Het verlengen van het DigiD-contract |
|
Chris Stoffer (SGP), Henk Vermeer (BBB), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Herbert , Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat op 27 maart 2026 besloten is om het DigiD-contract met Solvinity nogmaals voor twee jaar te verlengen?
Op dit moment heeft Logius een contract met Solvinity dat uiterlijk in augustus 2028 afloopt. Binnen het huidige contract kan er gebruik worden gemaakt van een tweede en laatste verlengingsoptie voor de periode van 7 augustus 2026 tot (uiterlijk) 6 augustus 2028. Het gaat hierbij om het contract met Solvinity voor het uitvoeren van de beheerwerkzaamheden aan het platform waar onder andere DigiD op draait. Het is niet mogelijk om voor augustus 2026 over te stappen naar een andere partij zonder dat hierbij de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen in gevaar komen. Derhalve heb ik op 27 maart 2026 ingestemd met een contractverlenging voor de periode van 7 augustus 2026 tot 6 augustus 2028.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuze? Is het niet verlengen van het contract serieus overwogen?
De afgelopen maanden zijn er door Logius en BZK verschillende mogelijkheden verkend, zoals het versneld overstappen naar een andere leverancier of het zelf in beheer nemen van het platform waar voorzieningen als DigiD op draaien
Het beheer van het platform vraagt om een ervaren beheerorganisatie om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening blijvend te kunnen borgen. Op dit moment is het niet mogelijk om het platform in eigen beheer te nemen vanwege het feit dat Logius niet beschikt over voldoende kennis en capaciteit.
Het beheer van het platform versneld onderbrengen bij een andere beheerorganisatie kan ook leiden tot risico’s. De voornaamste reden hiervoor is dat een nieuwe beheerorganisatie kennis en ervaring moet opbouwen met het platform dat door Logius wordt gebruikt. Onder normale omstandigheden wordt hier een periode van 6 tot 12 maanden voor gehanteerd.
Deze overdracht kan plaatsvinden nadat een aanbestedingstraject is doorlopen en een nieuwe contractant is geselecteerd. Dat maakt het niet mogelijk om de overdracht naar een andere leverancier voor augustus 2026 af te ronden. Het vormgeven van een nieuwe aanbesteding en de overdracht naar een nieuwe leverancier is een langdurig traject dat zorgvuldig moet worden doorlopen, juist om de continuïteit en veiligheid van dienstverlening te borgen.
Welke andere opties heeft u overwogen, behalve het contract met twee jaar verlengen? Waarom zijn deze opties afgevallen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Welke mogelijkheden heeft u om vóór het definitieve beslismoment begin mei alsnog af te zien van de contractverlenging van twee jaar? Kunt u een beroep doen op een voorwaarde in het contract of een wettelijke bevoegdheid om dit vervroegd te doen?
De Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-opdrachten (ARBIT) zijn op deze overeenkomst van toepassing en bieden middels artikel 30 (onder voorwaarden) mogelijkheden tot het tussentijds ontbinden of opzeggen van de overeenkomst.
Voor het definitieve beslismoment van 6 mei 2026 heb ik geen mogelijkheden om af te zien van de contractverlenging. Zoals in de beantwoording op vraag 2 beschreven, zijn er op dit moment geen mogelijkheden om per augustus 2026 over te stappen naar een andere partij die in voldoende mate continuïteit en veiligheid kan borgen.
Zo niet, heeft u de mogelijkheid om het contract slechts onder voorbehoud te verlengen zolang Solvinity niet door een Amerikaans bedrijf wordt overgenomen? Bent u bereid om zo’n voorbehoud te maken?
Zie antwoord op vraag 2 en 4.
Heeft u de aangenomen motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1467) en de twee moties-Kathmann c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1190) (Kamerstuk 26 643, nr. 1507) meegewogen in dit besluit? Zo ja, hoe?
Deze zijn meegenomen in het besluit. Het kabinet wacht het oordeel van de onafhankelijke toezichthouder in het kader van het driesporenbeleid zoals vermeld in de Kamerbrief van 10 februari 20261 en de kabinetsreactie van 21 april 20262 af, om vervolgens een besluit te kunnen nemen.
Om vanaf (uiterlijk) augustus 2028 over te stappen naar een contractant waarbij het zeggenschap in Nederlandse/Europese handen ligt3, 4, wor dt er door Logius samen met de Landsadvocaat gekeken naar onder welke voorwaarden de aanbesteding kan worden uitgezet in de markt. In juni 2026 zullen wij uw Kamer hierover informeren.
Kunt u concreet uitleggen hoe de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening in gevaar komt als het contract niet was verlengd? Op basis van welke onderzoeken concludeert u dat?
Logius heeft een leverancier nodig voor het leveren van diensten die benodigd zijn om het platform waarop voorzieningen zoals DigiD staan, te laten draaien. Logius moet daarom een contract afsluiten met een leverancier. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 2.
Is het mogelijk om de DigiD-diensten, die nu in beheer zijn bij Solvinity, binnen drie maanden over te schakelen naar een ander bedrijf? Is deze optie serieus onderzocht?
Zie beantwoording vraag 2.
Hoe kunt u het DigiD-contract met Solvinity in zo kort mogelijke tijd ontbinden, nog vóór 2028, als de Amerikaanse overname doorgang vindt? Kunt u de Kamer uiterlijk in juni 2026 informeren over de opties die u hiertoe heeft en wat hiervan de kosten zijn?
Zie antwoord op vraag 4 en 6. Ik zal uw Kamer in juni 2026 nader informeren.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het definitieve verlengen van het contract in begin mei beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: minister Van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Follow The Money-artikel «Marechaussee werkte met omstreden techreus Palantir: Minister van Weel verzweeg contract voor Tweede Kamer»?1
Was uw eerdere antwoord op Kamervragen in juli 2025 over gebruik van Palantir binnen de Nederlandse overheid correct en compleet?2 Zo nee, wat heeft u dan verzaakt te melden?
Was u op de hoogte van het contract tussen Palantir en de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI) in 2014?
Zo ja, waarom heeft u dat contract niet genoemd in uw eerdere antwoord? Zo nee, waarom bent u niet voldoende op de hoogte over Amerikaanse tech-afhankelijkheden binnen uw eigen ministerie?
Kunt u een kloppend overzicht geven van alle lopende, aanstaand of verlopen contracten tussen de Nederlandse overheid, inclusief sub-overheden en Zelfstandig Uitvoeringsorganen (ZBO’s), en het Amerikaanse Palantir?
Bent u van mening dat ongepaste of onethische uitspraken van het bestuur van een bedrijf een reden moet zijn dat de Nederlandse overheid geen zaken meer moet doen met het bedrijf in kwestie? Zo nee, waarom niet?
Bent u voornemens alle lopende en aanstaande contracten tussen de Nederlandse overheid en Palantir in belang van nationale veiligheid te annuleren, dan wel niet te verlengen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen apart van elkaar en voor 12 mei 2026 beantwoorden?
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Dat klopt.
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Dat klopt, dit document is niet meer beschikbaar in het openbare deel van het archief sinds 14 oktober 2024.
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
In tegenstelling tot de titel van de Kamervragen is het document niet verdwenen. Dit document is op verzoek van het IMG verplaatst naar het vertrouwelijke deel van het archief omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, en dus vertrouwelijke informatie, die niet in het openbare archief opgenomen had moeten worden.
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Zie vraag 3. De status is op verzoek van het IMG bij brief van 4 oktober 2024, gericht aan de griffier van de Parlementaire Enquêtecommissie Aardgaswinning Groningen, gewijzigd. Die commissie heeft vervolgens op dat verzoek besloten en het document op 14 oktober 2024 naar het vertrouwelijke deel van het archief verplaatst.
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Zie vraag 4. Het IMG heeft het verzoek gedaan. Het ministerie en de landsadvocaat waren daarvan op de hoogte vanwege de lopende arbitrageprocedure tegen NAM, waarin NAM om de presentatie heeft verzocht, welk verzoek is geweigerd door het scheidsgerecht.
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Op grond van artikel 40 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 kunnen beperkingen worden gesteld aan de openbaarheid van documenten die onder de betreffende enquêtecommissie berusten of hebben berust, zolang de documenten onder de commissie of daarna onder de Kamer berusten. Waar het hier om gaat is een document dat, omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, nooit onderdeel van het openbare archief had moeten zijn. Dat is rechtgezet.
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Daar ben ik niet mee bekend.
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
De PEAG commissie en/of haar staf heeft van dit document kennis kunnen nemen omdat zij zowel openbaar geleverde documenten als vertrouwelijk geleverde documenten heeft ontvangen van het IMG. Ik kan geen inschatting geven of het betreffende document een rol heeft gespeeld in het onderzoek van de commissie.
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Ik ben niet in het bezit van de presentatie en daarom ook niet bekend met de inhoud van de presentatie.
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
De toenmalige Staatssecretaris was ermee bekend dat NAM zich niet kan verenigen met de opgelegde heffingen omdat zij meent dat delen van de werkwijze van het IMG haar aansprakelijkheid te buiten gaan. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de Kamervragen van het lid Clemminck (2026Z05645).
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Het is in de systematiek van het kas-verplichtingenstelsel ongebruikelijk voor de Rijksbegroting om begrotingsvoorzieningen te treffen voor budgettaire risico’s. Door middel van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) zijn er via heffingen en facturen kosten bij NAM in rekening gebracht. Dit wordt door NAM en de aandeelhouders van NAM bestreden in verschillende juridische procedures en gezien die procedures bestaan er budgettaire risico’s ofwel kans op begrotingstegenvallers.
In dit verband is het goed er op te wijzen dat het financiële risico voor de Staat kleiner is dan de opgelegde heffingen aan NAM. Conform de afspraken die zijn gemaakt met Shell en ExxonMobil over de afdrachtensystematiek draagt de Staat (bij benadering) uiteindelijk 73% van de opgelegde heffingen en komt 27% voor rekening van NAM.
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Er lopen op dit moment verschillende juridische procedures. Deze zien op fysieke schade, waardedaling en de versterkingsoperatie. Daarnaast zijn er ook bezwaren ingediend tegen heffingsbesluiten voor gemaakte kosten op het gebied van immateriële schade en de forfaitaire vergoedingen. Ik zal de Kamer periodiek op de hoogte blijven houden van de voortgang van deze juridische procedures door middel van Kamerbrieven, zoals mijn ambtsvoorgangers in het verleden ook hebben gedaan1.
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Deze vraag ligt in het verlengde van vraag 12 van de schriftelijke vragen van het lid Clemminck (2026Z05645). Conform de beantwoording van die vragen ben ik graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Ik kan geen antwoord geven op deze vraag, zoals ook in het antwoord op vraag 13 heb aangegeven, omdat ik niet vooruit wil lopen op uitspraken of arbitrale vonnissen over de aanhangige juridische procedures.
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Zoals ik in vraag 3 heb aangegeven is de presentatie van het IMG niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht, en beschik ik daar niet over. Ook in een vertrouwelijke briefing kan ik dan ook niet ingaan op de inhoud van deze presentatie.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Uit de TwG volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de TwG kunnen worden geheven. De heffingsbesluiten zijn bestuursrechtelijke besluiten. Aangezien het hier gaat over juridische interpretaties die momenteel voor liggen bij de bestuursrechter vind ik het niet opportuun om de Algemene Rekenkamer te verzoeken aandacht te schenken aan het onderscheid tussen verhaalbare en niet-verhaalbare kosten op NAM.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Ja.
Het bericht dat een rechter duizenden Woo-verzoeken indiende om misbruik van de wet aan te tonen |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rechter bombardeert gemeenten met duizenden informatieverzoeken om punt te maken»?1
Ja.
Klopt het dat een zittende rechter volgens deze berichtgeving op grote schaal Woo-verzoeken heeft ingediend bij gemeenten, niet primair om informatie openbaar te krijgen, maar om aan te tonen hoe eenvoudig misbruik van de Woo mogelijk is? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
Ja, dit klopt. Het recht op toegang tot overheidsinformatie en het kunnen doen van een Woo-verzoek is belangrijk voor de werking van onze democratie. Vanzelfsprekend is het onacceptabel dat dit belangrijke recht uit de Woo wordt misbruikt. Misbruik maken van de Woo leidt tot verspilling van publieke middelen en levert het overheidsorganisaties een hoop extra werk op. Misbruik ondermijnt een goede werking van het openbaarheidsstelsel, bijvoorbeeld omdat dit ten koste gaat van de doorlooptijd van andere Woo-verzoeken.
Deelt u de opvatting dat de Woo bedoeld is om openbaarheid van bestuur te bevorderen, maar niet om overheden op grote schaal doelbewust administratief te belasten of de uitvoeringspraktijk te ontregelen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het risico dat dit soort massale en mogelijk strategische Woo-verzoeken, zeker bij kleinere gemeenten, leidt tot verdringing van reguliere publieke taken, oplopende uitvoeringskosten en langere wachttijden voor bona fide verzoekers?
Transparantie van overheidshandelen en openbaarmaking van overheidsinformatie zijn belangrijke waarborgen in onze democratische rechtsstaat. Misbruik van het recht om Woo-verzoeken te doen, is dan ook onacceptabel. Deze casus laat zien dat misbruik van de Woo mogelijk is.
Om misbruik tegen te gaan, bevat de Woo een antimisbruikbepaling. Van deze bepaling kunnen overheidsorganisaties gebruik maken als een Woo-verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Op dit moment heb ik geen signalen dat misbruik van de Woo op grote schaal voorkomt. Wel is het voor bestuursorganen soms lastig om te bepalen wanneer zij gebruik kunnen maken van de antimisbruikbepaling. Daarom hebben we een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen hierbij helpt.2 Daarnaast wordt dit jaar de Woo geëvalueerd, waarbij ook wordt gekeken naar de werking van de antimisbruikbepaling. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie kunnen we kijken of extra maatregelen nodig zijn om misbruik te voorkomen en te bestrijden.
