De inhuur van influencers voor wervingscampagnes voor Defensie |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Defensie tussen 2021 en 2023 ongeveer 265.000 euro uittrok voor het inhuren van influencers om betaalde content te maken voor wervingscampagnes voor werken bij Defensie?1
Zijn in het antwoord op het WOO-verzoek over het inhuren van influencers door Defensie alle betaalde samenwerkingen van Defensie met influencers genoemd?2 Zijn dit alle commerciële samenwerkingen die het ministerie in deze periode met influencers heeft gesloten of zijn er samenwerkingen die buiten de reikwijdte van dit WOO-verzoek vallen?
In hoeveel van deze gevallen hebben influencers bij het publiceren van content aangegeven dat deze gemaakt is in opdracht van Defensie en dat zij hiervoor betaald zijn door Defensie?
Wie heeft het script geschreven? Zien we hier het script van Defensie of van de influencer zelf?
Is het onderdeel van de contracten om berichten op te volgen wanneer daar (negatieve) reacties op komen? Wanneer een influencer, na reacties op een Defensiefilmpje op Instagram, schrijft dat «Defensie veel meer is dan oorlog» en zij «keuzemogelijkheden voor de vrouw benadrukt,» spreekt hier dan de influencer of het Ministerie van Defensie?3 Deelt u de opvatting dat deze scheidslijn hier vaag is?
Kunt u garanderen dat alle contracten met influencers voldoen aan de wet- en regelgeving en het overheidsbeleid rond sluikreclame en de reclameregels voor sociale media?4 Is er bijvoorbeeld in al deze gevallen voldaan aan de regels rond reclame, sponsoring en productplaatsing?5
Wat is de hoofdboodschap die Defensie in deze campagne wil meegeven? Hoe wordt er omgegaan met de mogelijk minder aantrekkelijke kanten van het werken bij Defensie in de voorlichting en hoe wordt voorkomen dat jongeren een onrealistisch beeld wordt geschetst?
Kunt u de bedragen noemen die Defensie heeft uitgegeven aan de inhuur van influencers in 2024, 2025 en 2026, en het aantal contracten?
Zijn er meer van deze campagnes met influencers voorzien? Welk bedrag is hiervoor gereserveerd? Met welk deel op de Defensiebegroting van 2027 tot 2030 corresponderen deze budgetten?
Hoe vaak is de door Defensie gepromote content bekeken?
Hoe evalueert u de effectiviteit van deze campagne? Wat is er bijvoorbeeld bekend over het bereik en het extra aantal mensen dat geworven is dankzij deze campagne? Wat is er bekend over het effect op imagoverbetering van Defensie?
Wat zegt het feit dat wervingscampagnes gecamoufleerd via influencers moeten worden gedaan over het draagvlak voor het promoten van Defensie en voor uitgaven aan promotiecampagnes van Defensie in het bijzonder?
Het FTM-artikel 'Palantir heeft ‘gevaarlijke’ grip op cruciale Europese infrastructuur' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Derk Boswijk (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het FTM-artikel «Palantir heeft «gevaarlijke» grip op cruciale Europese infrastructuur» van 15 oktober 2026?1
Klopt het dat Defensie al langere tijd een pilot aan het draaien is om de aankoop van MAVEN Smart Systems te onderzoeken? Zo ja, waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd toen er meerdere vragen over gesteld werden op 11 juli 2025, 28 april en 29 april 2026?2, 3, 4
Hoeveel andere pilots worden door Defensie gedraaid om het gebruik en eventuele aanschaf van Palantir te toetsen?
Op welke manier maken de AIVD en de MIVD gebruik van software van Palantir en/of hebben zij in het verleden hier gebruik van gemaakt? Over welke periode wordt/werd hiervan gebruikt gemaakt?
Zijn hierbij ook gegevens van Nederlanders verwerkt?
Indien de AIVD en/of de MIVD inderdaad met het gebruik van Palantir zijn gestopt, wat waren hier de overwegingen om hiermee te stoppen?
Klopt het daarnaast ook dat het commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten eerder dit jaar een «tijdelijke» overeenkomst sloot met Palantir? Zo ja, waar dient dit contract voor en waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd toen er vragen over gesteld werden op 28 april en 29 april 2026?5, 6
Hoe rijmt de verkennende pilot bij Defensie en de overeenkomst met het commando Lucht- en Ruimtestrijdkrachten met de ambitie om binnen twee jaar Palantir-gebruik binnen de overheid volledig afgebouwd te hebben, ofwel het tweesporenbeleid?
Hoeveel kosten al deze nieuwe (tijdelijke) contracten en pilots?
Waarom zei u dat alleen de politie gebruik maakt van Palantir in de «Raffinaderij», terwijl nu blijkt dat dit geen compleet beeld is van de huidige situatie?
Eerder zei u dat de politie gebruik maakt van Palantir in de raffinaderij om terrorisme en «zware misdaad» te bestrijden; wat is de juridische definitie die de politie hanteert voor «zware misdaad»?
Acht u het nog steeds wenselijk om Palantir volledig af te bouwen, zodat we binnen onze overheid op geen enkele manier meer gebruik maken van Palantir? Zo nee, waarom bent u van gedachte veranderd?
Kunt u uitleggen waarom u het een goede keuze vindt om gebruik te blijven maken van de software van een bedrijf dat onder andere gebruikt wordt voor de doeleinden van ICE en de oorlog in Iran?
Bent u ervan bewust dat, na het eerste FTM-bericht over de samenwerking tussen Palantir en de Marechaussee en de situatie omtrent de onbehandelde aangiftes, dit de derde keer is dat u de Kamer verkeerd geïnformeerd heeft? Kunt u daarop reflecteren?7, 8
Kunt u deze vragen apart van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Mogelijke Nederlandse toetreding tot het Common Armoured Vehicle System (CAVS)-programma. |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is de huidige stand van zaken van de gesprekken die u voert met meerdere Europese landen over toetreding tot het Common Armoured Vehicle System (CAVS)-programma?1
Kunt u uiteenzetten wat volgens u de voor- en nadelen (kunnen) zijn van toetreden tot het CAVS-programma?
Kunt u aangeven aan welke voorwaarden Nederland zou moeten voldoen om te kunnen toetreden tot het CAVS-programma?
Op welke termijn verwacht u een besluit te kunnen nemen over al dan niet Nederlandse toetreding tot het CAVS-programma?
Wanneer is het volgens u op zijn vroegst mogelijk om formeel toe te treden tot het CAVS-programma en eventueel over te gaan tot aanschaf? Wanneer zouden de eerste voertuigen vervolgens aan Nederland geleverd kunnen worden?
Wat zou toetreding tot het CAVS-programma betekenen voor de huidige Nederlandse pantservoertuigen? Welke voertuigen zouden mogelijk worden vervangen en hoe verhoudt dit zich tot lopende en geplande investeringen in deze voertuigen?
Welke mogelijkheden zijn er volgens u voor betrokkenheid van de Nederlandse defensie-industrie bij het CAVS-programma? Bent u bereid om, in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken, hierover al tijdens de toetredingsgesprekken afspraken te maken, bijvoorbeeld over productie, onderhoud en technologieoverdracht?
Bent u bereid de Kamer uiterlijk in het eerste kwartaal van 2027 te informeren over de mogelijkheden voor Nederlandse toetreding tot het CAVS-programma, inclusief een concreet tijdpad, de financiële gevolgen, de gevolgen voor bestaande materieelprojecten en de kansen voor de Nederlandse defensie-industrie?
De verkoop van de Commandopost Clingendael (Seyss-Inquartbunker) |
|
Erik van der Maas (VVD) |
|
Letschert , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente ontwikkelingen rond de verkoop van de Commandopost Clingendael, waaronder de uitsluiting van één van de deelnemende partijen, de daaropvolgende juridische procedure en het feit dat zolang deze procedure loopt niet definitief tot gunning kan worden overgegaan?
De toenmalige Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelde in 2023 dat het niet nodig was het verkoopproces te stoppen, omdat dit proces «zorgvuldig [was] vormgegeven», terwijl het kabinet daarnaast stelde dat het erfgoedbelang voldoende werd geborgd door onder andere toepassing van de Leidraad Afstoot Monumenten en betrokkenheid van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE); zijn beide Ministers, gezien het verloop van de procedure sindsdien met een uitsluiting van een partij en een juridische procedure, nog steeds van oordeel dat de verkoopprocedure voldoende zorgvuldig en robuust is om tot vervreemding van dit bijzondere rijksmonument over te gaan? Zo ja, waarop baseren zij dat oordeel?
Bent u bereid, mede gezien de lopende juridische procedure en de onomkeerbaarheid van verkoop, toe te zeggen dat niet tot definitieve gunning of levering van de Commandopost Clingendael wordt overgegaan voordat deze Kamervragen zijn beantwoord en de Kamer zich over de ontstane situatie heeft kunnen uitspreken? Zo nee, waarom acht u het verantwoord om bij een rijksmonument van deze betekenis een onomkeerbare beslissing te nemen voordat duidelijkheid bestaat over de zorgvuldigheid van de gevolgde procedure?
Bent u bereid de ontstane situatie aan te grijpen om opnieuw te beoordelen of voortzetting van de huidige verkoopprocedure nog in het publieke belang is en, indien onvoldoende kan worden gegarandeerd dat sprake is van een zorgvuldige en concurrerende selectie van kwalitatief geschikte herbestemmingsplannen, niet tot gunning over te gaan en een nieuwe openbare procedure te starten?
Bent u bekend met de aangehouden motie waarin de regering wordt opgeroepen om bij defensie-inkopen uitsluitend in te zetten op Nederlandse en Europese producenten?1
Deelt u de opvatting dat afhankelijkheid van China voor kritieke defensietoepassingen ongewenst is, zeker wanneer Nederlandse bedrijven (zoals bij supervezels) beschikken over de benodigde kennis, productiecapaciteit en de volledige waardeketen?
Welke concrete stappen heeft Defensie sinds het debat gezet om de afhankelijkheid van Chinese supervezels af te bouwen en Nederlandse of Europese alternatieven te benutten?
Welke lopende en voorgenomen contracten voor ballistische en blastbeschermende middelen zijn sinds het debat beoordeeld op de mogelijkheid om Chinese materialen te vervangen door Nederlandse of Europese alternatieven?
Hoe verklaart u dat bedrijven uit de sector aangeven dat zij sinds het aanhouden van de motie niets meer van Defensie hebben vernomen?
Klopt het dat Defensie nog geen contact heeft opgenomen met Nederlandse producenten van supervezels en ballistische beschermingsmiddelen over de uitvoering van deze motie? Zo nee, met welke bedrijven is wanneer gesproken?
Hoe verhoudt het blijven gebruiken van Chinese supervezels zich tot de ambitie van het kabinet om de Nederlandse defensie-industrie te versterken en strategische afhankelijkheden af te bouwen?
Welke concrete acties heeft u sinds het debat ondernomen om Nederlandse producenten van supervezels in een positie te brengen waarin zij Defensie kunnen bevoorraden of leverancier van de wereld kunnen worden?
Kunt u aangeven welke financiële omvang gemoeid is met de lopende en voorgenomen inkoop van ballistische en blastbeschermende middelen waarvoor Nederlandse producenten in aanmerking zouden kunnen komen?
Wanneer verwacht u daadwerkelijk over te gaan tot aanbestedingen waarbij Nederlandse supervezelproducenten kunnen inschrijven? Kunt u een concreet tijdpad geven?
Het bericht dat Nederland zich mengt met tientallen satellieten in de strijd om de ruimte |
|
Jan Schoonis (D66), Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland mengt zich met tientallen satellieten in strijd om de ruimte: We kunnen niet om SpaceX heen»?1
Hoe voorkomt u dat Nederland voor kritieke ruimtecapaciteiten afhankelijk blijft van niet-Europese partijen en hoe stimuleert u juist zoveel mogelijk Europese samenwerking?
Bent u voornemens om samen met andere Europese landen op te trekken om de schaal van Europese ruimtecapaciteiten te vergroten en Nederland daarin als koploper te positioneren? Sluit Nederland bijvoorbeeld aan bij European Defence Projects of Common Interest rondom Space of andere EU-instrumenten? Zo nee, is Defensie voornemens dit zelf te initiëren?
Bent u van mening dat investeren in de Nederlandse (en Europese) ruimtevaartsector een win-win-winscenario kan opleveren, doordat hiermee zowel de operationele beschikbaarheid van Defensie, de strategische autonomie, de veiligheid van vitale infrastructuur als het economisch belang van de Nederlandse ruimtevaartsector worden versterkt?
Hoe kijkt u naar de lange termijn ruimtevaartagenda en de daarin uitgesproken ambitie om toe te groeien naar de ESA-norm? Bent u bereid hiervoor een concreet ingroeipad uit te werken?
Overwegende dat meerdere departementen ambities en belangen hebben in het ruimtedomein en ze elkaar kunnen versterken, hoe gaat u dit interdepartementaal borgen?
Overwegende dat in de Defensienota is aangekondigd dat een Space Command wordt opgezet, kunt u aangeven welk tijdspad u voor ogen heeft en welke concrete doelen en taken dit Space Command krijgt?
Hoe vertaalt u de ambities uit de Defensienota naar een meerjarige capability roadmap voor het ruimtedomein en hoe bent u voornemens hier vanuit de «Gouden Driehoek» (overheid, industrie en kennisinstellingen) in op te lopen?
Hoe beschermt Nederland zijn eigen ruimte-infrastructuur, inclusief het grondsegment, gezien de toenemende afhankelijkheid van ruimtecapaciteiten voor veiligheid, economie en duurzaamheid en het toenemende dreigingsbeeld?
Hoe realiseert Nederland een onafhankelijke toegang tot de ruimte? Heeft u onderzocht welke toegevoegde waarde een Nederlandse of Benelux-lanceercapaciteit kan hebben voor de strategische autonomie van Nederland en Europa? Is daarbij ook gekeken naar mogelijkheden binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk?
Hoe gaat u instrumenten zoals NADI en de Defensie Innovatie Opschalingsautoriteit benutten voor de Nederlandse ruimtevaartsector? En welke rol ziet u voor zichzelf als launching customer?
De derde herzieningsconferentie over het Verdrag inzake clustermunitie |
|
Sarah Dobbe (SP), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de Nederlandse inzet is bij de derde herzieningsconferentie over het Verdrag inzake clustermunitie? Kunt u dit doen voor 14 september, wanneer de conferentie begint?1
Tijdens de Toetsingsconferentie van het Verdrag inzake clustermunitie zal Nederland zich inzetten voor het behoud, versterken en de naleving van de door het Verdrag gestelde regels. De Nederlandse inzet richt zich op het aannemen van een nieuw vijfjarig actieplan dat de implementatie van de Verdragsbepalingen ondersteunt. Tijdens de conferentie zal Nederland een aantal verklaringen afgeven, waarin Nederland zich committeert aan de Verdragsbepalingen en zorgen worden geuit over het niet-onderscheidend gebruik van clustermunitie, dat wil zeggen het gebruik waarbij geen onderscheid gemaakt wordt of kan worden tussen militaire doelen en burgers en burgerobjecten. Ook zal Nederland, als een van de grootste donoren, het vijfjarige Mine Action en Clustermunitie Programma III voor het voetlicht brengen, waarmee Verdragspartijen worden ondersteund in het ruimen van explosieve oorlogsresten, waaronder clustermunitie. Tot slot zal Nederland aandacht vragen voor het belang van gender sensitieve programmering.
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Wat is uw reactie op recente berichten over het gebruik van clustermunitie in Mali, een verdragspartij2? Deelt u de zorgen van de Cluster Munitie Coalitie hierover?
Ja, het kabinet deelt de zorgen van de Cluster Munitie Coalitie over het vermeende gebruik van clustermunitie in Mali. Mali is partij bij het Verdrag inzake clustermunitie en daarmee gebonden aan de bepalingen daarvan, waaronder het verbod op het gebruik van clustermunitie. Het kabinet acht het van belang dat Mali onderzoek verricht naar het vermeende gebruik en zal Mali daartoe ook oproepen tijdens de aanstaande Toetsingsconferentie.
Wat is uw reactie op berichten over Russisch gebruik van clustermunitie eerder deze maand in Kiev3? Deelt u de zorgen van Human Rights Watch hierover?
Het kabinet deelt de zorgen van Human Rights Watch over het Russische niet-onderscheidende gebruik van clustermunitie in Oekraïne in algemene zin en dus ook in Kyiv eerder deze maand.
Wat is uw reactie op het bericht dat Turkije clustermunitie aan Oekraïne wil leveren4? Deelt u de zorgen van Human Rights Watch hierover?
