerken tot de wereldtop en vinden er voortdurend investeringen en innovaties plaats om de mobiele bereikbaarheid in het algemeen en in het verlengde daarvan 112 verder te verbeteren.
Deelt u de zorg dat het aantal meldingen bij het meldpunt mobiele bereikbaarheid geen representatief beeld geeft van de situatie in de grensstreken, onder meer vanwege onbekendheid met het meldpunt en meldmoeheid? Bent u bereid om, mede op basis van signalen van gemeenten, toch te kijken naar aanvullende analyse?
Voor een goed beeld baseer ik mij op verschillende informatiebronnen, waaronder de meldingen bij het Centraal Informatiepunt 112, de metingen die de RDI verricht om te controleren of de drie mobiele netwerkaanbieders voldoen aan de dekkings- en snelheidsverplichting en signalen vanuit de samenleving. Het Centraal Informatiepunt 112 biedt de mogelijkheid om meldingen te doen bij het ervaren van mobiele onbereikbaarheid van 112. Zoals opgenomen in de beantwoording van vraag 2 is het van belang dat mensen meldingen doen bij dergelijke situaties.
Ik erken dat meldingen bij het Centraal Informatiepunt 112 niet altijd een volledig beeld geven van de situatie op sommige locaties. Bij het Centraal Informatiepunt Mobiele Bereikbaarheid 112 wordt, op basis van de informatie die per melding beschikbaar is, een eerste inschatting gemaakt van de mogelijke oorzaak van de ervaren onbereikbaarheid 112. Daaruit komt het beeld naar voren dat dit verschillende oorzaken kan hebben. Niet in alle gevallen hangt dit samen met de mobiele dekking ter plaatse; ook het gebruikte toestel, de kwaliteit van de spraakverbinding of het verloop van het contact nadat de verbinding tot stand is gekomen kan daarbij een rol spelen.
Om de bekendheid van het informatiepunt te vergroten, is de RDI in 2024 een mediacampagne gestart. Dit heeft geleid tot een toename in de bekendheid van het informatiepunt, maar niet tot een grote toename aan meldingen.
In hoeverre erkent u dat papieren dekkingspercentages – zoals de 98% buitenshuisdekking – onvoldoende inzicht geven in de werkelijke situatie in grensstreken, waar buitenlandse netwerken het Nederlandse signaal verdringen en zendvermogens worden geminimaliseerd?
De 98% buitenshuisdekking is de opgelegde geografische dekkingsverplichting aan de drie mobiele netwerkaanbieders. Het toezicht van de RDI, ook in grensgemeenten, geeft inzicht in de werkelijke situatie op basis van metingen. Hieruit blijken alle drie de mobiele netwerkaanbieders te voldoen aan deze 98% dekkingsverplichting.
De RDI heeft zeer recent metingen uitgevoerd in drie grensgemeenten in de provincies Gelderland en Limburg. Uit deze metingen komt naar voren dat de drie mobiele netwerkaanbieders in deze gemeenten voldoen aan de dekkings- en snelheidsverplichting en de dekking in grensgemeenten grosso modo niet wezenlijk afwijkt van andere metingen elders in het land. Tegelijkertijd blijkt uit de metingen dat op lokaal niveau wel verschillen bestaan tussen aanbieders als het gaat om netwerkdekking in de grensgemeenten, zoals dat ook in andere gemeenten doorgaans het geval is. Deze verschillen hebben onder andere te maken met de locaties van de antenne-opstelpunten, het aantal antenne-opstelpunten en ook de gebruikte frequentiebanden.
Daarbij is relevant dat dit de individuele gemeten dekking is van iedere aanbieder voor mobiele telefoongesprekken en mobiel internetgebruik van diens abonnees, terwijl bij noodoproepen gebruik gemaakt kan worden van alle beschikbare netwerken. Deze gestapelde dekking geeft voor 112-oproepen een hoger dekkingspercentage dan de individuele netwerken. Ook is het goed om op te merken dat de dekkingsverplichting wordt gemeten met een minimale snelheid van 8 Megabit per seconde. Bij een lagere signaalsterkte is het signaal mogelijk nog steeds voldoende om een telefoongesprek op te zetten.
Desalniettemin kan in grensstreken de bereikbaarheid van 112 lokaal minder goed zijn dan op andere plekken in Nederland, mede gelet op de noodzakelijke afstemming van frequentiegebruik met onze buurlanden. Ik ben mij er ook van bewust dat de metingen van de RDI een momentopname vormen en dat de ervaring van burgers en bedrijven hiervan kan verschillen. Dit heeft er onder andere mee te maken dat mobiele dekking afhankelijk is van invloeden als het weer en de seizoenen. Maar ook van het gebruikte toestel, de manier waarop mensen een toestel vasthouden, het abonnementstype en het andere (data)verkeer op het netwerk. Ook hoeven de mobiele netwerkaanbieders niet op elke locatie in een gemeente dekking en capaciteit aan te bieden, zolang aan de eis van 98% van het grondgebied wordt voldaan. Daartegenover staat dat, hoewel Natura 2000-gebieden in een gemeente formeel zijn uitgezonderd van de dekkings- en snelheidsverplichting, uit de metingen van de RDI blijkt dat in de praktijk vaak wel mobiele dekking is in deze gebieden. Tot slot merk ik op dat de dekkings- en snelheidsverplichting buitenshuis geldt, terwijl burgers en bedrijven vaak dekking binnenshuis verwachten.
Kunt u toelichten hoe de automatische netwerkkeuze bij 112-oproepen functioneert in praktijk, met name in situaties waarin geen bruikbaar Nederlands netwerk beschikbaar is en het buitenlandse netwerk 112-roaming niet ondersteunt?
Op het moment dat een toestel een 112-oproep start, zal dit via ieder Nederlands mobiele netwerk afgehandeld kunnen worden, afhankelijk van de signaalsterkte. Indien het eigen netwerk onvoldoende signaalsterkte biedt dan zal het toestel zoeken naar andere beschikbare mobiele netwerken. De telefoon zal verbinding maken met een mobiel netwerk dat voldoende signaalsterkte heeft. Dit kan ook een buitenlands mobiel netwerk zijn. Er is daarmee, in tegenstelling tot reguliere oproepen, geen afhankelijkheid van het eigen netwerk en bijbehorende netwerkdekking. Voor zover technisch mogelijk, ondersteunen de buitenlandse netwerken altijd 112-roaming.
In hoeverre acht u het realistisch om gemeenten verantwoordelijk te maken voor verbetermaatregelen in witte gebieden via de Handreiking mobiele bereikbaarheid, als er zonder aanvullende steun vanuit het Rijk geen zicht is op investeringen zoals zendmasten, grensafstemming of alternatieve infrastructuur?
Doorlopend ben ik met de mobiele netwerkaanbieders en gemeenten in gesprek over de plaatsing van zendmasten. Het Rijk schept daarbij de landelijke wettelijke kaders en randvoorwaarden en biedt ondersteuning aan gemeenten, onder andere in de vorm van gemeentelijk voorbeeldbeleid voor antenneplaatsing.5 Ook de genoemde Handreiking mobiele bereikbaarheid kan helpen om de netwerkdekking in (grens)gemeenten te verbeteren. In de basis is het aan de mobiele netwerkaanbieders om te bepalen waar zij zendmasten willen plaatsen, afhankelijk van de eigen (radio)planning. Gemeenten kunnen dit faciliteren aangezien zij de bevoegde instantie zijn voor het verlenen van vergunningen voor de plaatsing van zendmasten. Ook kunnen (grens)gemeenten ingaan op de jaarlijkse uitnodiging van Monet (het samenwerkingsverband van de mobiele operators) om te spreken over de voorgenomen plaatsing van nieuwe antenne-installaties in hun gemeente.
Bent u bereid om in gebieden waar mobiele dekking aantoonbaar tekortschiet, zoals in Ven-Zelderheide, nader te verkennen of aanvullende veiligheidsvoorzieningen zoals alarmpalen alsnog een rol kunnen spelen als vangnet in levensbedreigende situaties?
Vooropgesteld, de mobiele dekking en bereikbaarheid van 112 in Nederland zijn, over het algemeen, zeer goed. Dit is ook het geval in Ven-Zelderheide, onderdeel van de gemeente Gennep, blijkt uit de recente metingen van de RDI.6 Ook zijn er al diverse maatregelen getroffen en alternatieve manieren om 112 te kunnen bereiken, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. Ik waardeer het zeer dat u meedenkt in mogelijke oplossingen, en hoewel uw suggestie om bijvoorbeeld alarmpalen in te zetten sympathiek is, ben ik niet overtuigd dat de oplossing ligt in dergelijke vaste infrastructuren naast het reguliere (vaste) telefoonnet. Dit laat onverlet dat ik graag in gezamenlijkheid met provincies en gemeenten kijk naar mogelijke oorzaken en oplossingen voor lokaal achterblijvende mobiele netwerkdekking. Zoals opgenomen in de beantwoording van vraag 2 is het van belang dat mensen meldingen doen bij het ervaren van mobiele onbereikbaarheid van 112. Ik moet daarbij nogmaals benadrukken dat volledige mobiele netwerkdekking onmogelijk overal in Nederland kan worden gegarandeerd. Daarom is op de website van de rijksoverheid een aantal handelingsperspectieven opgenomen.7
Het artikel ‘Schrijnend beeld: gepensioneerden zien inkomen al jaren achterblijven ten opzichte van anderen’ |
|
Jan Struijs (50PLUS), Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de cijfers zoals weergegeven in de tabellen bij dit artikel inderdaad correct worden weergegeven en gebaseerd zijn op CBS-data?1
De cijfers in dit artikel geven inzicht in hoe de mediane koopkracht van personen zich van jaar-op-jaar ontwikkelt en zijn afkomstig van het CBS. Alhoewel de cijfers correct worden weergegeven, zijn er ook nuances bij het artikel te plaatsen (zie het antwoord op vraag 2).
Wat vindt u van de in het artikel getoonde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden versus de koopkrachtontwikkeling van werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden? Ziet u hier een «evenwichtig inkomensbeeld» of niet? Graag een toelichting.
De cijfers in het artikel laten zien dat gepensioneerden in doorsnee een lagere koopkrachtontwikkeling hebben gehad dan werknemers, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden sinds 2011. In onderstaande figuur 1, eveneens afkomstig van het CBS, wordt de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 verder uitgesplitst naar hoogte van het aanvullend pensioen. De figuur toont dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen: hoe hoger het aanvullend pensioen, hoe lager de koopkrachtontwikkeling. Dit is voor een belangrijk deel het gevolg van het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen in deze periode. Voor gepensioneerden met de laagste inkomens geldt dat de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, en dat de AOW wel geïndexeerd is in deze periode omdat deze gekoppeld is aan het minimumloon. Voor de gepensioneerden met de laagste inkomens is tot en met 2022 dus sprake geweest van een koopkrachtstijging die meer in lijn is met de koopkrachtontwikkeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden tot en met 2022, dan van gepensioneerden met een hoog aanvullend pensioen.
Bij het artikel past ook een aantal kanttekeningen.
Ten eerste suggereren de cijfers in het artikel dat de inkomenspositie van de groep werknemers als geheel fors verbeterd is ten opzichte van de groep gepensioneerden, maar dat is niet het geval. De cijfers in het artikel geven de koopkrachtontwikkeling weer van iemand al sinds 2011 gepensioneerd is of vanaf 2011 tot nu toe heeft gewerkt. In figuur 2 wordt de ontwikkeling van het absolute inkomen van groepen (gedefinieerd als het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen) weergegeven tussen 2011 en 2024. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling van het inkomen van gepensioneerden meer in lijn ligt met dat van werkenden, dan de cijfers in het artikel suggereren.
Dat de ontwikkeling van het absolute gemiddeld inkomen van werkenden en gepensioneerden meer met elkaar in de pas loopt dan in het artikel, is toe te schrijven aan meerdere factoren. Zo geldt dat nieuwe gepensioneerden gemiddeld genomen steeds hogere pensioenen hebben dan oudere gepensioneerden. Verder geldt dat een deel van de koopkrachtstijging van werkenden in het artikel het gevolg is van de inkomensgroei die werknemers realiseren tijdens hun carrière, bijvoorbeeld door een hogere salarisschaal of -trede. Binnen de groep werkenden nemen individuele werknemers ieder jaar een steeds betere positie in. Maar de inkomenspositie van de groep werkenden verbetert hierdoor niet per se. Dit komt doordat startende werknemers vaak onder aan het inkomensgebouw beginnen, en werknemers die met pensioen gaan vaak aanzienlijk hoger zitten in het inkomensgebouw. Gepensioneerden hebben deze inkomensgroei vaak ook meegemaakt in hun werkverleden.
Een tweede kanttekening bij de cijfers in het artikel is dat het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen ook de (toekomstige) pensioenen van werknemers raakt. Dit effect is echter niet zichtbaar in de koopkracht- of inkomenscijfers van het CBS, CPB en het Ministerie van SZW.
Figuur 1
Bron: CBS
Figuur 2: Ontwikkeling gemiddeld reëel gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen, 2011–2024, 2011=100
Bron: CBS (onbewerkte cijfers: StatLine - Inkomen van huishoudens; inkomensklassen, huishoudenskenmerken), bewerking Ministerie van SZW
Klopt de volgende constatering: «Uiteindelijk bleef de koppeling overeind, maar het staafdiagram laat zien dat daar weinig van overbleef. Het voordeel voor de gepensioneerden werd via fiscale maatregelen weer afgeroomd?». Indien nee, waarom klopt de constatering niet? En zo ja, kunt u preciseren welke maatregelen hiervoor verantwoordelijk waren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 geldt dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen. Voor gepensioneerden met lagere inkomens geldt dat de ontwikkeling van de AOW, die gekoppeld is aan minimumloon, gezorgd heeft voor een positieve koopkrachtontwikkeling in de periode 2011–2022. Het kabinet herkent de constatering dat de koppeling overeind bleef voor deze groepen, maar niet dat deze weer werd afgeroomd. De koppeling zorgde immers voor koopkrachtstijging voor gepensioneerden met de laagste inkomens (zie figuur 1). Wel geldt dat gepensioneerden inderdaad geen profijt hebben gehad van de lastenverlichting via de hogere arbeidskorting, die als doel heeft gehad om (meer) werken meer lonend te maken (zie ook het antwoord op vraag 4). Voor gepensioneerden met hogere aanvullende pensioenen is de koopkrachtontwikkeling sinds 2011 minder gunstig geweest. Het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen is hiervoor een belangrijke verklaring geweest.
Deelt u de conclusie dat de concentratie van lastenverlichting via de arbeidskorting, ervoor heeft gezorgd dat lastenverlichting relatief minder neerslaat bij AOW’ers? Erkent u dat de onevenredig harde groei van de arbeidskorting, medeverantwoordelijk is voor het achterblijven van de koopkracht van gepensioneerden ten opzichte van werkenden en zelfstandigen? Indien nee, waarom niet?
Het klopt dat de maximale arbeidskorting fors is toegenomen sinds de invoering ervan (zie ook het antwoord op vraag 5). Met name werkenden met een inkomen tussen het minimumloon en modaal, die een hoge arbeidskorting ontvangen, hebben hiervan profijt gehad. De hogere arbeidskorting heeft ervoor gezorgd dat (meer) werken meer lonend is geworden. Gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden hebben inderdaad geen profijt gehad van de hogere arbeidskorting. Voor gepensioneerden geldt ten slotte wel dat de ouderenkorting is toegenomen sinds 2011, zij het niet in dezelfde mate als de arbeidskorting (zie het antwoord op vraag 5).
Kan een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de maximale hoogte van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek, per jaar sinds 2010? Kan daarbij tevens per jaar het budgettaire beslag van deze regelingen worden getoond?
Onderstaande tabel toont de maximale hoogte en het budgettair beslag van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek sinds 2010.
1.489
9.721
684
1.386
9.427
1.672
1.574
10.230
739
1.530
9.484
1.760
1.611
10.005
762
1.628
7.280
1.647
1.723
9.694
1.032
2.419
7.280
1.733
2.097
11.742
1.032
2.434
7.280
1.660
2.220
12.968
1.042
2.484
7.280
1.645
3.1031
17.276
1.187
2.756
7.280
1.652
3.2231
18.564
1.292
3.008
7.280
1.769
3.2491
19.755
1.418
3.506
7.280
1.882
3.3991
19.522
1.596
4.017
7.280
1.860
3.8191
21.968
1.622
4.168
7.030
1.752
4.2051
25.447
1.703
4.360
6.670
1.692
4.2601
26.374
1.726
4.459
6.310
1.743
5.0521
32.110
1.835
4.701
5.030
1.343
5.5321
36.016
2.010
5.269
3.750
1.022
5.5991
36.921
2.035
5.439
2.470
645
voor hogere inkomens wordt de arbeidskorting afgebouwd naar nul in deze jaren
Erkent u, dat het inkomensbeeld van Nederlandse gepensioneerden zoals getoond in het artikel, veel gunstiger zou zijn geweest als de Nederlandse aanvullende pensioenen sinds 2010 zouden zijn verhoogd met hetzelfde percentage als de aanvullende pensioenen in andere EU-landen, of met hetzelfde percentage als de staatspensioenen in andere EU-landen?
Zie ook het antwoord op vraag 9. De indexatie van aanvullende pensioenen en staatspensioenen in EU-landen zijn niet zonder meer vergelijkbaar. Figuur 1 laat voor Nederland in ieder geval zien dat de AOW sinds 2011 wel geïndexeerd is geweest, vanwege de koppeling aan het minimumloon. Hier zijn gepensioneerden waarvan de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, er meer op vooruitgegaan zijn dan gepensioneerden bij wie het aanvullend pensioen een groter deel van het inkomen uitmaakt. Verder geldt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen (zie het antwoord op vraag 12).
Kunt u een tabeloverzicht geven, per jaar vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de Nederlandse aanvullende pensioenen, in de tweede kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de aanvullende pensioenen in andere EU-landen en in de derde kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in andere EU-landen?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u tevens een landen specifiek overzicht geven vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in Frankrijk en daarnaast respectievelijk ook van Italië, Spanje en Duitsland?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u weerleggen, dat diverse toonaangevende artificiële intelligentie toepassingen, waaronder Grok en ChatGPT, bevestigend antwoorden op de vraag of het klopt dat Nederlandse aanvullende (beroepspensioenen) in de periode 2008–2024 inderdaad minder zijn geïndexeerd dan aanvullende pensioenen in andere EU-landen, minder dan de staatspensioenen in andere EU-landen én minder dan het Nederlandse staatspensioen (AOW)? Geven deze toepassingen een onjuist antwoord? Baseren zij zich op andere data of kunt u erkennen dat het inderdaad de waarheid is? Deelt u de mening dat dit eigenlijk onaanvaardbaar is?
In algemene zin deel ik niet de mening dat eventuele verschillen in indexatie tussen gepensioneerden in verschillende landen per definitie onaanvaardbaar zijn. De indexatie van aanvullende pensioenen kan namelijk niet op een gelijkwaardige manier worden vergeleken met de indexatie van staatspensioenen. Beide vormen van pensioen worden immers op een andere wijze gefinancierd.
Aanvullende pensioenen zijn kapitaalgedekt en zijn daardoor vooral afhankelijk zijn van ontwikkelingen op de financiële markten en de rentestanden. Staatspensioenen worden gefinancierd uit lopende begrotingen en zijn, bijvoorbeeld in het geval van Nederland, gekoppeld aan de ontwikkeling van het minimumloon. Daarnaast geeft het ook een onvolledig beeld om louter de indexatie van aanvullende pensioenen van verschillende landen met elkaar te vergelijken. Dit omdat de doelen en de indexatieregels van aanvullende pensioenen per land verschillen.
Overigens heeft mijn ministerie dezelfde vraag ook gesteld aan Grok en ChatGPT. Grok wees naar de Nederlandse indexatieregels van het oude pensioenstelsel als reden voor waarom de indexatie van Nederlandse pensioenfondsen lager was dan in andere landen. Als bron wordt verwezen naar «Better Finance»2. In deze publicatie is zichtbaar dat in de verschillende EU-lidstaten verschillende pensioensystemen worden gehanteerd en dat het netto-rendement van Nederlandse pensioenfondsen tussen 2014–2023 positief is. ChatGPT stelde dat het een onjuiste of op zijn minst oncontroleerbare bewering is om met zekerheid te stellen dat Nederlandse aanvullende pensioenen minder geïndexeerd zijn dan aanvullende pensioenen in de meeste andere EU-landen omdat daar onvoldoende vergelijkende data voor beschikbaar is.
Bij het gebruik van AI-toepassingen om Kamervragen te beantwoorden is overigens de nodige voorzichtigheid geboden. De verschillende AI-toepassingen leiden vaak nog niet tot waterdichte antwoorden en missen vaak belangrijke nuances, zoals in deze specifieke vraag het punt dat een vergelijking van louter de aanvullende pensioenen van verschillende landen een onvolledig beeld geeft.
Welk deel van het voor aanvullend pensioen bestemde kapitaal in de Europese Unie respectievelijk in de eurozone, kan worden toegerekend aan Nederlandse pensioenfondsen en pensioendeelnemers en welk deel aan andere lidstaten? Kan het antwoord worden gegeven in percentages en met aparte cirkeldiagrammen voor de EU en de eurozone?
Volgens het «IORPS in Focus Report 2024» van EIOPA3 kan 59% van het totale pensioenkapitaal in de Europese Economische Ruimte toegerekend worden aan Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen (ppi). In de onderstaande figuur wordt inzicht gegeven in de verdeling over de lidstaten. Het «PensionsEurope Report 2024»4 geeft aan dat in het vierde kwartaal van 2024 53,37% van het totale pensioenvermogen in de eurozone Nederlands pensioenvermogen betrof.
Figuur 3: Pensioenvermogen in beheer in de EER in miljoenen euro’s.
