Terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente Groningen breidt pilot met gratis kinderopvang uit: veel ouders durven zich niet aan te melden of weten niet hoe»?1
Ja.
Herkent u het signaal uit dit artikel dat ouders terughoudend zijn om gebruik te maken van kinderopvangvoorzieningen, onder meer uit angst voor financiële risico’s en mogelijke terugvorderingen van kinderopvangtoeslag?
Het signaal dat ouders terughoudend zijn in het aanvragen van kinderopvangvoorzieningen uit angst voor terugvorderingen wordt herkend. Dit is helaas een uitwerking van de vormgeving van het toeslagenstelsel. De voorschotsystematiek brengt met zich mee dat er terugvorderingen kunnen ontstaan. Dit komt voor wanneer achteraf blijkt dat gegevens in de toeslagaanvraag niet kloppen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin het voorschotinkomen afwijkt van het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen of dat niet wordt voldaan aan de arbeidseis. Deze problematiek is een bevestiging dat het toeslagenstelsel beter kan worden vormgegeven. Het kabinet gaat hiermee aan de slag en werkt onder meer aan een wetsvoorstel voor een nieuw financieringsstelsel. Hierbij wordt de kinderopvangtoeslag vervangen door een subsidiestelsel met directe financiering van kinderopvangorganisaties waardoor er geen terugvorderingen meer mogelijk zijn.
Het niet-gebruik van de kinderopvangtoeslag is geschat op 3,4%.2 In 2024 is toeslagen breed een strategie opgesteld om niet-gebruik tegen te gaan, die bestaat uit publiekscampagnes en voor sommige toeslagen individuele attenderingen. Daarnaast worden activiteiten uitgevoerd om terugvorderingen te voorkomen om zo het vertrouwen van burgers te vergroten en het niet-gebruik te verminderen. Er is een succesvolle pilot afgerond die ziet op het muteren van het aantal uren opvang waarvoor de toeslag is aangevraagd. Hierbij wordt de aanvraag ambtshalve gemuteerd wanneer uit betrouwbare gegevens van de kinderopvangorganisatie blijkt dat het aantal door de ouder opgegeven uren niet klopt. De evaluatie van deze pilot laat een positief beeld zien en de Dienst Toeslagen werkt aan een vervolg op deze pilot.3
Indien mensen niet voldoen aan de arbeidseis kunnen zij worden doorverwezen naar gemeenten voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Ouders die niet voldoen aan de arbeidseis, maar waarbij sprake is van sociaal-medische problematiek kunnen zo toch via individueel maatwerk een vergoeding voor kinderopvang ontvangen. Gemeenten hebben vrijheid om beleidsmatige invulling te geven aan SMI.
Klopt het dat huishoudens bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag moeten aangeven dat zij voldoen aan de arbeidseis, terwijl controle hierop vaak pas achteraf plaatsvindt?
Bij een aanvraag kinderopvangtoeslag dient de aanvrager aan te geven of wordt voldaan aan de arbeidseis. Bij het recht op kinderopvangtoeslag is het verrichten van betaald werk voorwaardelijk, dat geldt voor zowel aanvrager als een eventuele toeslagpartner. Bij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag wordt vooraf uitgevraagd of sprake is van betaald werk of dat de ouder aangemerkt kan worden als doelgroeper. Als doelgroeper wordt aangemerkt een ouder die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, een inburgeringstraject volgt of studeert. Ook bestaat er recht op kinderopvangtoeslag als de toeslagpartner in bepaalde gevallen niet kan werken, zoals bij een tijdelijke of permanente Wlz-indicatie.
Controle op de arbeidseis vindt in de regel achteraf plaats bij het definitief toekennen van de toeslag. Op dat moment wordt gecontroleerd of sprake is van betaalde arbeid of dat de aanvrager (of toeslagpartner) kan worden aangemerkt als doelgroeper. Daarnaast geldt dat in sommige gevallen ook in de voorschotfase op de arbeidseis wordt gecontroleerd. Dat gebeurt wanneer een aanvraag uitvalt voor handmatige behandeling. Bij zo’n handmatige behandeling wordt ook gecontroleerd op de arbeidseis.
Daarnaast zijn in de afgelopen jaren binnen het Verbetertraject Kinderopvangtoeslag door Dienst Toeslagen, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën stappen gezet om de terugvorderingsproblematiek rond de arbeidseis aan te pakken. Als onderdeel van dit verbetertraject is bijvoorbeeld vroegsignalering ingevoerd. Ouders worden gestimuleerd en ondersteund bij het tijdig doorgeven van wijzigingen in hun toeslagaanvraag. Aandacht is daarbij ook voor de arbeidseis. Op basis van gegevens van UWV, DUO en BIDN4 ontvangen ouders een attendering indien zij niet voldoen aan de arbeidseis of niet tot een doelgroep behoren. Zo werden in 2024 ongeveer 1.000 ouders geattendeerd op het niet voldoen aan de arbeidseis en ongeveer 2.700 ouders over de doelgroepstatus. Een deel van de ouders kwam naar aanleiding van deze attendering in actie en voerde een wijziging door in de gegevens.5 Daarmee werden terugvorderingen voorkomen. Tegelijkertijd bleek ook dat niet alle ouders in actie kwamen na een attendering. Het kabinet blijft de komende jaren inzetten op het verbeteren van ondersteuning van ouders bij het actueel houden van hun gegevens.6
Deelt u de zorg dat wanneer achteraf blijkt dat niet aan de arbeidseis is voldaan, dit kan leiden tot forse terugvorderingen, die gezinnen in financiële problemen kunnen brengen?
De zorg dat terugvorderingen van kinderopvangtoeslag die zien op de arbeidseis grote financiële gevolgen kunnen hebben wordt gedeeld. De arbeidseis is namelijk een alles-of-niets voorwaarde. Daarnaast zijn de voorschotbedragen van de kinderopvangtoeslag hoger dan bij de andere toeslagen. Op het moment dat achteraf blijkt dat één van de toeslagpartners niet voldoet aan de arbeidseis moet het gehele toeslagbedrag worden teruggevorderd. Over een heel jaar kan dat om tienduizenden euro’s gaan.
Dienst Toeslagen biedt betalingsregelingen aan wanneer de terugvordering niet in één keer kan worden voldaan, waarna een 24-maanden terugbetaalperiode start. Als dat niet mogelijk is, biedt Dienst Toeslagen ook persoonlijke begeleiding aan. Mensen met hoge terugvorderingen worden daarbij door Dienst Toeslagen langdurig geholpen met een betalingsregeling en een vast aanspreekpunt. De burger wordt daarnaast aan de voorkant zo goed mogelijk geïnformeerd over de vereiste van arbeid, zodat mensen niet onterecht een aanvraag doen.
In het voorstel voor het nieuwe financieringsstelsel voor de kinderopvang is de arbeidseis zo vormgegeven dat terugvorderingen als gevolg van de arbeidseis niet meer voorkomen. Als er iets wijzigt in de situatie van ouders heeft dat in het nieuwe financieringsstelsel altijd alleen «naar de toekomst toe» gevolgen voor hun recht op gesubsidieerde kinderopvang. Dit betekent bijvoorbeeld dat als een ouder niet meer voldoet aan de arbeidseis, de subsidie die aan de houder van het
kindercentrum of het gastouderbureau wordt uitbetaald alleen vanaf een datum in de toekomst stopgezet zal worden. De al ontvangen subsidie hoeft in deze situatie niet terugbetaald te worden.7
Kunt u aangeven hoeveel terugvorderingen van kinderopvangtoeslag er per jaar zijn geweest vanwege het niet voldoen aan de arbeidseis sinds de invoering van deze eis, uitgesplitst naar het jaar waarin gebruik is gemaakt van de kinderopvang?
In tabel 1 treft u de gevraagde cijfers over de terugvordering van kinderopvangtoeslag waarbij (onvoldoende) arbeidseis een aanleiding is geweest. Hierbij zijn een paar opmerkingen te maken. Sinds de invoering van de kinderopvangtoeslag is er sprake van een arbeidseis. In 2012 is daar de koppeling aan het aantal gewerkte uren (kgu) aan toegevoegd, waardoor het aantal gewerkte uren van invloed was op het aantal uren waarvoor aanspraak gemaakt kon worden op kinderopvangtoeslag. In 2023 is deze kgu weer afgeschaft. De reden voor het afschaffen was om ervoor te zorgen dat ouders beter hun gewenste urengebruik kunnen realiseren, waardoor zij effectiever worden ondersteund en gestimuleerd om (meer uren) te gaan werken. Het zorgde tegelijkertijd voor een vereenvoudiging van de systematiek voor ouders. In tabel 1 zijn vanaf 2012 de gevraagd cijfers weergegeven van terugvorderingen die ontstaan zijn als gevolg van het niet voldoen aan beide criteria.8 Voor wat betreft de gevraagde minimale terugvordering en standaarddeviatie is in tabel 2 een verdeling naar vijf klassen weergegeven van de jaarlijkse terugvorderingen om inzicht te geven in de hoogte en spreiding.
Uit de cijfers blijkt dat het bij terugvorderingen voor de arbeidseis in de praktijk om (zeer) hoge bedragen kan gaan. In 2024 was de gemiddelde terugvordering als gevolg van de arbeidseis bijvoorbeeld € 6.772. De maximale terugvordering betrof bijna € 53.000. Deze cijfers tonen de soms harde uitwerking van de voorschotsystematiek van de kinderopvangtoeslag. Vooral bij financieel kwetsbare ouders heeft dit veel impact op het leven. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven kunnen ze naast de standaardbetalingsregeling van 24 maanden ook in aanmerking komen voor maatwerk. De omvang van deze terugvorderingen benadrukt het belang van het herzien van het financieringsstelsel voor de kinderopvang. Het kabinet blijft daarom vol inzetten op een eenvoudiger stelsel voor ouders, met meer (financiële) zekerheid waarin terugvorderingen niet meer voorkomen. In de jaren in aanloop naar dit nieuwe stelsel wordt ingezet op vroegsignalering (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3) en een betere dienstverlening aan ouders om hoge terugvordering zoveel mogelijk te voorkomen.
2012
1.161
5,2
28.218
4.479
2013
2.563
8,9
32.553
3.472
2014
3.320
9,9
34.177
2.982
2015
10.380
18,8
32.509
1.811
2016
6.745
12,9
27.499
1.913
2017
1.978
4,9
29.205
2.477
2018
1.179
2,6
20.876
2.205
2019
454
1,5
21.066
3.304
2020
413
1,8
61.581
4.358
2021
345
1,5
31.100
4.348
2022
809
6
64.876
7.417
2023
541
3,8
67.877
7.024
2024
443
3
52.699
6.772
2012
1.161
11
61
91
638
360
2013
2.563
38
309
349
1.256
611
2014
3.320
57
447
554
1.693
569
2015
10.380
439
2.410
2.132
4.605
794
2016
6.745
186
1.571
1.447
2.952
589
2017
1.978
29
267
294
1.176
212
2018
1.179
26
271
241
490
151
2019
454
7
52
73
230
92
2020
413
8
58
47
177
123
2021
345
2
45
37
158
103
2022
809
8
51
67
252
431
2023
541
9
39
47
195
251
2024
443
6
48
48
143
198
Kunt u daarbij inzicht geven in de totale omvang van deze terugvorderingen per jaar?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u tevens inzicht geven in de verdeling van de hoogte van deze terugvorderingen door in elk geval per jaar het gemiddelde, het minimum, het maximum en de standaarddeviatie van de teruggevorderde bedragen te verstrekken?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de berichtgeving van GeenStijl waaruit blijkt dat de Turkse diplomaat Ömer Özgül een centrale rol speelt binnen de Islamitische Stichting Nederland (ISN), terwijl ISN stelt een zelfstandige en onafhankelijke organisatie te zijn?
Ik heb kennis genomen van deze berichtgeving.
Kunt u bevestigen dat de heer Özgül, als officieel religieus attaché van de Turkse ambassade, regelmatig aanwezig is in het pand van ISN en ook meereist met ISN-delegaties naar het buitenland, waaronder naar Ankara?
Nee. Het kabinet heeft geen inzicht in de agenda van diplomaten van andere landen.
Hoe verhoudt de aanwezigheid van een Turkse diplomaat als feitelijk leidinggevende binnen ISN zich tot de belofte die ISN in 2020 aan de Kamer deed om de Turkse diplomatieke invloed uit de organisatie te weren?
Met het bestuur van ISN is in 2020 de afspraak gemaakt dat in de nieuwe organisatiestructuur de attaché Religieuze Zaken, of een andere vertegenwoordiger met diplomatieke of consulaire status, geen rol meer zal vervullen in het bestuur. Dit omdat deze structuur op zijn minst de schijn wekt van een ongewenste vermenging van politiek en religie. In het huidige bestuur van ISN zitten dan ook geen diplomatieke of consulaire functionarissen.
Waarom heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via het Kennisplatform Inclusief Samenleven samengewerkt met en subsidie verstrekt aan een stichting die zo nauw verbonden blijkt te zijn met de Turkse staat?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft geen subsidie verstrekt aan ISN.
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) ontvangt op basis van een vastgesteld werkplan jaarlijks een instellingssubsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. KIS is onafhankelijk en maakt eigen afwegingen.
Bent u het eens dat financiering van onderzoek door een stichting die onder invloed staat van een buitenlandse mogendheid de objectiviteit en betrouwbaarheid van dat onderzoek ernstig ondermijnt?
Onderzoek moet altijd onafhankelijk, transparant en boven iedere twijfel verheven zijn. Dat betekent dat zowel financiering als betrokkenheid van partners nooit de schijn van beïnvloeding mogen oproepen. In het geval van het onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» van KIS is die schijn wél ontstaan, en dat is onwenselijk.
De Islamitische Stichting Nederland (ISN) speelt voor veel mensen een religieuze en sociale rol. Tegelijkertijd is er al jaren een maatschappelijke discussie over de zorgen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding. Ten aanzien van de structuur van de betreffende organisatie zijn in het verleden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken afspraken gemaakt met de Turkse autoriteiten. Deze afspraken zijn door het Ministerie van SZW overgebracht aan en besproken met ISN.
Bij wetenschappelijk onderzoek is het essentieel dat de onafhankelijkheid en transparantie boven iedere twijfel zijn verheven. Juist om de uitkomsten van dergelijke onderzoeken niet te schaden en te waarborgen. De Minister van Werk en Participatie heeft eerder aangegeven de samenwerking met ISN in deze context geen verstandige keuze te vinden.1 Dit betekent overigens niet dat binnen andere context samenwerking met ISN is uitgesloten.
Welke due diligence heeft u uitgevoerd alvorens samen te werken met ISN, en waarom is de bekende voorgeschiedenis van Turkse inmenging daarin niet meegewogen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid alle subsidierelaties met ISN en de ISN Academie per direct op te schorten totdat volledige helderheid bestaat over de mate van Turkse staatsinvloed binnen deze organisatie?
Zie het antwoord op vraag 4.
In zijn algemeenheid: het nieuwe kabinet werkt – zoals de Minister van Werk en Participatie eerder heeft aangegeven in de beantwoording op schriftelijke vragen over dit onderwerp – aan een herijking van de koers en prioriteiten op het gebied van inburgering, integratie en samenlevingsvraagstukken, waaronder de samenwerking met maatschappelijke partners.2
Bent u bereid de AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) te vragen een actueel dreigingsbeeld op te stellen over de rol van de Turkse Diyanet en daaraan gelieerde organisaties in Nederland, en de Kamer daarover te informeren?
Daar zie ik geen aanleiding toe. De AIVD, MIVD en de NCTV hebben reeds in 2025 het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren gepubliceerd.
Bent u bereid de diplomatieke status van de heer Özgül opnieuw te beoordelen in het licht van zijn activiteiten buiten de ambassade, en zo nodig stappen te ondernemen richting de Turkse ambassade?
Het staat Turkije vrij om een diasporabeleid richting de Turkse diasporagemeenschappen in Nederland te voeren, en in dit kader relaties te onderhouden met de Islamitische Stichting Nederland, mits dit binnen de grenzen van de Nederlandse rechtstaat blijft en het de participatie van individuen in onze samenleving niet in de weg staat. Het kabinet blijft alert op signalen van diasporabeleid vanuit derde landen dat de grenzen van de gestelde kaders overschrijdt. Mochten deze signalen er zijn, dan neemt het kabinet verdere stappen. Het kabinet heeft op dit moment geen indicatie dat de activiteiten van de religieus attaché deze kaders te buiten gaan.
