Het voorstel van Eurocommissaris Brunner voor het verspreiden van asielzoekers over Europa |
|
Joost Eerdmans (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u het voorstel van Eurocommissaris Brunner ontvangen voor de herverdeling van asielzoekers in het kader van de implementatie van dat deel van het Asiel- en Migratiepact?
Ja
Kunt u deze cijfers en het voorstel voor van de Europese Commissie (desnoods geheim) delen met de leden van de Tweede Kamer?
Het stuk is op 26 november aan uw Kamer aangeboden ter vertrouwelijk inzage.
Kunt u tevens aangeven wat de inzet is van het kabinet ten aanzien van dit voorstel en dat op zo kort mogelijke termijn delen?
Uw Kamer heeft de appreciatie van het kabinet en de inzet ten aanzien van het voorstel ontvangen in de Geannoteerde Agenda voor de JBZ Raad van 7-8 december.
Klopt het dat Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië en Oostenrijk een korting of volledige vrijstelling krijgen, vanwege grote opvangproblemen, zoals de Telegraaf meldt?1
De Commissie heeft vastgesteld dat er sprake is van een significante migratiesituatie in Bulgarije, Tsjechië, Estland, Kroatië, Oostenrijk en Polen. Deze lidstaten kunnen conform de AMMR bij de Europese Commissie een verzoek doen voor (gehele of gedeeltelijke) vermindering van hun solidariteitsbijdrage, waarover vervolgens de Raad een besluit neemt.
Komt Nederland in aanmerking voor een korting dan wel volledige vrijstelling, en zo nee, waarom niet, gezien de grote opvangproblemen die ook ons land kent? Op grond van welke criteria en argumenten is dit bepaald – en op welke manier is het kabinet in staat geweest daar invloed op uit te oefenen?
Nederland is aangemerkt als een lidstaat waar sprake is van een risico op migratiedruk. Hiermee krijgt Nederland voorrang in de toegang tot de EU Migration Support Toolbox, waar onder andere aanspraak kan worden gemaakt op technische, operationele vanuit de Europese agentschappen en financiële steun.
Voorts heeft Nederland samen met andere lidstaten aandacht gevraagd voor de impact van secundaire migratie. De Commissie heeft daarop in het besluit tevens de mogelijkheid opgenomen om Dublinzaken die niet konden worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat mee te laten tellen voor de solidariteitsbijdrage als daar bilateraal toe wordt overeengekomen.
Welke gegevens heeft het kabinet verstrekt aan de Europese Commissie op basis waarvan die het besluit heeft genomen om ons land wel of geen korting of vrijstelling te geven?
De Commissie beoordeelt of er sprake is van migratiedruk, een risico van migratiedruk of een significante migratiesituatie aan de hand van de informatie zoals opgenomen in artikel 9 in de AMMR. Daarbij maakt de Commissie gebruik van de cijfermatige gegevens die reeds door de lidstaten met het Europees statistiekbureau Eurostat en de agentschappen worden gedeeld. De lidstaten hebben geen aanvullende cijfermatige gegevens hoeven verschaffen.
Kunt u aangeven hoe u de aangenomen motie van het lid Eerdmans (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2062) heeft uitgevoerd?
Zoals aangegeven in de Geannoteerde Agenda voor de JBZ raad van 7-8 december zal het kabinet solidariteit in de vorm van een financiële bijdrage toezeggen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat op 27 november 2025 over de JBZ-raad op 8 en 9 december 2025 en de gevraagde gegevens zo snel mogelijk ter inzake leggen (indien nodig geheim) zodat de leden van de commissie daar kennis van kunnen nemen voorafgaand aan het commissiedebat?
Ja.
Het bericht dat 10 procent van de gevangenen ongewenst vreemdeling is. |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijna 10% van alle gevangenen is vreemdeling zonder geldige verblijfsstatus: 800 gedetineerden kosten tonnen per dag»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat deze vreemdelingen wel eenvoudig ons land binnen kunnen komen, maar het u niet lukt om ze na criminele feiten ons land weer uit te zetten?
De terugkeer van veroordeelde vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS-ers) zonder rechtmatig verblijf heeft prioriteit in het vertrekbeleid. In 2023 zijn circa 840 VRIS-ers, die in de caseload van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) zaten, aantoonbaar vertrokken. In 2024 is dit aantal circa 960.2
VRIS-ers kunnen direct na het uitzitten van hun straf worden uitgezet of vertrekken soms tijdens het uitzitten van hun straf middels strafonderbreking of strafoverdracht. Bij strafonderbreking krijgen vreemdelingen de mogelijkheid om tijdens het uitzitten van hun straf te vertrekken uit Nederland. Aan strafonderbreking is als voorwaarde verbonden dat, wanneer zij opnieuw naar Nederland reizen, het restant van de straf moet worden uitgezeten. Bij strafoverdracht is er een verdrag met het land naar welke de vreemdeling wordt overgedragen en zit de vreemdeling zijn straf uit in dat land.
Evenals bij andere vertrekplichtige vreemdelingen kan het realiseren van vertrek van VRIS-ers complex zijn. Het kan moeilijk zijn om de identiteit en/of nationaliteit van vreemdelingen vast te stellen doordat zij geen geldige documenten hebben of weigeren deze prijs te geven. Daarnaast kan het land van herkomst weigeren de vreemdeling terug te nemen, vooral wanneer er onzekerheid is over de identiteit en/of nationaliteit of wanneer er geen diplomatieke samenwerking is tussen Nederland en het betreffende land van herkomst. Nederland mag voorts geen vreemdelingen uitzetten naar een land waar deze persoon risico loopt op ernstige schade. Ook juridische procedures, zoals herhaalde of opeenvolgende asielaanvragen kunnen de uitzetting vertragen of blokkeren.
Desalniettemin lukt het om VRIS-ers vaker aantoonbaar te laten vertrekken dan andere vreemdelingen uit de caseload van de DTenV. Dit komt voornamelijk doordat al tijdens de strafrechtelijke detentie aan het vertrek van VRIS-ers kan worden gewerkt.
Hoeveel criminele vreemdelingen met en zonder geldige verblijfsstatus die eigenlijk in de cel of een tbs-kliniek hadden moeten zitten lopen er vrij rond?
Alle tbs-passanten wachten in het gevangeniswezen op een plaatsing in een tbs-kliniek en lopen dus niet vrij rond, ongeacht de verblijfsstatus. Als gevolg van de capaciteitsproblematiek worden momenteel niet alle zelfmelders opgeroepen. Bij deze groep wordt niet de verblijfsstatus geregistreerd.
Wat is de exacte dagelijkse kostprijs per illegale gedetineerde, en wat is het totale bedrag dat deze 800 illegale gedetineerden de Nederlandse samenleving jaarlijks kosten? Graag een gedetailleerde berekening, inclusief gratis juridische bijstand, dagprogramma’s, medische zorg en alle overige uitgaven?
De kostprijs voor een reguliere plek binnen het gevangeniswezen is € 447,–.3
Een exacte doorvertaling naar jaarlijkse kosten is lastig te maken. Het aantal gedetineerde vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf heeft door het jaar heen geen vaste omvang. Ingeschat wordt dat de jaarlijkse kosten tussen de 125 tot 130 miljoen bedragen.4
Vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf die gedetineerd zijn na strafrechtelijke veroordeling hebben recht op gesubsidieerde rechtsbijstand. De kosten die voor deze groep worden gemaakt voor juridische bijstand kunnen niet uit de systemen van de Raad voor Rechtsbijstand worden gefilterd.
Hoeveel van deze 800 illegale gedetineerden komen uit islamitische landen, en hoeveel hebben een asielachtergrond? Wilt u dit exact uitsplitsen per land van herkomst en misdrijf?
Bij DJI is niet bekend hoeveel gedetineerden een asielachtergrond hebben. Er wordt niet geregistreerd of gedetineerden uit een islamitisch land komen. Daarom kan ik uw vraag niet beantwoorden.
Deelt u de mening dat het falende asiel- en migratiebeleid direct verantwoordelijk is voor deze oververtegenwoordiging van illegalen in onze gevangenissen? Bent u bereid om direct de grenzen te sluiten voor asielzoekers en immigranten uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij uw Kamer bekend, zet dit kabinet in op het beperken van migratie naar Nederland. De buitengrensprocedures uit het Asiel- en Migratiepact bieden hiertoe handvatten en het versterken van de Europese buitengrenzen is voor Nederland een belangrijke prioriteit. Het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen voor bepaalde doelgroepen, is echter geen realistische of wenselijke oplossing voor het complexe migratievraagstuk. Op grond van internationale verdragen en afspraken hebben alle asielzoekers recht op een eerlijke asielprocedure waarin wordt beoordeeld of zij wel of niet recht op bescherming en dus verblijfsrecht in Nederland dienen te krijgen. Als het gaat om reguliere migranten dan is er sprake van diverse criteria waar zij aan dienen te voldoen om toegang te krijgen tot Nederland. Vanzelfsprekend is elke vorm van overlast en criminaliteit volstrekt onacceptabel en zet ik samen met onder meer partijen uit de migratieketen, de politie, het Openbaar Ministerie en gemeenten in op een harde aanpak van VRIS-ers. Ook zet ik me in voor het intensiveren van terugkeer van vreemdelingen zonder verblijfsrecht. De terugkeer van VRIS-ers zonder rechtmatig verblijf heeft prioriteit in het vertrekbeleid.
Het bericht 'Het kabinet wil twee Afghaanse vrouwen terugsturen ondanks vrouwonvriendelijk bewind van de Taliban' |
|
Anne-Marijke Podt (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Het kabinet wil twee Afghaanse vrouwen terugsturen ondanks vrouwonvriendelijk bewind van de Taliban»?1
Ja
Bent u bekend met de recente verklaring van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties, waarin hij oproept om de gedwongen terugkeer van Afghaanse vluchtelingen en asielzoekers onmiddellijk stop te zetten en waarschuwt voor een mensenrechtencrisis waarin hij wijst op willekeurige arrestaties, bedreigingen van teruggekeerde Afghanen en de ernstige onderdrukking van vrouwen en meisjes, die vrijwel volledig zijn uitgesloten van onderwijs, werk en deelname aan het openbare leven?
Ja
Hoe beoordeelt u deze oproep in relatie tot het Nederlandse beleid om Afghaanse vrouwen uit te zetten naar Afghanistan?
De fragiele mensenrechtensituatie in Afghanistan is zorgvuldig meegewogen bij de totstandkoming van het door het Ministerie van Asiel en Migratie vastgestelde landgebonden asielbeleid voor Afghanistan en wordt ook bij de individuele beoordeling door de IND steeds meegenomen. Overigens is er op dit moment feitelijk geen sprake van gedwongen terugkeer vanuit Nederland naar Afghanistan.
Deelt u de mening dat het feit dat iemand «niet verwesterd» is, geenszins betekent dat diegene geen gevaar loopt of niet het recht heeft om bescherming te vragen tegen onderdrukking of geweld tegen vrouwen?
In de Vreemdelingencirculaire (paragraaf C7.2) is opgenomen dat een Afghaanse vrouw in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel als zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich niet kan conformeren aan de door de Taliban opgelegde normen en leefregels en door het niet naleven van deze opgelegde normen en leefregels het risico loopt op (ernstige daden van) vervolging. In diezelfde paragraaf van de Vreemdelingencirculaire is opgenomen dat de IND daarnaast beoordeelt in hoeverre de vrouw door de Taliban opgelegde normen en leefregels dermate ernstig in haar mogelijkheden tot ontplooiing en sociale en maatschappelijke deelname wordt beperkt en welke impact dit zal hebben op haar. Bij een voldoende ingrijpende impact zal dit aanleiding geven voor een verblijfsvergunning asiel. Dat zal in het overgrote deel van de gevallen zo zijn. Verwesterd zijn is daarbij zeker geen voorwaarde. Wel kunnen verklaringen over het dagelijks leven van een asielzoeker voorafgaand aan het vertrek bij deze beoordeling een rol spelen.
Met inachtneming van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie betekent dit in de huidige beslispraktijk dat op basis van hetgeen een Afghaanse vrouw in de asielprocedure naar voren brengt wordt onderzocht of en, zo nodig, in welke mate zij stelt en aannemelijk maakt te zijn of zullen worden getroffen door de discriminerende maatregelen ten aanzien van vrouwen in Afghanistan. Als zij stelt en aannemelijk maakt door deze discriminerende maatregelen te zijn of te zullen worden getroffen, wordt in de regel een verblijfsvergunning verleend. In de praktijk is dat al snel het geval, maar dat betekent niet dat het individuele relaas er als het ware niet meer toe doet. Een Afghaanse vrouw zal tenminste naar voren moeten brengen en aannemelijk moeten maken dat zij vanwege de huidige discriminerende maatregelen niet naar Afghanistan kan en wil terugkeren.
Op welke wijze waarborgt de IND dat vrouwen die tegen hun wil naar Afghanistan worden teruggestuurd, daar veilig kunnen terugkeren?
Die waarborg is erin gelegen dat er steeds een zorgvuldige individuele beoordeling plaatsvindt tegen de achtergrond van de zorgelijke mensenrechtensituatie in Afghanistan, zoals hiervoor uiteengezet.
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is om enerzijds Afghanistan internationaal ter verantwoording te roepen voor de schending van vrouwenrechten, maar anderzijds Afghaanse vrouwen vanuit Nederland terug te sturen naar datzelfde regime dat structureel alle vormen van vrijheid en veiligheid ontneemt?
Op 25 september 2024 heeft Nederland – samen met Australië, Canada en Duitsland – Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Met de aansprakelijkstelling zet Nederland zich samen met de genoemde staten in om naleving van internationale verplichtingen onder het Vrouwenverdrag door Afghanistan af te dwingen en toekomstige schendingen te voorkomen. Deze schendingen moeten stoppen. Afghaanse vrouwen en meisjes moeten aanspraak kunnen maken op de rechten onder het Vrouwenverdrag. In het bijzonder moet het recht op onderwijs voor Afghaanse vrouwen en meisjes worden gerespecteerd en gegarandeerd. Als eerste noodzakelijke stap bij een dergelijke aansprakelijkstelling is Afghanistan uitgenodigd om in onderhandeling te treden. Momenteel is Nederland, samen met Australië, Canada en Duitsland, bezig met de organisatie van deze onderhandelingen. Over dit proces [en vragen gerelateerd aan deze internationaal-juridische procedure] kan het kabinet, in het belang van de aansprakelijkstelling, geen verdere uitspraken doen. Voor het huidige asielbeleid voor vrouwen in Afghanistan verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid het besluit in deze zaak te heroverwegen, gelet op de uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het oordeel van de IND is verworpen?
Zoals uw Kamer bekend ga ik niet in op individuele zaken. Op dit moment bestaat er geen aanleiding het landgebonden asielbeleid te wijzigen. Op korte termijn zal een nieuw ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden gepubliceerd.
Het bericht 'Beleid asiel en werk op de schop' |
|
Bente Becker (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Beleid asiel en werk op de schop»?1
Ja.
Kunt u de Kamer zo snel mogelijk het voorstel toezenden dat aan het artikel ten grondslag ligt?
De voorstellen zijn op 3 november jl. gepubliceerd voor internetconsultatie.2 De internetconsultatie ziet op de wijziging van zowel het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (BuWav 2022) als van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (RuWav 2022). De internetconsultatie liep tot en met 30 november 2025. Na het verwerken van de reacties op de internetconsultatie en de uitvoerings- en handhavingstoetsen zal het kabinet de voorstellen aan uw Kamer en aan de Eerste Kamer toezenden in het kader van de voorhangprocedure. Het kabinet verwacht uw Kamer de stukken begin 2026 toe te zenden.
Kunt u de Kamer de wet-en regelgeving toezenden waarop gebaseerd is dat lidstaten verplicht zijn asielzoekers volledig toegang te geven tot de arbeidsmarkt, in plaats van de 24 weken die Nederland tot voor kort hanteerde?
In de huidige Opvangrichtlijn3 is opgenomen dat lidstaten ervoor moeten zorgen dat asielzoekers na uiterlijk negen maanden toegang moeten hebben tot de arbeidsmarkt. Op 29 november 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) uitspraak gedaan over de 24-weken-eis.4 De Afdeling bestuursrechtspraak is tot het oordeel gekomen dat de 24-weken-eis in strijd is met de huidige Opvangrichtlijn en dat de 24-weken-eis daarom onverbindend is. Het UWV past sindsdien niet langer de 24-weken-eis toe bij aanvragen om een tewerkstellingsvergunning ten behoeve van asielzoekers. In de uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak aangegeven dat de 24-weken-eis afbreuk doet aan het doel en nuttig effect van de Europese Opvangrichtlijn. Gelet op deze uitspraak kan de 24-weken-eis niet langer meer worden toegepast.
De herziene Opvangrichtlijn5 bevat normen voor de opvang en bijbehorende voorzieningen die lidstaten aan asielzoekers moeten bieden. Het recht van asielzoekers op toegang tot de arbeidsmarkt volgt uit artikel 17 van deze richtlijn. Lidstaten moeten ervoor zorgen dat asielzoekers uiterlijk zes maanden na de registratie van het asielverzoek toegang hebben tot de arbeidsmarkt. In artikel 17, tweede lid, en de overwegingen van de richtlijn is expliciet opgenomen dat er sprake moet zijn van daadwerkelijke c.q. effectieve toegang tot de arbeidsmarkt.6 De Raad van State heeft geoordeeld dat de 24-weken-eis niet voldoet aan de norm van effectieve toegang en dat een dergelijke eis daarom in strijd is met de Opvangrichtlijn.7 Aangezien de herziene Opvangrichtlijn ook voorschrijft dat er sprake moet zijn van effectieve toegang, zou het stellen van de 24-weken-eis ook in strijd zijn met deze richtlijn.
Bent u het ermee eens dat de motie Becker-Flach2 volledig moet worden uitgevoerd, te weten dat alle asielzoekers waarbij het niet waarschijnlijk is dat hun aanvraag wordt ingewilligd, bijvoorbeeld omdat ze uit een veilig land komen, maar ook wanneer er gronden zijn aan te nemen dat ze een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of zij Dublin claimant zijn, de toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt volledig moet worden ontzegd? Zo ja, doet u dat ook met dit voorstel, of gaat uw voorstel alleen over veilige landers?
Ja, dit wordt met de implementatie van de herziene Opvangrichtlijn uitgevoerd, binnen de kaders van het Migratiepact. Gelet op de gevolgen voor de uitvoering zullen de nieuwe regels voor werk gelijktijdig in werking treden met het moment waarop het Migratiepact van toepassing wordt. Daarmee streven wij naar een inwerkingtreding op 12 juni 2026. In de motie Becker-Flach9 is de regering verzocht te regelen dat voor asielzoekers voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd, bijvoorbeeld omdat ze uit een veilig land komen, er gronden zijn om aan te nemen dat ze een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of zij Dublinclaimant zijn, de toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt te ontzeggen.
Met de nieuwe regels uit het Migratiepact worden asielaanvragen van een aantal groepen asielzoekers versneld behandeld.10 Onder de versnelde behandelingsprocedure vallen groepen asielzoekers voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd. Een aantal categorieën binnen deze procedure worden uitgesloten van de toegang tot de arbeidsmarkt. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de motie-Becker-Flach. Het gaat om groepen asielzoekers voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd, omdat:
Deze groepen asielzoekers met een asielaanvraag binnen de versnelde behandelingsprocedure hebben geen toegang tot de arbeidsmarkt. Dit is alleen anders indien de IND besluit dat de feitelijke of juridische elementen te complex zijn om binnen de versnelde behandelingsprocedure te onderzoeken. Een ander deel van de asielzoekers met een aanvraag die valt onder de versnelde behandelingsprocedure moet wel toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Dit betreft dan bijvoorbeeld de categorie asielzoekers afkomstig uit een land met een inwilligingspercentage van gemiddeld lager dan 20%.
De uitsluiting van de toegang tot de arbeidsmarkt geldt ook voor Dublinclaimanten die een overdrachtsbesluit hebben gekregen.
In het wetsvoorstel voor de Uitvoerings- en implementatiewet voor het Asiel- en migratiepact 2026 is ten behoeve hiervan ook een wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen opgenomen. Met deze wijziging zijn een nieuwe weigeringsgrond en een intrekkingsgrond opgenomen voor tewerkstellingsvergunningaanvragen. Hiermee moeten aanvragen voor een tewerkstellingsvergunning voor een asielzoeker voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt is uitgesloten, zoals ook opgenomen in de motie, worden geweigerd. Daarnaast moet een reeds verleende tewerkstellingsvergunning worden ingetrokken indien de asielzoeker onder een categorie komt te vallen voor wie geen toegang tot de arbeidsmarkt is, maar ten behoeve van wie eerder al een tewerkstellingsvergunning is verstrekt. De tewerkstellingsvergunning van de werkgever zal in dat geval worden ingetrokken.
