De noodsituatie in Pakistan wegens overstromingen |
|
Stieneke van der Graaf (CU), Don Ceder (CU) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de noodsituatie in Pakistan?1
Ja.
Bent u bereid om op korte termijn noodhulp beschikbaar te stellen voor Pakistan? Zo ja, hoeveel en waarvoor?
Ja. Nederland heeft reeds noodhulp beschikbaar gesteld voor Pakistan. Dit gebeurt via het Nederlandse Rode Kruis (NRK) en de Dutch Relief Alliance (DRA). Het NRK besloot om EUR 500.000 beschikbaar te stellen voor noodhulp aan Pakistanen die huis en haard hebben verloren. Het gaat daarbij vooral om het bieden van medische hulp, tenten en veilig drinkwater. De DRA verleent noodhulp voor een bedrag van EUR 3 miljoen. Er wordt ingezet op voedselhulp, opvang, protectie, water, sanitatie en hygiëne.
Ook ondersteunt Nederland de uitzending van crisisexperts, die de coördinatie en verlening van noodhulp in de getroffen gebieden versterken. Zo zijn twee rampendeskundigen van het Nederlandse Rode Kruis uitgezonden, evenals een waterexpert van het Dutch Surge Support.
Bovenstaande hulp vindt plaats in aanvulling op reeds bestaande Nederlandse steun. Nederland financiert haar humanitaire partnerorganisaties zoals de VN en de Internationale Rode Kruis/ Rode Halve Maan-beweging ongeoormerkt en flexibel. Mede dankzij die steun konden deze organisaties snel aan de slag in Pakistan.
Zo stelde het VN Central Emergency Fund(CERF), waar Nederland dit jaar als topdonor EUR 75 miljoen bijdroeg, USD 10 miljoen beschikbaar. Het speciale crisisfonds van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), waaraan Nederland jaarlijks EUR 1 miljoen bijdraagt, maakte eveneens USD 10 miljoen vrij. Het noodhulpfonds van de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen (IFRC) besloot bijna EUR 500.000 bij te dragen. Nederland financiert het IFRC-noodfonds dit jaar voor EUR 2,8 miljoen.
Bovendien kondigde de Europese Commissie aan EUR 2,35 miljoen beschikbaar te stellen voor o.a. voedselhulp, onderdak en acute gezondheidszorg.
De overstromingen in Pakistan, maar ook ander extreem weer en de droogte elders, onderstrepen hoe relevant het is dat het Koninkrijk der Nederlanden internationaal aandacht en om acties vraagt als co-host van de VN 2023 Waterconferentie in maart 2023.
Bent u bereid om bij het beschikbaar stellen van noodhulp zowel lokale organisaties als maatschappelijke organisaties (zoals bijv. de Dutch Relief Alliance) te betrekken?
Ja. Een goede en snelle rampenrespons redt levens. Nationale en lokale organisaties bevinden zich het dichtst bij de noodsituatie. Nederland zet zich internationaal in voor het versterken van die lokale hulporganisaties. Dit gebeurt conform afspraken die zijn gemaakt in het kader van de Grand Bargain en binnen bestaande partnerschappen met de VN, het Rode Kruis en de Dutch Relief Alliance (DRA).
Voor de DRA en het Nederlandse Rode Kruis (NRK) geldt dat zij jaarlijks een acute crisisreserve ontvangen, die zij naar eigen inzicht en conform vastgelegde besluitvormingsprocedures kunnen inzetten. Zowel de DRA als het NRK hebben middelen uit hun acute crisisreserves beschikbaar gesteld voor noodhulpverlening aan de Pakistaanse bevolking, zie Vraag 2.
Het bericht dat Hongarije toestemming geeft voor het bouwen van twee Russische kerncentrales |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Hongarije toestemming geeft voor de bouw van twee Russische kerncentrales in het land door het Russische bedrijf Rosatom?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van het feit dat de oorlog in Oekraïne Hongarije er niet toe heeft bewogen om af te zien van de bouw van deze nieuwe kerncentrales? Wat zegt dit volgens u over de banden tussen premier Orbán en president Poetin?
Gezien de Russische militaire agressie in Oekraïne en het hierop volgende EU-beleid om tegen Rusland op te treden, komt het Hongaarse besluit duidelijk niet overeen met de geest van dit EU-beleid. Dit Hongaarse besluit straalt daarmee negatief af op de EU-eenheid in deze oorlog. Hongarije schendt met het besluit over de bouw van twee reactoren geen EU-regelgeving. Overeenkomstig de beginselen van het Europees energiebeleid is de keuze voor de eigen energiemix aan de lidstaten.
Wat betekent dit volgens u voor de eenheid die Europa uitstraalt in dit conflict?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met het feit dat de bouw van deze kerncentrales, die voor 80% gefinancierd worden met Russisch geld, lijnrecht ingaat tegen de rationale achter de Europese sanctiepakketten tegen Rusland die juist willen voorkomen dat de Russische staatskas gevuld wordt door handel met Europese landen, ondanks dat de Russische kernenergie niet valt onder de huidige Europese sanctiepakketten?
Ja.
Bent u bereid om dit onderwerp nog formeel of informeel te adresseren tijdens het aanstaande informele Raad Buitenlandse Zaken op 30–31 augustus 2022 en de Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken hier op aan te spreken?
Het kabinet kaart het belang van EU-eenheid, de noodzaak druk op Rusland op te voeren en het belang van het zo snel mogelijk afbouwen van energieafhankelijkheid van Rusland continu aan in relevante bijeenkomsten in multilateraal en bilateraal verband, waaronder in de Raad Buitenlandse Zaken, en zal dit blijven doen.
Kunt u aangeven waarom het nucleaire agentschap Rosatom, een van Ruslands grootste staatsbedrijven dat een zeer groot belang heeft in Europa, na zeven sanctierondes nog steeds niet toegevoegd is aan de sanctielijst van de Europese Unie?
Nederland is binnen de EU voortdurend in gesprek over het toevoegen van entiteiten aan de EU-sanctielijsten. Het kabinet kijkt hierbij naar de brede mogelijkheden die er onder het sanctieregime bestaan, waaronder het nemen van beperkende maatregelen tegen entiteiten die materieel of financieel bijdragen aan acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, entiteiten die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie en entiteiten die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie. Voor het plaatsen van entiteiten op de EU-sanctielijsten dient te worden voldaan aan de desbetreffende listingscriteria, uitgangspunten van EU-eenheid en doelstellingen van de sancties.
Bent u bereid om binnen de Europese onderhandelingen over een achtste sanctiepakket er serieus voor te pleiten om Rosatom toe te voegen aan de lijst met gesanctioneerde bedrijven?
Het kabinet is voorstander van aanvullende sanctiemaatregelen, maar doet geen uitlatingen over specifieke listingsvoorstellen. De reden is dat dit mogelijk de effectiviteit van dergelijke maatregelen ondermijnt gelet op onder andere het verrassingseffect.
Het charmeoffensief van Rusland in Afrikaanse landen |
|
Jan Klink (VVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rusland op charmeoffensief met tour langs Afrikaanse landen»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u het bezoek van Minister Lavrov aan verschillende Afrikaanse landen, zoals Egypte, Ethiopië, Uganda en Congo, afgelopen zomer?
Tussen 24 en 27 juli 2022 bezocht Russische Minister van Buitenlandse Zaken Lavrov Egypte, Congo-Brazzaville, Oeganda en Ethiopië. Tijdens de bezoeken aan Egypte en Ethiopië sprak hij respectievelijk ook met de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie. Minister Lavrov leek met deze bezoeken primair de bilaterale banden met deze landen te willen aanhalen, en het Russische narratief te verspreiden over de oorlog in Oekraïne en de gevolgen hiervan.
In hoeverre Lavrov hierin succesvol was zal op termijn moeten blijken. Toch lijkt de impact van dit bezoek beperkt. Lavrov werd niet overal ontvangen op het gewenste hoogste niveau, zoals in Ethiopië en bij de Afrikaanse Unie. Het viel op dat de ontvangende landen tijdens de afsluitende persconferenties geen expliciete steun betuigden voor het Russische narratief. Ondanks sterke bilaterale banden met Rusland, bewaarden landen als Oeganda en Egypte juist expliciet hun neutrale positie. Voor zover bekend zijn er ook geen nieuwe afspraken gemaakt met de bezochte landen. Buiten Egypte was er relatief weinig lokale media-aandacht voor de bezoeken.
Het feit dat Minister Lavrov ondanks de Russische invasie van Oekraïne in ieder land werd ontvangen, laat evenwel zien dat deze landen waarde hechten aan hun relatie met Rusland. Verschillende redenen kunnen hieraan ten grondslag liggen, zoals zorgen over voedselzekerheid, of het bestaan van lange economische en diplomatieke relaties. Het is van belang een goed begrip te krijgen van de posities van Afrikaanse landen, en deze mee te nemen in de dialogen die Nederland en de EU met deze landen voeren.
Welke afspraken zijn er door Rusland met de bezochte Afrikaanse landen gemaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u om met Afrikaanse landen die onlangs de banden met Rusland hebben aangehaald en in bezit zijn van kritieke grondstoffen?
Nederland spant zich, samen met de EU en EU-lidstaten, in om het Europese narratief over de Russische invasie van Oekraïne en de impact hiervan op het Afrikaanse continent onder de aandacht te brengen bij Afrikaanse landen. De relatie op basis van gelijkwaardigheid die wij met deze landen hebben vormt hierbij het uitgangspunt.
Strategische en binnen de EU afgestemde communicatie is één van de manieren om het Russische narratief te bestrijden. Ook is het belangrijk dat de EU, samen met de lidstaten, goed onder de aandacht brengt dat zij gezamenlijk de grootste handelspartner, de grootste investeerder en de grootste donor voor wat betreft ODA zijn in de meeste Afrikaanse landen. Daarbij moeten ook de resultaten die hiermee behaald worden benadrukt. Hiermee laten we zien dat een hechte relatie met de EU loont en dat het steunen van de internationale rechtsorde en het multilaterale stelsel ook in het directe eigenbelang is van deze landen. Het EU partnerschap met Afrika, dat werd herbevestigd tijdens de EU-AU Top in februari 2022, biedt veel mogelijkheden om deze boodschappen over te brengen en nieuwe samenwerkingen aan te gaan die hier op hun beurt aan bijdragen.
Hoe gaat u om met de (Afrikaanse) landen die de VN-Resolutie «Agressie tegen Oekraïne» niet gesteund hebben?
Tijdens de stemming in de Algemene Vergadering van de VN op 2 maart 2022 over deze resolutie, stemden 29 Afrikaanse landen voor, een tegen, onthielden zestien landen zich van stemming en waren acht landen afwezig. Dit toonde aan dat de verwachte ondersteuning van de Afrikaanse staten van het Westerse standpunt geen gegeven is. Actief tegen een resolutie te stemmen is echter een andere keuze dan een onthouding van stemmen, of afwezigheid tijdens een stemming. Redenen hiervoor kunnen uiteenlopen en verschillen per land. Het is daarom zaak om in gesprek te blijven over de Russische invasie van Oekraïne en de negatieve gevolgen hiervan, Russische desinformatie tegen te gaan, en de politieke dialoog met deze landen te versterken. Nederland heeft hiertoe o.a. opgeroepen tijdens de Raad Buitenlandse Zaken (OS) van 6-7 maart. Daarnaast heeft Nederland, zowel voor als na de stemming over de VN-resolutie, met diverse landen contact gezocht om deze kwestie aan de orde te stellen. Nederland blijft dit onderwerp opbrengen in bilaterale gesprekken en zich hiervoor inspannen, in EU-verband en met andere partners, om de internationale coalitie die de Russische agressie veroordeelt zo breed mogelijk te maken en te houden. Ook tijdens de AVVN is hier door de Nederlandse delegatie veel aandacht aan besteed. De afweging voor vervolgstemmen blijft echter de verantwoordelijkheid van ieder individueel land.
Hoe gaat u om met de landen die de VN-Resolutie «Agressie tegen Oekraïne» niet hebben gesteund of onlangs de banden met Rusland hebben aangehaald (Mali, Ethiopië, Zuid Soedan, Soedan, Burundi, Mozambique, Bangladesh, Egypte, Irak, Senegal, Zuid Afrika, India en Vietnam) en tevens volgens de beleidsnotitie 2022 «Doen waar Nederland goed in is» prioritaire-/focuslanden zijn op het gebied van ontwikkelingssamenwerking? Kunt u per land aangeven of en hoeveel Nederlands belastinggeld de afgelopen jaren naar de overheden van deze landen is gegaan en de komende jaren zal gaan? Welke programma’s lopen er met de overheden van de genoemde landen?
In aanvulling op de beantwoording van vraag 4 en 5, geldt voor alle landen dat er op proactieve wijze en met een overtuigend narratief gecommuniceerd wordt over de gedeelde belangen, onder andere om gezamenlijke ontwikkelingsdoelstellingen te behalen en economische samenwerking te bevorderen, en over de Russische oorlog in Oekraïne en de impact hiervan op andere landen. Hierbij moet ook oog worden gehouden voor de sterk uiteenlopende motivaties van landen die vragen om een gedifferentieerde benadering. Het kabinet hecht daarbij aan een gelijkwaardig partnerschap dat tegemoet komt aan ieders belangen en waarin wederkerigheid centraal staat.
Nederland financiert normaliter geen andere overheden in de uitvoering van ontwikkelingssamenwerking. De Nederlandse steun verloopt vooral via internationale en maatschappelijke organisaties. Binnen de groep genoemde landen zijn er enkele uitzonderingen van projectfinanciering waarvoor het contract werd getekend met een overheidsinstantie. Dit betroffen Bangladesh (twee contracten), Ethiopië (zes contracten), Mali (vier contracten), Mozambique (drie contracten) en Senegal (een contract). De totale uitgaven voor deze projecten in genoemde landen betrof in 2.020 EUR 42,325,771, in 2.021 EUR 9,211,406 en in 2.022 EUR 2,320,773. Met Soedan werd in 2020 een contract afgesloten voor een project met een totaalbudget van USD 198,000, dit project werd echter afgebroken en is om die reden niet meegerekend in het bovenstaande overzicht. In dit overzicht zijn projecten die binnen programma’s voor private sectorontwikkeling vallen, zoals van de RVO, of programma’s waarin met overheden kan worden samengewerkt, zoals via Invest International, niet inbegrepen.
De programma’s in de hierboven genoemde landen lopen uiteen over verschillende thema’s. In Ethiopië werkt Nederland bijvoorbeeld mee aan het overheidsprogramma op het gebied van water, gezondheidszorg, en sanitatie (oneWASH). In dit programma werken ministeries, donoren, het maatschappelijk middenveld en universiteiten samen. Het programma begon in 2013, en in de eerste fase hebben 18,7 miljoen mensen toegang tot schoon water gekregen. Nederland is halverwege de tweede fase ingestapt. Verder droeg Nederland samen met andere donoren bij aan het SDG pooled fund in Ethiopië, waarmee de implementatie van het strategisch plan van het Ministerie van Gezondheid werd gefinancierd. Het SDG pooled fund sluit aan bij de Nederlandse ontwikkelingsdoelstellingen, bijvoorbeeld op bestrijding van gender-based violence en meisjesbesnijdenissen. Voor beide programma’s geldt dat de Nederlandse financiering sinds eind 2021 niet meer via de overheid loopt.
In Mali steunt Nederland bijvoorbeeld projecten op het gebied van water en anti-corruptie. Met het GIRE-programma wordt ingezet op verbetering van waterbeheer ten behoeve van de bevolking, met name die van de rivier Niger in Mali en Guinee. Het LUCCEI-programma ondersteunt het Ministerie van Justitie en het Nationale Bureau tegen Illegale Verrijking (OCLEI) in de preventie en vervolging van corruptie en illegale verrijking in Mali. Dit programma wordt thans vanwege de politieke situatie aangepast, waarbij financiering via het Ministerie van justitie wordt stopgezet (zie ook de beantwoording van vraag 7).
Een voorbeeld van de Nederlandse samenwerking met Mozambique betreft de steun aan het Zambezi Valley Development Agency (ZVDA), dat onder het Mozambikaanse Ministerie van Economie en Financiën valt. In dit project wordt ingezet op verschillende methoden om productiviteit van onder meer de agribusiness en commerciële boerenbedrijven te verhogen, om zodoende bij te dragen aan hogere inkomens en betere werkgelegenheid.
In Bangladesh steunde NL via het Blue Gold Programma de Bangladesh Water Development Board en het Department of Agricultural Extension op het gebied van watermanagement, tuinbouw en visteelt in de kustgebieden. Ook werd met het Bangladesh Deltaplan 2021 met de overheid samenwerkt om een meerjarig plan voor een veilig en duurzaam beheer van de delta op te stellen.
Wat gaat u doen om de door Nederlands belastinggeld gefinancierde programma’s met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking met de overheden uit de in vraag 6 genoemde landen, die ook de banden met Rusland onlangs hebben aangehaald, aan te passen?
Gevallen waarin de betrekkingen met een land ingrijpend veranderen, zoals door een staatsgreep of burgeroorlog, geven aanleiding voor een herbeoordeling van de diplomatieke relatie met dat land. Besluiten over de continuering van ontwikkelingssamenwerking maken hier deel vanuit. Om deze reden wordt er thans een herziening uitgevoerd van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsprojecten op het gebied van veiligheid en rechtsorde, opdat financiering niet via de centrale overheden van Ethiopië, Mali, en Burkina Faso loopt. Projecten op het gebied van water, landbouw en gezondheidszorg kunnen in deze landen hun doorgang blijven vinden.
