Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Hoe beoordeelt u de constatering van de directeur van Fire Point dat de Nederlandse vergunningsprocedures aanvoelen als «rennen met een loodzware rugzak», mede in het licht van de toezegging van de Minister-President om flink te investeren in de gezamenlijke productie van drones?
Herkent u (de Minister van Defensie) het beeld dat bureaucratie een belemmering vormt voor de vestiging en opschaling van de defensie-industrie in Nederland? Is dit een knelpunt dat specifiek speelt bij de productie van drones en aanvalswapens, of herkent u dit bij de defensie-industrie in den brede?
Welke stappen onderneemt u om defensie-innovatiebedrijven uit landen als Oekraïne, die onder oorlogsomstandigheden een ongekend innovatietempo hebben ontwikkeld, te laten aansluiten op het Nederlandse defensie-ecosysteem zonder dat zij vastlopen in vergunningsstelsels die op vredestijd zijn ingericht?
Welke concrete stappen heeft u sinds uw aantreden gezet om vergunningsprocedures voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland te versnellen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de doorlooptijd van vergunningen voor de productie van drones?
Lopen er op dit moment initiatieven om het vestigingsklimaat voor defensie-innovatiebedrijven in Nederland gericht te verbeteren? Zo ja, welke zijn dat en op welke termijn verwacht u daar resultaat van?
Hoe verloopt de afstemming tussen de Ministeries van Defensie en van Economische Zaken en Klimaat over het wegnemen van knelpunten voor de defensie-industrie? Welk departement heeft hierbij de regie?
Bent u bereid om, naar Deens voorbeeld, een versnelde vergunningprocedure in te richten specifiek voor defensie-innovatiebedrijven die willen produceren in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat Nederland achter landen als Denemarken aanloopt als vestigingsland voor defensie-innovatie, gegeven het feit dat Denemarken bewust regelgeving heeft aangepast aan de urgentie van de huidige veiligheidssituatie?
Hoe staat het met de operationalisering van het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?
Kunt u een tijdlijn geven voor de oprichting van de Nederlandse Defensie Innovatie Autoriteit naar het voorbeeld van het Amerikaanse Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA)?
Bent u bereid om een concreet plan van aanpak met de Kamer te delen waarin de knelpunten voor de vestiging en opschaling van defensie-industrie in Nederland worden geïnventariseerd en weggenomen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne niet naar Nederland komt vanwege te veel bureaucratie |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het dat het Oekraïense bedrijf Fire Point, dat volgens het item van Nieuwsuur interesse had om delen van de productie naar Nederland te brengen, daar nu van afziet omdat de bureaucratie in Nederland te zwaar en te traag zou zijn?1
Herkent u het beeld dat het in Nederland in sommige gevallen anderhalf jaar kan duren voordat een defensiebedrijf een productielijn mag opzetten? Zo ja, welke vergunningen, procedures en toetsingen zijn daarbij in de praktijk meestal de oorzaak van de vertraging?
Klopt het dat de Oekraïense droneproducent Fire Point heeft afgezien van vestiging in Nederland vanwege complexe regelgeving en langdurige vergunningstrajecten?
Beschouwt u het niet doorgaan van deze vestiging als een gemiste kans voor de Nederlandse defensiecapaciteit, de ontwikkeling van de defensie-industrie en het opdoen van kennis en expertise op het gebied van drone-innovatie?
Deelt u de analyse dat de snelheid van innovatie cruciaal is, gezien het feit dat militaire technologie in Oekraïne zich binnen maanden ontwikkelt en al heel snel veroudert? Zo ja, hoe wordt het inkoopproces van Defensie erop ingericht om innovatie te stimuleren en belonen?
Welke concrete stappen zet het kabinet om Nederland aantrekkelijker te maken voor internationale defensiebedrijven, met name op het gebied van drones en andere innovatieve, hightech wapensystemen?
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande procedures nog passend zijn bij de huidige veiligheidssituatie?
Welke rol spelen bankgaranties, voorfinanciering, auditvereisten en andere financiële waarborgen momenteel bij het vertragen van samenwerking met Oekraïense defensiebedrijven?
Bent u bereid om, waar verantwoord en juridisch mogelijk, standaard ruimer gebruik te maken van voorfinanciering of andere versnelde financieringsvormen als alternatief voor trage of belemmerende bankgaranties?
In hoeverre acht u het wenselijk dat andere Europese landen, zoals Denemarken, sneller kunnen schakelen door regelgeving aan te passen, terwijl Nederland hierin achterblijft? Heeft u in kaart gebracht welke regels of procedures in Denemarken anders worden toegepast dan in Nederland?
Het bericht ‘Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, ‘te veel bureaucratie’’ |
|
Claire Martens-America (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Herbert , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grootste dronebouwer van Oekraïne komt niet naar Nederland, «te veel bureaucratie»»?1
Deelt u de mening dat het cruciaal is voor de Nederlandse veiligheid én voor onze economische groei dat wij koplopers op het gebied van defensietechnologie, zoals de Oekraïense drone-industrie, faciliteren om zich in Nederland te vestigen?
In hoeverre belemmert de huidige Nederlandse terughoudendheid bij de productie van aanvalswapens en -munitie volgens u de samenwerking met innovatieve Oekraïense partners?
Hoe beoordeelt u het feit dat dit bedrijf de Nederlandse bureaucratie omschrijft als «rennen met een loodzware rugzak»?
Wat is uw reactie op de uitspraak van de directeur van Fire Point dat hij in Oekraïne in twee dagen een nieuwe productielijn opzet, terwijl hij in Europa (en Nederland) veel te veel tijd kwijt is aan papierwerk?
Deelt u de analyse van de Oekraïense inspecteur-generaal Myronenko dat traditionele militaire bureaucratie «de grootste vijand van innovatie» is?
Kunt u specifiek toelichten welke Nederlandse of Europese regels en vergunningsplichten (zoals op het gebied van exportcontrole, milieu of ruimtelijke ordening) in dit concrete geval de grootste hindernis vormden voor de vestiging van deze dronebouwer?
Is er vanuit de Ministeries van Defensie of Economische Zaken en Klimaat direct contact geweest met Fire Point om de specifieke knelpunten te achterhalen? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst? Zo nee, waarom niet?
Zijn er na de afwijzing door Fire Point nog extra pogingen ondernomen vanuit de overheid of regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) om het bedrijf alsnog te faciliteren in Nederland?
Bent u bereid om alsnog proactief het gesprek aan te gaan met Fire Point om te bezien of en op welke manier bureaucratische belemmeringen weggenomen kunnen worden, zodat vestiging in Nederland alsnog mogelijk wordt?
Wat is uw reactie op het feit dat Denemarken volgens de dronebouwer wel bereid was om regels «overboord te gooien» om snel zakendoen mogelijk te maken?
Welke lessen trekt u uit de Deense aanpak om het Nederlandse vestigingsklimaat voor defensiebedrijven concurrerender te maken?
Bent u bereid om, gezien de noodzaak tot economische groei en versterking van de defensiesector, de vergunningsprocedures voor de defensie-industrie drastisch te versnellen? Bent u bereid om bij de aankomende Vereenvoudigingswet hiervoor concrete vereenvoudigingen door te voeren?
Welke (verdere) concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat (militaire) innovaties worden vertraagd, terwijl deze essentieel zijn voor het overleven van onze bondgenoten en onze eigen veiligheid?
Kunt u de Kamer informeren over de huidige status van de gesprekken met Oekraïense defensiebedrijven en de resultaten die tot nu toe zijn geboekt?
Het Argos-bericht 'Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Derk Boswijk (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen» van Argos?1
Ja.
In uw Kamerbrief (Kamerstuk 36 592, nr. 60) geeft u aan: «Bij wijze van uitzondering en omdat ik in deze casus extra waarde hecht aan transparantie, informeer ik uw Kamer vooraf.» Klopt het dat u tot een brief over bent gegaan na vragen van Argos? Zo nee, waarom maakt u dan deze uitzondering?
Het besluit om de Kamer vooraf te informeren is gemaakt omdat ik voornemens ben om een Letter of Acceptance (LOA) te tekenen op 8 april aanstaande en zoals in de brief vermeld, waarde hecht aan transparantie en het tijdig informeren van de Kamer.
Welke commitment geeft Nederland aan het CCA-programma, nu en in de toekomst, bij het tekenen van de letter of acceptance?
Defensie gaat met het tekenen van de LOA een eenmalige verplichting aan richting de Amerikaanse overheid in de bandbreedte 50–250 miljoen2. Daarmee krijgen Defensie en betrokken kennisinstellingen TNO en NLR als deelnemer aan het programma kennis en toegang tot data over het CCA testprogramma.
In hoeverre zullen de vergaarde kennis en onderzoeksresultaten uit dit programma intellectueel eigendom zijn van de Nederlandse overheid?
Het programma deelt de experimentele data en analyses van het Amerikaanse testprogramma CCA met Nederland. Op grond van de LOA worden nadere samenwerkingsafspraken, onder andere op gebied van intellectueel eigendom, uitgewerkt.
Op welke manier zullen de vergaarde kennis en onderzoeksresultaten later gebruikt kunnen worden ter bevordering van een Europees alternatief?
De opgebouwde kennis stelt Defensie in staat om in de toekomst beter geïnformeerde afwegingen te maken t.a.v. toekomstige materiaalverwerving. En geeft Nederland de mogelijkheid om beter geïnformeerd in eventuele andere Europese programma's te kunnen deelnemen, indien dit opportuun is in de toekomst.
Kunt u aangeven waarvoor het benodigde budget van € 50–100 miljoen wordt gebruikt?
Om als partner in het Amerikaanse programma deel te nemen, betaalt Defensie een Buy in Fee in de vorm van een financiële bijdrage. Defensie en betrokken kennisinstellingen TNO en NLR krijgen als deelnemer aan het programma kennis en toegang tot data over CCA.
Bent u voornemens om twee testtoestellen aan te schaffen?
Door Defensie worden geen testtoestellen aangeschaft, maar wordt toegang verkregen tot het Amerikaanse CCA-programma.
Oorspronkelijk, voorafgaand aan het ondertekenen van de LOI op 16 oktober 2025, ging Defensie er vanuit dat deelname aan het onderzoeksprogramma mogelijk was door middel van aanschaf van twee testtoestellen. Dit bleek anders, zoals ook in de LOA is verwoord. Er is door de Verenigde Staten gevraagd om een financiële bijdrage ter hoogte van de aankoop van twee testtoestellen voor deelname aan het CCA programma, waarna Nederland de beschikking krijgt over de testdata en analyse. De testtoestellen blijven eigendom van de Verenigde Staten.
Waarom is de Kamer in de voorgaande Kamerbrief (Kamerstuk 36 592, nr. 56) over CCA niet ingelicht over het aanschaffen van testtoestellen?
Het aanschaffen van testtoestellen is niet aan de orde, zie vraag 7.
Worden er binnen het ministerie momenteel al vervolgstappen besproken om het inkooptraject van het CCA te vorderen, naast het aanschaffen van de twee testtoestellen? Zo ja, welke?
Nee, daar is hier geen sprake van.
Op basis van welke gronden kan de Nederlandse overheid nog uit het project stappen?
Na ondertekening van de LOA zullen nadere afspraken gemaakt worden over de inrichting van de Nederlandse deelname middels een Project Arrangement. Volgens de LOA is het mogelijk om uit het project te stappen met inachtneming van annuleringskosten. De details van de annuleringsgronden- en kosten staan in de LOA toegelicht en zijn commercieel vertrouwelijk.
Welke afspraken zijn daaromtrent gemaakt en welke kosten zijn daarmee gemoeid?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de zorg dat de verdere integratie van CCA met de vijfde generatie jachtvliegtuigen onze afhankelijkheid van het Amerikaanse defensie-ecosysteem vergroot? Waarom wel, waarom niet?
De doorontwikkeling van het vijfde generatie jachtvliegtuig staat los van Nederlandse deelname aan dit Amerikaanse CCA programma. Nederland maakt op dit moment geen aanschafkeuze in onbemenste jachtvliegcapaciteit.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is, gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen, dat Nederland verder geïntegreerd raakt in het Amerikaanse defensie-ecosysteem? Indien u deze zorg deelt, kunt u dan uitleggen hoe deze verdere integratie bijdraagt aan het onafhankelijker worden?
Als Nederland en Europa nemen we meer verantwoordelijkheid t.a.v. onze veiligheid en de verdediging van ons eigen continent. In het regeerakkoord is afgesproken om afhankelijkheden van buiten Europa af te bouwen en dat we voorop blijven in het toewerken naar een versterkte Europese pijler binnen de NAVO. Het Kabinet streeft daarom naar een meer gelijkwaardige trans-Atlantische relatie en een meer evenwichtige verdeling van de lasten binnen de NAVO. Echter houdt Defensie belang bij materieel- en industriesamenwerking met de VS, omdat we op bepaalde capaciteitsgebieden voorlopig afhankelijk zijn van kennis, onderdelen en ondersteuning vanuit de VS.
Bent u ermee bekend dat Anduril nauw samenwerkt met Palantir?
Ja.
Bent u bekend met de uitspraken van Anduril CEO Palmer Luckey: «So, to me, there's no moral high ground in using inferior technology, even if it allows you to say things like, «We never let a robot decide who lives and who dies,»» en van Palantir CEO Alex Karp «I love the idea of getting a drone and having light fentanyl-laced urine spraying on analysts that tried to screw us.»? In hoeverre bent u comfortabel met het uitbesteden van onze AI-defensiecapaciteiten aan deze personen?
Met deelname aan het programma wil Defensie kennis en data vergaren voor de mogelijke aanschaf, integratie en inzet van CCA in de verdere toekomst. Het gaat hier niet over het uitbesteden van defensiecapaciteiten. Daarnaast ga ik niet in op uitspraken van personen die geen betrekking hebben op CCA of de overeenkomst die ik van plan ben te sluiten met de Amerikaanse overheid.
Kunt u reflecteren op de uitspraak over Palantir van Italiaanse onderzoeker Francesca Bria in Follow the Money: «Het is een arm van de Amerikaanse veiligheidsstaat: een particulier instrument van geopolitieke macht. Als Europese overheden hun tools kopen, kopen ze niet alleen software: ze geven soevereiniteit op. Als je in zo’n bedrijf investeert, financier je de oorlog tegen Europese democratie.»?
Er is geen sprake van aanschaf van Amerikaans materiaal, enkel deelname aan een programma. Hiermee kan Defensie de benodigde kennis en data vergaren om later de juiste investeringskeuzes te kunnen maken. Door deelname aan het Amerikaanse programma, vergaren we ook kennis die we in Nederland en in Europees verband kunnen benutten of inzetten. Binnen het programma krijgen de kennisinstituten TNO en NLR mogelijkheden voor samenwerking, het opdoen van de nodige kennis en het vergaren van data.
Hoe verhoudt de samenwerking met deze bedrijven zich tot de verklaring over het gebruik van AI op Responsible AI in the Military Domain (REAIM), welke Nederland wel en de VS niet getekend hebben?
De software is gebaseerd op een open architectuur en geen eigendom van betrokken bedrijven, maar van de Amerikaanse overheid. Defensie behoudt de mogelijkheid om in samenwerking met de Nederlandse en Europese kennisinstellingen en industrie software te ontwikkelen conform de verklaring over Responsible AI in the Military Domain (REAIM).
Hoe verhoudt de samenwerking zich met de uitspraken van Pete Hegseth, Amerikaanse Minister van Oorlog: «De AI van het Ministerie van Oorlog zal niet woke zijn.» en «Geen domme gevechtsregels, geen moeras van natie-opbouw, geen oefening in het bouwen van democratie, geen politiek correcte oorlogen»?
Defensie voert zijn activiteiten op het gebied van AI uit conform de verklaring over Responsible AI in the Military Domain.
Heeft het ministerie contact gezocht met Italië, het Verenigd Koninkrijk, dan wel met Japan, om te verkennen wat hun plannen zijn voor onbemenste vliegtuigen en of Nederland daaraan kan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Defensie doet sinds 2023 onderzoek en heeft veelvuldig informeel contact gehad met verschillende partijen. Hieruit blijkt o.a. dat het Global Combat Air Program (GCAP) in een conceptstadium zit met een initiële focus op bemenste zesde generatie vliegtuigen als opvolger van de vierde generatie jachtvliegtuigen van Italië, het Verenigd Koninkrijk en Japan. Dit past nu niet bij de wens van Defensie om kennis te vergaren over onbemenste gevechtsvliegtuigen en daarom is niet formeel de vraag gesteld voor samenwerking.
In de Kamerbrief van 19 maart schrijft u dat: «[twee Europese samenwerkingsprogramma’s] bieden op dit moment geen mogelijkheden tot deelname aan een kennis- en innovatieprogramma voor onbemenste gevechtsvliegtuigen.»; waarom heeft u er niet voor gekozen om deze in samenwerking met andere landen op te zetten en in plaats daarvan uit te wijken naar de Amerikanen?
