Veiligheids- en gezondheidsrisico’s van windturbines |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
van Bruggen , Bertram |
|
|
|
|
Gelet op de antwoorden op eerdere Kamervragen over de veiligheidsrisico’s van windturbines en de daarin genoemde verwijzingen naar rapportages van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV)1 heeft het lid Vermeer de volgende aanvullende vragen.
Zoals eerder is geantwoord op de Kamervragen van Kamerlid Vermeer (BBB) van 12 november 2025, kunnen windturbines door de Onderzoeksraad worden onderzocht. De Onderzoeksraad kan hiertoe vanuit zijn bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan beslissen. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar de veiligheidsrisico’s van windturbines op land. In de 4e kwartaalrapportage luchtvaart3 van 2021 heeft de Onderzoeksraad het onderwerp windturbines genoemd. De resultaten waren geen aanleiding voor een verder onderzoek.
Waarom wordt in uw beantwoording gesteld dat er geen significante veiligheidsrisico’s zijn, terwijl de OVV-kwartaalrapportage juist wél benoemt dat windturbines bijdragen aan verdichting van VFR-verkeersstromen2 en daarmee een verhoogde kans op luchtbotsingen?
De Rijkswet op de Onderzoeksraad voor Veiligheid garandeert de onafhankelijke positie van de Onderzoeksraad. Voor enkele typen voorvallen geldt een onderzoeksverplichting. Voorvallen met windturbines vallen daar niet onder. De Onderzoeksraad heeft zelfstandige beslissingsbevoegdheid om uit de veelheid van voorvallen en veiligheidsthema’s, onafhankelijk te kiezen welke hij wil onderzoeken. Iedereen kan een verzoek doen aan de Onderzoeksraad tot het starten van een onderzoek en dat gebeurt ook regelmatig. Ook dan maakt de Onderzoeksraad zijn eigen afweging. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad onvoldoende aanleiding gezien om voorvallen met windturbines te onderzoeken.
Waarom heeft de OVV nooit een volledig onderzoek uitgevoerd naar veiligheidsrisico’s van windturbines, terwijl burgers voor hun veiligheid volledig afhankelijk zijn van overheid, bedrijven en instellingen?
De veiligheidsperimeters staan op de Aandachtskaart-Windturbines4, die brandweer handvatten biedt bij de bestrijding van incidenten rondom windturbines. De Aandachtskaart is ontwikkeld door het NIPV samen met deskundigen van de brancheorganisatie Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA, nu bekend onder de naam NedZero) en deskundigen uit de diverse veiligheidsregio's. De Aandachtskaart is vastgesteld door de landelijke Vakraad Incidentbestrijding en gecommuniceerd met de 25 veiligheidsregio’s, waar de brandweer onderdeel van is. De veiligheidsregio’s zijn zelf verantwoordelijk voor verdere verspreiding over lokale korpsen.
Welke veiligheidsperimeter wordt gehanteerd rond een brandende windturbine, wie stelt deze instructies vast en zijn deze eenduidig bekend bij alle brandweerkorpsen en veiligheidsregio’s?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het opruimen van brokstukken, gesmolten materiaal en brandresten na afloop van een incident. De Omgevingsdiensten adviseren en controleren of de opruimwerkzaamheden correct worden uitgevoerd. Er is geen sprake van een standaard straal van verspreiding, omdat dit onder andere afhankelijk is van de locatie van de brand en de windrichting. Het gebied wordt bepaald in samenwerking met de brandweer, gespecialiseerde schoonmaakbedrijven en de omgevingsdiensten.
Hoe wordt gecontroleerd wat er gebeurt met brokstukken, brandresten en gesmolten materialen die van grote hoogte verspreid worden en tot welke afstand wordt dit onderzocht?
De vergunningverlenende partij stelt hiervoor geen specifieke eisen in het vergunningstraject. Wel is de exploitant vanuit de zorgplicht (artikel 2.11 Besluit Activiteiten Leefomgeving) verplicht alle passende maatregelen te treffen tegen de nadelige gevolgen van een incident. Als vanuit de zorgplicht aanvullende communicatie noodzakelijk is, dan wordt hierbij samengewerkt met de veiligheidsregio. De veiligheidsregio’s hebben onder andere de taak en verantwoordelijkheid om omwonenden te informeren over risico’s op het moment dat er risico’s ontstaan bij eventuele incidenten.
Welke concrete eisen stellen vergunningverlenende partijen aan initiatiefnemers met betrekking tot communicatie over risico’s en noodprocedures voor omwonenden?
Actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines zijn te berekenen met de rekenmethodiek van het RIVM5. De rekenmethodiek wordt vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en aangewezen in de Omgevingsregeling (Artikel 4.11 lid b). In 2021 heeft de laatste herziening van de rekenmethodiek6 plaatsgevonden op basis van incidentencasuïstiek tot die tijd.
Het incident zoals in Nieuwleusen heeft na 2021 plaatsgevonden en wordt ondervangen in de huidige rekenmethodiek. In de huidige rekenmethodiek neemt het RIVM diverse risicoscenario’s mee op basis van casuïstiek en wetenschappelijke literatuur. Een van die scenario’s is brand op hoogte. Gevolg daarvan is dat delen van de windturbine zich kunnen verspreiden in de omgeving en het is mogelijk dat daardoor personen en gebouwen getroffen kunnen worden. De veiligheidsafstand tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties die volgt uit de rekenmethode, en de inzet vanuit de veiligheidsregio, zorgen dat een voldoende veiligheidsniveau wordt gewaarborgd.
Wat zijn de actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines, hoe wordt de rekenmethodiek vastgesteld, door wie, en wanneer zijn deze afstanden voor het laatst aangepast op basis van incidentcasuïstiek zoals bij Nieuwleusen?
Voor windturbines geldt de zorgplicht onder artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving en daarnaast is de veroorzaker op grond van de Wet milieubeheer (artikel 17.13) verantwoordelijk voor het beperken en herstellen van de milieugevolgen van de brand. De verantwoordelijkheid voor het herstellen van milieuschade door een incident met windturbines en bijbehorende kosten, ligt bij de exploitant. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat verzekeraars de schade zullen vergoeden die onder de dekking van de bij hun afgesloten polis valt.
Het is bekend dat actieve brandbestrijding in windturbines niet mogelijk is in verband met toegangsbeperkingen. Daarom focust de sector op preventie, passieve bewaking, en schadebeperking, om veiligheid van mensen te beschermen, ondersteund door regelmatig onderhoud en verplichte jaarlijkse inspecties.
Hoe wordt van exploitanten verwacht dat zij milieuschade beperken wanneer brandbestrijding bij windturbines feitelijk niet mogelijk is en welke normen of eisen gelden hiervoor?
Voor projecten met 3 of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet en worden eisen gesteld op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor 1 of 2 windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Conform deze gebruiksregels dient bijvoorbeeld een jaarlijkse inspectie plaats te vinden bij de windturbine ten behoeve van de externe veiligheid (artikel 4.428 Bal) en geldt een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Aanvullend wordt afstand gehouden rondom windturbines bij ruimtelijke ontwikkelingen van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties op basis van risicocontouren (artikel 5.7 lid 1 en artikel 5.8 lid 1c Bkl).
Voor windturbines zijn ook veiligheidsnormen vastgelegd in de NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 en Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 8400. De provincie of gemeente (in sommige gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan deze eisen. Hierop kunnen zij de veiligheidsregio vragen om advies. Zie ook de Kennisbundel Windturbines7 van het NIPV voor een nadere toelichting op regelgeving rondom windturbines.
Naar welke specifieke wet- en regelgeving wordt verwezen wanneer wordt gesteld dat de bestrijdbaarheid en gevolgen voor de leefomgeving voldoende zijn ondervangen, terwijl u tegelijk aangeeft dat brandbestrijding op hoogte niet kan plaatsvinden?
In de Aandachtskaart-Windturbines8 is een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter opgenomen in geval van het mogelijk afbreken van vallende delen en wordt tot nu toe als handvat gebruikt. Op dit moment wordt deze afstand nog als actueel gezien op basis van de huidige turbinehoogtes.
Op welke turbinehoogte is de brandweeraandachtskaart met een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter gebaseerd en is deze afstand nog actueel gezien de aanzienlijke toename in turbinehoogtes?
Cumulatieve hydrodynamische effecten van offshore windparken op de Noordzee |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recent gepubliceerde studie «Cumulative hydrodynamic impacts of offshore wind farms on North Sea currents and surface temperatures»1, waaruit blijkt dat offshore windparken substantiële veranderingen veroorzaken in stromingen, menging en temperatuur in de Noordzee?
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat grootschalige uitrol van windparken de gemiddelde oppervlakte-stromingssnelheid met 10% tot 20% kan verlagen, en lokaal zelfs meer dan 20%? Welke implicaties heeft dit volgens u voor veiligheid, scheepvaart, ecologie en morfologie?
Dit onderzoek draagt bij aan het vergroten van de wetenschappelijke kennis over de effecten van windenergie op zee op de omstandigheden op de Noordzee. Het sluit aan bij onderzoek dat ikzelf hiernaar laat uitvoeren, bijvoorbeeld via het Wind op Zee Ecologisch Programma (Wozep) en het Monitorings- en Onderzoeksprogramma Scheepvaartveiligheid Wind op Zee (MosWoz).
In het Wozep-programma wordt sinds 2019 onderzoek verricht naar effecten van windenergie op het Noordzee ecosysteem, waaronder de hydrodynamische effecten van de uitrol van offshore wind in de Nederlandse én de internationale Noordzee. Hieruit zijn meerdere rapportages2 voortgekomen.
Offshore windparken kunnen leiden tot (lokale) veranderingen in de waterkolom. Wat deze veranderingen daadwerkelijk inhouden voor het mariene leven, waaronder vis, is nog in onderzoek. De huidige kennis biedt vooralsnog geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.
Ik wijs er overigens op dat de door het lid Vermeer geciteerde studie uitgaat van deels hypothetische windparken, bovenop de werkelijke Nederlandse situatie. Naar verwachting zijn de uiteindelijke effecten dus kleiner dan deze studie schetst.
Voor scheepvaartveiligheid is in Nederland het MosWoz-programma opgezet. Binnen dit programma laat ik onderzoek uitvoeren naar de effecten op de scheepvaartveiligheid van windparken op zee. De door het lid Vermeer genoemde vragen met betrekking tot scheepvaartveiligheid komen in dit programma aan de orde.
De studie laat zien dat zowel wind- als getijwakes turbulentie en mengprocessen veranderen, met sterke lokale hotspots bij turbinefundaties en grootschalige afname van verticale menging buiten windparken. In hoeverre worden deze hydrodynamische veranderingen momenteel meegenomen in MER-procedures en vergunningverlening?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven worden deze effecten door het kabinet onderkend en vindt hier vervolgonderzoek naar plaats. De verschillende milieueffectrapportages (MER) bij de kavelbesluiten voor windenergie op zee besteden ook aandacht aan de hydrodynamische veranderingen als gevolg van windparken. Het is verplicht in de MER-procedures voor de kavelbesluiten de meest recente wetenschappelijke inzichten mee te nemen, inclusief alle onzekerheden, dus ook deze.
Welke risico’s ziet u voor zuurstofhuishouding, eutrofiëring en visbestanden, met name in kwetsbare gebieden zoals de Oyster Grounds, aangezien de studie aantoont dat stratificatie in grote delen van de Noordzee sterker wordt door verminderde verticale menging, inclusief het ondieper worden van de pycnocline met circa 2 meter?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 2. In de door het lid Vermeer geciteerde studie en de door mij aangehaalde studies worden veranderingen geconstateerd. Wat deze veranderingen ecologisch inhouden, onder andere ten aanzien van de visbestanden, is nog onderwerp van onderzoek. Zodra duidelijk is wat de effecten van de veranderingen zijn op de ecologie en de visbestanden neemt het kabinet deze kennis mee in haar beleid.
Waarom kent het Nederlandse ruimtelijke beleid momenteel geen minimale afstandsnormen gebaseerd op hydrodynamische of ecologische criteria, aangezien de studie benadrukt dat turbine-spacing (1.000 meter versus 3.000 meter) een cruciale factor is voor de omvang van hydrodynamische verstoring?
Tot op heden is de kennis van hydrodynamische of ecologische aspecten nog onvoldoende robuust om deze te vertalen naar minimale afstandsnormen. Bij het ontwerp van de Nederlandse windparken op zee wordt tot nu toe vooral gestuurd op relatief compacte windparken om buiten de windparken zoveel mogelijk ruimte over te laten voor andere activiteiten, zoals visserij. Overigens zijn de afstanden tussen de windturbines dan nog steeds groter dan 1.000 meter. Het vergroten van de onderlinge afstanden tussen de windturbines laat ik onderzoeken voor toekomstige windparken op zee vanwege de mogelijk positieve effecten op de businesscase van windparken op zee en op de Noordzeenatuur. Dit betekent echter wel dat bij een gelijkblijvende bijdrage van windenergie op zee aan ons energiesysteem meer ruimte op zee benodigd zal zijn.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de totale impact van toekomstige windparken lijkt op een additionele antropogene klimaatforcing, met hydrodynamische en thermische veranderingen die zich op bekkenniveau verspreiden? Vindt u dat dit type effecten voldoende worden erkend in internationale afspraken binnen Noordzeesamenwerking?
Ik kan nog geen conclusies beoordelen omdat het onderzoek hiernaar nog in volle gang is, waaronder binnen de programma’s Wozep en MONS. Daarnaast wordt hiervoor internationale samenwerking op het gebied van modelontwikkeling en -validatie opgezet. Ook de betekenis van de gemodelleerde veranderingen voor de Noordzeenatuur is nog in onderzoek bij de genoemde onderzoeksprogramma’s.
Acht u het wenselijk om conform de aanbeveling van de onderzoekers over te stappen op volledig gekoppelde atmosfeer-oceaanmodellen bij de beoordeling van offshore windprojecten, gezien het feit dat atmosferische terugkoppelingen (zoals veranderende windpatronen) de huidige resultaten nog kunnen versterken?
Vooralsnog is er vanuit het Wozep-programma geconcludeerd dat het nog niet zinvol is om in te zetten op dit type van modelverbetering, zolang nog niet duidelijk is of en hoe de doorwerking van effecten op hydrodynamische omstandigheden doorwerken in de voedselketen of naar beschermde diersoorten.
Kunt u aangeven hoe het huidige Nederlandse beleid borgt dat cumulatieve, grensoverschrijdende en langjarige hydrodynamische effecten voldoende worden meegenomen, aangezien de studie suggereert dat cumulatieve effecten een grotere rol spelen dan tot nu toe aangenomen en zich honderden kilometers van de windparken kunnen manifesteren?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om, samen met buurlanden rond de Noordzee, een actualisatie van de gezamenlijke strategische impactanalyses uit te voeren waarin deze nieuwe bevindingen expliciet worden geïntegreerd, zodat toekomstige windenergieontwikkeling niet leidt tot onvoorziene grootschalige veranderingen van het Noordzeesysteem?
In het kader van de internationale samenwerking neemt ons land onder andere deel aan een werkstroom binnen het Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI) om een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen van alle drukfactoren op de Noordzeenatuur. Daar wordt uitgewisseld over methodiekontwikkeling, tussen landen en andere regionale organisaties zoals OSPAR en ICES, om de cumulatieve druk van bijvoorbeeld visserij, scheepvaart, mijnbouw, maar ook windenergie op zee op vergelijkbare wijze inzichtelijk te maken.
Indien u dat niet van plan bent, waarom niet?
Ik onderken dat het belangrijk is om de effecten van windparken op de Noordzee en de daar aanwezige natuur in kaart te brengen en heb daar, in samenwerkingen met de andere departementen, onderzoeksprogramma’s voor opgezet. Ook internationaal vraag ik aandacht hiervoor. Met de huidige kennis is er echter geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.
Het bericht 'Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oorlog in Iran kan energierekening gaan raken nu gasvoorraad erg laag is»?1 Hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja.
De gasprijzen zijn sterk gestegen door de huidige situatie in het Midden-Oosten. De meeste Nederlandse consumenten zijn echter op korte termijn beschermd tegen prijsschokken doordat ze een vast contract hebben waarmee de prijs voor langere tijd vastligt. Voor huishoudens met een dynamisch contract of die een nieuw energiecontract moeten afsluiten, kunnen de gestegen gasprijzen wel impact hebben.
Bent u bekend met het bericht «TNO: niet alle gasputten Groningen dichtmetselen, acuut tekort denkbaar»?2 Hoe beoordeelt u de uitspraken van TNO?
Ja. Het kabinet heeft kennisgenomen van de opvatting van TNO. Het kabinet ziet geen aanleiding om terug te komen op het besluit om de gaswinning uit het Groningenveld te beëindigen; een besluit dat met een zeer ruime meerderheid door zowel de Tweede als de Eerste Kamer is genomen.
Erkent u dat het heropenen van het Groninger gasveld zou betekenen dat de energierekening omlaag gaat voor Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Het heropenen van het Groningenveld betekent niet dat de energierekening voor Nederlanders omlaag gaat. Op de Nederlandse gashandelsplaats, de Title Transfer Facility (TTF), is in 2025 meer dan 77.000 TWh verhandeld en 442 TWh afgeleverd.3 Hiermee is in dat jaar meer verhandeld op de Nederlandse gashandelsplaats dan Nederland in ca. 250 jaar verbruikt, terwijl het afgeleverde volume een omvang heeft van slechts ca. 1,5 keer het Nederlandse jaarverbruik. Omdat er zoveel gas wordt verhandeld op de TTF zullen volumes uit het Groningenveld geen invloed hebben op de prijs van de verschillende producten en contracten die daar verhandeld worden. Toen het Groningenveld werd gesloten had dat evenmin effect op de gasprijs.
Deelt u de mening dat het in tijden van geopolitieke instabiliteit en oorlog onwenselijk is om afhankelijk te zijn van het importeren van gas uit het buitenland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland is sinds 2018 een netto-importeur van gas, net als andere landen in de Europese Unie. Nederland heeft daarbij het voordeel dat het over goede interconnecties met buurlanden beschikt alsmede over twee terminals voor de invoer van vloeibaar aardgas (LNG). Dat maakt het mogelijk dat op diverse manieren, via pijpleiding en scheepsvaart, in onze importbehoefte wordt voorzien.
Daarnaast zet Nederland met het op 23 april 2025 gesloten «Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie» in op de optimalisatie van de gaswinning op de Noordzee. Voor gaswinning op land zijn er op 16 januari 2026 aanvullende afspraken gemaakt die bijdragen aan meer duidelijkheid over gaswinning uit kleine velden op land tijdens de transitieperiode en de voorwaarden waaronder deze gaswinning daar nog kan plaatsvinden.
