Burgemeesters die meedoen aan Nakba-herdenkingen |
|
Ranjith Clemminck (JA21), Mona Keijzer , Annabel Nanninga (JA21) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Utrechtse burgemeester Dijksma, met ambtsketen, samen met wethouder Voortman namens het college van B&W van de gemeente Utrecht een krans heeft gelegd bij een zogenoemde Nakba-herdenking op het Domplein, bij het verzetsmonument? En dat de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem ook, met hun aanwezigheid danwel online, stilstonden bij een historisch onjuiste weergave van de zogenaamde «Nakba»?
Bent u ermee bekend dat de kransen die op 4 mei waren gelegd voor Nederlandse verzetsstrijders, bevrijders en slachtoffers van oorlog en Holocaust in Utrecht kennelijk moesten wijken en achter het monument op een hoop zijn beland?
Vindt u het normaal dat kransen voor verzetsstrijders en oorlogsslachtoffers nog geen twee weken na de Nationale Dodenherdenking worden weggekwakt om ruimte te maken voor een politieke herdenking over een buitenlands conflict?
Wie heeft hiertoe opdracht gegeven, wie was hiervoor verantwoordelijk en deelt u de mening dat dit nooit meer mag gebeuren?
Heeft u reeds contact gehad met het college van B&W van de gemeente Utrecht over de wijze waarop de 4 mei-kransen bij het verzetsmonument zijn behandeld?
Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het college van B&W van de gemeente Utrecht hierover alsnog om opheldering te vragen en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Deelt u de mening dat een verzetsmonument geen podium is voor actuele geopolitieke campagnes, zeker niet wanneer daardoor de herdenking van Nederlandse verzetsstrijders en slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog letterlijk opzij wordt geschoven?
Valt het volgens u onder de taakopvatting van Nederlandse burgemeesters om buitenlandse gebeurtenissen en conflicten te herdenken, zoals de zogenaamde «Nakba»?
Zo ja, waarom herdenken burgemeesters dan niet ook de Holodomor, de Ierse Troubles, de val van Constantinopel, de Grieks-Turkse bevolkingsuitwisseling, de deling van India en Pakistan of de verdrijving van honderdduizenden Joden uit islamitische landen?
Zo nee, bent u bereid burgemeesters erop aan te spreken dat zij hun ambt niet moeten misbruiken om buitenlandse conflicten de Nederlandse samenleving binnen te trekken?
Deelt u de mening dat burgemeesters, die in Nederland al niet rechtstreeks democratisch gekozen worden, juist een extra zware verantwoordelijkheid hebben om zichtbaar boven de partijen te staan en er voor álle inwoners van hun gemeente te zijn?
Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot het optreden van burgemeesters rond een eenzijdige, historisch incorrecte zogenoemde «Nakba»-herdenking?
Vindt u het gepast dat een burgemeester in functie stilstaat bij een herdenking waarbij de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 vanuit één politiek en inaccuraat perspectief wordt gepresenteerd?
Erkent u dat de zogenaamde «Nakba»-herdenking in deze vorm voor veel Joodse Nederlanders niet voelt als een neutrale herdenking, maar als een politieke aanklacht tegen het bestaansrecht van Israël?
Begrijpt u dat Joodse Nederlanders zich door dit optreden van burgemeesters gekleineerd, miskend en in de steek gelaten weten?
Deelt u onze zorg dat deze burgemeesters hiermee niet verbinden, maar polariseren?
Bent u bekend met het feit dat de organisator van de Utrechtse herdenking eerder een raadsvergadering in Utrecht verstoorde, waar de veiligheid dusdanig in het geding kwam, dat de politie moest ingrijpen?1
Vindt u het acceptabel dat een burgemeester zich voor het karretje laat spannen van dergelijke organisatoren?
Acht u het samenwerken met knokploegen zoals deze door de burgemeester bewust en dus kwalijk, of onbewust en dus bestuurlijk naïef?
Vindt u dat burgemeesters, voordat zij met ambtsketen bij dit soort bijeenkomsten verschijnen, ten minste behoren te weten wie de organisatoren, sprekers en betrokken netwerken zijn?
Heeft u zicht op welke organisaties en personen betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Zo nee, vindt u dat wenselijk, gezien de aanwezigheid van lokale bestuurders in functie bij deze bijeenkomsten?
Bent u bereid dit alsnog te laten nagaan?
Heeft het kabinet zicht op eventuele verbanden tussen deze organisaties of personen en netwerken waarover de AIVD, politie of het Openbaar Ministerie (OM) zorgen hebben geuit?
Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Hoe verhoudt deelname van lokale bestuurders aan dergelijke bijeenkomsten zich tot de waarschuwing van de AIVD dat in Nederland een Hamas-netwerk actief is?
Bent u bereid gemeenten actief te waarschuwen voor het risico dat bestuurders worden ingezet als legitimatie voor radicale, extremistische of antisemitische agenda’s?
Heeft u zicht op de financiering van de organisaties die betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Zo nee, acht u dat verantwoord, gelet op recente zorgen over buitenlandse en/of extremistische beïnvloeding van anti-Israëlische activiteiten in Nederland?
Bent u bereid te laten nagaan of de betrokken organisaties direct of indirect financiële steun ontvangen uit het buitenland, van aan Hamas gelieerde netwerken, of van organisaties waarover de AIVD, politie of het OM zorgen hebben geuit?
Kunt u uitsluiten dat bij de organisatie, financiering of ondersteuning van deze herdenkingen sprake is geweest van beïnvloeding door extremistische, antisemitische of aan Hamas gelieerde netwerken?
Deelt u de mening dat de versie van de «Nakba» die in dit soort bijeenkomsten centraal staat vaak een eenzijdig en historisch verdraaid beeld geeft van 1948, waarbij de aanval van Arabische legers op de pas opgerichte staat Israël buiten beeld blijft?
Zo nee, waarom klopt volgens u dan deze versie van de historie van het gebied?
Deelt u de mening dat het buitengewoon kwalijk is als Nederlandse bestuurders deze eenzijdige geschiedschrijving bestuurlijk legitimeren?
Bent u bereid uit te spreken dat burgemeesters zich niet behoren te lenen voor herdenkingen die het conflict tussen Israël en Hamas importeren in Nederlandse gemeenten?
Deelt u de mening dat deze herdenkingen, zeker wanneer zij plaatsvinden bij oorlogsmonumenten, overbodig, polariserend en ongepast zijn?
Bent u bereid de betrokken burgemeesters aan te spreken op hun optreden en hun verantwoordelijkheid tegenover alle inwoners, waaronder nadrukkelijk ook de Joodse gemeenschap?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en volledig beantwoorden?
Het niet ingaan op de eerder gestelde vragen over de politieke consequenties van de extreemrechtse geweldsfantasie van Gidi Markuszower |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Waarom heeft u in antwoord op de op 15 mei 2026 gestelde Kamervragen slechts het woordvoeringslijntje herhaald waarover de vragen juist waren gesteld en verwijst u steeds naar hetzelfde riedeltje dat juist de vragen opriep?1
Dit is mijn reactie op de gestelde vragen.
Herinnert u zich de grondwettelijke verhoudingen nog tussen het parlement en het kabinet, nu u zelf premier bent?
Ja.
Begrijpt u dat de Kamer heeft recht heeft u ter verantwoording te roepen over uw beleid, uw uitspraken en uw optreden, en dat, als de Kamer gebruik maakt van dat recht, u die verantwoording dan ook zult moeten afleggen?
Ja.
Kunt u alsnog ingaan op de gestelde vragen?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een dag beantwoorden, aangezien ze echt zo moeilijk niet zijn, terwijl het gevaar van groeiend extreemrechts geweld zeer dringend om effectief optreden vraagt van uw regering?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het zich niet uitspreken tegen extreemrechts geweld en het ontbreken van steun van het kabinet voor de getroffen vluchtelingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Erkent het kabinet dat er sprake is van een groei van extreemrechts, waarvoor de veiligheidsdiensten al langer waarschuwen?
De AIVD en NCTV constateren een groeiende normalisatie van het rechts-extremistische narratief. In het AIVD jaarverslag van 2025 staat dat, binnen de rechts-extremistische beweging, er veel personen en subgroepen zijn die het rechts-extremistische geluid willen normaliseren en dit breed geaccepteerd proberen te krijgen. Daarbij presenteren ze hun gedachtegoed veelal in een mildere vorm om zo acceptabeler over te komen, terwijl ze achter de schermen het rechts-extremistische doel van een «blanke etnostaat» nastreven.
Erkent u dat het kabinet een grote verantwoordelijkheid heeft om de groei van extreemrechts effectief tegen te gaan en het in elk geval niet verder te laten doorwoekeren?
Ja. Dit kabinet zet zich in voor het beschermen van de nationale veiligheid tegen de vele dreigingen die onze vrije Nederlandse samenleving kunnen ondermijnen. Daar waar het gaat om het normaliseren van rechts-extremistisch gedachtegoed acht het kabinet het van belang om zich daartegen uit te spreken en te normeren.
Voor het tegengaan van extremisme bestaat een breed instrumentarium. Sinds twee jaar is de Nationale Extremismestrategie van de Ministers van Justitie en Veiligheid, Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van kracht. Hierin wordt een integrale inzet beschreven: van vroege preventie, tot het beschermen van bestuurders en hard optreden bij excessen. Deze strategie is van toepassing op alle vormen van extremisme, waaronder rechts-extremisme. De NCTV volgt de ontwikkelingen rondom rechts-extremisme nauwlettend om zo de ideologie-neutrale aanpak te kunnen versterken waar nodig.
Waarom heeft u het geweld en de brandstichting bij een noodopvanglocatie voor vluchtelingen niet veroordeeld als extreemrechts geweld, maar koos u ervoor om de daders slechts te bestempelen als «een groep relschoppers» die «zorgen» zouden hebben die je «altijd» mag «uitspeken» en heeft u alleen in algemene termen gezegd dat geweld nooit mag?
Het kabinet veroordeelt elke vorm van geweld. Op dit moment wordt er nog volop onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen van de afgelopen weken door het OM en de politie. De conclusies en exacte duiding moeten hieruit volgen, maar dat er meerdere uitingen zijn gedaan die geduid kunnen worden als rechts-extremistisch, zoals het tonen van prinsenvlaggen gecombineerd met bepaalde leuzen, is evident. Dit is absoluut verwerpelijk en onacceptabel. Zoals ook toegelicht in het debat van 26 mei 2026, richt dit geweld schade aan die veel dieper gaat dan alleen tastbare vernieling: het gaat om mensen. Inwoners van steden die niet meer over straat durven, de mensen in de opvanglocaties en medewerkers en vrijwilligers die in angst afwachten tot het geweld voorbij is, hulpverleners die in de vuurlinie staan en bestuurders die geïntimideerd en bedreigd worden. Het kabinet acht dit onacceptabel.
Bent u alsnog bereid om uit te spreken dat het hier ging om extreemrechts geweld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom hebben zowel u als mevrouw Yeşilgöz in haar rol als eerste vicepremier (en uw vervanger bij de persconferentie na de ministerraad van 13 mei) niet expliciet specifiek medeleven betuigd met de vluchtelingen en medewerkers in het pand die slachtoffer zijn geworden van dit intimiderende geweld en de brandstichting bij hun onderkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om op zeer korte termijn een bezoek te brengen aan de bewoners en de medewerkers van de noodopvanglocatie in Loosdrecht om hen alsnog een hart onder de riem te steken en persoonlijk uw medeleven over te brengen, namens het hele kabinet?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn beantwoord binnen de termijn.
De spreidingswet |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Hoe vaak is, sinds de inwerkingtreding van de spreidingswet, een gemeente door u daadwerkelijk gedwongen (door middel van een aanwijzingsbesluit en dus tegen de zin van de gemeente in) asielzoekers op te vangen? Welke gemeenten betrof dit en om hoeveel asielzoekers ging het?
Welke gemeenten hebben zelf, uit eigen beweging, sinds de inwerkingtreding van de spreidingswet, deels of geheel voldaan aan het verdeelbesluit dat voor de desbetreffende gemeente is vastgesteld?
Kan de Tweede Kamer een lijst krijgen met de aantallen asielzoekers die gemeenten vrijwillig hebben opgevangen, als gevolg van verdeelbesluiten, of gedwongen na een aanwijzingsbesluit, besluiten die dus zijn genomen op basis van en sinds de inwerkingtreding de spreidingswet?
Het huidige bezoek van de minister aan Egypte. |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Sarah Dobbe (SP) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Welke doelen heeft u gesteld aan uw bezoek aan Egypte?
Egypte is een belangrijke strategische partner voor Nederland in de regio. Mijn bezoek bood de gelegenheid voor verdieping van onze bilaterale relatie op thema’s als handel, migratiesamenwerking en humanitaire hulp.
Onderdeel van mijn bezoek was o.a. een succesvolle handelsmissie op tuin- en akkerbouw die bijdroeg aan kansen voor het Nederlands bedrijfsleven, maar ook als doel had nader inzicht te krijgen in de economische en maatschappelijke uitdagingen waar Egypte momenteel voor staat. Ook bood mijn bezoek de gelegenheid de samenwerking op het gebied van water verder te verdiepen, o.a. door betrokkenheid van het Nederlandse bedrijfsleven een impuls te geven. Nederland en Egypte vieren dit jaar 50 jaar watersamenwerking.
Mijn bezoek was ook een goede gelegenheid voor het bevestigen van de goede bilaterale migratiesamenwerking met Egypte als migratiepartnerland. Egypte is een belangrijk herkomst- en transitland voor migranten en vangt veel vluchtelingen op.
Een ander doel van dit bezoek was steun uitspreken voor de rol die Egypte speelt bij het leveren van humanitaire hulp aan Gaza. Ik heb ook de Nederlandse bijdrage aan humanitaire hulp in Gaza en het belang van humanitaire toegang benadrukt.
