Inbraak in een kerncentrale |
|
Richard de Mos (PVV), André Elissen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Greenpeace dringt kerncentrale binnen»?1
Ja.
Gaat u aanvullende maatregelen nemen om Nederlandse kerncentrales te beveiligen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen?
De Nederlandse nucleaire installaties zijn adequaat beveiligd, ook tegen binnendringing. Door oefeningen wordt regelmatig getoetst of de beveiligingsmaatregelen nog voldoen of dat aanvulling of verbetering nodig is. Het incident bij de kerncentrale in Frankrijk zal worden geanalyseerd op relevantie voor de situatie in Nederland.
Gaat u onderzoeken of de activiteiten van Greenpeace, waar ter wereld deze dan ook plaatsvinden, aanleiding kunnen zijn om Greenpeace te weren als gesprekspartner totdat zij terreur en misleiding afzweert? Zo ja, vormt deze nieuwe actie aanleiding dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Greenpeace staat bij de Nederlandse overheid niet te boek als een terroristische organisatie en er is daarom geen reden het op die grond als gesprekspartner te weren.
Bent u bereid om alle medewerking aan Frankrijk te verlenen, en hierbij zelfs proactief te handelen door deze medewerking alvast aan te bieden, bij het strafrechtelijk onderzoek indien blijkt dat er ook maar enige betrokkenheid is van Greenpeace Nederland en/of personen gelieerd aan Greenpeace Nederland?
Uiteraard zullen de Nederlandse opsporingsdiensten alle medewerking geven aan de Franse collega’s, indien ons daartoe een verzoek bereikt. De strafrechtelijke samenwerking tussen beide landen is zo goed ontwikkeld dat er geen noodzaak is om dit pro-actief aan de Fransen aan te bieden.
Het bericht Zorgen om energievoorziening Saba en Statia |
|
André Bosman (VVD), René Leegte (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Zorgen om energievoorziening Saba en Statia»?1
Ja.
Kunt u aangeven of Saba en Sint Eustatius een goede en betrouwbare energievoorziening blijven houden?
Ten behoeve van de door mij aangeboden bemiddeling in de Gebe-problematiek heeft SEO Economisch Onderzoek te Amsterdam vastgesteld dat er sterke aanwijzingen zijn dat met het beëindigen van de relatie met Gebe en het oprichten van nieuwe bedrijven voor Saba en Sint Eustatius een veel kosteneffectiever voorziening mogelijk is. Door deze weg in te slaan kan naar mijn mening inderdaad een goede en betrouwbare energievoorziening voor de beide genoemde eilanden behouden blijven.
Klopt het dat na de aankoop Saba en Sint Eustatius twee maanden hebben om een energiebedrijf op te zetten? Is er al sprake van concrete plannen voor het opzetten van dergelijke bedrijven?
Gezien de inhoud van de Overeenkomst betreffende de splitsing van de N.V. Gebe, die op 27 oktober jl. tussen de besturen van de drie betrokken eilanden is gesloten, luidt het antwoord op de eerste vraag bevestigend.
Met de bestuurscolleges van Saba en Sint Eustatius is intussen afgesproken dat zij bij de vorming van de beoogde nieuwe bedrijven ondersteuning krijgen van mijn departement. Deze afspraak is inmiddels geëffectueerd.
Overigens behoeft het oprichten van of deelnemen in een privaatrechtelijke rechtspersoon door Saba en Sint Eustatius op grond van art. 9 van de FinBES goedkeuring van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De minister heeft deze bevoegdheid gemandateerd aan het College Financieel Toezicht.
Klopt het dat Sint Maarten het gebruik van dieselolie voor het opwekken van elektriciteit op Saba en Sint Eustatius jarenlang heeft gesubsidiëerd? Zo ja, is er sprake van nieuwe subsidiëring nu Sint Maarten hier niet meer verantwoordelijk voor is? Wordt dit betaald uit de opbrengsten van de verkoop van de aandelen van het energiebedrijf GEBE?
Binnen het gezamenlijke elektriciteitsbedrijf Gebe is voorheen geen onderscheid gemaakt tussen de afnemers, wat de tarieven betreft. Het verschil in kosten van opwekking op Saba en Sint Eustatius enerzijds en Sint Maarten anderzijds is steeds gecompenseerd. Het idee van de kruissubsidie kreeg pas lading op het moment van de staatkundige hervorming op 10-10-10. Sint Maarten hecht er vanaf dit moment uiteraard aan de tarieven voor de eigen bevolking zo laag mogelijk vast te stellen.
Van een nieuwe subsidiëring van mijn kant is geen sprake.
In het advies van de bemiddelaar in de Gebe-problematiek is het uitgangspunt geweest dat de opbrengsten uit de transactie ten goede zouden komen aan de oprichting van de nieuwe elektriciteitsbedrijven op Saba en Sint Eustatius.
Deelt u de zorgen van een eilandsraadslid dat vreest dat de energieprijs op de eilanden zal verdubbelen? Zo ja, wordt er gewerkt aan een oplossing die voorkomt dat de eilandbewoners geconfronteerd worden met een twee keer zo hoge energierekening? Zo nee, waarom niet?
Nee, er zijn sterke aanwijzingen dat er goede mogelijkheden zijn om tot een zodanige kostenreductie te komen bij een nieuw bedrijf, dat uiteindelijk sprake zal zijn van redelijke tarieven. Voorts wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om een deel van de elektriciteit duurzaam op te wekken. Dit biedt ook perspectief op het punt van betaalbaarheid. Graag bevestig ik hierbij wat ik in het WGO van maandag jl. op een vraag van uw kant heb geantwoord, dat aan de regulering van de elektriciteitsvoorziening op de BES-eilanden wordt gewerkt, en ik voeg daaraan toe dat resultaat is voorzien voor de tweede helft van 2012.
Is het mogelijk dat de BES-eilanden in aanmerking komen voor de Connecting Europe-faciliteit (CEF), een project van € 50 miljard van de EU, dat er gedeeltelijk op is gericht om de energienetwerken in Europa te verbeteren en te verduurzamen? Bent u bereid om u in te zetten zodat de BES-eilanden gebruik kunnen maken van deze regeling?
Nee, ik sta in het algemeen kritisch tegenover het gebruik van het Europese Fonds voor energie-infrastructuur. Het primaat voor investeringen in de Europese infrastructuur ligt namelijk bij de (gereguleerde) marktpartijen. Bovendien voldoen de investeringen in energienetwerken van de eilanden in Caribisch Nederland niet aan de doelstellingen van het EU-infrastructuurpakket, namelijk het bijdragen aan de Europese interne markt, het inpassen van duurzame energie en het verbeteren van de voorzieningszekerheid in Europa.
Het artikel ‘Delta twijfelt over Borssele 2’ |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het artikel «Delta twijfelt over Borssele 2»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over het feit dat eventuele investeringen in een nieuwe kerncentrale mogelijk niet rendabel zijn? Waar komt die plotselinge twijfel bij Delta volgens u vandaan? Is het investeringsklimaat voor energieproducenten volgens u drastisch veranderd in de afgelopen maand?
Investeren in een nieuwe kerncentrale is een zaak van de markt. Het is aan marktpartijen om zorg te dragen voor een goede business case en op basis daarvan een investeringsbeslissing te nemen, binnen de strenge randvoorwaarden die ik stel op het gebied van veiligheid, milieu en klimaat. Ik heb dan ook geen oordeel over de mate waarin een investering in een nieuwe kerncentrale al dan niet rendabel zou zijn. Wel vind ik een stabiel investeringsklimaat van belang. Daar zorg ik dan ook voor. In het Energierapport 2011 zijn daarvoor de kaders uiteengezet.
Kunt u uw eerdere toezegging dat er geen publiek geld naar een nieuwe kerncentrale gaat herbevestigen? Kunt u bevestigen dat er geen cent publiek geld naar een nieuwe kerncentrale gaat? Ook niet als zou blijken dat de bouw van een kerncentrale zonder publiek geld onhaalbaar is?
Ik heb veelvuldig uitdrukkelijk aangegeven dat investeren in een kerncentrale een zaak van de markt is. Het is aan bedrijven en hun aandeelhouders (ongeacht of deze publiek of privaat zijn) om te beoordelen of er sprake is van een investering waarvan zij verwachten dat deze met een voldoende rendement terug te verdienen is, en op basis daarvan een investeringsbeslissing te nemen.
Dat betekent dat ik géén publiek geld zal inzetten om de business case van een kerncentrale te verbeteren, net zoals ik dat ook niet doe bij kolen- en gascentrales. Dit overigens in tegenstelling tot voorstellen van de fractie van GroenLinks die, net zoals de heer Boerma in het interview in het Financieele Dagblad, in het verleden heeft gepleit voor de introductie van een minimumprijs in de CO2-markt. Dit heeft tot doel investeringen in CO2-arme opwekkingscapaciteit te bevorderen. Zoals het lid Van Tongeren nu ook duidelijk wordt, is kernenergie ook een CO2-arme technologie en zou deze met een minimumprijs ook bevorderd worden. Een minimumprijs kan op verschillende manieren worden vormgegeven, maar kost linksom of rechtsom altijd geld: via bijvoorbeeld een overheidsgarantie op de CO2-prijs, wat inhoudt dat belastinggeld moet worden ingezet als de prijs onder een bepaald niveau zakt, of via een belasting op CO2-uitstoot, waarvan de kosten uiteindelijk door bedrijven in rekening gebracht worden bij de consument. Anders dan GroenLinks ben ik niet voornemens om CO2-arme technologie, zoals dus ook kernenergie, op deze manier te bevorderen. Het recht op publiek geld ter verbetering van de business case van installaties voor energieproductie is in mijn visie strikt voorbehouden aan hernieuwbare energieopwekking, waar ik 1,5 miljard euro per jaar voor uittrek.
Heeft het kabinet gesprekken gevoerd met Delta over de financiering van een tweede kerncentrale? Zo ja, wat is daarin precies besproken met Delta? Heeft het kabinet ook met andere energiebedrijven gesproken over de financiering van een tweede kerncentrale? Zo ja, wat is met die bedrijven afgesproken? Bent u bereid de gespreksverslagen en correspondentie tussen het kabinet en energiebedrijven over kernenergie, indien nodig vertrouwelijk, met de Kamer te delen?
Noch ik, noch iemand anders binnen het kabinet heeft gesprekken gevoerd met DELTA of een andere partij over de specifieke vorming van een business case voor een nieuwe kerncentrale. Wel heb ik op een hoger abstractieniveau gesprekken gevoerd over de voortgang omtrent de gesprekken tussen DELTA, RWE en EdF. Aangezien het een project van nationaal belang betreft, vind ik het belangrijk goed op de hoogte te blijven van de voortgang van partijen op alle fronten, waaronder dus ook de financiering. Daarnaast is het moment waarop partijen voortgang verwachten te boeken voor wat betreft de financiering van belang voor het moment waarop men een vergunning zal aanvragen, en dus voor de procedures die ik als verantwoordelijke minister moet doorlopen. Wanneer financiering van een nieuwe kerncentrale in gesprekken tussen energiebedrijven en mijzelf ter sprake komt, geef ik aan wat ik ook medegedeeld heb aan uw Kamer: (a) investeren in een kerncentrale is een zaak van de markt; (b) samenwerking tussen partijen moedig ik aan, omdat ik het van belang acht dat er een sterk consortium van meerdere bedrijven gevormd wordt, wil de realisatie van een nieuwe kerncentrale kans van slagen hebben. Dit standpunt heb ik ook met uw Kamer gedeeld.2
Ik sta voor een open en transparante procedure. Niet voor niets heeft uw Kamer in mei van dit jaar volledige inzage gehad in alle correspondentie, zonder censuur, tussen de initiatiefnemers voor een nieuwe kerncentrale (DELTA en ERH) en mijzelf.3 Vanzelfsprekend informeer ik uw Kamer over alle belangrijke ontwikkelingen inzake een nieuwe kerncentrale. Geheel in lijn met het kabinetsbeleid, is er geen sprake van afspraken tussen energiebedrijven en het kabinet inzake financiering van een nieuwe kerncentrale. Er zijn dan ook geen verslagen of correspondentie over dit onderwerp die ik met u kan delen.
