Behoud van e-mailadressen |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Is het u bekend dat mensen die amper zeven jaar geleden een internetabonnement afsloten bij Wanadoo en daarbij een e-mailadres van de provider kregen, inmiddels voor de tweede of zelfs derde keer onvrijwillig een nieuw e-mailadres moeten gaan gebruiken?1
Ja.
Deel u de mening dat zo'n gedwongen adreswijziging aanzienlijk ongemak met zich meebrengt voor de getroffen internetgebruikers, zoals de noodzaak om persoonlijke en/of zakelijke relaties op de hoogte te brengen, de noodzaak om tal van inlogcodes voor websites aan te passen en de onzekerheid over de vraag of aan hen geadresseerde e-mails hun bestemming wel bereiken?
Ja.
Deelt u de mening dat de alternatieven voor een e-mailadres van de internetprovider niet voor alle internetgebruikers zijn weggelegd, bijvoorbeeld omdat zij privacy-bezwaren hebben tegen het gebruik van (Amerikaanse) webmaildiensten of omdat zij het aanschaffen en aanmaken van een eigen domeinnaam te kostbaar en/of ingewikkeld vinden?
Nee. Ik ben van mening dat er voldoende alternatieven bestaan voor een gebruiker die niet gebonden wil zijn aan het e-mailadres dat zijn internetserviceprovider (ISP) hem aanbiedt als onderdeel van een internettoegangsdienst. De gebruiker kan kiezen tussen (veelal) gratis webgebaseerde e-maildiensten en e-maildiensten die gekoppeld zijn aan een eigen domeinnaam. In het algemeen zullen aanbieders van gratis e-maildiensten andere voorwaarden hanteren dan betaalde diensten om zo de dienst gratis te kunnen houden. Het is aan de gebruiker zelf om zich goed te informeren en zijn keuze te bepalen aan de hand van criteria die voor hem belangrijk zijn zoals gemak, kosten en privacyoverwegingen.
Deelt u de mening dat het, wanneer een internetprovider van naam verandert, voor de bestaande klanten mogelijk moet zijn hun eerder verkregen e-mailadressen en aliassen te blijven gebruiken, zonder extra kosten?
Ik ben van mening dat een aanbieder die van naam verandert ervoor dient te zorgen dat zijn klanten daar zo weinig mogelijk ongemak van ondervinden. Dit houdt in dat een ISP er alles aan moet doen om de op de oude naam gebaseerde e-mailadressen te blijven ondersteunen voor hun klanten. In veel gevallen gebeurt dit ook, zoals KPN die de vervallen merken @hetnet.nl, @planet.nl en @wxs.nl blijft ondersteunen en UPC die het gebruik van @chello nog steeds mogelijk maakt.
Dit is echter merkenrechtelijk niet altijd mogelijk, zoals in het door u aangehaalde geval van T-Mobile. In die gevallen zouden klanten ruim de tijd moeten hebben te anticiperen op een nieuwe situatie. Ik heb begrepen dat de klanten van T-Mobile de adressen @wanadoo en @orange nog jaren na de overname hebben kunnen gebruiken. Zij zijn uiterlijk in 2011 geïnformeerd over het uitfaseren van de betreffende mailextensies per 1 augustus 2012 en het overgaan naar @online.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat een klant, wanneer deze zelf overstapt naar een andere internetprovider en daarmee een nieuw e-mailadres moet gaan gebruiken, de keuze krijgt om e-mail die op het oude adres binnenkomt te laten doorsturen naar het nieuwe adres, kosteloos en voor een periode van tenminste twee jaar?
Ik vind het wenselijk dat klanten zo weinig mogelijk ongemak ondervinden bij het wisselen van aanbieder; dit ongemak kan namelijk een overstapdrempel vormen en de marktwerking belemmeren. Het tijdelijk doorsturen van e-mail naar een nieuw e-mailadres bij de overstap naar een nieuwe ISP vermindert dit ongemak aanzienlijk. Ik zal dan ook met de sector in overleg treden om te kijken of de sector bereid is afspraken te maken over het (tijdelijk) kosteloos doorsturen van e-mailberichten.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat aan providers gekoppelde e-mailadressen die niet langer in gebruik zijn, gedurende tenminste tien jaar niet worden uitgegeven aan een andere klant, teneinde het risico van identiteitsfraude te minimaliseren?
Bij identiteitsfraude worden gebruikers vooral gedupeerd door misbruik van combinaties van gegevens zoals e-mailadres, accountnaam, inlogcode, creditcardnummer of bankrekeningnummers en NAW-gegevens. Op die manier kunnen onrechtmatig bestellingen geplaatst worden, transacties gepleegd worden of andere vormen van identiteitsfraude plaatsvinden. Het kennen van een e-mailadres alléén is in de regel niet voldoende om identiteitsfraude te plegen. Ik heb dan ook geen aanwijzingen dat de door u voorgestelde maatregel het risico op identiteitsfraude zou terugdringen.
Kunt u een inschatting geven van de kosten die de in de vorige drie vragen omschreven maatregelen met zich meebrengen voor internetproviders?
U vraagt naar de kosten van het behoud van oude e-mailadressen bij naamswijziging, het doorsturen van e-mail naar het nieuwe adres bij wisseling van provider, en het niet opnieuw uitgeven van vervallen e-mailadressen gedurende tien jaar. Navraag bij ISP’s levert op dat hierop geen eensluidend antwoord mogelijk is. De kosten hebben betrekking op extra servercapaciteit, beheersactiviteiten en administratieve handelingen. Hoe groot die kosten precies zijn hangt sterk af van de specifieke infrastructuur van de aanbieder en de wijze waarop hij zijn systemen heeft ingericht en beheert.
Bent u bereid om over de hierboven omschreven maatregelen in overleg te treden met de in Nederland actieve internetproviders of er zo nodig uitvoering aan te geven door middel van een Algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 4, lid 10 van de Telecommunicatiewet?
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag vijf zal ik met de sector in overleg treden over de mogelijkheid afspraken te maken over een overgangstermijn voor het tijdelijk kosteloos doorsturen van e-mailberichten, om zo de overstapdrempel voor consumenten te verlagen. Een wettelijke regeling voor «e-mailadres portabiliteit» vind ik niet aan de orde, omdat er voldoende alternatieven in de markt zijn die maken dat een klant niet gebonden is aan een e-mailadres van een internetprovider.
Het bericht dat een computervirus bij zeker 20 instellingen heeft toegeslagen |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Kent u de berichtgeving dat een computervirus bij vele instellingen, waaronder gemeenten, bedrijven en universiteiten, heeft toegeslagen?1
Wat zijn de gevolgen van infectie door dit virus voor belangrijke gegevens, documenten en privacygevoelige informatie?
Welke andere gemeenten en publieke instellingen, dan de in de media gemelde, zijn er nog meer getroffen?
Hoe snel na de eerste melding van het virus is het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in actie gekomen? Op welke wijze heeft het NCSC gereageerd?
Is het waar dat het Nationaal Cyber Security Centrum de problemen naar aanleiding van het virus in kaart brengt en de meldingen onderzoekt? Zo ja, kunt u de resultaten zo snel mogelijk met de Kamer delen?
Wat zijn de kosten voor de overheid als gevolg van het toeslaan van dit virus?
Wordt de dienstverlening voor de burger beïnvloed door het toeslaan van dit virus? Zo ja, hoe?
Was de uitbraak van dit virus te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd?
Hoe verklaart u dat dit virus alleen bij (semi-) overheidsinstellingen lijkt te hebben toegeslagen?
Zou het kunnen zijn dat bedrijven dergelijke ICT-incidenten niet melden?
Gaat het NCSC ook bij het bedrijfsleven inventariseren of, en in welke mate, dit virus daar heeft toegeslagen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u de Kamer van de resultaten daarvan op de hoogte stellen?
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de meldplicht voor bedrijven van ICT-incidenten, waarvoor in diverse moties is gepleit?
Deelt u de mening dat het vertrouwen van de burger in de overheid niet wordt bevorderd als alleen van cybercriminaliteit bij de (semi-)overheid sprake lijkt te zijn?
Het bericht ‘Nederland moet 'terughacken''. |
|
Gerard Schouw (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Nederland moet «terughacken»»?1
Ja.
Welke acties onderneemt u precies als buitenlandse servers virussen in ons land verspreiden?
In eerste instantie is het niet een verantwoordelijkheid van de overheid, maar van een ieder die met een computer het internet op gaat of op andere wijze met computers werkt om zijn eigendommen te beschermen. Hiervoor is een groot aantal computertools beschikbaar. Ook internetserviceproviders ondersteunen gebruikers bij het voorkomen van virusuitbraken.
Voor de overheid geldt dat zij, mede gezien haar verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de dienstverlening aan burgers, de nodige maatregelen moet treffen om haar eigen infrastructuur vrij te houden van virussen. Daarnaast verstrekt de overheid op diverse manieren voorlichting. Bij bijzondere dreigingen en incidenten, zoals bij de aanpak van het Dorifel-virus, kan een grotere inzet van de overheid aan de orde zijn. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) speelt dan een rol door het bijeenbrengen en uitdragen van informatie en expertise, en door het bieden van handelingsperspectieven. Wanneer sprake is van een acute dreiging, kan worden voorzien in tijdige en adequate alertering, zodat partijen zelf hun voorbereidingen kunnen treffen en verantwoordelijkheid kunnen nemen.
Wat houdt «terughacken» precies in?
De term terughacken is niet afkomstig van de overheid. Door het NCSC wordt hacken gedefinieerd als het intrekken in computersystemen. Vanuit deze redenering is terughacken het inbreken in computersystemen van waaruit gehackt wordt met als doel om de oorspronkelijke dreiging te doen stoppen.
Wat is uw reactie op de uitspraak dat Nederland te soft optreedt en dat Nederland moet «terughacken»?
Nederland handelt binnen de eigen wettelijke kaders. Via de samenwerking met andere landen, die mede is vormgegeven door het Cybercrimeverdrag, zijn in veel gevallen bedreigingen af te wenden. Wel constateer ik dat in de snel veranderende digitale wereld de wetgeving en internationale afspraken zijn achter gebleven. Om die reden heb ik uw Kamer laten weten dat ik met voorstellen zal komen met als doel het juridisch kader voor de opsporing en vervolging van cybercrime meer toe te snijden op de behoeften van de diensten die zijn belast met de opsporing en vervolging van cybercrime. In het kader van dat wetstraject zal ik ook uitgebreider ingaan op de consequenties en risico’s van terughacken. Tot slot verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen van het lid Recourt over de bestrijding van cybercrime (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 578).
Behoort volgens u «terughacken» tot de mogelijkheden om servers die virussen verspreiden uit te schakelen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke consequenties heeft het «terughacken»?
Zie antwoord vraag 4.
Wat zijn de risico's van het «terughacken» zowel op korte als op lange termijn?
Zie antwoord vraag 4.
Welke (juridische) waarborgen zijn volgens u noodzakelijk om het «terughacken» van landen mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van het voorstel om te pleiten voor internationale afspraken voor internet, vergelijkbaar met het internationale zeerecht? Welke juridische consequenties heeft dit?
Het is duidelijk dat er behoefte is aan nieuwe regels voor de grensoverschrijdende bestrijding en voorkoming van cybercrime. Daarover vindt wereldwijd volop discussie plaats. Ook op Europees niveau wordt gezocht naar oplossingen. Een fundamenteel onderdeel van deze discussie is het territorialiteitsbeginsel en het uitgangspunt van nationale soevereiniteit. Dat ligt in veel landen erg gevoelig. De lopende discussies overziend constateer ik dat we inhoudelijk nog niet zo ver zijn dat concrete oplossingen in zicht komen. Het voorstel dat de oplossing is gelegen in de mogelijke vergelijking met het internationale zeerecht is dan ook interessant, maar prematuur.