Klopt het dat het gasveld in Groningen het grootste in Europa is?
Ja, dat klopt, uitgaande van de oorspronkelijke inhoud en zolang Rusland niet tot Europa wordt gerekend.
Erkent u dat de gasvoorraad in Groningen door de recente geopolitieke ontwikkelingen veel meer waard is geworden? Bent u bereid dit te benutten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u dit aanpakken?
De eventuele waarde van het gas dat nog in het Groningenveld aanwezig is, speelt voor het kabinet geen rol. Het kabinet zal niet tot heropening overgaan.
Acht u het in het Nederlands belang om de gasputten in Groningen vol te storten met cement en daarmee de mogelijkheid uit te sluiten een beroep te kunnen doen op de gasvoorraad in geval van nood? Bent u bereid om het volstorten met cement stop te zetten, of in ieder geval te pauzeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Groningenveld is sinds 19 april 2024 bij wet gesloten om de aardbevingsproblematiek in Groningen bij de bron aan te pakken en recht te doen aan het veiligheidsbelang van de inwoners van Groningen, die nog altijd de negatieve gevolgen ondervinden van de voormalige gaswinning. Nu het Groningenveld gesloten is, is de NAM als laatste vergunninghouder verplicht om de productielocaties te ontmantelen. Het zorgvuldig afsluiten maakt hier om veiligheidsredenen onderdeel van uit.
Bent u bereid om de gaswinning in Groningen, zelfs al zij het maar tijdelijk, te hervatten om de energiezekerheid van Nederland veilig te stellen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals aangegeven bij de vorige vraag is het Groningenveld is bij wet gesloten en is het stopzetten van de winning een duidelijke belofte aan de Groningers waarmee een overweldigende meerderheid van zowel de Eerste als de Tweede Kamer heeft ingestemd. Daarbij zou het hervatten van gaswinning uit het Groningenveld niet per definitie leiden tot het veiligstellen van de energiezekerheid van Nederland. Het gas komt namelijk terecht op de Europese en internationale gasmarkt en kan dus ook naar andere landen stromen bij aankoop door buitenlandse marktpartijen. Het kabinet staat dan ook voor de beëindigde gaswinning en de ontmanteling van het Groningenveld.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, in ieder geval voor het debat over Iran, en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Deze vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Beantwoording binnen de gebruikelijke termijn is helaas niet gelukt.
Het bericht dat QatarEnergy zich beroept op overmacht. |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte gesteld door QatarEnergy dat zij zich beroepen op overmacht en daarom op dit moment hun contractuele verplichtingen niet kunnen nakomen?1
Ja.
Kunt u aangeven of er sprake is van contractbreuk met QatarEnergy (27-jarig contract)?
De Staat heeft geen contracten met (markt)partijen, zoals QatarEnergy, over gasleveringen. Het leveren van gas wordt gedaan door energiebedrijven die hiervoor leveringscontracten sluiten. Marktpartijen hebben in deze contracten vaak clausules opgenomen waardoor het toegestaan is geen gas te leveren onder extreme omstandigheden, zoals door oorlog (force majeur/overmacht). Deze clausules zijn zeer gebruikelijk. Zonder dit soort clausules zouden de contracten veel duurder zijn. Het staat marktpartijen vrij om indien zij zich benadeeld achten en het contract geschonden is een schadevergoeding te vorderen.
Zijn er passages in het contract waarop Nederland zich in dit soort situaties zich kan beroepen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om een schadeclaim in te dienen bij QatarEnergy?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om (al dan niet vertrouwelijk) het contract met QatarEnergy ter inzage aan de Kamer te leggen?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven heeft de Staat geen leveringscontracten.
Wat zijn de gevolgen voor Nederland nu QatarEnergy zich beroept op overmacht en de productie van LNG stopt?
Ik kan aangeven dat Nederland in 2025 geen LNG-volumes rechtstreeks uit Qatar heeft ontvangen via de LNG-terminals in Rotterdam en de Eemshaven. Het heeft daarom geen directe consequenties op de LNG-volumes die naar Nederland stromen. Wel zien we op de wereldmarkt dat de prijs van gas stijgt en daarmee ook op de prijs die men in Nederland hiervoor betaalt. Voor wat betreft de stopzetting van de LNG-productie door QatarEnergy en de bijbehorende leveringscontracten, daar heb ik geen kennis over.
Vindt u het niet ongelofelijk dom dat wij de gasvoorraad van Nederlandse bodem, de grootste van Europa, gaan dichtmetselen terwijl we zien dat onze leverancier van LNG in één keer de toevoer kan stoppen, om welke reden dan ook?
Nee. Zoals onder meer op 5 maart jl. aangegeven in het Commissiedebat over de Energieraad zijn er duidelijke beloftes gedaan aan Groningen en de Groningers na jaren van leed en onduidelijkheid: het Groningenveld blijft dicht. Een betrouwbare overheid komt daar niet op terug. Het verbod op winning uit het Groningenveld is in 2024 vastgelegd in een wet die met overgrote meerderheid in beide Kamers is aangenomen. Op dat moment was bekend dat de geopolitieke situatie veranderd was. Rusland was de Oekraïne al binnengevallen.
Het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld voor enkel nationaal gebruik is niet mogelijk. Nederland is immers onderdeel van een Europese gasmarkt. Dit is vastgelegd in Europese wetgeving. Op grond van deze wetgeving mogen lidstaten geen maatregelen nemen die de gasstromen binnen de interne markt beperken.
Uiteraard is het essentieel dat onze gasvoorziening op orde is. Er dreigen echter geen fysieke tekorten en het openhouden van Groningen verlaagt de prijzen op de internationale gasmarkt niet. De prijzen zullen ook dan dus hoog blijven voor huishoudens. Wel zal staatsbedrijf EBN deze zomer opnieuw de gasopslagen vullen voor zover de markt het niet doet. Daar is eerder al geld voor vrijgemaakt. Daarnaast houden we de gaswinning op de Noordzee op peil, is de importcapaciteit van LNG sinds 2022 fors uitgebreid en blijven we inzetten op duurzame energie zodat we minder afhankelijk worden van import van fossiele brandstoffen.
Bent u bereid om het Groninger gasveld opnieuw in gebruik te nemen, exclusief voor nationaal gebruik, mits u de Groningers ruimhartig en zonder bureaucratische hobbels compenseert, om zo de komende 20 jaar voor vaste (goedkope) prijzen gas aan alle Nederlanders te leveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u het ermee eens dat het opnieuw in gebruik nemen van het Groninger gasveld goed is voor de Nederlandse economie en dus zorgt voor meer rust in de portemonnee? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om deze vragen voor dinsdag 15:00 uur te beantwoorden en in de tussentijd direct te beginnen met het winnen van gas van Nederlandse bodem? Zo nee, waarom niet?
Beantwoording voor dinsdag 15.00 is niet mogelijk gebleken, de vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
De gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten voor de Europese energiezekerheid en de Nederlandse gasvoorziening |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de huidige situatie in het Midden-Oosten, waaronder de Iraanse aanvallen op energiefaciliteiten in Qatar en de blokkering van de Straat van Hormuz, en de effecten die dit conflict heeft op de wereldwijde prijzen voor fossiele brandstoffen?
Kunt u toelichten waarom de Nederlandse gasvoorraad op dit moment historisch laag is in vergelijking met voorgaande jaren en met andere Europese landen, en hoe dit zich verhoudt tot de toegenomen geopolitieke risico’s voor de energiezekerheid?
Herkent u de uitspraak van een woordvoerder van Gasunie op 24 februari jl. dat Nederland zich geen zorgen hoeft te maken over de gasvoorraden zolang er zich geen uitzonderlijke omstandigheden voordoen zoals het sluiten van de Straat van Hormuz? Deelt u de zorg dat deze omstandigheid zich nu feitelijk voordoet en wat zijn naar uw oordeel de gevolgen hiervan voor de Nederlandse leveringszekerheid op korte termijn?
Heeft u inzicht in de mogelijke gevolgen voor de leveringszekerheid indien de gasprijzen verder stijgen of de aanvoer langdurig wordt verstoord? Zo ja, beschikt u over een concreet plan om deze risico’s op te vangen en bent u bereid de hoofdlijnen hiervan met de Kamer te delen?
Overweegt u om, in navolging van andere landen en in Europees verband, strategische olie- en gasreserves aan te leggen of uit te breiden als buffer tegen geopolitieke verstoringen van de energieaanvoer? Zo nee, waarom niet?
Herkent u de analyse dat de Europese afhankelijkheid van externe energiebronnen en het gebrek aan interne Europese coördinatie de positie van Europa verzwakt bij geopolitieke conflicten die de energiezekerheid raken? Zo ja, welke stappen onderneemt Nederland om de positie te verbeteren?
Het AggregateEU-platform voor gezamenlijke Europese gasinkoop bestaat sinds de energiecrisis na de Russische invasie van Oekraïne, maar wordt tot op heden slechts beperkt benut; waarom wordt dit mechanisme niet beter benut als reactie op de huidige crisis, en wat zijn volgens u de concrete obstakels hiervoor?
Zijn er op dit moment concrete afspraken met buurlanden over onderlinge bijstand bij energietekorten, en wat houden deze afspraken in? Zo nee, bent u bereid dergelijke afspraken alsnog te maken?
Welke lessen trekt u uit de huidige situatie voor de versnelling van de energietransitie, en hoe voorkomt u dat kortetermijndruk op leveringszekerheid leidt tot nieuwe fossiele afhankelijkheden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
De ruimte voor efficiënte biomassaketels in warmtetransitiegebieden |
|
André Flach (SGP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke wijze u tot uw stelling bent gekomen dat een goede, efficiënte bioketel met eenvoudige aanvullingen, zoals isolatie en inregelen, aan de voorgestelde grenswaarde van 0,7 voor de energieprestatie van technische bouwsystemen voor ruimteverwarming in het Ontwerpbesluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie kan voldoen (Kamerstuk 36 387, nr. 50)?
Tijdens het tweeminutendebat op 13 januari 2026 over het Besluit gemeentelijk instrumenten warmtetransitie (verder: Bgiw) heeft mijn ambtsvoorganger in reactie op de motie van het lid Flach aangegeven dat biomassaketels onder voorwaarden kunnen voldoen aan de in het Bgiw opgenomen grenswaarde voor de energieprestatie van 0,7.1 Het antwoord is gebaseerd op informatie van Stichting W/E adviseurs, die in 2023 ook het onderzoek naar de betreffende grenswaarde hebben uitgevoerd, enkele andere energieadviseurs en medewerkers van mijn ministerie.2 De genoemde energieprestatie is haalbaar bij toepassing van een biomassaketel met een hoge efficiëntie, leidingisolatie en goed ingeregeld systeem.
Wat zijn de aanvullingen die nodig zijn voor een bioketel om aan de grenswaarde van 0,7 te voldoen en in hoeverre acht u deze aanvullingen eenvoudig te zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de bijbehorende berekeningen met de Kamer delen?
Ik heb de Stichting W/E adviseurs gevraagd na te gaan in welke gevallen biomassaketels voldoen aan een energieprestatie van 0,7. De resultaten van de berekeningen heb ik als bijlage bijgevoegd. De berekeningen zijn gemaakt met de digitale rekentool die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft ontwikkeld.3 Uit de berekeningen van Stichting W/E adviseurs blijkt dat biomassaketels vanaf een rendement van 90% voldoen aan de vereiste energieprestatie. In het memo is een aantal voorbeelden gegeven van biomassaketels die in de markt verkrijgbaar zijn met een dergelijk rendement.
Op welke wijze gaat u, zoals aangegeven tijdens het genoemde tweeminutendebat, de vinger aan de pols houden om na te gaan of er in de praktijk problemen ontstaan nadat het genoemde besluit in werking is getreden?
Ik verwacht geen problemen met het voldoen aan de nieuwe grenswaarde aangezien een groot aantal biomassaketels nu al aan de eisen kan voldoen. Het is de verwachting dat, zoals ook de Stichting W/E adviseurs aangeeft, de efficiëntie van biomassaketels zal toenemen waardoor steeds meer ketels uiteindelijk aan de grenswaarde voldoen. In zowel bilaterale gesprekken met de branche als ook via de formele overlegstructuur van het Overlegplatform Bouwregelgeving zullen mijn medewerkers hierover de vinger aan de pols houden.
De aanhoudende problemen met zwerfstroom bij veehouderijbedrijven |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanhoudende problemen met zwerfstroom bij onder meer veehouderijbedrijven1?
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichtgevingen over zwerfstroom bij veehouderijen in Ooltgensplaat.
Kunt u in afstemming met onder meer provincies, gemeenten en sectororganisaties aangeven in hoeverre in andere regio’s in het land bij veehouderijbedrijven ook problemen ervaren worden die mogelijk in verband staan met zwerfstroom?
Ik heb op dit moment geen kennis van situaties op veehouderijbedrijven elders in Nederland waar soortgelijke problemen worden ervaren zoals die in berichtgeving is beschreven. Indien onbegrepen problemen bestaan op een veehouderij zal normaliter de eigen dierenarts hierover geconsulteerd worden. Ook kunnen veehouders en dierenartsen contact opnemen met de Gezondheidsdienst voor Dieren, via de Veekijker2, voor advies. De Veekijker is onderdeel van de basismonitoring diergezondheid, een instrument om trends en ontwikkelingen in de diergezondheid bij landbouwhuisdieren te volgen.
In het verleden is, naar aanleiding van meldingen van onbegrepen gedrag, door sectorpartijen geïnventariseerd in welke mate onbegrepen gedrag van dieren door veehouders wordt gezien, waar geen duidelijke verklaring (binnen of buiten het bedrijf) voor aan te wijzen was. Er is een oproep gedaan voor bedrijven om zich te melden. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft in 2018 een onderzoek gedaan, waaraan 31 bedrijven die zich gemeld hadden, hebben deelgenomen3. Er is geconcludeerd dat veel factoren een rol kunnen spelen, er is niet één specifieke oorzaak gevonden. Mogelijk was de oorzaak per bedrijf ook verschillend. Associaties met zonnepanelen, of zendmasten en hoogspanningskabels in de omgeving zijn in dit onderzoek niet gevonden.
Deelt u de mening dat het vanwege de toenemende elektrificatie goed is om tijdig onderzoek te doen naar mogelijke risico’s van zwerfstroom en de mogelijkheden om dit te voorkomen?
Toenemende elektrificatie brengt in zichzelf geen risico op zwerfstroom. Zwerfstroom ontstaat wanneer elektrische installaties niet goed geaard zijn of bedradingen niet goed geïsoleerd zijn. Ook kunnen zwerfstromen ontstaan als de opbouw en capaciteit van de elektrische installatie onvoldoende is of apparatuur wordt gebruikt die niet voldoet aan de Europese veiligheidsregels.
Indien een bestaande elektrische installatie van een bedrijf wordt uitgebreid met bijvoorbeeld een zonnepaneel-installatie, een batterij of een kleine windturbine is het zaak dat deze installatie blijft voldoen aan de elektrotechnische veiligheidseisen zoals beschreven in de NEN1010. Onoordeelkundige uitbreidingen kunnen tot problemen leiden. Het is daarom belangrijk dat elektrische installaties altijd aangelegd, onderhouden en gecontroleerd worden door gecertificeerde elektrotechnische installatiedeskundigen.
Waarom is door de provincie Zuid-Holland gevraagd multidisciplinair onderzoek naar de zwerfstroomproblematiek geweigerd2, terwijl verschillende experts wijzen op de mogelijkheid van bedrijfsoverstijgende oorzaken3, 4?
De provincie Zuid-Holland heeft inderdaad per brief verzocht om het uitvoeren van multidisciplinair onderzoek door het Rijk. De provincie gaf aan dat de casuïstiek de mogelijkheden en het kennisveld van de provincie oversteeg. Nadat de veehouder eerst zelf onderzoek heeft laten uitvoeren, heeft de provincie een second opinion laten uitvoeren.
Dit second opinion-onderzoek concludeert dat er geen externe oorzaken zijn aan te wijzen voor de problemen op het bedrijf. Uit het onderzoek bleek bovendien dat de metingen uit het onderzoek dat de veehouder heeft laten uitvoeren, ongeschikt waren om zwerfstromen te detecteren en dat er aanwijzingen waren dat de elektrische installatie op het bedrijf verbetering behoeft.
Tevens staat de veehouder onder verscherpt toezicht van de NVWA en is veroordeeld door de rechter vanwege het onthouden van de nodige zorg en het hebben van onvoldoende capaciteit voor het aantal gehouden dieren. Overwogen is dat deze situatie nog altijd niet volledig is verbeterd en dat de problematiek op het bedrijf toe te schrijven is aan de omstandigheden waaronder de dieren worden of werden gehouden. De houder is tevens gewezen op het bestaan van het vertrouwensloket welzijn landbouwhuisdieren voor hulp en ondersteuning.
Bent u alsnog bereid het gevraagde multidisciplinaire onderzoek op te pakken?
Ik kan mij goed voorstellen dat de veehouders zorgen hebben, gezien de klachten die zij ervaren. Het gevraagde multidisciplinair onderzoek is echter pas zinvol als er in de monodisciplines geen mogelijke oorzaak van de problemen worden gevonden. In dit geval zijn er geen externe oorzaken gevonden, zijn er wel zorgen over het dierenwelzijn en diergezondheid bij de veehouderij en waren er verbeteringen mogelijk in de elektrische installatie. Tevens ken ik geen voorbeelden van onderling vergelijkbare casuïstiek die op externe oorzaken wijzen.
Uiteraard blijf ik alert op eventuele ongewenste gevolgen die samen zouden kunnen hangen met de energie-transitie en de (elektrische) infrastructuur die in de omgeving wordt geplaatst.
Het rapport van de Algemene Rekenkamer 'Energiebesparing: stimuleren of verplichten?' van 15 januari 2026. |
|
Christine Teunissen (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport van de Algemene Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat er voor ruim € 50 miljoen overlap bestaat tussen vier subsidieregelingen voor energiebesparing en de wettelijke energiebesparingsplicht?1
Deelt u de conclusies van de Algemene Rekenkamer over de omvang van de overlap en de geïdentificeerde regelingen?
Welk deel van de recent beschikbare subsidiebudgetten voor energiebesparing bij bedrijven is ingezet voor maatregelen die reeds onder bestaande wettelijke verplichtingen vallen, uitgesplitst naar regeling en jaar, en acht u deze inzet doelmatig?