Alleen partijen bij het Verdrag inzake clustermunitie zijn gehouden aan de bepalingen daarvan. Turkije en Oekraïne zijn geen partij bij het Verdrag inzake clustermunitie en daarmee niet gebonden aan het verbod om geen clustermunitie te leveren of te ontvangen. Nederland heeft zich aan het verdrag gecommitteerd en ontmoedigt in algemene zin de levering van clustermunitie.
Hoe beoordeelt u deze en andere bedreigingen van de norm zoals vastgelegd in het Verdrag inzake clustermunitie, waaronder het vertrek van Litouwen uit het verdrag en de recentelijke toename van transfers en het gebruik van clustermunitie? Veroordeelt u dit? Zo nee, waarom niet?
Nederland betreurt het feit dat Litouwen zich genoodzaakt zag het Verdrag inzake clustermunitie op te zeggen. Tegelijkertijd heeft het kabinet oog en begrip voor de context waarin Litouwen zich genoodzaakt zag tot dit besluit. De Russische agressieoorlog tegen Oekraïne leidt tot een veranderende veiligheidssituatie in Europa. Dat brengt een aantal van onze bondgenoten tot afwegingen die eerder niet gemaakt werden.
Nederland heeft Litouwen opgeroepen zijn verdragsverplichtingen te blijven nakomen, partij te blijven bij het verdrag en zodoende ook hun beslissing te heroverwegen.
Hoe geeft u bij de genoemde gevallen hierboven invulling aan Artikel 21.2 («Elke Staat die Partij is stelt de regeringen van alle in het derde lid van dit artikel bedoelde Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag in kennis van zijn verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag, bevordert de normen die erin zijn vastgelegd en spant zich tot het uiterste in Staten die geen Partij zijn bij dit Verdrag te weerhouden van het gebruik van clustermunitie») van het Verdrag inzake clustermunitie5?
Nederland zet zich in lijn met artikel 21.2 in ter bevordering van de door het Verdrag gestelde verplichtingen. Zoals genoemd in het antwoord bij vraag 1 zal Nederland zich tijdens de Toetsingsconferentie inzetten voor het behoud, versterken en de naleving van de regels door de Verdragspartijen. Zie voor de Nederlandse inzet in de specifiek genoemde gevallen de beantwoording op bovenstaande vragen.
Bent u bereid om tijdens de herzieningsconferentie uw specifieke zorgen over bovengenoemde gevallen uit te spreken, zowel in het geval van verdragsschendingen als overige gebruik en zo elk gebruik van clustermunitie, waar dan ook ter wereld en door wie dan ook te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Een marineschip in aanbouw dat verplicht rondjes moest varen in Turkse wateren |
|
Maikel Boon (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een mijnenjager uit het Belgisch-Nederlandse mijnenjagerproject twee maanden rondjes heeft gevaren in Turkse wateren?1
Ja.
Klopt het dat het defensieverdrag tussen Frankrijk en Cyprus de reden is geweest dat de Turken de mijnenjager in aanbouw hebben gegijzeld in de Zwarte Zee?
Nederland is niet betrokken geweest bij het diplomatieke proces tussen Frankrijk en Turkije en kan dus ook niet beoordelen wat de vertraging heeft veroorzaakt. Nederland heeft daarnaast geen verzoek tot bemiddeling ontvangen en voorziet voor toekomstige Nederlandse schepen geen problemen.
Traden België en Nederland gezamenlijk op om aan Turkije duidelijk te maken dat wij niet gediend zijn van dat Turkse optreden dat de voortgang van het gezamenlijk Belgisch-Nederlands project om mijnenjagers te bouwen hinderde? Zo ja, wat heeft u gedaan?
Nee. Nederland is niet betrokken geweest bij het diplomatieke proces met Turkije.
Heeft u gedurende deze periode contact gehad met uw Turkse ambtsgenoot om het schip weer uit de Zwarte Zee te krijgen en op weg naar Frankrijk te helpen?
Nee. Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om de Turkse ambassadeur op het matje te roepen en te berispen voor deze absurde gang van zaken die een NAVO-lidstaat onwaardig is? Zo nee waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Wilt u deze kwestie tijdens de aankomende NAVO-bijeenkomst van Ministers van Buitenlandse Zaken aan de orde brengen en Turkije hiervoor snoeihard veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bekend met dit bericht, en met het feit dat uw secretaris-generaal sinds 1 januari 2022 voorzitter is van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg, de instelling die hier een institutionele boycot voert tegen Israëlische staatsinstellingen?1 2 3 4 5 6
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat TivoliVredenburg zijn boycot mede rechtvaardigt met de kwalificatie «genocidaal geweld» voor het optreden van Israël in Gaza? Kunt u aangeven of, en zo ja hoe, de Raad van Toezicht, onder voorzitterschap van uw secretaris-generaal, dit standpunt van de instelling heeft goedgekeurd of getoetst? Is deze kwalificatie ook het standpunt van het kabinet? Zo ja, op welke rechterlijke uitspraak is dat standpunt gebaseerd? Zo nee, hoe beoordeelt u dat uw eigen secretaris-generaal als voorzitter toezicht houdt op een instelling die deze kwalificatie wél publiekelijk hanteert?
Ja. Het betreft een besluit dat is genomen door de directie van TivoliVredenburg.
Was u ervan op de hoogte dat deze nevenfunctie werd voortgezet en zelfs bestendigd (herbenoeming tot 1 januari 2030) nadat TivoliVredenburg zijn culturele boycot van Israël publiekelijk had ingesteld? Zo ja, sinds wanneer? Zo nee, hoe verklaart u dat dit niet eerder bij u bekend was?
Ja. De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal zijn mij bekend. De Minister van Defensie is in 2023 akkoord gegaan met deze nevenfunctie. Alle nevenwerkzaamheden van de Topmanagementgroep (TMG) van de Algemene Bestuursdienst (ABD) zijn te raadplegen op de website van de ABD. De lijst met nevenwerkzaamheden wordt periodiek geactualiseerd.
Is deze nevenfunctie destijds gemeld en getoetst conform de Gedragscode Integriteit Rijk en de regels voor nevenfuncties van topambtenaren? Kunt u de uitkomst van die toetsing met de Kamer delen?
Ja. De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal zijn getoetst en hebben geleid tot een goedkeuring van de nevenfunctie. De nevenfunctie is tijdig en volledig openbaar gemaakt conform de daarvoor geldende procedures van de CAO Rijk.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Defensie, gebonden aan ambtelijke onpartijdigheid en loyaliteit aan het kabinetsbeleid, als voorzitter van de Raad van Toezicht toezichthoudende eindverantwoordelijkheid draagt voor een instelling die eigenstandig en publiekelijk een institutionele boycot voert tegen de staatsinstellingen van een land? Zo nee, waarom niet?
De secretaris-generaal is voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg. De Raad van Toezicht is belast met het toezicht op het algemeen functioneren van de directie, de benoemingen van bestuurders en het toezicht op financieel gebied. De directie heeft dit besluit genomen.
Uw ambtsvoorganger, Minister Brekelmans, heeft in de Tweede Kamer gesteld dat de F-35 essentieel is voor de veiligheid van Nederland en zijn internationale partners, waaronder Israël, en dat eenzijdig loslaten van deze samenwerking Nederland tot een onbetrouwbare partner zou maken en een risico zou vormen voor onze eigen luchtmacht. Onderschrijft u deze analyse van uw ambtsvoorganger? Zo nee, waarom niet?7
Ja, deze analyse onderschrijf ik.
Zo ja op vraag 6: hoe verhoudt de door uw ambtsvoorganger benoemde afhankelijkheid van Israëlische (defensie)technologie zich tot het feit dat uw eigen secretaris-generaal een instelling voorzit die datzelfde land institutioneel boycot?
De secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie is de voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg, niet de voorzitter van de directie van TivoliVredenburg. De directie van TivoliVredenburg heeft het besluit genomen.
Acht u het verenigbaar met de positie en geloofwaardigheid van het Ministerie van Defensie dat de hoogste ambtenaar van dat ministerie in een nevenfunctie een boycot mede faciliteert tegen een land waarmee Nederland op defensiegebied nauw samenwerkt? Zo ja, waarom? Zo nee, welke stappen gaat u zetten?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid uw secretaris-generaal te vragen zijn nevenfunctie als voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg neer te leggen, dan wel hem te vragen zich binnen die Raad publiekelijk te distantiëren van de boycot? Zo nee, waarom niet?
Ik acht de nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie verenigbaar met zijn functie als secretaris-generaal. De secretaris-generaal heeft aangegeven nadere afspraken met de Raad van Toezicht te hebben gemaakt, waardoor hij zich bij eventuele toekomstige besprekingen van dergelijke onderwerpen in de Raad van Toezicht zal onthouden van deelname.
Bent u bereid de Kamer te informeren over alle overige nevenfuncties van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie en de wijze waarop deze zijn getoetst op verenigbaarheid met zijn ambtelijke positie? Zo nee, waarom niet?
De nevenwerkzaamheden van de secretaris-generaal van het Ministerie van Defensie zijn volgens de geldende procedures voor de TMG publiekelijk kenbaar gemaakt. De lijst met werkzaamheden is te raadplegen via de website van de ABD.
Bent u bekend met het feit dat de voorzitter van de Raad van Toezicht van TivoliVredenburg tevens de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Defensie is, en dat deze Raad van Toezicht toeziet op een instelling die een institutionele boycot van Israël voert?
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke dubbelrol, rijksambtenaar aan de top van een ministerie én toezichthouder-voorzitter bij een gesubsidieerde instelling met een eigen institutioneel boycotbeleid tegen Israëlische instellingen, op gespannen voet staat met de schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die van de rijksoverheid mag worden verwacht? Zo nee, waarom niet?
Voor leden van de TMG gelden de rijksbrede integriteitsregels, aangevuld met openbaarmakings- en meldingsplichten om belangenverstrengeling te voorkomen. Om integriteit te waarborgen, zijn alle leden van de TMG verplicht hun nevenactiviteiten te melden aan hun werkgever. Voorafgaand aan de aanstelling worden nevenwerkzaamheden getoetst aan verenigbaarheid in relatie tot de te vervullen functie. Het overzicht van de nevenwerkzaamheden van de TMG is online openbaar te raadplegen.
Onder welke subsidieregeling(en) en voor welk bedrag ontvangt TivoliVredenburg jaarlijks direct of indirect rijkssubsidie, bijvoorbeeld via de Basisinfrastructuur Cultuur (BIS) of via de gemeente Utrecht?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg. Het podium ontvangt een jaarlijkse bijdrage van € 13,4 miljoen van de gemeente Utrecht in het kader van de Utrechtse Cultuurnota 2025–2028. Van het Fonds Podiumkunsten ontvangt TivoliVredenburg € 58.450 per jaar uit de Podiumregeling. Vanuit het Fonds Cultuurparticipatie krijgt het podium € 32.360 uit de regeling Co-creatie instellingen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met TivoliVredenburg over de voorwaarden waaronder subsidie wordt verstrekt, mede in het licht van deze dubbele rol als topambtenaar en toezichthouder, en de selectieve boycot van Israëlische deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft geen rechtstreekse subsidierelatie met TivoliVredenburg.
Deelt u de opvatting dat het weren van Israëlische studenten een vijandiger klimaat kan creëren voor Joodse en Israëlische bezoekers, artiesten en studenten in Nederland, zeker wanneer een zittend topambtenaar dit beleid als toezichthouder mede draagt? Zo nee, waarom niet?
Culturele instellingen moeten ruimte hebben om artistieke en inhoudelijke keuzes te maken. Die artistieke vrijheid is echter nooit een vrijbrief voor racisme, discriminatie en/of antisemitisme. Instellingen mogen mensen niet uitsluiten op grond van kenmerken die wettelijk beschermd zijn.
De maaltijdvoorziening op de marinierskazerne Savaneta op Aruba |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de Arbodienst van Defensie ernstige tekortkomingen heeft vastgesteld in de tijdelijke maaltijdvoorziening op de marinierskazerne Savaneta op Aruba, waaronder schimmel, ongedierte en ernstige risico's voor de voedselveiligheid? Klopt deze berichtgeving? Zo ja, sinds wanneer was u hiervan op de hoogte en waarom hebben mariniers desondanks jarenlang onder deze omstandigheden moeten werken en eten?1
De berichtgeving is bekend en de problematiek heeft de volle aandacht. De voortgang van de renovatie heeft op het moment een hoge prioriteit binnen Defensie. Het bedrijfsrestaurant is in 2022 gesloten ten behoeve van renovatie. Hierbij zou het onderofficiersverblijf fungeren als tijdelijke locatie. De voorbereiding is echter uitgelopen door de complexiteit van de renovatie, alsook capaciteitsproblematiek in de vastgoedketen. Hierdoor is in februari 2025 een tijdelijke voorziening, de zogenoemde Dining Facility, opgeleverd. Na oplevering zijn er echter diverse gebreken geconstateerd waardoor de Dining Facility meermaals gesloten is geweest om deze op te lossen. Gedurende de momenten dat de Dining Facility gesloten was, is wederom in het onderofficiersverblijf gekookt en gegeten. Inmiddels zijn de laatste werkzaamheden aan de Dining Facilty uitgevoerd, waardoor het aanwezige personeel hier weer gebruik van maakt. Op korte termijn zal er ook gebruikt kunnen worden gemaakt van een lokale cateraar om bij nieuwe problemen in de toekomst te allen tijde een passende maaltijdvoorziening te kunnen garanderen.
Hoe kan het dat Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf pas in juni 2026 budget hebben vrijgemaakt voor een nieuw bedrijfsrestaurant, terwijl de problemen volgens de berichtgeving al jarenlang bekend waren? Welke bestuurlijke en organisatorische oorzaken hebben tot deze vertraging geleid?
De renovatie van het bedrijfsrestaurant op de kazerne moet nog worden gerealiseerd. Defensie heeft het door het Rijksvastgoedbedrijf benodigd aanvullend budget hiervoor recent (in juni) beschikbaar gesteld. Het budget dat eerst beschikbaar was gesteld, bleek namelijk ontoereikend. De aanbesteding voor de werkzaamheden is gestart en kent een verkorte procedure, met als planning gunning in Q4 van dit jaar. De oplevering staat gepland op januari 2028.
Welke maatregelen zijn inmiddels genomen om de veiligheid, hygiëne en voedselveiligheid van de tijdelijke maaltijdvoorziening op de marinierskazerne Savaneta te waarborgen en wanneer zal het nieuwe bedrijfsrestaurant daadwerkelijk in gebruik worden genomen?
Er zijn naar aanleiding van een voedselveiligheidsrapport uit 2025 verschillende maatregelen genomen om de voedselveiligheid en de werkomstandigheden binnen de Dining Facility te borgen. Hierbij is gekozen voor maatregelen die op korte termijn effect hadden op de geconstateerde aandachtspunten.
De genomen maatregelen omvatten onder meer:
Op 5 maart 2026 heeft daarnaast een zelfcontrole op voedselveiligheid plaatsgevonden conform de Instructie Voedselveiligheid Defensie (IVD). Hieruit bleek dat het personeel op de juiste wijze werkt, waarmee wordt voldaan aan de IVD voor wat betreft voedselveilig werken. De kritische aandachtspunten op het gebied van voedselveiligheid en hygiëne worden structureel gemonitord en beheerst door organisatorische maatregelen. Dat neemt niet weg dat de noodzaak tot structurele oplossingen – de verbouwing van de vaste keukenfaciliteit – hoog blijft. Ook loopt momenteel een aanbesteding zodat bij nieuwe problemen gebruik kan worden gemaakt van een lokale cateraar om in de toekomst te allen tijde een passende maaltijdvoorziening te kunnen garanderen. De oplevering voor het nieuwe bedrijfsrestaurant staat gepland voor januari 2028.
Zijn er meer Defensielocaties waar de maaltijdvoorziening of andere essentiële voorzieningen niet voldoen aan de geldende eisen op het gebied van veiligheid, hygiëne of arbeidsomstandigheden? Zo ja, welke locaties betreft dit en welke maatregelen worden daar genomen?
De Interne Arbodienst van Defensie heeft geconstateerd dat meerdere locaties niet geheel voldoen aan de vereisten van voedselveiligheid. Bij deze locaties wordt ingegrepen om deze problematiek zo snel mogelijk op te lossen. Voeding is een essentieel onderdeel van de gereedstelling van Defensie zowel nu als in de toekomst en hierbij is voedselveiligheid cruciaal. De aanpak is locatieafhankelijk en betreft zowel vastgoed gerelateerde als organisatorische maatregelen. Maatregelen die nu al bij specifieke locaties worden genomen zijn: een grootschalige renovatie bij het Meeuwennest in de Nieuwe Haven in Den helder, het vernieuwen van koel- en vriescellen op de KMA in Breda en het Air Operations Control Station in Nieuw Milligen en de uitfasering van het koudemiddel, dat dient voor koeling, op alle luchtmacht locaties. Bovendien loopt er een meerjarig programma voor alle locaties met een maaltijdvoorziening om te voldoen aan (toekomstige) wet- en regelgeving en de eisen die worden gesteld aan hygiëne en voedselveiligheid.