Bron: EIOPA (2025), IORPS in Focus Report 2024
Wat was het cumulatieve rendement van Nederlandse pensioenfondsen over de periode 2008–2020 in procenten? Wat was over dezelfde periode het cumulatieve rendement van niet-Nederlandse pensioenfondsen in de EU? Geeft het verschil in rendement onderbouwing voor het verschil in indexatie in de periode?
Bij het Ministerie van SZW is geen data bekend om deze vraag te kunnen beantwoorden. Daarbij wil ik opmerken dat de gevraagde vergelijking van Nederlandse pensioenfondsen met buitenlandse pensioenfondsen op louter het cumulatieve rendement beperkte inzichten geeft. Ten eerste behoort het behaalde rendement altijd in samenhang met het bijbehorende risico te worden bekeken. Daarnaast keren Nederlandse pensioenfondsen geen vermogen uit maar een levenslange uitkering. Om dit te kunnen bieden, moeten Nederlandse pensioenfondsen onder andere risico’s zoals de rentevolatiliteit afdekken, iets wat voor buitenlandse pensioenfondsen anders kan zijn, gelet op de verschillende doelen en indexatieregels voor aanvullende pensioenen per land.
Begrijpt u dat Nederlandse gepensioneerden zich ernstig benadeeld voelen als zij op afstand de grootste pensioenpot van Europa bij elkaar hebben gespaard, maar tegelijkertijd moeten aanzien dat zowel staatspensioenen als aanvullende pensioenen in andere EU-landen veel harder zijn gestegen. Indien nee, graag een toelichting.
Voor de ervaren welvaart, is de hoogte van het pensioen een belangrijke indicator. Uit de onderstaande tabel, met data uit 2022, kan worden opgemaakt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen, ook wanneer er rekening wordt gehouden met de verschillen in koopkracht tussen de landen (de kolom «in PPS»). Daarnaast verwijs ik naar de eerdere antwoorden, waarin ik kanttekeningen plaats bij de vergelijking van de (jaarlijkse) stijging van kapitaalgedekte pensioenen met de stijging van begrotingsgefinancierde pensioenen.
16.138
16.138
24.349
21.162
31.835
20.784
30.211
20.587
24.092
20.185
19.589
19.470
18.100
19.371
22.577
18.885
18.855
17.217
22.436
17.204
17.926
16.456
21.085
16.353
21.766
15.324
12.286
14.558
11.286
13.240
12.484
13.085
6.905
11.688
10.613
11.412
8.930
10.175
8.375
10.142
5.094
9.577
4.958
8.015
7.329
7.779
5.684
7.425
4.940
7.212
5.323
7.145
3.611
6.644
4.753
5.978
Opmerking: exclusief verwachte en gedeeltelijke pensioenen.
Bron: Eurostat3
Voorlopig
Raming
Begrijpt u dat het voor veel Nederlanders onbestaanbaar is, dat andere EU-lidstaten die hun ongedekte staatspensioenen fors hebben verhoogd, straks aankloppen bij Nederland en/of bij de EU voor financiële steun via eurobonds of anderszins?
In de EU zijn afspraken gemaakt over de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid van lidstaten. In dat verband krijgen lidstaten jaarlijks landspecifieke aanbevelingen van de Raad, die ook betrekking hebben op de houdbaarheid van pensioenstelsels. Daarnaast worden lidstaten geacht zich te houden aan de begrotingsregels. In dat verband moeten lidstaten zich houden aan een maximale uitgavengroei, die ervoor moet zorgen dat hun tekort en schuld op middellange termijn onder de 3% en 60% bbp komt of blijft. Bij de berekening van de maximale uitgavengroei wordt rekening gehouden met de kosten van vergrijzing, waaronder die van pensioenen. Deze afspraken moeten bijdragen aan de houdbaarheid van pensioenstelsels en bijdragen aan de financiële stabiliteit van de EU. Voorstellen om aan te kloppen bij andere landen of bij de EU voor financiële steun zijn daarbij niet aan de orde.
Wat gaat u doen om de koopkrachtresultaten van Nederlandse gepensioneerden op een meer evenwichtig groeipad te krijgen, in vergelijking met werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden?
De AOW en de bijstand zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, wat een evenwichtige koopkrachtontwikkeling stimuleert. Het feit dat gepensioneerden met een aanvullend pensioen zijn achtergebleven in koopkrachtontwikkeling is voornamelijk gevolg van de beperkte aanvullende pensioenindexatie in het oude pensioenstelsel tot 2022. Daarnaast is er ieder jaar tijdens de augustusbesluitvorming aandacht voor een evenwichtig koopkrachtbeeld. Hierbij wordt ook gekeken naar de verschillen tussen de koopkrachtontwikkeling van werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden. Voor komend jaar is een evenwichtig koopkrachtbeeld geraamd waar gepensioneerden er in doorsnee 1,5% op vooruitgaan. Dit komt voor een groot deel door het nieuwe pensioenstelsel, waardoor aanvullende pensioenen meer kunnen worden verhoogd wanneer het goed gaat op de financiële markten. In deze raming wordt uitgegaan van een indexatie van aanvullende pensioenen volgend jaar met gemiddeld met 4%. Werkenden en uitkeringsgerechtigden gaan er in doorsnee 1,3% op vooruit.
Deelt u de mening dat hier sprake is van fiscale leeftijdsdiscriminatie?
Het kabinet deelt de mening niet dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Het verschil in de koopkrachtonwikkeling tussen werkenden en gepensioneerden wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de beperkte indexatie van de aanvullende pensioenen in het oude pensioenstelsel tot 2022. Het Nederlandse pensioenstelsel is deels kapitaalgedekt (aanvullend pensioen) en deels omslagstelsel (AOW). Door ze gezamenlijk te gebruiken, kunnen risico’s zoals inflatie en vergrijzing beter worden gespreid. Terwijl het omslagstelsel direct wordt gefinancierd door middel van de lopende begroting, zijn bij het kapitaalgedekte stelsel de individuele bijdrage en de ontwikkelingen op de financiële markten van belang. Hier hoort bij dat de overheid dan ook niet de marktuitkomsten van het kapitaalgedekte deel gaat compenseren.
Het Tijdelijk Noodfonds Energie |
|
Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de bevinding van TNO dat in 2025 tussen de 550.000 en 640.000 huishoudens een risico lopen op energiearmoede?
Deze data is afkomstig uit een scenariostudie van maart 2025 van TNO, waarin de onderzoekers vooruitkijkend een inschatting hebben gemaakt van het aantal huishoudens in energiearmoede in 2025. Het is op dit moment niet bekend of deze scenario’s de werkelijke situatie in 2025 goed weergeven. Hoewel het kabinet de signalen uit dit rapport serieus neemt, bieden de cijfers uit de jaarlijkse monitor van CBS en TNO dus meer zekerheid. Uit de derde Monitor Energiearmoede in Nederland van TNO en CBS, die op 21 augustus 2025 mede namens mij is aangeboden aan de Tweede Kamer, blijkt dat er naar schatting 510.000 energiearme huishoudens in Nederland waren in 2024.
Hoeveel euro hulp is er deze winter per huishouden beschikbaar vanuit het Tijdelijk Noodfonds Energie vanuit de 30 miljoen die extra beschikbaar is gesteld, en vanuit de overige middelen?
De € 30 miljoen is niet ter beschikking gesteld aan het Tijdelijk Noodfonds Energie, maar aan gemeenten. Via een Decentrale Uitkering (DU) voeg ik in 2025 € 10 miljoen toe aan het Gemeentefonds. In 2026 komt hier nog eens € 20 miljoen bij. De financiële dekking voor deze impuls komt van de SZW-begroting (€ 10 miljoen) en het amendement Grinwis (€ 20 miljoen). De middelen worden via een DU verstrekt en zijn daarmee breed inzetbaar. Het verstrekken van de middelen via gemeenten is dus niet te vergelijken met de subsidie van het Ministerie van SZW aan het Tijdelijk Noodfonds Energie in de afgelopen jaren, dat een financiële tegemoetkoming via de energierekening uitkeerde aan huishoudens.
Gemeenten kunnen deze middelen inzetten om de bestaande dienstverlening binnen de lokale aanpak van energiearmoede te versterken. Binnen die aanpak zijn er verschillende manieren waarop de middelen kunnen worden benut. Ik ben met de VNG tot deze brede formulering gekomen, omdat huishoudens in energiearmoede zowel mogelijk financiële problematiek als bij het verduurzamen van het huis hulp kunnen gebruiken. Daarbij weten gemeenten vaak het beste hoe ze hun inwoners verder kunnen helpen.
Ten aanzien van financiële problematiek kan gedacht worden aan bijvoorbeeld budgetcoaching, schuldhulp en samen kijken welke eventuele toeslagen nog niet aangevraagd zijn via de Potjescheck. Deze ondersteuning helpt huishoudens hun financiële situatie beter te overzien en versterkt hun financiële weerbaarheid. De middelen kunnen ook worden ingezet binnen de individuele bijzondere bijstand om inwoners met een hoge energierekening tegemoet te komen. Of iemand hiervoor in aanmerking komt hangt af van de voorwaarden die de gemeente stelt. Deze voorwaarden kunnen verschillen per gemeente, bijvoorbeeld op basis van inkomen, vermogen, type woning en het aantal personen in het huishouden. Gemeenten behouden de vrijheid om zelf te bepalen hoe zij de middelen inzetten. Daarmee kan er ook worden ingezet op andere vormen van ondersteuning, zoals een groter bereik van de lokale energiearmoedeaanpak onder de doelgroep.
Gezien het bovenstaande is het niet mogelijk om deze middelen uit te drukken per huishouden.
Hoe verhoudt dat zich tot eerdere jaren? Graag een uitsplitsing per jaar.
De afgelopen jaren was de gemiddelde tegemoetkoming van het Tijdelijk Noodfonds Energie in 2023 € 140, in 2024 € 97 en in 2025 € 78 per maand voor een periode van maximaal zes maanden. De reden dat de bedragen per maand in de loop van de jaren lager zijn geworden, is dat de gemiddelde energierekening in 2025 lager is ten opzichte van de energiecrisis in 2022/2023. Overigens is in 2024 en 2025 wel de vereiste hoogte van de energiequote verlaagd van 10 à 13 procent in 2023 naar 8 à 10 procent in 2024 en 2025. Dit maakt dat je energierekening een minder groot deel van je inkomen hoefde uit te maken om een tegemoetkoming uit het fonds aan te kunnen vragen.
Acht u dit voldoende om te voorkomen dat honderdduizenden huishoudens te kampen krijgen met energiearmoede? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
Om dit te voorkomen is een bredere aanpak nodig en die is ook al ingezet. De oorzaken van energiearmoede zijn complex en komen vaak voort uit een combinatie van een laag inkomen, hoge energiekosten in verhouding tot het inkomen en een slechte energetische kwaliteit van de woning. Het kabinet zet daarom in op een combinatie van verduurzaming in de gebouwde omgeving, ondersteuning bij het betalen van de energierekening en voldoende en concurrerend aanbod voor consumenten op de energiemarkt. Het is hierbij de inzet dat de energierekening betaalbaar wordt en blijft voor iedereen.
Bij de aanpak van energiearmoede heeft het Ministerie van VRO het voortouw bij de verduurzaming van woningen. Het Ministerie van SZW is verantwoordelijk voor het behoud van koopkracht en gerichte financiële ondersteuning. Het Ministerie van KGG is stelselverantwoordelijk voor het energiesysteem, waaronder de betaalbaarheid van de energierekening (artikel 24 EED). Een onderdeel daarvan is ook goede consumentenbescherming.
In de Kamerbrief van 7 november 2025 heb ik geschetst welke inspanningen ik heb gepleegd om te bezien of er deze winter opnieuw een Tijdelijk Noodfonds Energie kon komen en geef ik aan waarom dit niet mogelijk is. Met de impuls van € 30 miljoen voor de lokale energiearmoedeaanpak kunnen gemeenten aanvullende en gerichtere hulp aanbieden. Daarbij is het streven dat gemeenten, na een pilotfase, data ontvangen van 151.000 huishoudens van de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie. Zo hebben gemeenten de mogelijkheid om aanvullende en gerichtere hulp aan te bieden. Hoe dit traject er uit ziet heb ik in de Kamerbrief van 7 november 2025 toegelicht.
Op welke manier gaat u de energieleveranciers bewegen om in de toekomst wel weer een bijdrage te leveren? Indien dit niet lukt, op welke manier brengt u de financiering van het Tijdelijk Noodfonds Energie structureel op orde?
De inzet voor de komende jaren is om een publiek energiefonds in te richten. Daarbij is een financiële bijdrage van private partijen geen vereiste. Zoals ik eerder aan de Kamer heb gemeld hebben energieleveranciers herhaaldelijk aangegeven niet bereid te zijn voor een vierde keer een financiële bijdrage te doen. Het Tijdelijk Noodfonds Energie van 2025 was de laatste keer, waarbij is aangegeven dat het kabinet hen niet opnieuw om een bijdrage zou vragen. Voor het publiek energiefonds is op dit moment € 339,75 miljoen (inclusief de verwachtte middelen uit het Social Climate Fund) beschikbaar, zoals in de Kamerbrief van 7 november 2025 is geschetst.
Kunt u garanderen dat ook mensen die zich niet eerder bij het Tijdelijk Noodfonds Energie hebben gemeld in aanmerking komen voor hulp bij gemeenten? Op welke manier zorgt u dat gemeenten kunnen zorgen dat het geld direct terechtkomt bij de mensen die het nodig hebben?
Via een DU wordt € 30 miljoen toegevoegd aan het Gemeentefonds. Met deze middelen wordt beoogd dat gemeenten huishoudens in energiearmoede aanvullend kunnen ondersteunen via de reeds bestaande lokale energiearmoedeaanpak. Door de verdeelsleutel van de DU te baseren op het percentage energiearmoede per gemeente krijgen gemeenten met meer energiearmoede in hun gemeente ook meer middelen om huishoudens te ondersteunen. Zo wordt gewaarborgd dat gemeenten de mogelijkheid hebben om huishoudens in energiearmoede te helpen en niet alleen de huishoudens die eerder dit jaar een aanvraag bij het TNE hebben gedaan. Zoals bij het antwoord op vraag 2 is geschetst, vormen deze middelen echter geen vervanging van het Tijdelijk Noodfonds Energie, dat directe inkomenssteun verleende aan inwoners.
Wordt er alleen gekeken naar mensen met een laag inkomen én hoge energierekening, of ook naar mensen met een laag inkomen en slecht energielabel? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Dat is aan gemeenten. Gemeenten kunnen de middelen benutten als impuls voor de lokale energiearmoedeaanpak. Het is aan gemeenten om te bezien welke huishoudens in aanmerking komen voor deze lokale ondersteuning. Gemeenten hebben vaak inzicht in welke wijken huizen met een lage energetische kwaliteit staan. Tevens hebben zij inzicht in wat sociaal kwetsbare wijken zijn. Met deze kennis proberen gemeenten al zo gericht mogelijk hun aanpak in te zetten. De data die nu aan gemeenten verstrekt worden, kunnen daarbij helpen om nog gerichter te werk te gaan.
De antwoorden op eerdere vragen over het bericht ‘Verpleeghuizen kampen met leegstand terwijl bijna 18.000 ouderen op de wachtlijst staan: hoe kan dat?’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de uitspraak «Maar als verpleeghuizen nu omvallen vanwege financiële problemen, heb je die kamers niet een-twee-drie terug als ze straks nodig zijn»?1
Ik ben het eens met de uitspraak dat kamers niet zomaar terugkomen. Daarom moeten we moeten voorkomen dat we nu plekken verliezen die we later nodig hebben, immers ouderen die aangewezen zijn op een plek in een verpleeghuis moeten erop kunnen rekenen dat deze dan ook beschikbaar is.
Over de verandering in de zorgvraag heb ik de afgelopen periode gesproken met zorgaanbieders in diverse regio’s. Het beeld van minder vraag naar ouderenzorg dan op grond van demografische trends verwacht had mogen worden, wordt vaak herkend. Dat leidt niet in iedere regio of bij iedere aanbieder tot leegstand. Het kan ook blijven bij een kortere wachtlijst dan voorheen. Zorgaanbieders die ik gesproken heb waar wel sprake is van enige leegstand, anticiperen op de ontstane situatie door kamers (tijdelijk) op een andere manier in te zetten. Voorbeelden zijn dat zij de samenwerking zoeken met de GGZ of jongeren (tijdelijk) een plek geven in vrijgekomen kamers.
Zorgaanbieders geven aan behoefte te hebben aan duidelijkheid over de oorzaak van de verminderde vraag naar ouderenzorg en een goede projectie voor de komende jaren. Zij hebben meer informatie nodig om toekomstgericht te kunnen sturen op hun organisatie en de capaciteit. Ik heb het RIVM gevraagd om hiernaar onderzoek te doen. Het RIVM zal onderzoeken of (en zo ja, in welke mate) sprake is van vraaguitval, welke verklaringen daarvoor zijn en of sprake is van tijdelijke of structureel verminderde vraag.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat er nu verpleeghuisplekken verdwijnen die we later juist hard nodig zullen hebben? Bent u bereid om meer te doen dan enkel te wachten op de resultaten van het RIVM-onderzoek?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel verpleeghuizen komen nu of op korte termijn in financiële problemen doordat er kamers leegstaan?
Het is aan zorgaanbieders om adequaat in te spelen op veranderende omstandigheden. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor een financieel gezonde bedrijfsvoering. Deze analyse van het RIVM is ook waar zorgaanbieders om vragen om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Zorgaanbieders hebben helderheid nodig omtrent de vraagontwikkeling zodat zij kunnen sturen op de vraag van de toekomst. Zorgaanbieders stellen zich daar nu al op in door flexibel te zijn in de inzet van hun vastgoed. Uiteraard zal ik ook zelf de vinger aan de pols houden. Mochten zich onverhoopt financiële problemen bij een verpleeghuis voordoen, dan treedt het continuïteitsbeleid in werking waarbij het zorgkantoor als eerste aan zet is om de ontstane situatie te beoordelen.2
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat verpleeghuizen omvallen als gevolg van leegstaande kamers? Bent u bereid om meer te doen dan enkel te wachten op de resultaten van het RIVM-onderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre hangt de afname van het aantal aanvragen voor een verpleeghuisindicatie samen met uw beleid om ouderen te stimuleren langer thuis te blijven wonen?
Dit is onderdeel van het onderzoek van het RIVM. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Waar komen de ouderen die zich eerder zouden hebben gemeld voor een verpleeghuisplek nu terecht? Hoeveel daarvan blijven nu langer thuis wonen, hoeveel verhuizen naar een geclusterde woonvorm en hoeveel zijn nu afhankelijk van commerciële dure alternatieven?
In onderstaande tabel treft u de ontwikkeling van het aantal mensen dat wijkverpleging, een volledig pakket thuis (vpt) of een modulair pakket thuis (mpt) ontvangt. In de tabel is zichtbaar dat het aantal mensen dat een vpt of mpt ontvangt sterk is toegenomen.
2020
2021
2022
2023
2024
Wijkverpleging1
225.175
219.650
209.035
205.695
211.075
Zin volledig pakket thuis (vpt)2
10.335
12.345
15.585
18.500
22.175
Modulair pakket thuis (mpt)3
24.705
27.880
32.040
34.500
34.725
CBS: StatLine – Personen met gebruik Zvw-wijkverpleging; zorgvorm en huishouden
CBS: StatLine – Personen met gebruik Wlz-zorg in natura; leveringsvorm, zzp/zorgvorm, regio
CBS: StatLine – Personen met gebruik Wlz-zorg; leveringsvorm, zorgzwaartepakket
Hierbij zij opgemerkt dat het niet bekend is wat geclusterd en niet-geclusterd wordt geleverd en wat de organisatievorm is. Het RIVM onderzoek zal ons meer informatie geven over de ontwikkelingen in de ouderenzorg.
Het rapport ‘De stand van de Jeugdzorg 2025’ van de Jeugdautoriteit |
|
Don Ceder (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport «De stand van de Jeugdzorg 2025» van de Jeugdautoriteit?1
Ja.
Deelt u de mening dat jongeren met bijvoorbeeld stress en een neerslachtig gevoel minstens net zo goed geholpen kunnen worden met andere hulp dan jeugdzorg?
Het normaliseren van problemen of klachten die bij het gewone leven horen is een belangrijke doelstelling van de Jeugdwet en de Hervormingsagenda. We weten inmiddels dat het op de lange termijn niet helpt om deze kinderen een label te geven met een behandeling erachteraan. Zo benadrukte ook prof. dr. Laura Batstra nogmaals in de onlangs uitgesproken Mulock Houwer lezing2. Daarom is het essentieel om bij te dragen aan een gezonde opvoedcontext.
Wanneer er een hulpvraag is, staat voorop dat hulp of ondersteuning passend moet zijn bij de vraag en de aard van de problematiek en er goed gekeken moet worden naar de context. Het is aan de jeugdige en het gezin om samen met de professional te bepalen (zoals onder andere beschreven in de richtlijn Samen beslissen over jeugdhulp) of en zo ja, welke ondersteuning of hulp nodig is. Het heeft de voorkeur om de ondersteuning – als dit nodig blijkt te zijn – zo collectief, licht en laagdrempelig als mogelijk in te zetten; denk bijvoorbeeld aan groepsgesprekken onder leiding van een jongerenwerker zoals bij Bukojou of met een collectieve voorziening zoals Groen in ’s Hertogenbosch. Echter, wanneer dat nodig is, moet intensievere zorg ingezet kunnen worden. Het kan dus niet standaard zo zijn dat jeugdigen met stress of een neerslachtig gevoel in alle gevallen net zo goed geholpen kunnen worden met andere hulp dan jeugdzorg.
Hoe reflecteert u op het oordeel dat de overheid onvoldoende kiest wat er nog wel onder de jeugdzorg valt, en welke problemen elders in de maatschappij opgelost moeten worden?