Kunt u inzicht geven in de financieringsconstructie voor een tweede kerncentrale? Hoe staat het op dit moment met de gesprekken tussen Delta, RWE en EDF?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 ben ik niet betrokken bij gesprekken over de business case en financieringsconstructies. Het is aan bedrijven om een goede financieringsconstructie op te zetten. Ik zie erop toe dat alle veiligheids- en milieueisen gewaarborgd zijn. Mij is bekend dat DELTA, RWE en EdF met elkaar in gesprek zijn.
Gaat de regering de € 42,5 miljoen die in de begroting is opgenomen voor het vergunningverleningtraject schrappen nu onduidelijk is of er daadwerkelijk een vergunningaanvraag komt?
Nee. Zonder nadere berichtgeving daarover van DELTA en RWE4 ga ik er vanuit dat er een vergunningaanvraag zal komen, en dus bereid ik mij daarop voor. Verder merk ik op dat de genoemde € 42,5 miljoen niet alleen op de nieuwe kerncentrale betrekking heeft, maar ook op activiteiten ten behoeve van de bestaande kerncentrale en de eventuele komst van een nieuwe reactor voor nucleair onderzoek en de productie van medische radio-isotopen.
Is het vooroverleg met Delta en de Energie Resources Holding, waar u het in de brief onder Kamernummer 32 645, nr. 29 over heeft, inmiddels van start gegaan? Bent u bereid alle correspondentie en gespreksverslagen van dit vooroverleg, indien nodig vertrouwelijk, met de Kamer te delen?
Nee, het vooroverleg is nog niet van start gegaan. Dat gebeurt pas nadat DELTA en RWE geantwoord hebben op mijn verzoek om hun planning aan mij te overleggen. Het is mijn intentie om over de voortgang van het vooroverleg maandelijks te rapporteren op de website van de Rijksoverheid. Rapportage aan uw Kamer door middel van toezending van alle verslagen en correspondentie met de initiatiefnemers is niet gebruikelijk en wijkt sterk af van het procedurele kader van vergunningverlening. De voorgeschreven procedures voor de vergunningverlening ingevolge de Kernenergiewet zijn neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat steeds meer landen (bijvoorbeeld Duitsland, Italië en België) en bedrijven (bijvoorbeeld Siemens) stoppen met kernenergie? Is het economisch gezien wel aantrekkelijk als Nederland blijft spookrijden op de internationale energiemarkt?
Ieder land is vrij zijn eigen keuzes te maken ten aanzien van de energievoorziening. Dit kabinet beschouwt kernenergie als een belangrijke energiebron voor de komende decennia. Het belang van kernenergie is recent nog eens aangetoond door het International Energy Agency (IEA). In de World Energy Outlook 2011 concludeert het IEA dat het zonder kernenergie extreem moeilijk en kostbaar wordt om de mondiale klimaatdoelstelling te realiseren.5 De Nederlandse regering is dan ook absoluut niet uniek in haar standpunt. Landen als Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Finland en Zweden voeren hetzelfde beleid. Buiten de EU is deze groep landen nog vele malen groter. Het beeld dat het kabinetsbeleid tegen de stroom in zou gaan, is dan ook feitelijk onjuist. De elektriciteitsmarkt is geliberaliseerd. Het is aan marktpartijen om een afweging te maken tussen vraag en aanbod en op basis daarvan investeringsbeslissingen te nemen. Het is dan ook aan hen om te bezien in hoeverre investeren in een kerncentrale economisch gezien aantrekkelijk is.
Bent u bereid deze vragen voor het wetgevingsoverleg Energie op 21 november 2011 te beantwoorden?
Ja.
De saldering van energiebelasting bij teruglevering van duurzaam opgewekte elektriciteit |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat er in de markt onduidelijkheid is over saldering van energiebelasting boven een teruglevering van duurzaam opgewekte elektriciteit van meer dan 5000 kWh per jaar en van het feit dat sommige energiebedrijven wel energiebelasting salderen boven voornoemde grens en andere niet?
Ja. De Wet belastingen op milieugrondslag is op deze punten echter duidelijk. Saldering van energiebelasting is van toepassing op het positieve saldo van de via één en dezelfde aansluiting van het net afgenomen en op het net ingevoede elektriciteit, indien het energiebedrijf ter zake van de op het net ingevoede elektriciteit hetzij artikel 31c, hetzij artikel 95c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 toepast. Op basis van artikel 31c van de Elektriciteitswet 1998 wordt tot een grens van 5 000 kWh gesaldeerd. Wordt er meer dan 5 000 kWh per jaar via de aansluiting op het net ingevoed, dan moet het energiebedrijf op basis van artikel 95c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 voor het meerdere een redelijke terugleververgoeding betalen. De terugleververgoeding zal per energieleverancier verschillen.
In hoeverre is in de Wet op de energiebelasting een maximum opgenomen ten aanzien van de saldering van energiebelasting bij teruglevering van duurzaam opgewekte elektriciteit?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is vermeld, is saldering van energiebelasting onder de genoemde voorwaarden van toepassing voor zover het saldo van de elektriciteit die van het net wordt afgenomen minus de elektriciteit die op het net wordt ingevoed positief is. Dit betekent dat voor de saldering van de energiebelasting in die zin een maximum geldt, dat deze niet verder gaat dan de energiebelasting die drukt op hoeveelheid elektriciteit die van het net wordt afgenomen. Dus ook als er meer dan 5 000 kWh op het net wordt ingevoed kan er saldering van de energiebelasting plaatsvinden.
Klopt het dat artikel 50 tweede lid van de Wet op de energiebelasting verwijst naar artikel 31c tweede lid van de Elektriciteitswet 1998 en dat dit artikel niet (meer) bestaat? Zo ja, wat is daarvan de consequentie in het licht van de geschetste problematiek?
In het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2011 (Kamerstukken 2010/11, 32 810) is opgenomen dat de verwijzing naar het tweede lid van artikel 31c van de Elektriciteitswet 1998 met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2011 wordt vervangen door een verwijzing naar artikel 31c van de Elektriciteitswet 1998. Als dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt de verkeerde verwijzing gecorrigeerd. Dat het tweede lid momenteel niet meer bestaat, zal in de praktijk geen consequenties hebben.
Wat is volgens u de juiste interpretatie van de wet op dit punt?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien volledige saldering volgens de wet mogelijk is, kunnen producenten van duurzame energie die meer dan 5000 kWh hebben afgenomen, maar ook meer dan dat aan het net hebben geleverd, dan met terugwerkende kracht saldering van energiebelasting tegemoet zien?
Voor de saldering van energiebelasting is beslissend, of voldaan is aan de voorwaarden voor saldering, in het bijzonder of het energiebedrijf artikel 31c of artikel 95c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 heeft toegepast. Als het energiebedrijf toepassing van de genoemde artikelen van de Elektriciteitswet 1998 ten onrechte achterwege gelaten heeft, is saldering van energiebelasting alleen mogelijk als dat binnen het tijdvak van aangifte wordt gecorrigeerd. Indien degene die elektriciteit op het net heeft ingevoed van mening is dat de factuur die hij van zijn energiebedrijf heeft ontvangen niet klopt, zal hij hierover contact moeten opnemen met zijn energiebedrijf.
Op welke wijze wordt gecontroleerd of het saldo van de energiebelasting die de energiebedrijven innen en hun afdracht aan de staat c.q. restitutie op grond van de salderingsregeling gelijk is aan 0?
De Belastingdienst controleert of de belastingplichtigen, in casu de energieleveranciers, het juiste bedrag aan energiebelasting hebben afgedragen. Daartoe wordt onder meer bekeken, hoeveel elektriciteit aan de klanten geleverd is, hoeveel elektriciteit de klanten op het net hebben gezet en of bij de aangifte de salderingsregeling uit de energiebelasting is toegepast.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden vóór het wetgevingsoverleg energie op 21 november a.s.?
Ja.
Schaliegas |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het bericht «Use of Chemicals for Fracking May Be Illegal Under REACH, European Commission Says»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Welke chemicaliën willen Cuadrilla en DSM gebruiken bij de (proef)boringen naar schaliegas in Nederland? Zijn deze chemicaliën geregistreerd bij het Europees Agentschap voor Chemische stoffen (ECHA)? Is getest wat de risico’s voor mens en milieu zijn van het gebruik van deze chemicaliën bij (proef)boringen naar schaliegas?
DSM heeft nog geen concrete boorplannen en daarom is ook niet bekend of zij tijdens hun proefboring gaan fraccen en zo ja, wat de samenstelling van de te gebruiken frac-vloeistof zal zijn. Overigens zijn de activiteiten van DSM volgens de aanvraag van de opsporingsvergunning primair gericht op de opsporing van koolbedmethaan (steenkoolgas).
Ook Cuadrilla heeft nog geen boorprogramma ingediend bij het Staatstoezicht op de Mijnen, zodat op dit moment niet vaststaat welke chemicaliën Cuadrilla bij het fraccen zal inzetten. Cuadrilla heeft echter tijdens presentaties aan bewoners en overheden meerdere malen aangegeven dat bij het fraccen gebruik zal worden gemaakt van glutaaraldehyde en polyacrylamide.
Indien chemicaliën gebruikt zullen worden, zullen zowel Cuadrilla als DSM moeten voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit REACH. Dit houdt in dat deze chemicaliën getest moeten worden op schadelijkheid voor mens en milieu.
Het bericht «Use of Chemicals for Fracking May Be Illegal Under REACH, European Commission Says» bevestigt dan ook de noodzaak van de verificatie, die Cuadrilla en DSM zullen moeten uitvoeren. Staatstoezicht op de Mijnen zal hierop toezien.
Zijn de chemicaliën die Cuadrilla, DSM en eventueel andere bedrijven willen gebruiken bij (proef)boringen naar schaliegas volgens u toegestaan in de EU? Zo nee, bent u bereid om een moratorium af te kondigen zolang de chemicaliën niet toegestaan zijn voor (proef)boringen naar schaliegas?
Bij het voor aanvang van de boring in te dienen boorprogramma zal getoetst worden of de chemicaliën, die voor fraccen gebruikt worden, voldoen aan de REACH-vereisten. Indien niet aan deze vereisten wordt voldaan, zullen met bestaande handhavingsmiddelen passende maatregelen worden genomen om het gebruik van deze stoffen te voorkomen. Het afkondigen van een moratorium is nu dan ook niet aan de orde. Er is al een handhaafbaar verbod op het gebruik van niet-toegestane chemicaliën en daar zal ook op gehandhaafd worden.
Zijn er op dit moment naast Cuadrilla en DSM andere bedrijven die vergunning aan willen vragen voor (proef)boringen naar schaliegas? Zo ja, zijn de chemicaliën die deze bedrijven willen gebruiken toegestaan voor (proef)boringen naar schaliegas?
Queensland Gas Company2 (Queensland) heeft een vergunning voor het opsporen van koolwaterstoffen in het gebied, aangeduid als Oost-IJssel. De aandacht van Queensland gaat uit naar koolbedmethaan (kolengas). Queensland heeft nog geen locatie bepaald voor het verrichten van een boring. Over het eventueel fraccen en het gebruik van chemicaliën is nog niets bekend.
Er zijn door twee maatschappijen (Cuadrilla en Hutton Energy) nieuwe vergunningen aangevraagd voor het zoeken naar schaliegas. Het gaat hier om een gebied dat het zuiden van Noord-Brabant, het noorden van Limburg en een klein stukje van Zeeland beslaat. Ik zal over deze aanvragen in de loop van volgend jaar een besluit moeten nemen. Dit zal ik o.a. doen op basis van adviezen van TNO, Staatstoezicht op de Mijnen, EBN, de Mijnraad en de genoemde provincies. In deze fase is niet bekend of zij tijdens hun proefboring gaan fraccen en zo ja, wat de samenstelling van de te gebruiken frac-vloeistof zal zijn.
Welke chemicaliën wil Queensland Gas Company gaan gebruiken bij boringen naar steenkoolgas in Oost-Gelderland, Salland en Twente? Zijn die chemicaliën wel geregistreerd bij het ECHA? Zo nee, bent u bereid een moratorium af te kondigen zolang de chemicaliën niet toegestaan zijn voor (proef)boringen naar steenkoolgas?