Het bericht dat Facebook de activiteiten van zijn gebruikers scant op mogelijke criminele activiteiten |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat Facebook de activiteiten van zijn gebruikers scant op mogelijke criminele activiteiten?1
Ja.
Bent u bekend met de details van de werkwijze van Facebook? Zal u Facebook om opheldering vragen over de gebruikte methode, welke activiteiten Facebook als «crimineel» aanmerkt en op welke grondslag, hoeveel gevallen aan de autoriteiten zijn gemeld en in hoeveel gevallen dit daadwerkelijk heeft geleid tot een veroordeling?
Ik ben niet bekend met de details van deze werkwijze van Facebook. Het ligt ook niet op mijn weg om hierover opheldering te vragen, maar op die van de privacytoezichthouders in de landen waar Facebook is gevestigd, of althans waar Facebook de gegevens van zijn gebruikers op de beschreven wijze verwerkt. Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft mij in dit verband meegedeeld dat de privacytoezichthouder in Ierland, waar het Europese kantoor van Facebook is gevestigd, mede namens de privacytoezichthouders van de 26 overige EU-lidstaten onderzoek doet naar Facebook. Over de in het bericht beschreven werkwijze heeft de Ierse toezichthouder vragen gesteld aan Facebook. Voorts komt het onderwerp binnenkort ter sprake in de Artikel 29-werkgroep, waarin alle Europese privacytoezichthouders zijn verenigd. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Hoe verhoudt dit zich tot de in Europa geldende wet- en regelgeving ten aanzien van bescherming persoonsgegevens?
Artikel 8, vijfde lid, van richtlijn 95/46/EG laat de regeling in welke gevallen strafrechtelijke gegevens mogen worden verwerkt – ook in de gevallen waarin dit gebeurt door particulieren – in belangrijke mate over aan het recht van de lidstaten. Artikel 22, tweede lid, van Wet bescherming persoonsgegevens erkent principieel het recht dat verantwoordelijken hebben om persoonsgegevens van strafrechtelijke aard ter bescherming van de eigen belangen te beschermen. Wel gelden daarvoor een aantal wettelijke voorwaarden. Of de in uw vragen bedoelde werkwijze van Facebook valt binnen het kader van deze bepaling is ter beoordeling aan de autoriteiten waar deze gegevensverwerking plaatsvindt. Ik verwijs in dit verband naar het onderzoek door de Ierse privacytoezichthouder dat ik noemde in antwoord op vraag 2.
Bent u van mening dat het opsporen van criminelen uitsluitend een taak is van de overheid?
Ja, het opsporen van criminelen is een taak die door, dan wel onder verantwoordelijkheid van de overheid dient te geschieden.
Is het optreden van Facebook wettelijk toegestaan in Nederland? Zo ja, in hoeverre en op grond van welke wetsbepalingen?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre en op grond van welke afspraken of wetgeving kan Facebook, gevestigd in de Verenigde Staten, deze methodes toepassen op gebruikers binnen de Europese Unie en of Nederland?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er andere bedrijven die op deze manier opereren vanuit de Verenigde Staten of andere derde landen?
Het in vraag 1 geciteerde artikel meldt dat «vele bedrijven» op een vergelijkbare wijze als Facebook de data die zij verwerken doorzoeken ter voorkoming van (zeden)misdrijven. Mij is niet bekend of dit bericht juist is, en welke bedrijven het betreft.
Maken de autoriteiten in Nederland systematisch gebruik van de op deze wijze verkregen informatie van Facebook of andere bedrijven? Zo ja, op welke wijze en hoe worden de privacyregels in acht genomen?
Nee.
Gratis draadloos internet in de trein |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat NS in 2013 stopt met het beschikbaar stellen van gratis draadloos internet in de trein?1
Nee. Het huidige contract van NS met de huidige provider loopt in 2013 af. NS is nu met verschillende providers in onderhandeling over een nieuw contract voor de periode daarna.
NS meldt mij het streven te hebben om internet in de trein gratis te houden. NS wil deze service blijven aanbieden omdat de reizigers dat belangrijk vinden. Of het mogelijk is zal afhangen van het nieuwe contract.
Zijn er in het verleden afspraken gemaakt tussen Rijk en NS over internet in de trein en over het al dan niet berekenen van kosten voor deze voorziening? Zo ja, welke?
Ja. Het Rijk heeft NS een subsidie verleend van 15 miljoen euro om internet in de trein te realiseren en gedurende de subsidieperiode gratis aan te bieden aan de reizigers. De subsidie eindigt in 2013.
Deelt u de mening dat gratis draadloos internet in het openbaar vervoer een belangrijke factor kan zijn voor reizigers om de keuze te maken om over te stappen naar de trein?
Gratis internet maakt het openbaar vervoer aantrekkelijker. Of het voor (potentiële) reizigers een belangrijke reden is om daadwerkelijk over te stappen van ander vervoer naar het openbaar vervoer, is bij mijn weten nooit onderzocht.
Gratis internet is overigens niet gratis. Het kost geld. Als het voor de reizigers gratis is, zullen deze kosten gedragen moeten worden door de vervoerder en/of de concessieverlener.
Overweegt u om in de nieuwe concessie voorwaarden op te nemen inzake gratis draadloos internet? Zo nee, waarom niet?
Dit is één van de vele zaken waarvan ik wil bezien of het wenselijk is om het op te nemen in de nieuwe vervoerconcessie. Mijn inschatting is overigens dat niet alle wensen (waarvan de meeste tot kosten voor NS leiden) in de concessie kunnen worden gehonoreerd. Ik stel me voor om als het beeld compleet is een integrale afweging te maken.
Is het, nu zelfs busondernemingen gratis internet op sommige streekbusdiensten aanbieden, niet onderhand tijd om met een heldere, landelijke standaard te komen voor gratis internet in het openbaar vervoer, zodat er geen ratjetoe van systemen ontstaat en de reiziger door de bomen het bos niet meer ziet?
Internet in het openbaar vervoer is een vorm van service van de vervoerder en/of de concessieverlener aan de reizigers, net als bijvoorbeeld catering aan boord. Het is geen essentieel onderdeel van het openbaar vervoer. Daarom zie ik het niet als mijn taak om tot een landelijke standaard te komen.
Elke vervoerder kan zelf bepalen of hij deze vorm van service aan zijn klanten wil bieden. Elke concessieverlener kan zelf beslissen in zijn concessie een verplichting op te nemen over (al of niet gratis) internet.
Zoals eerder gezegd: gratis internet is niet gratis. Als het voor de reizigers gratis is, zullen de kosten gedragen moeten worden door de vervoerder en/of de concessieverlener. Ik kan zelf als concessieverlener een voorschrift opnemen in de nieuwe concessie voor het hoofdrailnet (zie mijn antwoord op vraag 4), maar ik kan en wil niet voor vervoerders en de andere concessieverleners beslissen hoe ze dit oplossen.
Als alle vervoerders en concessieverleners gezamenlijk tot een landelijke standaard komen, is daar uiteraard niets op tegen.
Hoe staat het met de invoering van «real time» reizigersinformatie in de trein, die eveneens gebruik maakt van de draadloze internetstructuur? Waarom tonen de monitoren nog steeds voornamelijk een afbeelding van een trein in een sappig weidelandschap?
Het is juist dat «real time» reizigersinformatie en draadloos internet gebruik maken van dezelfde infrastructuur. NS is bezig de benodigde systemen in te bouwen in alle Intercity’s. Inmiddels is dit in meer dan de helft van de Intercity’s gebeurd. De planning is dat in het derde kwartaal van 2013 alle Intercity’s voorzien zullen zijn van de techniek die nodig is voor «real time» reizigersinformatie en draadloos internet.
De brief van studentenorganisatie ISO over de langstudeerboete |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de brief van ISO, LKVV en LSVB1 betreffende de langstudeerdersboete, zoals recent verzonden naar uw departement en naar Kamerleden die het woord voeren over hoger onderwijs?
Ja, ik ga ervan uit dat u doelt op de brief van het advocatenkantoor Stibbe mede namens de ISO van 20 juli jl.
Wat valt volgens u, voor deeltijd- en voltijdstudenten, precies onder de nominale studieduur?
De nominale studieduur is de duur zoals vastgelegd in de Onderwijs- en Examenregeling (OER) of een ander door het instellingsbestuur vastgelegd document, zoals de studiegids. De studieduur wordt vastgesteld in studiepunten (ECTS).
Deelt u de mening dat een langere studieduur een onvermijdelijke eigenschap van een deeltijdstudie is en dat daarmee rekening gehouden moet worden in wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Een deeltijdstudie duurt niet per definitie langer dan een voltijdse studie. Uit het rapport «Kenmerken, wensen en behoeften deeltijd hoger onderwijs» van ResearchNed, dat samen met de brief deeltijd hoger onderwijs naar de Tweede Kamer is gestuurd, blijkt dat met name veel hbo-studenten in deeltijd net zo lang of zelfs minder lang over hun studie doen als voltijdstudenten. De door het instellingsbestuur vastgelegde studieduur voor die deeltijdstudies bedraagt veelal de nominale studieduur van 4 jaar voor een bacheloropleiding. Dat kan worden gerealiseerd door een efficiënte inrichting van het onderwijs, waarbij bijvoorbeeld gebruik wordt gemaakt van tijd- en plaatsonafhankelijk leren (e-learning) en de werkplek wordt benut voor de uitvoering van leeractiviteiten in het kader van de opleiding.
Deelt u de mening dat het vonnis van de rechter enige duidelijkheid in deze zaak heeft gebracht, maar voor veel studenten nog steeds onduidelijk is of, en zo ja op welke gronden, zij te maken krijgen met de langstudeerdersboete? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Het vonnis van de rechtbank is duidelijk voor de voltijdstudenten: voor hen blijft de langstudeerdersmaatregel onverkort van toepassing. Voor de deeltijdstudenten is het vonnis ook helder: deeltijdstudenten die nà 1 februari 2011 aan een deeltijdstudie zijn begonnen, vallen onder de langstudeerdersmaatregel. Voor deeltijdstudenten die vóór 1 februari 2011 aan een deeltijdstudie zijn begonnen, is recht gedaan aan de uitspraak van de rechter. Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 is conform de rechterlijke uitspraak inzake deeltijdstudenten aangepast (Staatsblad 2012, nr. 377). De studenten zullen hierover via de gebruikelijke communicatiekanalen zoals www.duo.nl goed geïnformeerd worden. Ook heb ik hierover overleg met hen gevoerd.
Deelt u de mening dat niet ad infinitum in de geschiedenis van een student kan worden teruggekeken naar eerder gevolgde opleidingen ten behoeve van het opleggen van de langstudeerdersboete? Zo ja, wat is volgens u een redelijke termijn? Zo nee, deelt u de mening dat zulks zich slecht verhoudt met de principes van behoorlijk bestuur?
Voor de berekening van het aantal ingeschreven studiejaren van een student wordt uitgegaan van de optelling van diens inschrijvingen in het Centraal register inschrijving hoger onderwijs op de peildatum in enig jaar vanaf 1 september 1991.
Deelt u de mening dat de werking van de langstudeerdersboete direct ingaat tegen het principe van «een leven lang leren», daar deeltijdstudies effectief ontmoedigd worden door de regeling, terwijl zij grote economische en maatschappelijke waarde hebben? Zo nee, hoe draagt de langstudeerdersboete volgens u bij aan de aantrekkingskracht van deeltijdstudies voor mensen die niet in voltijd kunnen studeren?