In de Jeugdwet staat beschreven in welke situaties een jeugdige of het gezin in aanmerking komt voor jeugdhulp. Deze open norm blijkt echter in de praktijk zó open dat het te weinig richting geeft. Dit complexe vraagstuk wordt nader uitgewerkt in de maatregelen rondom het thema Reikwijdte uit de Hervormingsagenda Jeugd. Zo wordt beschreven dat jeugdhulp alleen ingezet dient te worden wanneer de aard en ernst van de situatie dit vraagt. Dit betekent o.a. dat er geen jeugdhulp ingezet wordt wanneer sprake is van problematiek die geen betrekking heeft op het kind.
Bent u bekend met de motie van de leden Ceder en Bruyning over het verwerken van bewezen effectieve voorzieningen in de hervormingsagenda? In hoeverre hebt u de bewezen effectieve voorzieningen die in de motie worden genoemd betrokken en verwerkt in de continuering van de hervormingsagenda, of in hoeverre bent u van plan dat te doen?2
Ja, wij zijn uiteraard bekend met deze motie. We informeren uw Kamer over het vervolg op deze motie in de Jeugdbrief voorafgaande aan het Wetgevingsoverleg Jeugd (WGO) van 2 februari 2026.
Kunt u aangeven waardoor het komt dat de landelijke wet die beter afbakent wat er onder de jeugdzorgplicht van gemeenten valt vertraagd is? Wanneer verwacht u dat deze wet naar de Kamer wordt gestuurd?
De uitwerking van het wetsvoorstel en aanpalende onderwerpen ten aanzien van het thema Reikwijdte is in volle gang. In dit proces staan doeltreffendheid en zorgvuldigheid voorop. Ik wil met intensieve samenwerking tussen Rijk en gemeenten een voorstel dat inhoudelijk bijdraagt aan de beoogde doelen en voldoende draagvlak heeft in het veld om tot effectieve uitvoering te kunnen komen. Ik wil het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in consultatie brengen, het streven is begin volgend jaar.
Wat is uw reflectie op het oordeel van de Jeugdautoriteit dat het werkelijke probleem van de overbelasting van de jeugdzorg niet een tekort aan geld is, maar dat de maatschappij te veel verwacht van de jeugdzorg?
Deze constatering kan ik voor een belangrijk deel onderschrijven. Het is essentieel dat we als samenleveving realistisch zijn over wat de opvoedcontext betekent voor opgroeien in goede gezondheid: lichamelijk, mentaal en sociaal. Daarom is het bijvoorbeeld belangrijk dat de maatschappelijke dialoog wordt gevoerd en dat we op een andere manier gaan kijken naar hulpvragen en de reacties daarop. Dat geldt voor jongeren, ouders, de samenleving, professionals, politiek en andere relevante partijen. Daarnaast is het belangrijk dat we kritisch zijn op wat jeugdhulp wel en ook niet kan bieden. Met jeugdzorg is niet alles op te lossen. Behandeling zou meer gericht moeten zijn op het omgaan met problematiek en het omarmen van verschillen in plaats van het te behandelen, met als doel dat jongeren zélf vooruit kunnen.
Bent u het eens met de Jeugdautoriteit dat het «ongemakkelijke gesprek» over de verwachtingen van de maatschappij richting de Jeugdzorg te weinig wordt gevoerd, waar voormalig Staatssecretaris Van Ooijen ook zijn zorgen over uitte? Op welke manier kan het «ongemakkelijke» gesprek wel gevoerd worden?3
Ik zie op heel veel plekken in het land dat gemeenten en organisaties het gesprek hier wel al over aangaan. Tegelijkertijd deel ik de constatering van de Jeugdautoriteit dat dit nog te weinig gebeurt. Om de gesprekken tussen en met jongeren hierover te stimuleren heeft MIND Us in opdracht van VWS PRAATPOWER ontwikkeld.
Inmiddels is met honderden jongeren en hun omgeving, bijvoorbeeld de school, het gesprek gevoerd over mentale gezondheid, mentaal gezond opgroeien en/of wat jongeren (nu al) zelf kunnen doen om mentaal gezond te blijven. Begin 2026 zijn er ook tools voor gemeenten en organisaties om gesprekken tevoeren met ouders over opvoeden en opgroeien. Daarnaast voeren ook professionals steeds vaker het gesprek, daarbij geholpen met kennis vanuit de lectoren jeugd en gezin5. Met de leerlijn informele steun van netwerkorganisatie Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) wordt ingezet om informele steun voor gezinnen te versterken. Hierbij is veel aandacht voor samenwerken met en in het netwerk, herstelbeweging, het versterken van de sociale basis en normaliseren van hulpvragen en problematiek. Met het aangekondigde wetsvoorstel reikwijdte ontstaat ook meer ruimte om dit gesprek vanuit de overheid, met name lokaal, actief in te gaan zetten.
Bent u bekend met de verschillende oplossingen die gemeenten bieden zodat er voldoende ruimte is voor de jeugdzorg die echt nodig is, zoals de nauwe samenwerking in Woudenberg tussen jeugdzorg, gemeente, onderwijs en de kerk? Wat is uw reflectie op deze werkwijze?
We zien diverse goede voorbeelden in het land waarbij het lukt om de hulpvragen van inwoners op een integrale manier te beantwoorden op een manier die past bij de hulpvraag. Hier hoort een intensieve samenwerking bij tussen betrokken partijen. Onderdeel van het wetsvoorstel reikwijdte is bijvoorbeeld dat gemeenten een visie moeten opstellen samen met betrokken partijen over de sociaal-pedagogische basis en de wijze waarop de samenwerking met de lokale teams en het onderwijs wordt vormgegeven.
Op welke manier kan de samenleving een grotere rol worden gegeven als het gaat over de stand van de Jeugdzorg? Welke ideeën hebt u daarvoor?
De Jeugdautoriteit geeft in haar rapport terecht aan dat er nog onvoldoende aandacht is voor het wegnemen van oorzaken die leiden tot instroom in de jeugdzorg, maar buiten de jeugdzorg liggen, bijvoorbeeld in het gezin, het onderwijs of de samenleving. Een sociale context met zogenoemde steunstructuren is daarbij van belang. Denk aan het oude gezegde «It takes a village to raise a child». Ik zie gelukkig hele mooie initiatieven in het land, zoals de familiescholen in Amsterdam of de buurtgezinnen. O.a. met de film «een sterke pedagogisch basis»6 laten we deze voorbeelden zien. Om dit te stimuleren en het belang hiervan te onderstrepen, krijgen gemeenten in het wetsvoorstel reikwijdte de opdracht om een visie op de pedagogische basis op te stellen en hierover in gesprek te gaan met de samenleving over hun rol bij het gezond opgroeien en opvoeden van kinderen. Er zijn handvatten en tools ontwikkeld voor het op een goede manier voeren van dit gesprek.7
Wat gaat u de komende tijd concreet doen om die jongeren zorg te bieden die dat echt nodig hebben?
Ik ga onverdroten én samen met o.a. gemeenten door met de uitvoering van de Hervormingsagenda waarin we afspraken hebben gemaakt met onze partners om het jeugdstelsel te verbeteren. Voorafgaand aan het WGO op 2 februari a.s. zullen informeer ik uw Kamer nader informeren over de laatste stand van zaken.
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam1, waarin advocaat de kinderrechter tijdens de zitting een geluidsfragment heeft voorgelegd waarop een pleegmoeder zich op schokkende en vernederende wijze uitlaat tegen een kind die aan haar zorg was toevertrouwd?
Ja.
Wat doet het met u als stelselverantwoordelijke bewindspersoon dat een kinderrechter de kwalificatie gebruikt dat de uitlatingen van de pleegmoeder «alle grenzen van fatsoen overschreden» en dat «dit niet is hoe de opvang van een kwetsbaar kind mag gaan»? Welke gevolgen zou een dergelijke constatering volgens u moeten hebben binnen de pleegzorgketen en de positie van een pleegzorgouder die zich zo opstelt naar een kind?
Het is niet aan mij om te oordelen over uitspraken van een kinderrechter in een individuele casus. Voor het goede functioneren van onze democratische rechtsstaat is een onafhankelijke rechtspraak van het grootste belang en dat blijkt ook in deze situatie. Pleegouders moeten een veilige gezinssituatie bieden en dienen op een liefdevolle manier om te gaan met kinderen waar zij zorg voor dragen. Naar aanleiding van de mishandeling in het pleeggezin in Vlaardingen en het inspectierapport «Pleegkinderen uit beeld» werkt de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport in samenwerking met onder andere de pleegzorgsector aan verschillende verbeterinitiatieven om het zicht op de veiligheid van pleegkinderen en de samenwerking in de hele keten te verbeteren. Hierover bent u in de Kamerbrief van 2 december geïnformeerd.2
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat kinderen of ouders zich genoodzaakt voelen opnames te maken om gehoord te worden door jeugdbeschermers, raadsonderzoekers of de rechter? En dat het in deze zaak een geluidsfragment van het kind zelf was dat leidde tot erkenning van de misstanden, terwijl eerdere signalen van het kind kennelijk niet serieus zijn genomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook de mishandeling in het pleeggezin in Vlaardingen heeft laten zien, is het uitermate belangrijk dat er met het kind zelf (één op één) wordt gesproken én dat er daadwerkelijk naar het kind geluisterd wordt. Het zou niet zo moeten zijn dat kinderen of ouders zich genoodzaakt voelen opnames te maken om gehoord te worden.
Bent u ermee bekend dat ook advocaten soms vastlopen als zij zorgen hebben over de situatie binnen een kinderbeschermingsmaatregel en dat ook zij niet gehoord of serieus genomen worden door de gecertificeerde instelling (GI) of de Raad voor de Kinderbescherming omdat zij gezien worden als een verlengstuk van ouders en/of kinderen? Deelt u de mening dat dit geen recht doet aan de neutrale positie die advocaten innemen en de gedragsregels waar advocaten zich aan dienen te houden? Waar kunnen advocaten zich volgens u melden als zich zo’n situatie zich voordoet?
Ik heb navraag gedaan bij verschillende organisaties waaronder de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de Vereniging van Nederlandse Jeugdrechtadvocaten (NVJA) en de Nederlandse vereniging van Familie-en erfrecht Advocaten Scheidingsmediators (vFAS). Een deel van de achterban geeft aan de signalen te herkennen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft laten weten constructief samen te werken met de advocatuur en advocaten altijd serieus te nemen in hun rol als bijstandsverlener voor ouders en kind. In zijn algemeenheid kan ik aangeven dat ik waarde hecht aan de neutrale positie van de advocatuur en de opgestelde gedragsregels. Verder kunnen advocaten zich in de eerste plaats het beste melden bij de betreffende gecertificeerde instelling of de Raad voor de Kinderbescherming. Daarnaast kunnen advocaten signalen uiteraard ook neerleggen bij de belangenorganisaties waar ze bij zijn aangesloten.
Bent u ervan op de hoogte dat kinderen, ouders of pleegouders in sommige gevallen worden berispt of gesanctioneerd als zij dergelijke opnames maken en willen inbrengen in de procedure om zo gehoord te worden? Vindt u dit in lijn met artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK) dat bepaalt dat kinderen het recht hebben hun mening vrijelijk te uiten en dat daaraan passend belang moet worden gehecht?
Ik ben er niet van op de hoogte dat kinderen, ouders of pleegouders in sommige gevallen worden berispt of gesanctioneerd als zij dergelijke opnames maken en willen inbrengen in de procedure om zo gehoord te worden. In zijn algemeenheid kan ik het volgende aangeven ten aanzien van het gebruik van geluidsopnamen door verschillende instanties (Jeugdzorg Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming) en de rechtspraak. Jeugdzorg Nederland heeft op basis van de handreiking van de Nationale ombudsman3 een richtlijn opgesteld voor het gebruik van geluidsopnamen.4 Deze richtlijn geldt voor cliënten van Jeugdzorg Nederland en jeugdprofessionals van de organisaties die jeugdhulp, jeugdbescherming en/of jeugdreclassering aanbieden. Hierin staat vermeld dat het is toegestaan om een geluidsopname te gebruiken ten behoeve van een juridische procedure. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in zijn Kwaliteitskader opgenomen dat kinderen en ouders in principe geluidsopnamen mogen maken van de gesprekken met medewerkers.5 Daarnaast kan beeld- en geluidmateriaal benut worden in het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming indien ouders of kinderen dit tijdens gesprekken aan de raadsmedewerker laten zien of horen. In de verschillende familie- en jeugdrecht procesreglementen voor de rechtbanken, zoals gepubliceerd op rechtspraak.nl, staat sinds 1 januari 2026 de volgende bepaling: «Bij het overleggen van gegevens, stukken of multimediabestanden moeten partijen aangeven ter toelichting of staving van welke stelling deze zijn bedoeld en welk onderdeel daartoe van belang is. Partijen moeten bij audio- en videobestanden aangeven op welke minuut/minuten het voor de procedure relevante deel staat en van dat deel een transcriptie overleggen. Indien hieraan niet voldaan wordt, kan de rechter de overgelegde gegevens of stukken of multimediabestanden buiten beschouwing laten.» Hoe de rechter dit waardeert is verder aan het oordeel van de rechter.
Hoe beoordeelt u het verschil tussen rechtbanken waar kinderen wel of niet de mogelijkheid krijgen om via geluidsfragmenten hun stem te laten horen? Vindt u dat wenselijk? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Het is aan de rechter zelf om af te wegen hoe belangrijk de geluidsopname is en of er een goede reden is om wel of geen gebruik hiervan te maken.
Verschil in interpretaties is bovendien onderdeel van het rechtssysteem en draagt bij aan de rechtsvormende taak van de rechter. Verder verwijs ik naar mijn antwoord bij vraag 5 waarin ik in zijn algemeenheid inga op het gebruik van geluidsopnamen door verschillende instanties waaronder de rechtspraak.
Bent u ervan op de hoogte dat sommige rechtbanken, waaronder de Rechtbank Den Haag2, 3, dergelijke geluidsfragmenten niet accepteren als onderdeel van het dossier omdat zij als onrechtmatig worden beschouwd? En bent u ervan op de hoogte dat en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden4 het niet per definitie als onrechtmatig beschouwd maar dat er wel terughoudendheid betracht moet worden? Deelt u de mening dat dergelijke geluidsfragmenten niet als onrechtmatig beschouwd moeten worden en dat die terughoudendheid niet wenselijk is nu blijkt dat het vaak misgaat en dat juist de geluidsopnames kunnen bijdragen aan het gehoor geven aan de stem en de ervaringen van het kind, zoals vastgelegd in artikel 12 van het IVRK?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat dit verschil in interpretaties in de rechtspraak als een vorm van rechtsongelijkheid kan worden ervaren? En bent u het eens met dit standpunt van de rechtbank Den Haag dat hiervan het gevolg is dat de stem van het kind niet of onvoldoende gehoord wordt of dat de ervaringen van kinderen buiten beeld blijven?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid met de Raad voor de Rechtspraak te verkennen of er een uniform toetsingskader kan komen voor de omgang met geluidsopnamen in civiele jeugdrechtzaken, zodat kinderen in gelijke omstandigheden ook gelijke rechtsbescherming genieten?
Het is van belang dat een rechter zelfstandig op basis van de feiten en omstandigheden kan beslissen. Een uniform toetsingskader is dan ook niet gewenst.
In hoeverre beschikken jeugdbeschermingsinstellingen en pleegzorgaanbieders over duidelijke protocollen over hoe om te gaan met geluids- of beeldmateriaal dat door kinderen wordt ingebracht als bewijsmiddel van onveiligheid of mishandeling? Wat bent u van plan te doen als hierin vermeld wordt dat dergelijke opnames niet als bewijs mogen dienen, ook wanneer zij aantoonbare misstanden laten zien?
Jeugdzorg Nederland heeft op basis van de handreiking van de Nationale ombudsman9 een richtlijn opgesteld voor het gebruik van geluidsopnamen.10 Deze richtlijn geldt voor cliënten van Jeugdzorg Nederland en jeugdprofessionals van de organisaties die jeugdhulp, jeugdbescherming en/of jeugdreclassering aanbieden. Hierin staat vermeld dat het is toegestaan om een geluidsopname te gebruiken ten behoeve van een juridische procedure. Daarnaast merk ik op dat de nationale (kinder)ombudsman tips gegeven heeft over hoe om te gaan met geluidsopnames.11
Klopt het dat er geen landelijke richtlijn of toezichtkader bestaat dat regelt hoe dergelijke opnames moeten worden gewogen in (familie)rechtszaken of interne klachtenprocedures? Zo ja, bent u bereid zo’n richtlijn op te laten stellen?
Het klopt dat er geen organisatie overstijgende richtlijn of toezichtkader bestaat dat regelt hoe geluidsopnames gewogen worden in (familie)rechtszaken of interne klachtenprocedures. Echter, zoals reeds eerder aangehaald in de beantwoording hebben zowel de rechtspraak als Jeugdzorg Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming een procesreglement danwel een richtlijn of Kwaliteitskader.
Bent u ermee bekend dat veel kinderen en ouders geen klachten durven in te dienen tegen pleegouders of jeugdbeschermers als er sprake is van dergelijk grensoverschrijdend gedrag omdat zij zich door het gedrag zelf al niet veilig voelen en daarnaast bang zijn voor repercussies zoals het afzeggen van omgang of het verlengen van een maatregel? Welke mogelijkheden hebben kinderen of ouders momenteel om anders dan bij de eigen pleegzorgorganisatie veilig melding te doen van grensoverschrijdend gedrag binnen pleegzorg, buiten de instelling of GI om?
Een goed toegankelijke en onafhankelijke klachtenprocedure, waar kinderen en ouders terecht kunnen wanneer zij ontevreden zijn over het handelen van (medewerkers) van organisaties in het jeugddomein, vind ik uitermate belangrijk. De Staatssecretaris van Jeugd, Preventie en Sport en ik hebben onlangs een onderzoek laten uitvoeren naar klachtbehandeling in het jeugddomein.12 In het voorjaar 2026 wordt uw Kamer geïnformeerd over de stappen die naar aanleiding daarvan worden gezet. Het is daarnaast belangrijk dat (pleeg)kinderen kunnen beschikken over een vertrouwenspersoon. Hierdoor voelen kinderen zich ondersteund en veilig om zich uit te spreken over hun zorgen. Een vertrouwenspersoon is een luisterend oor, steun en toeverlaat als een kind of jongere dat nodig heeft. Deze vertrouwenspersoon kan iemand uit de familie of het persoonlijk netwerk zijn of een vertrouwenspersoon van (bijvoorbeeld) Jeugdstem. De vertrouwenspersonen van Jeugdstem zijn onafhankelijk. Gemeenten, gecertificeerde instellingen en pleegzorgaanbieders zijn verplicht om pleegkinderen te informeren over de ondersteuningsmogelijkheden van een vertrouwenspersoon.
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken hoeveel meldingen er de afgelopen vijf jaar zijn gedaan van onveiligheid of emotioneel geweld binnen pleegzorg en in hoeveel van die gevallen de stem van het kind doorslaggevend is geweest?
Naar aanleiding van de mishandeling in het pleeggezin in Vlaardingen en een analyse van pleegzorgincidenten en -calamiteiten die tussen 1 januari 2023 en 31 december 2024 bij de inspectie zijn gemeld, voerde de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in de eerste helft van 2025 thematoezicht uit bij pleegzorgaanbieders. In dit proces is de stem van het kind nadrukkelijk betrokken. Zo is bijvoorbeeld gevraagd naar de kennis van de pleegzorgbegeleider over de pleegkinderen en de hoeveelheid gesprekken die de pleegzorgbegeleider alleen met het kind voerde. Dit onderzoek is representatief voor de pleegzorgsector en heeft geleid tot verschillende verbeterinitiatieven. Hierover bent u in de Kamerbrief van 2 december geïnformeerd.13 Op dit moment richten wij ons in samenwerking met de sector op het verder ontwikkelen, implementeren en borgen van verbeteringen in de gehele jeugdbeschermingsketen.
Herkent u het bredere signaal dat kinderen en ouders binnen de jeugdbescherming zich vaak niet gehoord of geloofd voelen, ook wanneer zij herhaaldelijk melding maken van misstanden? Wat zegt dit volgens u over de rechtspositie van gezinnen in het jeugdbeschermingsstelsel?
Ja, ik ben bekend met het bredere signaal dat kinderen en ouders binnen de jeugdbescherming zich niet gehoord of geloofd voelen, ook wanneer zij herhaaldelijk melding maken van misstanden. Ik zet me er dan ook voor in om de rechtsbescherming van ouders en kinderen die te maken krijgen met een kinderbeschermingsmaatregel te versterken, zodat ze beter gehoord, betrokken en ondersteund worden. Zo geef ik met het dit jaar in te dienen wetsvoorstel de «Wet ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming» invulling aan die ambitie door onder andere te investeren in rechtsbijstand. De rechtbank wijst ambtshalve een advocaat toe, zodat ouders niet zelf het initiatief hoeven te nemen.
Acht u het wenselijk dat kinderen of jongeren procesrechtelijke bijstand krijgen bij het inbrengen van eigen bewijs of geluidsopnames, zodat zij dit op rechtmatige wijze kunnen doen zonder afhankelijk te zijn van toestemming van hun jeugdbeschermer of pleegzorgaanbieder?
