De verplichte privatisering van waterbedrijven in ruil voor Europese steunleningen |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Jan Kees de Jager (CDA), Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de publieke briefwisseling tussen de Europese Commissie en verschillende maatschappelijke organisaties over de verplichte privatisering van de collectieve watervoorziening?1
Ja.
Is het waar dat Griekenland en Portugal verplicht zijn hun waterbedrijven te privatiseren als voorwaarde voor financiële steun vanuit de EU? Indien ja, kunt u aangeven vanuit welke instantie(s) deze voorwaarde naar voren is gebracht en wie verantwoordelijk is voor het uiteindelijk vaststellen van deze voorwaarde?
De inzet van het kabinet, gesteund door de Tweede Kamer, is dat financiële steun aan landen in nood gepaard gaat met strikte conditionaliteit die leidt tot economisch herstel en aanpassing van de onevenwichtigheden. Onderdeel van de conditionaliteit bij de huidig afgesproken leningenprogramma’s vormen privatiseringen. Privatisering van overheidsbedrijven draagt bij aan de vermindering van de overheidsschuld, maar kan ook leiden tot vermindering van subsidies aan staatsbedrijven en daarmee bijdragen aan het verbeteren van de overheidsfinanciën. Privatiseringen kunnen het potentieel herbergen om de efficiëntie van bedrijven en in breder perspectief het concurrentievermogen van de economie als geheel vergroten. Op die manier kunnen de bestaande onevenwichtigheden worden aangepakt die ook een onderdeel vormen van de oorzaken van de huidige crisis. De gevraagde privatiseringen kunnen op deze manier bijdragen het concurrentievermogen en de concurrentiepositie van zowel Portugal als Griekenland versterken.
Bij zowel Portugal als Griekenland maken privatiseringen onderdeel uit van de condities die gepaard gaan met de financiële steun aan die beide landen krijgen uit het EFSF. De precieze conditionaliteit die gepaard gaat met financiële steun is vastgelegd in de Memorandum of Understanding (MoU). De Tweede Kamer is over de inhoud hiervan reeds geïnformeerd in de Kamerbrief nieuw leningenprogramma Griekenland met kenmerk BFB2012–7398M, d.d. 20 maart 2012, en voor Portugal in het verslag Eurogroep en Ecofin Raad van 16 en 17 mei 2011 met kenmerk BFB2011–1103M, d.d. 18 mei 2011.
In het geval van Portugal zijn er afspraken in het MoU gemaakt tussen de Trojka (IMF, Commissie en ECB) en Portugal over de noodzaak van privatiseringen. De keuzes worden vervolgens op nationaal niveau geïnitieerd en de Trojka houdt nauw toezicht op de implementatie van de voorwaarden uit het gehele leningenprogramma.
In het geval van Griekenland zijn in het programma zoals overeengekomen in februari, concretere afspraken gemaakt over de privatiseringen en is er ook een lijst opgesteld met te privatiseren bedrijven, waaronder waterbedrijven. Deze lijst is te vinden in de MoU die aan de Tweede Kamer is verstuurd bij de Kamerbrief nieuw leningenprogramma Griekenland met kenmerk BFB2012–7398M, d.d. 20 maart 2012. De Trojka en de lidstaten achtten een verdere concretisering en invulling van het Griekse privatiseringenprogramma noodzakelijk vanwege de gebrekkige implementatie van de voorwaarden uit het oude leningenprogramma.
Samen met de Commissie is het kabinet van mening dat de privatisering van openbare nutsbedrijven, met inbegrip van bedrijven ten aanzien van de watervoorziening, voordelen kan opleveren voor de gehele samenleving. De privatisering moet plaatsvinden nadat een passend regelgevend kader is opgesteld om misbruik door (particuliere) monopolies te voorkomen. Tegelijkertijd moet toegang tot basisgoederen worden gewaarborgd. Het is zodoende belangrijk om zowel gelijke en eerlijke toegang tot openbare nutsvoorzieningen (zoals water, gas, elektriciteit), als een goede kwaliteit van de dienstverlening en een financieel duurzaam aanbod te waarborgen. Het kabinet heeft vertrouwen dat de Trojka, met daarin ook de Commissie, erop toeziet dat de privatisering van waterbedrijven volledige toegang tot water voor alle burgers garandeert.
Deelt u de mening dat de EU bij het verlenen van financiële steun geen voorwaarden zou moeten stellen die de beschikbaarheid en kwaliteit van bepaalde publieke voorzieningen, waaronder die van collectieve watervoorziening, in gevaar kunnen brengen? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat vanuit de Europese verdragen en geldende Europese wetgeving de Europese Commissie neutraal hoort te handelen ten aanzien van de mate waarin de collectieve watervoorziening in deze lidstaten behoort te worden geprivatiseerd?2 Indien neen, waarom niet? Indien ja, deelt u de mening dat het standpunt van de Commissie hier niet mee in overeenstemming is?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u nog steeds tegen volledige privatisering van de drinkwatervoorziening en van mening dat landen vrij behoren te zijn in het maken van deze beslissing?3 Zo ja, op welke wijze heeft u dit standpunt tot uitdrukking laten komen bij de gesprekken over de voorwaarden die gesteld zijn aan programmalanden als Griekenland en Portugal?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat Griekenland op het punt staat meerderheidsbelangen in verschillende waterbedrijven te verkopen en Portugal plannen heeft om het publieke waterbedrijf te privatiseren?4 5 Indien ja, kunt u aangeven op welke wijze de Commissie garandeert en controleert dat de toegang tot de drinkwatervoorziening behouden blijft?
Zie antwoord vraag 2.
Het militaire strafproces |
|
Angelien Eijsink (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hans Hillen (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Het wordt tijd om afscheid te nemen van de officier-raadsman in het militaire strafproces»?1
Ja.
Is het waar dat «van de officier-raadsman niet verwacht (kan) worden dat hij in voldoende mate de procedurele en inhoudelijke verweren onderkent die in een concrete zaak mogelijk zijn» of, dat «niet verlangd» kan worden dat hij «over voldoende kennis van het straf(proces)recht» beschikt? Zo ja, betekent dit dan dat de verdachte militair niet altijd op een adequate verdediging kan rekenen en wat gaat u doen om dit te verbeteren? Zo nee, waaruit blijkt dat de officier-raadsman in dezelfde mate zoals dat van een advocaat kan worden verwacht wel de procedurele en inhoudelijke verweren kan onderkennen of daarvan kennis heeft?
Ik deel niet de conclusie dat afscheid moet worden genomen van de officier-raadsman.
Het militaire strafrecht onderscheidt zich in die zin van het overige strafrecht, dat rekening wordt gehouden met de militaire aspecten en de specifieke (militaire) situatie waarin en de omstandigheden waaronder een militair die een strafbaar feit pleegt, zich bevindt. Dit heeft ertoe geleid dat in het militaire strafrecht met het oog hierop een aantal bijzondere voorzieningen in de strafrechtspleging is getroffen. Een van deze modaliteiten is die van de officier-raadsman.
In artikel 23, eerste lid, van de Wet militaire strafrechtspraak is geregeld dat een militair die wordt verdacht van een strafbaar feit zich kan laten bijstaan door een advocaat en/of officier-raadsman. Bij een beroep in cassatie is bijstand van een officier-raadsman niet toegelaten. In dat geval zal de verdachte zich moeten laten bijstaan door een advocaat.
Van bijstand door alleen een officier-raadsman is vooral sprake bij lichte en eenvoudige strafzaken. Vanwege hun salaris komen de meeste militairen niet in aanmerking voor kosteloze rechtsbijstand. De bijstand van een officier-raadsman is kosteloos, zodat de verdachte bij eenvoudige zaken geen advocaat hoeft te betalen. Wanneer sprake is van een inverzekeringstelling van een zich in Nederland bevindende of overgebrachte militaire verdachte, wordt op grond van de piketregeling in rechtsbijstand door een advocaat voorzien.
De officier-raadsman heeft een bijzondere waarde aangezien hij de specifieke militaire aspecten kan toelichten en de sociale factoren die daarmee in verband staan. Iedere officier krijgt bij de eerste opleiding onderricht in het (militaire) straf- en strafprocesrecht. Zij die te kennen geven op te willen treden als officier-raadsman krijgen bovendien een daarop toegesneden scholing. Daarbij worden zij erop gewezen dat zij geen strafrechtelijk gespecialiseerde juristen zijn en zo nodig hun cliënt moeten adviseren de hulp in te roepen van een advocaat. Met het oog op onafhankelijke bijstand wordt een officier geacht alleen in te stemmen met een verzoek om als raadsman op te treden als er voldoende functionele afstand is tot de verdachte, het feitencomplex en het de dienstuitoefening niet schaadt.
Treden officier-raadsmannen in de praktijk «geheel zelfstandig als raadsman» op dan wel verlenen zij «bijstand van meer juridische aard»? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de rol voor de officier-raadsman zoals die in de wet is voorgeschreven en zoals die uit de in het artikel aangehaalde parlementaire geschiedenis blijkt? Zo nee, wie treedt er tijdens het militaire strafproces dan wel op als raadsman voor juridische bijstand?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat indien de officier-raadsman niet louter functioneert als degene die zich richt op militaire of sociale aspecten met betrekking tot een zaak, maar ook als raadsman optreedt ten aanzien van juridische aspecten van de verdediging, dat daarmee een onafhankelijke positie van de officier-raadsman van nog groter belang wordt? Zo ja, kan een officier-raadsman in die positie verhinderen dat hij de schijn van afhankelijkheid tegen zich krijgt en hoe verhoudt zich dat tot zijn positie binnen de militaire hiërarchie? Zo nee, waarom niet en hoe kan die onafhankelijkheid wel worden gewaarborgd?
Zie antwoord vraag 2.
Kan een officier-raadsman als deskundige dezelfde rol «omtrent militaire of sociale aspecten» vervullen als hij nu heeft in het militaire strafproces? Zo ja, betekent dit dat u overweegt om de functie van de officier-raadsman te doen vervangen door een raadsman in de functie van advocaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de Salduz-uitspraak gevolgen voor de positie van de officier-raadsman? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de Salduz-jurisprudentie heeft de Hoge Raad overwogen dat een verdachte, behoudens uitzonderingen, binnen redelijke grenzen de gelegenheid moet worden geboden om voor het begin van het politieverhoor een raadsman te raadplegen en op dat recht moet hij worden gewezen. De Hoge Raad heeft zich uitgesproken over het recht op consultatiebijstand door een raadsman voor volwassen verdachten en het recht op bijstand voorafgaande en tijdens het verhoor door een raadsman of andere vertrouwenspersoon voor jeugdige verdachten binnen het «gewone» strafrecht, doch niet over de rol van de officier-raadsman binnen het militaire strafrecht. Het beleid van het openbaar ministerie is dat militaire verdachten net als andere verdachten voorafgaand aan het eerste verhoor een advocaat moeten kunnen raadplegen. Dit doet er niet aan af dat een verdachte militair zich voor zijn eerste politieverhoor (tevens) met een officier-raadsman kan verstaan als hij dat wenst.