Spreekt u tijdens uw bezoek ook over de situatie van Soedanese en Palestijnse vluchtelingen waaronder medische evacuees en andere vluchtelingen die in Egypte verblijven? Zo ja, met welke insteek en doel?
Tijdens mijn bezoek heb ik met verschillende partijen gesproken over de situatie van vluchtelingen in Egypte. Egypte speelt een belangrijke rol bij de opvang van vluchtelingen uit de regio. Onderwerpen hierbij waren onder andere de impact van de recente ontwikkelingen in Soedan en het Midden-Oosten en de visie en verwachtingen van Egypte ten aanzien van de vluchtelingenrespons. Ik heb in die gesprekken ook de kwetsbare positie van vluchtelingen aan de orde gesteld. Tevens heb ik besproken hoe de Nederlandse inzet bijdraagt aan de situatie van vluchtelingen in Egypte, waar er momenteel nog uitdagingen liggen, en hoe we de samenwerking kunnen versterken. Een voorbeeld van deze Nederlandse inzet is het PROSPECTS partnerschap, dat beoogt onder meer Soedanese vluchtelingen en hun gastgemeenschappen in Egypte toegang te geven tot bescherming en basisdiensten zoals onderwijs. Daarnaast steunt Nederland Save the Children, dat in Egypte werkt aan de bescherming van kinderen van vluchtelingen en behandeling van ongeveer 600 patiënten, voornamelijk kinderen, uit Gaza. Deze patiënten en hun begeleiders krijgen medische behandeling in private klinieken, inclusief noodzakelijke nazorg voor psychosociale zorg, prothesen en fysiotherapie. Ik heb de Palestijnse medische evacuees uit Gaza en hun begeleiders gesproken om inzicht te krijgen in hun ervaringen.
Is aan u bevestigd dat er Palestijnse kinderen zijn die om medische redenen naar Egypte zijn geëvacueerd maar daar geen hoog-specialistische zorg kunnen ontvangen? Bent u voornemens extra hulp(inzet) voor deze kinderen en hun families beschikbaar te stellen, en indien dat niet in de mogelijk is, medische evacuatie naar Nederland als optie toe te voegen?
Tijdens mijn bezoek aan Egypte heb ik een beter eigen inzicht gekregen van de situatie van patiënten, waaronder kinderen, uit Gaza die voor een medische behandeling in Egypte verblijven. Duidelijk is dat Egypte een essentiële rol speelt in de medische hulpverlening aan patiënten uit Gaza. Van alle landen uit de regio vangt Egypte het grootste aantal medische evacuees uit Gaza op.
Nederland draagt middels diplomatieke inzet en een additionele bijdrage van EUR 25 miljoen bij aan de versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio. Financiële middelen worden via onze vaste humanitaire partners, zoals de Rode Kruis en Rode Halve Maanbeweging, de Dutch Relief Alliance en VN-organisaties, ingezet ter ondersteuning van zowel de acute als structurele medische capaciteit in Gaza en de regio.
Samen met deze organisaties blijft het kabinet kijken welke stappen het verder kan nemen ter versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio. De observaties tijdens mijn bezoek aan Egypte neem ik daarin mee. In lijn met mijn inbreng hierover tijdens het Commissiedebat Humanitaire Hulp van 9 april jl. is uw Kamer toegezegd dat in deze afweging de optie van een medische evacuatie van patiënten net buiten Gaza ook meegenomen kan worden.
Aangezien het een groep kwetsbare patiënten betreft, wil het kabinet deze afweging in alle zorgvuldigheid doen. U wordt hierover zo snel als mogelijk geïnformeerd.
Bent u bekend met de kritiek van de Verenigde Naties (VN) en verschillende humanitaire organisaties op de opvang en behandeling van vluchtelingen uit onder meer Soedan in Egypte? Zo ja, wat is uw reactie? Bent u het met ons eens dat opvang van vluchtelingen humaan moet zijn en hoe verhoudt zich dat tot deze kritiek?1
Ja. Tijdens mijn bezoek heb ik met verschillende organisaties gesproken over de opvang en behandeling van vluchtelingen in Egypte. Deze organisaties hebben hun zorgen met mij gedeeld. In mijn gesprekken met de Egyptische autoriteiten heb ik waardering uitgesproken voor het feit dat Egypte zoveel vluchtelingen langdurig opvangt. Daarbij heb ik echter ook opgeroepen tot een humane aanpak, met name waar het gaat om detentie of uitzetting van kinderen. De autoriteiten zegden toe naar schrijnende situaties, zoals het scheiden van gezinnen, te zullen kijken. Onze PROSPECTS partners zijn goed gepositioneerd om hierbij te ondersteunen, ondermeer bij de ontwikkeling van het Egyptische asielsysteem.
Bent u bereid de Europese Commissie op te roepen om de resterende miljarden uit het Europese financiële steunpakket voor Egypte pas vrij te geven als wordt toegezegd dat de rechten van Soedanese vluchtelingen zullen worden gerespecteerd?
Egypte ligt in een regio getekend door conflict en vangt al jaren heel veel vluchtelingen op, terwijl het land zelf vele uitdagingen kent. Tegelijkertijd maken wij ons zorgen over de positie van vluchtelingen bij aanhoudende conflicten en toenemende noden. Nederland ondersteunt Egypte om het waardig opvangen van vluchtelingen mogelijk te maken door o.a. het PROSPECTS programma. Dit gaat gepaard met de verwachting dat Egypte vluchtelingen daadwerkelijk bescherming biedt.
Nederland benadrukt, zowel bilateraal als in multilateraal en EU verband, richting Egypte dat behandeling van migranten en vluchtelingen in lijn met internationaal recht en mensenrechten moet plaatsvinden. In lijn met motie Piri (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3199) bepleit Nederland dat een deel van de EUR 200 miljoen onder het EU partnerschap die is gereserveerd voor migratiesamenwerking besteed moet worden aan de verbetering van bescherming en opvang van asielzoekers en vluchtelingen. Ook in de verdere uitwerking van het EU partnerschap met Egypte zal Nederland aandacht blijven vragen voor de meest kwetsbaren, zoals vluchtelingen.
Bent u het eens met de vraagstellers dat het onacceptabel is dat Egypte steun geeft aan de strijdende partijen in Soedan?
Het conflict in Soedan is buitengewoon complex. Er zijn vele Soedanese én niet-Soedanese actoren betrokken, met uiteenlopende en vaak wisselende belangen.
Egypte heeft sterke historische, politieke, economische, militaire en maatschappelijke banden met Soedan. Vanwege deze banden vervult Egypte een sleutelpositie bij het vinden van een politieke oplossing voor het conflict in Soedan. Om die reden is Egypte ook onderdeel van de Quad. De Quad is een samenwerkingsverband tussen de Verenigde Staten, Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië en Egypte dat zich momenteel inspant om een staakt-het-vuren te bereiken. Nederland spreekt Egypte, net als andere landen in de regio, aan op zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de-escalatie en een politieke oplossing, en benadrukt daarbij het belang van het naleven van internationaal recht en een staakt het vuren.
Bent u het met ons eens dat de oorlog in Soedan door steun van buitenaf in stand wordt gehouden of in ieder geval langer duurt en heviger is dan het zou zijn zonder steun van buitenaf?
Het kabinet deelt de zorg van de vragenstellers over de impact van buitenlandse steun op het verloop van het conflict in Soedan. Nederland spreekt met alle landen in de regio over de situatie in Soedan. In deze gesprekken brengt Nederland stelselmatig zorgen over de humanitaire situatie naar voren, benadrukt het belang van het stoppen van de wapentoevoer naar Soedan in algemene zin, en onderstreept het de noodzaak van een staakt-het-vuren als eerste stap richting een politieke oplossing.
Daarnaast pleit Nederland binnen de Europese Unie voor een versterkte diplomatieke inzet richting relevante regionale actoren en multilaterale organisaties die betrokken zijn bij het conflict in Soedan (de VN, AU, IGAD en de League of Arab States).
Bent u bereid om tijdens uw bezoek Egypte op te roepen de steun aan de SAF te stoppen en om mee te helpen andere landen ook op te roepen de steun aan de RSF of de SAF te stoppen?
Ik heb tijdens mijn contacten met Egypte de crisis in Soedan en de noodzaak tot beëindiging van het geweld aan de orde gesteld. Egypte vervult, mede gezien zijn nauwe banden met Soedan, een belangrijke rol bij het bevorderen van een politieke oplossing voor het conflict en kan in Quad-verband een belangrijke bijdrage leveren aan het tot stand komen van een mogelijk staakt-het-vuren.
Nederland zal Egypte, evenals andere landen in de regio, blijven aanspreken op zijn verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de-escalatie en een politieke oplossing. Dat geldt voor alle vormen van steun die het conflict verlengen of verhevigen, aan zowel de RSF en gelieerde milities als de SAF.
Hoe zet u (handels)relaties met Egypte in om de druk op het stoppen van steun aan de strijdende partijen in Soedan op te voeren?
De goede bilaterale relatie met Egypte, onder andere op het gebied van handel en onze watersamenwerking, biedt de mogelijkheid in gesprekken ook zaken aan te kaarten waar de Nederlandse en Egyptische standpunten uiteenlopen.
Bent u bereid deze vragen met spoed en een voor een te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk en binnen de gestelde termijn beantwoord.
Het artikel 'Het Koninklijk Huis heeft geen boodschap aan de gevoeligheden rond de Biënnale in Venetië' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het Koninklijk Huis heeft geen boodschap aan de gevoeligheden rond de Biënnale in Venetië»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Zijne Majesteit de Koning en Hare Majesteit de Koningin voornemens zijn op 6 mei 2026 het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië te openen, terwijl Rusland daar met een eigen paviljoen aanwezig is? Is hierover vooraf afstemming geweest binnen het kabinet?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte en hierover heb ik contact gehad binnen het kabinet. Daarbij is geconcludeerd dat het bezoek doorgang kon vinden. Het Koninklijk Paar en ik waren aanwezig bij de opening van het Nederlands paviljoen, vanwege het 60-jarige jubileum van de Nederlandse bijdrage Biënnale, en om Oekraïne te steunen.
Deelt u de zorg dat de aanwezigheid van het Koninklijk Paar bij dit evenement door Rusland zal worden aangegrepen als propagandamiddel waarbij ze kunnen laten zien dat relaties aan het normaliseren zijn? Zo niet, waarom niet?
Het kabinet blijft Oekraïne onverminderd steunen en zet maximale druk op Rusland door het land economisch en politiek zoveel mogelijk te isoleren. Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland dan ook onaanvaardbaar. Daarom heb ik, samen met 21 andere Europese Cultuurministers, een protestbrief gestuurd aan de organisatoren van de Biënnale.
Oekraïne heeft delegaties van andere landen, waaronder Nederland, echter verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid. De Nederlandse delegatie is dan ook aanwezig geweest om steun te betuigen aan Oekraïne.
Tijdens mijn bezoek had ik een afspraak met mijn Oekraïense ambtsgenoot en ook het Koninklijk Paar heeft expliciet aandacht gegeven aan Oekraïne. Er zijn daarnaast verschillende maatregelen genomen om interactie met Rusland te vermijden. Zo werd door de delegatie afstand gehouden tot het Russisch paviljoen. Tevens waren de Russische autoriteiten en vertegenwoordigers van de Russische inzending niet uitgenodigd voor de opening van het Nederlandse paviljoen op 6 mei jl. Ook zal Nederland niet deelnemen aan de algemene opening van de Biënnale op 9 mei a.s.
Deelt u de zorg dat gelet op de controverse rondom Ruslands deelname, Nederland en het Koninklijk Paar reputatieschade oplopen? Zo niet waarom niet?
Nee, die zorg deel ik niet. Zie mijn antwoord op vraag 3.
De Italiaanse cultuurminister boycot de opening en de Europese Unie dreigt met het stoppen met de subsidie als Rusland mee blijft doen. Hoe verhoudt de Nederlandse keuze om juist met de hoogst mogelijke delegatie aanwezig te zijn zich hiertoe?
Deelname van Rusland aan internationale culturele evenementen is voor Nederland daarom onaanvaardbaar. De Europese Unie heeft tevens aangegeven Russische deelname onacceptabel te vinden vanwege de vernietiging van cultureel erfgoed tijdens de Russische agressie in Oekraïne, deze boodschap heb ik tevens gesteund.
Tegelijkertijd is de Biënnale één van de belangrijkste evenementen op de internationale culturele agenda. Met de Nederlandse deelname door Dries Verhoeven aan de Biënnale wordt de zichtbaarheid van Nederlandse kunst vergroot en versterkt op mondiaal niveau. De Biënnale is in essentie het platform van kunstenaars, waarbij artistieke vrijheid belangrijk is. Die vrijheid moeten we beschermen. Ik ben er ook geweest om dat te benadrukken.
Daarnaast heeft Oekraïne delegaties van andere landen verzocht om aanwezig te zijn op de Biënnale om een tegengeluid te geven aan Russische aanwezigheid.
Er is gekozen Nederlandse kunst te steunen en tegelijkertijd aan te geven dat we de keuze van de Biënnale om Rusland toe te laten betreuren.
Heeft u overleg gevoerd met het Mondriaanfonds en/of het Koninklijk Huis over de politieke risico’s van een bezoek met de hoogst denkbare vertegenwoordiging, gegeven de omstandigheid dat de voltallige jury is afgetreden en de Europese Unie dreigt de subsidie in te trekken? Kunt u hierop reflecteren?
Er is overleg geweest met alle betrokkenen. Daarnaast is het bezoek aan de Biënnale afgestemd binnen het kabinet. Zoals hierboven toegelicht zijn diverse voorzorgsmaatregelen getroffen en was de conclusie dat het verantwoord was om te gaan.
Bent u bereid het koninklijke bezoek te heroverwegen/te annuleren totdat vaststaat dat Rusland daadwerkelijk is uitgesloten van de Biënnale? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven heeft een zorgvuldige afweging plaatsgevonden en is er besloten het geplande bezoek te laten doorgaan.
Kunt u deze vragen voor 5 mei één voor één beantwoorden?
