Het bericht dat werkgevers in de zorg twijfelachtige certificaten blijven accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De zorg blijft twijfelachtige certificaten accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in de zorg nog steeds actief gezocht wordt naar potentiële werknemers met EVC-certificaten?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat er nog steeds actief wordt gezocht naar werknemers op basis van EVC-certificaten. De dringende oproep die ik samen met mijn collega bewindspersonen heb gedaan is gebaseerd op verschillende signalen en onderzoeken waaruit blijkt dat het huidige EVC-stelsel onvoldoende kwaliteitsborging kent en ruimte laat voor misbruik. Een EVC-certificaat biedt daarom op dit moment geen betrouwbare garantie voor de vereiste kennis en vaardigheden.
Hoe rijmt u de dringende oproep vanuit vier collega bewindspersonen om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten met het feit dat werkgevers in de zorg nog steeds actief zoeken naar kandidaten met deze certificaten?
Het kabinet begrijpt het belang van het erkennen van leer- en werkervaring in brede zin. Echter, in het geval van het erkennen van leer- en werkervaring op basis van EVC-certificaten is gebleken dat dit in de praktijk vaak een «papieren exercitie» is, waardoor de deur open wordt gezet voor fraude met deze certificaten. Dat is ook de aanleiding geweest voor onze dringende oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten. Tegelijkertijd is het EVC-stelsel privaat en kunnen werkgevers er daarom voor kiezen om hier toch gebruik van te maken. Maar het accepteren van een EVC-certificaat neemt de verantwoordelijkheid van partijen niet weg om zelf te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is. Werkgevers en onderwijsinstellingen blijven verantwoordelijk voor de inzet van deskundige medewerkers (in de zorg) en voor het verlenen van vrijstellingen. Dit is ook nadrukkelijk onderdeel van onze oproep geweest.
Wat vindt u ervan dat er hierdoor nog steeds personen zonder de vereiste kennis en ervaring toegang krijgen tot functies, opleidingen en voorzieningen waarvoor zij onvoldoende gekwalificeerd of bevoegd zijn?
Dat is zorgelijk. De geconstateerde fraudegevoeligheid in het EVC-stelsel maken dat EVC-certificaten geen betrouwbare weergave zijn van iemands competenties. Het is daarom onacceptabel dat personen hierdoor toegang krijgen tot functies of opleidingen waarvoor zij niet voldoende zijn gekwalificeerd. Dit onderstreept de noodzaak om gehoor te geven aan de oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten en te kijken naar andere mogelijkheden om leer- en werkervaring te erkennen. Ik benadruk nogmaals, als werkgevers ervoor kiezen om gebruik te blijven maken van EVC-certificaten, dan ontslaat dat hen niet van de verantwoordelijkheid om zelf te beoordelen dat hun personeel bekwaam en bevoegd is. De verantwoordelijkheid om te borgen dat (potentiële) werknemers over de kennis en vaardigheden beschikken om het werk uit te voeren blijft bij de werkgever.
Wat vindt u ervan dat volgens Trouw voor onder andere vacatures voor pedagogisch hulpverlener (voor uithuisgeplaatste jongeren) en jeugdzorgwerker EVC-certificaten nog steeds worden gebruikt terwijl deze medewerkers juist met kwetsbare jongeren werken?
De kwaliteit en veiligheid van kwetsbare jongeren die jeugdhulp ontvangen moeten zo goed als mogelijk worden gewaarborgd. Als er nog werkgevers en jeugdhulpaanbieders zijn die professionals werven op een EVC-certificaat, zonder te controleren of deze echt bekwaam en bevoegd zijn, dan is dat zorgwekkend. Onze brief van februari 2026 over fraude met EVC-certificaten, is gebaseerd op onderzoeken van het Openbaar Ministerie, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie van Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De dringende oproep om niet langer te vertrouwen op EVC-certificaten is gericht aan alle branches binnen de zorg, ook jeugdhulpaanbieders. Om de veiligheid, kwaliteit en integriteit van zorg te waarborgen is de inzet van werkgevers nodig en dienen zij zorgvuldig te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is om zorg te verlenen.
Hoe verhoudt het feit dat er jeugdzorgwerkers worden gezocht met EVC-certificaten zich tot het voornemen van Jeugdzorg Nederland om niet langer gebruik te maken van EVC-certificaten? Welke status heeft dit voornemen van de brancheorganisatie?
Uit afstemming met Jeugdzorg Nederland blijkt dat niet zonder meer is vast te stellen of het de leden van Jeugdzorg Nederland zijn die nog professionals met EVC-certificaten zoeken. Het standpunt van Jeugdzorg Nederland is dat zolang de kwaliteit van EVC-certificaten niet betrouwbaar getoetst kan worden, men zeer terughoudend moet zijn in het aannemen/inzetten van mensen met EVC-certificaten. Jeugdzorg Nederland heeft haar leden opgeroepen kandidaten en hun dossiers met werkervaring en opleiding grondig te controleren. Jeugdzorg Nederland blijft dit standpunt onderstrepen. Dat standpunt komt overeen met strekking van de brief die in februari dit jaar door mij en mijn collega bewindspersonen is verzonden aan veldpartijen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat kwaadwillenden middels deze certificaten dus nog steeds de mogelijkheid hebben om kwetsbare jongeren te ronselen voor criminele activiteiten?
Ik deel de zorgen over fraude en de signalen over het ronselen van kwetsbare jongeren binnen de jeugdhulp. Jongeren moeten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van jeugdzorg en de professionals die deze bieden. Het is onaanvaardbaar dat jongeren de dupe zijn van fraude met certificaten en niet de zorg krijgen die zij nodig hebben. Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan. De problematiek van fraude en zware georganiseerde criminaliteit gaat helaas veel verder dan het zorgdomein en vraagt een brede integrale aanpak. Zo werk ik structureel samen met andere departementen, toezichthouders, gemeenten en opsporingsdiensten. Onderdeel daarvan is de brief van mij en mijn collega bewindspersonen van februari dit jaar, waarin veldpartijen wordt opgeroepen terughoudend te zijn met de inzet van professionals op basis van EVC-certificaten.
Wat vindt u ervan dat verschillende zorgopleidingen nog steeds reclame maken voor deze vorm van diplomering?
Onderwijsinstellingen zijn door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in een brief op 19 juni 2025 geïnformeerd over het misbruik met EVC-certificaten in de «onderwijsroute». Examencommissies zijn er met de brief extra op gewezen om alleen een vrijstelling te verlenen als boven alle twijfel verheven is dat iemand geheel voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen. Dit laat onverlet dat laagdrempelig om- en bijscholen mogelijk moet blijven. Onderwijsinstellingen blijven de ruimte houden om zelf betrouwbare valideringstrajecten in te zetten gericht op het (h)erkennen van relevante eerder opgedane leer- en werkervaring en het bieden van maatwerktrajecten aan zij-instromers die aansluiten op wat zij al kennen en kunnen. Ik blijf in nauw overleg met de Minister van OCW over waar dit goed gaat en waar niet, waar we indien nodig passende maatregelen treffen.
Hoe wilt u uitvoering geven aan het amendement-Synhaeve/Wendel aangaande EVC fraude?
Middels het amendement Synhaeve/Wendel trek ik in 2026 elk geval 200.000 euro uit voor het vervolgonderzoek naar onvolkomenheden in de onderliggende dossiers behorend bij EVC-certificaten van professionals in de jeugdhulp. Momenteel ben ik in gesprek met onder andere de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd om tot afspraken te komen over de inzet van deze middelen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat werknemers zich gemakkelijk kunnen bij- of omscholen op een manier waarop dat wel vertrouwd is, nu u heeft opgeroepen om geen EVC-certificaten meer te accepteren en we tegelijkertijd zien dat verschillende werkgevers dit nog wel doen vanwege krapte op de arbeidsmarkt?
Ik vind het lovenswaardig om te zien hoe veldpartijen, zoals Jeugdzorg Nederland, Actiz, VGN en de Nederlandse GGZ zich hebben verbonden om de fraude aan te pakken en alternatieven te bedenken voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. Hierbij vind ik het van belang dat een eventueel alternatief geen ruimte laat voor fraude. Erkenning van werkervaring, competenties of vaardigheden is zowel voor onze zorgverleners als ook voor de werkgevers belangrijk. Hierbij gaat het dan om status, doorgroeimogelijkheden, salaris en ook behoud van mensen voor zorg en welzijn.