Het artikel 'Von der Leyen: ‘Europese afbouw kernenergie was strategische fout’' |
|
Henk Jumelet (CDA), Alisha Müller (VVD) |
|
de Bat , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het krantenartikel «Von der Leyen: «Europese afbouw kernenergie was strategische fout»»?1 Deelt u de mening van Von der Leyen dat het een strategische fout is geweest van Europese landen om kernenergie de rug toe te keren omdat het Europa kwetsbaarder heeft gemaakt voor hoge energieprijzen en afhankelijkheid van energie-import?
Het kabinet deelt de analyse over het belang van een robuuste, betaalbare en onafhankelijke energievoorziening in Europa. Deze vermindert onze kwetsbaarheid voor prijsvolatiliteit en geopolitieke risico’s. Keuzes omtrent energie – en daarmee de keuze voor kernenergie in de energiemix – zijn een nationale bevoegdheid. Het kabinet verwelkomt dan ook het stevige signaal van Commissievoorzitter Von der Leyen dat de grotere rol erkent die kernenergie in de toekomst zal spelen in de energiemix, in Europese lidstaten waaronder Nederland, om zo een bijdrage te leveren aan het behalen van Europese strategische doelstellingen.
Heeft u er kennis van genomen dat de Europese Commissie (EC) heeft aangekondigd voor 200 miljoen euro aan garanties beschikbaar te stellen voor investeringen in innovatieve kerntechnologieën, waaronder small modular reactors (SMR’s)? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en projecten maximaal gebruik kunnen maken van deze middelen?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 16 juni 20252, werkt het kabinet aan het versterken van het nucleaire ecosysteem via kennisopbouw, netwerkontwikkeling en concrete activiteiten op drie samenhangende terreinen:
Op deze manier zorgt het kabinet ervoor dat kennis- en onderzoeksorganisaties, onderwijsinstellingen en bedrijven kunnen aansluiten bij de bouw van nieuwe kerncentrales in Nederland (inclusief SMR’s) en waar mogelijk internationale mogelijkheden kunnen benutten, waaronder een rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten.
Ook de Europese Commissie is bezig met het vormgeven van de ondersteuning van innovatieve kerntechnologieën. Een voorbeeld hiervan is de genoemde € 200 miljoen aan garanties voor innovatieve nucleaire technologieën die onlangs door de Europese Commissie is aangekondigd en wordt toegevoegd aan het Europese InvestEU-fonds. Projecten kunnen hierop aanspraak maken via de Europese Investeringsbank; kleinere projecten in Nederland kunnen hierop via InvestNL aanspraak maken. Als onderdeel van het MMIP Kernenergie ondersteunt RVO Nederlandse partijen die SMR's willen ontwikkelen hierbij, zoals dat ook gebeurt bij het EU Innovatiefonds en andere EU-programma's.
Voor de zomer zal de Kamer nader per brief over de nationale aanpak voor de versterking van het nucleaire ecosysteem worden geïnformeerd.
Heeft u er kennis van genomen dat de EC de regels tevens wil versimpelen zodat nieuwe nucleaire technologieën sneller getest en opgeschaald kunnen worden? Welke nationale regels en/of procedures vormen momenteel de grootste belemmeringen in Nederland?
Nederland heeft een zorgvuldig doordacht kader voor de bouw en inpassing van kerncentrales. Dit kader is gericht op veiligheid, participatie en het waarborgen van een goede ruimtelijke inpassing en biedt ruimte voor innovatieve technologieën. De handreiking voor het Veilig Ontwerp en veilig Bedrijven van Kernreactoren (VOBK) is afgelopen jaar door de ANVS geactualiseerd, met als voornaamste stappen het beter harmoniseren met internationale richtlijnen en het toepasbaar maken op meer innovatieve technieken. Dit is behulpzaam voor SMR’s en internationale techniekleveranciers.
Het kabinet verwelkomt daarnaast de aanpassingen van het EU staatssteunkader3 dat lidstaten meer ruimte geeft om nationale industrieën financieel te ondersteunen bij energie- en duurzaamheidsinvesteringen.
Hoe verlopen de gesprekken met bedrijven die geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling of bouw van SMR’s in Nederland? Hoe kan de rol van de overheid bij het faciliteren van deze projecten worden versterkt?
Het kabinet is in contact met ontwikkelaars en partijen die geïnteresseerd zijn in de bouw van SMR's en heeft eerder in kaart gebracht wat zij nodig hebben voor verdere ontwikkeling. Naar aanleiding van deze gesprekken is het kabinet tot de conclusie gekomen dat ondersteuning op dit moment vooral gewenst is voor vroege haalbaarheidsstudies of vergunbaarheidsanalyses. Het kabinet zal met de SMR-strategie tot € 20 miljoen beschikbaar maken voor concrete initiatieven om hiermee de haalbaarheidsstudies en vergunbaarheidsanalyses te ondersteunen. Het kabinet is blijvend in gesprek met bedrijven en zal een marktconsultatie starten om inzicht te krijgen in de huidige status van initiatieven in Nederland om hiermee het financieringsinstrument (voor de genoemde € 20 miljoen) in te kunnen richten. Aanvullend verkent de marktconsultatie financieringsmogelijkheden voor latere fasen van private SMR-projecten, zoals bouw en exploitatie.
Wat kan het kabinet doen om de realisatie van nieuwe kerncentrales in Nederland verder te versnellen?
Het kabinet heeft voortdurend de mogelijkheden voor versnelling voor ogen, uiteraard met inachtneming van de risico's en kosten die hiermee gemoeid zijn. In de voortgangsbrief nieuwbouw kernenergie van mei en oktober4 jl. is ingegaan op versnellingsopties. Het kabinet zal u voor de zomer een volgende voortgangsbrief sturen.
Hoe zorgt het kabinet ervoor dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen maximaal kunnen profiteren van de bouw van de nieuwe kerncentrales in Nederland, bijvoorbeeld via betrokkenheid in de toeleveringsketen en kennisontwikkeling?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe bereidt het kabinet Nederland voor op een mogelijke rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe gaat Nederland zich in Europees verband inzetten om de ontwikkeling van kernenergie en innovatieve nucleaire technologieën verder te versnellen, zodat Europa minder afhankelijk wordt van fossiele energie-importen?
Nederland zet zich al geruime tijd in voor de ontwikkeling van kernenergie en SMR's binnen de Europese Unie. Nederland heeft een actieve rol binnen de Nucleaire Alliantie en binnen de SMR Industriële Alliantie. Daarnaast heeft het kabinet bilateraal contact met verschillende landen in Europa om synergiën op te zoeken. Het kabinet blijft zich binnen en buiten de genoemde gremia inzetten voor het ondersteunen en versnellen van de uitrol van kernenergie.
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
De impact van de EU Methane Emissions Regulation op de leveringszekerheid van aardgas |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «EU Methane Emissions Regulation – Analysis of Market Impacts»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de huidige instabiele geopolitieke situatie en het belang van leveringszekerheid, de bevindingen uit het rapport dat door de importvereisten volgend uit de Europese Methane Regulation vanaf 2027 mogelijk tot 43% van de huidige gasimport van de EU (circa 114 bcm) en 87% van de ruwe olie niet meer aan de regelgeving voldoet en daarmee niet geïmporteerd kan worden?
Ik neem deze zorgen serieus en ik ben hierover in gesprek met de Europese Commissie, andere lidstaten, marktpartijen en toezichthouders. Uiteraard onderschrijf ik daarbij het belang van voorzieningszekerheid en is het van het grootste belang dat Nederland genoeg gas en olie heeft om in de behoefte van onze huishoudens en bedrijven te voorzien, ook aangezien tijdens de transitie deze nog geruime tijd essentieel zijn.
Hoe beoordeelt u het risico dat deze regelgeving daardoor zal leiden tot een aanbodtekort aan aardgas in Europa, aangezien het rapport concludeert dat de hoeveelheid gas die aan de EU-eisen voldoet mogelijk lager is dan de Europese vraag vanaf 2027?
De methaanverordening bevat geen importbeperking, maar het valt niet uit te sluiten dat de gestelde rapportage- en onderzoeksverplichtingen een beperkend effect kunnen hebben. Dit risico wordt op Europees niveau aangekaart, aangezien de eisen die volgen uit de verordening en een eventuele oplossing dus ook op dat niveau gezocht moet worden.
Overigens kent de verordening een clausule die het risico op een aanbodtekort reeds zou kunnen mitigeren. De verordening bepaalt namelijk dat bevoegde instanties bepaalde sancties alleen kunnen opleggen bij overtreding van bepaalde artikelen, waaronder deze importverplichtingen, als die de energievoorzieningszekerheid niet in gevaar brengen.2
Deelt u de zorg uit het rapport dat een door regelgeving veroorzaakt aanbodtekort kan leiden tot sterk stijgende gasprijzen en mogelijke vraagvernietiging, met gevolgen voor huishoudens, elektriciteitsproductie en energie-intensieve industrieën?
De verordening kent een clausule die het risico op een aanbodtekort kan mitigeren, zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven.
De verordening erkent verder dat de naleving van de verplichtingen uit deze verordening waarschijnlijk investeringen vereist. De verordening bepaalt echter ook dat de noodzakelijke kosten hiervoor geen disproportionele financiële last voor eindgebruikers en consumenten mogen meebrengen.3
De kosten van de verordening moeten daarbij worden afgewogen tegen de baten. Het recent gepubliceerde rapport, waar in vraag 1 naar wordt verwezen, laat de potentiële klimaatwinst zien die behaald kan worden door de inzet op methaanreductie wereldwijd, zolang de vraag naar olie, aardgas en steenkolen nodig blijft in de transitie naar schone energie. Methaan is één van de krachtigste broeikasgassen. De methaanverordening is één van de maatregelen van het Fit for 55-wetgevingspakket om de Europese reductiedoelstellingen van broeikasgasemissies in de energiesector tot stand te brengen.
Welke mogelijkheden ziet het u om bij de verdere implementatie van de Europese Methaanverordening te voorkomen dat de leveringszekerheid van aardgas in gevaar komt, bijvoorbeeld door aanpassingen in de eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs? In hoeverre zijn dergelijke aanpassingen volgens u wenselijk en mogelijk?
De eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs volgen rechtstreeks uit de Europese verordening. Aanpassing van deze eisen is op nationaal niveau niet mogelijk. Voor het volledige antwoord op deze vraag verwijs ik verder naar het antwoord op vraag 6.
In hoeverre en onder welke voorwaarden bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een pragmatische implementatie of gerichte aanpassing van de regelgeving, zoals in het rapport wordt voorgesteld, om verstoringen van de Europese gas- en olievoorziening te voorkomen?
Ik zet mij hier reeds voor in. De eisen zijn zoals hiervoor aangegeven opgenomen in de Europese methaanverordening en daar moet ook de oplossing in worden gezocht. Uw Kamer is op 18 februari jl. door mijn voorganger over de implementatie van de verordening en de aandachtspunten hierbij geïnformeerd4. Deze aandachtspunten zien ook op de monitoring-, rapportage- en verificatiemaatregelen die per 1 januari 2027 ingaan. Nederland wijst in de gesprekken met de Europese Commissie voortdurend op knelpunten die worden ervaren bij de uitvoering van de verordening en zoekt daarbij samen met de Commissie ook naar praktische oplossingen. Een brede groep landen deelt deze zorgen. Het kabinet is hierover eveneens in gesprek met het bedrijfsleven en toezichthouders.
Eventuele aanpassing van de regelgeving is niet aan een lidstaat en dus ook niet aan het kabinet. Daarover moet de Europese Commissie zich een oordeel over vormen. Gezien de huidige situatie in het Midden-Oosten zijn de knelpunten die zich voordoen bij de implementatie van de methaanverordening nog urgenter geworden. Ik breng deze knelpunten daarom opnieuw onder de aandacht van de Commissie met de vraag om een oplossing die rekening houdt met de geuite zorgen en de recente ontwikkelingen.
De brief van 117 economen betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend de brief van 117 economen, waaronder 80 hoogleraren, betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland?1
Ja.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de businesscase voor staalproductie in Nederland ontbreekt en dat zonder structurele winstgevendheid Tata Steel opnieuw om publieke steun zal vragen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. Het doel van de maatwerkafspraak met Tata Steel is juist ook, naast de versnelde realisatie van schonere en groenere staalproductie in de IJmond, juist ook om een duurzaam verdienmodel te realiseren. Er moet zicht zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Daarbij is bij de maatwerkaanpak sprake van een wederkerig traject: het gaat om een grote investering van Tata Steel Nederland (TSN) en moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL) zelf in de verduurzaming en het schoner maken van de productie, ondersteund vanuit de staat. Het bedrijf en moederbedrijf zullen niet investeren zonder zicht op een lange termijn verdienmodel.
De businesscase van het bedrijf doorlopend uitvoerig getoetst door de staat, de financieel adviseur van de staat en de Europese Commissie (EC).2 Naast de beleidsmatige toets of het verantwoord is om steun te verlenen aan een specifiek bedrijf zijn er ook strenge voorwaarden verbonden aan een subsidie die verleend wordt door de overheid. Zo geldt op basis van de Europese regels voor staatssteun voor verduurzaming dat steun niet ingezet mag worden om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De EC toetst hier op. Verder biedt de maatwerkafspraak ook de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s, wat bij de huidige uitwerking van de maatwerkafspraak de aandacht heeft.
Deelt u de mening van de 117 economen dat wanneer het geld in Tata Steel wordt gestoken, er een reel risico is dat dit publieke geld verloren zal gaan omdat Tata Steel onvoldoende winstgevendheid heeft? Zo nee, kunt u toegelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangeven, wordt de businesscase uitvoerig getoetst door de staat, de financieel adviseur van de staat en de EC. Uitgangspunt hierbij is dat er zicht moet zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Daarbij zijn het bedrijf en moederbedrijf zelf ook voornemens een grote investering te doen. Dit geeft vertrouwen dat er ook na de transitie een winstgevende onderneming bestaat.
Het kabinet erkent dat er aan elke grote investering risico’s verbonden zijn. Als de investering risicovrij zou zijn, was steun vanuit de staat waarschijnlijk niet nodig geweest. Risico’s en onzekerheden zijn inherent aan de transitie. De maatwerkafspraak biedt de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s, bijvoorbeeld door afspraken te maken over financiële garanties en clawback-mechanismen.
Daarbij dient tevens opgemerkt te worden dat het scenario waarin de staat niks doet ook grote nadelige gevolgen kent. De huidige situatie is niet houdbaar en onwenselijk gezien de impact van de staalproductie op het klimaat en de gezondheid van omwonenden. Op basis van de adviezen van externe adviseurs Wijers en Blom3, de Expertgroep Gezondheid IJmond (Expertgroep)4 en de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI)5 is besloten om in te (blijven) zetten op een maatwerkafspraak met TSN omdat dit de snelste en effectiefste route is naar verduurzaming en verbetering van de gezondheid en leefomgeving.
Er wordt op dit moment nog nergens in de wereld op grote schaal groen staal geproduceerd. Zolang wij als samenleving staal blijven gebruiken, hebben we ook een verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het verduurzamen van de productie daarvan. Als we dit niet doen, zal dit betekenen dat we nog langdurig gebruik maken van grijs staal. De maatwerkafspraak met TSN maakt het mogelijk om in Nederland groen staal te kunnen produceren; dit zal een economische en strategische meerwaarde hebben voor Nederland en Europa. Tot slot draagt de eigen productie van staal bij aan onze weerbaarheid en het verminderen van de afhankelijkheid van landen buiten Europa.
Deelt de Minister de mening van de 117 economen dat de investeringen in Tata Steel investeringen in industrieën met hogere maatschappelijke opbrengsten verdringen omdat we te maken hebben met schaarse arbeid, energie en ruimte? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De onderliggende suggestie uit de vraag dat de schaarse arbeid, energie en ruimte vraagt om het maken van keuzes, deel ik. De aanname dat al deze productiemiddelen zonder enige frictie elders in de economie ingezet kunnen worden, is echter een te simpele weergave van de werkelijkheid. Daarbij leren eerdere ervaringen, bijvoorbeeld uit Limburg, ons dat het verdwijnen van grote industrie nog decennialang kan doorwerken in de sociaaleconomische structuur.