Het kan vooral bij militairen voorkomen dat een deel van het strafrechtelijke onderzoek in een strafzaak al in het buitenland plaatsvindt. Het is ook in die gevallen in ieders belang dat de strafzaak voorspoedig wordt afgehandeld. Indien een strafbaar feit in een bepaald missiegebied wordt gepleegd en opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee aanwezig zijn, worden deze zaken zoveel als mogelijk ter plaatse afgehandeld. Het betreft dan veelal minder ernstige delicten. Sinds enige tijd is het mogelijk dat militaire verdachten in een missiegebied zich telefonisch laten bijstaan door raadslieden die lid zijn van de militaire balie. Op deze wijze kan op (zeer) korte termijn worden voorzien in rechtsbijstand door een raadsman voor deze militaire verdachten. Ook is het mogelijk dat een raadsman wordt overgebracht naar het operatiegebied. Tijdens de behandeling van de Wet militair strafrecht in de Eerste Kamer op 12 oktober 2010 heeft de toenmalige minister van Justitie uiteengezet welke praktische problemen daarbij aan de orde kunnen zijn (Handelingen Eerste Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 3–18 t/m 3–28). Zodra sprake is van een verdenking van ernstige strafbare feiten, zal een militair in beginsel altijd worden overgebracht naar Nederland.
Hoe vaak wordt een officier-raadsman naar schatting jaarlijks ingeschakeld in een militaire strafproces? Hoe vaak betreft dit verdenkingen voor feiten die buiten Nederland hebben plaatsgevonden?
Hiervan wordt geen registratie bijgehouden. Bij strafzaken die worden behandeld door een politierechter komt het regelmatig voor dat een verdachte zich laat bijstaan door een officier-raadsman. Dit is – in mindere mate en veelal tezamen met een advocaat – ook het geval bij zaken van de meervoudige kamer. Het betreft hierbij veelal militaire delicten of delicten gepleegd in een militaire omgeving.
Bestaat er behalve de officier-raadsman elders in het strafprocesrecht een positie van een raadsman die niet volledig juridisch geschoold is dan wel deel uitmaakt van de organisatie waarbinnen het strafproces zich afspeelt? Zo ja, waar dan?
Er zijn advocaten die, anders dan binnen een advocatenkantoor, in loondienst zijn van niet-advocaten en die in beginsel hun werkgever kunnen vertegenwoordigen als tegen die werkgever vervolging zou worden ingesteld.
Ziet u onoverkomelijke praktische bezwaren tegen het naar het buitenland laten overkomen van (civiele) advocaten in het geval een Nederlandse militair verdacht wordt van een strafbaar feit? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de conclusie van de auteur van het genoemde artikel dat er afscheid moet worden genomen van de officier-raadsman in het militaire strafproces? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u kennis genomen van het feit dat de heer Wishnudath Datadin met de Nederlandse nationaliteit op 8 oktober jl. om 12.50 uur (plaatselijke tijd) in Dubai door twee agenten uit vliegtuig EK-651 is meegenomen en dat zijn familie sindsdien helemaal niets meer van hem vernomen heeft?1
Zowel het ministerie als het consulaat-generaal te Dubai is op de hoogte gesteld van een mogelijke detentie van de heer Datadin.
Heeft u kennis genomen van het feit dat de broer van deze persoon zich meerdere keren tot het consulaat-generaal gewend heeft omtrent de vermissing van zijn broer met de vraag waar hij zit?
De broer van de heer Datadin heeft op zondag 14 oktober contact opgenomen met het consulaat-generaal te Dubai om melding van deze mogelijke arrestatie te doen. Het consulaat-generaal heeft vervolgens alle informatie verzameld en diverse lokale instanties benaderd om na te vragen of de heer Datadin gearresteerd is. Conform de gebruikelijke procedure houdt ook het ministerie contact met de broer en schoonzuster van de heer Datadin.
Op welke wijze heeft het Nederlandse consulaat-generaal deze zaak behandeld en heeft zij om opheldering gevraagd en die gekregen bij lokale autoriteiten?
Het consulaat-generaal in Dubai heeft al het mogelijke gedaan om te achterhalen waar de heer Datadin verbleef. Direct na de melding door de broer op 14 oktober jl. heeft het consulaat-generaal contact opgenomen met de immigratiedienst, de duty manager van het vliegveld, de luchthavenpolitie, Emirates Airlines en het Criminal Investigation Department.
Bent u bereid onmiddellijk opheldering te vragen bij de autoriteiten van Dubai en/of de Verenigde Arabische Emiraten om te ontdekken waar de agenten hem naartoe geleid hebben, of zij hem hebben laten gaan of nog steeds vasthouden, waar hij momenteel verblijft en hoe zijn gezondheidstoestand is?
Zie vraag 3. De politie in Dubai heeft op donderdag 18 oktober jl. in de avond aan het consulaat-generaal laten weten dat de verblijfplaats van de heer Datadin bekend is. De heer Datadin is niet gearresteerd. Het ministerie heeft diezelfde avond de familie op de hoogte gesteld van zijn verblijfplaats en een telefoonnummer doorgegeven waarop hij te bereiken is.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en de familie misschien nog wel spoediger informeren?
Ja. Er is regelmatig contact met zijn familie.
De uitwisseling van gegevens van veroordeelde artsen tussen Nederland en België |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de opmerking van een inspecteur voor de gezondheidszorg dat er sprake is van enige uitwisseling van strafmaatregelen tegen artsen die door het Tuchtcollege zijn veroordeeld?1
Die uitspraak kan ik onderschrijven. Naast mijn inspanningen om de verbetering van de uitwisseling en transparantie over beroepsbeoefenaren met een bevoegdheidsbeperking op Europees niveau aan te pakken in het kader van de EG richtlijn erkenning beroepskwalificaties, zijn mijn ambtenaren op dit moment over dit onderwerp in gesprek met Zweden, het Verenigd Koninkrijk en de buurlanden België (Vlaanderen) en op Länder niveau met Duitsland. Doel van deze gesprekken is om verdergaande afspraken te maken -dan mogelijk is op Europees niveau- over uitwisseling en transparantie van straf – en tuchtrechtelijke gegevens van onbevoegde beroepsbeoefenaren.
De Belgische autoriteiten ondersteunen mijn wens dat bevoegde autoriteiten informatie uit moeten wisselen over straf- en tuchtrechtmaatregelen ter verifiëring of zorgverleners in België respectievelijk in Nederland aan de slag kunnen. Een stap verder is het wederzijds erkennen van de straf- en tuchtmaatregelen. In Nederland is op grond van de Wet Beroepen in de individuele gezondheidszorg een in het buitenland opgelegde bevoegdheidsbeperking een reden voor weigering voor inschrijving in het BIG-register. Een onbevoegde Belgische arts kan in Nederland dan ook niet zijn praktijk voortzetten. Dat is niet in alle landen het geval. Met België wil ik over het overnemen van de tucht – en strafmaatregelen van zorgverleners duidelijke afspraken maken, zodat situaties als beschreven in uw bijgevoegde krantenartikel tot een minimum beperkt blijven.
Welke afspraken heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg gemaakt met de Belgische gezondheidsinspectie met betrekking tot gegevensuitwisseling als het gaat om artsen of andere hulpverleners die ernstige fouten hebben gemaakt?
Op basis van en in overeenstemming met de in mijn antwoord op vraag 1 genoemde Europese regelgeving, wisselt de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) toezichtgegevens uit met haar collega inspecties in Europa, zo ook met de Belgische gezondheidsinspectie. Zoals gezegd zou Nederland graag verdere stappen zetten en zijn we daarover in overleg.
Een overzicht van opgelegde maatregelen door een tuchtcollege voor de gezondheidszorg of door het College van Medisch Toezicht, en van doorhalingen op grond van een bevoegdheidsbeperking opgelegd door een rechter in het buitenland is via het BIG-register (www.bigregister.nl) in Nederland openbaar en daarmee voor een ieder inzichtelijk.
Van de door een tuchtcollege voor de gezondheidszorg opgelegde maatregelen wordt (behoudens de waarschuwing) een aantekening gemaakt in het BIG-register en vindt een openbare kennisgeving plaats. Dit geldt ook voor bevelen van de IGZ (op grond van de Wet BIG) die een beroepsbeperkende maatregel inhouden.
Mocht het tot een ernstige maatregel komen in dit concrete geval, kan er dan van worden uitgegaan dat dit gemeld wordt aan de Belgische gezondheidsinspectie, zodat zij zich ten volle van haar toezichtstaak kan kwijten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke informatie van disfunctionerende hulpverleners van België ontvangt de Nederlandse Inspectie van de Belgische gezondheidsinspectie? Welke afspraken bestaan er in dat kader?
Zie antwoord vraag 2.
De door FMO gefinancierde Barro Blanco dam in Panama |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending «Barro Blanco» van Holland Doc?1
De reportage schetst naar mijn mening een eenzijdig beeld van de situatie. De reportage is vooral gebaseerd op de mening van enkele activisten en er lijkt geen wederhoor te zijn toegepast bij het bedrijf (Genisa) of de democratisch gekozen vertegenwoordiging van de Ngäbe-Buglé gemeenschap. Voorwaarde voor het verstrekken van een financiering door FMO aan dit soort projecten is dat onderzoek door onafhankelijke experts vaststelt dat de milieu- en sociale effecten, inclusief de belangen van de lokale gemeenschap, goed zijn onderzocht, beheersbaar zijn en goed worden gemanaged.
Bent u op de hoogte van de protesten tegen de bouw van deze dam vanwege de gevolgen voor de bevolking, het gebrek aan inspraak en de schade aan het milieu?
Ik ben op de hoogte van algemene protesten tegen mijnbouw en waterkrachtenergie projecten in Panama, die zich ten dele ook tegen het onderhavige project richten.
Was u op de hoogte van het feit dat de European Investment Bank (EIB) afzag van dit project omdat zij geen toestemming kreeg voor onderzoek ter plaatse? Zo ja, waarom was dit voor de FMO geen reden om deelname aan het project te staken?
Nee, de Staat wordt als aandeelhouder niet betrokken bij individuele investeringsbeslissingen. Dit is een zaak van FMO zelf.
Komt de FMO-financiering van de Barro Blanco dam tot stand met Nederlands ontwikkelingsgeld? Zo ja, om welk bedrag gaat het? Zo nee, hoe is de financiering wel geregeld?
FMO is een ontwikkelingsbank met publieke en private aandeelhouders. Naast de staat (51% van de aandelen) zijn er verschillende private aandeelhouders: Nederlandse banken (35% van de aandelen) en meer dan honderd kleinere partijen (14% van de aandelen). FMO moet als bank (onder toezicht van DNB) financieel op eigen benen staan. Sinds 2006 hebben aandeelhouders geen nieuw kapitaal meer ingebracht, zijn de door FMO behaalde financiële resultaten consistent positief en heeft het een solide balans. Voor de financiering van dit soort projecten trekt FMO geld aan op de internationale kapitaalmarkten.