Hoe verklaart u dat er volgens de Algemene Rekenkamer nog steeds onvoldoende zicht is op welke bedrijven precies onder de energiebesparingsplicht vallen, terwijl deze plicht al sinds 1993 bestaat?
Hoe bent u voornemens het door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde gebrek aan inzicht in informatie, effectiviteit en overlap van regelingen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige energiebesparingsplicht en de handhaving daarvan in termen van daadwerkelijk gerealiseerde energiebesparing en CO2-reductie, en beschikt u over een sectorale onderbouwing van deze effecten?
Bent u, conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer, bereid subsidieregelingen zodanig aan te passen dat financiering van maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen uitsluitend mogelijk is bij aantoonbare aanvullende besparing boven op de wettelijke plicht, en zo ja, op welke termijn?
Hoe waarborgt u dat deze aanpassingen aansluiten bij de invoering van de nieuwe regels voor de energiebesparingsplicht?
Hoe voorkomt u dat aanpassingen aan de energiebesparingsplicht afbreuk doen aan de urgentie en de noodzaak om – mede in het licht van Europese richtlijn – juist meer energiebesparing te realiseren in Nederland?
Erkent u de gebrekkige handhaving, en gebrek aan informatie over doelmatigheid van de handhaving van de energiebesparingsplicht, zoals geconstateerd door de Algemene Rekenkamer?
Kunt u toezeggen om eventueel vrijkomende middelen in te zetten voor het versterken van de handhaving van de energiebesparingsplicht?
Het artikel 'Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief' |
|
Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief», waarin wordt gesteld dat de invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten kan leiden tot hogere systeemkosten en hogere energierekeningen voor consumenten en bedrijven?1
Ja.
Wat betekent een invoedingstarief voor bestaande projecten die zijn gerealiseerd zonder rekening te houden met een dergelijk tarief?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en het vroegtijdig uit gebruik nemen van bestaande productielocaties. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve impact is mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en overgangsperiode, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten. Dit zou echter niet problemen voorkomen die ontstaan bij projecten met een bestaande SDE++ subsidiebeschikking. Dit wordt nader toegelicht in antwoorden op vraag 4 en 5.
Wat is, op basis van de huidige inzichten, de verwachte impact van een invoedingstarief op de investeringsbereidheid en de businesscase van nieuwe wind- en zonne-energieprojecten, en in andere kapitaalintensieve energieprojecten zoals kerncentrales?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen verwacht u dat een invoedingstarief heeft voor het tijdig halen van de klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder met oog op de uitrol van hernieuwbare elektriciteitsproductie van eigen bodem?
De projecten die bijdragen aan nationale productie van hernieuwbare elektriciteit zijn onmisbaar voor de klimaatdoelstellingen voor 2030. Voor de ontwikkeling of operatie van deze projecten is een acceptabele business case nodig, anders komen de projecten niet tot stand. Als het invoedingstarief niet geabsorbeerd, doorberekend of gecompenseerd kan worden, zal dit een negatief effect hebben op de business case van deze projecten en daarmee op de hoeveelheid nationale productie van hernieuwbare elektriciteit. Projecten die op tijd worden gerealiseerd om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 hebben waarschijnlijk al een subsidiebeschikking ontvangen. Bij deze projecten is het, zoals in het antwoord op vraag 5 hieronder is toegelicht, niet goed mogelijk om rekening te houden met de financiële effecten van een invoedingstarief. Voor projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben, bestaat daardoor een wezenlijk risico op non-realisatie. Er bestaat daarom, afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode, een risico dat een invoedingstarief de realisatie van klimaatdoelstellingen voor 2030 in de weg staat of moeilijker maakt.
Ziet u mogelijkheden om de financiële impact van een invoedingstarief voor bestaande en nieuwe projecten te mitigeren, bijvoorbeeld via de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of een opvolgende subsidieregeling?
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
Hoe beoordeelt u het risico dat kosten die via een invoedingstarief bij producenten worden neergelegd, uiteindelijk via subsidies weer moeten worden gecompenseerd, waardoor per saldo geen kostenbesparing maar juist extra systeemkosten ontstaan?
Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel van dit tarief dat niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, die het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken met financiële middelen van de overheid. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren. Het lijkt dus waarschijnlijk dat de hogere kosten voor producenten deels door de overheid zullen moeten worden gecompenseerd. Dit betekent dat met dezelfde beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden.
De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Een invoedingstarief leidt tot een herverdeling van netkosten tussen afnemers en invoeders, waarbij de afnemers minder netkosten gaan betalen en de invoeders meer. Een voordeel van een invoedingstarief kan daarnaast zijn dat deze producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, zoals het vermijden van invoedingspieken. Dit kan op termijn de noodzaak voor dure netverzwaringen voorkomen. De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Een kwantitatieve schatting van deze effecten en het uiteindelijke resultaat is pas te maken wanneer er sprake is van een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief.
Ziet u risico’s dat een invoedingstarief, door het afremmen van investeringen in binnenlandse productie, ook een negatieve impact kan hebben op de leveringszekerheid van energie in Nederland?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Hoe verhoudt een invoedingstarief zich tot andere maatregelen die netefficiënt gedrag kunnen bevorderen?
Ja, het kabinet is bekend met de conclusies uit de appreciatie van het IBO.
De belangrijkste toegevoegde waarde van een invoedingstarief is dat het producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, waardoor op termijn de kosten van het elektriciteitsnet kunnen afnemen. Een dergelijke prikkel via de nettarieven is binnen de huidige kaders niet vorm te geven, omdat voor invoeding nu geen nettarief wordt gerekend. Tegelijkertijd kunnen vergelijkbare prikkels voor efficiënter netgebruik deels ook via andere instrumenten worden georganiseerd, zoals flexibele aansluit- en transportvoorwaarden, flexibiliteitscontracten, en via aanpassingen in de tendervoorwaarden voor wind op zee of de subsidievoorwaarden van de SDE++. Zo wordt in de SDE++ vereist dat zon-PV slechts op 50% van het piekvermogen wordt aangesloten, om hoge netkosten ter facilitering van piekbelasting te voorkomen. Deze instrumenten zijn moeilijk categorisch te vergelijken met een invoedingstarief, omdat zij op uiteenlopende manieren kunnen worden vormgegeven en vaak verschillende effecten hebben voor verschillende partijen. Of de alternatieve instrumenten een sterkere negatieve impact zouden hebben op de business case is afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief.
Bent u bekend met de conclusies uit de appreciatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) «Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur' (Kamerstuk 29 023, nr. 567), waarin wordt gewezen op aanzienlijke potentiële kostenbesparingen door flexibel netgebruik, en kunt u toelichten in hoeverre deze alternatieven effectiever of doelmatiger zijn dan een invoedingstarief?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre wordt bij de afweging rond een invoedingstarief gekeken naar de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere Europese landen? Wordt een vergelijkbaar tarief elders in Europa ingevoerd, en zo ja, met welke effecten op investeringen en netcongestie?
In haar consultatiedocument over het invoedingstarief heeft de ACM aangegeven dat het mogelijk is om de maximale hoogte van het invoedingstarief te beperken met het oog op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten. De ACM stelt echter ook dat een verlaagd tarief minder kostenreflectief is en minder goede prikkels geeft voor efficiënt netgedrag.
Binnen Europa is slechts zeer beperkt sprake van harmonisatie van nettarieven voor elektriciteit. Hierdoor bestaan tussen lidstaten grote verschillen. In ca. 60% van lidstaten bestaat geen of verwaarloosbaar invoedingstarief. Het aandeel lidstaten met een invoedingstarief lijkt over de jaren wel licht te groeien. In de 40% van de lidstaten met een invoedingstarief is het aandeel van de totale netkosten dat in lidstaten met een substantieel invoedingstarief wordt toegerekend aan invoeders uiteenlopend, verschillend voor transmissie en distributie. Ook worden in lidstaten met een invoedingstarief verschillende soorten kostenposten wel en niet daarin opgenomen. In lidstaten waar een invoedingstarief bestaat, is vervolgens in veel gevallen sprake van ontheffingen of verlagingen van het invoedingstarief, bijvoorbeeld voor kleine producenten, voor bepaalde technieken (zoals offshore wind of batterijen), of vanwege de inzet van een installatie voor bepaalde systeemdoeleinden. Dit maakt een directe vergelijking met andere lidstaten niet goed mogelijk.
De nettarievenstructuur binnen veel lidstaten is in beweging. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
De stijgende kosten en zorgen over de leveringszekerheid door het invoedingstarief |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Huishouden dupe extra kosten stroomnet» en met de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aangekondigde voorbereiding van een invoedingstarief voor grote elektriciteitsproducenten?1
Ja.
Erkent u de nadelen van een invoedingstarief die in het artikel genoemd worden?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten. Niettemin herkent het kabinet de in het artikel geschetste nadelen als mogelijke gevolgen van de invoering van een invoedingstarief.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en vroegtijdige uitgebruikname van bestaande productielocaties. Het speelveld voor Nederlandse producenten kan verslechteren en de import van elektriciteit kan daardoor relatief aantrekkelijk worden. De afhankelijkheid van buitenlandse productie kan daardoor groter worden. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve gevolgen zijn mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en ingroeipad, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze, negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten.
Klopt het een invoedingstarief de afhankelijkheid van buitenlandse productie kan vergroten?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat nieuwe projecten om elektriciteit op te wekken hierdoor lastiger worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusies uit de studies van Aurora Energy, SiRM en CE Delft dat de energierekening voor afnemers waarschijnlijk stijgt?
Het netto-effect op de energierekening van afnemers is moeilijk vooraf in te schatten en hangt in grote mate af van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en ingroeipad van een eventueel invoedingstarief. Daarnaast zijn er eventuele, flankerende maatregelen die kunnen worden genomen om de nadelige effecten van een invoedingstarief te beperken. Daarnaast zal het effect ook verschillen, afhankelijk van het type aansluiting en het verbruiksprofiel van elke afnemer.
Uit de doorrekeningen van onderzoeksbureau Aurora (in opdracht van Energie Nederland) en CE Delft (in opdracht van de ACM) blijkt dat het invoedingstarief zich vertaalt in een hogere elektriciteitsprijs. Dit wordt ook bevestigd door een onafhankelijke studie van TenneT. De stijging van de (basislast) elektriciteitsprijs is echter lager dan de hoogte van het invoedingstarief. Zonder aanvullend beleid is de verwachting op basis van voorgenoemde studies dat hierdoor ca. 20 tot 50% procent van het invoedingstarief terugkomt in een hogere basislast elektriciteitsprijs. Ook is het de verwachting in deze studies dat de invoer van elektriciteit gaat toenemen. Het invoedingstarief kan daardoor het effect hebben dat producenten in Nederland minder investeren in nieuwe centrales en in het verlengen van de levensduur van bestaande centrales.
De bijdrage van producenten aan de netkosten zorgen ervoor dat de nettarieven voor afnemers op het elektriciteitsnet in beginsel lager vastgesteld kunnen worden. Op deze manier is het mogelijk dat afnemers erop vooruitgaan.
De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Deze verslechtering van de concurrentiepositie zou beperkt blijven wanneer de invoering van het invoedingstarief meer gekoppeld zou worden aan Europese ontwikkelingen of de situatie in onze buurlanden. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Welke gevolgen heeft een invoedingstarief voor de leveringszekerheid van elektriciteit?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Kunt u uiteenzetten wat de ACM onder het voorgenomen invoedingstarief verstaat, welke definitie van «grote producenten» wordt gehanteerd en worden er uitzonderingen overwogen?
Een invoedingstarief is een tarief dat aangeslotenen moeten betalen om elektriciteit in te voeden op het net. Voor de infrastructuurgerelateerde kosten van het elektriciteitsnet geldt een Europees-wettelijk vastgelegd maximumtarief voor invoeders. Voor de systeemkosten (kosten voor inkoop congestie- en balanceringsdiensten en netverliezen) geldt geen Europese begrenzing.
De ACM is voornemens om het invoedingstarief op dit moment alleen uit te werken voor grootverbruikers. Dit zijn gebruikers met een aansluiting met een aansluitcapaciteit van meer dan 3 keer 80 Ampère, hier vallen onder andere onder wind op zee, kerncentrales, gascentrales, windparken en zonneparken. Voor kleinverbruikers wordt momenteel een nieuwe nettariefstructuur uitgewerkt en de ACM wil dit proces niet doorkruisen. Voor kleinschalige zon op dak, bijvoorbeeld op een woonhuis, gaat het invoedingstarief dus niet gelden.
De ACM heeft nog geen definitieve keuzes gemaakt over uitzonderingen. Het consultatiedocument van de ACM bespreekt de mogelijkheid van een uitzondering voor producenten op zee en voor bi-directionele gebruikers (waaronder batterij-opslag). De ACM heeft hier nog geen besluit over genomen.
Op basis van welke wettelijke grondslag en (tarief)codes heeft de ACM volgens u de bevoegdheid om een invoedingstarief in te voeren, en welke formele rol heeft u de daarbij (welke interventies zijn wél/niet mogelijk)?
De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. In het Nederlands recht is dit geïmplementeerd in de Energiewet. De bevoegdheid voor de ACM om de tarieven en tariefreguleringsmethode vast te stellen is vastgelegd in artikel 3.106, eerste lid, in combinatie met artikel 3.107 van de Energiewet. Voorts moeten op grond van artikel 3.107, vierde lid van de Energiewet tariefstructuren worden opgesteld die ingevolge artikel 3.119 in combinatie met de artikelen 3.120 en 3.121 van de Energiewet die goedkeuring moeten hebben van de ACM en de ACM kan daarvoor ook zelf voorstellen indienen als zij dat nodig acht. De Minister heeft hierbij geen rol en kan ook geen instructies geven aan de ACM gelet op de onafhankelijkheid van de ACM, zoals onder meer volgt uit de artikelen 9 en 10 van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt.
Klopt het dat u bij brief van 25 april 2025 (p. 13) waarschuwt dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten leidt tot een hogere onrendabele top en daarmee meer subsidie? Kunt u de onderliggende berekeningen aan de Kamer sturen?2
De kwalitatieve aanname dat een invoedingstarief bij nieuwe projecten resulteert in een hogere onrendabele top klopt. Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel dat dit tarief niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, welke het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren.
Zonder een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief is het niet mogelijk om de effecten en extra subsidiebehoefte goed uit te rekenen.
Kunt u uitsluiten dat huishoudens, het midden- en kleinbedrijf en de industrie per saldo meer gaan betalen door invoering van een invoedingstarief? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit te voorkomen? En hoe hoog is de stijging?
Zoals hierboven aangegeven is geen duidelijkheid over de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode voor het invoedingstarief. De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Het kabinet kan op dit moment daarom niet uitsluiten of bevestigen dat aangeslotenen per saldo meer gaan betalen door de invoering van een invoedingstarief. Noch kan het kabinet vooruitlopen op eventuele compenserende maatregelen of een betrouwbare inschatting geven van de hoogte van een eventuele stijging.
Heeft u er kennis van genomen dat in de aangeleverde informatie wordt gesteld dat Nederlandse (gas)centrales efficiënter zijn maar door het invoedingstarief «na» Duitse centrales in de merit order kunnen komen? Herkent u dit mechanisme en wat betekent dit voor prijsniveau en de systeemkosten?
Dit is inderdaad een mogelijk gevolg van de invoering van een invoedingstarief, afhankelijk van de vormgeving van het tarief en ontwikkelingen in Nederland en Duitsland. De Duitse en Nederlandse elektriciteitsmarkten zijn goed met elkaar geïntegreerd en een vervanging van Nederlandse door Duitse producenten in de merit order is mogelijk bij een voldoende hoog, Nederlands invoedingstarief. Indien Nederland een relatief hoog invoedingstarief zou invoeren en Duitsland niet, ontstaat er een ongelijk(er) speelveld tussen Nederlandse en Duitse elektriciteitsproducenten.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 is het uiteindelijke effect op het prijsniveau en de systeemkosten zeer moeilijk in te schatten en afhankelijk van eventueel flankerend beleid en ontwikkelingen in het buitenland.
Klopt het dat Duitsland, de grootste handelspartner van Nederland, geen vergelijkbaar invoedingstarief kent? Hoe is dit geregeld in de overige landen waarmee Nederland via interconnecties op het elektriciteitsnet is aangesloten (België, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Denemarken)? En welke inzet pleegt u om te voorkomen dat Nederland zich uit de markt prijst of eenzijdig nadeel creëert?
Elk land heeft een eigen stelsel voor de nettarieven, in de EU-lidstaten gebaseerd op gezamenlijke Europese principes zoals «de gebruiker betaalt». De vormgeving en hoogte van de nettarieven is divers, niet altijd direct vergelijkbaar en bovendien in beweging. Op basis van een relatief recente studie van de Europese toezichthouder ACER naar de nettarieven in Europa en een onderzoek van Sia Partners, uitgevoerd in opdracht van de Belgische transmissiesysteembeheerder Elia uit 2023 is niettemin enige informatie beschikbaar over het invoedingstarief in de met Nederland verbonden lidstaten en derde landen.3
Sia heeft het «gewogen gemiddelde invoedingstarief» in kaart gebracht. Dit omvat uitsluitend gereguleerde nettariefcomponenten voor invoeding van elektriciteit.
Land
Gewogen gemiddeld invoedingstarief 2022 (€/MWh)
Nederland
0,02
Duitsland
0,00
België
0,62
Verenigd Koninkrijk
18,99
Noorwegen
2,50
Denemarken
0,55
Bij deze cijfers wordt het volgende opgemerkt:
Zoals uitgewerkt in de antwoorden op vraag 8 heeft het kabinet geen formele rol bij het vormgeven van de tariefregulering. In gesprek met de ACM heeft het kabinet de nadelige gevolgen die een invoedingstarief kan hebben op de energiemarkt benadrukt en haar verzocht daar zo veel mogelijk rekening mee te houden.
Als u erkent dat de maatschappelijke en budgettaire gevolgen groot kunnen zijn, bent u dan bereid het wettelijk kader zo aan te passen dat dit type tariefwijziging niet kan worden doorgezet?
Zoals blijkt uit het antwoord op vragen 8 en 12 staat het nationale wettelijk kader dit niet toe. Het Europese wettelijk kader biedt daar ook geen ruimte voor. De Europese Elektriciteitsrichtlijn schrijft dwingend voor dat de onafhankelijke nationale regulerende instantie, in Nederland de ACM, exclusief bevoegd moet zijn om de tarieven of tariefreguleringsmethode en de tariefstructuren van netbeheerders vast te stellen of goed te keuren. Daarbij mag de onafhankelijke nationale regulerende instantie geen instructies verlangen of ontvangen van regeringen of andere publieke of private partijen, waaronder ook de nationale wetgever. Dat heeft het Europese Hof van Justitie in een aantal uitspraken in 2020 en 2021 nog eens bevestigd.