Het kabinet heeft de keuze gemaakt om in te zetten op een maatwerkafspraak met TSN en daarmee het realiseren van groenere, schonere en meer circulaire staalproductie in de IJmond.
Het kabinet heeft oog voor de maatschappelijke opbrengsten van verschillende industrieën. Onderdeel van deze maatschappelijke opbrengsten zijn ook weerbaarheid en zelfvoorzienendheid, zelf staal kunnen produceren draagt hieraan bij. Deze publieke waarden zijn de afgelopen jaren steeds belangrijker geworden in de nationale en vooral ook Europese context als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen die kwetsbare schakels in mondiale aanvoerlijnen hebben blootgelegd. Daarbij is staal extra relevant (maar ook brandstoffen en chemieproducten), omdat dit product deel uitmaakt van defensie-gerelateerde productieketens. Uit het onderzoek van Wijers en Blom is gebleken dat TSN binnen Europa een gunstige uitgangspositie heeft voor verduurzaming.
Basisindustrie is inherent energie-intensief, overal ter wereld. Zolang we deze producten gebruiken acht het kabinet het niet verstandig om voor onze consumptie (volledig) te leunen op productie in andere landen. Bovendien zou dat voorlopig neerkomen op weglek van productie, waarschijnlijk naar plekken waar staalproductie gepaard gaat met een relatief grotere klimaat- en milieu-impact dan in Nederland.6 Met de maatwerkafspraak met TSN kunnen we belangrijke stappen zetten op verduurzaming en verbetering van de gezondheid. Zoals ook in het vorige antwoord aangegeven draagt een groenere, schonere staalindustrie ook bij aan het concurrentievermogen en onze weerbaarheid.
Bent u bereid een plan B te onderzoeken voor het gebied, de ontwikkeling van maakindustrie, huizen, energieopwek (windmolens) en natuur?
Zoals ook in het antwoord op vergelijkbare vragen is aangegeven, is het kabinet hier niet toe bereid, omdat eerder al uitvoerig naar alternatieven gekeken is.7 In een eerder stadium zijn diverse scenario’s, waaronder een scenario waarin TSN sluit, door Wijers en Blom onderzocht en door het kabinet gewogen.8 Het is de prioriteit van dit kabinet om TSN te verduurzamen en om de gezondheidssituatie voor omwonenden in de IJmond zo snel mogelijk te verbeteren. Dat doet het kabinet door in te zetten op een maatwerkafspraak met TSN: dat is de snelste en effectiefste manier om, met de beschikbare middelen, de gezondheidsrisico's (flink) te verminderen en tot verduurzaming te komen. Daarbij draagt de eigen productie van staal bij aan onze weerbaarheid en het verminderen van de strategische importafhankelijkheid van Europa. Daarom is het niet opportuun om nu opnieuw onderzoek te doen naar (de potentie van) deze alternatieve denkrichtingen.
In het rapport van Wijers en Blom werd de sluitingsroute als ongunstig beoordeeld, met zeer hoge financiële (juist ook voor de staat) en uitvoeringsrisico’s. Het kabinet kiest, mede gelet op de economische en strategische waarde, voor behoud van staalproductie in de IJmond. Om die reden wordt de sluitingsroute niet verder uitgewerkt.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de maatwerkafspraken met Tata Steel de markt verstoren en staatsteunrechtelijk kwetsbaar zijn, aangezien de plannen om volledig te verduurzamen (2045) niet verder gaan dan huidige Europese wetgeving (EU ETS die afloopt in 2040)? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. De Nederlandse staat mag alleen staatssteun verlenen als wordt voldaan aan de voorwaarden van het toepasselijke Europese staatssteunkader, in dit geval de Guidelines on State aid for Climate, Environmental Protection and Energy (CEEAG). De EC toetst hierbij onder meer of de Nederlandse staat alleen maatregelen steunt die verder gaan dan Unienormen, alleen steun verstrekt die geschikt, proportioneel en niet marktverstorend is en geen steun verleent aan een onderneming die in financiële moeilijkheden verkeert. De beoogde steunmaatregel wordt zo vormgegeven dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader wordt voldaan. Hierover vinden ook gesprekken plaats met de EC in het kader van de prenotificatiefase van deze steunmaatregel. De EC moet de uiteindelijke steunmaatregel beoordelen en zal de voorgestelde maatregel toetsen aan de hand van het CEEAG kader. De steun mag niet worden verleend zonder dat de EC deze heeft beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij wordt opgemerkt dat het kabinet met verduurzamingssubsidies, zoals de maatwerksubsidies en ook de SDE++, juist beoogt om gedrag van bedrijven bij te sturen, in het publieke belang van een verduurzaming van de industrie en hele economie. De subsidie moet daarom worden afgezet tegen andere verduurzamingssubsidies, en niet tegen andersoortig beleid met andere doelstellingen.
Het ETS is een handelssysteem met een emissieplafond dat afloopt. Het feit dat er geen gratis rechten meer worden uitgekeerd betekent niet dat een bedrijf geen CO2 meer uit kan stoten. Zo kunnen rechten worden gekocht of overgehouden rechten van eerdere jaren worden meegenomen en later ingezet. Het ETS is een prikkel om CO2 te reduceren en zorgt ervoor dat er geen nieuwe rechten meer worden uitgegeven na 2039. Daarbij is het ETS alleen onvoldoende om tot investeringen in verduurzaming te leiden, zoals te zien is in de populariteit van de SDE++ en steunmaatregelen voor de industrie die buurlanden nemen. Ook andere Europese landen, waaronder België, Duitsland en Frankrijk, geven steun om hun staalproducenten te helpen met verduurzamen. Zoals door de AMVI geconcludeerd is het beoogde steunbedrag voor de verduurzaming van TSN laag ten opzichte van de steun die andere landen aan hun staalindustrie geven en ook zeer kosteneffectief.9
Deelt u de mening van de 117 economen dat medewerkers van Tata Steel waardevolle technische ervaring hebben die, met gerichte omscholing, inzetbaar kunnen zijn in sectoren met acute tekorten voor bijvoorbeeld de installaties van warmtepompen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De waardevolle technische kennis en ervaring van de medewerkers van TSN en het belang hiervan voor de energietransitie, onderschrijf ik. De medewerkers van TSN zijn een van de drijfveren van deze transitie: het plan is vroeg op tafel gelegd door de vakbonden en de werknemers zijn hard nodig om het project uiteindelijk uit te voeren. Mede dankzij het technisch geschoolde personeel kan TSN een belangrijke bijdrage leveren aan de innovatiekracht van Nederland en behoort TSN tot de Top 30 R&D bedrijven in Nederland.10 TSN draagt met haar eigen MBO opleiding ook bij aan het opleiden van technisch geschoold personeel.11
Gelet op het aantal vacatures in de techniek zal een deel van de werknemers bij een eventuele sluiting van het bedrijf elders werk kunnen vinden. Desalniettemin zal de impact op de regio groot zijn. Daarnaast is het omscholen van werknemers minder eenvoudig dan het met een macro-economische bril lijkt. Ook uit gesprekken die het kabinet voert met regionale belanghebbenden, waaronder werkgever- en werknemersorganisaties zoals de FNV, blijkt dat het lastig is om personeel in de regio naar ander werk te begeleiden met een vergelijkbaar inkomens- en kennisniveau.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de gezondheid van omwonenden onvoldoende wordt geborgd en hierdoor staatsteun economisch onverdedigbaar is en juridisch kwetsbaar? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Om de impact van het bedrijf op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden zo snel en ver mogelijk te reduceren zijn de meest kosteneffectieve maatregelen geselecteerd, waarmee de grootste reductie kan worden bereikt met de beschikbare middelen. Deze maatregelen leiden tot een forse reductie van de uitstoot van schadelijke stoffen en dragen daarmee bij aan de vermindering van de impact op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden. De juridische borging van het behalen van de gezondheidsdoelen wordt nu uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Wat betreft de economische verdedigbaarheid en juridische kwetsbaarheid van de staatssteun, geldt dat de steun binnen een Europees steunkader moet passen en dat alleen maatregelen die verder gaan dan Unienormen in aanmerking komen voor steun. De staat en de EC zien hier streng op toe. Voor de milieumaatregelen specifiek is een juridische analyse gemaakt door de Landsadvocaat, hieruit volgt dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet wettelijk afdwingbaar en dus bovenwettelijk zijn.12 Deze juridische analyse is samen met de JLoI met de Kamer gedeeld. De maatwerkafspraken zijn naar de overtuiging van het kabinet de snelste weg om tot verbetering te komen van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden.
In het licht van de opmerking in de brief over de kooksgasfabrieken (KGF's) is het nog relevant op te merken dat de maatwerkaanpak alleen ziet op bovenwettelijke maatregelen. Op 19 december 2024 is door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) een aanzeggingsbesluit genomen en openbaar gemaakt. Vanwege de handhavingsstappen van de OD NZKG is dit onderdeel in het wettelijke traject terecht gekomen en kan op dit moment daarom geen steun worden verleend voor vervroegde sluiting van KGF2. De maatwerksteun is voor de bouw van de nieuwe groenere en schonere installaties.
Deelt u de mening van de 117 economen dat Tata Steel geen cruciale schakel is in Nederlands hoogwaardige maakindustrie? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De economen stellen dat TSN geen cruciale schakel is in de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie omdat TSN veel staal exporteert. Dat TSN veel staal exporteert is juist een teken van concurrentiekracht. De Nederlandse industrie is grotendeels gericht op export en opereert in grote mate in een Europese context. TSN exporteert twee derde van de productie binnen Europa en draagt daarmee bij aan het verkleinen van de strategische importafhankelijkheid van Europa voor verschillende sectoren, waaronder de maakindustrie, zoals de automotive- en batterijensector. Zoals de economen terecht betogen, moet strategische autonomie altijd in een Europese context worden bezien. De activiteiten van TSN zorgen daarnaast voor veel omliggende bedrijvigheid in de regio en bij ketenpartners in verschillende sectoren13. De verduurzaming van TSN is een groot innovatief project en biedt ook kansen voor de regio en de Nederlandse economie.14
Deelt u de mening van de 117 economen dat strategische autonomie vereist dat we staalproductie in Europa hebben, maar dat in Nederland staal blijven produceren economisch juist irrationeel is? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Op dit moment is er in Europa voldoende staalproductie. Maar, zoals in het antwoord op vraag 3 ook aangegeven wordt voorlopig nog nergens in de wereld op commerciële schaal groen staal geproduceerd, onder meer door gebrek aan productie van (betaalbare) groene waterstof. In de Trajectverkenning Klimaatneutraal 2050 geeft PBL aan dat dit betekent dat import van onder andere groen staal naar Nederland voor 2050 niet erg waarschijnlijk is.15 Het opbouwen van nieuwe groene productiecapaciteit kost tijd en geld. Wijers en Blom16 gaven al aan dat het inderdaad zo is dat zon- en windenergie elders in Europa goedkoper kunnen zijn, maar er zijn ook studies die aangeven dat deze verschillen nog erg onzeker zijn17 en in de toekomst ook weer kleiner kunnen worden.18 Ook hebben zij in beeld gebracht dat Nederland juist een relatief logische plek is binnen Europa voor een staalfabriek. Daarnaast lopen ook nieuwe projecten, bijvoorbeeld in Zweden en Spanje, tegen vertraging en problemen aan, bijvoorbeeld met draagvlak voor de nieuwe fabrieken vanwege impact op de omgeving, de versterking van het elektriciteitsnet, infrastructuur, beschikbaarheid van water en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van groene waterstof, zoals een aantal andere economen in reactie op het ESB artikel ook beschreven.19, 20, 21 Daarbij is TSN gunstig gelegen ten opzichte van hernieuwbare energiebronnen (groene stroom uit wind op zee) en kan TSN gebruik maken van bestaande logistieke infrastructuur en de ligging aan zee, wat een concurrentievoordeel oplevert ten opzichte van de geheel nieuwe productielocaties.22
Vóór 2050 zal er naar verwachting geen substantiële groene staalproductie elders in Europa zijn die de productie van TSN kan vervangen. Het kabinet kiest ervoor om daar niet op te wachten en onze verantwoordelijkheid te nemen door in te zetten op een maatwerkafspraak om in Nederland groener en schonere staal te kunnen produceren.
Deelt u de mening van de 117 economen dat het gezien de feiten die voorliggen, het nu (economisch) verstandiger is om de stekker uit de Joint Letter of Intent te halen dan ermee door te gaan? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. Zoals eerder in de beantwoording aangegeven wil het kabinet verantwoordelijkheid nemen en hier groenere en schonere staalproductie realiseren middels een maatwerkafspraak met TSN om zo onder andere bij te dragen aan ons toekomstige verdienvermogen en onze weerbaarheid en zelfvoorzienendheid te versterken, naast de doelen van verduurzaming en verbetering van de leefomgeving.
Kunt u de vragen één voor één en in alle volledigheid beantwoorden?
Ja.
Kunt u de vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over de Joint Letter of Intent met Tata Steel?
Ja.
Aanhangers van het Iraanse Islamitische regime in Nederland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met diverse gevallen van personen in Nederland die zich positief over het Iraanse Islamitische regime uitlaten of zelfs publiekelijk dit regime steunen?
Het is bekend dat de Iraanse diaspora scheidslijnen kent. Uit de nieuwsberichten over demonstraties waarmee steun aan het Iraanse regime wordt betuigd, kan worden geconcludeerd dat zich personen in Nederland bevinden die zich positief over dit regime uitlaten.
Op welke wijze kan volgens u het strafrecht worden ingezet indien personen zich positief uitlaten over de Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) of deze zelfs steunen, nu de IRGC in de EU is aangemerkt als terroristische organisatie?
Het kabinet is er alles aan gelegen om de Nederlandse democratische rechtsstaat en vrijheden te beschermen tegen terrorisme en extremisme. De Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC) is sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) geplaatst. De IRGC is als terroristische organisatie gekwalificeerd en er zijn verschillende sancties opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Hierdoor is eventuele deelname aan deze terroristische organisatie strafbaar en publieke steunbetuigingen aan IRGC worden met grote zorgen bezien.
Of er in een specifieke casus sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit – en dus of het strafrecht ingezet kan worden –, hangt af van de feiten en omstandigheden van dat geval. Het is dus van belang waaruit het «positief uitlaten» of «steunen» bestaat en met welke feitelijkheden dit gepaard gaat. Indien een persoon bijvoorbeeld een terroristische organisatie steunt door middel van financiële middelen, kan sprake zijn van terrorismefinanciering, hetgeen een misdrijf is.
Plaatsing van een organisatie op de nationale en/of Europese sanctielijst heeft tot gevolg dat de tegoeden van de betreffende persoon of organisatie worden bevroren. Tegelijkertijd is het verboden om financiële tegoeden/diensten en (op geld waardeerbare) middelen aan deze persoon of organisatie ter beschikking te stellen. Plaatsing van een persoon of organisatie op de EU-terrorisme sanctielijst heeft tot gevolg dat die persoon of organisatie van rechtswege in Nederland is verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). Op grond van artikel 140, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is het «voortzetten van de werkzaamheid van een van rechtswege verboden organisatie» strafbaar. Het «voortzetten van de werkzaamheid» moet ruim worden geïnterpreteerd; het gaat daarbij om iedere gedraging die ten dienste staat aan het voortbestaan van de verboden organisatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn het organiseren van een betoging, evenement of vergadering, het oprichten van een nieuwe (vergelijkbare) organisatie, het «in de lucht» houden van een website of het houden van fondsenwervingsacties ten behoeve van een verboden rechtspersoon. Een enkele handeling kan al bijdragen aan het voortbestaan van de organisatie. Of daar in een specifieke situatie sprake van is, zal afhangen van de feiten en omstandigheden van het geval. Dat is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Ook het «positief uitlaten» (in de brede zin van het woord) kan onder omstandigheden een strafbaar feit opleveren. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat en geweld, maar dat zal per geval aan de hand van de feiten en omstandigheden moeten worden beoordeeld. Hierbij speelt ook de context waarbinnen de uiting is gedaan een rol. Dit kan mogelijk kwalificeren als opruiing of het aanzetten tot haat of geweld. Om dergelijke laakbare uitingen met betrekking tot terrorisme nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Wat vindt u ervan dat personen in Nederland het Iraanse Islamitische Regime en/of de Islamitische Revolutionaire Garde publiekelijk steunen?