Nee, deze mening deel ik niet. Op 30 maart jl. heb ik mijn beleidsvisie over deeltijd hoger onderwijs aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer gezonden (32618, nr. L). In voornoemde brief ben ik nader ingegaan op de gevolgen van de langstudeerdersmaatregel voor deeltijdstudenten. Ik ben van mening dat deze op stelselniveau geen disproportionele gevolgen heeft voor deeltijdstudenten uitgaande van de rechtelijke uitspaak. Wel is er aanleiding om in individuele gevallen tegemoet te komen aan bijzondere omstandigheden die ten grondslag liggen aan het langstuderen. In de brief wordt voorgesteld om in individuele gevallen deeltijdstudenten tegemoet te komen via het profileringsfonds. Ik heb hiervoor extra middelen aan de instellingen ter beschikking gesteld. Net als bij voltijdstudenten is de vaststelling van de hoogte en de duur van de compensatie de verantwoordelijkheid van de instellingen. In de toekomst wil ik voor deeltijdonderwijs vraagfinanciering invoeren om de vraaggerichtheid en flexibiliteit van het deeltijdonderwijs te vergroten. Dit zal ook kunnen resulteren in grotere aan aantrekkingskracht op de doelgroep. De langstudeerdersmaatregel is dan niet meer van toepassing op deeltijdstudenten.
Worden de studentenorganisaties betrokken bij het opstellen van een overgangsrechtelijke regeling, gezien het feit dat zij goed op de hoogte zijn van de problematiek en daardoor van toegevoegde waarde kunnen zijn in het proces?
Ik heb op 13 en 27 juli de voorzitters van de colleges van bestuur geïnformeerd over de uitvoering van de wet- en regelgeving van de langstudeerdersmaatregel. In deze brieven wordt uiteengezet hoe OCW voornemens is de uitspraak van de rechtbank uit te werken. Deze brief is ter informatie ook verzonden naar de studentenorganisaties. Ook heb ik overleg met hen gevoerd. In de brief van de ISO staat dat zij graag een kopie van de (overgangsrechtelijke) regeling ontvangen.
Het bericht dat ACTA terug is als CETA |
|
André Elissen (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de berichten «Angst voor tweede ACTA is «ongegrond»»1 en «Hey, ACTA is terug, maar heet nu CETA»2?
Ja.
Is het inderdaad zo dat een gedeelte van de tekst van de Anti-Counterfeiting Trade Agreement (ACTA) tevens in de nieuwe Canada-EU Trade Agreement (CETA) staat? Hoe komt het dat de ACTA steeds maar terug blijft komen?
Met CETA wordt een breed en ambitieus vrijhandelsakkoord tussen Canada en de Europese Unie beoogd, waarin partijen afspreken om vrijwel alle douanetarieven af te schaffen en daarnaast afspraken maken over o.a. de handel in diensten, de toegang van investeringen, overheidsaanbestedingen, mededinging en geschillenbeslechting. Vrijhandelsakkoorden zijn van groot belang voor economisch herstel en welvaartsgroei, in de EU en met name in Nederland. De jaarlijkse reële inkomstwinsten binnen 7 jaar na de invoering van CETA, worden geschat op circa € 8,2 miljard voor Canada en € 11,6 miljard voor de EU. Nederland verwacht als handelsland in relatief een groot deel van deze winst te kunnen meedelen.
Aangezien de bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten in landen buiten de EU ook van groot belang is voor de innovatiekracht van bedrijven, de creatieve industrie en onderzoekers in de EU, vormen bepalingen over de handhaving van intellectuele eigendomsrechten een klein, maar belangrijk onderdeel van een vrijhandelsakkoord.
Het is juist dat een deel van de in ACTA gebruikte teksten in de CETA onderhandelingstekst van februari jl. voorkwam. Deze zijn echter van vóór de stemming door het Europees Parlement. De Europese Commissie heeft inmiddels – in de ogen van het kabinet terecht – aangegeven deze stemming van het Europees Parlement volledig te respecteren en deze in acht te nemen ten aanzien van CETA3. De artikelen 27 lid 3 en 27 lid 4 van ACTA over de aansprakelijkheid van Internet Service Providers maakten al geen deel meer uit van de huidige CETA tekst. De overige bepalingen op het gebied van handhaving van intellectuele eigendomsrechten worden nu in het licht van voornoemde stemming bestudeerd. Indien bepalingen hiermee niet stroken dan worden ze herzien of verwijderd. De huidige bepalingen in het ontwerpvrijhandelsakkoord met betrekking tot de handhaving van intellectuele eigendomsrechten zijn in overeenstemming met de EU-richtlijnen en de nationale wetgeving van de lidstaten. Gezien de uitspraak van uw Kamer in motie nr 2884 zal dit kabinet – in welk akkoord dan ook – niet akkoord gaan met bepalingen uit ACTA waar de Kamer zich tegen heeft uitgesproken, zoals bepalingen over strikte handhaving van intellectueel eigendom op internet en bepalingen die toekomstige hervormingen van het auteursrecht in de weg staan.
Ziet u het als uw plicht om de Tweede Kamer expliciet voor te lichten wanneer passages uit de weggestemde ACTA in een andere vorm op (dreigen te) duiken? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de informatievoorziening aan uw Kamer is het gebruikelijk dat internationale onderhandelingen ten behoeve van een handelsovereenkomst vertrouwelijk zijn: dergelijke onderhandelingen hebben tot doel om een gedeeld resultaat te bereiken en vereisen enige mate van vertrouwelijkheid opdat iedere partij zich vrij voelt om toezeggingen te doen en/of opties uit te proberen alvorens definitief met een overeenkomst in te stemmen.
Bij dit proces wordt de Kamer op gebruikelijke wijze betrokken. Dit houdt in dat voorafgaand aan een Europese handelsraad, de Kamer een bewindspersoon kan spreken over de lopende onderhandelingen. Het kabinet informeert vanzelfsprekend de Kamer ook, bijvoorbeeld door middel van de geannoteerde agenda van de handelsraad. Na afronding van de onderhandeling krijgt het nationale parlement in geval van akkoorden waar sprake is van gemengde competentie (deels nationaal, deels Europees) de gelegenheid zich uit te spreken over het verdrag in de ratificatieprocedure.
Zijn er momenteel andere verdragen (in voorbereiding) waarin passages zijn opgenomen die (qua betekenis of impact) met de ACTA overeenkomen? Kunt u dit antwoord toelichten?
Er zijn op dit moment geen met ACTA vergelijkbare verdragen in onderhandeling.
Vanzelfsprekend wordt wel onderhandeld met verschillende (groepen van) landen over een vrijhandelsakkoord waar intellectuele eigendom één van de onderwerpen is. De onderhandelingen met Singapore worden naar verwachting dit jaar afgerond en volgend jaar waarschijnlijk die met Maleisië en India. Voor een volledig overzicht van de vrijhandelsakkoorden en de stand van zaken verwijzen wij naar de website van de Europese Commissie – DG Trade5. De bepalingen over handhaving van intellectuele eigendomsrechten zijn niet nieuw, maar in lijn met eerder overeengekomen regelgeving binnen de Europese unie en internationale verdragen, zoals de TRIPS-overeenkomst6 en diverse auteursrechtverdragen van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom7. De Nederlandse wetgeving is daar uiteraard ook mee in overeenstemming.
Welke stappen gaat u nemen om te voorkomen dat er ACTA-achtige verdragen worden ontwikkeld? Gaat u deze ontwikkelingen de pas afsnijden door aan te geven dat Nederland dit niet wil of door bijvoorbeeld te werken aan het dusdanig bestendigen van internetvrijheid zodat initiatieven als de ACTA bij voorbaat kansloos zijn?
Zoals wij uw Kamer eerder hebben aangegeven, hebben wij de wens van uw Kamer ten aanzien van ACTA meegegeven aan de Europese Commissie. Nu het Europees Parlement tegen ACTA heeft gestemd en ook diverse parlementen van andere lidstaten hebben aangegeven geen goedkeuring aan ACTA te willen geven, verwachten wij geen nieuwe ACTA-achtige verdragen die ook op Nederland van toepassing zouden zijn.
Mocht er een nieuw initiatief met betrekking tot de handhaving van intellectuele eigendomsrechten komen, dan zal dat voorstel door de alsdan zittende regering op zijn inhoud worden beoordeeld en zal uw Kamer bij dit proces op de gebruikelijke wijze worden betrokken. Ten aanzien van de ontwikkelingen en initiatieven van de regering op het gebied van internetvrijheid verwijzen wij naar brieven aan uw Kamer van 10 april 2012 en 10 juli 20128.
Netneutraliteit |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van een recent weblogbericht van Eurocommissaris Kroes (Digitale agenda) over netneutraliteit1 en de presentatie van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) op een conferentie in Roemenië over netneutraliteit (d.d. 5 juni jl.)?2
Ja.
Deelt u de kritiek van Eurocommissaris Kroes op de Nederlandse implementatie van netneutraliteit zoals verwoordt in haar weblog: «But I do not propose to force each and every operator to provide full Internet: it is for consumers to vote with their feet.»?
Nee, die kritiek deel ik niet. Ten eerste haar punt over variatie in het aanbod van internettoegang. Ik vind het ook goed als consumenten kunnen kiezen tussen verschillende abonnementsvormen. Die ruimte biedt onze wet waarin netneutraliteit is voorgeschreven ook. Zo kunnen verschillende abonnementsvormen worden aangeboden in relatie tot het verbruik door de consument, zoals de hoeveelheid verbruikte data, of de geboden kwaliteit, zoals de bandbreedte. De wet biedt echter geen ruimte voor abonnementsvormen waarbij een aanbieder van internettoegang bepaalde diensten blokkeert, omdat die concurreren met zijn eigen diensten. Ik vind het uitgangspunt van netneutraliteit met inachtneming van de resterende mogelijkheid om verschillende abonnementsvormen aan te bieden belangrijker dan de beschikbaarheid van abonnementen waarbij Voice over IP wordt geblokkeerd. Ten tweede stelt Eurocommissaris Kroes dat zij vertrouwt op marktwerking om onwenselijke praktijken uit te bannen. Ik heb daar minder vertrouwen in, omdat mijn inziens de prikkels in de markt verkeerd liggen. Dat onbeperkte toegang tot het gehele internet grote maatschappelijke en economische meerwaarde heeft, is voor de individuele aanbieder van een internettoegangsdienst economisch niet relevant.
Van een aanbieder van internettoegangsdiensten kan daarom niet worden verwacht dat hij uit eigen beweging diensten doorgeeft die concurreren met zijn eigen verdienmodel. De situatie zoals die zich vorig jaar in Nederland voordeed illustreert dit. De grootste mobiele aanbieders kondigden aan bepaalde concurrerende diensten alleen nog toe te staan in duurdere abonnementen. Daarmee kwam de mogelijkheid voor consumenten om te «stemmen met hun voeten» onder druk te staan. Ik heb daarom onvoldoende vertrouwen dat marktwerking de grote belangen die op het spel staan borgt. En die belangen zijn te groot om daar een risico te lopen. In de eerste plaats denk ik aan de vrijheid van meningsuiting en de ontvangstvrijheid: burgers mogen op internet in hun uitingsvrijheid en toegang tot informatie niet worden beperkt door keuzes van hun internetprovider. Ten tweede aan keuzevrijheid: consumenten moeten zelf kunnen bepalen welke diensten ze gebruiken via hun internetverbinding. Ten derde zorgt een open internet voor een platform waarover aanbieders van toepassingen en applicaties zonder belemmering hun diensten kunnen aanbieden, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de toestemming van een aanbieder van internettoegang. De laagdrempeligheid om diensten te ontwikkelen en het (daardoor) grote aantal potentiële aanbieders zorgt ervoor dat elke klant een toepassing kan vinden die bij hem of haar past. Niet alleen de internettoegang als zodanig, maar met name ook de algemene beschikbaarheid van diensten en toepassingen vormen een meerwaarde voor economie en maatschappij.
In hoeverre is de Nederlandse implementatie van netneutraliteit via de gewijzigde Telecommunicatiewet (Kamerstukken 32 549 en 32 403) strijdig met de geest en de inhoud van de Europese Telecommunicatierichtlijnen?