Hoe verklaart u de tegenstrijdige informatie over het project, bijvoorbeeld over het gebied dat wel of niet onder water komt te staan, het draagvlak onder de bevolking en de schade aan het milieu?
Onder een deel van de lokale gemeenschap leeft de indruk dat het project een belangrijke inbreuk op de Ngäbe-Buglé Comarca zal vormen en hun leefomgeving zal aantasten.
Om de dialoog tussen de betrokken partijen en waarheidsvinding te optimaliseren, hecht FMO, samen met de andere financiers, veel waarde aan de zogenaamde Ronde Tafel Dialoog. Het betreft hier een initiatief, waarbij de lokale VN vertegenwoordiger als mediator optreedt en een vertegenwoordiger van de katholieke kerk als waarnemer. Zowel formele als informele vertegenwoordigers van de Ngäbe-Buglé bevolking, Genisa en de overheid nemen deel. Ten behoeve van waarheidsvinding zijn verschillende veldmissies uitgevoerd, inclusief metingen en observaties. De uitkomsten van deze Ronde Tafel Dialoog worden op korte termijn verwacht.
Bent u bereid de informatie uit de reportage te onderzoeken? Bent u tevens bereid onafhankelijk onderzoek naar de problemen en klachten van lokale stakeholders te steunen? Zo neen, waarom niet?
FMO heeft bij de acceptatie van dit project een onderzoek laten uitvoeren naar de milieu- en sociale aspecten van dit project door een onafhankelijke, internationale partij. Na de goedkeuring van dit project monitort FMO of de voortgang voldoet aan de afspraken die gemaakt zijn. Hierbij wordt ook gekeken naar klachten vanuit de omgeving en informatie die over het project circuleert. Het in het antwoord op vraag 5 omschreven bemiddelingsproces zal een bepalende bijdrage kunnen leveren aan een onafhankelijk oordeel. Alle deelnemers hebben toegezegd geen mededelingen te doen alvorens dit proces is afgerond en dit heeft geresulteerd in een gezamenlijke verklaring. Ik ben daarom van mening dat de uitkomsten van dit proces moeten worden afgewacht.
Deelt u de mening dat (de financiering van) dit project moet worden stilgelegd, in afwachting van onderzoek? Deelt u de mening dat hierbij ook de uitkomst van de Ronde Tafel Dialoog betrokken moet worden? Zo neen, waarom niet?
Alle werkzaamheden voor dit project blijven buiten het leefgebied van de Ngäbe-Buglé gemeenschap. Het bedrijf heeft aangegeven te willen handelen naar de uitkomsten van de Ronde Tafel Dialoog. FMO zal de uitkomsten meenemen in de monitoring van het project; deze kunnen aanleiding zijn voor aanvullende afspraken en zo nodig sancties.
Hoe oordeelt u over het feit dat sprake is van «greenwashing», met andere woorden dat het project veel minder groen is dan wordt voorgesteld? Wat voor gevolgen heeft dit voor het Nederlandse beleid met betrekking tot emissierechten?
Bij de afweging die FMO heeft gemaakt om te investeren in dit bedrijf, speelde het al dan niet uitgeven van certificaten door het bedrijf geen rol. De investering is gedaan na onderzoek (inclusief onderzoek ter plaatse door onafhankelijke experts) aan de hand van alle internationaal geaccepteerde standaarden op milieu- en sociaal gebied. Hierin wordt ook gekeken naar eventuele bijeffecten. FMO blijft daarnaast monitoren op milieu- en sociale aspecten van dit project.
Beschikt de FMO momenteel over een openbaringsbeleid (disclosure policy), zoals ook de Wereldbank hanteert? Zo neen, waarom niet?
FMO beschikt momenteel niet over een openbaringsbeleid zoals de Wereldbank dat hanteert. Wel zal FMO met ingang van januari 2013 gecontracteerde investeringen publiceren op internet, waaronder investeringen van overheidsfondsen die vóór 2013 gecontracteerd zijn. Dit betekent dat klanten hiervan op de hoogte moeten worden gesteld en contracten voor projecten moeten worden aangepast. Op dit moment wordt dit voorbereid.
Deelt u de mening dat openbaringsbeleid van groot belang is, zodat investeringen van de FMO van tevoren en op projectniveau bekend worden gemaakt en daarbij inspraak mogelijk is? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat dit gebeuren?
Ja. FMO gaat onderzoeken hoe haar openbaringsbeleid kan worden ingevuld, rekening houdend met de belangen van haar klanten. FMO werkt met private bedrijven, die concurreren op de markt. Mede vanwege concurrentie- en marktpositie is het voor deze bedrijven niet altijd gewenst om interne bedrijfsoverwegingen publiek te maken. Om effectief het bedrijfsleven te kunnen ondersteunen moet FMO rekening houden met deze belangen.
Hoe functioneert het klachtenmechanisme van de FMO? Deelt u de mening dat klachten onafhankelijk getoetst moeten worden? Zo ja, wat gaat u ondernemen om dit mogelijk te maken?
FMO beschikt over een eigen, goed functionerende klachtenprocedure. Deze staat op de website van FMO. Daarnaast is FMO in Europees verband binnen EDFI (Association of European Development Finance Institutions) het gesprek aangegaan om te kijken wat de mogelijkheden zijn voor een onafhankelijke ombudsman op Europees niveau voor DFI’s gezamenlijk. Het blijkt zeer complex te zijn om dat in Europees verband te realiseren. FMO gaat nu onderzoeken hoe ze op nationaal niveau een onafhankelijk klachtenmechanisme op zou kunnen zetten.
Het gebrek aan toezicht op de naleving van EU sancties tegen Iran |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Uri Rosenthal (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Pst! Olie kopen?»1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Brussel totaal niet toeziet op naleving door de lidstaten van sancties tegen Iran? Wat wilt u doen om dit te verbeteren?
Uitvoering van sancties, inclusief het verlenen van vergunningen en ontheffingen, handhaving, en de communicatie met derden over het sanctiebeleid, is een nationale aangelegenheid. De Europese Commissie kan lidstaten aanspreken indien zij de verplichtingen die voortvloeien uit EU sanctieregelgeving niet naar behoren uitvoeren. In het uiterste geval kan de Commissie een inbreukprocedure starten tegen een lidstaat die in gebreke blijft. Tot op heden heeft de Commissie nog nooit van deze mogelijkheid gebruik hoeven te maken.
Voor een krachtig en effectief Europees sanctiebeleid is een strikte en uniforme toepassing van de regels noodzakelijk. Om deze reden is Nederland in EU-verband actief betrokken bij verdere versterking van de coördinatie van de uitvoering van sanctiemaatregelen door de lidstaten.
Hoe schat u de effecten in van de nieuwe door de EU aangekondigde sancties als er niet eens effectief toezicht is op de naleving van eerdere sancties?2
Zoals omschreven in het antwoord op vraag 2 en 4 vindt er wel degelijk toezicht plaats op de naleving van sancties. De recent aangenomen EU sancties zullen de druk op het Iraanse regime verder verhogen.
Hoe is het mogelijk dat in Nederland niet duidelijk is welk ministerie erop toeziet dat Nederlandse bedrijven de sancties naleven, terwijl wij één van de sterkste pleiters zijn voor een strikt sanctieregime?
Er is geen sprake van onduidelijkheid over het toezicht op en de handhaving van sanctie regelgeving. De ministeries van Financiën en van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie zien toe op de strikte naleving van alle economische en financiële sancties. Dit is een prioriteit voor het kabinet.
In de Regeling toezichthoudende ambtenaren Sanctiewet 1977 zijn voor het toezicht specifieke ambtenaren aangewezen van de douane, de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst – Economische controledienst (FIOD-ECD), de Algemene Inspectiedienst, de Erfgoedinspectie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de commandanten van de Nederlandse marineschepen. Voorts houden de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten bestuursrechtelijk toezicht op de naleving van voorschriften met betrekking tot het financieel verkeer. De strafrechtelijke handhaving is in handen van het Openbaar Ministerie, de politie (inclusief de KLPD en de Koninklijke Marechaussee), en de buitengewone opsporingsambtenaren.
Op de website van de Rijksoverheid is een overzicht opgenomen van de bevoegde autoriteiten die vergunningen of ontheffingen kunnen verlenen per onderdeel van ieder sanctieregime. Dit is te vinden op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/internationale-vrede-en-veiligheid/documenten-en-publicaties/rapporten/2011/09/19/overzicht-bevoegde-autoriteiten.html.
Is het waar dat Egypte op grote schaal Iraanse olie vermengt om zo de herkomst te vermommen en het vervolgens aan Europa verhandelt? Zo ja, bent u bereid hier consequenties aan te verbinden en uw ongenoegen over te brengen aan Egypte tijdens uw bilateraal bezoek op 21 oktober a.s.?
Ik beschik niet over aanwijzingen dat dat het geval zou zijn. Tijdens mijn bezoek aan Egypte op 21 oktober jl. heb ik de sancties tegen Iran aan de orde gesteld.
In meer algemene zin dring ik er binnen de EU op aan het olie importverbod tegen Iran uit te breiden met maatregelen gericht op het tegengaan van vermenging van olie.
Herinnert u zich opmerkingen tijdens het algemeen overleg Raad Buitenlandse Zaken op 10 oktober 2012 over het feit dat Zwitserland en Turkije het EU-sanctieregime voor Iran feitelijk ondergraven door lucratieve handel met Iran over te nemen van EU-lidstaten?3 Ziet u mogelijkheden om deze landen ertoe te bewegen de sancties niet te ondergraven? Zo ja, wat gaat u doen?
Het kabinet zet zich samen met andere EU lidstaten op verschillende niveaus in om niet-EU lidstaten te overtuigen van de noodzaak de druk op Iran op te voeren en hen ertoe te bewegen zich aan te sluiten bij het sanctieregime. Tijdens mijn bilaterale contacten bij de afgelopen AVVN is dit onderwerp veelvuldig aan de orde gekomen.
Bent u er van op de hoogte dat in Duitsland gevestigde bedrijven een spil blijken in het illegaal exporteren naar Iran van nucleaire materialen?4 Gaat u er voor pleiten dat de sancties ook binnen de landen van de EU veel beter worden gehandhaafd?
Ik heb geen reden aan te nemen dat de Duitse autoriteiten niet effectief zouden optreden tegen in Duitsland gevestigde bedrijven die de sancties tegen Iran ontduiken.
De EU lidstaten gaan zorgvuldig om met hun verantwoordelijkheden op dit terrein. Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 2 acht het kabinet een strikte implementatie van sancties binnen de EU van groot belang.
De toegang van de VS tot data in de cloud |
|
Harry van Bommel (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Uri Rosenthal (VVD) |
|
|
|
|
Was u reeds voor het gepubliceerde onderzoek naar de toegang van de Verenigde Staten (VS) tot gegevens van gebruikers wereldwijd die in de cloud worden bewaard op de hoogte van (een deel van) de uit het onderzoek gebleken feiten?1 Zo ja, welke rol hebt u in Nederland en de Europese Unie (EU) gespeeld om deze situatie te voorkomen of ongedaan te maken dan wel burgers, overheden en bedrijven in ons land van deze situatie op de hoogte te stellen? Zo nee, wat is uw reactie op deze feiten?