Het aanhalen van de banden met Rusland hoeft op zichzelf nog geen reden te zijn om ontwikkelingssamenwerking met een land aan te passen. Het staat ieder land vrij om bilaterale relaties te ontplooien. Bovendien kunnen redenen om banden met Rusland aan te halen uiteen lopen. Nederland blijft, in samenwerking met de EU en andere internationale partners, daarom met landen in gesprek over deze kwestie zodat de Russische invasie internationaal zo breed mogelijk wordt veroordeeld.
OS-samenwerking draagt op de lange termijn bij aan het versterken van de stabiliteit in een land door het werken aan grondoorzaken van armoede, voorkomen van terreur, irreguliere migratie en klimaatverandering, en het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties. Juist in landen waar Nederland een OS-relatie mee heeft, geeft dit extra mogelijkheden om de uitbreiding van Russische invloed en narratief over de invasie van Oekraïne tegen te gaan. In de dialoog met deze landen wordt het Europese narratief over de rol van Rusland in Oekraïne en de gevolgen hiervan onder de aandacht gebracht. In landen die direct worden geraakt door consequenties van de oorlog, draagt ontwikkelingssamenwerking bij aan het opvangen van deze negatieve gevolgen (zoals problemen met voedselzekerheid).
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van de beleidsnotitie 2022 «Doen waar Nederland goed in is»?
Ja.
Het artikel ‘nieuwe uitkoopregeling op de tocht’ |
|
Thom van Campen (VVD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nieuwe uitkoopregeling op de tocht»?1
Ja.
Herkent u de in het artikel genoemde waarschuwing dat de nieuwe uitkoopregeling die stoppende boeren ruimhartiger dient te vergoeden, niet door dreigt te gaan?
Ja.
Zo ja, kunt u concreet aangeven op basis van welke concrete wet- en regelgeving deze regeling «een vorm van ongeoorloofde staatssteun» zou zijn, zo nee, waarom niet?
De Europese richtsnoeren2 bepalen of en zo ja, onder welke voorwaarden er sprake kan zijn van geoorloofde staatssteun. Voor het vrijwillig beëindigingen van veehouderijbedrijven – het sluiten van productiecapaciteit – kennen de richtsnoeren een specifiek steunkader.
Het kader bevat een vereiste dat de begunstigde van de steun een wettelijk bindende toezegging moet doen om dezelfde activiteit niet opnieuw op een andere plaats te beginnen, het zogenoemd doorstartverbod. Een ondernemer die vrijwillig gebruik maakt van een stoppersregeling kan dus niet elders opnieuw met dezelfde activiteit starten. De Europese Commissie (EC) heeft eerder bij de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen strikt aan deze eis vastgehouden.
In mei heb ik een eerste informeel overleg gevoerd met de EC over de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de MGA-2. In dit overleg heeft de commissie opnieuw op deze eis gewezen.
Deelt u de mening dat – gelet op het belang van de vrijwilligheid van de regelingen – ook het stoppersverbod voor agrariërs uit de regeling moet worden gehaald en zo ja, hoe gaat u de Europese Commissie daarvan overtuigen?
Inzet van het kabinet is om zoveel als mogelijk is in te zetten op vrijwilligheid bij beëindiging. Een maatregel waarmee de overheid een vergoeding verstrekt aan een ondernemer die vrijwillig de productie op zijn bedrijf of op een locatie van zijn bedrijf definitief beëindigt, dient te voldoen aan de voorwaarden die volgen uit de Richtsnoeren, zo ook het zogenoemde doorstartverbod.
Zien de bezwaren van de Europese Commissie op de nieuwe uitkoopregeling enkel toe op het voornemen om het stoppersvebod uit de regelingen te schrappen, of ook op andere onderdelen van de regeling?
De Europese Commissie heeft in het informele overleg van mei verduidelijkt aan welke voorwaarden een vrijwillige beëindigingsregeling op grond van de Richtsnoeren moet voldoen. Het zogenoemde doorstartverbod is een van de voorwaarden.
Indien dit laatste het geval is, op welke onderdelen zien de bezwaren van de Europese Commissie nog meer toe?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Welke verschillende opkoopregelingen bent u voornemens in te stellen aanvullend op de bestaande regelingen en kunt u per regeling aangeven:
Op dit moment werk ik naast de MGA-2 aan de Lbv en ben ik met provincies in gesprek over de uitvoering van mogelijke provinciale versnellingsmaatregelen in verband met de Provinciale Uitvraag stikstofaanpak en de legalisatieopgave van de PAS-melders.
Het is mijn voornemen om de Lbv zo snel mogelijk bij de Europese Commissie te notificeren en open te stellen.
Ten aanzien van de MGA-2 vindt nog overleg plaats met provincies over de vormgeving van deze maatregel en de positionering ten opzichte van de Lbv. Zodra over deze regeling meer duidelijkheid is, wordt uw Kamer daarover geïnformeerd.
Wat is ten aanzien van de reeds opgengestelde/bestaande regelingen de meest actuele stand van zaken op het gebied van deelname/intekening? Kunt u dit, indien van toepassing, uitsplitsen per provincie?
Op dit moment loopt er één regeling, de eerste tranche van de Maatregel gerichte aankoop (MGA-1). In verband met een toenemende belangstelling bij veehouders voor deelname is onlangs aan provincie Limburg aanvullend budget beschikbaar gesteld wat door andere provincies niet werd benut en is de einddatum van de regeling verschoven naar 30 november 2022. Daarmee krijgen provincies extra tijd om koopovereenkomsten waarover gesprekken nog lopen te kunnen afronden en eventuele nieuwe kansrijke koopovereenkomsten te kunnen afsluiten. De stand van zaken per 15 september is dat er 26 koopovereenkomsten zijn getekend in de provincies Groningen (1), Gelderland (7), Friesland (1), Drenthe (4), Overijssel (6) en Noord-Brabant (7). Met enkele tientallen veehouders worden nog gesprekken gevoerd, met name in de provincie Limburg. Ik zal na 1 december een definitieve balans opmaken en uw Kamer daarover zo spoedig mogelijk berichten.
Welke stappen heeft u reeds ondernomen en bent u voornemens te zetten richting de Europese Commissie om zo spoedig mogelijk toestemming te krijgen voor het openstellen van vrijwillige opkoopregelingen?
Mijn inzet is erop gericht de stoppersregelingen zo snel mogelijk door de Europese Commissie goedgekeurd te krijgen. Ik heb daarom informeel overleg gevoerd met de Europese Commissie over de Lbv en de MGA-2. Na de noodzakelijke aanpassingen zal ik zo spoedig mogelijk starten met de prenotificatie en vervolgens de formele notificatie van de Lbv.
Deelt u de mening dat het wel heel absurd is, dat het kabinet aan de ene kant bereid is om fors te investeren in het halen van de afgesproken Europese doelen op het terrein van bodem, water, lucht, natuur en stikstof, maar dat de Europese Commissie aan de andere kant die aanpak in de weg staat met bureaucratische bezwaren en bent u bereid deze tegenstrijdigheid bij de Commissie onder de aandacht te brengen?
We zijn als lidstaat gehouden aan de Europese wet- en regelgeving. Binnen deze kaders zet ik mij voortdurend in om maximale ruimte en flexibiliteit te krijgen en deze ook te gebruiken om de beleidsdoelen zo doelmatig en doeltreffend mogelijk te realiseren.
Bent u het eens dat vrijwillige opkoopregelingen, naast onder meer innovatie en extensivering, ruimte moeten bieden voor een toekomstbestendige agrarische sector met toekomstperspectief en bent u het eens dat gedwongen uitkoop of zelfs onteigening de beweging naar verdere verduurzaming van de landbouw alleen maar zal vertragen, zal leiden tot weerstand en daarmee afbreuk doet aan draagvlak? Zo ja, op welke wijzer gaat u de Europese Commissie hiervan overtuigen? Zo nee, waarom niet?
Van gedwongen uitkoop of onteigening is bij de Lbv en MGA geen sprake. Beëindiging van veehouderijlocaties draagt bij aan een reductie van stikstofdepositie en daarmee aan herstel van de natuur, maar ook aan verduurzaming van de landbouw in de breedte. Naast beëindiging van productiecapaciteit behoren ook bedrijfsverplaatsing, een andere manier van boeren of innovatie tot de gebiedsafhankelijke oplossingen.
Het voorgestelde plan van de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie Borrell over een EU-trainingsmissie voor Oekraïense militairen |
|
Alexander Hammelburg (D66) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht op EUObserver: «Borrell wants «powerful training» mission for Ukraine army?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dit plan van de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie?
Nederland steunt het voorstel van Hoge Vertegenwoordiger Borrell voor een EU Military Assistance Mission (EUMAM) voor Oekraïne. Dit rijmt met de positieve houding van het kabinet ten aanzien van nieuwe initiatieven om steun aan Oekraïne op te voeren. De Oekraïense Minister van Defensie Reznikov heeft tijdens de informele RBZ Defensie in Praag op 30 augustus jl. aangegeven een EUMAM, die trainingen kan bieden aan Oekraïense militairen, op prijs te stellen. Hij gaf aan dat gezien de fase van de oorlog de behoefte aan militaire trainingen groot is. De EU-missie kan de Oekraïense vraag naar trainingen samenbrengen met het aanbod van lidstaten en andere internationale partners en kan helpen om aanvankelijk klein opgezette trainingen op te schalen. Ook kan worden gekeken naar het koppelen van complementaire steunmaatregelen vanuit de Europese Vredesfaciliteit (EPF) aan een dergelijke missie, voor bijvoorbeeld uitrusting van de te trainen Oekraïense militairen. De ondersteuningsmissie zal in eerste instantie niet in Oekraïne zelf, maar vanuit een of meerdere EU-lidstaten opereren.
De EU-missie zal lopende initiatieven, zoals de trainingen die worden gegeven in het VK en in diverse EU-lidstaten, aanvullen en versterken. Afstemming met onder andere de Ukraine Defense Contact Group (UDCG) en het International Donor and Coordination Centre (IDCC) is daarom van belang.
Tijdens de informele RBZ Defensie in Praag was onder de lidstaten, inclusief Nederland, brede steun voor het voorstel van de HV. Er werd geconcludeerd dat de HV dit voorstel de komende weken verder gaat uitwerken. Daarbij zal de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) nauw contact houden met de Oekraïense autoriteiten om de trainingsbehoeften in kaart te brengen. Vervolgens zal EDEO een Crisis Management Concept presenteren en op basis daarvan zal een Raadsbesluit worden voorbereid, ter besluitvorming door de lidstaten.
Bent u bereid een voortrekkersrol te spelen bij de realisatie van dit plan?
Tijdens de informele Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) Defensie van 29-30 augustus jl. in Praag heb ik het voorstel voor een militaire EU-missie ten behoeve van Oekraïne actief gesteund. Dit zal ik in het verdere proces blijven doen. Verder heb ik tijdens de informele RBZ Defensie voorgesteld om naast training ook te kijken naar ondersteuning van Oekraïne op gebied van reparatie en onderhoud van militair materieel.
Bij de uitwerking van het voorstel door EDEO, zal Nederland beoordelen op welke manier het verder kan bijdragen aan de realisatie van het plan en de uitvoering van de missie. Daarbij zal Nederland zich er ook voor inzetten dat reeds gestarte trainingsinitiatieven op den duur onderdeel kunnen vormen van de EU-missie. Zo zal Nederland op korte termijn samen met Duitsland Oekraïense militairen gaan trainen op gebied van ontmijning.
Waar ligt de grootste behoefte van de Oekraïense krijgsmacht qua training en ontwikkeling?
Naar aanleiding van mijn bezoek aan Oekraïne op 22 augustus jl. heeft de Oekraïense Minister van Defensie Reznikov laten weten onder andere behoefte te hebben aan trainingen op het gebied van ontmijning. Tijdens de informele RBZ Defensie heeft Minister Reznikov, die bij een deel van de bijeenkomst digitaal aanwezig was, ook andere type trainingen genoemd waar Oekraïne op korte, midden en lange termijn behoefte aan heeft. In de uitwerking van het voorstel voor een militaire EU-missie spreekt EDEO verder met Oekraïne over de meest urgente behoefte en de manier waarop de EU-missie hier invulling aan kan geven.
Naast trainingen heeft Oekraïne kenbaar gemaakt behoefte te hebben aan ondersteuning bij de reparatie en het onderhoud van militair materieel. In licht daarvan heb ik bij de informele RBZ bepleit om ook dat aspect op te nemen bij de verdere uitwerking van de EU-missie.
Wat kan bij een dergelijke trainingsmissie de Nederlandse bijdrage zijn?
Nederland zal welwillend kijken naar de mogelijkheden om aan de EU-missie bij te dragen. Hoe een eventuele bijdrage vorm krijgt is afhankelijk van hoe de EU-missie eruit komt te zien. Mogelijk kunnen initiatieven waar Nederland aan deelneemt, zoals de binnenkort te starten training op ontmijning, op den duur onderdeel worden van de EU-missie. Dit heeft als voordeel dat andere lidstaten op die manier makkelijker kunnen aanhaken en de trainingscapaciteit kan worden opgeschaald.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De VN-conferentie over het wereldzeeënverdrag |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het belangrijk is om tijdens de huidige VN-conferentie in New York over het wereldzeeënverdrag (die duurt tot en met 26 augustus 2022) tot een akkoord te komen over maatregelen voor het daadwerkelijk beschermen van 30% van de wereldzeeën in 2030? Zo ja, hoe zet Nederland zich in om dit doel te bereiken?
Het is belangrijk om zo spoedig mogelijk te komen tot een ambitieus verdrag ter bescherming en duurzaam gebruik van biodiversiteit in zeegebieden buiten de nationale rechtsmacht van kuststaten (Biodiversity Beyond National Jurisdiction, BBNJ). Een deel van de maatregelen in dit verdrag zal op de lange termijn bijdragen aan de doelstelling om ten minste 30% van de zeeën te beschermen.
De EU en haar lidstaten treden gezamenlijk op in de BBNJ-onderhandelingen en spreken daar met één stem. Nederland zet zich in voor de beschermingsdoelen door een proactieve en ambitieuze bijdrage aan de EU-standpunten te leveren. Tijdens de intergouvernementele conferentie aangaande het BBNJ-verdrag van 15 tot en met 26 augustus jl. (VN-conferentie) heeft Nederland zich in EU-verband zeer actief ingezet om zo spoedig mogelijk tot afrondingen van de onderhandelingen te komen.
Het onderhandelingspakket van het BBNJ-verdrag is op zichzelf al een compromis tussen landen en bestaat uit (1) mariene genetische bronnen, (2) gebiedsgerichte beheerinstrumenten, (3) milieueffectrapportages, en (4) capaciteitsopbouw en overdracht van mariene technologie. Om tot een verdragstekst te komen, moet overeenstemming worden bereikt over alle onderwerpen in het pakket. Ondanks een goede en constructieve atmosfeer was er onvoldoende tijd om op verschillende punten werkbare compromissen te vinden. Tijdens de VN-conferentie is daarom nog geen overeenstemming bereikt over het gehele BBNJ-verdrag. Nederland, gezamenlijk met de EU en de andere lidstaten, zal zich tijdens de volgende VN-conferentie wederom actief inzetten voor de afronding van een effectief en toekomstbestendig verdrag.
Zie ook de beantwoording van vragen 4 en 5 en vraag 15 van de leden Wassenberg en Teunissen (beiden Partij voor de Dieren) over de VN-conferentie over het wereldzeeënverdrag van 21 juni 2022 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 3221).
Deelt u de mening dat bij het beschermen van 30% van de wereldzeeën ook gekeken moet worden naar de effectiviteit van deze bescherming, zodat de meest biodiverse plekken strikt beschermd worden? Zo ja, kunt u aangeven wat de inzet van Europa en specifiek Nederland hiervoor is? Zo nee, waarom niet?
De oceanen en zeeën moeten effectief beschermd worden, in het bijzonder kwetsbare en/of waardevolle mariene gebieden. Om dat te kunnen doen moet goed in beeld worden gebracht wat de te beschermen natuurwaarden zijn, welke doelen daaraan gekoppeld moeten worden en welke invloed menselijk gebruik daarop heeft. Om deze doelen te behalen zijn maatregelen nodig. Welke maatregelen exact worden toegepast is niet alleen afhankelijk van de te realiseren doelen, maar ook van de specifieke situatie waarin het te beschermen gebied zich bevindt.
Een van deze maatregelen kan het uitsluiten van bepaalde activiteiten in een beschermd marien gebied zijn. Bij het aanwijzen van dit soort beschermde gebieden en instellen van maatregelen die menselijke activiteiten beperken moet naast de effectiviteit van de maatregelen voor het realiseren van het doel, altijd rekening gehouden worden met andere belangen die gemoeid zijn met de betreffende menselijke activiteiten.
Nederland zet zich, in EU-verband, tijdens de onderhandelingen voor het BBNJ-verdrag actief in voor een gedegen systeem voor de aanwijzing van gebiedsgerichte beheersinstrumenten die de mariene biodiversiteit op volle zee zo effectief mogelijk kunnen beschermen en waar zo veel mogelijk landen mee akkoord kunnen gaan. Immers, in het gebied waarover de onderhandelingen gaan (Areas Beyond National Jurisdiction, ABNJ) geldt bij uitstek dat het niet kunnen binden van enkele landen aan het akkoord directe negatieve invloed heeft op de bescherming van biodiversiteit. De inzet is dus gericht op een zo inclusief mogelijk akkoord, met de juiste beschermingskracht.
Daarnaast zet Nederland zich ook via andere gremia in voor de bescherming van mariene gebieden, waaronder in het kader van het Biodiversiteitsverdrag (Convention on Biological Diversity), de Internationale Maritieme Organisatie en het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (OSPAR).