Bent u alsnog bereid uw voorstel volledig in overeenstemming te brengen met de aangenomen motie? Zo ja, op welke termijn, zo nee waarom niet?
Ja, zie de reactie op vraag 4. De voorgestelde wijzigingen sluiten aan bij het motie, waarin we de toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt ontzeggen voor asielzoekers met een lagere kans op inwilliging van hun asielverzoek, bijvoorbeeld omdat zij uit een veilig land van herkomst komen, er gronden zijn om aan te nemen dat ze een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of openbare orde, of omdat er een overdrachtsbesluit is genomen, omdat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Is het juist dat lidstaten conform het Europese migratiepact de ruimte hebben om voor alle andere asielzoekers de wachttermijn waarna sprake is van toegang tot de arbeidsmarkt, te houden op zes maanden? Zo ja, waarom kiest u er voor in uw voorstel dit als Nederland sneller te doen, namelijk al na drie maanden?
Op grond van de huidige regels moeten lidstaten ervoor zorgen dat asielzoekers binnen uiterlijk negen maanden mogen werken. In Nederland mogen asielzoekers op dit moment werken nadat hun asielaanvraag zes maanden in procedure is.
Op grond van de herziene Opvangrichtlijn moeten lidstaten aan asielzoekers, indien de toegang niet is uitgesloten, uiterlijk binnen zes maanden nadat de asielaanvraag is geregistreerd toegang geven tot de arbeidsmarkt. In de overwegingen bij de herziene Opvangrichtlijn is opgenomen dat lidstaten worden aangemoedigd om asielzoekers eerder te laten werken als hun asielverzoek waarschijnlijk gegrond is, teneinde de integratievooruitzichten en de zelfstandigheid van asielzoekers te vergroten. Met deze wijziging kunnen asielzoekers eerder gedurende de asielprocedure werken, wat onder meer bijdraagt aan het verkrijgen van meer (financiële) zelfstandigheid, en het leren van de Nederlandse taal. Daarnaast dragen asielzoekers met een inkomen financieel bij aan de eigen opvang. Verder kan het ook bijdragen aan een hogere arbeidsparticipatie voor statushouders, als zij al gedurende het asielproces hebben kunnen werken. Ook in het regeerprogramma is opgenomen dat het kabinet asielzoekers van wie de kans groot is dat zij een asielvergunning krijgen wil stimuleren om deel te nemen aan de arbeidsmarkt en belemmeringen daartoe wil wegnemen.
Het kabinet heeft om deze redenen gekozen in het voorstel op te nemen een wachttermijn van drie maanden te hanteren. Dit geldt dan voor asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten. Een aantal categorieën asielzoekers voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd mogen namelijk onder deze nieuwe regels niet meer werken. Dit gaat dan onder andere om asielzoekers afkomstig uit veilige landen van herkomst. Dit voorstel is voorgelegd aan onder andere de Nederlandse Arbeidsinspectie, het UWV, de ATR en uitgezet voor internetconsultatie. Alle ingekomen reacties en adviezen zullen door het kabinet worden bestudeerd. Op basis hiervan beziet het kabinet of aanpassing van de voorgestelde wijzigingen nodig is. Het voorstel zal daarna aan uw Kamer worden toegestuurd.
Bij een nog kortere periode zou de uitvoerbaarheid onder druk komen te staan. Een termijn van drie maanden sluit daarnaast goed aan op de duur van de versnelde behandelingsprocedure. Onder de versnelde behandelingsprocedure vallen groepen asielzoekers voor wie het niet waarschijnlijk is dat hun asielaanvraag wordt ingewilligd. Een aantal categorieën binnen deze procedure zijn uitgesloten van de toegang tot de arbeidsmarkt (zie de reactie op vraag 4). Een ander deel moet wel toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Dit betreft dan bijvoorbeeld de categorie asielzoekers afkomstig uit een land met een inwilligingspercentage van gemiddeld lager dan 20%. De beslistermijn voor een beslissing op het asielverzoek binnen deze procedure betreft ten hoogste drie maanden. Bij een wachttermijn van drie maanden hebben asielzoekers die onder deze categorie vallen en die binnen drie maanden een beslissing krijgen op hun asielverzoek geen toegang tot de arbeidsmarkt.
Kunt u een overzicht verstrekken van de termijnen die alle andere lidstaten gaan hanteren in nationale wetgeving?
Op dit moment hanteren verschillende lidstaten een kortere wachttermijn dan zes maanden. Zweden kent geen wachttermijn. Cyprus hanteert een wachttermijn van één maand en Italië twee maanden. Bulgarije, Duitsland, Letland, Oostenrijk, Kroatië en Finland (met reisdocument) hanteren momenteel een wachttermijn van drie maanden. In België geldt dat asielzoekers vier maanden na het indienen van een asielaanvraag toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. In Duitsland is het moment waarop een asielzoeker toegang tot de arbeidsmarkt krijgt afhankelijk van of er wel of geen verplichting tot verblijf in het eerste opvangcentrum voor de asielzoeker in kwestie bestaat. De meeste asielzoekers mogen daar na drie maanden werken. In Frankrijk kunnen werkgevers een werkvergunning aanvragen ten behoeve van asielzoekers indien na zes maanden nog geen beslissing over de asielaanvraag is genomen.
Aangezien in meerdere lidstaten het nationale besluitvormingsproces nog niet is afgerond is het op dit moment niet mogelijk het volledige overzicht in kaart te brengen van de verschillende wachttermijnen die lidstaten willen hanteren. Via het Europees Migratie Netwerk (EMN) is uitgevraagd welke wachttermijn lidstaten voornemens zijn te hanteren na implementatie van de herziene Opvangrichtlijn. Op deze uitvraag hebben 12 lidstaten gereageerd. Deze lidstaten zijn van plan de volgende wachttermijnen te hanteren: Griekenland: geen wachttermijn; Kroatië, Letland en Oostenrijk: 3 maanden; België en Luxemburg: 4 maanden; Litouwen, Tsjechië en Zweden: 6 maanden. Bulgarije, Hongarije en Spanje: nog geen besluit genomen.
Bent u het ermee eens dat voorkomen moet worden dat door een beperking van de wachttermijn in Nederland, wij aantrekkelijker worden dan de ons omringende landen om asiel aan te vragen, omdat men in Nederland sneller de arbeidsmarkt op zou mogen, ook al heeft men nog geen status?
Het kabinet is het er mee eens dat voorkomen moet worden dat het aantrekkelijker wordt om asiel aan te vragen in Nederland dan in de ons omringende landen. Het is echter mede gelet op het feit dat categorieën asielzoekers binnen de versnelde procedure geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt gedurende de procedure, niet aannemelijk dat het verlagen van de wachttermijn naar drie maanden Nederland aantrekkelijker maakt dan ons omringende landen. Op dit moment gelden in verschillende omringende lidstaten reeds lagere wachttermijnen dan in Nederland (zie het antwoord op vraag 7).
Bent u bereid om de wachttermijn voor Nederland op zes maanden te houden, zolang de instroomcijfers in Nederland nog niet onder controle zijn, om ieder risico van aanzuigende werking te voorkomen?
Vanwege de voordelen van een vroege deelname van asielzoekers en statushouders aan de arbeidsmarkt, en het feit dat bepaalde groepen asielzoekers in het geheel zullen worden uitgesloten van toegang tot de arbeidsmarkt, heeft het kabinet voorgesteld om de wachttermijn te verkorten bij de implementatie van de herziene Opvangrichtlijn. De reacties uit de internetconsulatie zullen we bestuderen en op basis daarvan zullen we bezien of een aanpassing van de voorgestelde wijzigingen nodig is. Tegelijkertijd blijft het kabinet zich onverminderd inspannen voor het terugdringen van de instroomcijfers, in lijn met het Asiel- en Migratiepact.
Bent u bereid om een extra inspanning te plegen om het grote aantal statushouders in AZC’s dat volledig de arbeidsmarkt op mag, maar nog veel te vaak niet werkt, meer te stimuleren aan de slag te gaan?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zoveel mogelijk statushouders, ook als zij nog in een azc verblijven, aan het werk gaan. Door asielzoekers te stimuleren al aan het werk te gaan gedurende de asielprocedure kan dit een positieve invloed hebben op de arbeidsparticipatie wanneer zij een asielvergunning hebben gekregen. Daarnaast leveren zowel asielzoekers als statushouders die een inkomen hebben en in een opvanglocatie van het COA verblijven een financiële bijdrage aan de kosten voor de opvang.
Er wordt onderzocht of en op welke manier de begeleiding naar werk van asielzoekers voor wie de toegang tot de arbeidsmarkt niet is uitgesloten kan bijdragen aan het vergroten van het aandeel statushouders dat aan het werk gaat. Het opzetten van de ondersteuning naar werk heeft echter financiële en juridische consequenties. Ook is het belangrijk te bepalen wat voor soort ondersteuning de meeste meerwaarde heeft. Wat mij betreft gaat het daarbij niet alleen om het vergroten van de arbeidsdeelname van asielzoekers maar ook om het vergroten van de kans op duurzaam werk als ze een verblijfsvergunning krijgen en in Nederland mogen blijven. De Staatssecretaris van Participatie en Integratie (SP&I) heeft daarom extra budget beschikbaar gesteld om een aantal pilots te ondersteunen en op basis van deze ervaringen (en andere ervaringen, pilots en onderzoeken) uit te werken hoe de ondersteuning naar werk voor een snelle start op de arbeidsmarkt van asielzoekers eruit moet zien. Werk is de basis van inkomen.
Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten op de acties en maatregelen opgenomen in de Actieagenda Integratie en Open en Vrije Samenleving die door SP&I naar de Tweede Kamer is verzonden. Eén van de pijlers opgenomen in de Actieagenda betreft «Nieuwkomers aan het werk». Hierin zijn acties en maatregelen opgenomen die erop zijn gericht om de arbeidsparticipatie van statushouders te verhogen, zoals de Startbanen en een subsidieregeling om werkgevers te ondersteunen om statushouders duurzaam in dienst te nemen.
Bent u bereid om het leren van Nederlands, het doen van vrijwilligerswerk en het orienteren via de meedoenbalies op COA locaties beter te stroomlijnen zodat asielzoekers die nog wachten voor zij volledig de arbeidsmarkt op mogen, hun tijd nuttig kunnen besteden?
Het kabinet onderschrijft het belang van meedoen vanaf dag één en tijdig starten met het leren van de taal. De Wet inburgering 2021, waar SP&I verantwoordelijk voor is, richt zich op asielstatushouders. Vanuit inburgeringsperspectief is het wel van belang dat asielzoekers zo vroeg mogelijk starten met het leren van de taal en meedoen in de Nederlandse maatschappij. Daarom biedt SP&I een deel van de asielzoekers met een hogere kans op inwilliging van hun asielverzoek de mogelijkheid om de taal te leren via de subsidie Vroege Integratie en Participatie (VrIP). Vanuit de subsidie VrIP worden ook de Meedoenbalies op 38 COA locaties gefinancierd. Het taalaanbod voor asielzoekers behoort niet tot de verantwoordelijkheid van SP&I. De Minister van Asiel & Migratie beziet op dit moment in hoeverre artikel 18 van de Herziene Opvangrichtlijn een grond vormt om het huidige taalaanbod voor asielzoekers uit te breiden. Hierover wordt uw Kamer op een later moment geïnformeerd.
Bent u bereid te monitoren of sprake is van rechtszaken bij afwijzing van een asielverzoek waarbij asielzoekers zich beroepen op hun opgedane arbeidsverleden van meer dan 24 weken per jaar in Nederland om een band aan te tonen en dus uitzetting niet aan de orde zou mogen zijn?
Specifieke beroepsgronden, waaronder met Nederland opgebouwde banden, worden niet afzonderlijk in de systemen van de IND of de rechtbank neergelegd. Hierdoor kunnen deze zaken niet gemonitord worden. Dit zijn ook geen omstandigheden waarmee, op grond van artikel 5 Terugkeerrichtlijn, bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening gehouden moet worden. Daarbij heeft de Uniewetgever nadrukkelijk bepaald dat het verrichten van werk (en de daarmee gepaarde gaande gelijke behandeling) geen verblijfsrecht met zich brengt.11
Bent u bereid deze vragen één voor één en binnen een maand te beantwoorden?
Ja.
Geweld en intimidatie jegens christelijke asielzoekers in azc in Goes |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Syrische christen in azc bang na bedreiging door moslims: «Hij zat bevend en trillend bij me»» in het Reformatorisch Dagblad van 30 oktober jl. en het bericht «Christelijk gezin in azc van Goes voelt zich niet veilig» in BN de Stem van 30 oktober jl.?1, 2
Ja.
Hoe reageert u op de berichten dat christelijke asielzoekers worden geïntimideerd in een asielzoekerscentrum in Goes door islamitische asielzoekers?
Discriminatie en geweld tegen asielzoekers is te allen tijde onacceptabel. Dat geldt ook als dit gericht is tegen de christelijke achtergrond van iemand. Tegen incidenten moet krachtig worden opgetreden en dat doet het COA ook. Het COA herkent op de locatie in Goes geen structurele, georganiseerde incidenten jegens christelijke asielzoekers. En als die er wel zijn, nemen het COA en ik die zeer serieus.
Welke (aanvullende) maatregelen zijn genomen of worden genomen naar aanleiding van deze berichten in dit concrete geval, aangezien er nog altijd sprake is van dreiging van geweld en intimidatie en u in beantwoording van eerdere schriftelijke vragen hebt aangegeven het standpunt te delen dat discriminatie en geweld tegen christelijke asielzoekers onacceptabel is en dat hier krachtig tegen moet worden opgetreden?3
Recent heb ik uw Kamer toegelicht welke maatregelen ik neem naar aanleiding van signalen over agressie en geweld tegen specifieke groepen in de opvang, waaronder christelijke asielzoekers.4 Uitgangspunt is dat asielzoekers zich (sociaal) veilig moeten weten op de COA-locatie. Het COA is religieus en politiek neutraal en zet zich maximaal in voor veilige opvang voor iedereen. Als bewoners huisregels overtreden, zoals het discrimineren van medebewoners, kan het COA volgens het COA maatregelenbeleid, een passende maatregel opleggen. Slachtoffers van discriminatie maken zelf de keuze of zij aangifte of melding doen bij de politie (bij vermoedelijk strafbare feiten) en/of een melding maken bij het meldpunt discriminatie. Hoewel slachtoffers niet kan worden verplicht om aangifte te doen, stimuleert en ondersteunt COA slachtoffers zoveel als mogelijk om wel aangifte te doen, of doet het COA zelf aangifte.
Hoe wilt u stimuleren dat geïntimideerde asielzoekers geweld en intimidatie melden bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en aangifte daarvan doen, gelet op de vrees dat een klacht negatieve gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de asielprocedure? Bent u bereid hierover met COA in gesprek te gaan? Bent u daarbij bereid de mogelijke drempels die hiervoor worden ervaren door betreffende asielzoekers in kaart te brengen en weg te nemen?
Bewoners die slachtoffer worden van een strafbaar feit worden door COA-medewerkers met toegankelijke informatie gewezen op de mogelijkheid om aangifte te doen. Het COA stimuleert het doen van aangifte als mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Als een bewoner aangeeft dat hij geen aangifte durft te doen, zal het COA in voorkomende gevallen ook zelf aangifte doen of melding maken. Dit onderwerp heeft onze permanente aandacht in de contacten met het COA
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de oplossing wordt gezocht in het verwijderen van geïntimideerde asielzoekers in plaats van het verwijderen van de desbetreffende overlastplegers?
U verwijst in dit verband naar de beslissing van het COA om een bewoner na incidenten op locatie over te plaatsen naar een andere COA-locatie. Vooropgesteld: uitgangspunt is altijd dat het gedrag van de dader genormeerd wordt. Daartoe voert het COA het maatregelenbeleid uit. Waar nodig neemt het COA contact op met politie zodat ook strafrechtelijke opvolging kan plaatsvinden.
Tegelijkertijd is het COA er alles aan gelegen om de (sociale) veiligheid van haar bewoners te waarborgen. Dat kan een reden zijn om personen die zich schuldig maken aan agressie of geweld, (tijdelijk) te verplaatsen naar een andere COA-locatie of een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
In sommige situaties kan het COA na overleg met en op verzoek van het slachtoffer overgaan tot overplaatsing van het slachtoffer.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een christelijke azc-bewoner wordt verplicht te accepteren een kamer te delen met islamitische asielzoekers, terwijl hij zich onveilig voelt?
Het COA maakt in het plaatsingsbeleid geen onderscheid op basis van religie. In de praktijk komt het dus voor dat asielzoekers met een verschillende religieuze achtergrond een wooneenheid delen. Dat laat onverlet dat het COA op basis van signalen passende maatregelen neemt. Het COA erkent dat het risico op een kwetsbare positie voor een aantal groepen in de opvang groter is, waaronder religieuze minderheden en bekeerlingen. COA-medewerkers zijn getraind om de bewoner goed in beeld hebben, waarbij eventuele kwetsbaarheid aan bod komt. Als een bewoner zich (sociaal) onveilig voelt in zijn eigen wooneenheid, kan het COA verschillende acties ondernemen. Denk bijvoorbeeld aan het intensiveren van de begeleiding of een kamerwissel.
Hoe beoordeelt u de toename van discriminatie, bedreiging, intimidatie of geweld jegens christelijke asielzoekers, zoals blijkt uit het toegenomen aantal meldingen bij het meldpunt van stichting Gave?
Ik verwijs in dit verband naar mijn recente beantwoording hierover.5
Bent u bereid zich in te spannen voor een convenant om de positie en het welzijn van christelijke bewoners in de opvang te verbeteren, vergelijkbaar met het recent vernieuwde convenant voor lhbti-asielzoekers?
Zonder me op dit punt te willen committeren aan de vorm van een convenant, ben ik uiteraard bereid om mij in te blijven spannen om in de samenwerking met betrokken partners signalen over onveiligheid van christelijke asielzoekers te bespreken. Het COA heeft (periodiek) contact met organisaties die expertise hebben op dit thema, zoals Stichting Gave. Het COA blijft met hen in gesprek en neemt signalen serieus.
Bent u bereid in het toegezegde onderzoek naar aanscherping van de glijdende schaal tevens te bezien of en hoe de asielaanvraag kan worden afgewezen bij intimidatie en geweld door asielzoekers of zwaarder negatief kan worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag, zodat hij of zij (eerder) in aanmerking komt voor afwijzing?
De criteria voor intrekking of afwijzing van een asielvergunning volgen uit de kwalificatierichtlijn. Dit kan dus niet worden aangescherpt door middel van een nationale maatregel als de glijdende schaal en dit maakt daarom ook geen onderdeel uit van het onderzoek. Veroordelingen voor ernstige misdrijven, kunnen leiden tot intrekking of afwijzing.
Het bericht 'Kabinet stuurt vrouwen terug naar Taliban in Afghanistan' |
|
Marieke Koekkoek (D66), Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kabinet stuurt vrouwen terug naar Taliban in Afghanistan»?1
Ja.
Onderschrijft u het oordeel van het Europese Hof van Justitie dat de leefregels van de Taliban een dermate grote opeenstapeling van discriminatie jegens vrouwen behelzen dat deze de facto kan worden gezien als vervolging van vrouwen, zoals genoemd in bovenstaand artikel?
Het Europese Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het samenstel van discriminerende maatregelen ten aanzien van vrouwen in Afghanistan onder het begrip «daad van vervolging» valt wanneer deze maatregelen, door hun cumulatieve effect, afbreuk doen aan de eerbiediging van de menselijke waardigheid.2 Dat betekent echter niet dat aan iedere Afghaanse vrouw, ongeacht de reden waarom zij om bescherming verzoekt, een verblijfsvergunning asiel móet worden verleend. Er kan nog steeds een individuele beoordeling plaatsvinden.
Bent u van mening dat vrouwen disproportioneel meer gevaar lopen in Afghanistan dan mannen?
Uit de landeninformatie over Afghanistan blijkt dat het niet houden aan de normen en leefregels van de Taliban voor vrouwen en meisjes ernstige consequenties kan hebben waardoor zij extra gevaar kunnen lopen.
Waarom heeft u besloten om samen met Australië, Canada en Duitsland juridische stappen te ondernemen tegen Afghanistan voor het niet nakomen van de verplichtingen onder het Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen?