Het onderzoek «Cloud diensten in hoger onderwijs en onderzoek en de USA Patriot Act» van de Universiteit van Amsterdam bevat een analyse van de Amerikaanse wetgeving die de mogelijkheid biedt om gegevens te vorderen en het niveau van gegevensbescherming in de Verenigde Staten, alsook enkele conclusies die de onderzoekers trekken ten aanzien van het beschermingsniveau van gegevens die door de universiteit in het kader van onderwijs en onderzoek worden verzameld en met behulp van clouddiensten worden verwerkt. Deze analyse bevat geen wezenlijk nieuwe inzichten. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de antwoorden op eerdere Kamervragen over Amerikaanse wetgeving in relatie tot Europese persoonsgegevens (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nrs. 2318 en 2710, en Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 3514). In deze eerdere antwoorden is onderkend dat niet kan worden uitgesloten dat de Amerikaanse autoriteiten onder omstandigheden de beschikking kunnen krijgen over persoonsgegevens die worden verwerkt door bedrijven, indien het Amerikaanse recht aanknopingspunten biedt voor de toepassing van, bijvoorbeeld, strafvorderlijke bevoegdheden. Het onderzoek van de UvA beoogt de gevolgen hiervan voor de eigen organisatie in kaart te brengen. Ik acht het primair een zaak van eigen verantwoordelijkheid van degene die gegevens (doet) verwerken bij een bedrijf dat (ook) in de Verenigde Staten actief is om zich op de hoogte te stellen van de consequenties daarvan. Daarbij kan de «zienswijze» over cloud computing, die het College bescherming persoonsgegevens in september 2012 op haar website heeft gepubliceerd, behulpzaam zijn.
Zijn ook gegevens die van rechtswege beschermd of geheim zijn (bijvoorbeeld zaken welke geoctrooieerd zijn, medische gegevens, gegevens waarmee de veiligheid van ons land is gemoeid zoals informatie van overheden of overheidsdiensten) op deze wijze toegankelijk voor de VS?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven is het bekend dat de Amerikaanse overheid op grond van de nationale wetgeving over bevoegdheden beschikt die onder omstandigheden kunnen worden gebruikt om gegevens te vorderen, ook wanneer die gegevens worden verwerkt met behulp van clouddiensten. Een ieder die voor de verwerking van gegevens gebruik maakt van cloudddiensten bij aanbieders die (ook) in de Verenigde Staten actief zijn moet zich bewust zijn van de juridische consequenties daarvan. Dat geldt zeker ook wanneer die gegevens een bepaald beschermingsniveau genieten. Artikel 76 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) legt de verantwoordelijkheid voor het beoordelen van de omstandigheden waaronder gegevens naar een derde land kunnen worden doorgegeven in de eerste plaaats bij de voor de verwerking verantwoordelijke. Ik ga ervan uit dat die instanties met het voorgaande bekend zijn, en zie geen aanleiding om hier ontradend op te treden.
Leidt deze situatie tot een overschrijding van de Nederlandse wet? Hebt u een idee van de mate waarin gegevens van Nederlandse burgers, overheden en bedrijven reeds in bezit zijn gekomen van de VS? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren?
Bedrijven die persoonsgegevens verwerken via clouddiensten van aanbieders die (ook) in de Verenigde Staten actief zijn, dienen erop bedacht te zijn dat in geval van vordering van gegeven, verstrekking daarvan dient te voldoen aan de eisen die de Wbp stelt aan de verstrekking van gegevens aan derde landen waar naar Europees recht geen passend niveau van gegevensbescherming bestaat. De Wbp biedt voor de verstrekking van persoonsgegevens aan dergelijke landen een aantal mogelijke rechtvaardigingsgronden. Mij is uit berichten in de media bekend dat er een gering aantal gevallen is geweest waarin bedrijven zijn geconfronteerd met vorderingen van de Amerikaanse autoriteiten tot verstrekking van gegevens.
Acht u de situatie in algemene zin onwenselijk? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om een einde te maken aan deze situatie?
De kern van de onderhavige problematiek is dat bedrijven als gevolg van de extraterritoriale werking van de wetgeving van een vreemd land geconfronteerd kunnen worden met conflicterende verplichtingen met betrekking tot het verstrekken van persoonsgegevens. Ik acht dit een onwenselijke situatie. Dit probleem is bij de Europese Unie bekend, en het voorstel voor een Algemene verordening gegevensbescherming poogt daarvoor een oplossing aan te reiken. Dit voorstel is thans voorwerp van onderhandeling in Brussel. Ik heb uw Kamer in een Algemeen Overleg op 7 maart 2012 toegezegd haar uitgebreid te informeren over de stand van de onderhandelingen. Dat zal ook gebeuren ten aanzien van dit onderwerp. Ik heb mijn zorgen bovendien onder de aandacht gebracht van de Europese Commissie. De Commissie heeft mij daarbij opnieuw bevestigd dat dit punt haar aandacht heeft.
Indien de situatie niet binnen afzienbare tijd verandert, meent u dat de Nederlandse overheid het gebruik van de cloud moet gaan ontraden aan personen, overheden en bedrijven welke niet willen dat informatie bekend wordt bij de VS of wilt u mogelijk zelfs nog verder gaan door het gebruik van clouddiensten geheel af te raden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u al in overleg getreden met uw Amerikaanse en Brusselse collega's over deze zaak? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen? Bent u bereid de Kamer over de uitkomsten van dit onderhoud nauwgezet te informeren?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u het Nationaal Cyber Security Centrum verzoeken te rapporteren over de juridische zaken, privacy- en veiligheidskwesties waarbij, bij het gebruik van clouddiensten in het algemeen en buitenlandse in het bijzonder, problemen kunnen ontstaan?
Ik acht dit geen taak voor het Nationaal Cyber Security Centrum.
De constatering dat hulpclubs overbodig werk verrichten |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Knapen (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ontwikkelingshulp kan zonder Cordaid of Novib»?1
Ja.
Wat is uw visie op de constatering van experts als Dambisa Moyo, William Easterly en Simeon Djankov dat ontwikkelingshulp zorgt voor corruptie, het in het zadel houden van ondemocratische regimes en een enorme verspilling van belastinggeld?
De ideeën van bovengenoemde auteurs tonen een grote diversiteit en besteden vooral aandacht aan macro-economische vormen van hulpverlening. Ik verwelkom deze ideeën als bijdrage aan een kritisch debat over de effectiviteit van ontwikkelingssamenwerking, maar vind ze wel wat eenzijdig. Het door u genoemde artikel betreft vooral gerichte en kleinschalige inspanningen via het particuliere kanaal. Met behulp van o.a. Cordaid, Oxfam Novib en ICCO worden Nederlandse ODA gelden geïnvesteerd in versterking van het maatschappelijk middenveld.
In mijn brief aan de Tweede Kamer van 22 oktober jl (DSO/MO-213/12) geef ik aan dat een sterke en diverse burgersamenleving bijdraagt aan het kritisch volgen en voeden van o.a. het beleid en de budgetbestedingen van overheden en bedrijven. Hierdoor verbetert de samenwerking tussen burgers, overheid en private sector wat leidt tot inclusieve economische groei, betere sociale voorzieningen en een veiliger en stabielere samenleving. IOB verwijst in het rapport Facilitating resourcefulness (IOB rapport nr. 336 van 4 augustus 2011) naar de conclusies van een studie van Gaventa en Barrett daarover.
Hoeveel subsidie van Nederlandse overheden hebben de hulpclubs Cordaid, Oxfam Novib en ICCO de afgelopen 20 jaar ontvangen?
Van de Nederlandse ontwikkelingsfondsen is de afgelopen 20 jaren gemiddeld EUR 245 miljoen per jaar via deze drie organisaties in ontwikkelingslanden besteed.
In hoeverre bent u bereid alles in het werk te stellen om de stroom belastinggeld die richting de bovengenoemde (overigens vaak anti-Israëlische) hulpclubs gaat, zo spoedig mogelijk stop te zetten?
De genoemde gelden worden in ontwikkelingslanden besteed via de genoemde Nederlandse ontwikkelingsorganisaties. Bewijs, zoals bij voorbeeld recent door Charles Kenny van het gerenommeerde Center for Global Development in zijn publicatie «Getting Better» lezenswaard uiteengezet, toont aan dat (ook) fondsen die via het particuliere kanaal geïnvesteerd worden, bewezen bijdragen aan de kwaliteit van leven in ontwikkelingslanden. Uit recente gesprekken die in mijn naam werden gevoerd met vertegenwoordigers van burgerorganisaties in Burundi, Uganda en Bangladesh bleek dat de bijdrage van Nederlandse en internationale NGO’s aan het ontwikkelingsproces in die landen effectieve, toegevoegde waarde heeft.
Daarmee zie ik geen aanleiding het huidige beleid te wijzigen.
De grote toename van het aantal Hongaarse prostituees die gedwongen worden te werken voor pooiers |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de uitzending van Nieuwsuur waaruit blijkt dat er veel vrouwen uit Hongarije werken in de prostitutie in Amsterdams of Den Haag?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de Hongaarse minister dat het merkwaardig is dat prostitutie legaal kan in Nederland?
Ik vind het niet merkwaardig dat prostitutie legaal is. De regering en het parlement hebben meer dan tien jaar geleden na rijp beraad besloten het bordeelverbod op te heffen. Ik ben wel van mening dat het toezicht op en de handhaving van de prostitutiesector aanscherping behoeft. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 7 van het lid Hilkens2 heb ik de Eerste Kamer verzocht de behandeling van het wetsvoorstel Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche aan te houden. Ik beraad mij momenteel op mogelijke vervolgstappen.
Wat is naar uw mening de achtergrond van de grote aantrekkingskracht van Nederland voor pooiers die in Hongarije vrouwen werven voor de prostitutie? Op welke manier kan worden voorkomen dat de situatie nog verder escaleert? Maakt juist het legale karakter van prostitutie in Nederland niet een belangrijk deel uit van die aantrekkingskracht?
Het is niet zo dat mensenhandel voor seksuele uitbuiting alleen in Nederland of alleen in landen met legale prostitutie zou plaatsvinden. Mensenhandel, zowel voor seksuele- als voor arbeidsuitbuiting, vindt in alle landen plaats en kan voorkomen in alle sectoren waarin gebruik gemaakt wordt van (vooral) laaggeschoolde arbeid. Voor de maatregelen die Nederland in samenwerking met Hongarije neemt verwijs ik naar het antwoord op vraag 3 van de eerdergenoemde vragen van het lid Hilkens.