Zie mijn antwoord op vraag 4. Zoals bij mijn antwoord op vraag 3 is aangegeven, is het gebruik van chemicaliën pas mogelijk als voldaan is aan de vereisten van REACH. Een moratorium is niet nodig, omdat er al een handhaafbaar verbod op het gebruik van niet-toegestane chemicaliën bestaat en daar ook op gehandhaafd zal worden.
Kunt u een overzicht geven van alle plannen die er op dit moment zijn voor (proef)boringen naar onconventioneel gas in Nederland? Kunt u daarbij ook een overzicht geven van het planningstraject voor de verlening van eventuele vergunningen?
Opsporingsvergunningen voor onconventioneel gas zijn verleend aan Cuadrilla (2 vergunningen), DSM en Queensland Gas Company. Een opsporingsvergunning geeft een bedrijf het exclusieve recht om in het vergunninggebied naar koolwaterstoffen te mogen zoeken. Voor het aanleggen van een boorlocatie zijn aanvullend andere vergunningen vereist, zoals een omgevingsvergunning; de gemeente is voor de omgevingsvergunning bevoegd gezag. Het planningstraject hiervoor is in handen van de gemeente. Voor zover mij bekend is, zijn er buiten de aanvragen van Cuadrilla (Boxtel en Haaren) nog geen vergunningen voor de aanleg van boorlocaties ingediend.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk op 25 oktober 2011 te beantwoorden, zodat de antwoorden meegenomen kunnen worden in het algemeen overleg Mijnbouw op 27 oktober 2011?
Ja.
De mogelijkheden tot het gebruik van liquid Natural Gas (LNG) in de transportsector |
|
René Leegte (VVD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het project «Introductie dual fuel LNG trucks in Nederland» binnen het «Subsidieprogramma Proeftuinen duurzame mobiliteit: Truck van de Toekomst» van AgentschapNL?
Ja. Het project is een van de twaalf projecten waarop door mij positief beschikt is binnen dit subsidieprogramma. Twee van deze projecten betreffen hybride voertuigen, de overige tien hebben alle betrekking op aardgas als motorbrandstof. Twee daarvan hebben betrekking op het gebruik van gecomprimeerd aardgas (CNG), de overige acht op LNG. Hiervan zijn 5 projecten gericht op het gebruik van een combinatie van dual fuel, met LNG en diesel, waaronder het project «Introductie dual fuel LNG trucks in Nederland», de overige 3 projecten werken met LNG monofuel.
Bent u bekend met het probleem dat de deelnemers aan het in vraag 1 genoemde project in vrachtwagens en een onderhoudslocatie geïnvesteerd hebben om op deze schonere brandstof te kunnen rijden, maar dat onder andere in de gemeente Zwolle geen (gedoog) vergunning wordt afgegeven voor het plaatsen van een tankinstallatie voor LNG, waardoor de vrachtwagens in het proefproject niet kunnen rijden, dit in verband met het (nog) ontbreken van specifieke regelgeving met betrekking tot LNG?
Er is inderdaad nog geen specifieke regelgeving voor LNG laad- en vulpunten, doordat het een nieuwe brandstof is in de transportsector. Thans is er om een goede beoordeling te maken over de vergunningen overleg over de technischeuitvoering met enerzijds het consortium van de aanvrager en anderzijds externe, onafhankelijke deskundigen en vergunningverleners van gemeenten waar al dergelijke stations gerealiseerd zijn. Vooralsnog zijn er geen principiële bezwaren die zouden kunnen leiden tot het niet-afgeven van een vergunning. Het is de verwachting dat een vergunning in zo'n anderhalve maand een feit moet kunnen zijn.
In afwachting van de vergunning voor en de bouw van het permanente station ligt er ook een verzoek voor gebruik van een voorlopige oplossing. Aan de vergunning daarvoor wordt momenteel ook gewerkt, en ook dat kost mede door die afwezige regelgeving wat extra tijd.
Deelt u de opvatting dat als de overheid bedrijven stimuleert om schonere brandstoffen te gebruiken, dit dan ook mogelijk moet zijn?
Ik ben zeker van mening dat bedrijven die schonere brandstoffen willen gebruiken deze ook moeten kunnen verkrijgen. De inrichting van de benodigde laad/vulpunten moet echter wel veilig zijn en rekening houden met lokale situaties. Ik zal kijken of en waar de wettelijke kaders voor het inrichten van laad/vulpunten duidelijker moeten worden gemaakt.
Bent u bereid om met de gemeente Zwolle en andere gemeenten in contact te treden om mogelijk te maken dat deze gemeenten onder voorwaarden een gedoogvergunning verstrekken zolang er nog geen regelgeving voor LNG is?
Zwolle en mogelijk andere gemeenten hebben een eigen bevoegdheid bij de beoordeling van de vraag of een vergunning wordt verstrekt.
Een specifiek wettelijk kader voor de beoordeling van de externe veiligheidsrisico’s van het afleveren van LNG ontbreekt vooralsnog. Gelet op het landelijk gedoogkader (Kamerstukken II 1991/92, 22 343, nr. 1 en Kamerstukken II 1996/97, 25 085, nr. 2) ga ik er van uit dat de gemeente de criteria voor het verlenen van gedoogbesluiten tot uitgangspunt neemt bij de beoordeling van de vraag of en onder welke voorwaarden een vergunning verleend kan worden. Zolang er nog geen regelgeving voor LNG is, dient de gemeente bij de beoordeling van een aanvraag onder meer de meest recente wetenschappelijke inzichten omtrent de veiligheidsrisico’s te betrekken.
Kunt u ervoor zorgen dat er binnen enkele maanden regelgeving is voor LNG tankinstallaties zodat er duidelijkheid is voor bedrijven en gemeenten, zodat vergunningen verstrekt kunnen worden op basis van de regelgeving?
Er wordt momenteel gewerkt aan een apart rapport over LNG in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS; deel 33). Dit rapport zal informatie bevatten over samenstelling, toepassingsgebieden, risico’s bij toepassing, concrete voorschriften die bij gebruik, opslag, verwerking etc. van LNG toegepast moeten worden om risico’s voor het milieu en werknemers te beperken (deze maatregelen beschrijven de laatste stand der techniek). Ook zullen daarin zogenaamde interne en externe risicoafstanden (afstanden die bij de vergunningverlening aangehouden moeten worden tussen relevante installatieonderdelen en kwetsbare objecten in de directe omgeving,zoals woningen, scholen, ziekenhuizen) opgenomen worden.
PGS 33 is bestemd voor gemeenten en provincies ten behoeve van m.n. de vergunningverlening.
Het PGS-rapport wordt naar verwachting in de zomer van 2012 gepubliceerd – een conceptversie is naar verwachting voorjaar 2012 beschikbaar voor publiek commentaar.
Tot slot werkt NL internationaal actief mee aan een ISO-commissie (ISO/PC 252) om een ISO-norm te ontwikkelen voor LNG (en CNG)-vulstations.
Met het tot stand brengen van regelgeving voor LNG laad- en vulpunten is meer tijd gemoeid dan enkele maanden.
Kunt u deze vragen met spoed, zo mogelijk binnen tien dagen beantwoorden, omdat de vrachtauto’s nu stil staan en ondernemers die schonere vrachtauto’s willen bestellen nu aangeven daarvan af te zien?
Nee.
Het opslaan van kernafval |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Medisch kerndossier in Rijnmond krijgt brede steun»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat een tiental zorgaanbieders zegt zich hard te zullen maken voor brede invoering van een medisch kerndossier?
Recent is er een convenant gesloten met 10 zorgpartijen in de regio Rijnmond om samen verder te werken aan de ontwikkeling van het medisch kerndossier. Op dit moment behelst het project medisch kerndossier een pilot van een kleine groep patiënten in het Erasmus MC. Ik zie dit als een initiatief om te komen tot standaardisatie van gegevensuitwisseling in de zorg. Nictiz is ook betrokken bij dit initiatief om lering te trekken uit de ervaring die worden opgedaan.
Hoe verhoudt dit initiatief zich tot de doorstart van het Elektronisch Patiëntendossier/Landelijke Schakel Punt (EPD/LSP)?
Het Zorgportaal wordt ontwikkeld door een consortium van samenwerkende partijen (Erasmus Medisch Centrum, St. Fransiscus Gasthuis, STAR MDC, Brink&, Leenecommunicatie, Intermax, Stichting RijnmondNet, Stichting Zorgimpuls, Erasmus Universiteit, instituut Beleid en Management Gezondheidszorg). Dit initiatief staat los van de doorstart van de landelijke infrastructuur waaraan door vijf koepelorganisaties wordt gewerkt.
Heeft het CBP dit medisch kerndossier getoetst ten aanzien van de privacy? Zo ja wat was zijn oordeel? Zo nee, waarom niet?
Het medisch kerndossier is niet getoetst door het CBP. Het is aan het CBP als toezichthouder om haar toezichtprogramma te bepalen.
Is dit medisch kerndossier afdoende beveiligd? Zo ja, waarop is dat gebaseerd?
Uit de informatie die ik heb ontvangen over het project medisch kerndossier valt af te leiden dat er in opzet aandacht is voor beveiliging. Het oordeel of dit in de praktijk afdoende is, is aan de toezichthouders IGZ en CBP.
Bent u ervan op de hoogte dat de patiënt kan inloggen op zijn medisch kerndossier door middel van DigiD? Wat is uw mening over die constructie, gezien de DigiNotar affaire en het falend toezicht op deze verstrekker van beveiligingscertificaten?
Logius (de beheerder van DigID) geeft aan dat op dit moment vervanging en testen zodanig gevorderd zijn dat DigiD weer veilig kan worden gebruikt door mensen die al een DigiD hebben. Ook is het volgens Logius nu ook weer helemaal veilig om een DigiD aan te vragen.
DigiD midden met SMS authenticatie, zoals gebruikt bij het medisch kerndossier, is thans het hoogst mogelijke vertrouwensniveau dat de rijksoverheid aanbiedt aan burgers.
Bent u bereid deze vragen voor het algemeen overleg van 6 oktober a.s. over de doorstart van het EPD te beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
Grondstoffen voor de productie van biobrandstof |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Welke initiatieven heeft de Task Force Duurzame Palmolie1 sinds november 2010 ontplooid om de doelstelling «100% duurzaam geproduceerde palmolie in 2015» te realiseren? Zijn er al resultaten? Zo ja, Welke?
Het productschap Margarine, Vetten en Oliën (MVO) heeft afgelopen jaar in samenwerking met alle palmolieverwerkende schakels in Nederland het initiatief genomen tot het opstarten van de Task Force Duurzame Palmolie en de ondertekening van een manifest, met als doelstelling dat alle voor de Nederlandse markt geproduceerde palmolie in 2015 duurzaam geproduceerd moet zijn.
Tot op heden hebben onder meer de volgende activiteiten plaatsgevonden:
Specifieke resultaten zijn verder dat de Bond van Nederlandse Margarine fabrikanten het commitment is aangegaan dat in 2011 alle leden lid zijn van de RSPO en eind dit jaar voor al hun merken volledig overgeschakeld zijn op duurzame palmolie. Daarnaast heeft de Vereniging voor Bakkerij en Zoetwarenindustrie een standaard voor duurzame bakkerij ontwikkeld, waaronder het aankopen van gecertificeerde duurzame palmolie.
Klopt het dat de nieuwe raffinaderij voor biobrandstof van Neste Oil 400 000 ton palmolie per jaar als grondstof gebruikt?2 Zo nee, hoe groot is de hoeveelheid dan wel?
Op basis van de informatie verkregen bij Nesté Oil blijkt het volgende. Nesté Oil gebruikt een brede mix van grondstoffen, die in 2011 wereldwijd voor iets minder dan de helft bestaat uit ruwe palmolie. De maximale productie van Nesté Oil in Rotterdam kan 800 000 ton bedragen, waarbij het merendeel is bestemd voor de exportmarkt. Nesté Oil heeft wereldwijd meerdere productielocaties en de daadwerkelijke verdeling van de beschikbare grondstoffen over deze locaties wordt bepaald door (lokale) beschikbaarheid, logistieke optimalisatie en marktvraag. Het aandeel palmolie bij Nesté Oil Nederland kan daarom niet op voorhand worden ingeschat.