De IRGC staat sinds 19 februari jl. op de Europese sanctielijst terrorisme (GS931) waardoor er beperkende sancties zijn opgelegd in het kader van de EU-sanctieregeling voor terrorismebestrijding. Nederland heeft zich hiervoor onverminderd ingezet en een voortrekkende rol vervuld. Deze Nederlandse inzet is ook in een brief aan uw Kamer geïnformeerd.1 Het kabinet vindt het uitspreken van steun aan deze organisatie dan ook absoluut verwerpelijk. De vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel onderdeel van onze democratie, maar dit recht kent wel grenzen. Zoals in het bovenstaande antwoord benoemd zal per geval beoordeeld moeten worden of deze grenzen zijn overschreden en of er mogelijk sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie, en uiteindelijk aan de rechter, om te bepalen.
Op welke wijze worden aangiften behandeld indien zij zien op bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran?
Bij vermoedens van bijvoorbeeld bedreigingen richting Iraanse diaspora, dissidenten en hun familieleden in Iran kan er melding of aangifte worden gedaan bij de politie. De politie behandelt deze meldingen en aangiftes zorgvuldig en heeft daarbij oog voor de huidige internationale situatie.
Worden deze aangiften voortvarend behandeld vanwege de huidige internationale situatie en de mogelijkheid tot tegenacties van het Iraanse regime?
Zie antwoord vraag 4.
Wordt op dit moment daadwerkelijk grondig onderzoek gedaan welke personen in Nederland feitelijk verlengstukken van het Iraanse Islamitische Regime (en/of de IRGC) zijn en op welke wijze wordt actie tegen deze personen ondernomen? Zo ja/nee, waarom?
Uw vraag betreft het kennisniveau en het functioneren van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarover worden in het openbaar geen mededelingen gedaan. In algemene zin kan ik uw Kamer mededelen dat voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt bezien wat mogelijk is om ongewenste buitenlandse inmenging te voorzien, verstoren, verijdelen en/of mitigeren. Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de meest recente publicaties over dit thema.2
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het plenaire debat over Iran op 12 maart 2026 beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Ja.
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kan een persoonsgegeven zijn (artikel 4, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, AVG). Ook een MAC-adres of een apparaatnaam kan als persoonsgegeven worden beschouwd.
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Het is van belang dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Een verwerking is bijvoorbeeld rechtmatig, als er toestemming voor is gegeven, een gerechtvaardigd belang is of als de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst. Het is niet aan het kabinet binnen het stelsel van de AVG om in te gaan op individuele gevallen, maar in eerste instantie aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhavend optreden, advies verstrekken en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Doorgifte van persoonsgegevens naar een bedrijf dat buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd is op grond van de AVG alleen toegestaan onder voorwaarden. Persoonsgegevens mogen alleen buiten de EER worden verwerkt in overeenstemming met de voorwaarden voor dergelijke doorgiften die zijn vastgelegd in hoofdstuk V van de AVG. Bijvoorbeeld als de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen of dat er door het bedrijf passende waarborgen zijn genomen. Of in deze casus wel of geen grondslag was voor het al dan niet delen van deze gegevens buiten de EER, evenals de vraag of de waarborgen van hoofdstuk V van de AVG in acht zijn genomen, is niet aan het kabinet om te beoordelen, maar aan de toezichthouder. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Ja. Zie het antwoord op vraag 2. De AVG geeft algemene regels voor de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders.
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Een risico dat volgt uit het niet naleven van de AVG is in ieder geval dat de betrokkenen hun rechten niet (volledig) kunnen uitoefenen. Denk hierbij aan het inzien, corrigeren, of verwijderen van hun eigen persoonsgegevens.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido. Het is aan de AP om opheldering te vragen aan Odido.
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Dit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de AP. De AP toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. In zijn algemeenheid hangt het van meerdere factoren af. Onder andere de vraag of er een grondslag is voor het verwerken van deze gegevens en, indien er sprake is van doorgifte buiten de EER, of de waarborgen van de AVG in acht zijn genomen.
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Nee. De AVG geeft duidelijke regels voor de bescherming van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders. Ook de AI-verordening kent een duidelijke set van regels. Er is wel aanleiding om het gesprek te voeren met het veld, waaronder telecomaanbieders, over de bescherming van persoonsgegevens in de praktijk. Vervolgens zal dit betrokken worden bij het voornemen om de toepassing van de AVG in Nederland tegen het licht te houden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht 'Ambtenaren verzwegen Palestijnse dodentallen voor Schoof' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van Vrij Nederland, over het verzwijgen van Palestijnse dodentallen door ambtenaren voor de Minister-President?1
Het beeld dat moedwillig informatie wordt achtergehouden is onjuist. Ik ervaar de advisering binnen het ministerie als professioneel en volledig, waarbij alle relevante invalshoeken en feiten worden meegenomen. Over de oorlog in de Gazastrook is er een constante informatiestroom, ook richting het Ministerie van Algemene Zaken. Daarin zijn met grote regelmaat cijfers over aantallen slachtoffers (ongeacht nationaliteit) opgenomen. Er zijn verschillende manieren waarop bewindslieden geïnformeerd worden over een kwestie, een gespreksfiche is daar één van.
Kunt u inzage geven in het proces van het opstellen van het desbetreffende gespreksfiche uit het artikel? Klopt het dat meerdere malen de cijfers over de Palestijnse en Libanese slachtoffers uit het feitenrelaas zijn gehaald?
Een gespreksfiche bestaat onder meer uit spreekpunten en achtergrondinformatie. In de achtergrondinformatie dient de informatie te staan die nodig is om het gesprek inhoudelijk goed te kunnen voeren. De gesprekspunten bieden een basis voor de manier waarop het gesprek gevoerd kan worden. Met het opstellen van de gesprekspunten wordt de afweging gemaakt op welke wijze het meest effectief een boodschap wordt overgebracht. Dat is mede afhankelijk van de gesprekspartner in kwestie, zijn of haar kennis over een situatie of onderwerp, en de relatie van een land ten opzichte van het te bespreken onderwerp. Hierdoor is het niet altijd nodig of opportuun in de gesprekspunten een situatie te beschrijven om er wel over te spreken. Naast de gesprekspunten zelf, wordt tijdens het gesprek ook gebruik gemaakt van de achtergrondinformatie.
Het artikel in Vrij Nederland refereert aan een gesprek van de Minister-President met een Arabische leider in het najaar van 2024. Hoewel er geen duidelijkheid bestaat over het exacte gesprek waar het artikel aan refereert, is naar aanleiding van de publicatie nagegaan welk gesprek het mogelijk kan betreffen. Hierbij kwam een specifiek gesprek naar voren, waarbij slachtofferaantallen in de achtergrondinformatie stonden. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 1.
Hoe kan het dat relevante feitelijke informatie uit een gespreksfiche wordt gehaald? Wat zijn de vereisten bij het opstellen van zo’n fiche en wie controleert dit? Is er sprake van een vier-ogen principe?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. Bij het opstellen van een gespreksfiche zijn diverse personen betrokken, zowel op het departement in Den Haag als op de Nederlandse posten in de regio. Het aantal betrokkenen hangt met name af van de inhoud van het gesprek en het aantal gespreksonderwerpen. Daarnaast wordt een gespreksfiche op verschillende niveaus geaccordeerd. Waar nodig ook op politiek niveau. In ieder geval kijken altijd meer dan twee mensen.
Hoe verantwoordt u dat Israëlische doden een hogere status krijgen op het Ministerie van Buitenlandse zaken, dan Palestijnse of Libanese doden?
Daarvan is geen sprake. Het kabinet werpt deze aantijging verre van zich.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de dubbele moraal en mogelijke angstcultuur op het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Zo niet, waarom?
Nee. Buitenlandse Zaken hecht aan een open en veilige werkcultuur, waarbinnen ruimte bestaat voor kritisch intern debat. De ambtelijke leiding draagt deze norm actief uit, evenals de norm van brede en deskundige ambtelijke advisering. Het departement investeert in een inclusieve werkomgeving, met ruimte voor diversiteit van perspectieven, en de ontwikkeling van vaardigheden als luisteren en het voeren van een open dialoog. De effecten van die inzet worden regulier gemeten in o.a. het tweejaarlijkse medewerkerstevredenheidsonderzoek, het jaarlijkse arbojaarverslag en Rijksbrede instrumenten als de nieuwe Inclusiemonitor. De uitkomsten uit deze metingen bieden voldoende inzicht voor de verdere ontwikkeling van de organisatie.
Het bericht ‘Commission wrong to give Hungary €10B, says EU top court adviser’ van Politico. |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commission wrong to give Hungary € 10B, says EU top court adviser?» dat op 12 februari 2026 verscheen op Politico?1
Ja.
Hoe weegt u de claim van Europarlementariërs dat het geld dat in 2023 toch is vrijgegeven aan Hongarije politiek gemotiveerd was en dus onterecht was?
Bent u het eens dat het in ieder geval niet door positieve ontwikkelingen wat betreft de rechtsstaat in Hongarije kwam dat de 10 miljard euro waren vrijgegeven?
Vindt u dat het vrijgeven van Europese Unie (EU)-fondsen op merites gebaseerd moet blijven?
Als het Europees Hof van Justitie het eens is dat het geld onrechtmatig is vrijgegeven, op welke termijn moet Hongarije de 10 miljard euro dan terugbetalen?
Klopt het dat als blijkt dat Hongarije het geld moet terugbetalen, maar ze dit niet doen, er kan worden ingehouden op andere fondsen voor Hongarije?
Is het in dit licht niet ook opzienbarend dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van het Security Action for Europe (SAFE)-instrument van de EU?
Lidstaten konden tot 30 november jl. een verzoek indienen om leningen te ontvangen uit SAFE. Hongarije heeft in dit kader om een lening van EUR 16.2 miljard verzocht, maar heeft de lening nog niet ontvangen. Het is eerst aan de Europese Commissie om het verzoek van Hongarije te beoordelen. Wanneer de Commissie vaststelt dat het verzoek voldoet aan de voorwaarden van de SAFE-verordening, dient zij een voorstel in voor een uitvoeringsbesluit van de Raad. Op dit moment is het kabinet nog in afwachting van dit voorstel voor een uitvoeringsbesluit.
Het kabinet is, in lijn met de motie Erkens c.s.3, kritisch over het verstrekken van een lening onder SAFE aan Hongarije.
Bent u van mening dat het terecht is dat Hongarije per capita de grootste ontvanger wordt van SAFE?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er mogelijkheden om het aandeel van Hongarije voor SAFE te beperken op basis van rechtsstaatschendingen of anderszins?
De SAFE-verordening zelf bevat geen voorwaarden op het gebied van de rechtsstaat waaraan de Europese Commissie het verzoek van Hongarije om een lening dient te toetsen. Wel bevat de SAFE-verordening andere voorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van de naleving van aanbestedingsregels. Het Financieel Reglement van de EU bevat daarnaast een uitgebreid pakket van juridische, administratieve en operationele waarborgen om misbruik van EU-gelden te voorkomen, op te sporen en te corrigeren. Het betreffen maatregelen ter preventie, detectie, correctie en verantwoording.4 Ook is de Meerjarig Financieel Kader (MFK)-rechtsstaatverordening van toepassing op leningen die verstrekt worden de SAFE-verordening. Bij schendingen van de beginselen van de rechtsstaat door de lidstaten die rechtstreekse gevolgen hebben of dreigen te hebben voor de financiële belangen van de Unie of voor goed financieel beheer van de Uniebegroting kunnen passende maatregelen worden genomen tegen een lidstaat op grond van deze MFK-rechtsstaatverordening. Daarbij geldt dat de Commissie in haar beoordeling is gebonden aan de kaders van de verordeningen en het beginsel van proportionaliteit en noodzakelijkheid.
Bent u bekend met het bericht «Starter gezocht: leeftijd steeds vaker reden voor discriminatie» waaruit blijkt dat leeftijd steeds vaker een reden is voor discriminatie, onder andere bij werving en selectie?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Kunt u reageren op de inhoud van dit bericht?
Uit het bericht komt naar voren dat het afgelopen jaar het aantal meldingen en verzoeken om een oordeel over leeftijdsdiscriminatie is toegenomen bij het College van de Rechten van de Mens (CRM). Leeftijdsdiscriminatie betekent dat iemand wordt benadeeld vanwege zijn leeftijd, bijvoorbeeld jongeren of ouderen. De meldingen hadden daarnaast vooral betrekking op leeftijdsdiscriminatie bij werving en selectie. Het uitsluiten van mensen op basis van leeftijd is niet toegestaan en onacceptabel. Ik vind het van belang dat mensen bij werving en selectie objectief worden beoordeeld. Leeftijd mag daarbij geen rol spelen.
Hoe verklaart u dat leeftijdsdiscriminatie ondanks een wettelijk verbod toch voorkomt op de arbeidsmarkt? Waar schiet volgens u de huidige aanpak tekort?
Het is helaas bekend dat ondanks een wettelijk verbod op discriminatie, discriminatie op diverse gronden waaronder ook leeftijd, nog steeds voorkomt. Er worden veel inspanningen verricht door de rijksoverheid om discriminatie te voorkomen en aan te pakken. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het nieuwe kabinet actief aan de slag gaat met het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie. Van werkgevers vragen we dat zij hun verantwoordelijkheid nemen in het beëindigen van discriminatie op de werkvloer en bij werving en selectie. Ik ga hierover zo snel mogelijk in gesprek met de Kamer.2 Momenteel worden werkgevers gestimuleerd en ondersteund om gelijke kansen te bieden bij het wervings- en selectiebeleid via het Offensief Gelijke Kansen. Hierbij worden werkgevers ondersteund via diverse hulpmiddelen om discriminatie bij werving en selectie tegen te gaan. Het is bekend dat veel discriminatie onbewust plaatsvindt. Met het Offensief Gelijke Kansen worden werkgevers hiervan bewust gemaakt en krijgen zij handvatten om onbewuste aannames en vooroordelen tegen te gaan.3
Herkent u het beeld dat er een toename is van leeftijdsdiscriminatie? In hoeverre speelt een hogere meldingsbereidheid een rol in de stijgende cijfers?
Het meten van discriminatie is moeilijk, onder meer omdat het gaat om persoonlijke ervaringen van slachtoffers, mensen discriminatie niet altijd als zodanig herkennen en mensen niet altijd overgaan tot het doen van een melding. Gemiddeld meldt 1 op de 10 mensen een incident van discriminatie.4 Het aantal meldingen van discriminatie bij officiële instanties zoals de politie en het CRM kan een beeld geven van discriminatie in Nederland. In de monitor Discriminatiezaken 2025 komt een duidelijke toename naar voren ten aanzien van leeftijdsdiscriminatie, met name bij werving en selectie. Mensen weten dus steeds beter hoe en waar ze een discriminatie-incident moeten melden en dit draagt bij aan de verdere aanpak van discriminatie.
Dit zou indirect kunnen zorgen voor een toename van de meldingsbereidheid en daarmee een verhoging van het aantal meldingen. Tegelijkertijd is het moeilijk vast te stellen of meldingsbereidheid meespeelt bij de toename van het aantal meldingen of leeftijdsdiscriminatie in het algemeen. Het kabinet blijft zich inzetten om de drempels voor het melden van discriminatie te verlagen. De Minister van BZK werkt aan een landelijke publiekscommunicatie, die hieraan actief bijdraagt. De lancering van de campagne is beoogd voor de tweede helft van 2026.
Heeft u in beeld of leeftijdsdiscriminatie een algemeen verschijnsel is op de arbeidsmarkt ofwel voornamelijk voorkomt in specifieke sectoren en gevallen?