Deelt u de opvatting dat militairen die bereid zijn hun leven te riskeren voor Nederland beter verdienen dan schimmel, ongedierte en een onveilige maaltijdvoorziening?
Het is essentieel dat alle collega’s onder goede omstandigheden hun werk kunnen doen en hierbij een passende maaltijdvoorziening hebben. De problematiek heeft de volle aandacht. Daarom wordt hard gewerkt aan het realiseren van een structurele oplossing op alle locaties.
Kunt u toezeggen dat Defensie haar mensen voortaan de waardering én de voorzieningen geeft die zij verdienen, zodat onze militairen niet langer als oud vuil worden behandeld?
Zie antwoord op vraag 5.
Het bericht "Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s" |
|
Tamara ten Hove (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schietinstructeur Defensie gemangeld door werkgever na persoonlijke vete van collega’s»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in de praktijk individuele ambtenaren vanuit hun eigen overtuiging een zodanig grote invloed op beleid kunnen uitoefenen dat effectief leidinggeven vanaf hogerhand onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken dit beeld niet.
Hebben de secretaris-generaal en/of de commandant der strijdkrachten u geïnformeerd over deze zaak en de genomen keuzes? Zo ja, wanneer en in welke vorm? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op hoofdlijnen geïnformeerd over deze zaak. Over de precieze wijze en het moment van informeren doe ik geen nadere mededelingen om redenen van privacy bij individuele casuïstiek.
Gaat u de illegaal handelende ambtenaren van de zogenaamde «werkgroep» per direct op non-actief zetten en/of ontslaan, of blijft de enige werknemer van Defensie die consequenties ervaart de legaal handelende schietinstructeur? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie, noch in de geschetste situatie.
Acht u het wenselijk dat melding maken van disfunctioneren van het apparaat bij hogere rangen door Defensie geduid wordt als een vorm van «werkweigering»? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u eraan doen die cultuur te veranderen?
Het melden van ongewenst gedrag, het doen van een integriteitsmelding of het melden van disfunctioneren is geen werkweigering. Van werkweigering is bijvoorbeeld sprake wanneer iemand zich zonder toestemming niet meldt voor de toegewezen functie, waarbij de afwezigheid evenmin achteraf gerechtvaardigd is. Er is dus ook geen reden om de cultuur hierop te veranderen.
Hoe voorkomt u dat correctiemechanismen binnen Defensie (en andere overheidsinstanties) zich bij hun beoordeling louter baseren op interne rapportages van diezelfde organisatie waartegen de klachten zijn ingediend?
Daarvan is geen sprake. Bij het beoordelen van klachten wordt niet alleen gekeken naar het standpunt van de organisatie waarover wordt geklaagd maar nadrukkelijk ook naar het standpunt van de klager en andere relevante informatie.
Hoeveel vaststellingsovereenkomsten en andere vormen van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn in de afgelopen vijf jaar binnen Defensie gesloten?
De bevoegdheid tot het sluiten van vaststellingsovereenkomsten is op verschillende commandantenniveaus in de organisatie belegd. Defensie houdt hiervan geen centrale registratie bij. Daarom kan ik niet aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten.
In hoeveel van de onder vraag zeven genoemde beëindigingen was sprake van omstandigheden die ook maar enigszins van vergelijkbare aard zijn met de onderhavige zaak, waaronder beëindiging van het dienstverband naar aanleiding van een arbeidsconflict, een integriteitskwestie, een melding, een klacht of een vergelijkbare aanleiding? Kan de Kamer een geanonimiseerde uitsplitsing naar categorie van aanleiding ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 7; omdat ik niet kan aangeven hoeveel van dit soort overeenkomsten zijn gesloten, kan ik ook geen uitsplitsing maken per categorie.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat Defensie meent «geen partij» te zijn in deze zaak, ondanks dat de complete besluitvorming gebaseerd is op interne rapportages van Defensie, het een (opgezegde) arbeidsovereenkomst bij Defensie betreft, de secretaris-generaal als ook de commandant der strijdkrachten zijn geïnformeerd en de complete zaak is gebaseerd op handelen in zijn functie als militair? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. Defensie is geen partij bij het verstrekken of intrekken van privéwapenverloven.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om deze en vergelijkbare samenspanningen van ambtenaren te doorbreken en serieuze consequenties daaraan te verbinden?
Ik herken mij niet in uw kwalificatie. Van samenspanningen is geen sprake.
Bent u bekend met de berichtgeving1 dat Defensie na uitgebreid overleg heeft geoordeeld dat vijf windturbines van circa 250 meter hoog bij Windpark Buitenpolders geen belemmering vormen voor de militaire vliegveiligheid, terwijl vier van de vijf turbines binnen het beperkingengebied van 15 kilometer rond Vliegbasis Gilze-Rijen liggen? Klopt deze berichtgeving? Zo ja, wanneer is dit oordeel afgegeven, betreft dit een voorlopig of definitief oordeel, welke concrete onderzoeken, risicoanalyses en militaire adviezen liggen hieraan ten grondslag en bent u bereid deze met de Kamer te delen?
Ja, Defensie is bekend met de berichtgeving. De veronderstelling dat Defensie heeft ingestemd met een uitgewerkt windparkproject is niet terecht.
Defensie is, daarbij ondersteund door het Rijksvastgoedbedrijf, de afgelopen jaren als belanghebbende uitgebreid betrokken geweest bij de studies voor het vaststellen van het zoekgebied voor het plaatsen van windmolens in de gemeente Waalwijk. Defensie heeft in dit gebied haar relevante belangen nadrukkelijk ingebracht. De gemeente heeft de belangen van Defensie betrokken in de besluitvorming.
Defensie blijft ook in de volgende fasen van de ruimtelijke procedure als belanghebbende betrokken om te beoordelen of het defensiebelang niet wordt geschaad. Deze beoordeling is mogelijk zodra vanuit de gemeente en/ of de zonneparkbeheerder met Defensie wordt gedeeld waar welke turbines worden gepland.
Welke veiligheidsrisico's brengen de vijf windturbines van circa 250 meter hoog volgens Defensie met zich mee voor militairen, militaire luchtvaartuigen en de operationele inzet vanaf Vliegbasis Gilze-Rijen, gelet op het feit dat deze windturbines ongeveer 100 meter hoger zijn dan de hoogte waarbij binnen het beperkingengebied een afzonderlijke vliegveiligheidsbeoordeling door Defensie is vereist? Welke gevolgen heeft dit oordeel voor de huidige en toekomstige militaire inzet, waaronder laagvliegoefeningen, helikopteroperaties en toekomstige uitbreidingsmogelijkheden, en zijn aan dit oordeel voorwaarden verbonden, bijvoorbeeld ten aanzien van de maximale hoogte, exacte locatie of operationele beperkingen? Zo ja, welke?
Defensie beoordeelt ruimtelijke projecten, zoals een windpark, zowel op veiligheidsaspecten, als op de mate waarin operationele- en oefenmogelijkheden daardoor worden beïnvloed.
In relatie tot deze ontwikkeling is voor Defensie vooral de vliegroute van en naar het helikopter laagvlieggebied «Maas/Waal» voor de helikopters van Gilze-Rijen van belang. In dit gebied heeft de gemeente Waalwijk geen windturbines gepland.
De aanwezigheid van het genoemde 15 km beperkingengebied (de zgn. «Outer Horizontal Surface») betekent niet op voorhand dat er geen windprojecten mogelijk zijn. Nadere beoordeling van het definitieve plan zal dit moeten uitwijzen. Tevens moet standaard elk windproject worden beoordeeld op de mate waarin radarbeelden worden verstoord.
Is Defensie bij de beoordeling van Windpark Buitenpolders volledig zelfstandig en uitsluitend op basis van militaire en vliegveiligheidskundige overwegingen tot haar oordeel gekomen, of hebben andere ministeries, provinciale of gemeentelijke overheden of initiatiefnemers invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel? Zo ja, op welke wijze?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Door medeoverheden of andere partijen is geen invloed uitgeoefend op de totstandkoming van dit oordeel.
Deelt u de opvatting dat de veiligheid van onze militairen altijd zwaarder moet wegen dan klimaat- en duurzaamheidsbeleid? Kunt u bevestigen dat Defensie nooit concessies zal doen aan de veiligheid van militairen of de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht om de realisatie van windturbines of andere duurzame energieprojecten mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Voor Defensie hebben operationele inzetbaarheid en veiligheid van personeel, zowel militair als burger, prioriteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt daarom beoordeeld of deze de operationele gereedstelling raken van de krijgsmacht of een risico vormen voor de veiligheid van het defensiepersoneel. Waar mogelijk werkt Defensie zoveel mogelijk mee aan het vinden van duurzame oplossingen.
Heeft u kennisgenomen van het artikel van het online luchtvaartplatform Up in the Sky van 9 mei 2026 (hierna: het artikel) «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de aan u gerichte brief van de vaste commissie voor Defensie van 21 mei 2026 met de aanhef «Betreft: Aanbieding artikel «Luchtmachtpiloot versus Defensie: Victor blijft knokken»» en het verzoek daarin dat stelt: «In de procedurevergadering van 21 mei 2026 heeft de commissie besloten graag een reactie van u op dit artikel te ontvangen»?2
Ja. Op 11 juni jl. heb ik op de brief van de vaste commissie voor Defensie mijn reactie gegeven (Kamerstukken II 2025/26, 31 936, nr. 1297; kenmerk 2026D28894).
Waarom heeft u in de kabinetsreactie van 11 juni 2026 gesteld «Bij brief van 21 mei 2026 (2026Z09727/2026D23983) te reageren op een brief van een burger van 11 mei 2026»3, terwijl uit het hierboven onder vraag 2 geciteerde schriftelijke verzoek van de vaste commissie voor Defensie glashelder blijkt dat er door de Kamer niet is gevraagd om een reactie op «een brief» en wel om een kabinetsreactie op het artikel?
In de brief van de vaste commissie voor Defensie werd gerefereerd aan een burgerbrief met daarin hoofdzakelijk een verwijzing naar het genoemde artikel. In mijn eerdergenoemde brief van 11 juni jl. heb ik daarop mijn reactie gegeven.
Hoe verhoudt het niet honoreren van het verzoek van de Kamer, zoals hierboven onder vraag 2 geciteerd, zich tot de informatieplicht van het kabinet jegens de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
De vaste commissie voor Defensie heeft verzocht om een reactie op het genoemde artikel. In mijn brief van 11 juni jl. heb ik hierop gereageerd. Daarnaast is hierover ook gesproken tijdens het notaoverleg Veteranen met de vaste commissie voor Defensie op 22 juni jl. Ik herken dan ook niet het beeld dat het verzoek van de Kamer om inlichtingen niet zou zijn gehonoreerd. De door de Kamer gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
Welke wet of regeling staat het kabinet toe om dit verzoek om informatie van de Kamer opzettelijk naast zich neer te leggen? Indien daarvoor geen legitieme grond bestaat, welke gevolgtrekkingen verbindt u hieraan?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn de door de Kamer gevraagde inlichtingen verstrekt.
Hoe verhoudt het door de Minister van Defensie en vicepremier tijdens het debat over de veteranennota van 22 juni 2026 niet beantwoorden van mijn gestelde vragen zich tot de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer en tot Artikel 68 van de Grondwet?
Tijdens het notaoverleg Veteranen zijn aan de Minister van Defensie vragen gesteld die betrekking hebben op een voormalig medewerker van Defensie.
In algemene zin dient het kabinet bij het verstrekken van inlichtingen aan de Staten-Generaal die betrekking hebben op een individuele burger, rekening houden met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, zoals bepaald in artikel 10 van de Grondwet.
Voor zover de vragen geen betrekking hadden op privacygevoelige gegevens, heeft de Minister deze – mede in relatie tot een motie over hetzelfde onderwerp – achteraf schriftelijk beantwoord. Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
In welke wet of regeling is vastgelegd dat het feit dat Defensie c.q. de Staat is gedagvaard een uitzonderingsgrond zou zijn voor de informatieplicht van het kabinet richting de Kamer die volgt uit Artikel 68 van de Grondwet? Indien die uitzonderingsgrond niet bestaat, waarom beroept het kabinet zich er dan op?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 6 merk ik op dat de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg Veteranen van 22 juni jl. heeft toegelicht dat zij het in eerste instantie niet opportuun achtte om in het parlement in te gaan op een individuele casus waarbij Defensie door betrokkene is gedagvaard, aangezien dit het proces bij de rechter zou kunnen beïnvloeden.
Zijn er door Defensie inmiddels excuses aangeboden en aansprakelijkheid erkend voor de onherroepelijke tuchtrechtelijke veroordelingen van 4 (vier) verschillende Defensieartsen, waarvan 2 (twee) verschillende artsen in 2 (twee) verschillende rechtsplegingen voor het vervalsen van het medische dossier van betrokkene? Zo nee, waarom niet en zo nee, gaat de Minister van Defensie en zorgaanbieder van Defensie dat nog doen en zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van het vermeend vervalsen van het medisch dossier heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in het hoger beroep de defensiearts een maatregel van waarschuwing opgelegd. Daarbij geeft het Centraal Tuchtcollege aan: «Het Centraal Tuchtcollege ziet overigens geen enkel aanknopingspunt voor de suggestie van klager dat er sprake is van een moedwillige vervalsing of kwaad opzet van [de defensiearts]».
De tuchtklachten ten aanzien van een andere defensiearts over een verwijderingsverzoek zijn gedeeltelijk gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel. Daarbij is aangegeven door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg: «het is het college duidelijk geworden dat [de defensiearts] zeer prudent en zorgvuldig te werk heeft willen gaan bij de afhandeling van het verwijderingsverzoek in de gegeven situatie. Zij was op de hoogte van de relevante wet- en regelgeving en heeft zorgvuldig willen zijn, maar is daarbij niet uitgegaan van de juiste maatstaf.»
Defensie heeft als bestuursorgaan over deze tuchtrechtelijke procedures tegen het handelen van de twee defensie-artsen niet afzonderlijk excuses aangeboden en ziet na de uitkomst van deze tuchtrechtelijke procedures hier ook geen verdere aanleiding toe. Met betrokkene zijn twee vaststellingsovereenkomsten gesloten, waarbij finale kwijting is overeengekomen.
Waarom is de Kamer voorgehouden dat er sprake zou zijn van «opschoning» van het medisch dossier van betrokkene, terwijl inmiddels in rechte vaststaat dat er sprake was van vervalsing?4
Zie het antwoord op vraag 8.
Waarom worden de tuchtrechtelijk veroordeelde artsen bijgestaan door de landsadvocaat, terwijl Defensie in reactie op Kamervragen herhaaldelijk heeft gesteld dat Defensie in deze kwestie geen partij zou zijn?
Defensie en, vervolgens drie (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder twee (voormalig) defensieartsen, zijn in 2025 gezamenlijk aansprakelijk gesteld voor een vermeende gemiste carrière in de burgerluchtvaart. Daarom is besloten gezamenlijk verweer te voeren. Gebruikelijk is dat de Staat in dit soort procedures vertegenwoordigd wordt door de Landsadvocaat. Defensie en de (voormalig) defensiemedewerkers hebben deze aansprakelijkheid van de hand gewezen. Defensie heeft onlangs schriftelijk verweer ingediend bij de rechtbank Den Haag.
Hoe verhoudt de stellingname van de Minister dat Defensie geen partij zou zijn zich tot de verantwoordelijkheid van de Minister als zorgaanbieder van Defensie?
De tuchtklachten waren gericht tegen het handelen van defensieartsen. In die tuchtrechtprocedures stond het individuele handelen van de defensieartsen centraal, en was Defensie geen partij.
Houdt het kabinet vol dat Defensie geen partij zou zijn? Zo ja, kunt u dat toelichten en zo nee, wanneer is die opstelling veranderd en welke gevolgen heeft dit in relatie tot de eerdere herhaaldelijke beweringen dat Defensie geen partij zou zijn?
Defensie is op dit moment, samen met drie (voormalig) defensiemedewerkers gedaagde – en dus partij – in de gestarte dagvaardingsprocedure. Bij de tuchtrechtzaken gericht tegen de artsen was Defensie geen partij.