Op welke punten en hoe heeft Nederland zich ingespannen tijdens de VN-conferentie over oceanen in Lissabon om de eigen uitgesproken hoge ambities, zoals effectieve en toekomstbestendige bescherming van het mariene, in het wereldzeeënverdrag te krijgen?
Tijdens de tweede VN Oceanenconferentie in Lissabon van 27 juni tot en met 1 juli 2022 heeft Nederland uitgedragen dat het BBNJ-verdrag een essentieel instrument is voor het beschermen van biodiversiteit op volle zee, zeker met oog op nieuwe en toekomstige activiteiten op de volle zee en het voorkomen van schade aan het mariene milieu. Daarbij is ook de hoop uitgesproken dat zo veel mogelijk andere landen zich aansluiten om dit jaar nog te komen tot een verdrag. Ook is de nadruk gelegd op de door Nederland ingevoerde praktijk middels het Noordzeeakkoord, waardoor goede samenwerking mogelijk is gemaakt tussen de overheid, het onderzoeksveld, het bedrijfsleven en de belangenbehartigers van mariene biodiversiteit en een duurzame blauwe economie.
Voor de politieke verklaring1 van de VN Oceanenconferentie is in samenwerking met de EU-partners ingezet op een tekst die de onderhandelende partijen in het BBNJ-proces oproept om zonder vertraging een ambitieus akkoord te bereiken. Te meer omdat dit verdrag zal kunnen bijdragen aan de uitvoering van Duurzaam Ontwikkelingsdoel 14: Leven in het Water2.
Hoe spant Nederland zich momenteel in om deze uitgesproken hoge ambities in het wereldzeeënverdrag te krijgen?
De EU en haar lidstaten, zo ook Nederland, treden gezamenlijk op in de BBNJ-onderhandelingen en spreken daar met één stem. De inbreng wordt in EU-verband gecoördineerd en Nederland draagt actief bij aan de ontwikkeling hiervan. Daarnaast levert Nederland een ondervoorzitter (facilitator) van de VN-conferentie en twee leden van het onderhandelingsteam van de EU en haar lidstaten. De ambities zoals onder andere uitgesproken tijdens de VN Oceanenconferentie vormen de basis voor de Nederlandse inbreng. Daarnaast steunt Nederland de ambitieuze doelen van de Blue Leaders en draagt dit uit tijdens de BBNJ-onderhandelingen.
Tijdens de BBNJ-onderhandelingen deelt Nederland relevante expertise op het gebied van publiek-private samenwerking rond oceaan governance, zoals opgedaan in verschillende internationale gremia en binnen de kaders van het Noordzeeakkoord. Dit zal Nederland blijven doen tijdens de implementatiefase van het BBNJ-akkoord, zodat internationale best practices voor iedereen toegankelijk worden.
Kunt u aangeven op welke punten de ambities van Nederland en Europa verschillen? Ondersteunt Nederland bijvoorbeeld het standpunt van Europa op het gebied van bindende afspraken over mariene gebiedsbescherming op volle zee? Zo nee, waarom niet?
Nederland, de EU en de andere EU-lidstaten delen de ambitie om zo spoedig mogelijk een akkoord te bereiken over een BBNJ-verdrag. De onderhandelingsstandpunten van de EU en haar lidstaten worden opgesteld aan de hand van de inbreng van de lidstaten, zo ook van Nederland. Het zwaartepunt van deze inbreng verschilt mogelijk per land, maar het uiteindelijke doel is voor alle lidstaten hetzelfde: een effectief en ambitieus verdrag ontwikkelen ter bescherming en voor duurzaam gebruik van biodiversiteit in zeegebieden buiten de nationale rechtsmacht van kuststaten. Dat is inclusief gebiedsbescherming op volle zee.
Het BBNJ-verdrag zal een grondslag bieden voor het instellen van bindende maatregelen die bijdragen aan het algemene beschermingsdoel van het verdrag. Een van de maatregelen in het onderhandelingspakket van het BBNJ-verdrag is mariene gebiedsbescherming op volle zee. Nederland steunt deze maatregel, in lijn met het standpunt van de EU en de lidstaten.
Welke positie heeft Nederland aangaande het verplicht stellen van onderzoeken en het managen van activiteiten op de hoge zee om zo te voorkomen dat er schadelijke effecten op het zeemilieu zijn? En hoe heeft Nederland deze uitgedragen tijdens de onderhandelingen?
Nederland ziet het verplicht uitvoeren van onderzoeken en het managen van activiteiten op zee – middels milieueffectrapportages (MERs), management- en monitoringsplannen – als essentieel voor het beschermen van het mariene milieu. Dit standpunt heeft Nederland, samen met de EU en de lidstaten, ook tijdens de BBNJ-onderhandelingen voorgestaan. Zie ook de antwoorden op vragen 7 en 9.
Welke positie heeft Nederland aangaande het hanteren van een striktere norm voor «mindere en grensoverschrijdende» effecten van «substantiële vervuiling en schadelijke impact op het zeemilieu»? En hoe heeft Nederland deze uitgedragen tijdens de onderhandelingen?
Staten hebben onder het VN-Zeerechtverdrag de verplichting om individueel of via bevoegde internationale organisaties procedures te ontwikkelen voor het uitvoeren van dergelijke procedures. Middels het BBNJ-proces wil Nederland invulling geven aan deze verplichtingen. Daarom zet Nederland zich bij de voorbereiding binnen de EU en bij de bredere onderhandelingen actief in voor een wereldwijd erkende en verplichte procedure voor de uitvoering van MERs en de monitoring van de milieueffecten voordat een activiteit (al dan niet voorwaardelijk) wordt toegestaan en uitgevoerd.
Er is nog geen overeenstemming bereikt over de drempel(s) of threshold(s) voor de activering van de plicht om een MER op te stellen. Op grond van het VN-Zeerechtverdrag zijn activiteiten op volle zee MER-plichtig als zij «aanzienlijke verontreiniging van of aanmerkelijke en schadelijke veranderingen in het mariene milieu» teweeg kunnen brengen. Dit is de «hoge» drempel.
Een tweede drempeloptie, «gering of tijdelijk effect» (minor or transitory) is tijdens de VN-conferentie in augustus jl. wederom besproken. Deze drempel wordt gezien als een lagere drempel, waardoor meer activiteiten MER-plichtig zouden worden. Enkele minder ambitieuze landen en landen met weinig uitvoeringscapaciteit willen zich niet committeren aan deze «lage» drempel.
Er is echter een tussenweg die voor deze landen, maar ook voor Nederland en de EU en de andere lidstaten aanvaardbaar is. Bij dit compromis worden zowel de hoge als lage drempel gebruikt om te bepalen of een MER moet worden uitgevoerd. Dit is de trapsgewijze aanpak (two-tiered approach): wanneer de impact van een voorgestelde activiteit de lagere drempel bereikt, is de uitvoerder verplicht om een screening te doen. Als middels deze screening kan worden aangetoond dat een activiteit aanzienlijke verontreiniging van of aanmerkelijke en schadelijke veranderingen in het mariene milieu teweeg zou kunnen brengen, moet een volledige MER worden uitgevoerd. Deze trapsgewijze aanpak zou een compromis kunnen zijn dat gedegen bescherming van het mariene milieu kan borgen en voorkomt dat de uitvoering en handhaving overbelast worden. Tijdens de recente VN-conferentie heeft Nederland deze positie gesteund binnen de voorbereidingen met de EU en de lidstaten.
Welke positie heeft Nederland aangaande het verlenen van toegang aan landen tot een verdeling van genetische mariene bronnen (access and benefit sharing of Marine Genetic Resources)? En hoe heeft Nederland deze uitgedragen tijdens de onderhandelingen?
Dit onderdeel van het onderhandelingspakket gaat over de regulering van de toegang tot mariene genetische bronnen, alsmede de eerlijke en billijke verdeling van de opbrengsten daarvan.
Nederland is van mening dat dergelijke regulering zich moet uitstrekken tot zowel mariene genetische bronnen in situ als mariene genetische bronnen ex situ. In situ betekent verzamelde mariene genetische bronnen in hun natuurlijke omgeving op locaties buiten de nationale jurisdictie van kuststaten. Ex situbetekent het verzamelen van eerder vergaarde monsters in gebieden buiten de nationale jurisdictie van kuststaten. Het BBNJ-verdrag mag de toegang tot de mariene genetische bronnen in situ (en vrijheid van wetenschappelijk onderzoek) niet belemmeren, tenzij dit grote negatieve gevolgen heeft voor de mariene biodiversiteit. Gebruikers zijn tevens gebaat bij (kosteneffectieve) afspraken die het mogelijk maken om bij feitelijke toepassing van deze technologie de herkomst van de bronnen vast te stellen. Verder dient het BBNJ-verdrag ook de toegang tot mariene genetische bronnen ex situ te faciliteren, bijvoorbeeld door informatie over collecties te delen en de voorwaarden voor toegang te standaardiseren. De inzet is dat het BBNJ-verdrag daarbij de bestaande internationale regulering van intellectuele eigendomsrechten respecteert en voor het verkrijgen van die rechten geen aanvullende eisen stelt.
Ten aanzien van de verdeling van opbrengsten is er onderscheid te maken tussen monetaire en niet-monetaire opbrengsten. Een voorbeeld van niet-monetaire opbrengsten is het delen van kennis en data. Het Nederlandse standpunt is dat het verdelingsvraagstuk over niet-monetaire opbrengsten moet gaan.
Welke positie heeft Nederland aangaande verplichte milieueffectrapportages, voorafgaand aan activiteiten op zee? En hoe heeft Nederland deze uitgedragen tijdens de onderhandelingen?
Zie het antwoord op vraag 7.
Welke positie heeft Nederland aangaande het steunen van een internationaal overkoepelend technisch wetenschappelijk orgaan voor de beoordeling van Environmental Impact Assessments? En hoe heeft Nederland deze uitgedragen tijdens de onderhandelingen?
Nederland, alsmede de EU en de andere lidstaten, is van mening dat het wetenschappelijk en technisch orgaan (Scientific and Technical Body: STB) ten minste twee functies zou moeten krijgen in het MER-proces, mits de STB volledig onafhankelijk kan functioneren.
Ten eerste moet de STB de mogelijkheid krijgen om mee te doen aan een nationaal consultatieproces omtrent een MER. Dit biedt de STB de kans een uitgevoerde MER te beoordelen en daarover een niet-bindend advies te geven. Verplichte deelname en een bindend advies van de STB zijn niet wenselijk, omdat dit ingaat tegen het uitgangspunt van de EU en haar lidstaten dat besluitvorming moet worden voorbehouden aan staten. Daarnaast zou dit het MER-proces significant vertragen vanwege de extra belasting voor de STB, hetgeen ook niet wenselijk is.
Ten tweede zou de STB de bevoegdheid moeten krijgen om nadere richtlijnen en/of standaarden voor het MER-proces op te stellen. Enkele voorbeelden van onderwerpen waarop deze richtlijnen en/of standaarden betrekking kunnen hebben zijn het consultatieproces, de beoordeling van mogelijke cumulatieve effecten van verschillende activiteiten, en het vaststellen of de drempel (zie het antwoord op vraag 7) is bereikt of overschreden.
Het bericht 'Albanië wil ‘gouden paspoorten’ gaan verkopen, een doorn in het oog van de EU' |
|
Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Albanië wil «gouden paspoorten» gaan verkopen, een doorn in het oog van de EU»?1
Ja
Deelt u de mening van de Europese Commissie uit het voortgangsrapport over de toetreding van Albanië dat een dergelijke goudenpaspoortregeling een risico is voor de Albanese veiligheid, belastingontduiking, corruptie en criminaliteit?
De Europese Commissie heeft in de voortgangsrapportage voor Albanië in 2021 aangegeven dat dergelijke paspoortregelingen om buitenlandse investeringen aan te trekken verhoogde risico’s meebrengen op het gebied van veiligheid, witwaspraktijken, belastingontwijking, corruptie, terrorismefinanciering en ondermijnende georganiseerde misdaad en vermeden dienen te worden. Het kabinet deelt deze inschatting. De Europese Commissie staat hierover in het kader van het Stabilisatie en Associatie Akkoord (SAA) met Albanië in contact.2
Heeft u zicht op de mogelijke effecten van de goudenpaspoortregeling op de toetredingsonderhandelingen van Albanië, welke in juli 2022 zijn geopend?
De toetredingsonderhandelingen met Albanië zijn op 19 juli begonnen. De eerste fase betreft een grondige screening van de huidige wetgeving van de kandidaat-lidstaat. Deze screening wordt uitgevoerd door de Europese Commissie. Op basis van deze initiële screening beginnen de gefaseerde onderhandelingen met Albanië die zich richten op de invoering en implementatie van de essentie van het zogeheten acquis (het geheel van EU-wetgeving en -rechtspraak). Het is aannemelijk dat in de onderhandelingen over hoofdstuk 23 van het acquis, betreffende Justitie en Fundamentele Rechten, door de Commissie gekeken zal worden in hoeverre de Albanese wetgeving met betrekking tot paspoortregelingen in lijn is met Europese standaarden, maar het kabinet kan hier nog niet op vooruitlopen.
Heeft u zicht op hoeveel paspoorten er jaarlijks verstrekt worden via dergelijke regelingen binnen de Europese lidstaten?
Het kabinet heeft geen zicht op hoeveel paspoorten via dergelijke regelingen verstrekt worden binnen EU-lidstaten. De regelingen verschillen daarnaast tussen lidstaten onderling. Voor EU-lidstaten geldt dat zij gehouden zijn aan de Unierechtelijke afspraken. De Commissie is in 2020 inbreukprocedures gestart tegen Cyprus en Malta, omdat de Commissie het verlenen van het EU-burgerschap in ruil voor een vastgestelde investering (Burgerschapsregelingen voor investeerders) zonder aantoonbare link met het land niet in overeenstemming met het Verdrag betreffende de Europese Unie acht. De juridische procedures tegen Malta lopen nog. Ook tegen Cyprus lopen nog juridische procedures, maar het paspoortprogramma is intussen volledig beëindigd.
Beschikt u over informatie hoeveel van dit soort paspoorten bijvoorbeeld verstrekt worden aan Russische oligarchen die op deze manier sancties kunnen ontwijken?
Het kabinet is niet bekend met het aantal paspoorten dat aan Russische oligarchen wordt uitgereikt. Wel zet het kabinet zich sinds jaar en dag in EU-verband in om paal en perk te stellen aan dergelijke paspoortregelingen. Nederland en de EU roepen daarnaast kandidaat-lidstaten, potentiële kandidaat-lidstaten, EFTA-landen, en EEA-landen op om zich aan te sluiten bij de sanctiemaatregelen tegen Rusland. Nederland en de EU spreken derde landen er op aan om EU-sancties niet te ondermijnen en om sanctieontwijking door Rusland te voorkomen. EU-lidstaten nemen alle nodige maatregelen om de toegang tot of transit door hun grondgebied te ontzeggen aan gesanctioneerde personen.
Wat is het standpunt van het kabinet op dit moment, ook in het licht van de oproep van het Europees parlement om dergelijke paspoorten te verbieden en landen die uit eigen beweging gestopt zijn met dergelijke regelingen?
Het kabinet is het eens met de Europese Commissie dat wetgeving en regelingen die het mogelijk maken dit soort paspoorten uit te geven, vermeden dienen te worden. Dit draagt het kabinet waar opportuun ook bilateraal uit. Evenwel bepaalt elke staat zelf, op basis van zijn eigen wetgeving, wie zijn onderdanen zijn. Het is aan elke staat om vast te stellen of aan zijn nationale (wettelijke) voorwaarden voor verstrekking van een paspoort is voldaan. Deze nationale wetgeving wordt door andere staten geaccepteerd voor zover zij overeenstemt met internationaal recht. Voor EU-lidstaten geldt bovendien dat zij hierbij gehouden zijn aan de Unierechtelijke afspraken op dit gebied.
Deelt u de mening dat het stoppen met dergelijke goudenpaspoortregelingen voorwaarde zou moeten zijn voor de toetreding van Albanië?
Gedurende de toetredingsonderhandelingen met een kandidaat-lidstaat wordt het hele acquis behandeld en spitsen de onderhandelingen zich toe op de invoering en implementatie van alle wetgeving uit het acquis. Het is noodzakelijk dat een kandidaat-lidstaat aan alle voorwaarden uit het acquis voldoet voordat er sprake kan zijn van toetreding tot de EU. Daarnaast is met de aanname van de nieuwe uitbreidingsmethodologie grotere nadruk op hervormingen van de rechtsstaat, het openbaar bestuur en de economie komen te liggen3. Het kabinet blijft de voortgang in het toetredingsproces nauwlettend monitoren en zal hier bij geen of onvoldoende voortgang conclusies aan verbinden zoals deze in het toetredingskader voorhanden zijn, conform uw motie Kamminga/Amhaouch4.
Is het kabinet bereid deze goudenpaspoortregelingen te adresseren in de verschillende Europese raden?
Ik heb de kwestie geadresseerd tijdens mijn bezoek aan Albanië op 7 september 2022. Wanneer opportuun zal het kabinet daarnaast de gouden paspoortenregelingen ook in discussies in Brussel aan de orde stellen.
De actie van de Israëlische leger om de kantoren van zeven ngo’s te sluiten |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht op de website van de NOS «Israël valt kantoren Palestijnse organisaties binnen, VN kritisch?1
Ja.
Hoe oordeelt u over dit bericht?
De Israëlische inval in de kantoren van verschillende Palestijnse ngo’s op 18 augustus is zeer zorgwekkend. Dit leidt tot een significante afname van ruimte voor het maatschappelijk middenveld in de bezette Palestijnse gebieden. Een vrij en sterk maatschappelijk middenveld is onontbeerlijk voor een gezonde democratie en een twee-statenoplossing.