Heeft u zicht op de omvang van de belasting voor gemeenten door dit soort bulkverzoeken, bijvoorbeeld in termen van extra ambtelijke inzet, externe juridische kosten en vertraging in de afhandeling van andere Woo-verzoeken? Zo nee, bent u bereid dit via de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) uit te vragen?
Onlangs is een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoeringslasten van Woo-verzoeken.3 In dit onderzoek is niet specifiek gekeken naar bulkverzoeken, maar wel naar zogenaamde «zeer complexe» verzoeken,4 waar ook de hier bedoelde bulkverzoeken onder kunnen vallen. Op landelijk niveau vergen de 10% meest complexe Woo-verzoeken circa 30% van de totale tijd die wordt besteed aan de afhandeling van Woo-verzoeken. De gemiddelde tijdsbesteding voor zeer complexe Woo-verzoeken bedraagt 113 uren voor kleine gemeenten, 128 uren voor middelgrote gemeenten en 159 uren voor grote gemeenten. Dit betreffen uitdrukkelijk niet allemaal verzoeken waarmee misbruik wordt gemaakt van de Woo. In de wetsevaluatie wordt nader gekeken naar de effecten van de Woo in de praktijk en de werking van de antimisbruikbepaling. De uitkomsten van het onderzoek naar de uitvoeringslasten worden in de wetsevaluatie meegenomen.
Welke mogelijkheden hebben bestuursorganen op dit moment om op te treden tegen kennelijk oneigenlijk of disproportioneel gebruik van de Woo, en acht u dat instrumentarium toereikend?
Zoals eerder genoemd, heeft de Woo een antimisbruikbepaling (artikel 4.6) waarmee bestuursorganen een middel hebben om Woo-verzoeken die een ander doel hebben dan het verkrijgen van informatie niet in behandeling te nemen. Hier heeft de gemeente Utrecht in deze casus ook een beroep op gedaan.
Of de antimisbruikbepaling wordt ingezet, is een afweging die het bestuursorgaan zelf moet maken op basis van de relevante feiten en omstandigheden van de betreffende casus. Er is dus geen standaardformule die altijd kan worden toegepast als er een vermoeden van een oneigenlijk of misbruikverzoek is. Zoals hiervoor al benoemd, is vanuit mijn ministerie – in samenwerking met een overheidsbrede werkgroep – een handreiking opgesteld met handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. Zo kan met behulp van indicatoren uit de wet, jurisprudentie en de praktijk worden bepaald of in een casus toepassing van de antimisbruikbepaling passend is.
De handreiking is net gepubliceerd en moet zijn effect in de praktijk dus nog krijgen. Uiteraard herzien we zo nodig de handreiking op basis van signalen uit de praktijk en nieuwe jurisprudentie. Eventuele aanvullingen van het instrumentarium kunnen volgen naar aanleiding van de wetsevaluatie van de Woo.
In hoeverre deelt u de opvatting dat er een betere balans nodig is tussen enerzijds het recht op openbaarheid en anderzijds bescherming van bestuursorganen tegen seriematig of evident oneigenlijk gebruik van de Woo?
Een goed werkend openbaarheidsstelsel is van groot belang. Binnen dit stelsel moeten zowel het recht op overheidsinformatie als mogelijkheden voor bestuursorganen om met misbruik van dit recht om te gaan, geborgd zijn. Het is daarom belangrijk om hier ook in het onderzoek van de wetsevaluatie grondig en objectief naar te laten kijken.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende waarborgen nodig zijn tegen massale, herhaalde of geautomatiseerd ingediende Woo-verzoeken, bijvoorbeeld door bundeling van identieke verzoeken, een steviger misbruiktoets of andere procedurele drempels voor evident oneigenlijk gebruik?
Tijdens de wetsevaluatie van de Woo worden de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk onderzocht. Hieronder vallen dus ook de doeltreffendheid van de antimisbruikbepaling en misbruik van de Woo in de praktijk. De onderzoekers zal worden gevraagd om aanbevelingen te doen voor verbetering van de uitvoering en uitvoerbaarheid van de wet.
In tussentijd zetten we al stappen om tot een betere uitvoering en uitvoerbaarheid van de Woo te komen. Zo hebben we zeer recent een handreiking gepubliceerd die bestuursorganen helpt bij het omgaan met misbruik van de Woo.5 Aan de handreiking hebben ook verschillende gemeenten meegewerkt. Ook is er een openbare internetconsultatie gedaan waarin iedereen op de concepthandreiking kon reageren. Vanuit de praktijk bleek vooral behoefte aan een handreiking met praktische handvatten voor de toepassing van de antimisbruikbepaling. De handreiking is dan ook een praktisch product geworden dat helpt om misbruik van de Woo te herkennen en te bestrijden.
In hoeverre worden de uitvoeringsproblemen die samenhangen met dit soort bulkverzoeken meegenomen in de lopende evaluatie, monitoring en verbetermaatregelen rond de Woo, en hoe voorkomt u dat misbruik door enkelen het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak voor de Woo verder ondermijnt?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om samen met gemeenten te bezien welke praktische maatregelen op korte termijn mogelijk zijn om de afhandeling van grootschalige en kennelijk oneigenlijke Woo-verzoeken beter te organiseren?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u tevens bereid om, gelet op de bijzondere positie van een rechterlijke ambtsdrager in deze kwestie, hierover in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak en de Kamer voor het commissiedebat Wet open overheid te informeren welke concrete opties u ziet om misbruik van de Woo tegen te gaan, zonder het fundamentele recht op openbaarheid voor normale verzoekers onnodig te beperken?
Ik vind het niet noodzakelijk, en gezien de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht onwenselijk, om over deze kwestie in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Holland ook aangegeven deze kwestie hoog op te nemen en gemeld dat de betreffende rechter geen zaken meer behandelt totdat duidelijk is of het handelen gevolgen moet hebben (en zo ja, in welke vorm).6 De concrete acties die ik vanuit BZK onderneem, zoals de handreiking en het onderzoek in het kader van de wetsevaluatie, heb ik in de voorgaande antwoorden toegelicht.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De Raad van State spreekt van een «Tirannie van het hedendaagse» en benadrukt noodzaak van langetermijnbeleid»?1
Deelt u de mening dat de belangen van toekomstige generaties vaak onvoldoende zijn gewaarborgd bij de totstandkoming van beleid?
Kunt u uiteenzetten hoe de belangen van toekomstige generaties momenteel worden meegewogen bij de totstandkoming van nationaal beleid?
Kunt u uiteenzetten welke onafhankelijke instanties de Rijksoverheid momenteel adviseren over de gevolgen van beleid voor toekomstige generaties?
In hoeverre is de generatietoets zoals voorgesteld in de motie-Segers/Jetten (Kamerstuk 35 300, nr. 24) inmiddels structureel onderdeel van het beleidsproces van de Rijksoverheid?
Bent u bereid het aanstellen van een Nationale ombudsman voor toekomstige generaties te verkennen?
Hoe beoordeelt u de plannen van de Europese Commissie voor een Strategy of Intergenerational Fairness?2
Bent u bereid om naar aanleiding van het plan van de Commissie ook een Nederlandse intergenerationele rechtvaardigheidsstrategie te ontwikkelen?
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Bent u bekend met het artikel «Zijn bedrijf wordt verdacht van fraude, maar toch verdient deze taxibaas miljoenen bij Defensie» van Follow the Money?1
Ja.
Overwegende dat volgens berichtgeving bedrijven in het netwerk van een Nederlandse ondernemer worden verdacht van fraude in internationale munitiehandel, terwijl aan ditzelfde netwerk defensieopdrachten van grote waarde zijn verstrekt, hoe reflecteert u op deze berichtgeving?
Zakelijke integriteit, waaronder het tegengaan van fraude en corruptie, is een onderwerp dat wij zeer serieus nemen. Door de geopolitieke context, de grote behoefte aan (specialistische) militaire producten en de korte tijdspanne waarin deze geleverd moeten worden, neemt de kans op het manifesteren van fraude- en corruptierisico’s toe. Dit is ook door de Audit Dienst Rijk (ADR) gesignaleerd en Defensie werkt daarom aan verschillende verbeteringen om beter met deze toegenomen risico’s om te gaan. Voorbeelden hiervan zijn het voorbereiden van een defensiebrede frauderisicoanalyse en het ontwikkelen van een frauderisicomanagementsysteem waarin aandacht is voor de preventie, herkenning en detectie van fraude en corruptie.
Klopt het dat bedrijven gelieerd aan deze ondernemer betrokken zijn bij contracten met het Ministerie van Defensie voor de levering van wapens, munitie, boten of ander militair materieel? Zo ja, om welke contracten en bedragen gaat het precies?
Het klopt dat Defensie overeenkomsten heeft met bedrijven die aan deze ondernemer gelieerd zijn. Om operationeel en commercieel vertrouwelijke redenen doet Defensie geen uitspraak over de aard en omvang van de opdrachten.
Wanneer en op welke wijze is het Ministerie van Defensie geïnformeerd over eventuele strafrechtelijke onderzoeken of verdenkingen van fraude met betrekking tot bedrijven die betrokken zijn bij deze contracten?
Op 15 november 2025 heeft Defensie kennisgenomen van een krantenartikel in De Limburger waarin melding werd gemaakt van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie van een van de bedrijven, op grond van fraude met eindgebruikerscertificaten.
Op 18 november 2025 heeft de ondernemer Defensie over de achtergronden en oorzaken geïnformeerd. Op die datum had Defensie enkele contracten met het bedrijf dat onderwerp was van het fraudeonderzoek en waarvan de erkenning op grond van de Wet Wapens en Munitie werd ingetrokken. Defensie is niet voornemens om nieuwe overeenkomsten met dit bedrijf te sluiten. De uitvoering van deze contracten is door een ander bedrijf, dat wel over de juiste vergunningen beschikt, overgenomen zodat Defensie nog steeds over de producten kon beschikken die waren aangekocht.
Overwegende dat volgens het artikel sprake zou zijn geweest van het gebruik van valse of misleidende eindgebruikerscertificaten bij internationale munitiehandel, was het Ministerie van Defensie hiervan op de hoogte? Zo ja, wanneer en welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke integriteits-, veiligheids- en betrouwbaarheidstoetsen worden standaard uitgevoerd bij bedrijven die defensiecontracten verkrijgen, met name wanneer het gaat om handel in wapens en munitie?
Nederlandse bedrijven die wapens of munitie leveren dienen een erkenning te hebben ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan daarnaast een eigen verklaring gevraagd worden van een leverancier, een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis, een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) of een autorisatie door de MIVD ingevolge de Algemene Beveiligingseisen voor Defensieopdrachten (ABDO) c.q. de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). Voor buitenlandse bedrijven bestaan equivalente verklaringen, waar Defensie op dezelfde wijze mee omgaat.
In hoeveel gevallen heeft Defensie sinds de Russische invasie van Oekraïne gebruikgemaakt van nieuwe leveranciers of tussenhandelaren bij de inkoop van militair materieel? Welke extra risico’s op fraude of misbruik brengt dit volgens u met zich mee?
Door de Russische invasie zijn er vele en snelle ontwikkelingen en innovaties op het gebied van militair materieel en de wijze van militair optreden. Dit brengt met zich mee dat er nieuwe bedrijven zijn waar Defensie mee samenwerkt en waar Defensie militair materieel van inkoopt. In sommige gevallen zijn dit kleine en relatief onbekende bedrijven, vaak omdat zij in staat zijn specifiek materieel goed en snel te leveren. Voorbeelden hiervan zijn droneontwikkelaars. De snelheid van levering en de leveringszekerheid zijn in deze tijden van materieelschaarste voor Defensie een van de belangrijkste criteria waarop leveranciers worden geselecteerd, uiteraard naast andere factoren als de prijs en kwaliteit van het materieel en betrouwbaarheid van de leverancier. De intensievere samenwerking met externe partners, waaronder tussenhandelaren, in tijden van schaarste vraagt van Defensie extra aandacht voor de beheersing van risico’s op het gebied van fraude en corruptie. Hiervoor werkt Defensie inmiddels aan verbeteringen en blijft dit de komende jaren ook doen. Een aantal concrete voorbeelden hiervan hebben we benoemd in ons antwoord onder vraag 2.
Overwegende dat in het artikel wordt gesteld dat bepaalde betrokken bedrijven mogelijk niet voldoen aan NAVO- of ISO-kwaliteitsstandaarden voor defensieleveranciers, kunt u aangeven aan welke kwaliteits- en certificeringsvereisten bedrijven moeten voldoen om als leverancier voor Defensie op te treden?
Defensie stelt bij de inkoop van materieel eisen aan de leverancier, aan het product en aan de kwaliteitszorg. Welke eisen gesteld worden, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald. Bij alle contracten die Defensie sluit, dus ook bij contracten met bedrijven waar deze ondernemer bij betrokken is, wordt vooraf gecontroleerd of het bedrijf en de te leveren producten aan alle gestelde eisen voldoen.
Welke controles voert het ministerie uit om te waarborgen dat materieel dat via tussenhandelaren wordt ingekocht daadwerkelijk voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en niet tegen onnodig hoge prijzen wordt geleverd?
Materieel dat gekocht wordt, wordt bij ontvangst gecontroleerd. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan een testplan worden afgesproken, een acceptatietest in de fabriek, en/of een acceptatietest na installatie bij de gebruiker. Ook wordt garantie bedongen voor productie- en/of ontwerpfouten. Welke testen en garantie worden bedongen wisselt naar gelang de aard van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald.