Op 25 september 2024 heeft Nederland – samen met Australië, Canada en Duitsland – Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Met de aansprakelijkstelling zet Nederland zich samen met de genoemde staten in om naleving van internationale verplichtingen onder het Vrouwenverdrag door Afghanistan af te dwingen en toekomstige schendingen te voorkomen. Deze schendingen moeten stoppen. Afghaanse vrouwen en meisjes moeten aanspraak kunnen maken op de rechten onder het Vrouwenverdrag. In het bijzonder moet het recht op onderwijs voor Afghaanse vrouwen en meisjes worden gerespecteerd en gegarandeerd.
Als eerste noodzakelijke stap bij een dergelijke aansprakelijkstelling is Afghanistan uitgenodigd om in onderhandeling te treden. Momenteel is Nederland, samen met Australië, Canada en Duitsland, bezig met de organisatie van deze onderhandelingen. Over dit proces [en vragen gerelateerd aan deze internationaal-juridische procedure] kan het kabinet, in het belang van de aansprakelijkstelling, geen verdere uitspraken doen. Voor het huidige asielbeleid voor Afghaanse vrouwen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 8.
Hoe rijmt u het besluit om vrouwen terug te sturen naar Afghanistan met het aansprakelijk stellen van Afghanistan voor het niet-nakomen van zijn verplichtingen onder het Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (Vrouwenverdrag)?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u zich bewust van het feit dat de Dienst Terugkeer en Vertrek aangeeft dat gedwongen terugkeer niet mogelijk is met betrekking tot Afghanistan?
Ja.
Zo ja, hoe valt dit feit te rijmen met de voorgenomen uitzetting van meerdere vrouwen naar Afghanistan?
Voor personen van wie de asielaanvraag is afgewezen geldt dat zij in beginsel Nederland zelfstandig dienen te verlaten, eventueel met ondersteuning van de Nederlandse overheid. Wanneer personen niet zelfstandig terugkeren kan gedwongen vertrek aan de orde zijn. Of ook daadwerkelijk kan worden overgegaan tot gedwongen vertrek hangt onder andere af van de samenwerking met de landen van herkomst. Gedwongen terugkeer naar Afghanistan is momenteel niet mogelijk.
Op basis van welke maatstaven oordeelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) of vrouwen al dan niet zouden passen in de samenleving waar zij volgens de IND naartoe teruggestuurd zouden moeten worden?
In de Vreemdelingencirculaire (paragraaf C7.2) is opgenomen dat een Afghaanse vrouw in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel als zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich niet kan conformeren aan de door de Taliban opgelegde normen en leefregels en door het niet naleven van deze opgelegde normen en leefregels het risico loopt op (ernstige daden van) vervolging. In diezelfde paragraaf van de Vreemdelingencirculaire is opgenomen dat de IND daarnaast beoordeelt in hoeverre de vrouw door de Taliban opgelegde normen en leefregels dermate ernstig in haar mogelijkheden tot ontplooiing en sociale en maatschappelijke deelname wordt beperkt en welke impact dit zal hebben op haar. Bij een voldoende ingrijpende impact zal dit aanleiding geven voor een verblijfsvergunning asiel.
Met inachtneming van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie betekent dit in de huidige beslispraktijk dat op basis van hetgeen een Afghaanse vrouw in de asielprocedure naar voren brengt wordt onderzocht of en, zo nodig, in welke mate zij stelt en aannemelijk maakt te zijn of zullen worden getroffen door de discriminerende maatregelen ten aanzien van vrouwen in Afghanistan. Als zij stelt en aannemelijk maakt door deze discriminerende maatregelen te zijn of te zullen worden getroffen, wordt in de regel een verblijfsvergunning verleend. In de praktijk is dat al snel het geval, maar dat betekent niet dat het individuele relaas er als het ware niet meer toe doet. Een Afghaanse vrouw zal tenminste naar voren moeten brengen en aannemelijk moeten maken dat zij vanwege de huidige discriminerende maatregelen niet naar Afghanistan kan en wil terugkeren.
Bent u op de hoogte van het feit dat vrouwen en meisjes die terugkeren na een verblijf in een westers land als «verwesterd» gezien kunnen worden en dat zij daardoor gevaar lopen?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vraag 3 komt uit de huidige landeninformatie over Afghanistan naar voren dat de positie van vrouwen en meisjes in Afghanistan door de normen en leefregels van de Taliban ernstig onder druk staat. Het niet leven volgens deze normen en leefregels kan voor vrouwen en meisjes gevolgen hebben. Het enkele feit dat vrouwen en meisjes in het westen hebben verbleven betekent echter niet dat zij per definitie bij terugkeer gevaar lopen; dit blijft steeds onderwerp van individuele toetsing.
Nederland voelt zich zeer verbonden met het lot van de Afghaanse vrouwen en meisjes en blijft de Taliban oproepen om mensenrechten, en de rechten van vrouwen en meisjes in het bijzonder, te respecteren, in overeenstemming met internationale verdragsverplichtingen.
Bent u zich ervan bewust dat de rechtbank in Den Haag heeft geoordeeld dat de IND de Afghaanse vrouw van 79 jaar, zoals genoemd in het artikel, niet mag uitzetten naar Afghanistan? Zo ja, waarom staat u het toe dat de IND hierin alsnog volhardt?
Zoals uw Kamer bekend, ga ik niet in op individuele zaken. Op dit moment bestaat er geen aanleiding het landgebonden asielbeleid te wijzigen. Op korte termijn zal een nieuwe ambtsbericht worden gepubliceerd.
Klopt het dat de Minister van Asiel en Migratie op basis van Art. 42 GW verantwoordelijkheid draagt voor het gevoerde beleid van de IND?
Ja.
Bent u bereid de besluiten van de IND inzake het terugsturen van vrouwen naar Afghanistan te voorkomen dan wel terug te draaien?
Op dit moment bestaat er geen aanleiding het landgebonden asielbeleid, waarin de slechte mensenrechtensituatie in Afghanistan is verdisconteerd, te wijzigen. Op korte termijn zal een nieuwe ambtsbericht door het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden gepubliceerd.
Kunt u de vragen een voor een en met spoed beantwoorden?
Ik heb de vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Overlastgevers in Ter Apel. |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het aantal plaatsen in de procesbeschikbaarheidslocatie (pbl) in Ter Apel op dit moment? Klopt het dat er op dit moment slechts vijf plaatsen beschikbaar zijn? Vindt u dit zelf voldoende? Op welke termijn kunnen we hier meer van verwachten?
De procesbeschikbaarheidslocatie is een onderdeel van de pilot procesbeschikbaarheidsaanpak. Het doel van deze pilot is het versneld afhandelen van asielaanvragen die op basis van het land van herkomst van de aanvrager als «kansarm» worden ingeschat. Daarnaast zijn er binnen de pilot mogelijkheden om een strikter regime toe te passen op het moment dat de aanvrager zich niet aan de afspraken houdt of overlastgevend gedrag laat zien. Dit zijn de inhuisregistratie, de verscherpt toezichtslocatie, de de procesbeschikbaarheidslocatie, de handhavings- en toezichtslocatie en vreemdelingenbewaring. De verscherpt toezichtslocatie heeft 75 plekken. De procesbeschikbaarheidslocatie is gestart met vijf plaatsen in juli 2025. Bij aanvang is afgesproken dat er méér mensen kunnen worden geplaatst indien hier aanleiding toe is. Het is daarmee niet zo dat maximaal 5 personen op de pbl kunnen worden geplaatst.
Momenteel zien we dat veel overlast veroorzaakt wordt door groepen mensen die niet in de pbl kunnen worden geplaatst, zoals mensen met een Dublinclaim en minderjarige asielzoekers. De pbl is erop gericht om asielzoekers versneld af te handelen (binnen 4 weken). Mensen met een Dublinclaim kunnen niet in de pbl geplaatst worden, omdat het doorlopen van hun procedure langer dan vier weken duurt. Daarom is momenteel het aantal pbl plaatsingen beperkt. De Dublinclaimanten die overlast veroorzaken, zoals een winkeldiefstal, worden in de verscherpt toezicht locatie (vtl) geplaatst. Daarnaast heeft het verspreiden van mensen met een Dublinclaim prioriteit. De werking van de pilot procesbeschikbaarheidsaanpak wordt de komende tijd met de keten geëvalueerd. Hierbij wordt ook het aantal plekken betrokken. Hierover zal ik u het eerste kwartaal van 2026 informeren.
Welke afspraken zijn er met de lokale driehoek in de gemeente Westerwolde gemaakt over de handhaving van het gebiedsgebod op het terrein? Is er al sprake van extra handhavingscapaciteit voor het terrein waarvoor het gebiedsgebod geldt, zoals u vermeldde in uw brief van 2 oktober 2025?1
Op 28 augustus jl. heeft een afvaardiging van het ministerie en de asielketen deelgenomen aan het overleg met de lokale driehoek in de gemeente Westerwolde. Hierbij is ook de handhaving aan de orde gekomen. Op basis van dit overleg is onderzocht of extra capaciteit van politie en extra inzet van boa’s mogelijk is. Mijn ministerie heeft hierbij toegezegd om extra boa’s te leveren aan gemeente Westerwolde die ingezet kunnen worden in Ter Apel. Voor de handhaving van het gebiedsgebod geldt dat de politie altijd onderzoekt of vreemdelingenbewaring opportuun is als iemand buiten het gebied staande wordt gehouden door bevoegd gezag.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het doorplaatsen van overlastgevende asielzoekers met een Dublinclaim naar opvanglocaties (zo nodig met extra beveiliging) buiten Ter Apel? In hoeverre gebeurt dit nu structureel? Als dit niet structureel gebeurt, waarom niet?
Ik heb aan de keten opdracht gegeven om het aantal mensen met een Dublinclaim in Ter Apel naar beneden te krijgen. Hier wordt prioriteit aan gegeven. De afgelopen periode bleek dat Dublinclaimanten weliswaar doorgeplaatst worden, maar dat door de instroom van nieuwe aanvragers de bezetting relatief stabiel blijft. Belangrijk knelpunt bij het doorplaatsen van méér Dublinclaimanten is de krapte in de opvangcapaciteit. Verder wordt voor Dublinclaimanten die overlast geven ingezet op een persoonsgerichte aanpak en er wordt ingezet op inbewaringstelling.
Levert het overplaatsen van deze groep overlastplegers nu een oplossing voor inwoners en ondernemers in Ter Apel, die regelmatig met veelplegers uit deze groep te maken krijgen, die vaak na enkele uren alweer op straat staan? Zo nee, wat bent u van plan hier wel aan te doen?
Inbewaringstelling en het meer evenredig verdelen van Dublinclaimanten over het land leidt er toe dat de overlast die inwoners en ondernemers in Ter Apel ervaren minder wordt. Daarom wordt hard gewerkt aan het vergroten van de opvangcapaciteit in Nederland en het zoveel mogelijk doorplaatsen van deze groep. Mijn ministerie heeft regelmatig gesprekken met ondernemers over de aanpak van de overlast en de schade.
Is het de bedoeling om ook minderjarige overlastgevers door te plaatsen naar opvanglocaties buiten Ter Apel? Zo nee, welke oplossing is er dan voor deze overlastgevende groep, die ook door ondernemers en inwoners vaak alweer na korte tijd op straat gezien worden?
De insteek is dat amv-ers kort in Ter Apel blijven na hun komst in Nederland. Het is dus de bedoeling dat amv-ers snel worden doorgeplaatst uit Ter Apel om hun procedure te doorlopen in andere locaties in het land. Dat geldt ook voor overlastgevende amv-ers. Voor deze groep zijn in het land alternatieve opvangvormen beschikbaar die intensiever inzetten op de begeleiding zoals de Perspectief Opvang Nidos en intensieve begeleiding amv. (zie antwoord bij vraag 6).
Is (een vorm van) perspectiefopvang zoals deze eerder door Nidos werd opgezet (kleinschalig, intensieve begeleiding door medewerkers met veel ervaring met deze groep) een oplossing voor de plaatsing van minderjarige overlastgevers uit Ter Apel (of andere opvang)? Zo nee, waarom niet?
Een vorm van perspectiefopvang, zoals eerder door Nidos opgezet, kan bijdragen aan een oplossing. Nidos werkt nauw samen met gemeenten om geschikte locaties voor de Perspectief Opvang Nidos te identificeren en de capaciteit uit te breiden waar mogelijk. Daarnaast is het COA begin 2025 gestart met de pilot locatie iba: intensieve begeleiding amv. De doelgroep bestaat uit amv met zorgelijk gedrag, waarvan wordt ingeschat dat er een specifieke hulp- of begeleidingsvraag aan ten grondslag ligt.
Zijn er voldoende van dit soort (zie vraag2 opvanglocaties beschikbaar? Wat doet het kabinet om hiervoor te zorgen?
Het kabinet zet, in samenwerking met Nidos en het COA, in op het uitbreiden van de opvangcapaciteit en het vinden van geschikte locaties om deze vorm van begeleiding breder beschikbaar te maken
De beslisnota bij Terugkeerondersteuning Syrië |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
De vertrekpremie voor Syrische migranten is tijdelijk verhoogd van maximaal € 2.815,– per volwassene naar € 5.000,– per volwassene; hoe is dit bedrag tot stand gekomen?
Het bedrag van € 5.000 per volwassene is gebaseerd op de eerdere ervaring die is opgedaan met de terugkeer van derdelanders met een tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne. Ook voor die groep gold destijds een herintegratiebedrag van € 5.000. Onder dat beleid zijn toen ongeveer 1.000 personen teruggekeerd.
Deelt u de mening dat uitreizigers die gebruik hebben gemaakt van een vertrekpremie in de toekomst geen asiel of verblijfsvergunning meer mogen krijgen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, erkent u dan dat het voor Syriërs zeer aanlokkelijk zal zijn om de vertrekpremie in ontvangst te nemen en dan opnieuw asiel aan te vragen in Nederland?
Bent u bereid om waarborgen in te stellen opdat Syrische inreizigers die gebruik hebben gemaakt van een vertrekpremie onmiddellijk kunnen worden herkend en tegengehouden aan de grens? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Bent u bereid om biometrische kenmerken, zoals een irisscan en vingerafdrukken, vast te leggen, om inreizigers die gebruik hebben gemaakt van een vertrekpremie te kunnen herkennen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe kan hier technisch invulling aan worden gegeven?
Deelt u de mening dat de Terugkeerondersteuning ook zou moeten worden geboden aan andere migrantengroepen, gezien u in de beslisnota vermeldt dat deze regeling kostenbesparend is voor het Rijk? Zo nee, waarom niet?
Personen die geen recht (meer) hebben op verblijf in Nederland moeten Nederland verlaten. Er wordt vanuit gegaan dat personen zelfstandig vertrekken. Om dit mogelijk te maken en te stimuleren biedt de Nederlandse overheid reeds sinds 2007 naast vertrekondersteuning ook herintegratieondersteuning aan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ik heb de vragen zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord. Daar waar het logischer was om de beantwoording samen te pakken heb ik dat gedaan.
Het plotse uitstel van de deadline over spreiding van vluchtelingen i.v.m. de Europese Top op 23 en 24 oktober 2025 |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «European Commission delays decision on migration assistance»1 en van het bericht ««It’s done!» Tusk says Brussels agrees Poland will be exempt from EU migration pact»?2
Ja.
Hoe verklaart u de berichtgeving dat de Europese Commissie de vastgestelde deadline van 15 oktober 2025 voor het jaarverslag en de besluitvorming over de Europese spreiding van vluchtelingen plots heeft uitgesteld?
De Europese Commissie heeft aangegeven meer tijd nodig te hebben voor het Europese jaarverslag, de commissiemededeling betreffende de lidstaten onder migratiedruk en het voorstel van de Commissie voor de Raad betreffende de solidariteitspool onder de Asiel- Migratiemanagement Verordening.
Klopt de bewering dat het plotse uitstel van de deadline mede verband houdt met de Nederlandse verkiezingen?
Nee.
Is het correct dat de deadline met twee weken is verschoven en dat het jaarverslag nu op of rond 29 oktober 2025 wordt gepubliceerd?
De Europese Commissie heeft geen nieuwe datum gecommuniceerd voor de publicatie van het jaarverslag.
Heeft een lid of vertegenwoordiger van de Nederlandse regering – formeel of informeel – bij de Europese Commissie verzocht om uitstel van het jaarverslag tot de landelijke verkiezingen?
De toenmalige Minister voor Asiel en Migratie heeft tijdens de informele JBZ-Raad in juli 2025 zijn zorgen uitgesproken tegenover Eurocommissaris Brunner over de samenloop van publicatie met de verkiezingsperiode in Nederland. De Europese Commissie heeft daarop aangegeven dat ze geen rekening kunnen houden met de verkiezingsdata van individuele lidstaten bij publicatie. Sindsdien heeft niemand van het kabinet hiervoor aandacht gevraagd en heeft het kabinet aangegeven de publicatiedatum aan de Commissie te laten.
Hoe verklaart u dat Donald Tusk publiek bekend heeft gemaakt dat Polen in het jaarverslag van deelname wordt uitgesloten, terwijl het jaarverslag nog niet eens bekend is?
Tot de publicatie van het jaarverslag is het niet bekend in welke categorie een lidstaat terecht zal komen.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór 10:00 uur op 16 oktober in verband met het debat over de Europese Top?
Ja.
Het aanpakken van sluiproutes voor derdelanders om toegang te krijgen tot de Nederlandse arbeidsmarkt |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ilse Saris (CDA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Honderden Georgiërs werken illegaal in hotels door «gat» in systeem»?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat derdelanders zich op grote schaal via de sluiproute van (te) makkelijk te verkrijgen burgerservicenummers (BSN) toegang verschaffen tot de Nederlandse arbeidsmarkt?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft hierover een bestuurlijk signaal aan mij en de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en Justitie en Veiligheid (JenV) gestuurd. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de brief van de Minister van SZW van 9 september 2025 over het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten.2 Het bestuurlijk signaal is als bijlage met die brief meegestuurd. In de brief worden de huidige en aanvullende maatregelen beschreven.
Ik wil wel graag benadrukken dat een BSN geen enkel recht geeft. De Wet arbeid vreemdelingen (Wav) verbiedt werkgevers om buitenlandse krachten die geen vrije toegang hebben tot de Nederlandse arbeidsmarkt, zonder geldige Tewerkstellingsvergunning (twv) of Gecombineerde vergunning verblijf en arbeid (gvva) voor zich te laten werken. Het maakt hiervoor niet uit of de betreffende persoon in het bezit is van een BSN.
Klopt het dat uit een analyse van de Arbeidsinspectie blijkt dat duizenden migranten in de Registratie Niet-Ingezeten (RNI) onder een andere nationaliteit geregistreerd staan dan in de polis-administratie van het UWV en de Belastingdienst? Wat gaat u eraan doen om de registratie bij de RNI-loketten op orde te brengen?
Ja, er staan mensen in de Polisadministratie geregistreerd met een andere nationaliteit dan in de Basisregistratie Personen (BRP) waar de RNI deel van uitmaakt.
Hoewel het ook mogelijk is dat mensen meerdere nationaliteiten hebben, en er bij de werkgever ook een geldig document getoond kan zijn, geeft het verschil tussen BRP en Polisadministratie een indicatie dat er mogelijk bij de werkgever identiteitsfraude is gepleegd met een vals ID-document met een EER-nationaliteit (om daarmee recht op toegang tot de arbeidsmarkt te veinzen).
De registratie bij de RNI-loketten is in deze gevallen op orde. In door de Arbeidsinspectie aangekaarte casus, identificeert de derdelander zich immers met een geldig ID-bewijs aan het RNI-loket. Aan het RNI-loket hebben de medewerkers de deskundigheid en diverse hulpmiddelen om geldigheid van documenten te controleren, vervalste ID-documenten te herkennen en zich ervan te verzekeren dat de persoon aan de balie ook de persoon is van wie het ID-document is. Het document is daar gecontroleerd, en de nationaliteit is daarbij geregistreerd. De identiteitsfraude vindt vervolgens plaats bij de werkgever. Het is niet te voorkomen bij het RNI-loket dat vervolgens op een andere plek een ander (vals) document wordt gebruikt bij de identificatie.
Hoeveel mensen beschikken naar schatting over een BSN, zonder dat zij het recht hebben om in Nederland te werken, inclusief ook (schijn)zelfstandigen en mensen die hier zwart werken?
Ruim 25 miljoen personen hebben een BSN. Ruim achttien miljoen omdat ze als inwoner van Nederland geregistreerd staan in de BRP. De ruim zeven miljoen anderen betreffen niet-ingezetenen. Het ter beschikking hebben van een BSN geeft mensen geen enkel recht. Of iemand al dan niet recht heeft om te werken, kan niet uit het BSN worden afgeleid.