Herinnert u zich het gezamenlijke statement van 12 juli j.l. op dit punt met een achttal Europese bondgenoten, waarin u concludeerde dat Israël nog geen steekhoudend bewijs heeft geleverd voor het aanmerken van deze ngo’s als terroristische organisaties?2
Ja.
Op basis van welke gronden heeft Israël deze maatschappelijke organisaties gesloten?
In oktober 2021 heeft de Israëlische Minister van Defensie, Benny Gantz, vijf van de zes ngo’s waarbij het Israëlische leger op 18 oktober jl. binnenviel, aangemerkt als terroristische organisaties, vanwege vermeende banden met het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina. Een andere ngo (UAWC) was al in 2019 door Israël als zodanig aangemerkt. Op 17 augustus jl. heeft Minister Gantz deze beslissing wettelijk vastgelegd in de anti-terreurwet, waarna het Israëlische leger in de ochtend van 18 augustus de kantoren van de ngo’s binnenviel.
Beschuldigingen van terrorisme of banden met terroristische organisaties dienen altijd uitermate serieus te worden genomen. Deze zijn daarom zorgvuldig en grondig onderzocht.
Zoals aangegeven in Kamervragen 736 (lid van Dijk, 27 oktober 2021) is de informatie die ten grondslag ligt aan deze listings niet openbaar. De zes organisaties komen niet voor op de VS-, EU- of VN-sanctielijsten voor terrorisme. Nederland heeft Israël destijds in bilaterale contacten en via de EU opgeroepen de informatie te delen, ook met de betrokken ngo’s. Na verschillende verzoeken heeft Israël informatie gedeeld via de geëigende kanalen. Voor Nederland en acht andere EU-lidstaten was de ontvangen informatie geen aanleiding om de positie ten aanzien van de ngo’s te herzien, zoals weergegeven in een gezamenlijke verklaring van 12 juli jl. Ook EU Hoge Vertegenwoordiger Josep Borrell heeft inmiddels aangegeven de informatie niet overtuigend te vinden.
Heeft Israel sinds het statement van 12 juli 2022 nieuw of additioneel bewijs geleverd, die deze actie rechtvaardigen? Zo ja, welk bewijs?
Nee.
Bent u het ermee eens dat Nederland deze actie in breder EU-verband moet weerspreken en veroordelen?
Ja. In reactie op de invallen heeft Nederland op 19 augustus met acht andere EU-landen een verklaring uitgebracht. Op 22 augustus heeft ook de EU Hoge Vertegenwoordiger Borrell een verklaring langs dezelfde lijnen uitgebracht.
Hoe gaat u, bilateraal en in EU-verband, ervoor zorgen dat deze ngo’s zonder belemmeringen hun mensenrechtenwerk kunnen voortzetten?
Nederland heeft samen met 17 landen op 22 augustus jl. in een demarche bij de Israëlische autoriteiten zijn zorgen geuit over de inval bij de ngo’s en het belang benadrukt van een sterk maatschappelijk middenveld.
Samen met gelijkgezinde landen wordt momenteel bezien wat de gevolgen zijn van de invallen voor het werk van de betrokken organisaties en hoe deze ngo’s hun mensenrechtenwerk zonder belemmeringen kunnen voortzetten. De Nederlandse vertegenwoordiging in de Palestijnse Gebieden is in nauw contact met de ngo’s in kwestie.
Bent u bereid daartoe het initiatief te nemen?
Ik heb dit onderwerp besproken met de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken tijdens mijn bezoek aan Jeruzalem en Ramallah in mei jl. (Kamerbrief 14 juni 2022). Nederland zal dit blijven doen wanneer daar aanleiding toe is, zoals recent middels eerdergenoemde statements en demarche. Daarbij blijft Nederland zo veel mogelijk in EU-verband en met gelijkgezinde landen optrekken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Ecocide door Russische militaire agressie in Oekraïne |
|
Lammert van Raan (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de Russische militaire agressie in Oekraïne niet alleen onvoorstelbaar menselijk leed toebrengt, maar ook grote schade aanricht aan het milieu?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de autoriteiten in Oekraïne groot belang hechten aan het in kaart brengen van deze schade en aan het herstel wanneer de oorlogssituatie dit toelaat?1
Ja.
Bent u bekend met het onderzoek van de Oekraïense Procureur-Generaal naar het plegen van ecocide – zoals gedefinieerd in het Wetboek van Strafrecht aldaar – door het Russische leger?
Ja.
Klopt het dat het Bureau van de Algemene Aanklager in Oekraïne al reeds 17.000 berichten en 60.000 beelden heeft ontvangen van milieuschade in Oekraïne aangericht door Russische troepen?
De Nederlandse regering beschikt niet over deze informatie.
Bent u bekend met de milieuclausule in het lid 8(2)(b)(iv) van het Statuut van Rome, die ernstige, langdurige en wijdverspreide milieuaantasting als gevolg van disproportioneel militair optreden tot oorlogsmisdaad bestempelt?
Ja. Het gaat volgens de betreffende bepaling om de volgende handeling: «[het] opzettelijk een aanval inzetten in de wetenschap dat een dergelijke aanval bijkomstige verliezen aan levens of letsel onder burgers zal veroorzaken of schade aan burgerobjecten of omvangrijke, langdurige en ernstige schade aan het milieu zal aanrichten, die duidelijk buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten concrete en directe algehele militaire voordeel.»
Klopt het dat er geen aanwijzingen zijn dat de missie van het Internationaal Strafhof inzake het onderzoek naar oorlogsmisdaden in Oekraïne ook aandacht besteed aan de genoemde milieuclausule, terwijl in Oekraïne grote urgentie ter zake gevoeld wordt?
Op 2 maart heeft het Internationaal Strafhof een onderzoek geopend naar vermeende misdrijven gepleegd in de context van de situatie in Oekraïne sinds 21 november 2013. Het is aan de Aanklager van het Internationaal Strafhof om te bepalen hoe dit onderzoek wordt uitgevoerd. De Nederlandse regering mengt zich niet in het vervolgingsbeleid van het Strafhof.
Kunt u als partij bij het Statuut van Rome er bij het Strafhof op aandringen de milieuclausule wel mee te nemen in het onderzoek?
De Nederlandse regering respecteert de onafhankelijkheid van het Internationaal Strafhof en bemoeit zich derhalve niet inhoudelijk met strafrechtelijke onderzoeken van de Aanklager van het Internationaal Strafhof. Het kabinet heeft er vertrouwen in dat de Aanklager van het Internationaal Strafhof de situatie in Oekraïne zal beoordelen in het licht van alle relevante bepalingen in het Statuut van Rome.
Bent u bereid ondersteuning te bieden aan Oekraïne bij het verzamelen van bewijsmateriaal van milieuschade door Russische militaire agressie? Zo ja, op welke manier?
Nederland heeft nauw contact met het kantoor van de Procureur-Generaal van Oekraïne over technische ondersteuning en de behoefte van de Procureur-Generaal. Zo zet Nederland op verzoek van Oekraïne en onder de vlag van het Internationaal Strafhof forensisch- en opsporingsteams in voor onderzoek naar en het veiligstellen van bewijs aangaande mogelijk gepleegde oorlogsmisdrijven in Oekraïne. Tot op heden is geen ondersteuning gevraagd bij opsporingsonderzoek naar schade aan het milieu gerelateerd aan de oorlogsmisdrijven gepleegd in Oekraïne.
Waarom is in de Politieke Verklaring van de op 14 juli in Den Haag gehouden Ukraine Accountability Conference niets over de aangerichte milieuschade en de noodzaak Rusland hiervoor aansprakelijk te stellen, opgenomen?
De Politieke Verklaring aangenomen tijdens de Ukraine Accountability Conference is in zeer korte tijd uitonderhandeld tussen 45 landen, waaronder Oekraïne. Tijdens deze onderhandeling is er geen verzoek geweest om een verwijzing naar milieuschade op te nemen in de verklaring.
Is de conclusie gerechtvaardigd dat de blinde vlek op milieugebied in relatie tot Oekraïne van zowel Nederland als het Internationaal Strafhof voortvloeit uit het ontbreken van ecocide als een op zichzelf staand misdrijf in het Statuut van Rome, en de verwerping van de noodzaak hiervan door het kabinet in zijn brief van 26 april 2021?2
Nee. Het kabinet is van mening dat er geen sprake is van een blinde vlek op milieugebied die voortvloeit uit het ontbreken van ecocide als een op zichzelf staand misdrijf in het Statuut van Rome. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid van Raan over ecocide,3 ziet het kabinet verschillende manieren om bescherming van het milieu op internationaal niveau te adresseren.
Geldt de argumentatie uit die brief nog steeds, of is er sprake van voortschrijdend inzicht? Zo ja, waarop is dat inzicht dan gebaseerd?
De zienswijze zoals verwoord in de kabinetsreactie op de initiatiefnota van uw lid van Raan over ecocide is nog actueel en het kabinet ziet geen aanleiding daar nu van af te wijken. Inzetten op een wijziging van het Statuut van Rome acht het kabinet nu weinig kansrijk omdat het kabinet verwacht dat daarvoor onvoldoende draagvlak bestaat. Wel volgt het kabinet ontwikkelingen rondom de juridische benadering van het concept ecocide met interesse en zet Nederland zich in voor betere bescherming van het milieu tijdens gewapende conflicten.
Felicitaties aan Pakistan in een week vol doodsbedreigingen en een moordaanslag op het vrije woord |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u weet van de zoetsappige felicitatie die door de Nederlandse zaakgelastigde in Pakistan publiekelijk is uitgesproken naar aanleiding van Pakistan’s Onafhankelijkheidsdag?1
Ik heb kennis genomen van de korte online felicitatieboodschap van de Nederlandse Tijdelijk Zaakgelastigde in Pakistan in het kader van de 75e jarige onafhankelijkheidsdag.
Is deze gelukwens ook gericht aan de Christenen, Hindus en anderen die al 75 jaar lijden onder de Pakistaanse islamitische terreur?2
De felicitatie is gericht aan de gehele bevolking.
Waarom wordt de onafhankelijkheid gevierd van een islamo-fascistische staat, die de regio en wereld vooral islamextremisme en terreur heeft gebracht, zeker zo kort na de islamitische moordaanslag op de schrijver Salman Rushdie?
Pakistan viert al 75 jaar op 14 augustus zijn onafhankelijkheid. De vreselijke aanslag die op 12 augustus op de heer Rushdie werd gepleegd staat hier los van.
Hoe kan het dat namens Nederland zo’n felicitatie wordt publiek gemaakt, terwijl Pakistan vrijwel niet optreedt tegen de daders van fatwa’s en talloze doodsbedreigingen die vanuit Pakistan worden afgevuurd op een Nederlands parlementariër?
Het is gebruikelijk om landen waarmee Nederland diplomatieke betrekkingen onderhoudt te feliciteren met de viering van hun onafhankelijkheidsdag, zeker als het gaat om een jubileumjaar. Dit gebeurt ook als Nederland en het betreffende land het over bepaalde zaken niet eens zijn.
Waarom heeft u, en de Nederlandse ambassade in Pakistan, nog niets gezegd over de Pakistaan die 20 miljoen dollar zette op het hoofd van een Nederlands parlementariër?3
De ernstige zorgen en afkeuring van het kabinet over de dreigtweets aan de heer Wilders worden met grote regelmaat overgebracht aan de Pakistaanse autoriteiten. Dit is ook direct, zowel op hoogambtelijk niveau in Den Haag als in Islamabad, gebeurd naar aanleiding van de tweet van de persoon die een beloning van 20 miljoen euro uitloofde op het hoofd van de heer Wilders. Daarbij is benadrukt dat elke vorm van geweld of dreiging onacceptabel is. Hier is ook op politiek niveau aandacht voor gevraagd.
Wat gaat u de komende maanden doen om de aanzwellende stortvloed aan doodsbedreigingen uit Pakistan in te dammen, anders dan het achter de schermen en zonder resultaat aanspreken van Pakistan?4
Het kabinet keurt iedere vorm van bedreiging met geweld af. Zeker bedreigingen die gericht zijn aan democratisch gekozen politici zijn onacceptabel en horen niet thuis in de Nederlandse democratische rechtsorde. Zoals in de beantwoording van eerdere vragen gesteld door uw Kamer weergegeven5 6 doet het kabinet er alles aan wat in zijn macht ligt om een einde te maken aan deze bedreigingen en de risico’s ervan voor de heer Wilders te mitigeren. Het kabinet staat hierover in contact met de Pakistaanse autoriteiten, zowel in Islamabad als in Den Haag.
Bent u bereid om de ambassadeur uit Pakistan op het matje te roepen om hem duidelijk te maken wat vrijheid en onafhankelijkheid betekenen en kunt u hem vertellen dat hij zijn tent kan sluiten als Pakistan niet snel optreedt tegen de doodsbedreigingen?
Zoals in het antwoord op vraag 5 gesteld, is naar aanleiding van de recente tweets direct contact gelegd met de Pakistaanse autoriteiten, zowel in Den Haag als in Islamabad.
Bent u bereid om de vertrokken Nederlandse ambassadeur in Pakistan te vervangen door iemand die het verdedigen van het vrije woord, Nederland en de Nederlandse belangen topprioriteit maakt?
De Nederlandse ambassadeur in Pakistan behartigt de Nederlandse belangen en draagt de Nederlandse standpunten op professionele wijze uit, zoals alle andere Nederlandse diplomaten dat doen.
Het bericht dat de Europese Commissie bereid is derogaties toe te staan van milieuvereisten uit het GLB |
|
Tjeerd de Groot (D66) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat de hoofdreden van de Europese Commissie om derogaties te verlenen voor een aantal van de goede landbouw- en milieucondities (GLMC) is om de voedselzekerheid te beschermen?1
Ja, dat klopt.
Kunt u verduidelijken of Nederland gebruik gaat maken van deze mogelijkheid tot derogatieverlening, ondanks dat het volgens u «niet substantieel zal bijdragen aan een verhoging van de voedselproductie, omdat in ons land weinig landbouwareaal braak ligt»2 en u eerder heeft gesteld dat in Nederland of Europa op dit moment geen sprake is van dreigende voedselschaarste en vergroening juist belangrijker is dan ooit om de voedselveiligheid op de langere termijn veilig te stellen?3
Ik heb besloten als Nederland gebruik te maken van deze mogelijkheid tot derogatieverlening uit hoofde van het waarborgen van een gelijk speelveld binnen de EU, temeer omdat vrijwel alle lidstaten voor de derogatie hebben gestemd. Alleen Duitsland heeft zich van stemming onthouden. Daarnaast speelt mee dat uit de tweede praktijkproef over de eco-regeling en meerdere voorlichtingsbijeenkomsten over het nieuwe GLB is gebleken, dat het voor akkerbouwers lastig zal zijn om in het begin van de nieuwe GLB-periode te kunnen voldoen aan GLMC 8a (4% niet-productief bouwland). De ambities voor de GLB-doelen, bezien over de gehele GLB-periode, blijven overigens onveranderd.
Welke landen verwacht u dat er wel en niet gebruik zullen maken van de mogelijkheid tot derogaties? Kunt u hierbij tevens een inschatting maken per land wat de afwegingen hiervoor zijn?
Zoals ik bij antwoord 2 heb aangegeven, hebben alle lidstaten, op Duitsland na, voor de derogatieverlening gestemd. Duitsland heeft zich onthouden van stemming, omdat zij ten aanzien van GLMC 8a (niet-productief land) ook vrijstelling wilde hebben voor het kunnen gebruiken van de geoogste producten voor biobrandststof en veevoeder. De onthouding van Duitsland hoeft dus niet per definitie te betekenen dat Duitsland de derogaties niet zal gaan toepassen.
Aangezien nagenoeg alle lidstaten dus voor de derogatieverlening hebben gestemd, mag verwacht worden dat zij er ook gebruik van zullen maken. Bij de stemming hoeven lidstaten geen overwegingen te geven, tenzij lidstaten tegen zouden hebben gestemd of, zoals in het geval van Duitsland, een lidstaat zich onthoudt.
Kunt u toelichten wat het standpunt van Nederland was bij het ter sprake komen van het wel of niet toestaan van deze derogaties en wat hierbij het politieke krachtveld was?
In de Landbouw- en Visserijraad van 18 juli jl. hebben veel lidstaten om duidelijkheid gevraagd over van een mogelijke derogatieverlening. Nederland heeft in die politieke context aangegeven de ambities van de groenblauwe architectuur van het nieuwe GLB belangrijk te vinden, maar tegelijkertijd ook serieus te willen kijken of het opportuun is om uiteindelijk hiervan gebruik te maken.
In hoeverre kan Nederland met deze derogaties een daadwerkelijke bijdrage leveren aan extra voedselzekerheid als gevolg van bijvoorbeeld het wegvallen van Oekraïense graan voor menselijke consumptie wanneer er in Nederland vooral graan voor dierlijke consumptie wordt geteeld? Hoe zit dit voor andere gewassen die schaars zijn als gevolg van de oorlog in Oekraïne?
Zoals ik in mijn brief van 8 augustus de Tweede Kamer over het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 18 juli 2022 heb aangegeven (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1456), zal de derogatieverlening in het geval van Nederland niet substantieel bijdragen aan een verhoging van de voedselproductie. Desalniettemin heb ik gemeend om de derogatie ook in Nederland toe te passen om reden van het waarborgen van een gelijk speelveld in de EU en boeren meer tijd te geven om te kunnen voldoen aan met name GLMC 8a. Gebleken is dat voor akkerbouwers het moeilijk is om aan deze verplichting te kunnen voldoen bij het begin van het nieuwe GLB, mede omdat de invulling van een bouwplan in 2023 al in 2022 door agrariërs behoort te worden vastgesteld. Deze derogatie kan daardoor bijdragen aan een verantwoorde implementatie van het toekomstig GLB.