Heeft u kennisgenomen van het NRC-artikel «Google en Microsoft verzwijgen energiegebruik van hyperscale-datacenters; Datacentra Techbedrijven zwijgen over energieverbruik»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Microsoft en Google rapportages weigeren over het energieverbruik van hun datacenters in Nederland in Eemshaven en bij Middenmeer niet aanleveren?
De datacentra in kwestie hebben informatie aangeleverd zoals aan hen is gevraagd door de Nederlandse overheid. Op grond van de Europese Energie Efficiëntie Richtlijn (EED)2 en het nationale Besluit van 26 april 20243 zijn datacentra verplicht om informatie aan te leveren, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de in te vullen formulieren, heeft de Nederlandse overheid gecommuniceerd dat bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet hoefden te worden aangeleverd.
In de loop van 2024 is de Europese regelgeving aangescherpt en van kracht geworden, middels een gedelegeerde verordening4. In de gedelegeerde verordening staat dat bedrijfsvertrouwelijke informatie niet openbaar wordt gemaakt, maar dat welalle informatie aangeleverd dient te worden. Deze wijziging wordt meegenomen met de implementatie van de richtlijn. Aanvankelijk werd gewacht met de aanpassing van de communicatie en het loket tot de implementatie van de richtlijn gereed zou zijn, maar na verloop van tijd is alsnog gekozen om hier niet op te wachten en de communicatie en het loket aan te passen, gezien ook de rechtstreekse werking van de gedelegeerde verordening.
Deze aanscherping is in de communicatie naar datacentra recentelijk aangepast voor de aanlevering van gegevens in 2026, in lijn met de gedelegeerde verordening. Datacentra wordt gevraagd alle gegevens aan te leveren, en aan te geven of er sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens.
Deelt u de opvatting dat zonder gedetailleerde verbruiksdata geen goed beleid mogelijk is voor energie-infrastructuur?
Om goed beleid voor energie-infrastructuur te kunnen maken, werken overheden veel samen met netbeheerders. Netbeheerders hebben namelijk data over en inzicht in het energieverbruik van hun klanten. Daarbij is ook geaggregeerde data beschikbaar. De samenwerking met netbeheerders en de geaggregeerde data bieden op dit moment voldoende inzicht voor beleidsvorming voor energie-infrastructuur.
Deelt u de analyse in het artikel dat gebrek aan transparantie over het energieverbruik van datacenters goed onderzoek naar netcapaciteit, de maatschappelijke impact van digitalisering, waaronder AI belemmert?
Overheden werken, zoals hierboven aangegeven, samen met netbeheerders voor inzicht te krijgen in het energieverbruik van datacenters om de beleidsvorming rondom digitalisering vorm te geven.
Daarbij zijn de verbruiksgegevens van elektriciteit van alle bedrijven bedrijfsvertrouwelijk en worden deze alleen verstrekt aan de toezichthouders ten behoeve van toezicht en handhaving van de energiebesparingsplicht.
Waarom wordt er gesteld dat openbaarmaking van deze energiegegevens juridisch niet kunnen worden afgedwongen bij tech bedrijven zoals Microsoft en Google, terwijl Europese regels dit wel verplichten? Is hier sprake van onwil of onduidelijkheid in de uitvoering?
In zowel de EED5 als de gedelegeerde verordening6 is opgenomen dat informatie van datacentra die onder het nationaalrecht ter bescherming van bedrijfsgeheimen en vertrouwelijkheid valt, niet openbaar wordt gemaakt.
Hoe kan het dat de Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED) bedrijven verplicht om energie- en waterverbruik te rapporteren, maar dat grote datacenters in Nederland lege formulieren kunnen indienen zonder gevolgen?
In het kader van de EED zijn datacentra aanvankelijk gevraagd om informatie aan te leveren met de mogelijkheid om bedrijfsvertrouwelijke gegevens weg te laten. Inmiddels worden zij gevraagd om alle gegevens aan te leveren, maar aan te geven welke daarvan bedrijfsvertrouwelijk zijn. Wanneer een leeg formulier wordt ingeleverd, zal dit worden gezien als niet voldoen aan de EED-rapportage voor datacentra. In beide situaties worden de bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet openbaar gemaakt.
Bent u bereid om consequenties te verbinden aan bedrijven die niet voldoen aan Europese transparantie-eisen over energieverbruik?
De datacentra in kwestie hebben aangeleverd wat de Nederlandse overheid aan hen heeft gevraagd. De communicatie vanuit de Nederlandse overheid, via de RVO website en de in te vullen formulieren, over de verplichting tot het rapporteren van informatie is in lijn gebracht met de gedelegeerde verordening7. Dit betekent dat vanaf 2026 datacentra worden geacht alle informatie aan te leveren. Hierbij geldt dat bedrijfsvertrouwelijke informatie wordt aangeleverd, maar niet openbaar gemaakt zal worden. Mochten datacentra hier niet aan voldoen, dan wordt een waarschuwingsbrief verzonden met een termijn om alsnog alle informatie te rapporteren. Bij het niet voldoen aan die termijn volgt een voornemen tot last onder dwangsom.
Bent u bereid om, in het licht van de groei van AI en het toenemende energieverbruik daarvan, strengere nationale eisen te stellen aan transparantie van (Amerikaanse) grootverbruikers?
Het kabinet ziet, gelet op de hierboven geschetste aanpassing van de regelgeving en de aangepaste communicatie naar datacentra, op dit moment geen noodzaak om aanvullende strengere nationale eisen te stellen.
Kunt u toezeggen dat het kabinet actief gaat afdwingen dat Europese openbaarmakingsregels voor energieverbruik van datacenters van Big Tech, daadwerkelijk worden nageleefd?
Ja.
Deelt u de analyse in het artikel dat Microsoft en Google Europese transparantieregels over energieverbruik ondermijnen en dat Nederland daarin te weinig tegenwicht biedt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om de energieverbruik gegevens van de datacenters van Amerikaanse tech bedrijven, waaronder die van Microsoft en Google, alsnog op te eisen?
Datacentra hebben gedaan wat van hen is gevraagd door de Nederlandse overheid. Daarbij komt dat de Europese Commissie de rapporten voor 2024 en 2025 al heeft vormgegeven. Tevens is de communicatie naar datacentra aangepast en zullen alle gegevens vanaf 2026 worden aangeleverd. Het kabinet is daarom niet voornemens om deze gegevens alsnog op te eisen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Google en Microsoft houden energieverbruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Google en Microsoft houden energiegebruik van hyperscale-datacenters geheim voor de overheid»?1
De datacentra in kwestie hebben informatie aangeleverd zoals aan hen is gevraagd door de Nederlandse overheid. Op grond van de Europese Energie Efficiëntie Richtlijn (EED)2 en het nationale Besluit van 26 april 20243 zijn datacentra verplicht om informatie aan te leveren, met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de in te vullen formulieren, heeft de Nederlandse overheid gecommuniceerd dat bedrijfsvertrouwelijke gegevens niet hoefden te worden aangeleverd.
In de loop van 2024 is de Europese regelgeving aangescherpt en van kracht geworden, middels een gedelegeerde verordening4. In de gedelegeerde verordening staat dat bedrijfsvertrouwelijke informatie niet openbaar wordt gemaakt, maar wel dat alle informatie aangeleverd dient te worden. Deze wijziging wordt meegenomen met de implementatie van de richtlijn. Aanvankelijk werd gewacht met de aanpassing van de communicatie en het loket tot de implementatie van de richtlijn gereed zou zijn, maar na verloop van tijd is alsnog gekozen om hier niet op te wachten en de communicatie en het loket aan te passen, gezien ook de rechtstreekse werking van de gedelegeerde verordening.
Deze aanscherping is in de communicatie naar datacentra recentelijk aangepast voor de aanlevering van gegevens in 2026, in lijn met de gedelegeerde verordening. Datacentra wordt gevraagd alle gegevens aan te leveren, en aan te geven of er sprake is van bedrijfsvertrouwelijke gegevens.
Deelt u de opmerking dat techbedrijven zich moeten houden aan de wet, en daarom hun energieverbruik moeten delen, in lijn met de Energy Efficiency Directive (EED)?
Ja.
Zijn netbeheerders in bezit van data over het energieverbruik van datacenters? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u samen met netbeheerders deze data met de Kamer delen?
Netbeheerders hebben data over, en inzicht in, het energiegebruik van hun klanten, waaronder (individuele) datacentra. Overheden werken daarom veel samen met netbeheerders om goed beleid voor energie-infrastructuur te kunnen maken. Deze gegevens kunnen niet openbaar worden gemaakt, omdat deze worden gezien als bedrijfsgevoelige gegevens en alleen ten behoeve van toezicht en handhaving voor de energiebesparingsplicht worden verstrekt aan de toezichthouders.
Herkent u de in het artikel genoemde cijfers dat de stroomverbruik van datacenters binnen vijf jaar naar 15 procent van het totale stroom in Nederland zal groeien? Zo nee, welke ontwikkelingen ziet u wel voor zich? Zo ja, kunt u dat toelichten?
De ontwikkeling van datacentra is een langjarig proces en wordt momenteel ingeperkt door netcongestie, stikstofproblematiek en scherper vestigingsbeleid vanuit overheden. Daardoor is er in de huidige situatie weinig ruimte voor substantiële uitbreiding. Recent aangekondigde projecten zijn veelal jaren geleden in gang gezet. Ook sluit dit beeld niet goed aan bij de ontwikkeling van het elektriciteitsverbruik van de datacentra in de afgelopen jaren (zie ook de cijfers van het CBS5). Datacentra geven daarnaast aan dat een dergelijke prognose van de groei van het elektriciteitsverbruik niet realistisch is en niet aansluit bij de ontwikkeling uit de praktijk.
Deelt u de mening dat een grote inzet op datacenters geen verstandige keuze is, aangezien veel delen van Nederland kampen met netcongestie en de ontwikkelingen en winsten die voortvloeien uit datacenters niet terecht komen bij Nederlandse huishoudens?
Het kabinet erkent de zorgen rondom netcongestie en datacentra. Deze zorgen nemen wij serieus. Tegelijkertijd vormen datacentra de ruggengraat van onze digitale infrastructuur en faciliteren zij essentiële diensten waar Nederlandse huishoudens dagelijks van profiteren. Denk aan online bankieren, digitale zorg, thuiswerken en onderwijs op afstand. Om de beschikbaarheid van een onderscheidende digitale infrastructuur te borgen, is een zorgvuldige bestuurlijke afweging nodig. Daarvoor moet, samen met betrokkenen en gekoppeld aan lopende beleidsvorming op economisch, ruimtelijk, en duurzaamheidsvlak, en met oog voor de maatschappelijke meerwaarde, bezien worden wat nodig en mogelijk is en welke voorwaarden daarvoor gelden.
Toegang tot transportcapaciteit van elektriciteit wordt non-discriminatoir uitgegeven. Er wordt daarbij dus niet gekeken naar wat er met de uitgegeven transportcapaciteit voor elektriciteit gedaan wordt. Netcongestie vormt echter een grote uitdaging. Op veel plekken in Nederland is geen ruimte meer voor nieuwe aanvragen van grootverbruikers van elektriciteit, zoals datacentra. Deze komen dan ook op de wachtrij. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft met het prioriteringskader op basis van criteria sectoren aangewezen die maatschappelijk van groot belang zijn, zoals scholen of ziekenhuizen. Grootverbruikers uit deze sectoren krijgen voorrang op de wachtrij bij het verkrijgen van transportcapaciteit wanneer deze beschikbaar is. Datacentra zijn niet opgenomen in dit kader en krijgen dan ook geen voorrang.
Welke toegevoegde waarde hebben datacenters voor de Nederlandse economie en samenleving, als de winsten doorvloeien naar Amerikaanse techbedrijven en Nederland geen zeggenschap heeft over de technologie?
De digitale infrastructuur, die bestaat onder andere uit telecombedrijven, internetknooppunten, datacentra en cloudaanbieders, levert een substantiële directe én indirecte bijdrage aan de Nederlandse economie6. Het is onlosmakelijk verbonden met ons dagelijks leven, denk aan video vergaderen, online bankieren en mobiel betalen, onze overheidszaken regelen en met veel gemak onze inkopen doen. In het onderwijs en de zorg is digitalisering niet meer weg te denken. Bedrijven kunnen opbloeien dankzij die hoogwaardige digitale infrastructuur. De meerwaarde van datacentra is dat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van de digitale infrastructuur, die een randvoorwaarde is voor toekomstige groei. In de veranderende mondiale context wordt het steeds belangrijker dat Nederland en de EU geopolitiek gezien op eigen benen kunnen staan. Het belang van (open strategische) autonomie neemt steeds verder toe.
Deelt u de mening dat technologie geen doel maar een middel is, en dat technologische ontwikkelingen zoals «Artificial Intelligence' (AI) ook bredere maatschappelijke doelen, zoals het verlagen van werkdruk en het verminderen van werk, moet dienen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat publieke zeggenschap over AI essentieel is om het als middel te gebruiken?
Het kabinet is van mening dat een technologie en het gebruik van technologie, zoals AI, een middel is of kan zijn in het bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke opgaven. Daarbij zal technologie en het gebruik hiervan zelf doelen, waarden en machtsverhoudingen vormen en doen verschuiven, waardoor middel en doel onvermijdelijk in elkaar ingrijpen. Voor AI is dit niet anders.
Veel AI-oplossingen, die ook relevant kunnen zijn voor productiviteit en maatschappelijk uitdagingen, worden door bedrijven ontwikkeld en aangeboden. Dit is van belang voor het verdienvermogen als onderdeel van het industriebeleid en de uitwerking van de Nationale Technologiestrategie. De implementatie van de Europese AI-verordening draagt er onder meer aan bij dat AI-oplossingen door bedrijven op een verantwoorde manier worden ontwikkeld en toegepast.
Om innovaties te versnellen en kennis publiek-privaat te ontwikkelen en toe te passen zet de overheid specifieke instrumenten in. Een voorbeeld is het AiNed programma van het Nationaal Groeifonds met een groot aantal labomgevingen voor de ontwikkeling van innovatieve AI-toepassingen. Een ander voorbeeld is de realisatie van een AI-fabriek in Groningen. Deze initiatieven moeten maatschappelijke en economische kansen van AI verzilveren, en de publieke belangen bij AI borgen.
Heeft u zicht op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt door de introductie van AI? Zijn er functies die nu of in de komende jaren geraakt worden door AI? Welke stappen worden gezet om mensen die door AI hun baan (zullen) kwijtraken om en bij te scholen voor behoud van werk?
Er wordt momenteel op verschillende plekken data verzameld over AI, het gebruik ervan en de impact op de arbeidsmarkt. De AI monitor van het CBS ontwikkelt statistieken over bedrijven die AI produceren, bedrijven die AI gebruiken, AI-opleidingen inclusief de overgang naar de arbeidsmarkt, en de vraag naar arbeidskrachten met AI-vaardigheden7. In de arbeidsmarktenquêtes van TNO8 worden ook enkele vragen over inzet van AI op werk toegevoegd. Dialogic publiceert daarnaast in opdracht van EZK een overzicht van kengetallen over de onderwijs- en arbeidsmarktstromen van AI en data science. Verder zijn binnen de Nederlandse Skills Survey vragen gesteld over het gebruik van AI op het werk, en de digitale vaardigheden van werkenden. Tot slot zijn er internationale organisaties, zoals de OECD, die onder andere onderzoek hebben gedaan naar de «blootstelling» van bepaalde beroepen aan AI9.
AI kan grote gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt, maar deze gevolgen zijn op dit moment lastig te voorspellen. Om potentiële negatieve gevolgen voor de arbeidsmarkt te kunnen mitigeren, is het in de eerste plaats belangrijk mensen te ondersteunen om mee te kunnen in veranderingen van hun werk als gevolg van AI. Werkgevers hebben hierin een wettelijke én initiërende verantwoordelijkheid. Werkgevers, brancheorganisaties en sociale partners zetten al stevig in op leven lang ontwikkelen. Het kabinet heeft oog voor deze veranderingen. De snelle veranderingen van de economie en arbeidsmarkt (o.a. door AI) maakt dat de onzekerheid over werk en inkomen voor mensen toeneemt, terwijl werkgevers ook te maken hebben met grote personeelstekorten en zien dat cruciale vacatures open blijven staan. Talent komt te vaak niet op juiste plek terecht waar het meeste waarde toevoegt.
Leven Lang Ontwikkelen (LLO) is daarbij een prioriteit van het kabinet met een ambitieuze opdracht waaraan € 100 mln. aan structurele middelen is gekoppeld vanaf 2028. Het kabinet hecht belang aan LLO om het hoofd te kunnen bieden aan grote economische en maatschappelijke opgaven. Het huidige LLO-beleid van SZW, OCW en EZK is samengevat in de recente Kamerbrief Voortgang Leven Lang Ontwikkelen.10
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Felix Klos (D66), Jan Paternotte (D66), Pieter Grinwis (CU), Derk Boswijk (CDA), Henk Jumelet (CDA), Peter de Groot (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Ja, ik ben bekend met deze berichtgeving. De berichtgeving gaat over de meetmodule, een onderdeel van de slimme meter dat alleen het elektriciteitsverbruik op digitale wijze meet. Deze meetmodule introduceert daarmee geen risico voor de leveringszekerheid van energie.
De verzending en de versleuteling van data naar de netbeheerders en de communicatie met andere apparaten loopt niet via deze meetmodule. De meetmodule bevat ook geen schakelaar en kan niet op afstand worden uitgeschakeld waardoor er geen effect is op de beschikbaarheid van energie. De leveranciers van het betreffende onderdeel en andere niet-geautoriseerde partijen kunnen niet meelezen met de data van de nieuwe generatie slimme meter. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie en autorisaties. In de beantwoording van vraag 7, 8, 9 en 10 wordt dataveiligheid nader verdiept. Het kabinet is tegen deze achtergrond van oordeel dat de betreffende inkoop geen ontoelaatbaar risico vormt voor Nederlandse consumenten.