Bijstand en ondersteuning van kinderen in kinderbeschermings- en gezag en omgangprocedures heeft onze aandacht. Voor de ondersteuning van het kind tijdens juridische procedures heeft adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) dan ook op mijn verzoek verschillende typen steunfiguren in kaart gebracht. Het onderzoek geeft een overzicht van de beschikbare vormen van ondersteuning en de behoeften die kinderen hebben. U heeft het rapport recent ontvangen als bijlage bij de voortgangsbrief jeugd.14 Uit het rapport blijkt dat kinderen behoefte kunnen hebben aan uiteenlopende vormen van ondersteuning. Geen enkele steunfiguur kan in alle situaties in alle behoeften voorzien. AEF adviseert daarom een netwerkbenadering: een goed functionerend geheel van ondersteuningsvormen, zodat voor ieder kind iets beschikbaar is dat aansluit bij zijn of haar situatie. In de huidige praktijk mag een kind overigens zich al bij het uitoefenen van het hoorrecht laten bijstaan door een zelf uitgekozen persoon. In het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming dat dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd, wordt deze mogelijkheid bekrachtigd. Ook kan de rechter binnen het huidige juridische kader een bijzonder curator benomen die de minderjarige bijstaat.
Ziet u aanleiding om, samen met de Raad voor de Rechtspraak en de Inspecties, een landelijke evaluatie te laten uitvoeren naar de omgang met kind signalen en geluidsopnamen in jeugdbeschermingszaken, met bijzondere aandacht voor de uiteenlopende rechtspraak in Den Haag en Rotterdam?
Ik zie op dit moment geen aanleiding voor een landelijke evaluatie, samen met de Raad voor de Rechtspraak en de Inspecties. In zijn algemeenheid kan ik wel opmerken dat het Landelijk overleg vakinhoud familierecht oog heeft voor zaken binnen haar domein en uitdagingen binnen haar werkgebied oppakt.
Hoe waarborgt u dat in toekomstige jeugdbeschermingsprocedures de stem van het kind niet afhankelijk is van een opname, maar vanzelfsprekend wordt gehoord, serieus genomen en gewogen?
Ik vind het zeer van belang dat de stem van het kind wordt gehoord. In het kader van het verbeteren van de participatie van minderjarigen in procedures zal door middel van het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming in de wet worden geborgd dat de leeftijdsgrens voor het hoorrecht door de kinderrechter verlaagd wordt van twaalf naar acht jaar voor alle jeugd- en familiezaken die kinderen aangaan. Op deze manier wordt beter gewaarborgd dat kinderen steeds hun stem kunnen laten horen.
De Veiligheid van procespartijen en rechtsgelijkheid bij jeugdbeschermingsprocedures |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Judith Tielen (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 15 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:10004)1, waarin de meervoudige kamer expliciet stelt dat de rechtbank geen taak of wettelijke bevoegdheid heeft om tijdens of na een zitting de veiligheid van procespartijen te waarborgen?
Ja.
Komt het standpunt van de meervoudige kamer overeen met formeel beleid van de gerechten of de raad voor de rechtspraak?
Het past mij niet om rechterlijke uitspraken te duiden. De organisatie van de algemene veiligheid in gerechtsgebouwen en het optreden bij concrete bedreiging is belegd bij de daartoe aangewezen instanties. De veiligheid tijdens en rondom zittingen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van rechtbanken, het Openbaar Ministerie, de politie en andere betrokken ketenpartners. De politie is verantwoordelijk voor de openbare orde, maar niet binnen het gerechtsgebouw. Binnen het gerechtsgebouw ligt deze verantwoordelijkheid bij het lokale gerechtsbestuur. De rechter is verantwoordelijk voor de behandeling van zaken en voor orde in de zittingszaal tijdens de zitting.
Het lokale gerechtsbestuur is verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen zoals vastgelegd in artikel 23, lid 1, sub c van de Wet op de rechterlijke organisatie. Vanuit de werkgeversverantwoordelijkheid van de Rechtspraak en de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid binnen het gerechtsgebouw wordt permanent toegezien op het welzijn van de medewerkers en procespartijen. Daarbij kunnen, indien nodig, passende maatregelen worden getroffen om de veiligheid van zowel procespartijen als medewerkers te waarborgen. Wanneer er concrete veiligheidsrisico’s zijn, bijvoorbeeld door signalen voorafgaand aan de zitting of uitspraken, dienen deze risico’s gemeld te worden bij de rechtbank en de politie zodat een gedegen veiligheidsinschatting kan worden gemaakt en indien nodig de noodzakelijke maatregelen kunnen worden getroffen.
Deelt u de mening dat deze uitspraak feitelijk betekent dat procespartijen – waaronder ouders, kinderen, advocaten, medewerkers van de gecertificeerde instelling (GI), de Raad voor de Kinderbescherming en zelfs rechters – tijdens de zitting en na afloop van de zitting zonder enige bescherming het gerechtsgebouw verlaten, ook als er sprake is van expliciete bedreigingen?
Nee, die mening deel ik niet. Zie het antwoord op vraag 2.
Acht u het wenselijk dat een rechterlijke instantie die op de hoogte is van een concrete bedreiging, zeker als die in de zitting wordt uitgesproken, zich beperkt tot de constatering dat er «geen wettelijke bevoegdheid» bestaat om maatregelen te treffen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Ter nadere duiding wil ik hierover opmerken dat in de zittingszaal de rechter – bij een meervoudige zitting de voorzitter – verantwoordelijk is voor de orde in de zittingszaal. Het gerechtsbestuur is verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen binnen de rechtbank of het hof. Als in een rechterlijke uitspraak gebruik wordt gemaakt van de term «de rechtbank» of «het hof» wordt hiermee verwezen naar de rechtspraak zelf en diens verantwoordelijkheid voor de orde in de zittingszaal; niet naar het gerechtsbestuur.
Worden deze bedreigingen ook geregistreerd waardoor het zichtbaar is hoe vaak dit voor komt? Is er bijvoorbeeld bekend hoe vaak rechters of griffiers bedreigt worden? Of andere procesdeelnemers? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, overweegt u om dit vast te laten leggen waardoor er niet alleen een preventieve werking van uit gaat, maar ook dat er onderzoek kan worden gedaan naar de herkomst en omstandigheden waar dit vandaan komt?
De Rechtspraak registreert alle ontvangen meldingen van bedreigingen richting rechters, griffiers of andere procesdeelnemers. Echter, niet alle incidenten en bedreigingen worden gemeld. De Raad voor de rechtspraak geeft aan dat er soms sprake is van een lagere meldbereidheid. Hierdoor beschikt de rechtspraak niet over betrouwbare, landelijke, vergelijkbare cijfers die ik met uw Kamer kan delen. Ook sommige procesdeelnemers registreren bedreigingen tijdens of naar aanleiding van een zitting binnen de eigen organisatie. Zo registreert de Raad voor de Kinderbescherming alle intern gemelde agressie richting medewerkers, waaronder meldingen door zittingsvertegenwoordigers over bedreiging, intimidatie en belediging; het merendeel van deze incidenten is bij de politie gemeld onder vermelding van de projectcode Veilige Publieke Taak (VPT).
Binnen JenV wordt in het programma Voorbereid op agressie en geweld gewerkt aan een meldapplicatie voor uitvoeringsorganisaties onder JenV- en AenM-verantwoordelijkheid, die in de toekomst kan bijdragen aan het bijhouden van geaggregeerde cijfers. Op dit moment zijn er geen landelijke, vergelijkbare cijfers beschikbaar om met uw Kamer te delen. Zoals aangegeven zijn de lokale gerechtsbesturen verantwoordelijk voor de veiligheid in de gerechtsgebouwen.
Wordt er ook geregistreerd wat de bedreigingen zijn, waar ze vandaan komen zodat niet alleen inzichtelijk is hoe vaak het voorkomt maar ook wat de achtergronden en of er mogelijk een patroon of recidive is van bepaalde ouders?
Gemelde incidenten van bedreiging en andere vormen van agressie worden geregistreerd door betrokken organisaties; binnen de rechtspraak gebeurt dit geanonimiseerd in lijn met de AVG, waardoor namen niet uit het systeem zijn te herleiden. Ook is er geen sprake van een persoonsgerichte registratie naar herkomst, achtergronden of recidive van specifieke procesdeelnemers (zoals bepaalde ouders). De beschikbare registraties zijn casuïstisch en primair bedoeld voor veiligheidsbeheer op zaak- of locatieniveau, niet voor structurele statistische analyse naar patronen en motieven. De veiligheidsregisseur van de Raad voor de Kinderbescherming volgt landelijk trends in aard en oorzaak van agressie en geeft preventieadvies, maar beschikt vooralsnog niet over statistisch onderbouwde patronen of recidive van specifieke oudergroepen.
Hoe wordt in de praktijk bepaald of een dergelijke dreiging wordt beschouwd als een strafrechtelijke of veiligheidskwestie en wie neemt daartoe het initiatief – de rechtbank, de griffier, de Raad, de GI of de politie?
Of een dreiging als strafrechtelijke kwestie of als veiligheidskwestie wordt aangemerkt, hangt in de praktijk af van aard en ernst van het incident; vaak lopen beide sporen naast elkaar. Bij een strafbaar feit (zoals intimidatie of bedreiging) tijdens of naar aanleiding van een zitting, maar ook daarbuiten, doet het slachtoffer aangifte bij de politie en beoordeelt het Openbaar Ministerie een eventuele vervolging. Tegelijkertijd treden ook veiligheidsmaatregelen in werking. Zo is in iedere rechtszaal een noodknop waarmee de rechter bij acuut risico de parketpolitie kan alarmeren. Gerechten, Raad voor de Kinderbescherming (RvdK), gecertificeerde instellingen (GI’s) en andere ketenpartners volgen eigen interne procedures om risico’s te signaleren en te beperken. In het kader van een meer uniforme ketenaanpak verkent het programma Voorbereid op agressie en geweld best practices en behoeften rond risico-inventarisatie, inclusief een vooraf uit te voeren veiligheidsscan voor JenV-medewerkers (niet voor alle procespartijen). Zowel de gerechten als iedere procespartij hebben een agressie- en veiligheidsprotocol opgesteld dat voor alle werkprocessen geldt ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Zie ook vraag 9.
Bestaat er een protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie? Zo ja, kunt u de kamer dit protocol toezenden?
Er bestaat niet één protocol voor de veiligheid van procespartijen bij familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen waarbij sprake is van (potentieel) gevaar of agressie. Diverse procespartijen hebben een eigen agressie- en veiligheidsprotocol opgesteld.
Bij de Rechtspraak is binnen ieder gerecht het lokaal bestuur verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen (artikel 23 lid 1 sub c wet RO). Binnen ieder gerecht is wekelijks veiligheidsoverleg waarbij de zittingen worden besproken die op basis van aanwijzingen worden ingeschat als zittingen met een verhoogd risico. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Checklist Risicovolle zittingen in het eigen gerechtsgebouw. Verder is in dit kader relevant de minimumnorm Handelen bij agressie en geweld, die ziet op gewelds- en agressie incidenten die binnen een gerechtsgebouw kunnen plaatsvinden. Deze werkwijze is opgesteld voor alle werkprocessen en ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Er is geen protocol dat specifiek is toegesneden op familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen.
Het protocol van de RvdK geldt in iedere situatie waar onveiligheid is.
Indien het antwoord op vraag 8 nee is, kunt u aangeven welk protocol er wél geldt, wie dit handhaaft en hoe vaak dit wordt toegepast?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe wordt de veiligheid van de betrokken rechters, advocaten en hulpverleners gewaarborgd bij vertrek uit de zittingszaal of het gerechtsgebouw, zeker wanneer er sprake is van een emotioneel beladen jeugdzorgzaak waar dergelijk bedreigingen zijn geuit?
Zie voor antwoord vraag 4 en 16.
Hoe vaak komt het voor dat rechters bedreigd worden in zittingen of daarbuiten via bijvoorbeeld mail of sociale media? Hoe gaat de rechtspraak ermee om als rechters bedreigd worden? Hoe wordt dan de veiligheid van de rechters gewaarborgd? Welke maatregelen neemt de rechtbank dan in het belang van de veiligheid van de rechters? Waar kunnen rechters terecht als zij bedreigd worden en hoe verhoudt zich dat weer ten aanzien van de geheimhoudingsplicht die rechters hebben in het kader van de beslotenheid van jeugd- en familierechtszaken?
Het komt voor dat rechters bedreigd worden. Van het totaal aantal bedreigingen worden geen cijfers bijgehouden. Wel zijn cijfers bekend van het aantal (veelal straf-)rechters dat persoonlijke beveiligd wordt. Rechters die worden bedreigd in zitting of daarbuiten kunnen dit melden bij hun teamvoorzitter, gerechtsbestuur of de beveiligingsmedewerker. Bij de Rechtspraak is binnen ieder gerecht het lokaal bestuur verantwoordelijk voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen (artikel 23 lid 1 sub c wet RO). Als een rechter wordt bedreigd is maatwerk het uitgangspunt. Ook met betrekking tot eventuele te zetten vervolgstappen zoals het inschakelen van politie of OM.
Over de wijze van beveiligen van rechters doe ik geen uitspraken.
Wordt er in dergelijke situaties overleg gevoerd tussen rechtbanken en lokale politie of het Openbaar Ministerie om acute dreiging te beoordelen en maatregelen te treffen? Zo ja, hoe vaak gebeurt dat en hoe is die samenwerking geborgd?
Als een rechter wordt bedreigd is maatwerk het uitgangspunt. Ook met betrekking tot eventuele te zetten vervolgstappen zoals het inschakelen van politie of OM. Dit hangt in de praktijk af van de aard en ernst van het incident. Afhankelijk daarvan verloopt eventuele samenwerking met de politie en het OM via de gebruikelijke kanalen.
Acht u het wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van procespartijen in dit soort zaken niet bij één instantie is belegd, waardoor iedereen op elkaar wacht en feitelijk niemand handelt?
De bij vraag 8 en 9 beschreven werkwijze binnen rechtbanken is opgesteld voor alle werkprocessen en ter bescherming van medewerkers en bezoekers. Er is geen werkwijze specifiek toegesneden op familierechtelijke of jeugdbeschermingszittingen. Door het maken van afspraken en overleg binnen de keten kan de samenwerking tussen de instanties in de keten worden bevorderd. Door te werken volgens de vraag 8 en 9 beschreven werkwijze, beoogt de rechtspraak steeds de veiligheid voor alle rechtsgebieden te bevorderen.
Op dit moment worden door het programmateam Voorbereid op agressie en geweld van JenV diverse modellen voor de veiligheid en de beveiliging van procespartijen bekeken. Dit betreft complexe problematiek die vraagt om een zorgvuldige gezamenlijke aanpak en voldoende tijd daarvoor. Ik wil het programmateam daarbij niet voor de voeten lopen. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd nader over informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige taakafbakening tussen rechtbank, GI, Raad en politie leidt tot rechtsongelijkheid en veiligheidsrisico’s voor partijen die deelnemen aan jeugdbeschermingsprocedures?
De taakafbakening ten aanzien van de veiligheid van procesdeelnemers tijdens en rondom een rechtszitting is wettelijk verankerd en elke instantie heeft een eigen verantwoordelijkheid. In de praktijk is het wenselijk dat veiligheidsrisico’s in ketenverband worden besproken en ingeschat, waarbij maatregelen op maat genomen kunnen worden. Ik heb geen aanwijzingen dat de huidige wettelijke taakafbakening leidt tot rechtsongelijkheid of veiligheidsrisico’s voor de procespartijen. Ik zie dan ook geen aanleiding een onderzoek zoals voorgesteld in te stellen.
Hoe beoordeelt u het risico dat slachtoffers van bedreiging (zoals de moeder in deze zaak, maar ook de advocaat van moeder en de bijzonder curator) zich niet vrij voelen om hun standpunt te uiten en dat dit de kern van een eerlijk proces ondermijnt (artikel 6 EVRM)? Deelt u de mening dat hiermee ook de belangen van de minderjarige in het geding komen? En daarmee het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind niet kan worden nageleefd?
Het is niet aan mij als bewindspersoon om te oordelen over een individuele casus. Ik sta voor een eerlijk proces. De mogelijkheid van iedere procesdeelnemer om zich hierin vrijelijk te kunnen uiten acht ik voor het recht op een eerlijk proces van essentieel belang.
Kunt u toelichten hoe dit zich verhoudt tot de zorgplicht van de overheid om veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, waaronder kinderbeschermingszaken?
De zorgplicht van de overheid om de veiligheid te waarborgen binnen door de overheid georganiseerde procedures, zoals kinderbeschermingszaken, wordt in de praktijk ingevuld via een gedeelde verantwoordelijkheid en een gelaagde aanpak. Zoals al eerder aangegeven draagt binnen het gerechtsgebouw het lokale gerechtsbestuur de primaire verantwoordelijkheid voor de veiligheid van medewerkers, bezoekers en procespartijen, conform artikel 23, lid 1, sub c, van de Wet RO. Die verantwoordelijkheid krijgt concreet vorm in wekelijks veiligheidsoverleg binnen ieder gerecht, waarin zittingen met een verhoogd risicoprofiel worden doorgenomen aan de hand van de Checklist Risicovolle zittingen, en in de toepassing van de minimumnorm Handelen bij agressie en geweld, wanneer zich een incident voordoet. Bij acuut gevaar kan de rechter bovendien via de noodknop direct de parketpolitie alarmeren, zodat onmiddellijk wordt opgetreden.
Buiten het gerechtsgebouw ligt de zorgplicht bij de werkgevers van de betrokken professionals, zoals de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de gecertificeerde instellingen (GI’s).
Bent u bereid in overleg met de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse orde van advocaten, de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instellingen en alle andere belanghebbenden om te komen tot een goede borgingsafspraken en indien nodig landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen?
De Raad voor de rechtspraak heeft mij laten weten dat binnen ieder gerechtsgebouw permanent wordt toegezien op de veiligheid en het welzijn van medewerkers en procespartijen. Daartoe is bij ieder gerecht een veiligheidsorganisatie ingericht. Het bij vraag 9 genoemde wekelijks veiligheidsoverleg in ieder gerecht is slechts een exponent van een breed raamwerk aan beheersmaatregelen voor tal van veiligheidsrisico’s. Als er op voorhand geen aanwijzingen zijn dat een zitting een verhoogd risico kent geldt het standaard veiligheidsregime. Bij calamiteiten (na alarmering/signalering) wordt zo snel als mogelijk adequaat opgetreden door bodes, beveiliging en parketpolitie en/of andere hulpdiensten. De Rvdr ziet geen aanleiding voor een landelijk veiligheidsprotocol voor jeugdbeschermingszittingen en regiezittingen. De Rvdr geeft aan open te staan voor een nog nauwere samenwerken met betrokken partijen in het kader van veiligheid en informatie-uitwisseling. Gelet op de onafhankelijke positie van de Rechtspraak is het niet aan mij om de Rechtspraak aan te sturen. Gelet op de getoonde bereidheid van de betrokken partijen om de samenwerking te intensiveren, wacht ik graag de uitkomsten van deze initiatieven af. Het programmateam Voorbereid op agressie en geweld van JenV kan een faciliterende rol spelen bij het nog verder intensiveren van de samenwerking in de keten.
Kunt u garanderen dat los van het eventuele beleid concrete stappen worden gezet om de veiligheid van rechters en andere professionals binnen de rechtsgebouwen, wanneer er concrete aanwijzingen zijn voor hun onveiligheid, worden beschermd?
Zie het antwoord op vraag 17.
Zo ja, op welke termijn verwacht u dit te kunnen realiseren en bent u bereid de Kamer hierover voor het einde van het eerste kwartaal van 2026 te informeren?
Beveiligingsbeleid wordt door de gerechtsbesturen bijgesteld als daartoe aanleiding is. De veiligheid van rechters en andere professionals binnen de gerechtsgebouwen is, zoals eerder toegelicht, aan de gerechten zelf. Het Programma voorbereid op agressie en geweld verkent in het belang van een effectieve ketenaanpak op dit moment de best practices evenals de openstaande behoeftes van de organisaties. Het Programma kan de ketenpartners faciliteren bij het formuleren van oplossingen. Het waarborgen van de veiligheid is complexe problematiek die vraagt om een zorgvuldige gezamenlijke aanpak en voldoende tijd daarvoor. Ik zal uw Kamer hier te zijner tijd nader over informeren.
Kunt u een nadere toelichting geven op uw besluit om niet door te gaan met de afschaffing, als uw streven is om grip op migratie te krijgen?
De bescherming van de arbeidsmigrant staat voorop.
Zoals aangegeven in mijn brief van 30 oktober jl. heeft het loslaten van de mogelijkheid om in te houden op het minimumloon voor huisvesting op dit moment meer nadelige dan positieve gevolgen voor de arbeidsmigrant.
Het kabinet heeft daarom besloten dat werkgevers vooralsnog maximaal 25% van het Wettelijk minimumloon in rekening mogen blijven brengen voor huisvestingskosten. De geplande start van de afbouw van deze regeling gaat daarom per 1 januari 2026 niet door.
Mijn voorganger schreef reeds dat het niet gemakkelijk is om een eenduidig oordeel te geven over de werking van de inhoudingsmogelijkheid ten aanzien van huisvesting.1 Aan de inhoudingsregeling voor huisvesting zitten verschillende kanten, zoals een eerdere verkenning laat zien.2 Enerzijds draagt de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting eraan bij dat werkgevers huisvesting regelen voor werknemers, met name arbeidsmigranten. Gelet op de huidige situatie op de woningmarkt zijn arbeidsmigranten nu voor hun huisvesting vaak afhankelijk van hun werkgever, helemaal als zij nieuw zijn in Nederland. De inhoudingsregeling faciliteert dat werkgevers huisvesting regelen. Dit gebeurt op een transparante wijze (zichtbaar op het loonstrookje), voor een gemaximeerd deel van het Wml (25%) en alleen voor gecertificeerde huisvesting of huisvesting door een woningcorporatie. De inhoudingsmogelijkheid maakt het voor werkgevers en werknemers makkelijker om de huurbetaling vooraf te regelen en beperkt incassorisico’s voor de aanbieders van huisvesting. In die zin kan de inhoudingsmogelijkheid zowel de arbeidsmigrant, als de aanbieder van huisvesting ontzorgen. De Arbeidsinspectie controleert op de voorwaarden van de inhoudingsregeling op het minimumloon. Anderzijds toont de verkenning ook aan dat er werkgevers zijn die de regeling misbruiken. De regeling vergroot de afhankelijkheid voor arbeidsmigranten van werkgevers en kan bijdragen aan een onwenselijk verdienmodel. Alles overwegende, is het oordeel dat het afschaffen van de inhoudingsmogelijkheid op dit moment meer nadelen dan voordelen voor de arbeidsmigrant heeft. Tegelijkertijd geldt dat misstanden nooit volledig zijn uit te sluiten. Het blijft belangrijk om beleid te maken dat rekening houdt met de kwetsbare positie van veel arbeidsmigranten.