Waarom is de Kamer verkeerd geïnformeerd dat Defensie geen zwijgcontracten zou aanwenden om medewerkers de mond te snoeren?5
Op basis van deze vraag is mij niet duidelijk waarop de veronderstelling is gebaseerd dat Defensie «zwijgcontracten» zou aanwenden. Mijn ambtsvoorganger heeft in reactie op de aangehaalde (en vervallen) motie uit 2019 het volgende aangegeven (Handelingen II 2018/19, nr. 51, item 4):
Deze uitspraak is gedaan in de context van het rapport van de Commissie-Giebels uit 2018. Deze commissie deed onderzoek naar de sociaal veilige werkomgeving bij Defensie. Een van de aanbevelingen van de Commissie-Giebels was om meer duidelijkheid te geven over de «zwijgplicht» tijdens een intern onderzoek. In dit kader heeft de Kamer via de motie-Kerstens verzocht om «voor eens en altijd duidelijk te maken dat het bij het melden van misstanden en calamiteiten onder druk laten ondertekenen van geheimhoudingsverklaringen niet aan de orde is» (Kamerstukken II 2018/19, 35 000 X, nr. 118).
In navolging hierop is de Aanwijzing SG 989 «Interne onderzoeken» aangepast, waarover de Kamer op 10 februari 2020 per brief is geïnformeerd (Kamerstukken II 2019/20, 35 300 X, nr. 54). De aanwijzing geeft aan dat betrokkenen bij het onderzoek vertrouwelijk moeten omgaan met verkregen informatie. Als betrokkenen gedurende het interne onderzoek met elkaar spreken over het onderzoek, kan dit namelijk de authenticiteit van de verklaringen beïnvloeden, hetgeen de kwaliteit van het onderzoek niet ten goede komt. Echter, dit mag er niet toe leiden dat een betrokkene ervan wordt weerhouden om aangifte te doen, informatie te delen met zijn raadsman en/of vertrouwenspersoon of contact te zoeken met andere officiële instanties, zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid, het Huis voor Klokkenluiders, de Nationale ombudsman of andere externe toezichthouders.
Hoe vaak en tegen hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers heeft Defensie zwijgcontracten aangewend, door de medewerker ondertekend of niet? Indien dit nooit vaker is gebeurd, waarom dan wel tegen betrokkene?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld dat Defensie zwijgcontracten zou hebben aangewend tegen (voormalig) defensiemedewerkers, waaronder betrokkene.
Wie was de Defensiemedewerker die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde en welke functie bekleedde de Defensiemedewerker die het zwijgcontract aanwendde op dat moment?
Zie het antwoord op vraag 14.
Welke functie(s) bij Defensie heeft de medewerker, die het zwijgcontract tegen betrokkene aanwendde, nadat het zwijgcontract is aangewend, nog bekleed bij Defensie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Is de medewerker die het zwijgcontract inzette tegen betrokkene vandaag de dag nog werkzaam bij Defensie en zo ja, op welke functie?
Zie het antwoord op vraag 14.
Hoe verhoudt het voor betrokkene achtergehouden dossier van tenminste 1700 e-mails van de toenmalige commandant van de vliegbasis Eindhoven zich tot goed werkgeverschap, de AVG, de wet- en regelgeving met betrekking tot de bescherming van klokkenluiders en de sociale veiligheid binnen Defensie?
Ik herken mij niet in het beeld dat er e-mails zouden zijn achtergehouden.
Beheert Defensie over meer (voormalig) Defensiemedewerkers dergelijke dossiers en zo ja van hoeveel (voormalig) werknemers en zo nee, waarom dan wel over betrokkene?
Defensiemedewerkers hebben een personeelsdossier, en zorgverleners houden conform de daarvoor geldende wettelijke verplichting een medisch dossier bij. Bij uitzondering kan daarnaast sprake zijn van een aanvullend dossier, zoals een onderzoeksdossier in het geval van een intern onderzoek.
Indien Defensie dergelijke dossiers beheert van meer (voormalige) Defensiemedewerkers, om hoeveel medewerkers gaat het, waaruit bestaan die dossiers, wat is de omvang van die dossiers en zijn de betreffende medewerkers daarover geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat Defensie deze dossiers delen met de betreffende medewerkers en zo nee waarom niet?
Defensiemedewerkers zijn ermee bekend dat Defensie, met inachtneming van de AVG, persoonsgegevens bijhoudt, zoals dat gebruikelijk is bij het bijhouden van personeelsdossiers. Daarnaast is Defensie wettelijk verplicht medische dossiers van (oud-)medewerkers bij te houden. Medewerkers en oud-medewerkers van Defensie kunnen hun personeelsdossier en medisch dossier desgewenst opvragen.
Onderzoekdossiers, zoals beschreven bij vraag 19, zijn uitsluitend toegankelijk voor het bevoegd gezag of geautoriseerde functionarissen. Betrokkenen kunnen verzoeken om afschriften van die delen van een onderzoeksdossier die rechtstreeks op hen betrekking hebben.
Waarom heeft Defensie het dossier van tenminste 1700 e-mails over betrokkene ook achtergehouden voor de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO)6?
Defensie heeft volledige medewerking verleend aan het onderzoek van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid. Defensie heeft de informatie aangeleverd waar door de Onderzoeksraad Integriteit Overheid om is verzocht.
Waarom heeft betrokkene het dossier, waaronder maar zich niet beperkend tot de 1700 e-mails over hem van de voormalig commandant van vliegbasis Eindhoven en de documenten die zijn achtergehouden met het zwijgcontract, ook bij navraag7 en ook met een beroep op de AVG8, nooit ontvangen?
Defensie heeft per brief van 29 januari 2021 hierover met betrokkene gecorrespondeerd en deze vragen geadresseerd. Het recht van inzage op grond van de AVG is van toepassing. Indien een verzoek wordt ingediend vindt beoordeling plaats conform de vigerende wet- en regelgeving waaronder de beperkingen in artikel 13 AVG zoals de rechten en vrijheden van anderen.
Heeft het Ministerie van Defensie in deze kwestie informatie, waaronder in ieder geval de documenten zoals door betrokkene genoemd in de brieven van 4 maart 2019 en 12 januari 2021 die beiden in afschrift zijn verstuurd aan de Kamer9, achtergehouden voor de rechter? Zo ja, welke informatie en kunt u daar een opsomming van geven? Zo ja, op grond van welke wet of regeling bent u daartoe bevoegd? Bent u van mening dat alleen een verzoek van een rechtbank reden kan zijn voor overdracht van een dossier en zo ja, kunt u dat toelichten?
Defensie is niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene.
Is de Minister bereid om het volledige dossier alsnog aan betrokkene te verstrekken en zo nee, waarom niet en op welke grond?
Zie het antwoord op vraag 22.
Gaat het Ministerie van Defensie het dossier in lopende en toekomstige gerechtelijke procedures buiten de rechtspleging houden en zo ja, waarom en zo ja op welke grond of regeling bent u daartoe bevoegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de noodzaak van transparantie en waarheidsvinding en waarom belemmert u die in dat geval opzettelijk?
Zoals aangegeven bij vraag 23, is Defensie niet bekend met een verzoek van een rechtbank tot het aanleveren van informatie over betrokkene. Ieder verzoek van een rechtbank zal worden beoordeeld op grond van geldende wet- en regelgeving.
Waarom is, gelet op het antwoord van uw ambtsvoorganger op eerdere schriftelijke Kamervragen10, een vaststellingsovereenkomst met afspraken over rehabilitatie niet bekend bij betrokkene11? Bestaat er überhaupt een vaststellingsovereenkomst waarin het woord «rehabilitatie» wel voorkomt? Heeft de Minister van Defensie, met de reactie van uw ambtsvoorganger, de Kamer verkeerd geïnformeerd en zo nee, waarom niet en zo ja, welke gevolgtrekkingen verbindt u daar aan?
Zoals mijn ambtsvoorganger in reactie op Kamervragen van 8 november 2019 (Aanhangsel van de Handelingen II 2019/20, nr. 926) voor de volledigheid heeft opgemerkt, zijn met betrokkene naar aanleiding van het rapport van de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) afspraken gemaakt om hem te rehabiliteren. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In 2017 is met betrokkene een tweede vaststellingsovereenkomst gesloten. Over de inhoud van deze overeenkomsten doe ik verder geen mededelingen. Daarmee is de Tweede Kamer niet onjuist geïnformeerd.
Waarom is het kabinet, ook na ontvangst van een brief daarover van betrokkene die in afschrift aan de Kamer is gestuurd12, niet teruggekomen op de bewering dat er sprake zou zijn geweest van mediation en dat er een vaststellingsovereenkomst zou bestaan waarin afspraken zouden staan over rehabilitatie?13 Waarom is de Kamer daarover verkeerd geïnformeerd?
Zoals wordt toegelicht in het antwoord op vraag 26, zijn met betrokkene twee vaststellingsovereenkomsten gesloten. De Tweede Kamer is daarover niet onjuist geïnformeerd.
Indien het kabinet volhoudt dat er wel sprake zou zijn geweest van mediation (wat een formeel traject is onder leiding van gespecialiseerde instanties), kunt u dan aangeven wie de mediator was, wanneer de beweerde mediation zou hebben plaatsgevonden en waaruit de beweerde mediation exact bestond, wat de uitkomst was van de beweerde mediation en wie er bij Defensie de leidinggevende was (de zogenoemde «tot straffen bevoegde meerdere») die iets met de uitkomst van de beweerde mediation heeft moeten doen? Indien nee, waarom kunt u dit niet?
Ik kan hier niet op ingaan. In zijn algemeenheid vindt mediation plaats onder afgesproken geheimhouding van alle partijen die bij die mediation betrokken zijn.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers, terwijl juist dàt niet meer te achterhalen is?
Ik verwijs hiervoor naar de brief van de Minister van Defensie van 29 juni 2026 (2026D33530, Kamerstukken II 2025/26, 30 139, nr. 307).
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie heeft opgesteld.
Naast deze loggingen in het medisch dossier wordt ook een loggingsbestand aangelegd van alle gebruikers die inzage hebben gehad in het dossier. Dit bestand is in 2010 wel volledig bijgehouden maar bij de systeemmigratie in het weekend van 4 maart 2011 is het deel van 16 april 2010 tot 26 november 2010 achtergebleven in de brondatabase. Voorafgaand en achteraf is een back-up gemaakt van alle bestanden. Deze bestanden worden over het algemeen slechts 28 dagen bewaard. In die periode is, ondanks gebruikers- en acceptatietesten, het verlies aan informatie niet aan het licht gekomen.
Hoe heeft u vastgesteld dat het verlies van loggingsgegevens «van de gehele zorgpopulatie» geen gevolgen heeft gehad voor de informatie in de medische dossiers van (voormalig) werknemers terwijl u dat alleen zou kunnen vaststellen na inzage van alle getroffen medische dossiers, hetgeen alleen mogelijk is met de expliciete, vastgelegde toestemming daartoe van de (voormalig) Defensiemedewerkers wiens medische dossiers het betreft? Als er geen sprake is geweest van deze inzagen, hoe kunt u dan tot de conclusie komen dat er geen gevolgen zouden zijn?
Zoals aangegeven, is na onderzoek gebleken dat alle medische dossiers volledig zijn (ook over de periode 16 april 2010 – 26 november 2010). Niet alleen ontbreekt er geen medische informatie, maar ook de loggingen binnen het dossier zijn aanwezig. Binnen het dossier wordt een datum-tijdstempel van iedere mutatie in het systeem vermeld alsmede de naam van de zorgverlener die de mutatie opstelt. Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen.
Welk standpunt zal Defensie innemen wanneer een (voormalig) Defensiemedewerker stelt dat er in de periode dat er medische loggingsgegevens uit het medische dossier zijn verdwenen, ook medische informatie (waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot artsencontact, consulten, medische gegevens, ziektebeelden, diagnoses en medische prognoses, medicijngebruik, etc.) uit het dossier is verdwenen? Welke (juridische) onderbouwing ligt er ten grondslag aan die reactie? Welke bewijsvoering zou Defensie daartoe kunnen aanwenden?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Zijn er vaker dan in de genoemde periode14 medische gegevens, waaronder maar zich niet bij voorbaat beperkend tot loggingsgegevens, verwijderd of verdwenen uit, toegevoegd aan of gewijzigd in medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers en zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren, om welke gegevens en in welke periode in de tijd gaat het en om hoeveel (voormalig) Defensiemedewerkers gaat het daarbij? Zijn de getroffen medewerkers daarover geïnformeerd en zo nee, waarom niet? Indien onbekend, hoe kunt u als zorgaanbieder van Defensie dan de integriteit van de medische dossiers van (voormalig) Defensiemedewerkers garanderen en indien u dit niet kunt, welke gevolgen heeft dit?
Mij zijn geen signalen bekend die erop wijzen dat ook medische informatie uit de dossiers is verdwenen. Ik vind het daarom niet opportuun om een standpunt in te nemen over deze hypothetische situatie.
Kunt aan alle (voormalig) Defensiemedewerkers uit wiens medisch dossiers loggingsgegevens zijn verdwenen15 garanderen dat er geen: aan hun medische dossiers zijn toegevoegd, of uit hun medische dossiers zijn verwijderd, of zijn gewijzigd, in de wetenschap dat in het geval van het gelijktijdig ook het verwijderen van de daarmee corresponderende loggingsgegevens, zulke mutaties nooit maar aan te tonen zijn?
Zie het antwoord op vraag 29.
Kunt u de melding zoals door het Ministerie van Defensie op 20 augustus 2020 gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens over de verdwenen loggingsgegevens delen met de Kamer? Indien u dit niet kunt, waarom niet?
Ja, zie bijlage.
Is het binnen Defensie nog altijd een zoals beweerd «gebruikelijke werkwijze» om zogenaamde «aantekeningen» in een medisch dossier van een Defensiemedewerker op te slaan als een consult met diagnoses dan wel met diagnosecodes en een primaire diagnose?16 Zo ja, wat is de reden om die praktijk voort te zetten? Zo nee, waarom is Defensie daarmee gestopt en wanneer is Defensie daarmee gestopt?
Nee. Sinds 25 juni 2021 maakt Defensie gebruik van een nieuw digitaal patiëntendossier. Hierin heeft de arts de mogelijkheid om een privéaantekening te maken die alleen inzichtelijk is voor de arts die deze aantekening maakt. Deze aantekening maakt geen onderdeel uit van het medisch dossier en mag niet worden gebruikt voor informatie die van belang is voor het verlenen van goede zorg. Het systeem biedt daarnaast de opties: openbare aantekening en aantekening voor specialisme (bijvoorbeeld alleen voor cardiologen). Deze beide aantekeningen maken wel onderdeel uit van het patiëntendossier. Door deze mogelijkheden is het gebruiken van de aantekening van «consult» voor een dergelijke aantekening niet meer nodig.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de norm NEN 7513 en zo nee, over welke periode in tijd voldeed Defensie daar niet aan en waarom niet? Welke gevolgen verbindt Defensie daaraan? Zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en kunt u uw bevindingen daarover met de Kamer delen?
De Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg (Wabvpz) regelt in artikel 15e logging en specifiek welke loggingsinformatie moet worden opgenomen in een afschrift. De bepalingen rondom elektronische afschrift/inzage en logging zijn op 1 juli 2020 in werking getreden.17 Het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders bepaalt in artikel 5 dat de logging van het systeem voldoet aan het bepaalde in NEN 7513 en regelt de bewaartermijn. In juli 201918 is bepaald dat de logging als bedoeld in het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders, ten minste 5 jaar moet worden bewaard vanaf het moment dat de logregel wordt geschreven.
NEN 7513 is niet apart certificeerbaar, NEN 7510 wel. NEN 7513 specificeert een gemeenschappelijk kader voor de logging van persoonlijke gezondheidsinformatie aan de hand van toegangs- en zoekgebeurtenissen. De NEN 7510 betreft eisen voor informatiebeveiliging van zorginformatiesystemen.
In het Defensie beveiligingsbeleid zijn de normen van de NEN 7513 en NEN 7510 opgenomen. Het eerstelijns zorgbedrijf van Defensie alsmede de beheerorganisatie zijn NEN 7510 gecertificeerd. Het huidige digitale patiëntendossier is geaccrediteerd door de Beveiligingsautoriteit van Defensie en voldoet daarmee aan het Defensie beveiligingsbeleid vanaf ingebruikname.
Er worden periodieke controles uitgevoerd. Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met medische persoonsgegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA). Jaarlijks worden de jaarverslagen van de interne toezichthouders naar de Kamer gestuurd.
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de norm NEN 7513 en zo nee waarom niet? Zo ja, wie is de bevoegde autoriteit om dat vast te stellen en op welke manier heeft de bevoegde autoriteit dat vastgesteld? Voert de bevoegde autoriteit hier periodieke controles op uit, waaronder met bijvoorbeeld steekproeven en audits? Kunt u de uitkomst van deze controles met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 36.
Heeft Defensie in het verleden voldaan aan de KNMG norm «Omgaan met medische gegevens»17 en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld? Zo nee, waarom niet en welke gevolgen zijn hieraan verbonden?
De richtlijn «Omgaan met medische gegevens» is opgesteld door de artsenfederatie KNMG en beschrijft op welke wijze artsen, met inachtneming van hun beroepsgeheim, medische gegevens mogen verzamelen, opslaan, uitwisselen of anderszins mogen gebruiken.