Het is mij niet bekend of er onderzoek gedaan wordt naar leeftijdsdiscriminatie in specifieke sectoren. Wel weten we dat veel meldingen van discriminatie bij officiële instanties vaak betrekking hebben op arbeidsmarktdiscriminatie, specifiek bij werving en selectie en dat leeftijdsdiscriminatie daarbij relatief veel voorkomt. Uit de Nationale enquête arbeidsomstandigheden 2024 gaf 11% van de werknemers aan zich in de afgelopen twaalf maanden gediscrimineerd te hebben gevoeld op het werk. Discriminatie vanwege afkomst, huidskleur of nationaliteit (3,4%) en vanwege leeftijd (2,9%) kwamen het meest voor, gevolgd door discriminatie vanwege geslacht (2,1%).5
Op welk vlak schiet het huidige beleid tekort als veel 55-plussers ondanks de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt toch moeite hebben om passend werk te vinden?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat discriminatie, en meldingen van discriminatie, serieus genomen en beter afgehandeld moeten worden?
Iedere melding van discriminatie die bij een officiële meldinstantie binnenkomt wordt serieus genomen, geregistreerd en opgevolgd. Een goede afhandeling van meldingen is van groot belang. Op dit moment kunnen mensen die discriminatie ervaren dit melden bij onder andere de politie en het CRM. Wel blijft het moeilijk om discriminatie objectief vast te stellen. Het gaat om persoonlijke ervaringen van mensen die niet altijd goed met feiten onderbouwd en aangetoond kunnen worden. Een oordeel van het CRM kan vervolgens gebruikt worden voor civielrechtelijke stappen. De antidiscriminatievoorzieningen (ADV) in Nederland bieden laagdrempelig toegang tot hun meldpunten en ondersteunen melders bij de afhandeling van hun klacht, geven hen advies en beantwoorden vragen over discriminatie. Het kabinet werkt aan het verder versterken van de ADV’s. Zo werkt de Minister van BZK aan een wetsvoorstel waarmee de huidige ADV’s twee nieuwe taken krijgen, namelijk het werken aan preventie van discriminatie en het actief doorgeleden van mensen ten behoeve van nazorg.
Hoe zorgt u op het moment ervoor dat werkgevers en HR-professionals beter worden voorbereid op het herkennen en voorkomen van leeftijdsdiscriminatie?
In het Offensief Gelijke kansen wordt samen met AWVN, SER-Diversiteit in Bedrijf en branche- en sectororganisaties gewerkt aan de opschaling van evidence-based methodes voor objectieve werving en selectie van werknemers bij met name het midden- en kleinbedrijf. Veel van deze methodes komen voort uit de werkagenda Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (VIA). En samen met werkgevers wordt er gewerkt aan de (door)ontwikkeling van effectieve interventies in de in- en doorstroom en de talentontwikkeling van werknemers, de actieve ondersteuning van bedrijven en het uitdragen van de opgedane inzichten op het gebied van objectieve werving en selectie. Dit draagt bij aan het verbeteren van de arbeidsmarktkansen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder ouderen of jongeren.
Welke andere maatregelen neemt u om oudere mensen aangesloten te houden op de arbeidsmarkt?
Naast het Offensief Gelijke Kansen wil het kabinet met behulp van actieve ondersteuning en begeleiding op maat de arbeidsmarktkansen van alle werkzoekenden vergroten, dus ook die van 55-plussers. UWV, gemeenten, werkgevers, werkenden en werkzoekenden werken hier elke dag hard aan. Daarom richten wij ons op dit moment op de versterking van de arbeidsmarktinfrastructuur. Dit omvat de verdere ontwikkeling van de Werkcentra waar werkzoekenden, werkenden en werkgevers ondersteuning krijgen bij hun werk- en ontwikkelvragen, en de versterking van het van-werk-naar-werk-stelsel, waarin sociale partners gerichte inspanningen leveren.
Daarnaast wordt onder coördinatie van de Minister van Binnenlandse Zaken gewerkt aan de brede aanpak van discriminatie. Deze aanpak werkt ook op de bewustwording rondom discriminatie en kan hierdoor tevens bijdragen aan de positie van ouderen op de arbeidsmarkt. Zo kunnen ouderen die in een sollicitatieprocedure leeftijdsdiscriminatie ervaren dit melden bij een ADV of bij het CRM. Daarnaast ziet de nieuwe preventieve taak voor ADV’s ook op het voorkomen van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt.
Welke consequenties zijn momenteel verbonden aan leeftijdsdiscriminerend handelen door werkgevers of organisaties?
Een oordeel van het CRM is openbaar en als beoordeeld is dat er sprake is van discriminatie, kan dit o.a. leiden tot imago- en reputatieschade van een werkgever. Vaak is dit al genoeg voor een organisatie om passende maatregelen te nemen. Een oordeel van het CRM kan daarnaast ook gebruikt worden in een rechtszaak. Een rechter kan vervolgens civielrechtelijke sancties opleggen zoals een schadevergoeding of nietigverklaring, als er bijvoorbeeld sprake is van ontslag op basis van discriminatie.
Kunt u ons nader informeren wat de stand van zaken is en welke concrete resultaten de ingezette maatregelen hebben opgeleverd, zoals die zijn aangekondigd in de Kamerbrief van 18 januari 2024?2 Zijn er sinds deze Kamerbrief aanvullende acties ondernomen? Zo ja, welke? Zo nee, bent u nog voornemens aanvullende acties te ondernemen?
Mijn ambtsvoorganger in het kabinet Rutte IV heeft zich met de Seniorenkansenvisie ingezet om een algemene herwaardering van 55-plussers op de arbeidsmarkt te realiseren. Het Verweij Jonker Instituut heeft als belangrijk onderdeel van de Seniorenkansenvisie afgelopen jaar onderzocht of een assessment de beeldvorming van werkgevers kan veranderen en of het assessment de werkzoekende meer inzicht geeft in de eigen vaardigheden, zodat de baankansen worden vergroot.7 Het onderzoek geeft aan dat een baan vinden niet voor iedereen gemakkelijk is en dat de redenen daarvoor divers zijn. De seniorenkansenvisie bevestigt dat ouderenbeleid maar in beperkte mate effectief is gebleken. Het geven van een loonkostenvoordeel voor ouderen heeft bijvoorbeeld maar in beperkte mate geleid tot een hogere arbeidsparticipatie van ouderen. Met de oplevering van dit onderzoek is de Seniorenkansenvisie afgerond. UWV blijft inzetten op maatwerk in het kader van de menselijke maat voor alle werkzoekenden (incl. ouderen). De aanpak van leeftijdsdiscriminatie zal meegenomen worden in de algemene aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie.
Bent u bereid om met werkgeversorganisaties verder te verkennen hoe beeldvorming van 55-plussers kan worden verbeterd, gelet op het belang van een positieve beeldvorming van 55-plussers waar het kabinet in dezelfde brief over schrijft?
Ja, ik ben regelmatig in gesprek met werkgeversorganisaties, bijvoorbeeld over de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. Het gaat dan om de aanpak op alle discriminatiegronden, waaronder ook leeftijd. Veel acties gericht op het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie, zoals de inzet van objectieve werving en selectie, dragen bij aan de diversiteit van het personeelsbestand. Binnen het Offensief Gelijke Kansen proberen we goede voorbeelden rondom diversiteit en inclusie op te halen en verder te verspreiden onder werkgevers. Dit draagt hopelijk bij aan een betere beeldvorming rondom de arbeidsparticipatie van ouderen.
Kijkt u in het kader van de verkenning die is aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december 2025 ook expliciet naar het stimuleren van LLO-deelname bij 55-plussers, aangezien zij gemiddeld juist minder vaak deelnemen aan deze programma’s? Zo nee, bent u bereid dit expliciet op te nemen in de aangekondigde verkenning?
Het doel van de verkenning is om te komen tot één of meer technisch haalbare ontwerpen voor een leerrekening die doelmatig en doeltreffend is. Daarbij onderzoeken we voor welke doelgroepen een leerrekening het meeste effect kan hebben, in het bijzonder groepen die nu minder vaak deelnemen aan leven lang ontwikkelen (LLO), zoals 55-plussers.
Vaak gaat het bij het stimuleren van deelname aan bij- en omscholing om een combinatie van factoren. Daarom sturen we niet uitsluitend op leeftijd, maar nemen we 55-plussers wel degelijk mee als relevante doelgroep binnen de bredere analyse. Onderzoek laat zien dat in 2024 44 procent van 16- tot 39-jarigen aangeeft in de afgelopen twee jaar een training gevolgd te hebben; terwijl dit voor 55-plussers maar 28 procent is.8 In de scenario’s die worden uitgewerkt, kijken we onder andere naar kenmerken zoals leeftijd, opleidingsniveau en arbeidsverhouding. Op die manier kunnen we beter inzicht krijgen in welke groepen mensen binnen de beroepsbevolking het meest gebaat zijn met een eigen budget voor bij- en omscholing.
Het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Frankrijk het ontslag eist van de antisemitische VN-functionaris Albanese?1
Ja.
Vindt u haar opmerking dat Israël de «gemeenschappelijke vijand van de mensheid is» ook onacceptabel en buitengewoon onsmakelijk? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de recente discussie over uitspraken van Speciaal Rapporteur Albanese. Na bestudering van de videoregistratie van de bijdrage aan het Al Jazeera Forum blijkt dat mevrouw Albanese deze uitspraak niet zo heeft gedaan. Evenwel is het kabinet kritisch op de gedane uitspraken en roept het de Speciaal Rapporteur op om af te zien van polariserende uitspraken in het publieke domein.
Ziet u ook dat haar recente uitspraken geen incident zijn, maar onderdeel vormen van een bredere activistische haatcampagne tegen Israël en het Joodse volk? Zo nee, waarom niet?
Het is bekend dat Nederland bepaalde uitlatingen van mevrouw Albanese uit het verleden afkeurt. De zorgen over deze uitlatingen zijn aan haar overgebracht in meerdere gesprekken. Indien nodig zal het kabinet zorgen over de impact van bepaalde uitlatingen van mevrouw Albanese opnieuw onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om zich achter Frankrijk te scharen en bij de VN-mensenrechtenraad onomwonden te pleiten voor het ontslag van Albanese? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. De recente uitspraken van mevrouw Albanese zijn wat het kabinet betreft geen reden om op te roepen tot haar aftreden. In de Mensenrechtenraad heeft Frankrijk overigens niet opgeroepen tot het ontslag van mevrouw Albanese, maar in algemene termen opgeroepen tot «terughoudendheid en discretie» door alle VN Speciaal Rapporteurs in het uitvoeren van hun mandaat.
Wilt u deze vragen vóór de eerstvolgende sessie van de VN-mensenrechtenraad beantwoorden?
Het kabinet heeft de vragen zo snel mogelijk en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoord.
Het artikel 'Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen meeste raadsleden door' |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ondanks toename bedreigingen en intimidatie willen de meeste raadsleden door»?1
Ja, van dit artikel heb ik kennis genomen.
Hoe oordeelt u over het bericht dat de agressie, bedreiging en intimidatie die gemeenteraadsraadsleden ervaren sinds vier jaar meer dan verdubbeld is?
Als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties sta ik achter onze raadsleden. Het is onacceptabel dat onze volksvertegenwoordigers bedreigd en geïntimideerd worden. De berichten over de toename van agressie, bedreiging en intimidatie richting de gemeenteraadsleden zijn zorgelijk. Daarom zet ik mij door middel van het programma Weerbaar Bestuur in om de gemeenteraadsleden beter te beschermen en te ondersteunen na een incident.
Hoe oordeelt u over het bericht dat een derde van de raadsleden in de afgelopen bestuursperiode te maken heeft gehad met agressie, bedreiging of (verbaal) geweld, ruim twee keer zoveel als in 2022 en ruim zes keer zoveel als in 2015?
Agressie, bedreiging en intimidatie aan het adres van raadsleden zijn onaanvaardbaar. De berichten over de toename van incidenten zijn mij bekend en ik vind deze zeer verontrustend. Samen met het Netwerk Weerbaar Bestuur werkt mijn ministerie sinds 2018 aan het vergroten van de veiligheid van politieke ambtsdragers, onder wie raadsleden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat dertig procent van de bedreigde raadsleden aangeeft dat haar functioneren hierdoor wordt beïnvloed?
Het is ontoelaatbaar dat bedreigingen het functioneren van raadsleden beïnvloeden. Bedreigingen zijn niet normaal en horen niet bij het ambt. Raadsleden moeten hun werk zonder dreiging of druk van buitenaf kunnen uitvoeren. Als zij niet vrij hun werk kunnen doen, schaadt dit de democratie. Agressie, bedreiging en intimidatie moeten niet genormaliseerd worden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat vrouwelijke raadsleden meer bedreigd worden dan mannelijke raadsleden?
Online agressie treft vrouwelijke ambtsdragers in hogere mate dan hun mannelijke collega’s. Deze agressie is vaker op de persoon gericht en wordt als ernstiger ervaren. Dit is zorgwekkend. Daarom heeft mijn ministerie in samenwerking met het Netwerk Weerbaar Bestuur een steunpakket online agressie en intimidatie ontwikkeld, gericht op het ondersteunen van (vrouwelijke) politieke ambtsdragers die slachtoffer worden van online agressie. Dit steunpakket bevat praktische tips voor de preventie van, reactie op en nazorg na online agressie en intimidatie. Het steunpakket is te vinden op de website van het Netwerk Weerbaar Bestuur: https://www.weerbaarbestuur.nl/producten-en-diensten/steunpakket-preventie.
Wat gebeurt er om de raadsleden beter te beschermen en weerbaar te maken tegen dit soort praktijken?
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur van het Ministerie van BZK zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Wat kunt u verbeteren in de aanpak van agressie en bedreiging tegen raadsleden?
Er is al veel hulp beschikbaar voor decentrale volksvertegenwoordigers wanneer zij met agressie, intimidatie of bedreiging te maken krijgen. Toch kunnen wij hen op sommige vlakken beter ondersteunen. Dit geldt allereerst voor steun bij online agressie en bedreigingen. Daarom wil ik middelen vrijmaken voor een onderzoek naar online agressie en alternatieve sanctiemogelijkheden. Hierdoor kunnen we daders beter aanpakken. Ook het aangifteproces kan worden versimpeld. Daarom werken mijn ambtsgenoot van JenV en ik aan een modelaangifte waardoor het doen van aangifte door of namens politieke ambtsdragers makkelijker wordt. Over de opvolging van aangifte door Politie en OM blijf ik met mijn ambtsgenoot van JenV in gesprek. Tot slot moeten raadsleden, Statenleden en algemeen besturen van waterschappen veilig kunnen vergaderen. Daarom heb ik uw Kamer op 16 februari jl. geïnformeerd dat ik voornemens ben hier aanvullende middelen voor vrij te maken (Kamerstukken II 2025–2026 36 800 VII, nr. 66).
Bent u bereid hierin waar nodig samen te werken met de Ministerie van Justitie en Veiligheid, bijvoorbeeld door aanscherping van het programma «Bewaken en beveiligen»?
Naast de eerder benoemde preventieve en weerbaarheidsverhogende maatregelen kunnen er verschillende veiligheidsmaatregelen getroffen worden. Binnen het taakveld bewaken en beveiligen kunnen op gezag van OM, burgemeester of NCTV veiligheidsmaatregelen ingezet worden. Ik werk daarom nauw samen met de Minister van Justitie en Veiligheid met als doel om al onze volksvertegenwoordigers veilig hun werk te kunnen laten doen.
Het gebruik van foutieve algoritmes bij de reclassering |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Risicovol algoritmegebruik» van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) waaruit blijkt dat de reclassering jarenlang een gebrekkig algoritme gebruikte om recidiverisico’s te voorspellen?1
Ja.
Hoelang worden deze foutieve algoritmes gebruikt?
De reclassering heeft de OxRec in 2018 in gebruik genomen.
Hoelang was u al op de hoogte van deze problemen bij de reclassering?
De aard en omvang van de problemen rondom de algoritmes bij de reclassering zijn bij mij in beeld gekomen door het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de Inspectie). De Inspectie heeft de reclassering en het ministerie medio 2025 bericht over de voorlopige bevindingen. Het definitieve rapport is in december 2025 opgeleverd door de Inspectie.
Waarom zijn deze foutieve algoritmes niet eerder stopgezet?