Herinnert u zich de toezegging tijdens het debat over mensenhandel van 22 juni 2012, waarin u hebt gezegd dat er enkele keren per jaar overleg plaatsvindt met politie en Openbaar Ministerie (OM) van onder meer Hongarije over de samenwerking in het kader van bestrijding van mensenhandel? Wanneer is het laatste overleg hierover geweest? Ziet u in de geconstateerde problemen reden de samenwerking te intensiveren?
Ja. Relatief veel slachtoffers van mensenhandel in Nederland bezitten de Hongaarse nationaliteit. De operationele samenwerking met Hongarije wordt derhalve geïntensiveerd met als doel om gezamenlijk mensenhandel tegen te gaan. Voor meer informatie over deze samenwerking verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 van de set vragen van het lid Hilkens. In de opzet van de daar genoemde samenwerking zal van Nederlandse zijde aangedrongen worden op uitvoering van bewustwordingsactiviteiten, onder meer gericht op de politie en het OM, als integraal onderdeel van het programma.
In hoeverre zijn politie en OM van Hongarije voldoende doordrongen van het feit dat er veel vrouwen onder dwang naar Nederland gebracht worden om in de prostitutie te werken? Welke mogelijkheden ziet u om door middel van samenwerking het gevoel van urgentie te vergroten?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de opvatting van de landelijk officier van Justitie Ten Cate dat het gewenst zou zijn als er hogere straffen opgelegd worden tegen pooiers? Is het waar dat de Amsterdamse rechtbank stelselmatig de eisen voor mensenhandel halveert en lagere straffen oplegt dan elders?2
Ik ben van mening dat de strafmaxima voor mensenhandel moeten worden verhoogd. Hiertoe heb ik recentelijk een wetsvoorstel4 bij uw kamer ingediend. Over de praktijk van de Amsterdamse rechtbank kan ik geen uitspraken doen zonder dossieronderzoek. Een dergelijk onderzoek is lastig doordat de eis van de officier van justitie niet centraal wordt geregistreerd en door het lage aantal mensenhandelzaken per rechtbank en de daarmee samenhangende lage mate van representativiteit.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de hoogte van de straffen voor mensenhandelaren in Nederland ten opzichte van de straffen in andere landen en hierbij ook aandacht te geven aan de opgelegde straffen in Amsterdam?
De Nationaal Rapporteur heeft recentelijk nog een jurisprudentieonderzoek verricht. In het onderzoeksrapport is onder andere als aanbeveling opgenomen dat de Zittende Magistratuur (ZM) zich op het gebied van mensenhandel specialiseert. Met de inwerkingtreding van de Wet herziening gerechtelijke kaart per 1 januari 2013 wordt de behandeling van mensenhandelzaken per gerecht beperkt tot 1 backoffice en een beperkt aantal aangewezen rechters en juridisch medewerkers. De gerechten dragen er zorg voor dat deze rechters en medewerkers over voldoende vakinhoudelijke kennis beschikken om de betreffende zaken adequaat te kunnen behandelen. De NRM beveelt daarnaast aan dat de ZM oriëntatiepunten ontwikkelt ten behoeve van een consistente straftoemeting in mensenhandelzaken. De ZM kan dit pas doen als er voldoende jurisprudentie op het gebied van mensenhandel is. Momenteel wordt binnen de ZM hiernaar onderzoek verricht, dat naar verwachting nog dit jaar zal zijn afgerond.
Ik ben van mening dat hiermee voldoende recht wordt gedaan aan de aanbevelingen van de NRM op het gebied van de rechtspraak. Ik acht nader onderzoek dan ook niet nodig, mede gelet op het feit dat er al een wetsvoorstel bij uw Kamer ligt om de strafmaxima te verhogen.
Op welke manier kan Nederland meer betekenen om te voorkomen dat pooiers bij de uitgang van kindertehuizen jonge vrouwen ronselen voor de prostitutie? Welke preventieve inzet wordt gepleegd om dat te voorkomen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4 van het lid Hilkens (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 637).
De mogelijke executie van elf Iranese mannen |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van Amnesty International «Iran: Eleven men face imminent execution»?
Wat is uw reactie op de berichtgeving dat de Iranese autoriteiten elf mannen, waaronder winkelier Saeed Sedeghi, zonder enige vorm van eerlijk proces vasthouden in de Evin Prison in Teheran?
Wat is uw oordeel over het feit dat de Iranese autoriteiten de zogeheten «Anti-Narcotics Law» gebruiken om de doodstraf op te leggen aan gevangenen?
Deelt u de mening dat deze situatie aanleiding moet zijn voor een intensiveren van de EU-inspanningen om het Iraanse regime onder druk te zetten vanwege de slechte mensenrechtensituatie in het land? Indien nee, waarom niet?
Bent u bereid, gezien de ernst van deze situatie, tijdens de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken van 15 oktober a.s. dit onderwerp en in het bijzonder het lot van deze elf gevangenen te bespreken met uw collega’s en bent u bereid de Kamer op korte termijn te informeren over uw inspanningen? Zo nee, waarom niet?
De ontvoering van de Nederlandse fotojournalist Jeroen Oerlemans |
|
Raymond Knops (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Uri Rosenthal (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de arrestatie van twee Britse burgers in verband met mogelijke betrokkenheid bij de ontvoering van de Nederlandse fotojournalist Jeroen Oerlemans?1
Ja.
Is er contact geweest tussen de Nederlandse en de Britse overheden over deze arrestatie en eventuele vervolgstappen die hieruit voort kunnen vloeien?
De dienst Nationale Recherche heeft na de ontvoering de aangifte en een verklaring van de heer Oerlemans opgenomen en verder onderzoek verricht. Bij de ontvoering was ook een Brits slachtoffer betrokken. De Britse politie is daarom ook een opsporingsonderzoek gestart. In verband hiermee is er contact geweest tussen de Nederlandse en de Britse opsporingsdiensten, waarbij informatie is uitgewisseld en afstemming heeft plaatsgevonden over de te nemen vervolgstappen. In onderling overleg is besloten om de resultaten van het Nederlandse onderzoek ter beschikking te stellen aan de Engelse autoriteiten en de resultaten van het Britse onderzoek af te wachten omdat dit meer aanknopingspunten biedt. De heer Oerlemans is hiervan op de hoogte gesteld.
Wat kunt u zeggen over de betrokkenheid van het gearresteerde tweetal bij de ontvoering van Oerlemans?
Aangezien de aanhoudingen hebben plaatsgevonden op verzoek van de Britse autoriteiten en het onderzoek aldaar nog loopt kan ik hierover geen mededelingen doen.
Is er inmiddels meer duidelijkheid over de betrokkenheid van de Turkse geheime dienst bij de vrijlating?2 Was er een verzoek tot geheimhouding tot de volgende dag, 27 juli, 12:00 van de Turkse geheime dienst? Zo ja, waarom had dit verzoek de Nederlandse overheid niet bereikt? Zo ja, waarom sprak u dan toch op 26 juli in Nieuwsuur over de vrijlating van Oerlemans?
Neen. Een dergelijk verzoek heeft de Nederlandse overheid niet ontvangen.
Is er voor het interview in Nieuwsuur contact geweest tussen Oerlemans en de Nederlandse overheid, zodat de vrijlating met zekerheid kon worden vastgesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welk moment? Wat was de inhoud van dit contact?
Op het moment van de Nieuwsuur-uitzending was betrokkene op Turks grondgebied en niet meer in handen van de gijzelhouders. De uitspraak over zijn vrijlating is gedaan op basis van de op dat moment beschikbare openbare en vertrouwelijke bronnen van onder meer de Nederlandse ambassade in Ankara, alsmede nationale en internationale contacten.
Heeft er inmiddels een evaluatie plaatsgevonden naar aanleiding van de gebeurtenissen rond de vrijlating van Oerlemans? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de belangrijkste lessen en tot welke wijziging van beleid leiden deze?
Er zijn meerdere momenten na de ontvoeringszaak geweest waarop de gang van zaken in deze ontvoeringszaak is besproken. Dit heeft niet geleid tot wijziging in het beleid.
Het bericht 'Albanië kan kandidaat-lidstaat EU worden' |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Uri Rosenthal (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Albanië kan kandidaat-lidstaat EU worden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het advies van de Europese Commissie waarin staat dat Albanië klaar zou zijn voor het kandidaat-lidmaatschap van de Europese Unie volstrekt belachelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar de kabinetsappreciatie over het uitbreidingspakket van de Europese Commissie die op 26 oktober jl. aan de Voorzitter van de Tweede Kamer is verzonden.
Deelt u de mening dat, mocht dit advies worden overgenomen, dit een vorm van enorme geldverspilling zal betekenen gezien de miljoenen die kandidaat-lidstaten als «pretoetredingssteun» vanuit Brussel ontvangen?
De steun die Albanië ontvangt uit de pre-accessiemiddelen van de EU houdt geen verband met een eventueel toekomstig besluit over het toekennen van kandidaat-lid status aan Albanië.
Deelt u de mening dat Albanië, een islamitisch land waarin corruptie en misdaad hoogtij vieren, in geen honderdduizend jaar zou mogen toetreden tot de Europese Unie, ook niet als kandidaat-lid? Zo nee, waarom niet?
Albanië heeft evenals de andere landen van de Westelijke Balkan sinds 1999 een lidmaatschapsperspectief. Indien deze landen voldoen aan alle strenge voorwaarden van het uitbreidingsproces, dan kunnen zij op termijn toetreden tot de EU.
Adoptie in Afrikaanse landen |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Argos van maandag 6 oktober 2012 over adoptie uit Afrikaanse landen?1
Ja.
Deelt u de mening dat adoptieorganisaties niet altijd professioneel te werk gaan? Zo nee, wat is uw mening dan over vergunninghouders? Zo ja, hoe komt dat volgens u en wat kunt en wilt u hieraan doen?
In mijn brief van 13 maart 20122 aan uw Kamer en tijdens het algemeen overleg van 19 april 20123 heb ik aangegeven dat er sprake is van een doelmatig systeem van organisaties die ieder hun eigen rol in het adoptieproces spelen. Wel vereist publiek-private samenwerking tussen de Nederlandse overheid en particuliere adoptieorganisaties meer kwaliteit en professionaliteit van alle ketenpartners. Dit is, gezien de geconstateerde moeilijkheid om de betrouwbaarheid van de informatie over het kind uit landen van herkomst te kunnen verifiëren, mede van belang in verband met de noodzaak om beter in te kunnen spelen op het veranderende profiel van adoptiekinderen en hetgeen dit van de aspirant-adoptiefouders vraagt. Daarnaast zal ik de controlemogelijkheden voor de adoptieorganisaties en de Centrale autoriteit versterken en zo nodig aanscherpen.
Wat heeft u gedaan toen u constateerde dat vergunninghouders niet altijd weten wat er precies in de adoptielanden speelt? Zouden vergunninghouders betere controle moeten uitoefenen in de adoptielanden?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat Wereldkinderen de waarheid niet heeft willen delen met de adoptiefmoeder van I.? Zo ja, waarom heeft Wereldkinderen dit opzettelijk verzwegen? Heeft u Wereldkinderen hierop aangesproken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er gewisseld tussen Wereldkinderen en het ministerie?