Ik zal veldpartijen faciliteren bij het vinden van betrouwbare alternatieven, bijvoorbeeld door goede voorbeelden aan te reiken. In het kader van het Transformatieplan Limburg wordt bijvoorbeeld ingezet op «bekwaam is inzetbaar». Hierbij wordt uitgegaan van skillsgerichte inzet en verschuift de focus van diploma-eis naar beheersing van de vaardigheden voor de taken waarvoor men wordt ingezet. De gemeente Nijmegen heeft in het aanbestedingsproces de diploma-eis losgelaten en zij hebben hiermee positieve resultaten voor wat betreft inzet en beschikbaarheid geboekt. In plaats van de diploma-eis is gekeken wat wettelijk vereist is en is de verantwoordelijkheid voor goede kwaliteit bij de opdrachtnemer gelegd. Die kan hierdoor taken toebedelen op basis van vakbekwaamheid in combinatie met de aard en zwaarte van de hulpvraag. De gemeente Nijmegen is nu een traject gestart om dit ook bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten onder de aandacht te brengen, met het doel dit verder uit te rollen. Ook heeft de overheid, met de landelijk beschikbare skillstaal Competent NL een mooi instrument ontwikkeld dat partijen op de arbeidsmarkt kan helpen om vak- en kennisvaardigheden eerder te herkennen. Onder leiding van VNO-NCW/MKB wordt daarnaast door sociale partners gewerkt aan afspraken over het valideren van skills. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt hiervan op de hoogte gehouden. Zoals ook door mijn voorgangers toegezegd zal ik in nauw contact blijven met het veld en meedenken met alternatieven.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk op de verpakking wordt vermeld?1
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking, namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct is?
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding, nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een grotendeels plantaardig product krijgen?
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde eiwittransitie?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten?
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken vanwege stijgende vleesprijzen?
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking zou moeten worden vermeld?
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen of misleidende etiketten?
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om dit te garanderen?
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
(on)mogelijkheden van burgemeesters om de overlast door personen met onbegrepen/verward gedrag aan te kunnen pakken |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «10.000 euro boete, een huisverbod, een lantaarnpaal verplaatst: Arnhem zette alles in tegen overlast Koert H.», «Wacht niet op steekpartij of brand maar laat overlastgevers afkicken, betoogt Marcouch» en kent u de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) van 3 februari 2026?1, 2, 3
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat in bewoners, lokale handhavers, de burgemeester en wellicht nog anderen «de wanhoop nabij» waren toen nadat heel het beschikbare instrumentarium om overlast tegen te gaan gebruikt was de overlast toch niet stopte? En dat de overlast pas stopte na een ingrijpend incident? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik kan mij goed voorstellen dat vormen van overlast met zeer ernstige verschijningsvormen en gevolgen grote impact hebben op inwoners, handhavers en burgemeesters. Ik zie dat alle betrokkenen, professionals, zich vaak enorm inspannen maar dat het effect van die inspanningen in situaties niet tot het gewenste effect leidt.
Deelt u de mening van de burgemeester van Arnhem dat het te laat kan zijn als er pas in het geval acuut gevaar voor de overlastgever en zijn omgeving is er handelingsperspectief ontstaat om in te kunnen grijpen? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat burgemeesters de mogelijkheid moeten krijgen «om mensen ook al voor de fase dat gevaar acuut wordt, op te laten nemen»? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Vooropgesteld: situaties en de gevolgen van verward of onbegrepen gedrag in de samenleving zullen nooit volledig kunnen worden voorkomen. De inzet van alle betrokkenen moet er op gericht zijn om in nauwe verbinding en samenwerking overlast en calamiteiten zo veel mogelijk te voorkomen en hanteerbaar te maken.
Ik deel de mening dat er ook voor de burgemeester, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid en openbare orde binnen de gemeente, voldoende handelingsperspectief moet zijn om waar nodig tijdig te kunnen ingrijpen. Ik verwijs u in dit verband ook naar het coalitieakkoord «Aan de slag»4 waarin is aangekondigd meer mogelijkheden voor burgemeesters te creëren om door middel van bemoeizorg in te grijpen en meer crisisplekken te realiseren. Ik ga de komende tijd in gesprek met betrokken partijen, waaronder gemeenten over de verdere uitwerking hiervan en de vraag of burgemeesters meer bevoegdheden en handelingsperspectief nodig hebben. Voor het einde van 2026 volgt een brief met meer uitgewerkte oplossingsrichtingen en/of voorliggende keuzes.
Herkent het in de VNG-brief gestelde dat «vrijwel iedere gemeente personen met verward en onbegrepen gedrag kent, waarbij het bestuurders ontbreekt aan handelingsperspectief» waarbij gemeentebestuurders «de huidige wettelijke kaders als ontoereikend [ervaren] voor (overlastgevende) zorgmijders met complexe en multiproblematiek, die niet in aanmerking komen voor gedwongen zorg of voor een strafrechtelijk kader»? Zo ja, over welke informatie beschikt u?
Ik ken de signalen van bestuurders van gemeenten dat de huidige wettelijke kaders als ontoereikend worden ervaren voor effectief ingrijpen bij (overlastgevende) zorgmijders met complexe en multiproblematiek, waarbij de gedwongen zorgwetten nog niet van toepassing zijn. Verschillende bestuurders hebben dit verklaard en/of hier aandacht voor gevraagd. In het kader van de parlementaire verkenning Verward/onbegrepen gedrag en Veiligheid5 heeft ook uw Kamer deze conclusie getrokken en van een aanbeveling voorzien. Deze aanbeveling wordt betrokken in de verkenning van oplossingen, die het kabinet in de Kamerbrief van 11 december 20256 heeft aangekondigd.
Tegelijkertijd zijn er ook signalen dat er vanuit bestaande bevoegdheden handelingsperspectief aanwezig is, maar dat het bijvoorbeeld ontbreekt aan voldoende woon(zorg-)voorzieningen, aan adequate samenwerking en afstemming tussen de diverse domeinen (zorg, veiligheid, wonen) en aan een wettelijke grondslag voor gegevensuitwisseling voor vroegtijdige samenwerking. Het is dus van belang om het vraagstuk van handelingsperspectief en bevoegdheden van de burgemeester in deze samenhang te bezien, zoals dit ook met de brede aanpak Verward/onbegrepen gedrag wordt beoogd.
Deelt u de mening van de VNG «om de wettelijke (on)mogelijkheden en mogelijke aanvullingen op de huidige wettelijke kaders te inventariseren»? En zo ja, hoe en op welke termijn gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom acht u die inventarisatie niet nodig?
Ja, die mening deel ik. Zie mijn reactie op de vragen 3 en 4. De planning is er op gericht dat ik u rond de zomer een stand van zaken brief stuur over de voortgang van de prioriteiten van de brede aanpak. Voor het einde van 2026 volgt een brief met meer uitgewerkte oplossingsrichtingen en/of voorliggende keuzes. De vraag of burgemeesters meer bevoegdheden en handelingsperspectief dienen te krijgen, wordt hierin betrokken.
Kwetsbaarheden in het verkiezingsproces bij stemmen per volmacht |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland stemt vaak per volmacht: «Zwakte in ons verkiezingsproces»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat circa één op de tien kiezers bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen via een volmacht heeft gestemd?
Deze cijfers sluiten aan bij het gemiddelde beeld dat we bij verkiezingen zien. Ongeveer één op de tien kiezers brengt zijn stem uit via een volmacht. Ook bij de vorige verkiezingen was dit het landelijke gemiddelde.
Het gebruik van volmachten bij verkiezingen voorziet in een behoefte. Kiezers die niet zelf naar het stembureau kunnen gaan – bijvoorbeeld door ziekte of verblijf in het buitenland – krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. Uit de evaluatie onder kiezers na de Europees Parlementsverkiezing in 2024 blijkt bovendien dat 54% van de kiezers die een volmacht hebben afgegeven, niet zou hebben gestemd als deze mogelijkheid er niet was geweest. Stemmen per volmacht heeft daarmee aantoonbare meerwaarde binnen ons verkiezingsproces: het voorkomt dat stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
Deelt u de zorgen van internationale waarnemers dat het grootschalige gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en het principe van «one man, one vote»?