De Nederlandse Arbeidsinspectie beschrijft in haar signaal dat het mogelijk om duizenden personen gaat die over een BSN beschikken zonder dat zij het recht hebben om te werken in Nederland.
Bent u bereid om per direct te stoppen met het verstrekken van het BSN via de RNI-loketten? Bent u bereid om het BSN aan derdelanders, als onderdeel van de toets op het recht op verblijf en arbeid, voortaan door de Immigratie- en Naturalisatiedienst te laten verstrekken?
Ik laat, zoals eerder gemeld, onderzoeken of het effectief en proportioneel kan zijn om inschrijving aan RNI-loketten voor derdelanders uit te sluiten. Derdelanders zouden dan alleen nog een BSN verstrekt kunnen krijgen bij inschrijving bij een gemeente of via een aangewezen bestuursorgaan3. Daarvoor is aanpassing van wet- en regelgeving nodig. Hierbij moet goed onderzocht worden of dit niet leidt tot ongewenste situaties waarin een derdelander niet meer kan beschikken over een BSN terwijl dit nodig is bij uitvoering van overheidstaken. Daarnaast moet gekeken worden naar het risico van toename van identiteitsfraude (gebruik van een vals EER-document of document van iemand anders).
Zoals in de Kamerbrief4 gemeld wordt als eerste stap het aantal RNI-loketten waaraan derdelanders terecht kunnen voor een BSN beperkt en wordt onderzocht welke maatregelen verder genomen kunnen worden. Per 2 januari kunnen derdelanders alleen nog terecht bij de RNI-loketten in Breda en Venlo.5 BZK werkt met ketenpartners aan een plan voor de verdere aanpak.
Welke sancties bestaan er in het huidige wettelijk regime voor werkgevers die derdelanders illegaal te werk stellen, al dan niet via tussenkomst van een uitzendbureau? Bent u bereid om de wettelijke sancties zowel voor inleners als uitzendbureaus verder aan te scherpen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie beschikt over het instrumentarium om op te treden bij illegale tewerkstelling van derdelanders. Op basis van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) kan zij bij overtredingen boetes en sancties opleggen.
Het kabinet heeft bovendien afgelopen jaar besloten om de boetes voor bedrijven die arbeidswetten overtreden te verhogen.6 De boetes zullen hoger worden omdat ze met terugwerkende kracht worden geïndexeerd. De verwachting is dat ze met ongeveer 18% per overtreding zullen stijgen. Vanaf dan zal er wel jaarlijks een indexatie plaatsvinden van de bedragen. Daarnaast is reeds begin 2025 het boetebeleid voor de Wav aangepast. In deze nieuwe regels – die gelden voor overtredingen sinds 1 februari van dit jaar – is er onder andere meer differentiatie in de hoogte van de boete, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid van een overtreder. Er kunnen daardoor hogere boetes opgelegd worden aan werkgevers voor illegale tewerkstelling wanneer zij deze overtreding opzettelijk begaan. Deze boetes voor werkgevers bij illegale tewerkstelling kunnen oplopen tot 11.250 euro per arbeidskracht.
Welke sancties zijn er voor derdelanders die illegaal in Nederland werken, als zij door de Arbeidsinspectie worden aangetroffen? Wordt hun verblijfsstatus gecontroleerd en worden zij uitgezet indien zij geen verblijfsrecht hebben? Worden zij uitgeschreven bij het RNI-loket? Wordt hun BSN ingetrokken en de toegang tot overheidsdiensten (zoals een beroep op mogelijk onterecht opgebouwde socialezekerheidsrechten) ontzegd? Zo nee, waarom niet?
Er zijn verschillende verblijfsrechtelijke situaties waarin derdelanders illegaal werken in Nederland. Het kan gaan om vreemdelingen die onrechtmatig in Nederland verblijven, bijvoorbeeld op basis van valse ID-documenten zoals in de onderhavige casus. Omdat zij geen verblijfsvergunning hebben of hebben aangevraagd, heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hier verder geen rol.
Dat ligt anders wanneer het gaat om illegale arbeid die verricht wordt door vreemdelingen die wel legaal verblijven in Nederland. Het verrichten van arbeid in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is in de Vreemdelingenwet 2000 een facultatieve grond om de verblijfsvergunning in te trekken. Wanneer het gaat om vreemdelingen die een verblijfsvergunning voor arbeid hebben, maar illegaal werken omdat zij ander werk doen dan waarvoor zij de verblijfsvergunning hebben gekregen, voldoet de vreemdeling niet langer aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is afgegeven. De IND zal dan in beginsel de verblijfsvergunning intrekken.
Wanneer de vreemdeling illegaal arbeid verricht en beschikt over een verblijfsvergunning voor een ander doel dan verrichten van arbeid, ligt het genuanceerder. De vreemdeling kan bijvoorbeeld een verblijfsvergunning voor gezinshereniging hebben met de aantekening dat arbeid niet is toegestaan. In zo’n situatie zal de IND vanwege het gezinsleven de verblijfsvergunning in beginsel niet intrekken. Ook komt het voor dat bijvoorbeeld internationale studenten onder valse voorwendselen naar Nederland worden gehaald en uiteindelijk meer moeten werken dan studeren. In zo’n situatie kijkt de IND of er, naast intrekking van de verblijfsvergunning, ook nog andere opties zijn die recht doen aan het belang van de gedupeerde vreemdeling. Zo kan, wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan, studie aan een andere instelling voor hoger onderwijs een mogelijkheid zijn of kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor arbeid, zoals recent is gebeurd bij een aantal van Indonesische verpleegkundigen, die onder de mom van studie naar Nederland waren gehaald en uiteindelijk vooral arbeid moesten verrichten.
Vreemdelingen die geen verblijfsvergunning hebben of van wie de IND de verblijfsvergunning heeft ingetrokken, dienen Nederland te verlaten, het liefst vrijwillig maar als dat niet gebeurt, kan gedwongen uitzetting aan de orde zijn.
Een BSN geeft geen rechten, en het BSN intrekken is niet mogelijk. Uitschrijven uit de RNI is ook niet mogelijk en niet wenselijk. Hierover heb ik de Kamer geïnformeerd bij de beantwoording van Kamervragen van de leden Boomsma en Omtzigt over het bericht «Tienduizenden arbeidsmigranten van buiten EU-zonder papieren in Nederland.»7
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de invoering van een aanwezigheidsmelding voor arbeidsmigranten direct na binnenkomst, ter vervanging van de registratie via de RNI? Bent u bereid om het verblijfsadres en contactgegevens bij de aanmelding verplicht te stellen, inclusief een verplichting tot adreswijziging bij verhuizing?
De stand van zaken heeft de Minister van SZW mede namens mij aan uw Kamer gemeld in de brief van 9 september 2025 over het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten. In de brief is het proces in België beschreven. In België zijn er op dit moment geen consequenties verbonden aan het nalaten van een melding van aanwezigheid van een persoon. Het is ook geen voorwaarde voor een ander proces zoals inschrijving, werken of sociale zekerheid. In de brief is toegelicht dat daarom de toegevoegde waarde van een aanwezigheidsmelding in de Nederlandse context moet worden onderzocht. Hierbij wordt gekeken naar de uitvoerbaarheid, evenredigheid en het effectief regelen van toezicht en handhaving.
Zoals per brief is toegezegd, wordt uw Kamer hierover verder geïnformeerd in het voorjaar van 2026.
Bent u bereid om deze vragen binnen twee weken te beantwoorden?
De normale antwoordtermijn is drie weken, met uitstel zes. Het is vanwege het verkiezingsreces en interdepartementale afstemming niet gelukt om deze vragen binnen de verzochte termijn van twee weken te beantwoorden.
Het bericht: ‘Circis doceert al 40 jaar Nederlands aan nieuwkomers: ’Taaleisen mogen écht verder omhoog’’ |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Circis doceert al 40 jaar Nederlands aan nieuwkomers: «Taaleisen mogen écht verder omhoog»»?1
Ja, ik ben bekend met dat artikel.
Herkent u het beeld dat in het artikel wordt geschetst dat in de praktijk inburgeraars vaker op een lager niveau taalexamen doen (A2 in plaats van B1)? Bent u het met de VVD eens dat het doel van de Wet Inburgering 2021 juist was om de taaleis op te schroeven naar B1? Hoe rijmt u deze beelden met elkaar?
Het klopt dat er inburgeraars zijn die in de B1-route starten, maar afschalen naar A2-niveau. Exacte cijfers over het behaalde taalniveaus van (cohorten) inburgeraars onder de Wet inburgering 2021 (Wi2021), zijn nog niet te geven. De inburgeringstermijn duurt immers drie jaar en de inburgeringstermijn van het cohort 2022 is voor een grote groep inburgeraars nog niet verstreken. In de tussenevaluatie van de Wi2021, die eind 2025 wordt opgeleverd, wordt nader ingegaan op de examens en behaalde taalniveaus.
Ik ben het met u eens dat door B1-taalniveau de kans op duurzaam werk groter is. Dat is ook de reden dat in de Wi2021 het taalniveau verhoogd is naar B1-niveau. Het doel van de Wi2021 is dat inburgeringsplichtigen snel en volwaardig meedoen in de Nederlandse samenleving, bij voorkeur via betaald werk. Dit gebeurt met maatwerk en duale trajecten die taal leren combineren met participatie.
Inburgeraars worden zorgvuldig ingedeeld in een passende leerroute op basis van een brede intake, waarin de leerbaarheidstoets een verplicht en objectief onderdeel is.
Deze toets bepaalt of het taalniveau B1 (of A2) binnen de inburgeringstermijn haalbaar is. Als dit niet het geval is en de overige intakegegevens dit bevestigen, wordt gekozen voor de Z-route. Zo wordt een combinatie van toets resultaten en persoonlijke beoordeling gebruikt om een realistische en haalbare route te bieden.
Ik zet erop in dat inburgeraars, in lijn met het beleidsdoel van de Wi2021, het voor hen dan hoogst haalbare taalniveau bereiken. Ik stimuleer dat gemeenten hier ook naar handelen.
Deelt u de mening dat beheersing van de Nederlandse taal als sleutel kan dienen tot een succesvolle integratie in Nederland?
Een goede beheersing van de Nederlandse taal is cruciaal voor een succesvolle integratie. Het vergroot de kans op werk en maakt actieve deelname aan de samenleving mogelijk. Daarnaast speelt taal een belangrijke rol in het leggen van sociale contacten, het opbouwen van relaties en het uitbreiden van het sociale netwerk. Op deze manier draagt taal bij aan maatschappelijke binding en versterkt het de sociale cohesie. Daarom is het verbeteren van de taalvaardigheid van nieuwkomers een belangrijk speerpunt in de Actieagenda Integratie en de Open en Vrije Samenleving.
Hoeveel procent van de inburgeraars in de B1-route doet uiteindelijk examen op B1-niveau? Hoeveel procent van de inburgeraars in de B1-route doet uiteindelijk examen op A2-niveau? Kunt u de ontwikkelingen hiervan schetsen sinds de invoering van de Wet Inburgering 2021?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening, zoals geformuleerd door de heer Budak, dat het huidige inburgeringsstelsel makkelijker is geworden voor inburgeraars in plaats van ambitieuzer? Zo ja, wat zijn uw plannen om hier iets aan te doen? Zo niet, waarom niet?
Nee. De Onderwijsroute en de B1-route richten zich met taalniveau B1 op een hoger taalniveau dan onder de Wi2013, waarin het beoogde taalniveau A2 was. Dit hogere taalniveau vraagt een stevige inspanning van inburgeraars. Voor de Z-route geldt een uitgebreid pakket aan eisen, van 800 uren taalonderwijs en 800 uren participatieactiviteiten. Dit is een behoorlijke verzwaring ten opzichte van de Wi2013. In tegenstelling tot de Wi2013 is het onder de Wi2021 vrijwel niet mogelijk om ontheffing van de inburgeringsplicht te krijgen. Tot nu toe is slechts 1% ontheffing verleend, alleen op basis van een medische indicatie, terwijl onder de Wi2013 ruim 20% werd ontheven. Dit laatste betrof ontheffingen op basis van een medische indicatie en aantoonbaar geleverde inspanningen.
Ik wil deze intensiteit van de Z-route behouden. Tegelijkertijd wil ik meer inzetten op taal op de werkvloer. Daarom kies ik voor een vernieuwde invulling van de urenverplichtingen. Ik wil inburgeraars in de Z-route de mogelijkheid bieden om 200 uur taalonderwijs in te vullen op de werkvloer. Het is belangrijk dat deze uren op de werkvloer betekenisvol worden ingevuld met (betaald) werk. Ik denk hierbij aan startbanen en duale trajecten in een Nederlandstalige werkomgeving. Door deze wijziging in de urenverplichtingen stimuleer ik dat ook de overige participatie uren in de Z-route ingezet worden voor toeleiding naar betaald werk. Ik werk deze wijziging verder uit in het Besluit inburgering 2021.
In hoeverre hebben gemeenten de ruimte om van landelijke normen af te wijken door individuen op een lager taalniveau in te schalen dan B1?
Inburgeraars worden door gemeenten, op basis van de brede intake en de verplichte uniforme leerbaarheidstoets (LBT), ingedeeld in een passende leerroute: de Onderwijsroute, B1-route of Z-route. De LBT zorgt voor een objectieve inschatting van het haalbare taalniveau en komt grotendeels overeen met de daadwerkelijke route-indeling. Uit de CBS Statistiek Wet inburgering 2021 – periode t/m 2024 – blijkt dat binnen de Z-route 12% van de asielstatushouders een LBT-resultaat had dat «B1 haalbaar» was. In de B1-route had 17% van de asielstatushouders een LBT-resultaat «niet haalbaar». Dit laat zien dat wanneer gemeenten afwijken van de LBT-uitslag, inburgeraars vaker op een traject met een hoger taalniveau worden geplaatst (bijvoorbeeld van de Z-route naar de B1-route of Onderwijsroute) dan andersom (van de B1-route of Onderwijsroute naar de Z-route).
Bent u bereid om te onderzoeken of er minder uitzonderingsmogelijkheden kunnen worden ingebouwd in het inburgeringsstelsel waardoor B1 de norm is en blijft voor mensen behoudens psychische en lichamelijke klachten?
Het doel van het inburgeringsstelsel op het gebied van taalverwerving is dat inburgeraars integreren op het hoogst haalbare taalniveau, bij voorkeur op niveau B1. Ik onderschrijf dit uitgangspunt en moedig gemeenten en taalaanbieders aan om inburgeraars te ondersteunen bij het behalen van een zo hoog mogelijk taalniveau. Tegelijkertijd is het niet voor alle inburgeraars haalbaar om binnen de gestelde inburgeringstermijn van 3 jaar niveau B1 te bereiken, bijvoorbeeld omdat zij bij aanvang analfabeet zijn of weinig tot geen onderwijs hebben genoten. Zij hebben binnen de Wi2021 een stevige verplichting om 800 uren taalonderwijs en 800 uren participatieactiviteiten te verrichten.
Bent u het eens met de stelling dat het onwenselijk is dat er een traject bestaat waarbij inburgeraars kunnen «slagen» zonder examen te hoeven afleggen, de Z-route?
De Z-route vraagt om een intensieve inzet op taalverwerving, gecombineerd met participatie in de praktijk. Inburgeringsplichtigen volgen 800 uur taallessen en nemen daarnaast deel aan 800 uur praktijkgerichte participatieactiviteiten, die zoveel mogelijk aansluiten bij hun mogelijkheden. Het hoofddoel van de Z-route is activering, participatie en het vergroten van de zelfredzaamheid.
Hoewel het behalen van taalniveau A2 geen verplichting is binnen deze route, wordt van taalscholen verwacht dat zij inburgeraars, waar mogelijk, op de verschillende taalonderdelen naar een zo hoog mogelijk niveau begeleiden en toetsen. Ook wordt van gemeenten verwacht dat zij inburgeraars stimuleren om centrale examens af te leggen, wanneer tijdens het traject blijkt dat zij één of meerdere taalonderdelen op A2-niveau kunnen beheersen. Zoals bij vraag 5 aangegeven wil ik met aanpassing van de Z-route de arbeidsparticipatie van inburgeraars in deze route stimuleren.
Wanneer regelt het kabinet de afspraak uit het Hoofdlijnenakkoord dat voor het verkrijgen van een Nederlands paspoort in principe altijd een taaltoets wordt afgenomen op B1-niveau?
Een concept Besluit naturalisatietoets is in voorbereiding. Dit wordt naar verwachting dit laatste kwartaal van dit jaar in (internet) consultatie gegeven.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met ervaren taaldocenten zoals de heer Budak, om hun praktijkervaringen te benutten bij toekomstige aanpassingen van het inburgeringsbeleid?
Ja hiertoe ben ik bereid.
De huisvesting van migranten |
|
Merlien Welzijn (NSC), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Migratie is niet hét probleem van de woningmarkt: «dat is onzin»«?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de deskundigen die in het artikel worden geciteerd dat migratie slechts voor een beperkt deel bijdraagt aan de huidige wooncrisis en dat het werkelijke probleem is dat er gewoon te weinig wordt gebouwd?
Er zijn verschillende oorzaken voor het huidige woningtekort. Zowel de achtergebleven woningbouw, de bevolkingsgroei die in de laatste jaren grotendeels te relateren is aan migratie en in beperktere mate de huishoudensverdunning spelen een rol bij het huidige tekort aan woningen.
Welke cijfers en prognoses hanteert het kabinet over de bijdrage van migratie (in verschillende subcategorieën: asielmigratie, arbeidsmigratie, gezinsmigratie, studiemigratie) aan de jaarlijkse vraag naar woonruimtes (totaal, huur, sociale huur, middenhuur, koop)? In hoeverre houdt het kabinet bij de gehanteerde cijfers en prognoses rekening met regionale verschillen in de druk op de woningmarkt door migratie? Welke gemeenten of regio’s hebben relatief grote druk als gevolg van migratie?
Jaarlijks wordt de Kamer geïnformeerd over het woningtekort en de verwachte woningbehoefte aan de hand van de Primos-prognose en het Socrates-model. De Primos-prognose wordt gebruikt voor het bepalen van de woningbouwopgave. De nationale bevolkingsprognose van het CBS wordt als uitgangspunt voor de Primos-prognose gebruikt. Er wordt hierin geen onderscheid gemaakt naar de genoemde migratiemotieven.
In de Primos-prognose zijn percentages voor verwachte toevoegingen aan de woningvoorraad uitgesplitst per type woningbouwopgave. De totale verwachte woningbouw voor de periode 2025 tot en met 2039 bedraagt 1,2 miljoen woningen. Hiervan is 45% noodzakelijk voor de opgave die voortvloeit uit de verwachte bevolkingsgroei (die voor 95% bestaat uit het buitenlands migratiesaldo, dit is het gevolg van alle vormen van migratie). Daarnaast speelt de opgave die voortvloeit uit het kleiner worden van de huishoudens een rol. Hier is 25% van het totaal aan verwachte woningbouw voor nodig. Het kleiner worden van de huishoudens hangt overigens ten dele samen met de verwachte immigratie (veel kleine huishoudens). Voor het inlopen van het bestaande woningtekort is 16% van de woningbouw nodig. Ten slotte is er de vervangende nieuwbouw (14%) die nodig is in verband met te slopen woningen.
Het kabinet houdt rekening met de regionale verschillen in de bouwopgave die nodig is om tegemoet te komen aan de regionale woningbehoefte. Welk aandeel migratie bijdraagt aan de druk op de woningmarkt wordt daarin zoals eerder gezegd niet verbijzonderd. In de Primos-prognose wordt gesteld dat in 2023 48% van de buitenlandse migratie in de Randstad terecht kwam tegenover 29% in de categorie «overig Nederland». De overige 23% buitenlandse migratie kwam in de noordflank, oostflank of zuidflank terecht.
Welke analyses heeft het kabinet laten uitvoeren naar de mate waarin starters en doorstromers door migratie in hun kansen worden belemmerd, bijvoorbeeld doordat migranten woningen innemen die anders voor deze groepen beschikbaar zouden zijn? En wat waren de uitkomsten? Wat is bijvoorbeeld het effect van arbeids-, asiel- en studiemigratie op de wachtlijsten voor een huurwoning?
Er zijn geen specifieke onderzoeken uitgevoerd naar de belemmeringen die starters en doorstromers ervaren als gevolg van buitenlandse migratie.