Nee.
Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Het bericht dat het Rijk al maanden wist dat ze het dorp Moerdijk weg wilden hebben |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert , Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat nog voordat met de bewoners van Moerdijk gesproken is het ministerie al de conclusie had getrokken dat het dorp Moerdijk weg moest?1
Ambtelijke uitwerking van verschillende opties en advisering daarop in verschillende fases van het besluitvormingsproces zijn gebruikelijk en gaan vooraf aan een uiteindelijk besluit van het kabinet in samenwerking met betrokken medeoverheden.
Het kabinet heeft niet de conclusie getrokken dat het dorp Moerdijk weg moet. Het kabinet is voornemens om een gezamenlijk besluit met de provincie Noord-Brabant en de gemeente Moerdijk te nemen over de ontwikkelrichting voor het haven- en industriecluster Moerdijk en de toekomst van het dorp Moerdijk. Verkenningen en onderzoeken maken onderdeel uit van besluitvormingstrajecten, maar zijn daarbij nadrukkelijk geen beslissingen. Het uitgangspunt is te allen tijde geweest dat beslissingen zoveel mogelijk voortkomen uit draagvlak en goed overleg met bewoners en bestuurders. Daarbij hebben de betrokken bewindspersonen lopend contact met de bewoners van het dorp Moerdijk. De Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei is meerdere keren in gesprek gegaan met bewoners. Het eerste gesprek heeft op 27 maart 2026 plaatsgevonden met de dorpstafel van Moerdijk. De bewindspersonen uit het vorige kabinet zijn in januari 2025 op werkbezoek geweest in het dorp Moerdijk, waar zij ook met inwoners hebben gesproken.
Op welk moment precies zijn welke (concept) besluiten genomen en was informatie hierover beschikbaar en definitief? Kan dit verwerkt worden in een duidelijke tijdlijn met interne publicatie- en beslismomenten?
In het BO Leefomgeving van 6 september 20242 is afgesproken om gezamenlijk toe te werken naar een globaal beoogd programma voor een houdbaar toekomstperspectief voor de Powerport regio Moerdijk. Na dit besluit werken het kabinet en regio gezamenlijk aan een integraal gebiedsgericht toekomstperspectief. Parallel lieten eerste ruimtelijke verkenningen zien dat de ruimtebehoefte van energie-infrastructuur, circulaire economie en goederenvervoer het ruimteaanbod binnen de hekken van het bestaande haven- en industriecluster Moerdijk en het Amerterrein ver overstijgt. Daarom werd de verkenning verbreed naar het vinden van ruimte «buiten de hekken» van de bestaande terreinen op drie schaalniveaus: lokaal, regionaal en nationaal.
In het BO Leefomgeving van 11 juni 20253 is door het kabinet en regio geconstateerd dat de ruimtevraag van de Powerport regio Moerdijk ook bij een minimaal pakket van onafwendbare en zeer aannemelijke ontwikkelingen niet past binnen de bestaande (milieu)ruimte van het haven- en industrieterrein van Moerdijk en Amercentrale-terrein in Geertruidenberg. Toen is ook besloten om – naast maximale inzet op inbreiding en herstructurering – het haven- en industriecluster van Moerdijk en het Amercentrale-terrein in Geertruidenberg strategisch uit te breiden. Voor Moerdijk worden twee ontwikkelrichtingen verkend: in oostelijke en zuidoostelijke richting t.o.v. het haven- en industriecluster Moerdijk.
In het BO Powerport regio Moerdijk van 1 december 20254 is geen besluit genomen over de ontwikkelrichting (oost of zuidoost) voor Moerdijk. Het kabinet en regio hebben afgesproken een gezamenlijke voorkeur voor een ontwikkelrichting uit te spreken eind juni 2026. Alleen de gemeente Moerdijk heeft haar voorkeur uitgesproken op 1 december 2025. Het kabinet en de provincie Noord-Brabant hebben die voorkeur nog niet uitgesproken.
Waarom is deze informatie niet eerder met het dorp gedeeld?
Er is nog geen besluit genomen over de toekomst van het dorp Moerdijk. Het kabinet is nog met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant in gesprek over de toekomst van het dorp en de uitbreiding van het haven- en industriecluster. Ook zijn het kabinet, de gemeente en de provincie in gesprek met inwoners van het dorp over hun zorgen en het proces tot aan besluitvorming.
De informatie die openbaar gemaakt kon worden is gedeeld met de gemeenteraad en provinciale staten. Deze informatie is terug te vinden op de website van de gemeente Moerdijk5 en provincie Noord-Brabant6.
Ziet u in dat hiermee ten onrechte de indruk is gewekt dat bewoners zeggenschap hebben in dit proces? Wat denkt u dat hiervan het gevolg is voor het vertrouwen van mensen in de overheid?
Het kabinet is zich ervan bewust dat een besluit over de toekomst van het dorp Moerdijk en de omliggende regio veel impact heeft op inwoners en ondernemers uit de regio. Het kabinet neemt dit besluit daarom niet lichtvaardig en blijft in gesprek met gemeente, provincie, inwoners en ondernemers uit de regio.
Waarom is deze informatie niet eerder met de Kamer gedeeld ondanks herhaalde informatieverzoeken en duidelijke aandacht van het parlement?
Zie antwoord op vraag 3, er is nog geen besluit genomen. Het kabinet heeft de afgelopen periode informatie gedeeld met de Tweede Kamer via Kamerbrieven en de beantwoording van Kamervragen7 8 9 10. De Kamerbrieven met betrekking op Moerdijk staan genoemd bij het antwoord op vraag 2.
Gaat u alle beschikbare informatie met het parlement delen vóór het debat over het dorp Moerdijk?
Zie antwoord op vraag 5, het kabinet heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over het proces afgelopen periode en de informatie die daaraan ten grondslag heeft gelegen.
Hoe reageert u op de stelling dat u het parlement en de bewoners van Moerdijk een valse voorstelling van zaken heeft gegeven?
Het kabinet en de regionale overheden hebben vorig jaar geparticipeerd met inwoners en ondernemers uit de regio over de twee scenario’s die op dat moment voorlagen. Participanten zijn meegenomen in de opgave zoals die toen voorlag en hebben kunnen aangeven welke randvoorwaarden zij belangrijk vinden bij een oostelijke of zuidoostelijke uitbreiding van het haven- en industriecluster. Deze participatieronde is afgerond in november 2025.
Na het BO Powerport regio Moerdijk van 1 december 2025 is gecommuniceerd dat er nog geen besluit genomen kon worden over de ontwikkelrichting voor Moerdijk. Het kabinet heeft recent met een Kamerbrief aangegeven meerdere scenario’s te willen verkennen, waarbij een minder ingrijpend scenario nadrukkelijker in beeld is gekomen. In dat scenario wordt gekeken naar een kleinere uitbreiding van het haven- en industriecluster Moerdijk waarbij ook het dorp Moerdijk kan blijven bestaan. Hierover is nog niet geparticipeerd met inwoners en ondernemers.
Kunt u deze vragen een voor een en uiterlijk voorafgaand aan het debat over het dorp Moerdijk beantwoorden?
Ja.
De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
Caroline van der Plas (BBB), André Flach (SGP) |
|
Enneüs Heerma (CDA), van Essen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Ja
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
De keuze tussen bezwaar en beroep is niet aan het bestuursorgaan of de verzoeker, maar volgt dwingend uit de wet. Tegen een beslissing op bezwaar staat volgens de Algemene wet bestuursrecht alleen beroep bij de rechtbank open. Bij Woo/2023/066 was op 17 februari 2026 al een beslissing op bezwaar genomen in de door de verzoeker gestarte bezwaarprocedure. Er kan dan geen sprake zijn van een nieuwe bezwaarfase. Er is voor betrokkenen voor dit Woo-verzoek geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar geboden, omdat deze mogelijkheid juridisch niet meer bestaat, als al een bezwaarfase open heeft gestaan.
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
In het primaire besluit van 24 maart 2025 is besloten het verzoek af te wijzen.2 Op 17 februari 2026 is in de beslissing op bezwaar besloten de gevraagde informatie over de jaren 1989 tot en met 2022 openbaar te maken.3 Deze wijziging ingegeven door het bezwaar op het primaire besluit en de bezwaargronden die daarbij zijn aangevoerd. Voor een uitgebreide toelichting verwijs ik u naar de betreffende besluiten.
Dit betekent niet dat de gegevens meteen openbaar zullen worden gemaakt. Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Helaas is de verwijzing van de belanghebbenden bij het Woo-verzoek naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Naar aanleiding van deze fout zijn interne processen aangescherpt.
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bezwaar (d.w.z. heroverweging door het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen) en beroep (rechtmatigheidstoetsing door een onafhankelijk rechter) verschillen op wezenlijke punten van elkaar. Bezwaar is laagdrempeliger, minder formeel en minder kostbaar dan beroep. Als op een bezwaar is beslist, zoals hier, dan staat alleen de weg naar de rechter nog open door middel van beroep. Hiermee is gewaarborgd dat de overheid eerst de kans krijgt zelfstandig een besluit te heroverwegen, voordat de onafhankelijke rechter de uiteindelijke rechtmatigheid toetst wanneer partijen er samen echt niet uitkomen.
Het maken van bezwaar is doorgaans kosteloos, terwijl voor beroep griffierecht verschuldigd is. Daarnaast liggen de proceskosten bij beroep doorgaans hoger, omdat de procedure complexer is en partijen zich vaker laten bijstaan door een advocaat of andere (rechts)bijstandsverlener.
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: Een verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar.
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Ik snap dat er verwarring kan zijn ontstaan doordat helaas in de brief werd gesproken over het instellen van «bezwaar» waar dat «beroep» had moeten zijn. Met de herstelactie is zo veel als mogelijk ingezet om deze verwarring weg te nemen. Alle bezwaarmakers zijn per brief geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie is daarom ook de ruimte om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank geboden om daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en kosten maakt.
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die opvatting niet. De termijn van zeven dagen is geboden aan betrokkenen zodat zij kunnen afwegen of zij hun bezwaar wel of niet willen laten doorzenden aan de rechtbank. De termijn van zeven dagen was daarmee geen voorbereidingstermijn voor een gerechtelijke procedure. Met de termijn van zeven dagen wordt tegemoetgekomen aan de verplichting uit artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht om zo spoedig mogelijk voor doorzending te zorgen. Na het doorzenden aan de rechtbank zal de rechtbank een factuur voor het griffierecht toezenden en – na betaling van het griffierecht – het als beroep in behandeling nemen. Er is dan nog voldoende voorbereidingstijd.
Daarnaast verwijs ik ook naar de beantwoording van vraag 2. Zolang er procedures rond voorlopige voorzieningen lopen worden van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar gemaakt.
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (7) hierboven.
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5) en (6). Uw vraag veronderstelt een keuzemogelijkheid die er (juridisch/bestuursrechtelijk) niet is.
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
De belanghebbenden die geïnformeerd zijn met de door RVO verzonden brief, waarin zij onjuist verwezen werden naar bezwaar, zijn opnieuw geïnformeerd als zij in navolging van die brief bezwaar hebben ingediend. Hiermee voorkomen we dat een veel grotere groep nogmaals wordt geconfronteerd met een brief over het Woo-verzoek, terwijl zij in eerste instantie geen rechtsmiddel hebben ingesteld.
Op grond van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht was de RVO verplicht om zo spoedig mogelijk de ontvangen bezwaarschriften, die beroepschriften hadden moeten zijn, door te zenden naar de rechtbank (de doorzendplicht). Betrokkenen is de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen aan te geven geen prijs te stellen op deze doorzending, de wet vereist dit niet. Hiermee is er nu een laagdrempeliger manier gevonden om tegemoet te komen aan de wensen van de betrokkenen. Ik wijs er verder graag op dat indien betrokkene nadien alsnog geen prijs stelde op het instellen van beroep bij de bestuursrechter, deze procedure kon worden beëindigd door het niet betalen van de griffierechten.
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5), (6), (7), (9) en (10).
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (4).
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Een betrouwbare en menselijke overheid toont zich door open te zijn over wat goed ging en wat niet. Het openstaande rechtsmiddel is in de beslissing op bezwaar juist opgenomen, maar in de kennisgevende brief aan betrokkenen hierover niet. Dat had niet mogen gebeuren. We geven daarom inzicht in de stappen die zijn gezet, leggen uit wat is misgegaan, en schetsen de vervolgstappen. Zo bieden we perspectief én laten we zien dat transparantie meer is dan woorden.
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
In het bestuursrecht is het een algemeen uitgangspunt dat besluiten onmiddellijk uitvoerbaar zijn (artikel 6:16 Algemene wet bestuursrecht). Het idee hierachter is dat het openbaar bestuur niet telkens kan worden vertraagd door elk bezwaarschrift. Het uitgangspunt draagt bij aan doelmatigheid van bestuur en rechtszekerheid. De Woo kent wel een vorm van uitgestelde openbaarmaking. Artikel 4.4 lid 5 van de Woo bepaalt dat als een bestuursorgaan besluit informatie openbaar te maken waartegen een belanghebbende naar verwachting bedenkingen heeft, de feitelijke openbaarmaking van de informatie pas mag plaatsvinden twee weken nadat het besluit is bekendgemaakt.
Deze mogelijkheid tot «uitgestelde openbaarmaking» bestaat om belanghebbenden de tijd te geven om een voorlopige voorziening (vovo) aan te vragen bij de rechter. Wordt de vovo-aanvraag binnen die twee weken ingediend, dan dient de feitelijke openbaarmaking in de praktijk te worden opgeschort totdat de voorzieningenrechter over het verzoek heeft beslist of het verzoek is ingetrokken. Hiermee wordt voorkomen dat de informatie al openbaar is gemaakt voordat een rechter de betrokken belangen heeft kunnen afwegen.