Bij het inkopen zonder concurrentiestelling, wordt bij contracten van meer dan € 2,5 miljoen geëist dat de ADR een onderzoek naar de prijsstelling kan uitvoeren. Daarbij wordt onder meer het winstpercentage beoordeeld. De resultaten van het ADR-onderzoek kunnen aanleiding zijn voor aanvullende onderhandelingen en bijstelling van de prijs.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat bedrijven die worden verdacht van fraude of andere integriteitsschendingen betrokken raken bij defensiecontracten of leveringen van militair materieel?
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld.
Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Bent u bereid lopende contracten met bedrijven uit het genoemde netwerk opnieuw te beoordelen op integriteit, betrouwbaarheid en prijsstelling? Zo nee, waarom niet?
Wij zien nu geen aanleiding om deze beoordeling opnieuw uit te voeren. De lopende contracten zijn beoordeeld op betrouwbaarheid en prijsstelling. De genoemde bedrijven hebben voorafgaand aan contractering een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis overlegd en er is voorcalculatorisch onderzoek uitgevoerd door de ADR. Wel is een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van dit signaal betreffende informatieverstrekking aan een leverancier.
Kunt u deze vragen tijdig voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Ja.
De Bilderbergconferentie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Is het correct dat de Koning, Koningin en premier deel hebben genomen aan de Bilderbergconferentie 2026?
Ja.
Hebben de Koning, Koningin en premier aan deze conferentie deelgenomen op persoonlijke titel of vertegenwoordigden ze Nederland?
Kenmerkend voor de Bilderbergconferentie is dat de deelnemers in hun formele hoedanigheid worden uitgenodigd maar tijdens de conferentie op informele wijze van gedachten kunnen wisselen volgens de zogeheten Chatham House Rule die inhoudt dat deelnemers de informatie vrij mogen gebruiken, maar niet koppelen aan de identiteit of functie van een spreker of andere deelnemer. Hiermee is de vrijheid van een open gedachtewisseling tijdens de conferentie gediend. Informatie over de werkwijze tijdens Bilderbergconferenties en de deelnemers is beschikbaar op www.bilderbergmeetings.org.
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Verschillende Europese lidstaten hebben wetsvoorstellen aangekondigd om een minimumleeftijd in te stellen voor sociale media. Lidstaten hebben de bevoegdheid om een minimumleeftijd voor te schrijven voor toegang tot bepaalde producten of online diensten, met inbegrip van sociale mediadiensten.
In het coalitieakkoord is het voornemen geuit voor een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. Een minimumleeftijd op Europees niveau heeft mijn voorkeur, omdat sociale mediabedrijven grensoverschrijdend opereren. Het is daarom efficiënter om te kiezen voor een gezamenlijke oplossing en uniforme Europese regels, omdat dit versnippering tussen lidstaten voorkomt.
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Nederland heeft tijdens de Informele Telecomraad van 29 en 30 april 2026 het belang uitgedragen van een Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. De Kamer zal hier op korte termijn via een verslag nader over worden geïnformeerd.
Daarnaast ga ik de komende periode mogelijkheden voor samenwerking verder verkennen door met verschillende lidstaten in gesprek te gaan. Ik heb onder meer een bijeenkomst op initiatief van Frankrijk bijgewoond, waar ik met andere Europese leiders en de Europese Commissie sprak over een Europese minimumleeftijd voor sociale media.
Tot slot voert de Universiteit van Amsterdam (UvA) momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Ik zal de resultaten van dit onderzoek uiterlijk voor het zomerreces publiceren.
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Het is belangrijk om tot een gezamenlijke Europese aanpak te komen, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van de vragen 2 en 3.
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, zal ik met verschillende lidstaten in gesprek gaan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor samenwerking. Na deze gesprekken en de resultaten van het onderzoek van de UvA zal ik nagaan wat de meest geschikte vorm van samenwerking is.
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 voert de UvA momenteel een onderzoek uit naar de juridische inrichting van een Europese minimumleeftijd voor sociale media. Daarbij wordt uiteraard ook ingegaan op de relatie tot de DSA als hoeksteen van het Europese platformrecht. De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen bij de uitvoering van het coalitieakkoord.
Voor wat betreft de technische handhaafbaarheid, geldt dat online leeftijdsverificatie een belangrijk instrument kan zijn, mits fundamentele rechten en grondrechten zoals privacy, gegevensbescherming, non-discriminatie en digitale toegankelijkheid worden gewaarborgd. De toepassing moet proportioneel zijn en steeds per context worden afgewogen; er is geen one size fits all-oplossing. Om de ontwikkeling van privacyvriendelijke leeftijdsverificatie te ondersteunen, heeft de Europese Commissie een blauwdruk voor een Europese white-label leeftijdsverificatie-app gepubliceerd. Het kabinet verkent momenteel of de EU-blauwdruk app in Nederland geïmplementeerd kan worden of dat er ook andere mogelijkheden zijn voor implementatie van leeftijdsverificatie.
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Om te voorkomen dat speelgoed met asbest op de markt komt, gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen, door de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand actief te delen met de branche.
Fabrikanten en importeurs hebben de verplichting om te (laten) controleren of hun product veilig is. Die verplichting kunnen ze nakomen door een controle uit te (laten) voeren op het veiligheidsdossier van het product. In het veiligheidsdossier, dat door de fabrikant van het consumentenproduct met speelzand is opgesteld, moet worden aangetoond dat het product voldoet aan Europese veiligheidsvoorschriften. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Het onderzoek van de NVWA laat zien welke producten wel en niet aan de producteis voldoen. Het is aan kinderopvangcentra, scholen en huishoudens om te bepalen welk speelgoed zij gebruiken. Het advies van de brancheverenigingen in de kinderopvang is om geen speelzand meer te gebruiken.
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Zoals aangegeven in het vorige antwoord bepalen de kinderopvangcentra, scholen en huishoudens zelf of ze dit speelgoed gebruiken. Er zijn diverse acties ondernomen die eraan bijdragen dat de kans nog verder afneemt dat consumenten een onveilig product kopen. Zo is inmiddels de lijst openbaar gemaakt waarin de resultaten van de onderzochte productmonsters staan vermeld. Daarnaast deelt de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand met de branche. Tot slot kunnen consumenten bij de importeur of distributeur navragen of het product veilig is.
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
De NVWA heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd dat zoveel als mogelijk representatief is voor de markt in Nederland. Marktverkenningen zijn altijd steekproeven en het is onmogelijk om alle producten op de markt te controleren.
De juiste onderzoeksmethode is beschreven in het advies van TNO: «Asbestos in play sand». Het onderzoek van de NVWA is volgens die methode uitgevoerd.
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Kinderopvang-centra, scholen en huishoudens bepalen zelf of ze dit speelgoed willen gebruiken.
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat slechts een beperkt aantal monsters asbest bevatten boven de geldende norm. De NVWA concludeert dat het aannemelijk is dat de geschatte levensgemiddelde blootstelling beneden het maximaal toelaatbare risiconiveau blijft.
Bovendien zijn de namen van de producten, waarvan de hoeveelheid asbest in het onderzochte monster boven de geldende norm uitkwam, direct openbaar gemaakt en van de markt gehaald.
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Dit heeft te maken met het feit dat voor openbaarmaking een vastgestelde zienswijze-procedure gevolgd moet worden. Deze procedure duurt zo’n 2 weken. Gezien het belang van snelle publicatie van het NVWA-onderzoek, is ervoor gekozen om deze twee documenten afzonderlijk van elkaar te publiceren.
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder geantwoord op uw vragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) is het van belang dat onderzoek van de NVWA boven elke twijfel verheven is. Het gaat bijvoorbeeld om bemonstering, monsteropslag en voorbehandeling door beëdigde inspecteurs. Bij onderzoek dat niet door de NVWA is uitgevoerd, is dit niet gegarandeerd.
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is het ermee eens dat er een duidelijke asbestnorm voor speelgoed moet komen. Zoals eerder geantwoord op uw eerdere Kamervragen (Handelingen II 2025/26, nr. 1660) zet het kabinet zich daarom in Europees verband in op aanscherping van de norm voor asbest in speelgoed.
Bedrijven zijn verplicht om aan de wettelijke eisen te voldoen en moeten dit ook kunnen aantonen. Het is echter niet aan het kabinet om te bepalen hoe bedrijven dit bereiken. Daarom kiest het kabinet niet voor een testverplichting.
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Naast de controlerende toezichtactiviteiten van de NVWA, om de naleving te vergroten, zal de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in deze producten actief delen met de branche. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen op dit gebied, wordt informatie daarover onder de branche verspreid. Daarbij verwacht de NVWA van de betreffende speelgoedbedrijven een proactieve houding om ook via andere informatiebronnen dan de NVWA op de hoogte te blijven van de meest recente relevante wetenschappelijke ontwikkelingen.
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Zoals eerder geantwoord op uw Kamervragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via, onder andere, de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS in 2026 € 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Het kabinet heeft het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zet zich in Europees verband in voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen wordt verder gewerkt aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
De EU heeft enkele van de strengste veiligheidseisen voor speelgoed en zet de veiligheid van kinderen altijd voorop. Het kabinet onderschrijft dit. Daarom heeft het kabinet het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zal zich in samenwerking met andere landen inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder aangegeven zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Hoe zij invulling geven aan deze verantwoordelijkheid is aan henzelf. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke verantwoordelijkheid.
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het EU-meldsysteem voor consumentenproducten maakt het mogelijk snel informatie te verstrekken over maatregelen tegen gevaarlijke non-foodproducten onder de nationale toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor productveiligheid in de landen van de EU.
De meldingen hebben betrekking op producten die niet aan de Europese wetgeving voldoen. Europese wetgeving wijkt af van bijvoorbeeld Australische wetgeving. Dit kan ook nog per productcategorie verschillen. Daarom is het niet mogelijk om in algemene termen aan te geven welke criteria moeten worden gehanteerd voor de veiligheid van producten en heeft aansluiting op het Europese waarschuwingssysteem geen meerwaarde.
Bent u op de hoogte van de hack bij ChipSoft, het bedrijf dat software voor patiëntendossiers en andere digitale systemen voor ziekenhuizen levert?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de ernst is van de hack en hoeveel ziekenhuizen, huisartsenpraktijken en eventuele andere zorgverleners zijn geraakt door de hack?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Chipsoft voert momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uit om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. ChipSoft levert software aan ongeveer 70% van de Nederlandse ziekenhuizen. Uit voorzorg zijn sinds 8 april 20:00 uur de verbindingen met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar geweest. Inmiddels is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het gefaseerd opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met de klanten die dat betrof dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd3. ChipSoft heeft geen gedetailleerde inzage gegeven in welke klanten op welke wijze getroffen zijn. In de zojuist genoemde Kamerbrief heb ik ons inzicht met u gedeeld. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
Wat zijn de gevolgen van de hack voor zorgverleners en hun patiënten, bijvoorbeeld doordat zorginstellingen hun systemen offline hebben moeten halen?
Navraag bij de betrokken zorginstellingen leert dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien. Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen digitale verwijzingen niet goed plaatsvinden.
Ziekenhuizen zijn hier echter op dit soort incidenten voorbereid en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel.
Is bepaalde zorg uitgesteld vanwege de hack en zo ja, op welke schaal?
Nee, de zorgprocessen lopen door.
Is er gevoelige data, zoals patiëntgegevens, in handen gekomen van criminelen?
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens veilig zijn. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Welke exacte patiëntgegevens hierbij zijn buitgemaakt is nog in onderzoek. Ik heb de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april hierover geïnformeerd.4 Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe verklaart u de verschillende aanpak van ziekenhuizen na de hack, bijvoorbeeld in het wel of niet offline halen van systemen?
Ziekenhuizen die klant zijn bij ChipSoft hebben op advies van Z-CERT, het expertisecentrum cybersecurity in de zorg, preventieve maatregelen genomen en hebben monitoring op hun lopende systemen geïntensiveerd. De keuzes die gemaakt worden, zijn door de ziekenhuizen of organisaties zelf gemaakt op basis van eigen specifieke situatie en risico inschatting.
Verschilt de impact van de hack tussen ziekenhuizen die hun gegevens lokaal, hybride of juist in een cloudomgeving opslaan? Kunt u uitleggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt?
De gegevens van de zorgaanbieders die gebruikmaken van de cloudomgeving van ChipSoft zijn gestolen. Van instellingen die de software van ChipSoft in eigen beheer uitvoeren of door derden laten beheren, zijn geen gegevens gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd.5
Er valt niet in z’n algemeenheid te zeggen welke keuze de meeste weerbaarheid biedt. Dit hangt af van de lokale context van de zorgaanbieder en de risicoafweging die gedaan is en de beheersmaatregelen die daarbij genomen zijn.
Welke rol speelt de overheid in de afwikkeling van de hack?
Wat betreft de afwikkeling van de hack en opsporing en/of vervolging ligt de verantwoordelijkheid bij de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Diverse toezichthouders doen onderzoek naar de hack. Vanuit onze stelselverantwoordelijkheid ondersteunen we de koepelorganisaties die in het Informatieberaad Zorg zitten met informatie over de digitale aanval en een woordvoeringslijn die zij kunnen gebruiken naar hun leden.
Ook worden bijvoorbeeld handelingsperspectieven uitgewisseld. VWS en organisaties die gesubsidieerd worden door VWS ondersteunen de getroffen zorginstellingen zoveel als mogelijk. Zo financiert de overheid Z-CERT, het expertise centrum cybersecurity in de zorg. Z-CERT, biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie. Vanuit het ministerie volgen we de ontwikkelingen zeer nauw, adviseren we koepels en zorgaanbieders en duiden we de rollen en bevoegdheden, waar nodig.
Zijn er alternatieven voorhanden bij een hack als deze, bijvoorbeeld alternatieve software waar ziekenhuizen en andere zorgverleners op kunnen terugvallen?