Kunt u nader uiteenzetten wat de verwachte milieueffecten zijn van het toestaan van deze derogaties op klimaat, water, bodem en stikstof? Is hiervoor een nieuwe milieueffectrapportage (m.e.r.) toegepast? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer deze milieueffect analyse?
De voorwaarden GLMC 7 (gewasrotatie) en GLMC 8a (niet-productief land) hebben vooral betrekking op de bodemgesteldheid i.c. -vruchtbaarheid respectievelijk de biodiversiteit. De derogaties betekenen dat slechts in het eerste jaar van de nieuwe GLB-periode niet aan deze voorwaarden hoeft te worden voldaan. De ambities voor de GLB-doelen blijven echter overeind, aangezien de Commissie de voorwaarde stelt dat de derogatie, over de gehele GLB-periode bezien, niet mag leiden tot een afname van de ambitie op de groenblauwe architectuur. In 2024 worden er voor de akkerbouw bovendien meer activiteiten in de eco-regeling mogelijk. Om die reden heb ik geen nieuwe milieueffectrapportage opgesteld.
Hoe beziet u de risico’s van het mogelijk toestaan van deze derogaties in relatie tot de opgave om de doelstellingen van de Nitraatrichtlijn te behalen? In hoeverre doet dit afbreuk aan de voorgestelde maatregelen uit het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn en het daarbij behorende addendum?
De verplichtingen uit het 7de Actieprogramma Nitraatrichtlijn blijven onverminderd bestaan. De derogatie ziet alleen op verplichtingen uit het nieuwe GLB.
Hoe beziet u de risico’s van het mogelijke toestaan van deze derogaties in relatie tot de opgave om de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelstellingen in 2027 te halen? In hoeverre is er risico op verdere verslechtering van de waterkwaliteit die volgens de KRW niet toegestaan is? Zou gezien de recente achteruitgang van de waterkwaliteit als gevolg van de droogte in de afgelopen jaren en de enorme opgave om de KRW-doelstellingen te behalen niet prudent omgesprongen moeten worden met derogaties die het risico met zich meebrengen op verdere verslechtering van de waterkwaliteit of die doelbereik complexer maken?
De GLB-voorwaarden waarop de derogaties zien, hebben betrekking op bodemgesteldheid (GLMC 7) en biodiversiteit (GLMC 8a). De uit de regeling voortvloeiende beheerseisen 1 (bevloeien en lozen van afvalstoffen) en 2 (nitraat) alsmede GLMC 4 (bufferstroken) zien toe op de waterkwaliteit. Deze voorwaarden blijven onveranderd.
Op welke manier zijn alle ministeries betrokken bij dit derogatie-vraagstuk en de implementatie daarvan in relatie tot de impact daarop op het tijdspad richting het behalen van de KRW-doelen en de natuurdoelen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 heb aangegeven, blijven de voorwaarden, die effect hebben op de waterkwaliteit, ongewijzigd van kracht. Afstemming met andere ministeries is daarom niet nodig geweest.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, en in elk geval voor het definitieve besluit over het al dan niet verlenen van de derogaties?
De definitieve melding om gebruik te maken van de derogatieverlening is uiterlijk 26 augustus a.s.
Het bericht dat de justitiële samenwerking tussen Nederland en India niet goed verloopt |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht waaruit blijkt dat de Nederlandse autoriteiten geen voet aan de grond krijgen bij de Indiase autoriteiten, ook al weet de Nederlandse justitie in de meeste gevallen exact waar de verdachten zitten?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke inspanningen de afgelopen jaren zijn geleverd om de justitiële samenwerking tussen Nederland en India te bevorderen?
Internationale samenwerking bij de aanpak van (grensoverschrijdende) criminaliteit is van groot belang, ook met India. Samen met de politie, het OM en het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekijk ik voortdurend op welke wijze de samenwerking met specifieke landen kan worden verbeterd of geïntensiveerd. Ook het sluiten van bilaterale verdragen op het gebied van justitiële samenwerking kan daartoe een middel zijn. Ten aanzien van India geldt dat tijdens bilaterale consultaties in 2021 is gesproken over nadere intensivering van justitiële samenwerking. Op dit moment worden de mogelijkheden daartoe met de Indiase autoriteiten verkend.
Bent u bereid meer te investeren in het organiseren van een goede justitiële samenwerking tussen Nederland en India, bijvoorbeeld door een hernieuwd verdrag te tekenen met concrete afspraken over een betere justitiële samenwerking, zoals België recent heeft gedaan? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Werkt de Nederlandse justitiële keten op dit moment met zogeheten liaisons in India? Zo ja, hoeveel zijn dit er en zou dit aantal niet uitgebreid moeten worden?
Liaisons zijn een waardevol instrument om de politiële en justitiële samenwerking te stimuleren. Tegelijkertijd is liaisoncapaciteit een schaars en kostbaar goed. In afstemming met mijn departement, het OM en uitvoeringspartners zoals de KMar besluit de politie in welke landen liaisons het beste geplaatst kunnen worden.
Hierbij worden altijd meerdere criteria meegewogen, zoals de intensiteit van de internationale criminaliteitsrelatie met het land of de regio en de aard en omvang van de rechtshulprelatie. Deze integrale afweging heeft vooralsnog niet geleid tot het besluit om een politieliaison in India te plaatsen.
Taiwan en China |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «China zegt dat militaire oefeningen bij Taiwan toch verdergaan»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de reden of het doel was van het bezoek van de Amerikaanse politica Pelosi aan Taiwan?
In de persverklaring van 3 augustus gaf afgevaardigde Pelosi, Speaker of the House of Representativesvan het Congress, aan dat het bezoek van de parlementaire delegatie naar Taiwan tot doel had een krachtig signaal af te geven van steun aan Taiwan. Ik verwijs u verder naar het uitgebreidere persbericht2 en overige uitlatingen van haarzelf en andere leden van de parlementaire delegatie, o.a. op sociale media.
Hoe duidt u de Chinese reactie op dit bezoek, die bestaat uit druk, dreigementen en militaire oefeningen waarbij ook de territoriale integriteit van Taiwan wordt geschonden?
Van 4 tot 10 augustus heeft het Chinese Volksbevrijdingsleger (PLA) oefeningen uitgevoerd op meerdere locaties rond Taiwan. Daarbij hebben Chinese marineschepen en gevechtsvliegtuigen voor het eerst in het kader van dergelijke oefeningen de middellijn tussen Taiwan en het Chinese vasteland overschreden, de officieuze grens in de Straat van Taiwan. Ook heeft het PLA ballistische raketten over het Taiwanese hoofdeiland afgeschoten, die deels in wateren terecht zijn gekomen die Japan claimt als onderdeel van de eigen exclusieve economische zone. Het kabinet betreurt iedere escalatie die de veiligheid in de Straat van Taiwan en de regio in gevaar kan brengen, of die tot doel heeft de status quo eenzijdig te veranderen. Nederland en de EU roepen op tot terughoudendheid en de-escalatie. Grootschalige militaire oefeningen dragen hier niet aan bij.
Wat vindt u van de uitspraak van China dat Taiwan bij China hoort en er daarom sprake is van «normale militaire oefeningen in eigen wateren»?
De militaire oefeningen die China heeft ondernomen hebben geen precedent qua intensiteit en bovendien ondernam het PLA militaire oefeningen rondom het gehele eiland Taiwan. Het kabinet is bezorgd dat door dergelijke oefeningen het risico op mogelijke ongelukken en misrekeningen toeneemt.
Beaamt u dat Taiwan een legitieme aanspraak heeft op zelfbeschikking en onafhankelijkheid? Zo nee, waarom niet en wat is dan volgens u de status van Taiwan?
In het kader van het Nederlandse één-Chinabeleid, erkent Nederland de regering van de Chinese Volksrepubliek als enige wettige regering van China. Nederland onderhoudt géén diplomatieke betrekkingen met Taiwan. Wel onderhoudt Nederland goede economische, culturele en wetenschappelijke betrekkingen met Taiwan. Het kabinet is van mening dat geschillen tussen de Chinese regering en Taiwan, ook over de status van Taiwan, vreedzaam moeten worden opgelost, waarbij rekening gehouden moet worden met de wensen van de Taiwanese bevolking.
Hoe beoordeelt u de houding en het gedrag van China in de bredere regio, inclusief de Zuid-Chinese Zee? Beaamt u dat de Chinese territoriale claims een schending vormen van het internationaal recht, zoals ook het Internationaal Gerechtshof heeft geoordeeld?
De Nederlandse regering volgt ontwikkelingen in de Zuid-Chinese Zee nauwgezet en heeft zorgen over de groeiende spanningen. Deze kunnen gevolgen hebben voor de internationale scheepvaart en de regionale stabiliteit. Beide zijn voor Nederland van essentieel belang. Nederland keurt unilaterale acties in de Zuid-Chinese Zee die de regionale stabiliteit en de internationale rechtsorde bedreigen af.
Het kabinet is voorstander van vreedzame geschillenbeslechting via arbitrage. Het steunt derhalve onder meer de uitspraak van het arbitraal tribunaal onder auspiciën van het Permanent Hof van Arbitrage uit 2016 inzake de Zuid-Chinese Zee en roept China op deze uitspraak te respecteren. Het kabinet verwelkomt de onderhandelingen tussen China en ASEAN over een gedragscode in de Zuid-Chinese Zee en ondersteunt landen in de regio met kennisopbouw over internationaal (zee)recht, in het bijzonder de VN Conventie over het Internationaal Zeerecht (UNCLOS). Nederland dringt er bilateraal en in EU-verband bij alle betrokken partijen op aan een vreedzame oplossing te vinden inzake de overlappende territoriale claims in de Zuid-Chinese Zee, in overeenstemming met het internationaal recht.
Op welke wijze heeft Nederland, ook in EU- en/of internationaal verband, steun geuit richting de VS en Taiwan rondom het bezoek van Pelosi? Als dit nog niet gebeurd is, waarom niet, en bent u alsnog voornemens dit te doen?
In EU-kader (Hoge Vertegenwoordiger Borrell) en in gesprekken met de Chinese ambassadeur op hoogambtelijk niveau zijn de zorgen overgebracht over de oplopende spanningen rond Taiwan en hebben Nederland en de EU opgeroepen tot terughoudendheid en de-escalatie.
Op welke wijze wordt China opgeroepen haar «militaire oefeningen» rond Taiwan te beëindigen?
In lijn met de oproepen van de EU bij monde van HV Borrell, heeft Nederland China opgeroepen terughoudendheid te betrachten in de Straat van Taiwan. De Minister-President heeft op 23 augustus jl. in een gesprek met zijn Chinese ambtsgenoot Li Keqiang eveneens zijn zorgen over de recente ontwikkelingen overgebracht, opgeroepen geen unilaterale acties te ondernemen die de status quo mogelijk kunnen aantasten en af te zien van escalerende acties.
Welke consequenties kan een mogelijke escalatie van de vijandigheden van China richting Taiwan betekenen voor Taiwan zelf, maar ook voor de veiligheid en belangen van Nederland, de EU en de internationale gemeenschap? Bereidt Nederland zich, samen met gelijkgezinde landen, op een dergelijk scenario voor?
De Straat van Taiwan is een belangrijke vaarroute. Het veilig en open houden van deze zeeroute is een gedeeld belang van de internationale gemeenschap. Instabiliteit in de regio en blokkades van vaarroutes kunnen leiden tot ernstige belemmeringen voor de handel en voorzieningszekerheid. Afhankelijk van het niveau van escalatie, kan ook de waardeketen van halfgeleiders ontregeld raken, met grote gevolgen voor de wereldeconomie. Dergelijke verstoringen raken de vitale belangen van Nederland en Europa. Nederland wordt in het bijzonder geraakt door verstoringen gezien zijn open economie. Het kabinet volgt de ontwikkelingen derhalve op de voet, evenals relevante ontwikkelingen in de rest van de wereld.
Op welke wijze heeft Nederland, conform de aangenomen motie-Bisschop/Van Helvert (Kamerstuk 35 207, nr. 8, haar steun uitgesproken voor een betekenisvolle participatie van Taiwan binnen internationale organisaties en hoe en wanneer zal Nederland dit ook in de (nabije) toekomst blijven doen?
Nederland blijft, binnen ons één-Chinabeleid en samen met gelijkgestemde landen, voorstander van betekenisvolle deelname van Taiwan binnen internationale organisaties over zaken die van mondiaal belang zijn. Zo heeft Nederland in 2020, 2021 en 2022 erop ingezet om Taiwan op betekenisvolle wijze te laten deelnemen aan bijeenkomsten in WHO-verband, waaronder als waarnemer aan de WHA. Nederland heeft daartoe reeds driemaal een brief met gelijkgestemde landen aan DG WHO medeondertekend, waarvan de laatste in mei 2022. Waarnemersstatus van Taiwan bij de WHA is voor Nederland geen doel op zich. Het belangrijkste is dat Taiwan niet verstoken mag blijven van cruciale informatie voor de volksgezondheid, en dat de internationale gemeenschap niet verstoken mag blijven van Taiwanese ervaringen en inzichten – bijvoorbeeld waar het de bestrijding van COVID-19 betreft.
De situatie in Suriname |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Zijn de Ministers bekend met de situatie in Suriname met betrekking tot de grote wateroverlast en de schrijnende gezondheidszorg?
Ja.
Zijn de Ministers op de hoogte van de grote overstromingen, die het land teisteren, waardoor mensen huis en haard kwijtraken?
Ja. Nederland heeft steun aan Suriname geboden bij de aanpak van de wateroverlast. Vanuit het noodhulpbudget zijn er middelen vrijgemaakt waarmee UNICEF hulp heeft kunnen verlenen op het terrein van voedselvoorziening, schoon drinkwater en onderwijs. Daarnaast stelt Nederland vanuit het Dutch Risk Reduction (DRR) programma waterexperts ter beschikking om Suriname te helpen bij het in kaart brengen van de urgente waterproblemen, de structurele oorzaken daarvan en mogelijke oplossingen.
Zijn de Ministers op de hoogte van de precaire situatie van de gezondheidszorg, waardoor de afgelopen maanden baby’s zijn gestorven door een gebrek aan materieel, verpleegkundigen en plaats op de Neonatale Intensive Care Unit (NICU)?
De regering deelt de zorgen over de precaire situatie in de Surinaamse gezondheidszorg. De halvering van de capaciteit bij het NICU van het Academisch Ziekenhuis Paramaribo zou het gevolg kunnen zijn van een tekort aan gespecialiseerde IC verpleegkundigen.
Ook is bekend dat alleen het Academisch Ziekenhuis Paramaribo een NICU heeft. De neonatale intensive care zorg is echter dermate complex dat er goede redenen kunnen zijn om deze te concentreren binnen een academische setting.
Nederland levert een bijdrage aan de duurzame hervorming van de gezondheidszorg via de detachering van oud Directeur-Generaal van het RIVM, Dhr. Sprenger, die de Surinaamse autoriteiten adviseert op dit gebied. Tevens heeft Suriname recent besloten om een deel, ca. € 8 mln., van het restant Verdragsmiddelen te besteden aan een Zorg Transitie Fonds waarmee de duurzame hervorming van de gezondheidszorg ingezet kan worden.
Zijn de Ministers bekend met het feit dat er slechts een NICU is in Suriname en dat de capaciteit van tien bedden op deze afdeling op dit moment is gehalveerd?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de Ministers op de hoogte van het enorme gebrek aan zorgpersoneel in Suriname en dat er door Nederlandse en Caraïbische ziekenhuizen, waar de arbeidsomstandigheden beter zijn, actief gespecialiseerde verpleegkundigen worden geworven in Suriname?
Er is inderdaad een tekort aan zorgpersoneel in Suriname. Volgens onbevestigde berichten worden er verpleegkundigen geworven in Suriname, door diverse partijen.
Zijn de Ministers bekend met het rapport «Een Belaste Relatie», een analyse van Dirk Kruijt en Marion Maks over 25 jaar ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname, waarin zij beschrijven dat de Verdragsmiddelen incidenteel zijn ingezet en eigenlijk een «Verkapte vormen van begrotingssteun» waren?
Ja.
Weten de Ministers dat ruim de helft van de Nederlandse Verdragsmiddelen ter beschikking kwam van het zogeheten RLA-project (Regeling Laagfrequente Aandoeningen) en dat met deze regeling Surinaamse patiënten die niet in Suriname behandeld konden worden doorverwezen werden naar Nederland, waardoor de verdragsmiddelen terugvloeiden naar Nederlandse ziekenhuizen?
Nederland heeft 3,5 miljard gulden aan Suriname toegekend na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975. Deze middelen staan bekend als de Verdragsmiddelen. Suriname heeft op basis van het Verdrag tussen Suriname en Nederland van 1975 en het Aanvullend Protocol op dit Verdrag uit 1989 het recht om zelf voorstellen in te dienen voor de besteding van de middelen. De Regeling Laagfrequente Aandoeningen was een programma voor patiënten met een ziekte met een lage incidentie die niet in Suriname behandeld konden worden. Op grond van deze regeling konden deze patiënten in Nederland geholpen worden en werden de medische kosten en de reiskosten vergoed. Hiervoor is ongeveer 68 miljoen gulden vanuit de Verdragsmiddelen ter beschikking gesteld.