Daarom zet het kabinet zich in om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren door uitvoering te geven aan verschillende aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (hierna: Aanjaagteam), ook op het terrein van huisvesting. Die maatregelen gaan ervoor zorgen dat op termijn afschaffing van de inhoudingsregeling minder nadelen krijgt en de weging anders uit kan pakken.
Hierin is van belang dat sinds 1 januari 2024 een landelijk netwerk van informatiepunten wordt gerealiseerd, de Work in NL-informatiepunten, waarbij ook meer specialistische hulp en juridische begeleiding vanuit het Juridisch Loket beschikbaar is.3
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) werkt daarnaast aan een wetsvoorstel dat moet zorgen voor een in de praktijk werkbare en verbeterde huurbescherming voor zowel arbeidsmigranten als verhuurders. De Kamer is daar recent over geïnformeerd4, de verwachting is dat er in 2026 een wetvoorstel voor consultatie wordt voorgelegd. Het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting van de Minister van VRO zal daarnaast door middel van een verplicht volkshuisvestingsprogramma voor Rijk, provincies en gemeenten moeten leiden tot meer huisvesting voor doelgroepen waaronder arbeidsmigranten. Dit wetsvoorstel ligt in bij de Raad van State voor advisering. Daarnaast heeft de Eerste Kamer op 11 november 2025 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen. Daarmee pakken we malafide uitleners aan waardoor ook de positie van kwetsbare arbeidskrachten zoals arbeidsmigranten verbetert.
Op basis van welke adviezen bent u gekomen tot uw afweging?
De basis voor deze afweging is de uitgevoerde ambtelijke verkenning naar de inhoudingsmogelijkheid. Mijn voorganger heeft die verkenning op 6 februari 2025 met uw Kamer gedeeld.5 In deze verkenning zijn de voor- en nadelen van de inhoudingsmogelijkheid op een rij gezet. Er is destijds gesproken met de Arbeidsinspectie, vakbonden FNV, CNV en VCP, werkgeversorganisaties VNO-NCW/MKB-NL, AWVN, LTO, ABU en NBBU, werkgevers in de uitzend-, land- en tuinbouwsector.
Kunt u aangeven waarom u afwijkt van het advies van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Arbeidsmigratie?
Het Aanjaagteam heeft geen aanbeveling opgenomen die specifiek adviseert om de inhoudingsregeling voor huisvesting af te schaffen. Het Aanjaagteam heeft in haar advies als doel gesteld om de afhankelijkheid van arbeidsmigranten van de werkgever te verminderen en hun positie te verbeteren. Ten aanzien van huisvesting beval het Aanjaagteam aan om de huurbescherming voor arbeidsmigranten te verhogen en het arbeids- en huurcontract te ontkoppelen op papier en in de praktijk.6 Dat is gebeurd via de per 1 juli 2023 in werking getreden Wet Goed Verhuurderschap. Die wet verplicht verhuurders om, in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten, de huurovereenkomst afzonderlijk van de arbeidsovereenkomst vast te leggen. Het doel van het scheiden van de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst is dat de arbeidsmigrant voor zijn huisvesting minder afhankelijk wordt van de werkgever. Het kan dan nog steeds zijn dat dezelfde partij deze contracten aanbiedt, maar de scheiding zorgt ervoor dat als het arbeidscontract wordt beëindigd de huisvesting niet ook per definitie direct beëindigd wordt, omdat er een apart huurcontract is. Daarnaast werkt de Minister van VRO, zoals eerder aangegeven, aan een wetsvoorstel dat de huurbescherming en huurprijsbescherming voor arbeidsmigranten moet borgen.
Vooruitlopend op wetgeving worden er tussen sociale partners afspraken gemaakt over huisvesting van arbeidsmigranten. Zo is in de uitzend-cao geregeld dat een werknemer na het aflopen van de uitzendovereenkomst nog vier weken kan verblijven in de gehuurde huisvesting, tegen dezelfde huurprijs.
Daarnaast heeft het Aanjaagteam aanbevolen de zelfredzaamheid van arbeidsmigranten te vergroten.7 Daarom werken we aan de verbetering van de informatie, hulp en dienstverlening aan arbeidsmigranten door middel van de eerder genoemde Work in NL-informatiepunten.
Bent u er zich van bewust dat de koppeling een verdienmodel is voor de uitzendsector, ook vanwege het fiscale voordeel dat ontstaat bij aftrek van de huur van het brutoloon?
Een van die nadelen die uit de verkenning naar voren komt is dat de regeling gebruikt kan worden als verdienmodel. Zo zien we dat werkgevers die ter kwade trouw zijn de regeling misbruiken om meer kosten dan gerechtvaardigd op basis van de geboden kwaliteit te verhalen op hun werknemers. Om die nadelen tegen te gaan moeten we doorgaan met het uitvoeren van de aanbevelingen van het Aanjaagteam, zeker op het terrein van huisvesting.
Bent u er zich van bewust dat de Nederlandse Arbeidsinspectie al meerdere malen expliciet heeft gewaarschuwd dat het totaalpakket van loon/huisvesting als «verdienmodel en pressiemiddel» wordt gebruikt en gepaard gaat met misstanden waarbij er een wanverhouding bestaat tussen de ingehouden huur en de kwaliteit van de huisvesting?
De Arbeidsinspectie maakt, zoals ook aangegeven in de verkenning, vanuit haar positie een andere weging. In het antwoord op vraag 1 heb ik de weging van het kabinet uiteengezet.
Heeft u uw voorgenomen besluit voorgelegd aan de SER? Zo ja, welk antwoord heeft u gehad? Zo nee, waarom heeft u uw voorgenomen besluit niet voorgelegd?
Het besluit is kenbaar gemaakt aan sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Gelet op de betrokkenheid van sociale partners bij de verkenning die is uitgevoerd en de daarin opgenomen standpunten van sociale partners, is er niet opnieuw geconsulteerd.
Heeft u uw voorgenomen besluit voorgelegd aan de Nederlandse Arbeidsinspectie? Zo ja, welk antwoord heeft u gehad? Zo nee, waarom heeft u uw voorgenomen besluit niet voorgelegd?
Ja, de Arbeidsinspectie heeft in het besluitvormingsproces bevestigd dat haar advies zoals verwoord in eerdere beslisnota’s (zie antwoord op vraag 5) ongewijzigd is.
Met welke organisaties heeft u gesproken in aanloop naar uw besluitvorming?
Het besluit is kenbaar gemaakt aan de sociale partners in de Stichting van de Arbeid. Omdat de standpunten van sociale partners zijn opgenomen in de verkenning die is uitgevoerd en daarna nogmaals kenbaar zijn gemaakt via de internetconsultatie van de algemene maatregel van bestuur heeft plaatsgevonden, heb ik geen nadere gesprekken gevoerd om te komen tot mijn besluit.
Welke adviezen hebben deze organisaties u gegeven?
Ik heb kennis genomen van de standpunten van de organisaties middels de verkenning8 naar de inhoudingsregeling en de internetconsultatie9 van de algemene maatregel van bestuur.
Hoe heeft u deze adviezen gewogen?
Het oordeel is dat het afschaffen op dit moment meer nadelen dan voordelen voor de arbeidsmigrant heeft. Gelet op de huidige situatie op de woningmarkt zijn arbeidsmigranten nu voor hun huisvesting vaak afhankelijk van hun werkgever, helemaal als zij nieuw zijn in Nederland. De inhoudingsregeling faciliteert dat werkgevers huisvesting regelen. Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren door uitvoering te geven aan verschillende maatregelen van het Aanjaagteam, ook op het terrein van huisvesting. Die maatregelen gaan ervoor zorgen dat op termijn afschaffing van de inhoudingsregeling minder nadelen krijgt en de weging anders uit kan pakken.
Kunt u aangeven hoe uw besluit zich verhoudt tot de Wet goed verhuurderschap, artikel 3, lid a?
Vermoedelijk wordt hier gedoeld op artikel 2, lid 3 onderdeel a van de Wet Goed Verhuurderschap. Dit artikel ziet op het afzonderlijk vastleggen van de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst. Per 1 juli 2023 is de Wet Goed Verhuurderschap inwerking getreden. Die wet verplicht verhuurders om, in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten, de huurovereenkomst afzonderlijk van de arbeidsovereenkomst vast te leggen. Het doel van het scheiden van de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst is dat de arbeidsmigrant inzake zijn huisvesting minder afhankelijk wordt van de werkgever. Het kan dan nog steeds zijn dat dezelfde partij deze contracten aanbiedt, maar de scheiding zorgt ervoor als het arbeidscontract wordt beëindigd de huisvesting niet ook per definitie direct beëindigd wordt, omdat er een apart huurcontract is. Dat draagt bij aan een sterkere positie van de arbeidsmigrant.
Deze wetgeving is een goede stap in het minder afhankelijk maken van arbeidsmigranten ten opzichte van werkgevers. Het op termijn afschaffen van de inhoudingsmogelijkheid zou een volgende stap kunnen zijn. In de conclusie op de eerder genoemde verkenning werd geconstateerd dat er eerst nog meer stappen op het terrein van huisvesting nodig zijn, alvorens het verantwoord is om de inhoudingsregeling voor huisvesting af te schaffen.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Fouten bij het UWV in de uitvoering van de afschaffing van het garantiebedrag in de Wajong |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Krijgt u signalen dat er dingen misgaan bij de uitvoering van de het afschaffen van het garantiebedrag Wajong?
In tegenstelling tot wat de vraag suggereert, wordt het garantiebedrag Wajong niet afgeschaft. Het garantiebedrag blijft bestaan voor Wajonggerechtigden die aan de voorwaarden voor het recht daarop voldoen. Het garantiebedrag is bij de invoering van de Wet vereenvoudiging Wajong per 1 januari 2021 bedoeld als een tijdelijke overgangsmaatregel om te voorkomen dat werkende Wajonggerechtigden er door nieuwe rekenregels van deze wet bij ongewijzigde omstandigheden er op achteruit zouden gaan. Zodra een Wajonggerechtigde onafgebroken vijf jaar heeft gewerkt en daarna zonder voorziening ten minste 75% van het maatmaninkomen verdient, eindigt het recht op een Wajong-uitkering en daarmee ook het garantiebedrag.1 Dit is in overeenstemming met de wet. Op dat moment worden zij geacht zelfstandig in het eigen inkomen te kunnen voorzien en is een beroep op de Wajong niet meer nodig. Zoals in de Stand van de uitvoering van 3 juni 20252 is gemeld, heeft UWV om uitvoeringstechnische redenen vanaf 1 januari 2021 de termijn van vijf jaar opnieuw laten aanvangen voor werkende Wajonggerechtigden. Dit is voor hen gunstig geweest omdat zij daardoor langer naast hun inkomen uit werk de Wajong-uitkering, en daarmee dus ook het garantiebedrag, hebben kunnen houden, maar is er als gevolg daarvan per 1 januari 2026 wel een (eenmalige) piek aan beëindigingen van Wajong-uitkeringen te zien.
Op basis van de huidige cijfers verwacht UWV dat vanaf 1 januari 2026 ongeveer 12.500 Wajonggerechtigden aan deze voorwaarden zullen voldoen en hun recht op een Wajong-uitkering zullen verliezen. Van deze groep verliezen ongeveer 3.400 mensen hun Wajong-uitkering ter hoogte van het garantiebedrag. Zoals in de Stand van de uitvoering van 3 juni 2025 is aangegeven, kunnen Wajonggerechtigden door het verlies van het garantiebedrag er financieel fors op achteruit gaan, wat een grote impact op hun leven kan hebben. Het gemiddelde inkomensverlies is ongeveer € 750 bruto per maand.
UWV is halverwege dit jaar gestart met het informeren van alle werkende Wajonggerechtigden bij wie het recht op een Wajong-uitkering mogelijk per 1 januari 2026 eindigt. UWV is vanaf oktober jl. bezig om alle Wajonggerechtigden die in juni en september jl. een brief hebben gekregen persoonlijk te bellen om de brief toe te lichten en na te gaan wat dit voor hen betekent. Wajonggerechtigden die zich zorgen maken, kunnen na de beoordeling door UWV, de hulp van een budgetcoach of van Team Geldzorgen van UWV krijgen. Samen kan dan worden gekeken of de inkomensachteruitgang (deels) kan worden opgevangen door het aanvragen van inkomensafhankelijke regelingen, zoals toeslagen of het gemeentelijke minimabeleid.
Gezien de grootte van de groep en de zorgvuldigheid die ik wil betrachten in de communicatie en ondersteuning van de Wajonggerechtigden bij wie de uitkering beëindigd gaat worden, neem ik na overleg met UWV de volgende maatregelen ter ondersteuning van een zorgvuldige uitvoering.
De eerste maatregel betreft het uitstel van de daadwerkelijke beëindiging van de Wajong-uitkeringen naar 1 januari 2027. UWV krijgt hiermee meer tijd de beëindigingen zorgvuldig voor te bereiden en uit te voeren en Wajonggerechtigden om zich aan de aankomende beëindigingen aan te passen. De tweede maatregel betreft een beperkte aanpassing van de Wajong waardoor loondispensatie, loonkostensubsidie en beschut werk bij de beëindigingsgrond buiten beschouwing worden gelaten. De Wajong-uitkering blijft dan doorlopen, ongeacht wat er verdiend wordt.
De laatste maatregel betreft een aanpassing in de wijze waarop het maatmaninkomen bij de Wajong wordt geïndexeerd. Ik licht deze maatregelen toe in een afzonderlijke brief, die kort na de verzending van deze antwoorden aan uw Kamer wordt aangeboden. Ik zal UWV verzoeken vanaf 1 januari 2026 vooruit te lopen op de uitvoering van deze maatregelen.
Kunt u aangeven of het klopt dat er dingen niet goed gaan in de uitvoering, waaronder de communicatie over het stopzetten van de regeling?
UWV is halverwege dit jaar gestart met het informeren van alle werkende Wajonggerechtigden bij wie het recht op een Wajong-uitkering mogelijk per 1 januari 2026 eindigt. Daarbij zijn op 1 juli jl. eerst de ontvangers van een Wajong-uitkering ter hoogte van het garantiebedrag geïnformeerd en op 3 oktober jl. de overige Wajong-gerechtigden met een aanvullende uitkering of een zogenoemde nul-uitkering3 (ongeveer 9.200 mensen). UWV belt sinds oktober jl. alle Wajonggerechtigden die een brief hebben gekregen om hun situatie te bespreken. Uit deze telefoongesprekken blijkt dat de beëindiging van de garantiebedragen bij een deel van de Wajonggerechtigden een grote financiële impact heeft.
Voor zover mij nu bekend zijn er geen fouten gemaakt. Wel heeft UWV bij de uitvoering van de hiervoor genoemde communicatie de selectie van de groep Wajonggerechtigden die in aanmerking komt voor een brief in de loop van de tijd verder verfijnd en verbreed op basis van verbeterde gegevensbronnen. Hierdoor zijn sommige Wajonggerechtigden met een garantiebedrag op een later moment aangeschreven dan oorspronkelijk voorzien (ongeveer 800 mensen). Ook zijn er Wajonggerechtigden bij van wie verwacht wordt dat hun uitkering bij de beoordeling niet zal worden beëindigd. Dit betreft onder meer Wajonggerechtigden die werken in de sociale werkvoorziening maar dit door de werkgever niet goed in de loonaangifte is geregistreerd.
Tot slot is een kleine, specifieke groep Wajonggerechtigden nog niet geïnformeerd. Het betreft mensen die zich met de zorgverlener bij de SVB PGB hebben aangemeld voor de vrijwillige salarisadministratie (opting-in PGB).
Indien er fouten zijn gemaakt in de uitvoering en/of communicatie, kunt u dan aangeven wat er fout gaat en waarom deze fouten gemaakt worden en waar de oorzaak ligt?
Zie antwoord vraag 2.
Is er een specifieke hulplijn waar mensen die het betreft hun vragen kunnen stellen, hulp kunnen krijgen om de gevolgen van de terugval van inkomen te bespreken en zo nodig ondersteuning kunnen krijgen bij het aanvragen van toeslagen?
Wajonggerechtigden kunnen altijd terecht bij het KlantContactCentrum van UWV. Ook belt UWV sinds oktober alle Wajonggerechtigden die een brief hebben gekregen om hun situatie te bespreken. Het verlies van het garantiebedrag kan een (zeer) negatieve impact hebben op de situatie van een deel van de Wajonggerechtigden. Zij verwachten bijvoorbeeld daardoor hun huur of hypotheek niet meer te kunnen betalen, waardoor ze hun huis kunnen verliezen of moeten verkopen. Wajonggerechtigden die zich zorgen maken, kunnen na de beoordeling door UWV, de hulp van een budgetcoach of van Team Geldzorgen van UWV krijgen.
Is er mogelijkheid dat het UWV de ruimte krijgt om in schijnende situatie van mensen maatwerk te bieden?
UWV kan maatwerk bieden in schrijnende situaties in het individuele geval wanneer de strikte toepassing van de regels tot een onevenredig nadeel leidt voor de betrokkene.
Kunt u aangeven of u nog andere mogelijkheden ziet om deze mensen te helpen?
Het is positief dat Wajonggerechtigden duurzaam aan het werk zijn en een eigen inkomen verdienen, waardoor ze niet meer afhankelijk zijn van een Wajong-uitkering. Ik vind het passend dat de uitkering en het garantiebedrag in deze situatie eindigt. Tegelijkertijd besef ik dat zij door het eindigen van de Wajong-uitkering er in inkomen op achteruit kunnen gaan en daardoor mogelijk in financiële problemen kunnen komen. Zoals in antwoord 2 is aangegeven, ben ik van plan de daar genoemde maatregelen te nemen om een zorgvuldige uitvoering te ondersteunen, die ik in een separate brief zal toelichten. Voor Wajonggerechtigden met een lager (huishoud)inkomen kan deze inkomensachteruitgang mogelijk worden opgevangen door andere inkomensafhankelijke regelingen zoals fiscale toeslagen en gemeentelijk minimabeleid. UWV kan Wajonggerechtigden na de beoordeling hulp aanbieden bij financiële zaken en in individuele gevallen overgaan tot maatwerk.
Het artikel 'Noodpakket vaak te duur voor mensen in armoede, ze hebben die spullen nu al dagelijks nodig' van 17 oktober 2025 |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Vindt u het rechtvaardig dat het huidige beleid ervan uitgaat dat iedereen financieel in staat is om een noodpakket aan te schaffen?1
De recent gestarte campagne «Denk Vooruit» heeft als doel mensen bewust te maken van wat zij in een noodsituatie nodig kunnen hebben, zoals een noodplan en een noodpakket. Wij beseffen dat dit voor veel mensen niet vanzelfsprekend of eenvoudig is. Voor huishoudens die financieel krap zitten kan het lastig zijn om extra uitgaven te doen, ook als het om noodvoorbereiding gaat.
Naast bewustwording is het belangrijk dat mensen, ongeacht hun financiële situatie, weten waar ze terecht kunnen voor hulp.
Erkent u dat mensen met lage inkomens of schulden vaak al moeite hebben om aan hun dagelijkse basisbehoeften te voldoen, en dat het advies om een noodpakket samen te stellen voor hen onhaalbaar is?
Mensen met lage inkomens of schulden kunnen moeite hebben om in hun dagelijkse basisbehoeften te voorzien. Voor hen kan het samenstellen van een noodpakket een grote uitdaging zijn.
De campagne benadrukt dat mensen in huis halen wat binnen hun mogelijkheden past. Sommige spullen hebben mensen mogelijk al in huis, vervolgens kunnen mensen kijken wat haalbaar is binnen de eigen mogelijkheden. Dit kan ook gezamenlijk met bijvoorbeeld buren, familie en/of vrienden. De campagne bevat ook veel kosteloze voorbereidingsstappen. Het belangrijkste is dat iedereen, ook mensen die financieel krap zitten, kan nadenken over wat in hun eigen situatie nodig is, waar ze voor hulp terecht kunnen en hierover met naasten in gesprek kan gaan. Tegelijkertijd moet bekeken worden hoe mensen in kwetsbare posities beter ondersteund kunnen worden.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is dat de overheid (gedeeltelijk) voorziet in noodpakketten voor huishoudens met een laag inkomen?
Momenteel wordt bekeken welke hulp vanuit bestaande organisaties beschikbaar is. Van de VNG begreep ik dat er initiatieven bij enkele gemeenten ontstaan.
Daarnaast zullen de verschillende betrokken ministeries nagaan wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding op dreigingen, rampen of incidenten.
Investeringen in de continuïteit van sociale structuren zijn essentieel voor de weerbaarheid van de samenleving. Daarom wordt er gewerkt aan het versterken van de positie van mensen, waaronder die in een kwetsbare positie, door te investeren in zelf- en samenredzaamheid en gebruik te maken van de kracht van lokale initiatieven.
Hoe voorkomt u dat beleid over «zelfredzaamheid» onbedoeld leidt tot extra druk of stigmatisering van mensen die in armoede leven?
Momenteel wordt bekeken welke hulp vanuit bestaande organisaties beschikbaar is. Daarnaast moet bekeken worden wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen ter voorbereiding van dreigingen, rampen of incidenten. Daarbij wordt onder meer rekening gehouden met stigmatisering en druk. Het uitgangspunt is dat een vangnet dichtbij huis, vindbaar en toegankelijk moet zijn, zodat mensen niet onnodig worden belast of gestigmatiseerd.