Kent u het rapport «Fruits of Ethiopia»? Kunt u het rapport met uw visie hierop naar de Kamer sturen? Is het waar dat Wereldkinderen het rapport «Fruits of Ethiopia» niet naar buiten heeft willen brengen?
Ja, het rapport is bekend. Het rapport dateert van 2009 en zag op een onderzoek naar negentien willekeurige adoptiedossiers. Uw Kamer is al in algemene zin over de resultaten van het onderzoek geïnformeerd tijdens een Algemeen Overleg van 6 oktober 20094 met de toenmalige minister van Justitie. Tevens is naar aanleiding hiervan uw Kamer per brief van 16 februari 20105 geïnformeerd over de adoptiesituatie in Ethiopië en de maatregelen die zijn genomen om de zorgvuldigheid en zuiverheid van adopties uit Ethiopië te versterken.
De reden dat het rapport niet naar buiten is gebracht is vanwege de privacygevoeligheid van de informatie en de geconstateerde onjuistheden die in het rapport stonden.
Is het waar dat u met Wereldkinderen een gesprek zou hebben of heeft gehad over de geheimhouding van het rapport? Heeft het gesprek tussen u en Wereldkinderen reeds plaats gevonden zoals gesuggereerd werd in de uitzending? Zo ja, wat heeft het gesprek opgeleverd? Zo nee, wanneer zal het gesprek plaatsvinden en kunt u de Kamer informeren over de inhoud van dit gesprek?
Ja, er is in 2009 gesproken met Wereldkinderen over het rapport naar aanleiding van de beslissing van Wereldkinderen om de adoptieprocedures uit Ethiopië tijdelijk stil te leggen op basis van de conclusies uit het rapport. Gesproken is over de inhoud van het rapport en de te nemen maatregelen zoals opgenomen in de brief aan uw Kamer van 16 februari 2010. Ten aanzien van de vraag of er over geheimhouding van het rapport is gesproken, wijs ik op de beantwoording van vraag 5 over de privacygevoeligheid.
Is het waar dat voormalig directeur van Wereldkinderen geen onderzoek mocht doen naar niet goed verlopende adopties en corruptieve adoptie? Is het waar dat ambtenaren van het ministerie haar dat hebben verboden? Zo ja, waarom vindt het ministerie dat transparantie niet hoort binnen de adoptiewereld? Zo nee, wat is niet waar aan de uitspraken van de voormalig directeur? Wat is uw mening over de suggestie dat de geheimhouding van het rapport een puur economisch motief moet zijn geweest? Kunt u met zekerheid zeggen dat economische motieven nooit een rol hebben gespeeld binnen de adoptiewereld in zowel Nederland als de landen van waaruit Nederland adopteert? Zo nee, waarom niet?
De situatie waar aan wordt gerefereerd dat de voormalig directeur van Wereldkinderen geen onderzoek mocht doen, ziet op adopties uit China en niet op het genoemde rapport dat ziet op adopties uit Ethiopië. Voor de inhoudelijke beantwoording verwijs ik naar de beantwoording van Kamervragen6 en de bespreking hierover tijdens het algemeen overleg met uw Kamer van 6 oktober 2009
Hoeveel kinderen zijn de afgelopen tien jaar uit Ethiopië geadopteerd en van hoeveel van die adopties is niet duidelijk of het om een discutabele adoptie gaat? Zijn de signalen uit Ethiopië dusdanig dat de adoptie (tijdelijk) stopgezet moet worden? Zo nee, waarom niet?
In de afgelopen tien jaar zijn er gemiddeld per jaar 48 kinderen uit Ethiopië geadopteerd. Naar aanleiding van het genoemde rapport zijn adoptiedossiers nader onderzocht en zijn aanvullende maatregelen genomen om de zorgvuldigheid van de procedure te versterken.
Sinds de conclusies zoals neergelegd in de brief van 16 februari 2010 aan uw Kamer, zijn de ontwikkelingen in Ethiopië zodanig dat ik geen aanleiding zie om de beslissing van de toenmalige minister van Justitie te herzien. De Ethiopische autoriteiten werken sinds 2009 hard aan de versterking van hun adoptieprocedures. De Ethiopische autoriteiten hebben het voornemen om begin 2013 een bezoek te brengen aan Nederland en zal overleg plaats vinden met onder andere de Nederlandse autoriteiten.
Deelt u de mening van voormalig directeur van Wereldkinderen Ina Hut dat de adoptiewereld een gesloten wereld is? Zo ja, wat zou er moeten veranderen?
Bij interlandelijke adoptie is het van belang dat de zorgvuldigheid en de zuiverheid van de adoptieprocedure zo veel mogelijk geborgd is, waarbij het belang van het kind voorop staat. Transparantie van de adoptieprocedures zowel in het land van herkomst als in het land van ontvangst is daarom van groot belang. Dit komt de betrouwbaarheid en kwaliteit van de adoptieprocedure ten goede. Met de maatregelen die ik in mijn brief van 13 maart 2012 met uw Kamer heb besproken en waar uw Kamer mee heeft ingestemd, wil ik daar ook uitvoering aan geven.
Hoe worden de adopties die nog in de pijplijn zitten vanuit Oeganda afgerond? Om hoeveel adopties gaat het? Deelt u de mening dat alleen adopties die zorgvuldig zijn onderzocht doorgang mogen vinden? Hoe gaat u er voor zorgen dat adopties in het algemeen zorgvuldiger worden voorbereid? Hoe gaat u dat doen ten aanzien van de adopties die in de eindfase van de procedure zitten?
Voor het antwoord op de vragen over adopties uit Oeganda wijs ik op de brief van 4 oktober 20127 die aan uw Kamer is gestuurd.
Deelt u de mening dat de toezicht op adoptieprocedures, vergunninghouders en de contacten in het adoptieland beter moet? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Wanneer begint u hier mee?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er andere landen in Afrika waarbij vraagtekens bij de adoptie gezet kunnen worden? Zo nee, hoe zeker bent u hiervan? Zo ja, uit welke landen en wat is er misgegaan?
Er zijn geen signalen dat er misstanden zijn of hebben plaatsgevonden in andere Afrikaanse landen dan die landen waar ik, of mijn voorgangers, uw Kamer over hebben geïnformeerd.
Zijn de belangen van kinderen die ter adoptie worden aangeboden op dit moment voldoende gewaarborgd?
Ja.
Worden (negatieve) ervaringen met adoptielanden gedeeld met andere Europese landen? Zo ja, heeft u onlangs contact gehad met uw Europese collega's ten aanzien van uw ervaring met Oeganda? Zo nee, waarom worden ervaring die de Europese landen opdoen ten aanzien van adoptielanden niet met elkaar gedeeld?
Ja, er is vier maal per jaar overleg met andere Europese Centrale autoriteiten waar informatie wordt uitgewisseld over de landen van waaruit geadopteerd wordt, waaronder Oeganda. De laatste bijeenkomst heeft in september 2012 plaatsgevonden.
Amerikaanse toegang tot cloud-gegevens |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «VS heeft toegang tot cloud-gegevens»1 en de publicatie «Cloud diensten in hoger onderwijs en onderzoek en de USA Patriot Act»?2
Ja.
Is het waar dat Amerikaanse opsporingsdiensten makkelijker bij data van Nederlandse cloudgebruikers kunnen dan tot nu toe werd gedacht? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 1 van de leden Gesthuizen en Van Bommel (vraagnummer 2012Z17456, ingezonden 15 oktober 2012).
Is het waar dat in het geval dat gegevens door Amerikaanse autoriteiten direct opgevraagd worden bij de clouddienst, Nederlandse gebruikers onder Amerikaanse wetgeving zeer beperkte rechtsbescherming hebben terwijl die rechtsbescherming wel zou gelden in het geval van bevragingen onder Nederlandse wetgeving? Zo ja, deelt u de mening dat er dan sprake is van rechtsongelijkheid? Hoe wilt u dit verbeteren? Zo nee, wat is dan niet waar?
Wanneer gebruikers clouddiensten betrekken van dienstaanbieders die (ook) in de VS actief zijn, dan dienen zij zich ervan bewust te zijn dat die gegevens onderwerp kunnen worden van een vordering tot verstrekking van de gegevens van de Amerikaanse autoriteiten. Het is afhankelijk van rechtsbetrekking tussen dienstverlener en gebruiker of Amerikaans of Europees gegevensbeschermingsrecht van toepassing is. Die rechtsstelsels verschillen sterk van elkaar. Het ligt niet op mijn weg om een oordeel over het recht van een derde land te geven. Dit alles laat onverlet dat overheden zowel in de VS als in Europa de hun verleende bevoegdheden tot het vorderen van gegevens conform de geldende wettelijke voorschriften altijd kunnen uitoefenen.
Zijn de Amerikaanse constitutionele waarborgen op het gebied van bevragingen door de Amerikaanse overheid inderdaad niet van toepassing op Nederlandse gebruikers van de cloud? Zo ja, hoe worden Nederlandse gebruikers dan wel beschermd en acht u die bescherming afdoende? Zo nee, waarom niet?
Het ligt niet op mijn weg om uitspraken te doen over de waarborgen die het recht van de Verenigde Staten al dan niet biedt aan verschillende categorieën belanghebbenden. Ik verwijs voorts naar het antwoord op vragen 4 en 5 van de leden Gesthuizen en Van Bommel (vraagnummer 2012Z17456, ingezonden 15 oktober 2012).
Toelichting: deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van de leden Gesthuizen en Van Bommel (beiden SP), ingezonden 15 oktober 2012 (Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nr. 535)
Deelt u de mening dat «het gebrek aan aandacht in de VS voor de belangen van vertrouwelijkheid van gegevens van niet-Amerikanen (…) de situatie er vanuit Nederlands perspectief niet beter op» maakt? Zo ja, hoe gaat u er zorg voor dragen dat die aandacht er wel komt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De aanvallen vanuit Syrië op Turkije |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Uri Rosenthal (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Turkije zinkt weg in Syrische moeras»?1
Kunt u bevestigen dat de gebruikte munitie bij de dodelijke aanval vanuit Syrië op Turkije van NAVO-makelij was? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Kunt u bevestigen dat het Syrische leger vrijwel uitsluitend Russisch oorlogsmateriaal gebruikt? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Bent u ervan overtuigd dat de dodelijke aanval vanuit Syrië op Turkije afkomstig was van het Syrische regime? Indien ja, waarop is deze overtuiging precies gebaseerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u ervan overtuigd dat alle andere aanvallen vanuit Syrië op Turkije, zowel vóór als na het dodelijke incident, afkomstig waren van het Syrische regime? Indien ja, waarop is deze overtuiging precies gebaseerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Deelt u de opvatting dat het van het allergrootste belang is dat er geen enkele onduidelijkheid bestaat over de afkomst van de aanvallen vanuit Syrië op Turkije voordat er een verdergaande militaire reactie op volgt, bijvoorbeeld in NAVO-verband? Indien neen, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bekend met de uitlating van Bassam Imadi, lid van de Syrische Nationale Raad, dat de Turkse reactie op de aanvallen vanuit Syrië heeft geleid tot een «de-facto buffer zone»?2 Kunt u bevestigen dat er de facto een bufferzone is ontstaan aan de Turks-Syrische grens? Indien neen, wat zijn dan de feiten? Indien ja, acht u het creëren van een bufferzone door Turkije als een gevaarlijke, escalerende ontwikkeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Diplomatieke betrekkingen met Iran |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Canada sluit ambassade in Iran en zet Iraanse diplomaten uit»?1
Ja.