Zijn de Ministers het met Kruijt en Maks eens dat er geen sprake was van duurzame projecten, maar de hulp bestond uit een grote verscheidenheid aan projecten zonder duidelijk samenhangend doel?
Graag verwijzen wij naar de Kamerbrief van 6 februari 2004 waarin u een reactie vindt op de bevindingen van Dhr. Kruijt en mevr. Maks.1
Zijn de Ministers voornemens om Suriname te helpen op het gebied van watermanagement en gezondheidszorg? Zo ja, zijn de Ministers van plan dat op duurzame wijze te doen in plaats van investeren in losse projecten?
Zowel op het gebied van watermanagement als gezondheidszorg is Nederland reeds betrokken. Via het Makandra-programma van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt technische assistentie gefinancierd. Hiermee draagt Nederland op duurzame wijze bij aan de kennisopbouw binnen de Surinaamse overheid. Gezondheidszorg is een van de prioritaire sectoren voor Makandra. Bv. via de eerder genoemde detachering van Dhr. Sprenger. Ook heeft Nederland tijdens de Covid-pandemie Suriname bijgestaan, door middel van het verstrekken van medicijnen, vaccins, beschermingsmateriaal en het faciliteren van de inzet van Nederlandse gezondheidsexperts. Tevens is binnen de Twinning Faciliteit, dat samenwerking tussen maatschappelijke actoren in Suriname en Nederland bevordert, zorg en welzijn een van de sectoren waarbinnen projecten worden gefinancierd.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft Nederland tevens expertise op het gebied van watermanagement beschikbaar gesteld. De teamleider van de Dutch Risk Reduction (DRR)-missie is begin juli jl. in Suriname geweest voor een zogenaamde «scoping mission». Op basis van diens bevindingen zal spoedig een voltallig team naar Suriname afreizen. De vervolginzet zal zich richten op adviezen voor het opzetten van een waterstrategie voor flood prevention in de binnenlanden. Middels het Makandra-programma zal Nederlandse expertise beschikbaar worden gesteld om Suriname bij te staan de adviezen te implementeren.
Verslag van staatskasfraude in Suriname |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het dossier van Drs. Biharie MA getiteld «Oppenheimer Leningen Deel 1», naar u allen verstuurd op 8 augustus 2022?
Ja.
Weten de bewindslieden dat Suriname sinds mei 2016 (eerste aanvraag om noodkredieten bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF)) feitelijk in een faillissement status verkeert? En dat sinds 2013 internationale banken hun zogenaamde «correspondent bank relatie» met Surinaamse banken hebben beëindigd?
In het internationaal recht bestaat er geen classificatie voor een «faillissement» van een soeverein land. Wel heeft het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in een recente Artikel IV consultatie (2021) de overheidsschuld van Suriname als «onhoudbaar» geclassificeerd. Het IMF heeft daarom als voorwaarde van het lopende programma t.w.v. $ 688 mln. opgenomen dat Suriname met crediteuren afspraken moeten maken over herstructurering van de schuld zodat deze wel houdbaar is. Nederland heeft zich binnen de Club van Parijs (CvP) ingezet voor een succesvolle schuldherstructurering. De CvP en Suriname hebben in juni 2022 een akkoord bereikt over de herstructurering van bilaterale schulden. Suriname is momenteel in gesprek met haar andere crediteuren (waaronder China en de private sector) over een schuldherstructurering op vergelijkbare voorwaarden als de herstructurering met de CvP. Vanuit de CvP is de eis dat er sprake is van zogenaamde «comparability of treatment».
Ja, wij zijn bekend met de trend waarbij wereldwijd correspondent banking relaties afnemen, ook in Suriname. Correspondent banking betreft relaties tussen banken onderling waar de Nederlandse overheid geen toezicht op houdt of verantwoordelijkheid voor heeft.
Bent u op de hoogte van het feit dat in mei 2018 door de Nederlandse Douane een kapitaal van € 19,5 miljoen in beslag is genomen, waarvan het rechtsgeding bij het Gerechtshof te Amsterdam in behandeling is na verwijzing daartoe door de Hoge Raad?
Ja.
Wist u dat in Suriname sinds 2013 een hoge inflatie in de economie zich voordoet van gemiddeld 50% gedurende de afgelopen drie jaren? En dat de Surinaamse munteenheid sinds september 2020 een waardedaling van meer dan 200% heeft ondergaan?
Cijfers van het Internationaal Monetair Fonds laten zien dat de inflatie, zoals gemeten aan de hand van de consumentenprijsindex, sterk fluctueerde de laatste drie jaar. In 2021 lag deze stijging op 59,1%, in 2020 lag dit cijfer op 34,9% en in 2019 was dit 4,4%. Het terugdringen van inflatie is één van de doelstellingen van het IMF-programma.
Het is bekend dat de Surinaamse munteenheid sinds september 2020 een sterke waardedaling heeft ondergaan. Onderdeel hiervan was het besluit van de Centrale Bank van Suriname om de wisselkoers in september 2020 aan te passen. Dit was onderdeel van een breder pakket aan maatregelen van de regering Santokhi.
Heeft u meegekregen dat het volk van Suriname in een verergerde vorm van armoede moet leven?
Door het bovengenoemde in vraag 4 is de koopkracht van de Surinaamse bevolking afgenomen.
Bent u het met de heer Biharie eens dat de feiten uit het onderzoeksverslag aanleiding geven tot strafrechtelijke vervolging, (zowel volgens de wet in Suriname alsook volgens de Nederlandse strafwetgeving) en meer dan een «redelijk vermoeden» van een omvangrijke fraude blootlegt van één regering (de regering Bouterse van 2015–2020), maar waarschijnlijk ook van de huidige regering onder leiding van president C. Santokhi?
Het is niet aan Nederland om aan waarheidsvinding te doen ten aanzien van een zaak die in een ander, soeverein land speelt en hier een oordeel over te vellen. Het is aan het Surinaamse Openbaar Ministerie om te besluiten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen en vervolgens te besluiten of het tot vervolging overgaat. Momenteel lopen in Suriname verschillende onderzoeken naar fraude gepleegd binnen de publieke sector.
In het kader van het voorgenomen staatsbezoek aan Suriname door de Minister-President in september 2022 acht ik het van belang te weten welk standpunt de Nederlandse regering zal innemen. Kunt u voor uw vertrek aan de Kamer laten weten wat het standpunt van het kabinet is?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het met ons eens dat een expliciete standpuntbepaling wenselijk is?
Zie antwoord vraag 6.
Respecteert Nederland artikel 1 lid 2, tweede volzin, van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van de Verenigde Naties, hetwelk bepaalt dat «In geen geval mag een volk zijn bestaansmiddelen worden ontnomen»? Zo ja, bent u bereid publiekelijk te verkondigen dat door de feiten zoals in het dossier vaststaan niet kan worden uitgesloten dat de regering van Suriname onder leiding van president C. Santokhi zich waarschijnlijk schuldig heeft gemaakt aan een ernstige vorm van staatskasfraude?
Zie antwoord vraag 6.
Acht de Minister-President het, als leider van de Nederlandse regering, opportuun om onder de thans bekend staande feiten en omstandigheden een staatsbezoek aan Suriname af te leggen?
Het aankomende bezoek betreft een werkbezoek waartoe de Minister-President is uitgenodigd door president Santokhi tijdens diens werkbezoek aan Nederland in september 2021. Deze bezoeken vinden plaats in het kader van de goede bilaterale betrekkingen, mede op basis van de bijzondere gedeelde geschiedenis.
Indien de Nederlandse regering volhardt in het afleggen van het staatsbezoek, kunt u aangegeven wat de argumenten zijn geweest in het afwegingsproces?
Zie antwoord vraag 10.
Oorlogsmisdaden gepleegd door het Oekraïense leger |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport van Amnesty International1 waarin aangetoond wordt dat het Oekraïense leger op grote schaal oorlogsmisdaden pleegt door bases te bouwen en wapensystemen te gebruiken in woonwijken, scholen en ziekenhuizen?
Het kabinet is op de hoogte van het persbericht van Amnesty International van 4 augustus 2022. Op dit moment is het kabinet geen rapport bekend dat aan (de conclusies in) dit persbericht ten grondslag ligt.
Erkent het kabinet, in grote lijnen, de conclusies van dit rapport van Amnesty International? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet stelt voorop dat het humanitair oorlogsrecht gelijkelijk van toepassing is op alle partijen bij een gewapend conflict en dus alle partijen zich hieraan moeten houden. Het feit dat Oekraïne het slachtoffer is van Russische agressie doet daar niet aan af. Het VN Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (UN OCHA) heeft echter meermaals benadrukt dat Oekraïne er alles aan doet om burgers op tijd te evacueren en op veiligere plaatsen onder te brengen.2
Kan de Minister-President uitsluiten dat Nederlands materieel (door dit kabinet geleverd aan Oekraïne) betrokken is bij het plegen van deze door Amnesty International beschreven oorlogsmisdaden of in de toekomst door Oekraïne wordt gebruikt bij het plegen van oorlogsmisdrijven? Zo ja, waarop is deze garantie gebaseerd? Weet het kabinet bijvoorbeeld op dit moment waar en op welke wijze door Nederland geleverde wapens worden ingezet in Oekraïne?
Elke leverantie van Nederlands materieel aan Oekraïne wordt getoetst aan de EU wapenexportcriteria. Daarbij wordt onder meer meegewogen of er een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren goederen gebruikt worden voor binnenlandse onderdrukking of bij het begaan van ernstige schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Ook wordt voor elke leverantie een eindgebruikersverklaring getekend door de Oekraïense eindgebruiker waarin afspraken worden gemaakt over het geoorloofde eindgebruik.
Indien een dergelijke garantie met betrekking tot de inzet van door Nederland geleverde wapens niet gegeven kan worden, gaat de Minister-President de wapenleveranties naar Oekraïne dan direct stopzetten? Indien de Minister-President dit niet wil doen, waarom niet? Is het feit dat Nederlandse wapens door Oekraïne mogelijk worden gebruikt bij het plegen van oorlogsmisdrijven voor dit kabinet onvoldoende reden om de wapenleveranties te stoppen?
Nee, vanwege de voortdurende onrechtmatige Russische oorlog in Oekraïne blijft ook de Oekraïense behoefte aan materiële steun ter zelfverdediging legitiem.
Is de Minister-President het met de leden van FVD-fractie eens dat het leveren van wapens aan Oekraïne niet ten goede komt aan de veiligheid van Oekraïense burgers als deze wapens door het Oekraïense leger vervolgens worden gebruikt vanuit woonwijken, scholen en ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De burgerbevolking van Oekraïne komt vooral in gevaar door de onrechtmatige Russische inval in Oekraïne en de wijze waarop de Russische krijgsmacht optreedt. Het grote aantal omgekomen en gewonde burgers en de vernietiging van Oekraïense steden is in de eerste plaats daaraan te wijten.
Gaat de Minister-President de ambassadeur van Oekraïne in Nederland om verantwoording vragen naar aanleiding van dit rapport van Amnesty International? Zo nee, waarom niet?
Nee. Wel vraagt het kabinet als onderdeel van het vergunningverleningsproces en tijdens bilateraal contact met Oekraïne regelmatig aandacht voor de toepasselijke juridische kaders.
Kunnen de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoord worden?
Ja.
De rol van Frontex bij illegale pushbacks door de Griekse kustwacht |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Frontex keek weg bij deportaties van migranten door Griekse kustwacht»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de vernietigende conclusies van het rapport van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding, waaronder het feit dat Frontex al in een vroeg stadium wist van de pushbacks uit Griekenland en in plaats van deze te voorkomen, deze heeft toegedekt door patrouilles terug te trekken en pushbacks expres niet te melden?
In het algemeen neemt het kabinet stelling tegen alle vormen van het schenden van mensenrechten aan de EU-buitengrenzen. Uit eerdere onderzoeken naar het Agentschap is gebleken dat Frontex grote uitdagingen heeft in het verbeteren van de sturing, interne cultuur en het waarborgen van fundamentele rechten. Daarnaast is het aan de Europese Commissie om actie te ondernemen, als hoedster van de verdragen, wanneer een EU-lidstaat zich niet houdt aan Europees rechtelijke verplichtingen.
Het is van belang te benadrukken dat het mandaat van het onderzoek van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (hierna: OLAF) zich beperkt tot vermeende integriteitschendingen van drie leidinggevende medewerkers, waaronder de voormalige Uitvoerend Directeur en betreft het dus niet een onderzoek naar eventuele pushbacks als zodanig. Gezien de ernst van deze integriteitschendingen, mede in relatie tot het waarborgen van fundamentele rechten, heeft Nederland er in de Management Board voor gepleit een disciplinaire procedure te starten tegen de voormalig Uitvoerend Directeur. Hier was echter geen meerderheid voor in de Management Board. De voormalig Uitvoerend Directeur heeft na bespreking van de onderzoeksresultaten in de Management Board besloten op te stappen.
Het kabinet onderstreept de bevindingen en aanbevelingen vanuit verschillende onderzoeken. Adequate opvolging van al deze signalen en transparante communicatie is nu cruciaal. Hiervoor heeft Nederland meermaals gepleit, en zal dat blijven doen, in de Management Board.
Wat is uw reactie op het feit dat Frontex hierdoor mede schuldig is aan grove mensenrechtenschendingen gepleegd door Griekenland?
Zoals ook in het antwoord op vraag 2 wordt aangegeven, is het van belang te benadrukken dat het mandaat van het onderzoek van OLAF zich beperkt tot vermeende integriteitschendingen van drie leidinggevende medewerkers waaronder de voormalige Uitvoerend Directeur, en betreft het dus niet een onderzoek betreft naar vermeende pushbacks als zodanig. In die context kan ik geen antwoord geven op de vraag, behalve dan datgene wat ik in het antwoord op vraag 2 heb geantwoord. Het is aan de Europese Commissie om erop toe te zien dat de grensbewaking in lidstaten wordt uitgevoerd conform de geldende Europees rechtelijke verplichtingen.
Bent u bereid te onderzoeken waarom het rapport van het Europees Bureau voor Fraudebestrijding geheim is gebleven? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
In een formele reactie laat het Agentschap weten in lijn met de OLAF-verordening de vertrouwelijkheid van de onderzoeksresultaten te respecteren en daarmee ook de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokken medewerkers van Frontex. Vervolgens geeft het Agentschap aan niet in de positie te zijn mededelingen te kunnen doen over de onderzoeksresultaten van OLAF. OLAF heeft in vertrouwelijkheid een beperkte versie van het rapport gedeeld met de Raad van Bestuur van Frontex, de Management Board en enkele leden van het Europees Parlement. Nederland zal in het kader van transparantie blijven pleiten voor het openbaar maken van een samenvatting van het rapport.
De Europese Commissie laat in haar reactie weten dat zij in deze situatie geen bevoegdheid heeft om in de Management Board maatregelen voor te stellen. Dit is voorbehouden aan het voorzitterschap van de Management Board en de vertegenwoordigende leden namens de lidstaten. Wel geeft de Commissie aan dat er de afgelopen jaren – ook onder de voormalig Uitvoerend Directeur – belangrijke stappen zijn gezet in het verbeteren van de interne cultuur van het Agentschap. De Commissie wijst daarbij op de rapportage mechanismen en de Standard Operating Procedureten aanzien van artikel 46 van de Europese Grens- en Kustwacht-verordening (hierna: EGKW-verordening) inzake opschorting en beëindiging van Frontex-operaties. Voor het kabinet heeft de nieuwe Uitvoerend Directeur een belangrijke positie om deze goede weg voort te zetten. Het kabinet kijkt daarom met interesse uit naar de voordracht van de nieuwe Uitvoerend Directeur.
Bent u bereid te onderzoeken welke maatregelen de Europese Commissie precies heeft ondernomen sinds de uitkomst van het rapport? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid te achterhalen in hoeverre onderzoek plaatsvindt of heeft gevonden naar soortgelijke mensenrechtenschendingen door Frontex aan andere buitengrenzen van Europa? Zo ja, wanneer kunt u hier de Kamer over informeren? Zo nee, waarom niet?
Het Agentschap heeft conform de EGKW-verordening een speciale, onafhankelijke grondrechtenfunctionaris. De grondrechtenfunctionaris en zijn personeel onderzoeken of in de gezamenlijke operaties fundamentele rechten in voldoende mate worden gewaarborgd. Indien er vanuit de gezamenlijke operaties meldingen in het zogeheten Serious Incident Report Mechanism worden aangemaakt over vermeende mensenrechtenschendingen, belanden deze automatisch bij de grondrechtenfunctionaris. Ook zet Frontex zogeheten grondrechtentoezichthouders in die zijn aangewezen om een operationele activiteit te monitoren. Jaarlijks presenteert de grondrechtenfunctionaris een rapport over de mensenrechtensituatie aan de buitengrenzen. Dit rapport is openbaar en te vinden op de officiële website van Frontex.2 Tot slot kent Frontex ook een adviesforum dat het Agentschap bijstaat door het verstrekken van onafhankelijk advies op het gebied van grondrechten.
Zoals uw Kamer bekend zijn er recentelijk verschillende onderzoeken gedaan naar het functioneren van Frontex. Uw Kamer is daarover een aantal keer geïnformeerd.3 Het algemene beeld dat hieruit naar voren komt is dat de rapportage- en klachtenmechanismen binnen Frontex onvoldoende functioneren. Uit de verschillende onderzoeken komen ongeveer honderd aanbevelingen voort. Momenteel wordt door Frontex hard gewerkt aan de uitvoering daarvan. De voortgang wordt voortdurend besproken in de Frontex Management Board.