Defensie verkent de mogelijkheden van deelname aan programma’s in de ontwikkeling van onbemenste systemen binnen en buiten Europa in het MOBIUS project, zoals vermeld in Kamerstuk 36 592 nr.60. Het doel is waar mogelijk kennis en ervaring op te doen, om in de toekomst beter geïnformeerde materiaalverwerving te kunnen doen. Het Amerikaanse CCA programma biedt nu de kans om kennis, data en analyses in de concept, test en ontwikkelfase te vergaren. Overige programma’s bieden dit vooralsnog niet, maar blijven nauwlettend gevolgd worden.
Kunt u deze vragen apart en voor 8 april 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen’ |
|
Michelle Jagtenberg (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nederland wil Amerikaanse onbemenste gevechtsvliegtuigen vol AI aanschaffen»?1
Ja.
Hoe voorziet u, naast toetreding tot het Amerikaanse CCA-programma, concreet aan te sluiten op Europese ontwikkelingen? Kunt u een plan van aanpak aan de Kamer verstrekken?
In de brief van 19 maart jl. (Kamerstuk 36 592 nr. 60) is toegelicht dat Defensie door deelneming in het CCA-programma nu concrete kansen kan benutten voor het opdoen van kennis tijdens de fase van test, onderzoek en ontwikkeling van onbemenste gevechtsvliegtuigen die kunnen samenwerken met bemenste jachtvliegtuigen. De twee genoemde grotere internationale samenwerkingsprogramma’s voor toekomstige jachtvliegtuigen, waar eventuele onbemenste gevechtscapaciteit onderdeel van uitmaakt, zijn in een beginstadium en bieden deze mogelijkheden (nog) niet. Dit neemt niet weg dat Defensie in het programma MOBIUS de mogelijkheden blijft verkennen van deelname aan andere programma’s voor kennisopbouw en ontwikkeling van dit soort systemen, wereldwijd en specifiek in Europees verband. Defensie werkt daarnaast in NAVO en in EU-verband en bilateraal met verschillende partners nauw samen op kennis- en innovatiegebied in het luchtdomein en wisselt in dit kader informatie uit over het opzetten van kansrijke projecten en initiatieven, waaronder op de gebieden van onbemenste systemen en autonomie.
Wat betreft de ambitie om aan te sluiten op Europese alternatieven; hoe gaat u om met het risico dat het ene Europese alternatief, «Future Combat Aircraft System» met daarbij behorende onbemenste systemen («Remote Carriers»), zo goed als stukgelopen is, en het andere Europese alternatief «Global Combat Air Program» zich met name richt op een volgende generatie bemenste jachtvliegtuig?
Geïntegreerde onbemenste luchtsystemen kunnen de effectiviteit van bemenste gevechtsvliegtuigen aanzienlijk vergroten en zijn sneller en goedkoper te produceren dan traditionele bemenste gevechtsvliegtuigen. De ontwikkelingen gaan snel en het is daarom aannemelijk dat bestaande trajecten van Europese landen worden doorontwikkeld of aangevuld met nieuwe initiatieven voor de toekomstige integratie van onbemenste luchtsystemen. Door deelname aan het Amerikaanse programma kan Defensie nu kennis vergaren waarmee we voorop lopen in deze ontwikkeling. Dit kan ook van nut zijn bij eventueel toekomstige deelname aan programma’s met Europese partners.
De wet- en regelgeving voor het gebruik van kunstmatige intelligentie bij militaire inzet staat nog in de kinderschoenen; wat is uw plan als de kunstmatige intelligentie in het Amerikaanse CCA-programma niet aansluit op Europese of Nederlandse standaarden? Hoe gaat u om met de risico’s? Bent u voornemens om, indien het niet aansluit, zelf alternatieven binnen Europese standaarden te ontwikkelen?
Het Amerikaanse CCA programma ontwikkelt de software in een open architectuur. Defensie behoudt de mogelijkheid om in samenwerking met de Nederlandse en Europese kennisinstellingen en industrie software te ontwikkelen conform Nederlandse dan wel Europese standaarden.
In uw recente Kamerbrief van 19 maart 2026 (Kamerstuk 36 592, nr. 60) schrijft u mogelijkheden te onderzoeken om de Nederlandse innovatieve industrie aan te laten sluiten bij de ontwikkeling van CCA in de toekomst; bent u bereid te verkennen of Nederland het voortouw kan nemen in de Europese ontwikkeling van onbemenste systemen zoals «Collaborative Combat Aircraft» of «Remote Carriers», overwegende dat dit complementair kan zijn aan huidige internationale initiatieven en de kennis en kunde in Nederland beschikbaar is?
Defensie verkent de mogelijkheden van deelname aan programma’s in de ontwikkeling van onbemenste systemen binnen en buiten Europa in het MOBIUS project. Deelname aan het Amerikaanse CCA programma biedt unieke kansen op kennisopbouw om deze verkenning zorgvuldig uit te kunnen voeren.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Rechtspositie reservisten is juridisch mijnenveld voor werkgever en werknemer’ |
|
Fatimazhra Belhirch (D66), Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Derk Boswijk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rechtspositie reservisten is juridisch mijnenveld voor werkgever en werknemer»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de huidige aanpak onvoldoende rechtszekerheid biedt voor zowel reservisten als werkgevers? En herkent u het beeld dat de inzet van reservisten bij Defensie in de praktijk neerkomt op een dubbele rechtspositie, terwijl verantwoordelijkheden en risico’s niet eenduidig zijn geregeld? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de voorgenomen opschaling van het aantal reservisten?
In het arbeidsrecht geldt in beginsel het uitgangspunt dat werkgever en werknemer afspraken maken over de inzet als reservist bij Defensie. Gelet op de rol van de reservist tot nu toe waren die afspraken meestal afdoende. De rol en inzet van de reservist wordt echter groter en verandert van karakter. Dat vraagt om meer duidelijkheid over de rechten en plichten van de reservist, van de civiele werkgever en van Defensie als militaire werkgever. Veelal hebben reservisten daarbij twee werkgevers, waarbij de civiele werkgever de primaire werkgever is. Dat kan in bepaalde situaties tot onduidelijkheid leiden over rechten en plichten.
Daarom tref ik samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en met werkgevers- en werknemersorganisaties voorbereidingen om de rechtspositie van reservisten in hun arbeidsrelatie met hun civiele werkgever én met Defensie te verduidelijken en waar nodig te verbeteren.
Kunt u aangeven in welke sectoren de knelpunten rond loondoorbetaling, vervanging en rechtszekerheid het meest spelen? Ziet u verschillen tussen grote werkgevers en kleinere ondernemers?
Defensie onderhoudt contacten met werkgevers uit verschillende sectoren. In het algemeen bemerkt Defensie daarbij weinig terughoudendheid. Het relatienetwerk groeit gestaag en er is bij veel organisaties begrip voor het belang van reservisten voor de nationale veiligheid.
Soms hebben werkgevers vragen over bijvoorbeeld loondoorbetaling, of vervanging tijdens inzet. Deze vragen komen zowel bij grotere als kleinere werkgevers voor en in verschillende sectoren. Eenduidige communicatie en duidelijke afspraken helpen om eventuele onduidelijkheid weg te nemen. De ervaringen van werkgevers neem ik samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mee in het lopende onderzoek naar de rechtspositie van reservisten.
Kunt u uiteenzetten hoe de verantwoordelijkheid momenteel is verdeeld wanneer een reservist tijdens een oefening gewond raakt, in het bijzonder wat betreft loondoorbetaling en re-integratie?
De huidige juridische kaders zijn neergelegd in het (militair) ambtenarenrecht en het arbeidsrecht, met name in de Wet Ambtenaren Defensie en in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. De verdeling van verantwoordelijkheden kan in individuele gevallen complex zijn, mede doordat reservisten zowel een civiele als een militaire werkgever hebben.
Wanneer een reservist tijdens een oproep in werkelijke dienst gewond raakt of arbeidsongeschikt wordt, meldt deze zich in beginsel ziek bij de civiele werkgever. Nadat de oproep in werkelijke dienst is geëindigd keert de reservist terug bij zijn civiele werkgever. Daarmee blijft de civiele arbeidsrelatie leidend voor de toepassing van de regels rond loondoorbetaling bij ziekte en re-integratie.
Daarnaast kan Defensie, op grond van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen, in bepaalde gevallen aanvullende – bovenwettelijke – voorzieningen toekennen. Deze voorzieningen vormen een aanvulling op de reguliere sociale zekerheidsregelingen en zijn bedoeld om militairen, waaronder reservisten, te ondersteunen wanneer zij tijdens hun inzet voor Defensie letsel oplopen of arbeidsongeschikt raken.
Momenteel breng ik in samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in kaart hoe de verschillende juridische stelsels zich tot elkaar verhouden en of en zo ja waar verduidelijking of aanpassing van verantwoordelijkheden wenselijk is. Hierbij onderzoeken we situaties waarin arbeidsongeschiktheid ontstaat door of tijdens de inzet als reservist.
Deelt u de inschatting dat de huidige onzekerheid over aansprakelijkheid, loondoorbetaling en re-integratie bij letsel of arbeidsongeschiktheid tijdens reservistentaken een drempel kan vormen voor werkgevers om reservisten in dienst te nemen of te houden?
In de contacten met werkgevers merkt Defensie over het algemeen weinig terughoudendheid. Veel organisaties tonen begrip voor het belang van reservisten en zijn bereid hieraan bij te dragen. Tegelijkertijd hebben werkgevers vragen over bijvoorbeeld loondoorbetaling bij ziekte of arbeidsongeschiktheid. Onderzoeken laten zien dat bij individuele (aspirant-)reservisten juridische onduidelijkheid soms een reden kan zijn om af te zien van een sollicitatie als reservist of om Defensie voortijdig te verlaten. Deze inzichten neem ik mee bij de verbetering van de rechtspositie van reservisten.
Kunt u toelichten hoe het maximale bedrag van € 55 per dag bij langdurige afwezigheid als tegemoetkoming tot stand is gekomen en in hoeverre dit bedrag in verhouding staat tot de werkelijke vervangings- en loonkosten van werkgevers?
De huidige regeling voorziet in een tegemoetkoming voor werkgevers wanneer een reservist gedurende langere tijd wordt ingezet. Deze tegemoetkoming is destijds vastgesteld als een bijdrage in de kosten die werkgevers kunnen maken wanneer een werknemer langere tijd niet beschikbaar is vanwege inzet bij Defensie. Het betreft nadrukkelijk geen volledige compensatie van alle mogelijke kosten die werkgevers kunnen hebben, zoals loonkosten of kosten voor vervanging.
Vanwege de groeiende rol van reservisten en de ambities voor het reservistenbestand heeft Defensie recentelijk de regeling tegemoetkoming werkgeversbijdrage onderzocht. Onder meer zijn de werking van de huidige regeling en de ervaringen van werkgevers in de praktijk bekeken. Op basis daarvan bezien we deze regeling, waarbij we onder meer kijken naar de toekenningscriteria voor de tegemoetkoming en de hoogte van het bedrag van de tegemoetkoming.
Hoe wilt u voorkomen dat werkgevers op grote schaal hun risico beperken door aanvullingen op loondoorbetaling bij ziekte uit te sluiten bij letsel dat ontstaat door reservistentaken, zonder dat hier een andere regeling tegenover staat?
Zoals eerder in vraag 4 beschreven blijft de civiele arbeidsrelatie leidend en zijn de voorzieningen binnen Defensie een aanvulling op de bestaande sociale zekerheidsregelingen.
Zoals gezegd maakt dit ook deel uit van de eerder toegelichte samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarbij kijken we naar de positie van civiele werkgevers en de verdeling van verantwoordelijkheden bij loondoorbetaling bij ziekte. Uw Kamer wordt hierover voor het zomerreces geïnformeerd zoals toegezegd tijdens het Commissiedebat Arbeidsmarktbeleid en Arbeidsmarktdiscriminatie van 24 september 2025 en bij brief van 17 december 20252.
Hoe verhoudt de inzet als reservist zich tot de maximale arbeidstijd, wanneer reservistentaken plaatsvinden in weekenden of avonden, en welke verantwoordelijkheid heeft de werkgever om overtreding van arbeidstijden te voorkomen?
De Arbeidstijdenwet (Atw) geldt in principe voor het totale aantal uren bij verschillende werkgevers. Dat betekent dat ook uren die een reservist in werkelijke dienst werkt kunnen meetellen bij de maximale arbeidstijd en rusttijden. Werkgevers hebben de verantwoordelijkheid om te zorgen dat deze normen niet worden overschreden.
In sommige situaties is de Atw niet van toepassing op arbeid door defensiepersoneel, zoals tijdens varen, vliegen of militaire oefeningen. Het gaat dan om omstandigheden waarin toepassing van de Atw op gespannen voet staat met een goede uitoefening van defensietaken. Daarom is het belangrijk dat werkgevers en reservisten goede afspraken maken over de combinatie van civiel werk en reservistentaken, zodat overtreding van arbeidstijden wordt voorkomen.
Acht u het wenselijk dat er geen ontslagbescherming bestaat voor reservisten die (tijdelijk) niet kunnen werken wegens reservistentaken en dat er geen garantie is op terugkeer in de oude functie?
Momenteel bestaat er geen specifieke wettelijke ontslagbescherming voor reservisten. Dit is onderwerp van gesprek van het onderzoek naar de rechtspositie van reservisten.
Bent u het ermee eens dat vanwege de voorgenomen opschaling van het aantal reservisten het wenselijk is om werkgevers en reservisten meer zekerheid te bieden? Zo ja, welke concrete stappen gaat u op korte termijn zetten om dit te regelen?
De rol en inzet van reservisten wordt de komende jaren groter. Dat vraagt om meer duidelijkheid over de rechten en plichten in de driehoek Defensie als militaire werkgever, de reservist/werknemer en de civiele werkgever. Daarom breng ik samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en met werkgevers- en werknemersorganisaties in kaart of en zo ja waar de rechtspositie van reservisten verduidelijking of verbetering behoeft. Uw Kamer wordt voor het zomerreces geïnformeerd.
Hoe kijkt u naar de optie om de bovengenoemde onduidelijkheden en onzekerheden door middel van een wetswijziging weg te nemen?
Zoals ik hierboven toelicht werkt Defensie continu aan het verbeteren van de rechtspositie van reservisten. Uw Kamer wordt voor het zomerreces geïnformeerd, zoals toegezegd. Daarbij zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingaan op de vraag of de rechtspositie van reservisten verduidelijking dan wel versterking behoeft door middel van nieuwe wettelijke regels. Dat neemt niet weg dat werkgevers- en werknemersverenigingen vrij zijn bovenwettelijke afspraken in een cao op te nemen.
Een MIVD-rapport |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Tweede Kamer, vertrouwelijk, het rapport inzien dat door de MIVD in juni 2022 is verstuurd naar de CIA over een Oekraïens plan om de Nord Stream-gaspijpleiding op te blazen? Zo nee, waarom niet?
Over de inlichtingen, bronnen, werkwijze en samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten van de MIVD worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. In het algemeen geldt dat de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD) en de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) vertrouwelijk worden geïnformeerd. De CTIVD heeft daarnaast toegang tot de systemen van de diensten en kan gevraagd en ongevraagd rapporteren over het werk van de diensten.
Welke Nederlandse instanties kunnen dit MIVD-rapport (wel) inzien? Kan de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten en/of de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten dit rapport (vertrouwelijk) inzien?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan de Tweede Kamer het kabinet controleren als het, ook op vertrouwelijke basis, rapporten van de inlichtingendiensten niet mag inzien en/of als het kabinet zelfs het (wel of niet) bestaan van rapporten van Nederlandse inlichtingendiensten weigert te erkennen?
De diensten kunnen hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen. Uw Kamer wordt over de vertrouwelijke aspecten van de werkzaamheden van de diensten via de geëigende kanalen geïnformeerd.
De Arbeidstijdenwet en opschaling van de krijgsmacht |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Defensie bij realistische, meerdaagse en geïntegreerde oefeningen gebruikmaakt van externe opleiders die werkzaamheden verrichten die inhoudelijk gelijk zijn aan die van defensiepersoneel, onder militair gezag plaatsvinden en direct samenhangen met de operationele gereedheid van eenheden?
Defensie maakt bij opleidingen en oefeningen gebruik van externe opleidingscapaciteit van civiele partijen. Deze opleiders verrichten hun werkzaamheden op basis van civielrechtelijke overeenkomsten met hun werkgever. Zij vallen niet onder militair gezag en zijn geen defensiepersoneel.
In hoeverre herkent u dat de onverkorte toepassing van de Arbeidstijdenwet in deze situaties kan botsen met realisme, veiligheid en continuïteit van de opleiding?