Ik heb begrip voor de zorgen van internationale waarnemers dat grootschalig gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en tot risico’s kan leiden zoals het ronselen van volmachten. Daarbij merk ik op dat een volmachtnemer namens een andere kiezer stemt. Het is dus niet het geval dat deze volmachtnemer een zwaardere stem krijgt bij verkiezingen dan andere kiezers. Daarnaast merk ik op dat het gebruik van volmachten in Nederland een breed gedragen en geaccepteerde methode is, die bovendien bijdraagt aan de opkomst bij verkiezingen. Dankzij volmachten kunnen ook mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen gaan, toch hun stem uitbrengen via een gemachtigde.
Dat neemt niet weg dat misbruik, zoals het ronselen van volmachtstemmen, zeer ernstig is. Dit ondermijnt de integriteit van het verkiezingsproces en schaadt het vertrouwen in de democratie. Juist daarom is per 1 januari de wet tot aanscherping van de strafbaarstelling van het ronselen van volmachten (Stb. 2025, 272) in werking getreden. Met deze wet is de strafmaat verhoogd en de delictsomschrijving bij de tijd gebracht.
Hoe beoordeelt u de grote regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen, waarbij op sommige stembureaus tot een derde van de stemmen per volmacht wordt uitgebracht? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de situatie in de gemeente Den Haag?
De regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen zijn soms groot, maar vormen op zichzelf geen reden tot zorg. In veel gevallen zijn hogere percentages te verklaren door de samenstelling van de bevolking in een bepaald gebied. Rondom stembureaus waar relatief veel ouderen of mensen in zorginstellingen wonen, ligt het aandeel volmachtstemmen hoger. Tegelijkertijd is het belangrijk om alert te blijven. Wanneer op dezelfde locaties structureel hoge percentages voorkomen, is het zinvol om te begrijpen wat daar precies speelt. Dat is niet om direct te veronderstellen dat er sprake is van misbruik, maar om het functioneren van het systeem goed te blijven volgen en waar nodig te verbeteren. In de evaluatie van de verkiezingen zal hier dan ook nadrukkelijk naar worden gekeken.
Met de gemeente Den Haag is contact geweest over het hoge percentage volmachten bij enkele stembureaus. In dit contact komt naar voren dat de gemeente tijdens de verkiezingsdag alle stembureaus monitort en een wijkambtenaar naar een stembureau stuurt bij opvallende volmachtpercentages. Na de stemming worden alle processen-verbaal gecontroleerd op afwijkingen. Daarnaast hebben inwoners de mogelijkheid om signalen door te geven aan het centraal stembureau. De gemeente merkt hierbij op dat zij geen signalen hebben dat volmacht stemmen zijn geronseld. Dit blijkt niet uit de data-analyse, maar ook niet uit de bevindingen van wijkambtenaren die stembureaus met hoge percentages volmachten hebben bezocht. Ook in de processen-verbaal zijn geen onrechtmatigheden gevonden. Inwoners konden tot en met 24 maart meldingen doen. Er zijn geen signalen binnengekomen. Op basis van een vergelijking met afgelopen verkiezingen concludeert de gemeente dat de hoeveelheid volmachtstemmen bij die stembureaus deze verkiezing niet afwijkt van de hoeveelheid volmachten bij eerdere verkiezingen.
In hoeverre acht u het risico reëel dat kiezers onder druk worden gezet of actief gevraagd wordt om een volmacht af te geven, of dat hun stem niet conform hun wens wordt uitgebracht?
Dit risico neem ik serieus. Ronselen tast de stemvrijheid van kiezers aan en schaadt het vertrouwen in de democratie. Recent is op dit onderdeel de Kieswet aangepast: de strafmaat is verhoogd en de delictsomschrijving gemoderniseerd.
Tegelijkertijd zijn er geen aanwijzingen dat ronselen veel voorkomt in Nederland. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart.2 Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan. Echter, iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst.
Kunt u aangeven welke verschillen u ziet in de risico’s van het gebruik van een schriftelijke volmacht, een onderhandse volmacht, het stemmen per post en vroegtijdig stemmen?
Geen enkele van de bovenstaande methodes is volledig risicoloos. Het is steeds een afweging tussen toegankelijkheid, uitvoerbaarheid en het borgen van de integriteit van het verkiezingsproces.
Kunt u voor de verkiezingen die in de afgelopen drie jaar plaatsgevonden hebben per type volmacht in kaart brengen in hoeverre er gebruik gemaakt is van schriftelijke of onderhandse volmachten?
Er zijn geen exacte cijfers beschikbaar per type volmacht. Alleen het totaal aantal uitgebrachte volmachtstemmen is bekend. Bij de Tweede Kamerverkiezing van 29 oktober 2025 waren dat er 991.649, bij de Europees Parlementsverkiezing van 6 juni 2024 716.963 en bij de Tweede Kamerverkiezing van 22 november 2023 zijn er 996.481 stemmen bij volmacht uitgebracht. Van de recente Gemeenteraadsverkiezingen zijn nog geen definitieve cijfers bekend.
Uit de evaluaties3 van de Europees Parlementsverkiezing4 en de Tweede Kamerverkiezing (2023) 5 komt naar voren dat respectievelijk tien en zes procent een schriftelijke volmacht hebben aangevraagd via de gemeente.
Hoe kijkt u, gezien de recente ontwikkelingen, aan tegen het advies van de staatscommissie parlementair stelsel uit 2018 om vervroegd stemmen in te voeren?
Vervroegd stemmen, waarbij kiezers bijvoorbeeld gedurende de twee dagen voorafgaand aan de dag van stemming hun stem kunnen uitbrengen, kan de behoefte aan stemmen bij volmacht verminderen. Kiezers die op verkiezingsdag verhinderd zijn, kunnen dan op een voor hen passend moment zelf naar de stembus. Er ligt een initiatiefwetsvoorstel in de Tweede Kamer dat het aantal volmachten per persoon verlaagt van twee naar één, waarbij tevens wordt voorgesteld om vervroegd stemmen in te voeren6. Het huidige kabinet heeft nog geen standpunt ingenomen over dit wetsvoorstel.
Welke stappen bent u voornemens te nemen om de risico’s van het gebruik van volmachten te ondervangen?
Ik vind het belangrijk om nogmaals te benadrukken dat er al stappen zijn gezet om de risico’s van het onrechtmatige gebruik van volmachten te beperken. Per 1 januari 2026 is de Kieswet op dit punt gewijzigd: de delictsomschrijving van ronselen is aangepast, zodat ook bij een eenmalige oproep of een oproep via sociale media vervolging mogelijk kan zijn. Daarnaast is de maximale straf verhoogd van één maand naar zes maanden gevangenisstraf.
Er is ook extra ingezet op goede voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers. Via de website elkestemtelt.nl, sociale media en een uitlegvideo is uitgelegd hoe de volmachtprocedure werkt en dat het initiatief tot afgeven van een volmacht altijd bij de kiezer zelf moet liggen.
Aanvullend betrek ik de casus Gorinchem bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
De besteding van gemeentelijke middelen aan iftarbijeenkomsten, gepresenteerd als 'ontmoetingen' en 'integratie' |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het bericht dat de grootste gemeenten in Nederland tienduizenden euro’s aan publieke middelen hebben besteed aan het organiseren of faciliteren van iftarbijeenkomsten, en dat deze uitgaven zijn verantwoord onder begrotingsposten als «ontmoetingen» en «integratie»?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving. Gemeenten dragen zelf verantwoordelijkheid voor de besteding van middelen en de inrichting van hun beleid. Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Daarbij kan de gemeenteraad geld reserveren voor bepaalde doelstellingen. De raad heeft de taak om te controleren of de gemeentelijke middelen juist worden besteed door het college van burgemeester en wethouders.
Onder welke begrotingsposten zijn deze uitgaven door de betreffende gemeenten precies verantwoord, en hoe waarborgt u dat het wegschrijven van uitgaven voor religieuze bijeenkomsten onder neutrale noemers als «ontmoeting», «verbinding» of «integratie» de democratische controle door de gemeenteraad niet bemoeilijkt?
Het is aan de individuele gemeenteraden om het budgetrecht uit te oefenen en toe te zien op de juiste besteding van middelen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze controletaak te verrichten.
Welke meetbare integratiedoelstellingen liggen ten grondslag aan de gemeentelijke financiering van iftarbijeenkomsten, en op basis van welke evaluaties of effectmetingen is vastgesteld dat deze bijeenkomsten aantoonbaar bijdragen aan taalverwerving, arbeidsparticipatie of maatschappelijke zelfredzaamheid?