De Nederlandse implementatie van netneutraliteit is niet strijdig met de inhoud van Europese Telecommunicatierichtlijnen. Zij is juist in de geest van die richtlijnen. In artikel 8, derde lid, onder g, van de Kaderrichtlijn gaat het er immers om dat de eindgebruiker vrij is informatie te vergaren en verspreiden en diensten en toepassingen van zijn keuze te gebruiken. Daar geeft de Nederlandse Telecommunicatiewet uitvoering aan.
Deelt u de bezwaren van de OPTA dat de Nederlandse implementatie van netneutraliteit niet proportioneel is en dat het juist ook nadelen kan hebben voor het welzijn en de keuzevrijheid van consumenten?
In het antwoord op vraag 2 ben ik ingegaan op het belang, met name ook voor consumenten, om netneutraliteit bij wet te borgen. Met artikel 7.4a Telecommunicatiewet is het beginsel van netneutraliteit in de wet verankerd. Het artikel is geformuleerd als een algemeen verbod, waarbij de proportionaliteit echter niet uit het oog wordt verloren; er zijn uitzonderingen op dit verbod voor de bij wet genoemde gevallen. De uitzonderingen geven aan in welke situaties belemmering of vertraging van verkeer door de aanbieder geen bezwaar oplevert, gezien de belangen die netneutraliteit beoogt te beschermen en de belangen van die uitzonderingen. Verder zij er in het kader van de proportionaliteit op gewezen dat de netneutraliteitsbepaling zich beperkt tot het bieden van internettoegang. Dit betekent dat de regeling er niet aan in de weg staat dat ondernemingen via het internet losse diensten aanbieden, zoals bijvoorbeeld een VOIP only dienst. Het aanbieden van een op een specifieke behoefte van de gebruiker gerichte dienst blijft dus mogelijk. Tevens blijft het mogelijk om managed services te bieden waarbij bandbreedte wordt gereserveerd voor IP gebaseerde diensten die via het eigen netwerk worden aangeboden, zoals IPTV.
De gekozen formulering in de wet (een algemeen verbod met gespecificeerde uitzonderingen) voorkomt dat nu nog onvoorziene ontwikkelingen in de toekomst ertoe kunnen leiden dat het verbod om verkeer te belemmeren of vertragen wordt omzeild. Tegelijkertijd is daarmee niet volledig uit te sluiten dat op enig moment mogelijk gewenste abonnementsvormen in Nederland in strijd kunnen zijn met de wet. De parlementaire discussie bij de behandeling van het wetsvoorstel over het al dan niet toestaan van door consumenten op grond van ideologische motieven gewenste internetfiltering illustreert dit. Ondanks dat er begrip bestond voor een dergelijk abonnement, wilde een meerderheid van de Tweede Kamer uiteindelijk niet het risico lopen dat netneutraliteit wordt aangetast door ISP’s die mogelijk de randen van de wet opzoeken als de uitzondering van het subamendement van de leden Dijkgraaf en Verburg (TK 2010–2011, 32 549, nr. 33) ook in de wet zou worden opgenomen. Daarbij werd meegewogen dat er alternatieven beschikbaar zijn waarmee consumenten zelf internet kunnen filteren.
In hoeverre is het verbod op door een grote groep internetgebruikers gewenste internetfiltering door providers op grond van ideologische motieven strijdig met artikel 7 van de Nederlandse grondwet en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met daarin de zinsnede «Dit recht omvat (...) de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.» (lid1)?
De wettelijke bepaling met betrekking tot netneutraliteit is niet strijdig met artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 van het EVRM. De wettelijke bepaling met betrekking tot netneutraliteit is juist gericht op het borgen van de vrijheid van eenieder om informatie te ontvangen of te verstrekken, zonder dat aanbieders van internettoegangsdiensten zich mengen in het gedrag van hun klanten op internet. De bepaling voorkomt dat aanbieders van internettoegang diensten of toepassingen op het internet blokkeren. Het tot aanbieders van internettoegang gerichte verbod staat er echter niet aan in de weg dat internetgebruikers die dat wensen toegang tot bepaalde diensten of toepassingen zelf blokkeren of laten blokkeren. Als consumenten op grond van ideologische motieven internetfiltering willen, bestaan er alternatieven. Consumenten kunnen er zelf voor kiezen om een filter te plaatsen, bijvoorbeeld op hun router of computer. Ze kunnen het filteren echter ook door derden, waaronder de aanbieder van internettoegang, laten doen. Daarbij is het ook toegestaan dat de filtering plaatsvindt op netwerkniveau. Voorwaarde is wel dat de internetgebruiker zonder tussenkomst van de aanbieder van internettoegang een einde kan maken aan de filtering. Hiermee is optimaal gewaarborgd dat de internetgebruiker toegang kan krijgen tot die delen van het internet die hij zelf wenst.
Bent u van mening dat onder meer het verbod op internetfiltering door providers op grond van ideologische motieven en de vraag van consumenten wordt ondergraven door de kritiek van zowel Eurocommissaris Kroes als de OPTA?
Nee, hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 4 en 5.
Bent u bereid de OPTA op korte termijn te laten kijken naar de wijze waarop Nederland netneutraliteit heeft geïmplementeerd en of daarmee op proportionele wijze tegemoetgekomen is aan de wensen van consumenten en de daadwerkelijke problemen?
Ik zie het nut van zo’n onderzoek op dit moment niet in, omdat de wet net door de Staten-Generaal is aangenomen. Voor een evaluatie is het te vroeg aangezien de wet nog in werking moet treden en vervolgens enige tijd in werking moet zijn om de daadwerkelijke effecten in de praktijk te kunnen beoordelen.
Het voorstel van Europese telecombedrijven om online dienstverleners mee te laten betalen aan de kosten voor internet verkeer |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat Europese telecombedrijven een voorstel hebben ingediend bij de Internationale Telecommunicatie-Unie (ITU) om online dienstverleners mee te laten betalen aan de kosten voor internetverkeer?1
Ja, ik heb kennisgenomen van een voorstel van ETNO (European Telecommunications Network Operators» Association) om een nieuwe verrekeningssystematiek te introduceren voor de vergoeding van dataverkeer dat wordt afgehandeld over netwerken.
Deelt u mijn mening dat het voorstel van de European Telecommunications Network Operators Association (ETNO) een forse aantasting is van de in Nederland bij wet vastgelegde netneutraliteit, omdat de doorgifte van een website of internetdienst afhankelijk wordt van de vraag of deze bereid is te betalen voor het gegenereerde internetverkeer? Krijgen telecombedrijven zo geen vrijbrief om bepaalde websites en diensten te blokkeren? Zo nee, waarom niet? Kunt u dit toelichten?
ETNO lijkt met haar voorstel een verrekeningssystematiek te willen introduceren waarin aanbieders die internettoegang leveren aan eindgebruikers een vergoeding krijgen van aanbieders van diensten en toepassingen voor op hun (de aanbieders van internettoegang) netwerk afgeleverd dataverkeer. Dat betekent dat de partij die data verzendt, de partij die de data via zijn netwerk naar de eindgebruiker transporteert een afgiftetarief betaalt. Als de verzendende partij niet betaalt, zal de door hem verzonden data niet worden doorgegeven. Dit conflicteert met de in Nederland bij wet vastgelegde netneutraliteit (artikel 7.4a Telecommunicatiewet), waaruit volgt dat een aanbieder van internettoegang geen verkeer mag blokkeren of belemmeren op grond van het feit dat de partij die het verkeer verzendt geen afgiftetarief wil betalen.
Is het waar dat dit voorstel ertoe kan leiden dat internetdienstverleners ervoor zullen kiezen om mensen uit ontwikkelingslanden of arme mensen in rijke landen, niet langer toegang te geven tot hun diensten, omdat de baten niet opwegen tegen de kosten? Kunt u dit toelichten?
Is het waar dat dit voorstel kan leiden tot vermindering van de concurrentie en innovatie onder internetbedrijven, bijvoorbeeld doordat nieuwkomers niet in staat zijn de extra kosten op te brengen? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre wordt eerlijke concurrentie en innovatie bedreigd door het voorstel van ETNO voor «gedifferentieerde kwaliteit van dienstverlening», doordat dit gevestigde internetdienstverleners in staat stelt voorrang te kopen voor hun diensten? Kunt u dit toelichten?
Bent u bereid om in de Europese Raad aan te dringen op wettelijke waarborging van netneutraliteit op Europees niveau? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de Nederlandse wetgeving op netneutraliteit en de gedachtegang daarachter onlangs uitgebreid toegelicht en aanbevolen bij Eurocommissaris Kroes en doe dit ook op de Telecomraad.
Is Nederland vertegenwoordigd op het World Conference on International Telecommunications in december 2012? Wat is de Nederlandse inzet bij deze conferentie? Bent u bereid om ook daar aan te dringen op het belang van netneutraliteit? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie van EL&I neemt namens Nederland als lid van de ITU deel aan de Verdragsconferentie tot herziening van de «International Telecoms Regulations». Mijn ministerie zal het voorstel van ETNO binnen de EU verder bespreken om te bezien of een gezamenlijke Europese inbreng mogelijk is. Op basis van mijn huidig beeld wat het voorstel van ETNO inhoudt, is de Nederlandse inzet om afstand te nemen van het voorstel.
De OPTA-kritiek op netneutraliteit NL |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de presentatie van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) op de Roemeense conferentie «Net Neutrality and the Quest for Sustainable Internet» d.d. 5 juni?1
Ja.
Wat is uw mening over netneutraliteit? Is deze de afgelopen maanden gewijzigd?
Mijn mening is niet gewijzigd. Ik blijf achter de Nederlandse regelgeving over netneutraliteit staan.
Hoe verhoudt uw mening over netneutraliteit zich tot suggesties van de OPTA dat de Nederlandse «Alleingang» niet proportioneel is en niet perse het welzijn en de keuze van Nederlandse consumenten maximeert?
Nederland heeft als eerste Europese land er voor gekozen netneutraliteit bij wet te borgen, waar Eurocommissaris Kroes vooralsnog lijkt te vertrouwen op marktwerking om het ongewenst blokkeren of vertragen van internetdiensten terug te dringen. Ik heb daar minder vertrouwen in omdat mijn inziens de prikkels in de markt verkeerd liggen. Dat onbeperkte toegang tot het gehele internet grote maatschappelijke en economische meerwaarde heeft, is voor de aanbieder van een internettoegangsdienst economisch niet relevant. Van een aanbieder van internettoegangsdiensten kan daarom niet worden verwacht dat hij uit eigen beweging diensten doorgeeft die zijn eigen verdienmodel beconcurreren. De situatie zoals die vorig jaar in Nederland optrad illustreert dit. De grootste mobiele aanbieders kondigden aan concurrerende diensten alleen nog toe te staan in duurdere abonnementen. Daarmee kwam de mogelijkheid voor consumenten om te «stemmen met hun voeten» onder druk te staan. Ik heb daarom onvoldoende vertrouwen dat marktwerking de grote belangen die op het spel staan borgt. En die belangen zijn te groot om daar een risico te lopen. In de eerste plaats denk ik aan vrijheid van meningsuiting: burgers mogen op internet in hun uitingsvrijheid en toegang tot informatie niet worden beperkt door keuzes van hun internetprovider. Ten tweede om keuzevrijheid: consumenten moeten zelf kunnen bepalen welke diensten ze gebruiken over hun internettoegang. Ten derde zorgt een open internet voor een platform waarover aanbieders van toepassingen en applicaties zonder belemmering hun diensten kunnen aanbieden, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de toestemming van een aanbieder van internettoegang. De laagdrempeligheid om deze diensten te ontwikkelen en het (daardoor) grote aantal potentiële aanbieders zorgt ervoor dat elke klant een toepassing kan vinden die bij hem past.