De KNMG-richtlijn is juridisch gezien een vorm van zelfregulering binnen de beroepsgroep en geldt ook voor defensieartsen. De gedragsnormen uit deze richtlijn zijn daarmee gericht op individuele artsen. Het professionele handelen van een individuele arts wordt door de medische tuchtrechter beoordeeld, waarbij de normen uit de beroepsgroep vaak gebruikt worden.
Binnen Defensie wordt intern toezicht gehouden op het naleven van de omgang met (medische) gegevens door de Inspectie Militaire Gezondheidszorg (IMG), de Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en de Beveiligingsautoriteit (BA).
Voldoet Defensie vandaag de dag aan de KNMG norm «Omgang met medische gegevens» en zo ja, hoe hebt u dat vastgesteld en zo nee, waarom niet en welke gevolgen verbindt u daar aan?
Zie het antwoord op vraag 38.
Hoe verhouden de conclusies in het rapport van het Huis voor Klokkenluiders zich tot de informatie die door het kabinet eerder aan de Kamer is verstrekt en die door de Minister in het debat over de veteranennota op 22 juni 2026 in reactie op mijn vragen nadrukkelijk is genoemd18? Heeft het Ministerie van Defensie met het aan de Kamer toezenden van deze informatie Kamer volledig geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Indien ja, kunt u in uw antwoord de conclusies van het Huis voor Klokkenluiders daarin betrekken? Wilt u zich in uw antwoord beperken tot de feiten van de misstanden zoals vastgesteld door het Huis voor Klokkenluiders en niet verwijzen naar maatregelen die met het oog op het voorkomen van herhaling pas zijn genomen nádat de misstanden zijn gepleegd?
Tijdens het notaoverleg Veteranen op 22 juni jl. werd gerefereerd aan «het rapport van het Huis voor Klokkenluiders over financiële fraude bij 336-suadron en joyriding met Defensievliegtuigen».
Voor zover de vraag betrekking heeft op het interne onderzoek over vermeende misstanden op vliegbasis Eindhoven met betrekking tot declaraties en privégebruik van defensiemiddelen, heeft de Minister van Defensie tijdens het notaoverleg gereageerd dat de rapporten in 2016 naar de Kamer zijn verstuurd. Hierbij gaat het om beide delen van het interne onderzoeksrapport van Defensie die op 29 november 2016 naar de Kamer zijn verstuurd (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52).
Waarom is het rapport van het Huis voor Klokkenluiders nooit aan de Kamer gestuurd terwijl het wel direct betrekking heeft op de gang van zaken op vliegbasis Eindhoven?
Zie het antwoord op vraag 40. Eerder heeft de Onderzoeksraad Integriteit Overheid (OIO) – de voorganger van het Huis voor Klokkenluiders – onderzoek gedaan naar meldingen van een vermoeden van een misstand op vliegbasis Eindhoven. Over de conclusies en adviezen van de OIO en de reacties van Defensie, is de Kamer geïnformeerd (zie o.a. Kamerstukken II 2014/15, 34 000 X, nrs. 88 en 94; Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nrs. 8 en 51; Aanhangsel van de Handelingen II 2016/17, nr. 1001).
Wilt u het rapport van het Huis voor Klokkenluiders alsnog aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 en 41.
Is er over het rapport van het Huis voor Klokkenluiders door Defensie een zogenoemde «appreciatie» geschreven? Zo nee, waarom niet en zo ja, wanneer en door wie en kunt u die met de Kamer delen en zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 40 t/m 42.
Hoe beoordeelt u het feit dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven op 5 juli 2016 aangifte deed bij de Koninklijke Marechaussee19? Waarvan deed de commandant op die dag aangifte?
Artikel 78 van de Wet militair tuchtrecht bepaalt dat de commandant die kennisneemt van een gedraging van een militair die naar zijn oordeel een strafbaar feit betreft, verplicht is daarvan aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee (KMar). In de praktijk is het gebruikelijk dat de commandant bij een (vermoeden van een) strafbaar feit daarover advies inwint bij bijvoorbeeld een juridisch adviseur van de eenheid, voordat contact wordt opgenomen met de KMar en/of het Openbaar Ministerie (OM). Indien twijfel bestaat of sprake is van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt dit ter beoordeling voorgelegd aan de KMar en/of het OM en beslist het OM welke stappen genomen worden. Dit bespreken en melden van een (vermoeden van een) strafbaar feit wordt in spreektaal «aangifte doen» genoemd.
Niet altijd is voor de KMar en/of het OM meteen duidelijk dat een geconstateerde gedraging een strafbaar feit betreft en niet altijd wordt direct aangifte gedaan. Soms wordt Defensie gevraagd om zaken zelf nader (administratief) uit te zoeken en deze informatie ter beoordeling voor te leggen.
In het onderhavige geval heeft de commandant vliegbasis Eindhoven op de genoemde datum overleg gehad met de KMar. Dit had betrekking op een op die dag door haar ontvangen melding van een vermoeden van misstanden, mogelijke declaratiefraude. In dit geval is naar aanleiding van deze melding niet overgegaan tot het opnemen van een aangifte. In overleg met de KMar is de commandant vliegbasis Eindhoven overgegaan tot een intern Defensieonderzoek. Wel is geregistreerd dat de commandant hierover een gesprek heeft gevoerd bij de KMar.
Dit is vermeld bij de datum 5 juli 2016 in de tijdlijn die is opgenomen in het rapport dat naar aanleiding van het interne onderzoek is opgesteld. Dit rapport is aan uw Kamer aangeboden op 29 november 2016 (Kamerstukken II 2016/17, 34 550 X, nr. 52)
Kunt u het proces-verbaal van aangifte van 5 juli 2016 aan de Kamer sturen en zo nee, waarom niet en zo nee, kunt u wel aangeven wat het proces-verbaalnummer is en zo nee waarom niet?
Nee, er is geen proces-verbaal, want er is geen aangifte opgenomen.
Hoe beoordeelt u dat de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven, onder ede op 30 augustus 2018, de aangifte van 5 juli 2016 ontkende20?
Nu er geen aangifte is opgenomen, is deze ontkenning een verklaring naar waarheid.
Is er aangifte gedaan naar aanleiding van de beweringen onder ede bij de rechtbank Gelderland op 30 augustus 2018 door de toenmalig commandant van vliegbasis Eindhoven en huidig Minister van VRO en zo nee waarom niet en zo nee, gaat u dat nog doen en zo nee waarom niet?
Nee. Er was en is geen aanleiding om aangifte te doen.
Hoeveel meldingen over sociale onveiligheid en andere vormen van ongewenst gedrag, gericht tegen persoonlijke gedragingen van de toenmalige commandant van vliegbasis Eindhoven (de huidig Minister van VRO), zijn er de afgelopen 15 jaren gedaan bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID), hoeveel van die bij het MID binnengekomen meldingen zijn doorgezet naar de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) en wat is er door zowel het MID als het COID met die meldingen gedaan? Kan de Minister al deze meldingen en de uitkomst van de behandeling daarvan delen met de Kamer en zo nee, waarom niet?
Meldingen worden in vertrouwen bij het Meldpunt Integriteit Defensie (MID) en de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) gemaakt. Inhoudelijke informatie over individuele meldingen of informatie die herleidbaar is naar een melder of beschuldigde wordt alleen gedeeld met functionarissen die een directe rol hebben in de behandeling van de betreffende melding. Algemene informatie over aantallen meldingen zijn terug te vinden in de gepubliceerde jaarverslagen integriteit van Defensie.
Wilt u deze vragen ieder afzonderlijk, op nummer en zonder verwijzing naar eerdere vragen beantwoorden en wel binnen de daartoe gestelde termijn van 3 weken en in ieder geval voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit Defensie?
U ontvangt de antwoorden op de vragen voor het commissiedebat Veiligheid & Integriteit.
Het artikel ‘Defensie wil gouden aandeel in fabrikant van dronesoftware’ |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Defensie wil gouden aandeel in fabrikant van dronesoftware?»1
Ja, het Ministerie van Defensie is op de hoogte van het genoemde artikel.
Welk formeel afwegingskader heeft u gevolgd leidende tot uw besluit om met Intelic een optie tot een gouden aandeel in de samenwerkingsovereenkomst op te nemen? Kunt u het gehanteerde afwegingskader en uw antwoorden op bijhorende kernvragen delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Defensie en Intelic zijn overeengekomen een langdurige strategische samenwerking aan te gaan. Gedurende dit proces heeft het Ministerie van Defensie in kaart gebracht welke publieke belangen een rol spelen bij de werkzaamheden die Intelic voor het Ministerie van Defensie zal verrichten. Vervolgens is geanalyseerd of de geïdentificeerde publieke belangen voldoende geborgd zijn.
De conclusie is dat, naast de reguliere contractuele afspraken, extra maatregelen nodig zijn om die publieke belangen voldoende te borgen. Daarom heeft Defensie met Intelic afspraken gemaakt, waaronder de optie tot een eenzijdige mogelijkheid voor de Staat tot het verwerven van een prioriteitsaandeel.
De analyse over de noodzaak en de besluitvorming of de Staat dit instrument ook daadwerkelijk zal gebruiken, zal plaatsvinden aan de hand van de Nota deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 en het «Handboek aangaan deelnemingen». Bij de besluitvorming zal ook aan alle wettelijk voorgeschreven kaders, zoals de Comptabiliteitswet 2016, worden voldaan. De besluitvorming hierover zal plaatsvinden in overeenstemming met de Minister van Financiën. Uw Kamer zal worden geïnformeerd als hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
In hoeverre zijn de Comptabiliteitswet, de «Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022» en het «Handboek aangaan deelnemingen» zoals gepubliceerd door het Ministerie van Financiën2, gevolgd bij uw besluit om zorgvuldigheid te waarborgen? Op welke onderdelen is hiervan afgeweken en waarom?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt er gewerkt aan een gedeeld formeel afwegingskader door de Ministeries van Defensie, Financiën en Economische Zaken voor toekomstige besluiten over strategische deelnemingen in de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële Basis (NLDTIB)? Zo nee, waarom niet, en kunt u hier opdracht toe geven? Zo ja, wanneer wordt dit afwegingskader naar met de Kamer gedeeld?
Voor besluiten over eventuele strategische deelnemingen in de defensie-industrie is de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 en het daarin opgenomen afwegingskader van toepassing. Het afwegingskader is sector-overstijgend en ook toepasbaar op de defensie-industrie.
In 2027 zal de reguliere en periodieke rapportage ter evaluatie van de Nota 2022 plaatsvinden. In algemene zin wordt hierin onderzocht of het beleid versterkt dient te worden om publieke belangen op verschillende beleidsterreinen doeltreffender en doelmatiger te kunnen borgen. Defensie wordt hierin meegenomen als beleidsterrein. Zo werken we aan een gedeeld formeel afwegingskader met het Ministerie van Financiën en Economische Zaken en Klimaat voor toekomstige besluiten over strategische deelnemingen in de Nederlandse Defensie en Technologische Industriële basis.
Daarnaast wordt momenteel een interdepartementale economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie uitgevoerd. Uw Kamer is hierover op 3 oktober 2025 geïnformeerd.3 Deze beleidsanalyse heeft tot doel, breed gedragen beleidsopties te formuleren, zodat de defensie-uitgaven effectief en doelmatig kunnen bijdragen aan versterking van de (Europese) militaire capaciteit. Het beleid inzake het aangaan van strategische samenwerking met de defensie-industrie is onderdeel van de analyse.
De inhoudelijke beoordeling per individuele casus wordt aan de hand van de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022en het «Handboek aangaan deelnemingen» opgesteld. Over de uitkomsten van de EBA wordt uw Kamer in september geïnformeerd. De uitkomsten worden vervolgens verwerkt in het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie, waarover uw Kamer later dit jaar wordt geïnformeerd.
Kunt u uw uitspraak in het artikel dat een daadwerkelijk gouden aandeel «een hele procedure» is, waarbij het Ministerie van Financiën betrokken is en goedkeuring van het parlement nodig is nader duiden? Is de Minister van Financiën betrokken geweest in deze besluitvorming tot een optie op een gouden aandeel bij Intelic?
Met deze tekst doel ik op de van toepassing zijnde wettelijke kaders en beleidskaders zoals ook beschreven in het antwoord op vragen 2 en 3. Uw Kamer zal worden geïnformeerd als hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden.
Heeft u vooraf juridisch advies verkregen over de effectiviteit en rechtmatigheid van deze optie op een gouden aandeel in Intelic, en/of op een daadwerkelijk gouden aandeel in de toekomst? Zo ja, kunt u de inhoud van dit advies delen met de Kamer?
Ja, de Landsadvocaat is betrokken bij dit proces.
Adviezen van de Landsadvocaat kan ik gelet op de kabinetsbeleidslijn voor openbaarmaking van adviezen van de Landsadvocaat (Kamerstuk 35 510, nr. 4) niet met u delen.
Heeft u vooraf overleg gevoerd met de Europese Commissie en wat is het standpunt van de Commissie, aangezien in het verleden de gouden aandelen bij KPN en TPG zijn verboden?
Nee, er is voor deze specifieke casus geen overleg gevoerd met de Europese Commissie.
Kunt u de ambtelijke beslisnota naar de Kamer sturen die gevolgd is ten behoeve van dit besluit om een optie op een gouden aandeel af te spreken met Intelic dan wel een daadwerkelijk gouden aandeel te gaan nemen?
De beslisnota zal vertrouwelijk met uw Kamer worden gedeeld.4
Kunt u de definitie van een gouden aandeel specificeren? Wat valt er onder «strategische besluiten» door Intelic, waarvoor het Ministerie van Defensie voortaan eerst toestemming moet verlenen en behelst dit ook een vetorecht? Kunt u nader uiteenzetten hoe dit zal verschillen van de huidige situatie?
Klopt het dat u van plan bent scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij te kopen? Zo ja, kunt u schetsen hoe u tot deze keuze bent gekomen en hoeveel geld hiermee gemoeid is?
Nee dat klopt niet. Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98) geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om met de Israëlische firma Elbit een contract te sluiten voor de levering van het smart vest, met hierin ballistische platen. In juni 2024 heeft Defensie een instandhoudingsovereenkomst getekend met deze leverancier met een looptijd van drie jaar. Binnen deze overeenkomst kan Defensie elk jaar ballistische beschermingsmiddelen afnemen voor de opbouw van haar voorraden.
In de huidige scherfvesten zijn Nederlandse supervezels verwerkt. Defensie heeft momenteel nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten, maar heeft het voorstel van Elbit tot gebruik van Chinese supervezels afgewezen. Defensie wacht een nieuw voorstel van Elbit af. Hierbij is het uitgangspunt strategische autonomie. Daarom wil Defensie dat gebruik wordt gemaakt van Europese of Nederlandse supervezels, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken. Zodra hierover meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Defensie doet geen uitspraak over de verdere details uit lopende gesprekken met haar leveranciers en de specifieke gelden die met deze aanschaf zijn gemoeid. Hiermee beschermen we onze onderhandelingspositie en de commerciële belangen van de leverancier.
Deelt u de opvatting dat de Nederlandse krijgsmacht in een tijd van toenemende geopolitieke spanningen zo min mogelijk afhankelijk moet zijn van landen waarmee Nederland strategische belangenconflicten kan hebben? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze opvatting deel ik. In de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (DSII) beschrijft het kabinet de strategie en initiatieven om de Nederlandse Defensiegerelateerde Technologische en Industriële Basis (NLDTIB) verder te versterken. Ten behoeve van de chemie- en materialensector heeft Defensie samen met het Ministerie van KGG dan ook een actie-agenda «Chemie en Materialen voor Defensie» vastgesteld. Daarover is uw Kamer op 27 mei 2026 geïnformeerd.1 Deze actie-agenda geeft Nederland handelingsopties om de Nederlandse chemie en materialensector beter te benutten voor defensiedoeleinden, specifiek op het gebied van munitiegrondstoffen en geavanceerde materialen, waar supervezels onder vallen. Het beschikken over een vitale NLDTIB is immers van belang voor het voortzettingsvermogen van de Nederlandse krijgsmacht.
Hoe verhoudt de keuze voor scherfwerende platen met Chinese componenten zich tot de ambitie van het kabinet om strategische afhankelijkheden in vitale sectoren, waaronder defensie, terug te dringen?
In de huidige scherfvesten die al aan Defensie zijn geleverd, zijn Nederlandse supervezels verwerkt. Bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten, wil Defensie dat Europese of Nederlandse supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie).