Dit zal per gemeente verschillen aan de hand van het lokaal gevoerde beleid op integratie en aanverwante beleidsterreinen. Het is aan de gemeenteraad om hier controle op uit te oefenen. Ook kan binnen de gemeente worden overwogen of wordt overgegaan op evaluaties en effectmetingen met betrekking tot de doelen die door subsidies en gefinancierde activiteiten worden gediend.
In hoeverre kan worden uitgesloten dat bij de door gemeenten gefinancierde iftars organisaties betrokken zijn die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd vanuit het buitenland, bijvoorbeeld door Turkije (Diyanet/ISN), Saoedi-Arabië, Qatar of andere staten, en welk toezicht bestaat hierop?
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor subsidieverlening en het stellen van voorwaarden, waaronder transparantie over financieringsstromen indien dat relevant wordt geacht.
Daar waar er mogelijk sprake is van ongewenste buitenlandse financiering kent Nederland een systeem met verschillende instrumenten. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) doet onderzoek naar personen of organisaties die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid of de democratische rechtsorde. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken notes verbales over ongewenste buitenlandse financiering ontvangt vanuit derde landen, kan Buitenlandse Zaken deze doorsturen naar de AIVD.
De voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) zag op het tegengaan van onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door donaties aan maatschappelijke organisaties. Aangezien het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is verworpen, wordt er nader bezien of een aanvullend instrument passend is.
Hoe verhoudt de structurele financiering van iftarbijeenkomsten door gemeenten zich tot het grondwettelijke beginsel van scheiding van kerk en staat, mede in het licht van de uitspraak van uw voorganger bij de beantwoording van eerdere Kamervragen dat de overheid «geen geloof of wijze van geloofsbelijdenis mag voortrekken»?2
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Mocht een gemeente ervoor kiezen om in het kader van een subsidieregeling ten behoeve van integratie en dialoog iftaractiviteiten te subsidiëren, moeten subsidieaanvragen die door een ander geloof zijn geïnspireerd en op gelijke mate bijdragen aan de doelen, in principe op gelijke manier worden toegekend. Wanneer gemeenten zelf iftaractiviteiten organiseren of deze buiten een subsidieregeling om subsidiëren, zijn ze ook gehouden aan het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is van belang te overwegen welke doelen met de activiteit worden gediend, of ook andere geloofsgerelateerde activiteiten die dezelfde doelen dienen worden georganiseerd of gefinancierd en hoe wordt voorkomen dat een geloof door de gemeente wordt voorgetrokken. De gemeenteraad kan op deze keuzes controle uitoefenen.
In welke omvang en frequentie financieren dezelfde gemeenten bijeenkomsten die verbonden zijn aan andere religieuze tradities, zoals het christendom, het jodendom of het hindoeïsme, en hoe verklaart u een eventueel verschil met de financiering van islamitische bijeenkomsten?
Elke gemeente kent een andere begroting en andere subsidieregelingen. Het is aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten om verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad over de besteding van de gemeentelijke begroting.
Hoe beoordeelt u het feit dat iftarbijeenkomsten naar hun aard religieuze handelingen omvatten – zoals gebeden en Koranrecitatie – terwijl gemeenten dergelijke bijeenkomsten presenteren en financieren als neutrale «ontmoetingen»?
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
Op welke wijze draagt het faciliteren van religieus-culturele bijeenkomsten die primair gericht zijn op de eigen gemeenschap bij aan werkelijke integratie – het leren van de Nederlandse taal, het verwerven van economische zelfstandigheid en het internaliseren van democratische waarden – en hoe weegt u dit af tegen het risico dat dergelijke financiering juist gescheiden religieuze gemeenschappen bevestigt en institutionaliseert?
Als iftarmaaltijden door de gemeente worden gefinancierd in het kader van integratie of dialoog impliceert dit dat de bijeenkomsten niet zijn voorbehouden aan een specifieke gemeenschap of religie, maar juist zijn gericht op ontmoeting en uitwisseling tussen Nederlanders met verschillende achtergronden. Deze activiteiten kunnen bijdragen aan het versterken van de sociale samenhang en participatie in de samenleving en kunnen daarmee onderdeel zijn van een bredere aanpak gericht op integratie en versterken van de sociale samenhang.
Hoe verhoudt de gemeentelijke financiering van religieuze maaltijden zich tot het kabinetsbeleid dat inzet op assimilatie – het overnemen van de Nederlandse taal, normen, waarden en gebruiken – in plaats van het accommoderen van religieuze en culturele praktijken uit het land van herkomst?
Zoals in het regeerakkoord vermeld, richt het kabinetsbeleid zich op meedoen in de Nederlandse samenleving. Dat betekent dat iedereen actief deelneemt en bijdraagt aan de samenleving. Wij verwachten daarbij dat iedereen de waarden van de democratische rechtsstaat omarmt, waaronder godsdienstvrijheid. Het financieren van iftarmaaltijden die open staan voor iedereen in het kader van dialoog kan bijdragen aan tolerantie en respect voor de godsdienstvrijheid binnen Nederland. De organisatie van dergelijke activiteiten kan daarnaast de sociale samenhang bevorderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat door de overheid gefinancierde iftars bijdragen aan het ontstaan van parallelgemeenschappen, waarin de band met het land van herkomst en de eigen religieuze gemeenschap wordt versterkt ten koste van deelname aan de bredere Nederlandse samenleving?
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 8, 9 en 11.
Hoe weegt u de zorg van een substantieel deel van de Nederlandse bevolking dat de toenemende institutionalisering van islamitische rituelen in het publieke domein – inclusief door de overheid gefinancierde iftars op ministeries, bij de Nationale Politie en in publieke gebouwen – bijdraagt aan een ervaring van culturele verdringing?
Ruimte voor verschillende culturele en religieuze activiteiten is kenmerkend voor zowel de diversiteit binnen onze samenleving alsook de naleving van kernwaarden van onze democratische rechtsstaat, zoals gelijkheid en godsdienstvrijheid. Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze geeft het structureel financieren van iftars door overheden – terwijl vergelijkbare faciliteiten voor andere levensbeschouwelijke tradities achterwege blijven – een signaal van ongelijkheid af, en hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het maatschappelijke draagvlak voor integratie?
Iedereen moet in Nederland in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Indien overheden activiteiten ondersteunen moeten ze het gelijkheidsbeginsel in acht nemen. Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 5.
Gemeentelijke uitgaven aan iftar-activiteiten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat grote gemeenten tienduizenden euro’s uitgeven aan iftar-activiteiten, al dan niet via subsidies of eigen organisatie?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het organiseren of subsidiëren van iftars door gemeenten in de kern een religieuze activiteit ondersteunt? Zo nee, waarom niet?
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Idealiter hebben door gemeenten gefinancierde activiteiten een openbaar karakter, dienen ze een maatschappelijk doel en voldoen ze aan bepaalde kwaliteitseisen. In welke mate een concrete iftaractiviteit overeenstemt met de gemeentelijke religieuze neutraliteit is aan de gemeenten om te beoordelen. De aanwezigheid van een gebed op een dergelijke bijeenkomst maakt deze in ieder geval nog niet in strijd met de scheiding tussen kerk en staat.
Hoe verhoudt het actief faciliteren van iftars door gemeenten zich tot het beginsel van scheiding tussen kerk en staat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat gemeenten zich terughoudend dienen op te stellen bij het financieren of organiseren van religieuze bijeenkomsten, in het bijzonder iftars? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat het organiseren en subsidiëren van iftars door gemeenten de indruk wekt dat de overheid zich vereenzelvigt met een specifieke religie?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre acht u het wenselijk dat gemeentelijke middelen worden ingezet voor activiteiten die direct samenhangen met religieuze gebruiken, zoals het verbreken van het vasten tijdens de ramadan?
Het wettelijke kader met betrekking tot de scheiding tussen kerk en staat heb ik hierboven uiteengezet. De keuze om binnen dat kader meer of minder samenwerking te zoeken met godsdiensten en godsdienstig geïnspireerde initiatieven te steunen is er een die gemeenten zelfstandig maken in het kader van de gemeentelijke autonomie. De scheiding tussen kerk en staat sluit het samenwerken met religieus geïnspireerde initiatieven om maatschappelijke doelen te behalen niet uit. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan organisaties met een religieuze grondslag die maatschappelijk werk verrichten, zoals het Leger des Heils. Op grond van de Grondwet en de Gemeentewet heeft de gemeenteraad het budgetrecht en bepaalt deze zelf hoe het zijn middelen inzet. Het is in principe niet aan mij als Minister om daarover een oordeel te vellen.