Klopt het dat elf maatschappelijke organisaties een klacht hebben ingediend bij de Round Table for Sustainable Palm Oil (RSPO) tegen Neste's belangrijkste palmolieleverancier, het Maleisische IOI3, wegens wetsovertredingen, fraude en ontbossing in Ketapang, Indonesië, en over een langdurig landconflict in Sarawak, Maleisië? Klopt het dat de certificering van IOI op grond van deze klacht is opgeschort? Zo ja, is het binnen de afspraken van de Taskforce duurzame palmolie toelaatbaar als een Nederlandse grootverbruiker van palmolie niet gecertificeerde grondstoffen importeert? Kunt u het antwoord motiveren?
Het klopt dat er bij de RSPO een klacht is ingediend tegen IOI. Deze wordt behandeld volgens de afspraken van het «RSPO Grievance Panel». De voortgang daarvan wordt regulier op de websites van de RSPO openbaar gemaakt (www.RSPO.EU).
De certificeringen van IOI zijn in zoverre opgeschort dat het bedrijf op dit moment geen nieuwe plantages mag certificeren. IOI kan duurzame palmolie blijven verkopen van hun plantages die in de afgelopen jaren reeds gecertificeerd zijn volgens de Principes en Criteria voor de productie van Duurzame Palmolie van RSPO.
De Nederlandse Task Force duurzame palmolie streeft ernaar dat in 2015 de in Nederland geïmporteerde palmolie duurzaam is geproduceerd op basis van RSPO certificering. Tot die tijd is het nog mogelijk dat bedrijven, die aangesloten zijn bij de Taskforce, ook nog conventionele palmolie importeren.
Is er sprake (geweest) van enige vorm van financiële steun (fiscale faciliteiten, MEP,4 SDE/SDE+)5 voor de raffinaderij van Neste Oil? Zo ja, heeft u op grond van deze steun mogelijkheden om af te dwingen dat uitsluitend duurzaam geproduceerde palmolie gebruikt wordt als grondstof?
Vanuit de MEP, SDE/SDE+ is geen financiële steun gegeven aan de raffinaderij van Nesté Oil. Evenmin heeft Nesté Oil een subsidie ontvangen uit het Subsidieprogramma CO2-reductie Innovatieve Biobrandstoffen voor transport (IBB), of – voor zover mij bekend – enig ander kader.
Hoe denkt u te verzekeren dat de afspraak 100% duurzaam geproduceerde palmolie in 2015 meer wordt dan een loze belofte?
Een «verzekering» namens de overheid voor alle palmolie, valt op dit punt niet te geven. Voor de inzet van vloeibare palmolie voor energie gelden wettelijk vastgestelde duurzaamheidscriteria, die nageleefd dienen te worden en is daarmee de duurzaamheid verzekerd.
Voor de inzet van palmolie voor andere toepassingen staan de private partijen die zijn aangesloten bij de Task Force Duurzame Palmolie aan de lat. Als overheid kunnen wij de partijen wel aanspreken op hun verantwoordelijkheid om gemaakte afspraken na te komen. Onze inzet daarbij is om zowel op overheidsniveau, als samen met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties het marktaandeel van gecertificeerde palmolie te verhogen. In dit kader steunt de Nederlandse overheid bijvoorbeeld de Round Table on Sustainable Palmoil (RSPO), waar door alle betrokken partijen uit de mondiale palmolieketen, samen met internationale NGO’s, afspraken worden gemaakt over productie en certificering van duurzame palmolie.
Een waterkrachtcentrale bij Hagestein |
|
Paulus Jansen (SP), Stientje van Veldhoven (D66), Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU), Roland van Vliet (PVV), Diederik Samsom (PvdA), Liesbeth van Tongeren (GL), René Leegte (VVD), Marieke van der Werf (CDA), Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de waterkrachtcentrale in de stuw bij Hagestein (Ut) al jarenlang buiten gebruik is? Zo ja, sinds wanneer?
Ja. Nuon had een contract met Rijkswaterstaat (RWS) tot juli 2008 en legde de centrale stil in 2005, in eerste instantie voor onderhoud. Het NUON Duurzaamheidsverslag van 2005 gaf aan dat de produktie tegenviel en de belangstelling voor groene stroom terugliep. Sindsdien ligt de centrale stil.
Klopt het dat er op het moment van buitengebruikstelling al een uitgewerkt plan lag om de centrale te renoveren door het vervangen van de verouderde en versleten generator, tandwielkast en besturingssysteem, waarna de centrale 4 000 000 kWh elektriciteit per jaar zou kunnen produceren? Zo ja, waarom is dit plan niet uitgevoerd?
Ja, er was sprake van een renovatieplan van Nuon dat blijkens hun Duurzaamheidsverslag onvoldoende rendabel was.
Klopt het dat een lokaal duurzaam energiebedrijfje aan u als beheerder van de stuw en oude waterkrachtcentrale heeft aangeboden om op basis van een 20-jarige concessie de renovatie voor eigen rekening en risico uit te voeren, waarbij dit bedrijf tevens bereid was om een gebruiksvergoeding te betalen voor het beschikbaar stellen van de locatie? Zo ja, op welke datum heeft deze ontwikkelaar schriftelijk zijn interesse laten blijken? Wanneer en hoe hebt u gereageerd?
Enkele bedrijven en overheden hebben in 2010 belangstelling getoond. RWS heeft in november 2010 geantwoord dat er niet voor februari 2011 duidelijkheid zou komen over tenderen c.q. een eventuele openbare aanbesteding. RWS heeft ook aangegeven dat meer tijd nodig is voor onderzoek naar de omvang van de renovatie, de exploitatiemogelijkheden en visbeschermende maatregelen. Dit is alleen aan de provincie medegedeeld en niet aan andere belanghebbenden. Bij de vervolgacties (zie vraag 4) ga ik hier nader op in.
Indien de reactie was «we gaan het project tenderen»: kan een overzicht worden gegeven van de vervolgacties om dit voornemen in de praktijk te brengen?
Het tenderen is een principe-besluit en dit zal plaatsvinden wanneer dit van alle beleidsopties de beste optie is. Eén zo’n andere optie is dat RWS de stroomopwekking zelf integreert in de waterstaatkundige regeling van de waterstand. RWS moet in 2012 de technische, juridische en andere exploitatie-eisen in kaart hebben om de huidige centrale tenminste op het niveau van de waterstaatkundige functie in bedrijf te hebben, dat wil zeggen de fijnregeling van de waterstand te verzorgen. Dat wordt op dit moment nog onderzocht. De optie om de waterkrachtcentrale buiten gebruik te laten moet ook worden onderzocht. Ervaring met de centrale bij Borgharen heeft immers geleerd dat waterkracht alleen haalbaar is indien de vergunningverlener en exploitant voldoen aan de omgevingseisen en dit aantoonbaar is geborgd.
De eerstkomende vervolgacties bestaan dus uit het afronden van de genoemde onderzoeken en overleg over de uitkomsten met de belanghebbende partijen. RWS zal het initiatief nemen om de belanghebbende bedrijven en overheden over enkele maanden in te lichten over de stand van zaken en zal daarbij tevens alle partijen de gelegenheid te geven om hun eigen plannen toe te lichten. Zodoende kan ik in de loop van 2012 een afgewogen besluit nemen.
Klopt het dat de gemeenten Houten en Vianen vervolgens aangeboden hebben om het exploitatierecht ter hand te nemen, om daarmee verder tijdverlies te voorkomen? Zo ja, hoe en wanneer is op die suggestie gereageerd?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien die reactie was «we gaan het project zelf uitvoeren»: kan een overzicht worden gegeven van de vervolgstappen om hun gewijzigde voornemen in praktijk te brengen, inclusief een planning en investeringsraming voor de ingebruikname?
Zie het antwoord op vraag 4. De voorlopige raming voor renovatie beweegt zich tussen de 3 ton voor een relatief kleine ingreep die tijdelijk een beperkte produktie mogelijk maakt tot ruim 3 miljoen voor een renovatie met een optimale produktie. Deze kosten zijn exclusief BTW; onvoorzien; personeel en beheer en onderhoud.
Wat is uw oordeel over de gang van zaken rond de waterkrachtcentrale Hagestein?
De waterkrachtcentrale heeft vele jaren goed gefunctioneerd en is nu aan groot onderhoud of vervanging toe. De situatie is nu echter gecompliceerder dan 50 jaar geleden en dat vergt onderzoek. RWS zal daar vaart achter zetten.
Onderschrijft u dat dit project een schoolvoorbeeld zou kunnen zijn van een green deal? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort initiatieven niet langer gefrustreerd worden maar bevorderd?
Mocht er voor de waterkrachtcentrale Hagestein in het kader van de Green Deal een initiatief worden ingediend, dan zullen wij dit serieus bekijken. Er dient vanzelfsprekend te worden voldaan aan de uitgangspunten van de Green Deal: het project is in de kern rendabel, komt op korte termijn tot resultaten en leidt tot economische activiteiten of een kostenbesparing maar heeft nog een duwtje in de rug nodig met betrekking tot regelgeving, regie, informatie-uitwisseling of toegang tot financiering. Energie uit waterkracht komt in aanmerking voor ondersteuning vanuit de Subsidieregeling duurzame energie (SDE+) van dit kabinet.
Het beperken van magnetische velden rond bestaande hoogspanningstracés |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kema: minder magnetische straling door stoelendans in stroomnet»?1 Kloppen de beschreven feiten?
Ja, ik heb kennis genomen van het artikel. In het KEMA-rapport wordt verslag gedaan van diverse metingen voor en na fasedraaiing, ook wel aangeduid als het optimaliseren van de klokgetallen. Ik heb geen aanleiding te veronderstellen dat de beschreven feiten in het rapport onjuist zouden zijn.
Is de door Stedin bij Veenendaal beproefde techniek breder inzetbaar? Zo ja, voor welk deel van het hoogspanningsnet?
Het is een bekende techniek, die ook aan de orde kwam bij de vaststelling van het in 2005 door het toenmalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uitgebrachte beleidsadvies inzake de blootstelling aan magnetische velden. Vanaf die tijd wordt aan provincies, gemeenten en netbeheerders geadviseerd om bij de vaststelling van streek- en bestemmingsplannen, dan wel bij wijziging in bestaande plannen of van bestaande hoogspanningslijnen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Aan dit advies is zorgvuldig onderzoek voorafgegaan, o.a. ook naar mogelijke maatregelen om magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen te versmallen. In rapporten van KEMA en RIVM2 zijn verschillende opties vastgelegd, waaronder ook fasedraaiing. Na fasedraaiing compenseren de door de hoogspanningslijn opgewekte magneetvelden elkaar maximaal. Deze techniek vergt afhankelijk van de netsituatie meer of minder aanpassingen, maar is in beginsel voor alle bovengrondse hoogspanningslijnen in Nederland toepasbaar; voor een deel van het net heeft optimalisatie al plaatsgevonden.
Wat zijn de kosten om fasedraaiing bij bestaande tracés te implementeren?
In deel 4 van de hierboven genoemde KEMA- en RIVM-rapporten zijn kengetallen aangegeven voor de kosten die gemoeid zijn met fasedraaiing. Deze bedragen per lijnstuk (mast tot mast): voor 380 kV 1 miljoen euro; voor 220 kV 0,9 miljoen euro, voor 150 kV 0,8 miljoen euro; voor 110 kV 0,7 miljoen euro, voor combilijnen 1,3 miljoen euro en voor 50 kV 0,33 miljoen euro.
Onderschrijft u dat deze techniek interessant kan zijn om de belasting door elektromagnetische velden tegen beperkte kosten aanzienlijk te reduceren? Zo ja, bent u bereid om met de netbeheerders te overleggen over een effectieve aanpak en de Kamer te berichten over de conclusies van dit overleg?
Ik zie op dit moment geen reden om de techniek van fasedraaiing toe te passen en dit netbeheerders voor te schrijven. Zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief van 8 juni 2011 inzake uitkoop en verkabeling, die van de zijde van de Kamer wordt gesteund, is er geen sprake van veiligheids- en gezondheidsaspecten die het wonen in de nabijheid van hoogspanningslijnen zouden beperken. Wel heb ik in die brief aangegeven dat de ervaring leert dat mensen niet graag in de buurt van een hoogspanningsverbinding wonen, en dat ik voor mensen die erg dichtbij een hoogspanningsverbinding wonen en dit ervaren als een grote vermindering van het woongenot een oplossing zal verkennen. Aan het eind van dit jaar zal ik uw Kamer hier nader over informeren.