Acht u het realistisch dat mensen in armoede naast hun dagelijkse lasten ook middelen kunnen reserveren voor noodvoorbereiding?
Wij realiseren ons dat het apart zetten van contant geld of het aanschaffen van extra spullen voor sommige huishoudens lastig kan zijn. Daarom vragen we mensen om te doen wat past binnen hun eigen budget en mogelijkheden en te onderzoeken waar zij voor hulp terecht kunnen. Zoals eerder gezegd wordt er bekeken wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen bij het voorbereiden op dreigingen, rampen of incidenten.
Welke alternatieven ziet u om de weerbaarheid van kwetsbare huishoudens te vergroten zonder dat dit extra financiële lasten met zich meebrengt?
Op denkvooruit.nl staan veel praktische en kosteloze stappen die mensen direct kunnen nemen, zoals belangrijke telefoonnummers paraat hebben of weten hoe zij hun woning veilig kunnen verlaten. Ook wordt benadrukt dat mensen zelf binnen hun eigen netwerk en omgeving of wijk kunnen kijken welke hulp beschikbaar is.
Waar ligt volgens u de prioriteit: in het stimuleren van individuele noodpakketten of in het structureel versterken van bestaanszekerheid zodat mensen überhaupt de ruimte hebben om zich voor te bereiden op noodsituaties?
Beide zijn belangrijk en versterken elkaar. Bestaanszekerheid vormt een basis voor weerbaarheid, maar het is daarnaast nodig om mensen handelingsperspectief te geven bij incidenten, rampen en dreigingen.
Welke rol ziet u voor maatschappelijke organisaties, lokale initiatieven en gemeenten in het ondersteunen van huishoudens met lage inkomens bij noodvoorbereiding?
Momenteel wordt bekeken welke hulp vanuit bestaande organisaties beschikbaar is en wat aanvullend nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen bij voorbereiding op dreigingen, rampen of incidenten. Daarbij wordt expliciet ook gekeken naar de rol van gemeenten en maatschappelijke organisaties en naar de vraag welke ondersteuning passend kan zijn, juist omdat gemeenten dichter bij de mensen staan en hun situatie beter kennen.
In de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) van uw ministerie is voor het jaar 2026 een periodieke rapportage voor het thema armoede en schulden geagendeerd, bent u bereid om bij deze evaluatie ook het noodpakket voor mensen in armoede en schulden te betrekken?
Nee. Deze periodieke rapportage binnen de Strategische Evaluatie Agenda is een brede doorlichting van het armoede- en schuldenbeleid over de periode 2019–2025, gericht op doeltreffendheid en doelmatigheid. Het noodpakket wordt om die reden niet specifiek benoemd omdat sprake is van maatwerk.
Hoe meet u of beleid rond weerbaarheid daadwerkelijk effect heeft bij de meest kwetsbare groepen in de samenleving?
In de verdere uitwerking wordt ook gekeken naar hoe de effecten van het beleid op verschillende groepen, waaronder mensen in de meest kwetsbare posities, daadwerkelijk uitwerken en hoe dit gemonitord kan worden.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De opvolging van aanbevelingen van de Ombudsman Pensioenen en het functioneren van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de signalen uit het jaarverslag 2024 van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP) en het interview met Ombudsman Jeroen Steenvoorden, waarin stevige kritiek wordt geuit op de handelwijze van pensioenfondsen?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u de constatering van de Ombudsman dat pensioenfondsen te veel in «regeltjes» denken en te weinig maatwerk toepassen, waardoor deelnemers in schrijnende situaties tussen wal en schip kunnen vallen?
De Ombudsman constateert in veel zaken die hem worden voorgelegd, dat voor pensioenfondsen de tekst van het pensioenreglement leidend is. Hij constateert ook dat het pensioenreglement tegelijkertijd ruimte biedt om gebruik te maken van de zogenoemde ‘hardheidsclausule’. Door deze clause is het mogelijk dat een pensioenbestuur in individuele gevallen maatwerk biedt, zeker in schrijnende situaties. Ik deel met hem de opvatting dat pensioenfondsen in dergelijke schrijnende situaties zoveel als mogelijk rekening dienen te houden met individuele situaties.
De Ombudsman pleit ervoor om bij de uitvoering van pensioenregelingen nadrukkelijker de menselijke maat te hanteren en gebruik te maken van hardheidsclausules. Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat pensioenfondsen deze aanbeveling niet naast zich neerleggen?
Ik heb periodiek overleg met de Pensioenfederatie en daarnaast spreek ik periodiek de GIP. De aanbeveling die de Ombudsman maakt neem ik ten harte en zal ik bespreekbaar maken in die overleggen. Daarnaast worden de aanbevelingen van de Ombudsman Pensioenen via de Pensioenfederatie onder de aandacht gebracht bij alle pensioenfondsen.
De Ombudsman signaleert structurele problemen bij arbeidsongeschiktheid (te strikte toepassing van meldtermijnen), bij trage waardeoverdrachten, en bij gebrekkige communicatie richting deelnemers. Deelt u de zorg dat hierdoor mensen onnodig financieel nadeel ondervinden?
De Ombudsman Pensioenen brengt praktijkvoorbeelden onder de aandacht die aan hem worden voorgelegd ter bemiddeling. Dit verschilt van het signaleren van structurele problemen. Ik acht het, evenals de Ombudsman Pensioenen, van groot belang dat pensioenfondsen in alle gevallen zorgvuldig handelen en tijdig, duidelijk en begrijpelijk communiceren. De conclusie dat mensen onnodig financieel nadeel ondervinden, deel ik niet. Dat komt ook, omdat het fondsbestuur via de hardheidsclausule zoveel als mogelijk rekening kunnen houden met schrijnende (individuele) situaties.
Hoe monitort u of pensioenfondsen de adviezen van de Ombudsman opvolgen? Hoeveel van deze adviezen zijn daadwerkelijk opgevolgd? En wat gebeurt er als pensioenfondsen adviezen structureel negeren?
Sinds 1 januari 2024 kunnen deelnemers bij pensioenfondsen zich wenden tot de geschilleninstantie GIP. Bij de GIP kunnen deelnemers naast bemiddeling (door de Ombudsman Pensioenen) kiezen voor beslechting door een geschillencommissie. Kiezen deelnemers voor bemiddeling, dan wordt gekeken of een gezamenlijke oplossing mogelijk is. Komen partijen er niet uit, dan staat de weg naar geschilbeslechting open. Kiezen deelnemers direct voor geschilbeslechting, dan kan de commissie zowel bindende als niet-bindende uitspraken doen, waarbij de keuze bij de deelnemer ligt. In het geval van een bindende uitspraak zijn beide partijen daaraan gebonden.
Bent u bereid te onderzoeken of pensioenfondsen verplicht kunnen worden om gemotiveerd te reageren op adviezen van de Ombudsman Pensioenen en deze in beginsel uit te voeren, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten?
Op dit moment zie ik daar geen aanleiding toe. Mede omdat het systeem al zo is ingericht dat de Ombudsman Pensioenen zelf kan escaleren door het advies alsnog openbaar te maken dan wel aangezien de mogelijkheid bestaat tot bindende uitspraken zoals ik schreef in mijn antwoord op vraag 5.
Acht u het wenselijk dat deelnemers beter beschermd worden tegen fouten van pensioenfondsen, bijvoorbeeld door het wettelijk versterken van de positie van de Ombudsman of door aanvullende bevoegdheden voor toezicht en handhaving?
Bescherming van deelnemers is belangrijk. In de Wet toekomst pensioenen (Wtp) zijn daarom wettelijke voorschriften opgenomen voor pensioenuitvoerders voor de inrichting van een interne klachtenprocedure en geldt er een verplichte aansluiting bij een onafhankelijke buitenrechtelijke geschilleninstantie (ADR). Voor pensioen opgebouwd bij een pensioenfonds bestaat daarom sinds 1 januari 2024 de GIP en voor pensioen opgebouwd bij een verzekeraar of premiepensioeninstelling het Kifid. Zowel bij de GIP als het Kifid kunnen mensen op een laagdrempelige wijze geschillen indienen na het doorlopen van de klachtenprocedure bij de pensioenuitvoerder zelf. Deelnemers kunnen daarbij kiezen tussen bemiddeling en (bindende) beslechting. In het geval van bindende beslechting zijn beide partijen aan de uitspraak gebonden. Daarnaast kunnen deelnemers er ook voor kiezen een geschil voor te leggen aan de rechter. Aanvullende toezicht- of handhavingsbevoegdheden acht ik derhalve niet noodzakelijk.
Bent u bekend met het artikel «Uitspraken Geschilleninstantie doorgaans in nadeel deelnemer» van Pensioen Pro van 13 oktober 20252?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Klopt het dat sinds de oprichting van de GIP slechts drie van de achttien bindende uitspraken in het voordeel van deelnemers zijn uitgevallen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze scheve verhouding?
Ja dit aantal klopt, maar dat betekent niet dat het gaat om een scheve verhouding. Dat de verhouding op dit moment onevenredig is, maakt deze nog niet scheef. Zoals Max Ombudsman Rogier de Haan ook aangeeft in het genoemde artikel, kan dit komen door de laagdrempeligheid van alternatieve geschilbeslechting. Daarnaast lost GIP in een vroeg stadium van geschilbehandeling al veel geschillen op door middel van bemiddeling.
Deelt u de zorg van deskundigen, waaronder Mark Heemskerk en Wout Wijnbeek, dat deelnemers zonder juridische bijstand aanzienlijk minder kans maken om hun gelijk te halen dan pensioenfondsen die professioneel vertegenwoordigd zijn? Hoe waarborgt u dat deelnemers een gelijkwaardige procespositie hebben?
Bij geschilleninstanties zoals de GIP en het Kifid wordt gezorgd voor een evenwichtige balans tussen de rechtzoekende en de al dan niet beter geïnformeerde professional van een bedrijf of organisatie. Dit wordt gedaan door het toevoegen van de onafhankelijke expertise van de geschilleninstantie.
Acht u het wenselijk dat de GIP – zoals nu het geval is – geen bevoegdheid heeft om de inhoud van pensioenreglementen te toetsen? Zo ja, waarom? Zo nee, overweegt u om dit toetsingsverbod aan te passen?
De GIP kan niet treden in beleidsmatige keuzes van sociale partners. Dit valt onder de onderhandelingsvrijheid van sociale partners. Een uitspraak over de inhoud van het pensioenreglement raakt bovendien het collectief en dat valt buiten de bevoegdheid van de GIP. Ik acht het onwenselijk deze systematiek te doorbreken.
Het blijft echter wel van belang dat het raamwerk van een pensioenreglement voldoet aan alle van toepassing zijnde wet- en regelgeving zoals de Pensioenwet. Daar zal zowel de GIP als de rechter wel op kunnen toetsen.
Bent u het ermee eens dat deze beperkte bevoegdheden ertoe leiden dat deelnemers vaak met lege handen achterblijven, ook in situaties waarin sprake is van onduidelijke communicatie vanuit pensioenfondsen?
Hier ben ik het niet mee eens. De GIP is bevoegd om uitspraken te doen in individuele gevallen die betrekking hebben op de uitvoering van het pensioenreglement. Communicatie vanuit pensioenfondsen maakt per definitie onderdeel uit van die uitvoering. Op de uitvoering van de communicatievoorschriften houdt tevens AFM toezicht.
Zijn er signalen dat deelnemers ten onrechte verwachten dat zij via de GIP ook beleidsmatige of stelselgerelateerde kwesties – zoals het invaren onder de Wet toekomst pensioenen – kunnen aanvechten? Zo ja, wat gaat u doen om deze verwachtingen beter te managen?
Ik ben niet bekend met dit soort signalen, ook na navraag bij de GIP of de Pensioenfederatie. Informatie over het indienen van klachten en geschillen staat op www.pensioenduidelijkheid.nl.
Overweegt u om de communicatievereisten voor pensioenfondsen aan te scherpen, zodat deelnemers beter weten waar ze terechtkunnen met welke klachten?
Pensioenuitvoerders zijn op grond van de wet verplicht deelnemers goed te informeren over hun eigen interne klachtenprocedure als ook de externe geschilmogelijkheden. Daarnaast staat op de website pensioenduidelijkheid.nl veel informatie over hoe geschilbeslechting werkt en waar deelnemers terecht kunnen met klachten. Verdere aanscherping is dan ook niet nodig.
Hoe beoordeelt u de oproep van deskundigen om geschillen over pensioenen vaker door de rechterlijke macht te laten behandelen, in plaats van via alternatieve geschilleninstanties?
Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de geschilleninstanties in het algemeen, noch aan die van de GIP in het bijzonder. Integendeel, ik zie juist de toegevoegde waarde van een ADR. Het kabinet stimuleert ook het gebruik van alternatieve geschilbeslechting zoals bemiddeling en mediation, als laagdrempelig en relatief efficiënt alternatief voor de rechter. Hieruit kan worden afgeleid dat een ADR bijdraagt aan een snelle en toegankelijke oplossing van geschillen voor burgers, in lijn met het rijksbeleid om geschillen effectief en efficiënt te beslechten3. Door de Wet toekomst pensioenen is de interne klachtenprocedure bij pensioenuitvoerders verder aangescherpt, zijn externe geschilleninstanties voor pensioenzaken aangewezen en is extra geld naar de Rechtspraak gegaan. Deze gelaagde opzet biedt naar mijn mening een stevig kader voor de behandeling en beslechting van klachten en geschillen.
Bent u bereid om: Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het functioneren van de GIP wordt in 2028 geëvalueerd zoals bepaald in de Wtp.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deelnemers ook daadwerkelijk vertrouwen kunnen hebben in een eerlijke en onafhankelijke geschilbeslechting over hun pensioen?
Met de gelaagde opzet voor behandeling van klachten en geschillen ben ik ervan overtuigd een stevig en solide kader te bieden aan deelnemers om hun kwesties voor te kunnen leggen. Met daar bovenop de verplichte informatie over klachten en geschillen door pensioenuitvoerders en de informatievoorziening door overheid en pensioensector, waardoor deelnemers alle benodigde informatie kunnen vinden.
Kunt u garanderen dat de GIP, de Ombudsman en de toezichthouders voldoende middelen en bevoegdheden krijgen om hun rol effectief te vervullen, juist in de komende jaren van pensioentransitie?
De Wtp is zo ingericht om een goede transitie mogelijk te maken. Onderdeel daarvan is de versterking van de klachten- en geschillenprocedure zoals eerder benoemd. Het wettelijk kader en de daarin opererende actoren zoals geschilleninstanties, toezichthouders, pensioenuitvoerders en rechtelijke macht zorgen als geheel voor voldoende checks and balances in deze grote transitie.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
U heeft de antwoorden zo spoedig mogelijk ontvangen.
De inspectierapporten van Jeugdbescherming Noord, Gelderland en West en het functioneren van het Keurmerkinstituut (KMI) |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente rapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over Jeugdbescherming Gelderland(JBG), Jeugdbescherming West (JBw) en het eerdere rapport over Jeugdbescherming Noord (JBN)?1, 2, 3
Ja
Hoe beoordeelt u het feit dat de IGJ bij alle drie de instellingen tot nagenoeg dezelfde structurele tekortkomingen komt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Justitie en Veiligheid (in het vervolg: de inspecties) hebben op basis van risicoselectie bij vijf instellingen (waaronder de drie door u aangehaalde instellingen) verdiepend onderzoek uitgevoerd. De Inspecties hebben deze GI’s geselecteerd op basis van de bij hen beschikbare toezichtinformatie en op basis van het beeld uit de GI-monitor van 1 oktober 2024 van het Ministerie van JenV over wachttijden, personeelsbezetting en tijdige inzet van passende hulp. Het is gezien de selectie op basis van deze risico’s voorstelbaar dat bij deze instellingen vergelijkbare problemen zijn geconstateerd, zoals «geen vaste jeugdbeschermer», krapte in de personeelsbezetting en onvoldoende passende hulp. In totaal hebben de inspecties bij vijf van de dertien GI’s verdiepend onderzoek uitgevoerd. Bij deze GI’s deden zich ruim 70% van alle wachtlijsten voor op 1 oktober 2024.
De inspecties geven aan dat de belangrijkste oorzaken van de problemen gelegen zijn in arbeidsmarkttekorten en in tekorten bij de jeugdhulp die noodzakelijk is bij het uitvoeren van jeugdbescherming. De inspecties geven aan dat hierbij sprake is van stelselproblematiek, in de zin dat oplossingen veelal buiten de invloedssfeer van de individuele instellingen liggen. De inspecties geven daarnaast aan dat GI’s wel aan de slag moeten met oplossingen die wel binnen hun invloedssfeer liggen en die te maken kunnen hebben met de wijze van organiseren van de betreffende GI.
Naast de meer bedrijfsmatige aspecten waarin verbetering mogelijk is, is er een structurele verandering van de gezamenlijke werkwijze in de jeugdbeschermingsketen nodig om tot verbeteringen te komen. Hieraan werken we via het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming, de Hervormingsagenda Jeugd en de verbetering van de rechtsbescherming. De inspecties roepen het Rijk op om de implementatie van het Toekomstscenario voortvarend ter hand te nemen zodat de opbrengsten van deze aanpak zo snel mogelijk ten goede komen aan de gezinnen. De werkwijze die hierin beoogd wordt, is om al in een vroeg stadium kinderen én gezinnen te helpen met hun problemen en daarmee te voorkomen dat een maatregel voor kinderbescherming noodzakelijk wordt. Met deze aanpak wordt ook beoogd de druk op de jeugdbescherming te verminderen waardoor er meer ruimte komt om de kinderen waarvoor nog wel een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is, adequaat te kunnen helpen en beschermen.
Welke lessen trekt u uit het gegeven dat het hierbij gaat om verschillende regio’s, maar telkens dezelfde patronen zichtbaar worden (geen vaste jeugdbeschermer bij start, wachttijden, gebrekkige analyse en planvorming, onvoldoende passende hulp)?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze tekortkomingen volgens u vooral te maken hebben met capaciteitstekorten of/en in hoeverre deze ook met cultuur, organisatie en bestuurlijke keuzes binnen de gecertificeerde instellingen (GI’s) zelf te maken hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de analyse dat er een bredere systemische/culturele oorzaak speelt die verder reikt dan alleen personele onderbezetting?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat Jeugdbescherming Noord onder verscherpt toezicht is gesteld, terwijl Jeugdbescherming Gelderland en Jeugdbescherming West, waar dezelfde tekortkomingen spelen, dat (nog) niet zijn?
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij afgewogen hebben wat effectieve interventies zijn om de normafwijkingen te verhelpen. Het uitgangspunt is dat handhaving bij een instelling niet effectief is als de oorzaken van de normafwijkingen buiten de invloedssfeer van de instelling liggen. De inspecties hebben daarom afgewogen welke oorzaken van de normafwijkingen binnen de invloedssfeer van de instellingen zijn en welke daarbuiten liggen. Bij vier van de vijf bezochte instellingen komen de inspecties tot de conclusie dat de oorzaken van de normafwijkingen grotendeels buiten de invloedssfeer van de instelling liggen (zoals de arbeidsmarktproblematiek en het ontbreken van een toereikend hulpaanbod).
Bij Jeugdbescherming Noord geven de inspecties daarnaast aan ook interne oorzaken te zien. Vanwege de ernst en de hoeveelheid van de tekortkomingen en de opgave die het bestuur heeft om verbeteringen door te voeren die binnen de eigen invloedssfeer van de organisatie liggen, vonden de inspecties het noodzakelijk om Jeugdbescherming Noord onder verscherpt toezicht te stellen.
De inspecties geven tot slot aan in alle rapporten te hebben benoemd dat zij er geen vertrouwen in hebben dat de GI’s erin slagen om alle geconstateerde normafwijkingen op korte termijn weg te nemen. Onderliggende oorzaken liggen deels buiten de invloedssfeer van de GI’s en zijn het gevolg van problemen in het jeugdbeschermingsstelsel. De oorzaken waar het bestuur wel invloed op heeft, moeten snel aangepakt worden.
Welke criteria hanteert de IGJ bij het bepalen of verscherpt toezicht nodig is?
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij de aard en de ernst van de normafwijking en het vertrouwen in de verbeterkracht van de instelling meewegen. De verbeterkracht hangt niet alleen samen met «goed bestuur», maar ook met de (on)mogelijkheid te verbeteren als gevolg van externe factoren.
Ziet u verschillen in bestuurscultuur tussen de instellingen en welke rol speelt dit bij het verschil in oordeel?
In antwoord op deze vraag hebben de inspecties aangegeven dat zij de bestuurscultuur beoordeeld hebben onder het thema «goed bestuur» en de conclusies hierover opgenomen hebben in de rapporten. Zij beoordelen dit in hun rapport (van 24 juli 2025) bij Jeugdbescherming Noord als grotendeels onvoldoende, bij de overige GI’s als grotendeels voldoende.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Keurmerkinstituut (KMI) het certificaat voor jeugdbescherming en jeugdreclassering opnieuw heeft verleend aan Jeugdbescherming Noord (JBN)?4
Ja
Hoe kan het dat instellingen als JBN, JBG en JBw, ondanks certificering door het KMI, zulke ernstige tekortkomingen kennen? Kunt u verklaren waarom de tekortkomingen bij JBw en JBG wel door de IGJ zijn geconstateerd en niet door het KMI, terwijl het KMI regelmatig audits doet en de IGJ minder vaak toetst?
Beide instanties hebben andere rollen en bevoegdheden. De certificerende instelling (CI), in dit geval het Keurmerkinstituut (KMI), toetst aan de normen die zijn vastgelegd in het normenkader voor toetsing van het kwaliteitsmanagement-systeem van GI’s5. De inspecties houden toezicht op de uitvoering van de GI’s volgens de wettelijke eisen. Het KMI toetst het kwaliteitsmanagementsysteem (KMS) van een GI en toetst of die GI voldoende «in control» is om haar wettelijke taken voldoende uit te kunnen voeren. Hierbij kan de volgende vergelijking worden gemaakt: het KMI is als het ware het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen die toetst of iemand rijvaardig is en de IGJ is dan als het ware de politie, die zicht heeft op het feitelijke rijgedrag en ingrijpt bij een overtreding.