Welke criteria hanteren gemeenten om te bepalen of een activiteit als «maatschappelijk» wordt aangemerkt, terwijl deze in de praktijk een religieus karakter heeft?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorg dat het labelen van iftars als «ontmoeting» of «integratie» feitelijk een omzeiling van het neutraliteitsbeginsel kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
In hoeverre wordt gecontroleerd of dergelijke subsidies daadwerkelijk een algemeen maatschappelijk doel dienen en niet primair een religieuze activiteit faciliteren?
Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Het college verantwoordt zich aan de raad over de bestedingen. Die verantwoording ziet onder meer op de bestedingen op basis van de begroting, maar ook op de uitvoering van subsidieverordeningen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze politieke dialoog te laten plaatsvinden.
Kunt u uitsluiten dat door deze praktijk een precedent ontstaat waardoor terugkerend aanspraak wordt gemaakt op vergelijkbare financiering? Zo nee, hoe wordt hiermee omgegaan?
Dat een subsidie is verleend voor een bepaalde activiteit betekent niet dat de subsidieontvanger een volgende keer automatisch weer recht heeft op subsidie voor die activiteit. Het is aan het bestuursorgaan waar de subsidieaanvraag wordt ingediend om daarover te beslissen. Een bestuursorgaan kan een subsidie verlenen op basis van een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieverordening van de gemeenteraad. Ook kunnen zogenoemde incidentele subsidies worden verleend, waaraan geen wettelijk voorschrift ten grondslag ligt. Het wel of niet verstrekken van een dergelijke incidentele subsidie behoort tot de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan. Binnen de gemeente verantwoordt het college zich aan de raad over de bestedingen op basis van de begroting.
Acht u het wenselijk dat gemeenten zelf iftars organiseren op bijvoorbeeld het stadhuis en zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de vereiste neutraliteit van de overheid?
Ook hier is sprake van een keuze die een gemeente kan maken binnen de eigen autonomie, en is er ruimte dit te doen binnen de wettelijke kaders rondom de scheiding tussen kerk en staat. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8.
Ziet u aanleiding om gemeenten explicieter te wijzen op de grenzen van het subsidiëren van activiteiten met een religieus karakter? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie heeft in 2019 in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) het Tweeluik religie en publiek domein gepubliceerd. Dit Tweeluik biedt voldoende handvatten aan gemeenten om een juridisch correcte afweging te maken inzake het wel of niet subsidiëren van activiteiten met een religieus element. Ook het subsidiëren van iftarmaaltijden wordt in het document besproken. De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG.
Het bericht ‘Minister Vijlbrief: ‘Korter wachtgeld voor politici kunnen we over nadenken’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u uw uitspraak dat er gekeken moet worden naar een kortere wachtgeldperiode voor Ministers?1
Ja.
Deelt u de mening dat het oneerlijk is wanneer het kabinet niet tornt aan de eigen wachtgeldregeling, maar wel tornt aan de Werkloosheidswet (WW-)duur?
Zoals ik heb aangegeven valt er iets voor te zeggen om in het proces rondom de Werkloosheidswet (WW) ook te kijken naar de Algemene pensioen- en uitkeringswet politieke ambtsdragers (Appa, zoals de uitkeringsregeling bij ontslag voor politieke ambtsdragers formeel heet) en dat ik de reacties begrijp.
De Appa valt onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK). De rechtsposities van politieke ambtsdragers en werknemers zijn op wezenlijke onderdelen verschillend. Dat heeft te maken met de zogenaamde vertrouwensregel, op basis waarvan politieke ambtsdragers op elk moment moeten kunnen aftreden. Een eventuele aanpassing van de Appa conform de WW is dan ook geen automatisme. Ik ga hierover graag in gesprek binnen het kabinet.
Bent u hierover in gesprek getreden binnen het kabinet? Zo ja, welke stappen heeft u genomen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven ben ik voornemens hierover het gesprek aan te gaan.
Welke opvolging gaat u verder geven aan deze uitspraak?
Ik ga hierover in gesprek binnen het kabinet.
Welke stappen vanuit het kabinet kan de Kamer verwachten om de wachtgeldregeling te verkorten?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 2 naar voren heb gebracht, is een eventuele aanpassing van de Appa geen automatisme. Er zijn wezenlijke verschillen tussen WW en Appa. Ik heb aangegeven dat er iets voor te zeggen is om in het proces rondom de WW ook te kijken naar de Appa, maar dan nog moeten beide regelingen in hun geheel worden beoordeeld. Zoals aangegeven ben ik voornemens om hierover het gesprek aan te gaan.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Ouders in verzet tegen sluiting van enige school in nieuwbouwwijk: ‘Waar moeten onze kinderen heen?’' |
|
Etkin Armut (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? Zo ja, wat vindt u hiervan?1
Ja, ik ken dit bericht. Het is jammer dat onrust is ontstaan over de school. In de beantwoording op de vragen van de leden Van Asten en Rooderkerk (beiden D66) over hetzelfde onderwerp is aangegeven dat het schoolbestuur het besluit om de school te sluiten heeft teruggedraaid.
Klopt het dat er momenteel 65 kinderen op deze school zijn ingeschreven en dat er eigenlijk nu 160 kinderen op deze school moeten zijn ingeschreven om structurele financiering te ontvangen?
Volgens de laatste cijfers van DUO staan op deze school 62 leerlingen ingeschreven. Er hadden 167 leerlingen ingeschreven moeten staan om te voldoen aan de vereiste leerlingenaantallen van de stichtingsnorm voor scholen. Deze norm verschilt per gemeente en wordt vastgesteld op basis van de leerlingdichtheid in de gemeente.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met de verwachte groei van het aantal leerlingen in de komende jaren doordat er huizen gebouwd gaan worden? Waarom wel of waarom niet?
Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur aantonen, met een belangstellingsmeting, dat de nieuwe school in het 11e jaar na de aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Deze belangstellingsmeting gebeurt 1) aan de hand van verklaringen van ouders in het voedingsgebied met kinderen in de juiste leeftijdscategorie en 2) het aantal leerlingen op het moment van de stichtingsaanvraag en 3) het geprognostiseerde aantal leerlingen in het 11e jaar na de stichtingsaanvraag. De verwachte groei van het aantal leerlingen in een gebied is dus onderdeel van de aanvraagprocedure voor een nieuwe school.
Wat zijn de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de kleine schooltoeslag of dunbevolktheidstoeslag?
Basisscholen die op de teldatum van het aantal leerlingen minder dan 150 leerlingen hebben, ontvangen momenteel kleinescholentoeslag. De school De Binck ontvangt daarom kleinescholentoeslag. Op dit moment wordt gewerkt aan het omvormen van de kleinescholentoeslag naar dunbevolktheidstoeslag. Uw Kamer is door mijn voorganger geïnformeerd over deze wijziging.2
Komt deze school in aanmerking voor deze toeslag? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat kleine scholen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk en of iemand wel of niet wil gaan wonen in deze wijk?
Ja, scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Dat is zeker het geval in stedelijke gebieden. De aangekondigde stelselwijziging zal op dit vraagstuk ingaan. Uw Kamer ontvang voor het zomerreces nog een brief met een update over de beoogde stelselwijziging.
In hoeverre wordt er bij de beslissing om een school wel of niet te financieren rekening gehouden met het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving?
Het aantal beschikbare plaatsen bij basisscholen in de directe omgeving is geen criterium bij het al dan niet bekostigen van een nieuwe school.
Zijn er alternatieven overwogen, zoals vergaande samenwerking met andere basisscholen, om sluiting te voorkomen?
Vergaande samenwerking met andere basisscholen, bijvoorbeeld in de vorm van een fusie, kan een mooie manier zijn om het onderwijs en de identiteit van een te kleine school te behouden. Met het oog op de stelselwijziging moedig ik schoolbesturen van te kleine scholen aan om mogelijkheden voor samenwerking of fusies in hun omgeving te onderzoeken. Het zoeken naar samenwerking blijft immers een verantwoordelijkheid van een schoolbestuur.
De keuze om leerlingen op een basisschool in te schrijven is verder aan de ouders, die vrij zijn om daar zelf een afweging in te maken.