Het PBL heeft in 2022 onderzoek gedaan naar de huisvestingsituatie van migranten naar migratiemotief. Wat betreft de gerealiseerde huisvesting van migranten naar migratiemotief kan er geen sluitend beeld geschetst worden. Arbeids- en studiemigranten uit de EU die minder dan vier maanden in Nederland verblijven hoeven zich niet als ingezetene in te schrijven in de BRP. Dit betekent dat er dus in de meeste gevallen geen zicht is op hun huisvestingssituatie en specifieke woon- of verblijfplaats. Op basis van de beschikbare gegevens constateert het PBL dat ingezetene, geregistreerde arbeids- en studiemigranten in eerste instantie vaak woningdelen in het particuliere segment. Twee derde van de arbeidsmigranten is na vijf jaar weer vertrokken. Statushouders huren meestal een woning van een corporatie. Gezinsmigranten trekken vaak bij iemand in en oefenen dan in eerste instantie geen extra vraag uit. De meeste migranten zoeken dus met name in de huursector huisvesting.
Over de concurrentie om woonruimte tussen statushouders en andere woningzoekenden in de sociale huur heeft het lid Welzijn eerder vragen gesteld op 24 september 2025. Ik verwijs u voor een nader antwoord hieromtrent naar het antwoord op vraag 9 en 10 van die schriftelijke vragen2.
Welke concrete uitwerking geeft het kabinet aan de aanbeveling van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen om ambities en het beleid op het gebied van woningbouw beter af te stemmen op de demografische ontwikkeling, inclusief de netto migratie?
In het plenair debat over het adviesrapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen is uitgesproken dat het advies voor gematigde groei, dat wil zeggen onder andere het streven naar een inwoneraantal van 19 á 20 miljoen in 2050, wordt omarmd om betere uitkomsten op voldoende welvaartsgroei in brede zin te bieden. Dat vertaalt zich naar een jaarlijkse groei van het inwoneraantal van tussen de 40.000 en 68.000 personen. Zoals toegezegd in het plenair debat over het rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050, ontvangt uw Kamer een brief over de opvolging van dit rapport.
Op welke wijze geeft het kabinet opvolging aan de aanbeveling van de Staatscommissie om daadwerkelijk te gaan sturen op alle vormen van migratie, op basis van een bandbreedte voor gematigde groei van de bevolking met 40.000–60.000 per jaar?
Welke beleidsinstrumenten (nationaal of via gemeenten) brengt het kabinet in stelling om migratie-gerelateerde huisvestingsdruk te beperken, zoals tijdelijke huisvesting (flexwoningen), en wat is het effect van deze instrumenten?
Zie het antwoord op vraag 5.
Is het kabinet bereid om extra middelen (nationaal of regionaal) beschikbaar te stellen voor tijdelijke huisvesting, versnelde vergunningverlening, juridisch-ambtelijke capaciteit en infrastructuur (o.a. netcapaciteit) om zo de bouwproductie op te voeren en knelpunten weg te nemen?
Kunt u concreet aangeven hoe u gemeenten helpt bij het creëren van doorstroomwoningen voor statushouders om zo de druk op de asielopvang te verminderen?
Het kabinet werkt met een generieke aanpak om het tekort aan woningen in Nederland te verminderen door onder andere de inzet van financiële middelen, versnelde vergunningverlening, extra ambtelijke capaciteit, het beter benutten van de bestaande gebouwen (zoals woningdelen) en het wegnemen van knelpunten zoals netcongestie. Het kabinet neemt als uitgangspunt dat er voor migranten – net zoals voor iedere andere woningzoekenden – in beginsel sprake is van een eigen verantwoordelijkheid om, indien mogelijk, te voorzien in de huisvesting, bijvoorbeeld bij vrienden of familie.
Het kabinet zet in op het stimuleren van verschillende woningtypes zoals tijdelijke woningen via financiële regelingen als de Regeling Huisvesting Aandachtsgroepen (RHA), de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT) en de bekostigingsregeling doorstroomlocaties en de regeling voor een eenmalige bijdrage bij uitstroom naar onzelfstandig wonen of tijdelijk onderdak (HAR+) waardoor gemeenten ondersteund worden in het huisvesten van onder andere statushouders, arbeidsmigranten en studenten.
Verder licht het kabinet in de brief over het samenhangend pakket aan maatregelen die op 11 juli aan uw Kamer is verstuurd3, toe welke maatregelen verder moeten zorgen voor uitstroom van statushouders uit de asielopvang door de uitbreiding van huisvestingsmogelijkheden.
Een belangrijk onderdeel van het samenhangend pakket is de doelgroepflexibele regeling, die dient om versneld tot woningen te komen, waaronder voor vergunninghouders. De voorbereiding van deze regeling is in een vergevorderd stadium en is in twee delen uiteengevallen: een uniforme bekostigingsregeling van gemeentelijke opvangvormen enerzijds en een stimuleringsregeling voor huisvesting anderzijds. Met de uniforme bekostigingsregeling moet het gemeenten makkelijker gemaakt worden in de uitvoering. De regeling biedt de mogelijkheid om deze in te zetten voor tijdelijke huisvestingsoplossingen voor vergunninghouders, vergelijkbaar met de huidige bekostigingsregeling doorstroomlocaties.
Om gemeenten nog extra te ondersteunen bij het plaatsen van tijdelijke woningen bereid ik een aanpassing op de SFT-regeling voor. Het voornemen is om deze regeling met een jaar te verlengen tot en met 2027. Ik ben bereid hiervoor extra middelen in te zetten door het budget te verhogen naar € 178,5 miljoen. In aanvulling op de bijdrage aan de onrendabele business case van € 14.000,– per woning, ontvangen gemeenten ook € 6.000,– per woning voor sociaal beheer. Mijn voornemen is dat ook onzelfstandige woonruimten en splitsen van woonruimte onder deze regeling gaan vallen. De regeling is op dit moment in consultatie.
Kunt u concreet aangeven hoeveel woningen er beschikbaar zijn voor de huisvesting van arbeidsmigranten en hoe dit zich verhoudt tot de jaarlijkse instroom? Hoeveel daarvan beschikken over een SNF- of AKF-keurmerk?
Zoals eerder benoemd is er geen volledig zicht op de jaarlijkse omvang van de arbeidsmigratie. Mijn ministerie heeft bij het IBO Arbeidsmigratie geraamd dat er een tekort is aan kwalitatief goede huisvestingsplekken van naar verwachting circa 160.000 plekken. Door onjuiste registratie van arbeidsmigranten kan dit tekort nog hoger liggen.
Er zijn geen landelijke cijfers over het totale aantal woningen dat gebruikt wordt of beschikbaar is voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Een deel van de huisvesting voor arbeidsmigranten is gecertificeerd met het keurmerk van Stichting Normering Flexwonen (SNF) of het Agrarisch Keurmerk Flexwonen (AKF). Over dit deel van de woningen zijn wel gegevens beschikbaar.
Zoals ik in de beantwoording van schriftelijke vragen van het lid Van Kent op 6 mei 2025 heb aangegeven4, waren er in februari 2025 19.467 huisvestingslocaties geregistreerd bij SNF.5 Deze locaties hebben in totaal een capaciteit van 144.701 slaapplaatsen («bedden»).
Land- en tuinbouwbedrijven die arbeidsmigranten huisvesten op eigen terrein kunnen het AKF-certificaat krijgen. Uitzendbureaus kunnen dit certificaat niet krijgen. Op dit moment zijn er 250 werkgevers met een AKF-certificaat.6 Deze werkgevers beschikken momenteel over ruim 600 woningen, waaronder zowel jaarrond- als seizoenshuisvesting. Het grootste deel van deze woningen bevindt zich op het eigen erf van de werkgever. Deze woningen van werkgevers met een AKF-certificaat vertegenwoordigen ongeveer 10.000 «bedden».
Kunt u aangeven hoeveel woningen er in handen zijn van uitzendbedrijven en van private investeerders die woonruimtes verhuren aan uitzendbedrijven?
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het aantal woningen dat in handen is van uitzendbureaus en private investeerders die woonruimtes verhuren aan uitzendbedrijven.
Kunt u concreet aangeven hoe u gemeenten helpt om de grootschalige ondermaatse en deels illegale verhuur voor arbeidsmigranten aan te pakken en de kwaliteit van deze huisvesting te waarborgen?
Als gevolg van de Wet goed verhuurderschap hebben gemeenten meer mogelijkheden gekregen om op te treden tegen ongewenst verhuurgedrag, zoals bijvoorbeeld intimidatie en discriminatie of het vragen van te hoge servicekosten. Ook bevat de wet nog twee specifieke regels voor de verhuur aan arbeidsmigranten, die voorschrijven dat een arbeidsovereenkomst altijd los van de huurovereenkomst moet worden vastgelegd en dat verhuurders informatie aan de arbeidsmigrant moeten verschaffen over zijn of haar rechten en verplichtingen ten aanzien van het gehuurde in een taal die hij of zij kan begrijpen.
Daarnaast heeft de Wet goed verhuurderschap gemeenten de mogelijkheid gegeven om een tweetal vergunningplichten in te stellen: een gebiedsgerichte vergunningplicht voor de verhuur van reguliere woonruimte en een (niet-gebiedsgerichte) vergunningplicht voor de verhuur van verblijfsruimten aan arbeidsmigranten. Het instellen van een dergelijke vergunningplicht maakt het verboden om zonder verhuurvergunning bepaalde categorieën van woon- of verblijfsruimte te verhuren. Ook kunnen bij het verlenen van een vergunning aanvullende voorwaarden aan de verhuring worden gesteld. Deze voorwaarden zijn in de wet genoemd en zien, in het geval van verhuur aan arbeidsmigranten, bijvoorbeeld op het maximaal aantal personen aan wie een ruimte verhuurd mag worden en minimaal aanwezige voorzieningen ten behoeve van voedselbereiding en hygiëne. De gemeente is, in het geval van private verhuurders, belast met het toezicht en de handhaving van de Wet goed verhuurderschap.
Daarnaast is sinds april 2022 het ondersteuningsprogramma arbeidsmigranten van de VNG operationeel. Dit ondersteuningsprogramma ontvangt subsidie van het Rijk. Het team ondersteunt gemeenten bij hun taken en verantwoordelijkheden om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren. Via persoonlijke adviesgesprekken maken medewerkers van het programma gemeenten bewust van mogelijke opgaven rond deze groep inwoners en zorgen ze dat het verbeteren van hun positie in de gemeenten op de agenda komt te staan.
Deelt u onze mening dat in de uitingen en het beleid van het kabinet onevenredig veel aandacht is voor de druk op de woningmarkt door de asielinstroom, terwijl de druk door arbeidsmigranten en uitzendbedrijven op de woningmarkt vele malen hoger is?
De druk van de verschillende vormen van migratie werkt anders door op de verschillende segmenten van de woningmarkt. Zoals toegelicht bij vraag 9 neemt het kabinet maatregelen om bij alle migratiemotieven en voor alle segmenten van de woningmarkt de druk te beperken.
Hoe waarborgt het kabinet dat statushouders en arbeidsmigranten die legaal in Nederland wonen en verblijven een gelijke toegang tot woonruimte behouden, zonder dat dit tot verdringing leidt van kwetsbare groepen zoals jongeren en langdurig woningzoekenden?
Zie het antwoord op vraag 9 en 13.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk binnen twee weken te beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
De ontwikkelingen omtrent opschorten van asielaanvragen, de inbreukprocedure en de belemmeringen van ngo’s in Griekenland |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat 109 ngo’s in Griekenland gezamenlijk hebben opgeroepen tot intrekking van deze maatregel en tot optreden van de Europese Commissie?
Het kabinet heeft kennis genomen van de oproep gericht aan Griekenland en de Europese Commissie. In algemene zin toont de oproep aan dat de ontwikkelingen in Griekenland, sterk leven onder maatschappelijke organisaties in Griekenland. Het is verder aan Griekenland en aan de Commissie om hier opvolging in.
Bent u bereid om, samen met andere lidstaten of zelfstandig, bij de Europese Commissie aan te dringen op een spoed juridische analyse van de verenigbaarheid van de Griekse maatregelen met het EU-recht, dit mede in licht van de uitspraken van het Europees Hof?
Het is primair aan de Europese Commissie om te beoordelen of Griekenland met de maatregelen het EU-recht schendt, en hier indien nodig tegen op te treden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen.
Hoe beoordeelt u de bevelen van het Europees Hof? Ziet u hierin aanleiding om de juridische houdbaarheid van de Griekse wetgeving inzake de asielopschorting ter discussie te stellen, zowel zelfstandig als in EU-verband?
Ik begrijp dat u verwijst naar de voorlopige maatregelen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waar individuen klachten kunnen indienen over de naleving van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Voorlopige maatregelen zijn dringende maatregelen die in uitzonderlijke omstandigheden, na onderzoek van alle relevante informatie, worden toegepast wanneer het EHRM meent dat de betrokkene anders zal worden blootgesteld aan een dreigend risico op onherstelbare schade en wanneer een dergelijke maatregel noodzakelijk is in het belang van de partijen of voor het goede verloop van de procedure. Over dergelijke maatregelen wordt beslist in het kader van een procedure voor het EHRM, zonder vooruit te lopen op latere beslissingen over de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de zaak in kwestie. Voorlopige maatregelen worden niet gemotiveerd, dus de reden voor het opleggen van de voorlopige maatregel is niet bekend. Deze voorlopige maatregelen zeggen daarom nog niets over de juridische houdbaarheid van de Griekse wetgeving.
Kunt u aangeven op welke manier bilateraal Nederlandse ondersteuning in Griekenland op uniebrede steun van de Europese Unie aan Griekenland mogelijk bijdraagt aan het onrechtmatig in detentie plaatsen van personen die een asielverzoek willen indienen?
Voor zover bekend draagt bilaterale Nederlandse steun hier niet aan bij. Nederlandse bilaterale steun aan Griekenland richt zich op de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, via onder andere het MERIMNA III-project onder auspiciën van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) op het eiland Lesbos en het versterken van het Griekse voogdijprogramma voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Kunt u aangeven op welke manier Europese agentschappen zoals de European Union Agency for Asylum (EUAA) en Frontex mogelijk betrokken zijn bij het onrechtmatig in detentie plaatsen van personen die een asielverzoek willen indienen?
Voor EUAA geldt dat zij sinds 2011 actief zijn in Griekenland en operationele ondersteuning verlenen. Voor zover bekend is in het meest recente operationele plan vastgesteld dat EUAA ondersteuning biedt op het vlak van de verwerking van asielaanvragen en het bieden van opvang in lijn met het GEAS. Het mandaat van EUAA strekt dus niet tot vreemdelingenbewaring. In hun operationele ondersteuning mogen zij dan ook geen taken uitvoeren die zien op inbewaringstelling. De onafhankelijke grondrechtenfunctionaris van het Agentschap houdt bij de uitvoering van de taken door het Agentschap toezicht op de naleving van fundamentele rechten en rapporteert daarover aan de Raad van Bestuur.
Ook Frontex biedt ondersteuning aan Griekenlandop het gebied van grensbeheer en terugkeer. Frontex heeft hierbij geen rol in de inbewaringstelling bij asielaanvragen. Frontexpersoneel verwijst personen die een asielaanvraag indienen door naar de nationale autoriteiten. De afweging tot inbewaringstelling valt onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende lidstaat. De operationele inzet van Frontex wordt doorlopend gemonitord. De onafhankelijke grondrechtenfunctionaris van het Agentschap houdt bij de uitvoering van de taken door het Agentschap toezicht op de naleving van fundamentele rechten en rapporteert daarover aan de Raad van Bestuur.
Kunt u toezeggen de Kamer regelmatig te informeren over de situatie van asielzoekers in Griekenland, en daarbij ook inzicht te geven in de inzet van de Nederlandse overheid, zowel zelfstandig als in EU-verband, om verbeteringen te bewerkstelligen?
Indien daar aanleiding toe bestaat, zal ik uw Kamer informeren, via de reguliere route van de geannoteerde agenda of het verslag van de JBZ-Raad.
Bent u op de hoogte van de stand van zaken in procedure INF(2022)2156, die de Europese Commissie in januari 2023 is gestart tegen Griekenland wegens het onvolledig transponeren van de Opvangrichtlijn (2013/33/EU), mede gezien rapporten (CPT-comité, VN-Mensenrechtencomité, Artsen zonder Grenzen, EHRM) over onmenselijke behandeling en erbarmelijke omstandigheden in gesloten centra op de Griekse eilanden?
Daar ben ik van op de hoogte. Vooralsnog is enkel bekend dat de Commissie op 26 januari 2023 een aanmaningsbrief aan Griekenland heeft gestuurd wegens het niet volledig conform omzetten van alle bepalingen van de richtlijn tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (Richtlijn 2013/33/EU).1
Heeft u gesproken met uw Griekse collega over procedure INF(2022)2156? Zo nee, waarom niet en wanneer zal u dit wel doen? Zo ja, wat is er uit die gesprekken gekomen?
In mijn gesprekken met collega-bewindspersonen van andere lidstaten, de Commissie en tijdens besprekingen van de Raad, komen de brede bilaterale en EU-agenda aan de orde. Daarbij wordt van geval tot geval bezien of het opportuun is om aandachtspunten, zoals door het voormalige Lid Koekoek aangedragen, op te brengen.
Tijdens een ontmoeting met mijn Griekse collega en marge van de JBZ-Raad van 13 en 14 oktober 2025 in Luxemburg heb ik in het kader van de implementatie van het Asiel- en Migratiepact en het solidariteitsmechanisme benadrukt dat het van belang is voor Nederland dat lidstaten hun verplichtingen in het kader van Dublin nakomen. Daarvoor is het essentieel dat er adequate opvang beschikbaar is in lijn met de verplichtingen zoals vastgelegd in de opvangrichtlijn. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Heeft u procedure INF(2022)2156 besproken binnen de Europese Raad en met de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet en wanneer zal u dit wel doen? Zo ja, wat is er uit die gesprekken gekomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid uw Griekse ambtsgenoot aan te spreken over de niet proportionele beperkingen die worden opgelegd aan organisaties die essentiële hulp verlenen aan vluchtelingen en migranten?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u tevens bereid de Europese Commissie op te roepen het Griekse registratiekader voor ngo’s volledig en spoedig te evalueren op verenigbaarheid met het EU-recht en internationale normen en wetgeving?
In het jaarlijkse rechtstaatrapport heeft de Commissie in het landenhoofdstuk over Griekenland aandacht besteed aan de registratievereisten voor NGO’s2. Tijdens de Raad Algemene Zaken vinden op basis van dit rapport landenspecifieke rechtsstaatdialogen plaats3. Nederland treedt in Benelux-verband op en bevraagt lidstaten daarin over ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat, en wisselt ook best practices uit. Deze dialoog biedt een goede gelegenheid om op Europees niveau over zorgwekkende ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat te spreken. Het kabinet vindt het preventief en structureel monitoren van de rechtsstaat in de Unie van groot belang, zodat in een vroeg stadium rechtsstatelijke problemen in de Unie kunnen worden geïdentificeerd, besproken en gezamenlijk tot oplossingen wordt gekomen.
Het bericht 'RvS keihard over schrappen voorrang statushouders: strijdig met de Grondwet' |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «RvS keihard over schrappen voorrang statushouders: strijdig met de Grondwet»?1
Ja.
Hoe garandeert u dat deze oplossingen daadwerkelijk vóór de ingangsdatum van de wet resultaat opleveren? Is hiervoor extra inspanning van het kabinet nodig? Zo ja, om welke inspanningen gaat het dan?
Het voorgestelde verbod op voorrang moet in samenhang gezien worden met verschillende andere wettelijke maatregelen2 met het beoogde effect om grip te krijgen op asielmigratie. De wetsvoorstellen inzake asielnoodmaatregelen en de invoering van het twee statusstelsel zijn op 3 juli 2025 door de Tweede Kamer aangenomen. Ook wordt gewerkt aan de implementatie van het Europese migratiepact. Het kabinet is neemt daarbij als uitgangspunt dat er voor vergunninghouders – net zoals voor iedere andere woningzoekende – in beginsel sprake is van een eigen verantwoordelijkheid om indien mogelijk te voorzien in de huisvesting, bijvoorbeeld bij vrienden of familie. Verder kunnen zij zelf mogelijk een woning kopen of huren (in het particulier segment, onzelfstandig, bij een hospita, of anderszins), of kunnen zij een beroep doen op hun werkgever als zij werk hebben.