De huidige wetgeving biedt geen ruimte voor automatische opschorting gedurende de héle bezwaartermijn (van zes weken). Een kerndoel van de Woo is om informatie zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor de samenleving. Automatische opschorting in het geval van bezwaar zou betekenen dat elke derde een publicatie gedurende de volledige bezwaarprocedure – die inclusief beslistermijn en mogelijke verlenging al snel meerdere maanden kan beslaan – zou kunnen vertragen door enkel een bezwaarschrift in te dienen. Door een gang naar de rechter te eisen via de voorlopige voorziening, voorziet de wet in een rechterlijke toets om alleen bij een werkelijk spoedeisend en gewichtig belang de openbaarmaking langer dan twee weken op te schorten.
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Een voorzieningenrechter kan bij spoedeisend en gewichtig belang besluiten de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. Op basis van de naar voren gebrachte belangen kan een voorzieningenrechter besluiten de gevraagde voorlopige voorziening – het opschorten van de openbaarmaking van de gegevens voor de duur van de hoofdzaak, zoals beroep – toe te wijzen. Hierbij is relevant dat openbaarmaking van gegevens onomkeerbaar is, gezien ook de publicatie op het internet.
Een voorzieningenrechter kan echter ook tot de conclusie komen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook onmiddellijk uitspraak doen in het beroep (artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht). Bijvoorbeeld omdat de opgevraagde informatie emissiegegevens zijn en op deze emissiegegevens op grond van artikel 5.1 lid 7 Woo geen uitzonderingsgronden mogen worden toegepast.4
Of een voorlopige voorziening wordt toegewezen hangt daarmee af van de omstandigheden van het geval. Een algemene uitspraak dat voorlopige voorzieningen in Woo-zaken vrijwel altijd worden toegekend of vrijwel altijd worden afgewezen, kan dan ook niet worden gedaan. Systematische cijfers over de uitkomsten van dit soort procedures zijn niet beschikbaar.5
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Dit jaar wordt de wetsevaluatie van de Woo uitgevoerd. Het streven is om de Woo beter toepasbaar te maken. Eén van de onderdelen die daarin wordt meegenomen is het automatisch opschorten van openbaarmaking als er bezwaar is ingediend (motie-Van der Plas Kamerstuk 32 802, nr. 114).
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het onderzoek naar sociale veiligheid wordt uitgevoerd via het WODC, het kennisinstituut voor de rechtsstaat. Het onderzoek richt zich op de achtergrond en de aard en omvang van door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie en het daaruit voortvloeiende gevoel van onveiligheid. De resultaten verwacht ik begin 2028.
Het verlengen van het DigiD-contract |
|
Henk Vermeer (BBB), Chris Stoffer (SGP), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Herbert , Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat op 27 maart 2026 besloten is om het DigiD-contract met Solvinity nogmaals voor twee jaar te verlengen?
Op dit moment heeft Logius een contract met Solvinity dat uiterlijk in augustus 2028 afloopt. Binnen het huidige contract kan er gebruik worden gemaakt van een tweede en laatste verlengingsoptie voor de periode van 7 augustus 2026 tot (uiterlijk) 6 augustus 2028. Het gaat hierbij om het contract met Solvinity voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden aan het platform waar onder andere DigiD op draait. Het is niet mogelijk om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen in gevaar komen. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 ingestemd met een contractverlenging voor de periode van 7 augustus 2026 tot 6 augustus 2028.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuze? Is het niet verlengen van het contract serieus overwogen?
De afgelopen maanden zijn er door Logius en BZK verschillende mogelijkheden verkend, zoals het versneld overstappen naar een andere leverancier of het zelf in beheer nemen van het platform waar voorzieningen als DigiD op draaien
Het beheer van het platform vraagt om een ervaren beheerorganisatie om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening blijvend te kunnen borgen. Op dit moment is het niet mogelijk om het platform in eigen beheer te nemen vanwege het feit dat Logius niet beschikt over voldoende kennis en capaciteit.
Het beheer van het platform versneld onderbrengen bij een andere beheerorganisatie kan ook leiden tot risico’s. De voornaamste reden hiervoor is dat een nieuwe beheerorganisatie kennis en ervaring moet opbouwen met het platform dat door Logius wordt gebruikt. Onder normale omstandigheden wordt hier een periode van 6 tot 12 maanden voor gehanteerd.
Deze overdracht kan plaatsvinden nadat een aanbestedingstraject is doorlopen en een nieuwe contractant is geselecteerd. Dat maakt het niet mogelijk om de overdracht naar een andere leverancier voor augustus 2026 af te ronden. Het vormgeven van een nieuwe aanbesteding en de overdracht naar een nieuwe leverancier is een langdurig traject dat zorgvuldig moet worden doorlopen, juist om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening te borgen.
Welke andere opties heeft u overwogen, behalve het contract met twee jaar verlengen? Waarom zijn deze opties afgevallen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft u om vóór het definitieve beslismoment begin mei alsnog af te zien van de contractverlenging van twee jaar? Kunt u een beroep doen op een voorwaarde in het contract of een wettelijke bevoegdheid om dit vervroegd te doen?
De Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-opdrachten (ARBIT) zijn op deze overeenkomst van toepassing en bieden middels artikel 30 (onder voorwaarden) mogelijkheden tot het tussentijds ontbinden of opzeggen van de overeenkomst.
Voor het definitieve beslismoment van 6 mei 2026 heb ik geen mogelijkheden om af te zien van de contractverlenging. Zoals in de beantwoording op vraag 2 beschreven, zijn er op dit moment geen mogelijkheden om per augustus 2026 over te stappen naar een andere partij die in voldoende mate continuïteit en veiligheid kan borgen.
Zo niet, heeft u de mogelijkheid om het contract slechts onder voorbehoud te verlengen zolang Solvinity niet door een Amerikaans bedrijf wordt overgenomen? Bent u bereid om zo’n voorbehoud te maken?
Zie antwoord op vraag 2 en 4.
Heeft u de aangenomen motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1467) en de twee moties-Kathmann c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1190) (Kamerstuk 26 643, nr. 1507) meegewogen in dit besluit? Zo ja, hoe?
Deze zijn meegenomen in het besluit. Het kabinet wacht het oordeel van de onafhankelijke toezichthouder in het kader van het driesporenbeleid zoals vermeld in de Kamerbrief van 10 februari 20261 en de kabinetsreactie van 21 april 20262 af, om vervolgens een besluit te kunnen nemen.
Om vanaf (uiterlijk) augustus 2028 over te stappen naar een contractant waarbij het zeggenschap in Nederlandse/Europese handen ligt3, 4, wor dt er door Logius samen met de Landsadvocaat gekeken naar onder welke voorwaarden de aanbesteding kan worden uitgezet in de markt. In juni 2026 zullen wij uw Kamer hierover informeren.
Kunt u concreet uitleggen hoe de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening in gevaar komt als het contract niet was verlengd? Op basis van welke onderzoeken concludeert u dat?
Logius heeft een leverancier nodig voor het leveren van diensten die benodigd zijn om het platform waarop voorzieningen zoals DigiD staan, te laten draaien. Logius moet daarom een contract afsluiten met een leverancier. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 2.
Is het mogelijk om de DigiD-diensten, die nu in beheer zijn bij Solvinity, binnen drie maanden over te schakelen naar een ander bedrijf? Is deze optie serieus onderzocht?
Zie beantwoording vraag 2.
Hoe kunt u het DigiD-contract met Solvinity in zo kort mogelijke tijd ontbinden, nog vóór 2028, als de Amerikaanse overname doorgang vindt? Kunt u de Kamer uiterlijk in juni 2026 informeren over de opties die u hiertoe heeft en wat hiervan de kosten zijn?
Zie antwoord op vraag 4 en 6. Ik zal uw Kamer in juni 2026 nader informeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het definitieve verlengen van het contract in begin mei beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: minister Van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Follow The Money-artikel «Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: Minister van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer»?1
Ja.
Was uw eerdere antwoord op Kamervragen in juli 2025 over gebruik van Palantir binnen de Nederlandse overheid correct en compleet?2 Zo nee, wat heeft u dan verzaakt te melden?
De Kamervragen zijn destijds gesteld aan en beantwoord door de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), op basis van de toen geldende portefeuilleverdeling binnen het kabinet. Daarnaast werden er Kamervragen over het mogelijke gebruik van Palantir gesteld aan meerdere bewindspersonen van andere departementen (Defensie, VWS, IenW, FIN, BZK). Grenstoezicht door de KMar, waarvoor Palantir-software in het verleden is ingezet, viel onder verantwoordelijkheid van de Minister van AenM. Daarom is deze toepassing van Palantir niet meegenomen ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025.
Inmiddels is het Ministerie van Asiel en Migratie opgegaan in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daardoor is in navolging van een Woo-verzoek van JenV recent een contract verstrekt. Het Programma Vernieuwing Grensmanagement, onderdeel van de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI), had contracten afgesloten voor het gebruik van Palantir voor het API-systeem dat gebruikt werd door de KMar voor het grenstoezicht. IDMI was onderdeel van het Directoraat Generaal Vreemdelingenzaken (DGVZ), thans DGM. Zoals hierboven uitgelegd, viel dit betreffende beleidsonderdeel ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025 niet onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van JenV.
De stukken die hierover inmiddels naar aanleiding van het Woo-besluit van JenV zijn gedeeld en de inzet van Palantir-softwarelicenties, zullen nader worden betrokken bij de afhandeling van het Woo-verzoek dat aan de Minister van Asiel en Migratie is gestuurd.
Was u op de hoogte van het contract tussen Palantir en de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI) in 2014?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, waarom heeft u dat contract niet genoemd in uw eerdere antwoord? Zo nee, waarom bent u niet voldoende op de hoogte over Amerikaanse tech-afhankelijkheden binnen uw eigen ministerie?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een kloppend overzicht geven van alle lopende, aanstaand of verlopen contracten tussen de Nederlandse overheid, inclusief sub-overheden en Zelfstandig Uitvoeringsorganen (ZBO’s), en het Amerikaanse Palantir?
Er is geen Rijksbrede overeenkomst met Palantir. Een overzicht van alle lopende, aanstaande en verlopen contracten is niet voorhanden. Aanbestedende diensten zijn zelf verantwoordelijk voor de aanbestedingsprocedures en het contracteren van leveranciers, er is geen centraal overzicht dat door mijn ministerie kan worden aangeboden.
Bent u van mening dat ongepaste of onethische uitspraken van het bestuur van een bedrijf een reden moet zijn dat de Nederlandse overheid geen zaken meer moet doen met het bedrijf in kwestie? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet stelt de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtsstaat voorop en zet zich daarvoor in, ook bij de inzet van technologie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
In relatie tot de huidige toepassing van Palantir bij de politie en Defensie hecht ik er, met de Staatssecretaris van Defensie, aan te benadrukken dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. Tegelijkertijd worden mogelijke alternatieven verkend om de toekomstbestendigheid en flexibiliteit te vergroten, zoals ook aan uw Kamer toegelicht door de Staatssecretaris van Defensie tijdens het Vragenuur van 2 juni jl.
Voor een reactie op de vraag of de Nederlandse overheid zaken kan blijven doen met het bedrijf in kwestie wordt u verwezen naar de Kamerbrief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025.3 Hierin is ingegaan op de uitvoering van de aangenomen motie4 (motie 5) van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van de Nederlandse overheid van Palantir.
Bent u voornemens alle lopende en aanstaande contracten tussen de Nederlandse overheid en Palantir in belang van nationale veiligheid te annuleren, dan wel niet te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen apart van elkaar en voor 12 mei 2026 beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Dat klopt.
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Dat klopt, dit document is niet meer beschikbaar in het openbare deel van het archief sinds 14 oktober 2024.
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
In tegenstelling tot de titel van de Kamervragen is het document niet verdwenen. Dit document is op verzoek van het IMG verplaatst naar het vertrouwelijke deel van het archief omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, en dus vertrouwelijke informatie, die niet in het openbare archief opgenomen had moeten worden.
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Zie vraag 3. De status is op verzoek van het IMG bij brief van 4 oktober 2024, gericht aan de griffier van de Parlementaire Enquêtecommissie Aardgaswinning Groningen, gewijzigd. Die commissie heeft vervolgens op dat verzoek besloten en het document op 14 oktober 2024 naar het vertrouwelijke deel van het archief verplaatst.
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Zie vraag 4. Het IMG heeft het verzoek gedaan. Het ministerie en de landsadvocaat waren daarvan op de hoogte vanwege de lopende arbitrageprocedure tegen NAM, waarin NAM om de presentatie heeft verzocht, welk verzoek is geweigerd door het scheidsgerecht.
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Op grond van artikel 40 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 kunnen beperkingen worden gesteld aan de openbaarheid van documenten die onder de betreffende enquêtecommissie berusten of hebben berust, zolang de documenten onder de commissie of daarna onder de Kamer berusten. Waar het hier om gaat is een document dat, omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, nooit onderdeel van het openbare archief had moeten zijn. Dat is rechtgezet.
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Daar ben ik niet mee bekend.
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
De PEAG commissie en/of haar staf heeft van dit document kennis kunnen nemen omdat zij zowel openbaar geleverde documenten als vertrouwelijk geleverde documenten heeft ontvangen van het IMG. Ik kan geen inschatting geven of het betreffende document een rol heeft gespeeld in het onderzoek van de commissie.
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Ik ben niet in het bezit van de presentatie en daarom ook niet bekend met de inhoud van de presentatie.
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
De toenmalige Staatssecretaris was ermee bekend dat NAM zich niet kan verenigen met de opgelegde heffingen omdat zij meent dat delen van de werkwijze van het IMG haar aansprakelijkheid te buiten gaan. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de Kamervragen van het lid Clemminck (2026Z05645).
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Het is in de systematiek van het kas-verplichtingenstelsel ongebruikelijk voor de Rijksbegroting om begrotingsvoorzieningen te treffen voor budgettaire risico’s. Door middel van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) zijn er via heffingen en facturen kosten bij NAM in rekening gebracht. Dit wordt door NAM en de aandeelhouders van NAM bestreden in verschillende juridische procedures en gezien die procedures bestaan er budgettaire risico’s ofwel kans op begrotingstegenvallers.