Zou dit ertoe kunnen leiden dat leerlingen naar een andere gemeente moeten om onderwijs te krijgen?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht ‘Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar’ |
|
Hanneke Steen (CDA) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enige school in Haagse Binckhorst stopt aan het einde van schooljaar»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat voorzieningen zoals basisscholen niet alleen een functionele rol vervullen, maar ook van essentieel belang zijn voor gemeenschapsvorming, sociale samenhang en de leefbaarheid van nieuwe wijken?
Ik deel dat voorzieningen een functionele en soms ook een essentiële rol vervullen voor gemeenschapsvorming, sociale samenhang en leefbaarheid van nieuwe wijken.
Hoe borgt u dat bij grootschalige woningbouwontwikkelingen, zoals in de Binckhorst, vanaf het begin wordt ingezet op de opbouw van hechte gemeenschappen, waarbij onderwijsvoorzieningen, verenigingen en zorg een centrale plaats innemen?
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk en aan zet voor het borgen en inplannen van voldoende voorzieningen in grootschalige woningbouwontwikkelingen. Het Rijk neemt vanuit haar regierol actief deel aan de ontwikkeling van nationaal grootschalige woningbouwlocaties. Conform het coalitieakkoord werk ik momenteel aan de uitwerking van een totaalaanpak waardoor meer geborgd wordt dat d.m.v. koppelkansen functies als wonen, werken, bereikbaarheid, groen en maatschappelijke voorzieningen samen worden ontwikkeld. Het is overigens niet zo dat deze voorzieningen allemaal vanaf dag één in de wijk zelf aanwezig moeten zijn. In de Taskforce Versnellen Woningbouw zie ik toe op het actief benutten van deze koppelkansen binnen grootschalige woningbouw-ontwikkelingen.
Deelt u de zorg dat het ontbreken of verdwijnen van een basisschool in een wijk in ontwikkeling het risico vergroot dat bewoners zich minder verbonden voelen met hun leefomgeving en met elkaar?
Die zorg deel ik. Scholen kunnen een belangrijke functie hebben voor de leefbaarheid van een wijk. Tegelijkertijd moet ook de afweging worden gemaakt waar kleine scholen hun rol het beste kunnen vervullen. Het huidige scholenlandschap is erg divers en fijnmazig. Dit is waardevol, maar het grote aantal (te kleine) scholen drukt sterk op de oplopende tekorten in het onderwijsveld. Uw Kamer is geïnformeerd over de stelselwijziging scholenlandschap.2 Mijn ministerie zet verder in op de uitwerking van een totaalaanpak in de Taskforce Versnellen Woningbouw die toeziet op het actief benutten van eerder genoemde koppelkansen zodat we bouwen aan sterke gemeenschappen met voldoende voorzieningen.
Hoe beoordeelt u in dat licht het feit dat de enige basisschool in de Binckhorst moet sluiten, terwijl het aantal inwoners in de komende jaren juist sterk zal toenemen?
Deze basisschool had in haar vierde jaar niet voldoende leerlingen om de tussentijdse toets te halen (62 leerlingen, terwijl 167 leerlingen nodig zijn). Het schoolbestuur had tegelijkertijd gecommuniceerd dat de school zou worden gesloten en bij DUO een beroep gedaan op een uitzonderingsgrond om bekostiging te blijven ontvangen. Het is uiteindelijk aan het schoolbestuur om te besluiten of een school wordt gesloten. Het schoolbestuur heeft ondertussen laten weten hun besluit terug te draaien. De basisschool op de Binckhorst hoeft dus niet te sluiten.
Kunt u in kaart brengen in hoeveel andere grootschalige gebiedsontwikkelingen de voorzieningen op soortgelijke wijze onder druk staan, terwijl wordt voorzien dat er binnen een paar jaar juist méér behoefte is aan dergelijke voorzieningen?
Het is bekend dat voorzieningen in grootschalige gebiedsontwikkelingen soms op soortgelijke wijze onder druk staan. Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit mijn aandacht.
Kunt u toelichten in hoeverre bij de planning van dergelijke gebiedsontwikkelingen rekening is gehouden met het belang van continuïteit van voorzieningen als dragers van gemeenschap en ontmoeting?
Binnen nationaal grootschalige gebiedsontwikkelingen wordt middels financieel instrumentarium (het gebiedsbudget) de ontwikkeling van openbare ruimte (denk aan parken en pleinen) nu al mogelijk gemaakt. Daarnaast ziet het Rijk vanuit haar regierol toe op de ontwikkeling van voldoende (maatschappelijke) voorzieningen in de breedte conform totaalaanpak.
Hoe kijkt u naar het spanningsveld tussen enerzijds de huidige bekostigingssystematiek, die sterk is gebaseerd op leerlingaantallen, en anderzijds de noodzaak om in nieuwe wijken voorzieningen in stand te houden juist in de aanloopfase, ten behoeve van gemeenschapsvorming?
Het klopt dat de ontwikkeling van een nieuwe wijk niet altijd lineair verloopt. Op de site van DUO staat dat schoolbesturen en gemeenten rekening moeten houden met vertraging in de oplevering en dat schoolbesturen hun stichtingsaanvraag dus goed moeten plannen.3 De start van een school kan met één jaar worden uitgesteld. Uit evaluatie blijkt dat gemeenten en schoolbesturen in sommige gevallen, zoals een nieuwe school in een nieuwbouwwijk, behoefte hebben aan meer flexibiliteit. De Minister van OCW verkend daarom of de mogelijkheid voor een tweede jaar uitstel gecreëerd kan worden.
Een nieuwe school wordt in het vierde jaar en in het achtste jaar getoetst op de groei van het aantal leerlingen. De groei van een school kan, om verschillende redenen, achterblijven. Een schoolbestuur kan de Minister van OCW verzoeken om de bekostiging niet te stoppen door een beroep te doen op een uitzonderingsgrond. Doormiddel van een uitzonderingsgrond kan bekostiging worden behouden.
Ziet u mogelijkheden om in groeigebieden meer ruimte te bieden voor maatwerk, bijvoorbeeld door het tijdelijk ondersteunen van voorzieningen die nog niet aan de norm voldoen, maar wel cruciaal zijn voor de sociale infrastructuur van een wijk?
Zoals in antwoord op vraag 8 staat beschreven verkent de Minister van OCW de mogelijkheid voor een extra jaar uitstel voor de start van een school, naast de huidige mogelijkheid van één jaar uitstel. Ook kan een schoolbestuur een beroep doen op een uitzonderingsgrond als een van hun scholen niet snel genoeg groeit. In uitzonderlijke gevallen kan de Minister van OCW de discretionaire bevoegdheid inzetten om de bekostiging voort te zetten.
In hoeverre wordt vanuit het Rijk in de huidige gebiedsontwikkelingen integraal gestuurd op het gelijktijdig realiseren van woningen én sociale infrastructuur, waaronder onderwijs, sport en ontmoeting?
Zie antwoord op vraag 3.
Acht u de huidige instrumenten toereikend om te waarborgen dat nieuwe woonwijken zich ontwikkelen tot leefbare gemeenschappen met voldoende voorzieningen vanaf de start?
Als onderdeel van de uitwerking van de totaalaanpak heeft dit mijn aandacht.
Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om dit beter te borgen?
In de uitwerking van de totaalaanpak onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden voor aanvullende maatregelen.
Het bericht ‘De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland’ |
|
Annabel Nanninga (JA21), Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel van Elsevier Weekblad «De lange arm van Marokko: actiegroep waarschuwt Kamer voor spionage en intimidatie in Nederland»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de in het artikel geschetste signalen en stellingen over buitenlandse inmenging, beïnvloeding en intimidatie in Nederland?
Het kabinet vindt alle vormen van ongewenste buitenlandse inmenging (OBI, of: statelijke inmenging) in Nederland volstrekt onacceptabel. Iedereen in Nederland moet in vrijheid kunnen leven en keuzes kunnen maken, zonder daarin door autoriteiten van andere landen te worden beperkt.
Welke instrumenten heeft het kabinet om buitenlandse inmenging tegen te gaan?