Defensie onderkent dat bij intensieve en meerdaagse opleidingen spanning kan ontstaan tussen de gewenste opleidingsrealiteit en de kaders van de Arbeidstijdenwet. Bij de inzet van externe opleiders berust de formele verantwoordelijkheid voor naleving van deze wet bij de betreffende werkgever. Defensie heeft een zorgplicht en moet erop toezien dat de ingehuurde medewerkers niet in strijd met toepasselijke wet- en regelgeving werkzaam zijn. Defensie maakt hierover vooraf duidelijke afspraken met de civiele werkgever en richt opdrachten zodanig in dat zowel operationele doelstellingen als geldende arbeidswetgeving worden gerespecteerd.
Welke ruimte biedt artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet ruimte om de wet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren wanneer toepassing de uitvoering van wettelijke taken belemmert?
Artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet biedt de mogelijkheid om, onder voorwaarden, bepalingen uit de wet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren voor defensiepersoneel, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van wettelijke taken van Defensie.
Hoe wordt deze bepaling momenteel toegepast ten aanzien van externe opleiders die in een militair-operationele context functioneren?
Deze bepaling is uitsluitend van toepassing op defensiepersoneel en wordt niet toegepast op extern ingehuurde opleiders. Voor deze laatste groep medewerkers blijft het civiele arbeidsrechtelijk kader, waaronder de Arbeidstijdenwet, volledig van kracht.
Bent u bereid om te verkennen of een strikt afgebakende ministeriële regeling op grond van artikel 2:4 ATW mogelijk en wenselijk is, die uitsluitend ziet op aangewezen opleidingssituaties en externe opleiders daarin tijdelijk functioneel gelijkstelt aan defensiepersoneel, met passende waarborgen voor arbeidsomstandigheden, veiligheid en herstel? Zo ja, kunt u de Kamer over de uitkomsten van deze verkenning zo snel mogelijk informeren? Zo nee, waarom niet?
Het ligt in de rede dat uitzonderingsbepalingen binnen de Arbeidstijdenwet terughoudend worden toegepast en enkel van toepassing zijn op defensiepersoneel dat onder militair gezag valt. Voor extern ingehuurde opleiders geldt immers het civiele arbeidsrechtelijk kader. Wel herkennen we het vraagstuk. Daarom ben ik bereid met SZW hierover in gesprek te gaan. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten informeren.
Het bericht 'Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: ‘Geen direct ontslag’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: «Geen direct ontslag»»?1
Ja.
Klopt het dat Defensie overweegt het drugsbeleid te versoepelen?
Het Defensiebeleid ten aanzien van het gebruik van en handel in drugs stamt uit 1997 en betreft in de kern een zerotolerance beleid. De norm daarbij is helder: Defensie en drugs gaan niet samen. Het gebruik of in bezit hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd.
De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd. In dat soort gevallen wordt volstaan met een waarschuwing.
Het drugsbeleid binnen Defensie is in het bijzonder gericht op sanctionering indien sprake is van een overtreding van het beleid en biedt weinig ruimte om in individuele gevallen af te kunnen wijken. Defensie vindt het belangrijk dit beleid te onderzoeken om te bepalen of er aanpassingen nodig zijn. Daarbij hebben we oog voor preventie, het bespreekbaar maken van de problematiek en de wijze waarop wordt gesanctioneerd.
Wat is de exacte motivatie om dat te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde overweging van Defensie om het beleid rondom drugsgebruik door militairen tegen het licht te houden omdat de «opvattingen over drugsgebruik aan het verschuiven zijn»?
De overgrote meerderheid van de Nederlanders gebruikt geen drugs. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie & Sport schreven in de brief over het drugsbeleid uit mei 2025 (Kamerstuk 24 077, nr. 556) dat de nadruk van het Nederlandse drugsbeleid ligt op het voorkomen en beperken van drugsgebruik. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft in lijn met het landelijk beleid dat gevoerd wordt op drugs. In aansluiting daarop wil ik de normen van het Defensie drugsbeleid niet loslaten, maar aanvullend meer aandacht vragen voor bewustwording, voorlichting en preventie. Ook onderzoek ik mogelijkheden om Defensie in staat te stellen om op een meer op de persoonlijke omstandigheden gerichte wijze uitvoering te geven aan het bestaande drugsbeleid. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft gebaseerd op de operationele taakuitvoering waarbinnen geen ruimte is voor drugsgebruik of de effecten daarvan.
Hoe verhoudt deze overweging zich tot het kabinetsbeleid, dat gericht is op voorkomen en denormaliseren van (hard)drugsgebruik?
Het kabinetsbeleid blijft gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel mede gezien de taakstelling. Zoals ik stel in de beantwoording van bovenstaande vragen, wordt het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen niet getolereerd. Defensie neemt initiatieven die moeten leiden tot meer bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de inzetbaarheid van militairen.
Hoe vaak leidde drugsgebruik bij Defensie in de afgelopen jaren tot ontslag?
In de afgelopen vijf jaar is jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag verleend onder toepassing van het drugsbeleid.
Hoe waarborgt u dat de operationele gereedheid en veiligheid van militairen niet in het geding komen bij een eventuele versoepeling van het zero-tolerance drugsbeleid?
Een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht vraagt om een scherp drugsbeleid, gelet op de negatieve effecten die drugs hebben op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede gelet op de lange tijd dat de werkzame stoffen actief zijn in het lichaam. Om meer in te zetten op preventie, voorlichting en bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de gezondheid en inzetbaarheid, is er een programma met preventiemaatregelen ontwikkeld. Dit wordt in 2026 stapsgewijs uitgerold binnen de organisatie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over drugsbeleid van de commissie Justitie en Veiligheid op 26 februari 2026?
Vanwege de interdepartementale afstemming was er helaas meer tijd benodigd voor de beantwoording van de vragen.
De rechtspositie van reservisten |
|
Judith Buhler (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Financieele Dagblad waarin gepleit wordt dat de rechtspositie van reservisten, en die van hun werkgever, beter moet worden beschermd?1
Ja.
Deelt u de analyse uit het genoemde artikel dat de huidige rechtspositie van reservisten, met name bij langdurige inzet of bij letsel, onduidelijk is en te veel afhankelijk is van individuele afspraken of cao-bepalingen? Zo nee, waarom niet?
In het arbeidsrecht geldt in beginsel het uitgangspunt dat werkgever en werknemer afspraken maken over de inzet als reservist bij Defensie. Gelet op de rol van de reservist tot nu toe waren die afspraken meestal afdoende. De rol en inzet van de reservist wordt echter wezenlijk groter en verandert van karakter. Dat vraagt om meer duidelijkheid over de rechten en plichten van de reservist, van de civiele werkgever en van Defensie als militaire werkgever. Daarom tref ik met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en werkgevers- en werknemersorganisaties voorbereidingen voor het waar nodig wettelijk verankeren van aanpassingen in de (civiele) rechtspositie van de reservist.
Kunt u toelichten hoe de huidige juridische kaders zijn vormgegeven rondom inzet, verlof, loondoorbetaling en aansprakelijkheid van reservisten?
De huidige juridische kaders zijn neergelegd in het (militair) ambtenarenrecht en het arbeidsrecht: primair in de Wet Ambtenaren Defensie en boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Bent u het met arbeidsrechtspecialist Nataschja Hummel eens dat reservisten in feite «twee werkgevers» hebben en dat dit zonder heldere wetgeving voor onduidelijkheid en risico’s zorgt, zowel voor de werknemer als de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Ja, het klopt dat reservisten veelal twee werkgevers zullen hebben waarbij de civiele werkgever de primaire werkgever is en dat dit tot onduidelijkheid kan leiden. Daarom worden de in het artikel genoemde punten meegenomen in het onderzoek naar de rechtspositie van reservisten. Uitgangspunt daarbij is het zo veel als mogelijk wegnemen van onduidelijkheden en risico’s.
Acht u de huidige kostenvergoeding, van € 55 per dag bij langdurige inzet van een reservist, toereikend en eerlijk ten opzichte van werkgevers die loyaal meewerken aan nationale veiligheid?
Ik acht de huidige onkostenvergoeding niet meer passend. Om die reden heb ik recentelijk de regeling tegemoetkoming werkgeversbijdrage onderzocht waardoor deze regeling nu herzien wordt.
Kunt u aangeven hoeveel werkgevers momenteel gebruikmaken van cao-bepalingen of eigen beleid ten behoeve van reservistenverlof?
Er zijn momenteel circa 50 organisaties (bedrijfsleven, universiteiten en hogescholen, overheden) die een cao-bepaling of eigen beleid hebben over reservistenverlof.
In hoeverre wordt de inzet van reservisten momenteel belemmerd door juridische onduidelijkheid of terughoudendheid van werkgevers?
In de contacten met andere werkgevers bemerkt Defensie over het algemeen nauwelijks terughoudendheid. Het relatienetwerk groeit gestaag. Soms hebben werkgevers inhoudelijke vragen over bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid van reservisten of loondoorbetaling bij ziekte. Eenduidige communicatie helpt dan om onduidelijkheid weg te nemen. Defensie merkt veel begrip bij partners en bereidheid om bij te dragen aan de groei en inzet van het reservistenbestand.
Onderzoeken laten zien dat bij individuele (aspirant-)reservisten juridische onduidelijkheid soms reden is om af te zien van een sollicitatie als reservist of om Defensie voortijdig te verlaten. Ook deze inzichten worden meegenomen bij de verbetering van de rechtspositie.
Kunt u een overzicht geven van welke wet- en regelgeving volgens u belemmerend kan zijn voor werkgevers om met hun werknemers af te spreken dat zij naast hun werk reservist kunnen worden?
Op dit moment breng ik in samenwerking met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in kaart hoe de verschillende juridische stelsels zich tot elkaar verhouden, met name waar het gaat om de rechten en plichten van de civiele werkgever, de reservist en Defensie. Welke wet- en regelgeving belemmerend kan zijn voor werkgevers wordt daarbij meegenomen. Zodra dit compleet is ondersteun ik het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met een eventuele wetswijziging richting uw Kamer. Ook wordt onderzoek gedaan naar het eventueel ontbreken van wettelijke voorzieningen. Zo is er momenteel geen wettelijke ontslagbescherming voor reservisten. Daarnaast bestaat er geen afzonderlijk wettelijk recht op een uitkering bij arbeidsongeschiktheid die ontstaat tijdens inzet als reservist. Het ontbreken van dergelijke voorzieningen kan in de praktijk gevolgen hebben voor de wijze waarop risico’s, zoals arbeidsongeschiktheid, worden verdeeld tussen de betrokken partijen.
Uw Kamer wordt voor de zomer verder geïnformeerd over de aanpassing van wet- en regelgeving met het oog op de rechtspositie van reservisten, conform toezegging van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Kunt u inzichtelijk maken hoe andere NAVO-landen de inzet en bescherming van reservisten juridisch hebben verankerd en wat Nederland daarvan kan leren?
De NAVO heeft in oktober vorig jaar beleid voor reservisten vastgesteld. Ook het NAVO-beleid weerspiegelt dat reservisten een cruciale rol spelen in de groei van de militaire capaciteit en daarnaast ook specialistische (niche) kennis inbrengen. Ook wordt benadrukt dat reservisten als geen ander de brug slaan naar de civiele maatschappij en bijdragen aan sociale weerbaarheid. De juridische bescherming van reservisten is bij vrijwel alle NAVO-landen een onderwerp in ontwikkeling. Binnen het NAVO-Comité over reservisten worden ervaringen uitgewisseld. Recent heb ik hierover met de voorzitter van de NATO Committee on Reserves gesproken en afgestemd.
Wat is uw mening met betrekking tot het pleidooi om de rechtspositie van reservisten wettelijk vast te leggen, in plaats van over te laten aan cao-afspraken?
Zoals hiervoor is toegelicht worden er op dit moment voorbereidingen getroffen om de rechtspositie van reservisten te verbeteren. Uw Kamer wordt daarover in de eerste helft van dit jaar nader geïnformeerd zoals toegezegd tijdens het Commissiedebat Arbeidsmarktbeleid en Arbeidsmarktdiscriminatie van 24 september 2025 en bij brief van 17 december 20252. Daarbij zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingaan op de vraag of de rechtspositie van reservisten verduidelijking dan wel versterking behoeft door middel van nieuwe wettelijke regels. Dat neemt niet weg dat werkgevers- en werknemersverenigingen vrij zijn bovenwettelijke afspraken in een CAO op te nemen.
De uitvoer van Nederlandse honden naar Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Heijnen , Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hondenleverancier Four Winds K9 zichzelf heeft opgeheven nadat het bedrijf meerdere malen per brief is verzocht om inzage in de documenten over hun uitvoer naar Israël?1
Ja.
Kunt u op basis van douanegegevens een overzicht geven van het aantal honden dat sinds 2020 vanuit Nederland naar Israël is uitgevoerd, uitgesplitst per jaar en per maand?
Als een aangever goederen wil in-, uit- of doorvoeren, moet hiervoor een aangifte worden gedaan bij de Douane. Hierbij moet een aangever ook de goederencode (zogenaamde GN-code) van het goed opgeven. Deze goederencodes worden op Europees niveau vastgesteld en geven aan welke invoer- of uitvoertarieven voor een bepaald goed gelden. In deze indeling bestaat echter geen afzonderlijke goederencode voor honden. Honden vallen onder de categorie «andere levende dieren». Hierdoor vallen honden voor de aangifte onder dezelfde GN-code als bijvoorbeeld katten.
Om het aantal uitgevoerde honden te bepalen is het derhalve niet voldoende om enkel naar deze goederencode te kijken. Om de vraag te beantwoorden, is daarom gekeken naar de tekstuele goederenomschrijving in de aangiften ten uitvoer binnen de categorie «andere levende dieren». In dit veld moet de exporteur een handelsbenaming opgeven ten aanzien van de uit te voeren goederen. Voor de invulling van de handelsbenaming bestaat geen verplichte of voorgeschreven vorm of systematiek. De omschrijving «hond» volstaat hiervoor, maar dit kan ook specifiek een hondenras zijn of een andere beschrijving. De hieronder genoemde aantallen zijn tot stand gekomen door in de aangiftegegevens met betrekking tot de uitvoer van levende dieren onder de bovengenoemde GN-code met een goederenomschrijving met daarin de termen «hond» of «honden» te kijken. Het daadwerkelijke aantal uitgevoerde honden kan daarom hoger liggen.
Het is voor de Douane niet mogelijk om, zonder strafrechtelijke vordering, data over uitvoeraangiften van meer dan vijf jaar terug op te leveren. Hieronder zijn daarom de aantallen aanvragen voor de uitvoer van honden naar Israël voor de periode 2021 tot en met 2025 opgenomen. Onderstaande uitgesplitste cijfers slaan op de aanvragen ten uitvoer per maand. Daarnaast is er per het totaal aantal honden aangegeven dat daadwerkelijk de EU uit is gegaan via Nederland.
Januari
11
Januari
2
Januari
7
Februari
7
Februari
16
Februari
8
Maart
8
Maart
0
Maart
9
April
2
April
1
April
0
Mei
6
Mei
14
Mei
8
Juni
16
Juni
2
Juni
0
Juli
5
Juli
0
Juli
1
Augustus
2
Augustus
14
Augustus
25
September
September
1
September
5
Oktober
9
Oktober
0
Oktober
0
November
4
November
18
November
4
December
13
December
1
December
14
Januari
0
Januari
10
Februari
12
Februari
8
Maart
11
Maart
1
April
10
April
15
Mei
2
Mei
5
Juni
6
Juni
0
Juli
5
Juli
4
Augustus
18
Augustus
0
September
13
September
7
Oktober
4
Oktober
0
November
14
November
3
December
3
December
0
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor veterinaire certificering ten behoeve van de uitvoer van honden naar Israël in de afgelopen jaren zijn ingediend en hoeveel daarvan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn goedgekeurd, en op basis van welke veterinaire en administratieve toetsingscriteria deze certificering wordt verleend?
Voor de uitvoer van honden naar derde landen (landen buiten de EU) is veterinaire exportcertificering geen wettelijke verplichting en dus worden ook geen aanvragen voor veterinaire certificering ingediend. De NVWA controleert bij export van honden naar derde landen uitsluitend het EU-dierenpaspoort op basis van de geldende gezondheidsvereisten (zoals bijvoorbeeld vaccinatiegegevens) van het land van bestemming.
Kunt u de in vraag 2 en 3 genoemde aantallen uitsplitsen naar uitvoer door particuliere personen enerzijds en uitvoer door bedrijven of andere rechtspersonen anderzijds?
Op basis van de uitvoeraangiften is het voor de Douane niet altijd met zekerheid te bepalen of de aangever een particulier of een bedrijf of ander rechtspersoon is. Ook zijn er bijvoorbeeld logistiek dienstverleners die voor particulieren uitvoeraangiften doen. Op basis van de entiteit die de uitvoeraangifte heeft gedaan, kan daarom niet met zekerheid worden gesteld of honden die worden uitgevoerd uiteindelijk bestemd zijn van particulieren of bedrijven of andere rechtspersonen. De NVWA houdt dergelijke gegevens niet bij.