In dit verband is het goed er op te wijzen dat het financiële risico voor de Staat kleiner is dan de opgelegde heffingen aan NAM. Conform de afspraken die zijn gemaakt met Shell en ExxonMobil over de afdrachtensystematiek draagt de Staat (bij benadering) uiteindelijk 73% van de opgelegde heffingen en komt 27% voor rekening van NAM.
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Er lopen op dit moment verschillende juridische procedures. Deze zien op fysieke schade, waardedaling en de versterkingsoperatie. Daarnaast zijn er ook bezwaren ingediend tegen heffingsbesluiten voor gemaakte kosten op het gebied van immateriële schade en de forfaitaire vergoedingen. Ik zal de Kamer periodiek op de hoogte blijven houden van de voortgang van deze juridische procedures door middel van Kamerbrieven, zoals mijn ambtsvoorgangers in het verleden ook hebben gedaan1.
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Deze vraag ligt in het verlengde van vraag 12 van de schriftelijke vragen van het lid Clemminck (2026Z05645). Conform de beantwoording van die vragen ben ik graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Ik kan geen antwoord geven op deze vraag, zoals ook in het antwoord op vraag 13 heb aangegeven, omdat ik niet vooruit wil lopen op uitspraken of arbitrale vonnissen over de aanhangige juridische procedures.
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Zoals ik in vraag 3 heb aangegeven is de presentatie van het IMG niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht, en beschik ik daar niet over. Ook in een vertrouwelijke briefing kan ik dan ook niet ingaan op de inhoud van deze presentatie.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Uit de TwG volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de TwG kunnen worden geheven. De heffingsbesluiten zijn bestuursrechtelijke besluiten. Aangezien het hier gaat over juridische interpretaties die momenteel voor liggen bij de bestuursrechter vind ik het niet opportuun om de Algemene Rekenkamer te verzoeken aandacht te schenken aan het onderscheid tussen verhaalbare en niet-verhaalbare kosten op NAM.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Ja.
Het bericht dat een rechter duizenden Woo-verzoeken indiende om misbruik van de wet aan te tonen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rechter bombardeert gemeenten met duizenden informatieverzoeken om punt te maken»?1
Ja.
Klopt het dat een zittende rechter volgens deze berichtgeving op grote schaal Woo-verzoeken heeft ingediend bij gemeenten, niet primair om informatie openbaar te krijgen, maar om aan te tonen hoe eenvoudig misbruik van de Woo mogelijk is? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
Ja, dit klopt. Het recht op toegang tot overheidsinformatie en het kunnen doen van een Woo-verzoek is belangrijk voor de werking van onze democratie. Vanzelfsprekend is het onacceptabel dat dit belangrijke recht uit de Woo wordt misbruikt. Misbruik maken van de Woo leidt tot verspilling van publieke middelen en levert het overheidsorganisaties een hoop extra werk op. Misbruik ondermijnt een goede werking van het openbaarheidsstelsel, bijvoorbeeld omdat dit ten koste gaat van de doorlooptijd van andere Woo-verzoeken.
Deelt u de opvatting dat de Woo bedoeld is om openbaarheid van bestuur te bevorderen, maar niet om overheden op grote schaal doelbewust administratief te belasten of de uitvoeringspraktijk te ontregelen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het risico dat dit soort massale en mogelijk strategische Woo-verzoeken, zeker bij kleinere gemeenten, leidt tot verdringing van reguliere publieke taken, oplopende uitvoeringskosten en langere wachttijden voor bona fide verzoekers?
Transparantie van overheidshandelen en openbaarmaking van overheidsinformatie zijn belangrijke waarborgen in onze democratische rechtsstaat. Misbruik van het recht om Woo-verzoeken te doen, is dan ook onacceptabel. Deze casus laat zien dat misbruik van de Woo mogelijk is.
Om misbruik tegen te gaan, bevat de Woo een antimisbruikbepaling. Van deze bepaling kunnen overheidsorganisaties gebruik maken als een Woo-verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Op dit moment heb ik geen signalen dat misbruik van de Woo op grote schaal voorkomt. Wel is het voor bestuursorganen soms lastig om te bepalen wanneer zij gebruik kunnen maken van de antimisbruikbepaling. Daarom hebben we een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen hierbij helpt.2 Daarnaast wordt dit jaar de Woo geëvalueerd, waarbij ook wordt gekeken naar de werking van de antimisbruikbepaling. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie kunnen we kijken of extra maatregelen nodig zijn om misbruik te voorkomen en te bestrijden.
Heeft u zicht op de omvang van de belasting voor gemeenten door dit soort bulkverzoeken, bijvoorbeeld in termen van extra ambtelijke inzet, externe juridische kosten en vertraging in de afhandeling van andere Woo-verzoeken? Zo nee, bent u bereid dit via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) uit te vragen?
Onlangs is een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoeringslasten van Woo-verzoeken.3 In dit onderzoek is niet specifiek gekeken naar bulkverzoeken, maar wel naar zogenaamde «zeer complexe» verzoeken,4 waar ook de hier bedoelde bulkverzoeken onder kunnen vallen. Op landelijk niveau vergen de 10% meest complexe Woo-verzoeken circa 30% van de totale tijd die wordt besteed aan de afhandeling van Woo-verzoeken. De gemiddelde tijdsbesteding voor zeer complexe Woo-verzoeken bedraagt 113 uren voor kleine gemeenten, 128 uren voor middelgrote gemeenten en 159 uren voor grote gemeenten. Dit betreffen uitdrukkelijk niet allemaal verzoeken waarmee misbruik wordt gemaakt van de Woo. In de wetsevaluatie wordt nader gekeken naar de effecten van de Woo in de praktijk en de werking van de antimisbruikbepaling. De uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoeringslasten worden in de wetsevaluatie meegenomen.
Welke mogelijkheden hebben bestuursorganen op dit moment om op te treden tegen kennelijk oneigenlijk of disproportioneel gebruik van de Woo, en acht u dat instrumentarium toereikend?
Zoals eerder genoemd, heeft de Woo een antimisbruikbepaling (artikel 4.6) waarmee bestuursorganen een middel hebben om Woo-verzoeken die een ander doel hebben dan het verkrijgen van informatie niet in behandeling te nemen. Hier heeft de gemeente Utrecht in deze casus ook een beroep op gedaan.
Of de antimisbruikbepaling wordt ingezet, is een afweging die het bestuursorgaan zelf moet maken op basis van de relevante feiten en omstandigheden van de betreffende casus. Er is dus geen standaardformule die altijd kan worden toegepast als er een vermoeden van een oneigenlijk of misbruikverzoek is. Zoals hiervoor al benoemd, is vanuit mijn ministerie – in samenwerking met een overheidsbrede werkgroep – een handreiking opgesteld met handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. Zo kan met behulp van indicatoren uit de wet, jurisprudentie en de praktijk worden bepaald of in een casus toepassing van de antimisbruikbepaling passend is.
De handreiking is net gepubliceerd en moet zijn effect in de praktijk dus nog krijgen. Uiteraard herzien we zo nodig de handreiking op basis van signalen uit de praktijk en nieuwe jurisprudentie. Eventuele aanvullingen van het instrumentarium kunnen volgen naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo.
In hoeverre deelt u de opvatting dat er een betere balans nodig is tussen enerzijds het recht op openbaarheid en anderzijds bescherming van bestuursorganen tegen seriematig of evident oneigenlijk gebruik van de Woo?
Een goed werkend openbaarheidsstelsel is van groot belang. Binnen dit stelsel moeten zowel het recht op overheidsinformatie als mogelijkheden voor bestuursorganen om met misbruik van dit recht om te gaan, geborgd zijn. Het is daarom belangrijk om hier ook in het onderzoek van de wetsevaluatie grondig en objectief naar te laten kijken.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende waarborgen nodig zijn tegen massale, herhaalde of geautomatiseerd ingediende Woo-verzoeken, bijvoorbeeld door bundeling van identieke verzoeken, een steviger misbruiktoets of andere procedurele drempels voor evident oneigenlijk gebruik?
Tijdens de wetsevaluatie van de Woo worden de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk onderzocht. Hieronder vallen dus ook de doeltreffendheid van de antimisbruikbepaling en misbruik van de Woo in de praktijk. De onderzoekers zal worden gevraagd om aanbevelingen te doen voor verbetering van de uitvoering en uitvoerbaarheid van de wet.
In tussentijd zetten we al stappen om tot een betere uitvoering en uitvoerbaarheid van de Woo te komen. Zo hebben we zeer recent een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen helpt bij het omgaan met misbruik van de Woo.5 Aan de handreiking hebben ook verschillende gemeenten meegewerkt. Ook is er een openbare internetconsultatie gedaan waarin iedereen op de concepthandreiking kon reageren. Vanuit de praktijk bleek vooral behoefte aan een handreiking met praktische handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. De handreiking is dan ook een praktisch product geworden dat helpt om misbruik van de Woo te herkennen en te bestrijden.
In hoeverre worden de uitvoeringsproblemen die samenhangen met dit soort bulkverzoeken meegenomen in de lopende evaluatie, monitoring en verbetermaatregelen rond de Woo, en hoe voorkomt u dat misbruik door enkelen het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de Woo verder ondermijnt?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om samen met gemeenten te bezien welke praktische maatregelen op korte termijn mogelijk zijn om de afhandeling van grootschalige en kennelijk oneigenlijke Woo-verzoeken beter te organiseren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u tevens bereid om, gelet op de bijzondere positie van een rechterlijke ambtsdrager in deze kwestie, hierover in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak en de Kamer voor het commissiedebat Wet open overheid te informeren welke concrete opties u ziet om misbruik van de Woo tegen te gaan, zonder het fundamentele recht op openbaarheid voor normale verzoekers onnodig te beperken?
Ik vind het niet noodzakelijk, en gezien de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht onwenselijk, om over deze kwestie in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Holland ook aangegeven deze kwestie hoog op te nemen en gemeld dat de betreffende rechter geen zaken meer behandelt totdat duidelijk is of het handelen gevolgen moet hebben (en zo ja, in welke vorm).6 De concrete acties die ik vanuit BZK onderneem, zoals de handreiking en het onderzoek in het kader van de wetsevaluatie, heb ik in de voorgaande antwoorden toegelicht.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De Raad van State spreekt van een «Tirannie van het hedendaagse» en benadrukt noodzaak van langetermijnbeleid»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de belangen van toekomstige generaties vaak onvoldoende zijn gewaarborgd bij de totstandkoming van beleid?
Binnen elke politieke besluitvorming is er sprake van een belangenafweging, ook de belangen van toekomstige generaties worden hierin meegenomen.
De afgelopen periode is er een aantal verschillende acties ondernomen om ervoor te zorgen dat het belang van toekomstige generaties in de totstandkoming van beleid nog beter wordt meegenomen. Ik licht die acties hieronder toe.
Kunt u uiteenzetten hoe de belangen van toekomstige generaties momenteel worden meegewogen bij de totstandkoming van nationaal beleid?
Binnen de rijksdienst is er aandacht voor het belang van een stevige lange termijn oriëntatie in beleid en besluitvorming. De maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat, vragen om beleid dat niet alleen inspeelt op actuele vraagstukken, maar ook rekening houdt met ontwikkelingen die zich over langere tijd voltrekken en met de gevolgen van keuzes voor toekomstige generaties. De afgelopen jaren is deze ambitie verder geconcretiseerd in verschillende instrumenten, trajecten en werkwijzen.
Een belangrijke basis daarvoor is het Beleidskompas, de verplichte werkwijze voor beleidsontwikkeling binnen de Rijksoverheid. Het Beleidskompas ondersteunt beleidsmakers bij het zorgvuldig doorlopen van de stappen van beleidsvorming, waaronder het in beeld brengen van gevolgen, alternatieven en betrokken belangen. Eind 2025 is het Beleidskompas uitgebreid met een verwijzing naar de nieuw ontwikkelde «Leidraad Toekomstgericht Beleid: Een praktische gids voor de Rijksoverheid». Deze leidraad helpt beleidsmakers om langetermijneffecten en intergenerationele impact explicieter mee te wegen in de ontwikkeling van beleid. Ter ondersteuning daarvan biedt de Toolbox Toekomstgericht Beleid2 een praktische verzameling methoden, trainingen en voorbeelden. Ik licht dit nader toe bij het antwoord op vraag 5.
Daarnaast faciliteert de WRR via het project De toekomst in beleid dat beleidsmakers meer grip kunnen krijgen op de keuzes van nu door zekerheden voor 2050 te onderzoeken. Het gaat dan over gegevenheden of ontwikkelingen waarmee ons land onherroepelijk wordt geconfronteerd. Het meest bekende voorbeeld hiervan is vergrijzing. Voor tal van beleidsterreinen heeft dit gevolgen.
Ook het SGO (Overleg van Secretarissen-Generaal) heeft deze ambitie nadrukkelijk opgepakt. In zijn laatste brief3 aan de informateur stelt het SGO dat het de komende jaren actief wil investeren in tijd en ruimte om lange termijn ontwikkelingen structureel te agenderen en te betrekken bij beleidsvorming. Het doel is dat lange termijn perspectieven niet incidenteel, maar vanzelfsprekend onderdeel zijn van beleidsontwikkeling, prioritering en besluitvorming. Mede om die reden is ABDTOPConsult gevraagd om een advies dat, in samenhang met het WRR-project, op een praktische en uitvoerbare manier helpt om deze beweging te versnellen en duurzaam te verankeren.