Het kabinet werkt Rijksbreed doorlopend aan het tegengaan van statelijke inmenging in Nederland binnen de landenneutrale aanpak OBI. Hierbinnen wordt Rijksbreed de dreiging tegen de nationale veiligheid in kaart gebracht. Landen die zich schuldig maken aan ongewenste buitenlandse inmenging worden daar consequent op aangesproken. Bij dreigende incidenten of verdenking van strafbare feiten wordt niet geschroomd om binnen eigenstandige taken en bevoegdheden op te treden via bestuurlijke dan wel strafrechtelijke maatregelen. Daarnaast wordt doorlopend gewerkt aan het verhogen van de weerbaarheid van diasporagemeenschappen. Dit gebeurt onder meer door transparant te zijn over de dreiging en zodoende de bewustwording te vergroten.
Wat doet het kabinet aan het beschermen van onze samenleving voor buitenlandse inmenging?
Zie graag het antwoord op vraag 3.
Ziet u een verhoogde dreiging door de onrust in het Midden Oosten?
Momenteel zijn bij het kabinet geen signalen bekend dat de dreiging van buitenlandse inmenging van Marokko zou zijn toegenomen door de onrust in het Midden-Oosten. Het kabinet monitort de ontwikkelingen in het Midden-Oosten, bijvoorbeeld via bilaterale en multilaterale contacten en het postennetwerk. Mocht dit conflict aanleiding geven tot het vaststellen van een verhoogde dreiging van ongewenste buitenlandse inmenging, dan zullen de onder het antwoord op vraag 3 genoemde stappen worden ondernomen om de dreiging tegen te gaan.
Welke acties onderneemt het kabinet nu de Wet transparantie maatschappelijke organisaties (Wtmo) niet door de Eerste Kamer is aangenomen?
Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dienen instrumenten zich op specifieke vormen van financiering te richten. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland, die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan notes verbales over financieringsstromen, die zij ontvangen van Golfstaten, doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Daarnaast blijft in de aanpak van ongewenste buitenlandse financiering Europese samenwerking essentieel om dit probleem aan te pakken. Binnen het Radicalisation Awareness Netwerk (RAN) en diens opvolger: de Knowledge Hub van de EU, wordt gewerkt aan bewustwording over het onderwerp binnen de lidstaten onder andere in de vorm van het delen van best practices en het komen tot mogelijke maatregelen. Er zal nader worden bezien of een aanvullend instrument passend is.
Welke instrumenten, wetgevende maatregelen en samenwerkingsvormen gebruiken andere landen (met name Duitsland) om buitenlandse inmenging te voorkomen, en hoe kunnen deze voorbeelden Nederland helpen zijn eigen weerbaarheid te versterken?
Om de weerbaarheid van gemeenschappen tegen ongewenste buitenlandse inmenging te vergroten hebben enkele landen centrale punten opgericht waar signalen van OBI kunnen worden gemeld, waaronder Duitsland.
Gelijkgezinde landen spreken andere landen op vergelijkbare wijze aan op OBI als de Nederlandse overheid. De wijze waarop vergt altijd een per casus bekeken benadering. Dat kan voor, of achter de schermen plaatsvinden. Deze gesprekken zijn altijd onderdeel van een bredere afweging.
Nederland onderhoudt contact met gelijkgezinde landen om ervaringen in de aanpak van OBI te delen en mee te nemen in de praktijk. In vergelijking met gelijkgezinde landen is Nederland een van de koplopers in het hanteren van een gecoördineerde whole-of-governmentbenadering van het fenomeen ongewenste buitenlandse inmenging, door de Rijksbrede aanpak OBI zoals beschreven in het antwoord op vraag 3.
Wat is de stand van zaken van het toegezegde meldpunt waar slachtoffers anoniem terecht kunnen, gelet op het feit dat de Kamer reeds in oktober 2023 heeft verzocht om de inrichting van een dergelijk meldpunt? Waarom laat dit zo lang op zich wachten?
Zoals beschreven in de kamerbrief2 over de stand van zaken rondom het centraal meldpunt OBI is het kabinet gestart met de inrichting van een centraal OBI-meldpunt buiten de rijksoverheid. Onder coördinatie van de NCTV is het afgelopen jaar een projectstructuur op touw gezet voor het realiseren van dit meldpunt. Deze projectstructuur bevindt zich momenteel in een afrondende fase.
Uw Kamer wordt conform het verzoek van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van 16 april 2026 zo spoedig mogelijk integraal geïnformeerd over de stand van zaken OBI inclusief de voortgang van het centraal OBI-meldpunt.
Wat is het handelingskader van de overheid als er dreigingen zijn? Hoe vaak is het strafrecht ingezet in de afgelopen vijf jaar? Wat is een alternatieve route via bestuursrecht?
De bij de OBI-aanpak betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties kunnen passende maatregelen treffen of voor opvolging zorgen in het kader van hun eigenstandige taken en bevoegdheden. Deze maatregelen kunnen zien op diplomatieke actie, bestuurlijke maatregelen, dan wel verhoging van de weerbaarheid van personen die te maken hebben met OBI.
Daar waar sprake is van een verdenking van strafbare feiten, kunnen OM en politie strafrechtelijk onderzoek doen, mede op basis van de uitgebreide strafbaarstelling spionage. De Minister van Justitie en Veiligheid doet geen uitspraken over individuele strafzaken, dat is aan het OM. Er vindt geen aparte registratie plaats ten aanzien van de vraag of een strafrechtelijk onderzoek verband houdt met een mogelijk motief vanuit de context van statelijke inmenging of diasporaproblematiek.
In algemene zin kunnen onder voorwaarden maatregelen uit het bestuursrecht van toepassing zijn in het optreden tegen dit type dreiging, al vindt hiervan ook geen aparte registratie plaats.
Wat doet het kabinet aan de uitspraak van de Kamer om het Moslimbroederschap te verbieden?
Op 17 maart jl. heeft uw Kamer de motie van de leden Boon en Wilders (beiden PVV) aangenomen die de regering verzoekt om de Moslimbroederschap en daaraan gelieerde organisaties in Nederland te verbieden.3 Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
De toezegging inzake de tenuitvoerlegging van vonnissen over in Nederland veroordeelde Pakistanen |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw gedane toezegging tijdens het debat over de regeringsverklaring van 25 februari 2026, dat u de Kamer zou informeren over of én welke stappen Nederland heeft gezet om de gerechtelijke vonnissen, waaronder die zijn opgenomen onder ECLI:NL:RBDHA:2023:13579, ECLI:NL:RBDHA:2024:14348 en ECLI:NL:RBDHA:2024:14347, waarin een aantal Pakistanen zijn veroordeeld voor ernstige misdrijven gericht tegen ondergetekende waaronder het uitvaardigen van fatwa’s door imams om mij te vermoorden, ten uitvoer te leggen én of de desbetreffende veroordeelden aan Nederland uitgeleverd te krijgen?
Wij kunnen bevestigen dat de Minister-President bij het debat over de regeringsverklaring op 25 februari jl. heeft toegezegd zich ertoe te zullen inspannen om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen.
Kunt u de Kamer op korte termijn op de hoogte stellen van alle concrete stappen de regering sinds voornoemde vonnissen heeft genomen om de onherroepelijk veroordeelde Pakistanen hun straf te laten uitzitten respectievelijk aan Nederland te laten uitleveren? Welke stappen heeft de regering inmiddels genomen om de veroordelingen effectief ten uitvoer te leggen? Welke stappen bent u nog voornemens te nemen?
Nederland heeft Pakistan eind 2024 formeel verzocht om de uitlevering van diverse in Nederland veroordeelde personen. Het is aan Pakistan om op de uitleveringsverzoeken te reageren. We kunnen uw Kamer verzekeren dat Nederland de uitleveringsverzoeken met grote regelmaat op alle geëigende niveaus nadrukkelijk onder de aandacht brengt bij de Pakistaanse autoriteiten.
Over welke inspanningen precies zijn gepleegd, doen wij gezien de vertrouwelijke aard van het diplomatieke verkeer met buitenlandse autoriteiten, geen verdere uitspraken. Dit kan de internationale strafrechtelijke samenwerking met andere landen en het land in kwestie, zowel in het algemeen als met betrekking tot deze specifieke zaken, belemmeren.
Bij brief van 2 september 2024 is geschetst welke inspanningen worden geleverd in geval van rechtshulp- en uitleveringsverzoeken.1 Daarnaast wordt ingegaan op de diplomatieke inzet van het kabinet indien landen niet meewerken aan de opsporing, vervolging of berechting van personen die verdacht worden van, of veroordeeld zijn voor, het bedreigen van politieke ambtsdragers.