Met artikel 7.4a Telecommunicatiewet is het beginsel van netneutraliteit daarom in de wet verankerd. Het artikel is geformuleerd als algemeen verbod, waarbij de proportionaliteit echter niet uit het oog wordt verloren; er zijn uitzonderingen op dit verbod voor de bij wet genoemde gevallen. In de uitzonderingen is aangeduid in welke situaties belemmering of vertraging van verkeer door de aanbieder geen bezwaar oplevert gezien de belangen die netneutraliteit beoogt te beschermen en de belangen van die uitzonderingen. Verder zij er in het kader van de proportionaliteit op gewezen dat de voorgestelde netneutraliteitsbepaling zich beperkt tot het bieden van internettoegang. Dit betekent dat de regeling er niet aan in de weg staat dat ondernemingen via het internet losse diensten aanbieden, zoals bijvoorbeeld een VOIP-onlydienst. Het aanbieden van een op een specifieke behoefte van de gebruiker gerichte dienst via internet blijft dus mogelijk.
Tevens blijft het mogelijk om managed services te bieden waarbij bandbreedte wordt gereserveerd voor IP gebaseerde diensten die via het eigen netwerk worden aangeboden, zoals IPTV.
Wat betekenen deze uitspraken precies voor de handhaving van netneutraliteit in Nederland?
OPTA is toezichthouder op de Telecommunicatiewet en dus ook op de bepalingen over netneutraliteit. OPTA heeft mij verzekerd deze bepalingen uiteraard te zullen handhaven en betreurt eventueel ontstane twijfels hierover.
De plannen van Europese telco’s om de netneutraliteit te schaden |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Europese telecombedrijven (telco’s) een aparte tolweg voor internet willen?1
Ja, ik heb kennisgenomen van een voorstel van ETNO (European Telecommunications Network Operators» Association) om een nieuwe verrekeningssystematiek te introduceren voor de vergoeding van dataverkeer dat wordt afgehandeld over netwerken.
Hoe staat u tegenover het voorstel van Europese Telco’s verenigd in ETNO (European Telecommunications Network Operators) om een A-internet en een B-internet op te zetten?
Het voorstel zoals gedaan door ETNO is pas recent ingediend en zeer globaal. Mij is niet bekend in hoeverre dit een puur ETNO (vereniging met name bestaande uit incumbents) gedreven voorstel is of dat er een bredere behoefte in de markt bestaat voor een dergelijk voorstel en in hoeverre het voorstel praktisch realiseerbaar is. Aldus geef ik op basis van beperkte informatie een eerste appreciatie.
De kern van het voorstel van ETNO lijkt dat zij een verrekeningssystematiek wil introduceren waarin aanbieders die internettoegang leveren aan eindgebruikers een vergoeding krijgen van aanbieders van diensten en toepassingen voor op hun (de aanbieders van internettoegang) netwerk afgeleverd dataverkeer.
Dit volgt uit het door ETNO genoemde principe van «sending party network pays»2 Dat betekent dat de partij die data verzendt, de partij die de data via zijn netwerk naar de eindgebruiker transporteert een afgiftetarief betaalt. Dit is vergelijkbaar met de gespreksafgiftetarieven zoals nu gebruikelijk bij telefonie. Als bij telefonie een abonnee van een bepaald netwerk naar de abonnee belt van een ander netwerk, betaalt de aanbieder van het netwerk waar het telefoontje vandaan komt een tarief aan de aanbieder van het andere netwerk voor het «bezorgen» van het telefoontje bij de abonnee van dat andere netwerk. Het voorstel lijkt dan ook een pleidooi te zijn voor de introductie van afgiftetarieven voor data(bits).
Ik zie aan het ETNO voorstel op het eerste gezicht een aantal punten die mij zorgen baren. Afgiftetarieven (en de onzekerheid over hun toekomstige hoogte) kunnen voor aanbieders van diensten en toepassingen een drempel vormen om hun diensten aan te blijven bieden en nieuwe diensten te ontwikkelen. Tevens levert een verrekeningssystematiek waarin kosten via afgiftetarieven in rekening worden gebracht naar verwachting economisch minder efficiënte uitkomsten dan tarieven die direct aan eigen eindgebruikers in rekening worden gebracht. Partijen die het verkeer naar hun bestemming, de eindgebruiker, willen zenden worden immers geconfronteerd met het feit dat ze geen alternatief hebben om bij de eindgebruiker te komen: zij moeten tot overeenstemming zien te komen met de aanbieder van het netwerk waaraan de eindgebruiker is aangesloten. De aanbieder van het netwerk heeft hier feitelijk een monopoliepositie. Ook hier past de vergelijking met telefonie waar de aanbieder van een bepaald netwerk de enige is die ervoor kan zorgen dat telefoongesprekken die komen van een ander netwerk bij zijn abonnees terecht kunnen komen. Vandaar dat deze tarieven bij telefonie door de OPTA worden gereguleerd. Ik zie dan ook een risico in het voorstel om een dergelijk verrekeningsmodel via ITU regels aan iedereen op te leggen.
Hoe is Nederland precies vertegenwoordigd in ITU-verband (International Telecommunication Union)? Wat zijn de Nederlandse mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de besluitvorming?
Het ministerie van EL&I neemt namens Nederland als lid van de ITU deel aan de Verdragsconferentie tot herziening van de «International Telecoms Regulations». Mijn ministerie zal het voorstel van ETNO binnen de EU verder bespreken om te bezien of een gezamenlijke kritische Europese inbreng mogelijk is.
Bent u bereid krachtig afstand te nemen van deze voorstellen en de netneutraliteit te verdedigen?
Op basis van mijn huidig beeld wat het voorstel van ETNO inhoudt, neem ik daar krachtig afstand van.
Standaardisatie van software rond het Omgevingsloket |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de presentatie1 van de gemeente Delft op de recente Wabowijzer Expertisedag, waarin werd voorgerekend dat één landelijke database voor alle gegevens rond handhaving van milieu- en ruimtelijke ordeningswetgeving (in het verlengde van vergunningverlening) een besparing van een factor 10 aan ICT-kosten kan opleveren ten opzichte van de huidige situatie, waarbij alle betrokken partijen na het afhandelen van een vergunningtraject (provincies, gemeenten, waterschappen, brandweer, Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD's) hun eigen weg gaan bij het opslaan en ontsluiten van relevante handhavingsinformatie?
Ja, ik heb kennis genomen van de presentatie van de gemeente Delft ten aanzien van het creëren van een centrale database van de vergunningdossiers en neem dit voorstel serieus mee bij de doorontwikkeling van het Omgevingsloket online.
Onderschrijft u dat zo'n «back-end» voor het Omgevingsloket Online ook een grote verbetering kan opleveren voor de toegankelijkheid/transparantie van data, voor kwaliteitsborging, «benchmarking» en wetenschappelijk onderzoek?
Een dergelijk centrale database van vergunningdossiers kan de toegankelijkheid van de dossiers verbeteren. Naast een centrale database zal ik alternatieven onderzoeken, aansluitend bij de mogelijkheden van de medeoverheden en efficiënt in termen van beheer en onderhoud. Een aantal gemeenten heeft zelf al een goede toegankelijkheid georganiseerd voor de eigen vergunningdossiers.
Onderschrijft u dat dit concept ook zeer behulpzaam kan zijn in het kader van de invoering van Regionale Uitvoeringsdiensten en de problematiek bij bestuurlijke reorganisatie (zoals gemeentelijke herindelingen) sterk kan vereenvoudigen?
In het kader van de vereenvoudiging en verbetering van het omgevingsrecht ben ik samen met de medeoverheden een project gestart om te bepalen welke (aanpassingen van) landelijke digitale voorzieningen de uitvoering van het omgevingsrecht kunnen vereenvoudigen en verbeteren voor burgers, bedrijven en overheden. De doorontwikkeling van het Omgevingsloket online is hiervan een voorbeeld. Het resultaat is een gezamenlijke digitale agenda voor het omgevingsrecht.
Bent u bereid om het «Web-based» concept zoals voorgesteld door de gemeente Delft nader te onderzoeken en de Kamer ultimo 2012 te berichten over uw conclusies?
Ja, ik neem deze optie mee in de doorontwikkeling van het Omgevingsloket online en de gezamenlijke digitale agenda voor het omgevingsrecht en kan de Kamer daarover begin 2013 berichten.
Wordt in het kader van kwaliteitsverbetering van vergunning- en handhavingsinformatie overwogen om een wettelijke basisregistratie voor relevante gegevens te definiëren? Zo nee, bent u bereid om in overleg met betrokken partijen uit handhavingsland te onderzoeken of zo'n aanpak meerwaarde biedt?
Indien uit de trajecten van de doorontwikkeling van het Omgevingsloket online en de digitale agenda omgevingsrecht blijkt dat het stelsel van basisregistraties moet worden aangevuld om te komen tot een succesvolle uitvoering van het omgevingsrecht, zal dat te zijner tijd bezien moeten worden.
Het onvoldoende versleuteld opslaan van wachtwoorden |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht Wachtwoorden miljoenen LinkedIn-gebruikers op straat ?1
Ja.
Hoe beoordeelt u een dergelijke inbraak? Hoe ver reikt in uw ogen de verantwoordelijkheid van LinkedIn voor het veilig opslaan van wachtwoorden en het versleutelen daarvan?
LinkedIn is primair zelf verantwoordelijk voor de beveiliging van haar dienstverlening. In de privacyverklaring op haar website geeft LinkedIn aan de ontvangen gegevens «in overeenstemming met industriële normen en technologie» te beveiligen, zonder verder te specificeren welke normen dit zijn.
Mede gezien de vraagstelling over de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, verwacht ik dat mijn opvolger in het volgende kabinet nader op deze problematiek zal ingaan als onderdeel van de uitvoering van de motie Gesthuizen/Verhoeven. In deze motie is verzocht om een visie op de privacy, veiligheid en bescherming van burgers op internet2.
Bent u, gezien de dominante positie die LinkedIn heeft in haar sociale media niche zonder enige concurrentie en daarmee dus zonder enig alternatief voor de gebruiker, bereid LinkedIn aan te spreken op deze inbraak en afspraken met LinkedIn te maken over het veilig opslaan van de wachtwoorden van in ieder geval de Nederlandse gebruikers?
Wat de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid betreft in verband met beveiligingslekken, verwijs ik naar de brief die ondergetekende en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op 13 juni 2012 over deze affaire aan de voorzitter van de Tweede Kamer hebben gezonden. In deze brief wordt aangegeven dat, indien zich een beveiligingslek bij een bedrijf voordoet, deze zelf verantwoordelijk is voor de te verstrekken voorlichting en herstelactiviteiten. Dat geldt ook voor de daarmee gemoeide kosten. De overheid zal die verantwoordelijkheid niet overnemen.
In dit specifieke geval is, door de media-aandacht en het onderzoek dat de Amerikaanse overheid heeft gestart naar deze kwestie, LinkedIn afdoende gewezen op haar verantwoordelijkheden en heeft zij aangekondigd maatregelen te treffen. Een onderhoud met het bedrijf biedt in deze geen toegevoegde waarde meer.
Overigens draagt de overheid in algemene zin bij aan het vergroten van het bewustzijn bij zowel burgers als bedrijven van het veilige gebruik van internet via onder meer voorlichtingscampagnes. Via ECP, een publiek-privaat platform voor de informatiesamenleving, worden al enige jaren activiteiten ontplooid die ook ingaan op het veilig gebruik van wachtwoorden. Dit programma wordt door het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie gefinancierd. Zo is in 2010 de campagne «Wissel je wachtwoord» gevoerd. Mede naar aanleiding van deze gebeurtenis zal een al in voorbereiding zijnde voorlichtingscampagne worden geactualiseerd. Gestart wordt met het ontwikkelen van een herhaling van de wachtwoordencampagne uit 2010. Verder zullen ECP en het Nationaal Cyber Security Centrum dit jaar de campagne «Secure November» uitvoeren, dat zich richt op het vergroten van de awareness in het veilig gebruik van internet.