Het tracé bij Nieuwe Wetering |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van de Dorpsraad Nieuwe Wetering?1
Ja, dat ben ik.
Klopt het dat het voorzorgsprincipe bij Schiphol niet wordt gehanteerd? Zo ja, kunt u aangeven wat dit voor consequenties heeft en of dit gevolgen heeft voor het tracé bij de Nieuwe Wetering?
Inmiddels heeft u van mij een brief ontvangen (verstuurd 31 oktober jl.) met het definitieve tracé ter hoogte van de gemeente Haarlemmermeer en Kaag en Braassem. Zoals is aangegeven tijdens het debat met uw Kamer op 9 juni jl. passen we het voorzorgsprincipe voor de luchtvaartveiligheid juist wel toe. Vanuit de luchtvaartveiligheid bezien is een westelijke variant altijd beter dan een oostelijke variant, omdat deze verder van de luchthaven ligt. De minister van Infrastructuur en Milieu heeft in hetzelfde debat dan ook aangegeven eventuele risico’s in relatie tot Schiphol niet op te willen zoeken. Door te verkabelen ter hoogte van de Polderbaan worden daar mogelijke restrisico’s weggenomen. Het gaat niet alleen om de veiligheid van de mensen in het vliegtuig, maar ook de veiligheid op de grond. De maatschappelijke effecten die teweeggebracht worden als een vliegtuig neerstort in een dichtbebouwde omgeving zoals de Schipholregio, kunnen enorm zijn. Indien hierbij tevens vitale infrastructuur voor de energievoorziening wordt getroffen, zullen deze effecten nog kunnen toenemen.
Zie het antwoord op de vragen 3 en 4 voor de gevolgen voor het tracé bij Nieuwe Wetering.
Kunt u aangeven hoeveel kilometer er bij de westelijke variant van de Haarlemmermeer ondergronds gaat door nog te plannen woonwijken? Hoeveel kilometer kan hiervan eventueel bovengronds in nog te bebouwen gebieden?
De verbinding wordt ondergronds gelegd ter hoogte van de kop van de Polderbaan, ter beperking van de risico’s voor de vliegveiligheid rond Schiphol. Daarnaast wordt de verbinding ondergronds gelegd langs de wijk Floriande, dus niet door de woonwijk. Als laatste wordt de verbinding onder het bebouwingslint van Rijpwetering doorgelegd tot voorbij de zogenaamde buisleidingenstrook aan de noordzijde. Daarmee is de 20 km voor verkabeling opgebruikt. Er zijn dus geen ondergrondse kilometers meer beschikbaar voor nog te bebouwen gebieden. Wegens het beperkte aantal beschikbare ondergrondse kilometers heb ik er voor gekozen deze bij bestaande woonwijken in te zetten. Overigens is er beleidsmatig ook geen aanleiding om ondergronds langs nog te plannen woonwijken te gaan: bij de ontwikkeling van nieuwe woonwijken kunnen woningen wat betreft magneetvelden op voldoende afstand van deze hoogspanningsverbinding worden gesitueerd, en tevens kan de hoogspanningsverbinding daarbij dan op landschappelijk verantwoorde wijze worden ingepast.
Hoe oordeelt u over de infrastructurele knoop bij Nieuwe Wetering? Bent u bekend met de signalen van bewoners die wijzen op verhoogde gezondheidsrisico’s? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?
De verbinding ter hoogte van Nieuwe Wetering zal de dorpskern op tenminste 800 meter afstand passeren. Dit is ruim voldoende afstand wat betreft magneetvelden. De bewoners van Nieuwe Wetering spreken echter ook over de risico’s van fijnstof. In opdracht van de minister van Infrastructuur en Milieu heeft het RIVM in 2007 een literatuurstudie verricht, waarbij met betrekking tot een mogelijke relatie tussen hoogspanningslijnen en fijnstof de wetenschappelijke informatie op dit onderwerp is bestudeerd. De conclusie uit het RIVM-rapport is dat, voor zover nu bekend, de schadelijke effecten van fijnstof niet worden verergerd door hoogspanningslijnen en de daaraan gekoppelde elektromagnetische velden. Recent heeft het RIVM een update uitgevoerd van het betreffende onderzoek. Het RIVM komt daarin tot de conclusie dat de publicaties die sinds 2007 zijn verschenen, geen aanleiding geven de conclusies uit 2007 te herzien.
De bevindingen van het RIVM zijn in lijn met die van de Gezondheidsraad uit 2001 en de Wereldgezondheidsorganisatie van juni 2007.
Bent u bereid om bij bovengrondse aanleg in de Nieuwe Wetering de corridorwerking zo veel mogelijk te matigen door de meest westelijke kant van het zoekgebied bij Nieuwe Wetering te benuttenen en de aanleg zoveel mogelijk westelijk te effectueren? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief aan uw Kamer van 31 oktober jl. heb ik aangegeven een zo westelijk mogelijk tracé te hebben gekozen. Bij een meer westelijke tracering zou een (bewoonde) monumentale molen «geraakt» worden en zou de verbinding erg dicht langs buurtschap Huigsloot ten noorden van de Ringvaart lopen, wat onwenselijk is. Tijdens het bestuurlijk overleg op 28 oktober jl. hebben de gemeente Kaag en Braassem en de provincie Zuid-Holland aangegeven dat dit uiteindelijke tracé als het «next best»-tracé wordt gezien. Zij houden een voorkeur voor een ondergronds tracé in de gemeente Kaag en Braassem.
Het sluiten van NUON Helianthos |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat NUON aangekondigd heeft van plan te zijn om Helianthos te sluiten?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit een groot verlies is voor de innovatieve zonnecel PV-cel productie in Nederland?
In de zonne-energie branche vindt veel technologische ontwikkeling plaats en de variëteit in technologie is groot. De Nederlandse zonne-energie industrie draagt daar een belangrijke steen aan bij. We hebben bijvoorbeeld veel kennis en bedrijvigheid op het gebied van silicium en dunnefilm zonnecellen. Helianthos is een van de bedrijven die een eigen technologie in de markt probeerde te zetten. Helaas moet ik constateren dat er in de zonne-energie markt geen interesse is om de technologie van Helianthos te vermarkten. Uiteraard betreur ik het dat met Helianthos duurzame bedrijvigheid in Nederland verdwijnt. Dit hoort echter wel bij een hoog-technologische en zich snel ontwikkelende markt. Uiteindelijk zal niet iedere technologie of ieder bedrijf het redden. Met de verwerping van de motie Thieme over Helianthos heeft uw Kamer laten zien deze opvatting over de werking van de markt te steunen.
Hoe zijn de miljoenen investeringen van de provincie Gelderland en de Rijksoverheid de afgelopen jaren ingezet bij Helianthos en op welke wijze heeft u hier in meebeslist?
Helianthos heeft de afgelopen jaren verschillende malen subsidie ontvangen van de provincie Gelderland en de Rijksoverheid. De provincie Gelderland beheert haar eigen budgetten en met de subsidies die de provincie Gelderland aan Helianthos heeft toegekend heb ik dan ook geen bemoeienis. De subsidies vanuit de Rijksoverheid zijn toegekend voor de uitvoering van specifieke onderzoeks- en demonstratieprojecten. Veel van deze projecten zijn uitgevoerd in consortia, waarbij Helianthos één van de partners was. De subsidieaanvragen zijn altijd beoordeeld volgens door mij opgestelde criteria voor de betreffende regeling.
Wat is de rol van uw ministerie geweest, nadat NUON na de overname van het Zweedse Vattenfall er niet in slaagde om een medefinancier te vinden voor de opschaling van de productie van de flexibele zonnemodules?
Er hebben op verzoek van Nuon gesprekken plaatsgevonden. Deze betroffen de lopende subsidieverplichtingen van Helianthos in relatie tot een eventuele overname. Daar konden geen afspraken over worden gemaakt. Er is niet gesproken over nieuwe steun voor Helianthos.
Ziet u nog mogelijkheden om met Helianthos in gesprek te gaan en andere toekomstscenario’s te verkennen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Nee. Onderdeel van marktwerking en innovatie is dat er bedrijven en innovaties zijn die het uiteindelijk niet redden op de markt. Helianthos is daarvan helaas een voorbeeld gebleken. In het verleden is door het Rijk ca. € 20 mln aan subsidie toegekend aan Helianthos. De provincie Gelderland heeft daar nog ca. € 7 mln bijgelegd. Mede daardoor is samen met consortiapartners veel kennis ontwikkeld. Deze kennis is niet weg en kan ook bij andere producten van Nederlandse bedrijven gebruikt worden. Uit het feit dat Nuon niet in staat is gebleken een investeerder te vinden voor Helianthos blijkt dat de markt onvoldoende verdienpotentieel ziet in Helianthos. Ik heb geen reden om een andere afweging te maken.
Hoe zorgt u ervoor dat de opgebouwde kennis niet verloren gaat met het sluiten van NUON Helianthos?
Zoals ik al eerder aangaf zijn verschillende partijen betrokken geweest bij de technologieontwikkeling van Helianthos. Zo zijn ECN, de TU Delft en de Universiteit Utrecht betrokken geweest bij het onderzoek. Veel kennis blijft zodoende aanwezig in deze instellingen. Tevens bevat veel subsidieregelgeving regels over intellectueel eigendom. Ik onderzoek op dit moment voor het deel van de subsidie dat nog niet in rechte vaststaat wat er met de ontwikkelde kennis gebeurt. Afhankelijk van wat er met het intellectueel eigendom gebeurt, zal ik bezien of ik kan overgaan tot terugvordering van subsidie.
Deelt u de mening dat, indien Nederland de PV-markt had gestimuleerd zoals andere landen, wellicht deze beslissing voorkomen had kunnen worden?
Nee. In veel Europese landen wordt vooral de aanschaf van zonnepanelen gestimuleerd. Helianthos was nog niet in de fase dat het product aangeboden kon worden aan de markt. Juist de belofte van de Helianthos technologie dat het relatief kostenefficiënt energie op kon wekken, was een pré in de Nederlandse markt, waar zonne-energie wel gestimuleerd, maar niet overgesubsidieerd wordt. Bovendien is de zonne-energiemarkt bovenal een internationale markt en heeft het Nederlandse beleid op het gebied van uitrol van zonne-energie slechts zeer beperkt impact op de wereldmarkt voor zonnecelproductie.
Bent u bereid met de verschillende betrokken kennisinstellingen het gesprek aan te gaan hoe voorkomen kan worden dat de lopende onderzoeksprogramma’s worden gestaakt?
Uiteraard zal ik met zorg naar lopende projecten kijken. Bij lopende projecten zal ik, zoals ik ook aangeef onder vraag 6, bekijken hoe ik de kennis kan veiligstellen. Indien de projecten voortgezet kunnen worden zonder Helianthos, zonder dat de projectdoelstellingen in gevaar komen, zie ik op dit moment geen reden om onderzoeksprogramma’s te staken.
In hoeverre beïnvloedt de sluiting van Helianthos het aantal zogenaamde groene banen in Nederland?
Met de sluiting van Helianthos gaan ca. 62 arbeidsplaatsen verloren. Nuon zoekt voor de 50 medewerkers in vaste dienst een positie elders binnen Nuon/Vattenfall.
In hoeverre doorkruist de sluiting van Helianthos uw beleid met betrekking tot de topsectoren?
Het topsectorenbeleid is er op gericht om de markt de ruimte te geven en te faciliteren. Het is er niet op gericht om te sturen op welke bedrijven en technologieën overleven in de markt. In dit geval heeft de markt een duidelijk signaal afgegeven door niet door te investeren in Helianthos, waar ik niet tegenin wil gaan.
Hoe denkt u met het huidige beleid de concurrentie met het buitenland aan te gaan om de huidige innovatieve PV-industrie in Nederland te behouden en investeerders te overtuigen de ontwikkeling van een PV-industrie in Nederland te steunen?
Nederland heeft een sterke innovatieve PV-industrie. Onze kennispositie is sterk. Veel bedrijven, waarvan er bijvoorbeeld een sterk cluster is gevormd rond Eindhoven, draaien goed mee op de wereldmarkt. Juist die bedrijven, die in een competitieve wereldmarkt het hoofd boven water kunnen houden, vormen een goede basis om ook in de toekomst een sterke zon-PV sector te kunnen behouden. Het bedrijvenbeleid (kamerstuknr. 32 637, nr. 15) zoals ik dat aan uw kamer heb gestuurd op 13 september, zorgt ervoor dat bedrijven ook de ruimte krijgen om te ondernemen.