Daarnaast dragen Interdepartementale beleidsonderzoeken (IBO) bij aan het langetermijndenken binnen de rijksdienst. IBO’s ontwikkelen beleidsopties voor belangrijke beleidsterreinen en bieden onafhankelijke ambtelijke analyses van complexe maatschappelijke vraagstukken die vaak meerdere kabinetsperiodes overstijgen. Zo onderzoeken het IBO Vereenvoudiging sociale zekerheid en het IBO Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur hoe beleid toekomstbestendig kan worden ingericht. Een ander voorbeeld is het IBO Ouderenzorg «niets doen is geen optie». Hierin is beschreven dat het huidige beleid leidt tot onhoudbare situaties in de toekomst. Naast het signaleren van het probleem worden ook beleidsopties beschreven om de ouderenzorg op lange termijn houdbaar te houden.
Met deze instrumenten, analyses en opdrachten wordt beoogd het lange termijn denken steviger en structureler te verankeren in de strategische beleidsontwikkeling. Daarmee wordt ook beter geborgd dat de belangen van toekomstige generaties zichtbaar worden meegewogen bij de totstandkoming van beleid.
Kunt u uiteenzetten welke onafhankelijke instanties de Rijksoverheid momenteel adviseren over de gevolgen van beleid voor toekomstige generaties?
Nederland beschikt over onafhankelijke adviesraden die bij wet zijn ingesteld om regering en parlement gevraagd en ongevraagd te adviseren. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft de wettelijke taak om de onafhankelijk, op wetenschap gebaseerd advies te geven over ontwikkelingen die de samenleving op de lange termijn kunnen beïnvloeden. Onder de Kaderwet adviescolleges vallen daarnaast diverse strategische adviesraden die onafhankelijk maar betrokken adviseren op de hoofdlijnen van beleid in het domein dat zij bestrijken, met een oriëntatie op de (middel)lange termijn.4 Dit biedt ruimte om, ongevraagd of op verzoek van regering of parlement, aandacht te besteden aan de lange termijn en de gevolgen van beleid voor toekomstige generaties. Van deze mogelijkheid wordt ook gebruik gemaakt.5
Net als de Raad van State vind ik daarnaast dat ook kennisinstellingen, de planbureaus en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) belangrijk zijn voor het ontwikkelen van toekomstgericht beleid, omdat zij (onder meer) onderzoek doen naar langetermijnopgaven Ook benoemt de Raad van State dat de diverse Hoge Colleges van Staat, waaronder de Raad zelf, de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman met rapportages en bevindingen een bijdrage leveren aan het langetermijndenken.
In hoeverre is de generatietoets zoals voorgesteld in de motie-Segers/Jetten (Kamerstuk 35 300, nr. 24) inmiddels structureel onderdeel van het beleidsproces van de Rijksoverheid?
Sinds eind 2025 verwijst het Beleidskompas, zijnde de verplichte werkwijze voor beleidsontwikkeling binnen de Rijksoverheid, naar de «Leidraad Toekomstgericht Beleid: Een praktische gids voor de Rijksoverheid». De leidraad bevat drie methoden om langetermijneffecten en intergenerationele impact mee te wegen bij beleidsontwikkeling: de Generatiescan, de «Toekomst aan Tafel» en de Generatietoets. De Generatiescan is een snelle check op mogelijke effecten voor toekomstige generaties. «De Toekomst aan Tafel» is een participatieve methodiek om de stem van toekomstige generatief actief te betrekken. De Generatietoets is een verdiepende analyse voor beleidsvoorstellen waarbij significante intergenerationele effecten te verwachten zijn, zoals grote infrastructuurprojecten, hervormingen van het pensioenstelsel of beleid met substantiële gevolgen voor de staatsschuld.
Bent u bereid het aanstellen van een Nationale ombudsman voor toekomstige generaties te verkennen?
Het uitgangspunt dat er oog moet zijn voor de lange termijn en belangen van toekomstige generaties onderschrijf ik. In juli 2025 hebben de leden Sneller (D66) en Chakor (GL-PVDA) een motie ingediend die eveneens zag op het verkennen van de mogelijkheden voor het aanstellen van een Nationale ombudsman voor toekomstige generaties. In reactie op die motie heeft het kabinet toen onder meer aangegeven dat gewerkt wordt aan een instrumentarium dat ook het belang van toekomstige generaties zou moeten borgen. Inmiddels is de «Leidraad Toekomstgericht beleid» onderdeel van het Beleidskompas geworden en daarmee in werking getreden. Ook wijs ik op de overige activiteiten die in het antwoord op vraag 3 zijn beschreven.
Hoe beoordeelt u de plannen van de Europese Commissie voor een Strategy of Intergenerational Fairness?2
Het kabinet verwelkomt de Europese inzet op intergenerationele rechtvaardigheid. De strategie is in maart 2026 officieel gepresenteerd door de Europese Commissie en heeft als doel om langetermijn denken te incorporeren in het maken van beleid in de gehele Europese Unie. De strategie is niet-bindend en legt daarmee geen wettelijke verplichting op aan de EU-lidstaten. De strategie is voorgelegd in de Raad Buitenlandse Zaken, waarin Onze Minister van Buitenlandse Zaken bijeenkomt met alle Ministers van Buitenlandse Zaken van alle EU-lidstaten.
Bent u bereid om naar aanleiding van het plan van de Commissie ook een Nederlandse intergenerationele rechtvaardigheidsstrategie te ontwikkelen?
Intergenerationele afwegingen maken al onderdeel uit van bestaande beleids- en besluitvormingsprocessen. Daarbij wordt ook gekeken naar de samenhang met lopende trajecten op het gebied van demografie, overheidsfinanciën, brede welvaart en lange termijn beleid.
Het kabinet verwelkomt de Europese strategie en ziet deze als bevestiging van de ingeslagen weg. De kern van een intergenerationele rechtvaardigheidsstrategie is voor Nederland al geborgd via de «Leidraad Toekomstgericht Beleid», verankerd in het Beleidskompas. Daarnaast wijs ik op de overige activiteiten die in het antwoord op vraag 3 zijn beschreven. Voorts zijn langjarige beleidsprogramma’s ook voorbeelden van nationale activiteiten die het belang van toekomstige generaties meewegen. Het Nationaal Deltaprogramma bijvoorbeeld legt vast hoe de overheid Nederland nu en in de toekomst beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoet water en werkt aan een klimaatbestendige inrichting van het land. Het Programma Energiehoofdstructuur brengt in kaart welke nationale energie-infrastructuur richting 2050 nodig is en waar die kan worden gerealiseerd.
Op het gebied van langdurige zorg komt het toekomstgerichte perspectief ook terug. Eerder is met veel partijen binnen het programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO) gewerkt aan de langjarige houdbaarheid en kwaliteit van wonen, ondersteuning en zorg die aansluit bij de voorkeuren van ouderen zelf. Dit programma is opgevolgd door het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). Het Beleidskompas was de centrale werkwijze van dit akkoord waardoor ook ouderen en hun netwerk zijn betrokken. Hieruit zijn voor de lange termijn rode draden geformuleerd die leidend zijn voor de toekomst van de ouderenzorg. Daarnaast laat het kabinet het RIVM onderzoek doen naar de lange termijn vraagontwikkeling in de ouderenzorg.7
De voorstellen van de Commissie kunnen bijdragen aan verdere reflectie op de wijze waarop toekomstige generaties structureel worden meegenomen in beleid. Het kabinet zal bezien welke lessen en aanknopingspunten uit het Europese traject relevant zijn voor de Nederlandse context en hoe deze kunnen aansluiten bij bestaande nationale instrumenten en beleidsprocessen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Zijn bedrijf wordt verdacht van fraude, maar toch verdient deze taxibaas miljoenen bij Defensie» van Follow the Money?1
Ja.
Overwegende dat volgens berichtgeving bedrijven in het netwerk van een Nederlandse ondernemer worden verdacht van fraude in internationale munitiehandel, terwijl aan ditzelfde netwerk defensieopdrachten van grote waarde zijn verstrekt, hoe reflecteert u op deze berichtgeving?
Zakelijke integriteit, waaronder het tegengaan van fraude en corruptie, is een onderwerp dat wij zeer serieus nemen. Door de geopolitieke context, de grote behoefte aan (specialistische) militaire producten en de korte tijdspanne waarin deze geleverd moeten worden, neemt de kans op het manifesteren van fraude- en corruptierisico’s toe. Dit is ook door de Audit Dienst Rijk (ADR) gesignaleerd en Defensie werkt daarom aan verschillende verbeteringen om beter met deze toegenomen risico’s om te gaan. Voorbeelden hiervan zijn het voorbereiden van een defensiebrede frauderisicoanalyse en het ontwikkelen van een frauderisicomanagementsysteem waarin aandacht is voor de preventie, herkenning en detectie van fraude en corruptie.
Klopt het dat bedrijven gelieerd aan deze ondernemer betrokken zijn bij contracten met het Ministerie van Defensie voor de levering van wapens, munitie, boten of ander militair materieel? Zo ja, om welke contracten en bedragen gaat het precies?
Het klopt dat Defensie overeenkomsten heeft met bedrijven die aan deze ondernemer gelieerd zijn. Om operationeel en commercieel vertrouwelijke redenen doet Defensie geen uitspraak over de aard en omvang van de opdrachten.
Wanneer en op welke wijze is het Ministerie van Defensie geïnformeerd over eventuele strafrechtelijke onderzoeken of verdenkingen van fraude met betrekking tot bedrijven die betrokken zijn bij deze contracten?
Op 15 november 2025 heeft Defensie kennisgenomen van een krantenartikel in De Limburger waarin melding werd gemaakt van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie van een van de bedrijven, op grond van fraude met eindgebruikerscertificaten.
Op 18 november 2025 heeft de ondernemer Defensie over de achtergronden en oorzaken geïnformeerd. Op die datum had Defensie enkele contracten met het bedrijf dat onderwerp was van het fraudeonderzoek en waarvan de erkenning op grond van de Wet Wapens en Munitie werd ingetrokken. Defensie is niet voornemens om nieuwe overeenkomsten met dit bedrijf te sluiten. De uitvoering van deze contracten is door een ander bedrijf, dat wel over de juiste vergunningen beschikt, overgenomen zodat Defensie nog steeds over de producten kon beschikken die waren aangekocht.
Overwegende dat volgens het artikel sprake zou zijn geweest van het gebruik van valse of misleidende eindgebruikerscertificaten bij internationale munitiehandel, was het Ministerie van Defensie hiervan op de hoogte? Zo ja, wanneer en welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke integriteits-, veiligheids- en betrouwbaarheidstoetsen worden standaard uitgevoerd bij bedrijven die defensiecontracten verkrijgen, met name wanneer het gaat om handel in wapens en munitie?
Nederlandse bedrijven die wapens of munitie leveren dienen een erkenning te hebben ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan daarnaast een eigen verklaring gevraagd worden van een leverancier, een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis, een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) of een autorisatie door de MIVD ingevolge de Algemene Beveiligingseisen voor Defensieopdrachten (ABDO) c.q. de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). Voor buitenlandse bedrijven bestaan equivalente verklaringen, waar Defensie op dezelfde wijze mee omgaat.
In hoeveel gevallen heeft Defensie sinds de Russische invasie van Oekraïne gebruikgemaakt van nieuwe leveranciers of tussenhandelaren bij de inkoop van militair materieel? Welke extra risico’s op fraude of misbruik brengt dit volgens u met zich mee?
Door de Russische invasie zijn er vele en snelle ontwikkelingen en innovaties op het gebied van militair materieel en de wijze van militair optreden. Dit brengt met zich mee dat er nieuwe bedrijven zijn waar Defensie mee samenwerkt en waar Defensie militair materieel van inkoopt. In sommige gevallen zijn dit kleine en relatief onbekende bedrijven, vaak omdat zij in staat zijn specifiek materieel goed en snel te leveren. Voorbeelden hiervan zijn droneontwikkelaars. De snelheid van levering en de leveringszekerheid zijn in deze tijden van materieelschaarste voor Defensie een van de belangrijkste criteria waarop leveranciers worden geselecteerd, uiteraard naast andere factoren als de prijs en kwaliteit van het materieel en betrouwbaarheid van de leverancier. De intensievere samenwerking met externe partners, waaronder tussenhandelaren, in tijden van schaarste vraagt van Defensie extra aandacht voor de beheersing van risico’s op het gebied van fraude en corruptie. Hiervoor werkt Defensie inmiddels aan verbeteringen en blijft dit de komende jaren ook doen. Een aantal concrete voorbeelden hiervan hebben we benoemd in ons antwoord onder vraag 2.
Overwegende dat in het artikel wordt gesteld dat bepaalde betrokken bedrijven mogelijk niet voldoen aan NAVO- of ISO-kwaliteitsstandaarden voor defensieleveranciers, kunt u aangeven aan welke kwaliteits- en certificeringsvereisten bedrijven moeten voldoen om als leverancier voor Defensie op te treden?
Defensie stelt bij de inkoop van materieel eisen aan de leverancier, aan het product en aan de kwaliteitszorg. Welke eisen gesteld worden, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald. Bij alle contracten die Defensie sluit, dus ook bij contracten met bedrijven waar deze ondernemer bij betrokken is, wordt vooraf gecontroleerd of het bedrijf en de te leveren producten aan alle gestelde eisen voldoen.
Welke controles voert het ministerie uit om te waarborgen dat materieel dat via tussenhandelaren wordt ingekocht daadwerkelijk voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en niet tegen onnodig hoge prijzen wordt geleverd?
Materieel dat gekocht wordt, wordt bij ontvangst gecontroleerd. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan een testplan worden afgesproken, een acceptatietest in de fabriek, en/of een acceptatietest na installatie bij de gebruiker. Ook wordt garantie bedongen voor productie- en/of ontwerpfouten. Welke testen en garantie worden bedongen wisselt naar gelang de aard van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald.
Bij het inkopen zonder concurrentiestelling, wordt bij contracten van meer dan € 2,5 miljoen geëist dat de ADR een onderzoek naar de prijsstelling kan uitvoeren. Daarbij wordt onder meer het winstpercentage beoordeeld. De resultaten van het ADR-onderzoek kunnen aanleiding zijn voor aanvullende onderhandelingen en bijstelling van de prijs.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat bedrijven die worden verdacht van fraude of andere integriteitsschendingen betrokken raken bij defensiecontracten of leveringen van militair materieel?