GOVCERT.NL, nu onderdeel van het NCSC, heeft in 2011 factsheets uitgegeven met een overzicht van de risico’s verbonden aan deelname aan sociale netwerken, de maatregelen die gebruikers kunnen treffen, wat de gevolgen kunnen zijn en het handelingsperspectief is wanneer persoonlijke gegevens (zoals gebruikersnaam en wachtwoord) onderdeel zijn van een datalek en op internet gepubliceerd worden.
Zijn er wettelijke regels voor het veilig opslaan van wachtwoorden? Is het anders mogelijk om met enkele grote partijen een overleg te voeren hoe dit soort situaties in de toekomst voorkomen kunnen worden?
Er zijn in Nederland geen wettelijke regels die specifiek over het opslaan en beveiligen van wachtwoorden gaan. Maar er is wel wettelijk de verplichting om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of vormen van misbruik. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geeft aan:
«De verantwoordelijke legt passende technische en organisatorische maatregelen ten uitvoer om persoonsgegevens te beveiligen tegen verlies of enige vorm van onrechtmatige verwerking. Deze maatregelen garanderen, rekening houdend met de stand van de techniek en de kosten van de tenuitvoerlegging, een passend beveiligingsniveau gelet op de risico’s die de verwerking en de aard van te beschermen gegevens met zich meebrengen». Omdat LinkedIn een in Amerika gevestigd bedrijf is, daar zijn feitelijke werkzaamheden verricht en daar ook gegevens van gebruikers verwerkt, is het aannemelijk dat deze bepaling in dit specifieke geval niet van toepassing is.
Een vergelijkbare verplichting geldt voor aanbieders van openbare telecommunicatiediensten en -netwerken als gevolg van artikel 11.2 in samenhang met 11.3 Telecommunicatiewet. Overigens is LinkedIn niet aan te merken als een in deze artikelen bedoelde aanbieder.
Om deze redenen is deze kwestie voldoende aanleiding om in de eerder genoemde uitvoering van de motie Gesthuizen/Verhoeven hier op terug te komen.
Tenslotte kan ik melden dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wetgeving in voorbereiding heeft voor een meldplicht voor datalekken. Dat wetsvoorstel zal nog voor het zomerreces aan de ministerraad worden aangeboden, en zal uw Kamer na dat reces bereiken.
De teksttelefoondienst AnnieS |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
|
|
![]() ![]() |
Herinnert u zich uw uitspraak tijdens het vragenuur op 15 mei jongstleden over de teksttelefoondienst van AnnieS: «Ik zal er alles aan doen om te bekijken hoe wij als overheid eraan kunnen bijdragen om de bestaande voorziening op peil te houden?»
Welke stappen zijn er door u sinds 15 mei jongstleden ondernomen zodat doven en slechthorenden weer teksttelefonie tot hun beschikking hebben?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat verdere introductie van nieuwe beeldtelefonie in Nederland niet stil komt te liggen?
Online privacy |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen, waarin u stelt dat het niet in het belang is van de opsporing om inzicht te verschaffen in de mate waarin sociale media door de opsporingsautoriteiten gevolgd worden?1
Ja.
Is het waar dat informatie over het aftappen van telefoonverkeer door opsporingsdiensten wel openbaar wordt gemaakt? Bent u van mening dat het vrijgeven van deze informatie het risico met zich mee brengt dat personen hun gedrag daarop gaan afstemmen?
De jaarlijkse tapstatistieken maken deel uit van het departementaal jaarverslag. De cijfers over het jaar 2011 heeft uw Kamer onlangs ontvangen (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 33 240 VI, nr. 1). Deze statistieken omvatten zowel telefoontaps als IP-taps, alsook het aantal vorderingen van verkeers- en identificerende gegevens. Het risico dat personen hun gedrag afstemmen op basis van deze informatie acht ik aanvaardbaar, maar dit risico neemt toe naarmate de cijfers verder uitgeplitst worden.
Bent u van mening dat voor het aftappen van telefoons en sociale media door opsporingsautoriteiten dezelfde juridische en democratische controlemechanismen moeten gelden?
De inlichtingenplicht van bewindspersonen tegenover de Staten-Generaal, zoals vastgelegd in artikel 68 van de Grondwet, is een uitermate belangrijk staatsrechtelijk beginsel. Het parlement kan zijn controletaak niet goed uitvoeren indien het niet over de daarvoor noodzakelijke informatie beschikt. Zoals de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uitvoerig uiteen heeft gezet in een brief over de reikwijdte van artikel 68 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 28 362, nr. 2) stelt dit artikel evenwel ook een grens aan de inlichtingenplicht, namelijk bij gevallen waarin het verstrekken van de gevraagde informatie in strijd is met het belang van de staat. Hiervan is naar mijn oordeel in dit geval sprake.
Zou u alsnog inzicht willen geven in de mate waarin sociale media door de opsporingsautoriteiten gevolgd wordt? Zo nee, zou u deze weigering dan willen toelichten in het licht van artikel 68 van de Grondwet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat een Mexicaanse telecomgigant een bod doet op 28% van de aandelen in KPN |
|
Ronald Plasterk (PvdA), Ed Groot (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Mexicaanse telecomgigant doet bod op bijna kwart KPN»?1
Ja.
Wat vindt u van het bod van América Móvil op 28% van de aandelen van KPN? Bent u van mening dat dit bod een stap is naar een vijandige overname van het bedrijf?
Het is niet aan de minister van Financiën om een oordeel te geven over een bod van een onderneming op de aandelen van een andere onderneming. Ook de intenties van América Móvil zijn mij niet bekend.
De Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van KPN zelf hebben het bod als ongevraagd gekwalificeerd en raden hun aandeelhouders aan er niet op in te gaan2
Het Kabinet volgt dit proces vanwege de diverse belangen voor Nederland. Die betreffen de continuïteit van de dienstverlening en de belangen van Nederlandse werknemers, consumenten en aandeelhouders. De Nederlandse telecommunicatiemarkt is concurrerend en KPN is en blijft op deze markt een belangrijke speler. KPN is gehouden aan wettelijke verplichtingen over bijvoorbeeld de betaalbare universele dienstverlening en aan de vergunningen die lopen. Een eventuele transactie (van aandelen) verandert niets aan deze verplichtingen. De Nederlandse toezichthouders OPTA en NMa blijven toezien op een juiste werking van de telecommarkt.
Bent u van mening dat het bezit van 28% van de aandelen, in het geval van KPN maar ook meer algemeen, de facto een controlerend aandeel is, gezien het veelal versplinterde bezit van publiek verhandelde aandelen en de opkomst bij de aandeelhoudersvergadering?
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter uitvoering van richtlijn nr. 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod is toegelicht dat het verplichte bod strekt tot bescherming van minderheidsaandeelhouders tegen machtsmisbruik door een aandeelhouder die overwegende zeggenschap over de vennootschap heeft verworven.3
Destijds is voor een drempelwaarde van 30 procent van de stemrechten gekozen, omdat bij een groot aantal vennootschappen in de statuten was opgenomen dat bepaalde besluiten (bijvoorbeeld over statutenwijziging) slechts genomen konden worden met een meerderheid van ten minste tweederde van de stemmen, al dan niet gekoppeld aan een quorumeis. Indien een partij over 30 procent van de stemmen beschikt, is er in veel gevallen derhalve net geen blokkerende minderheid. Die blokkerende minderheid is er dan pas wanneer een partij over ten minste een derde van de stemmen beschikt. Verder bleek dat een aantal belangrijke EU-lidstaten, zoals Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, de drempelwaarde eveneens bij 30 procent heeft gelegd.4
Of het bezit van 28 procent van de stemrechten de facto een controlerend aandeel is, is dus afhankelijk van de inrichting van de statuten: daar kunnen geen algemene uitspraken over gedaan worden. Wanneer vennootschappen (inmiddels) hun statuten hebben gewijzigd en wellicht minder bescherming bieden aan minderheidsaandeelhouders, dan is dat een keuze van de vennootschap zelf geweest. Het is in dat geval niet aan de wetgever om die keuze weer deels terug te draaien door nu voor een andere drempelwaarde te kiezen; de inrichting van een vennootschap is immers aan de (organen van de) vennootschap zelf.
Verder is in de hierboven genoemde landen de drempelwaarde nog steeds 30 procent en heeft Frankrijk de drempelwaarde per 1 januari 2011 juist verlaagd naar 30 procent. Mij zijn bovendien geen signalen uit de markt bekend waaruit blijkt dat de grens van 30 procent niet langer voldoet.
Gezien bovenstaande zie ik momenteel geen reden om de drempelwaarde voor het verplichte bod te wijzigen.
Bent u van mening dat de drempelwaarde van ten minste 30% voor het doen van een verplicht bod op alle aandelen dient om de andere aandeelhouders te beschermen tegen een controlerende aandeelhouder die een dominante stempel op het bedrijf drukt? Zo nee, waarvoor dient deze drempelwaarde van 30% naar uw mening dan?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u ervan op de hoogte dat u als minister van Financiën bij algemene maatregel van bestuur en binnen het kader van de Europese overnamerichtlijn de drempelwaarde kan vaststellen voor het doen van een verplicht bod?
Het vaststellen van de drempelwaarde is volgens artikel 5, derde lid, van de hiervoor genoemde richtlijn een bevoegdheid van de lidstaten. In de Nederlandse nationale rechtsorde is deze drempelwaarde neergelegd in de in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) opgenomen definitie van het begrip «overwegende zeggenschap». In de Wft ontbreekt een wettelijke grondslag om de drempelwaarde van 30 procent bij (of krachtens) algemene maatregel van bestuur te wijzigen. Een zodanige wijziging kan derhalve uitsluitend via een wetswijziging worden gerealiseerd.
Bent u bereid van deze bevoegdheid gebruik te maken en de drempelwaarde voor een verplicht bod lager vast te stellen dan de huidige 30% van de totale aandelen, zodat partijen met een de facto controlerend aandeel ook de financiële inspanning moeten leveren die bij deze zeggenschap hoort? Zo ja, naar welk niveau bent u voornemens deze drempelwaarde te verlagen en waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Vrij internet bij de ambassades in landen waar internetcensuur geldt |
|
Jhim van Bemmel (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
![]() |
Vallen Nederlandse ambassades en consulaten in landen waar internetcensuur wordt toegepast (o.a. China, Iran, Wit-Rusland, Saudi-Arabië), onder die censuur of hebben deze Nederlandse vertegenwoordigingen volledig open toegang tot internet?1
Nederlandse ambassades en consulaten hebben toegang tot vrij internet via het interne netwerk van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Om veiligheids-redenen worden op dit netwerk alleen beveiligde computers van het ministerie aangesloten.
Deelt u de mening dat het op voornoemde manier openstellen van de Nederlandse Wifi-netwerken op ambassades een kleine bijdrage kan leveren aan de vrijheid van mensen in landen waar internet door de overheid wordt gecensureerd? Zo neen, waarom niet?
Ik ben bereid te onderzoeken wat mogelijk is. Daarbij zullen de veiligheid van het ambassadepersoneel, de beschikbare capaciteit en de daadwerkelijke behoefte ervan worden meegewogen.
Het openstellen van wifi-netwerken op ambassades is helaas geen mogelijkheid, omdat de beveiliging van het interne netwerk van Buitenlandse Zaken geen verbindingen met wifi-netwerken toelaat.
Bent u bereid dit idee te bespreken met uw collegae in internationale samenwerkingsverbanden, zodat in de ambassadewijken van de gecensureerde landen een netwerk van vrij internet kan ontstaan? Zo neen, waarom niet?