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Betrouwbare waardeketens voor vitale energie-infrastructuur zijn essentieel voor het waarborgen van de leveringszekerheid en onze nationale veiligheid. Leveringszekerheid in de product waardeketen is één van de onderdelen van de risicoanalyse die is uitgevoerd door de netbeheerders. Om risico’s ten aanzien van de leveringszekerheid te mitigeren, is onder andere besloten voor elke hardware component in de slimme meter voor twee verschillende leveranciers te kiezen. Eén van de twee leveranciers dient afkomstig te zijn uit een land dat partij is bij de multilaterale Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement – GPA). Deze overeenkomst beoogt wederzijdse openstelling van overheidsopdrachten tussen deelnemende landen op basis van transparantie, non-discriminatie en rechtszekerheid. De Europese Unie onderhoudt met deze GPA-partijen structurele en wederkerige handelsrelaties die zijn gebaseerd op internationale afspraken, hetgeen bijdraagt aan een betrouwbare samenwerking binnen de publieke aanbestedingen.
In dit geval betekent dit dat de meetmodule die Kaifa Technology levert, ook wordt geleverd door het Franse Sagemcom. Indien noodzakelijk kunnen de netbeheerders een beroep doen op de Franse leverancier om alle leveringen over te nemen en de dienstverlening te continueren. Dit houdt in dat, indien één van de partijen niet in staat is om te leveren, de andere partij over voldoende capaciteit beschikt om de levering tot 100% te continueren. Hierdoor is de leveringszekerheid van dit onderdeel geborgd. Voor dit leveranciersmodel is ook gekozen om de Europese productie van meetmodules te versterken en beschikbaar te houden.
Voor de verschillende onderdelen van het systeem is een uitgebreide marktconsultatie gedaan. Voor de componenten die niet als risicovol beschouwd zijn, is gekozen voor maximale concurrentie om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
De netbeheerders hebben een risicoanalyse en onderzoek uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van verschillende analyses, waaronder het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren (DBSA) en het Cybersecuritybeeld Nederland, beide gepubliceerd door de NCTV. Daarnaast hebben de netbeheerders de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bevraagd over risico's in dit aanbestedingstraject. In overleg met de netbeheerders en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei heeft de AIVD in algemene zin het dreigingsbeeld, conform bovengenoemde analyses, geschetst op het concept van de nieuwe generatie slimme meter. Mede op basis van deze informatie hebben de netbeheerders maatregelen toegepast waarmee er geen ontoelaatbaar risico is.
De slimme meter is modulair ontworpen en voor de afzonderlijke componenten is een risicobeoordeling opgesteld. De beschikbare analyses en informatie zijn bij het opstellen van deze risicobeoordelingen meegenomen. De risicobeoordeling heeft geresulteerd in mitigerende maatregelen, waaronder die ten aanzien van productleveringszekerheid en dataveiligheid. Er is dus vooraf rekening gehouden met mogelijke risico's voor bijvoorbeeld de energie- en productleveringszekerheid en de dataveiligheid van consumenten bij het vormgeven van de aanbesteding.
Daarnaast zijn de netbeheerders gehouden aan de nationale en Europese aanbestedingsregels. Ter verdere bevordering van de bescherming van vitale processen in de energiesector zijn in de nieuwe Energiewet – die sinds 1 januari van kracht is – regels opgenomen voor de bescherming van deze processen. Deze regels worden momenteel nader uitgewerkt in onderliggende regelgeving.
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Zie antwoord vraag 4.
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Zie antwoord vraag 4.
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
De netbeheerders houden zich aan de wettelijke voorschriften omtrent databeheer en privacy en zijn op grond van de Energiewet2 verplicht hun gegevens te beveiligen en te beschermen. De huidige circa 8 miljoen slimme meters voldoen aan de gestelde (technische) eisen in het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen (BOAUM), die gelden onder de Energiewet.3 Ook bij de nieuwe generatie slimme meter geven de netbeheerders uitvoering aan de eisen uit het BOAUM. In deze eisen is onder meer vereist dat de meters zodanig beveiligd zijn tegen fraude met, misbruik van of inbreuk op de meters dat een passend beveiligingsniveau is gegarandeerd. Hierbij moet rekening gehouden worden met de internationale stand van de techniek en de uitvoeringskosten.
Conform het BOAUM registreert de meter het actuele vermogen (in Watt) en per kwartier de meterstand. De netbeheerders lezen de meters maximaal één keer per dag uit, vaak in de nacht. De netbeheerder leest enkel datgene uit wat noodzakelijk is voor het functioneren van het elektriciteitssysteem in den brede, wat ook is vastgelegd in de Energiewet en onderliggende regelgeving. Onder de Energiewet4 is de netbeheerder bevoegd per aansluiting de kwartierstanden uit te lezen ten behoeve van de onbalansverrekening als onderdeel van de balanceringstaak van TenneT.
Naast het regime van de Energiewet geldt, voor zover het gaat om persoonsgegevens, ook de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij elke verwerking van persoonsgegevens geldt voor de netbeheerders dat deze verwerking rechtmatig moet zijn in het licht van de voorwaarden in artikel 6 AVG. Ten aanzien van de omgang met slimme meterdata voor de uitvoering van hun wettelijke taken hebben de netbeheerders de «Gedragscode Slim Netbeheer» opgesteld die in februari 2022 door de Autoriteit Persoonsgegevens is goedgekeurd.5
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Zoals hiervoor opgemerkt gelden voor de netbeheerders verplichtingen ten aanzien van gegevensbescherming en -beveiliging. Voor het uitlezen van de nieuwe generatie slimme meters wordt door de netbeheerders een centraal systeem opgezet. De netbeheerders ontwikkelen dit systeem zelf en maken daarbij geen gebruik van buitenlandse fabrikanten, om de veiligheid van de data te waarborgen. De veiligheid van de data wordt door de netbeheerders gewaarborgd door middel van encryptie.
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het waarborgen van productleveringszekerheid en nationale veiligheid is voor het kabinet van groot belang. De beoordeling van de netbeheerders dat de meetmodule een laag risicoprofiel kent, in combinatie met de genomen mitigerende maatregelen passend bij dit risicoprofiel, resulteert erin dat het kabinet vanuit veiligheidsoverwegingen op dit moment geen reden ziet om in te grijpen bij deze aanbesteding. Indien het kabinet in de toekomst risico’s vaststelt voor de nationale veiligheid of leveringszekerheid zal het maatregelen treffen om een dergelijk risico te mitigeren.
Het bericht ‘Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Twee ondergrondse warmtebuffers ingezakt, waarschuwing aan andere gemeentes»?1
Vanuit de berichtgeving begrijp ik het volgende: twee ondergrondse warmtebuffers met heet water zijn kort na elkaar ingestort in Nagele en Wernhout. Gemeente Noordoostpolder waarschuwt andere gemeenten met een soortgelijke warmtebuffer voor veiligheidsrisico’s van zulke installaties. Er is onderzoek gedaan, maar dit is nog niet openbaar. Wel deelt de onderzoeker dat blijkt dat de constructies materialen bevatten die niet goed bestand zijn tegen langdurige blootstelling aan heet water, wat kan leiden tot verzakkingen.
Het is betreurenswaardig dat de toepassingen van deze eerste generatie innovatieve warmteopslagsystemen in Nagele en Wernhout niet succesvol zijn gebleken in het verduurzamen van de lokale warmtevraag en daarbij schade aan de omgeving hebben toegebracht. Vooral voor de getroffen bewoners is dit erg vervelend. Het is bij materiële schade gebleven en er wordt nu onderzoek gedaan naar de onderliggende oorzaak en eventuele risico’s voor andere locaties.
Innovaties brengen risico’s met zich mee. Het gaat hier om de toepassing van een eerste generatie experimentele warmtebuffersysteem. Deze innovaties zijn als onderdeel van de Proeftuin Aardgasvrije Wijken door het Rijk gesteund. Destijds was het doel om te onderzoeken of een dergelijk innovatief systeem de warmtetransitie in de wijk verder kan brengen. Doel is mede leren van de ervaringen van zo’n systeem en vervolgens lessen trekken waar de energietransitie verder mee geholpen wordt.
Welke regels bestaan er voor handhaving en toezicht voor de bouw en installatie van dit soort ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies? Zijn er instanties die controleren of de juiste bouwmaterialen en methoden worden toegepast? Zo nee, waarom niet?
Ondergrondse warmtebuffers en vergelijkbare constructies vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet (destijds Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, oftewel Wabo) en zijn vergunningplichtig. Dit betekent dat voor dergelijke constructies een vergunningaanvraag moet worden gedaan bij de desbetreffende gemeente. In de aanvraag moet aannemelijk worden gemaakt dat het bouwwerk voldoet aan de minimale eisen die in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gesteld worden ten aanzien van onder andere de constructieve veiligheid.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het beoordelen van vergunningsaanvragen en het toezien op de naleving van de verleende vergunning voor vergunningplichtige bouwwerken. Dit geldt dus ook voor dit soort ondergrondse warmtebuffers. In algemene zin geldt dat gemeenten zelf bepalen op welke manier bouwplannen getoetst worden aan de regels van het Bbl en of het aannemelijk is dat hieraan voldaan wordt. Daarbij kunnen gemeenten op basis van eigen risico-inschattingen bepalen welke onderdelen van de toetsing prioriteit hebben en welke informatie aangeleverd dient te worden voor de vergunningsbeoordeling. De gemeente is tevens het bevoegd gezag voor handhaving en toezicht bij dergelijke vergunningplichtige bouwwerken.
In hoeverre is de Inspectie Leefomgeving en Transport betrokken bij de handhaving en toezicht op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de bevoegdheid om toezicht te houden op de uitvoering van de Europese verordening bouwproducten, de basis voor het aanbrengen van CE-markering op bouwproducten. Ook ziet de ILT toe op de aanleg van bodemenergiesystemen waarbij warmte en koude uit de bodem worden gebruikt voor verwarming en koeling van gebouwen. Er is echter geen rol voor de ILT bij toezicht en handhaving op de aanleg van ondergrondse warmtebuffers en andere vormen van warmtenetten.
Bent u bereid samen met de gemeente Noordoostpolder en andere gemeenten met ondergrondse warmtebuffers in gesprek te gaan om preventieve maatregelen op te stellen om soortgelijke ongevallen in andere delen van het land te voorkomen? Zo nee, waarom niet, en welke maatregelen gaat u wel nemen om soortgelijke ongevallen te voorkomen?
De gemeente Noordoostpolder heeft vanuit haar verantwoordelijkheid over de verleende vergunning het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) geïnformeerd over de ontstane situatie en heeft uit voorzorg diverse andere gemeenten met vergelijkbare projecten een brief gestuurd met informatie over de casus Nagele en een onderzoeksrapport in verband met de verzakking2. Daarmee kan elke gemeente een eigen risicoafweging maken. De verantwoordelijkheid voor het verlenen van vergunningen, toezicht en handhaving op de veiligheid van constructies zoals dit soort ondergrondse warmtebuffers ligt bij de gemeente als bevoegd gezag. Vanuit het kabinet is het Ministerie van VRO het eerste aanspreekpunt indien nodig.
Welke consequenties zijn er voor bouwbedrijf HoCoSto voor de schade aan de buitenruimte in Nagele? Welke boetes en straffen zijn er voor de veroorzakers van dit soort incidenten?
De mate waarin een bedrijf aansprakelijk is voor directe of zelfs indirecte schade is een privaatrechtelijk vraagstuk en is afhankelijk van de contractuele afspraken die zijn gemaakt tussen in dit geval HoCoSto B.V. en Energiek Nagele.
Het bedrijf dat het project in Nagele heeft gerealiseerd is echter in 2023 failliet gegaan. Hoewel met behulp van een externe financier de bedrijfsactiviteiten een doorstart hebben kunnen realiseren in een nieuwe entiteit, HoCoSto Renewables B.V., is dit gebeurd zonder overname van de aansprakelijkheden van de oorspronkelijke entiteit.
Is dit incident een milieudelict? Zo ja, welke maatregelen gaan uw ministerie, de NVWA en mogelijk het OM nemen?
Het is niet aan het kabinet om uitspraken te doen over de vraag of een concreet geval is aan te merken als een eventueel milieudelict. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie (OM) om al dan niet over te gaan tot vervolging. Als het OM overgaat tot vervolging en beslist een verdachte te dagvaarden is het uiteindelijk aan de rechter om te oordelen of sprake is van een milieudelict of niet.
In hoeverre betaalt HoCoSto mee aan herstel van de warmtebuffers en de buitenruimte? Deelt u de mening dat vervuilers mee moeten betalen aan de schade die zij verrichten? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf HoCoSto B.V. was verantwoordelijk voor de realisatie van het project in Nagele en is in 2023 failliet gegaan. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. De nieuwe entiteit die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen is niet aansprakelijk en zal daarom niet betalen aan het herstel.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 is het project in Nagele deel van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW). In de eerste ronde (2018), waar Energiek Nagele onderdeel van is, ontving de gemeente een decentralisatie-uitkering. De gemeente had daardoor veel ruimte om zelf invulling te geven aan de besteding van de middelen. Binnen dit project zijn nog PAW-middelen beschikbaar die de gemeente nu inzet voor het ontmantelen, verwijderen en afvoeren van de installatie, evenals voor aanvullend onderzoek.
Deelt u de mening dat private belangen als winst een belangrijke fase als de energietransitie kunnen belemmeren, doordat bedrijven bijvoorbeeld de aanleg van warmtenetten zo goedkoop mogelijk willen doen waardoor de kans op fouten en ongelukken vergroot? Zo ja, bent u dan bereid stappen te nemen om een publiek energiebedrijf in nationale handen op te richten? Zo nee, waarom deelt u de mening niet en waarom bent u niet bereid energie in volledig publieke handen te nemen?
Het kabinet deelt deze mening niet. We zien dat ook private bedrijven zich inzetten op het versnellen van de energietransitie. Sturing op publieke belangen is geregeld in de recent aangenomen Wet collectieve warmte, waar een verplicht publiek meerderheidsaandeel in bestaande en nieuwe warmte-infrastructuur het uitgangspunt is en is in de oprichting van een nationale deelneming warmte voorzien. Zo wordt de publieke regie versterkt en zal de warmtesector op termijn voor de levering en het transport van warmte voor de meerderheid in publieke handen vallen. Daarmee wordt gewaarborgd dat publieke belangen verankerd worden in de besluitvorming van de warmtebedrijven en de opschaling van investeringen in de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Momenteel worden op veel plekken in het land initiatieven genomen voor de oprichting van publieke warmtebedrijven. Daarnaast voert het kabinet verkennende gesprekken over de overname van de private warmtebedrijven. De oprichting van een nationaal energiebedrijf acht het kabinet in dit licht niet nodig, en staat bovendien op gespannen voet met de wenselijkheid van lokaal of provinciaal aandeelhouderschap gelet op regionaal draagvlak en betrokkenheid.
Het Rapport Wennink |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vincent Karremans (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens Netbeheer Nederland het aantal unieke verzoeken op de wachtlijst midden- en laagspanning in 2025 is opgelopen tot 14.044 en het wachtlijstvermogen tot 9,1GW?1
Ja. Volgens de laatste cijfers van Netbeheer Nederland (stand op 1 juli 2025) en zoals gecommuniceerd in de Kamerbrief Aanpak Netcongestie van oktober jl. staan er 14.044 verzoeken van grootverbruikers in de wachtrij voor midden- en laagspanning bij de regionale netbeheerders, voor afname van in totaal 9,1 GW. Daarnaast staan er 8.539 verzoeken van grootverbruikers voor invoeding op midden- en laagspanning bij de regionale netbeheerders op de wachtrij, met een totaal vermogen van 4,6 GW.2 In maart 2026 zal Netbeheer Nederland met een update van deze cijfers komen.
Hoeveel aanvragen op wachtlijsten betreffen (a) MKB, (b) grootverbruik/industrie, (c) maatschappelijke instellingen, en wat zijn de mediane wachttijden per categorie en regio?
Informatie over hoeveel partijen er van verschillende categorieën op de wachtlijst staan is niet beschikbaar. In de meest recente voortgangsrapportage netcongestie3 is wel aangegeven dat er 362 partijen in de prioriteitscategorie nationale veiligheid en 295 partijen in de prioriteitscategorie basisbehoeften op de wachtrij staan. Dit zijn met name (maatschappelijke) instellingen, maar kunnen ook bedrijven zijn die vallen onder een van deze categorieën uit het prioriteringskader. De netbeheerders werken aan het verbeteren van het inzicht in de categorieën van bedrijven op de wachtrij. De mediane wachttijd van partijen op de wachtrij is niet beschikbaar. De capaciteitskaart van Netbeheer Nederland4 laat wel zien wanneer de belangrijkste knelpunten per gebied zijn opgelost en geven daarmee een indicatie van de wachttijd per gebied.
Deelt u de analyse dat netcongestie zowel schaalvergroting als verduurzaming vertraagt en dat in regionale industrie bijna driekwart van verduurzamingsplannen niet tijdig kan doorgaan door tekort aan energie-infrastructuur?
Netcongestie zit inderdaad zowel uitbreiding als verduurzaming van bedrijven in de weg. In de cluster energiestrategie (CES) van cluster 6, waar de regionale industrie gevestigd is, is inderdaad opgenomen dat 73% van de verduurzamingsplannen niet voor 2030 kan doorgaan door het ontbreken van energie-infrastructuur (publicatie januari 2025). De grootste knelpunten die in het rapport worden genoemd zijn, naast netcongestie, de lange afstand tot de hoofdinfrastructuur, het uitblijven van tijdige infrastructuur voor waterstof en CO2, en onvoldoende beschikbaarheid van bio/groen gas en warmte.
Welke concrete stabiliteits- en veiligheidsmarges leiden er volgens u toe dat netten gemiddeld slechts 30% benut worden, en welke ruimte ziet u voor risicogebaseerde herijking zonder leveringszekerheid te schaden?2
Stabiliteits- en veiligheidsmarges hebben betrekking op het aanhouden van reservecapaciteit. TenneT is wettelijk verplicht om voor het hoogspanningsnet extra componenten aan te leggen (de zogenaamde «vluchtstrook» of reservecapaciteit) zodat stroom beschikbaar blijft tijdens onderhoud of een storing. Uitval op het TenneT-net kan namelijk uitval voor een hele provincie betekenen. Door de grote uitbreidingsopgave van het net zal de gereserveerde ruimte voor onderhoud ook de komende jaren hard nodig zijn. Het Ministerie van KGG onderzoekt samen met de ACM en de netbeheerders de mogelijkheden om het elektriciteitsnet zwaarder te belasten. Hierbij wordt ook geanalyseerd hoeveel procent van het net momenteel gebruikt wordt. Het onderzoek verkent ook de mogelijkheden rondom het nemen van meer risico en mogelijke beleidsopties rondom het zwaarder belasten van het net. Het onderzoek zal eind maart bij de komende voortgangsrapportage worden gedeeld met de Kamer. Hierbij wordt ook gekeken naar de daadwerkelijke gemiddelde benutting van het net. Of dit daadwerkelijk 30% is, is nog niet bekend. Een gemiddelde benutting zegt overigens weinig over de daadwerkelijke benutting in een specifiek gebied. Dit is immers sterk afhankelijk van de specifieke situatie, veiligheidseisen en bijvoorbeeld hoe groot de verwachte groei achter de meter is tot het moment van uitbreiding.