Het pauzeren van de OxRec heeft impact op de wijze waarop adviezen tot stand komen en raakt daarmee het dagelijks werk van vele reclasseringswerkers. Zo’n wijziging lijkt op zichzelf klein, maar heeft flinke impact, zeker omdat deze veel medewerkers raakt. Een goede voorbereiding van de pauzering door nieuwe werkafspraken te maken, was essentieel om de kwaliteit van de adviezen te kunnen blijven garanderen. Dit kostte tijd. Het eerder op verantwoorde wijze pauzeren van de OxRec dan 12 februari jl. werd niet mogelijk geacht.
Hoeveel plegers van ernstige geweldsmisdrijven zijn door deze foutieve algoritmen eerder op straat gekomen?
De inspectie concludeert dat de OxRec door de implementatiegebreken in circa 21 procent (bij algemene recidive) en 6 procent (bij gewelddadige recidive) van de gevallen tot een andere risicocategorie zou zijn gekomen. Dat betreur ik zeer. In het verbetertraject van de reclassering worden alle aanbevelingen van de Inspectie overgenomen. Het is helaas niet mogelijk om binnen dit traject met terugwerkende kracht vast te stellen of reclasseringswerkers door de implementatiegebreken in de OxRec tot andere adviezen zijn gekomen, laat staan of dit tot andere strafrechtelijke beslissingen zou hebben geleid. Reclasseringsadviezen zijn namelijk altijd gebaseerd op een menselijk oordeel, en dit menselijk oordeel kan niet achteraf opnieuw worden geconstrueerd.2
Hoe beoordeelt u de conclusie van de IJenV dat in circa een kwart van de gevallen het recidiverisico te hoog of te laag is ingeschat door fouten in het algoritme?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre kunt u vaststellen dat op basis van deze gebrekkige algoritmes er verkeerde beslissingen worden genomen?
Zie antwoord vraag 5.
Acht u het mogelijk dat fouten als gevolg van gebrekkige algoritmes invloed hebben op de veiligheid van de samenleving of de rechtspositie van betrokkenen?
Zie antwoord vraag 5.
Gaat u onderzoek doen naar de gevolgen van het gebruik van deze algoritmes door de reclassering?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe oordeelt u over de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat door het gebruik van kenmerken als postcode en inkomen in algoritmen, er indirect sprake kan zijn van discriminatie?
Volgens de Inspectie kunnen de parameters «buurtscore» en «hoogte van het inkomen» mogelijk leiden tot indirecte discriminatie. Onderscheid op basis van deze factoren kan onder strikte voorwaarden gerechtvaardigd zijn.3
Zoals mijn voorganger in de beleidsreactie op het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid over het gebruik van algoritmes door de reclassering heeft aangegeven, wordt in een verbetertraject van de reclassering onderzoek gedaan naar eventueel discriminerende elementen in de OxRec.4
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om de fouten door het gebruik van gebrekkige algoritmen te herstellen en het systeem te verbeteren om herhaling te voorkomen?
Alle conclusies en aanbevelingen uit het rapport van de Inspectie worden in het verbetertraject door de reclassering opgepakt.
Wanneer verwacht u de Kamer informeren over de voortgang van het herstel en de verbeteringen?
Ik verwacht de Kamer in het najaar van dit jaar te kunnen informeren over de opvolging van de aanbevelingen.
Het bericht dat jongeren in de jeugdzorg niet durven te klagen over misstanden. |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderombudsman: jongeren in de jeugdzorg durven niet te klagen over misstanden» in de Trouw d.d. 11 februari 2026?
Ja.
Deelt u de mening dat het van cruciaal belang is dat kinderen in de jeugdzorg zich veilig genoeg voelen om een klacht in te dienen bij misstanden?
Ja. Het klachtrecht in de jeugdzorg is een belangrijke vorm van rechtsbescherming voor jeugdigen en/of ouders. Jeugdigen en/of ouders moeten zich veilig genoeg voelen om te klagen over de manier waarop een instantie hen helpt (onder meer over bejegening). Klachtrecht is ervoor bedoeld dat jeugdigen en/of ouders zich gehoord voelen en dat een klacht kan bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp.
Wat vindt u ervan dat uit onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat kinderen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten?
In het rapport «Je bent maar een kind, je durft gewoon niet»1 is één van de bevindingen dat jeugdigen problemen in de jeugdzorg niet informeel durven aan te kaarten. Ik vind dit zorgelijk. De voormalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en mijn ambtsvoorganger hebben vorig jaar onderzoek laten uitvoeren om een actueel overzicht te krijgen van de uitvoeringspraktijken en verbeterpunten van interne klachtbehandeling bij organisaties in het brede jeugdzorgdomein. Dit onderzoek is 17 december jl. aan uw Kamer aangeboden2. Het rapport biedt aanknopingspunten om het klachtrecht te verbeteren. Het is een omvangrijk rapport dat aanbevelingen doet op zowel juridisch gebied als op de uitvoering. Momenteel bestuderen de Staatssecretaris van JenV en ik dit nader. Hiervoor voeren het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS gesprekken met de betrokken organisaties, zoals met de VNG en de brancheorganisaties. Ook gaan we in gesprek met jongeren als onderdeel van de kinderrechtentoets. De bevindingen uit het rapport van de Kinderombudsman nemen we hierin uiteraard mee. Voor de zomer van 2026 informeren de Staatssecretaris van JenV en ik de Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de te zetten stappen.
Herkent u de signalen uit het onderzoek van de Kinderombudsman, waaruit blijkt dat kinderen in de jeugdzorg vrijwel nooit een formele klacht durven in te dienen uit angst voor repercussies? Wat vindt u hiervan?
Uit de cijfers van Jeugdstem blijkt dat zij de afgelopen drie jaar duizenden jongeren en ouders hebben ondersteund bij een klachttraject, zie de tabel hieronder:
Klacht ondersteuningstrajecten
Jeugdigen
Ouders
2023
1.912
1.613
2024
2.521
1.832
2025
2.480
1.895
Ik vind het belangrijk dat jongeren zelfstandig een klacht kunnen indienen in een veilig pedagogisch klimaat. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor het creëren en het waarborgen van een cultuur waar het veilig en toegankelijk is voor jeugdigen en ouders om een klacht in te dienen. Ook is het van belang dat klachtenprocedures toegankelijk zijn en er een organisatiecultuur is waarin geleerd wordt van feedback van jeugdigen en ouders. Deze aanbeveling komt ook overeen met een aanbeveling uit het eerder genoemde rapport3.
Daarom is het belangrijk dat zij een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon die hen kan ondersteunen bij het indienen van een klacht. Ik subsidieer hiervoor Jeugdstem, een landelijke en onafhankelijke organisatie van vertrouwenspersonen in de jeugdzorg, die hen een luisterend oor biedt. Deze gesprekken zijn veilig en vertrouwelijk. Jeugdigen en ouders kunnen ook bij een vertrouwenspersoon terecht voor informatie en advies, onder meer over hun rechtspositie.
Bent u op de hoogte van de wijze waarop jeugdzorgorganisaties hun klachtenprocedures inrichten?
Met het hierboven genoemde onderzoek is een beeld gegeven van de klachtenprocedures in het jeugdzorgdomein. Het is de taak van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) om toe te zien of een jeugdhulpaanbieder beschikt over een klachtenprocedure die voldoet aan de Jeugdwet.
Het onderzoek stelt dat de klachtenprocedures te ingewikkeld zijn en het voor jongeren vaak niet duidelijk is hoe de klachtenprocedure werkt, herkent u de conclusies uit het onderzoek van de Kinderombudsman over de gebreken in de klachtenprocedures van de jeugdzorg?
Ik herken dit beeld. Dit wordt ook bevestigd in het onlangs gepubliceerde onderzoek naar klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein4, dat in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van VWS is uitgevoerd.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de klachtenprocedures in de jeugdzorg verbeterd worden en kinderen zich veilig voelen om informeel, dan wel formeel te melden?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, wordt uw Kamer voor de zomer van 2026 geïnformeerd over te zetten stappen.
Klopt het dat in sommige gevallen een officiële klacht ingediend moet worden via een begeleider?
Op grond van de Jeugdwet mogen jeugdigen en/of ouders zelfstandig een klacht indienen. Hier is geen begeleider voor nodig. Desgewenst kunnen jeugdigen en/of ouders een beroep doen op ondersteuning indien dit wenselijk wordt geacht.
Het onderzoek van de Kinderombudsman stelt ook dat de afhandeling van klachten onvoldoende verloopt, herkent u dit beeld en zo ja hoe gaat u ervoor zorgen dat dit wordt verbeterd?
Ja, ik herken dit beeld. Voor de zomer van 2026 informeren we de Kamer via de reguliere jeugdzorgbrief over de voortgang van de te zetten stappen.
Deelt u de mening dat een gebrek aan lerend vermogen bij de organisatie naar aanleiding van een klacht de drempels hiertoe voor een jongere nog hoger maakt? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit lerend vermogen toeneemt?
Dit zou niet zo moeten zijn. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb aangegeven, dient het klachtrecht onder meer bij te dragen aan het verbeteren van de kwaliteit van jeugdhulp. Het eerdergenoemde onderzoek5 geeft op dit punt ook een aanbeveling. Mede hierover voeren het Ministerie van JenV en het Ministerie van VWS gesprekken met de betrokken organisaties
Kunt u aangeven op welke manier klachtenprocedures binnen de residentiële jeugdhulp beter kunnen aansluiten bij de aanbevelingen die de Kinderombudsman in 2016 hierover heeft gedaan?
In de vervolgstappen op het eerder genoemde onderzoek zullen ook de bevindingen uit het recente rapport van de Kinderombudsman en de aanbevelingen van de Kinderombudsman uit 2016 worden meegenomen. Overigens zijn er sindsdien 2016 wel ontwikkelingen geweest. Zo heeft Jeugdstem in 2023 materiaal ontwikkeld, waarmee professionals in een vroeg stadium met cliënten het gesprek aan kunnen gaan over welke stap het beste genomen kan worden wanneer ze ontevreden zijn. Het doel hiervan is om de informatievoorziening voor jeugdigen en ouders te verbeteren en de toegankelijkheid van klachtenprocedures te vergroten. Ook heeft Jeugdstem opleidingsmateriaal over klachtafhandeling ontwikkeld voor professionals.6
Hoe ziet u uw rol als stelselverantwoordelijke ten aanzien van de jeugdzorg in het verbeteren van de klachtenprocedures?
Als Minister ben ik verantwoordelijk voor de wettelijke kaders voor de klachtenprocedures bij jeugdzorgorganisatie. Organisaties in het jeugdzorgdomein kunnen binnen deze kaders hun eigen interne klachtenprocedure inrichten. Met de Staatssecretaris van JenV kijk ik naar de mogelijkheden om klachtenprocedures te versterken.
Kunt u deze vragen individueel beantwoorden?
Ja, zie antwoorden hierboven.
Het bericht ‘Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog’ |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Rijkaart , Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zeker 48 Joodse begraafplaatsen geruimd na de oorlog»?1
Gemeenten hebben na de Tweede Wereldoorlog op grond van artikel 24 van de toenmalige Begraafwet (Stb 1869,2 in overleg met de Joodse gemeenschap enkele tientallen Joodse begraafplaatsen gesloten en hebben daartoe de overledenen na de opgraving – en voor zover bekend onder rabbinaal toezicht – herbegraven op een andere (Joodse) begraafplaats. Dat Joodse begraafplaatsen ruimte maakten voor de aanleg van nieuwe voorzieningen of infrastructuur voor uitbreidende stedelijke gebieden was niet uniek, ook andere begraafplaatsen moesten hiervoor wijken.
Ik vind het pijnlijk dat uitgerekend de Joodse gemeenschap zo vlak na de Holocaust getroffen werd door de sluiting van hun begraafplaatsen, waarmee de eeuwigdurende grafrust van vele overleden dierbaren is verstoord, ook gelet op de kille behandeling vanuit de overheid die hen op veel andere terreinen ten deel viel. Ik heb begrip voor de reacties die dit nu oproept.
Wat is uw reactie op de conclusie dat na de oorlog tientallen keren Joodse begraafplaatsen zijn geruimd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat zich op sommige begraafplaatsen die als geruimd te boek stonden nog steeds graven bevonden?
Tot 1991 was er geen wettelijke verplichting voor begraafplaatsen om een register bij te houden met een nauwkeurige aanduiding van waar de graven zich bevonden. Veel begraafplaatsen hielden voor 1991 wel een register bij van degenen die op de begraafplaats begraven lagen, bijvoorbeeld om kosten in rekening te kunnen brengen. Veel van deze registers zijn helaas tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Ook is er veel kennis verloren gegaan doordat de houder van de begraafplaats ten tijde van de opgravingen niet meer in leven was.
Op welke wijze wilt u richting de Joodse gemeenschap erkenning geven van deze pijnlijke situaties, zeker gezien de status die binnen de Joodse gemeenschap aan het begraven wordt toegekend?
Hoe wilt u bijdragen aan meer duidelijkheid over de precieze omvang van het probleem en de noodzakelijke stappen die op basis daarvan gezet dienen te worden?
Gaat u in overleg met betrokken (overheids)organisaties om nader onderzoek en een betere verantwoording en inventarisatie mogelijk te maken?
Op welke wijze zorgt u er in samenwerking met gemeenten voor dat van alle voormalige Joodse begraafplaatsen duidelijk wordt of er zich ondanks de gewijzigde bestemming toch nog graven bevinden en hoe verdere schade wordt voorkomen? Wilt u hiervoor in samenwerking met de VNG een plan opstellen?
Bent u bereid om in overleg te treden met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap over de wijze waarop de overheid kan bijdragen aan erkenning en verwerking van deze gebeurtenissen en de gevolgen ervan voor nabestaanden en het treffen van gedragen maatregelen waar dat nodig blijkt?
Het onderzoek van de Consumentenbond naar tekortkomingen in de bescherming van online gokkers en de lopende massaclaim van de Consumentenbond. |
|
Sarah Dobbe (SP), Mirjam Bikker (CU) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Verboden trucs in legale online casino’s: massaclaim in de maak»1 en «Consumenten voor totaalverbod gokreclame én betere bescherming»2?
Ja.
Hoe weegt u het feit dat 84% van door de Consumentenbond onderzochte populatie een totaalverbod op gokreclame steunt en 88% betere bescherming tegen dark patterns verlangt?
De in het bericht van de Consumentenbond genoemde cijfers geven een belangrijk signaal af over maatschappelijke zorgen rond gokken. Ik neem dergelijke signalen serieus en betrek deze bij de uitwerking van de door mijn voorganger aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand.3
Kunt u expliciet aangeven of u van oordeel bent dat de Wet kansspelen op afstand, zoals deze sinds 2021 wordt uitgevoerd, onvoldoende bescherming biedt aan kwetsbare spelers en waarop u dat oordeel baseert?
De Wet op de Kansspelen, zoals deze in 2021 is gewijzigd met de Wet kansspelen op afstand (hierna: Wet koa), biedt onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. Dit is ook de algemene conclusie in de evaluatie van de Wet koa.4 Daarin concluderen de onderzoekers dat de invoering van de Wet koa tot op heden (nog) niet heeft bijgedragen aan een verantwoord en controleerbaar kansspelaanbod. Ook heeft het beleid volgens de onderzoekers geleid tot een grote groep nieuwe spelers, waaronder relatief veel jongvolwassenen. De Wet koa heeft wel geleid tot een betrouwbaar aanbod en tot een mate van controleerbaarheid en controle die groter is dan bij illegaal aanbod het geval is, aldus de onderzoekers. Daarnaast blijkt uit een analyse van TNO dat online gokken een systeem is met een sterke neiging tot escalatie, aangedreven door positieve feedbackloops in zowel vraag als aanbod. Volgens TNO zijn de beschermende maatregelen tegen onmatig speelgedrag en ter preventie van verslaving niet in staat gebleken deze zelfversterkende feedbackloops afdoende te bedwingen.5
Bent u het ermee eens dat de belofte van «veilig en gecontroleerd» online gokken niet is waargemaakt, nu structureel sprake is van toenemende gokverslavingen, ernstige financiële schade bij gedupeerde burgers en het gebruik van gedragsbeïnvloedende technieken door legale aanbieders?