Ik zal in EU-verband aan de orde stellen of in landen met internetcensuur kan worden samengewerkt om mensenrechtenverdedigers gebruik te laten maken van ongecensureerde internetverbindingen.
Het Bel-me-niet-Register |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van de resultaten van de enquête die TROS Radar heeft gehouden over het Bel-me-niet Register, waaruit onder meer blijkt dat 83% van de mensen die ingeschreven staan bij het register het vervelend vindt gebeld te worden door bedrijven waar zij (ex-)klant van zijn?1
Is het binnen de nu geldende Europese richtlijnen mogelijk om wettelijk vast te leggen dat de nu geldende uitzondering, dat mensen die in het Bel-me-niet Register staan geregistreerd nog wel kunnen worden gebeld door een bedrijf waar zij klant van zijn, vervalt?
Voor telemarketing via de telefoon richting warme contacten (mensen die klant bij het bedrijf zijn of zijn geweest) hebben we in Nederland een systeem waarbij klanten ad hoc aan kunnen geven dat zij niet (meer) benaderd willen worden. Een klant moet de mogelijkheid geboden worden om zich te verzetten tegen het gebruik van het telefoonnummer. Dit is het zogenoemde «recht van verzet». OPTA ziet erop toe dat de mogelijkheid gebruik te maken van dat recht bij elk gesprek geboden wordt. Dit systeem zorgt er voor dat klanten die op het contact geen prijs stellen, slechts maximaal één keer door een specifiek bedrijf gebeld kunnen worden.
Het huidige systeem maakt het daardoor mogelijk dat tandartsen en garagebedrijven zonder raadpleging van het Bel-me-niet register en de daarbij behorende kosten, klanten telefonisch op de hoogte kunnen brengen dat het tijd is voor de reguliere controle c.q. keuring.
Mijn inschatting is dat het laten vervallen van de uitzondering voor warme contacten of het opnemen van een aparte categorie in het Bel-me-niet register niet aan de proportionaliteitseis voldoet. Onder de huidige richtlijnen mag een Lidstaat weliswaar strengere eisen stellen dan de richtlijn, maar deze moeten op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie non-discriminatoir, subsidiair en proportioneel zijn, indien deze regelgeving de (interne) markt kan beïnvloeden. Bij deze proportionaliteitstoets worden de gerechtvaardigde belangen van de consument afgewogen tegen de gerechtvaardigde belangen van het bedrijfsleven. Bij e-mail en faxmarketing, die streng gereguleerd zijn, wordt, op grond van de Europese regels een uitzondering gemaakt voor klanten. Deze mogen door de bedrijven worden benaderd en dat recht kan niet generiek en bij voorbaat worden ingeperkt. De Europese regelgever erkent daarmee het belang dat een bedrijf, vereniging of charitatieve instelling heeft om zijn huidige «klanten» te bereiken.
Dat belang raakt ernstig in de knel op het moment dat de uitzondering voor bellen naar warme contacten vervalt of een generieke uitsluiting in het bel-me-niet-register wordt ingevoerd, en gaat daarmee verder dan noodzakelijk. Naar mijn mening biedt het huidige systeem voor telefonische direct marketing richting klanten, indien telkens het recht van verzet wordt geboden, een evenwichtige waarborg van de belangen van het bedrijfsleven en de consument.
Wel wil ik verbeteringen aanbrengen in het huidige beleid. Ten eerste, zoals aangegeven in mijn brief van 16 april jl. over de evaluatie van het Bel-me-niet register, zal ik in samenspraak met de beheerder van het register bezien op welke wijze consumenten nog beter geïnformeerd kunnen worden over het recht van verzet en andere aspecten van het register teneinde de nog bestaande irritatie verder te verminderen. Ten tweede, uit de evaluatie blijkt ook dat klanten het zelden een probleem vinden om gebeld te worden door hun huidige aanbieder of contractspartij. Irritatie ontstaat vooral als klanten worden gebeld door een aanbieder of contractspartij, waarbij men al lang geen contract meer heeft. Ik zal dan ook bezien of er mogelijkheden bestaan om een termijn te verbinden aan het benaderen van warme contacten die inmiddels geen klant meer zijn bij het bedrijf.
Indien dit niet mogelijk is, is het dan wel mogelijk om het recht op verzet op te nemen in het Bel-me-niet Register door middel van een aparte categorie in het register voor mensen die ook niet willen worden gebeld door bedrijven waar zij klant van zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Valt het doen van marktonderzoek onder de definitie van «ongevraagde communicatie voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden» van artikel 11.7 lid 5 van de Telecommunicatiewet? Kunt u dit toelichten? Indien dit niet het geval is; is het mogelijk marktonderzoek onder dezelfde regels te laten vallen als die gelden voor de doeleinden zoals bedoeld in dit artikel? Bent u bereid het MOA-onderzoekfilter2 met het Bel-me-niet Register te integreren, bijvoorbeeld als extra optie?
Telefonische informatievergaring ten behoeve van markt- en verkiezingsonderzoek valt niet onder de definitie van «ongevraagde communicatie voor commerciële, ideële of charitatieve doeleinden» (kamerstuk 30 661 nr. 8, 2007–2008, paragraaf 2.5). Het dient hierbij logischerwijs daadwerkelijk om markt- of verkiezingsonderzoek te gaan; indien men onder het mom van marktonderzoek producten of diensten aan de man probeert te brengen, dient men zich onder meer te houden aan de regels inzake het Bel-me-niet register. Ook hier ziet de OPTA op toe.
Het MOA Onderzoekfilter is een vorm van zelfregulering. Mede vanuit het oogpunt van voorkomen van onnodige lasten voor het bedrijfsleven, geniet zelfregulering, mits voldoende effectief, mijn voorkeur boven wettelijke maatregelen. Ik ben daarom geen voorstander van het integreren van het Onderzoekfilter in het register.
De veiling van GSM-frequenties en de mogelijke interferentie met GSM-rail |
|
Arie Slob (CU) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
![]() |
Kent u het bericht van Agentschap Telecom d.d. 4 april 2012 «Publicatie Vergunningen frequentieveiling» waaronder ook de vergunningen voor de nieuw te veilen frequenties vallen?1
Ja.
Kunt u aangeven of er in het huidige gebruik van publieke mobiele netwerken sprake is van interferentie van publieke mobiele netwerken met GSM-Rail frequenties die gebruikt worden voor onder meer een veilige afhandeling van het treinverkeer en de reisinformatie op stations?
Ja, er is op enkele plaatsen in het land sprake geweest van interferentie tussen het gebruik van publieke netwerken voor mobiele communicatie en GSM-R(ail)-apparatuur die gebruikt wordt voor onder meer een veilige afhandeling van het treinverkeer en de reisinformatie op stations.
Hoe vaak heeft in 2011 het treinverkeer hinder ondervonden van interferentie tussen publieke mobiele netwerken en GSM-R? Hoeveel vertragingsminuten heeft interferentie in 2011 veroorzaakt? Bent u hierover door betrokkenen geïnformeerd?
Afgezien van een beperkt aantal specifieke gevallen is de operationele impact voor het treinverkeer in 2011 beperkt gebleven.
Het exacte aantal vertragingsminuten in 2011 als gevolg van GSM-R-interferenties is mij niet bekend omdat deze vooralsnog niet als zodanig worden geregistreerd.
Ik ben hierover door betrokkenen geïnformeerd.
Kunt u aangeven op welke wijze u deze interferentieproblemen oplost? Is die oplossing naar tevredenheid van betrokken partijen?
Er zijn verschillende, al dan niet tijdelijke, oplossingen gevonden voor deze interferentieproblemen, maar daarover is nog geen sprake van tevredenheid bij alle betrokken partijen. Hieronder licht ik een en ander nader toe.
Het Agentschap Telecom heeft op basis van storingsmeldingen in Doetinchem2 ter plaatse onderzoek uitgevoerd en advies gegeven ter verbetering van de werking van de in de treinen gebruikte apparatuur. Dit heeft geleid tot het besluit om filters in de betrokken Syntus-treinen in te bouwen. Deze inbouw is inmiddels afgerond. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft, vooruitlopend op de administratieve afhandeling van de vergunning-aanvraag, ingestemd met deze inbouw van de filters, gelet op het feit dat de spoorveiligheid op dit traject in het geding is, alsmede het feit dat het hier vooralsnog gaat om een voertuigtype dat begin december 2012 uit de dienst wordt genomen. ILT ziet dit als een tijdelijke en eenmalige oplossing, aangezien de betreffende voertuigen door de inbouw van dit type filter niet meer voldoen aan de interoperabiliteitseisen van de Europese Commissie. ILT zal dit dan ook melden aan de Europese Commissie. De storingen in Doetinchem hebben intussen geleid tot een aanpassing van de vertrekprocedures voor machinisten van Syntus. Hierdoor ontstaan vertragingen tot circa 3 minuten per trein. Nadat de vergunningverlening door ILT voor het gebruik van de filters is afgerond kan de gebruikelijke vertrekprocedure naar verwachting weer worden hervat.
Overigens is in de Schipholtunnel sprake van een andere situatie. Omdat de telecommunicatie-installaties in tunnels direct naast de hoofdspoorweginfrastructuur zijn geplaatst heeft ProRail hier door middel van vergunningverlening voorgeschreven dat publieke mobiele netwerkbeheerders hun installaties moeten aanpassen teneinde interferenties te voorkomen3. In zijn algemeenheid staat ProRail bij het uitgeven van nieuwe vergunningen niet meer toe dat publieke mobiele netwerkbeheerders in spoortunnels gebruik maken van de 900MHz-frequentieband.
Op 192 locaties is sprake van GSM-interferentie met het zogenaamde InfoPlus-systeem, dat de reisinformatieborden op stations aanstuurt. Voor al deze locaties is verdere storing voorkomen door de plaatsing van filters in de getroffen InfoPlus-reisinformatieborden. ProRail verwacht dat als de nieuwe publieke mobiele operators na de veiling door het Agentschap Telecom gebruik gaan maken van nieuwe zogenaamde breedband-technologieën, zoals bijvoorbeeld UMTS4 of LTE5, andere filters zullen moeten worden toegepast of dat overgegaan moet worden op bekabelde oplossingen.
In aanvulling op de hierboven genoemde locaties onderzoekt ProRail momenteel mogelijke GSM-interferenties op de Betuweroute nabij Gellicum bij het gebruik van het ERTMS6-treinbeveiligingssysteem, dat gebruik maakt van het GSM-R netwerk.
Momenteel onderzoek ik de juridische mogelijkheden die de Nederlandse7 en Europese regelgeving8 biedt om plaatsing van verbeterde GSM-R-treinradio-apparatuur in treinen voor te schrijven aan vervoerders en materieel-eigenaren.
Kent u de metingen van de «International Union of Railways» (UIC)2 naar en uitspraken van de «Community of European Railway and Infrastructure Companies» (CER) over interferentie tussen publieke mobiele netwerken en GSM-R, waarin wordt gewezen op de risico’s van interferentie voor onder meer de veiligheid van treinverkeer, de betrouwbaarheid van reisinformatie en alarmzuilen op perrons?
Ja.
Is het waar dat in de nieuw te veilen frequenties voor publieke mobiele netwerken geen voorwaarden worden opgenomen om een hogere mate van interferentie met GSM-R, zoals wordt voorspeld in de IUC metingen, te voorkomen? Zo ja, kunt u uitleggen waarom u daar niet voor heeft gekozen?
In de vergunningsvoorwaarden voor de nieuwe 900 MHz-frequenties is een bepaling opgenomen dat de vergunninghouders «passende bescherming» moeten bieden aan systemen in aangrenzende banden. In de toelichting op deze bepaling wordt met name gedoeld op het GSM-R-netwerk. Het Agentschap Telecom zal op de naleving van deze bepaling toezien. Deze verwijzing naar passende bescherming biedt het Agentschap Telecom meer mogelijkheden voor handhavend optreden dan de huidige vergunningen, waarin geen passende bescherming wordt geëist.