In de brief over het samenhangend pakket aan maatregelen die op 11 juli aan uw Kamer is verstuurd3, licht het kabinet toe welke maatregelen verder moeten zorgen voor voldoende uitstroom uit de asielopvang. Dit gaat om het uitbreiden van huisvestingsmogelijkheden voor statushouders, door onder meer de realisatie van meer (tijdelijke) woningvoorraad en de inzet op woningdelen. Het kabinet ondersteunt gemeenten hierbij met verschillende financiële regelingen. Zo kunnen gemeenten momenteel gebruikmaken van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT), de bekostigingsregeling doorstroomlocaties en de regeling voor een eenmalige bijdrage bij uitstroom naar onzelfstandig wonen of tijdelijk onderdak (HAR+). De regeling doorstroomlocaties en de HAR+, die ook kunnen worden ingezet voor onzelfstandige verhuur (woningdelen), hebben als doel om de uitstroom van statushouders te versnellen. Daarnaast wil het kabinet gemeenten nog extra ondersteunen bij het plaatsen van tijdelijke woningen. Hiertoe bereid ik een aanpassing op de SFT-regeling voor. Het voornemen is om deze regeling met een jaar te verlengen tot en met 2027. Het budget wil ik tevens verhogen naar € 178,5 miljoen. In aanvulling op de bijdrage aan de onrendabele business case van € 14.000,– per woning, ontvangen gemeenten ook € 6.000,– per woning voor sociaal beheer. Mijn voornemen is dat ook onzelfstandige woonruimten en splitsen van woonruimte onder deze regeling gaan vallen.
Naast deze inzet op de uitbreiding van de huisvestingsopties voor statushouders, wordt in het wetsvoorstel een gefaseerde inwerkingtreding van het verbod op voorrang voorgesteld. In het eerste jaar na inwerkingtreding van het verbod op voorrang (de implementatiefase), blijft het namelijk mogelijk om alleenstaande statushouders voorrang te geven wanneer zij gaan wonen in onzelfstandige woonruimte (woningdelen). Dit is behulpzaam om woningdelen voor alleenstaande statushouders de norm te maken. Daarnaast versterken we de aanpak om statushouders de gelegenheid te bieden om sneller mee te kunnen doen in de Nederlandse samenleving, door extra inzet op taalverwerving, participatie en inburgering.
Het kabinet verwacht dat de instroombeperkende maatregelen, in combinatie met de voorgestelde fasering en de inzet op het uitbreiden van huisvestingsopties en het laten meedoen van statushouders in de samenleving, zullen leiden tot een genormaliseerde positie van vergunninghouders ten opzichte van andere woningzoekenden op de woningmarkt.
Kunt u exact aangeven welke oplossingen u voor ogen heeft om te voorkomen dat statushouders langer in opvanglocaties moeten blijven als hun voorrang bij sociale huurwoningen verdwijnt?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke manier gaat u bijhouden of de extra maatregelen – zoals bijvoorbeeld flexwoningen, doorstroomlocaties of versnelling van nieuwbouw – ook echt leiden tot voldoende huisvesting voor statushouders?
In het maandelijks gepubliceerde «overzicht huisvesting vergunninghouders4», wordt per gemeente bijgehouden hoeveel statushouders er uitstromen en hoe groot eventuele achterstanden op de huisvestingstaakstelling zijn. Daarnaast kan ik monitoren in hoeverre gemeenten gebruikmaken van de beschikbare financiële regelingen.
Hoeveel specifieke doorstroomlocaties voor statushouders zijn er tot dusver gerealiseerd? Wat is de totale capaciteit van al deze gerealiseerde doorstroomlocaties?
Op dit moment zijn er 27 operationele doorstroomlocaties met een totale capaciteit van circa 1.200 plekken.
Kunt u uiteenzetten hoeveel tijdelijke woningen voor statushouders er zijn gerealiseerd, uitgesplitst naar dit jaar, volgend jaar en wat er de komende jaren in de pijpleiding zit?
Ik heb geen totaalbeeld van het aantal tijdelijke woningen dat voor statushouders is of wordt gerealiseerd. Het is aan gemeenten om woningen aan specifieke doelgroepen toe te kennen. Ik weet wel aan hoeveel woningen er vanuit de stimuleringsregelingen voor flex- en transformatiewoningen (STIM en SFT) is bijgedragen ten behoeve van de huisvesting van statushouders en ontheemden. Zie de tabel hieronder. Het totale aantal woningen dat beschikbaar is voor statushouders ligt hoger, omdat er ook buiten deze regelingen om tijdelijk woningen gerealiseerd worden ten behoeve van statushouders.
2025
2026
2027
2028
STIM 2022
1.500
500
SFT 2023 / 2024 / 2025
600
1.100
300
SFT 2026 / 2027
1.400
1.400
Flexwoningen op basis van toekenningen/aanvragen t.b.v. statushouders, rekening houdend met 30% voor statushouders/ontheemden in project of andere locatie in de gemeente.
Kunt u reflecteren op het feit dat er veel tijdelijke woningen op dit moment in de opslag staan en wachten totdat ze ergens in het land geplaatst kunnen worden?
Ik heb geen signalen dat er op dit moment veel tijdelijke woningen in opslag staan. De eerder door het Rijk via het Rijksvastgoedbedrijf ingekochte flexwoningen zijn allemaal verkocht.
Wat gaat u de komende tijd doen om te zorgen dat de tijdelijke woningen geplaatst kunnen gaan worden? Welke mogelijkheden heeft u daarvoor?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bekend met het concept MerWijde in Arnhem van corporaties Vivare en Volkshuisvesting Arnhem, waarbij er 147 tijdelijke huizen worden gebouwd die speciaal bedoeld zijn voor spoedzoekers en statushouders, ook als integratielocaties? Bent u bereid om te kijken of er op korte termijn vergelijkbare projecten op andere locaties in het land kunnen worden gerealiseerd? Waarom wel, waarom niet?
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik stimuleer gemeenten om dergelijke projecten te realiseren met de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT). Deze regeling wordt aangepast naar een SFT+ om de realisatie van huisvesting voor urgent woningzoekenden, waaronder statushouders, verder te stimuleren.
Hoe verloopt op dit moment de samenwerking met gemeenten voor het realiseren van tijdelijke woningbouwlocaties en het realiseren van tijdelijke huisvesting? Kunt u hierop reflecteren?
Het is van belang dat zoveel mogelijk tijdelijke locaties worden benut door hier verplaatsbare woningen op te realiseren. Om gemeenten, corporaties en investeerders hierin financieel te ondersteunen heb ik in nauwe samenwerking met gemeenten en corporaties enkele regelingen beschikbaar gesteld, zoals de SFT-regeling en de financiële herplaatsingsgarantie voor flexwoningen. Daarnaast bied ik gemeenten kennis en expertise aan van experts bij het RVO. Deze experts adviseren gemeenten over de haalbaarheid van de businesscase bij tijdelijke inzet van verplaatsbare woningen. Op de Woontop in december 2024 heb ik met 7 gemeenten samenwerkingsafspraken gemaakt om vanaf 2026 ongeveer 2.500 modulaire woningen te plaatsen en voor circa 1.800 verplaatsbare woningen achtervanglocaties in te richten. Op die achtervanglocaties kunnen woningen, die na afloop van de tijdelijke plaatsing elders moeten worden herplaatst, een definitieve bestemming krijgen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Dit heb ik zoveel mogelijk gedaan.
Het bericht dat minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeilde in de aanpak van de crisis rond Ter Apel |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe Minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeild werden in de crisis rond Ter Apel»?1
Ja.
Kunt u het KMPG-rapport inzake «project uitwerking Instroombeperkende maatregelen asiel» afzonderlijk aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Dit departementaal rapport, dat met ondersteuning van KPMG tot stand is gekomen, is toegevoegd aan de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Koops (Nieuw Sociaal Contract) over het krantenartikel «Hoe Minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeild werden in de crisis rond Ter Apel».
Kunt u aangeven wat de kosten waren voor het inhuren van KMPG voor deze opdracht? Zo nee, waarom niet?
De kosten van de inhuur betroffen € 70.952,90 incl. BTW.
Kunt u toelichten waarom de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (DWJZ) niet is betrokken bij de voorbereiding en vormgeving van de brief van 26 augustus 2022 (Kamerstuk 19 637, nr. 2992) en hierover dus geen advies heeft kunnen uitbrengen?
In de snelheid van het proces is DWJZ niet betrokken geweest bij het opstellen van de brief van 26 augustus 2022. Daarbij past de kanttekening dat er als gebruikelijk regelmatig contact was over het asiel- en migratiedossier tussen de beleidsmedewerkers van het – toenmalige – directoraat-generaal Migratie (DGM) en de wetgevingsjuristen van DWJZ. Tussen DWJZ en DGM is over verschillende onderwerpen genoemd in deze brief eerder inhoudelijk contact geweest. Van het willens en wetens passeren van DWJZ door de toenmalige bewindspersonen is dan ook geen sprake.
Klopt het dat de Minister van J&V in 2022 de hele zomer om meekijken door DWJZ heeft gevraagd bij de opstelling van de brief van 26 augustus 2022, zoals de Minister dat zelf aangeeft en kunt u dat onderbouwen met documenten? Zo ja, hoe rijmt u dat met de volgende opmerking vanuit de directie DWJZ: «Verder zijn wij op geen enkele manier betrokken geweest bij de totstandkoming van deze brief waarin onder meer een wetgevingstraject wordt aangekondigd»?2
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid heeft inderdaad deze opmerking in de kantlijn van het memo van 8 september 2022 geplaatst. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 4 is er in de periode die vooraf ging aan het opstellen van de brief van 26 augustus 2022 over verschillende onderwerpen uit deze brief inhoudelijk contact geweest tussen DGM en DWJZ. DWJZ is in de snelheid van het proces echter niet, zoals gebruikelijk, betrokken geweest bij het opstellen van de brief. Vandaar dat DWJZ de Minister in het memo van 8 september 2022 heeft geïnformeerd over de juridische consequenties van deze brief.
Kunt u de onderliggende stukken die hebben geleid tot het niet betrekken van DWJZ bij de brief van 26 augustus 2022 aan de Kamer toedoen komen?
Ik ben niet bekend met dergelijk stukken.
Hoe rijmt u de reactie van het Ministerie van J&V op het NRC-artikel waarbij wordt gesteld dat er geen aanleiding was om de brief voor extra advies voor te leggen aan DWJZ, terwijl de Minister van J&V stelt de hele zomer om meekijken door DWJZ heeft gevraagd bij de opstelling van de brief?
Zie de antwoorden op vragen 4 en 5.
Kunt u het stoplichtdocument, waarbij «het licht voor de nareismaatregel op rood stond», aan de Kamer doen toekomen? En kunt u aangeven waarom dit document niet mee is gestuurd bij de beantwoording van eerdere Kamervragen in 2022 hierover, waarbij expliciet is gevraagd naar de onderliggende juridische analyses van dit besluit?3
Het zogenaamde «stoplichtdocument» betrof een ambtelijk concept dat in kleuren duiding gaf aan denkbare maatregelen. Het betrof een eerste concept dat kort daarna is omgezet in een document dat niet langer in kleuren duiding gaf. Het onderdeel over de nareismaatregel van dat laatste document is destijds opgenomen in de bijlage bij de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Kröger en Piri over de intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken.4 Het zogenaamde «stoplichtdocument» is aan de beantwoording toegevoegd.
Kunt u toelichten waarom het ministerie, ondanks interne juridische adviezen, tegen elke uitspraak in hoger beroep is gegaan en kunt u de onderliggende documenten van dit advies en de documenten die hebben geleid tot deze keuze aan de Kamer doen toekomen?
De IND is niet tegen elke negatieve beroepsuitspraak in hoger beroep gegaan die zag op nieuwe maatregelen die genomen waren. De IND is terughoudend als het gaat om instellen van hoger beroep en weegt steeds af of er een zaaksoverstijgend belang is waardoor hoger beroep is aangewezen zoals ook in onderhavige zaken is gedaan.
Hoe rijmt u, ten aanzien van de maatregel om nareis te beperken tot de referent huisvesting heeft, de uitspraak van de Staatssecretaris van J&V in het debat in 2022 waarbij hij stelde: «En de ambtenaren zeggen niet dat het niet kan, maar ze zeggen heel nadrukkelijk wel dat – ik citeer – de juridische houdbaarheid geen zekerheid is»4, met de volgende constateringen van de ambtenaren, «geen begaanbare juridische weg»5 en «kan niet»6 en de constatering van DWJZ: «juridisch niet te rechtvaardigen»7? En hoe rijmt u de uitspraak van de Staatssecretaris van J&V in het debat met het feit dat in het stoplichtdocument het licht voor de nareismaatregel op rood stond? Is naar uw oordeel de Kamer onjuist of onvolledig geïnformeerd ten aanzien van de haalbaarheid van deze maatregel? Zo nee, waarom niet?
Naast de aangehaalde uitspraak van de Staatssecretaris blijken de juridische kanttekeningen die ambtelijk werden geplaatst ook uit de bijlage bij de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Kröger en Piri over de intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken.9 Ik zie dan ook geen reden om vast te stellen dat de Tweede Kamer destijds niet juist en volledig zou zijn geïnformeerd.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voor het commissiedebat over vreemdelingen- en asielbeleid van 2 oktober 2025?
De beantwoording is zo spoedig mogelijk naar de Tweede Kamer gestuurd.
Het NOS-artikel ‘Raad van State kraakt plan om voorrang statushouders te schrappen, Keijzer zet door’ |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van dit artikel?1
Ja.
Hoe weegt u het advies van de Raad van State af tegen uw politieke doelstelling om Nederlandse woningzoekenden voorrang te geven?
Het kabinet beoogt met het wetsvoorstel nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders een gelijk speelveld te creëren voor reguliere woningzoekenden en statushouders. De Raad van State heeft over dit wetsvoorstel een advies gegeven. Ik heb dit advies zorgvuldig bestudeerd. In het nader rapport, dat inmiddels met het wetsvoorstel bij uw Kamer is ingediend, wordt op de inhoud van het advies ingegaan.
Hoe verzoent u het schrappen van voorrang voor statushouders met het grondrecht op gelijke behandeling?
Ik deel met de Raad van State het belang van een gelijke behandeling voor iedereen in Nederland. Daarbij moet worden opgemerkt dat het recht op gelijke behandeling, zoals vervat in onder meer artikel 1 van de Grondwet, in de eerste plaats betekent dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. Zoals in het nader rapport is toegelicht acht het kabinet het voorgestelde verbod op voorrang objectief gerechtvaardigd en heeft het kabinet daarom besloten het voorstel in te dienen bij uw Kamer. Door het verbod op voorrang wordt een meer gelijke positie tussen statushouders en andere woningzoekenden nagestreefd. Op deze manier wordt in de praktijk juist de gelijke behandeling bevorderd.
Hoe bent u van plan tot een grondrechtelijk juiste oplossing te komen?
Ik ben van mening dat er in het wetsvoorstel sprake is van een objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. Het voorgestelde verbod op voorrang moet in samenhang gezien worden met verschillende andere wettelijke maatregelen2 met het beoogde effect om grip te krijgen op asielmigratie. De wetsvoorstellen inzake asielnoodmaatregelen en de invoering van het twee statusstelsel zijn op 3 juli 2025 door de Tweede Kamer aangenomen. Ook wordt gewerkt aan de implementatie van het Europese migratiepact. Het kabinet neemt daarbij als uitgangspunt dat er voor statushouders – net zoals voor iedere andere woningzoekende – in beginsel sprake is van een eigen verantwoordelijkheid om indien mogelijk te voorzien in de huisvesting, bijvoorbeeld bij vrienden of familie. Verder kunnen zij zelf mogelijk een woning kopen of huren (in het particulier segment, onzelfstandig, bij een hospita, of anderszins), of kunnen zij een beroep doen op hun werkgever als zij werk hebben.
In de brief over het samenhangend pakket aan maatregelen die op 11 juli aan uw Kamer is verstuurd3, licht het kabinet toe welke maatregelen verder moeten zorgen voor voldoende uitstroom uit de asielopvang. Dit gaat om het uitbreiden van huisvestingsmogelijkheden voor statushouders, door onder meer de realisatie van meer (tijdelijke) woningvoorraad en de inzet op woningdelen. Het kabinet ondersteunt gemeenten hierbij met verschillende financiële regelingen. Zo kunnen gemeenten momenteel gebruikmaken van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT), de bekostigingsregeling doorstroomlocaties en de regeling voor een eenmalige bijdrage bij uitstroom naar onzelfstandig wonen of tijdelijk onderdak (HAR+). De regeling doorstroomlocaties en de HAR+, die ook kunnen worden ingezet voor onzelfstandige verhuur (woningdelen), hebben als doel om de uitstroom van statushouders te versnellen. Daarnaast wil het kabinet gemeenten nog extra ondersteunen bij het plaatsen van tijdelijke woningen. Hiertoe bereid ik een aanpassing op de SFT-regeling voor. Het voornemen is om deze regeling met een jaar te verlengen tot en met 2027. Het budget wil ik tevens verhogen naar € 178,5 miljoen. In aanvulling op de bijdrage aan de onrendabele business case van € 14.000,– per woning, ontvangen gemeenten ook € 6.000,– per woning voor sociaal beheer. Mijn voornemen is dat ook onzelfstandige woonruimten en splitsen van woonruimte onder deze regeling gaan vallen.
Naast deze inzet op de uitbreiding van de huisvestingsopties voor statushouders, wordt in het wetsvoorstel een gefaseerde inwerkingtreding van het verbod op voorrang voorgesteld. In het eerste jaar na inwerkingtreding van het verbod op voorrang (de implementatiefase), blijft het namelijk mogelijk om alleenstaande statushouders voorrang te geven wanneer zij gaan wonen in onzelfstandige woonruimte (woningdelen). Dit is behulpzaam om woningdelen voor alleenstaande statushouders de norm te maken. Daarnaast versterken we de aanpak om statushouders de gelegenheid te bieden om sneller mee te kunnen doen in de Nederlandse samenleving, door extra inzet op taalverwerving, participatie en inburgering.
Het kabinet verwacht dat de instroombeperkende maatregelen, het beroep op de eigen verantwoordelijkheid van statushouders, de inzet op het uitbreiden van huisvestingsopties, de voorgestelde fasering en het sneller laten meedoen van statushouders in de samenleving, zullen leiden tot een genormaliseerde positie van statushouders ten opzichte van andere woningzoekenden op de woningmarkt.
Wat is uw zienswijze op het feit dat de Raad van State het «niet realistisch» noemt dat aangekondigde maatregelen voor statushouders op tijd effect hebben?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe bent u van plan de aangekondigde maatregelen wel op tijd effectief te laten zijn voor statushouders?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u verder onderzocht of er alternatieve maatregelen mogelijk zijn waarmee statushouders niet volledig benadeeld worden, en wat kwam er uit dit onderzoek?
Het doel van het verbod op voorrang is om een gelijk speelveld voor statushouders en andere woningzoekenden te creëren. De maatregelen die het kabinet hiervoor neemt zijn beschreven in de brief van 11 juli over het samenhangend pakket aan maatregelen, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4, 5 en 6.
Bent u bekend met het gegeven dat volgens het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) 6 tot 10% van de vrijgekomen sociale huurwoningen naar statushouders gaat?
Ja.
Is dit percentage het juiste percentage en zo niet, wat is dan wel het juiste percentage, waarom en wat is de bron?
Wiskundige en cultureel antropoloog dr. Jan van de Beek stelt dat er een vergelijking gemaakt moet worden met de groep waarmee statushouders daadwerkelijk concurreren – namelijk woningzoekenden die nog geen corporatiewoning huren en in het bijzonder jonge sociale huurstarters met een laag inkomen4. In de vergelijking die hij maakt gebruikt hij een groep inwoners die voldoet aan vergelijkbare kenmerken als statushouders en die begon met het huren van een corporatiewoning tussen 2015 en 2018. Van de Beek schatte op basis hiervan in dat, gedurende de periode 2015–2018, gemiddeld per jaar ongeveer 32% van het aantal vrijgekomen huurwoningen waarvoor sociale huurstarters met een leeftijd tot 65 jaar en een laag inkomen in aanmerking komen aan statushouders werd toegewezen.
Het algemene toewijzingspercentage ligt wel rond de in vraag 8 genoemde percentages. Een meerderheid van de woningcorporaties rapporteerde dat in 2024 het algemene toewijzingspercentage ongeveer rond de 7,4% lag. Dit is in lijn met een publicatie van het CBS uit maart dit jaar waarin wordt gesteld dat het algemene toewijzingspercentage in 2022 op ongeveer 7% lag5.
Echter worden vrijwel alle typen zelfstandige sociale huurwoningen en manieren van toewijzing meegenomen in de hierboven genoemde algemene toewijzingspercentages. Gedeelde woningen niet, deze zijn niet meegenomen in de rapportage van de woningcorporaties of de publicatie van het CBS. Het CBS rapporteert in de genoemde rapportage wel toewijzingen aan huishoudens die geen vrije woning achterlaten. Als gekeken wordt naar deze groep dan bedraagt het percentage woningen toegewezen aan statushouders in 2022 12%. Hierin worden echter nog steeds doelgroepenwoningen, zoals woningen voor ouderen, meegenomen evenals doorstromers die geen vrije woning achterlaten.