Beschikken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Douane over cijfers met betrekking tot veterinaire keuringen en afgegeven certificaten voor de uitvoer van honden naar Israël in 2025, en zo ja, kan de Kamer inzicht krijgen in deze gegevens, bij voorkeur uitgesplitst per maand?
Voor de uitvoer van honden naar derde landen (landen buiten de EU) is veterinaire exportcertificering geen wettelijke verplichting en dus worden ook geen aanvragen voor veterinaire certificering ingediend. De NVWA controleert bij export van honden naar derde landen uitsluitend het EU-dierenpaspoort op basis van de geldende gezondheidsvereisten (zoals bijvoorbeeld vaccinatiegegevens) van het land van bestemming.
De Douane heeft geen veterinaire taak bij uitvoerzendingen van honden en houdt daarvan dus geen documenten of gegevens bij. In de taakbijlagen voor zowel niet-commercieel verkeer van Gezelschapsdieren als de commerciële veterinaire zendingen staat beschreven dat de Douane alleen bij binnenbrengen en/of invoer een controletaak heeft.
Is bij de goedkeuring van uitvoer naar Israël beoordeeld of de honden kunnen worden ingezet voor militaire of repressieve doeleinden, en zo ja, hoe is deze risico-inschatting vastgelegd?
Het is niet wettelijk verplicht om bij de uitvoer van honden naar Israël het doel van de dieren te registreren. Deze beoordeling vindt niet plaats. De huidige wet- en regelgeving met betrekking tot exportcontrole is vastgelegd in Europese wetgeving en gericht op goederen die onder specifieke controlelijsten vallen. Het kabinet heeft uw Kamer eerder geïnformeerd over de inzet om honden alsnog toe te voegen aan de controlelijst van de EU Dual-Use verordening. De uitkomst van deze gesprekken was dat de lidstaten van de Europese Unie en de Europese Commissie geen mogelijkheid zien om honden aan te merken als dual-use «producten».
Er wordt op verzoek van de Kamer nog een verkenning uitgevoerd naar andere maatregelen om de uitvoer van honden te reguleren. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft toegezegd uw Kamer hierover uiterlijk in het eerste kwartaal van 2026 te informeren.2
Acht u het wenselijk dat een bedrijf door zichzelf op te heffen feitelijk kan voorkomen dat er volledige duidelijkheid komt over mogelijke misstanden bij de uitvoer van honden?
Ik deel niet de veronderstelling dat een bedrijf door zichzelf op te heffen kan voorkomen dat onderzoek wordt verricht naar mogelijke misstanden.
Kunt u toelichten welke vormen van samenwerking de Nederlandse overheid, inclusief ministeries, uitvoeringsorganisaties of ambassades, heeft gehad met Four Winds K9 of aanverwante K9-bedrijven?
Vanuit het Programma Ondersteuning Buitenland Beleid (POBB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is er eenmalig financiële steun verleend met als doel het versterken van de havenbeveiliging en de samenwerking tussen de autoriteiten van Costa Rica en Nederland, om illegale drugshandel naar Nederland te verminderen. Het POBB richt zich op de financiering van activiteiten die de doelstellingen van het Nederlands buitenlandbeleid ondersteunen. De projecten dienen, direct of indirect, een bijdrage te leveren aan het behalen van de geopolitieke doelstellingen van dit beleid. Als onderdeel van het project «K9 Detection Dogs» heeft Four Winds K9 tien honden aangekocht met de financiële steun uit het POBB. De honden zijn vervolgens gedoneerd aan de drugspolitie van Costa Rica. Dit initiatief is in lijn met één van de prioriteiten van de Nederlandse samenwerking met Latijns-Amerika en de Caribische regio, namelijk het bestrijden van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit.
Bent u bekend met een LinkedIn-bericht van de Nederlandse ambassade in Costa Rica van 22 september 2024 waarin sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij of promotie van Four Winds K9 activiteiten, en kunt u toelichten wat de aard van deze betrokkenheid was?2
Zie het antwoord op vraag 8.
Heeft Nederland in de afgelopen tien jaar honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd aan buitenlandse overheden of veiligheidsdiensten, waaronder Israël? Zo ja, aan welke landen, om hoeveel honden ging het, en onder welke voorwaarden?
Zie het antwoord op vraag 8 en 9. Er zijn geen honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd door Nederland aan andere landen dan Costa Rica.
Welke mensenrechten- en eindgebruikerschecks zijn uitgevoerd bij het schenken of uitvoeren van honden aan buitenlandse veiligheidsdiensten, en hoe wordt gecontroleerd of deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
In het geval van Costa Rica heeft Nederland via het POBB-programma bijgedragen aan de aanschaf van honden ter ondersteuning van de operationele activiteiten van de drugspolitie. De ambassade ontvangt ook regelmatig terugkoppeling over de hoeveelheden drugs die de gedoneerde honden hebben onderschept. Er was geen reden tot het uitvoeren van een specifieke mensenrechten- en eindgebruikerscheck. Costa Rica is een gelijkgezind land, onder meer ten aanzien van mensenrechten en democratie.
Acht u de huidige wet- en regelgeving toereikend om te voorkomen dat vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden worden ingezet voor vormen van geweldgebruik die naar Nederlandse maatstaven als buitensporig of onrechtmatig zouden gelden, en zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid de Kamer te informeren over welke aanvullende maatregelen worden onderzocht om meer inzicht te krijgen in de uitvoer, het eindgebruik en de handhaving rondom vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden, en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bekend met publieke uitingen van Four Winds DiagNose UAE, waarin wordt gesteld dat in samenwerking met de Federal Customs Authority in korte tijd een volledige canine unit van 50 handlers en honden is opgezet in de Verenigde Arabische Emiraten?3
Ja.
Kunt u toelichten of en in hoeverre de Nederlandse overheid op de hoogte was van deze activiteiten van het VAE-zusterbedrijf van Four Winds, en of hierover informatie is gedeeld tussen Nederlandse toezichthouders en buitenlandse autoriteiten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft naar aanleiding van de motie-Teunissen d.d. 10 april 2025 gesproken met een viertal bedrijven, waaronder Four Winds K9. In dat gesprek zijn de activiteiten van dit bedrijf, en ook de samenwerking met Four Winds DiagNose UAE, aan de orde gekomen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Nederlandse toezichthouders hebben verder geen zicht in welke mate Four Winds K9 contact heeft met andere overheden. Four Winds K9 is door BZ gewezen op hun eigen verantwoordelijkheden inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen zoals vastgelegd in de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights. Het kabinet heeft uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze gesprekken.5 De gesprekken hebben geen aanleiding gegeven tot nader onderzoek.
Acht u het relevant dat een bedrijf dat in Nederland honden exporteerde naar Israël, via een zusterbedrijf actief is in de VAE in nauwe samenwerking met overheidsdiensten, en ziet u aanleiding om te onderzoeken of kennis, training of honden vanuit Nederland indirect zijn ingezet bij deze activiteiten?
Zie het antwoord op vraag 15.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
Het Smash-systeem van Smart Shooter |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Defensie meldt aanschaf Israëlische wapens tegen drones niet»?1
Ja.
Klopt het dat de Smash 3000 (of andere versies daarvan) onderdeel zijn van de Extended AAAD Toolbox? Zo ja, waarom is dit nooit als zodanig richting de Kamer geëxpliceerd?
Op 19 december 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de start en behoeftestelling voor het project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox» (Kamerstuk 27 830, nr. 456). Op dat moment was nog geen definitieve keuze gemaakt voor het uiteindelijke product en de leverancier. In deze A-brief is een functionele beschrijving van de capaciteit opgenomen die Defensie wilde verwerven. Door deze behoeftestelling functioneel te formuleren, gericht op het gewenste effect en niet op het gewenste product, bleven zoveel mogelijk opties voor de vervulling van de behoefte open. Defensie heeft tijdens het verwervingsproces begin 2025 een keuze gemaakt voor het uiteindelijke product. Dit product was uiteindelijk het enige product wat voldeed aan de door Nederland gestelde eisen.
Defensie heeft op 25 november 2025 uw Kamer geïnformeerd met de Kamerbrief «Update investeringen in additionele C-UAS capaciteit» (Kamerstuk 27 830, nr. 474). Hierin is aangegeven dat Defensie de krijgsmachtbrede eAAAD toolbox versterkt en uitbreidt. Sinds de start van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne en de drone-incidenten in de rest van Europa wordt specifieke militaire informatie steeds gevoeliger om openbaar te delen. Om operationele en veiligheidsredenen verstrekt Defensie daarom in principe geen openbare informatie meer over specifieke tijdslijnen, operationele effecten, aantallen en kosten. Defensie is transparant waar het kan en vertrouwelijk waar dat moet. Daarom is uw Kamer aanvullend geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. In deze bijlage staan de verschillende investeringen in C-UAS capaciteit toegelicht, waaronder de ophoging van het gemandateerde project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox». Deze Toolbox bestaat uit verschillende elementen waaronder, naast het Smash-systeem, ook Manpads2.
Klopt het dat het Smash-systeem al sinds 2020 op enige manier wordt gebruikt door Defensie? Zo ja, waarom wordt de Kamer dan pas op 19 december 2024 indirect geïnformeerd over de aanschaf via de Kamerbrief over de eAAAD Toolbox?
Het Smash-systeem was aangeschaft als Counter-Unmanned Aerial System (C-UAS) middel om onder andere te beproeven (concept development and experimentation) op welke wijze de specifieke dreiging van kleine UAS effectief is te beantwoorden, en welke manier van militair optreden met een dergelijk systeem het meest effectief is. Deze aanschaf betrof een gering aantal systemen en bleef ruim onder de financiële bandbreedtes van het Defensie Materieel Proces (DMP) met een bedrag onder de € 2 miljoen, zodat conform de afspraken over de informatie over het DMP uw Kamer hierover niet is geïnformeerd.
Is het bedrag dat met de verwerving van het Smash-systeem is gemoeid lager dan de ondergrens van projecten waarover de Tweede Kamer apart wordt geïnformeerd, te weten 50 miljoen euro? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Uw Kamer is geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. In deze bijlage staan de verschillende investeringen in C-UAS capaciteit toegelicht, waaronder de ophoging van het gemandateerde project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox».
Stijgt de bandbreedte van het budget voor de verwerving van de eAAAD Toolbox door de additionele investeringen boven de mandateringsgrens van 250 miljoen euro uit? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Uw Kamer is, zoals gezegd, geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. Met de additionele investeringen in C-UAS capaciteit, stijgt de bandbreedte van het budget voor de verwerving van het gehele project «Verwerving eAAAD Toolbox» boven de mandateringsgrens van € 250 miljoen. In het Defensie Projectenoverzicht (DPO) van mei 2026 zal Defensie zoals gebruikelijk rapporteren over de voortgang van individuele projecten zoals het project «Verwerving eAAAD Toolbox».
Deelt u de mening dat een beroep op commerciële vertrouwelijkheid of operationele veiligheid door het ministerie niet geloofwaardig is, aangezien zowel de CEO van Smart Shooter als krijgsmachtonderdelen zelf al uitvoerig publiekelijk gecommuniceerd hebben over de ingebruikname van het Smash-systeem door Defensie?
Ik deel deze mening niet. Om tegemoet te komen aan de informatiebehoefte van uw Kamer en in afstemming met aanpassingen in het defensiebeleid, heeft Defensie over de jaren steeds meer en gedetailleerde informatie openbaar verstrekt. In het huidige tijdsgewricht is het echter nodig om kritisch te kijken naar de vertrouwelijkheid van deze informatie. Defensie geeft in principe geen openbare informatie meer over specifieke tijdslijnen (leveringen), operationele effecten, aantallen en kosten (projectbudgetten). Aanvullend geldt dat enkel openbaar wordt gecommuniceerd over de beoogde leverancier en daarmee het land van herkomst als het bedrijf daarmee instemt. Zo zijn bijvoorbeeld niet de landen van herkomst bekend gemaakt in de DMP-brieven bij de projecten «Precision Guided Rockets» (Kamerstuk 27 830, nr. 436), «Future Littoral All-Terrain Mobility Patrouillevoertuigen (FLATM PV)» (Kamerstuk 27 830, nr. 314) en «Network Enabled Capabilities Helikopters» (Kamerstuk 27 830, nr. 457), en «Ground based Area Accesss Denial (GAAD)» (Kamerstuk 33 763, nr. 144).
Is het gebruikelijk om bij communicatie richting de Kamer over wapenaankopen niet het land van herkomst te noemen, zoals in dit geval? Zo ja, kunt u voorbeelden geven waar dit ook niet is gebeurd?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de verwerving van Israëlische wapensystemen politiek gevoelig ligt en de Kamer hierover dus apart geïnformeerd had moeten worden ongeacht de omvang van het budget?
Het kabinet erkent deze politieke gevoeligheid en heeft aandacht voor de verwerving van defensiematerieel bij Israëlische bedrijven (zie tevens de beantwoording vraag 20). Zoals hierboven gemeld, was bij de informatievoorziening aan uw Kamer over de behoeftestelling voor het project (Kamerstuk 27 830, nr. 456) nog geen definitieve keuze gemaakt voor het uiteindelijke product en de leverancier.
Deelt u de mening dat de Kamerbrief van 25 november jl. over aanvullende investeringen in C-UAS, en dus ook de eAAAD Toolbox, onderdeel was van de beraadslaging over de incidentele suppletoire begroting inzake bestrijding van drones, aangezien de ISB in die desbetreffende brief benoemd werd, de uitbreiding van de eAAAD Toolbox blijkens de Kamerbrief van 19 december 2024 gerelateerd is aan het project Initiële Counter-Unmanned Aircraft Systems capaciteit, Kamerleden ernaar vroegen en de Staatssecretaris zelf de aanschaf van extra Smash-systemen in het debat heeft aangekondigd? Zo ja, waarom heeft u dit niet in acht genomen toen u toezegde dat de beoogde leveranciers niet uit Israël afkomstig zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Zoals aangegeven in de Incidentele Suppletoire Begroting (ISB) van het Defensiematerieelbegrotingsfonds (K) voor het jaar 2025 (Kamerstuk 36 858, nr. 7) van 19 november 2025, betreft de ISB een aantal financiële herschikkingen tussen de artikelen van het DMF om over te kunnen gaan tot de directe aanschaf van IRIS-radars en gerelateerde voertuigen en verbindingen en het kanonsysteem Skyranger als Combat C-UAS capaciteit. De uitbreiding van de «eAAAD Toolbox» was hier geen onderdeel van.
Tijdens het Wetgevingsoverleg (WGO) met uw Kamer van 26 november 2025 heb ik het project eAAAD Toolbox alleen genoemd als voorbeeld van de versterking van de vierkante meter van de militair.3 Ik heb tevens aangegeven dat dit een project in uitvoering is waarvoor de contracten al waren getekend. Ik heb tijdens het WGO de aanschaf van extra Smash-systemen niet genoemd of aangekondigd. Ik heb tijdens het WGO over de ISB gezegd dat de betrokken radars, gerelateerde voertuigen, verbindingen en kanonsystemen niet uit Israël komen.
Waarom heeft u bij uw aankondiging dat er extra Smash-systemen afgeroepen worden tijdens het wetgevingsoverleg niet aangegeven dat het om een Israëlische leverancier ging terwijl het al langer bekend is dat sommige fracties daar kritisch op zijn en in het debat ook ter sprake kwam dat geen wapens uit Israël een harde voorwaarde was voor de steun van de fractie van GroenLinks-PvdA?
Ik heb tijdens het WGO de aanschaf van extra Smash-systemen niet genoemd of aangekondigd. De ISB betrof alleen de directe aanschaf van IRIS-radars en gerelateerde voertuigen en verbindingen en het kanonsysteem Skyranger als Combat C-UAS capaciteit.
Is bij Defensie bekend of, en in welke hoedanigheid, Smash of andere producten van Smart Shooter worden gebruikt door het Israëlische leger, in het bijzonder tijdens inzet in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Klopt het dat Smart Shooter Smash ook aanbiedt voor inzet tegen personen? Zo ja, is er bij Defensie enige informatie bekend over het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tegen personen in Gaza of de Westelijke Jordaanoever?
Is er bij Defensie enige informatie bekend over de mogelijke betrokkenheid van Smash of andere producten van Smart Shooter bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Kan Defensie uitsluiten dat Smash of andere producten van Smart Shooter mogelijk gebruikt zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Hoe heeft u het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tijdens de Gaza-oorlog meegenomen in uw afweging om tot aanschaf van het Smash-systeem over te gaan?
Hanteert Defensie inderdaad het uitgangspunt dat dit wapen alleen tegen drones ingezet kan worden en niet tegen mensen? Zo ja, waarop is dit uitgangspunt gebaseerd? Zo nee, waarom niet?