In het concrete geval van JBN hebben de inspecties begin maart 2025 bij JBN toezicht uitgevoerd. Het KMI heeft begin september 2025 een audit uitgevoerd. Op dat moment had JBN al negen maanden gewerkt aan de noodzakelijke verbeteringen ten behoeve van het certificaat.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit en waarde van de certificering door het KMI, gezien deze discrepantie? Deelt u de mening dat als het KMI deze tekortkomingen niet ziet er iets mis kan zijn met het toezicht en de audits? Kunt u zich indenken dat ouders en gemeenten zich ongerust maken als blijkt dat het toezicht dergelijke belangrijke zaken niet signaleert en toch certificeringen afgeeft?
Ik deel niet de mening dat er sprake is van een discrepantie. Het KMI en de inspecties kijken naar andere aspecten van kwaliteit; zie ook het antwoord op vraag 10. Door verschillende doelstellingen van de inspecties en het KMI, is het dus mogelijk dat KMI en inspectie tot verschillende conclusies komen. De hercertificering bij JBN is volgens de geldende procedures voor certificering verlopen. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dit niet op een juiste wijze heeft plaatsgevonden, en ook niet dat «men bij andere GI’s misstanden over hoofd ziet». Ik begrijp dat het voor ouders en andere betrokkenen verwarrend kan zijn dat beide vormen van toezicht naast elkaar bestaan maar ze dienen een ander doel.
Kunt u zich voorstellen dat ouders die te maken hebben met JBN zich zorgen maken over de juistheid van de hercertificering als blijkt dat men bij andere GI’s dezelfde misstanden over het hoofd zien? In hoeverre kunnen ouders, gemeenten en andere toezichthouders erop aan dat het bij JBN nu allemaal klopt terwijl de zelfde misstanden elders gemist zijn?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u uitleggen hoe het toezicht op het KMI zelf is ingericht en hoe de onafhankelijkheid van dat toezicht wordt geborgd?
Het KMI is een zelfstanding bestuursorgaan (zbo) en voert haar wettelijke taak onafhankelijk uit. De IGJ houdt toezicht op het functioneren van het KMI. Hiernaast is het KMI als certificerende instelling geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie (RvA). Deze accreditatie borgt dat het KMI voldoet aan de internationale normen voor deskundigheid en onpartijdigheid op gebied van certificering. De RvA – die ook een zelfstandig bestuursorgaan is – beoordeelt periodiek of het KMI aan deze eisen voldoet.
Hoe weegt u het IGJ-rapport van oktober 2023, waarin werd gesteld dat het KMI onvoldoende transparant is in zijn afwegingen en gevoelig lijkt voor politieke en bestuurlijke druk?5
Voor dit antwoord verwijs ik naar de beleidsreactie op het genoemde rapport van de inspectie die is opgenomen in de brief over jeugdzorg van de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 oktober 20237.
Bent u het eens met de constatering van de IGJ dat hierdoor de onafhankelijkheid en navolgbaarheid van de certificeringsbesluiten in het geding zijn? Graag een inhoudelijke reactie.
Ik deel die constatering niet. De bevindingen van de IGJ laten zien dat er verbetering nodig was in transparantie en motivering, maar dat betekent niet dat de onafhankelijkheid en de navolgbaarheid van certificeringsbesluiten in het geding zijn geweest. De aanbevelingen van de IGJ zijn betrokken bij de aanbesteding van de certificerende instantie om daarmee tot een betere transparantie en motivering van besluiten van de certificerende instelling te komen.
In hoeverre herkent u signalen dat bestuurlijke druk een rol speelt bij certificeringsbesluiten van het KMI? Kunt u uw antwoord motiveren?
Ik herken die signalen niet. Certificeringsbesluiten dienen plaats te vinden op basis van het vastgestelde normenkader. Het KMI dient haar taak onafhankelijk uit te voeren volgens de accreditatie-eisen en wettelijke kaders waaraan het KMI is gebonden. De Raad voor Accreditatie houdt toezicht op de uitvoering volgens die accreditatie-eisen.
Kunt u concreet aangeven of en hoe bewindspersonen, ministeries of koepelorganisaties druk hebben uitgeoefend op het KMI in de afgelopen jaren? Zo ja, waar is dat gebeurd? Zo nee, kunt dit duidelijk maken?
Er is geen sprake van dat bewindspersonen of ministeries druk hebben uitgevoerd op het KMI. Het KMI voert haar taak als zelfstandig bestuursorgaan (zbo) onafhankelijk uit.
Acht u het wenselijk dat een privaatrechtelijk instituut met een monopoliepositie als het KMI zo’n cruciale rol vervult in de jeugdbeschermingsketen? Deelt u de mening dat het afgeven van dergelijke certificeringen feitelijk een overheidstaak moet zijn die niet aan marktpartijen kan worden overgelaten gezien het feit dat een kinderbeschermingsmaatregel een zeer ernstige ingreep is die allen met toestemming van een rechter mag worden uitgesproken en uitgevoerd?
Ik deel die mening niet. Het KMI vervult deze taak als privaatrechtelijke zbo met een wettelijk toegekende taak. De certificering vindt plaats volgens wettelijk vastgestelde eisen en onder accreditatie. Daarmee is de onafhankelijkheid, de legitimiteit en de kwaliteit van de certificering geborgd. Er is door de wetgever gekozen voor één certificerende instantie om zorg te dragen dat elke GI op dezelfde wijze wordt beoordeeld. Ik wijs erop dat certificatie een breed toegepaste methode is om publieke belangen te borgen (bijv. bij veiligheid van producten en diensten).
Bent u op de hoogte van het feit dat toezichthouders, gemeenten, cliëntenraden en media geen inzicht krijgen, ook niet desgevraagd, in de resultaten van de audits?
Ja, ik ben hiervan op de hoogte. De conclusie van het certificeringsbesluit wordt openbaar gemaakt. Volgens het Aanwijzingsbesluit certificerende instelling jeugdwet 2024 publiceert het KMI op zijn website welke GI’s zijn gecertificeerd en welke een aanvraag voor een certificering hebben ingediend. De auditrapporten worden niet openbaar gemaakt; deze kunnen bedrijfsgevoelige informatie bevatten. Het is bij toezicht op individuele bedrijven en organisaties overigens gebruikelijk dat er geen individuele informatie openbaar wordt gemaakt. De Wet open overheid biedt hiervoor een weigeringsgrond. GI’s zijn privaatrechtelijke organisaties en openbaarmaking van deze informatie kan hun concurrentie en onderhandelingspositie schaden. Toezichthouders, zoals de inspecties en de Raad voor Accreditatie, hebben uiteraard wel de bevoegdheid om auditrapporten bij het KMI op te vragen in het kader van het door hen uit te voeren toezicht.
Acht u het wenselijk dat de onderbouwing van deze certificeringsbeslissing geheim wordt gehouden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 19.
Erkent u dat het ongewenst is dat zowel toezichthouders als de inspecties, gemeenten (als opdrachtgevers), als cliëntenraden en ouders niet kunnen inzien op basis waarvan een certificering is afgegeven? Kunt u dit toelichten?
Certificeringsbesluiten worden genomen op basis van het door de Minister vastgestelde normenkader. Het auditrapport is een individuele beoordeling over een instelling en kan bedrijfsgevoelige informatie bevatten (zie antwoord op vraag 19 en8 en wordt daarom niet openbaar gemaakt. Dit doet niets af aan de kwaliteit en de legitimiteit van het certificeringsbesluit. Het KMI toetst niet alleen of een GI aan het normenkader voldoet, maar ziet ook toe via vervolg-audits of eerder geconstateerde afwijkingen zijn opgelost. Een certificaat kan bijvoorbeeld niet worden toegekend als kritische constateringen niet adequaat zijn opgepakt.
Transparantie is van belang voor het vertrouwen in het stelsel. Ik deel de conclusie niet dat het gebrek aan openbaarmaking van de onderliggende auditinformatie leidt tot wantrouwen richting de GI’s of het certificeringsstelsel. De werking van de certificering wordt getoetst door de Raad voor Accreditatie.
Deelt u de mening dat het gebrek aan transparantie bijdraagt aan wantrouwen richting de GI’s als het certificeringssysteem in zijn geheel? Zo, nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Kunt u toelichten op welke wijze GI’s momenteel worden beoordeeld op de individuele punten van het normenkader en waarom deze scores niet openbaar beschikbaar zijn?
Zie antwoord vraag 21.
Is het volgens u wenselijk dat onbekend blijft welke verbeterpunten het KMI heeft vastgesteld en of deze inmiddels aantoonbaar zijn opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Kunt u aangeven om welke inhoudelijke redenen het KMI eind 2024 heeft besloten om het volledige certificaat van JBN in te trekken en te vervangen door een overbruggingscertificaat? Waarom heeft men dat niet gedaan bij JBG en JBw? Of heeft het KMI deze misstanden niet geconstateerd bij de audits? Kunt u verklaren hoe deze ernstige misstanden eventueel gemist zijn door het KMI?
Uit de audit van het KMI kwam naar voren dat JBN een aantal kritische afwijkingen (van het normenkader) had. Het KMI heeft destijds besloten om een overbruggingscertificaat af te geven. Het KMI geeft alleen een overbruggingscertificaat af als zij de verwachting heeft dat de betreffende organisatie, binnen de gestelde termijn, de situatie kan verbeteren. Bij de laatste audit is gebleken dat JBN door de door hen doorgevoerde verbeteringen binnen de gestelde termijn weer voldeed aan de normen van het normenkader.
Bij andere GI’s heeft het KMI geen vergelijkbare afwijkingen van het normenkader geconstateerd die aanleiding gaven tot de afgifte van een overbruggingscertificaat. Zie ook het antwoord op vraag 10 voor de toelichting op het verschil tussen certificering door het KMI en het toezicht door de inspecties.
Wat zijn concreet de redenen dat het KMI nu, minder dan een jaar later, opnieuw een volledig certificaat aan JBN heeft toegekend?
Zie antwoord vraag 25.
Kunt u bevestigen dat de schemabeheerder voor het certificeringssysteem Jeugdzorg Nederland is? Zo nee, wie is dan de schemabeheerder?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid stelt het normenkader vast. Daaraan voorafgaand wordt advies gevraagd aan de Commissie van Belanghebbenden9 en de Raad voor Accreditatie. Het normenkader is onderdeel van het certificatieschema. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is hiervan de eigenaar en is schemabeheerder van het normenkader.
Deelt u de zorg dat de schemabeheerder, als vertegenwoordiger van de sector zelf, hiermee in feite de regie heeft over het certificeringssysteem? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 27.
Deelt u de mening dat dit een ongewenste situatie oplevert waarin Jeugdzorg Nederland toezicht uitoefent op zichzelf? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 27.
Wat vindt u van de afspraak dat auditrapporten en onderliggende bevindingen niet openbaar mogen worden gemaakt, zelfs niet aan toezichthouders, gemeenten of cliëntenraden?
Zie antwoord vraag 21.
Deelt u de mening dat het KMI nooit met een dergelijke afspraak had mogen instemmen, juist gezien de publieke verantwoordelijkheid die zij namens de overheid vervult? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Erkent u dat hiermee feitelijk het certificeringssysteem in handen is gekomen van de sector zelf, en dat daarmee de samenleving en toezichthouders op afstand worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 27.
Bent u bereid om een aanwijzing te geven aan het KMI en de GI’s om per direct en met terugwerkende kracht vanaf de instelling van het certificeringssysteem in 2015 alle auditrapporten openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Indien nee, welke alternatieve maatregelen gaat u nemen om alsnog te zorgen voor transparantie en publieke verantwoording?
Zie het antwoord op vraag 11.
Hoe beoordeelt u de opstelling van het KMI, dat aangeeft naar mensen die op transparantie vragen wel «meer openheid te willen bieden», maar dit voorlopig niet te doen vanwege «beleidsregels»? Bent u op de hoogte van deze beleidsregels en wat is uw mening over deze beleidsregels?
Ja, ik ben op de hoogte van de beleidsregels van het KMI. Deze beleidsregels vallen binnen de normen waarbinnen het KMI als privaatrechtelijke zbo, haar taak onafhankelijk uitvoert. Het is niet aan mij om een inhoudelijk oordeel te geven over de wijze waarop het KMI haar beoordelingskader invult, zolang het binnen de kaders van de Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) valt. Het KMI heeft aangegeven de komende periode, samen met de commissie van belanghebbenden, de mogelijkheden te onderzoeken om meer transparantie te kunnen bieden over de uitkomsten van de audits.
Deelt u de mening dat bij een publieke taak die zo ingrijpend is als jeugdbescherming, volledige transparantie de norm moet zijn en geheimhouding onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Transparantie is belangrijk, maar als het om auditrapporten gaat niet altijd. Deze kunnen bedrijfsgevoelige informatie bevatten. Zie ook het antwoord op vraag 19 en 20.
Bent u bereid per direct op te treden tegen de huidige praktijk waarbij auditrapporten geheim blijven, en te zorgen dat betrokken ouders, cliëntenraden, gemeenten en inspecties toegang krijgen tot deze informatie?
Zie antwoord vraag 21.
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat certificering in de jeugdzorg een papieren exercitie blijft, terwijl in de praktijk ouders en kinderen nog steeds ernstige schade ondervinden van het handelen van gecertificeerde instellingen?
Zowel het KMI als de IGJ heeft een eigen rol in het toezicht op de GI’s. Het KMI toetst of een organisatie voldoet aan het normenkader voor toetsing van het kwaliteitsmanagementsysteem van gecertificeerde instellingen10. De IGJ ziet toe op de uitvoering van het handelen van de gecertificeerde instellingen volgens wettelijke vereisten en kan ingrijpen bij signalen of tekortkomingen wanneer de situatie erom vraagt. In het kader van het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming laat ik onderzoeken welke alternatieven er voor het huidige certificeringsstelsel mogelijk zijn.
Welke alternatieven ziet u om het certificerings- en toezichtproces onafhankelijker, transparanter en minder manipuleerbaar in te richten?
Zie antwoord vraag 38.
Hoe reflecteert u op de bredere bestuurscultuur in de jeugdbescherming, waarin organisaties ondanks herhaalde waarschuwingen structureel tekortschieten maar tegelijkertijd bestuurlijk overeind blijven?
De jeugdbescherming kampt met grote uitdagingen. Het inspectierapport «Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt» benoemt de grootste tekortkomingen in de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Kinderen en hun ouders moeten vaak wachten op een vaste jeugdbeschermer, er is onvoldoende betekenisvol contact met jeugdigen en gezinnen en passende jeugdhulp wordt niet of niet tijdig ingezet. De inspecties geven daarbij ook aan dat de oorzaak hiervan niet bij de jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders ligt. Tegelijkertijd worden de instellingen ook aangesproken op onderdelen die beter moeten en dan constateer ik dat deze bestuurders zich inzetten om dat te verbeteren. De inspecties geven ook aan dat enkele oorzaken niet binnen de beïnvloedingsmogelijkheden van de GI’s zelf liggen.
De inspecties hebben de bestuurscultuur beoordeeld onder het thema «goed bestuur» en de conclusies hierover opgenomen in de rapporten. Zij beoordelen dit bij JB Noord als grotendeels onvoldoende en bij de overige GI’s als grotendeels voldoende.
Welke verantwoordelijkheid neemt u als kabinet voor het feit dat deze structurele tekortkomingen al jarenlang bekend zijn maar zich blijven herhalen?
De jeugdbescherming kampt met grote en complexe uitdagingen en daar voelen we ons ook verantwoordelijk voor. Die verantwoordelijkheid vullen we in met de inzet op de Hervormingsagenda Jeugd, het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming en de verbetering van de rechtsbescherming.
Hoe verklaart u dat jeugdigen en gezinnen nog steeds slachtoffer worden van dezelfde systeemfouten, ondanks eerdere toezeggingen van verbeteringen?
Het eerlijke antwoord is dat er geen maatregelen zijn die op korte termijn deze complexe tekortkomingen kunnen oplossen. Dat betekent dat het risico bestaat er onvoldoende zicht is op de ontwikkeling en veiligheid van jeugdigen.
Wat zijn volgens u de belangrijkste drie systeemingrepen die noodzakelijk zijn om daadwerkelijk verbetering te realiseren?
De belangrijkste ingrepen zijn het versterken van de lokale teams, het verbeteren van de beschikbaarheid van jeugdhulp en hulp voor het hele gezin en (daarmee) het terugbrengen van de vraag naar jeugdbescherming.
Kunt u toezeggen dat de Kamer jaarlijks een overzicht ontvangt van gecertificeerde instellingen met daarbij de bevindingen van IGJ en KMI, zodat de Kamer kan toetsen of certificering en inspectie in de pas lopen?
Wanneer er een aanleiding voor is, zoals bij rapporten van de inspecties, zal ik de Kamer informeren volgens de gebruikelijke wijze.
Bent u bereid in uw antwoord een inhoudelijke reflectie te geven op de vraag of de huidige bestuurscultuur in de jeugdbescherming toereikend is om echte verandering te realiseren, of dat een meer fundamentele herziening nodig is?
Met de programma’s Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming zijn we een beweging begonnen waarin we met elkaar, ieder vanuit zijn/haar verantwoordelijkheid, de situatie in de jeugdzorg (waaronder de jeugdbescherming) structureel willen verbeteren. We hebben daarbij alle betrokkenen nodig en ik volg de inspecties die oproepen tot stevig leiderschap van GI’s, gemeenten en Rijk om samen tot duurzame oplossingen te komen voor de aanpak van de onderliggende oorzaken.
Het bericht 'Jongeren verslaafd aan online gokken kloppen massaal aan voor hulp: 'Soms al vanaf 16 jaar’' |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD), Bruijn , Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht in Tubantia van 7 oktober 2025 waarin experts de noodklok luiden dat steeds meer mensen in de regio in de problemen komen door online gokken?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat grote aantallen online gokkers én gokverslaafden, niet alleen in de randstad maar ook op het platteland voorkomen?
Ik ben mij ervan bewust dat deelname aan online kansspelen en de problematiek die daarmee gemoeid kan gaan niet beperkt zijn tot bepaalde regio’s in Nederland. De inzet op betere bescherming tegen gokschade, waaronder verslaving, is dan ook gericht op alle mensen in Nederland.
Herkent u de constatering dat met name jongeren, zeker ook op middelbare scholen, sinds de legalisering van online gokken dit in groten getale zijn gaan doen en in de problemen komen?
Sinds de opening van de online gokmarkt zijn meer mensen, waaronder jongeren, online gaan gokken. Er zijn geen exacte cijfers over het aantal jongeren, waaronder minderjarigen, dat online is gaan gokken sinds oktober 2021. Uit onderzoek is wel gebleken dat het aantal jongeren dat online gokt is oververtegenwoordigd ten opzichte van de gehele populatie online gokkers. Daarnaast is het aantal jongeren dat online gokt in 2025 gestegen ten opzichte van 2024.2 Met name het aantal minderjarigen dat online is gaan gokken is in 2025 gestegen. Dat vind ik een zeer zorgwekkende ontwikkeling. Jongeren behoren tot een kwetsbare groep die extra gevoelig is voor de verleidingen van gokken. Dit geldt in het bijzonder voor minderjaren, voor wie het om die reden ook verboden is om te gokken.
Het is niet duidelijk of de jongeren waaraan wordt gerefereerd in het aangehaalde bericht illegaal hebben gegokt, of het speelaccount van een meerderjarig persoon hebben gebruikt, of dat zij de strenge identificatieplicht die bij legaal aanbod geldt hebben kunnen omzeilen. Momenteel doet de Kansspelautoriteit (Ksa) verdiepend onderzoek naar deelname van minderjarigen aan online kansspelen bij legale aanbieders. Hierbij wordt onder meer met hulp van de banken gekeken naar mogelijke betalingen van minderjarigen naar kansspelaanbieders. De vraag hoe minderjarigen deelnemen aan online kansspelen wordt tevens meegenomen in het onderzoek Perspectief van Nederlanders op kansspelen 2025 dat dit najaar wordt opgeleverd.
Ten aanzien van eventuele regionale verschillen in deelname en problemen door online gokken merk ik het volgende op: de Stichting Informatievoorziening Zorg (IVZ) verzamelt in Nederland gegevens over het aantal mensen in behandeling voor verslaving in het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS). In haar jaarlijkse rapport «Kerncijfers verslavingszorg» wordt ook de regionale spreiding van het aantal personen in behandeling voor gokproblematiek in kaart gebracht.3 Uit het rapport blijkt dat in sommige regio’s relatief meer mensen in behandeling zijn voor gokproblematiek. Dit moet echter met voorzichtigheid worden geduid. Niet alle mensen met gokproblematiek zijn in behandeling bij de verslavingszorg. Daarnaast kan het lang duren voordat mensen op het punt komen dat ze hulp zoeken. Daarom zet ik met het kansspelbeleid in op het voorkomen van problemen en goede geleiding naar hulp. In het onderzoek naar de deelname aan (online) kansspelen, dat uitgevoerd is door Ipsos I&O in opdracht van het WODC, is ervoor gezorgd dat de uitkomsten representatief zijn voor alle Nederlanders van 16 jaar en ouder als het gaat om onder andere de regio waar respondenten vandaan komen.4 Hierbij wordt niet nader ingegaan op mogelijke regionale verschillen.
Kunt u de cijfers omtrent deze zorgwekkende trend delen, en bij de analyse hiervan ook ingaan op regionale verschillen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat doet u om deze zorgelijke ontwikkelingen te keren? En hoe zet u zich in om ervoor te zorgen dat juist ook instellingen in de regio de middelen hebben om slachtoffers te helpen?