Ziekenhuizen hebben draaiboeken en protocollen voor als systemen niet werken om te zorgen dat het zorgproces door kan blijven gaan. Dit volgt uit de verplichte risico analyse die zij moeten doen. Zo gaan bijvoorbeeld verwijzingen van huisartsen naar Chipsoft-ziekenhuizen niet meer digitaal, maar per mail of telefonisch. Zie ook het antwoord op vraag 3. Het is aan zorgverleners zelf om deze protocollen, gegeven de specifieke situatie van de betreffende zorgverlener, in te richten. De ingebruikname van een ander elektronisch patiëntendossier of andere alternatieve software is niet iets wat in enkele dagen of weken geregeld kan worden. Dit is technisch zeer complex en kent een lange doorlooptijd. Bovendien brengt het hoge kosten en andere risico’s met zich mee.
Welke eisen gelden er voor leveranciers van cruciale zorg-ICT?
Nederlandse zorgaanbieders zijn wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat.
In de nabije toekomst zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2-richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. De European Health Data Space-verordening (EHDS) draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening6.
Is de ketenweerbaarheid op het gebied van ICT in de zorg wat u betreft op orde, onder andere in de domeinen hosting, beheer, en koppelingen? Waarom wel of niet?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast gaat de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, verplichten om hun leveranciersketen in kaart te brengen, en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen. De Cbw is voorzien medio 2026 in te gaan.
Deelt u de opvatting dat dit geen incident is, maar een symptoom van te grote afhankelijkheid van een paar dominante leveranciers in de zorg, waarbij een incident bij één leverancier meteen een nationale zorgvraag wordt?
Nee, ik deel die opvatting niet. Zorgaanbieders dienen afspraken te maken met zorg-ICT-leveranciers en hierbij risico’s af te wegen. Het is wel zo dat de omvang van een hack groter kan zijn wanneer een leverancier met een groot marktaandeel wordt getroffen waarbij ook nog eens patiëntgegevens zijn opgeslagen.
Deelt u de zorgen over de risico’s wanneer één dominante marktpartij de infrastructuur levert voor zorginstellingen of andere essentiële publieke voorzieningen?
Het is belangrijk dat er sprake is van een gezonde marktwerking op de zorg-ICT-markt. Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze marktconcentratie zorgt voor minder concurrentie, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook is er een definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM7 gepubliceerd. Het Ministerie van VWS maakt hieruit op dat het voor nieuwe innovatieve spelers moeilijk is voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico’s te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in onze zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan overwegingen van digitale autonomie.
In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 2026 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken, ga ik de komende tijd aan de slag om de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT te vergroten. Ook wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden. Daarnaast wordt er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel opgezet. Daar kunnen signalen over zorg-ICT worden gedeeld en kan vanuit bestaand instrumentarium bekeken worden of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is. Naast de hierboven genoemde acties zet ik in op de European Health Data Space (EHDS) om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en aan een verplicht loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden op zorg-ICT.
Zijn er maatregelen die u neemt om dergelijke marktdominantie tegen te gaan, bijvoorbeeld door afspraken te maken over het inkoop- en aanbestedingsbeleid in de zorgsector? Waarom wel of niet?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering van zorg-ICT. Wel blijkt uit het NZa rapport «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT» januari 2025 dat de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarom wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden, bijvoorbeeld door de inzet van externe expertise om gezamenlijke inkoop van een kernapplicatie te laten slagen. Dit zorgt voor schaalvoordelen en vergroot de kans op samenwerking. Over dit soort onderwerpen heeft mijn ministerie ook regelmatig overleg met de ICT-gebruikersverenigingen van de ziekenhuizen.
Hoe zorgt u voor voldoende diversificatie tussen ICT-leveranciers bij zorginstellingen? Is het uw verantwoordelijkheid om monopolievorming in de zorg-ICT tegen te gaan?
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op eerlijke concurrentie en marktwerking, zo ook op de zorg-ICT markt. In eerste instantie is zij de toezichthouder op basis van de Mededingingswet die toezicht houdt op de markt en ook concentraties (fusies/overnames) beoordeelt. Zij heeft in haar brief op 28 januari 20258 aangegeven dat de zorg-ict markt niet goed werkt omdat ICT-systemen gesloten zijn. De ACM geeft aan dat zij op dit moment onvoldoende instrumenten heeft om eerlijke concurrentie en marktwerking structureel af te dwingen en adviseert het Ministerie van VWS om openheid van digitale informatiesystemen via wetgeving te verplichten.
Ik vind het belangrijk dat de zorg-ICT-markt toegankelijk is, zodat concurrentie en innovatie worden gestimuleerd. Met de EHDS wordt ook ingezet op een zo open mogelijke markt voor onder andere EPD-leveranciers. Ik onderzoek de mogelijkheden om als randvoorwaardelijk onderdeel van de EHDS, te komen tot additionele regulerende instrumenten.
Is het wenselijk dat zorginstellingen individueel ICT-diensten inkopen en hierover onderhandelen? Welke voor- en nadelen ziet u bij een meer gezamenlijke vorm van inkoop?
In de eerste plaats zijn zorgaanbieders zelf verantwoordelijk voor de inkoop, aanbesteding en contractering. Gezamenlijke inkoop kan schaalvoordelen opleveren, vergroot de kans op samenwerking en versterkt de positie van de zorgaanbieders. Een nadeel kan zijn dat er minder maatwerk wordt geleverd.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Bevers om bij de evaluatie van de Wet vifo te bezien of bij fusies en overnames vanuit het buitenland van digitale zorginfrastructuur vergelijkbare voorwaarden gesteld kunnen worden als bij andere cruciale sectoren, zoals de chip-, energie- en telecomsector?2
Sinds juni 2023 is de Wet Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (vifo) van kracht. De Wet vifo introduceerde een mechanisme voor investeringstoetsing in Nederland. Recent is de wet, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, geëvalueerd.
Tevens is in december 2025 de herziene Foreign Direct Investment (FDI)-screeningsverordening vastgesteld. Met de wijziging van de Verordening worden de reikwijdte en procedures van de nationale investeringstoetsingsregimes in de Europese Unie gestroomlijnd om economische veiligheidsrisico’s van investeringen op een meer coherente manier aan te pakken. Nadat de herziene FDI verordening formeel is vastgesteld, start de termijn voor omzetting van de Verordening in nationale wetgeving. In Nederland wordt deze Verordening geïmplementeerd in de Wet vifo. Ik koers aan op een verwijzing in de wet vifo naar de (terminologie van de) Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Hiermee zullen kritieke entiteiten in de zorg in het geval van vijandige investeringen, fusies of overnames kunnen worden getoetst.
Deelt u de zorgen van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over gesloten datastandaarden bij ICT-aanbieders in de zorg, aangezien systemen daardoor niet goed met elkaar communiceren en zorgaanbieders minder keuze hebben in hun leveranciers, met monopolievorming tot gevolg?
Ja ik deel deze zorgen. Het niet gebruiken van open standaarden en de geslotenheid van ICT-systemen bevordert niet de door de Nationale, Visie en Strategie10 gewenste interoperabiliteit op weg naar databeschikbaarheid. Om dat te veranderen zal een mix van Europese verplichtingen en nationale keuzes nodig zijn. Met de European Health Data Space (EHDS) verordening wordt ingezet op een zo open mogelijke markt voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen. Vanuit de NVS-ambitie stuur ik op openstelling van systemen via open gestandaardiseerde koppelvlakken: publiek beschikbare koppelvlakken,
zodat data veilig, herbruikbaar en leverancier-onafhankelijk kan stromen door het hele stelsel. De specificaties van deze open koppelvlakken zijn een publieke verantwoordelijkheid. Zo nodig zal ik deze koppelvlakken ook als open source laten ontwikkelen en beschikbaar stellen aan marktpartijen.
Wat is de status van de uitvoering van de motie-Bushoff/Kathmann over een routekaart waarlangs ICT-leveranciers in de zorg de komende jaren verplicht worden gebruik te maken van open datastandaarden?3
In mijn brief «stand van zaken landelijk dekkend netwerk» die ik voor het commissiedebat digitale zorg (gepland op 21 mei) naar uw Kamer zal sturen, zal ik dieper ingaan op dit vraagstuk.
Welke structurele problemen in de zorg-ICT legt deze hack bloot? Wie is er aan zet om deze op te lossen?
Het onderzoek naar deze hack is nog in volle gang. Het is daarmee te vroeg om een verband te leggen tussen deze hack en structurele problemen in de zorg-ICT.
Welke maatregelen neemt u om de cyberveiligheid en weerbaarheid van zorginstellingen structureel te vergroten?
In het versterken van de cyberweerbaarheid van de zorg neem ik een kader stellende, toezichthoudende, stimulerende en faciliterende rol in. In de brief over informatieveiligheid in de zorg van 4 december 2025 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die mijn ministerie neemt12. Ik ondersteun zorginstellingen bij het voorkomen van incidenten door het verhogen van bewustzijn van zorgmedewerkers in het programma Informatieveilig gedrag in de zorg. Een groot deel van cyberincidenten zijn mede veroorzaakt door menselijk handelen. Daarnaast bied ik hulpmiddelen aan om te voldoen aan de NEN7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg. Deze norm schrijft organisatorische, mensgerichte, fysieke en technologische beheersmaatregelen voor die de digitale weerbaarheid van een organisatie concreet verhogen. Dit met het doel om dreigingen te voorkomen, detecteren of erop te reageren. Tot slot helpt het expertisecentrum cybersecurity in de zorg (Z-CERT) zorginstellingen in het voorkomen van incidenten door te monitoren en eventuele dreigingsinformatie te delen. Daarnaast biedt Z-CERT ondersteuning bij het beperken van de gevolgen wanneer er onverhoopt een incident heeft plaatsgevonden.
Wat wordt de rol van de Cyberbeveiligingswet, zodra deze is aangenomen, om dergelijke hacks te voorkomen en sneller af te wikkelen? Wat gaat er concreet veranderen in een casus zoals deze?
Voor alle zorgaanbieders is de NEN 7510, de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, nu al wettelijk verplicht. De Cyberbeveiligingswet (Cbw) gaat bredere eisen stellen aan netwerk- en informatiebeveiliging voor diverse sectoren waaronder de sector zorg. Zodra de Cbw van kracht is (voorzien medio 2026), hebben organisaties die onder de wet vallen een meldplicht. Dit houdt in dat een significante cyberincident13 binnen 24 uur wordt gemeld bij het portaal van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Het NSCS werkt nauw samen met Z-CERT, het expertisecentrum op het gebied van het cybersecurity in de zorg. Deze meldplicht zorgt ervoor dat alle significante meldingen worden gemonitord en er tijdig wordt gewaarschuwd tegen cyberdreigingen. Daarnaast stelt de Cbw een zorgplicht voor organisaties verplicht. Dit houdt in dat organisaties vallend onder Cbw maatregelen moeten nemen om hun netwerk- en informatiesystemen te beschermen tegen significante incidenten. De Cbw zal cyberincidenten niet voorkomen, maar de cyberweerbaarheid in Nederland en daarmee ook in de sector zorg wordt verhoogd doordat significante cyberincidenten worden gemonitord en vervolgens snel wordt gehandeld om de beveiliging van informatiesystemen en bedrijfscontinuïteit te waarborgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over digitale ontwikkelingen in de zorg van 21 mei 2026 beantwoorden?
Ja.
De sterk achterblijvende bouw van zorgwoningen voor ouderen |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw ouderenwoningen blijft fors achter»?1
Ja.
Begrijpt u de terughoudendheid van de zorgaanbieders vanwege risicovollere investeringen door de aangekondigde aanpassing van de volledig pakket thuis (vpt) vergoeding? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat veranderingen in de zorg onzekerheid met zich kunnen meebrengen, maar ik verwacht dat er ook in de toekomst een grote vraag zal zijn naar geclusterde woonvoorzieningen voor mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, waarbij geldt dat de vergoeding voor de zorg redelijkerwijs kostendekkend moet zijn en blijven. Overigens worden ouderenwoningen niet alleen gerealiseerd door zorgorganisaties, maar ook door woningbouwcorporaties en private partijen.
Wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de aanpassing van de vpt-vergoeding?
De introductie van een nieuwe leveringsvorm in de ouderenzorg – waarover in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) afspraken zijn gemaakt – vergt een wetswijziging. Op dit moment wordt in overleg met alle betrokken HLO-partijen nagedacht over de vormgeving van die nieuwe leveringsvorm voor Wlz-zorg thuis. Ik verwacht dat in het voorjaar 2027 een eerste voorstel voor internetconsultatie gereed is.
Bent u bereid gezamenlijk met de woningcorporaties en zorgaanbieders tot een oplossing te komen om een structureel tekort aan passende woonzorgplekken voor ouderen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is van groot belang dat we de aankomende jaren doorgaan met het bouwen van voor ouderen geschikte woningen, en meer specifiek met geclusterde- en zorggeschikte woningen waar ouderen met een zorgvraag kunnen wonen. Dat kunnen ook kleinschaligere woonzorgvormen zijn. Ik onderken dat de bouw de afgelopen jaren is achtergebleven bij de opgave en daarom zet het kabinet op allerlei manieren in op het vergroten van de planvorming en realisatie van deze woonvormen. Hierover ben ik samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in nauw overleg met alle betrokken partijen, waaronder woningcorporaties en zorgpartijen. Wij blijven in gesprek met de sector om knelpunten bij de realisatie van nieuwe woonvormen voor ouderen weg te nemen.
Belangrijke elementen van de aanpak van het kabinet om de realisatie van woningtypes geschikt voor ouderen te vergroten zijn het maken van programmatische afspraken in de woondeals over de huisvestingsopgave voor ouderen, het voeren van gesprekken met bestuurders in de woondealregio’s over de planvorming en realisatie van deze opgave én het reserveren van extra middelen voor de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen. Ook kan na invoering van de Wet Regie bijvoorbeeld sterker worden gestuurd op het bouwen voor ouderen. Gemeenten moeten in hun volkshuisvestingsprogramma’s aangeven hoe zij invulling gaan geven aan deze bouwopgave.