Hoe kwalificeert u Canada’s besluit om Iran aan te merken als staatssponsor van terreur en grootste bedreiger van de wereldvrede op basis van de volgende feiten:
De zorgen van Canada over diverse aspecten van het Iraans buitenlands beleid, worden door het kabinet gedeeld.
Deelt u de mening dat het diplomatieke spoor met betrekking tot Iran een doodlopend spoor is gebleken en het nu meer dan ooit noodzakelijk is Iran te isoleren, daar zij het gewelddadige Syrische regime steunt, zelfs in VN-verband antisemitische toespraken houdt en haar nucleaire activiteiten ondanks alle diplomatieke druk een exorbitante vlucht hebben genomen?
Nederland maakt zich zorgen over Irans nucleaire programma, de mensenrechtensituatie en de negatieve rol van het land in de regio. Zo heb ik tijdens de AVVN in New York nog de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Salehi aangesproken op de steun die het land verleent aan het regime van Assad in Syrië en Hezbollah.
Het kabinet acht het belangrijk om een communicatiekanaal met de Iraanse regering open te houden. Via diplomatie en sancties oefent Nederland, bilateraal en als lid van de EU, maximale druk uit op het Iraanse regime om het beleid op bovenstaande gebieden te wijzigen. Het is nu niet het moment om te speculeren over andere opties, noch deze uit te sluiten. Diplomatieke betrekkingen stellen ons daarenboven in staat om de belangen van Nederlanders in Iran te behartigen.
Bent u bereid in navolging van Canada de diplomatieke betrekkingen met Iran op te schorten en hier ook in EU-verband voor te pleiten? Zo nee, hoe kunt u dit rijmen met uw pleidooi in de EU om Hezbollah, de proxy van Iran, als terroristische groepering aan te merken als u Iran zelf niet als staatssponsor van terreur beschouwt en daar naar handelt?
Zie antwoord vraag 3.
Mocht u onverhoopt niet bereid zijn tot het opschorten van de diplomatieke betrekkingen met Iran, bent u dan wel bereid de diplomatieke betrekkingen met Iran tot een absoluut minimum te reduceren? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3 en 4.
Wilt u deze vragen voor 23 oktober 2012 12.00 uur beantwoorden?
Ja.
Een Amerikaans rapport inzake gedragingen van Chinese telecombedrijven |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
|
|
|
Kent u het rapport van de inlichtingencommissie van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarin de Chinese telecombedrijven Huawei en ZTE worden beschuldigd van «cyberoorlogvoering» en «online spionage»?
Zo ja, hoe beoordeelt u de inhoud van het rapport en welk oordeel hecht u aan de alarmerende conclusie dat de genoemde Chinese bedrijven een bedreiging vormen voor de Amerikaanse nationale veiligheid?
Deelt u de mening dat in het rapport geen hard bewijs wordt geleverd voor de spionagepraktijken en dat alleen verwezen wordt naar niet nader gespecificeerde «merkwaardige of alarmerende incidenten» met apparatuur van Huawei en ZTE?
Hebben zich ook in Nederland en in andere Europese landen waar genoemde bedrijven actief zijn, «merkwaardige of alarmerende incidenten» met die apparatuur voorgedaan? Zo ja, kunt u deze melden?
Hoe beoordeelt u de Chinese reacties, die erop neerkomen dat het Amerikaanse rapport een onderdeel is van een politiek spel in de verkiezingscampagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen of een poging is om de markt af te schermen voor concurrentie?
Zou dit rapport naar uw oordeel gevolgen moeten hebben voor de samenwerking van KPN (of andere Nederlandse bedrijven) met Huawei en ZTE? Zo ja, welke gevolgen zouden hieraan verbonden moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid deze kwestie voor te leggen aan de Cyber Security Raad, ten einde van deze raad een oordeel te ontvangen over eventuele bedreigingen voor de nationale veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Over het falen van het Hongaarse asielbeleid |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Leers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hongaars asielbeleid zwaar onder vuur»?1 Heeft u tevens kennisgenomen van het de opmerkingen van Vluchtelingenwerk Nederland, dat het Hongaarse asielbeleid «een farce» is?2
Ja.
Is het waar dat zeventig Europese vluchtelingenorganisaties de overige EU-lidstaten hebben opgeroepen om te stoppen met het automatisch terugsturen van asielzoekers die via Hongarije de Europese Unie zijn binnengekomen? Wat is uw reactie op deze oproep?
Op 25 september 2012 heeft de koepelorganisatie European Council on Refugees and Exiles (ECRE) een openbare brief gestuurd aan het voorzitterschap van de EU met het verzoek om vanuit de lidstaten geen asielzoekers meer onder toepassing van de Dublin-verordening (343/2003/EU) terug te sturen naar Hongarije. Ter verklaring van dit verzoek verwijst ECRE onder meer naar eerder door de UNHCR opgestelde rapporten over het asielbeleid en asielstelsel in Hongarije. Kern van de door UNHCR en ECRE geuite kritiek en zorg is dat asielzoekers het risico zouden lopen vanuit Hongarije te worden teruggestuurd naar Servië zonder dat er voorafgaand een inhoudelijke behandeling van het asielverzoek heeft plaatsgevonden. Dit omdat de Hongaarse autoriteiten Servië beleidsmatig zouden beschouwen als een veilig derde land. Daarnaast zouden, volgens de genoemde rapporten, de onder de Dublin-verordening terugkerende asielzoekers in Hongarije het risico lopen dat hun asielaanvraag als een herhaalde aanvraag wordt behandeld. Ook zou voor hen het risico op willekeurige detentie bestaan.
In een brief van 11 oktober 2012 heeft de Hongaarse minister van Binnenlandse Zaken zijn reactie op deze kritieken gegeven. Deze brief is gepubliceerd op de website van de Hongaarse overheid3. In de brief beklemtoont de Hongaarse minister dat het naleven van de internationale verplichtingen jegens asielzoekers in het Hongaarse stelsel is gewaarborgd. De minister geeft aan dat ieder asielverzoek van een vreemdeling, die in het kader van de Dublin-verordening terugkeert, individueel wordt bezien. Ook benadrukt de minister dat asielzoekers gedurende de eerste beoordelingsprocedure worden ondergebracht in een open opvanglocatie. Tot slot wijst de minister erop dat de Hongaarse regering een aantal wetswijzigingen op het terrein van asiel en migratie heeft voorgelegd aan het nationale parlement.
Gelet op deze reactie van de Hongaarse regering ga ik ten opzichte van Hongarije uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat de kern vormt van het Dublinsysteem. Ik zie derhalve geen aanleiding om de uitvoering van de Dublin-verordening ten opzichte van Hongarije op te zeggen.
Deelt u de mening van de organisaties dat Hongarije een puinhoop maakt van haar vluchtelingenbeleid? Voldoet Hongarije naar uw mening nog aan het Europese asiel acquis, waarin de randvoorwaarden voor fatsoenlijke asielregels, opvang en detentieomstandigheden zijn opgenomen? Wat zijn de objectieve feiten over de omstandigheden voor en de in- en uitstroom van asielzoekers in/naar Hongarije?
Zoals geantwoord op vraag 2 zie ik geen aanleiding om het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Hongarije ten aanzien van het naleven van de internationale asielrechtelijke verplichtingen op te zeggen.
Blijkens de database van Eurostat4 betrof het totaal aantal asielaanvragen in 2011 1695 aanvragen. In 2011 heeft Hongarije 895 beslissingen op asielaanvragen genomen.
Is het waar dat Hongarije asielzoekers standaard in detentie houdt, in afwachting van de uitslag van de procedure? Komt het voor dat ze daarna naar Servië worden teruggestuurd, waar ze opnieuw worden opgesloten?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft de Hongaarse minister van Binnenlandse Zaken laten weten dat asielzoekers niet standaard in bewaring worden gehouden. Ook heeft hij laten weten dat de asielverzoeken van personen die in het kader van de Dublin-verordening terugkeren individueel worden beoordeeld.
Deelt u de mening dat Europa maximale druk op Hongarije moet uitoefenen om te waarborgen dat het asielzoekers fatsoenlijk behandelt en zich houdt aan de afspraken? Welke stappen hieromtrent zijn in Europa reeds gezet? Is Nederland bereid om hier bij de komende toppen en JBZ-Raad een stevig punt van te maken? Zouden sancties tegen Hongarije uiteindelijk een effectief middel kunnen zijn?
In de genoemde brief van 11 oktober 2012 heeft de Hongaarse regering gereageerd op de geuite kritieken op haar asielstelsel. In deze reactie zie ik geen reden om de Hongaarse regering in de JBZ-Raad aan te spreken op het nakomen van haar verantwoordelijkheden.
Deelt u de mening dat landen als Hongarije, die hun asielsysteem niet op orde hebben, hun verantwoordelijkheid ontlopen als het gaat om het opnemen en fatsoenlijk behandelen van asielzoekers, en die verantwoordelijkheid, ook qua instroom,3 daardoor meer bij de Noordelijke en Westelijke lidstaten komt te liggen? Hoe kan de EU komen tot een eerlijke deling van verantwoordelijken op dit punt?
Gelet op wat in de genoemde brief van 11 oktober 2012 door de Hongaarse regering wordt aangegeven, deel ik de mening dat Hongarije zijn verantwoordelijkheid ontloopt niet. Dit laat onverlet dat het aantal asielverzoeken in de lidstaten van de EU sterk verschilt. Mijn inzet is er daarom op gericht dat zo snel als mogelijk met het Europees Parlement overeenstemming wordt bereikt over de onder het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (GEAS) vallende wetgeving. De dan volgende uitdaging ligt in een vlotte implementatie van deze wetgeving in de EU lidstaten. Pas hierna is het aan de lidstaten gezamenlijk te bezien of er (nieuwe) verdeelsleutels ten aanzien van asielaanvragen kunnen worden vastgesteld.
Zijn er meer Oost Europese lidstaten waar de omstandigheden voor en de instroomcijfers van asielzoekers relatief slechter, respectievelijk lager zijn in vergelijking met de noordelijke en westelijke lidstaten? Wat is hiervan de oorzaak?
In de huidige situatie bestaan er verschillen in onder andere de opvangvoorzieningen en het gevoerde landgebonden asielbeleid tussen de 27 lidstaten. Deze verschillen dragen sterk bij aan de secundaire migratiestromen binnen de EU. Vandaar dat de inzet van Nederland is gericht op een voortvarende totstandkoming van een GEAS.