De zorgelijke cijfers benadrukken hoe belangrijk het is om in te zetten op het voorkomen van gokschade, zoals ook is aangegeven in de brief over de visie op het kansspelbeleid, die in februari 2025 aan uw Kamer is gestuurd.5 In deze brief zijn ook maatregelen aangekondigd om de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) te herzien. De nieuwe visie kent als belangrijkste doelstelling het beschermen van mensen tegen schade door gokken, met specifieke aandacht voor jongvolwassenen en minderjarigen. Deze doelgroepen zijn, zoals genoemd in het antwoord op vraag 3 en 4, extra gevoelig voor de verleidingen van gokken en eventuele gokschade kan nog lange tijd doorwerken in hun latere leven. Daarnaast wordt ingezet op intensievere bestrijding van het illegale aanbod en deelname daaraan.
De Ksa zet ook specifiek in op het beschermen van minderjarigen en jongvolwassenen en heeft dit als prioriteit opgenomen in haar Toezichtsagenda 2025.
Voorts wordt ingezet op andere preventieve maatregelen, zoals gerichte bewustwordingsactiviteiten om met name jongvolwassenen en hun omgeving bewust te maken van de risico’s van gokken. Daarnaast werk ik samen met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Ksa aan een meerjarenagenda bescherming tegen gokschade ter opvolging van de werkagenda verslavingspreventie kansspelen.6 In dat kader worden ook vanuit het Verslavingspreventiefonds onverminderd initiatieven mogelijk gemaakt of ondersteund, waaronder verbetering van de samenwerking tussen regionale partijen. Zoals door mijn voorganger is aangegeven in zijn brief van 3 juli 2025 is de zorgelijke groei van gokken onder minderjarigen tevens onder de aandacht gebracht bij Verslavingskunde Nederland (VKN). In het programma van VKN gericht op preventie en vroegsignalering van verslavingsproblematiek, waarbij VKN onder meer nauw samenwerkt met gemeenten, wordt ook ingezet op het tegengaan van gokproblematiek. VKN gaat bekijken of en hoe zij in hun bestaande preventietrajecten meer aandacht kan hebben voor het voorkomen van gokken onder minderjarigen.
Op welke manier is dit Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) hierbij betrokken? Wie houdt toezicht op het aantal verslavingen in de regio, en zorgt ervoor dat adequate zorg en begeleiding beschikbaar is?
De Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport is verantwoordelijk voor preventie van schade door gebruik van genotsmiddelen zoals drugs, alcohol en tabak. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 5 werk ik samen met het Ministerie van VWS aan de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade en betrek ik daarbij hun expertise.
Daarnaast is het Ministerie van VWS stelselverantwoordelijk voor de verslavingszorg, waaronder ook zorg bij gokverslaving. Binnen dit stelstel kan de huisarts een jongere of volwassene met (online gok)verslaving verwijzen naar verslavingszorg, maar ook andere zorgverleners zoals bedrijfsartsen, psychiaters en soms gemeenten of jeugdhulporganisaties (voor jeugd) mogen verwijzen.
De zorgverzekeraar dient vanuit diens zorgplicht voldoende verslavingszorg in te kopen, zodat hun verzekerden binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang hebben tot zorg. Wanneer er knelpunten optreden in een bepaalde regio moeten zorgverzekeraars hier proactief mee aan de slag. Hierbij is het ook van belang dat zorgaanbieders tijdig signaleren wanneer er knelpunten zijn in capaciteit of toegankelijkheid en hierover in overleg treden met zorgverzekeraars, zodat gezamenlijk naar oplossingen kan worden gezocht. In het stelsel houdt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) toezicht op de kwaliteit, de veiligheid en de continuïteit van de zorg. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ziet toe op de zorgplicht van verzekeraars.
Zoals gemeld in het antwoord op vraag 3 en 4 houdt IVZ in het LADIS bij hoeveel mensen in behandeling zijn voor gokverslaving, waarbij ook onderscheid gemaakt wordt tussen regio’s.
Bent u voornemens om onverkort de, door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, aangekondigde maatregelen om de (online) gokmarkt te beteugelen uit te voeren, en daar waar nodig een schepje bovenop te doen?
Op dit moment werk ik de aangekondigde maatregelen uit de brief van 14 februari 2025 uit, op basis van onder meer de meest recente en nog lopende onderzoeken. Ik streef ernaar uw Kamer op korte termijn te informeren over de contouren voor wet- en regelgeving op basis waarvan het wetsvoorstel zal worden uitgewerkt. Dan zal ik uw Kamer ook informeren over de meerjarenagenda bescherming tegen gokschade.
Het bericht ‘Nederland bezit grootste hoeveelheid kinderporno in Europa’ |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland bezit grootste hoeveelheid kinderporno in Europa»1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat circa 60 procent van al het in Europa gehoste kinderseksmisbruikmateriaal zich in Nederland bevindt, en bijna een derde van het wereldwijde totaal? Hoe verklaart u dat Nederland in zo’n uitzonderlijke positie verkeert?
Seksueel kindermisbruik behoort tot de meest verwoestende vormen van criminaliteit. Het laat diepe en blijvende sporen na in het leven van slachtoffers. En ook worden zij telkens met hun leed geconfronteerd wanneer beelden van het seksueel misbruik op het internet worden geplaatst en gedeeld.
Het kabinet vindt het zeer zorgwekkend dat in Nederland nog altijd veel beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik wordt gehost.
Mede dankzij het gunstige vestigingsklimaat, de directe aansluiting op onderzeekabels tussen continenten en de goede digitale infrastructuur, is Nederland een aantrekkelijk land voor datacentra en hostingproviders. Deze sterke positie brengt echter ook risico’s met zich mee: dezelfde infrastructuur kan worden misbruikt voor criminele doeleinden, zoals het hosten van illegaal materiaal.
Om dit tegen te gaan heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) op 1 juli 2024, met de inwerkingtreding van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, nieuwe bevoegdheden gekregen. Deze wet geeft de ATKM de mogelijkheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal ontoegankelijk te maken en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten.
Naast de inzet van de ATKM blijft het kabinet zich onverminderd inspannen om dit misbruik te voorkomen en krachtig te bestrijden. Voor verdere toelichting verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Welke wettelijke verplichtingen gelden op dit moment voor hostingbedrijven en internetproviders om kinderseksmisbruikmateriaal te detecteren, te melden en te verwijderen? Acht u deze verplichtingen toereikend, gezien de recente bevindingen? Kunt u hierbij ingaan op het toezichtkader en het ontbreken van afdwingbare meld- en verwijderverplichtingen?
Ter bestrijding van online seksueel kindermisbruik geldt in Nederland een samenhangend stelsel van nationale en Europese regels dat verplichtingen oplegt aan aanbieders van hosting- en internetdiensten bij het verwijderen en ontoegankelijk maken van kinderpornografisch materiaal, evenals over het toezicht daarop. Daarmee is voorzien in een robuust systeem van meld- en verwijderverplichtingen.
Op 17 februari 2024 is de Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA) volledig in werking getreden. Op grond van artikel 16 DSA zijn aanbieders van hostingdiensten verplicht een toegankelijk en gebruiksvriendelijk digitaal meldsysteem in te richten waarmee iedereen illegale online inhoud, zoals beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, kan melden. Daarnaast verplicht artikel 18 DSA aanbieders van hostingdiensten om, zodra zij informatie ontvangen die wijst op een mogelijk strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid van personen in gevaar is, dit onverwijld te melden aan de bevoegde opsporings- of justitiële autoriteiten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door de 25 grootste aanbieders van online diensten. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het toezicht op de overige aanbieders van online diensten binnen hun eigen rechtsgebied. Vanaf 4 februari 2025 treden in Nederland de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) op als de bevoegde toezichthouders voor de naleving van de DSA in Nederland.
De officier van justitie kan, in geval van een verdenking van een misdrijf, zoals het aanbieden of verspreiden van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, met een machtiging van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, is op 1 juli 2024 de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal in werking getreden. Deze wet geeft de ATKM de bevoegdheid om aanbieders van hosting- en communicatiediensten te verplichten online kinderpornografisch materiaal te verwijderen of ontoegankelijk te maken, en om bestuursrechtelijk op te treden wanneer zij dat nalaten. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10 procent van de jaarlijkse omzet van de onderneming.
Daarnaast kan de ATKM besluiten om dergelijke sanctiebesluiten openbaar te maken en zal dat in beginsel ook doen, gezien de schadelijke reputatie-effecten die daarvan uitgaan.
Internationaal gezien is de bestuursrechtelijke aanpak vernieuwend en er worden dan ook positieve effecten verwacht in het indammen van hosting van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in Nederland. Nederland heeft daarmee een belangrijke en grote stap gezet in de aanpak van onwelwillende hostingbedrijven.
Bent u bereid beleid te ontwikkelen zodat hostingbedrijven verplicht kunnen worden om proactieve detectiemethoden toe te passen, zoals hash-databanken of AI-gebaseerde beeldherkenning, teneinde het verspreiden van kinderseksmisbruikmateriaal sneller te stoppen?
In de DSA is neergelegd dat lidstaten geen algemene verplichting mogen opleggen aan hostingbedrijven tot monitoring van de door hen doorgegeven of opgeslagen informatie noch tot actief onderzoek naar de feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten.
Artikel 7 DSA regelt echter dat aanbieders van hostingdiensten wel vrijwillig maatregelen kunnen nemen om illegale inhoud, zoals beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, te detecteren en te verwijderen, zonder dat zij daarmee hun aansprakelijkheidsbescherming verliezen.
In dat kader wordt door de sector al gebruik gemaakt van hash-databanken. Een bekend voorbeeld hiervan is de HashCheckService (hierna: HCS): een gratis tool, die het mogelijk maakt om bekend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik snel te identificeren en van het internet te verwijderen. Met de applicatie kunnen hostingproviders controleren of geüpload materiaal op hun servers in de database van de HCS voorkomt. De database bevat hashlijsten van bekend beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, onder meer afkomstig van de Nederlandse politie en Interpol.
Hoe verhoudt de Nederlandse wetgeving zich tot de voorgenomen Europese verordening inzake seksueel misbruik van kinderen, die lidstaten verplicht om hosting van dergelijk materiaal actiever te bestrijden? Welke voorbereidingen treft Nederland voor implementatie van deze verordening?
De voorgenomen EU-Verordening inzake seksueel misbruik van kinderen bevat ten opzichte van de bestaande Nederlandse wetgeving en als lex specialis van de DSA, aanvullende en specifiekere verplichtingen met het oog op het tegengaan van de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Aanbieders van hostingdiensten en interpersoonlijke communicatiediensten moeten op grond van de voorgestelde verordening een risicobeoordeling uitvoeren om vast te stellen in welke mate hun diensten kunnen worden gebruikt voor de verspreiding van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik of voor grooming doeleinden.
Verder moeten zij mitigerende maatregelen treffen om die risico’s te verkleinen en meldingen doen van geconstateerd materiaal aan het nieuw op te richten Europees Centrum voor de bestrijding van seksueel misbruik van kinderen, dat gaat fungeren als een kennis- en coördinatiepunt. Uiteindelijk moeten deze bedrijven het desbetreffende materiaal verwijderen of ontoegankelijk maken.
In het meest recente voorstel is verplichte detectie van online seksueel beeldmateriaal van kinderen helemaal geschrapt. In plaats daarvan wordt voorgesteld de mogelijkheden die bedrijven nu op grond van een tijdelijke derogatieregeling hebben om op eigen initiatief detecteren, permanent te maken. Op 26 november jl. heeft de Raad een positie ingenomen ten aanzien van dit voorstel. Het betekent dat de Raad klaar is om de onderhandelingen met het Europees parlement en de Europese Commissie in te gaan, in de zogeheten triloog. Wanneer de triloog start, is er aldus nog geen definitieve wet. De uiteindelijke impact van de Verordening, ook in relatie tot het bestaande nationaalrechtelijke wettelijke kader, is daarom nog niet met zekerheid vast te stellen. Het kabinet neemt actief deel aan de onderhandelingen en overlegt hierover regelmatig met relevante ketenpartners. Een verordening heeft rechtstreekse werking. Mocht de verordening in de toekomst worden aangenomen, dan zal ook dan moeten worden bezien in hoeverre aanvullende nationale wetgeving nodig is om effectief uitvoering te kunnen geven aan de verordening.
Hoeveel capaciteit is er binnen politie en Openbaar Ministerie beschikbaar voor digitale opsporing en handhaving op het gebied van kinderseksmisbruikmateriaal? Zijn er signalen dat het huidige capaciteitsniveau onvoldoende is om de omvang van het probleem aan te pakken?
De verantwoordelijkheden voor het aanpakken van misstanden bij de hosting van illegale data liggen primair bij andere organisaties dan de politie. Zo is er in de eerste plaats een verantwoordelijkheid voor de hostingpartijen zelf. Daarnaast houden organisaties als Offlimits, de ATKM, de ACM (naleving DSA) en de AP (voor vraagstukken omtrent privacy) zich bezig met online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Binnen de politie wordt de aanpak van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik uitgevoerd door de Teams ter Bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK). De capaciteit van deze teams is de afgelopen jaren uitgebreid met 26 fte, waardoor er eind augustus 2025 in totaal 152 fte werkzaam waren. Het kabinet investeert in de aanpak van online seksueel kindermisbruik door de politie. Deze investering is nodig vanwege de groei van het aantal meldingen, en daarmee van data, en de toenemende complexiteit van opsporingsonderzoeken, onder meer door AI en end-to-end encryptie. Hiervoor is structureel 2 miljoen euro extra beschikbaar gesteld. Het streven is om de capaciteit verder uit te breiden met specialistische zij-instromers.
Daarmee wordt het opsporingsvermogen versterkt, onder andere via de ontwikkeling van specifieke tooling en de inzet van AI. Desondanks blijft de hoeveelheid beeldmateriaal groter dan de beschikbare politiecapaciteit, waardoor prioritering noodzakelijk is. De hoogste prioriteit ligt bij zaken waarbij het risico op actueel («hands-on») misbruik het grootst is.
Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) beschikt over gespecialiseerde officieren van justitie die zich bezighouden met seksuele misdrijven. Bij de arrondissementsparketten worden zaken van seksueel kindermisbruik opgepakt door de daartoe opgeleide officieren. Bij het Landelijk Parket is een team van vijf gespecialiseerde officieren specifiek gericht op de aanpak van online/transnationaal seksueel kindermisbruik. Sinds de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven is daarnaast geïnvesteerd in opleiding en certificering van officieren bij arrondissementsparketten, zodat de beschikbare expertise wordt versterkt.
Ook het OM benoemt de groei van het aantal meldingen, en daarmee van data, en de toenemende complexiteit van opsporingsonderzoeken, onder meer door technologische ontwikkelingen.
De werkdruk bij officieren van justitie is structureel hoog. Bovendien is het aangetroffen beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik in toenemende mate ernstiger en schokkender, wat een zwaardere werklast met zich meebrengt. Desondanks zijn er bij het OM op dit moment geen signalen dat het huidige capaciteitsniveau onvoldoende is ten opzichte van de instroom van zaken vanuit de politie, mede dankzij de wijze waarop zaken worden geprioriteerd door het OM.
Hoeveel tijd verstrijkt er gemiddeld tussen het moment dat kinderseksmisbruikmateriaal wordt gemeld en het moment dat het daadwerkelijk van Nederlandse servers is verwijderd? Zijn er streefwaarden of normen vastgesteld voor een maximale doorlooptijd? Zo ja, in hoeveel procent van de gevallen worden deze normen gehaald?
In Nederland is de afspraak gemaakt met de sector dat meldingen door Offlimits van online seksueel kindermisbruik binnen 24 uur behandeld moeten worden. In
2024 (tot en met oktober) werd ongeveer 59% van deze meldingen van Offlimits door de branche adequaat en binnen 24 uur opgepakt.
Vrijwel alle hostingpartijen werken goed mee. Hoewel zij de 24uurs norm wellicht niet altijd halen (zeker wanneer het kleine bedrijven zijn), wordt er adequaat gereageerd op verwijderverzoeken en wordt strafbaar materiaal offline gehaald.
Wanneer er sprake is van een zogenoemde «bad hosters» die structureel niet of te laat reageren, kan de ATKM sanctionerend optreden tegen deze weigerende partijen. Sinds 1 juli 2024 kunnen boetes worden opgelegd door de ATKM. Op grond van artikel 6, lid 4, onderdeel c, van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal moet de ATKM in elk bevel een termijn opnemen waarbinnen het materiaal ontoegankelijk moet worden gemaakt. Deze termijn bedraagt ten hoogste twaalf uur.
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de samenwerking tussen Nederland en internationale partners zoals Europol, INHOPE en NCMEC, om hosting en verspreiding van kinderseksmisbruikmateriaal grensoverschrijdend te bestrijden?
De samenwerking tussen Nederland en internationale partners zoals Europol, INHOPE en NCMEC is van groot belang voor de aanpak van de grensoverschrijdende hosting en verspreiding van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Nederland werkt intensief samen met deze organisaties om informatie-uitwisseling, opsporing en verwijdering van illegaal materiaal te versterken.
Zo coördineerde Europol begin dit jaar voor het eerst een grootschalige operatie die specifiek gericht was op AI-gegenereerd beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik («Operatie Cumberland»). Deze actie leidde tot de aanhouding van 25 verdachten in 19 landen, waaronder enkele in Nederland. De Nederlandse politie speelde hierbij een actieve rol. Daarnaast faciliteert Eurojust de juridische samenwerking tussen lidstaten, waardoor grensoverschrijdende strafzaken efficiënter kunnen worden afgehandeld en activiteiten van nationale autoriteiten beter op elkaar kunnen worden afgestemd.
Het Nederlandse Meldpunt Kinderporno van Offlimits is onderdeel van het internationale INHOPE-netwerk, welke bijdraagt aan een snelle internationale aanpak. Meldingen van beeldmateriaal kunnen via dit netwerk direct worden doorgestuurd naar de bevoegde autoriteiten in het betreffende land, wat de verwijdering van illegale content aanzienlijk versnelt.
Tot slot vormt NCMEC een belangrijke informatiebron over de omvang en aard van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik.
Bent u voornemens om krachtige, afdwingbare maatregelen, zoals strengere wetgeving die hostingbedrijven verplicht tot actieve detectie en snelle verwijdering van dergelijk materiaal, stevige handhaving bij overtredingen, en intensievere internationale samenwerking te nemen om te voorkomen dat Nederland het knooppunt blijft voor het hosten van kinderseksmisbruikmateriaal?
Zoals hierboven is toegelicht beschikt Nederland over een samenhangend stelsel van nationale en Europese regels dat hosting- en internetdiensten verplicht om beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik te melden, te verwijderen en ontoegankelijk te maken. Het kabinet zet zich blijvend in om online seksueel kindermisbruik te voorkomen en te bestrijden. Voor nadere toelichting verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 3, 4, 7 en 8.
Daarnaast onderzoekt het kabinet maatregelen om de zogenaamde bad hosters beter aan te kunnen pakken in de toekomst. De uitkomsten van een eerste verkenning hiervoor is op 27 juni jl. naar uw Kamer verzonden.2
Welke mogelijkheden ziet u om extra financiële middelen en capaciteit beschikbaar te stellen om de digitale opsporing en handhaving te versterken, de verwijdering van kinderseksmisbruikmateriaal te versnellen en slachtoffers beter te identificeren en te ondersteunen?
Zoals in het antwoord op vraag 6 is aangegeven, liggen de verantwoordelijkheden voor het aanpakken van misstanden bij de hosting van illegale data primair bij andere organisaties dan de politie. Daarnaast investeert het kabinet in de aanpak van online seksueel kindermisbruik door de politie, onder andere door de capaciteit van de TBKK’s vanaf dit jaar uit te breiden. Gezien de financiële opgave bij de politie ziet het kabinet momenteel geen mogelijkheden om aanvullend hierop extra financiële middelen te vinden binnen de politiebegroting.
Voor het antwoord op de vraag hoe de verwijdering van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik kan worden versneld, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Bent u voornemens om hostingbedrijven en datacenters wettelijk te verplichten tot transparante rapportage over het aantal meldingen, verwijderingen en handhavingsacties met betrekking tot kinderseksmisbruikmateriaal?
Artikel 15 van de DSA verplicht aanbieders van online diensten om jaarlijks transparantierapporten te publiceren over hun activiteiten op het gebied van contentmoderatie. Deze rapporten moeten onder meer inzicht geven in verwijderingsbevelen van autoriteiten, meldingen van illegale inhoud, en de maatregelen die aanbieders op eigen initiatief hebben genomen om inhoud te modereren. De verplichting geldt niet voor micro- en kleine ondernemingen, tenzij zij worden aangemerkt als zeer groot onlineplatform.
De ATKM heeft in 2024 het beheer van de zogenaamde TU Delft monitor overgenomen. Met de monitor werd door de TU Delft in beeld gebracht in hoeverre aanbieders van hostingdiensten gehoor gaven aan verzoeken beeldmateriaal te verwijderen.
Bent u bereid om de Kamer jaarlijks te rapporteren over de omvang van kinderseksmisbruikmateriaal dat in Nederland wordt gehost, de resultaten van verwijderingen en de voortgang van beleid en handhaving?
Over de omvang van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik dat in Nederland wordt gehost wordt reeds door diverse organisaties gerapporteerd, waaronder de politie, het OM, Europol, Offlimits, ATKM, INHOPE en NCMEC. De inzichten van deze organisaties worden door het kabinet benut om het toezicht, de opsporing en het beleid gericht verder te versterken en om waar nodig aanvullende maatregelen te ontwikkelen.
De Kamer wordt jaarlijks via de voortgangsbrief Zeden geïnformeerd over de ontwikkelingen in de aanpak van online seksueel kindermisbruik in het voorgaande jaar.