Voor de zomer zal nader op het voorgaande worden ingegaan in een voortgangsbrief ouderenhuisvesting aan uw Kamer, zoals ook toegezegd tijdens het commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting van 11 maart jl.
De vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk op de verpakking wordt vermeld?1
Ja.
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking, namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct is?
Nee, dat klopt niet. Bij deze zogenoemde plantaardig verrijkte levensmiddelen moet op de voorkant worden aangegeven dat ook plantaardige eiwitten zijn gebruikt. Per levensmiddel kan verschillen hoe dit wordt aangegeven. Op de achterzijde van de verpakking, in de ingrediëntenlijst, moet vervolgens worden aangegeven wat het percentage vleeseiwitten en plantaardige eiwitten is in desbetreffend levensmiddel.
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
N.v.t.
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding, nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een grotendeels plantaardig product krijgen?
Op dit moment wordt niet bij alle levensmiddelen op dezelfde manier aangegeven dat het uit verschillende eiwitbronnen bestaat. Desondanks voldoen deze levensmiddelen wel aan de huidige regelgeving. Zie voor de specifieke wettelijke voorschriften het antwoord op vraag 6. Op deze manier worden consumenten dus geïnformeerd over de aanwezigheid van plantaardige eiwitten in vleesproducten.
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Bij de etikettering van het levensmiddel moet, zowel op de voorkant als achterkant, worden gemeld als eiwitten van een andere oorsprong zijn toegevoegd (Verordening (EU) 1169/2011, Bijlage VI, Deel A, punt 5). Bijvoorbeeld kippeneiwit in een runderhamburger, maar ook kikkererwteneiwit in een hamburger van varkensvlees. Ook moet in ieder geval in de ingrediëntenlijst het percentage van de dierlijke en plantaardige eiwitten worden vermeld. Daarnaast moet bij de etikettering worden gemeld wanneer bestanddelen van een levensmiddel geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een ander ingrediënt (Verordening (EU) 1169/2011, Bijlage VI, Deel A, punt 4). Per casus zal de NVWA beoordelen of hieraan wordt voldaan.
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
De NVWA heeft de afgelopen 3 jaar geen specifiek toezicht gehouden op de etikettering van levensmiddelen waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt. De NVWA controleert steekproefsgewijs levensmiddelen om de voedselveiligheid in Nederland te waarborgen. Deze aanpak is risicogericht en kennis gedreven, wat betekent dat toezicht wordt ingezet waar de voedselveiligheidsrisico’s het grootst zijn.
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Er zijn door de NVWA geen overtredingen geconstateerd met betrekking tot etikettering van levensmiddelen waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt. Het is overigens ook niet verboden om plantaardige ingrediënten aan vleesbereidingen of vleesproducten toe te voegen. Op het moment dat sprake is van dergelijke toevoegingen, moet dat op de verpakking worden vermeld zodat de consument een geïnformeerde keuze kan maken.
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
N.v.t.
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde eiwittransitie?
Het kabinet deelt deze opvatting niet.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Het kabinet heeft een doelstelling om in 2030 een balans in de gemiddelde eiwitconsumptie te bereiken van 50% plantaardige eiwitten en 50% dierlijke eiwitten. Een meer plantaardig eetpatroon is goed voor onze gezondheid en het milieu. Voor de betaalbaarheid voor consument is dit ook gunstig, aangezien plantaardige producten veelal goedkoper zijn dan dierlijke producten. Ketenpartijen spelen een belangrijke rol in het realiseren van deze doelstelling. Het kabinet ziet dat met name supermarkten ook eigen ambities hebben geformuleerd ten aanzien van de eiwittransitie.
Het introduceren van met plantaardige eiwitten verrijkte vleesproducten is één van de manieren waarop bedrijven invulling geven aan het behalen van deze doelstellingen. Dat laat zien dat zij stappen zetten richting een meer plantaardig voedselaanbod. De keuze voor specifieke strategieën, evenals de wijze waarop hierover met consumenten wordt gecommuniceerd, ligt bij bedrijven zelf, met in achtneming van de geldende wet- en regelgeving. Van een door de overheid gestimuleerde aanpak waarbij dit onopgemerkt zou moeten gebeuren, is echter geen sprake. De keuze van de consument van producten die ook plantaardige eiwitten bevatten wordt juist gefaciliteerd door een transparante en expliciete vermelding hiervan op het etiket.
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten?
Het kabinet waardeert het dat ketenpartijen actief bijdragen aan de eiwittransitie door het aandeel plantaardige eiwitten in producten te vergroten. Ketenpartijen spelen een belangrijke rol in het realiseren van deze ontwikkeling. Het is aan deze partijen zelf om te bepalen op welke wijze zij hier invulling aan geven, zolang zij opereren binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving. Daartoe behoort dus ook dat bij de etikettering van het levensmiddel moet worden gemeld als eiwitten van een andere oorsprong zijn toegevoegd, dat in ieder geval in de ingrediëntenlijst het percentage van de dierlijke en plantaardige eiwitten worden vermeld en dat bij de etikettering moet worden gemeld wanneer bestanddelen van een levensmiddel geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een ander ingrediënt.
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
De overheid heeft voor de eiwittransitie een duidelijke ambitie neergezet en ziet daarbij een belangrijke rol voor ketenpartijen, zoals supermarkten en producenten. Het kabinet waardeert het dat deze partijen hier actief mee aan de slag zijn en gaat hierover ook graag met hen in gesprek.
Er is echter geen sprake van directe of indirecte druk vanuit de overheid om producten op een specifieke, laat staan onopgemerkte, wijze aan te passen. Het is aan bedrijven zelf om te bepalen hoe zij invulling geven aan de eiwittransitie. Daarbij geldt dat zij zich moeten houden aan de geldende wet- en regelgeving.
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken vanwege stijgende vleesprijzen?
Het kabinet kan niet voor individuele supermarkten spreken over hun beweegredenen. In algemene zin geldt dat prijsontwikkelingen van grondstoffen, zoals vlees, van invloed kunnen zijn op productformuleringen. Tegelijkertijd spelen mogelijk ook andere overwegingen, zoals duurzaamheid en consumentenvraag. Het is aan bedrijven om hierin hun eigen afwegingen te maken, mits aan de wettelijke voorschriften wordt voldaan.
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Zie het antwoord op vraag 15.
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Het kabinet kan niet voor individuele levensmiddelenproducenten spreken over hun beweegredenen om levensmiddelen te maken met plantaardige ingrediënten.
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking zou moeten worden vermeld?
Het kabinet deelt uiteraard uw opvatting dat consumenten het recht hebben op volledige transparantie. Het kabinet is het er echter niet mee eens dat transparantie enkel wordt gegeven door vermelding van het percentage vlees op de voorkant van de verpakking. Bij deze zogenoemde plantaardig verrijkte levensmiddelen moet op de voorkant worden aangegeven dat ook plantaardige eiwitten zijn gebruikt. Per levensmiddel kan verschillen hoe dit wordt aangegeven. Op dit moment wordt het percentage vlees in een plantaardig verrijkt levensmiddel vermeld in de ingrediëntenlijst van het levensmiddel. Meestal bevindt deze zich aan de achterkant van het levensmiddel. Dit is conform de huidige wet- en regelgeving.
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Het kabinet volgt de Europese discussie rondom de vleesbenamingen nauwgezet. Afhankelijk van de uitkomst, beziet het kabinet of de huidige wet- en regelgeving volstaat, of dat het noodzakelijk en mogelijk is om aanpassingen te doen rondom het etiketteren van plantaardig verrijkte levensmiddelen ten behoeve van het bieden van voldoende transparantie.
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen of misleidende etiketten?
Het kabinet deelt deze opvatting. Het belangrijkste doel van Verordening (EU) nr. 1169/2011 over Voedselinformatie aan consumenten is het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming door eerlijke en duidelijke informatie over levensmiddelen. Door consumenten correct te informeren, kunnen zij goed doordachte keuzes maken en levensmiddelen veilig gebruiken. Het uitgangspunt voor voedselinformatie is dat het niet misleidend mag zijn (artikel 7, lid 1 Verordening (EU) nr. 1169/2011). Daarnaast moet de informatie nauwkeurig, duidelijk en gemakkelijk te begrijpen zijn voor de consumenten (artikel 7, lid 2 Verordening (EU) nr. 1169/2011).
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om dit te garanderen?
Het kabinet is van mening dat plantaardig verrijkte levensmiddelen niet per definitie misleidend zijn voor de consument. Zoals eerder aangegeven is het momenteel niet bij alle levensmiddelen even duidelijk dat het in dat geval gaat om een combinatie van dierlijke en plantaardige eiwitten. Het kabinet volgt de Europese discussie rondom de vleesbenamingen nauwgezet. Afhankelijk van de uitkomst, zal het kabinet zich de komende tijd inzetten om dit nader te onderzoeken en bezien of het nodig is om aanvullende regelgeving hiervoor op te stellen of dat de huidige regelgeving dit momenteel al voldoende dekt.
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Het bericht dat werkgevers in de zorg twijfelachtige certificaten blijven accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De zorg blijft twijfelachtige certificaten accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in de zorg nog steeds actief gezocht wordt naar potentiële werknemers met EVC-certificaten?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat er nog steeds actief wordt gezocht naar werknemers op basis van EVC-certificaten. De dringende oproep die ik samen met mijn collega bewindspersonen heb gedaan is gebaseerd op verschillende signalen en onderzoeken waaruit blijkt dat het huidige EVC-stelsel onvoldoende kwaliteitsborging kent en ruimte laat voor misbruik. Een EVC-certificaat biedt daarom op dit moment geen betrouwbare garantie voor de vereiste kennis en vaardigheden.
Hoe rijmt u de dringende oproep vanuit vier collega bewindspersonen om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten met het feit dat werkgevers in de zorg nog steeds actief zoeken naar kandidaten met deze certificaten?
Het kabinet begrijpt het belang van het erkennen van leer- en werkervaring in brede zin. Echter, in het geval van het erkennen van leer- en werkervaring op basis van EVC-certificaten is gebleken dat dit in de praktijk vaak een «papieren exercitie» is, waardoor de deur open wordt gezet voor fraude met deze certificaten. Dat is ook de aanleiding geweest voor onze dringende oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten. Tegelijkertijd is het EVC-stelsel privaat en kunnen werkgevers er daarom voor kiezen om hier toch gebruik van te maken. Maar het accepteren van een EVC-certificaat neemt de verantwoordelijkheid van partijen niet weg om zelf te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is. Werkgevers en onderwijsinstellingen blijven verantwoordelijk voor de inzet van deskundige medewerkers (in de zorg) en voor het verlenen van vrijstellingen. Dit is ook nadrukkelijk onderdeel van onze oproep geweest.
Wat vindt u ervan dat er hierdoor nog steeds personen zonder de vereiste kennis en ervaring toegang krijgen tot functies, opleidingen en voorzieningen waarvoor zij onvoldoende gekwalificeerd of bevoegd zijn?
Dat is zorgelijk. De geconstateerde fraudegevoeligheid in het EVC-stelsel maken dat EVC-certificaten geen betrouwbare weergave zijn van iemands competenties. Het is daarom onacceptabel dat personen hierdoor toegang krijgen tot functies of opleidingen waarvoor zij niet voldoende zijn gekwalificeerd. Dit onderstreept de noodzaak om gehoor te geven aan de oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten en te kijken naar andere mogelijkheden om leer- en werkervaring te erkennen. Ik benadruk nogmaals, als werkgevers ervoor kiezen om gebruik te blijven maken van EVC-certificaten, dan ontslaat dat hen niet van de verantwoordelijkheid om zelf te beoordelen dat hun personeel bekwaam en bevoegd is. De verantwoordelijkheid om te borgen dat (potentiële) werknemers over de kennis en vaardigheden beschikken om het werk uit te voeren blijft bij de werkgever.
Wat vindt u ervan dat volgens Trouw voor onder andere vacatures voor pedagogisch hulpverlener (voor uithuisgeplaatste jongeren) en jeugdzorgwerker EVC-certificaten nog steeds worden gebruikt terwijl deze medewerkers juist met kwetsbare jongeren werken?
De kwaliteit en veiligheid van kwetsbare jongeren die jeugdhulp ontvangen moeten zo goed als mogelijk worden gewaarborgd. Als er nog werkgevers en jeugdhulpaanbieders zijn die professionals werven op een EVC-certificaat, zonder te controleren of deze echt bekwaam en bevoegd zijn, dan is dat zorgwekkend. Onze brief van februari 2026 over fraude met EVC-certificaten, is gebaseerd op onderzoeken van het Openbaar Ministerie, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie van Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De dringende oproep om niet langer te vertrouwen op EVC-certificaten is gericht aan alle branches binnen de zorg, ook jeugdhulpaanbieders. Om de veiligheid, kwaliteit en integriteit van zorg te waarborgen is de inzet van werkgevers nodig en dienen zij zorgvuldig te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is om zorg te verlenen.
Hoe verhoudt het feit dat er jeugdzorgwerkers worden gezocht met EVC-certificaten zich tot het voornemen van Jeugdzorg Nederland om niet langer gebruik te maken van EVC-certificaten? Welke status heeft dit voornemen van de brancheorganisatie?