Zoals ik hiervoor in het antwoord op vraag 3 heb genoemd, biedt de Wet koa onvoldoende bescherming aan kwetsbare spelers. De Wet koa ging uit van de eigen verantwoordelijkheid van de speler en de bescherming beperkte zich daarbij tot consumenten en het voorkomen van kansspelverslaving. De toen gekozen insteek blijkt problematisch te zijn, zo blijkt uit de evaluatie van de Wet koa, en betere bescherming is nodig.
Deelt u de opvatting dat het toepassen van dergelijke gedragsbeïnvloedende technieken door vergunninghoudende gokbedrijven onverenigbaar is met hun zorgplicht, juist omdat zij aantoonbaar bijdragen aan problematisch speelgedrag?
Onderzoeksbureau Behavioural Insights heeft in opdracht van de Ksa onderzoek gedaan naar gedragsbeïnvloeding op bepaalde online kansspelplatformen. Uit het rapport, dat in september 2025 is opgeleverd, komt naar voren dat online kansspelaanbieders zowel op positieve als negatieve wijze gebruik maken van gedragsbeïnvloeding om het gedrag van consumenten te sturen. Positieve gedragsbeïnvloeding zijn bijvoorbeeld ontwerptechnieken om mensen te helpen weloverwogen keuzes te maken. Negatief bijvoorbeeld als de beslisomgeving wordt ingericht met als doel om mensen zo veel mogelijk te laten inzetten of zo lang mogelijk te laten spelen. Dit laatste is kwalijk en onwenselijk in het kader van bescherming van mensen tegen gokschade.
Is het ontbreken van een expliciet wettelijk verbod op dark patterns een lacune in de bescherming van burgers die actief zijn op online gokplatforms? Zo ja, hoe en op welke wijze en termijn bent u van plan dit probleem aan te pakken?
Bij de uitwerking van de aangekondigde maatregelen wordt ook gekeken naar de gedragsbeïnvloedende technieken die worden toegepast en of het noodzakelijk is om daar de wet- en regelgeving op aan te passen. Hier kan ik nu nog niet op vooruitlopen.
Hoe beoordeelt u de vaststelling van de Consumentenbond dat meerdere legale aanbieders werken met oneerlijke standaardinstellingen en extreem hoge speellimieten, en kunt u bevestigen of dit naar uw oordeel in strijd is met geldende wet- en regelgeving?
Het onderzoek van de Consumentenbond waarin extreem hoge speellimieten en oneerlijke standaardinstellingen werden vastgesteld is gepubliceerd in november 2023. Inmiddels is de regelgeving op dit onderwerp aangepast en zijn op 1 oktober 2024, vooruitlopend op de evaluatie van de Wet koa, maatregelen ingevoerd op het gebied van speellimieten en spelersbescherming.6 Op basis van de Regeling speellimieten en bewuster speelgedrag en de Beleidsregel Verantwoord Spelen 2024 van de Ksa gelden stortingslimieten waarbij spelers worden verplicht contact op te nemen met de vergunninghouder wanneer zij een maandelijkse stortingslimiet van 350 euro of hoger willen instellen (150 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar) en waarbij de vergunninghouder verplicht is de financiële draagkracht van een speler na te gaan wanneer deze meer dan 700 euro in de maand stort (300 euro voor jongvolwassenen tot 24 jaar). Daarnaast geldt op basis van deze maatregelen dat het instellen van limieten plaats dient te vinden in een neutrale keuzearchitectuur, waarbij de speler zo min mogelijk wordt beïnvloed door gedragsbeïnvloedingstechnieken. Oneerlijke standaardinstellingen of extreem hoge speellimieten zijn binnen deze regelgeving niet meer toegestaan. Verder dienen limieten verplicht in euro’s te worden weergegeven en gelden verplichte pop-ups tijdens het spelen. Uit de effectmetingen van de Ksa blijkt dat deze maatregelen effect hebben omdat spelers bij vergunde aanbieders minder hoge limieten instellen en minder verliezen na de genoemde wijziging van de regelgeving. Dit is uiteengezet in de brief aan uw Kamer op 3 juli 2025.7
De Ksa houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en treedt op bij overtredingen, zoals bij de recente bindende aanwijzing voor Hillside in het kader van de zorgplicht en nagaan van de draagkracht van spelers.8
Kunt u concreet aangeven welke maximale speellimieten en welke uitgangspunten voor standaardinstellingen momenteel wettelijk of beleidsmatig gelden, en waarom deze niet hebben voorkomen dat spelers gemiddeld duizenden euro’s verliezen?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe vaak heeft de Kansspelautoriteit sinds 2021 handhavend opgetreden tegen legale aanbieders wegens schending van de zorgplicht, en kunt u daarbij per jaar aangeven hoeveel waarschuwingen, boetes en vergunningmaatregelen zijn opgelegd? Acht u deze handhavingspraktijk, bezien in het licht van de huidige maatschappelijke schade en de lopende massaclaim, voldoende afschrikwekkend, en zo ja, waarom?
In 2023, 2024 en 2025 heeft de Ksa het volgende aantal waarschuwingen gegeven en boetes opgelegd aan vergunde aanbieders:
Interventie
2025
2024
2023
Waarschuwingen
38
37
16
Boetes
5
2
8
Een groot deel van het aantal waarschuwingen aan de legale aanbieders had betrekking op de zorgplicht. Ook hebben alle vijf boetes in 2025 betrekking gehad op overtredingen van de zorgplicht. Gezien de lange doorlooptijden van boetetrajecten, hebben de boetes van 2025 betrekking op overtredingen van de zorgplicht die plaatsvonden na de opening van de markt in 2021 t/m 2023. Een aantal onderzoekdossiers in het kader van de zorgplicht wacht nog op een mogelijke handhavingsactie van de Ksa. Naast waarschuwingen en boetes maakt de Ksa ook gebruik van lasten onder dwangsom, aanwijzingen en normoverdragende gesprekken als handhavingsopties om ervoor te zorgen dat de legale aanbieders zich houden aan de zorgplichtregels. Als in de vraagstelling met «vergunningsmaatregelen» intrekking van de vergunning wordt bedoeld, dan is het antwoord dat dit niet heeft plaatsgevonden.
Het is aan de Ksa of en hoe zij in een individueel geval handhaven. Ik kan geen uitspraken doen over of de huidige handhavingspraktijk al dan niet voldoende afschrikwekkend is. Wel erken ik dat het instrumentarium van de Ksa voor toezicht en handhaving op vergunde aanbieders verbetering behoeft. In het traject tot wijziging van wet- en regelgeving van online kansspelen wordt dit meegenomen. Daarnaast kan de aanscherping van de zorgplicht waaraan ik eveneens werk ook bijdragen aan verbeterde toezicht en handhaving.
Deelt u de juridische opvatting dat het structureel schenden van de zorgplicht en het toepassen van verboden of misleidende technieken kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen, met als mogelijke consequentie ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding aan gedupeerden?
Dit zal per individueel geval moeten worden bekeken en hangt af van hetgeen, bijvoorbeeld ongeldigverklaring van contracten en schadevergoeding, daadwerkelijk wordt geëist in een juridische procedure. Een oordeel hierover is aan de rechter. In het kader van het traject tot wijziging van wet- en regelgeving op het gebied van kansspelen op afstand onderzoek ik in hoeverre de rechtspositie van spelers van online kansspelen kan worden verbeterd bij (gestelde) schending van de zorgplichtregels en regels rond verslavingspreventie.
Welke concrete gevolgen zou een rechterlijke vaststelling van dergelijk onrechtmatig handelen volgens u moeten hebben voor de vergunningverlening, verlenging of intrekking bij betrokken aanbieders?
Het is niet aan mij is om te besluiten over het schorsen of intrekken van een vergunning. Deze besluiten zijn aan de Ksa, als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan.
Zoals ook in de beantwoording van eerdere Kamervragen is genoemd, kan de Ksa besluiten een vergunning in te trekken indien nieuwe informatie of antecedenten met betrekking tot een vergunninghouder leiden tot het inzicht dat de vergunning toentertijd niet zou zijn verstrekt.9 Daarnaast zal de Ksa de toezichtservaring over de voorgaande vergunningsperiode met betrekking tot een vergunninghouder meewegen in de beoordeling van verlengingsaanvragen. Onder andere worden overtredingen en het gedrag van vergunninghouders tijdens de huidige vergunningsperiode mee gewogen in de beoordeling.
Kunt u concreet aangeven welke aanvullende wettelijke maatregelen u op korte termijn zult nemen om de zorgplicht van online kansspelaanbieders afdwingbaar te versterken, en op welke termijn de Kamer hierover voorstellen kan verwachten?
Momenteel werk ik de aangekondigde maatregelen rond kansspelen op afstand uit, waaronder aanscherping van de zorgplicht. Mijn voorganger heeft met de Kamer het streven gedeeld om uw Kamer dit voorjaar te informeren over richtinggevende keuzes die in het kader van de maatregelen zijn gemaakt. Daarbij wordt uw Kamer ook geïnformeerd over de planning van het wetgevingstraject. Wat betreft de zorgplicht geldt dat een onafhankelijke expertgroep werkt aan het doen van aanbevelingen op dit terrein. Deze aanbevelingen worden in de zomer van 2026 verwacht en meegenomen in het wetgevingstraject.
Het nodeloos vertragen van de openbaarmaking van emissiegegevens van veehouderijen. |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op het feit dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) zich genoodzaakt ziet om voor de tweede keer een zeer kritisch advies uit te brengen omdat u vasthoudt aan een onnodige, kostbare en bureaucratische zienswijzeprocedure, die in strijd is met het eerdere advies van het Adviescollege?1
Ik heb kennisgenomen van het ACOI-advies en de inhoud daarvan. Bij brief van 4 februari 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het advies van het ACOI en mijn reactie daarop2.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u expliciet heeft geadviseerd uw keuze voor individuele aanschrijvingen voor zienswijzeverzoeken te herzien?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Kunt u bevestigen dat het ACOI u heeft geadviseerd om in te zetten op actieve openbaarmaking die recht doet aan álle betrokken belangen, waaronder het publieke belang van transparantie?
Het advies van ACOI is bij uw Kamer bekend en ik heb op 4 februari 2026 mijn reactie daarop met uw Kamer gedeeld.
Erkent u dat u deze adviezen naast u neerlegt?
Nee. In mijn brief van 4 februari 2026 heb ik bij uw Kamer aangegeven wat mijn reactie is op de adviezen van het ACOI.
Waarom weigert u nog altijd uitvoering te geven aan de Wet open overheid (Woo)-verzoeken over emissiegegevens van veehouderijen in Nederland in 2023, 2024 en 2025?
De behandeling van deze verzoeken verloopt volgens wettelijke kaders, waaronder de garantie op zorgvuldige besluitvorming en rechtsbescherming. Zie ook mijn brief van 4 februari 2026.
Wat bedoelt u precies met uw uitspraak dat emissiegegevens binnen de huidige wetgeving «in principe» openbaar gemaakt zouden moeten worden (Kamerstuk 32 802, nr. 137)?
Emissiegegevens moeten openbaar worden gemaakt. Dit doet echter geen afbreuk aan het feit dat sprake moet zijn van een ordentelijk proces en notificatie richting agrarisch ondernemers, zodat zij (als zij daar aanleiding toe zien) ook de gelegenheid hebben om rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid bestaat dat in voorkomende gevallen conform de wet wordt besloten dat (een deel van) de gevraagde informatie niet openbaar wordt gemaakt.
Onderschrijft u de uitspraak van het ACOI dat de wet géén ruimte laat om de emissiegegevens níet openbaar te maken en dat deze gegevens dus niet «in principe», maar onvoorwaardelijk openbaar moeten worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Waarom wekt u desondanks de indruk dat een zienswijzeprocedure nog invloed kan hebben op de verplichting tot openbaarmaking van deze emissiegegevens?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze feitelijk leidt tot een jarenlange vertraging van de toegang tot emissiegegevens voor journalisten, maatschappelijke organisaties en burgers? Wat vindt u hiervan?
Ik vind een zorgvuldige en juridisch houdbare aanpak belangrijk, ook als dit extra tijd vergt. In het geval van emissiegegevens van agrarische bedrijven vind ik zorgvuldigheid des te meer van belang omdat het daar vaak ook
gaat om privéadressen van agrarische ondernemers en hun gezinnen.
Bent u zich ervan bewust dat uw handelwijze leidt tot grootschalige verspilling van schaarse publieke middelen? Wat vindt u hiervan?
Ik ben mij ervan bewust dat het beoordelen van zienswijzen en bezwaren tijd en inzet vergt. Een zienswijzeprocedure moet naar mijn mening op een zodanige wijze worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Ik verwerp dan ook het door het ACOI geschetste beeld van verspilling van schaarse publieke middelen, omdat dit voorbij gaat aan het bieden van een mogelijkheid aan agrarisch ondernemers om van hun recht gebruik te maken om een zienswijze te geven.
Hoe rechtvaardigt u dat mogelijk tot 60 miljoen euro, circa 20 procent van het totale budget van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), wordt besteed aan een onnodige, vertragende en juridisch ondeugdelijke zienswijzeprocedure?
Allereerst wil ik ten zeerste weerspreken dat zienswijzenprocedures onnodig, vertragend en juridisch ondeugdelijk zijn. Ik ben mij ervan bewust dat uitvoeringsprocedures publieke middelen vergen. De kosten van de zienswijzeprocedure zijn afhankelijk van hoeveel Woo-verzoeken naar emissiegegevens ingediend worden en hoeveel zienswijzen gevraagd worden. Begin 2025 is een eerste kosteninschatting gemaakt. De genoemde 60 miljoen euro waren het maximum scenario met het uitgangspunt dat 90% van de aangeschreven agrarisch ondernemers een zienswijze in zou dienen. Het is op dit moment niet in te schatten hoeveel van de aangeschreven agrarisch ondernemers zienswijze zal indienen en hoeveel omvangrijke Woo-verzoeken nog volgen. Zoals hiervoor benoemd, ben ik van mening dat een zienswijzeprocedure op een zodanige wijze moet worden ingericht dat zo veel mogelijk derde-belanghebbenden worden bereikt. Zij kunnen dan zelf de afweging maken of zij een zienswijze willen indienen. Zo levert deze uitgave een bijdrage aan het opbouwen van het vertrouwen in de overheid.
Kunt u concreet aangeven welke taken van de RVO hierdoor onder druk komen te staan of niet meer kunnen worden uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u hierover overleg gevoerd met de RVO? Zo ja, wat is hun oordeel over deze gang van zaken?
Uiteraard heb ik hierover ook gesproken met RVO. Tijdens gesprekken hierover is onder andere gesproken over de gevolgen van de individuele procedure.
Waarom blijft u doorgaan met het ten onrechte gebruiken van uw bevoegdheid om openbaarmakingsbesluiten in te trekken, zoals de Raad van State oordeelde op 24 september 2025 in haar uitspraak over de openbaarmaking van emissiegegevens?2
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State besloten om bij Woo-verzoeken waarbij reeds zienswijzen zijn uitgevraagd via de Staatscourant, niet opnieuw zienswijzen uit te vragen via de individuele procedure. Ik zal dus enkel bij Woo-verzoeken waarbij nog geen zienswijzen zijn uitgevraagd kiezen voor individuele benadering.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat de zienswijzeprocedure die heeft plaatsgevonden al in overeenstemming was met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)?3
Zie antwoord vraag 14.
Neemt u het oordeel van de Raad van State over dat stelt dat u niet bevoegd was om de openbaarmakingsbesluiten op bezwaar in te trekken?4
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 september 2025 geoordeeld dat de eerder genomen besluiten op bezwaar om informatie openbaar te maken, niet hadden mogen worden ingetrokken en dat de gevraagde informatie binnen twee weken openbaar moet worden gemaakt. Ik heb de gegevens die centraal stonden in die zaak reeds openbaar gemaakt.
Deelt u de conclusie van het ACOI dat uw handelwijze ertoe leidt dat de samenleving uw beleid om de uitstoot van schadelijke stoffen terug te dringen onvoldoende kan controleren? Zo nee, waarom niet?5
Nee, ik deel de mening van het ACOI niet dat de individuele procedure ertoe zou leiden dat de samenleving het beleid onvoldoende kan controleren. Openbaarheid van overheidsinformatie is een groot goed. Volgens het Verdrag van Aarhus en de Europese milieu-informatierichtlijn7 is Nederland verplicht om emissiegegevens openbaar te maken. Bij het openbaar maken van informatie is echter zorgvuldigheid voor alle betrokkenen gewenst, ook de betrokken ondernemers.