Is het waar dat Hongarije, net als vele andere lidstaten, geen vluchtelingen opneemt op basis van hervestiging? Wat is uw mening hierover? Zouden niet alle lidstaten, net als onder meer Nederland, Zweden, Groot-Brittannië en Denemarken, verplicht moeten zijn om een bepaald aantal uitgenodigde vluchtelingen op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Hervestiging vindt plaats op vrijwillige basis. Lidstaten bepalen derhalve zelf of zij deelnemen en hoeveel personen zij willen hervestigen. Hongarije neemt in 2012 deel aan hervestiging voor een beperkt aantal personen. Ik acht het wenselijk dat zo veel mogelijk EU-lidstaten deelnemen aan het hervestigingsprogramma van de UNHCR.
Worden de grenzen van Hongarije afdoende bewaakt? Is het land een doorreishaven van veel vreemdelingen en asielzoekers naar de rest van Europa? Hoeveel asielzoekers zijn er de laatste jaren op grond van het Dublinverdrag teruggestuurd naar Hongarije?
Migranten die de buitengrenzen van het Schengen-gebied illegaal oversteken, proberen in veel gevallen door te reizen naar andere lidstaten. De Hongaarse autoriteiten worden door Frontex ondersteund om het grenstoezicht aan de EU-buitengrens verder te verbeteren. Aan de Frontex-operaties in Hongarije heeft Nederland bijgedragen.
In de periode 2008–2011 zijn circa 70 personen op grond van de Dublin- verordening overgedragen aan Hongarije.
Eritrese belastingpraktijken |
|
Liesbeth van Tongeren (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Uri Rosenthal (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het beslist onwenselijk is dat Eritrese Nederlanders worden gechanteerd door het Eritrese consulaat om aan hun ongehoorde belastingverplichtingen te voldoen, omdat anders verdere dienstverlening wordt gestaakt?
Extraterritoriale belastingheffing aan eigen onderdanen en het onthouden van diensten of rechten bij uitblijven van betaling is niet strijdig met de Weense Conventies. Diplomatieke vertegenwoordigingen dienen zich echter wel te houden aan de wet- en regelgeving van de ontvangende staat. Het afdwingen van belastingbetaling door middel van afpersing en intimidatie is onacceptabel en strijdig met de Nederlandse wetgeving. Afpersing, intimidatie e.d. zijn misdrijven en als het vermoeden bestaat dat hiervan sprake is, wordt hiernaar onderzoek gedaan. Hiervoor is het van belang dat slachtoffers van strafbare feiten daarvan aangifte doen.
Deelt u de mening dat, gezien uw beantwoording, internationaalrechtelijk gezien onderdanen in den vreemde betere bescherming verdienen dan sommige landen ze op dit moment geven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om in internationaal verband het initiatief te nemen tot een discussie over de rechten en plichten van onderdanen in den vreemde, resulterend in een internationaal verdrag?
Het bestaande internationale en nationale juridisch kader is toereikend om te reageren op eventuele onrechtmatige of onwenselijke Eritrese praktijken.
Zo bevat artikel 41, eerste lid van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (1961) de verplichting voor geprivilegieerden «de wetten en regelingen van de ontvangende staat te eerbiedigen». Als zij dat niet doen, kunnen zij hierop worden aangesproken. In het uiterste geval kan de ontvangende staat een diplomaat tot persona non grata verklaren, waarna deze diplomaat het land dient te verlaten.
Bent u bereid om te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van strijdigheid met paragraaf 5 van de Veiligheidsraadresolutie 1907 (2009)? Zo nee, waarom niet?
In haar rapport van 13 juli jl. trekt de VN Monitoring Group on Somalia and Eritrea niet de conclusie dat het innen van de 2% «Development and Rehabilitation» inkomensbelasting onder de Eritrese diaspora strijdig is met het wapenembargo.
De groep geeft aan dat het innen van aanvullende bijdragen specifiek voor de Eritrese defensiebegroting mogelijk strijdig is met paragraaf 5 van de desbetreffende Veiligheidsraadsresolutie 1907. Zoals aangegeven in de antwoorden op de eerdere Kamervragen deel ik deze beoordeling. Nader onderzoek is op dit moment niet aan de orde. Indien blijkt dat de Eritrese ambassade zich hieraan schuldig maakt zullen stappen worden genomen. Daar kan ik niet op vooruitlopen.
Kunt u aangeven welke maatregelen zijn genomen door de in antwoord op vraag 7 genoemde EU-lidstaten en welke resultaten zij hebben opgeleverd? Lenen deze maatregelen zich voor toepassing in de Nederlandse rechtspraktijk?
Het Verenigd Koninkrijk en Duitsland hebben in 2011 de Eritrese overheid per note verbale opgedragen illegale activiteiten rond belastinginning stop te zetten. Zweden is in afwachting van justitieel onderzoek naar enkele aangiftes van afpersing. Afhankelijk van de uitkomst hiervan zullen vervolgmaatregelen worden bekeken. Frankrijk en Italië ondervinden geen problemen en nemen geen maatregelen. Canada heeft Eritrea te kennen gegeven zich het recht voor te behouden om de consul uit te zetten indien Eritrea zich niet strikt aan de nationale wet- en regelgeving houdt. Tevens is een politieonderzoek naar aanleiding van aangiftes gaande. Hierbij wil ik opmerken dat in Canada, anders dan in Nederland, gebruik werd gemaakt van formulieren waarop fondsenwerving voor de Eritrese defensiebegroting expliciet stond vermeld.
Gezien de afwezigheid van harde bewijzen is het moeilijk aan te geven of bovengenoemde maatregelen resultaten hebben opgeleverd.
Nederland heeft de Tijdelijk Zaakgelastigde ontboden en heeft Eritrea per note verbale duidelijk gemaakt dat het gebruik van afpersing en intimidatie bij belastinginning strijdig is met de Nederlandse wetgeving. Tevens is Eritrea gewezen op het huidige wapenembargo. Conform de toezegging in de eerdere Kamervragen heeft Nederland de kwestie in oktober jl. in EU-verband opgebracht. Hierbij is het belang benadrukt dat gelijke signalen worden afgegeven over onaanvaardbaarheid van afpersing rond belastingheffing en de mogelijke strijdigheid met het wapenembargo bij het innen van bijdragen voor de Eritrese defensiebegroting.
Bent u bereid om de politie te vragen om een onderzoek te starten naar vermeende gevallen van intimidatie, afpersing, bedreiging en dwang? Bent u bereid om slachtoffers, onder de garantie van anonimiteit, op te roepen om naar voren te treden en aangifte te doen?
Zoals reeds aangegeven in de antwoorden op eerdere vragen zijn politie en Openbaar Ministerie (OM) voor het vaststellen of misdrijven als afpersingen en soortgelijke delicten aan de orde zijn, in belangrijke mate afhankelijk van aangifte en melding door de slachtoffers. Zodra er aangifte is gedaan zal de politie onder leiding van het OM daar onderzoek naar doen. Binnen de kaders van het recht op een eerlijk proces bestaan er mogelijkheden om onder voorwaarden de identiteit van een melder, aangever of getuigen af te schermen. Dit is onder andere geregeld in de «Handleiding opnemen (deels) anonieme aangifte/verklaring» van het OM. Op voorhand kan dan ook geen garantie worden gegeven dat slachtoffers anoniem aangifte kunnen doen.
De onmogelijkheid van het aanvragen van een visum kort verblijf vanuit de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Nigeria |
|
Martijn van Dam (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere vragen van 28 juli jl. over het aanvragen van een Nederlands visum vanuit een andere ambassade of vertegenwoordiging dan de Nederlandse?1
Is het waar dat mensen die vanuit Nigeria een visum voor kort verblijf in Nederland willen aanvragen, dat sinds 1 april jl. moeten doen via de Franse vertegenwoordiging in Nigeria, zoals is vermeld op de website van de Nederlandse ambassade van Nigeria?2 Wat is hiervan de reden?
Wat is de grondslag van deze afspraak tussen Nederland en Frankrijk? Is deze afspraak schriftelijk vastgelegd? Klopt het dat deze slechts in de Franse taal is vastgelegd en niet in het Nederlands is opgemaakt? Wat is hiervan de reden? Bent u bereid deze afspraak in het Nederlands openbaar te maken?
Waarom acht u het noodzakelijk dat Frankrijk deze aanvragen afhandelt voor mensen die naar Nederland willen reizen, terwijl Nederland zelf twee diplomatieke vertegenwoordigingen in Nigeria heeft? Hoe verhoudt zich dat tot uw antwoord op de eerdere vragen, dat Schengenlanden elkaar kunnen vertegenwoordigen in de behandeling van visa-aanvragen, indien Nederland ter plaatse zelf geen diplomatieke vertegenwoordiging heeft?
Is het waar dat, indien de visumaanvraag wordt afgewezen, de aanvrager (die naar Nederland wil reizen) daartegen moet procederen in Frankrijk, in de Franse taal en in het Franse recht? Deelt u de mening dat dit zeer merkwaardig is en van deze aanvragers niet mag worden gevraagd? Deelt u de mening dat dit, naast een praktische en bureaucratische belemmering, een enorme juridische belemmering vormt om tegen een afwijzing te procederen en toegang te krijgen tot een rechtsmiddel? Hoe verhoudt zich dit tot artikel 6 van het EVRM, dat bepaalt dat mensen recht hebben op een eerlijk proces?
Bent u bereid aan deze praktijken per direct een einde te maken?
Klopt het dat, indien een aanvrager van een visum zich wendt tot de Nederlandse ambassade in Nigeria of tot het ministerie van Buitenlandse Zaken voor het indienen van bezwaar, hij te horen krijgt dat Nederland «niet bevoegd» is om te beslissen op de visumaanvragen en dat die bevoegdheid bij Frankrijk rust? Is het houdbaar dat Nederland zichzelf niet bevoegd acht om over Nederlandse visumaanvragen te beslissen? Worden de bezwaarschriften van deze aanvragers in het kader van de doorzendplicht, doorgestuurd naar de Franse autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt uw antwoord op eerdere vragen dat ,na een afgewezen aanvraag, er een nieuwe, beter onderbouwde aanvraag kan worden gedaan, zich tot het gegeven, dat Nederlandse advocaten van de Franse autoriteiten geen toegang krijgen tot het onderliggende dossier en dus geen enkel inzicht hebben in wat de precieze reden van de afwijzing is geweest?
Snapt u de suggestie dat deze werkwijze en praktijken er feitelijk toe leiden dat mensen vanuit Nigeria niet meer voor kort verblijf naar Nederland kunnen komen of daarbij op z’n minst een enorme hindernis moeten nemen? Acht u dit aanvaardbaar? Kunt u dit weerleggen?
Kunt u een totaaloverzicht geven van de landen waarin Nederland niet zelf de eigen visumaanvragen behandelt, hoe het alternatief is geregeld en wat de redenen ervoor zijn?
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?