De toespraak “De missie van het rentmeesterschap” |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat u in uw toespraak van 24 augustus jl. definitief afstand hebt genomen van windenergie op zee? Zo nee, waarom niet?1
Nee. Ik heb gezegd dat de verleende subsidie beter op andere wijze had kunnen worden besteed. Dat laat onverlet dat windenergie op zee op termijn en na noodzakelijke kostenverlagingen wel degelijk van belang kan zijn voor Nederland.
Is er sprake van voortschrijdend inzicht bij u nu de heer Van der Veer, in zijn hoedanigheid als boegbeeld van de topsector Energie, zegt dat we deze vier miljard euro nooit hierin hadden moeten steken en u duidelijk aangeeft dat u «dit mooi gezegd vindt»? Zo nee, waarom niet?
Nee, de heer Van der Veer heeft in zijn advies als boegbeeld aangegeven, dat windenergie op zee een potentieel belangrijke sector is voor de verdiencapaciteit van Nederland. En met de heer Van der Veer ben ik van mening dat windenergie op zee nu nog te duur is om een volwaardige rol te spelen in de Europees afgesproken doelstelling voor duurzame energie in 2020.
Deelt u de mening dat deze «nieuwe inzichten» aanleiding zijn om geen subsidie meer te steken in offshore windenergieprojecten en nu op echte innovatie in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Conform het Regeer- en gedoogakkoord zet dit kabinet wat exploitatiesubsidies betreft in op de goedkoopste vormen van duurzame energie. Daartoe is de SDE-regeling omgevormd tot een SDE+-regeling, waarin alle vormen van duurzame energie met elkaar concurreren. Het is niet te verwachten, dat windenergie op zee binnen afzienbare termijn mee kan concurreren in de SDE+. Innovatie wordt gestimuleerd via het bedrijfslevenbeleid in de topsector energie.
Over het bericht ‘Verhagen ziet vergunning kolencentrale alsnog komen’ |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het bericht «Verhagen ziet vergunning kolencentrale alsnog komen»?1
Ja.
Waarom besloot u zo kort na de uitspraak van de Raad van State al dat de bouw van de kolencentrale in de Eemshaven door kan gaan? Had u de uitspraak op dat moment al bestudeerd?
Besluiten over de doorgang van de bouw van kolencentrale zijn genomen door het bevoegd gezag, in dit geval de provincie. Ik heb slechts aangegeven er vertrouwen in te hebben dat de uitkomsten van de nadere onderzoeken geen aanleiding zullen zijn een nieuwe vergunning te weigeren, wanneer in deze onderzoeken rekening wordt gehouden met de opmerkingen van de Raad van State. Of deze verwachting werkelijkheid wordt, moet ook ik afwachten.
Deelt u de mening dat een biomassacentrale een geschikt en relatief schoon alternatief is voor de in de Eemshaven geplande kolencentrale?
De vergunning is vernietigd op grond van de effecten van de bouw en het gebruik van de centrale op de natuurwaarden in de omringende gebieden. In elke vergunningprocedure voor bouwprojecten op deze locatie is een zorgvuldige afweging van effecten op natuur en milieu vereist. Het is niet aan mij om uitspraken te doen over deze afweging, noch over eventuele alternatieven voor het voorliggende bouwplan.
Deelt u de mening dat de kwetsbare natuur in het Waddengebied beschermd dient te worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om alternatieven voor de kolencentrale te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de uitspraak van de Raad van State een goed moment is voor bezinning over de Nederlandse energiepolitiek, waarbij we onszelf de vraag moeten stellen of we een vervuilende kolencentrale willen bouwen of dat we echt werk gaan maken van schone energie?
Het energiebeleid dat de regering voorstaat is verwoord in het Energierapport 2011. Centraal hierbij staat dat het aan marktpartijen is om te investeren in energie en dat dit kabinet hecht aan diversificatie van energiebronnen, mede met het oog op voorzieningszekerheid en een betaalbare energievoorziening. Ik zie geen reden dit beleid te wijzigen. Onderdeel van het kabinetsbeleid is en blijft dat vergunningaanvragen moeten voldoen aan de vigerende wet- en regelgeving, waaronder die van natuur. Duurzame energie stimuleert dit kabinet fors via onder meer de SDE+-regeling.
Bent u bereid om in gesprek te treden met RWE/Essent en het bevoegd gezag in Groningen over alternatieven voor de kolencentrale?
Een gesprek met initiatiefnemers en de provincie is niet aan de orde. Zoals ik aangaf in het antwoord op de vragen 3 en 4 is het niet aan mij om uitspraken te doen, dan wel in overleg te gaan over eventuele alternatieven.
Het gasnetwerk |
|
Paulus Jansen (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid dat er onvoldoende is gedaan met de adviezen van de onderzoeksraad aangaande het wegnemen van risico’s in ons gasnetwerk?1
De heer Joustra vraagt aandacht voor de rapporten van de Onderzoeksraad. Ik ben het echter niet eens met zijn stelling dat er onvoldoende is gedaan met de adviezen van de Onderzoeksraad. Naar aanleiding van het rapport «Grijs gietijzeren gasleidingen, Een onderzoek naar aanleiding van de gasexplosie Haarlemmer Houttuinen Amsterdam, 9 maart 2008» van 28 april 2009 en de daarbij behorende aanbevelingen van 6 juli 2009 zijn de volgende acties ondernomen:
Waar in Nederland is het risico op ongelukken het grootst? Hoeveel mensen wonen in een gevarenzone? Hoe groot is de kans dat er een gasexplosie ontstaat vanwege de verouderde gietijzeren leidingen?
Voor grijs gietijzeren leidingen is er ten opzichte van andere materialen een additioneel risico indien die leidingen in niet-geconsolideerde grond liggen en die grond wordt geroerd ten gevolge van transport van zwaar verkeer of door de bouw of bemaling van diepe bouwputten. Doordat de grond op veel plaatsen wordt geroerd, is het aantal breuken per km grijs gietijzerleiding ruim vijf maal hoger dan in niet-brosse transportleidingen. Vandaar ook de noodzaak tot sanering.
Spreekt wat u betreft uit de snelheid van handelen door netbeheerders voldoende gevoel voor urgentie om de risico’s van de verouderde gietijzeren gasnetwerken weg te nemen? Zo nee, hoe gaat u dat gevoel van urgentie vergroten? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten mede in het licht van de snelheid waarmee de verouderde netwerken in Frankrijk en Engeland zijn vervangen?
De realisatie van de plannen voor de vervanging van grijs gietijzer zijn voldoende ambitieus, gegeven de omstandigheden waarin door gasnetbeheerders eerst op de meest risicovolle plaatsen wordt gewerkt aan de sanering van het grijs gietijzer. Daarover zijn afspraken gemaakt met de netbeheerders en SodM ziet toe dat deze afspraken worden nagekomen. Op dit moment zie ik geen aanleiding om de gemaakte afspraken te herzien.
De Nederlandse situatie is niet één op één te vergelijken met Frankrijk en Groot-Brittannië, maar ook in Groot-Brittannië is een eerste periode van vijf jaar voor het opheffen van de meest risicovolle locaties voorzien en een periode van 30 jaar voor het opheffen van de overige risicovolle locaties.2
Hebben alle netbeheerders inmiddels een risico-inventarisatie afgerond? Zo nee, welke netbeheerders hebben nog geen inventarisatie en waarom niet?
Ja, alle gasnetbeheerders hebben hun risico-inventarisatie afgerond.
Hebben alle netbeheerders een plan van aanpak voor het vervangen van de gietijzeren gasleidingen op basis van die risico-inventarisatie? Zo nee, welke netbeheerders hebben nog geen plan van aanpak en waarom niet? Zo ja, kunt u per netbeheerder aangeven op welk moment in de tijd zij alle gietijzeren gasleidingen hebben vervangen?
Ja, alle gasnetbeheerders hebben een plan van aanpak voor het vervangen van de gietijzeren leidingen op basis van hun risico-inventarisatie.
Een aantal kleine netbeheerders zal hun aandeel in deze risicovolle leidingen binnen zes jaar na 2010 hebben gesaneerd. De sanering door de overige netbeheerders, zoals de drie grote beheerders Enexis, Stedin en Liander, wordt risicogericht uitgevoerd, waardoor de meest risicovolle leidingen het eerst vervangen worden, te weten ruim 2000 km in zes jaar na 2010. Na 30 jaar, in 2 041, zal 95% van het brosseleidingenbestand zijn vervangen. Het restant betreft grijs gietijzeren leidingen in minder breukgevoelige omstandigheden.
Hoeveel van de geïnventariseerde knelpunten in het hoofdgasnetwerk zijn inmiddels door de gasunie opgelost? Hoeveel knelpunten moeten nog worden weggenomen?
Het Telegraaf-artikel geeft aanleiding tot misverstanden. Bij het artikel werd een kaartje van het Gasunie hoofdtransportnet afgedrukt. Dit kaartje zet de lezer op het verkeerde been omdat het onderzoek van het OVV waaraan wordt gerefereerd alleen betrekking heeft op regionale gasnetwerken. Op het kaartje van Gasunie’s hoofdtransportnet dat werd afgebeeld komen geen leidingen voor van «grijs gietijzer», want er zijn helemaal geen grijs gietijzeren leidingen in het hoofdtransportnet.
Ligt de Gasunie daarmee nog op schema om tijdig te voldoen aan het wegnemen van de risico’s in het hoofdgasnetwerk? Zo nee, wat is de oorzaak van de vertraging?
Niet van toepassing, zie mijn reactie op vraag 6.
Het bericht 'Bonaire zonder stroom' |
|
André Bosman (VVD), René Leegte (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Bonaire urenlang zonder stroom» en «Bonaire zonder stroom»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe het mogelijk is dat de betalingsachterstand van het distributiebedrijf WEB aan de energieproducent Ecopower zo groot is geworden dat de stroomvoorziening op Bonaire niet langer gegarandeerd is? Hoe rijmt deze situatie met de leveringsplicht van WEB?
De betrokken partijen zijn al snel na de start van Ecopower in augustus vorig jaar met elkaar in conflict gekomen over de manier waarop kosten van elektriciteitsproductie doorberekend kunnen worden op basis van de Power Purchasing Agreement (PPA). Dit verschil van interpretatie is de reden dat WEB de rekeningen van Ecopower voor geleverde elektriciteit niet volledig en met vertraging betaalt. Ecopower stelt hierdoor voortdurend in liquiditeitsproblemen te verkeren waardoor de (tijdige) aanschaf van brandstof voor de dieselgeneratoren regelmatig in gevaar komt. Partijen zijn er niet in geslaagd het conflict binnen een redelijke termijn tot een oplossing te brengen. Noch hebben ze tussenkomst van arbiter of rechter ingeroepen.
Het staken van de levering als gevolg van het conflict verdraagt zich niet met de leveringsplicht.
Daar u in uw antwoorden op vragen van het lid van Gent (GroenLinks) van mei 2011 aangeeft dat u vertrouwt dat de betrokken partijen op Bonaire hun verantwoordelijkheid zullen nemen zodat de voorzieningszekerheid niet in het geding komt en dat het niet leveren van stroom voorkomen wordt,2 kunt u aangeven of u dit vertrouwen nog steeds heeft? Zo ja, kunt u aangeven waarop dit vertrouwen is gebaseerd? Zo nee, wat voor actie gaat u ondernemen?
Het verschil van mening tussen beide partijen over leverings- en betalingsvoorwaarden van elektriciteit blijkt hardnekkig, en ik heb helaas moeten vaststellen dat de situatie op Bonaire is geëscaleerd. Ik heb de partijen daarom aangeboden te assisteren in een bemiddelingspoging, waarop zowel Ecopower als WEB constructief heeft gereageerd. De initiële resultaten van de bemiddeling zijn positief. Beide partijen zijn gecommitteerd om een structurele oplossing te vinden voor de ontstane problemen en starten daartoe van 5 tot 19 september 2011 een proces van onderlinge gesprekken. Indien op 19 september a.s. nog geen overeenstemming is bereikt, dan wordt een bindende arbitrageprocedure opgestart die uiterlijk 7 november a.s. zal dienen te zijn afgerond.