Uit afstemming met Jeugdzorg Nederland blijkt dat niet zonder meer is vast te stellen of het de leden van Jeugdzorg Nederland zijn die nog professionals met EVC-certificaten zoeken. Het standpunt van Jeugdzorg Nederland is dat zolang de kwaliteit van EVC-certificaten niet betrouwbaar getoetst kan worden, men zeer terughoudend moet zijn in het aannemen/inzetten van mensen met EVC-certificaten. Jeugdzorg Nederland heeft haar leden opgeroepen kandidaten en hun dossiers met werkervaring en opleiding grondig te controleren. Jeugdzorg Nederland blijft dit standpunt onderstrepen. Dat standpunt komt overeen met strekking van de brief die in februari dit jaar door mij en mijn collega bewindspersonen is verzonden aan veldpartijen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat kwaadwillenden middels deze certificaten dus nog steeds de mogelijkheid hebben om kwetsbare jongeren te ronselen voor criminele activiteiten?
Ik deel de zorgen over fraude en de signalen over het ronselen van kwetsbare jongeren binnen de jeugdhulp. Jongeren moeten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van jeugdzorg en de professionals die deze bieden. Het is onaanvaardbaar dat jongeren de dupe zijn van fraude met certificaten en niet de zorg krijgen die zij nodig hebben. Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan. De problematiek van fraude en zware georganiseerde criminaliteit gaat helaas veel verder dan het zorgdomein en vraagt een brede integrale aanpak. Zo werk ik structureel samen met andere departementen, toezichthouders, gemeenten en opsporingsdiensten. Onderdeel daarvan is de brief van mij en mijn collega bewindspersonen van februari dit jaar, waarin veldpartijen wordt opgeroepen terughoudend te zijn met de inzet van professionals op basis van EVC-certificaten.
Wat vindt u ervan dat verschillende zorgopleidingen nog steeds reclame maken voor deze vorm van diplomering?
Onderwijsinstellingen zijn door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in een brief op 19 juni 2025 geïnformeerd over het misbruik met EVC-certificaten in de «onderwijsroute». Examencommissies zijn er met de brief extra op gewezen om alleen een vrijstelling te verlenen als boven alle twijfel verheven is dat iemand geheel voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen. Dit laat onverlet dat laagdrempelig om- en bijscholen mogelijk moet blijven. Onderwijsinstellingen blijven de ruimte houden om zelf betrouwbare valideringstrajecten in te zetten gericht op het (h)erkennen van relevante eerder opgedane leer- en werkervaring en het bieden van maatwerktrajecten aan zij-instromers die aansluiten op wat zij al kennen en kunnen. Ik blijf in nauw overleg met de Minister van OCW over waar dit goed gaat en waar niet, waar we indien nodig passende maatregelen treffen.
Hoe wilt u uitvoering geven aan het amendement-Synhaeve/Wendel aangaande EVC fraude?
Middels het amendement Synhaeve/Wendel trek ik in 2026 elk geval 200.000 euro uit voor het vervolgonderzoek naar onvolkomenheden in de onderliggende dossiers behorend bij EVC-certificaten van professionals in de jeugdhulp. Momenteel ben ik in gesprek met onder andere de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd om tot afspraken te komen over de inzet van deze middelen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat werknemers zich gemakkelijk kunnen bij- of omscholen op een manier waarop dat wel vertrouwd is, nu u heeft opgeroepen om geen EVC-certificaten meer te accepteren en we tegelijkertijd zien dat verschillende werkgevers dit nog wel doen vanwege krapte op de arbeidsmarkt?
Ik vind het lovenswaardig om te zien hoe veldpartijen, zoals Jeugdzorg Nederland, Actiz, VGN en de Nederlandse GGZ zich hebben verbonden om de fraude aan te pakken en alternatieven te bedenken voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. Hierbij vind ik het van belang dat een eventueel alternatief geen ruimte laat voor fraude. Erkenning van werkervaring, competenties of vaardigheden is zowel voor onze zorgverleners als ook voor de werkgevers belangrijk. Hierbij gaat het dan om status, doorgroeimogelijkheden, salaris en ook behoud van mensen voor zorg en welzijn.
Ik zal veldpartijen faciliteren bij het vinden van betrouwbare alternatieven, bijvoorbeeld door goede voorbeelden aan te reiken. In het kader van het Transformatieplan Limburg wordt bijvoorbeeld ingezet op «bekwaam is inzetbaar». Hierbij wordt uitgegaan van skillsgerichte inzet en verschuift de focus van diploma-eis naar beheersing van de vaardigheden voor de taken waarvoor men wordt ingezet. De gemeente Nijmegen heeft in het aanbestedingsproces de diploma-eis losgelaten en zij hebben hiermee positieve resultaten voor wat betreft inzet en beschikbaarheid geboekt. In plaats van de diploma-eis is gekeken wat wettelijk vereist is en is de verantwoordelijkheid voor goede kwaliteit bij de opdrachtnemer gelegd. Die kan hierdoor taken toebedelen op basis van vakbekwaamheid in combinatie met de aard en zwaarte van de hulpvraag. De gemeente Nijmegen is nu een traject gestart om dit ook bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten onder de aandacht te brengen, met het doel dit verder uit te rollen. Ook heeft de overheid, met de landelijk beschikbare skillstaal Competent NL een mooi instrument ontwikkeld dat partijen op de arbeidsmarkt kan helpen om vak- en kennisvaardigheden eerder te herkennen. Onder leiding van VNO-NCW/MKB wordt daarnaast door sociale partners gewerkt aan afspraken over het valideren van skills. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt hiervan op de hoogte gehouden. Zoals ook door mijn voorgangers toegezegd zal ik in nauw contact blijven met het veld en meedenken met alternatieven.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'ING krijgt Russisch dochterbedrijf maar niet verkocht' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht dat het ING nog steeds niet lukt om van haar Russische bankactiviteiten af te komen?1
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de invoer van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich terug te trekken uit Rusland. Vertrekken uit Rusland is echter niet altijd eenvoudig. Het presidentieel decreet van september 2022, verbiedt buitenlandse bedrijven uit «onvriendelijke landen», waaronder de EU, hun activiteiten vrijelijk te verkopen. Bedrijven kunnen slechts op basis van een speciale vergunning van de Russische autoriteiten activiteiten verkopen. Voor verkoop van een bank is bovendien vereist dat de beoogde koper wordt goedgekeurd. In het onderhavige geval heeft ING bekendgemaakt dat de benodigde toestemmingen niet zijn verleend.
In hoeverre gaan de activiteiten en dienstverlening van ING momenteel door in Rusland, ondanks het voornemen de activiteiten in Rusland af te bouwen?
Wegens bedrijfsvertrouwelijkheid ga ik niet in op investeringen van private instellingen. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat ING eerder in persberichten heeft aangegeven dat zij sinds 2022 haar activiteiten in Rusland afbouwt en geen nieuwe zaken met Russische cliënten meer doet.
Waarom is de dienstverlening van ING in Rusland niet gestaakt, ondanks dat er geen overname kandidaat is gevonden?
Hoewel het kabinet bedrijven actief aanmoedigt om niet langer actief te zijn op de Russische markt, is het aan bedrijven zelf om te beoordelen wat de beste manier is om hiermee om te gaan. Daarbij geldt dat het staken van de dienstverlening niet altijd mogelijk is. Daarnaast is de vraag of het staken van de dienstverlening, bijvoorbeeld via liquidatie, wenselijk is. In dat geval zouden bezittingen namelijk ook in Russische handen kunnen komen, waarbij er mogelijk minder controle is op de bestemming van de bezittingen. Ik heb geen zicht op de specifieke afweging bij ING.
Waarom geeft u geen antwoord op de vraag of ING is doorgegaan met het financieren van de Russische staat na de illegale inval in Oekraïne in februari 2022? Bent u bereid deze vraag alsnog, in algemene zin, te beantwoorden zonder bedrijfsgevoelige informatie te delen?2
Zoals bij de beantwoording op vraag 2 aangegeven, kan ik geen uitspraken doen over de investeringen van private bedrijven. Wel heeft de Minister van Financiën verschillende keren contact gehad met ING over het voornemen van ING om haar dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Over de contacten kunnen verder geen inhoudelijke mededelingen worden gedaan.
De Minister van Financiën en ik zijn verder niet betrokken bij het voornemen van ING om uit Rusland te vertrekken of de activiteiten van het dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Zie ook de beantwoording van de Kamervragen die op 8 april 2026 zijn gesteld door het lid Van Eijk (VVD) over het bericht «ING ziet af van verkoop Russische dochter».
Het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie d.d. 8 april aangaf dat het ontbreken van middelen op de begroting de doorslaggevende reden was om niet deel te nemen aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Ja, ik herinner mij het debat. Daarin heb ik onder andere aangeven dat er geen middelen zijn om aan de Europese tender voor een gezamenlijke inkoop van rekenkracht mee te doen. Daarnaast heb ik aangegeven positief te staan tegenover AI-infrastructuur die vanuit private middelen gefinancierd kan worden, zoals ook in het rapport-Wennink wordt aangegeven. Ook heb ik aangegeven dat ik daarom in gesprek blijf met de partijen die AI-infrastructuur initiatieven proberen te realiseren en over de randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn.
Klopt het dat in de beslisnota d.d. 23 maart bij de Kamerbrief «Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief» (Kamerstuk 26 643-1499) staat dat in de StafEZ van 10 maart 2026 is vastgesteld dat binnen de huidige begroting geen ruimte bestaat voor de vereiste financiële verplichtingen?
Ja.
Klopt het dat eerst is geconcludeerd dat er geen geld beschikbaar was, en dat pas daarna inhoudelijke argumenten, waaronder een verwijzing naar het rapport-Wennink, zijn gebruikt om dit besluit te onderbouwen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies uiteenzetten in welke volgorde de budgettaire en inhoudelijke afwegingen zijn gemaakt?
Nee. De conclusie dat er geen middelen beschikbaar waren, is niet los van de inhoudelijke afwegingen bereikt. In 2025 heeft Ecorys in opdracht van EZK de potentiële meerwaarde van een AI-gigafabriek onderzocht. Dit rapport schetst verschillende scenario’s en benoemt zowel kansen als onzekerheden en randvoorwaarden voor publieke betrokkenheid. Daarbij plaatst het rapport kanttekeningen bij de publieke meerwaarde en wijst het onder meer op de verhouding tussen training en inferentie, en de rol die marktpartijen zelf kunnen vervullen. Ook andere inzichten, waaronder het rapport-Wennink, geven aan dat substantiële private betrokkenheid bij de realisatie van dergelijke infrastructuur voor de hand ligt.
Parallel hieraan heeft EZK de budgettaire mogelijkheden verkend. Daaruit bleek dat er geen middelen beschikbaar waren. In samenhang hebben deze inhoudelijke bevindingen en de budgettaire beperkingen geleid tot het besluit om niet deel te nemen aan een gezamenlijke aanbesteding via EuroHPC.
Kan de Staatssecretaris alsnog de stukken openbaar maken die ten grondslag lagen aan het overleg in de StafEZ van 10 maart 2026, conform het eerder gedane informatieverzoek van de Kamer gedaan tijdens het commissiedebat Digitale infrastructuur en economie, waaronder memo’s, notities, berekeningen, scenario’s en de stukken waarmee de Staatssecretaris en de betrokken ambtenaren dat overleg zijn ingegaan? Indien volledige openbaarmaking niet mogelijk is, is de Staatssecretaris dan bereid om ten aanzien van het deel waarvan openbaring niet mogelijk is, deze stukken vertrouwelijk ter inzage te geven?
De belangrijkste basis voor de inhoudelijke afweging waren diverse gesprekken met consortia over hun plannen, de Europese EuroHPC regelgeving en het Ecorys-rapport, dat in opdracht van het Ministerie van EZK is opgesteld en op 19 december jl. met de Tweede Kamer is gedeeld. Ook andere inzichten, zoals het rapport-Wennink, dat ook openbaar is, zijn hierin meegenomen.
Herinnert u zich dat u zich zowel in het debat, als in de Kamerbrief betreft de Positie van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief, beriep op het rapport-Wennink, en dat dat rapport volgens het kabinet geheel in lijn zou zijn met het standpunt van het kabinet om AI-gigafabrieken volledig door de markt te laten financieren?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nieuwe initiatieven [...] zijn (nog) niet volledig privaat te financieren door hoge opstartkosten en lange, onzekere terugverdientermijnen.»?
Ja. Daarbij wordt echter op pagina van 90 van het rapport de kanttekening gemaakt dat dit met name geldt voor nieuwe initiatieven in nog onbewezen markten. Tegelijkertijd vermeldt het rapport dat de AI Gigafabriek, vanwege haar sterke commerciële oriëntatie, in beginsel wél volledig privaat gefinancierd kan worden en marktconforme rekenkracht kan aanbieden.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Publieke financiering – en cofinanciering door EU-instrumenten – kan een vliegwieleffect hebben.»?
Ja.
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nederland heeft grootschalige private én publieke investeringen nodig.»?
Ja.
Deelt u de mening dat u stelt te handelen in lijn met het rapport-Wennink, terwijl datzelfde rapport expliciet aangeeft dat grootschalige digitale infrastructuur juist níet volledig privaat te financieren is en publieke cofinanciering noodzakelijk is om investeringen los te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink maakt een onderscheid tussen verschillende typen digitale infrastructuur. Waar het voor een deel van de grootschalige infrastructuur inderdaad wijst op het belang van publieke cofinanciering, wordt in het geval van AI-gigafabrieken expliciet benoemd dat deze in beginsel volledig privaat gefinancierd kunnen worden. Dat beeld wordt ondersteund door recente marktontwikkelingen. Zo halen Europese AI-(neo)cloudbedrijven zelfstandig kapitaal op voor de bouw van AI-infrastructuur. Dit laat zien dat er binnen dit specifieke segment voldoende private investeringsbereidheid bestaat.