ProRail vraagt om een specifieke beschermingsnorm, in aanvulling op de hierboven beschreven eis van passende bescherming. Momenteel wordt dan ook onderzocht in hoeverre generieke plafonds voor de signaalsterkte van publieke mobiele netwerkbeheerders in publiekrechtelijke regelgeving haalbaar en doelmatig zijn.
Is het waar dat vervoerders uit de spoorsector zich ernstig zorgen maken over een toename van interferentie en de kosten die dat voor hen met zich mee zal brengen? Hoe bent u omgegaan met deze zorgen?
Inderdaad maken vervoerders uit de spoorsector zich hierover zorgen. Dit blijkt onder andere uit brieven die NS , FMN10 en KNV11 op 1 mei 2012 en op 17 september 2012 hebben gestuurd naar mijn ambtsgenoot van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en naar mij.
Ook op Europese schaal wordt deze zorg gedeeld. Dit blijkt onder andere uit het volgende:
Naar aanleiding van deze zorgen in Nederland zijn de volgende extra acties in gang gezet, in aanvulling op de maatregelen die beschreven zijn in de antwoorden op vragen 4 en 6:
Hebben vervoerders of de spoorbeheerder concrete oplossingen aangedragen om interferentie tegen te gaan? Wat vindt u van die oplossingen?
Zowel vervoerders als de spoorbeheerder ProRail hebben concrete oplossingen aangedragen.
Door ProRail is voorgesteld om de maximale zendniveaus van de publieke mobiele netwerkbeheerders ter plekke van het spoor (dus niet landelijk) te beperken tot een dusdanig niveau dat toename van interferentie als gevolg van de toepassing van UMTS of LTE wordt voorkomen. Zoals in het antwoord op vraag 6 aangegeven wordt momenteel dan ook onderzocht in hoeverre generieke plafonds voor de signaalsterkte van publieke mobiele netwerkbeheerders in publiekrechtelijke regelgeving haalbaar en doelmatig zijn.
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven zijn in een aantal treinen filters ingebouwd, maar beschouwt ILT dit niet als een structurele en toekomstvaste oplossing, en onderzoek ik momenteel de juridische mogelijkheden die de Nederlandse7 en Europese regelgeving8 biedt om plaatsing van verbeterde GSM-R-treinradio-apparatuur in treinen voor te schrijven aan vervoerders en materieel-eigenaren.
Is het waar dat de kosten voor het aanbrengen van filters in treinen volledig voor rekening van de vervoerders zal komen? Kunt u een indicatie van die kosten geven en aangeven waarom de vervoerders zelf moeten opdraaien voor die kosten? Klopt het dat met deze filters het back-up systeem van de machinist (gebaseerd op normale mobiele frequenties) wordt verstoord? Zijn er verder nog kosten gemoeid met het voorkomen van interferentie? Zo ja, kunt u deze toelichten en aangeven voor wiens rekening deze komen?
Zoals in de antwoorden op vragen 4 en 8 aangegeven is nog niet duidelijk of het aanbrengen van filters in treinen een structurele en toekomstvaste oplossing is en daarmee ook nog niet voor wiens rekening de eventuele kosten hiervan zullen komen.
Momenteel wordt onderzocht welke beschermingsmaatregelen mogelijk en wenselijk zijn. Onderdeel hiervan is het in kaart brengen van de kostenindicaties.
In zijn algemeenheid kan geen antwoord gegeven worden op de vraag of aan te brengen filters het back-up systeem van de machinist verstoren. Dit is afhankelijk van keuzes ten aanzien van de apparatuur-configuratie, van het type filter en bijvoorbeeld het in-/uitschakelbaar maken daarvan.
Zijn er, los van interferentie, locaties waar sprake is van onvoldoende dekking of signaalsterkte van GSM-R? Zo ja, hoeveel hinder ondervindt het treinverkeer hiervan en welke maatregelen neemt ProRail om deze problemen op te lossen?
Vervoerders hebben mij geïnformeerd dat er enkele andere locaties zijn geweest met onvoldoende dekking of signaalsterkte van GSM-R, bijvoorbeeld als gevolg van hogere bebouwing in de buurt van het spoor. Dergelijke incidenten zijn gemeld bij ProRail. Als oplossing hiervoor zijn bijvoorbeeld extra antennes bijgeplaatst of bestaande antennes verplaatst.
Welke mogelijkheden zijn er om de vergunningsvoorwaarden van de frequentieveiling zodanig aan te passen dat een stijging van interferentie met GSM-R kan worden voorkomen? Kunt u de Kamer toezeggen alsnog en uiterlijk 15 april 2012 voldoende rekening te houden met GSM-R in de vergunningvoorwaarden van de nieuwe frequenties?
Momenteel wordt nader onderzocht in hoeverre generieke plafonds voor de signaalsterkte van publieke mobiele netwerkbeheerders in publiekrechtelijke regelgeving tussen de publieke mobiele netwerkbeheerders en ProRail haalbaar en doelmatig zijn. Mijn ambtsgenoot van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en ik zullen erop toezien dat, daar waar nodig, deze afspraken dan zullen worden gemaakt.
Op 18 april 2012 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat de start van de aanvraagprocedure voor potentiële deelnemers aan de veiling vanaf 16 april 2012 geen onomkeerbare stap is met betrekking tot het oplossen van de mogelijke interferentieproblemen18.
Bent u bereid geen onomkeerbare stappen te zetten, zodat dit probleem alsnog kan worden opgelost, voordat de nieuwe frequenties in gebruik worden genomen dan wel tot dat de Kamer in een debat met u tot een besluit heeft kunnen komen?
Zoals in het antwoord op vraag 11 aangegeven was de start van de aanvraagprocedure voor potentiële deelnemers aan de veiling vanaf 16 april 2012 geen onomkeerbare stap met betrekking tot het oplossen van de mogelijke interferentieproblemen. Ook daarna zijn geen onomkeerbare stappen gezet. De veiling van de nieuwe vergunningen start op 31 oktober 2012.
Deelt u de mening dat op geen enkele wijze de veiligheid van het treinverkeer negatief beïnvloed mag worden en dat de veiligheid op het spoor belangrijker is dan een maximale opbrengst van een frequentieveiling? Hoe gaat u de veiligheid van treinreizigers en omwonenden met de nieuwe frequenties waarborgen?
De veiligheid op en rondom het spoor is van groot maatschappelijk en economisch belang en mag niet negatief beïnvloed worden. Daarbij hebben alle betrokken partijen (de overheid, de vergunninghouders voor mobiele communicatie, ProRail , vervoerders en materieel-eigenaren) hun eigen verantwoordelijkheid. Een vergelijking met de opbrengst van de veiling is niet aan de orde.
Voor wat betreft het tweede deel van deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op vragen 6, 7, 8, 10 en 11.
Bent u bereid deze vragen vóór 16 april te beantwoorden, aangezien op die datum de veiling van de nieuwe frequenties start?
Zoals in de antwoorden op vragen 11 en 12 aangegeven was de start van de aanvraagprocedure voor potentiële deelnemers aan de veiling vanaf 16 april 2012 geen onomkeerbare stap met betrekking tot het oplossen van de mogelijke interferentieproblemen. Ook daarna zijn geen onomkeerbare stappen gezet. De veiling van de nieuwe vergunningen start op 31 oktober 2012.
Onveilige software in pacemakers |
|
Wassila Hachchi (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met de publicatie over onveilige software in pacemakers?1
Ja.
Bent u bekend met het gebruik van Supervisory Control and Data Acquisition (SCADA) in medische technologie zoals pacemakers en insulinepompen in Nederland?
Ja.
Hoeveel human SCADA-apparaten zijn er geïmplanteerd in patiënten in Nederlandse ziekenhuizen en klinieken? Wat zijn de gezondheidsrisico’s hiervan?
Er is geen centrale registratie van medische technologie met SCADA (Supervisory Control And Data Acquisition). In Nederland is dan ook niet bekend hoeveel medische hulpmiddelen – waaronder implantaten – gebruik maken van een dergelijk systeem. In mijn brief aan de Kamer d.d. 27 maart 2012, heb ik u geïnformeerd over het voornemen van een centrale registratie in Europa van implantaten en mogelijke complicaties. (Kamerstuk 32 805, nr. 7)
Bij navraag geeft Medtronic – één van de in de publicaties genoemde bedrijven – aan dat Medtronic tot op heden wereldwijd van patiënten of zorgverleners nog nooit meldingen heeft ontvangen over ongewenste draadloze manipulaties van insulinepompen en pacemakers.
Welke veiligheidseisen worden er gesteld aan de toepassing van human SCADA? Hoe beoordeelt u deze?
Voor medische hulpmiddelen die software in zich hebben of die medische software
op zichzelf zijn, moet de software worden gevalideerd volgens de actuele stand van kennis en wetenschap rekening houdend met de beginselen van ontwikkelings- en levenscyclus, risico beheer, validatie en verificatie (Annex I MDD, 12.1 a).
De noodzaak om alert te zijn en in te spelen op veiligheidskwesties is aldus impliciet deel van de verplichting van de fabrikant van een medisch hulpmiddel.
Moet er melding worden gemaakt van human SCADA-producten waarvan is aangetoond dat deze zwakheden/kwetsbaarheden in de beveiligingssoftware bevatten die tot gezondheidsrisico's voor de drager kunnen leiden? Zo ja, bij wie? Wordt deze melding openbaar gemaakt? Wordt er ook toezicht gehouden op de kwaliteit van human SCADA?
Ja, na markttoelating van een medisch hulpmiddel is het van groot belang om te vervolgen hoe het hulpmiddel functioneert in de praktijk (Post Market Surveillance). Daartoe moet de fabrikant blijven nagaan of het hulpmiddel doet wat het beoogt te doen en welke complicaties en bijwerkingen optreden bij langer gebruik en bij grotere groepen gebruikers. Zo geeft Medtronic aan dat het continu de veiligheid van haar devices blijft beoordelen.
Als er kwetsbaarheden aan het licht komen, zal Medtronic direct bekijken of additionele veiligheidsmaatregelen geïmplementeerd moeten worden, zonder de therapie van patiënten te beïnvloeden. Voor de hoogrisicoklassen medische hulpmiddelen (bijvoorbeeld implantaten) moeten afwijkende bevindingen worden gemeld aan de certificerende Aangemelde Instantie of ten algemene bij de bevoegde autoriteit in Nederland: de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ).
Meldingen bij een aangemelde instantie zijn niet openbaar. De certificerende aangemelde instantie moet (blijven) nagaan of een medisch hulpmiddel waarvoor een certificaat is afgegeven nog voldoet aan de essentiële eisen.
Bent u van mening dat er op het moment voldoende wettelijke waarborgen zijn om te voorkomen dat producenten gezondheidsrisico's voor hun klanten creëren door het blijven verkopen en niet terugroepen van human SCADA-apparaten waar niet-gepubliceerde kwetsbaarheden in aanwezig zijn?
In mijn brief d.d. 27 maart 2012, heb ik mijn voornemens voor aanscherpingen binnen het huidige wettelijke regime aan u kenbaar gemaakt. (Kamerstuk 32 805, nr. 7)
Deelt u de mening dat wettelijk afgedwongen dient te worden dat human SCADA-producten pas na een nader te bepalen certificeringstraject voor hun beveiligingssoftware verkocht mogen worden op de Nederlandse markt en gebruikt mogen worden in medische toepassingen in Nederland?
Voor medische hulpmiddelen uit de hoogrisicoklassen is al sprake van een certificeringstraject door de aangemelde instanties aan de hand van de essentiële eisen uit de Europese richtlijn voor medische hulpmiddelen.