Veiligheidsmarges hebben ook betrekking op de wijze waarop netbeheerders omgaan met de verwachte elektriciteitsvraag. Deze prognoses zijn van belang bij het bepalen of er netcongestie kan optreden. Dit betreft bijvoorbeeld de verwachte toename van de elektriciteitsvraag bij bestaande aansluitingen. Daarbij zijn de voorspellingen en onzekerheden rondom deze groei cruciaal. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders, de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net. Het verbeteren van de prognoses maakt hier onderdeel van uit. De Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Hoeveel «Zeeland-achtige» flexibiliteitsdeals (zoals TenneT-Air Liquide) zijn sinds 2024 gesloten, en welke juridische/financiële/ACM-belemmeringen remmen opschaling?
TenneT heeft nog één andere vergelijkbare afspraak gesloten.6 In beide gevallen werd (een deel van) reeds toegekende vaste («firm») capaciteit omgezet naar een tijdsduurgebonden contract (TDTR). Hierbij kan TenneT het transportrecht maximaal 15% van het aantal uren in het jaar beperken en krijgt het bedrijf een korting op de nettarieven. In beide gevallen was er sprake van specifieke omstandigheden: het bedrijf was bereid reeds toegekende firm capaciteit om te zetten naar flexibele capaciteit en er was genoeg capaciteit beschikbaar op de rustige momenten om de aanvraag in te kunnen passen. De vrijgekomen transportcapaciteit kon vervolgens worden uitgegeven aan partijen op de wachtrij. Deze nieuwe contractvorm is mogelijk sinds 2024.
Naast deze twee zijn er sindsdien nog negentien andere TDTR-contracten gesloten. Dit betreft partijen op de wachtrij die met dit contract (flexibel) konden worden aangesloten, zonder effect op andere partijen op de wachtrij. Flexibiliteit via alternatieve transportrechten zoals de TDTR is vooral aantrekkelijk voor een bedrijf als oplossing om, ondanks de wachtrij, toch (flexibele) transportcapaciteit te kunnen krijgen.
Ruimte voor nieuwe of zwaardere aansluitingen wordt wel gerealiseerd met congestiemanagementproducten (capaciteitssturingscontract en redispatch). Hierbij passen bestaande grote netgebruikers, tegen vergoeding, hun elektriciteitsbehoefte aan wanneer het net overbelast dreigt te raken. Dit maakt het voor de netbeheerder mogelijk om extra aan te sluiten. Bij de volgende voortgangsrapportage in maart wordt het aantal in 2025 afgesloten congestiemanagementcontracten bij de landelijke en regionale netbeheerders gepubliceerd.
In de laatste brief over de voortgang aanpak netcongestie7 zijn de knelpunten benoemd die grootschalige uitrol van alternatieve transportcontracten in de weg staan. Netbeheerders moeten ervaring opdoen met het aan de man brengen van deze nieuwe producten. Zij moeten daarvoor meer transparantie bieden in waar welke flexibiliteit nodig is. Marktpartijen moeten worden bewogen om flexibeler met gebruik en invoeding van elektriciteit om te gaan. Het kabinet werkt samen met de netbeheerders, de ACM en het bedrijfsleven aan een doorbraakaanpak voor betere benutting van het net. Oplossingen om deze knelpunten te doorbreken maken hier onderdeel van uit. De Kamer wordt binnenkort geïnformeerd over de uitkomsten van deze doorbraakaanpak.
Erkent u dat regionale afstemming over locaties voor energieprojecten tot 10 jaar kan duren en dat dit samenhangt met te weinig ruimtelijke regie op elektriciteitsinfrastructuur? Welke maximale doorlooptijden gaat u hanteren voor locatiekeuze en vergunningen voor netprojecten?3
Het kabinet herkent de duur van 10 jaar voor het gehele realisatieproces van energie-infrastructuurprojecten. Dit omvat meer dan alleen afstemming over locaties. Hierin zit ook technische verkenning, milieu-effectonderzoeken, vergunningverlening volgend op het locatiebesluit, bezwaar- en beroepsprocedures, en de bouw van het project. Het kabinet werkt aan het verkorten van deze totale doorlooptijd, zoals aangegeven in de Kamerbrief «sneller uitbreiden elektriciteitsnet» van 25 april 20259. Onderdeel hiervan is het wetgevingsprogramma netcongestie. Per 1 januari 2026 geldt bijvoorbeeld een standaard gedoogplicht voor onderzoekswerkzaamheden waardoor de voorbereidingen tot locatiekeuze minder vertraging kunnen oplopen.
Het uitgangspunt blijft een zorgvuldig doorlopen proces. Voor vergunningverlening en bezwaar- en beroepsprocedures bestaan vrij scherpe maximale termijnen. Daarom wordt onderzocht hoe processtappen simultaan kunnen verlopen en zo efficiënt mogelijk ingericht om de doorlooptijd te minimaliseren. Met de wettelijke maatregel «Versnelde beroepsprocedure voor elektriciteitsprojecten vanaf 21kV» die uiterlijk begin 2027 in werking treedt, worden stappen in de beroepsprocedure overgeslagen met mogelijk 1,5 jaar verkorting van doorlooptijden. Uiteindelijke inwerkingtreding is afhankelijk van de grondslag in de Wet Regie Volkshuisvesting die momenteel voor behandeling in de Eerste Kamer ligt.
Het kabinet werkt ook aan versnelling van de locatiekeuze binnen de projectprocedure. Een groot deel van deze procedure is door (Europese) wetgeving verplicht, het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om binnen deze kaders te versnellen. De doorlooptijd van dit proces kan één of meerdere jaren duren. In verband met de complexiteit en beslag op de ruimte kan dit proces sneller bij 110/150kV projecten dan 220/380kV. Het kabinet werkt aan versnelling met afspraken over het trechteren van locaties. Met steun van gemeenten en provincies kaderen we het afwegen van alternatieve locaties en de inrichting van een zo snel mogelijke én zorgvuldige procedure. Om de ruimtelijke regie verder te versterken wordt er aan de hand van de projectenaanpak ook gewerkt aan het sneller aanwijzen van bevoegd gezag. KGG faciliteert deze snellere aanwijzing door in een vroeg stadium gesprekken te organiseren tussen TenneT en decentrale overheden. Met deze beleidsmatige en wettelijke stappen voorkomen we te lange procedures, versnelt tussentijdse besluitvorming en kan het Rijk ingrijpen bij impasses.
Ook het formatierapport «Routes naar realisatie: keuzes voor het klimaat en de energietransitie»10 gaat in op knelpunten t.a.v. de lange doorlooptijden van energieprojecten en brengt beleidsopties in kaart, zoals proactieve ruimtelijke sturing via actief grondbeleid.
Kunt u bevestigen dat elektriciteitskosten in Nederland 20–50% hoger liggen dan buurlanden en dat industriële elektriciteitsprijzen tot de helft hoger kunnen zijn? Welke maatregelen neemt u om prijspariteit met België en Duitsland te bereiken en op welke termijn?4
In 2024 en 2025 heeft het kabinet onderzoek laten uitvoeren naar de elektriciteitskosten in Nederland ten opzichte van buurlanden. Hieruit blijkt inderdaad dat de elektriciteitskosten voor industriële grootverbruikers in Nederland fors hoger liggen. In de Kamerbrieven van 25 april 202512 en 16 september 202513 is de Kamer over verschillende maatregelen geïnformeerd die het kabinet op nationaal niveau neemt om de energierekening voor bedrijven en consumenten te verlagen. Zo is de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) verlengd tot en met 2028 en werkt het kabinet opties uit om de nettarieven te verlagen, gericht op besluitvorming door een nieuw kabinet.
Deelt u de inschatting dat nettarieven richting 2040 meer dan verdubbelen bij ~5% groei per jaar? Hoeveel komt hiervan neer bij huishoudens, MKB en industrie, en welke dempingsopties onderzoekt u?5
De elektriciteitsnettarieven kunnen bij ongewijzigd beleid inderdaad meer dan verdubbelen. Het kabinet heeft dit in de kabinetsreactie op het IBO-rapport Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur eveneens aangegeven.15 De geraamde stijging richting 2040 is echter met aanzienlijke onzekerheden omgeven. In de kabinetsreactie op het IBO heeft het kabinet meerdere opties geschetst om de kosten van netbeheerders, en daarmee de tarieven van aangeslotenen, te dempen. Deze opties zijn onder meer energiebesparing, het flexibiliseren van het netgebruik door aangeslotenen, het beter benutten en zwaarder belasten van de netten, locatiesturing en het maken van andere keuzes voor het toekomstig energiesysteem. Zie in onderstaande figuur de verdeling van de groei van de netkosten per categorie aangeslotenen.
Ook het anders verdelen van de kosten in de tijd in de vorm van een zogenoemde amortisatierekening is onderzocht. Hierbij wordt een deel van de kosten doorgeschoven naar toekomstige gebruikers. Op Prinsjesdag heeft het kabinet moeten concluderen dat de rationale en juridische mogelijkheid hiervoor ontbreekt.16 In dezelfde brief geeft het kabinet aan dat ook een eventuele subsidie aan TenneT tot de mogelijkheid behoort om de netkosten te dempen. Een dergelijke maatregel heeft significante en langjarige budgettaire consequenties, zoals ook blijkt uit het formatierapport «Routes naar Realisatie»17. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Bent u bereid de optie uit te werken om de energiebelasting op elektriciteit voor grootverbruik richting het EU-minimum te brengen?
Het kabinet onderschrijft het belang van concurrerende energieprijzen en een gelijk speelveld voor de industrie. Het verlagen van de energiebelasting op elektriciteit kan hieraan bijdragen, zoals ook beschreven in het in het vorige antwoord genoemde rapport Routes naar Realisatie. Het belang van een dergelijke belastingverlaging voor de industrie zal moeten worden afgewogen tegen de doelstellingen van de energiebelasting, namelijk het genereren van overheidsinkomsten en het stimuleren van energiebesparing. Daarbij is ook relevant dat een verlaging van de energiebelasting op elektriciteit slechts een beperkt effect zou hebben op de elektriciteitskosten van grote industriële bedrijven, doordat net- en elektriciteitstarieven een groter onderdeel vormen van de energiekosten, en doordat een deel van de industrie al is vrijgesteld van energiebelasting. Besluitvorming hierover is aan een nieuw kabinet.
Welke nationale koppen bovenop Europees beleid dragen volgens u aantoonbaar bij aan concurrentienadeel, en welke koppen heroverweegt u in het licht van investeringszekerheid en industriebehoud?6
Er zijn diverse factoren die bijdragen aan concurrentienadeel. Dat kunnen nationale koppen zijn, zoals de CO2-heffing voor de industrie, maar ook een hoger tarief in de energiebelasting of het feit dat in Nederland de volumecorrectieregeling (VCR) – conform EU-regels – is afgeschaft terwijl andere landen deze nog steeds hanteren. Een uitgebreid overzicht van factoren die invloed hebben op het concurrentievermogen is te vinden in de Speelveldtoets19. Daaruit blijkt dat de hoge elektriciteitskosten in vergelijking met buurlanden één van de belangrijkste factoren zijn. Het kabinet probeert dit speelveld gelijker te trekken door onder andere de indirecte kostencompensatie ETS (IKC-ETS) te verlengen. Met het pakket voor Groene Groei20 heeft het kabinet eerder al ingezet op het herstellen van het gelijk speelveld en verbeteren van het concurrentievermogen door het effectief buiten werking stellen van de CO2-heffing en niet invoeren van de plasticsheffing. Tegelijkertijd heeft Nederland relatief veel subsidies voor de industriesector ten opzichte van buurlanden21 en zijn er andere factoren die een positief effect op de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie hebben zoals opgebouwde expertise, logistieke hubs, goede infrastructuur en een hoog opgeleide bevolking.
Deelt u dat netcongestie een belangrijk obstakel is voor AI-proposities en dat hyperscale-datacenters door beleid feitelijk in 340 van 342 gemeenten niet mogelijk zijn?7
Het kabinet erkent dat netcongestie een belangrijk obstakel is. Voldoende datacentercapaciteit is randvoorwaardelijk voor het realiseren van de Nederlandse AI-ambities. Wachtlijsten voor aansluitingen en bouwstops belemmeren de groei van deze sector. Het recente advies van Peter Wennink benadrukt terecht de urgentie om netcongestie aan te pakken via betere netbenutting, flexibiliteit, prioritering en publiek-private samenwerking.
In 2023 is in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 5.1.7.7) een instructieregel opgenomen waaruit volgt dat de bouw van hyperscale datacenters – met een vermogen van meer dan 70 MW en een ruimtebeslag van meer dan 10 hectare – op dit moment inderdaad feitelijk in slechts twee gemeenten mogelijk is. Dit beleid voorziet in landelijke regie op deze zeer grootschalige faciliteiten vanwege hun impact op leefomgeving, energievoorziening en infrastructuur, en is daarmee niet toe te schrijven aan netcongestie. Er bestaan geen landelijke restricties voor vestiging van datacenters onder de drempelwaardes van hyperscale datacenters uit deze AMvB. Grote datacenters kunnen worden gebouwd zolang zij niet tegelijk aan beide criteria voldoen. De besluitvorming hierover is een bevoegdheid van gemeenten en provincies. Zij bepalen of, en onder welke voorwaarden zij datacenters op hun grondgebied toestaan.
Datacenters die onder de criteria van deze AMvB ontwikkeld mogen worden kunnen evengoed een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling van AI-capaciteit en digitale infrastructuur.
Gezien het projectvoorstel «AI Gigafabriek» >100.000 GPU’s en 250–750 MW IT-capaciteit noemt, welke harde randvoorwaarden stelt het kabinet aan netinpassing, flexibiliteit en restwarmte zodat dit niet tot extra congestie leidt?
De precieze grootte van de omvang van een AI-gigafabriek staat niet vast en kan verschillen per projectvoorstel. AI-infrastructuur vormt de fundering onder moderne AI-modellen en -toepassingen. Het kabinet verwelkomt daarom AI-infrastructuur initiatieven en investeringen waar zij positief bijdragen aan een evenwichtige ontwikkeling van het nationale en Europese AI-ecosysteem.
Dit kunnen volledig private AI-infrastructuur projecten zijn.
Met betrekking tot het specifieke publiek-private Europese AI-gigafabrieken initiatief heeft het kabinet nog geen definitieve besluitvorming afgerond of formele keuze gemaakt om mee te financieren aan een AI-gigafabriek binnen de EuroHPC call voor AI-gigafabrieken die nog opengesteld moet worden.23 De precieze randvoorwaarden voor ondersteuning en co-financiering van een AI-gigafabriek worden op dit moment nog uitgewerkt door de Europese Commissie en zullen bij openstelling van de call bekend zijn. Wel is in de amendering van de EuroHPC-verordening al benadrukt dat voor AI-gigafabrieken energie-efficiëntie en duurzaamheid deel zullen uitmaken van de criteria die de Commissie wil meenemen in het selectieproces.
Het bericht ‘Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse kerncentrales’ |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kabinet negeert alarmbellen rond nieuwe Zeeuwse kerncentrales»?1
Ja.
Klopt het dat op uw ministerie al sinds 2024 meerdere rapporten bekend zijn (onder meer van Deltares, Arcadis en de Commissie voor de milieueffectrapportage) waarin wordt gewezen op mogelijke ecologische en juridische risico’s bij de waterkoeling van kerncentrales in de Westerschelde?
Kunt u bevestigen dat deze rapporten reeds beschikbaar waren vóór het versturen van uw voortgangsbrief van mei 2025 aan de Kamer? Zo ja, waarom zijn deze koelwaterwaarschuwingen toen niet met de Kamer gedeeld?
Kunt u toelichten op welke wijze deze rapporten zijn meegenomen in het huidige locatieonderzoek voor nieuwe kerncentrales?
Hoe beoordeelt u de conclusie van Deltares dat de Westerschelde tijdens de levensduur van de geplande kerncentrales structureel te warm kan worden om als koelwaterbron te dienen zonder schending van Europese regelgeving?
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van opwarming van het koelwater in de Westerschelde op de ecologische toestand van het Natura 2000-gebied en op de bedrijfsvoering van de geplande kerncentrales?
Herkent u het beeld dat er al sprake is van regelmatige onderwaterhittegolven in de Westerschelde? Wat betekent dit voor de toekomstige bedrijfszekerheid van nieuwe kerncentrales in Borssele of Terneuzen?
Kunt u uitsluiten dat de geplande kerncentrales incidenteel of structureel moeten worden stilgelegd wegens te warm koelwater, zoals reeds gebeurt bij Franse kerncentrales tijdens warmteperiodes?
Klopt het dat de provincie Zeeland in de «Borselse voorwaarden» heeft vastgelegd dat er geen koeltorens mogen komen, waardoor waterkoeling de enige resterende optie lijkt?
In de provinciale voorwaarden wordt aangegeven dat een koeltoren veel impact heeft op de lokale leefbaarheid en het landschap. De provincie Zeeland wil daarom geen koeltorens. De signalen rondom koelwater betekenen niet automatisch dat er koeltorens nodig zijn zoals bijvoorbeeld bij de kerncentrale Doel in België. Er zijn ook andere mitigerende maatregelen mogelijk. Bijvoorbeeld tijdelijke stilstand, het plannen van onderhoudsvensters of andere vormen van (bij)koeling. In het huidige locatieonderzoek worden dit soort maatregelen verkend om te zien in hoeverre deze voor de diverse onderzoekslocaties aan de orde zouden kunnen zijn.
Kunt u aangeven wat de meerkosten zouden zijn van kerncentrales met koeltorens ten opzichte van waterkoeling, mede gezien de bevindingen van de International Atomic Energy Agency (IAEA) dat koeltorens vier tot vijf keer duurder zijn?
Ongeacht de koelwateroplossing zijn de kosten hiervan sterk afhankelijk van de daadwerkelijke locatie. Zowel de bodem, de afstand tot de kust, of het een open of gesloten water toe- en uitvoer is, zijn dusdanig bepalend voor de kosten van het koelwatersysteem als geheel, dat daar nu nog niet op vooruit gelopen kan worden. Na de locatiekeuze en de techniekkeuze zal een ontwerp gemaakt worden voor het koelwatersysteem, op basis waarvan een kosteninschatting gemaakt kan worden.
Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de financiële en juridische risico’s van beide koelingsopties (directe waterkoeling versus koeltorens) alvorens verdere besluiten worden genomen over de oprichting van het staatsbedrijf NEO NL en de locatiekeuze?
Vanzelfsprekend houdt het kabinet de Kamer van de risico’s op de hoogte via de reguliere voortgangsbrieven. De financiële risico's van koelwateroplossingen zijn sterk afhankelijk van de locatiekeuze. Daarom zal eerst tot een locatie moeten worden gekomen, voordat de koelwateroplossing ontworpen kan worden en daarmee de financiële en juridische risico’s in beeld gebracht. Het gebruik van koeltorens of van doorstroomkoeling kent op zichzelf geen juridische risico’s maar moet gezien worden als een technische uitdaging met impact op aspecten zoals landschap, milieu, investeringskosten en bedrijfseconomie. Daarbij moet voldaan worden aan Nederlandse wet- en regelgeving. Het ontwerp van de koelwateroplossing wordt pas na de locatiekeuze bepaald, waarbij vooralsnog wordt uitgegaan van doorstroomkoeling tenzij dit niet kan vanwege bijvoorbeeld ecologische beperkingen. Dit wordt in de planMER beoordeeld. De oprichting van NEO NL is voorzien in Q1 2026 parallel aan de plan MER en Integrale Effectenanalyse (IEA). De (voorbereiding van de) locatiekeuze is een van de taken die niet wordt overgedragen naar NEO NL bij de verzelfstandiging. Zoals gesteld wordt de Kamer na de zomer op de hoogte gebracht van de locatiekeuze en worden de onderzoeken die deze keuze onderbouwen gepubliceerd.
Hoe verhoudt de inzet op Zeeland zich tot de verplichting onder artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water om verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, zeker gezien de huidige chemische belasting van de Westerschelde?
In de planMER wordt voor alle locaties onderzocht in hoeverre de thermische en chemische lozingen van de kerncentrales de waterkwaliteit beïnvloeden. Hierbij wordt het Toetsingskader Waterkwaliteit gehanteerd waarin de Kaderrichtlijn is uitgewerkt. De techniekleveranciers zullen gedurende het inkoopproces een ontwerp voorstellen voor de door het kabinet aangewezen locatie, rekening houdend met deze randvoorwaarden. De uiteindelijke beoordeling of het ontwerp voldoet aan de Nederlandse wet- en regelgeving vindt vervolgens plaats bij de vergunningaanvraag.
Hoe zorgt u ervoor dat de Kamer volledig geïnformeerd wordt over de ecologische, juridische en financiële risico’s in het besluitvormingsproces over de kerncentrales?
Zodra alle onderzoeken zijn afgerond zal de Kamer een totaalbeeld per locatie ontvangen. In dat beeld zullen effecten en risico’s van juridische, financiële en ecologische aard worden meegenomen. Dit moment is voorzien direct na de zomer van 2026. Op dat moment zal de ontwerp Voorkeursbeslissing samen met de Integrale Effectenanalyse en planMER ter inzage worden gelegd. Als de wettelijke adviezen en de binnengekomen reacties zijn verwerkt, wordt de Voorkeursbeslissing definitief. Ook hier wordt de Kamer over geïnformeerd door middel van de voortgangsbrieven die periodiek verzonden worden. Hierna zal de planuitwerkingsfase starten waarvoor een project-MER zal worden opgesteld. Dit nieuwe onderzoek naar de effecten op het milieu en de leefomgeving zal meer detail hebben dan de planMER. Deze project-MER zal de vergunningaanvragen en het uiteindelijke Projectbesluit onderbouwen.
Kunt u toezeggen dat er geen onomkeerbare stappen worden gezet in de voorbereiding van de nieuwe kerncentrales (zoals de oprichting of kapitalisatie van NEO NL), voordat de Kamer volledig inzicht heeft gekregen in de koelwaterproblematiek en de ecologische haalbaarheid van de locaties in Zeeland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beoogt bij de vormgeving van de verschillende werksporen snelheid te behouden én de beperking van risico's in acht te nemen. In de Kamerbrief van 17 oktober jl.8 is op pagina 9 de routekaart te zien met de verschillende trajecten. De oprichting van NEO NL is voorzien in Q1 2026 parallel aan de plan MER en Integrale Effectenanalyse (IEA) waarin de effecten van de verschillende locaties in beeld worden gebracht. In de ontwerpVoorkeursbeslissing zal het Kabinet de voorkeurslocatie beschrijven en motiveren. Deze wordt naar verwachting direct na de zomer van 2026 gepubliceerd. Na het verwerken van adviezen en reacties wordt de Voorkeursbeslissing definitief vastgesteld.
De techniekleveranciers zullen gedurende het inkoopproces een ontwerp voorstellen voor de door het kabinet aangewezen locatie. Deze ontwerpen zullen van elkaar verschillen. Na de keuze voor de uiteindelijke techniekleverancier zal een definitief ontwerp gemaakt worden. Met het definitieve ontwerp kunnen de volledige ecologische effecten in kaart worden gebracht door middel van een project-MER. Het kabinet werkt tegelijkertijd aan meerdere parallelle werksporen, waarmee de gewenste snelheid wordt behouden en tegelijk de risico's in acht worden genomen door de verschillende trajecten te laten interacteren.
Conform de motie van het lid de Groot (31 239-438) zal in de eerstvolgende nieuwbouwbrief begin volgend jaar teruggekomen worden op het behouden van de snelheid die gewenst is in dit project. Het kabinet blijft stappen zetten maar neemt geen besluiten met potentiële ecologische of financiële effecten zonder daarover de Tweede Kamer voorafgaand te informeren.
Het verwijderen van het dorp Moerdijk ten behoeve van de energietransitie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD), Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel over het opheffen van het dorp Moerdijk?1
Ja, dit artikel is bekend.
Deelt u de zorgen van onder andere bewoners dat het opheffen van dit (eeuwenoude) dorp een buitengewoon ingrijpende maatregel is?
Het kabinet erkent dat de impact van alle ontwikkelingen op ondernemers en inwoners van zowel het dorp Moerdijk, inwoners van het buitengebied én van andere dorpskernen, zeer groot is.
Acht u het wenselijk dat (eeuwenoude) dorpen in Nederland verdwijnen om ruimte te maken voor de energietransitie?
Het opheffen van een dorp of dorpskern is een hele zware keuze. Dit kan alleen indien uit een integrale afweging blijkt dat er geen redelijke alternatieven zijn en voldoende compenserende maatregelen genomen worden. Tegelijkertijd is Nederland vol en zijn de opgaven groot. Om ook voor de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan een groeiende economie en bevolking, is uitbreiding van het energienet en bedrijvigheid noodzakelijk. Dat is nodig om woningen en bedrijven van stroom te kunnen voorzien. Daarbij is in de Powerport regio Moerdijk ruimte nodig voor de verduurzaming en het circulair maken van de industrie. Er zullen moeilijke keuzes gemaakt moeten worden, waarbij lokale, regionale en landelijke belangen met elkaar afgewogen worden. Soms betekent dit dat bepaalde functies zullen verdwijnen om plaats te maken voor andere. Het opheffen van een dorp of dorpskern is daarbij een heel zwaar besluit dat niet vaak genomen zal worden.
Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt, kunt u aangeven hoe vaak dit naar verwachting nog zal voorkomen?
Dit is een unieke situatie. Er zijn nu geen soortgelijke situaties voorzien.
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, welke stappen onderneemt u om te voorkomen dat dit gestelde precedent navolging krijgt in de toekomst?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe verhoudt het verwijderen van een dorp zich tot het huidige kabinetsbeleid dat inzet op leefbare woonomgevingen, het behoud van gemeenschappen, het oplossen van de wooncrisis en het behoud van erfgoed?
De inzet op een leefbare woonomgeving en behoud van gemeenschappen is het uitgangspunt. Uit de technische analyse2 en het participatieproces3 is gebleken dat er voor de uitbreiding van de Powerport regio Moerdijk geen alternatief is waarbij de leefbaarheid in het dorp Moerdijk niet aangetast wordt en het voortbestaan op lange termijn gegarandeerd is. Het kabinet kijkt met de provincie en gemeente naar het herhuisvesten van de inwoners van dorp Moerdijk, mocht besloten worden dat er geen toekomst is voor het dorp.
Deelt u de mening dat het verwijderen van een dorp in strijd is met het eigendomsrecht?
Het eigendomsrecht is het meest omvattende recht op een zaak, maar het is geen absoluut recht. Dat betekent dat inbreuk op het eigendomsrecht kan worden gemaakt, maar alleen onder strikte voorwaarden. Dat kan alleen door de overheid en als aan wettelijke eisen is voldaan. Het gedwongen ontnemen van eigendomsrechten op onroerende zaken (bijvoorbeeld woningen) heet onteigening. Onteigening kan alleen plaatsvinden in het algemeen belang en tegen een volledige schadeloosstelling. Daarnaast verloopt een onteigening via een zeer zorgvuldig proces, waarbij volledige rechtsbescherming is geborgd. Voorafgaand aan een onteigening moet altijd worden geprobeerd om de onroerende zaken minnelijk – dus met overeenstemming via een koop- of ruilovereenkomst – te verwerven. Bij minnelijke verwerving wordt geen inbreuk op het eigendomsrecht gemaakt.
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom is het verwijderen van een dorp volgens u niet in strijd met het eigendomsrecht?
Zie het antwoord op vraag 7.
Vindt u dat de energietransitie zo ver mag gaan dat dorpen verwijderd mogen worden?
Zie het antwoord op vraag 3.
Erkent u de dat bewoners in de praktijk geen mogelijkheden hebben om zo’n besluit te voorkomen, terwijl het gaat over het verlies van hun woonplaats en gemeenschap?
Op dit moment betreft het bestuurlijke keuzes waarop bewoners geen directe mogelijkheid hebben tot bezwaar en beroep. De inzet van de gemeente is vastgesteld in de gemeenteraad. Hierbij hebben inwoners en ondernemers de mogelijkheid gehad tot inspreken. Voordat een definitief besluit wordt genomen over waar de ontwikkelingen (energietransitie, verduurzaming en circulair maken van industrie) binnen Powerport regio Moerdijk plaats moeten vinden, zal een planologische procedure doorlopen worden waarbij belanghebbenden, dus ook inwoners en ondernemers in Moerdijk, de mogelijkheid hebben om in bezwaar en beroep te gaan.
Er is tot nu toe een zorgvuldig participatieproces doorlopen. Waarbij er in aanloop naar het voorgenomen besluit van 1 december 2025, vanuit de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk meerdere participatiebijeenkomsten georganiseerd. Inwoners, agrariërs, bedrijven en het Havenbedrijf konden aangeven wat voor hen belangrijk is (hun randvoorwaarden en condities). Ook in de volgende fase dient participatie een goede plek te krijgen. Bij de uitwerking van randvoorwaarden en condities zal ruimte zijn om input van individuele inwoners, agrariërs en bedrijven te betrekken. Op welke manier dit gaat gebeuren wordt uitgewerkt in het plan van aanpak voor het vervolgproces.
Bent u van mening dat het democratisch onwenselijk is dat een gemeentebestuur – in samenwerking met provincie en Rijk – zulke beslissingen kan nemen zonder bindende inspraak, zoals een referendum, onder de bewoners?
Nee, formele inspraak van inwoners geschiedt via de gemeenteraad volgens de wettelijke democratische procedures. Daarnaast is er ook voor gekozen om, zoals hierboven reeds aangegeven, bewoners op verschillende manieren uitvoerig te betrekken in het participatieproces. Bovendien hebben het Kabinet en de regio afgesproken dat participatie ook in de volgende fase een goede plek verdient. Op welke manier dit gaat gebeuren wordt uitgewerkt in het plan van aanpak voor het vervolgproces.
Vindt u het in het algemeen belang om (eeuwenoude) dorpen te verwijderen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien het antwoord op vraag 12 bevestigend luidt, waarom is dit in het algemeen belang?
Zie het antwoord op vraag 3.
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, deelt u de mening idat het in het algemeen belang is om historie, cultuur en erfgoed te beschermen en zodoende te staan voor het behoud van een (eeuwenoud) dorp?
Zie het antwoord op vraag 3.
Welke criteria zijn gehanteerd door het gemeentebestuur in samenwerking met het Rijk om te bepalen dat het verwijderen van het dorp Moerdijk noodzakelijk is?
Het gemeentebestuur heeft een eigen afweging gemaakt, ter voorbereiding van het Bestuurlijk Overleg Powerport regio Moerdijk dat op 1 december 2025 heeft plaatsgevonden. Het kabinet en de regio hebben op 11 juni 2025 de afspraak gemaakt om op 1 december 2025 een voorkeur uit te spreken voor de ontwikkelrichting in Moerdijk. De stukken van de gemeente ter onderbouwing van het raadsbesluit staan op de website van de gemeente Moerdijk4.
In hoeverre is er sprake van een systematisch onderzoek waarin alternatieve locaties voor nieuwe energie-infrastructuur met elkaar zijn vergeleken?
Voordat een definitief besluit wordt genomen over waar de ontwikkelingen plaats moeten vinden, zal een planologische procedure doorlopen worden. Daarbij zullen belanghebbenden, dus ook inwoners en ondernemers in Moerdijk, de mogelijkheid hebben om in bezwaar en beroep te gaan. In deze planologische procedure zal nader onderzoek plaatsvinden naar verschillende alternatieve locaties om de benodigde ruimte voor energie-infrastructuur, verduurzaming en circulair maken van industrie te faciliteren.
In het Programma Energiehoofdstructuur5 (PEH) is eerder in kaart gebracht hoeveel ruimte nodig is voor energie-infrastructuur in Nederland richting 2050. De toekomstige ruimtebehoefte concentreert zich vooral in en rondom industrieclusters, waaronder Moerdijk. In de ontwerp-Nota Ruimte6 staat het belang van het samenbrengen van vraag en aanbod van energie en grondstoffen. Dit kan betekenen dat op sommige plekken de ruimtevraag of de impact op de ruimte en leefomgeving hoger wordt, om de druk op de leefomgeving op andere plekken te beperken.
In hoeverre en op welke manier zijn bewoners van het dorp Moerdijk bij dit besluit betrokken geweest?
In aanloop naar het voorgenomen besluit van 1 december 2025, zijn er vanuit de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk meerdere participatiebijeenkomsten georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten zijn inwoners geïnformeerd over Powerport regio Moerdijk en beide zoekrichtingen. Inwoners, agrariërs, bedrijven en het Havenbedrijf konden aangeven wat voor hen belangrijk is (hun randvoorwaarden en condities). Er is gesproken met inwoners welke gevolgen de twee zoekrichtingen hebben voor hen en wat er voor hen geregeld moet worden mocht één van de zoekrichtingen daadwerkelijk worden gekozen. De gesprekken hebben plaatsgevonden met inwoners en ondernemers in beide zoekrichtingen: Zevenbergschen Hoek (24 september 2025), het buitengebied (25 september 2025), Moerdijk (1 oktober 2025), Zevenbergen (2 oktober 2025) en Klundert (6 oktober 2025). Voor deze brede bijeenkomsten zijn alle inwoners uitgenodigd. De uitkomst van de participatie is te lezen op de website van de gemeente7. De inhoud is geverifieerd met verschillende vertegenwoordigingen van inwoners, voordat deze is meegenomen als input voor het besluit van 1 december 2025.
Er is tot nu toe een zorgvuldig participatieproces doorlopen. Ook in de volgende fase dient participatie een goede plek te krijgen. Bij de uitwerking van randvoorwaarden en condities zal ruimte zijn om input van individuele inwoners, agrariërs en bedrijven te betrekken. Op welke manier dit gaat gebeuren wordt uitgewerkt in het plan van aanpak voor het vervolgproces.
Welke wettelijke grondslag is er voor het verwijderen van het dorp en hoe zal dit eruit komen te zien in de praktijk?
De overheid kan met de Omgevingswet een ruimtelijke keuze maken en een andere functie toedelen aan een gebied of een locatie. Als deze functie concreet is uitgewerkt in een omgevingsplan, projectbesluit of in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geeft dit de overheid, indien nodig, een zogenaamd onteigeningsbelang dat op grond van de Omgevingswet nodig is voor onteigening. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 7.
Indien tot verwijdering van het dorp wordt overgegaan, hoe worden de 1100 bewoners dan concreet gecompenseerd en wordt hierin (im)materiële schade door ontheemding meegenomen, denk aan psychische belasting, verlies van gemeenschap, voorzieningenverlies en de effecten op het woon-werkverkeer?
Het kabinet en de regio erkennen dat de impact voor bewoners groot is en duidelijkheid en inwonersperspectief op korte termijn nodig is. Daarom zorgen het kabinet en de regio ervoor dat, parallel aan het gebiedsplan, een rechtvaardig en menselijk pakket van randvoorwaarden wordt uitgewerkt en tijdig geëffectueerd wordt voor inwoners en bedrijven in het gebied van de ontwikkelrichting. Er wordt daarin meegenomen dat blijven moet lonen om zo de leefbaarheid in het dorp te behouden, maar dat er wel de mogelijkheid moet zijn om te kunnen vertrekken.
Het kabinet en de regio hebben op 1 december 2025 afgesproken om gezamenlijk een pakket van randvoorwaarden uit te zoeken, gegeven de forse impact van de besluitvorming op bewoners (kopers en huurders), ondernemers en de structurele (sociale) leefbaarheid en brede welvaart in de omgeving. Dit wordt onderdeel van het principebesluit over de voorkeur van de ontwikkelrichting in juni 2026 en de vaststelling van het nog op te stellen gebiedsplan.
In 2026 zal daarnaast een analyse gestart worden naar de emotionele en sociale impact van de keuze voor een van de ontwikkelrichtingen. De uitkomst van deze analyse vormt één van de bouwstenen voor de nog op te stellen transitiestrategie.
Hoe wordt er – nota bene tijdens een wooncrisis – gezorgd voor een nieuwe, passende woonruimte voor 1.100 bewoners?
Hierover gaat het kabinet in overleg met betrokken gemeenten en provincie. Daarbij zou een besluit over dat het dorp moet verdwijnen niet betekenen dat het dorp in één keer weg moet. De eerste werkzaamheden voor energieprojecten vinden plaats rond 2030, de uitbreiding van het haven- en industriecluster begint naar verwachting pas na 2035.
Zijn er plannen om in de toekomst andere woongebieden te verwijderen ten behoeve van de energietransitie?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, kunt u aangeven om welke plannen dit gaat?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid te onderzoeken of – samen met provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk – alternatieven ontwikkeld kunnen worden die het behoud van het dorp Moerdijk waarborgen?