Alle nieuwe wapens en munitie voor de krijgsmacht worden getoetst aan de verplichtingen van Nederland onder het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Het toenmalige Smart Shooter systeem is in 2021 getoetst en het (bindend) advies van de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik is online te raadplegen op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-defensie/organisatie/commissies/adviescommissie-internationaal-recht-en-conventioneel-wapengebruik (advies 18). In het advies staan de redenen voor begrenzing van het gebruik. Het systeem betreft een richtmiddel en geen zelfstandig wapen. Nieuwe versies van het systeem zullen opnieuw worden beoordeeld wat betreft voorwaarden voor het gebruik ervan door de Nederlandse krijgsmacht.
Welke plannen zijn er voor verdere investeringen in het Smash-systeem?
Defensie heeft momenteel geen concrete plannen voor verdere investeringen in het Smash-systeem. Het is echter niet uit te sluiten dat bij verdere uitbreiding van de krijgsmacht een aanvullende behoefte ontstaat aan dergelijke capaciteit.
Op welke wijze heeft de proef van de Landmacht met de Smash 2000 bijgedragen aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
Defensie heeft de proef met de Smash 2000 uitgevoerd om te experimenteren op welke wijze de specifieke dreiging van kleine UAS effectief te beantwoorden is en welke manier van militair optreden met een dergelijk systeem het meest effectief is. Tevens is op basis van deze proef een verdere behoeftestelling met aantallen en benodigde functionaliteiten opgesteld.
Er zijn rapporten opgesteld om de werking van het systeem tegen Class I drones in kaart te brengen en de effectiviteit van het optreden te verbeteren. Deze rapporten zijn gebruikt om de exacte behoefte vorm te geven, de krijgsmacht breder kennis te laten maken met het systeem, alternatieven te onderzoeken en ervaringen met partnerlanden uit te wisselen bij het gezamenlijk tegengaan van de UAS-dreigingen. Er zijn geen resultaten en/of rapporten gedeeld met Israëlische counterparts of leveranciers.
Op welke wijze draagt het gebruik van de Smash 3000 door de krijgsmacht bij aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
De aanschaf van de Smash 3000 draagt bij aan de versterking van Defensie om sneller de operationele eenheden aan de oostflank en de krijgsmacht voor de eerste hoofdtaak gereed te stellen. Daarnaast draagt het bij aan de beveiliging van het eigen grondgebied en kritieke locaties tegen deze actuele dreiging. Defensie deelt geen informatie waarmee Smartshooter het proces of product kan verbeteren. Het belangrijkste deel van het onderhoud zal intern Defensie worden uitgevoerd. Alleen zaken die Defensie niet kan uitvoeren zullen door de tussenleverancier en/of Smartshooter worden georganiseerd. Defensie heeft maatregelen getroffen om te voorkomen dat het systeem data kan verzamelen die later kunnen worden uitgelezen.
Bent u bereid een plan op te stellen om afhankelijkheden van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Defensie werkt met de «Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (D-SII)» aan een toekomstbestendige krijgsmacht en aan het vergroten van de strategische autonomie van Nederland en Europa op het gebied van veiligheid en defensie (Kamerstuk 31 125, nr. 134). Dit gebeurt onder meer door industrieversterkend aanschafbeleid in Nederland en Europa en het verminderen van strategische afhankelijkheden van niet-Europese leveranciers.
Met het huidige voorkeursbeleid van Defensie ten aanzien van leveranciers uit Nederland of Europa, is de inzet om de afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers, waaronder die uit Israël, zoveel mogelijk te beperken. Tegelijkertijd heeft Defensie vanwege de toegenomen internationale dreiging en de veroudering van het bestaand materieel op zeer korte termijn behoefte aan nieuw materieel om de taken van de krijgsmacht te kunnen blijven uitvoeren. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Daarbij komen ook Israëlisch geregistreerde bedrijven in beeld. Eventuele aankopen van nieuw materieel uit Israël wordt per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk 22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.
Welke alternatieven zijn er, of worden ontwikkeld, voor het Smash-systeem, onder andere in Europa? Waarom is niet voor een alternatief gekozen?
Er is op dit moment nog geen volwaardig alternatief op korte termijn leverbaar. Defensie beschouwt bij iedere behoeftestelling de herkomst van het materieel en, in lijn met de D-SII, de mogelijkheden voor Nederlandse en Europese alternatieven.
Kunt u deze vragen één voor één en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Vanwege de samenhang zijn de vragen 6 en 7 en de vragen 11 tot en met 15 gezamenlijk beantwoord.
Financiële en personele tekorten voor bescherming tegen spionage en sabotage in de Noordzee |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving waarin wordt gesteld dat financiële en personele tekorten bij de Nederlandse Kustwacht leiden tot verhoogde risico’s op sabotage en spionage? Hoe reflecteert u op deze verontrustende berichten?1
Ik ben bekend met de recente berichtgeving. De dreiging op de Noordzee is actueel, complex en vindt doelbewust plaats in het grijze gebied tussen oorlog en vrede. Nationale en internationale wetgeving dragen eraan bij, de aanpak complex is. In 2023 is door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband besloten om de capaciteit bij de Kustwacht te vergroten met 43 FTE, waardoor de Kustwacht met deze additionele capaciteit in staat is om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren.
Klopt het dat het tekort aan geld en personeel bij de Kustwacht zo nijpend is dat de dienst tot zeker 2027 niet kan worden ingezet om internet- en elektriciteitskabels, pijpleidingen en andere infrastructuur op de Noordzee te beschermen tegen sabotage en spionage?
In 2018 heeft de Raad voor de Kustwacht besloten dat maritime security een aparte hoofdtaak voor de Kustwacht vormt. Deze nieuwe hoofdtaak bevat deeltaken zoals bijvoorbeeld crisiscommunicatie en informatievoorziening, security berichtgeving en pre-arrival analyses. Daarnaast is de Kustwacht sinds juli 2025 het meldpunt voor maritime security; mensen kunnen verdachte situaties melden bij de Kustwacht. Hierdoor kan de Kustwacht eerder adequaat reageren op mogelijke dreigingen. De meldkamer is 24/7 bezet voor het verwerken en uitlopen van deze meldingen. Voor een uitbreiding van taken in het kader van Maritime Security zullen aanvullende structurele middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Het is aan een volgend kabinet om daar een besluit over te nemen.
Kunt u aangeven of er een causale relatie bestaat tussen het capaciteitstekort bij de Kustwacht en concrete incidenten, zoals het Russische spionageschip Eagle S dat twee uur lang ongestoord boven onderzeese kabels bij Terschelling kon varen op 24 november 2023?
De Kustwacht monitort de scheepvaart en verzamelt informatie om te weten wat er op de Noordzee gebeurt om de taken te kunnen uitvoeren. Over de inlichtingenpositie, werkwijze en activiteiten worden in het openbaar geen uitspraken gedaan, om te voorkomen dat tegenstanders en kwaadwillende inzage wordt gegeven in de modus operandi van de Kustwacht of de Koninklijke Marine.
Welke acties onderneemt het kabinet om heel snel een einde te maken aan het gesteggel over geld tussen de departementen die betrokken zijn bij het Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI)?
Onder coördinatie van IenW is in 2023 het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee infrastructuur (PBNI) in het leven geroepen. Op dat moment is PBNI met IenW, DEF, JenV, EZ, KGG en BZ aan de slag gegaan met het maken van een Actieplan, analyses van dreigingen en het in kaart brengen van de meest kritieke infrastructuur in en op de Noordzee. PBNI heeft de afgelopen jaren diverse resultaten geboekt. Zo is er onder andere geïnvesteerd in versterkte beeldopbouw met onder meer een extra patrouilleschip, een verbetering van de communicatie op zee voor de Kustwacht, extra satellietcapaciteit, versterking van de publiek-private en de internationale samenwerking en is er een proeftuin gestart voor datafusie.
In deze proeftuin komt data van verschillende organisaties bij elkaar en wordt deze vervolgens gezamenlijk geanalyseerd om zo een betere beeldopbouw (Maritime Situational Awareness en Maritime Situational Understandig) te krijgen op en in de Noordzee. Daarnaast wordt nu intensief gewerkt aan meer handelingsopties om bijvoorbeeld de schaduwvloot aan te pakken. Ook wordt onderzocht hoe een mogelijk NMSC kan worden ingericht en welke verdeling van de verantwoordelijkheden tussen betrokken departementen (Defensie, JenV en IenW) het meest effectief is. Met deze informatie kan een nieuw kabinet een besluit nemen over het vervolg van PBNI vanaf 2026 en verder, inclusief bijbehorende financiering.
Ziet het kabinet mogelijkheden om een deel van de financiële tekorten via Europese middelen te dekken, gelet op het feit dat Nederland een belangrijke Europese toegangspoort vormt voor trans-Atlantische datakabels?
Momenteel wordt door PBNI onderzocht welke financiële mogelijkheden vanuit de Europese Unie mogelijk zijn, bijvoorbeeld via het EU Action Plan on Cable Security. Echter, dit is geen structurele oplossing voor de financiële middelen die de uitvoering van het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee infrastructuur nodig heeft. De Europese middelen kunnen als aanvulling worden gebruikt voor specifieke projecten, zoals de integratie van data of het gebruik van AI bij de analyse van scheepvaartbewegingen.
Ziet het kabinet daarnaast een rol voor de NAVO bij het versterken van de bescherming van onderzeese datakabels en andere kritieke maritieme infrastructuur?
Het kabinet heeft een goede en intensieve samenwerking met de NAVO voor de versterking van de bescherming van kritieke maritieme infrastructuur. Zo is op het NAVO-hoofdkwartier in Brussel een coördinatiecel ingericht om NAVO-initiatieven op dit gebied te versnellen en is een Critical Undersea Infrastructure Network opgericht om samenwerking en afstemming tussen bondgenoten, NAVO-partners en private partijen te bevorderen. Tevens is er een NATO Maritime Centre for the Security of Critical Undersea Infrastructure (NMCSCUI) bij het NATO Allied Maritime Command ingericht, dat in mei 2024 initial operational capable is verklaard. Wanneer het NMCSCUI gereed is, moet het in staat zijn om te voorzien in situationeel bewustzijn over het maritieme dreigingslandschap met betrekking tot kritieke maritieme infrastructuur. Tot slot patrouilleren beide noordelijke vlootverbanden van de NAVO geregeld in de Noordzee en Oostzee.
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse Kustwacht door personeelstekorten beperkt handelingsperspectief heeft bij het signaleren en tegengaan van spionage- en sabotageactiviteiten op de Noordzee, mede in het licht van toenemende (digitale) dreigingen?1
Ja.
Heeft u inzicht in hoe groot het huidige capaciteitstekort is bij de Nederlandse Kustwacht, uitgesplitst naar personeel, vaartuigen en middelen, en wat dit concreet betekent voor het toezicht op de Noordzee? Zo ja, kunt u dit specificeren? Zo niet, wat bent u van plan doen om dit in kaart te brengen?
In 2023 is er een disbalans vastgesteld tussen het takenpakket van de Kustwacht en haar capaciteit. Door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband is besloten om de capaciteit bij de Kustwacht op orde te brengen (toename van 43 FTE). Met deze additionele capaciteit is de Kustwacht in staat om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren. Voor een uitbreiding van taken in het kader van maritime security zullen nieuwe middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Daarnaast ligt er een opdracht vanuit het Kustwachtsamenwerkingsverband om de organisatie en aansturing van de Kustwacht te onderzoeken. Het onderzoek moet antwoord geven op de vraag of het huidige model van de Kustwacht toekomstbestendig is. Ook wordt onderzocht hoe de huidige taken van de Kustwacht (dienstverlening, handhaving en maritime security) zich verhouden tot toekomstige ontwikkelingen, waaronder het op te bouwen National Maritime Security Centre (NMSC) dat onder regie van het Interdepartementaal Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) wordt uitgewerkt.2
In hoeverre acht u de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee, zoals onderzeese kabels, pijpleidingen en windparken, op dit moment voldoende geborgd?
Het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) is opgericht in 2023. Het programma heeft als doel om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. In 2024 en 2025 is door het programma ca. 44 mln. geïnvesteerd in het verbeteren van de beeldopbouw op de Noordzee, in het verhogen van de weerbaarheid van zowel de fysieke als digitale weerbaarheid van de Noordzee infrastructuur, het versterken van de crisisbeheersing, en het verbeteren van de nationale en internationale samenwerking (zowel publiek als privaat). Ook zijn er onderzoeken gedaan naar de meest kritieke infrastructuurpunten op de Noordzee, waar sensoren strategisch kunnen worden geplaatst en naar de governance van maritime security op de Noordzee.
Het onderzoek van ABDTOPConsult heeft aanbevolen om een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC) op te richten, waarin het bijeenbrengen en analyseren van verschillende datastromen moet samenkomen en uitvoerende organisaties sneller kunnen worden ingezet. Voor de zomer van 2025 is een kwartiermaker aangesteld om te kijken hoe het NMSC moet worden ingericht. Er zijn veel initiatieven ontplooid om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. Om het gewenste niveau te bereiken en het Actieplan Strategie ter Bescherming Noordzee Infrastructuur volledig uit te voeren is structurele financiering nodig. Dit besluit wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Om deze periode te overbruggen is door het huidige kabinet geld beschikbaar gesteld.
Acht u de huidige taakverdeling en samenwerking tussen Kustwacht, Koninklijke Marine en andere betrokken diensten passend bij de huidige dreiging van spionage en sabotage op zee? Zo niet, waar zit ruimte voor verbetering?
Alle betrokken uitvoeringsorganisaties werken hard om de dreiging van sabotage en spionage op de Noordzee aan te pakken. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 is één van de aanbevelingen van ABDTOPConsult om de samenwerking ter verbeteren op de Noordzee door o.a. de oprichting van een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC).
Het NMSC is nodig voor het bijeenbrengen en analyseren van alle informatie van (zowel publieke als private) partijen die actief zijn op de Noordzee. Door gestructureerde samenwerking tussen de Kustwacht, Nationale Politie, Defensie, private partijen, buurlanden, inlichtingen- en veiligheidsdiensten moet een completer en actueler beeld van de situatie op de Noordzee ontstaan. Een ander belangrijk onderdeel van het NMSC is om uitvoerende organisaties, zoals de Kustwacht, Maritieme Politie en de Marine sneller te kunnen inzetten bij incidenten. Het beschermen van vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is echter een civiele verantwoordelijkheid die Defensie middels een bijstandsverlening aan het civiele gezag ondersteunt. Andere aanbevelingen gaan over het creëren van een goede wettelijke basis onder de informatiewisseling tussen overheid en private partijen en het zorgen voor voldoende capaciteit bij met name de Kustwacht, Defensie en Politie.
Bent u bereid de Koninklijke Marine een structureel grotere rol te geven bij de bescherming van de cruciale infrastructuur in de Noordzee? Zo niet, waarom niet?
Defensie heeft sinds juli 2023 een permanente taak op de Noordzee bij de bescherming van infrastructuur op de Noordzee. Zo bouwt Defensie beeld en begrip op van dreigingsactoren en factoren op de Noordzee. Daarnaast escorteert Defensie niet-NAVO eenheden door de Nederlandse EEZ. Dit gebeurt in afstemming met bondgenoten en wanneer daar aanleiding voor is.3 Het beschermen van de vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is een civiele verantwoordelijkheid. Defensie en in het bijzonder de Koninklijke Marine kan middels bijstandsverlening het civiele gezag daarin ondersteunen. Deze bijstand wordt op verzoek van het civiele gezag geleverd die de behoefte hiertoe formuleert. De Koninklijke Marine zet de komende jaren stappen om verder te ontwikkelen en vernieuwen. Capaciteiten ter versterking van de bescherming en maritime security op de Noordzee maken hier deel van uit.
Welke rol ziet u voor innovatie en technologische middelen, zoals onderwaterdrones, sensoren, autonome vaartuigen of satellietmonitoring, bij het verkleinen van het capaciteitstekort?
Vanuit Defensie speelt innovatie voor inzet op de Noordzee een centrale rol. Hierbij wordt een ambitie nagestreefd voor het interoperabel optreden van sensoren en effectoren van space naar zeebodem. Daar valt de integratie van de boven genoemde capaciteiten ook onder. Zo is in 2023 het Seabed Security Experimentation Centre (SeaSEC) in Scheveningen geopend, waar Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Finland, Noorwegen en Zweden experimenteel onderzoek uitvoert om onderzeese infrastructuur te beschermen.
Hoe is de samenwerking met andere Noordzeelanden en internationale partners ingericht bij het detecteren en tegengaan van spionage en sabotage, en waar ziet u mogelijkheden tot intensivering?
Veiligheid staat hoog op de agenda van verschillende internationale organisaties en wordt actief vanuit de NAVO en de EU gestimuleerd. Vanuit de NAVO is de Critical Undersea Infrastructure Coordination Cell opgericht, waarin Nederland actief participeert. Daarnaast is er een samenwerkingsverband tussen het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Nederland. Door deze landen is een Joint Declaration of Intent (JDI) getekend om samen de bescherming van de infrastructuur te verbeteren. Dit wordt onder andere gedaan door het delen van informatie over incidenten, dreigingsbeelden en best practices, regelgeving op elkaar aan te sluiten en door het ontwikkelen van een gezamenlijke crisisrespons. De komende tijd wordt ook actiever de samenwerking opgezocht met de samenwerkende landen in de Baltische Zee.