Dit betekent dat de vergelijking met een reguliere starter in de sociale huursector die niet in aanmerking komt voor een doelgroepenwoning (zoals een woning bedoeld voor ouderen) niet gemaakt kan worden op basis van de genoemde percentages. Om deze vergelijking te maken zijn meer gegevens nodig die nu niet voorhanden zijn. Ik werk aan een verrijking van bestaande gegevens en verbetering van gegevensverzameling om in de komende periode tot een completer beeld te komen.
Worden alle typen sociale huurwoningen en situaties waarop deze woningen vrijkomen (denk aan nieuwe woningen, doorstroom etc.) in dit percentage meegenomen, zo niet wat dan wel en waarom is de keuze gemaakt om met deze data te komen tot het juiste percentage?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe verschilt het percentage tussen de starters en statushouders per gemeente uitgesplitst naar kleine, middel, middelgrote en grote gemeenten?
Hierover zijn op dit moment geen gegevens bekend.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn bij het verkrijgen van voorrang voor statushouders op een sociale huurwoning voor de wachttijd van niet-statushouders die op de wachtlijst staan?
Als een sociale huurwoning aan een huishouden met statushouders wordt toegewezen, dan is deze woning niet meer beschikbaar voor andere woningzoekenden op de wachtlijst. Zij zullen dan dus over het algemeen langer moeten wachten op toewijzing van een woning. Het is moeilijk om te bepalen in welke mate de wachttijd toeneemt. Er zijn in Nederland meer dan 40 verschillende woonruimteverdeelsystemen, die allemaal een andere systematiek voor het toewijzen van woningen kunnen gebruiken. De werkelijke wachttijd wordt dus altijd lokaal bepaald. Daarnaast zijn er nog andere factoren die het bepalen van de wachttijd complex maken.
Wat is het percentage statushouders dat een vrijgekomen sociale huurwoning bemachtigt in verhouding tot de starters op de woningmarkt die op de wachtlijst staan voor een sociale huurwoning?
Zoals eerder gezegd is dit niet te bepalen op basis van de huidig beschikbare gegevens en hangt dit ook af van de gekozen definitie van een starter en startershuishouden. Bij gebrek aan beschikbare gegevens heeft dr. Jan van de Beek wel een beredeneerde schatting hiervan gemaakt, hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 10.
Kunt u deze vragen één voor één voor het verkiezingsreces beantwoorden?
Ik heb de antwoorden zoveel als mogelijk één voor één beantwoord. Dit is niet gelukt binnen de gevraagde termijn in verband met de benodigde (interdepartementale) afstemming. Daarnaast vond de behandeling van het wetsvoorstel in de ministerraad pas plaats toen het verkiezingsreces al begonnen was.
Het bericht dat Oekraïense mannen zelf huisvesting moeten regelen |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Keijzer: Oekraïense mannen moeten zelf huisvesting gaan regelen»?1
Ja.
Kunt u aangeven op welke termijn u van plan bent om mannen die werken uit te zonderen van de rechten die ze hebben op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming?
Er is de ruimte om ontheemden die daartoe in staat zijn en bereid zijn, omdat zij bijvoorbeeld een inkomen hebben, zelfstandig een woonplek te laten zoeken. Gebruikmaking van deze ruimte hiervan acht ik wenselijk en ook gerechtvaardigd doordat de opvangcapaciteit voor ontheemden tegen zijn grenzen aanloopt. Er zijn zo goed als geen opvangplekken meer beschikbaar en dit levert schrijnende situaties op voor de meest kwetsbaren onder de doelgroep, zoals gezinnen met kinderen. Daarom moedig ik ontheemden die hiertoe bereid en bij machte zijn zelf een plek te zoeken. Er zijn al ontheemden die dat is gelukt. Zo blijft er ruimte voor hun meer kwetsbare landgenoten in de opvang. Wel blijven ontheemden uit Oekraïne die aan de voorwaarden van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) voldoen, recht hebben op bescherming. Dit vloeit voort uit de RTB waaraan Nederland is gebonden en is neergelegd in de Tijdelijke Wet Opvang ontheemden Oekraïne (TWOO). Het is niet mogelijk hierop eigenstandig specifieke doelgroepen uit te zonderen. Daarnaast verken ik met de VNG en andere betrokkenen hoe we redelijk en billijk met de nu ontstane situatie aan krapte om kunnen gaan en kunnen bezien wie op welk bed geplaatst wordt, met inachtneming van het recht op bescherming zoals dit is voorgeschreven in de RTB. Ik verwacht binnenkort meer te kunnen delen.
Kunt u concretiseren welke doelgroep specifiek u van plan bent uit te zonderen en kunt u aangeven hoe hoog het inkomen dan moet zijn?
Ontheemden uit Oekraïne die zichzelf kunnen redden en bereid zijn om zelfstandig een woonplek te regelen, vraag ik met klem dit te doen.
Bent u voornemens om vervolgens vrouwen die werken uit te zonderen van de opvang? Zo nee, waarom niet?
Er zullen ongetwijfeld (ook) Oekraïense vrouwen zijn die zichzelf kunnen redden en bereid zijn om een eigen woonplek te realiseren. Ook aan hen geldt mijn oproep. Door middel van deze oproep torn ik niet aan het recht op opvang, maar beoog ik de meest kwetsbaren onder de doelgroep als eerste te kunnen blijven opvangen.
Klopt het dat u stelt dat de Richtlijn ruimte biedt om mensen terug te sturen naar het land waar ze eerder waren, of om te vragen zelf onderdak te regelen? Zo ja, kunt u artikelen in de Richtlijn aanwijzen die deze ruimte zouden moeten bieden?
In het kader van de laatste verlenging van de tijdelijke bescherming tot en met 4 maart 2027 die onlangs plaatsvond2, met behoud van de op EU niveau afgegeven verklaring over het niet toepassen van artikel 11 van de RTB, is de mogelijkheid opgenomen dat lidstaten geen tijdelijke bescherming hoeven te verlenen aan ontheemden uit Oekraïne die al tijdelijke bescherming hebben in een andere EU-lidstaat (overweging 5 verlengingsbesluit). Ik bekijk momenteel met de IND hoe we hier invulling aan kunnen geven. Dit zou dan in principe per 4 maart 2026 ingaan, omdat deze verlenging dan ingaat. Ik verwacht uw Kamer hierover dit najaar nader te kunnen informeren. Voorgenoemd artikel 11 van de RTB3 stelt dat een persoon met tijdelijke bescherming in een EU-lidstaat, dat land die persoon mag terugsturen als diegene zonder toestemming in een ander EU-land is of daar probeert te komen. Sinds het begin van de grootschalige Russische invasie is er in EU-verband evenwel onvoldoende steun voor toepassing van artikel 11 van de RTB. Daarom is een verklaring4 afgegeven dat artikel 11 van de RTB niet wordt toegepast in solidariteit met lidstaten die door activering onevenredig worden belast.
Er kan aan ontheemden uit Oekraïne die zichzelf kunnen redden, omdat zij bijvoorbeeld een inkomen hebben worden gevraagd om een eigen woonplek te regelen.5 In het langetermijnbeleid dat ik, samen met betrokken departementen, uitwerk, zet ik in op een transitie naar huisvesting. Het doel is normaliseren zodat ontheemden op basis van hun inkomen huur kunnen gaan betalen.
Artikel 13 (1) van de RTB stelt dat de EU-lidstaten ervoor dienen te zorgen dat de begunstigden van tijdelijke bescherming een fatsoenlijk onderkomen krijgen of, in voorkomend geval, middelen ter beschikking krijgen om huisvesting te vinden. Dat betekent dat aan ontheemden middelen ter beschikking gesteld kunnen worden ten behoeve van huisvesting, of bij vaststelling van voldoende inkomen, dat hen gevraagd wordt zelf in huisvesting te voorzien. Het inregelen en uitvoeren van een dergelijke systematiek hiervoor onder de RTB vergt een aanpassing van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) en mogelijk ook de Tijdelijke Wet opvang ontheemden Oekraïne (TWOO). Daarnaast vergt dit substantiële inzet van gemeenten en doen zich complicerende factoren voor, waaronder het gebrek aan een sociaal vangnet, de krapte op de woningmarkt en de sociaaleconomische positie van ontheemden uit Oekraïne die maken dat huren of kopen naar verwachting voor weinig ontheemden in de gemeentelijke opvang is weggelegd.
In hoeverre verwacht u dat dit besluit juridisch standhoudt?
Als ik deze vraag zo moet lezen dat met besluit wordt bedoeld, het vragen aan ontheemden om zelf in een woonplek te voorzien als ze daartoe bij machte zijn, dan is dit juridisch mogelijk. Zoals hierboven benoemd, is het juridisch niet mogelijk specifieke groepen ontheemden uit Oekraïne uit te zonderen van het recht op opvang onder de RTB. Het niet verstrekken van tijdelijke bescherming aan ontheemden die tijdelijke bescherming in een andere lidstaat hebben, wordt als onderdeel van het RTB-verlengingsbesluit onderzocht. Hierbij wordt ook zorgvuldig gekeken naar de juridische basis voor de afwijzing.
Heeft u in kaart hoe groot de groep is die u voornemens bent uit te zonderen van de gemeentelijke opvang?
Nee. In zijn algemeenheid kan ik uw Kamer melden dat begin september 2025 ongeveer 132.000 ontheemden uit Oekraïne zijn ingeschreven in de BRP en er circa 98.000 gemeentelijk opvangplekken zijn gerealiseerd. Ongeveer 95.000 ontheemden vallen in de leeftijdscategorie van 18–65 jaar. Circa 60.000 ontheemden van deze leeftijdscategorie zijn vrouw en circa 35.000 man. Het merendeel van de ontheemden heeft een baan, vaak onder hun eigen niveau en in laagbetaalde sectoren.
Zoals hierboven vermeld, betreft het een oproep om zelf in opvang te voorzien, en is geen sprake van het onthouden van het recht op opvang.
Erkent u dat Oekraïense mannen vaak werken in laagbetaalde, tijdelijke of flexibele banen en dat de kans dat ze zonder goede opvang op straat belanden, slachtoffer worden van arbeidsuitbuiting en malafide huisbazen groter wordt?
In zijn algemeenheid zien we ook dat ontheemden, waaronder de mannen, veelal tijdelijke banen hebben en in sectoren werken waar de salarissen doorgaans niet hoog zijn. Uit onderzoek van het CBS volgt dat op 1 mei 2025 61% van de ontheemden uit Oekraïne tussen de 15- en 65 jaar in loondienst werkte.6 In de leeftijdscategorie 15–25 jaar werkte 52% in loondienst. Onder mannen was het aandeel werkenden 59%. De meeste ontheemden werkten op dat moment als uitzendkracht (36%), oproepkracht (23%), of hadden een ander tijdelijk dienstverband (28%). Uit onderzoek7 blijkt dat veel ontheemden uit Oekraïne financiële zorgen hebben en moeite hebben om rond te komen.
Er is een risico dat zij, wanneer zij geen aanspraak kunnen maken op opvangvoorzieningen, extra kwetsbaar worden voor slechte leef- en werkomstandigheden. Een grotere afhankelijkheid van werkgevers, bijvoorbeeld voor de huisvesting, kan leiden tot misstanden en uitbuiting van ontheemden uit Oekraïne. Deze problematiek is ook zichtbaar onder arbeidsmigranten. Het kabinet heeft daarvoor verschillende maatregelen getroffen.8
Verwacht u dat deze maatregel negatieve effecten zou kunnen hebben op de bereidheid om te werken? Zo nee, waarom niet?
De inzet van het kabinet blijft om belemmeringen om te werken zoveel mogelijk weg te nemen. Werk is voor nieuwkomers in Nederland, waaronder ontheemden uit Oekraïne, onder andere belangrijk voor het meedraaien in de Nederlandse samenleving en draagt daarmee bij aan het versterken van hun (financiële) zelfredzaamheid.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voor het commissiedebat vreemdelingen- en asielbeleid van 2 oktober 2025?
Ja.
Het krantenartikel 'Hoe minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeild werden in de crisis rond Ter Apel' |
|
Willem Koops (NSC) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in NRC «Hoe Minister Yesilgöz in 2022 KPMG inschakelde en interne juristen omzeild werden in de crisis rond Ter Apel» van zondag 14 september jl.?1
Ja.
Is het juist dat tot de kerntaken van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken (DWJZ) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid behoren:
Ja. Daarbij wordt opgemerkt dat de rijksbrede verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van wet- en regelgeving thans is belegd bij de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Klopt het dat bij de totstandkoming van de brief aan de Tweede Kamer van 26 augustus 2022 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid2 DWJZ «op geen enkele manier betrokken is geweest»?
In de snelheid van het proces is DWJZ niet betrokken geweest bij het opstellen van de brief van 26 augustus 2022. Daarbij past de kanttekening dat er als gebruikelijk regelmatig contact was over het asiel- en migratiedossier tussen de beleidsmedewerkers van het – toenmalige – directoraat-generaal Migratie (DGM) en de wetgevingsjuristen van DWJZ. Tussen DWJZ en DGM is over verschillende onderwerpen genoemd in deze brief eerder inhoudelijk contact geweest. Van het willens en wetens passeren van DWJZ door de toenmalige bewindspersonen is dan ook geen sprake.
Waarom is DWJZ door notabene haar eigen toenmalige bewindslieden willens en wetens gepasseerd bij de totstandkoming van de brief d.d. 26 augustus 2022, ondanks haar spilpositie binnen de Rijksoverheid waar het gaat om wet- en regelgeving?
Zie antwoord vraag 3.
De toenmalige Minister voor Rechtsbescherming schreef in zijn brief van 16 december 2022 aan de Tweede Kamer: «Al vele jaren is het wetgevingskwaliteitsbeleid erop gericht te verzekeren dat wetgeving rechtmatig, doelmatig en doeltreffend is en dat rechtsbeginselen worden verwerkelijkt. Wetgeving moet beantwoorden aan de vereisten van subsidiariteit en evenredigheid en uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.»3 Hoe verhoudt het passeren van DWJZ zich tot deze uitspraak?
Het wetgevingskwaliteitsbeleid geldt als toetssteen bij de ambtelijke voorbereiding van concrete wetsvoorstellen en algemene maatregelen van bestuur. De verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van JenV voor het wetgevingskwaliteitsbeleid – zoals beschreven in de brief van zijn ambtsvoorganger (de Minister voor Rechtsbescherming) van 16 december 2022 over de Staat van de wetgeving – ziet op de rijksbrede kwaliteit van wetgeving en het wetgevingsproces. Daarvoor ontwikkelen zijn ambtenaren instrumenten zoals het Beleidskompas en de Aanwijzingen voor de regelgeving. Daarnaast toetsen zij geselecteerde wetten en algemene maatregelen van bestuur voordat deze in de ministerraad worden behandeld. In de brief van 26 augustus 2022 werden beleidsmatige voornemens binnen de bestaande wettelijke kaders en een aankondiging van een wetswijziging besproken. De brief van 26 augustus 2022 is daarmee geen concreet wetsvoorstel dat zich leent voor toetsing aan het wetgevingskwaliteitsbeleid. In deze eerdere fase van het beleid- en wetgevingsproces is er nog geen betrokkenheid van de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor het rijksbrede wetgevingskwaliteitsbeleid. Van het «passeren» van de toenmalig Minister voor Rechtsbescherming is derhalve geen sprake.
De eerder genoemde kwaliteitseisen voor de ontwikkeling en totstandkoming van wetgeving hebben hun invulling en uitwerking gekregen in de «Aanwijzingen voor de regelgeving» en het «Beleidskompas»: de opvolger van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving. Hoe verhoudt het passeren van DWJZ zich tot deze eisen, die strekken tot het borgen van de kwaliteit van wetgeving?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhouden de in de brief aan de Tweede Kamer van 26 augustus 2022 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aangekondigde tijdelijke en verdere maatregelen zich tot het wetgevingskwaliteitsbeleid, zoals door de Minister voor Rechtsbescherming beschreven in zijn brief aan de Tweede Kamer d.d. 16 december 2022?
Zie antwoord vraag 5.
Was de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming op de hoogte van de wijze van ontwikkeling en totstandkoming van de brief aan de Tweede Kamer d.d. 26 augustus 2022 van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid?
De brief van 26 augustus 2022 is tot stand gekomen na overleg binnen het kabinet, waarvan de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming ook deel uitmaakte. Zoals uiteengezet in het antwoord op de vragen 5, 6 en 7, was een advies van de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming over wetgevingskwaliteit destijds nog niet aan de orde.
Zo ja, heeft hij hierover geadviseerd aan zijn beide mede-bewindslieden op het ministerie (in het kader van het wetgevingskwaliteitsbeleid) en zo ja, hoe luidde zijn advies? Indien dit advies schriftelijk werd gegeven, bent u dan bereid het aan de Tweede Kamer over te leggen?
Zie antwoord vraag 8.
Indien de Minister voor Rechtsbescherming niet op de hoogte was van de totstandkoming van de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en niet in de gelegenheid is gesteld om te adviseren: waarom is dat niet gebeurd?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is precies de rol van de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid geweest bij de ontwikkeling en totstandkoming van de brief aan de Tweede Kamer van 26 augustus 2022, gelet op haar politiek-bestuurlijke eindverantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen van haar departement?
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid is steeds nauw betrokken geweest bij het proces dat heeft geleid tot de Kamerbrief.
Is het juist dat medewerkers van de DWJZ de Minister van veiligheid en justitie in een formeel memo op de hoogte hebben gesteld van het feit dat DWJZ «niet betrokken is geweest bij de voorbereiding en vormgeving van deze brief (die van 26 augustus 2022) en niet in de gelegenheid is geweest hierover te adviseren», en dat zij waarschuwden voor de juridische kwetsbaarheid van de daarin voorgestelde maatregelen?
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid is door DWJZ in het memo van 8 september 2022 gewezen op de juridische kwetsbaarheden van twee voorgestelde maatregelen in de brief van 26 augustus 2022. De in vraag 12 geciteerde passage was opgenomen in een ambtelijk concept van dit memo. Deze passage werd na ambtelijk overleg binnen DWJZ – verwijzend naar de aangekondigde maatregelen in de Kamerbrief van 26 augustus 2022 – vervangen door «DWJZ heeft hiervan kennis genomen».
De vraagstelling, meer in het bijzonder het werkwoord kuisen, kan ten onrechte de suggestie wekken dat er sprake zou zijn geweest van een vorm van druk om formuleringen in het genoemde memo aan te passen. Het is echter heel gangbaar dat ambtelijke memo’s naar aanleiding van interne overleggen, of bijvoorbeeld door gewijzigde omstandigheden of voortschrijdend inzicht van de opsteller, worden aangepast.
Kan worden bevestigd dat de interne memo van DWJZ aan de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid later «is gekuist» en zij «een nieuwe schone versie» heeft gekregen? Waarom is de eerdere versie van het interne memo «gekuist»?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in de kantlijn van de gekuiste versie van het interne memo van de DWJZ geschreven: «Ik heb de hele zomer om meekijken door DWJZ gevraagd»? Zo ja, waarom is daarop dan vervolgens door DWJZ niet geacteerd?
De toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid heeft inderdaad deze opmerking in de kantlijn van het memo van 8 september 2022 geplaatst. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 3 en 4 is er in de periode die vooraf ging aan het opstellen van de brief van 26 augustus 2022 over verschillende onderwerpen uit deze brief inhoudelijk contact geweest tussen DGM en DWJZ. DWJZ is in de snelheid van het proces echter niet, zoals gebruikelijk, betrokken geweest bij het opstellen van de brief. Vandaar dat DWJZ de Minister in het memo van 8 september 2022 heeft geïnformeerd over de juridische consequenties van deze brief.
Kunnen beide memo’s, zowel de ongekuiste als de latere schone versie, aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
De conceptversie van het desbetreffende memo en de eindversie van het memo zijn reeds openbaar gemaakt met het Woo-besluit van 8 september 2025.4
Waarom heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer niet (schriftelijk of mondeling) op de hoogte gesteld van de «ernstige bezwaren» van DWJZ en van de aanwezigheid van «het stoplichtdocument» tegen de door hem in zijn brief aan de Kamer aangekondigde tijdelijke en verdere maatregelen?