Bent u bereid te onderzoeken wat het Nederlandse aandeel is geweest in het bijdragen aan pushbacks door Frontex in Griekenland, onder andere door onze bijdragen middels marineschepen, kustwachtvliegtuigen of marechausseepersoneel? Zo ja, op welke wijze, met welke middelen en op welke termijn, en wanneer kunt u hier de Kamer over inlichten? Zo nee, waarom niet?
Het vertrouwen in het Nederlands personeel is groot. Het uitgeleende personeel is goed opgeleid, waarbij er uiteraard ook speciale aandacht is voor grondrechtenwaarborging. In de periode van 2020 tot heden zijn personeel en middelen vanuit Nederland ingezet in Griekenland. Over de algehele inzet van Nederland in Frontex operaties in 2020 is uw Kamer vorig jaar geïnformeerd en over de algehele inzet van dit jaar is uw Kamer voor de zomer geïnformeerd.4 In Griekenland werd in de periode van begin 2020 tot heden ongeveer 129 VTE ingezet vanuit de KMar, DV&O, IND en de Politie. Dit bevat ook de inzet van Nederland in de Rapid Border Intervention in Griekenland in 2020. Daarnaast werden vanaf begin 2020 twee Nederlandse patrouillevoertuigen aan de landgrens van Griekenland met Turkije ingezet. Vanaf 1 april 2020 tot en met heden worden er drie patrouillevoertuigen in dit gebied ingezet. Nederland heeft in genoemde periode geen varende en/of vliegende middelen in Griekenland ingezet en dit is in de nabije toekomst ook niet voorzien.
Bent u bereid om de Nederlandse bijdrage aan Frontex op te schorten zolang niet duidelijk is of Frontex nog steeds actief bijdraagt aan illegale pushbacks? Kunt u uw antwoord toelichten?
Conform de EGKW-verordening, is het een juridische verplichting om bij te dragen aan Frontex-operaties. Het kabinet hecht aan deze bijdrage in het kader van een robuust en effectief beheer van de buitengrenzen.
Ingevolge artikel 46 lid 4 van de EGKW-verordening kan een activiteit van Frontex door de Uitvoerend Directeur worden geschorst of beëindigd, na raadpleging van de grondrechtenfunctionaris, indien er in verband met de betrokken activiteit sprake is van schendingen van de grondrechten of de internationale verplichtingen op het gebied van internationale bescherming, die ernstig zijn of waarschijnlijk zullen voortduren. Krachtens Artikel 46 lid 6 worden deze beslissingen op naar behoren gemotiveerde gronden genomen en worden deze niet gebaseerd op een enkel incident. Bij het nemen van deze beslissingen houdt de uitvoerend directeur rekening met relevante informatie, zoals het aantal en de inhoud van de geregistreerde klachten die niet door een nationale bevoegde autoriteit zijn opgelost, rapporten over ernstige incidenten, verslagen van coördinerend functionarissen, relevante internationale organisaties, en instellingen, organen en instanties van de Unie op de onder deze verordening vallende gebieden. De bevoegdheid om activiteiten op te schorten of te beëindigen is daarmee voorbehouden aan de Uitvoerend Directeur. De Standard Operating Procedure ten aanzien van artikel 46 werkt de uitvoering van deze bevoegdheid van de Uitvoerend Directeur verder uit. Daarmee is beter inzichtelijk geworden en vastgelegd wanneer en hoe de bevoegdheden in artikel 46 kunnen worden ingezet.5
Welke andere drukmiddelen zet u in om mensenrechtenschendingen door Frontex binnen Europees verband aan het licht te brengen en te bestrijden?
In het antwoord op vraag 6 worden de verschillende maatregelen en grondrechtenmechanismes omschreven. Daarnaast staat het waarborgen van fundamentele rechten voor het kabinet bovenaan de Nederlandse inzet in bijvoorbeeld de Management Board. Het kabinet kijkt in dat kader ook uit naar de evaluatie van de Commissie die zij uiterlijk eind 2023 uitgevoerd heeft. Dit betreft de verplichte evaluatie op grond van artikel 121 van de EGKW-verordening. Het kabinet heeft ten aanzien daarvan een positief kritische houding en zal daarover uw Kamer te zijner tijd informeren.
Welke drukmiddelen en concrete acties zet u in om illegale pushbacks door Griekenland te beëindigen, naast het uitspreken van uw zorgen hierover?
De primaire verantwoordelijkheid van de bewaking van de buitengrenzen ligt bij de individuele lidstaten zelf. Het staat voorop dat grensbewaking door lidstaten, en met eventuele ondersteuning van Frontex, te allen tijde moet worden uitgevoerd conform de geldende bepalingen uit het Europees en internationaal recht. Naast het signaleren van bepaalde vraagstukken in bilaterale gesprekken en EU-gremia, worden er op dit moment geen drukmiddelen ingezet naar andere EU-lidstaten. Ook blijft het kabinet voorstander van onafhankelijke monitoringsmechanismen en zal het belang hiervan blijven benoemen.
Nederlandse bedrijven die actief zijn in Qatar vanwege het WK-voetbal |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het artikel: «Nederlandse bedrijven verdienden miljoenen aan bouwprojecten rond omstreden WK in Qatar»?1
Het artikel en de gerelateerde achtergrondartikelen2 maken inzichtelijk dat Nederlandse bedrijven om verschillende redenen actief zijn (geworden) in Qatar, dat de Nederlandse ambassade in Doha Nederlandse bedrijven wijst op de mensenrechtensituatie in Qatar, een aantal van de genoemde bedrijven IMVO-maatregelen heeft genomen met oog op hun activiteiten in Qatar, maar er ook bedrijven actief zijn in Qatar die voorafgaand aan een project geen onderzoek doen naar de arbeidsomstandigheden. De artikelen maken ook inzichtelijk dat Qatar de afgelopen jaren belangrijke hervormingen heeft doorgevoerd om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren, maar de implementatie hiervan een punt van zorg blijft.
Qatar maakt onderdeel uit van de prioritaire Golfregio in de BHOS-nota van het kabinet en kent uitdagingen op terreinen waar Nederlandse bedrijven veel expertise hebben, zoals waterschaarste, de transitie naar hernieuwbare energie en de afhankelijkheid van voedselimport. Het kabinet ondersteunt Nederlandse bedrijven om deze uitdagingen te adresseren en bij te dragen aan een duurzame (economische) ontwikkeling, met inachtneming van het geldende IMVO-beleid.
Het kabinet bevordert op EU-niveau IMVO-wetgeving en voert nationale IMVO-wetgeving in. Naast wetgeving zet het kabinet in op het verlenen van informatie aan bedrijven, het verstrekken van financiële ondersteuning, het stellen van IMVO-voorwaarden bij overheidsinkoop en bij het handelsinstrumentarium van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het stimuleren van sectorale samenwerking. Het kabinet verwacht dat op deze manier de toepassing van gepaste zorgvuldigheid door ondernemingen wordt verhoogd en in de ketens van Nederlandse bedrijven verder wordt gewerkt aan de bescherming van mens en milieu.
Erkent u dat «ongeveer twee miljoen arbeidsmigranten die de WK-faciliteiten bouwden dat vaak in erbarmelijke leef- en werkomstandigheden deden, met naar schatting enkele duizenden doden tot gevolg»?
In gesprekken met diverse partijen, waaronder ambassades en internationale (mensenrechten)organisaties – zoals de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) –, is bevestigd dat de genoemde aantallen omgekomen arbeidsmigranten in internationale berichtgeving niet eenduidig toe te schrijven zijn aan de bouwwerkzaamheden voor het WK. Hoewel onduidelijkheid bestaat over het exacte aantal omgekomen arbeidsmigranten, is het kabinet van mening dat misstanden en slechte arbeidsomstandigheden en ongevallen ten gevolge daarvan te allen tijde voorkomen dienen te worden. Qatar heeft de afgelopen jaren belangrijke hervormingen doorgevoerd om de situatie van arbeidsmigranten te verbeteren, maar de implementatie hiervan blijft echter een punt van zorg dat Nederland regelmatig aan de Qatarese autoriteiten overbrengt. Internationale (mensenrechten)organisaties geven aan dat het van belang is samenwerking en de kritische dialoog voort te zetten, teneinde duurzame veranderingen in de situatie van arbeidsmigranten in Qatar te realiseren. In dat kader ondersteunt Nederland de Qatarese samenwerking met de ILO om de positie van arbeidsmigranten te bevorderen door middel van het delen van kennis en expertise en o.a. het mede-organiseren van medezeggenschapstrainingen voor arbeidsmigranten binnen bedrijven. Nederland zal zich voor dit onderwerp blijven inzetten in de aanloop naar het WK en zal Qatar, ook na het WK, blijven oproepen zich te committeren aan volledige implementatie en handhaving van de hervormingen.
Zijn er bij de Nederlandse bouwprojecten in Qatar slachtoffers gevallen?
Deze informatie is mij niet bekend.
Hoe kan het dat sommige bedrijven (voordat zij actief werden) geen onderzoek deden naar de arbeidsomstandigheden in Qatar? Deelt u de mening dat dit noodzakelijk is, gezien de «grote risico’s met betrekking tot uitbuiting van arbeidsmigranten»?
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij gepaste zorgvuldigheid toepassen in lijn met de OESO-richtlijnen. Dit betekent dat zij de risico’s voor mens en milieu in hun internationale waardeketen in kaart moeten brengen en deze risico’s moeten voorkomen en aanpakken, ook in relatie tot hun eventuele activiteiten in of met Qatar. De wijze waarop dat gebeurt, is de verantwoordelijkheid en keuze van de individuele bedrijven. Het kabinet acht het evenwel van belang dat bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen in lijn met de OESO-richtlijnen. Daarom bevordert het kabinet IMVO-wetgeving in de EU en voert het kabinet nationale IMVO-wetgeving in die rekening houdt met een gelijk speelveld met omringende landen.
Deelt u de mening dat bedrijven «over het algemeen niet transparant zijn in de stappen die zij nemen om in Qatar uitbuiting te voorkomen»?
Volgens de huidige kaders zijn bedrijven zelf verantwoordelijk om te ondernemen in lijn met de OESO-richtlijnen en te rapporteren over de toepassing van gepaste zorgvuldigheid. Het kabinet houdt hier momenteel geen toezicht op, maar moedigt bedrijven wel hiertoe aan.
Klopt het dat «nog geen bedrijf» op de website heeft aangegeven hoe uitbuiting wordt voorkomen, «terwijl VN-richtlijnen voorschrijven dat zij dat duidelijk moeten communiceren»?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe gaat u realiseren dat bedrijven transparanter worden in de naleving van maatregelen om uitbuiting te voorkomen?
Vanaf 2024 gaat nieuwe Europese wetgeving op transparantie in, de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). Deze wet verplicht grote bedrijven te rapporteren over de impact van hun activiteiten op mens en milieu. De CSRD zal daarmee bijdragen aan meer transparantie van bedrijven over misstanden in hun waardeketen. Daarnaast bevordert, zoals aangegeven in het coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst», het kabinet op EU-niveau IMVO-wetgeving en voert het kabinet nationale IMVO-wetgeving in. Transparantie van bedrijven over de IMVO-risico’s die zij lopen en hun aanpak daarvan zal deel uit maken van een IMVO-verplichting. Wetgeving is het belangrijkste onderdeel van een doordachte beleidsmix van IMVO-maatregelen, zoals beschreven in de beleidsnota «Van voorlichten tot verplichten» van 16 oktober 2020 (Kamerstuk 26 485, nr. 337). Deze maatregelen betreffen onder andere het verlenen van informatie aan bedrijven, het verstrekken van financiële ondersteuning, het stellen van IMVO-voorwaarden bij overheidsinkoop en bij het handelsinstrumentarium van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het stimuleren van sectorale samenwerking.
In hoeverre wordt de FIFA aansprakelijk gesteld voor de misstanden in Qatar?
De FIFA is voor zover het kabinet nu bekend niet veroordeeld voor de misstanden in Qatar waar door het lid Van Dijk aan wordt gerefereerd.
Welke lessen trekt u uit de wijze waarop de bouwprojecten voor het WK tot stand zijn gekomen? Hoe gaat u (medeplichtigheid aan) misstanden voorkomen?
De ontwikkelingen in Qatar onderschrijven het belang dat internationale sportfederaties bij de toewijzing van internationale sportevenementen de mensenrechten in acht nemen. Dit was ook de strekking van een open brief die voormalig Staatssecretaris Blokhuis van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in december 2021 samen met 22 EU-collega’s stuurde aan de Europese Commissie3.
Het kabinet verwacht van Nederlandse bedrijven dat zij gepaste zorgvuldigheid toepassen in lijn met de OESO-richtlijnen. Dat geldt ook voor Nederlandse bedrijven die bijdragen aan bouwprojecten voor WK’s en internationale sportevenementen in het algemeen. De inzet van het kabinet is erop gericht dat bedrijven hun verantwoordelijkheid nemen in lijn met de OESO-richtlijnen. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Oliewinning in het Virunga Natuurpark in Congo en de dreiging daarvan voor het voortbestaan van berggorilla’s |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Oliewinning in Virunga betekent het einde van de berggorilla’s»?1
Ja
Deelt u de analyse van lokale bewoners en natuurorganisaties dat oliewinning en natuurbescherming niet samengaan? Zo nee, waarom niet?
De ervaring leert dat oliewinning een breed scala aan negatieve effecten kan hebben op de natuur en de sociale leefomgeving. Bovendien kan oliewinning leiden tot andere economische en sociale activiteiten die indirect nog meer schade aan de natuur toebrengen (secundaire effecten). Een deel van de primaire negatieve effecten van oliewinning kan worden verminderd door zorgvuldig beheer en technologische innovaties. Het tegengaan van de negatieve secundaire effecten is vaak een grotere uitdaging.
Deelt u de analyse dat het mogelijke vrijkomen van tussen de 26 en 32 miljard ton CO2 strijdig is met de klimaatdoelen van Parijs?
Ja. De reeds aanwezige broeikasgassen in de atmosfeer van eerdere uitstoot samen met nieuwe uitstoot, zeker in deze grote hoeveelheden, brengen het beperken van de opwarming van de aarde tot maximaal 1,5 graden in gevaar.
Overigens zijn de minst ontwikkelde landen, waaronder die in Afrika, verantwoordelijk voor een miniem deel van de historische groei van broeikasgasemissies en hebben zij de laagste uitstoot per hoofd van de bevolking.
Bent u het met ons eens dat oliewinning en de bescherming in het beschermde oerbos van Virunga niet samengaan en dat de kans reëel is dat de laatste populatie berggorilla’s die in dit gebied leeft zal verdwijnen door de exploitatie van de olie in dit oerbos? Zo nee, waarom niet?
Het Nationaal Park Virunga is een van Afrika’s meest biodiverse gebieden en van uitzonderlijke waarde voor de mensheid. Daarom staat het op de UNESCO werelderfgoedlijst, die ook is geratificeerd door de Democratische Republiek Congo (DRC). Ik zie het gevaar dat oliewinning in, of in de buurt van, het park de biodiversiteit in het park permanent kan beschadigen en een negatieve invloed kan hebben op lokale gemeenschappen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van het park. Ook de berggorilla’s lopen dan gevaar en ik deel uw zorgen daarover.
De daadwerkelijke impact van de oliewinning is afhankelijk van hoe de primaire en secundaire effecten worden geminimaliseerd. Als oliewinning in het Nationaal Park Virunga inderdaad gaat plaatsvinden, baart ons dat zorgen. De informatie over de exacte locaties is nog niet eenduidig, en exploitatie vergunningen zijn nog niet afgegeven. Ik houd de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Internationale partners (zie ook antwoord op vraag 6) zullen in dialoog gaan met de overheid en het maatschappelijk middenveld in de DRC, om te bekijken hoe we daarbij kunnen samen werken om Nationaal Park Virunga te behouden.
Is het juist dat Congo de komende jaren 500 miljoen dollar aan financiële steun ontvangt van onder meer de Europese Unie om zijn oerbossen te beschermen?
Ja. De DRC is met het Central African Forest Initiative (CAFI) in november 2021 een intentieverklaring overeengekomen met als doel de bossen te behouden in het belang van klimaat mitigatie en armoedebestrijding. Daarin staat onder andere dat de donoren bereid zijn om 500 miljoen dollar bij te dragen voor het behalen van de verschillende doelstellingen van deze intentieverklaring.
Gaat u binnen hetCentral African Forest Initiative (Cafi) druk uitoefenen op Congo om geen oliewinning in kwetsbare gebieden toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Ja. De veiling van de olie-en gasconcessies is onderwerp van discussie onder donoren. De verschillende donoren van CAFI, waaronder Nederland, zijn niet bij voorbaat gerust op de combinatie oliewinning en beschermen van het Nationaal Park Virunga. CAFI zet in op een gezamenlijke positie waarbij de zorgen van donoren met de overheid van de DRC zullen worden gedeeld, alsook met eventuele bedrijven die besluiten mee te dingen. Ook is CAFI in gesprek met het maatschappelijk middenveld in de DRC om te bezien hoe zij ondersteund kunnen worden in hun advocacy. Verder voert Nederland, als voorzitter van de donorgroep Milieu en Klimaat (GIBEC), ook gesprekken met het maatschappelijk middenveld (o.a. Institut Congolais pour la conservation de la Nature en Greenpeace) en vond een eerste dialoog tussen de GIBEC en de vice premier/Minister van Milieu en Klimaat Bazaiba en de Minister van Olie en Gas Budimbu plaats.