Welke concrete maatregelen op korte en middellange termijn bent u voornemens te nemen om te voorkomen dat toezicht, handhaving en beveiliging op de Noordzee structureel tekortschieten?
De Kustwacht voert in opdracht van de samenwerkende departementen haar toezicht en handhavingsfunctie uit op de Noordzee, hiervoor worden de Kustwachtschepen en het Kustwachtvliegtuig ingezet. Dit najaar wordt een nieuw 24/7 schip operationeel wat de mogelijkheid geeft om langer op zee te zijn. Dit handhavingsvaartuig gaat reguliere toezicht en handhavingstaken uitvoeren. De verkenning naar de vervanging van de huidige handhavingsvaartuigen wordt deze maand opgestart.
Complementair aan deze civiele capaciteiten investeert Defensie, als onderdeel van de Defensienota 2022, in Intelligence, Surveillance and Reconnaissance (ISR-)capaciteit op de Noordzee. Met deze waarnemingscapaciteit kan Defensie dreigingen tegen vitale infrastructuur tijdig onderkennen, lokaliseren en volgen. Daarmee draagt deze capaciteit bij aan de afschrikking van mogelijke plegers van sabotage en spionage. Daarnaast bereidt Defensie de verwerving voor van twee licht-bemande schepen die een taak krijgen op de Noordzee. Met de vaartuigen kan Defensie proactief potentiële dreigingen opsporen en verdachte situaties monitoren. Hiervoor worden de schepen uitgerust met onderwaterapparatuur en sensoren. De schepen worden tevens ingezet om onderzoek te doen bij acute dreigingen en verstoringen. Defensie kan met deze investeringen invulling geven aan de taken die Defensie heeft op de Noordzee en, indien nodig, bijstand verlenen aan de Kustwacht.
Het bericht dat Nederland drones boven vliegvelden niet kon spotten omdat de radars in Oekraïne zijn. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland kon «drones» boven vliegvelden niet spotten omdat de radars in Oekraïne zijn»?1
Ja.
Hoeveel Robin Radars zijn exact naar Oekraïne gestuurd?
Over aantallen doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen uitspraken. Uw Kamer wordt middels de periodieke leveringsbrieven vertrouwelijk geïnformeerd over de geleverde militaire steun aan Oekraïne.
Zijn de bestelde nieuwe radars volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied? Zo nee, kunt u aangeven voor welke andere bestemmingen deze zijn bedoeld en hoe de verdeling is in percentages?
De bestelde nieuwe radars zijn volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied. De radars zijn bedoeld voor de bescherming van het nationale grondgebied en kritieke infrastructuur in het bijzonder, en zijn een essentiële aanvulling voor de tijdige detectie van kleine drones. Deze capaciteit is essentieel om snel een beeld op te bouwen van een mogelijke specifieke dreiging, zodat op zorgvuldige wijze een passende inzet van middelen kan worden bepaald. Naast beveiligingseenheden worden de IRIS-radars gebruikt in operationele drone interventieteams. Over de inzet van IRIS-radars en interventieteams doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen verdere uitspraken.
Zijn er in de komende jaren scenario’s denkbaar waarin het gebrek aan afdoende dronedetectie op ons grondgebied mensenlevens kan kosten? Zo ja, hoe reëel schat u de kans daarop in?
Zoals de situatie in de Oekraïne laat zien zorgen zeer snelle technologische ontwikkelingen ervoor dat veel scenario’s waar ook slachtoffers bij zouden kunnen vallen, voorstelbaar zijn. Hoe deze scenario’s zich ontwikkelen laat zich moeilijk voorspellen. Defensie geeft met haar investeringen in drone-detectie een antwoord op de huidige en in de toekomst meest waarschijnlijke dreigingen op het gebied van drones (UAS). Maar de ontwikkelingen op het gebied van (couter)drones technieken volgen elkaar, mede door de oorlog in Oekraïne, snel op. Defensie heeft binnen het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen (APOS) afgelopen najaar een nieuwe wijze van werken binnen het ecosysteem onbemenste systemen gelanceerd. Defensie heeft de markt benaderd om oplossingen te bieden voor een gewenst operationeel effect. Defensie, kennisinstellingen en industrie gaan in partnerschappen deze oplossingen samen ontwikkelen, produceren en opschalen. Defensie blijft waakzaam om ook op nieuwe dreigingen een antwoord te hebben en werkt daarbij nauw samen met industrie en kennisinstellingen. Daarbij is Nederland samen met Letland en Kroatië lead-nation op de Priority Capability Area (PCA) drones en counterdrones, voortkomend uit de White Paper for European Defence – Readiness 2030, en kan daarmee snel aanhaken op nieuwe ontwikkelingen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse objecten zoals vliegvelden tot aan de levering van de nieuwe radars in 2028 afdoende weerbaar zijn tegen drones?
Zoals ook beschreven in het interview in Trouw waar u naar verwijst, bestaat er geen volledig waterdicht verdedigingssysteem voor vliegvelden, nu niet en waarschijnlijk in 2028 ook niet. Detectie vindt plaats door verschillende systemen, dus de te leveren radarsystemen zijn niet de enige systemen die daar aan bijdragen. Om operationele en veiligheidsredenen kan over het verdedigingssysteem voor vliegvelden op dit moment geen verdere informatie worden gegeven. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat er door defensie, kennisinstellingen en industriepartners voortdurend wordt gezocht naar aanvullende middelen en manieren om detectie van drones te verbeteren zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 4.
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse militairen treffen in oorlogstijd nieuwe vijand; dodelijke infectie met resistente bacteriën»?1
Ja.
Bent u het eens met kapitein-ter-zee en internist Barth dat Nederland te weinig antibiotica op voorraad heeft in geval van tijden van militair conflict? Zo nee, waarom niet?
Er zijn in Nederland verschillende voorraden van geneesmiddelen (en dus ook van antibiotica). Zo bestaat er voor de reguliere zorg een verplichte veiligheidsvoorraad van geneesmiddelen van in totaal 8 weken. Aanvullend daarop heb ik voor de reguliere zorg in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosol. Deze voorraad is dus bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken2.
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide categorieën geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt. Al deze veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen en effecten voor patiënten te voorkomen.
Deze voorraden zijn bedoeld om een periode van verhoogde vraag of beperkte levering te overbruggen. Deze voorraden zijn niet ingericht voor het opvangen van het verbruik tijdens een (militaire) crisis. Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.3
Daarnaast beschikt de Nederlandse krijgsmacht over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
De oorlog in Oekraïne laat zien dat nieuwe behandelingen nodig zijn tegen micro-organismen die (multi)resistent zijn tegen bestaande antibiotica. Het is daarom hard nodig dat nieuwe en innovatieve antibiotica worden ontwikkeld. Dit proces kan jaren tot decennia duren. Om het onderzoek naar nieuwe en innovatieve antimicrobiële middelen aan te jagen, heb ik meerdere (nog lopende) onderzoeksprogramma’s naar nieuwe antibiotica gefinancierd.4 Ook is het van belang om via diagnostiek de meest effectieve behandeling voor te kunnen schrijven. De behoefte aan nieuwe antibiotica en diagnostiek speelt niet alleen in de reguliere zorg, maar ook expliciet bij de krijgsmacht. Daarom onderzoek ik, samen met de Staatssecretaris van Defensie, hoe wij in de toekomst hier samen op kunnen trekken om Nederland weerbaarder te maken.
Bent u van plan een afdoende strategische voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren ten behoeve van onze Nederlandse militairen in geval van militair conflict? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse krijgsmacht beschikt al over een strategische voorraad antibiotica om gewonde en zieke Nederlandse militairen te behandelen.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. De continuïteit en beschikbaarheid van zorg is ook voorwaardelijk voor militaire slagkracht om forse klappen op te kunnen vangen. Om dit te realiseren moet de zorg kunnen terugvallen op voldoende voorraad medische producten (geneesmiddelen en medische producten). Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten, waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.5
Om te voorkomen dat voorraden van medische producten opraken, is het belangrijk dat producenten hun productie kunnen opschalen tijdens een crisis. Samen met de Staatssecretaris van Defensie verken ik daarom of we afspraken kunnen maken met producenten om hiervoor capaciteit vrij te houden.
Bent u van plan een afdoende voorraad antibiotica aan te leggen en/of deze zelf te produceren voor de structurele behoefte van de Nederlandse burger? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven en wat is het tijdspad? Zo nee, waarom niet?
Voor de reguliere zorg heb ik al in 2024 een subsidie verleend aan de volgesorteerde groothandels om een extra voorraad van 4 weken aan te leggen van essentiële antibiotica en salbutamol aerosolen. Deze extra voorraad is bovenop de al verplichte veiligheidsvoorraad van in totaal 8 weken.
De veiligheidsvoorraden zijn bedoeld als buffer om leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen te kunnen overbruggen. Deze extra voorraad ligt er al, en zorgt voor minder en minder lange geneesmiddelentekorten.6
Afgelopen jaar heb ik besloten om deze extra voorraad uit te breiden. De volgesorteerde groothandels gaan daarom 4 weken extra voorraad aanleggen van geneesmiddelen uit de rode categorie van de Nederlandse lijst kritieke geneesmiddelen, en 3 weken extra voorraad van geneesmiddelen uit de oranje categorie. Voor beide geldt dat de extra voorraad zich beperkt tot geneesmiddelen met een apotheekinkoopprijs (AIP) onder € 15. Ik verwacht dat het gewenste peil voor de extra voorraad in de loop van 2026 bereikt wordt.
Tijdens een (militaire) crisis moet de reguliere zorg in Nederland kunnen opschalen (opschaalbare noodzorg), zodat de zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk toegankelijk blijft. Daarom onderzoek ik de aanleg van zogenoemde weerbaarheidsvoorraden van medische producten (geneesmiddelen en medische hulpmiddelen), waarover uw Kamer op 12 december 2025 is geïnformeerd.7
Ik acht het niet wenselijk dat de overheid zelf geneesmiddelen produceert om te voorzien in de structurele behoefte van de Nederlandse burger. In Nederland vindt al commerciële productie plaats van geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Wel hecht ik er groot belang aan dat Nederland en Europa minder afhankelijk worden van landen buiten Europa voor de toelevering van kritieke geneesmiddelen, waaronder antibiotica. Daarvoor trek ik in Europees verband op. In dat kader is de Europese Verordening Kritieke Geneesmiddelen (Critical Medicines Act (CMA)) in ontwikkeling. Deze beoogt onder meer productie van kritieke geneesmiddelen, zoals antibiotica, in Europa te stimuleren.8 Verder neemt de overheid een proactieve rol aan in het faciliteren van onderzoek, het laten verhogen van voorraadhoogtes en onderzoekt de o de mogelijkheden om productie op te schalen.
Is er in geval van een grootschalig militair conflict gegarandeerd voldoende capaciteit voor Nederlandse gewonde militairen in Nederlandse én in Oost-Europese ziekenhuizen? Zo nee, wat gaat u concreet ondernemen om dit op orde te brengen en wat is het tijdspad?
In het geval van een grootschalig militair conflict richt het Ministerie van Defensie samen met NAVO-bondgenoten een militair geneeskundige behandel- en vervoerketen in voor de opvang van Nederlandse gewonden. Het primaire doel is het zo snel mogelijk herstellen van de militair, zodat deze weer ingezet kan worden. Als herstel van een Nederlandse gewonde in het inzetgebied niet mogelijk is, wordt de gewonde voor behandeling vervoerd naar Nederland. Uiteindelijk zal de gewonde behandeld worden in de reguliere zorg in Nederland.
Oost-Europese ziekenhuizen maken planmatig geen deel uit van de militaire keten. De zorginstanties van de zogenoemde Oost-Europese frontnations kunnen mogelijk ingezet worden in de zorg van de Nederlandse militairen maar zijn in een grootschalig conflict vooral belast met het opvangen van hun eigen gewonde militairen en burgerslachtoffers.
Ten algemene zijn de staatsecretaris van Defensie en ik met het zorgveld in gesprek over wat nodig is voor het vergroten van de weerbaarheid van de zorg. Dit gaat ook over de inzet op opschaalbare noodzorg, waarmee het kunnen absorberen van een langdurige toestroom van patiënten wordt nagestreefd. Over deze inzet is uw Kamer op 12 december 2025 geïnformeerd.6
Het structureel voorrang verlenen aan militaire transporten op het spoor ten koste van regulier reizigers- en goederenvervoer. |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Leger krijgt in 2026 voorrang: «Treinen rijden de komende twee uur niet, want er is een militair transport»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Bent u bekend met de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 13 oktober 2025 over weerbaarheid en militaire mobiliteit per spoor (Kamerstuk 30 821, nr. 321)?
Ja, daarmee ben ik bekend.
Klopt het dat het kabinet voornemens is om militaire transporten op het spoor vanaf eind 2026 structureel voorrang te geven boven het reguliere personen- en goederenvervoer, ook indien dit leidt tot het urenlang stilleggen van treinverbindingen voor reizigers?
Nee, dat klopt niet. Er is alleen sprake van voorrang voor militaire transporten in specifieke situaties. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is.
Kunt u bevestigen dat deze prioritering geen tijdelijke noodmaatregel betreft, maar een structurele beleidswijziging die wordt verankerd via een wijziging van het Besluit Capaciteitsverdeling, zoals aangekondigd in de voornoemde Kamerbrief?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Hiervoor wordt het Besluit capaciteitsverdeling aangepast.
Hoe verhoudt deze maatregel zich tot de wettelijke zorgplicht van de overheid om te voorzien in betrouwbare, toegankelijke en voorspelbare mobiliteit voor burgers, studenten en forenzen?
Het belang van betrouwbaar en toegankelijk openbaar vervoer blijft een uitgangspunt van mijn beleid. Daar doet dit wijzigingsbesluit niets aan af. In het wijzigingsbesluit is aangegeven in welke specifieke situaties militaire transporten voorrang kunnen krijgen. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan.
Acht u het aanvaardbaar dat reizigers zonder reëel alternatief geconfronteerd kunnen worden met de mededeling dat «treinen de komende twee uur niet rijden» vanwege een militair transport?
Als er sprake is van een urgent militair transport zoekt ProRail naar de minst ingrijpende maatregel om dit transport te laten rijden. Er wordt dus geprobeerd de overlast voor reizigers en vervoerders2 zo beperkt mogelijk te houden. Daarnaast zullen de militaire transporten plaatsvinden op een beperkt aantal corridors. Treinen op andere routes zullen daardoor grotendeels kunnen blijven rijden. Daardoor hebben reizigers in een aantal gevallen de mogelijkheid te reizen via een alternatieve route. Gezien de huidige geopolitieke situatie vind ik daarmee de nu voorgestelde wijziging zeer aanvaardbaar.
Op basis van welke concrete dreigingsanalyse acht het kabinet deze maatregel noodzakelijk en kan deze analyse openbaar met de Kamer worden gedeeld?
Deze maatregel wordt noodzakelijk geacht gezien de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met militaire transporten via het spoor door de ministeries van Defensie en IenW en de oplopende geopolitieke spanningen die mogelijk leiden tot meer militaire transporten. Uit die ervaringen is gebleken dat het spoorstelsel in Nederland niet voldoende is voorbereid op een mogelijke toename van militaire transporten en dat in de huidige regels geen mogelijkheid bestaat om voldoende capaciteit voor militaire transporten te verzekeren.
Klopt het dat deze beleidswijziging mede voortvloeit uit NAVO-verplichtingen, waaronder Host Nation Support, en uit internationale afspraken over militaire corridors richting Oost-Europa, zoals de North Sea-Baltic Corridor?
Ik acht deze maatregel noodzakelijk gezien de ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met militaire transporten via het spoor door de ministeries van Defensie en IenW. Uit die ervaringen is gebleken dat het spoorstelsel in Nederland niet voldoende is voorbereid op een mogelijke toename van militaire transporten. Oplopende geopolitieke spanningen in Europa leiden mogelijk tot meer militaire transporten. Nederland is daarbij een belangrijk doorvoerland voor Host Nation Support en ligt aan het begin van de North Sea-Baltic Corridor.
In hoeverre betekent het streven naar een zogenoemd «militair Schengen» dat nationale besluitvorming over het gebruik van vitale civiele infrastructuur, zoals het spoor, wordt verschoven naar het internationale niveau?
Er wordt op dit moment in Europees verband gewerkt aan diverse afspraken in het kader van militaire paraatheid. Binnen deze afspraken staat de harmonisatie van procedures en wet- en regelgeving centraal. Hoe deze afspraken vorm krijgen, wordt nu besproken. De Kamer wordt via BNC-fiches steeds nauw betrokken bij de Nederlandse inzet in de gesprekken over deze afspraken.
In hoeverre wordt het Nederlandse civiele spoor hiermee feitelijk ingezet als logistieke schakel in internationale militaire operaties, waaronder vervoer van materieel richting Oekraïne, zoals ook in de Kamerbrief wordt benoemd?