Bent u bereid om uw besluit te herzien, de aanbevelingen van het ACOI alsnog op te volgen en per direct in te zetten op actieve openbaarmaking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hiervoor aangegeven vind ik dat derde-belanghebbenden proactief en persoonlijk op de hoogte moeten worden gesteld dat er een Woo-verzoek loopt over openbaarmaking van hun gegevens en ze de gelegenheid hebben om een zienswijze in te dienen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
De vragen zijn binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Hoe reageert u op de recente bevindingen van het laboratorium SGS Search, waaruit blijkt dat meer speelgoed asbest bevat dan uit het oorspronkelijke onderzoek bleek?
Het kabinet begrijpt dat de resultaten van het onderzoek van het AD tot zorgen hebben geleid. Daarom is het goed dat de risicobeoordeling van de NVWA beschikbaar is. Hierin concludeert de NVWA dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat van de 106 speelzandmonsters er 66 geen asbest bevatten en 34 een hoeveelheid die onder de grenswaarde van 0,1% blijft.
In de gevallen waar sprake was van overschrijding van de norm, heeft de NVWA handhavend opgetreden en producten uit de schappen gehaald.
Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Nederland zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid, gezien de problemen steeds groter blijken, het zekere voor het onzekere te nemen en direct te komen tot een verkoopverbod? Zo nee, waarom niet?
In Nederland, maar ook in de rest van Europa, zijn marktdeelnemers, zoals fabrikanten, importeurs en verkopers, zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van het speelgoed en moeten zij die veiligheid kunnen aantonen. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd. De NVWA concludeert in de risico-beoordeling dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Verkopers en leveranciers van met asbest vervuild speelzand boven de norm van 0,1%, die geldt volgens het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ter implementatie van de Europese Speelgoedrichtlijn, worden door de NVWA aangesproken om de producten uit de handel te halen en eventueel bestuursrechtelijk gedwongen tot een terugroepactie. Voor de speelzandmonsters waarin meer dan 0,1% asbest is geconstateerd, is dit al gebeurd. Er zijn ook ondernemers die uit eigen beweging producten uit de handel hebben gehaald.
Daarom is het kabinet niet bereid een algemeen verkoopverbod voor speelzand in te stellen.
Aangezien meerdere laboratoria inmiddels onderzoek hebben gedaan en hebben geconstateerd dat meerdere producten met speelzand asbest bevat, bent u bereid samen te werken met deze laboratoria en experts om onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen?
De NVWA werkt samen met SGS Search te Heeswijk, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD’s), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA). De gezamenlijke expertise m.b.t. asbest binnen deze organisaties is ruim voldoende om een zorgvuldig onderzoek te doen en veiligheidsmaatregelen op te stellen.
Een zorgvuldige bemonstering, analyse en risicobeoordeling van de NVWA is cruciaal om besluiten te nemen die bestuurs- of strafrechtelijk houdbaar zijn. Daarom kan de NVWA niet handhavend optreden op basis van laboratoriumresultaten van derden, bijvoorbeeld in opdracht van particuliere partijen. De NVWA heeft echter wel 14 Nederlandse laboratoria benaderd om hun onderzoeksresultaten met de NVWA te delen om zo een breder beeld te krijgen van de mogelijke aanwezigheid van asbest in speelzand.
Kunt u inschatten hoeveel kinderen, ouders en medewerkers van scholen en kinderdagverblijven door dit speelgoed zijn blootgesteld aan asbestvezels?
Het is begrijpelijk dat de aanwezigheid van asbest in speelgoed, zeker op plekken waar kinderen spelen, veel zorgen oproept. We kunnen geen betrouwbare inschatting geven van het aantal kinderen, ouders of medewerkers dat mogelijk is blootgesteld. Daarvoor ontbreken essentiële gegevens, zoals de exacte omvang van het gebruik van het vervuilde speelzand en de verspreiding van de betrokken producten.
Aangezien het speelzand is aangetroffen op basisscholen en kinderdagverblijven, bent u bereid de Nederlandse Arbeidsinspectie opdracht te geven onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen waar dit speelzand is gebruikt?
De arbeidsinspectie is onafhankelijk. Daarom kan geen opdracht worden gegeven om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest op scholen en kinderopvangcentra, waar dit speelzand is gebruikt.
Bij vermoedens over gezondheids- en veiligheidsrisico’s van werkenden kan altijd een melding worden gedaan bij de arbeidsinspectie. De arbeidsinspectie pakt meldingen op basis van risicoanalyse en urgentie op. Meldingen worden met voorrang behandeld als er sprake is van direct gevaar, ernstig letsel of structurele misstanden. De arbeidsinspectie weegt dit per melding af.
Bent u bereid grootschalig onderzoek te doen naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest vormt, zoals make-up dat talk bevat?
De NVWA concludeert in haar rapport dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is.
Uit een uitgebreid onderzoek naar asbest in cosmetische producten met talk door NVWA uit 2018 bleek dat slechts een klein aantal van de producten vervuild is met asbest. Uit de risicobeoordeling bleek het hierbij te gaan om een beperkt gezondheidsrisico.
Gezien de geconstateerde geringe gezondheidsrisico’s voor asbest in speelzand en cosmetische producten ziet het kabinet geen aanleiding voor een onderzoek naar alle vormen van consumentenartikelen die mineralen bevatten die gemijnd worden in gebieden waar van nature asbest voorkomt.
Wanneer was de NVWA op de hoogte van de problemen in Australië en Nieuw-Zeeland? Wanneer zijn ze begonnen met onderzoeken? Welk laboratorium voert het onderzoek uit en is dit laboratorium geaccrediteerd voor asbest analyse? Kunt u een tijdlijn geven van alle gezette stappen en acties die zijn ondernomen?
In de brief van de toenmalig Staatssecretaris van 20 februari 2026 (Kamerstukken 2025–2026 25 834, nr. 201) is toegelicht welke acties de NVWA heeft genomen naar aanleiding van de berichten uit Australië en Nieuw-Zeeland over asbest in speelzand. De asbest analyses binnen dit onderzoek zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium SGS Search te Heeswijk. Aan de hand van deze analyseresultaten heeft het RIVM een risicobeoordeling gemaakt op basis waarvan het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek (Buro) van de NVWA een advies geformuleerd heeft. De risicobeoordeling van het RIVM en het Buro advies zijn op 8 april 2026 openbaar gemaakt via hun eigen websites.
Bent u bereid de conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de asbestvezels in het speelveld met de Kamer te delen? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze brief verwachten?
De conclusies van het onderzoek van de NVWA naar de aanwezigheid van asbest in speelzand zijn via de website van de NVWA openbaar gemaakt. Daarnaast maakt de NVWA de onderliggende resultaten actief openbaar volgens de daartoe opgestelde procedures.
Waar kunnen ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestvervuiling van hun woning door het speelzand terecht om hier onderzoek naar te doen?
Ouders die zich zorgen maken over mogelijke asbestverontreiniging in hun woning door het betreffende speelzand, kunnen in eerste instantie contact opnemen met de GGD van hun gemeente voor advies over gezondheidsrisico’s en mogelijke vervolgstappen. Als zij de aanwezigheid van asbest willen laten vaststellen, kan
dat via een gecertificeerd asbestlaboratorium of een geaccrediteerd inspectiebureau dat materiaalonderzoek uitvoert. Deze partijen kunnen monsters nemen en analyseren volgens de daarvoor geldende normen.
Welke verantwoordelijkheden hebben verkopers om dit asbest-vervuild speelzand te saneren of veilig te storten?
Met asbest-vervuild speelzand dient, net als ander asbesthoudend afval, veilig gestort te worden op een stortplaats die asbest mag accepteren. Verkopers van speelzand dat met asbest vervuild is, dienen zelf afspraken te maken met een afvalinzamelaar over de veilige afvoer en verwerking van hun afval. Zij zijn gehouden aan de (strenge) geldende asbestregelgeving die als doel heeft om de leefomgeving en burgers en de werknemers te beschermen. Dit geldt ook voor andere bedrijven en instellingen (zoals kinderopvangcentra en scholen). Indien deze partijen zich willen ontdoen van asbest-vervuild speelzand, dan dienen zij zelf afspraken te maken met een afvalinzamelaar.
Welke consequenties zijn er voor de verkopers, leveranciers en producenten van het asbestvervuilde speelzand voor het verspreiden van het speelzand en het blootstellen van kinderen aan asbest? Bent u bereid terugroepacties te verplichten?
Fabrikanten en importeurs zijn verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Verkopers en leveranciers van met asbest vervuild speelzand boven de norm van 0,1%, die geldt volgens het Warenwetbesluit Speelgoed 2011 ter implementatie van de Europese Speelgoedrichtlijn1, worden door de NVWA aangesproken om de producten uit de handel te halen en eventueel bestuursrechtelijk gedwongen tot een terugroepactie. Voor de speelzand monsters waarbij meer dan 0,1% asbest is geconstateerd is dit al gebeurd. Er zijn ook ondernemers die uit eigen beweging producten uit de handel halen en terugroepen bij klanten.
Bent u bereid samen met andere landen in Europees verband te pleiten voor een importverbod voor dit soort speelzand zolang het onduidelijk is of deze producten asbest bevatten?
Naar aanleiding van dit incident heeft Nederland het voortouw genomen bij de gezondheidskundige risicobeoordeling van asbest in speelzand. Zo’n risicobeoordeling voor speelzand was nog niet eerder uitgevoerd, waardoor een uniforme aanpak binnen de Europese lidstaten ontbreekt.
De NVWA concludeert in de risico-beoordeling dat in algemene zin het gezondheidsrisico, door het spelen met verschillende soorten speelzand, verwaarloosbaar is. Ondanks het geconstateerde verwaarloosbare risico is de aanwezigheid van asbest in speelzand ongewenst. Nederland zal zich daarom in Europees verband inzetten voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen zal verder gewerkt worden aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
De oproep van strafrechters om het tbs-systeem te ontlasten |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat strafrechters het tbs-stelsel zien vastlopen?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik ken het bericht en onderken het probleem van de capaciteitsdruk binnen de tbs en de overige forensische zorg. In dit verband verwijs ik naar de voortgangsbrief forensische zorg d.d. 20 maart 2026 die tegelijk met de beantwoording van deze Kamervragen aan uw Kamer is gestuurd. Hier ga ik uitgebreid in op de aard van de problematiek en de maatregelen om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden.
Hoe beoordeelt u de oplossingsrichtingen die de twee genoemde vooraanstaande strafrechters schetsen om de bestaande overbelasting van het tbs-stelsel te helpen bestrijden, naast de voorgenomen uitbreiding van 200 extra tbs-plekken? Wat vindt u van het voorstel van deze strafrechters om het aantal plekken in lichtere forensische klinieken en in beschermd woonprojecten uit te breiden?
De forensische zorg is essentieel voor de veiligheid van de Nederlandse samenleving. In het artikel van het Algemeen Dagblad pleiten de strafrechters onder meer voor het minder snel opleggen van tbs en tbs met voorwaarden. Binnen onze constitutionele verhoudingen is het de verantwoordelijkheid van de rechter om in individuele zaken te beslissen over het opleggen van tbs (met voorwaarden).
Daarnaast pleiten de rechters voor het uitbreiden van de lichter beveiligde forensische voorzieningen en het beschermd wonen om de tbs-klinieken te ontzien. Zoals in de voortgangsbrief wordt toegelicht, onderschrijf ik het belang van het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken. Naarmate de behandeling vordert, kan de zorg van patiënten op een lager beveiligingsniveau plaatsvinden. Om te voorkomen dat tbs-gestelden langer dan noodzakelijk hoog beveiligde plekken bezet houden, is een programma opgestart door DJI samen met de tbs-klinieken en de overige forensische zorgaanbieders om voldoende en passende capaciteit voor vervolgzorg tijdens de strafrechtelijke titel te realiseren. Het programma heeft als doel om de door- en uitstroom in tbs-klinieken te optimaliseren.
Kunt u aangeven welke voorzieningen beschikbaar zijn voor forensische zorg, om hoeveel plekken het daarbij gaat, welke problemen bij de toeleiding naar de afzonderlijke zorgvormen bestaan, hoe het concreet met de doorstroom van tbs-gestelden naar alternatieve zorgvormen is gesteld en hoe de afzonderlijke zorgaanbieders met elkaar samenwerken om onder de huidige bestaande omstandigheden een maximaal aantal patiënten de gepaste (beveiligde) zorg en begeleiding te bieden?
Er zijn verschillende type voorzieningen beschikbaar variërend van hoog beveiligde klinische zorg in de vorm van Forensisch Psychiatrische Centra (tbs-klinieken) en Forensische psychiatrische klinieken, maar ook lager beveiligde klinische plaatsen zoals Forensische Psychiatrische Afdelingen en gesloten afdelingen in de reguliere ggz. Daarnaast zijn forensische beschermd wonen plaatsen beschikbaar en allerlei vormen van ambulante begeleiding, behandeling en dagbesteding. In 2025 zijn gemiddeld 1.684 tbs plekken, 926 klinische bedden en 2.029 forensisch wonen bedden gerealiseerd. De druk op hoogbeveiligde klinische zorg is het grootst met plaatsingsproblematiek als gevolg. Daarom zet ik in op uitbreiding van capaciteit. In de voortgangsbrief forensische zorg die ik zojuist aan de Tweede Kamer heb verstuurd, ga ik hier dieper op in. In de bijlage bij de voortgangsbrief is de Staat van de Forensische zorg toegevoegd, met meer cijfermatige overzichten.
De komende jaren wordt ingezet op uitbreiding met nog eens 200 plekken voor de tbs. De realisatie daarvan is mede afhankelijk van verschillende factoren waaronder bouwvergunningen en de beschikbaarheid van voldoende personeel.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en toegelicht in de voortgangsbrief wordt ook gezamenlijk ingezet op het bevorderen van de doorstroom vanuit de tbs-klinieken naar lagere beveiligingsniveaus en op het bevorderen van het draagvlak van gemeentes. In beginsel ligt de focus op doelgroepen met chronische problematiek die in verschillende mate toezicht en/of zorg nodig hebben op verschillende beveiligingsniveaus (met name laag of niet-beveiligd. Hiermee kunnen op termijn 50 plaatsen op het hoogst beveiligde niveau worden vrijgespeeld.
Kunt u uitsluiten dat de huidige capaciteitsdruk leidt tot onveilige situaties voor personeel en samenleving? En in hoeverre leidt de passantenproblematiek tot schadevergoedingen wegens onrechtmatige detentie?
Het bevorderen van een veilig werk- en behandelklimaat heeft voor het Ministerie van Justitie en Veiligheid, haar uitvoeringsorganisaties en de zorgaanbieders de hoogste prioriteit. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat incidenten nooit volledig kunnen worden uitgesloten. Daarom proberen wij gezamenlijk van ieder incident te leren en er alles aan te doen om incidenten te voorkomen.
Zoals in de voortgangsbrief toegelicht, heeft een tbs-passant recht op een schadevergoeding wanneer de passantentermijn langer duurt dan vier maanden.2 In totaal is in 2025 is € 545.580,– aan passantenvergoedingen uitgekeerd.
Welke maatregelen zijn nodig om het vastgelopen stelsel vlot te trekken door te voorzien in een adequaat aantal tbs-plekken, om de doorstroom naar alternatieve zorgvormen te optimaliseren en om de samenwerking tussen betrokken organisaties en overheden (onder andere het Openbaar Ministerie, de advocatuur, de Rechtspraak, de Dienst Justitiële Inrichtingen, de Geestelijke Gezondheidszorg, zorginstellingen, decentrale overheden en begeleidende organisaties) te optimaliseren? Bent u bereid om hiervoor de noodzakelijke stappen te zetten, zoals bijvoorbeeld het instellen van een taskforce? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer informeren over de verdere besluitvorming hierover?
Voor het overzicht van de gezamenlijke inzet om de capaciteitsdruk binnen de forensische zorg het hoofd te bieden, verwijs ik u naar de eerder genoemde voortgangsbrief forensische zorg.