Het zogenaamde «stoplichtdocument» betrof een ambtelijk concept dat in kleuren duiding gaf aan denkbare maatregelen. Het betrof een eerste concept dat kort daarna is omgezet in een document dat niet langer in kleuren duiding gaf. Het onderdeel over de nareismaatregel van dat laatste document is destijds opgenomen in de bijlage bij de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Kröger en Piri over de intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken.5
De toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft in het verkeer met de Tweede Kamer – onder andere tijdens het debat van 8 september 2022 – aangegeven dat uit ambtelijke adviezen bleek dat er vraagtekens te zetten waren bij de juridische houdbaarheid van de in de brief beschreven tijdelijke nareismaatregel. De juridische kanttekeningen zijn ook opgenomen in de bijlage bij de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Kröger en Piri over de intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken.6 Ik zie dan ook geen reden om vast te stellen dat de Tweede Kamer destijds niet juist en volledig zou zijn geïnformeerd.
Moet vastgesteld worden dat de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daarmee de Tweede Kamer niet juist en volledig heeft geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 16.
Zo ja, wat is daarover het oordeel van de regering?
Zie antwoord vraag 16.
Zo nee, dan graag een uitvoerige motiverende toelichting van die ontkenning?
Zie antwoord vraag 16.
Kan worden bevestigd dat voor «een fundamentele heroriëntatie op het hele asielbeleid door de toenmalige Minister en Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid KPMG is gevraagd?
De DGM-opdrachtformulering staat in de (geaccordeerde) offerte d.d. 29 november 2022. De volledige offerte kan niet integraal naar de Tweede Kamer worden gestuurd omdat deze bedrijfsgevoelige informatie en persoonsgegevens bevat. Hierna zijn relevante delen opgenomen uit deze offerte, waarbij namen van medewerkers, gehanteerde tarieven en inzetvoorwaarden zijn weggelaten vanwege vertrouwelijkheid:
Zoals uit de opdrachtformulering blijkt zag de inzet van KPMG niet op een fundamentele heroriëntatie van het hele asielbeleid door KPMG, maar op ondersteuning door KPMG van het proces om te komen tot een lijst van maatregelen. De inhoudelijk uitwerking van de maatregelen viel dan ook buiten de scope van die ondersteuning. Die inhoud is binnen het proces dan ook steeds geleverd door het ambtelijk apparaat.
Voor de opdracht was een Meervoudige Onderhandse Procedure vereist. Deze is echter niet gevolgd vanwege zeer grote werkdruk bij DGM waardoor de capaciteit ontbrak om het vereiste aanbestedingsproces tijdig te organiseren.
Waarom is voor het uitvoeren van een dergelijke beleidsopdracht gekozen voor een externe partij, terwijl dat juist bij uitstek behoort tot de corebusiness van het werk van beleidsambtenaren van de Rijksoverheid i.c. het Ministerie van Justitie en Veiligheid?
Zie antwoord vraag 20.
Heeft voor de opdrachtverlening aan KPMG een aanbesteding- en gunningstraject gelopen conform de (EU-)regels en richtlijnen die daarvoor gelden binnen de Rijksoverheid? Zo nee, waarom is dat niet gebeurd?
Zie antwoord vraag 20.
Wat was de letterlijke opdracht aan KPMG en kan deze opdracht integraal aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 20.
Kunnen zowel de spreadsheet met de longlist «met 164 ideeën» als die met «de 24 meest haalbare plannen op de shortlist» van KPMG aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Aan de beantwoording van deze vragen zijn twee documenten toegevoegd: het gevraagde document van 9 december 2022 en een document van 16 december 2022.7 De versie van 9 december 2022 betreft de 95% versie. De versie van 16 december 2022 is de laatste versie en kan worden gezien als de eindversie. In deze documenten is zowel de korte lijst met uitgewerkte maatregelen opgenomen, alsook de longlist.8
Kan ook het concept-rapport van KPMG, zoals dat op 9 december 2022 aan de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is gestuurd, aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 24.
Heeft de DWJZ over de inventarisatie van KPMG geoordeeld over de juridische haalbaarheid en op basis daarvan de verwachting uitgesproken dat de voorstellen van KPMG «geen stand houden bij de rechter»?
Ik ben niet bekend met een dergelijk advies van DWJZ en kan ze dan ook niet verstrekken aan de Tweede Kamer.
Kan het advies van DWJZ over de inventarisatie en voorstellen c.q. het rapport van KPMG aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 26.
Klopt het dat de door KPMG voorgestelde maatregelen en die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn overgenomen voor de rechters geen standhouden, zoals al door DWJZ was voorspeld? Wat is het oordeel van de regering hierover?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de vragen 20 t/m 23 was het niet aan KPMG om inhoudelijk te adviseren over de opgehaalde ideeën en maatregelen. Wel is de door KMPG ondersteunde inventarisatie van KPMG gebruikt ter voorbereiding en als onderdeel van de bewindspersonenoverleggen die destijds plaatsvonden over migratie. Bij brief van 10 juli 20239 heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid onder meer de afschriften verstrekt van stukken die ambtelijk zijn ingebracht ten behoeve van die bewindspersonenoverleggen over migratie. In die ambtelijke stukken zijn de maatregelen opgenomen die aan de orde zijn geweest bij de genoemde besprekingen. Zoals in genoemde brief van 10 juli 2023 is verwoord, was het zo dat «voor alles gold dat er geen overeenstemming was totdat over het geheel overeenstemming zou worden bereikt». Van (een lijst van) maatregelen waarover overeenstemming was, kan dan ook niet worden gesproken.
De inventarisatie van KPMG is door dat kabinet niet (integraal) doorgevoerd. Het tegen elke uitspraak in hoger beroep gaan tegen de negatieve beroepsuitspraken die zien op deze maatregelen is dan ook niet aan de orde geweest. De IND is daarnaast in algemene zin terughoudend als het gaat om instellen van hoger beroep en weegt steeds af of er een zaaksoverstijgend belang is waardoor hoger beroep is aangewezen.
Kan worden bevestigd dat, tegen het advies van DWJZ, door de toenmalige bewindslieden van Justitie en Veiligheid «tegen elke uitspraak in hoger beroep is gegaan»?
Zie antwoord vraag 28.
Kan ook dit advies van DWJZ aan de Tweede Kamer worden overlegd? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bekend met een dergelijk advies van DWJZ en kan het dan ook niet verstrekken aan de Tweede Kamer.
Wat waren de kosten voor het ministerie die gemoeid waren met het uitvoeren van de opdracht aan KPMG? Worden vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid nog opdrachten verleend aan KPMG, gelet op het niveau van de kwaliteit van de adviezen en voorstellen en de juridische (on)haalbaarheid daarvan? Graag het antwoord motiveren.
Dit betrof een bedrag van € 70.952,90 incl. BTW. Zoals hierboven aangegeven was KPMG enkel verantwoordelijk voor de ondersteuning van het proces om te komen tot een lijst van maatregelen, waarbij de inhoudelijk uitwerking van de maatregelen buiten de reikwijdte van de ondersteuning viel. Ik zie geen reden om KPMG categorisch uit te sluiten van toekomstige opdrachten.
Wilt u deze vragen één op één beantwoorden en binnen de daarvoor gebruikelijke termijn van 3 weken?
Ten behoeve van de leesbaarheid zijn bepaalde antwoorden samengevoegd. De beantwoording is zo spoedig mogelijk naar de Tweede Kamer gestuurd.
De rolverdeling tussen de ministeries betreffende het onderwijs aan kinderen in de asielopvang |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van de Inspectie Justitie en Veiligheid, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheid en Jeugd dat er nog onvoldoende verbetering is in de situatie voor kinderen in de asielopvang?1
Ja.
Klopt het volgens u dat het faciliteren van onderwijs aan asielzoekerskinderen primair een taak van de Minister van OCW is?
De Minister van OCW draagt de zorg voor het scheppen van een wettelijk kader voor het onderwijs, de uitvoering van onderwijswetgeving en het verstrekken van financiële middelen daarvoor. De toegang tot het funderend onderwijs is voor alle kinderen gelijk, ongeacht de verblijfsstatus of herkomst van kinderen. Gemeenten (voor het primair onderwijs) en gedeputeerde staten (voor het voortgezet onderwijs) hebben de garantiefunctie om te zorgen dat er voldoende (openbare) onderwijsplekken beschikbaar zijn.
De Minister voor A&M is er voor verantwoordelijk dat minderjarige asielzoekers zoveel mogelijk in passende opvang worden geplaatst. De uitvoering van deze verantwoordelijkheid ligt bij het COA. Het is standaardbeleid dat bij het openen van een locatie gekeken wordt naar de aanwezigheid van voorzieningen, onder andere onderwijs, in de omgeving waar de opvanglocatie gevestigd is. Door het aanhoudende tekort aan opvangplekken lukt het niet altijd om kinderen te plaatsen in locaties waar onderwijsvoorzieningen beschikbaar zijn. Wanneer er onderwijs beschikbaar is op grotere afstand, beschikt COA voor die situaties over een regeling voor leerlingvervoer voor de doelgroep, dat overigens altijd in samenspraak met de gemeente wordt georganiseerd.
Voor minderjarige asielzoekers hebben het COA, en voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: amv) NIDOS, ook op andere manieren een rol. Het COA wijst gemeenten op de komst van kinderen in asielopvang en het belang van onderwijs: in de bestuursovereenkomst tussen COA en gemeenten spreken zij ook af dat de gemeente zorgt dat kinderen naar school kunnen gaan. COA ondersteunt ouders bij het aanmeldproces bij de school van hun voorkeur. NIDOS, in de rol van voogd, meldt zelf jongeren aan op een of meerdere scholen. Gemeenten kunnen voor de onderwijshuisvestingskosten van het basisonderwijs en eerste inrichting van het basisonderwijs voor asielzoekerskinderen een beroep doen op de OHBA-regeling, uitgevoerd door het COA.
Op welke manier is deze verdeling tussen de ministeries momenteel geregeld, zowel op financieel gebied als op beleidsmatig gebied?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met de stelling dat op basis van het Kinderrechtenverdrag en het Verdrag nopens de bestrijding van discriminatie in het onderwijs u verplicht bent om ervoor te zorgen dat asielzoekerskinderen gelijke toegang tot onderwijs hebben als andere kinderen op Nederlands grondgebied?
Ja.
Wordt de huidige Europese opvangrichtlijn momenteel gehaald die stelt dat asielzoekerskinderen uiterlijk binnen drie maanden na het indienen van de asielaanvraag toegang moeten krijgen tot het onderwijsstelsel? Zo nee, voor hoeveel kinderen en welk percentage is dit nu niet het geval?
Scholen, gemeenten en provincies slagen er vaak in om minderjarigen op korte termijn toegang tot onderwijs te geven. Maar door de soms snelle opschaling van opvangvoorzieningen en de plotselinge komst van leer- en kwalificatieplichtige kinderen kunnen scholen niet altijd meteen in een (volledig) aanbod voorzien. In de Kamerbrief «kinderen in de asielopvang» van 19 september jl. van de Minister voor Asiel en Migratie wordt de Kamer geïnformeerd over de werkwijze, de beschikbaarheid van data en de uitkomsten van een inventarisatie van het COA naar voorzieningen, waaronder ook onderwijs, voor kinderen in de asielopvang.
Klopt het dat u als Minister van OCW wettelijke bevoegdheden heeft om in te grijpen als het onderwijs voor asielzoekerskinderen onvoldoende wordt gefaciliteerd?
Specifiek voor asielzoekerskinderen heb ik geen bijzondere bevoegdheden. Wel heb ik de mogelijkheid om, als een gemeente er niet in slaagt om met de schoolbesturen in de gemeente afspraken te maken over de toelating van (alle) nieuwkomers en er aantoonbaar nieuwkomers geen toegang tot onderwijs hebben, een gemeente op te leggen om een tijdelijke nieuwkomersvoorziening (hierna: tnv) te starten. Een tnv is een onderwijsvoorziening waarin een schoolbestuur tijdelijk kan afwijken van de eisen aan onderwijsinhoud, onderwijspersoneel en onderwijstijd. Een tnv is daarmee altijd een tijdelijke noodmaatregel, waarin een schoolbestuur mag afwijken van de reguliere eisen aan onderwijstijd, onderwijspersoneel en onderwijsinhoud. Tot op heden is er geen noodzaak geweest om een gemeente op te leggen een tnv te starten.
Het opleggen van een tnv is een absolute noodmaatregel. Tnv’s worden in de regel gestart op initiatief van gemeenten. In totaal hebben sinds de inwerkingtreding van de wet 16 gemeenten toestemming gekregen om een tnv te starten.
Klopt het dat u, na overleg met een gemeente, ook op eigen initiatief kunt besluiten tijdelijke voorzieningen te treffen wanneer vaststaat dat een gemeente niet voor iedere nieuwkomer in onderwijs kan voorzien? Zo ja, heeft u hiertoe weleens besloten?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe staat het met de verkenning met als doel hoe het onderwijs aan nieuwkomers toekomstbestendig kan worden gemaakt waarmee de druk op scholen en gemeenten wordt verlaagd en de onderwijskwaliteit verbeterd?
Op 24 juni 2025 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die we gaan nemen om het funderend onderwijs voor nieuwkomers te verbeteren in de brief over een betere start voor kinderen met Nederlands als tweede taal2.
Op welke manier vindt er overleg tussen de ministeries van OCW en A&M plaats over de verbetering van de onderwijskwaliteit voor asielkinderen?
De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs ligt bij schoolbesturen en bij OCW. De Ministeries van OCW en A&M overleggen vrijwel dagelijks over het verbeteren van de randvoorwaarden om het onderwijs goed te kunnen organiseren, de toeleiding naar het onderwijs zo soepel mogelijk te laten verlopen en onderbrekingen in de schoolloopbaan als gevolg van verhuisbewegingen zo mogelijk te voorkomen. Dit overleg vindt plaats in zowel de uitvoering en met ketenpartners, door medewerkers van beide ministeries, als op bestuurlijk niveau.
Klopt het dat in de de Uitvoerings- en implementatiewet ervan wordt uitgegaan dat de aanmelding van minderjarige kinderen van verzoekers in ieder geval binnen twee weken plaatsvindt na het indienen van een verzoek tot internationale bescherming en in de wet wordt vastgelegd dat de school vervolgens binnen zes weken besluit over de toelating, zonder mogelijkheid tot verlenging? Zo ja, wat wordt eraan gedaan om deze termijnen daadwerkelijk te halen?
Dat is juist. Een periode van zes weken om een aanmelding te beoordelen is vaak voldoende. Mocht dit voor scholen niet haalbaar zijn, dan moeten zij in het belang van de leerling, een kind tijdelijk plaatsen totdat een definitief besluit over toelating of afwijzing is genomen. Over de aanscherping van de termijnen en de gevolgen voor de praktijk, voert het ministerie al overleg met de landelijke vertegenwoordigende partijen van het onderwijs en zal het ministerie ook zorgen voor tijdige informatie aan scholen en andere betrokken organisaties. Voor de langere termijn is het streven dat ook de komende wetgeving gericht op het onderwijs aan nieuwkomers bij kan dragen aan snellere toegang van het onderwijs.
Kun u deze vragen zo spoedig mogelijk en nog voor het debat over kinderen in de asielopvang op 23 september beantwoorden?
Ja.
De stand van zaken van de uitvoering van de SP motie om te stoppen met de commerciële noodopvang |
|
Michiel van Nispen (SP), Jimmy Dijk (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de aangenomen motie van het lid Dijk (Kamerstuk 19 637, nr. 3424) die verzoekt om nog voor eind 2025 te stoppen met de commerciële noodopvang?
Ja.
Herinnert u zich de al eerder aangenomen motie van het lid Dijk (Kamerstuk 36 410, nr. 107) die verzoekt om de verdienmodellen van de commerciële noodopvang te stoppen?
Ja.
Kunt u aangeven welke stappen ondertussen zijn gezet om de afhankelijkheid van de commerciële noodopvang te verminderen?
Hoe ver is deze commerciële noodopvang afgebouwd? Kun u een tussenstand geven? Zo nee, waarom niet?
Gaat het dit kabinet lukken deze naar nul af te bouwen voor het einde van het jaar? Zo ja, wat is de planning en voortgang? Zo nee, waarom niet?
Hoe is deze de afgelopen maanden afgebouwd? Kun u hier een overzicht en voortgang per maand van geven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven met hoeveel commerciële partijen nog zaken wordt gedaan en hoeveel partijen dit begin dit jaar nog was?
Het onderscheid dat in de vraag wordt gesteld is op basis van de COA-gegevens moeilijk te maken. Het COA maakt in principe onderscheid tussen drie soorten opvangvormen. Dit betreft reguliere opvang, noodopvang en duurzame- of tijdelijke gemeentelijke opvang.
Reguliere opvang heeft een langere looptijd en voldoet altijd aan het programma van eisen voor reguliere opvang van het COA. Voor noodopvang geldt een apart programma van eisen en is het voorzieningenniveau doorgaans lager. Tijdelijke en Duurzame Gemeentelijke opvang wordt geëxploiteerd door gemeenten, onder eindverantwoordelijkheid van het COA. Alle deze opvangvormen komen voor in eigendom van het COA of een gemeente, maar ook via een huurconstructie met een commerciële partij. Daarnaast heeft het COA veel contracten met commerciële partijen voor bijvoorbeeld beveiliging, bouwwerkzaamheden et cetera.
Hoewel het moeilijk vast te stellen is met hoeveel commerciële partijen zaken wordt gedaan kan wel een opgave worden gedaan van het aantal plekken in hotels en op opvangboten die in gebruik zijn. Op 1 januari 2025 waren er ruim 19.000 opvangplekken in gebruik in hotels en op boten. De afgelopen periode is de bezetting harder gegroeid dan het aantal reguliere opvangplekken, met name door een groeiend aantal statushouders in de asielopvang.). Per 1 november 2025 zijn er 21.000 plekken beschikbaar in hotels en op boten. Zoals bij de vorige vraag vermeld stijgt het aantal reguliere opvangplekken gestaag van 40.000 plekken momenteel naar 51.000 op 1 januari 2027. In de loop van volgend jaar is het derhalve de verwachting dat het aandeel noodopvang in hotels en op boten zal dalen.
Het kabinet werkt verder aan maatregelen om de instroom te verminderen en de uitstroom vanuit het COA te bevorderen. Belangrijke onderdelen hiervan zijn de wetsvoorstellen omtrent de invoering van het tweestatusstelsel en de asielnoodmaatregelenwet. Verder wordt de uitstroom van statushouders bevordert door de bekostigingsregeling voor de doorstroomlocatie en de regeling stimulering uitstroom vergunninghouders (HAR+). Met deze maatregelen beoogt het kabinet het aantal asielzoekers en statushouders, en daarmee noodzakelijke noodopvangplekken, te laten dalen.
Kunt u aangeven hoeveel plekken begin dit jaar beschikbaar werden gesteld door commerciële partijen en hoeveel dit nu is?
Zie antwoord vraag 7.
Wat kostte de commerciële noodopvang in 2024? Hoe hoog zijn de kosten tot nu toe in het jaar 2025?
In 2024 is er in totaal € 2.375 miljoen uitgegeven aan kosten nood- en crisisnoodopvang opvang. De kosten voor 2025 kunnen bij de jaarrekening worden vastgesteld.
Verwacht u dat de kosten zullen dalen dit jaar? Zo ja, op basis waarvan zijn deze verwachtingen? Zo nee, wat doet u eraan om deze daling van kosten voor commerciële noodopvang alsnog voor elkaar te krijgen?
Het is de verwachting dat de kosten voor noodopvang dit jaar niet zullen dalen. Dit kan verklaard worden door de looptijd van de ontwikkeling van reguliere opvanglocaties en de licht stijgende bezetting bij het COA. Tegelijkertijd sluiten er veel opvanglocaties als gevolg van aflopende kortdurende overeenkomsten. Deze worden vaak vervangen met opnieuw noodopvang of kortdurende locaties. Ik zet er volop op in om de noodopvang zo snel mogelijk af te bouwen.
Heeft het verminderen van de afhankelijkheid van de commerciële noodopvang prioriteit voor u?
Zie antwoord vraag 10.
Is het kabinet van mening dat het zeer onwenselijk is dat er veel geld wordt verdiend aan noodopvang door commerciële partijen terwijl de samenleving hier de rekening voor betaalt?
Ja. Om deze reden probeer ik de kosten voor de asielopvang te reduceren door 1) in te zetten op het omzetten van noodopvang naar reguliere opvanglocaties en 2) maatregelen te nemen om de instroom te beperken en de doorstroom van statushouders uit de COA opvang te bevorderen.
Welke stappen worden er de komende tijd gezet om de invloed van de commerciële noodopvang te beperken?
Zie antwoord vraag 12.