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld.
Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Bent u bereid lopende contracten met bedrijven uit het genoemde netwerk opnieuw te beoordelen op integriteit, betrouwbaarheid en prijsstelling? Zo nee, waarom niet?
Wij zien nu geen aanleiding om deze beoordeling opnieuw uit te voeren. De lopende contracten zijn beoordeeld op betrouwbaarheid en prijsstelling. De genoemde bedrijven hebben voorafgaand aan contractering een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis overlegd en er is voorcalculatorisch onderzoek uitgevoerd door de ADR. Wel is een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van dit signaal betreffende informatieverstrekking aan een leverancier.
Kunt u deze vragen tijdig voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Ja.
De Bilderbergconferentie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Is het correct dat de Koning, Koningin en premier deel hebben genomen aan de Bilderbergconferentie 2026?
Ja.
Hebben de Koning, Koningin en premier aan deze conferentie deelgenomen op persoonlijke titel of vertegenwoordigden ze Nederland?
Kenmerkend voor de Bilderbergconferentie is dat de deelnemers in hun formele hoedanigheid worden uitgenodigd maar tijdens de conferentie op informele wijze van gedachten kunnen wisselen volgens de zogeheten Chatham House Rule die inhoudt dat deelnemers de informatie vrij mogen gebruiken, maar niet koppelen aan de identiteit of functie van een spreker of andere deelnemer. Hiermee is de vrijheid van een open gedachtewisseling tijdens de conferentie gediend. Informatie over de werkwijze tijdens Bilderbergconferenties en de deelnemers is beschikbaar op www.bilderbergmeetings.org.
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Verschillende Europese lidstaten hebben wetsvoorstellen aangekondigd om een minimumleeftijd in te stellen voor sociale media. Lidstaten hebben de bevoegdheid om een minimumleeftijd voor te schrijven voor toegang tot bepaalde producten of online diensten, met inbegrip van sociale mediadiensten.
In het coalitieakkoord is het voornemen geuit voor een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. Een minimumleeftijd op Europees niveau heeft mijn voorkeur, omdat sociale mediabedrijven grensoverschrijdend opereren. Het is daarom efficiënter om te kiezen voor een gezamenlijke oplossing en uniforme Europese regels, omdat dit versnippering tussen lidstaten voorkomt.
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Nederland heeft tijdens de Informele Telecomraad van 29 en 30 april 2026 het belang uitgedragen van een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. De Kamer zal hier op korte termijn via een verslag nader over worden geïnformeerd.
Daarnaast ga ik de komende periode mogelijkheden voor samenwerking verder verkennen door met verschillende lidstaten in gesprek te gaan. Ik heb onder meer een bijeenkomst op initiatief van Frankrijk bijgewoond, waar ik met andere Europese leiders en de Europese Commissie sprak over een Europese minimumleeftijd voor sociale media.
Tot slot voert de Universiteit van Amsterdam (UvA) momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Ik zal de resultaten van dit onderzoek uiterlijk voor het zomerreces publiceren.
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Het is belangrijk om tot een gezamenlijke Europese aanpak te komen, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vragen 2 en 3.
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, zal ik met verschillende lidstaten in gesprek gaan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor samenwerking. Na deze gesprekken en de resultaten van het onderzoek van de UvA zal ik nagaan wat de meest geschikte vorm van samenwerking is.
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voert de UvA momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Daarbij wordt uiteraard ook ingegaan op de relatie tot de DSA als hoeksteen van het Europese platformrecht. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen bij de uitvoering van het coalitieakkoord.
Voor wat betreft de technische handhaafbaarheid, geldt dat online leeftijdsverificatie een belangrijk instrument kan zijn, mits fundamentele rechten en grondrechten zoals privacy, gegevensbescherming, non-discriminatie en digitale toegankelijkheid worden gewaarborgd. De toepassing moet proportioneel zijn en steeds per context worden afgewogen; er is geen one size fits all-oplossing. Om de ontwikkeling van privacyvriendelijke leeftijdsverificatie te ondersteunen, heeft de Europese Commissie een blauwdruk voor een Europese white-label leeftijdsverificatie-app gepubliceerd. Het kabinet verkent momenteel of de EU-blauwdruk app in Nederland geïmplementeerd kan worden of dat er ook andere mogelijkheden zijn voor implementatie van leeftijdsverificatie.
Bent u op de hoogte van de hack bij ChipSoft, het bedrijf dat software voor patiëntendossiers en andere digitale systemen voor ziekenhuizen levert?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de ernst is van de hack en hoeveel ziekenhuizen, huisartsenpraktijken en eventuele andere zorgverleners zijn geraakt door de hack?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Chipsoft voert momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uit om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. ChipSoft levert software aan ongeveer 70% van de Nederlandse ziekenhuizen. Uit voorzorg zijn sinds 8 april 20:00 uur de verbindingen met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar geweest. Inmiddels is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het gefaseerd opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met de klanten die dat betrof dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd3. ChipSoft heeft geen gedetailleerde inzage gegeven in welke klanten op welke wijze getroffen zijn. In de zojuist genoemde Kamerbrief heb ik ons inzicht met u gedeeld. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
Wat zijn de gevolgen van de hack voor zorgverleners en hun patiënten, bijvoorbeeld doordat zorginstellingen hun systemen offline hebben moeten halen?
Navraag bij de betrokken zorginstellingen leert dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien. Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen digitale verwijzingen niet goed plaatsvinden.
Ziekenhuizen zijn hier echter op dit soort incidenten voorbereid en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel.
Is bepaalde zorg uitgesteld vanwege de hack en zo ja, op welke schaal?
Nee, de zorgprocessen lopen door.
Is er gevoelige data, zoals patiëntgegevens, in handen gekomen van criminelen?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Welke exacte patiëntgegevens hierbij zijn buitgemaakt is nog in onderzoek. Ik heb de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april hierover geïnformeerd.4 Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe verklaart u de verschillende aanpak van ziekenhuizen na de hack, bijvoorbeeld in het wel of niet offline halen van systemen?
Ziekenhuizen die klant zijn bij ChipSoft hebben op advies van Z-CERT, het expertisecentrum cybersecurity in de zorg, preventieve maatregelen genomen en hebben monitoring op hun lopende systemen geïntensiveerd. De keuzes die gemaakt worden, zijn door de ziekenhuizen of organisaties zelf gemaakt op basis van eigen specifieke situatie en risico inschatting.
Verschilt de impact van de hack tussen ziekenhuizen die hun gegevens lokaal, hybride of juist in een cloudomgeving opslaan? Kunt u uitleggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt?
De gegevens van de zorgaanbieders die gebruikmaken van de cloudomgeving van ChipSoft zijn gestolen. Van instellingen die de software van ChipSoft in eigen beheer uitvoeren of door derden laten beheren, zijn geen gegevens gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd.5
Er valt niet in z’n algemeenheid te zeggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt. Dit hangt af van de lokale context van de zorgaanbieder en de risicoafweging die gedaan is en de beheersmaatregelen die daarbij genomen zijn.
Welke rol speelt de overheid in de afwikkeling van de hack?
Wat betreft de afwikkeling van de hack en opsporing en/of vervolging ligt de verantwoordelijkheid bij de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Diverse toezichthouders doen onderzoek naar de hack. Vanuit onze stelselverantwoordelijkheid ondersteunen we de koepelorganisaties die in het Informatieberaad Zorg zitten met informatie over de digitale aanval en een woordvoeringslijn die zij kunnen gebruiken naar hun leden.
Ook worden bijvoorbeeld handelingsperspectieven uitgewisseld. VWS en organisaties die gesubsidieerd worden door VWS ondersteunen de getroffen zorginstellingen zoveel als mogelijk. Zo financiert de overheid Z-CERT, het expertise centrum cybersecurity in de zorg. Z-CERT, biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie. Vanuit het ministerie volgen we de ontwikkelingen zeer nauw, adviseren we koepels en zorgaanbieders en duiden we de rollen en bevoegdheden, waar nodig.
Zijn er alternatieven voorhanden bij een hack als deze, bijvoorbeeld alternatieve software waar ziekenhuizen en andere zorgverleners op kunnen terugvallen?
Ziekenhuizen hebben draaiboeken en protocollen voor als systemen niet werken om te zorgen dat het zorgproces door kan blijven gaan. Dit volgt uit de verplichte risico analyse die zij moeten doen. Zo gaan bijvoorbeeld verwijzingen van huisartsen naar Chipsoft-ziekenhuizen niet meer digitaal, maar per mail of telefonisch. Zie ook het antwoord op vraag 3. Het is aan zorgverleners zelf om deze protocollen, gegeven de specifieke situatie van de betreffende zorgverlener, in te richten. De ingebruikname van een ander elektronisch patiëntendossier of andere alternatieve software is niet iets wat in enkele dagen of weken geregeld kan worden. Dit is technisch zeer complex en kent een lange doorlooptijd. Bovendien brengt het hoge kosten en andere risico’s met zich mee.
Welke eisen gelden er voor leveranciers van cruciale zorg-ICT?
Nederlandse zorgaanbieders zijn wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat.
In de nabije toekomst zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2-richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. De European Health Data Space-verordening (EHDS) draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening6.
Is de ketenweerbaarheid op het gebied van ICT in de zorg wat u betreft op orde, onder andere in de domeinen hosting, beheer, en koppelingen? Waarom wel of niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast gaat de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, verplichten om hun leveranciersketen in kaart te brengen, en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen. De Cbw is voorzien medio 2026 in te gaan.
Deelt u de opvatting dat dit geen incident is, maar een symptoom van te grote afhankelijkheid van een paar dominante leveranciers in de zorg, waarbij een incident bij één leverancier meteen een nationale zorgvraag wordt?
Nee, ik deel die opvatting niet. Zorgaanbieders dienen afspraken te maken met zorg-ICT-leveranciers en hierbij risico’s af te wegen. Het is wel zo dat de omvang van een hack groter kan zijn wanneer een leverancier met een groot marktaandeel wordt getroffen waarbij ook nog eens patiëntgegevens zijn opgeslagen.
Deelt u de zorgen over de risico’s wanneer één dominante marktpartij de infrastructuur levert voor zorginstellingen of andere essentiële publieke voorzieningen?
Het is belangrijk dat er sprake is van een gezonde marktwerking op de zorg-ICT-markt. Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze marktconcentratie zorgt voor minder concurrentie, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook is er een definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM7 gepubliceerd. Het Ministerie van VWS maakt hieruit op dat het voor nieuwe innovatieve spelers moeilijk is voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico’s te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in onze zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan overwegingen van digitale autonomie.
In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 2026 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken, ga ik de komende tijd aan de slag om de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT te vergroten. Ook wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden. Daarnaast wordt er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel opgezet. Daar kunnen signalen over zorg-ICT worden gedeeld en kan vanuit bestaand instrumentarium bekeken worden of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is. Naast de hierboven genoemde acties zet ik in op de European Health Data Space (EHDS) om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en aan een verplicht loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden op zorg-ICT.
Zijn er maatregelen die u neemt om dergelijke marktdominantie tegen te gaan, bijvoorbeeld door afspraken te maken over het inkoop- en aanbestedingsbeleid in de zorgsector? Waarom wel of niet?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering van zorg-ICT. Wel blijkt uit het NZa rapport «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT» januari 2025 dat de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarom wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door de inzet van externe expertise om gezamenlijke inkoop van een kernapplicatie te laten slagen. Dit zorgt voor schaalvoordelen en vergroot de kans op samenwerking. Over dit soort onderwerpen heeft mijn ministerie ook regelmatig overleg met de ICT-gebruikersverenigingen van de ziekenhuizen.
Hoe zorgt u voor voldoende diversificatie tussen ICT-leveranciers bij zorginstellingen? Is het uw verantwoordelijkheid om monopolievorming in de zorg-ICT tegen te gaan?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op eerlijke concurrentie en marktwerking, zo ook op de zorg-ICT markt. In eerste instantie is zij de toezichthouder op basis van de Mededingingswet die toezicht houdt op de markt en ook concentraties (fusies/overnames) beoordeelt. Zij heeft in haar brief op 28 januari 20258 aangegeven dat de zorg-ict markt niet goed werkt omdat ICT-systemen gesloten zijn. De ACM geeft aan dat zij op dit moment onvoldoende instrumenten heeft om eerlijke concurrentie en marktwerking structureel af te dwingen en adviseert het Ministerie van VWS om openheid van digitale informatiesystemen via wetgeving te verplichten.
Ik vind het belangrijk dat de zorg-ICT-markt toegankelijk is, zodat concurrentie en innovatie worden gestimuleerd. Met de EHDS wordt ook ingezet op een zo open mogelijke markt voor onder andere EPD-leveranciers. Ik onderzoek de mogelijkheden om als randvoorwaardelijk onderdeel van de EHDS, te komen tot additionele regulerende instrumenten.
Is het wenselijk dat zorginstellingen individueel ICT-diensten inkopen en hierover onderhandelen? Welke voor- en nadelen ziet u bij een meer gezamenlijke vorm van inkoop?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering. Gezamenlijke inkoop kan schaalvoordelen opleveren, vergroot de kans op samenwerking en versterkt de positie van de zorgaanbieders. Een nadeel kan zijn dat er minder maatwerk wordt geleverd.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Bevers om bij de evaluatie van de Wet vifo te bezien of bij fusies en overnames vanuit het buitenland van digitale zorginfrastructuur vergelijkbare voorwaarden gesteld kunnen worden als bij andere cruciale sectoren, zoals de chip-, energie- en telecomsector?2
Sinds juni 2023 is de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (vifo) van kracht. De Wet vifo introduceerde een mechanisme voor investeringstoetsing in Nederland. Recent is de wet, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, geëvalueerd.