Bent u bereid om desnoods de toegezegde gelden aan Congo te bevriezen of te schrappen, als de regering van Congo de afspraken over de bescherming van de oerbossen en de dwerggorilla’s niet nakomt en kiest voor oliewinning in het betreffende gebied? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse bijdrage, via United Nations Development Programme, aan CAFI bedraagt 15 miljoen euro. Het bevriezen van deze toegezegde gelden is nog niet aan de orde. Ons doel is helder: wereldwijde ontbossing stoppen en biodiversiteit behouden. Dat vereist echter in beginsel wel internationale samenwerking via initiatieven zoals CAFI. In een gesprek (of gesprekken) met de overheid zal CAFI aanbieden de DRC te ondersteunen om aan de nationale wetgeving en internationale afspraken op het gebied van klimaat en biodiversiteit te voldoen. Nu dreigen met weglopen van de overeenkomst heeft mijns inziens eerder een negatief dan een positief effect.
Welke rol hebben Nederlandse bedrijven (zoals Stichting Pensioenfonds DSM)2 gespeeld bij het onderzoek dat oliebedrijf Soco International (in 2019 omgekat tot Pharos Energy, nadat het onder vuur was komen te liggen vanwege illegale activiteiten in Virunga) heeft uitgevoerd naar de mogelijkheden voor oliewinning in Virunga National Park?3
Het is het kabinet niet bekend welke rol Nederlandse bedrijven hebben gespeeld bij het onderzoek van Soco International/Pharos Energy. Volgens de website van Virunga Movie had Stichting Pensioenfonds DSM in maart 2015 aandelen in Soco International. Virunga is niet besproken binnen het pensioenconvenant.
In algemene zin verwacht het kabinet van bedrijven, waaronder pensioenfondsen, dat zij gepaste zorgvuldigheid toepassen in lijn met de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Dit betekent dat zij de risico’s voor mens en milieu in hun waardeketen in kaart moeten brengen en deze risico’s moeten voorkomen en aanpakken. Het toepassen van gepaste zorgvuldigheid geldt ook voor alle financiële diensten en producten.
Heeft de Nederlandse staat geïnvesteerd of andere betrokkenheid (financieel, kennis, of enige andere steun) verleend aan dergelijke onderzoeken?
Nee.
Bent u bereid om Congo bij te staan in de strijd tegen armoede door het land te helpen investeren in duurzame ontwikkeling binnen de draagkracht van de aarde?
Ja. Onder andere via CAFI draagt Nederland reeds bij aan zowel het behoud van het tropische bos in de DRC, het mitigeren van klimaatverandering en het ontwikkelen van een duurzame bestaansbasis voor de lokale bevolking.
Daarnaast financiert Nederland verschillende projecten in Oost-DRC die werken aan rurale economische ontwikkeling. Dit gebeurt onder andere door het bevorderen van duurzame landbouwpraktijken, geïntegreerd waterbeheer en het herstellen van gedegradeerde gronden. Een voorbeeld hiervan is Transition for Inclusive Development.
Wat gaat u doen om de berggorilla’s in Virunga National Park te beschermen?
Nederland ondersteunt de Greater Virunga Transboundary Collaboration met 3,5 miljoen EUR (2020–2024). Dit is een samenwerkingsverband tussen de DRC, Uganda en Rwanda om gezamenlijk het Greater Virunga Landscape (waar het Nationaal Park Virunga onderdeel van uitmaakt) en diens flora en fauna, waaronder de berggorilla’s, te beschermen. Zo coördineert deze organisatie gezamenlijk landschapsbeheer, handhaving, ontwikkeling van toerisme en ondersteuning van gemeenschappen die nabij de beschermde gebieden wonen.
Het rapport Death in Slow Motion: Women and girls under Taliban rule van Amnesty International van 27 juli 2022 |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Death in Slow Motion: Women and girls under Taliban rule» van Amnesty International van 27 juli 20221?
Ja.
Bent u bereid om binnen afzienbare tijd, maar uiterlijk binnen twee weken, een schriftelijke reactie op het rapport en deze Kamervragen aan de Kamer toe te zenden?
Het rapport van Amnesty International schetst een aangrijpend beeld van de zeer moeilijke omstandigheden waarin vrouwen en meisjes in Afghanistan nu leven. Het is belangrijk om de mensenrechtensituatie in Afghanistan te blijven monitoren. Dit (soort) rapport(en) en aanbevelingen houden de vinger aan de pols en dragen bij aan de complexe afwegingen die het Kabinet moet maken in de huidige context, zoals beschreven in de Kamerbrief Langetermijnvisie voor de Nederlandse inzet in Afghanistan van 7 juli jl. (Kamerstuk 34 952, nr. 177).
De Nederlandse inzet zoals beschreven in de bovengenoemde Kamerbrief is in lijn met de aanbevelingen uit het rapport. De kern van de huidige Nederlandse inzet op het gebied van bevordering van mensenrechten in Afghanistan richt zich in het bijzonder op vrouwen- en meisjesrechten. Dit betreft zowel diplomatieke inzet als financiële ondersteuning van mensenrechteninitiatieven, steun aan het (vrouwelijk) maatschappelijk middenveld en door in te zetten op gelijke toegang voor vrouwen en meisjes bij de tijdelijke ondersteuning van basisnoden en livelihoods. Op diplomatiek vlak grijpt Nederland elke gelegenheid aan om de de facto autoriteiten aan te spreken op de zorgwekkende situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan.
Kunt u daarbij ten minste ingaan op iedere afzonderlijke aanbeveling gericht aan de internationale gemeenschap, die in het rapport wordt gedaan, waarbij u aangeeft hoe u over de aanbeveling oordeelt en of u daaraan acties gaat verbinden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven welke verantwoordelijkheid u voelt ten aanzien van de vrouwen en meisjes in Afghanistan en hoe dat zich tot nu toe heeft vertaald in concrete beleidsmaatregelen?
Het Kabinet heeft grote zorgen over de toenemende repressieve maatregelen tegen vrouwen en meisjes in Afghanistan. Als onderdeel van de internationale gemeenschap streeft Nederland naar het waarborgen van vrouwen- en meisjesrechten. In multilaterale fora spreekt Nederland zich daarom regelmatig stevig uit over de schrijnende situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan. Op 1 juli jl. heeft Nederland tijdens een spoedzitting van de 50e VN Mensenrechtenraad de de facto Afghaanse autoriteiten opgeroepen om vrouwen- en meisjesrechten te waarborgen en vrouwen en meisjes gelijke toegang te geven tot onderwijs, werk en volledige participatie in de Afghaanse samenleving. Ook in contacten die Nederland en gelijkgezinde landen met vertegenwoordigers van de de facto Afghaanse autoriteiten hebben wordt deze boodschap systematisch en nadrukkelijk overgebracht.
Daarnaast worden, zoals ook in de genoemde Kamerbrief Langetermijnvisie Afghanistan van 7 juli jl. en antwoorden van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op vragen van de leden Boswijk en Mulder van 11 juli jl. (Kamerstuk 2022Z12018) benoemd, in nauw overleg met maatschappelijke partners, Afghaanse lokale vrouwen(organisaties) en vrouwelijke mensenrechtenverdedigers mogelijkheden onderzocht waarmee het Kabinet ondersteuning kan bieden aan initiatieven die vrouwenrechten en gendergelijkheid in Afghanistan kunnen bevorderen.
In hoeverre was u ten tijde van het verzenden van de laatste Kamerbrief t.a.v. het Landenbeleid Afghanistan van 29 juni 20222 bekend met de positie van meisjes en vrouwen onder (de facto) Taliban regime?
De Kamerbrief van 29 juni jl. is een reactie op het algemene ambtsbericht over Afghanistan dat is uitgebracht op 28 maart 2022. Ten tijde van het uitbrengen van het ambtsbericht had de Taliban nog geen duidelijke positie ingenomen ten aanzien van vrouwen en meisjes hoewel er ook toen al beperkingen waren opgelegd aan hen. Tussen het uitbrengen van het ambtsbericht en de brief van 29 juni jl. is deze positie meer en meer door de Taliban verhelderd. De Taliban hebben ten aanzien van vrouwen en meisjes verschillende maatregelen genomen. Middelbare scholen voor meisjes bleven gesloten ondanks eerdere aankondigingen dat deze weer zouden openen op 23 maart. Ook werd op 7 mei jl. een decreet aangekondigd inhoudende dat vrouwen hun gezicht volledig moeten bedekken met uitzondering van de ogen. Het decreet raadt vrouwen daarnaast aan het huis niet te verlaten indien dit niet noodzakelijk is.
Waarom heeft u besloten om het besluit- en vertrekmoratorium te beëindigen?
Het kabinet zag in het ambtsbericht over Afghanistan en de overige informatie voldoende aanleiding om de beslispraktijk te hervatten en daarmee het besluit- en vertrekmoratorium te beëindigen. Verschillende Kamerleden en maatschappelijke organisaties, waaronder Amnesty International, hebben hier ook op aangedrongen. Door de beslispraktijk weer te hervatten wordt, zoals door eerder genoemde partijen gevraagd, duidelijkheid gegeven aan een grote groep asielzoekers uit Afghanistan. Zij wachten, als gevolg van het besluit- en vertrekmoratorium, al langere tijd op de beoordeling van hun asielaanvraag. Daarnaast geldt dat het Kabinet het besluit- en vertrekmoratorium na augustus niet opnieuw had kunnen verlengen. De IND zal bij de beoordeling op de individuele asielaanvragen rekening houden met de zorgelijke veiligheids- en mensenrechtensituatie in Afghanistan en zal in een voorkomend geval ook eerder het voordeel van de twijfel geven.
Worden er vanaf 26 augustus 2022 zaken behandeld die kunnen leiden tot de uitzet van vrouwen en meisjes naar Afghanistan?
Door de IND worden alle asielaanvragen van asielzoekers uit Afghanistan weer opgepakt. Dit zullen ook zaken van vrouwen en meisjes betreffen. Zoals aangegeven in de brief van 29 juni jl. zal bij de individuele beoordeling van een vreemdeling die behoort tot de categorie van (toegedicht) verwesterde vrouwen eerder het voordeel van de twijfel worden gegeven en worden uitgegaan van de aannemelijkheid van de verklaringen en de gestelde vrees bij terugkeer naar Afghanistan. Dit vanwege de zeer zorgelijke situatie van vrouwen in Afghanistan en de onduidelijkheid die bestaat over de geldende normen en de feitelijke behandeling bij overschrijding van die normen.
De beoordeling van elke asielaanvraag zal plaatsvinden op basis van de individuele omstandigheden afgezet tegen de zorgelijke veiligheids- en mensenrechtensituatie in Afghanistan. Bij de beoordeling houdt het Kabinet tevens rekening met de omstandigheid dat het ambtsbericht geen compleet beeld heeft kunnen geven van de veiligheidssituatie in Afghanistan en de mate waarin de verklaringen van de vreemdeling passen in het beeld van de veiligheidssituatie in het algemeen en de positie van de groep waartoe de vreemdeling behoort in het bijzonder. In de praktijk betekent dit dat afhankelijk van het individuele geval de IND binnen de kaders van het beleid eerder aanleiding kan zien om het voordeel van de twijfel te geven en uit te gaan van de aannemelijkheid van de verklaringen en de gestelde vrees bij terugkeer naar Afghanistan.
Hoe bent u van plan om überhaupt mensen uit te zetten naar Afghanistan wiens asielaanvraag wordt afgewezen aangezien er niet met de Taliban wordt onderhandeld?
Naar verwachting zal een groot deel van de asielzoekers uit Afghanistan in aanmerking komen voor een asielvergunning waardoor terugkeer niet aan de orde is. De kans is niettemin aanwezig dat sommige asielzoekers niet voldoen aan de voorwaarden voor verblijf. In die gevallen zal de asielaanvraag worden afgewezen en is vertrek uit Nederland aan de orde. Hierbij zal met name zelfstandig vertrek aan de orde zijn. Gedwongen vertrek zal (nagenoeg) niet mogelijk zijn, gelet op het ontbreken van diplomatieke banden tussen Nederland en de de facto Afghaanse autoriteiten. Voor personen die meewerken aan hun terugkeer geldt dat zij onderdak kunnen krijgen in een vrijheidsbeperkende locatie. Voor kinderen met minderjarige gezinnen geldt dat zij onderdak kunnen krijgen in de gezinslocatie. Waar terugkeer ondanks de inspanning van de vreemdeling niet kan mogelijk is, kan de vreemdeling mogelijk ook voor een vergunning buitenschuld in aanmerking komen.
Hoe wilt u omgaan met de Afghanen die daardoor in limbo terechtkomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid, naar aanleiding van hetgeen in dit rapport omschreven is, om het landenbeleid te wijzigen en alle Afghaanse vrouwen en meisjes als systematisch vervolgde groep te bestempelen?
De situatie voor vrouwen en meisjes in Afghanistan is uitermate zorgelijk. Het Kabinet is van mening dat in het huidige landgebonden asielbeleid voor Afghanistan voldoende waarborgen zitten om hen bescherming te bieden waar nodig. Zeker ook in licht van de eerdere brief waarin het Kabinet heeft aangegeven dat bij de individuele beoordeling van een vreemdeling die behoort tot de categorie van (toegedicht) verwesterde vrouwen eerder het voordeel van de twijfel worden gegeven.
Bent u bekend met het artikel «Harde sancties tegen Taliban ondermijnen recht op voedsel» in de Clingendael Spectator van 18 mei 20223?
Ja.
Bent u het er mee eens dat het van groot belang is om ook sociaaleconomische kwesties vanuit een mensenrechtenperspectief te benaderen?
Ja, economische, sociale en culturele rechten maken evengoed deel uit van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het is daarbij wel van belang dat de universaliteit en ondeelbaarheid van mensenrechten niet in het geding komen. Sociaaleconomische kwesties geven geen reden om andere mensenrechten terzijde te schuiven.
Wat vindt u van de stelling uit het artikel in de Clingendael Spectator: «Het [nadrukkelijk verbinden van externe hulp aan meisjesonderwijs, of vrouwenrechten in het algemeen] versterkt juist de positie van de conservatieve hardliners en maakt het lastiger voor progressievere leden van de Taliban om zich intern hard te maken voor vrouwenrechten, omdat zij dan worden weggezet als zwakkelingen die zwichten voor westerse druk»?
Deze stelling moet worden bezien in het dilemma tussen pragmatisme en principes, zoals ook beschreven in de Kamerbrief Langetermijnvisie Afghanistan (Kamerstuk 34 952, nr. 177). De machtsstrijd binnen het Talibanregime, en de positie van de hardliners binnen het regime, is inderdaad van invloed op onze handelingsopties. Enerzijds willen we ten behoeve van stabiliteit inzet blijven plegen in Afghanistan, anderzijds willen we de de facto autoriteiten niet (direct of indirect) laten profiteren van die steun, en tevens de voor de internationale gemeenschap belangrijke principes zoals vrouwenrechten blijven benadrukken. Er wordt continu gezocht naar de beste manier om dit te doen, ook in contacten met vertegenwoordigers van de Taliban.
De onvoorspelbare besluitvorming van de Taliban bemoeilijkt de ruimte voor de internationale gemeenschap om de bevolking te steunen. Op dit moment is de afweging van de internationale gemeenschap daarin dat steun aan bepaalde vormen van hulp zoals het ledigen van basisnoden wel gebonden blijft aan principes, waaronder gelijke toegang van vrouwen en meisjes, waarbij regionaal onderscheid kan worden gemaakt. Tegelijkertijd vindt humanitaire hulp altijd plaatst volgens het humanitair imperatief.
Bent u van plan om gehoor te geven aan decall for action van Amnesty International om de bestaande financiële beperkingen die aan Afghanistan zijn opgelegd te versoepelen, omdat deze beperkingen momenteel de levering van gezondheidszorg, voedsel en andere essentiële diensten blokkeren?
Onder het VN-Veiligheidsraad sanctieregime 1988 zijn diverse individuen en entiteiten gelieerd aan de Taliban op de sanctielijst geplaatst (dit betreft dus niet Afghanistan als land, of de de facto autoriteiten in het algemeen). Op 22 december 2021 zijn middels resolutie 2615 van de VN-Veiligheidsraad uitzonderingen opgenomen voor humanitaire hulp en activiteiten die het lenigen van basisnoden ondersteunen. Het sanctieregime beperkt dus niet de levering van gezondheidszorg, voedsel en diensten ten behoeve van basisnoden.
Welke afweging maakt u hierbij?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u van plan om gehoor te geven aan de call for action van Amnesty International om – in overleg met VN-agentschappen, NGO’s en humanitaire organisaties die actief zijn in Afghanistan, lokale vrouwenactivisten en organisaties die andere risicogroepen ondersteunen – de systemen voor de verdeling van dringende financiële steun en humanitaire hulp te versterken?
Het is van groot belang dat juist vrouwen en kinderen humanitaire hulp kunnen ontvangen én geven. Het Kabinet blijft zich er daarom, met gelijkgezinde landen en de Europese Unie, consequent en op alle niveaus voor inzetten dat noodhulp juist deze groepen bereikt en betrekt. De VN coördineert de onderhandelingen voor humanitaire toegang in het land en heeft daarbij veel aandacht voor de positie van vrouwen en meisjes. In contacten met door Nederland gefinancierde hulporganisaties (inclusief de VN) wordt dit onderwerp consequent benadrukt. Deze organisaties vinden dit overigens zelf ook een zeer belangrijk thema.
Conform de Kamerbrief van 23 mei jl. (Kamerstuk 34 952, nr. 159) heeft het Kabinet aan de tijdelijke steun voor het ledigen van basisnoden de eis verbonden dat vrouwen en meisjes gelijke toegang hebben tot geleverde diensten. Hierbij kan regionaal onderscheid gemaakt worden afhankelijk van de toegang van vrouwen en meisjes tot de ondersteunde basisdiensten.
Welke afweging maakt u hierbij?
Zie antwoord vraag 16.