Voorafgaand aan het participatieproces zijn alle denkbare alternatieven gewogen, waarbij alleen de oostelijke en zuidoostelijke richting als reële alternatieven voor de ontwikkelrichting van haven- en industriecluster Moerdijk overbleven. Andere alternatieven zullen niet opnieuw onderzocht worden.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja, de vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord.
De kleinste gasvoorraad in jaren |
|
André Flach (SGP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat Nederland nu de kleinste gasvoorraad heeft in jaren, dat de Europese vuldoelstelling voor 1 november 2025 net niet is gehaald en dat ook de nationale vuldoelstelling van 80% nog niet is gehaald1?
Ja.
Hoe waardeert u deze vulgraad?
In de brief van 13 november jl. heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de actuele vulgraden en duiding daarvan.2 In deze brief is toegelicht dat de aanvoer van gas naar Europa en Nederland stabiel is en de prijzen op de groothandelsmarkt al langere tijd relatief laag en stabiel zijn. Op peildatum 1 november waren de gasopslagen voor een groot deel gevuld, maar lag de vulgraad net onder de EU-vulverplichting voor Nederland en het nationale vuldoel. Deze ontwikkeling was niet alleen zichtbaar in Nederland, maar ook in andere Europese lidstaten. Daarbij geldt dat het beeld ten aanzien van de gasopslagen in Nederland positiever is dan in sommige andere Europese landen, omdat in Nederland naar verhouding een groter deel van het jaarlijks verbruik is opgeslagen. Op basis van de huidige inzichten zijn er op dit moment geen zorgen ten aanzien van de leveringszekerheid. Uiteraard houdt het kabinet de situatie nauwlettend in de gaten.
Kunt u schetsen welke risico’s Nederland loopt bij een verstoring van de gaslevering of een koude winter?
In de brief van 13 november jl. is het kabinet nader ingegaan op de mogelijke gevolgen voor de leveringszekerheid. Het kabinet heeft toegelicht, op basis van analyse van Gasunie Transport Services (GTS), dat Nederland over voldoende capaciteit beschikt om op een koude dag te voldoen aan de piekvraag. Er is ook genoeg volume om de winter door te komen. Alleen in een extreem koude winter zou er een beperkt tekort kunnen ontstaan. Indien een dergelijke extreme situatie zich zou voordoen, ziet het kabinet voldoende manieren om dit in de praktijk op te vangen, waaronder inzet van gas uit de gascavernes en extra import van LNG naar Noord-West Europa. In de analyse van GTS is niet alleen rekening gehouden met temperatuur, maar ook met beperkte uitval van toevoer (ongeacht de oorzaak daarvan) en van de capaciteit van de grootste gasinfrastructuur.3
Wat is uw inzet om ongewenste prijspieken en verstoringen van de gasmarkt zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken?
Het kabinet houdt de goede werking van de gasmarkt en prijzen op de groothandelsmarkt nauwlettend in de gaten. De afgelopen weken zijn de prijzen gedaald. Prijzen op de groothandelsmarkt liggen op dit moment (peildatum 5 december) tussen de 27 en 28 euro per MWh, het laagste niveau sinds ruim een jaar. In algemene zin zien we dat in de voorbije maanden de prijzen op de groothandelsmarkt en consumentenmarkt vrij stabiel zijn geweest.
Prijzen komen tot stand door vraag en aanbod. Fluctuerende prijzen zijn een teken van een goed functionerende markt en zorgen dat vraag en aanbod in balans blijven. Zo kan een prijsstijging op de Nederlandse gashandelsplaats TTF (in vergelijking met buurlanden) ervoor zorgen dat het minder aantrekkelijk wordt om gas uit Nederland te exporteren waardoor de export (en dus vraag) daalt, waardoor de situatie zich kan stabiliseren en prijzen weer kunnen dalen. Het kabinet kan prijspieken, hoewel ongewenst, niet voorkomen. Uiteraard blijft het kabinet wel de betaalbaarheid in de gaten houden.
Het structureel verminderen van de afhankelijkheid van gas door verduurzaming (elektrificatie en isolatie) vormt de beste waarborg tegen toekomstige prijsstijgingen op de gasmarkt. Daarnaast is er voor consumenten ruim keuze in vaste contracten. Op dit moment heeft de meerderheid van de Nederlandse huishoudens zich voor een langere periode verzekerd tegen prijsschommelingen door het afsluiten van een vast contract van 1 jaar of langer.
De veiligheidsrisico’s van windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) ooit onderzoek gedaan naar brand- en veiligheidsrisico’s van windturbines op land?
Windturbines kunnen door de Onderzoeksraad voor Veiligheid worden onderzocht als zij daartoe beslissen vanuit hun bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar veiligheidsrisico’s van windturbines op land. Wel is het onderwerp windturbines eenmaal genoemd in een kwartaalrapportage, maar hier was geen sprake van significante veiligheidsrisico’s1.
Zo ja, kan dat onderzoek met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, wilt u de OVV verzoeken dit alsnog te doen?
Nee, een dergelijk verzoek gebeurt alleen in uitzonderlijke gevallen. De Onderzoeksraad beslist als zelfstandig bestuursorgaan zelf welke voorvallen en onderwerpen worden onderzocht, en richt zich vooral op situaties waarin burgers voor hun veiligheid afhankelijk zijn van partijen als de overheid, bedrijven of instellingen.
Hoe wordt geborgd dat windturbines van 130 meter en hoger voldoen aan eisen voor externe veiligheid, blusbaarheid en rampenbestrijding?
Deze borging vindt plaats door middel van regelgeving. Voor een of twee windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en afstandsnormen (Bkl). Voor projecten met drie of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet (Bal).
De gebruiksregels in het Bal stellen dat jaarlijks een inspectie dient plaats te vinden vanwege externe veiligheid (artikel 4.428 Bal), sprake is van een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal), en een veilig ontwerp (artikel 4.430 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Daarnaast stelt het Bkl dat bij de inpassing van windturbines in ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met windturbines als «risicobron», bijvoorbeeld op basis van de verplicht berekende risicocontour.
De provincie of gemeente (en in uitzonderlijke gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan de borging en naleving van de eisen. Bovendien kunnen zij de veiligheidsregio altijd vragen om advies. Het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid heeft een kennisbundel opgesteld voor de vraag welke regels er van toepassing zijn2.
Is er voldoende bluscapaciteit beschikbaar om branden op grote hoogte te bestrijden?
In het algemeen geldt dat branden op grote hoogte moeilijk te bestrijden zijn. In hoogbouw (woningen en bedrijven) worden er daarom extra brandpreventieve eisen gesteld om bewoners te beschermen en de brandweer voldoende in staat te stellen een veilige inzet te doen. Voor windturbines gelden deze eisen niet.
Specifiek voor windturbines geldt dat eerst zal worden geprobeerd de windturbine uit te laten zetten door de beheerder van de windturbine. Het bestrijden van de brand op hoogte is vanwege de slechte toegankelijkheid en besloten ruimte vanwege de veiligheid van het personeel niet mogelijk. De standaardprocedure van de brandweerinzet is daarom dat deze gericht is op het veiligstellen van de omgeving.
Worden omwonenden voldoende geïnformeerd over risico’s en noodprocedures bij brand of technisch falen?
Informeren is aan de initiatiefnemer en vergunningverlenende partij. Tijdens een incident vindt communicatie, ook met omwoners, plaats vanuit de betrokken veiligheidsregio met mogelijk handelingsperspectieven als dat van toepassing is.
Hoe beoordeelt u het incident bij Nieuwleusen, waar brokstukken en gesmolten kunststof neerkwamen op landbouwgrond?
De brand in de windturbine is een vervelende gebeurtenis, zeker ook voor omwonenden. Het is waardevol als er lessen geleerd kunnen worden van dit voorval, bijvoorbeeld om te gebruiken als casuïstiek bij de rekenmethodiek voor externe veiligheidsafstanden van windturbines.
Hoe zijn de opruiming, schadevergoeding en milieuschade bij dergelijke incidenten geregeld?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het beperken van milieuschade en deze na afloop van een incident te herstellen. Omgevingsdiensten houden toezicht hierop vanuit bestuursrechtelijk perspectief. De exploitant kan zich voor de schade verzekeren. Grondeigenaren die schade ondervinden kunnen ook civielrechtelijk stappen ondernemen richting de exploitant.
Bent u bereid samen met provincies en gemeenten een landelijke risicoanalyse op te stellen voor windturbines van 130 meter en hoger, inclusief blusbaarheid en impact op de leefomgeving?
De huidige wet- en regelgeving voor het plaatsen van windturbines is uitvoerig, ondervangt de impact op de leefomgeving en bestrijdbaarheid en is gebaseerd op de laatste actuele inzichten rondom veiligheidsaspecten van windturbines3. Op dit moment zie ik daarom geen aanleiding een landelijke risicoanalyse op te stellen voor windturbines van 130 meter en hoger.
De brief 'Uitnodiging bewonersonderzoek' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom is ervoor gekozen deze enquête juist nu te versturen, terwijl er brede politieke en maatschappelijke weerstand bestaat in Groningen tegen de komst van een kerncentrale?1
Het kabinet is zich zeer bewust van de weerstand die in Groningen bestaat tegen de komst van een kerncentrale. Eerder heeft het kabinet de Kamer laten weten dat Eemshaven uit de eerste beoordeling van de reacties op het Voornemen en voorstel voor participatie van 2 februari 2024 naar voren komt als gebied dat voldoet aan de kenmerken voor de vestiging van kerncentrales. Er is een (380kV) hoogspanningsnet, er is beschikbaarheid van koelwater, er zijn geen grote bevolkingsconcentraties in de directe omgeving en er zijn voldoende toegangswegen voor rampenbestrijding. Het voldoen aan deze (zuiver inhoudelijke) criteria betekent dat het kabinet formeel moet bezien of er ook binnen de Eemshaven locaties zijn die als kansrijk aangemerkt kunnen worden.2
Omdat het kabinet zich bewust is van de gevoeligheden in Groningen en de politieke en maatschappelijke wensen van zowel de Kamer, provinciale staten als de gemeenteraad van Het Hogeland kent, heeft het de Landsadvocaat gevraagd om te onderzoeken of de Eemshaven buiten het locatieonderzoek gehouden kan worden, zonder dat dit tot grote juridische risico's leidt. Het kabinet heeft op basis van het advies van de Landsadvocaat geconcludeerd dat het niet mogelijk is om het gebied Eemshaven op voorhand van de plan-MER uit te sluiten en daarbij tegelijkertijd tot een juridisch houdbaar besluit te komen3. Het niet onderzoeken van het gebied Eemshaven leidt tot een te groot juridisch risico waarbij het projectbesluit uiteindelijk door een proces bij de Raad van State kan worden vertraagd of zelfs worden vernietigd. Dit is onlangs nog aangegeven in de Kamerbrief van 16 mei 20254. Het kabinet heeft daarbij opgemerkt dat als het kabinet na het doorlopen van de projectprocedure een keuze heeft tussen geschikte locaties, het de voorkeur zal geven aan een locatie in Zeeland.
Het kabinet onderzoekt op dit moment als initiatiefnemer in vier gebieden mogelijke locaties voor nieuwe kerncentrales: Maasvlakte II, het Sloegebied en Terneuzen in Zeeland en de Eemshaven in Groningen5. In de onderzoeken worden verschillende zaken meegenomen, zoals de effecten op het milieu, wat er technisch mogelijk is en de impact op de omgeving. Op basis van alle onderzoeksresultaten wordt een Integrale Effectenanalyse opgesteld, die dient als beslisinformatie voor de voorkeursbeslissing. In de (ontwerp-)Voorkeursbeslissing wordt de gekozen locatie beschreven en gemotiveerd. De onderzoeken dienen gelijkwaardig te worden uitgevoerd in de vier gebieden.
Om een beeld te krijgen van de impact die wordt gevoeld in de omgeving, worden diverse gesprekken gevoerd met belanghebbenden (bewoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven, decentrale overheden). Met het bewonersonderzoek wil het kabinet toetsen of dit beeld compleet is of nog moet worden aangevuld. Ook wil het kabinet een vergelijking kunnen maken tussen zorgen die leven of kansen die worden gezien in de verschillende gebieden. Het is van belang dat deze input in alle gebieden – dus ook Groningen – zorgvuldig wordt opgehaald en meegenomen. Andersom is het belangrijk dat de bewoners van Groningen niet de mogelijkheid wordt onthouden om hun vragen en zorgen kenbaar te maken.
Herinnert u zich dat de Tweede Kamer met brede steun een motie van het lid Beckerman heeft aangenomen waarin wordt uitgesproken dat er geen kerncentrale in Groningen moet komen? Waarom negeert u deze motie?
Ja, het kabinet is zich bewust van de motie Beckerman c.s.6 Als gevolg daarvan is Eemshaven als mogelijke waarborglocatie geschrapt uit het Programma Energiehoofdstructuur.7 Op 28 november is het Verzamelbesluit Omgevingswet LVVN en KGG 2026 gepubliceerd, waarin het vervallen van de locatie Eemshaven als waarborglocatie voor de vestiging van een kernenergiecentrale in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is opgenomen.
Overigens betekent het schrappen van Eemshaven als waarborgingslocatie niet dat de Eemshaven ongeschikt is voor de vestiging van kerncentrales. Al eerder wees het kabinet erop8 dat het kabinet verplicht is om Eemshaven te beschouwen als mogelijke locatie voor de vestiging van twee nieuwe kerncentrales (zie ook het antwoord op vraag 1). Het waarborgingsbeleid voor kerncentrales is bedoeld om op aangewezen locaties ruimtelijke ontwikkelingen, die de komst van kerncentrales onmogelijk maken of ernstig belemmeren, te voorkomen. Bijvoorbeeld de bouw van kantoren of ziekenhuizen.
Kunt u uitleggen waarom de Eemshaven tóch is meegenomen in het onderzoek naar mogelijke locaties voor nieuwe kerncentrales, ondanks het herhaaldelijke en duidelijke «nee» van zowel de provincie Groningen als de gemeente Het Hogeland?
In de Kamerbrief van 11 september 20249 is aangegeven dat er binnen vier gebieden op zoek gegaan wordt naar mogelijke locaties voor de nieuwbouw van de eerste twee centrales: Sloegebied, Terneuzen, Maasvlakte I en Maasvlakte II. Ook is aangegeven dat alle binnengekomen reacties op het Voornemen en voorstel voor participatie worden bestudeerd. Op het Voornemen en voorstel voor participatie van 2 februari 2024 zijn in totaal 1.374 reacties ontvangen. Al deze reacties zijn inhoudelijk beoordeeld. Uit de beoordeling van de reacties op het Voornemen en voorstel voor Participatie is de Eemshaven naar voren gekomen als gebied dat voldoet aan de kernmerken voor de vestiging van kerncentrales (zie vraag 1).
Omdat het kabinet zich bewust is van de gevoeligheden in Groningen en de politieke en maatschappelijke wensen van zowel de Kamer, provinciale staten als de gemeenteraad van Het Hogeland kent, heeft het de Landsadvocaat gevraagd om te onderzoeken of de Eemshaven buiten het locatieonderzoek gehouden kan worden, zonder dat dit tot grote juridische risico's leidt. Het kabinet heeft op basis van het advies van de Landsadvocaat geconcludeerd dat het niet mogelijk is om het gebied Eemshaven op voorhand van de plan-MER uit te sluiten en daarbij tegelijkertijd tot een juridisch houdbaar besluit te komen10. Het niet onderzoeken van het gebied Eemshaven leidt tot een te groot juridisch risico waarbij het projectbesluit uiteindelijk door een proces bij de Raad van State kan worden vertraagd of zelfs worden vernietigd. Dit is onlangs nog aangegeven in de Kamerbrief van 16 mei 202511. Het kabinet heeft daarbij opgemerkt dat als het kabinet na het doorlopen van de projectprocedure een keuze heeft tussen geschikte locaties, het de voorkeur zal geven aan een locatie in Zeeland.
Hoeveel geld is er gemoeid met het opzetten en uitvoeren van deze enquête, en wie heeft de opdracht gegeven deze uit te voeren?
Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei en kost € 56.240,- ex btw. Dit betreft de totale kosten voor de enquêtes in alle gebieden.
Begrijpt u dat het opnieuw aanwijzen van Groningen voor een zware energie-infrastructuur – na decennia van gaswinning, aardbevingen en schade – bij veel inwoners voelt als een nieuwe klap in het gezicht?
Het kabinet is zich bewust van de gevoeligheden in Groningen en is daarover uitvoerig in gesprek met diverse belanghebbenden. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de Eemshaven, gezien de bevolkingsdichtheid, het aanwezige natuurgebied en de kwetsbare positie van het gebied, een slechte locatiekeuze is voor een kerncentrale?
Al deze zaken worden op dit moment onderzocht voor alle locaties en de resultaten worden beschreven in de Integrale Effectenanalyse. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de onderzoeksresultaten. In de (ontwerp-)Voorkeursbeslissing zal het kabinet de gekozen locatie beschrijven en motiveren.
Kunt u toezeggen dat de Eemshaven definitief wordt geschrapt als mogelijke locatie voor de bouw van (een) nieuwe kerncentrale(s)?
De Eemshaven wordt geschrapt als waarborgingslocatie voor de vestiging van kerncentrales. Dit betekent echter niet dat Eemshaven ongeschikt is voor de vestiging van kerncentrales. Het kabinet is nog steeds verplicht om Eemshaven te beschouwen als mogelijke locatie voor kerncentrales en mee te nemen in de plan-MER (zie vraag 2). Het kabinet heeft verder aangegeven dat als het kabinet na het doorlopen van de projectprocedure voor kerncentrale 1+2 een keuze heeft tussen geschikte locaties, het de voorkeur zal geven aan een locatie in Zeeland (zie vraag 3). Voor de ruimtelijke inpassing van kerncentrale 3+4 en kleine kerncentrales (SMR’s) volgt het kabinet een tweede spoor, via het Programma Energie Hoofdstructuur. In de scope van PEH II, waarin in de eerste fase alleen gebieden afvallen die niet voldoen aan de juridische criteria of die geen potentie voor koelwater hebben, valt Eemshaven niet bij voorbaat af.
Hoe denkt u het vertrouwen van Groningers te herstellen, nu opnieuw de indruk is gewekt dat hun stem niet serieus wordt genomen?
Om de stem van Groningen goed mee te kunnen nemen in de locatieafweging, moet het kabinet de stem van de Groningers juist onderzoeken. Dat wordt gedaan met dit bewonersonderzoek. Het kabinet is en blijft open en transparant in gesprek met Groningen, om zodoende te kunnen bouwen aan de relatie en het vertrouwen.