Tevens is in december 2025 de herziene Foreign Direct Investment (FDI)-screeningsverordening vastgesteld. Met de wijziging van de Verordening worden de reikwijdte en procedures van de nationale investeringstoetsingsregimes in de Europese Unie gestroomlijnd om economische veiligheidsrisico’s van investeringen op een meer coherente manier aan te pakken. Nadat de herziene FDI verordening formeel is vastgesteld, start de termijn voor omzetting van de Verordening in nationale wetgeving. In Nederland wordt deze Verordening geïmplementeerd in de Wet vifo. Ik koers aan op een verwijzing in de wet vifo naar de (terminologie van de) Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Hiermee zullen kritieke entiteiten in de zorg in het geval van vijandige investeringen, fusies of overnames kunnen worden getoetst.
Deelt u de zorgen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over gesloten datastandaarden bij ICT-aanbieders in de zorg, aangezien systemen daardoor niet goed met elkaar communiceren en zorgaanbieders minder keuze hebben in hun leveranciers, met monopolievorming tot gevolg?
Ja ik deel deze zorgen. Het niet gebruiken van open standaarden en de geslotenheid van ICT-systemen bevordert niet de door de Nationale, Visie en Strategie10 gewenste interoperabiliteit op weg naar databeschikbaarheid. Om dat te veranderen zal een mix van Europese verplichtingen en nationale keuzes nodig zijn. Met de European Health Data Space (EHDS) verordening wordt ingezet op een zo open mogelijke markt voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen. Vanuit de NVS-ambitie stuur ik op openstelling van systemen via open gestandaardiseerde koppelvlakken: publiek beschikbare koppelvlakken,
zodat data veilig, herbruikbaar en leverancier-onafhankelijk kan stromen door het hele stelsel. De specificaties van deze open koppelvlakken zijn een publieke verantwoordelijkheid. Zo nodig zal ik deze koppelvlakken ook als open source laten ontwikkelen en beschikbaar stellen aan marktpartijen.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Kathmann over een routekaart waarlangs ICT-leveranciers in de zorg de komende jaren verplicht worden gebruik te maken van open datastandaarden?3
In mijn brief «stand van zaken landelijk dekkend netwerk» die ik voor het commissiedebat digitale zorg (gepland op 21 mei) naar uw Kamer zal sturen, zal ik dieper ingaan op dit vraagstuk.
Welke structurele problemen in de zorg-ICT legt deze hack bloot? Wie is er aan zet om deze op te lossen?
Het onderzoek naar deze hack is nog in volle gang. Het is daarmee te vroeg om een verband te leggen tussen deze hack en structurele problemen in de zorg-ICT.
Welke maatregelen neemt u om de cyberveiligheid en weerbaarheid van zorginstellingen structureel te vergroten?
In het versterken van de cyberweerbaarheid van de zorg neem ik een kader stellende, toezichthoudende, stimulerende en faciliterende rol in. In de brief over informatieveiligheid in de zorg van 4 december 2025 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die mijn ministerie neemt12. Ik ondersteun zorginstellingen bij het voorkomen van incidenten door het verhogen van bewustzijn van zorgmedewerkers in het programma Informatieveilig gedrag in de zorg. Een groot deel van cyberincidenten zijn mede veroorzaakt door menselijk handelen. Daarnaast bied ik hulpmiddelen aan om te voldoen aan de NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg. Deze norm schrijft organisatorische, mensgerichte, fysieke en technologische beheersmaatregelen voor die de digitale weerbaarheid van een organisatie concreet verhogen. Dit met het doel om dreigingen te voorkomen, detecteren of erop te reageren. Tot slot helpt het expertisecentrum cybersecurity in de zorg (Z-CERT) zorginstellingen in het voorkomen van incidenten door te monitoren en eventuele dreigingsinformatie te delen. Daarnaast biedt Z-CERT ondersteuning bij het beperken van de gevolgen wanneer er onverhoopt een incident heeft plaatsgevonden.
Wat wordt de rol van de Cyberbeveiligingswet, zodra deze is aangenomen, om dergelijke hacks te voorkomen en sneller af te wikkelen? Wat gaat er concreet veranderen in een casus zoals deze?
Voor alle zorgaanbieders is de NEN 7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, nu al wettelijk verplicht. De Cyberbeveiligingswet (Cbw) gaat bredere eisen stellen aan netwerk- en informatiebeveiliging voor diverse sectoren waaronder de sector zorg. Zodra de Cbw van kracht is (voorzien medio 2026), hebben organisaties die onder de wet vallen een meldplicht. Dit houdt in dat een significante cyberincident13 binnen 24 uur wordt gemeld bij het portaal van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Het NSCS werkt nauw samen met Z-CERT, het expertisecentrum op het gebied van het cybersecurity in de zorg. Deze meldplicht zorgt ervoor dat alle significante meldingen worden gemonitord en er tijdig wordt gewaarschuwd tegen cyberdreigingen. Daarnaast stelt de Cbw een zorgplicht voor organisaties verplicht. Dit houdt in dat organisaties vallend onder Cbw maatregelen moeten nemen om hun netwerk- en informatiesystemen te beschermen tegen significante incidenten. De Cbw zal cyberincidenten niet voorkomen, maar de cyberweerbaarheid in Nederland en daarmee ook in de sector zorg wordt verhoogd doordat significante cyberincidenten worden gemonitord en vervolgens snel wordt gehandeld om de beveiliging van informatiesystemen en bedrijfscontinuïteit te waarborgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over digitale ontwikkelingen in de zorg van 21 mei 2026 beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Om te voorkomen dat speelgoed met asbest op de markt komt, gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen, door de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand actief te delen met de branche.
Fabrikanten en importeurs hebben de verplichting om te (laten) controleren of hun product veilig is. Die verplichting kunnen ze nakomen door een controle uit te (laten) voeren op het veiligheidsdossier van het product. In het veiligheidsdossier, dat door de fabrikant van het consumentenproduct met speelzand is opgesteld, moet worden aangetoond dat het product voldoet aan Europese veiligheidsvoorschriften. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Het onderzoek van de NVWA laat zien welke producten wel en niet aan de producteis voldoen. Het is aan kinderopvangcentra, scholen en huishoudens om te bepalen welk speelgoed zij gebruiken. Het advies van de brancheverenigingen in de kinderopvang is om geen speelzand meer te gebruiken.
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Zoals aangegeven in het vorige antwoord bepalen de kinderopvangcentra, scholen en huishoudens zelf of ze dit speelgoed gebruiken. Er zijn diverse acties ondernomen die eraan bijdragen dat de kans nog verder afneemt dat consumenten een onveilig product kopen. Zo is inmiddels de lijst openbaar gemaakt waarin de resultaten van de onderzochte productmonsters staan vermeld. Daarnaast deelt de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand met de branche. Tot slot kunnen consumenten bij de importeur of distributeur navragen of het product veilig is.
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
De NVWA heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd dat zoveel als mogelijk representatief is voor de markt in Nederland. Marktverkenningen zijn altijd steekproeven en het is onmogelijk om alle producten op de markt te controleren.
De juiste onderzoeksmethode is beschreven in het advies van TNO: «Asbestos in play sand». Het onderzoek van de NVWA is volgens die methode uitgevoerd.
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Kinderopvang-centra, scholen en huishoudens bepalen zelf of ze dit speelgoed willen gebruiken.
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat slechts een beperkt aantal monsters asbest bevatten boven de geldende norm. De NVWA concludeert dat het aannemelijk is dat de geschatte levensgemiddelde blootstelling beneden het maximaal toelaatbare risiconiveau blijft.
Bovendien zijn de namen van de producten, waarvan de hoeveelheid asbest in het onderzochte monster boven de geldende norm uitkwam, direct openbaar gemaakt en van de markt gehaald.
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Dit heeft te maken met het feit dat voor openbaarmaking een vastgestelde zienswijze-procedure gevolgd moet worden. Deze procedure duurt zo’n 2 weken. Gezien het belang van snelle publicatie van het NVWA-onderzoek, is ervoor gekozen om deze twee documenten afzonderlijk van elkaar te publiceren.
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder geantwoord op uw vragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) is het van belang dat onderzoek van de NVWA boven elke twijfel verheven is. Het gaat bijvoorbeeld om bemonstering, monsteropslag en voorbehandeling door beëdigde inspecteurs. Bij onderzoek dat niet door de NVWA is uitgevoerd, is dit niet gegarandeerd.
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is het ermee eens dat er een duidelijke asbestnorm voor speelgoed moet komen. Zoals eerder geantwoord op uw eerdere Kamervragen (Handelingen II 2025/26, nr. 1660) zet het kabinet zich daarom in Europees verband in op aanscherping van de norm voor asbest in speelgoed.
Bedrijven zijn verplicht om aan de wettelijke eisen te voldoen en moeten dit ook kunnen aantonen. Het is echter niet aan het kabinet om te bepalen hoe bedrijven dit bereiken. Daarom kiest het kabinet niet voor een testverplichting.
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Naast de controlerende toezichtactiviteiten van de NVWA, om de naleving te vergroten, zal de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in deze producten actief delen met de branche. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen op dit gebied, wordt informatie daarover onder de branche verspreid. Daarbij verwacht de NVWA van de betreffende speelgoedbedrijven een proactieve houding om ook via andere informatiebronnen dan de NVWA op de hoogte te blijven van de meest recente relevante wetenschappelijke ontwikkelingen.
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Zoals eerder geantwoord op uw Kamervragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via, onder andere, de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS in 2026 € 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Het kabinet heeft het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zet zich in Europees verband in voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen wordt verder gewerkt aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
De EU heeft enkele van de strengste veiligheidseisen voor speelgoed en zet de veiligheid van kinderen altijd voorop. Het kabinet onderschrijft dit. Daarom heeft het kabinet het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zal zich in samenwerking met andere landen inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder aangegeven zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Hoe zij invulling geven aan deze verantwoordelijkheid is aan henzelf. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke verantwoordelijkheid.
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het EU-meldsysteem voor consumentenproducten maakt het mogelijk snel informatie te verstrekken over maatregelen tegen gevaarlijke non-foodproducten onder de nationale toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor productveiligheid in de landen van de EU.
De meldingen hebben betrekking op producten die niet aan de Europese wetgeving voldoen. Europese wetgeving wijkt af van bijvoorbeeld Australische wetgeving. Dit kan ook nog per productcategorie verschillen. Daarom is het niet mogelijk om in algemene termen aan te geven welke criteria moeten worden gehanteerd voor de veiligheid van producten en heeft aansluiting op het Europese waarschuwingssysteem geen meerwaarde.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «KLM-topvrouw pakt 30 procent meer salaris ondanks financiële problemen en interne onrust bij vliegmaatschappij: Rintel verdient 1,6 miljoen euro»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de opvatting dat terughoudendheid in de stijging van beloningen van de top gepast is bij ondernemingen waar de overheid een belang in heeft en die het, door financiële druk, hoge energieprijzen en operationele problemen moeilijk heeft, terwijl het verdienvermogen onder druk staat door de onrust in Oekraïne en het Midden-Oosten?
Ik acht het, zeker gezien de huidige uitdagingen bij KLM, van groot belang dat de onderneming terughoudend is met stijging van de (variabele) beloning. Daarnaast vind ik dat er een verkeerd signaal uitgaat van een ruime beloning voor bestuurders. De financiële positie van KLM staat namelijk onder druk en KLM wil de winstgevendheid verhogen. Dat betekent dat er op de kosten bespaard moet worden. Hoge variabele beloningen voor de top dragen hier niet aan bij.
Hoe verhoudt de toegenomen beloning zich met eventuele afspraken of verwachtingen die samenhangen met de uitlatingen van de Minister in 2025 en ook met de eerdere staatssteun aan KLM?
Het deelnemingenbeleid is duidelijk over het verwachte beleid bij deelnemingen rondom variabele beloningen. Een variabele beloning mag maximaal 20% van de vaste beloning zijn. De variabele beloning bij KLM ligt hier ruimschoots boven. Daarom heeft mijn voorganger in 2024 tegen het huidige beloningsbeleid gestemd en heb ik vorig jaar bezwaar geuit tegen de hoogte van de variabele beloning. De staat is echter als minderheidsaandeelhouder (5,9%) overstemd door andere aandeelhouders.
Op 18 april 2023 is het steunpakket aan KLM beëindigd.2 De financiële voorwaarden die zijn gesteld aan het verlenen van het steunpakket, waaronder de afspraken over beloningen, zijn op dat moment komen te vervallen.
Heeft u de intentie om, binnen de bestaande governance-structuur, invloed uit te oefenen op het beloningsbeleid van KLM en, zo ja, hoe?
De raad van commissarissen is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van het beloningsbeleid van de directie. Alleen een wijziging van het beloningsbeleid wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de algemene vergadering van aandeelhouders. In 2024 heb ik tegen het huidige beloningsbeleid gestemd, omdat het niet past binnen het deelnemingenbeleid van maximaal 20% variabele beloning ten opzichte van het vaste salaris. Omdat de Nederlandse staat slechts een minderheidsbelang van 5,9% heeft en de meerderheid van de aandeelhouders destijds vóór het voorstel heeft gestemd, is het beloningsbeleid ondanks ons bezwaar vastgesteld. Niettemin zal ik mij ook in de toekomst blijven uitspreken tegen dit beleid en het standpunt van de Nederlandse staat duidelijk onder de aandacht blijven brengen.
Bent u bereid om, naast het uitoefenen van druk als aandeelhouder, bij KLM en ook Air France-KLM aan te dringen op een gesprek om te benadrukken dat maatschappelijk draagvlak en voorbeeldgedrag van de top essentieel zijn voor het vertrouwen in het bedrijf en de staatsdeelname in het bedrijf?
Ik voer regelmatig gesprekken met de directies van zowel KLM als Air France-KLM, waarin ik het belang van passende beloningen benadruk. Gezien de huidige uitdagingen waar KLM mee te maken heeft, vind ik het belangrijk om hierover in gesprek te blijven.
Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van KLM op 23 april 2026 heb ik mijn bezwaar tegen de ruimere variabele beloningen over 2025 ook formeel kenbaar gemaakt.