Hebben mensen risico’s gelopen vanwege het uitvallen van de stroom bij bijvoorbeeld belangrijke publieke voorzieningen? Kunt u tevens aangeven of bedrijven en/of particulieren schade hebben geleden door de langdurige stroomuitval op Bonaire? Wie is verantwoordelijk voor de eventueel geleden schade?
Burgers en bedrijven moeten kunnen rekenen op continuïteit van de elektriciteitsvoorziening. Elke onderbreking levert niet alleen ongemak en hinder op, maar kan ook voor risicovolle situaties zorgen. Voor zover nu kan worden nagegaan, hebben zich tijdens de laatste stroomonderbreking geen gevaarlijke situaties voorgedaan. Indien sprake is van schade voor particulieren en bedrijven, kunnen zij zich richten tot WEB, waarmee zij een contract hebben voor de levering van energie. Stroomuitval komt in Bonaire voor kortere en langere periodes helaas met enige regelmaat voor. De meeste belangrijke publieke voorzieningen hebben daarvoor maatregelen getroffen en beschikken over een generator. Daarbij moet worden aangetekend dat een generator een noodvoorziening is en niet als substituut kan dienen voor een reguliere en betrouwbare stroomvoorziening.
Welke verantwoordelijkheid hebben de Gezaghebber en de Eilandsraad ten aanzien van de energievoorziening en de betaling van rekeningen? Welke verantwoordelijkheid heeft de rijksoverheid ten aanzien van de energievoorziening?
De gezaghebber heeft een verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en heeft met het oog daarop ingegrepen op basis van artikel 178 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De betaling van de rekening van Ecopower door de overheids-NV WEB is privaatrechtelijk geregeld in de PPA.
Op grond van de Wet Elektriciteitsconcessies BES zijn de Bestuurscolleges van Bonaire, Saba en Sint Eustatius bevoegd om een concessie te verlenen voor de productie van elektriciteit. De Rijksoverheid heeft derhalve geen directe verantwoordelijkheid voor de opwekking van energie in Caribisch Nederland.
Is een investering op Bonaire, zoals een investering in Ecopower, een risico voor investeerders door het gebrekkig betalen van rekeningen? Lopen Bonaire en mogelijk ook Saba en Sint Eustatius het risico dat vanwege het slechte betalingsgedrag er geen of minder investeringen meer worden gedaan?
Het gaat hier voorshands om een individueel geval en het lijkt onwaarschijnlijk dat dit geschil van invloed zal zijn op andere investeringsbeslissingen in Bonaire, Saba of Sint Eustatius.
Deelt u de mening dat de stroomvoorziening in heel Nederland, dus inclusief de BES-eilanden, ten alle tijden gegarandeerd moet zijn? Zo ja, bent u bereid om erop toe te zien dat de stroomvoorziening op Bonaire in de toekomst gegarandeerd is? Zo nee, waarom niet?
Ja, de elektriciteitsvoorziening is van vitaal belang voor de gemeenschap op Bonaire. Deze dient dan ook te zijn verzekerd, net zoals dat in heel Nederland het geval is. Verder is van belang dat, gegeven de schaal en het insulaire karakter van het eiland, verstoringen minder goed zijn op te vangen dan in Europa. Het lokale bestuur heeft een primaire verantwoordelijkheid voor de stroomvoorziening. Naast het eerder genoemde initiatief inzake bemiddeling tussen beide partijen, zal ik bezien of nadere regulering bij kan dragen aan een zekere, betaalbare en duurzame elektriciteitsvoorziening.
Verouderde gasleidingen die tikkende tijdbommen in de Nederlandse bodem zijn |
|
Richard de Mos (PVV), André Elissen (PVV), Roland van Vliet (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gasnet op springen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat hopeloos verouderde gashoofdleidingen tikkende tijdbommen in de Nederlandse bodem zijn?
Het is onjuist om te spreken over gashoofdleidingen. Het onderzoek van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) heeft alleen betekenis voor regionale gasnetwerken. Naar aanleiding van het OVV-rapport hebben de regionale netbeheerders in 2010 elk hun brosse leidingen geïnventariseerd en een risicoanalyse gemaakt, vervolgens hebben zij in goede afstemming met Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) plannen opgesteld om tot versnelde sanering te komen. Het vervangen van alle brosse leidingen is een complexe, tijdrovende en kostbare operatie. Eerst zullen daarom de meest kwetsbare en dus risicovolle leidingen worden vervangen (binnen 5 jaar). Dit betreft met name de sanering van leidingen in stedelijke gebieden. SodM heeft deze plannen in maart 2010 gepresenteerd aan de Onderzoeksraad. SodM houdt toezicht op de uitvoering van de plannen.
Bent u bereid om in de toekomst naast milieueffectrapportages ook rampeneffectrapportages in te voeren? Zo nee, welke bestaande onderzoeken voorkomen dat er rampen of zware ongevallen ontstaan door verouderde gasleidingen? Als bestaande onderzoeken voldoen, waarom schoten deze dan tekort (blijkens de in het artikel genoemde explosie op 9 maart 2008)?
Op grond van de MR Kwaliteitsaspecten netbeheer elektriciteit en gas zijn netbeheerders verplicht om periodiek te rapporteren over hun prestaties en beleid aangaande veiligheid in kwaliteits- en capaciteitsdocumenten (KCD’s).
In de KCD’s moeten netbeheerders o.a. rapporteren over hun assetmanagement, de resultaten van de risicoanalyse en welke maatregelen worden genomen teneinde de risico’s te beperken. Hierop wordt toegezien door SodM.
Volledige zekerheid geven dat er geen enkele kans is op een ramp of zwaar ongeval is niet realistisch. Wel kunnen maatregelen worden genomen om die risico’s zoveel mogelijk te beperken.
De vereisten van het kwaliteits- en capaciteitsdocument zijn aangescherpt in de Regeling kwaliteitsaspecten netbeheer elektriciteit en gas; deze is op 1 juli 2011 in werking getreden. Daarnaast is er een AMvB Veiligheid (beoogde inwerkingtreding eind 2011) waarin de netbeheerders een zorgplicht hebben om het transport van gas en het daarmee samenhangende beheer van het gastransportnet zodanig in te richten dat dit veilig is voor mens en milieu. Aan deze zorgplicht wordt invulling gegeven door een veiligheidsmanagementsysteem.
Vindt u dertig jaar een acceptabele periode om alle gevaarlijke gasleidingen te vervangen? Zo ja, waarom is dat acceptabel en wat zijn de risico's?
Het saneren van de grijs gietijzeren leidingen is de verantwoordelijkheid van de netbeheerders. Een aantal kleine netbeheerders zal hun aandeel in deze risicovolle leidingen binnen zes jaar na 2010 hebben gesaneerd. De sanering door de overige netbeheerders, zoals de drie grote beheerders Enexis, Stedin en Liander, wordt risicogericht uitgevoerd, waardoor de meest risicovolle leidingen het eerst vervangen worden, te weten ruim 2000 km in zes jaar na 2010, en leidingen met een lager risicoprofiel in de jaren daarna. In 2041, zal 95% van het brosseleidingenbestand zijn vervangen. Het restant betreft grijs gietijzeren leidingen in minder breukgevoelige omstandigheden.
Heeft u het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid uit 2009 voldoende serieus genomen? Zo ja, welke stappen heeft u sindsdien gezet?
Naar aanleiding van dit rapport zijn de volgende acties ondernomen:
Hoe beoordeelt u de oproep van Tjibbe Joustra «Overheid, doe iets met onze rapporten!»?
In de Rijkswet Onderzoeksraad voor Veiligheid zijn artikelen opgenomen over de wijze waarop met de aanbevelingen van de Raad omgegaan dient te worden (artikel 73 t/m 76). Het komt er op neer dat bestuursorganen en andere organen binnen een jaar het standpunt over de aan hen gerichte aanbevelingen schriftelijk kenbaar maken aan de minister die dit aangaat, met afschrift aan de Onderzoeksraad. De minister van Veiligheid en Justitie stuurt jaarlijks naar de Staten Generaal een overzicht van de aanbevelingen van de Raad, de standpunten en de wijze waarop aan de aanbevelingen gevolg is gegeven (Tweede Kamer 2009–2010, 29 668, nr. 29 d.d. 15 februari 2010).
Hoe zijn, wat de vervanging van de 10 000 kilometer gietijzer betreft, de verantwoordelijkheden verdeeld tussen de verschillende overheden, de semipublieke sector en het bedrijfsleven?
De verantwoordelijkheid voor de gietijzeren buisleidingen ligt primair bij de netbeheerders. Deze hebben de wettelijke plicht om het net zodanig in te richten dat dit veilig is voor mens en milieu. Toezicht, opdat de netbeheerders deze taak deugdelijk invullen, wordt uitgevoerd door SodM. SodM kan eventueel een beroep doen op de Energiekamer om handhavinginstrumenten in te zetten zoals een bindende aanwijzing.
Zijn de grote problemen waar Nederland nu mee geconfronteerd is het gevolg van privatisering?
Het vervangen van brosse buisleidingen houdt geen enkel verband met de privatisering. De netten worden beheerd door publieke netbeheerders.
Verwacht u dat er door het onderschatten van deze problematiek negatieve gevolgen voor de Noord/Zuidlijn zullen ontstaan?
Bij het aanleggen van de Noord/Zuidlijn in Amsterdam wordt reeds vooruitlopend op de bouwwerkzaamheden het grijs gietijzeren gasnet vervangen. Hierdoor wordt handig gebruik gemaakt van de bestaande bouwactiviteiten en worden de overlast en de kosten die gepaard gaan met het vervangen van de buisleidingen beperkt.
Het bericht "Ombudsman: Rijk te positief over windmolens" |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de Nationale ombudsman die oordeelt dat het Rijk te positief is over windmolens wegens het niet vermelden van kritische rapporten over windenergie op de website www.windenergie.nl?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze kritische rapporten, mede door eerdere Kamervragen van ondergetekende, al langere tijd bekend waren?2 3
Ja.
Kunt u aangeven waarom deze rapporten aanvankelijk niet zijn vermeld op de website www.windenergie.nl?
De discussie betreft de vraag in welke mate grootschalige elektriciteitsproductie uit windenergie inpasbaar is in het elektriciteitssysteem. In sommige onderzoeken wordt geconcludeerd dat deze grens bij 6 000 MW windvermogen ligt, andere onderzoeken zien deze grens pas bij 12 000 MW. Gezien het huidige opgestelde windvermogen (ca. 2 200 MW) is deze systeemgrens nog niet direct in zicht.
Voor de website windenergie.nl werd daarom de redactionele keuze gemaakt om de discussie slechts kort aan te roeren en daarbij één link op te nemen, en wel naar een recent proefschrift (2009) over de grootschalige inpassing van windenergie (Bart Ummels, Power System Operation with Large-Scale Wind Power in Liberalised Environments).
Inmiddels zijn op de website verwijzingen naar meerdere onderzoeksrapporten opgenomen.
Deelt u de mening dat, bij de keuze voor windenergie, er beslissingen moeten worden genomen gebaseerd op alle onderzoeken en niet alleen op die onderzoeken die een positief beeld schetsen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Rendementsverlies van elektriciteitscentrales bij inpassing van windenergie |
|
René Leegte (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rijk te positief over windmolens»?1
Ja.
Is het waar dat de informatie op de website www.windenergie.nl is aangepast na een klacht bij de nationale ombudsman, waaruit blijkt dat elektriciteitscentrales vaker en sterker moeten op- en afregelen (of aan- en afschakelen) door het fluctuerende aanbod windenergie en de elektriciteitscentrale dus minder efficiënt wordt? Zo ja, klopt de informatie op de website www.windenergie.nl dat de CO2-besparing afneemt naarmate de efficiëntie van de elektriciteitscentrale afneemt? Wat betekent het inpassen van windenergie voor het brandstofrendement van de klassieke energiecentrales in Nederland?