Is hier niet gewoon sprake van het gebruiken van het rapport-Wennink als dekmantel voor een besluit dat puur budgettair is genomen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het rapport-Wennink is niet gebruikt als dekmantel voor een budgettaire keuze. Aan de kabinetspositie ligt, naast de gesprekken met de geïnteresseerde consortia, in de eerste plaats het rapport van Ecorys ten grondslag, waarin de relevante economische en investeringsafwegingen zijn geanalyseerd, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dit de indruk wekt van «cherry picking»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Die indruk deel ik niet, omdat er niet uitsluitend naar het rapport-Wennink is gekeken om tot deze conclusie te komen.
Herinnert u zich dat u zich in het debat ook beriep op het Ecorys-rapport? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Ecorys niet concludeert dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is, maar juist dat de meerwaarde afhangt van ontwerp, gebruiksdoel en strategische inbedding? Waarom wordt dit rapport dan door het kabinet wel gebruikt als argument om af te haken?
Ja, dat kan ik mij herinneren en dat kan ik bevestigen. Het Ecorys-rapport stelt inderdaad niet dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is. Het benadrukt juist dat de meerwaarde en businesscase sterk afhangen van het ontwerp, het beoogde gebruik en de strategische inbedding. Ecorys geeft daarbij aan dat een gecentraliseerde AI-gigafabriek vooral meerwaarde kan hebben voor de training van zeer grote modellen, maar plaatst daar tegelijkertijd de kanttekening dat het aantal partijen dat deze schaal van trainingscapaciteit daadwerkelijk benut in de Nederlandse context gering is.
Het kabinet gebruikt dit rapport niet als oordeel dat dergelijke infrastructuur «niet wenselijk» zou zijn, maar als onderbouwing voor de conclusie dat voor de varianten die juist meerwaarde hebben en op de Nederlandse markt zijn gericht, publieke financiering niet noodzakelijk is, omdat de markt daarin zelf kan voorzien. Op basis daarvan, tezamen met de budgettaire situatie, is de afweging gemaakt om geen publieke rol te nemen in een aanbesteding met financiële verplichtingen waarbij het initiatief in de specifieke vorm nog onduidelijk is.
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat ook in dit geval dit de indruk wekt van cherry picking? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de toelichting in de beantwoording op vraag 12.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet ervan uitgaat dat Nederlandse partijen later ook rekenkracht kunnen inkopen bij AI-gigafabrieken elders in Europa? Waarop baseert het kabinet de aanname dat die capaciteit bij toenemende schaarste daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden, in plaats van dat Nederland achteraan aansluit in de rij?
Ja, het kabinet gaat er in beginsel van uit dat Nederlandse partijen toegang kunnen krijgen tot rekenkracht bij AI-gigafabrieken elders in Europa. Die aanname is gebaseerd op de afspraken en de EuroHPC-verordening, het wetgevingskader dat de EuroHPC Joint Undertaking reguleert.
Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat dit geen vanzelfsprekendheid zonder voorwaarden is. Het kabinet onderkent dat bij toenemende schaarste in rekencapaciteit private aanbieders geneigd kunnen zijn om prioriteit te geven aan contractueel gebonden gebruikers.
Kan de Staatssecretaris ingaan op de analyse van het The Hague Centre for Strategic Studies dat toegang tot kritieke digitale infrastructuur in toenemende mate afhankelijk is van geopolitieke verhoudingen en dat bij schaarste landen primair hun eigen belangen zullen beschermen? Hoe rijmt de Staatssecretaris dit met de aanname dat Nederlandse partijen bij toenemende vraag en schaarste probleemloos gebruik kunnen blijven maken van rekenkracht in andere lidstaten of daarbuiten?
Zoals ik bij de vorige vraag heb toegelicht, baseer ik mij op de afspraken binnen de EuroHPC Joint Undertaking en het daarbij behorende Europese wettelijke kader. Dat kader is er juist op gericht om gezamenlijke Europese toegang tot high-performance computing en aanverwante digitale infrastructuur te borgen, ook in situaties van toenemende schaarste of geopolitieke spanning. Lidstaten hebben zich daaraan gecommitteerd, inclusief afspraken over beschikbaarheid en gedeeld gebruik van capaciteit.
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet kiest voor AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd? Hoe realistisch acht de Staatssecretaris dat, gelet op het feit dat het rapport-Wennink juist wijst op achterblijvende private investeringen?
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd. De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond te krijgen.
In de genoemde Kamerbrief schrijft het kabinet dat het kiest voor een ontwikkeling van AI-infrastructuur die meegroeit met de marktvraag; hoe verhoudt zich dat tot de constatering in de onderliggende analyses dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur juist sterk aanbodgedreven kan zijn, en dat investeringen in capaciteit zelf vraag, innovatie en ecosysteemvorming aanjagen? Loopt Nederland door deze afwachtende houding niet juist het risico achter te blijven omdat vraag pas ontstaat waar capaciteit al aanwezig is?
Ik ben het met u eens dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur in bepaalde gevallen aanbodgedreven kan zijn en daarmee juist ook vraag, innovatie en ecosysteemvorming kan stimuleren. Dat is ook precies de reden dat het kabinet wél inzet op de realisatie van de publiek gefinancierde AI-fabriek in Groningen, waar sprake is van een strategische Europese investering in rekenkracht en kennisopbouw.
Tegelijkertijd geldt dat niet alle typen AI-infrastructuur dezelfde dynamiek kennen. In veel segmenten kan de markt zelf goed inspringen op groeiende vraag, mits de randvoorwaarden op orde zijn, zoals voldoende beschikbare energie, ruimte en een voorspelbaar vergunningsproces.
Is de Staatssecretaris, gelet op het feit dat de doorslaggevende overweging blijkens de beslisnota budgettair was en rapporten waarachter het kabinet zich verschuilt het kabinet lijken te tegenspreken, bereid het besluit alsnog te heroverwegen en de Kamer een scenario te sturen waarin Nederland wél, al dan niet gefaseerd, kan aansluiten bij het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Nee. Deelname aan de door EuroHPC geleide aanbesteding zou een substantiële financiële verplichting met zich meebrengen, die het kabinet op dit moment niet wil aangaan. De inhoudelijke afwegingen zoals toegelicht in deze beantwoording geven geen aanleiding om de positie van het kabinet te herzien. Daarbij wil ik bovendien benadrukken dat deelname aan het Europese traject geen garantie biedt op de realisatie van een AI-gigafabriek in Nederland, maar primair ziet op het indienen van een voorstel in competitie met voorstellen uit andere lidstaten.
Kunt u deze vragen in ieder geval voor het tweeminutendebat naar aanleiding van het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie, een voor een, beantwoorden?
Ja.
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD), van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
Heeft u kennisgenomen van het bericht «KLM-topvrouw pakt 30 procent meer salaris ondanks financiële problemen en interne onrust bij vliegmaatschappij: Rintel verdient 1,6 miljoen euro»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de opvatting dat terughoudendheid in de stijging van beloningen van de top gepast is bij ondernemingen waar de overheid een belang in heeft en die het, door financiële druk, hoge energieprijzen en operationele problemen moeilijk heeft, terwijl het verdienvermogen onder druk staat door de onrust in Oekraïne en het Midden-Oosten?
Ik acht het, zeker gezien de huidige uitdagingen bij KLM, van groot belang dat de onderneming terughoudend is met stijging van de (variabele) beloning. Daarnaast vind ik dat er een verkeerd signaal uitgaat van een ruime beloning voor bestuurders. De financiële positie van KLM staat namelijk onder druk en KLM wil de winstgevendheid verhogen. Dat betekent dat er op de kosten bespaard moet worden. Hoge variabele beloningen voor de top dragen hier niet aan bij.
Hoe verhoudt de toegenomen beloning zich met eventuele afspraken of verwachtingen die samenhangen met de uitlatingen van de Minister in 2025 en ook met de eerdere staatssteun aan KLM?
Het deelnemingenbeleid is duidelijk over het verwachte beleid bij deelnemingen rondom variabele beloningen. Een variabele beloning mag maximaal 20% van de vaste beloning zijn. De variabele beloning bij KLM ligt hier ruimschoots boven. Daarom heeft mijn voorganger in 2024 tegen het huidige beloningsbeleid gestemd en heb ik vorig jaar bezwaar geuit tegen de hoogte van de variabele beloning. De staat is echter als minderheidsaandeelhouder (5,9%) overstemd door andere aandeelhouders.
Op 18 april 2023 is het steunpakket aan KLM beëindigd.2 De financiële voorwaarden die zijn gesteld aan het verlenen van het steunpakket, waaronder de afspraken over beloningen, zijn op dat moment komen te vervallen.
Heeft u de intentie om, binnen de bestaande governance-structuur, invloed uit te oefenen op het beloningsbeleid van KLM en, zo ja, hoe?
De raad van commissarissen is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van het beloningsbeleid van de directie. Alleen een wijziging van het beloningsbeleid wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de algemene vergadering van aandeelhouders. In 2024 heb ik tegen het huidige beloningsbeleid gestemd, omdat het niet past binnen het deelnemingenbeleid van maximaal 20% variabele beloning ten opzichte van het vaste salaris. Omdat de Nederlandse staat slechts een minderheidsbelang van 5,9% heeft en de meerderheid van de aandeelhouders destijds vóór het voorstel heeft gestemd, is het beloningsbeleid ondanks ons bezwaar vastgesteld. Niettemin zal ik mij ook in de toekomst blijven uitspreken tegen dit beleid en het standpunt van de Nederlandse staat duidelijk onder de aandacht blijven brengen.
Bent u bereid om, naast het uitoefenen van druk als aandeelhouder, bij KLM en ook Air France-KLM aan te dringen op een gesprek om te benadrukken dat maatschappelijk draagvlak en voorbeeldgedrag van de top essentieel zijn voor het vertrouwen in het bedrijf en de staatsdeelname in het bedrijf?
Ik voer regelmatig gesprekken met de directies van zowel KLM als Air France-KLM, waarin ik het belang van passende beloningen benadruk. Gezien de huidige uitdagingen waar KLM mee te maken heeft, vind ik het belangrijk om hierover in gesprek te blijven.
Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van KLM op 23 april 2026 heb ik mijn bezwaar tegen de ruimere variabele beloningen over 2025 ook formeel kenbaar gemaakt.
Het bericht 'Nederlands grootste pensioenfonds stapt uit techbedrijf dat zaken doet met ICE' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het besluit van het grootste Nederlandse pensioenfonds (ABP) om zich terug te trekken uit Palantir vanwege zorgen over mensenrechten en ethisch verantwoord investeren?1
Een pensioenfondsbestuur is verantwoordelijk voor het beleggingsbeleid bij een pensioenfonds en ik geef daar geen oordeel over. Voor beleggingen zijn pensioenfondsen gehouden aan de prudent person regel. Deze regel stelt dat het vermogen in het belang van de deelnemers en pensioengerechtigden moet worden belegd. ABP weegt daarin tal van aspecten af, waaronder rendement, risico, kosten, ethische aspecten, mensenrechten en duurzaamheid. Deze afwegingen en de uiteindelijke investeringsbeslissingen die daaruit volgen zijn aan het ABP-bestuur.
Deelt u de zorg dat afhankelijkheid van buitenlandse technologiebedrijven zoals Palantir de digitale soevereiniteit van Nederland kan ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Het voorkomen en waar nodig mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden in digitale technologie is een prioriteit van het kabinet. Daarbij wordt gekeken naar alle lagen van de digitale stack. Versterking van onze positie op AI heeft een centrale plek in verschillende beleidskaders, zoals de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie en de Nationale Technologiestrategie. Hiertoe neemt het kabinet stimulerende maatregelen (promote), beschermende maatregelen (protect) en maatregelen tot het verdiepen van internationale samenwerking (partnership).
Kunt u uiteenzetten waar binnen de overheid de diensten en producten van Palantir worden gebruikt en waarvoor deze worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op diverse Kamervragen van het lid Van Houwelingen (FvD),2, evenals van de leden Van Vroonhoven en Six Dijkstra,3 is aangegeven dat op dit moment alleen de politie en Defensie gebruik maken van Palantir.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Deze wordt alleen aangewend voor de bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen.
Binnen de Nederlandse krijgsmacht wordt gebruik gemaakt van de Palantir-software in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners ter ondersteuning van het militaire optreden.
Hoe beoordeelt u het gebruikmaken door Nederlandse (semi-)overheidsorganisaties van technologie van bedrijven zoals Palantir, waarover ernstige zorgen bestaan over betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen? En op welke gronden wordt dit beoordeeld?
Het kabinet zal zich immer inzetten voor de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtstaat, ook bij de inzet van technologie zoals AI. Daarbij heeft het kabinet ook aandacht voor de mogelijk discriminerende aspecten van technologie, en het beschermen van de democratie.
Welke ethische kaders hanteert het kabinet bij de inkoop en inzet van data-analyse- en AI-systemen van commerciële partijen zoals Palantir, en hoe worden deze kaders in de praktijk toegepast en gehandhaafd?
Vanuit de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) werk ik aan een AI-inkoopaanpak. Hierin worden de inzichten uit de ethische kaders omtrent algoritmen en AI vanuit de overheid gebundeld, zoals het Algoritmekader en de leidraad van de Community of Practice Digitale Innovaties vanuit het Expertisecentrum Aanbesteden PIANOo. Daarin wordt bijvoorbeeld aangespoord een Fundamental Rights Impact Assessment (FRIA) uit te voeren, wat volgens de AI-verordening verplicht wordt bij hoog-risico AI-systemen. Een mogelijke invulling van zo’n FRIA is het Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (IAMA). De uitkomsten van een IAMA kan leiden tot het treffen van maatregelen om mensenrechten te beschermen door de opdrachtgever of opdrachtnemer. In het Commissiedebat Digitaliserende overheid van 29 januari 2026 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitale Zaken toegezegd dat deze AI-inkoopaanpak in 2026 met uw Kamer zal worden gedeeld.