Waarom is in deze aanbesteding of contractuele afspraak niet uitgesloten dat onderdelen of grondstoffen afkomstig zijn uit China, gezien de toenemende aandacht voor economische veiligheid en strategische afhankelijkheden? Kan de Minister aangeven welke risicoanalyse is gemaakt ten aanzien van de afhankelijkheid van Chinese grondstoffen en productieketens voor deze essentiële beschermingsmiddelen?
Het voor deze vraag relevante contract is getekend in juni 2024. In april 2025 lanceerden Defensie en EZK de DSII. Binnen deze strategie is smart materials een van de vijf focusgebieden. Mede vanwege van de wens van dit kabinet om de Nederlandse krijgsmacht autonomer te maken en ook de Nederlandse defensie-industrie te stimuleren, werkt Defensie de implementatie van deze strategie op dit moment nader uit.
In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Waar het de nationale veiligheid kan raken hanteert Defensie de ABRO (algemene beveiligingseisen Rijksoverheidsopdrachten). Deze eisen worden gesteld aan kritieke leveranciers (bijvoorbeeld bedrijven die met staatsgeheim werken of die software leveren). Binnen de ABRO gelden ook strikte regels voor onderleveranciers, deze moeten aan dezelfde regels voldoen als de hoofdaannemer. Bovendien mogen leveranciers niet zonder voorafgaande goedkeuring een onderleverancier inschakelen.
Kan de Minister toelichten in hoeverre bij de inkoop van defensiematerieel niet alleen wordt gekeken naar het eindproduct, maar ook naar de herkomst van kritieke halffabricaten en grondstoffen binnen de toeleveringsketen? Welke maatregelen neemt de Minister om te voorkomen dat strategische afhankelijkheden van landen als China via de achterdeur in NAVO-toeleveringsketens terechtkomen?
Het is een keuze van de hoofdleverancier bij welke sub-leverancier opdrachten worden uitgezet. Defensie controleert – naast de kwaliteitskeuring – of de gekozen sub-leverancier aan de contractueel overeengekomen voorwaarden voldoet. De leverancier is daarmee ook verantwoordelijk voor risico’s in de toeleveringsketen.
Defensie ziet noodzaak om controle te kunnen uitoefenen op herkomst van supervezels. Het uitgangspunt daarbij is strategische autonomie. In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Het is van belang om voldoende inzicht te hebben in risicovolle strategische afhankelijkheden in de toeleveringsketens van defensiematerieel. Hierover is uw Kamer geïnformeerd op 7 juli 2026 door middel van de Kamerbrief Kabinetsinzet Nationale Grondstoffenstrategie (32 852, nr. 426). Het deelprogramma Weerbare Toeleveringsketens, als onderdeel van het Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie, zal ook bijdragen aan het vergroten van het inzicht in de afhankelijkheden in de toeleveringsketens in de defensiesector.
Hoe wordt er in het algemeen toezicht gehouden op afhankelijkheden binnen de toeleveringsketens van landen als China bij de inkoop van defensiematerieel? Heeft de Minister overzicht van de afhankelijkheden in de toeleveringsketens van Defensiematerieel? Zo nee, is de Minister voornemens dit overzicht te maken, zodat ook een afbouwpad kan worden gedefinieerd?
Zie antwoord vraag 5.
Is de Minister bereid om bij toekomstige defensieaankopen een expliciete toets uit te voeren op strategische afhankelijkheden, waaronder de herkomst van kritieke grondstoffen en onderdelen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Conform de DSII en de actie-agenda «Chemie en Materialen voor Defensie» ondernemen Defensie en EZK concrete acties om de herkomst van kritieke grondstoffen en componenten van defensiematerieel en -munitie inzichtelijk te maken. Defensie weegt de eventuele wens om strategische afhankelijkheden te mitigeren af tegen de overige belangen binnen materieelverwerving, zoals de noodzaak om de operationele gereedheid van de krijgsmacht met urgentie te versterken
Welke Nederlandse en Europese alternatieven voor deze scherfvesten zijn onderzocht voordat Defensie besloot gebruik te maken van deze leverancier? En waarom is er uiteindelijk niet gekozen voor een leverancier uit Nederland of Europa, terwijl volgens de Nederlandse Industrie voor Defensie en Veiligheid (NIDV) Nederlandse bedrijven beschikken over vergelijkbare capaciteiten?
In de oorspronkelijke aanbesteding hebben ook Nederlandse en Europese partijen een offerte ingediend. Deze aanbiedingen zijn beoordeeld met behulp van een multi-criteria analyse, waarin de prijs, kwaliteit en levertijd van het product onder andere zijn meegewogen. Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98) geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om met de firma Elbit een contract te sluiten. In 2024 is de instandhoudingsovereenkomst met deze leverancier bekrachtigd.
Zoals bij vraag 4 en 6 aangegeven wordt inmiddels ook strategische autonomie en herkomst meegewogen bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn.
Kan de Minister aangeven welke criteria bij deze aanschaf de doorslag hebben gegeven? In welke mate waren daarbij prijs, leveringszekerheid, strategische autonomie, Europese samenwerking en de positie van de Nederlandse defensie-industrie meegewogen? Deelt de Minister de mening dat bij defensieaankopen niet uitsluitend naar de aanschafprijs moet worden gekeken, maar ook naar de bredere economische en strategische effecten, zoals behoud van kennis, productiecapaciteit en werkgelegenheid in Nederland en Europa?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt de Minister de kritiek van de NIDV dat het kabinet enerzijds inzet op meer productie in Nederland en Europa, maar anderzijds bij eigen inkoop onvoldoende rekening houdt met de positie van de Nederlandse defensie-industrie?
Bij de aanschaf van materieel laat Defensie, naast kwaliteit, prijs, levertijd, ook strategische autonomie en leveringszekerheid van het materieel in toenemende mate meewegen binnen de mogelijkheden van de huidige (aanbestedings-)regelgeving
Erkent de Minister dat strategische autonomie niet alleen gaat over militaire capaciteit, maar ook over het beschikken over eigen industriële en technologische kennis? En erkent zij dat aankopen als aangehaald in deze set vragen niet in lijn zijn met de ambities uit de Defensienota 2026 en de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie?
Ja. Beschikking over een voor ons benodigd ecosysteem dat voortzettingsvermogen garandeert is een belangrijke voorwaarde voor strategische autonomie. Daarom is de ambitie in de Defensienota 2026 en in de DSII om dit meer in Nederland en Europa op te bouwen. Opbouw tot een volwaardig Nederlands of Europees alternatief kost tijd en geld. Op korte termijn maken we daarom zorgvuldig afwegingen tussen implicaties voor strategische autonomie op den duur en veiligheid van onze militairen vandaag. Daarom wegen we ook kwaliteit, prijs, levertijd en leveringszekerheid mee.
Kan de Minister aangeven welk aandeel van de Nederlandse defensie-uitgaven momenteel terechtkomt bij Nederlandse en Europese bedrijven en welk aandeel bij leveranciers van buiten de Europese Unie?
Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de Stand van Defensie.
Hoe voorkomt de Minister dat Nederland door afzonderlijke nationale aankopen juist de Europese defensiesamenwerking en de ontwikkeling van een sterke Europese defensie-industrie belemmert?
Nederland blijft inzetten op sterkere Europese defensiesamenwerking. Door samen te werken aan het ontwikkelen van militaire capaciteiten en het stimuleren van de Europese defensie-industrie dragen de EU en de NAVO bij aan de Europese veiligheid. Waar Nederland kiest voor industrieversterkend inkopen wordt parallel verkend in hoeverre kleinere samenwerkingsverbanden meer continuïteit kunnen borgen voor de defensie-industrie. Dit is met name van belang in gezamenlijke ontwikkeltrajecten waar Nederland een coördinerende rol heeft, zoals bij de EU priority capability area voor drones en counterdrones. Ook heeft Defensie een Government-to-Government (G2G)-office in het leven geroepen om te zorgen dat industrieversterkend inkopen voldoende mogelijkheden biedt voor andere landen om bij de Nederlandse contracten aan te sluiten.
Is de Minister bereid deze specifieke aanschaf opnieuw te beoordelen vanuit het uitgangspunt van strategische autonomie en Europese samenwerking? Zo nee, waarom niet?
Ja. In de huidige scherfvesten zijn Nederlandse supervezels verwerkt en bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten wil Defensie dat Europese of Nederlandse supervezels worden gebruikt. Dit is in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie.
Is er bij deze aankoop rekening gehouden met het feit dat scherfvesten goed moeten aansluiten op het vrouwenlichaam? Zo nee, ziet de Minister ook de kans om met regionale samenwerking meer maatwerk toe te passen?
Bij de aankoop van dit type vest is met het aansluiten van de pasvorm op het vrouwenlichaam geen rekening gehouden. Defensie beschikt over scherfvesten die wel aansluiten op het vrouwelijk lichaam. U bent hierover geïnformeerd in het Defensie Projectenoverzicht van mei 2025 (Kamerstuk 27 830, nr. 465 van 21 mei 2025).
Overwegende dat Defensie gaat werken met Chinese 3D-printers, kan de Minister toelichten welke cybersecurity- en contra-inlichtingenrisico’s zijn onderzocht voordat is besloten om 3D-printers van een Chinese fabrikant in gebruik te nemen voor het produceren van onderdelen voor de Nederlandse krijgsmacht?
Het betreft een in China geassembleerd systeem voor Laser Based Powder Fusion-printers. De kritieke componenten zijn afkomstig uit Europa en Japan. Defensie heeft de mogelijke risico’s gewogen. Daarbij is relevant dat met de software op een afgesloten netwerk kan worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers hoeft te draaien. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de beantwoording van de SV van Lanschot (CDA) over het bericht dat Defensie investeert in Spaanse en Chinese 3D machines (Kamerstuk 2026Z14731).
Verder betreft het twee stuks, waar de productie geen onderdeel zal gaan uitmaken van een productielijn ten behoeve van de Nederlandse krijgsmacht. Deze 3D-printers worden ingezet voor test- en onderzoeksdoeleinden voor Defensie. Nadat het gebruik van deze 3D-printers is geëvalueerd, neemt Defensie het besluit of er opnieuw een vraag voor Laser Based Powder Fusion-printers in de markt wordt uitgezet, waarbij eventuele risico’s zullen worden beoordeeld en gemitigeerd. Daarbij weegt het uitgangspunt strategische autonomie zwaar mee in de besluitvorming.
Hoe waarborgt de Minister dat digitale ontwerpen, technische tekeningen en andere gevoelige informatie over defensiematerieel niet toegankelijk kunnen worden voor buitenlandse partijen, waaronder partijen die onder invloed van de Chinese overheid kunnen staan?
Defensie beveiligt haar data door het maken van contractuele afspraken, het beperken van operationele risico’s en het doorlopend onderzoeken van alternatieve leveringsmogelijkheden. In dit geval is de machine geassembleerd in China, maar zijn de kritieke componenten van het systeem afkomstig uit Europa en Japan. Met de software kan op een afgesloten netwerk worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers hoeven te draaien. Verder gebruikt Defensie deze printer uitsluitend voor het opdoen van kennis over een productietechniek van metaalprinten. De printers worden niet in Staatsgeheime trajecten of bij kritieke processen binnen Defensie gebruikt. Het betreft enkele stuks en geen productielijn, wat de eventuele overstap naar een ander systeem niet in de weg zit. De opgebouwde kennis wordt meegenomen in eventuele toekomstige aanschaf, waarbij strategische autonomie integraal zal worden meegewogen in de besluitvorming.
Zijn er Europese alternatieven overwogen? Zo ja, welke en waarom zijn deze afgevallen? Zo nee, waarom niet?
In de voorbereiding van deze aanbesteding is een marktonderzoek uitgevoerd. Aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek heeft Defensie een aantal kwalitatieve eisen en gunningscriteria opgesteld, op basis waarvan de aanbesteding op de markt is gezet en de aanbiedingen zijn beoordeeld. Vier Europese leveranciers konden aan de gestelde eisen voldoen en hebben ingeschreven op deze aanbesteding. In de commercieel vertrouwelijke bijlage bij de beantwoording SV van Lanschot (CDA) (Kamerstuk 2026Z14731) is uw Kamer geïnformeerd over de productvergelijking.
Deelt de Minister de opvatting dat strategische technologieën zoals industriële 3D-printcapaciteiten voor defensietoepassingen onderdeel zouden moeten zijn van een Nederlandse of Europese technologische basis? Zo ja, welke stappen zet het kabinet om de ontwikkeling en inzet van Europese alternatieven te stimuleren?
Ja, Defensie zet vanaf het ontstaan van 3D-printers en het vakgebied Additive Manufacturing, in op het samen met de kennisinstellingen onderzoeken van de mogelijkheden en onmogelijkheden van de technologie en de borging van de kennisbasis. Nationale en internationale samenwerking heeft geleid tot ontwikkeling van de technologie van TRL 1 tot en met TRL 9 niveau, zodat 3D printen in fabricage-, en onderhoudsprocessen wordt toegepast. Hierbij wordt opgemerkt dat het domein niet alleen bestaat uit de printer zelf, maar ook uit een ondersteunende wetenschappelijke basis bestaande uit onder andere materiaalkunde, system engineering en -design. Ook in NAVO-en EU/EDA-verband is projectmatig samengewerkt met bondgenoten. Op deze wijze wordt kennis gedeeld tussen landen en kan van elkaars ontwikkeling worden geprofiteerd. Om de defensie-specifieke kennis en innovatie rond dit onderwerp verder te versterken, heeft Defensie in samenwerking met MinEZK een innovatiecall gefinancierd, waarin 3D-printen ten behoeve van defensie toepassingen een van de focusonderwerpen is. Deze call ter waarde van € 3,8 miljoen is in juli door ChemistryNL gepubliceerd.
Overwegende dat de Verenigde Staten het gebruik van 3D-printers van strategische concurrenten zoals China voor militaire toepassingen aan banden hebben gelegd vanwege mogelijke veiligheidsrisico’s, kan de Minister toelichten waarom Nederland tot een andere risico-inschatting komt en welke afwegingen maken dat deze technologie hier wel wordt toegelaten binnen de krijgsmacht?
Defensie maakt altijd een risico-inschatting van de continuïteit van de leverancier en beperkt het risico van een dergelijke afhankelijkheid door het aanleggen van voorraden reservedelen, de aanschaf van en het (deels) in eigen beheer nemen van het onderhoud. Voor elke aanschaf worden daarbij afgewogen keuzes gemaakt, die per aanschaf kunnen verschillen. Defensie beveiligt haar data door het maken van contractuele afspraken, het beperken van operationele risico’s en het doorlopend onderzoeken van alternatieve leveringsmogelijkheden.
De technologie zelf (de software) is van Europese afkomst. De assemblagefabriek staat in China. Doordat de technologie Europees is, kan op een afgesloten netwerk worden gewerkt. Dit voorkomt dat de data op onveilige servers moet draaien. Deze printers worden niet gebruikt in Staatsgeheime trajecten of bij kritieke processen binnen Defensie. In dat geval gelden er specifieke eisen (zoals de ABRO – algemene beveiligingseisen Rijksoverheidsopdrachten) of kan apparatuur extra gecontroleerd worden op de aanwezigheid van spionage apparatuur. Defensie gebruikt deze printer voor het opdoen van kennis over een productietechniek van metaalprinten. Het betreft enkele stuks en geen productielijn, wat de eventuele overstap naar een ander systeem niet in de weg zit. De opgebouwde kennis wordt meegenomen bij eventuele toekomstige aanschaf. Bij een eventuele toekomstige aanschaf wordt ook bekeken waar de printer voor zal worden gebruikt en of er specifieke veiligheidseisen moeten worden gesteld aan de leverancier (en onderleverancier). In dat geval is het uitgangspunt strategische autonomie.
Het bericht dat Defensie scherfvesten wil afnemen van Chinees-Israëlische makelij |
|
Maes van Lanschot (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA), Herbert |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie binnen een bestaande raamovereenkomst met een Israëlisch bedrijf beschermende scherfvesten wil afnemen waarin Chinese vezels zijn verwerkt?1
Nee dat klopt niet. Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98) geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om met de Israëlische firma Elbit een contract te sluiten voor de levering van het smart vest, met hierin ballistische platen. In juni 2024 heeft Defensie een instandhoudingsovereenkomst getekend met deze leverancier met een looptijd van drie jaar. Binnen deze overeenkomst kan Defensie elk jaar ballistische beschermingsmiddelen afroepen voor de opbouw van haar voorraden.