Ja. Naar aanleiding van een klacht bij de Nationale ombudsman is in augustus 2010 een tekst op de site www.windenergie.nl opgenomen waaruit blijkt dat de CO2-reductie van windenergie wordt verminderd doordat bestaande elektriciteitscentrales door het fluctuerende windaanbod vaker en sterker moeten op- en afregelen. Naar aanleiding van een aanbeveling van de Nationale ombudsman zijn er op de website www.windenergie.nl extra links toegevoegd naar onderzoeksrapporten die o.a. de vraag beschouwen hoe groot het windvermogen is dat inpasbaar is in het Nederlandse elektriciteitssysteem. Voor het effect op de CO2-besparing verwijs ik naar het antwoord op vraag 3 hieronder.
Klopt de informatie dat de variaties in de stroomvraag opgevangen gaan worden door zogenaamde «piekscheerders», gasturbines die binnen enkele minuten kunnen opstarten en snelle belastingvariaties kunnen volgen met een brandstofrendement van tussen de 25% en 30%? Zo nee, hoe worden de variaties in de stroomvraag opgevangen en wat is het brandstofrendement van de betreffende installaties?
«Piekscheerders« met een relatief hoog energieverbruik worden gebruikt bij hoge pieken in de vraag en worden slechts enkele uren per jaar ingezet.
In reactie op eerdere kamervragen (o.a. 2011Z05854 vraag 2 en 3 en 2011Z07429 vraag 3) is aangegeven dat de continu veranderende vraag naar elektriciteit en het wisselende aanbod van windenergie noodzaken tot het per seconde in balans houden van de vraag en het aanbod. Dat geschiedt door het op- en afregelen van draaiende centrales. Het nadelige effect van windstroompieken op de efficiency van het Nederlandse stroomproductiepark en daarmee de CO2-reductie is ten hoogste 2 tot 3 procent.
Kan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de huidige rekenmethode blijven handhaven waarbij de CO2-besparing wordt berekend aan de hand van de hoeveelheid opgewekte kilowatt uren windenergie en er sprake is van een lineaire afname van CO2 door het inpassen van windenergie? Zo nee, op welke wijze kan het CBS op een juiste wijze verslag leggen over de CO2-besparing door het opwekken van energie met windenergie.
De rekenmethodes die het CBS hanteert voor de CO2-berekeningen zijn vastgelegd in het zgn. Protocol Monitoring Duurzame energie2. Volgens dat Protocol wordt de vermeden CO2 per eenheid hernieuwbare elektriciteit uitgerekend door een vergelijking te maken met het gemiddelde rendement van alle Nederlandse elektriciteitscentrales. Daarbij wordt vooralsnog geen rekening gehouden met mogelijke substitutie-effecten.
Ten eerste omdat deze effecten nu nog zeer laag worden ingeschat, ten tweede omdat deze niet eenvoudig en eenduidig zijn vast te stellen. Daarbij spelen onder andere de fluctuerende windomstandigheden een belangrijke rol.
In zijn algemeenheid merk ik daarbij op dat het Protocol geregeld tegen het licht wordt gehouden en kan worden gewijzigd indien daar aanleiding voor is. Mocht in de toekomst blijken dat de invloed van substitutie-effecten op de cijfers toeneemt, dan kan worden overwogen om het protocol op dat vlak aan te passen, indien zulks de eenvoud van het Protocol niet schaadt.
Het huidige protocol is overigens volledig in lijn met de Europese richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (2009/28/EG).
Zijn er mogelijke beleidsconsequenties naar aanleiding van de aangepaste informatie op de website www.windenergie.nl en het feit dat er sprake is van negatieve rendementseffecten bij het inpassen van windenergie en andere technieken voor het opwekken van duurzame energie? Zo ja, kunt u aangeven wat de mogelijke gevolgen kunnen zijn?
Het bericht "Gasunie moet 1,7 afwaarderen" |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gasunie moet mogelijk 1,7 miljard afboeken»?1
Ja.
Is het waar dat Gasunie nu al 900 miljoen euro heeft moeten afboeken en is de inschatting correct dat dit zou kunnen oplopen tot 1,7 miljard euro? Zo nee, wat zou dan een accurate schatting zijn van de maximale afschrijving?
Ja, op basis van de thans beschikbare informatie over de ontwerpmethodebesluiten van de NMa heeft Gasunie € 900 miljoen afgeboekt. Indien de definitieve besluiten niet substantieel wijzigen ten opzichte van het huidige ontwerp en de geschatte terugbetalingsverplichting van circa 1 miljard euro in stand blijft, dan zal Gasunie genoodzaakt zijn om nog eens circa € 800 miljoen af te boeken in 2011.
Wat zou de impact van zowel de gedane als de mogelijke maximale afschrijving kunnen zijn voor de overheid, maar daarnaast (eventueel indirect) voor particulieren en bedrijven?
De afboekingen leiden tot een eenmalig verlies voor Gasunie over 2011. Over het boekjaar 2011 zal in 2012 geen dividend aan de Staat als aandeelhouder worden uitgekeerd. Deze dividendderving komt ten laste van de Rijksbegroting.
Verder gaat de afboeking via een nettoverlies ten laste van het eigen vermogen van Gasunie, waardoor de balansverhoudingen verslechteren. Dit kan het aantrekken van nieuwe financiering duurder maken. Om de kredietwaardigheid van Gasunie op voldoende niveau te houden, zullen toekomstige investeringen nog eens goed tegen het licht gehouden worden of zal mogelijk nieuw eigen vermogen moeten worden aangetrokken. Verder zal een eventuele verlaging van de transporttarieven ertoe leiden dat de toekomstige cash flows en de winstgevendheid van Gasunie structureel lager uitvallen met een negatief effect op het dividend en daarmee de waarde van de onderneming. Een en ander impliceert dat de Staat en de Rijksbegroting financieel geraakt worden.
Een gevolg van de ontwerpmethodebesluiten is dat Gasuniedochter GTS aan haar klanten (voornamelijk energiehandelaren, grootverbruikers van gas, industrieën, elektriciteitsbedrijven en transitpartijen, uit binnen- en buitenland) lagere tarieven in rekening zal moeten brengen dan waarmee rekening gehouden was op basis van het vorige, door de rechter vernietigde methodebesluit. Een deel van dit voordeel komt dus bij buitenlandse afnemers terecht. De NMa keert met de ontwerpmethodebesluiten terug naar het niveau van de eerder – in 2005 – vastgestelde parameters. De verlaging zal met terugwerkende kracht gelden voor de tarieven vanaf 2006. De NMa heeft aangegeven dat het verschil moet worden terugbetaald door dit in mindering te brengen op de toekomstige tarieven. De NMa moet de omvang van de terugbetalingsverplichting nog vaststellen. Het is aan de bedrijven die profiteren van de lagere tarieven of zij dit voordeel willen doorgeven aan hun klanten. Bij goede marktwerking mag verwacht worden dat dit voordeel door concurrentiedruk uiteindelijk bij de klant terecht komt. Maar daartoe bestaat geen formele wettelijke verplichting. Wel kent de wet voor leveranciers aan kleinverbruikers een vorm van tarieftoezicht. Wanneer de NMa vaststelt dat de marges op de levering aan kleinverbruikers te hoog zijn, kan zij voor deze leveranciers maximum leveringstarieven vaststellen. Het effect op de gasrekening van burgers zal overigens beperkt zijn omdat de transporttarieven van GTS slechts enkele procenten van de totale gasrekening uitmaken.
Kan de afschrijving effect hebben op het onderhoud en de modernisering van het Nederlandse gasnetwerk?
GTS heeft aangegeven dat de geplande uitgaven voor de instandhouding en modernisering van het gasnet onder druk kunnen komen te staan als de ontwerpmethodebesluiten ongewijzigd blijven. GTS heeft echter de wettelijke taak om het gasnet veilig en integer te beheren. De veiligheid van het net kan en mag daarbij niet in het gedrang komen. De kosten van onderhoud zijn in de door de NMa vastgestelde tarieven meegenomen.
Hoeveel geld wordt, ten aanzien van de modernisering, van het gasnetwerk de komende jaren uitgetrokken voor het klaar maken voor «vergroening» van het Nederlandse gasnetwerk?
Vergroening van gas staat in eerste instantie in het teken van de vergroening van de productie van gas. Groen gas is biogas van aardgaskwaliteit dat in het bestaande gasnet kan worden ingevoed. De productie van groen gas stimuleer ik met de SDE+. Van het budget van de SDE+ van 2011 gaat waarschijnlijk een flink deel naar groen gas; de beoordeling van de SDE+ aanvragen vindt momenteel nog plaats.
Netbeheerders hebben op grond van de Gaswet de verplichting om invoeders en afnemers van gas aan te sluiten. Dit geldt voor alle projecten, dus ook voor projecten die samenhangen met de vergroening van het Nederlandse gasnetwerk. Groen gas maakt gebruik van het bestaande gasnet en mede hierdoor is groen gas een relatief kosteneffectieve vorm van duurzame energie. Naast de investeringen in de productie-installaties, aansluitleidingen en opwerk- en invoedinstallaties, zijn er geen specifieke investeringen voor vergroening van de infrastructuur zelf. Wel wordt gewerkt aan een innovatie die meer bestaande gasnetten geschikt kan maken voor de invoeding van groen gas. Veel decentrale gasnetten zijn momenteel niet geschikt voor invoeding omdat de vraag naar gas op het betreffende net – met name in de zomer – soms lager is dan de productie van de vergistingsinstallatie. Er kan op dat gasnet dan niet, of minder dan noodzakelijk voor een goede businesscase, worden ingevoed. Door het gas over te storten naar een hoger net, wordt het lagere net wel geschikt voor invoeding. Voor de ontwikkeling van groen gas kan dit een belangrijke ontwikkeling zijn. Op dit moment ben ik in overleg met de sector over de mogelijkheden en kosten van overstort.
Welk effect hebben respectievelijk de gedane en potentiële afschrijving op het in het artikel in het bijzonder aangehaalde project Gasrotonde?
Vele partijen werken aan de realisatie van de verschillende onderdelen van de gasrotonde. Gasunie is een van deze partijen. Gasunie heeft bij de bekendmaking van de afschrijving aangegeven dat door de ontwerpmethodebesluiten van de NMa de haalbaarheid van nieuwe investeringen onder druk komt te staan. Een gevolg van de ontwerpmethodebesluiten van de NMa is dat Gasunie de komende jaren minder middelen heeft om te investeren in projecten in het kader van de gasrotonde. Wel heeft Gasunie in juni besloten om, ondanks de onzekerheid over het reguleringskader, te investeren in uitbreidingen van haar gastransportnetwerk (ter waarde van een half miljard euro). Deze investering betrof een wettelijke verplichting van GTS om te voldoen aan de vraag naar transportcapaciteit en was noodzakelijk om daadwerkelijke knelpunten in het gasnet te voorkomen. Het is weer een belangrijke stap in de gasrotonde-ambitie.
De gasrotonde-ambitie bestaat uit veel meer initiatieven en projecten dan alleen die van Gasunie. Het mag echter duidelijk zijn dat voldoende en goede infrastructuur van buitengewoon belang is voor het verwezenlijken van de ambitie. Daarom heb ik in het Energierapport aangekondigd dat het kabinet met een aanpassing van de wet komt om netbeheerders meer ruimte te geven om te investeren in netten ten behoeve van de voorzieningszekerheid en het inpassen van hernieuwbare energie. Daarbij zal de mogelijkheid van het realiseren van een redelijk rendement als uitdrukkelijk criterium voor de vaststelling van de regulering worden benoemd. Dit is in lijn met geldende Europese regelgeving.
Is het door Gasunie verwachte negatieve resultaat van 370 miljoen euro over geheel 2011 inclusief de gehele afschrijving van 1,7 miljard euro? Zo nee, hoe is deze verwachting dan opgebouwd? Hoeveel van de afschrijving wordt dan nog in 2012 verwacht?
Het verwachte verlies van € 370 miljoen euro over 2011 is gebaseerd op de huidige afboeking van € 900 miljoen. Een eventuele tweede afboeking van mogelijk € 800 miljoen euro is daarin nog niet verwerkt. Deze afboeking zal mogelijk in het tweede halfjaar volgen en zal in dat geval leiden tot een additioneel netto verlies van € 600 miljoen, waardoor het totale netto verlies over heel 2011 naar schatting 1 miljard zal bedragen. De gehele afschrijving van € 1,7 miljard wordt dan verantwoord in 2011.