Het Nederlandse spoor wordt al jaren gebruikt voor het vervoer van reizigers en voor het vervoer van een heel scala aan goederen, zowel nationaal als internationaal, en zowel civiel als militair.
Daar verandert de nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling ten principale niets aan.
Acht u het wenselijk dat vitale civiele infrastructuur structureel ondergeschikt wordt gemaakt aan internationale militaire agenda’s?
Het Nederlandse spoor wordt al jaren gebruikt voor het vervoer van reizigers en voor het vervoer van een heel scala aan goederen, zowel nationaal als internationaal, en zowel civiel als militair.
Daar verandert de nu voorliggende wijziging van het Besluit Capaciteitsverdeling niets aan. Er is derhalve geen sprake van structureel ondergeschikt maken. In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is.
Waarom wordt er niet primair ingezet op alternatieven die de maatschappelijke hinder beperken, in plaats van het stilleggen van regulier reizigersvervoer?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan en zal worden geprobeerd om de hinder voor reizigers en vervoerders zo minimaal mogelijk te laten zijn. Als onderdeel van de militaire mobiliteitsopgave wordt overigens ingezet op dual-use investeringen die, naast de militaire doeleinden, ook bijdragen aan het reguliere personen- en goederenvervoer. Zo dragen deze investeringen niet alleen bij aan onze veiligheid, maar ook aan onze economie. Voorbeelden zijn investeringen in voldoende spoorcapaciteit in de havens, zoals de recente investeringen in de verplaatsing van het emplacement IJsselmonde en in Kijfhoek. Ook het investeren in het kunnen rijden met 740 meter lange goederentreinen is zowel voor Defensie als voor het commerciële spoorgoederenvervoer belangrijk.
Klopt het dat een voorganger van de huidige Staatssecretaris eerder nog stelde dat voorrang voor militaire transporten «op gespannen voet» staat met andere maatschappelijke belangen en kunt u delen wat er inhoudelijk is veranderd waardoor deze bezwaren nu worden losgelaten?
Het klopt dat in de consultatieversie van een vorige wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling werd voorgenomen om in de jaardienstregeling capaciteit te reserveren t.b.v. militaire transporten over het spoor. Op dat voorstel zijn veel reacties binnengekomen en daarom heeft mijn voorganger besloten op zoek te gaan naar een andere manier om te voorzien in de benodigde capaciteit voor militaire transporten. Dat voorstel zorgde niet voor de zekerheid die Defensie nodig heeft en kon potentieel wel veel beslag leggen op capaciteit voor andere typen vervoer. In de nu voorgestelde wijziging is gezocht naar een balans tussen het beschermen van het belang van de reiziger en de vervoerder en het belang van het faciliteren van militaire transporten.
Wie bepaalt in de praktijk of een militair transport als «urgent» wordt aangemerkt, welke objectieve criteria worden daarbij gehanteerd en welke democratische controle bestaat hierop?
In de nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling worden in de Nota van Toelichting objectieve criteria genoemd die bepalen of een transport als urgent kan worden aangemerkt. Dat is aan de orde als sprake is van bijzondere eisen voor een transport, zoals constante bewaking bij een munitietransport. Ook het dreigingsbeeld kan aanleiding zijn om een transport aan te merken als urgent. Ook zijn er treinen die echt op een bepaald moment op een bepaalde plek moeten aankomen. Om voor ProRail inzichtelijk te maken dat dit het geval is geven de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat en Defensie samen daartoe een verklaring af. De Kamer controleert dit handelen van beide Ministers.
Hoe wordt voorkomen dat het begrip «urgent» in de praktijk steeds ruimer wordt geïnterpreteerd, waardoor structurele prioritering van militair vervoer de norm wordt in plaats van de uitzondering?
In het nu voorliggende wijzigingsbesluit en de bijbehorende Nota van Toelichting wordt aangegeven wanneer sprake is van een urgent militair transport.
Kan worden uitgesloten dat de kosten en gevolgen van deze prioritering – waaronder verstoringen, infrastructurele aanpassingen en capaciteitsverlies – uiteindelijk worden afgewenteld op reizigers via hogere tarieven of een verslechterde dienstverlening?
In de nu voorliggende wijziging wordt voorgesteld om militaire transporten op het spoor voorrang te geven als ze urgent zijn en er geen ad hoc capaciteit (reservecapaciteit op het spoor) beschikbaar is. Het valt niet uit te sluiten dat reizigers dit merken, al zal het om uitzonderlijke situaties gaan. De nu voorliggende wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling leidt niet tot infrastructurele aanpassingen.
Acht u het wenselijk dat Ministers via uitvoeringsbesluiten, zonder voorafgaande instemming van de Kamer, kunnen besluiten tot maatregelen met zulke ingrijpende gevolgen voor het dagelijks leven van burgers?
Het kabinet volgt bij dit wijzigingsbesluit de gebruikelijke stappen voor het wijzigen van wet- en regelgeving. Er is dan ook geen sprake van een besluit dat wordt genomen zonder dat de Kamer hiervan in kennis wordt gesteld.
Op dit moment ligt de wijziging van het Besluit capaciteitsverdeling hoofdspoorweginfrastructuur voor ter internetconsultatie. Daarnaast is, zoals gebruikelijk bij dit soort besluiten, aan de Autoriteit Consument en Markt gevraagd een handhaafbaarheidstoets uit te voeren en aan ProRail gevraagd om een uitvoerbaarheidstoets te doen.
Dit wijzigingsbesluit wordt na verwerking van de reacties uit de consultatie en de uitkomsten van de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoetsen voorgehangen bij beide Kamers der Staten-Generaal. Daarna volgt advisering door de Raad van State. Na inwerkingtreding van het Besluit kunnen de Ministers van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat een verklaring afgeven als een militair transport voldoet aan de voorwaarden.
De brief over invulling van de motie militaire steun aan Oekraïne |
|
Teun van Dijck (PVV), Raymond de Roon (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u alsnog expliciet en uitgebreid ingaan op de niet in de brief gedeelde informatie met betrekking tot artikel 3.1 CW 2016, inzake a) de doelstellingen, de doeltreffendheid en de doelmatigheid die worden nagestreefd; b) de beleidsinstrumenten die worden ingezet; c) de financiële gevolgen voor het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren? Zo nee, waarom niet?1
De maatregelen betreffen een voortzetting van het huidige Oekraïne steunbeleid en wijken daarmee niet af van de artikel 3.1 CW overwegingen die eerder met uw Kamer zijn gedeeld, als bijlage van de periodieke leveringenbrief (kenmerk 22 054-463, dd. 11 september 2025). In deze bijlage komt naar voren dat het ingezette beleidsinstrument de levering van militair materieel betreft, de nota van wijziging zet dit beleid voort.
Waaruit bestaat de 500 miljoen euro aan verwachte onderuitputting in 2025? In hoeverre is deze onderuitputting een zekerheid?
De verwachte onderbesteding van € 500 miljoen heeft betrekking op hoofdstuk K, het defensiematerieelfonds. Deze verwachting is gebaseerd op lagere valutakoersen dan waarop gepland is (ca. € 250 miljoen.) en vertraging op meerdere reguliere defensieprojecten a.g.v. externe factoren. Beide categorieën van onderbesteding kenden een hoge mate van zekerheid. Voor dit fonds geldt een onbeperkte eindejaarsmarge. Dit betekent dat de middelen naar volgend jaar kunnen worden geschoven waardoor de onderrealisatie beschikbaar. Hierdoor zal er geen vertraging of afstel van behoeften en/of projecten uit het DMF ontstaan in 2026 of latere jaren. Genoemde bedragen zijn afgerond op hele miljoenen. Uw Kamer wordt bij Slotwet geïnformeerd over de werkelijke realisatie en onderbesteding
Welke reguliere defensieprojecten hebben als gevolg van externe factoren vertraging opgelopen en waarom? Wat zijn de concrete gevolgen hiervan?
De voortgang van individuele projecten, eventuele vertragingen en andere wijzigingen op de lopende projecten zullen door Defensie zoals gebruikelijk worden gerapporteerd in het Defensie Projecten Overzicht (DPO) van mei 2026.
Hoe groot is de kans op toekomstige tegenvallers? Zijn er al tegenvallers met een zekere mate van waarschijnlijkheid te voorzien? Zo ja, waarop en hoeveel?
Het aanwenden van onderuitputting ten behoeve van steun aan Oekraïne betekent dat deze onderuitputting niet beschikbaar is voor het invullen van de in=uittaakstelling2, waardoor in de toekomst eerder tegenvallers kunnen ontstaan. Het kabinet heeft nog geen exacte inschatting van toekomstige tegenvallers. Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal dit duidelijk worden.
In de nota van wijziging schrijft u dat er wordt gekeken naar het Nederlandse en Oekraïense bedrijfsleven voor respectievelijk 300 miljoen en 400 miljoen; hoe is deze verdeling tot stand gekomen?2
De invulling en verdeling is tot stand gekomen op basis van een inventarisatie welk materieel op zeer korte termijn beschikbaar was, voor zowel contractering als levering. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar de betrokkenheid en de opbouw van de Nederlandse defensie-productieketen en het Oekraïense bedrijfsleven conform de moties 36 045, nr. 243 en de motie 21 501-20, nr. 2286.
Waar zal de 700 miljoen exact aan worden uitgegeven? Welke contracten worden met welke bedrijven voor welke orders getekend?
Omwille van commerciële vertrouwelijkheid doet Defensie geen uitspraken over de precieze besteding van deze middelen. Uw Kamer wordt geïnformeerd over het aan Oekraïne geleverd materieel middels periodieke leveringenbrieven.
Op welke manier exact garandeert u dat de 400 miljoen voor het Oekraïense bedrijfsleven doelmatig besteed wordt en bovendien niet ten prooi valt aan corruptie?
Directe aanschaf in Oekraïne gebeurt op basis van het Nederlandse model. De Nederlandse procedure omvat een gegronde controle van elk Oekraïens bedrijf door de Audit Dienst Rijk (ADR). Deze regels en procedures nemen tijd in beslag en vereisen toegang tot informatie over bijvoorbeeld de prijsopbouw en winstmarges van de voorgenomen verwerving. Dit Government to Business-model zorgt ervoor dat er geen tussenkomst is van overheidsfunctionarissen bij de totstandkoming van contracten. Bij het Nederlandse model van directe samenwerking met de Oekraïense industrie, is Nederland zelf verantwoordelijk voor het uitonderhandelen en overeenkomen van een contract met een Oekraïense leverancier. Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten met NATO-trusted partners waarbij het partnerland de verwerving doet; Nederland vertrouwt in dat geval op de procedures van bondgenoten.
In de brief wordt gesproken over het spoedeisende karakter als reden om een beroep te doen op artikel 2.27, tweede lid CW 2016; waaruit blijkt dit spoedeisende karakter? Waarom kon deze uitgave niet een week later, na stemming over de najaarsnota, plaatsvinden?
Uw Kamer heeft het kabinet verzocht om aanvullende militaire Oekraïnesteun beschikbaar te stellen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om invulling te geven aan deze motie door in 2025 versneld 700 miljoen euro beschikbaar te stellen om te waarborgen dat de steun aan Oekraïne voorgezet wordt.
De stemming over de 2e suppletoire begroting 2025 van de Defensiebegroting, waarin de 700 miljoen euro is verwerkt, in de Tweede Kamer stond echter pas gepland op 18 december. Zonder het toepassen van artikel CW 2.27 tweede lid zouden de overeenkomsten pas na autorisatie van zowel de Tweede als de Eerste Kamer rechtmatig kunnen worden aangegaan. Daarmee zou het niet mogelijk zijn om nog in 2025 invulling te geven aan de oproep van uw Kamer. Door een beroep te doen op artikel CW 2.27 tweede lid heeft het kabinet getracht uw Kamer juist en tijdig te informeren over de wijze waarop het kabinet een eerste stap zet in de invulling aan de door uw Kamer aangenomen motie4. Op 9 december heeft uw Kamer aangegeven dat zij zich deugdelijk geïnformeerd acht.
De Kamer mag de onderuitputting niet gebruiken voor extra uitgaven, maar waarom mag u dit wel? Hoeveel van de resterende onderuitputting kan nog worden gebruikt?
In aanvulling op het antwoord op vraag 4 is ervoor gekozen om de onderuitputting anders aan te wenden dan het invullen van de in=uittaakstelling. Hiermee kiest het kabinet ervoor om opvolging te geven aan de motie van de Kamer. Bij het Financieel Jaarverslag van het Rijk zal de definitieve onderuitputting over 2025 duidelijk worden.
Peperdure wervingscampagnes die nauwelijks nieuwe militairen opleveren |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Follow the Money waaruit blijkt dat Defensie de afgelopen jaren miljoenen euro’s heeft uitgegeven aan wervingscampagnes, terwijl het aantal daadwerkelijk ingestroomde militairen nauwelijks stijgt?1
Ja. Ik heb het artikel gelezen, maar het geschetste beeld komt niet overeen met de werkelijkheid.
Hoeveel geld heeft Defensie sinds 2020 jaarlijks besteed aan wervingscampagnes en via welke kanalen zijn deze middelen ingezet (tv, online, social media, evenementen, etc.)?
Defensie zet sinds 2020 jaarlijks meerdere employer-branding campagnes en meer dan honderd online wervingscampagnes in. Deze campagnes vergroten de zichtbaarheid van Defensie als werkgever en richten zich op het aantrekken van sollicitanten voor een breed scala aan functies en instroomsporen, waaronder recent toegevoegde trajecten zoals het Dienjaar. De media-inzet volgt een planmatige, continu zichtbare campagnevoering en omvat onder meer tv (lineair, on-demand en streaming), radio, buitenreclame, bioscoop, dagbladen, online video, zoekadvertenties en sociale media. Daarnaast neemt Defensie deel aan arbeidsmarkt- en onderwijsbeurzen en organiseert Defensie eigen wervingsevents. Deze gecombineerde inzet leidt jaarlijks tot groei in websitebezoeken, eventinschrijvingen, unieke sollicitaties en uiteindelijk ook in het aantal aanstelbare kandidaten. De campagne is in 2025 opgeschaald om de groeiambities uit de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst; meer, beter en sneller» (Kamerstuk 33 763, nr. 161, 24 maart 2025) te ondersteunen.
2020
€ 15.030.000
2021
€ 15.065.000
2022
€ 13.505.000
2023
€ 19.808.000
2024
€ 21.864.000
2025
€ 26.352.000
Kunt u per jaar sinds 2020 inzicht geven in: a) het aantal sollicitaties, en b) het aantal daadwerkelijke aanstellingen dat volgde?
Aantal sollicitaties
16.293
14.491
18.590
20.391
24.474
22.271
Instroom
3.645
3.941
3.404
3.800
4.326
4.896
In het antwoord beperken we ons tot beroepsmilitairen. De aantallen sollicitaties (bovenste rij) hebben betrekking op kandidaten die via de reguliere weg (via het dienstencentrum personeelslogistiek) hebben gesolliciteerd. De instroomcijfers (onderste rij) omvatten daarnaast ook kandidaten die direct vanuit de civiele arbeidsmarkt bij Defensie worden aangesteld zonder voorafgaande initiële militaire opleiding (zogeheten «horizontale instroom»).
NB: Tot en met 2024 is het aantal sollicitaties weergegeven, waarbij één persoon meerdere sollicitaties kan hebben ingediend. In 2025 betreft dit het aantal «unieke sollicitanten».
Hoe verklaart u het grote verschil tussen het aantal sollicitaties dat campagnes opleveren en het beperkte aantal nieuwe aanstellingen?
Er is geen een-op-een verband te leggen tussen de campagnes en het aantal aanstellingen. Tussen een sollicitatie en een aanstelling vindt een zorgvuldig selectie- en keuringsproces plaats waarin wordt vastgesteld of kandidaten psychisch en fysiek geschikt zijn.
Het grootste deel van de uitval vindt plaats in een vroege fase van het selectieproces. Kandidaten ontvangen voorafgaand aan een uitnodiging voor psychologisch onderzoek uitgebreide vragenlijsten. Wanneer hieruit blijkt dat antwoorden strijdig zijn met de militaire basiseisen, worden kandidaten niet uitgenodigd voor het verdere keuringsproces.
Van de kandidaten die door deze voorselectie komen en worden uitgenodigd voor het basispsychologisch onderzoek, wordt de een groot deel geschikt bevonden. Het percentage kandidaten dat na deze fase aanstelbaar wordt verklaard, bedraagt circa 66% voor beroepsmilitairen, 69% voor reservisten en 65% voor dienjaarmilitairen.
Een aanstelbaarverklaring leidt echter niet automatisch tot een aanstelling. De daadwerkelijke aanstelling is mede afhankelijk van beschikbare opleidingscapaciteit, startmomenten van opleidingen, veiligheidsonderzoeken en het aantal beschikbare startfuncties. Daarnaast besluit een deel van de kandidaten gedurende het proces alsnog ervan af te zien om bij Defensie in dienst te treden, bijvoorbeeld omdat zij kiezen voor een andere loopbaan of persoonlijke omstandigheden wijzigen. Deze kandidaten komen daardoor niet op en worden niet aangesteld.