Defensie heeft momenteel nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten, maar wacht een nieuw voorstel van Elbit af. In de huidige scherfvesten zijn Nederlandse supervezels verwerkt. Het voorstel van Elbit om Chinese supervezels te gebruiken is van de hand gewezen. Ook bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten wil Defensie dat Europese of Nederlandse supervezels worden gebruikt. Zodra hierover meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Defensie doet geen uitspraak over de verdere details uit lopende gesprekken met haar leveranciers en de specifieke gelden die met deze aanschaf zijn gemoeid. Hiermee beschermen we onze onderhandelingspositie en de commerciële belangen van de leverancier.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het voornemen uit de actieagenda «productie- en leveringszekerheid munitie en Defensiematerieel» van juni 2024, dat het mantra beste product, voor de beste prijs losgelaten wordt en dat de factor tijd en herkomst van het product – bij voorkeur Europees of Nederlands – zwaarder gaan meewegen?2
Het is een keuze van de hoofdleverancier bij welke sub-leverancier opdrachten worden uitgezet. Defensie controleert – naast de kwaliteitskeuring – of de gekozen sub-leverancier aan de contractueel overeengekomen voorwaarden voldoet en kan in voorkomend geval een voorkeur uitspreken over te contracteren sub-leveranciers door de hoofdaannemer. Defensie heeft momenteel nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten, maar wacht een nieuw voorstel van Elbit af. Hierbij is het uitgangspunt zijn dat gebruik wordt gemaakt van Europese supervezels, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken. Zodra hierover meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Het voor deze vraag relevante contract is getekend in juni 2024. In april 2025 lanceerden Defensie en EZK de DSII, binnen deze strategie is smart materials een van de vijf focusgebieden. Defensie ziet noodzaak om controle te kunnen uitoefenen op herkomst en productielocatie van supervezels. In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Hoe beoordeelt u de keuze voor Chinese sterke vezels in het licht van het rapport «Chemie en materialen voor Defensie», dat u onlangs met de Kamer heeft gedeeld?3
In de huidige scherfvesten die aan Defensie zijn geleverd zijn Nederlandse supervezels verwerkt. Verder wordt in de Kamerbrief «Kabinetsaanpak chemie en materialen voor Defensie4» het actieplan ter bescherming van de Nederlandse supervezelsindustrie benoemd. In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Wat is de totale looptijd van de genoemde raamovereenkomst met de Israëlische leverancier, op welke datum is deze ingegaan en wanneer loopt deze af? Welke verlengingsopties bevat de raamovereenkomst en onder welke voorwaarden kan Defensie daarvan gebruikmaken?
De raamovereenkomst voor de initiële levering van het smart vest is in 2015 getekend. In 2024 heeft Defensie een instandhoudingscontract getekend met de leverancier met een looptijd van drie jaar, dan eindigt het contract maar bestaat de mogelijkheid om het contract twee keer met twee jaar te verlengen. De raamovereenkomst geeft ruimte aan de leverancier om gedurende de looptijd voorstellen te doen om artikelen te verbeteren en door te ontwikkelen.
Welke juridische mogelijkheden heeft u om deze raamovereenkomst tussentijds te beëindigen, op te schorten of aan te passen wanneer sprake is van nieuwe strategische risico’s, zoals afhankelijkheid van Chinese materialen of onderdelen?
Deze overeenkomst loopt binnen een jaar af met de mogelijkheid om het contract twee keer met twee jaar te verlengen. Het voortijdig opzeggen van de raamovereenkomst zou betekenen dat Defensie niet tijdig kan beschikken over de benodigde scherfvesten om de juiste ballistische bescherming te bieden aan haar militairen en de groei van de krijgsmacht te faciliteren.
Bevat de raamovereenkomst bepalingen over de herkomst van kritieke materialen, ketentransparantie, leveringszekerheid en uitsluiting van leveranciers of grondstoffen uit risicolanden zoals China? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
In dit raamcontract was het gebruikmaken van een toeleverancier uit China niet uitgesloten. Defensie heeft momenteel nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten. Bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten waar Nederlandse supervezels in verwerkt zijn, wil Defensie dat Europese supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie). Defensie heeft het voorstel van Elbit tot gebruik van Chinese supervezels van de hand gewezen en wacht een nieuw voorstel van Elbit af. Zodra hierover meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd. Strategische autonomie is daarbij het uitgangspunt.
Is het gebruik van Chinese vezels door de leverancier vooraf aan u gemeld en door u goedgekeurd? Op welk moment bent u hiervan op de hoogte gesteld?
Ja, het voorgenomen gebruik van Chinese vezels – in plaats van de huidige Nederlandse supervezels – in een nog af te nemen hoeveelheid scherfwerende vesten is gemeld. Zoals toegelicht is Defensie in gesprek met Elbit over de herkomst van de door Elbit gebruikte supervezels. Gelet op de Europese herkomsteisen die Defensie samen met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken heeft geformuleerd, wil Defensie dat Europese supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie).
Herkent u de uitspraak van de Stichting Nederlandse industrie voor defensie en veiligheid (NIDV) dat Nederland juist op dit soort materialen over topbedrijven beschikt?
Ja.
In april 2025 lanceerden Defensie en EZK de DSII, binnen deze strategie is smart materials een van de vijf focusgebieden. Mede vanwege de wens van dit kabinet om Nederland autonomer te maken en ook de Nederlandse defensie-industrie te stimuleren werkt Defensie de implementatie van deze strategie op dit moment nader uit. Daarbij onderzoekt Defensie ook hoe om te gaan met lopende contracten en hoe de betrokkenheid van de Nederlandse en Europese industrie beter kan worden geborgd.
Zijn de Nederlandse en Europese partijen die de vesten, platen en daarvoor benodigde sterke vezels kunnen leveren benaderd door Defensie om ook mee te dingen naar deze opdracht? Zo nee, waarom niet?
Deze specifieke raamovereenkomst betreft de levering van onderdelen van het bestaande scherfwerende vest. Het gaat hier om een voorstel van de leverancier binnen de bepalingen van de lopende raamovereenkomst. Er heeft daarom geen nieuwe besluitvorming plaatsgevonden en er zijn geen andere partijen benaderd voor een nieuwe opdracht. Defensie onderwerpt het product wel aan nieuwe certificeringsproeven om zeker te stellen dat de kwaliteit van de platen aan de gestelde eisen voldoet. In de oorspronkelijke aanbesteding hebben ook Nederlandse en Europese partijen een offerte ingediend. Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om met de firma Elbit een contract te sluiten (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98).
Als deze Nederlandse en Europese partijen niet benaderd zijn, hoe weet u dan dat zij voor de beste oplossing hebben gekozen?
Zie antwoord vraag 9.
Is het binnen dit project mogelijk om alsnog te kiezen voor vesten en platen van Nederlandse of Europese makelij, met sterke vezels uit Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de afname van deze beschermende scherfvesten op te schorten totdat duidelijk is welke Nederlandse of Europese alternatieven beschikbaar zijn en welke risico’s kleven aan het gebruik van Chinese vezels?
Defensie is niet bereid om de afname binnen de huidige raamovereenkomst op te schorten, maar is in gesprek met Elbit. Daarbij wordt ook gesproken over de herkomst van de door Elbit gebruikte supervezels. Defensie heeft het voorstel van Elbit tot gebruik van Chinese supervezels van de hand gewezen. Opschorten betekent dat Defensie niet tijdig beschikking heeft over de benodigde scherfvesten om de juiste ballistische bescherming te bieden aan haar militairen en de groei van de krijgsmacht te faciliteren.
Hoe voorkomt het kabinet in het algemeen dat Nederland voor essentiële defensiematerialen afhankelijk wordt van productielocaties buiten Europa?
Het zekerstellen van leveringszekerheid en waar mogelijk voorkomen én verminderen van ongewenste strategische afhankelijkheden is een belangrijke prioriteit voor het kabinet, omdat deze afhankelijkheid een negatieve impact kan hebben op het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht. Daarom werken Defensie en EZK met de DSII aan de versterking van de NLDTIB. In het Nationaal Programma Defensie-Industrie en Innovatie wordt deze strategie verder geconcretiseerd en uitgevoerd.
In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Hoe wordt bij grote defensieorders geborgd dat Nederlandse bedrijven kunnen deelnemen aan de toeleveringsketen en dat kennis, innovatie en werkgelegenheid in Nederland behouden blijven?
Bij grote defensieorders kijken Defensie en Economische Zaken in een vroeg stadium naar de mogelijkheden voor deelname van de Nederlandse defensie-industrie, onder meer door marktconsultatie, industriële samenwerking en het betrekken van Nederlandse bedrijven in de toeleveringsketen. Het Industriële Participatiebeleid zorgt ervoor dat, indien we genoodzaakt zijn in het buitenland aan te schaffen, bijvoorbeeld omdat we de betreffende industrie zelf niet in huis hebben, de Nederlandse defensie-industrie en kennisinstituten toch betrokken worden bij de ontwikkeling, productie en instandhouding van deze defensieorders. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar directe levering, maar ook naar de bijdrage aan kennisontwikkeling, innovatie, onderhoud, productiecapaciteit en werkgelegenheid in Nederland. Het kabinet zet zich er daarnaast voor in dat Nederlandse bedrijven kunnen aansluiten bij internationale en Europese defensieprogramma’s, zodat de Nederlandse industriële basis wordt versterkt en de strategische autonomie van Nederland en Europa wordt vergroot.
Is het kabinet van mening dat de huidige aanbestedingsregels voldoende ruimte bieden om bij defensie-inkopen de strategische autonomie van Nederland en Europa mee te wegen?
Het kabinet zet zich in Europees verband in voor aanpassing van de aanbestedingsregels op defensie- en veiligheidsgebied, zoals aangegeven in de updates over versnellen van het inkoopproces5 en zoals recent verzocht met de motie van lid Peter de Groot (VVD)6.
Binnen de huidige (aanbestedings-)regelgeving laat Defensie bij de aanschaf van materieel, naast kwaliteit, prijs, levertijd ook strategische autonomie en leveringszekerheid van het materieel in toenemende mate meewegen.
In de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie heb ik uw Kamer geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Welke mogelijkheden benut u nu al om bij aanbestedingen leveringszekerheid, strategische autonomie en behoud van kritieke productiecapaciteit als gunningscriterium mee te wegen?
Zie antwoord vraag 14.
Is het kabinet bereid te onderzoeken hoe bij defensie-aanbestedingen meer gewicht kan worden toegekend aan productie, onderhoud en innovatie in Nederland of Europa, binnen de geldende Europese regelgeving?
Ja. Het Nationaal Programma Defensie Industrie & Innovatie zal hier verder invulling aan geven, in lijn met de gekozen focusgebieden in de Defensie Strategie voor Industrie & Innovatie, en conform de ambities uit het coalitieakkoord om 50% in Nederland en Europa aan te besteden. Zoals toegelicht, heb ik in de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie uw Kamer in dat verband geïnformeerd over de gekozen beleidslijn: «Defensie heeft, in goede afstemming met de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Buitenlandse Zaken, Europese herkomsteisen voor supervezels geformuleerd die worden ingezet bij aanbestedingen (of bij lopende contracten) voor militaire producten waar supervezels in verwerkt zijn. Uitgangspunt is gebruik te maken van Nederlandse of Europese leveranciers, tenzij hiervoor juridische belemmeringen zijn of er operationele redenen zijn om hiervan af te zien, waaronder onterechte prijsopdrijving door bedrijven die hier misbruik van maken.»
Is het kabinet bereid zich in Europees verband in te zetten voor aanpassing van de aanbestedingsregels, zodat lidstaten bij defensie-inkopen meer ruimte krijgen om strategische economische belangen en leveringszekerheid mee te wegen?
Zie antwoord vraag 14.
In hoeverre biedt de Industrial Accelerator Act ruimte voor bescherming en versterking van de binnenlandse defensie-industrie?
Het Commissievoorstel voor de Industrial Accelerator Act (IAA) bevat geen directe maatregelen voor de defensie-industrie, omdat dit voorstel primair is gericht op het versterken van de Europese industriële capaciteit in strategische (civiele) sectoren, zoals energie-intensieve industrieën, net-zero technologieën en de automotive sector. Het voorstel voor de IAA bevat wel verschillende instrumenten die industrie kunnen versterken, zoals de mogelijkheid om een Europees voorkeursprincipe toe te passen bij overheidsaanbestedingen en subsidieregelingen, strengere voorwaarden voor grote buitenlandse investeringen en versnelde vergunningprocedures, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de EU. Hoewel deze maatregelen niet specifiek op defensie industrie zijn gericht, versterken zij wel de Europese industriële basis en kunnen zij ook de productiecapaciteit van bedrijven vergroten die zowel civiele als militaire producten ontwikkelen (dual-use industrie). Daardoor kan ook de defensiesector indirect profiteren. De ruimte om specifiek de binnenlandse industrie te beschermen blijft echter beperkt, omdat de IAA is gericht op versterking van de Europese industriële basis als geheel, en niet nationaal gericht is.
Kunt u aangeven welke kansen u ziet om defensie-investeringen sterker te benutten voor de versterking van de Nederlandse maakindustrie en technologische kennisbasis?
De Nederlandse en Europese defensie-industrie en kennisbasis is cruciaal voor het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht. Zonder een sterke industriële basis kan Defensie niet tijdig beschikken over voldoende materiaal en onderhoudscapaciteit in een Hoofdtaak 1 scenario. Bovendien is een technologische voorsprong nodig om de tegenstander een stap voor te blijven. Daarom wil het kabinet ten minste 50% van het Defensiematerieel inkopen bij de Nederlandse en Europese industrie. Om hier concreet uitvoering aan te geven, werkt het kabinet aan een Nationaal Programma Defensie Industrie en Innovatie. Dit plan van aanpak wordt in Q4 van dit jaar met uw Kamer gedeeld.
Het bericht ‘Defensie zet zinnen op scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij, en dat schiet Nederlandse industrie in verkeerde keelgat’ |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Defensie zet zinnen op scherfvesten van Chinees-Israëlische makelij, en dat schiet Nederlandse industrie in verkeerde keelgat»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke Nederlandse leveranciers vergelijkbare vesten kunnen leveren en wat de eventuele verschillen daartussen zijn? Kunt u daarbij een vergelijking maken in levertijd, kosten, gewicht van de scherfvesten en de functionaliteit tussen de scherfvesten van Nederlandse makelaardij en die van de aangekochte Chinees-Israëlische materialen?
Op 4 juni 2015 is uw Kamer met de D-brief (Kamerstuk 34 000 X, nr. 98) van het project «Verbeterd Operationeel Soldaat Systeem (VOSS)» geïnformeerd over de uitkomst van de verwervingsvoorbereidingsfase en het voornemen om een contract te sluiten met de firma Elbit voor de levering van het smart vest. Het smart vest bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder ballistische platen.
Er zijn/waren geen Nederlandse leveranciers bekend die een volledig vest kunnen leveren. Defensie doet geen (openbaar) uitspraak over individuele leveranciers, omdat dit de commerciële belangen van de leverancier schaadt.
Kunt u aangeven welke verplichting de raamovereenkomst oplegt aan Defensie om nieuwe ballistische beschermingsmiddelen alleen bij deze leverancier af te nemen? Bevat de raamovereenkomst de harde verplichting dit te allen tijde bij deze leverancier te doen?
In juni 2024 heeft Defensie een instandhoudingsovereenkomst getekend met deze leverancier met een looptijd van drie jaar, inclusief de mogelijkheid om het contract twee keer twee jaar te verlengen. De raamovereenkomst omvat de levering van (onderdelen van) het bestaande smart vest. Onderdeel van deze overeenkomst is de juridische verplichting om deze producten gedurende de looptijd van de raamovereenkomst af te nemen bij de leverancier.
Bent u het ermee eens dat, gelet op de term «kan afnemen», uit de eigen verklaring van Defensie blijkt dat er geen verplichting bestaat om deze materialen bij deze leverancier aan te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Nee, Defensie deelt dit beeld niet wat betreft dit scherfwerende vest (zie het antwoord op vraag 3).
De raamovereenkomst omvat de mogelijkheid voor de leverancier om verbetervoorstellen in te dienen, wat hier het geval is. Deze ontwikkeling is nog niet getest en Defensie heeft nog geen keuze gemaakt over de afname van de doorontwikkelde ballistische platen. Voor dit deel geldt geen verplichting om deze doorontwikkelde platen te accepteren. Gedurende de looptijd van het contract kan Defensie wel of niet extra nieuwe producten afnemen; uitbreiding van hetzelfde product dient wel bij dezelfde leverancier te gebeuren. Bij een toekomstige aanschaf voor de vervanging van de huidige vesten waar Nederlandse supervezels in verwerkt zijn, wil Defensie dat Europese supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie). Het uitgangspunt daarbij is het zekerstellen van de strategische autonomie van Nederland.
Kunt u aangeven op welke gebieden Defensie nog meer raamovereenkomsten heeft waaruit dergelijke besluiten voort kunnen vloeien, terwijl er Nederlandse alternatieven beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Een raamovereenkomst is het resultaat van een genomen inkoopbesluit en wordt gekenmerkt door de mogelijkheid om gedurende de looptijd van de overeenkomst flexibel artikelen af te nemen. Defensie heeft verschillende goed lopende raamovereenkomsten, bijvoorbeeld voor de levering van klein kaliber munitie. In aanloop naar het sluiten van een dergelijke overeenkomst weegt Defensie, in lijn met de doelstellingen uit de DSII, de aspecten prijs, tijd, kwaliteit en herkomst mee.