Welke concrete waarborgen, zoals toezicht, impact assessments en transparantiemechanismen, worden ingezet om te voorkomen dat het gebruik van dergelijke technologie leidt tot discriminatie, profilering of schending van privacyrechten?
Voorafgaand aan een voorgenomen gegevensverwerking, al dan niet door een leverancier van diensten, wordt een data protection impact assessment (DPIA) uitgevoerd om de risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen in kaart te brengen. Beoordeeld wordt welke (aanvullende) maatregelen getroffen moeten worden om eventuele risico’s voor de bescherming van persoonsgegevens en de rechten en vrijheden van betrokkenen zoveel mogelijk te mitigeren. In geval van doorgifte van persoonsgegevens aan landen buiten de EER wordt een data transfer impact assessment (DTIA) uitgevoerd, om te beoordelen of het betreffende land of internationale organisatie een passend beschermingsniveau waarborgt. Zoals eerder gemeld, wordt de FRIA volgens de AI-verordening verplicht bij hoog-risico AI-systemen. Een mogelijke invulling van zo’n FRIA is het IAMA. Wat de verantwoorde en transparante inzet van algoritmen en AI binnen de overheid betreft, wordt daarnaast ook ingezet op instrumenten als het Algoritmeregister en het Algoritmekader. In mijn brief aan de Kamer van 20 april heb ik u tevens geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet voornemens is het toezicht op de naleving van de Europese AI-verordening vorm te geven.4
Bij een verwerking van persoonsgegevens door een leverancier worden met deze leverancier afspraken gemaakt over de naleving van de mitigerende maatregelen. Deze maatregelen gelden voor de gehele toeleveranciersketen. De verwerkingsverantwoordelijke kan bij de leverancier informatie opvragen over de naleving van de betreffende maatregelen. Het uitvoeren van dergelijke assessments is een verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke.
Bent u bereid om aanvullende richtlijnen of toetsingskaders te ontwikkelen voor samenwerking met technologiebedrijven die actief zijn in veiligheids- en surveillancedomeinen, die de digitale soevereiniteit ten goede komen? Zo nee, waarom niet?
In de NDS wordt onder de versneller versterking digitale weerbaarheid en digitale autonomie tevens gewerkt aan kaders die de digitale autonomie ten goede komen. Deze kaders worden sectorneutraal opgesteld, waardoor deze kaders naast het veiligheids- en surveillancedomein, ook in andere situaties gebruikt kunnen worden.
Bent u bereid om, in navolging van het besluit van ABP, voortaan expliciet en vooraf te toetsen of samenwerkingen met technologiebedrijven zoals Palantir verenigbaar zijn met Nederlandse en Europese normen, en deze toets openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit de voorgaande antwoorden ook blijkt zijn er diverse instrumenten, of worden deze op dit moment ontwikkeld, waarmee getoetst wordt of, op welke wijze en met welke eventuele aanvullende maatregelen bepaalde diensten verenigbaar zijn met Nederlandse en Europese normen. Het openbaar maken van dergelijke toetsen is aan de opdrachtgevende organisatie zelf, maar is niet wettelijk verplicht. Er kunnen moverende redenen zijn om dit ook niet te doen.
Zou u deze vragen afzonderlijk van elkaar kunnen beantwoorden?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
De geplande uitbreiding van de handel in apen voor dierproeven |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Letschert , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat in Tilburg een grote apenhandelaar is gevestigd, genaamd Hartelust, die ongeveer 1.000 apen houdt in een loods op een industrieterrein?
Ja.
Bent u ermee bekend dat dit bedrijf functioneert als doorvoerhaven voor apen uit het buitenland en deze dieren vervolgens weer worden doorverkocht aan proefdiercentra binnen en buiten Europa?
Ja, dit bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken onder de wet op de dierproeven en staat daarmee ook onder toezicht van de NVWA.
Kunt u bevestigen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen geen apen kopen van deze handelaar en dat dit bedrijf dus geen bijdrage levert aan het Nederlandse onderzoeks- en wetenschapsbeleid (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 37)?
Ja, naar aanleiding van het KNAW advies «Gebruik van niet-humane primaten als proefdier. Nut en noodzaak?» uit 2014 (Kamerstuk 32 336, nr. 30) is met onderzoeksinstellingen overeengekomen dat onderzoek met niet-humane primaten (NHP) in Nederland bij voorkeur in het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) of met dieren afkomstig van het BPRC wordt uitgevoerd. In uitzonderlijke situaties waarbij het BPRC niet aan de vraag kan voldoen, zoals bij uitbraken van infectiezieken, kunnen onderzoekinstellingen dieren betrekken van andere gekwalificeerde leveranciers (Kamerstuk 32 336, nr. 44). Ik heb geen signalen ontvangen dat Nederlandse onderzoeksinstellingen in de afgelopen jaren van deze afspraak zijn afgeweken.
Bent u ermee bekend dat de apen die door deze handelaar worden verhandeld in buitenlandse laboratoria worden gedwongen om experimentele medicijnen te nemen, worden ziekgemaakt met synthetische stoffen zoals heroïne, elektroden in de hersenen krijgen ingeplant en met opzet worden vetgemest zodat ze diabetes krijgen? Wat vindt u hiervan?1
Ik kan me goed voorstellen dat er maatschappelijke verontwaardiging is over het verhandelen en gebruik van proefdieren en het gebruik van apen in het bijzonder. Ik ben er mee bekend dat de apen van deze handelaar worden verhandeld naar buitenlandse (hoofdzakelijk Europese) onderzoeksinstellingen waar zij kunnen worden ingezet voor proefdieronderzoek. Binnen de EU is deze praktijk alleen toegestaan als is voldaan aan stevige randvoorwaarden aan onderzoek met proefdieren en met niet-humane primaten in het bijzonder. Ik benoem hier richtlijn (2010/63/EU) die binnen de EU van toepassing is op proefdieronderzoek. Deze richtlijn bevat bepalingen voor onderzoek, fok, handel en verzorging van de dieren. Voor NHP onderzoek gelden er ten opzichte van onderzoek met andere diersoorten binnen deze richtlijn nog aanvullende eisen. Onderzoek met proefdieren is alleen toegestaan na een zorgvuldige afweging. Bij een aanvraag voor onderzoek met NHP moet er met een wetenschappelijke motivering aangetoond worden dat het doel van het onderzoek niet kan worden bereikt door het gebruik van een andere diersoort. Voor NHP (en tevens ook voor honden en katten) moet vanaf de geboorte een individueel levensloopdossier worden bijgehouden, zodat deze dieren de verzorging, huisvesting en behandeling kan worden geboden die op hun individuele behoeften en kenmerken zijn afgestemd. Op Europees niveau wordt er gerapporteerd over dierproeven in ALURES (Animal Use Reporting – EU System). ALURES bestaat uit twee delen, een deel niet-technische samenvattingen (NTS) en een deel met statistische data. De NTS geeft o.a. inzicht in het geplande onderzoek over een periode van 5 jaar, het verwachte benodigde aantal dieren en een inschatting van de mate van ongerief. Daarbij wijs ik erop dat binnen het dierproevendomein «ongerief» de aantasting van het dierenwelzijn betekent, en niet alleen «pijn». Daarmee wordt meer bedoeld dan alleen pijn. Ook zaken als stress, alleen-zijn, Ook zaken als angst en ziekte worden daarin meegerekend. De richtlijn classificeert «ongerief» in drie categorieën: licht, matig of ernstig. Dieren die zonder voorafgaande handeling onder verdoving gedood worden, worden geregistreerd als «terminaal onder anesthesie». De database met statistische data rapporteert per kalender jaar en geeft o.a. inzicht in het daadwerkelijk gebruikte aantal dieren en de mate van ongerief. Binnen beide omgevingen is het mogelijk om informatie verder uit te splitsen bijvoorbeeld op basis van land, diersoort en algemeen onderzoeksdoel.
Het exporteren van deze dieren naar landen buiten de EU is wettelijk gezien toegestaan. Wel wil ik hierover met betrokken partijen in gesprek om te bezien hoe transporten van apen ten behoeve van proefdieronderzoek naar derde landen tot een minimum kunnen worden beperkt.
Kunt u bevestigen dat veel van deze apen tijdens de proef overlijden of na afloop alsnog worden gedood? Wat vindt u hiervan? Zo nee, op welke onafhankelijke bronnen baseert u zich?
Dat dieren overlijden -in veel gevallen doormiddel van euthanasie- is helaas inherent aan proefdieronderzoek. Het is een confronterende waarheid die nu onlosmakelijk verbonden is met onderzoek voor medische vooruitgang en veiligheid voor mens dier en milieu. Op basis van NTS gegevens uit ALURES van 2022 tot en met 2025 is te zien dat er binnen de EU 553 projecten zijn ingediend waarin onderzoek met NHP is opgenomen. Veruit het meeste NHP-onderzoek wordt ingeschat op matig (79,4%) of mild (16,3%) ongerief. Onder de categorie ernstig ongerief valt 3,1% van het onderzoek. De laatste 1,2% valt onder terminaal onderzoek dat onder narcose plaatsvindt, waaruit de dieren niet meer ontwaken. Uit deze gegevens blijkt dat in totaal 70% van de NHP tijdens of na het onderzoek wordt gedood, bijvoorbeeld voor vervolgonderzoek op weefsels. De overige 30% wordt herplaatst of hergebruikt. Of proefdieren tijdens of na een proef overlijden hangt af van het soort onderzoek dat wordt gedaan. Dit wordt meegenomen in de toetsing vooraf en is onlosmakelijk verbonden met het doen van dierproeven.
Daar waar proefdieronderzoek nog absoluut onmisbaar is vind ik het belangrijk dat dit zeer zorgvuldig gebeurt conform ethische en wettelijke kaders. Daarnaast wil ik met grote vaart inzetten op de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties om zo proefdieronderzoek zoveel als mogelijk overbodig te maken.
Bent u ermee bekend dat de betreffende apenhandelaar er in 2024 voor heeft gezorgd dat er via Nederland een tuberculose-uitbraak is verspreid?2
Ja, het betrof hier een specifieke tuberculose variant waarop vóór deze uitbraak niet standaard werd getest. Inmiddels is de procedure hierop aangepast. Door strikte eisen in omgang met proefapen is de uitbraak beperkt gebleven tot de dieren en zijn er geen mensen besmet geraakt.
Bent u ermee bekend dat zowel de gemeente Tilburg als de provincie Noord-Brabant willen optreden tegen deze apenhandelaar, maar hier geen juridische mogelijkheden voor hebben en daarom de toenmalige Minister hebben verzocht om de handel in apen als proefdieren te verbieden?3, 4
Daar ben ik mee bekend. Het bedrijf heeft een vergunning om deze dieren in te voeren, te verhandelen en te fokken. Een verbod op de handel in apen als proefdieren is binnen de EU niet mogelijk omdat artikel 2 van de richtlijn lidstaten daar geen ruimte voor biedt.
Klopt het dat hier nog altijd geen uitvoering aan is gegeven?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ermee bekend dat Hartelust wil uitbreiden en een nieuwe loods heeft gekocht waar ze penseelapen willen gaan fokken?5
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat vindt u ervan dat een commerciële handelaar mogelijk wil uitbreiden met het fokken van extra apen, terwijl tegelijkertijd steeds meer wetenschappelijke instellingen juist inzetten op proefdiervrije innovatie?
Ik ben blij met de ontwikkeling dat wetenschappelijke instellingen inzetten op proefdiervrije innovatie. Proefdieronderzoek is nog steeds nodig voor bepaald type onderzoek. Bijvoorbeeld voor complex onderzoek naar hersenziektes zoals dementie of infectiebestrijding zoals Covid.
Fokken met en handel in apen is toegestaan binnen de vergunning van dit bedrijf op basis van de Wet op de dierproeven. Daarbij vind ik het van belang dat de omvang van de fok van en handel in deze dieren proportioneel blijft in relatie tot de behoefte en noodzakelijkheid van onderzoek binnen de EU. Daarom ga ik zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4 met betrokkenen in gesprek om handel naar derde landen tot een minimum te beperken.
Bent u bereid om deze uitbreiding tegen te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben verantwoordelijk voor de Wet op de Dierproeven die gebaseerd is op de EU-richtlijn. Als het bedrijf voldoet aan de eisen uit die wet heb ik geen grondslag om in te grijpen. Een bedrijf of organisatie mag enkel proefdieren fokken of afleveren met een instellingsvergunning, daarmee staat de instelling ook onder toezicht van de NVWA. Een van de eisen is dat enkel bevoegd en bekwaam personeel met proefdieren mag werken.
Deelt u de mening dat het verslepen van apen over de hele wereld en het commercieel verhandelen van apen aan proefdiercentra in het buitenland zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat proefdieren zo weinig mogelijk ongemak ervaren in hun leven. Transport is daarvoor niet bevorderlijk, maar soms echter onvermijdelijk om de juiste proefdieren op de juiste locatie voor onderzoek te krijgen. Ik ben blij dat er strikte Europese en internationale regels zijn die gezondheid en welzijn van de dieren borgen en verspreiding van ziekten voorkomen.
Bent u bereid om een einde te maken aan het houden van apen ten behoeve van de commerciële handel voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Daartoe heb ik niet de mogelijkheid, omdat dit in strijd zou zijn met de richtlijn (2010/63/EU), zie ook mijn antwoord op vraag 7. Wel blijf ik mij onverminderd inzetten voor het waarborgen van het welzijn van proefdieren en de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is niet gelukt de vragen binnen de gestelde termijn van drie weken te beantwoorden, vanwege het nodigde uitzoekwerk en afstemming binnen het Ministerie van LVVN, het Ministerie van OCW en met de NVWA. Hierover heeft u op 11 mei een uitstelbrief ontvangen.