Door het vergroten van de capaciteit en productiviteit van selectie- en keuring, het differentiëren in functie-eisen waar dat verantwoord kan, en het structureel versterken van opleidings- en instructiecapaciteit in combinatie met het moderniseren van het onderwijs, neemt Defensie maatregelen die ertoe moeten leiden dat meer mensen sneller kunnen worden aangesteld.
In hoeverre zijn er binnen Defensie harde prestatie-indicatoren geformuleerd voor het meten van de effectiviteit van wervingscampagnes?
Defensie hanteert verschillende prestatie-indicatoren om de effectiviteit van wervingscampagnes te meten. Wij volgen onder andere het bereik en de waardering van de campagne in de doelgroep, reclameherinnering, boodschap-overdracht, mediaperformance, het aantal bezoeken op www.werkenbijdefensie.nl, het aantal sollicitaties per instroomspoor, de conversie naar keuring en aanstelling en de ontwikkeling van de totale personele sterkte.
Voor deze indicatoren zijn geen harde streefcijfers vastgesteld. De realisatie van de aanstellingsopdracht geldt als harde KPI voor alle wervingsinspanningen; de ontwikkelingen van de overige indicatoren monitoren we en op basis daarvan sturen we continu bij om de wervingsinzet te optimaliseren.
Erkent u dat Defensie er niet in slaagt haar personeelsdoelen te halen, ondanks een groeiend budget en intensieve marketing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit fundamentele probleem aan te pakken?
Defensie groeit aantoonbaar; tussen 1 januari en 1 december 2025 – dit zijn 11 maanden – is de personeelsomvang toegenomen met 5.567 voltijdsequivalenten (VTE’n) naar 79.913 VTE’n, terwijl tegelijkertijd de vrijwillige uitstroom laag blijft.
Tegelijkertijd is voor de schaalbare krijgsmacht in 2030 meer menskracht nodig dan nu beschikbaar is. Daarom neemt Defensie aanvullende maatregelen, zoals aangekondigd in de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst; meer, beter en sneller». Dat doen we onder meer door het opschalen van instroomsporen (Dienjaar, VeVa, Nationale Weerbaarheidstraining, reservisten), het vergroten van de capaciteit en productiviteit van selectie- en keuring, het differentiëren in functie-eisen waar dat verantwoord kan, en het structureel versterken van opleidings- en instructiecapaciteit in combinatie met het moderniseren van het onderwijs. Op 17 november 2025 heeft Defensie een intentieverklaring gesloten met civiele opleiders om de instructie- en opleidingscapaciteit structureel uit te breiden. Deze samenwerking zorgt ervoor dat Defensie sneller kan opschalen, innovatief kan opleiden en dat operationele eenheden inzetbaar blijven.
Is er bij de recente stijging van het defensiebudget ook geïnvesteerd in versnelde opleidingstrajecten, aangepaste instroomprofielen of bredere toelatingseisen? Zo ja, met welk resultaat?
Ja. Defensie investeert gericht in de hele keten van werving, selectie en opleiding. Dit gebeurt onder meer door uitbreiding van de keuringscapaciteit en psychologische selectie, het inrichten van extra selectie- en keuringslocaties, het aantrekken van externe opleidingscapaciteit en het moderniseren van opleidingen. Daarnaast differentieert Defensie in functie-eisen en verruimt Defensie leeftijdsgrenzen waar dat verantwoord is, bijvoorbeeld voor vlootpersoneel van de Marine en grondpersoneel van de Luchtmacht. Deze maatregelen dragen bij aan de groei van opgeleid en inzetbaar personeel. We zijn niet van plan meer opleidingstrajecten of instroom instrumenten te ontwikkelen, maar juist de bestaande optimaal te benutten en te schalen.
Wat is uw reactie op de analyse uit het artikel van Follow the Money dat het merendeel van de reservistenprogramma’s zich richt op «hoger opgeleiden», dat er veel minder geld gaat naar de VeVa-opleidingen en dat de VeVa in de praktijk geen vooropleiding is en geen voorrang geeft bij Defensie?
Ik herken het geschetste beeld niet. Defensie richt zich in haar personeelsbeleid op verschillende doelgroepen, met instroomsporen voor zowel mbo-, hbo- als wo-opgeleiden. VeVa vormt een heel belangrijk mbo-spoor: van de VeVa-studenten die tussen 2010 en 2020 zijn gestart, is 43 procent doorgestroomd naar een initiële opleiding bij Defensie. Circa 19 procent van alle beroepsmilitairen heeft een VeVa-achtergrond; bij manschappen en onderofficieren jonger dan 35 jaar is dit ongeveer 38 procent. VeVa is geen vooropleiding met formele voorrangsposities, maar biedt een doorlopende leerlijn die het beroepsbeeld en de basisvaardigheden versterkt en daarmee de keuze voor Defensie vergroot.
Voor VeVa is geen afzonderlijk programmabudget inzichtelijk, omdat de uitvoering is verweven met de reguliere bedrijfsvoering van Defensie. Er is wel afzonderlijk budget beschikbaar voor de stagevergoedingen aan VeVa-leerlingen tijdens de beroepspraktijkvorming (BPV) bij de operationele commando’s. Deze uitgaven aan uitvoering van de beroepspraktijkvorming bedragen circa 7 miljoen euro per jaar. Een significant aantal medewerkers van Defensie wordt direct en specifiek ingezet voor de begeleiding, coördinatie en regievoering van VeVa. Dit betreft de militair instructeurs op de ROC’a, alle BPV-commandanten en hun medewerkers voor de BPV-begeleiding, en alle stage- en onderwijscoördinatoren vanuit de operationele commando’s en defensieonderdelen.
De analyse dat reservistenprogramma’s zich uitsluitend of voornamelijk op hoger opgeleiden zouden richten, is niet juist. Zo zet Defensie met Defensity College (hbo/wo), het Dienjaar (mbo, hbo, wo) en de Nationale Weerbaarheidstraining (hbo/wo-minor en mbo-keuzendeel) in op jongeren en studenten die anders niet snel voor een loopbaan bij Defensie zouden kiezen. Defensie ontwikkelt en benut reservistenschillen juist in de volle breedte van de krijgsmacht, met functies voor zowel mbo-profielen als hbo- en wo-opgeleiden. De groei van de reservistenschil tot 20.000 in 2030 vraagt om een divers aanbod van reservistenfuncties, variërend van operationele ondersteuning en technische inzetbaarheid tot specialistische rollen op het gebied van ICT, cyber, geneeskundige zorg en beleidsmatige ondersteuning. Daarnaast zien we ook veel jongeren met een hbo- of wo-profiel die er juist voor kiezen om als reservist praktisch in gezet te worden bij de Natres of infanterie bewaken en beveiligen. De totale reservistenschil bestaat daarmee uit een breed samengesteld personeelsbestand dat aansluit bij de behoefte van de krijgsmacht.
Welke belemmeringen in de keten (zoals capaciteit opleidingen, veiligheidsscreenings, keuringseisen) spelen volgens u voornamelijk een rol bij het feit dat vacatures bij Defensie onvoldoende ingevuld worden?
De belangrijkste belemmeringen in de keten zijn de capaciteit en doorlooptijden van selectie en keuring, de duur van veiligheidsonderzoeken, de beschikbare opleidings- en instructiecapaciteit en randvoorwaarden als huisvesting, kleding en uitrusting. Een deel hiervan volgt uit wettelijke kaders, zoals de Wet op de medische keuringen en procedures voor veiligheidsonderzoeken. Daarnaast wil Defensie in korte tijd substantieel opschalen, terwijl uitbreiding van infrastructuur, instructiecapaciteit en ondersteunende voorzieningen tijd vergt.
Deelt u de mening dat meer geïnvesteerd moet worden in het wegnemen van de belemmeringen in de keten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen onderneemt u daarvoor?
Ik deel de mening dat het wegnemen van belemmeringen in de keten essentieel is om de personeelsdoelen te halen. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen. Defensie investeert nadrukkelijk in het vergroten van selectie- en keuringscapaciteit, in het uitbreiden van opleidingscapaciteit en het moderniseren van het onderwijs, in samenwerking met civiele opleidingspartners, in het wegnemen van onnodige regels voor externe opleiders en in het verbeteren van materiële randvoorwaarden. Daarnaast werkt Defensie via de beoogde Wet op de Defensiegereedheid aan meer flexibiliteit in het keuringsproces, onder meer door keuringen eerder in het proces te kunnen uitvoeren en keuringsgegevens langer te mogen gebruiken.
Klopt het dat de uitstroom van militairen ongeveer 25 procent hoger ligt dan ingecalculeerd?
Nee, dat beeld klopt niet. In 2025 stroomden er tot en met november minder beroepsmilitairen uit dan verwacht. Daarnaast bedraagt het percentage van het personeelsbestand dat Defensie in 2025 op eigen verzoek verlaat 3,1 procent van de totale bezetting, exclusief leerlingen in initiële opleidingen. Dit percentage ligt aanzienlijk lager dan het percentage van circa 5 procent irregulier verloop waarmee de sector Rijk rekent en lager dan in het bedrijfsleven. Uiteraard kan de uitstroom per doelgroep per jaar fluctueren, maar er is geen sprake van een structurele overschrijding van de ramingen met 25 procent.
Is er bij de recente stijging van het defensiebudget ook geïnvesteerd in het beter faciliteren van zittend personeel om die te kunnen behouden? Zo ja, met welk resultaat?
Ja. Met de stijging van het defensiebudget investeert Defensie niet alleen in werving, maar juist ook in behoud van alle medewerkers. Dit gebeurt onder meer via modernisering van arbeidsvoorwaarden, leer- en ontwikkelmogelijkheden, de invoering van de continue dialoog en strategische personeelsplanning, verbeterde loopbaanbegeleiding via het Dienstencentrum Employability, investeringen in veilige en passende uitrusting (zoals scherfwerende vesten voor vrouwelijke militairen) en het verbeteren van leiderschap en organisatiecultuur. Het resultaat is onder meer een lage vrijwillige uitstroom van 3,1 procent en het feit dat ongeveer 70 procent van de dienstverlaters aangeeft (heel) tevreden te zijn over het werk bij Defensie.
Deelt u ten slotte de mening dat voor het behalen van de doelstellingen voor 2030 (en daarna) een meer verplichtend karakter in het kader van opkomstplicht noodzakelijk zal zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke plannen heeft u hiertoe in voorbereiding?
Ik deel die mening niet. In mijn Kamerbrief «Start Defensie-enquête» (Kamerstuk 36 592, nr. 45, 22 september 2025) heb ik u daarover geïnformeerd. De belangstelling om bij Defensie te dienen neemt toe en de vrijwillige uitstroom is laag. Dat geeft ons het vertrouwen dat we de krijgsmacht met een vrijwillig dienmodel kunnen blijven vullen. In de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst» heb ik uw Kamer geïnformeerd over de aanvullende maatregelen die Defensie neemt om versneld te veranderen en te groeien naar een voortdurend inzetgerede en schaalbare krijgsmacht.
We moeten ons echter op verschillende scenario’s voorbereiden. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat de verwachte groei achterblijft bij de prognoses, of dat de veiligheidssituatie verder verslechtert en Defensie sneller moet groeien dan nu voorzien. Om die reden ontwikkelt Defensie een dienmodel dat kan meebewegen met de dreiging. Dat betekent: in staat zijn om (snel) op te schalen in aanloop naar een conflictsituatie, en weer kunnen afschalen in een periode na een conflict.
De Defensie-enquête is een instrument om sneller zicht te krijgen op potentiële instroom en, waar nodig, gefaseerd naar een meer verplichtend karakter toe te werken. De eerste stap, de vrijwillige enquête, is in september gestart. De herinvoering van de opkomstplicht is in uiterste instantie een juridisch beschikbare optie, maar ik ben ervan overtuigd dat er effectievere en meer gerichte manieren zijn om de personele gereedheid te verhogen. Een krijgsmacht waarin mensen bewust en vrijwillig voor dienst kiezen, blijft moreel en operationeel sterker.
Het artikel 'William uit Aadorp werd ziek door werk bij Defensie, toch wordt zijn claim afgewezen' |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «William uit Aadorp werd ziek door werk bij Defensie, toch wordt zijn claim afgewezen»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u aangeven of in soortgelijke gevallen als William het mogelijk is om met alleen een schriftelijk bewijs van een diagnose door een bevoegd arts te voldoen aan de bewijslast voor een claim?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december 20242 wordt een diagnose van een arts in principe geaccepteerd binnen de TSB. De inhoud van onderliggend onderzoek is niet nodig. De diagnose wordt niet overgedaan. Wel moet de diagnose zijn van één van de ziekten op de Lijst beroepsziekten van de TSB.3 Wat de situatie bij allergisch beroepsastma lastig maakt, is dat artsen zelden die complete diagnose stellen. Een arts stelt dan bijvoorbeeld wel de diagnose astma, maar niet allergisch astma. Of wel een allergisch astma, maar zonder te benoemen door welk allergeen. In Nederland hebben meer dan 500.000 volwassenen de diagnose astma.4 Om te waarborgen dat de middelen van de TSB terechtkomen bij de doelgroep, is het noodzakelijk om bepaalde kaders te stellen.
Klopt het dat de zogenoemde sensibilisatietest niet langer vereist is voor het toekennen van een claim? Deelt u de mening dat het onwenselijk is wanneer aanvragen toch stranden op deze test, terwijl deze volgens de nieuwe regeling niet meer toegepast zou moeten worden?
Als een aanvrager allergisch astma heeft, maar niet duidelijk is welk allergeen de astma veroorzaakt, is voor de TSB nodig dat dit wordt onderzocht. Om een toekenning te krijgen, moet het allergeen op het werk aanwezig zijn. De aanvrager laat hiervoor een sensibilisatietest doen. Zonder deze test is niet vast te stellen of het allergeen voorkomt op de werkvloer of in de privésfeer. Dit soort onderzoek wordt niet volledig gefinancierd vanuit de Zorgverzekeringswet. Om te voorkomen dat deze kosten terechtkomen bij aanvragers, is er financiering vanuit een tijdelijke pilot. Hierover heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd.5
Hoeveel aanvragen voor compensatie zijn er sinds de start van de regeling ingediend en hoeveel daarvan zijn afgewezen? Kunt u daarnaast aangeven in hoeveel gevallen de afwijzing (mede) gebaseerd was op het niet (voldoende) kunnen aanleveren van onderliggend onderzoek zoals de sensibilisatietest?
Sinds de start van de regeling zijn circa 900 aanvragen voor een tegemoetkoming ingediend. Van de ingediende aanvragen zijn ongeveer 600 aanvragen beoordeeld. Van de beoordeelde aanvragen is 34% toegekend. Onderliggend onderzoek ontbreekt met name voor de beroepsziekten allergisch beroepsastma en voor CSE. Voor allergisch beroepsastma geldt dat in 70–75% van de aanvragen onderliggend onderzoek niet is aangeleverd. Voor CSE geldt dat in 20–25% van de aanvragen informatie ontbreekt.
Bij beroepsziekten zoals allergisch beroepsastma en CSE zijn bepaalde onderzoeken onmisbaar om de beroepsziekte vast te stellen. Die onderzoeken moeten gedaan zijn voor het ontvangen van een toekenning uit de TSB. Het is niet de bedoeling de diagnose opnieuw te stellen, maar in de diagnosebrief moeten de conclusies of resultaten van de uitgevoerde onderzoeken zijn beschreven. Anders kan het Deskundigenpanel niet bevestigen dat sprake is van de beroepsziekte.
In een brief van 26 maart schrijft de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid: «Ik heb besloten om de eerder afgewezen aanvragers actief te informeren over de wijziging van de regeling. Zij kunnen een nieuwe aanvraag indienen na ingang van de wijziging, 1 juli 2025.» (Kamerstuk 25 883, nr. 523) Kunt u toelichten op welke wijze deze actieve informatievoorziening wordt ingericht en hoe wordt gewaarborgd dat alle betrokkenen daadwerkelijk bereikt worden?
De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft alle eerder afgewezen aanvragers6 tussen de start van de regeling en 1 juli 2025 schriftelijk benaderd. In die brief staat uitgelegd dat de aanvrager opnieuw een aanvraag kan indienen. Ook staat in de brief dat de aanvrager voor meer informatie kan bellen met het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen (ISBG).
Bent u bereid om alle eerder afgewezen aanvragers actief te benaderen en hen expliciet te wijzen op de mogelijkheid om na 1 juli 2025 opnieuw een aanvraag in te dienen?
De Sociale Verzekeringsbank heeft alle eerder afgewezen aanvragers7 al actief benaderd, en daarbij expliciet gewezen op de mogelijkheid opnieuw een aanvraag in te dienen.