Bent u het ermee eens dat bij enige juridische mogelijkheid deze opdracht alsnog aan een Nederlands bedrijf gegund moet worden en zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Nee, Defensie deelt deze opvatting niet. Dit is omdat Defensie tijdig de beschikking wil kunnen hebben over de benodigde ballistische platen en vesten om ballistische bescherming te bieden aan haar militairen en de groei van de krijgsmacht te faciliteren.
Defensie heeft nog geen keuze gemaakt over de afname van extra scherfvesten, maar wacht een nieuw voorstel van Elbit af. Defensie heeft het voorstel van Elbit tot gebruik van Chinese supervezels van de hand gewezen. Zoals toegelicht wil Defensie dat Europese supervezels worden gebruikt (in lijn met de doelstellingen van de DSII en de Kamerbrief Defensie actieplan Nederlandse supervezelindustrie).
Welke gevolgen heeft deze deal met China voor de Nederlandse bedrijven die in het kader van het Verbeterd Operationeel Soldaten Systeem (VOSS) ballistische beschermingsmaterialen produceren? Welke gevolgen heeft dit op het VOSS-project zelf?
Er is geen sprake van een deal met China. De leverancier heeft een voorstel gedaan om de bestaande platen te verbeteren en daarbij gebruik te maken van Chinese vezels. Zoals toegelicht is Defensie in gesprek met de leverancier over de herkomst van de gebruikte supervezels.
Hoe rijmt u de voor Nederlanders nieuwe belastingregels die per 1 juli 2026 van kracht zijn op Chinese aankopen, onder andere om de binnenlandse economie te ondersteunen, met het blijven aankopen van scherfwerende producten uit China, terwijl de Nederlandse industrie hier ook in kan voorzien?
De scherfvesten die Defensie heeft gekocht komen niet uit China. De invoerrechten van 3 EUR per goed voor zendingen onder de 150 EUR gelden voor goederen die via e-commerce worden gekocht. De aanschaf van scherfvesten valt niet onder deze regeling. Bij invoer van scherfvesten zijn de gebruikelijke douane-regels van toepassing.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat de verkorting van opleidingen heeft geleid tot een beperktere ervaringsopbouw van militairen, waardoor relatief jonge en onervaren militairen sneller onder verzwarende oorlogsnabootsende omstandigheden moeten oefenen terwijl zij daarvoor nog onvoldoende ervaring hebben opgebouwd, met als gevolg dat de veiligheid tijdens oefeningen onder druk komt te staan?1
Allereerst willen we benoemen dat de twee dodelijke ongevallen tijdens militaire oefeningen in 2025 ons diep hebben geraakt. Elk slachtoffer is er één teveel. Defensie blijft er alles aan doen om ongevallen te voorkomen.
Onze beoordeling van de conclusies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid uit het rapport «Oefenen in balans» en de maatregelen die hieruit volgen hebben wij, zoals toegezegd, verwoord in de beleidsreactie op dit rapport. Deze reactie hebben wij gelijktijdig met de antwoorden op deze vragen aan uw Kamer verzonden.
Op welke wijze zijn de gevolgen van het verkorten van de Algemene Militaire Opleiding van 18 naar 10 weken voor de veiligheid, inzetbaarheid en ervaringsopbouw van militairen vooraf beoordeeld? Kunt u de onderliggende risico- of veiligheidsanalyses met de Kamer delen? Indien dergelijke analyses niet zijn uitgevoerd, waarom niet?2
Wij beantwoorden deze vraag in samenloop met vraag 4.
Bent u bereid de verkorting van de Algemene Militaire Opleiding te heroverwegen of op te schorten totdat objectief is vastgesteld dat deze geen afbreuk doet aan de veiligheid, inzetbaarheid en ervaringsopbouw van militairen? Zo nee, hoe rechtvaardigt u dan dat Defensie vasthoudt aan deze verkorting, terwijl de Onderzoeksraad voor Veiligheid concludeert dat de beperkte ervaringsopbouw de veiligheid tijdens oefeningen onder druk zet en ook vanuit de praktijk is gewaarschuwd voor de gevolgen van de verkorte opleiding?
Zie het antwoord op vraag 1.
Welke initiële opleidingen, functieopleidingen of andere militaire opleidingen zijn in de afgelopen vijf jaar eveneens verkort? Kunt u per opleiding aangeven met hoeveel weken of dagen de opleidingsduur is verkort, wat daarvan de reden was, welke gevolgen vooraf zijn voorzien voor de kwaliteit van de opleiding, de ervaringsopbouw en de veiligheid van militairen, en de onderliggende risico- of veiligheidsanalyses met de Kamer delen? Indien dergelijke analyses niet zijn uitgevoerd, waarom niet?
Het opleidingslandschap in Defensie is voortdurend in beweging. Nieuwe opleidingen worden ontwikkeld, verouderde of overbodige opleidingen worden gestopt. Mede als gevolg van evaluaties worden opleidingen aangepast. Naast aanpassingen op de inhoud van een opleiding kan dit ook gevolgen hebben voor de duur van de opleiding. Defensie houdt geen centrale database van alle opleidingen bij. Defensie kent veel opleidingen, zo kent alleen het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) al meer dan 1300 verschillende opleidingen. Het is daarom niet mogelijk exact aan te geven welke opleidingen de afgelopen vijf jaar zijn verkort en wat hiervan de achterliggende redenen en gevolgen waren. Wel kunnen wij in algemene zin toelichten hoe opleidingen worden ontwikkeld en aangepast.
Nieuwe opleidingen worden via een eenduidig opgedragen systematiek ontwikkeld en uitgevoerd, waarbij voor elke opleiding eerst vastgesteld wordt wat het doel van de opleiding is, welke eisen daarbij behaald moeten worden en hoe de kwaliteit en veiligheid van de opleiding geborgd wordt. Door ontwikkelingen als de groeiopgave, nieuwe instroomsporen, nieuwe wapensystemen, lessen uit Oekraïne en de focus op hoofdtaak 1 worden opleidingen voortdurend aangepast. Bij wijzigingen van opleidingen voert Defensie een analyse uit op de impact van de wijziging van een opleiding. Hierbij wordt ook gekeken naar kwaliteits- en veiligheidsaspecten.
De aanpassingen aan opleidingen kunnen leiden tot een verkorting, maar ook een verandering of verlenging van de opleiding. Wij zetten erop in dat de mensen minder tijd doorbrengen in het opleidingsinstituut en meer tijd in de praktijk doorbrengen bij een eenheid. Een voorbeeld hiervan is de aanpassing van een tweetal initiële opleidingen binnen CLAS. Zo is voor de Algemene Militaire Opleiding (AMO – 18 weken, bedoeld voor manschappen) een volledig nieuwe Basisopleiding Koninklijke Landmacht (BOKL – 10 weken) in de plaats gekomen. Daarnaast is de Initiële Vorming Onderofficieren (IVO) in hoge mate modulair gemaakt, waardoor de duur verschilt van 2 tot 42 weken afhankelijk van de loopbaan, kennis en ervaring van de leerling. Beide aanpassingen maken niet alleen meer instroom mogelijk, maar faciliteren ook meer diverse instroomsporen.
Deelt u de opvatting dat het realiseren van de personeelsgroei bij Defensie nooit belangrijker mag zijn dan het opleiden van goed voorbereide, ervaren en veilig inzetbare militairen? Zo ja, welke concrete aanvullende maatregelen gaat u, naast de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, nemen om de kwaliteit van de opleidingen, de ervaringsopbouw en de veiligheid van nieuwe militairen structureel te versterken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
De door Defensie georganiseerde Keti Koti-deugbijeenkomsten |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door Defensie georganiseerde Keti Koti-bijeenkomst in het Wereldmuseum Amsterdam?1 Hoeveel belastinggeld heeft deze bijeenkomst in totaal gekost? Kunt u dit uitsplitsen naar onder meer de kosten voor de locatie, catering, organisatie, de vergoedingen aan de dagvoorzitter(s), sprekers en artiesten, alsmede de personele inzet van Defensie, waaronder het aantal betrokken medewerkers en de daaraan bestede diensturen?
Ja, ik ben bekend met de door Defensie georganiseerde Keti Koti-bijeenkomst op 25 juni jl. in het Wereldmuseum te Amsterdam. Hierbij waren in totaal 350 medewerkers aanwezig. Voor deze bijeenkomst is in totaal bedrag van
€ 49.857,00 uitgegeven, waarbij de onderverdeling als volgt is:
Locatie € 26.363,50
Catering € 23.493,50
Organisatie € 0,–
Dagvoorzitters € 0,–
Klopt het dat de Staatssecretaris van Defensie aanwezig was bij deze Keti Koti-bijeenkomst? Zo ja, had de Staatssecretaris echt niets beters te doen dan aanwezig te zijn bij deze deugbijeenkomst? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik was aanwezig bij de genoemde Keti Koti-bijeenkomst en neem uitdrukkelijk afstand van het woord «deugbijeenkomst». Mijn aanwezigheid had een duidelijk doel: het tonen van respect voor de herdenking, het bevorderen van diversiteit en inclusie binnen Defensie en het stilstaan bij het einde van de slavernij.
Bij welke andere Keti Koti-herdenkingen, -vieringen, -diners, -lezingen, -dialogen of andere activiteiten is Defensie dit jaar betrokken geweest, dan wel heeft Defensie deze georganiseerd of financieel of organisatorisch ondersteund? Kunt u per activiteit aangeven wat de financiële kosten waren, hoeveel defensiepersoneel en diensturen hiervoor zijn ingezet en welke externe personen of organisaties hiervoor zijn betaald?
Er is één Defensiebrede Keti Koti viering geweest. Er zijn geen andere interne vieringen binnen Defensie geweest. Ook zijn er geen andere vieringen geweest waar Defensie financieel aan heeft bijgedragen.
Deelt u de mening dat Defensie zich in een tijd van (hybride) oorlogsdreiging, grote personeelstekorten, materieeltekorten en achterstallig onderhoud moet richten op de verdediging van Nederland in plaats van op deugbijeenkomsten over diversiteit, inclusie en kolonialisme? Bent u bereid te stoppen met het organiseren en faciliteren van dergelijke deugbijeenkomsten? Zo nee, waarom niet?
Defensie heeft, net als het Rijk, Keti Koti op de kalender van betekenisvolle dagen staan. Een Keti Koti-viering is geen «deugbijeenkomst», maar past juist bij een moderne en diverse krijgsmacht. Niet alleen omdat deze activiteit bijdraagt aan een meer inclusieve organisatie (en daarmee aan het werven en behouden van personeel), maar ook met het oog op de uitkomsten van het debat over het Slavernijverleden in juli 2025 en de moties die daaruit voortkwamen. Aandacht voor de verschillende belangrijke culturele, religieuze of andere aandachtsdagen draagt eraan bij dat mensen zich thuis voelen bij de organisatie en versterkt onderling begrip, wederzijds respect en culturele sensitiviteit. Defensie besteedt daarom ieder jaar aandacht aan verschillende evenementen en bijzondere dagen zoals internationale vrouwendag, 4 en 5 mei, Keti Koti en coming out day.
De mogelijke financiering van langeafstandskruisvluchtwapens voor Oekraïne |
|
Geert Wilders (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Nederland de productie financiert van circa 700 Ruta Block 2-kruisvluchtwapens voor Oekraïne, zoals de Oekraïense Minister Mykhailo Fedorov publiekelijk heeft verklaard?1
Zoals aangegeven in het verslag van de NAVO Defensie Ministeriële (DMM) en Ukraine Defence Contact Group(UDCG) dat op 30 juni jl. met uw Kamer is gedeeld (Kamerstuk 2026D33840), zal Nederland € 250 miljoen aan in Nederland geproduceerde one-way-attack-drones aan Oekraïne leveren. Deze middenlaag kruisvluchtwapens met een verlengde dracht stellen Oekraïne in staat om versterkte doelen in de diepte aan te grijpen. De Kamer heeft herhaaldelijk opgeroepen om bij het uitblijven van de levering van Taurus-raketten Duitsland te attenderen op de ontsluiting van dit soort capaciteit. Met de aanschaf van dit soort wapens voor Oekraïne geeft Defensie gehoor aan deze oproepen.
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, waarom is zowel tijdens de persconferentie van 17 juni 2026 als in het officiële persbericht van Defensie uitsluitend gesproken over «drones», terwijl de fabrikant de Ruta Block 2 aanduidt als een «cruise system» (kruisvluchtwapen)? Bent u van mening dat u de Tweede Kamer en de Nederlandse samenleving daarmee juist en volledig heeft geïnformeerd?2
Aangaande de stand van zaken omtrent de levering van militaire steun aan Oekraïne wordt uw Kamer middels de Kamerbrief update levering militaire goederen periodiek geïnformeerd. Hierbij wordt tevens een vertrouwelijke bijlage verzonden die uw Kamer de mogelijkheid geeft om in meer detail inzicht te krijgen in de leveringen dan in het publieke domein door Defensie wordt gecommuniceerd. Gelet op de wens om uw Kamer goed geïnformeerd te houden, is in het verslag van de DMM en de UDCG een verdere toelichting verstrekt over het recente militaire steunpakket dat in aanloop naar deze bijeenkomsten is vormgegeven en aangekondigd.
Beschouwt u de Ruta Block 2 als een drone, een kruisvluchtwapen of een andere wapencategorie? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Russische agressieoorlog tegen Oekraïne heeft door de snelle innovatiecyclus de lijn tussen drones en wat wij binnen de NAVO verstaan onder kruisraketten en kruisvluchtwapens doen vervagen. De one-way-attack drone (OWA) Ruta Block 2 kan zowel als een onbemenst systeem (drone) en als een kruisvluchtwapen gekarakteriseerd worden.
Waarom heeft u ervoor gekozen de Tweede Kamer en de Nederlandse samenleving niet expliciet openbaar te informeren dat Nederland de productie financiert van langeafstandskruisvluchtwapens voor Oekraïne?
Uw Kamer wordt middels de Kamerbrief update levering militaire goederen en bijbehorende vertrouwelijke bijlage periodiek geïnformeerd over de stand van zaken omrent militaire leveringen aan Oekraïne. Daarnaast is uw Kamer in het verslag van de DMM en UDCG verder geïnformeerd over het nieuwe Nederlandse steunpakket van € 500 mln. Gelet op het belang van operationele veiligheidsoverwegingen, evenals de belangen van betrokken derde partijen, zoals internationale partners en het bedrijfsleven, maakt Defensie continue afwegingen in hoeverre openbaarmaking mogelijk is. Uw Kamer is meest recentelijk via de leveringenbrief geïnformeerd op 2 juli (Kamerstuk 22 054, nr. 486).
Bent u bereid de Tweede Kamer alsnog openbaar en ondubbelzinnig te informeren over de aard van de door Nederland voor Oekraïne gefinancierde wapensystemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Realiseert u zich hoe abject uw megagiften aan Oekraïne zijn, terwijl de Nederlandse bevolking grote bezuinigingen op de zorg en de sociale zekerheid te wachten staan op grond van uw coalitieakkoord en er dankzij uw wanbeleid jaarlijks miljarden euro's naar islamitische gelukzoekers gaan? Zo ja, bent u nog helemaal bij zinnen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zich bewust van de omvang en gevolgen van de steun die Nederland aan Oekraïne verleent. Deze steun is echter geen onverantwoorde uitgave, maar een noodzakelijke investering in de veiligheid van Nederland en Europa. De Russische agressie tegen Oekraïne raakt rechtstreeks aan de Europese veiligheidsorde. Oekraïne in staat stellen zich daartegen te verdedigen, verkleint het risico dat de Russische dreiging zich verder richting de Europese buitengrenzen verplaatst. Indien de Russische dreiging, zowel in Oekraïne als aan de bredere Oostflank, niet van een duidelijk antwoord wordt voorzien, zullen de defensie-uitgaven mogelijk nog verder moeten stijgen.
Daarbij heeft de samenwerking met Oekraïne ook concrete meerwaarde voor Nederland, onder meer door het uitwisselen van operationele lessen, het versterken van onze defensie-industrie en gezamenlijke innovatie.
Het kabinet is zich tegelijkertijd bewust van de noodzaak om publieke middelen zorgvuldig en doelmatig in te zetten. Dat geldt voor iedere uitgavenpost, waaronder defensie, zorg, sociale zekerheid en internationale steun. Van «wanbeleid» is dan ook geen sprake. Het kabinet maakt bewuste keuzes die noodzakelijk zijn om de veiligheid, weerbaarheid en financiële houdbaarheid van Nederland op lange termijn te waarborgen.