Nederland zal niet schuwen om te blijven aandringen op uitvoering. Het belang dat Nederland aan deze verzoeken hecht wordt duidelijk overgebracht en er kan aan de zijde van Pakistan geen misverstand bestaan over de noodzaak van een adequate opvolging van de Nederlandse verzoeken.
Deelt u nog steeds de mening dat het onaanvaardbaar is als personen, waaronder imams, die zijn veroordeeld door een Nederlandse rechtbank vanwege het uitbrengen van een of meerdere fatwa’s waarin moslims wordt opgeroepen mij te vermoorden, hun straf niet hoeven uit te zitten omdat de Pakistaanse autoriteiten niet meewerken?
We zijn ons ervan bewust dat het lid Wilders al jarenlang wordt geconfronteerd met ernstige bedreigingen. Het kabinet keurt fatwa’s en bedreigingen nadrukkelijk af. Bedreigingen tegen politieke ambtsdragers door of vanuit andere landen die niet meewerken aan opsporing, vervolging of berechting hiervan, worden niet geaccepteerd en hierop wordt geacteerd. Dit uitgangspunt staat buiten kijf.
Het kabinet spant zich maximaal in om de Pakistaanse autoriteiten te laten meewerken aan de verzoeken met betrekking tot de in Nederland veroordeelde personen. Nederland brengt de verzoeken op alle geëigende niveaus veelvuldig en nadrukkelijk onder de aandacht van de Pakistaanse autoriteiten.
Welke politieke en diplomatieke stappen bent u bereid te nemen tegen Pakistan als dat land blijft weigeren mee te werken aan het effectueren van het vonnis van de Nederlandse rechtbank? Bent u bereid sancties te overwegen? Zo ja welke, zo neen waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Bent u bekend met het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking»?1
Vindt u het acceptabel dat genitale verminking van meisjes en vrouwen in Nederland de laatste vijf jaar niet gedaald is maar juist gestegen en beseft u zich dat deze barbaarse islamitische praktijken het rechtstreekse gevolg is van de ongecontroleerde massa immigratie?
Hoeveel gevallen van genitale verminkingen van meisjes en vrouwen vonden er in de laatste vijf jaar binnen Nederland plaats en hoeveel in het buitenland?
Vindt u het acceptabel dat hulpverleners en dokters terughoudend zijn om het gesprek aan te gaan uit «angst om culturele grenzen te overschrijden»? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Hoeveel meldingen zijn er de laatste vijf jaar gedaan door hulpverleners en dokters vanwege vermoeden van genitale verminking van meisjes en vrouwen en is hier ook sprake van terughoudendheid? Deelt u de mening dat artsen en schooldokters een meldplicht zouden moeten hebben?
Bent u bereid met extra wetgeving en/of beschermingsmaatregelen te komen ter bestrijding van genitale verminking van vrouwen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat ouders die hun dochter laten besnijden strafrechtelijk vervolgd moeten worden en dat, indien zij een verblijfsvergunning hebben, deze onmiddellijk moet worden ingetrokken?
Deelt u de mening dat imams en andere personen die genitale verminking van meisjes en vrouwen aanbevelen, daar rechtstreeks toe aanzetten of dit anderszins faciliteren strafrechtelijk vervolgd moeten worden en indien zij een verblijfsvergunning of een dubbele nationaliteit hebben na hun straf het land uitgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Wanneer gaat u stoppen met het importeren van deze barbaarse islamitische praktijken en kondigt u een asielstop af?
De VN-resolutie inzake de trans-Atlantische slavenhandel. |
|
Ralf Dekker (FVD), Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de VN-resolutie die de trans-Atlantische slavenhandel bestempelt als «de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid» ooit?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende resolutie.
Kunt u toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming in plaats van tegen te stemmen?
Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming. Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft, namelijk de erkenning van de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning, herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Deelt u de opvatting dat het creëren van een hiërarchie van historische wreedheden onwenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegengestemd?
Alle misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder de Holocaust en (hedendaagse) slavernij, zijn van uitzonderlijke ernst en verdienen blijvende erkenning en herdenking. Het kabinet ondersteunt het aanbrengen van een hiërarchie tussen dergelijke misdrijven niet en heeft dit standpunt ook kenbaar gemaakt in het kader van de resolutie.
Deelt u de mening dat talloze andere gruweldaden door deze resolutie impliciet worden gebagatelliseerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegen gestemd?
Het kabinet acht het onwenselijk om verschillende misdrijven tegen de menselijkheid in een rangorde te plaatsen. Daarmee is niet gezegd dat deze resolutie beoogt andere historische gruweldaden te bagatelliseren, maar wel dat het kabinet de gekozen formulering juridisch en principieel onjuist acht en zich daarom kritisch heeft opgesteld. Het kabinet heeft desondanks niet tegen de resolutie gestemd, omdat de tekst ook onderdelen bevat die het kabinet onderschrijft.
Hoe gaat u garanderen dat deze resolutie op geen enkele wijze zal leiden tot financiële verplichtingen voor Nederland?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen voor Nederland tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen. Het kabinet heeft zich bovendien expliciet uitgesproken tegen passages die zouden kunnen suggereren dat sprake is van een juridische verplichting tot het bieden van rechtsherstel, inclusief herstelbetalingen.
Erkent u dat het internationaal recht ten tijde van de slavenhandel slavernij niet verbood, en dat terugwerkende toepassing van hedendaagse normen juridisch onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft bezwaar tegen verwijzingen in de resolutie die neerkomen op retroactieve toepassing van internationaal recht. Nederland kan niet instemmen met de suggestie dat historische slavernij en slavenhandel destijds al een schending van een internationaalrechtelijke verplichting zou hebben opgeleverd zoals die nu in de resolutie wordt voorgesteld. Juist dat punt vormde een van de kernbezwaren tegen de tekst en reden om te onthouden van stemming. Dat laat onverlet dat het kabinet de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden erkent.
Deelt u het standpunt dat er geen recht op herstelbetalingen bestaat voor handelingen die destijds niet illegaal waren onder het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt het standpunt dat het internationaal recht niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast en dat geen juridische verplichtingen voortvloeien uit handelingen die destijds niet in strijd waren met internationaal recht.
Tegen die achtergrond heeft het kabinet bezwaar gemaakt tegen onderdelen van de resolutie die uitgaan van een retroactieve toepassing van internationaal recht en de suggestie wekken dat er een juridische verplichting tot het bieden van rechtsherstel, inclusief herstelbetalingen zou bestaan.
Hoe beoordeelt u de oproep in de resolutie om in gesprek te gaan over herstelbetalingen aan nazaten van slaven?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichting tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen. Na het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning is er langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, onder meer door in gesprek te gaan met betrokken gemeenschappen van nazaten van tot slaafgemaakten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland onder druk van deze resolutie in de toekomst zal overgaan tot herstelbetalingen, in welke vorm dan ook?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen voor Nederland. Het kabinet baseert zijn handelen op politieke en juridische afwegingen.
Bent u bereid de eerder gemaakte excuses voor het slavernijverleden te heroverwegen, nu blijkt dat deze worden gebruikt als hefboom voor financiële claims? Zo nee, waarom niet?
Nee. De excuses voor het slavernijverleden zijn weloverwogen aangeboden en blijven van betekenis als erkenning van het historische onrecht en de doorwerking daarvan.
Deelt u de mening dat het aanbieden van excuses door premier Rutte in 2022 en Koning Willem-Alexander in 2023 een strategische fout is gebleken, aangezien dit de deur heeft geopend voor verdergaande eisen?
Nee. De excuses waren een bewuste keuze in het kader van erkenning van het historische onrecht en de doorwerking daarvan. En het kabinet blijft zich inzetten voor erkenning, herdenken en bewustwording over de doorwerking van het slavernijverleden. Tegelijkertijd zijn die excuses geen juridische grondslag voor een verplichting tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen.
Bent u van mening dat de moderne Nederlander schuld draagt voor handelingen die eeuwen geleden plaatsvonden?
Nee. Het kabinet spreekt niet in termen van individuele schuld van huidige generaties. De excuses zien op de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat voor zijn historische rol en de doorwerking daarvan.
Bent u bekend met het historische fenomeen van blanke slavernij in Arabische en Noord-Afrikaanse landen, waaronder de zogenaamde Barbarijse slavenhandel waarbij naar schatting meer dan een miljoen Europeanen werden geroofd en tot slaaf gemaakt, en deelt u de mening dat het eenzijdig aanwijzen van Europese landen als daders van slavernij een onvolledig en misleidend beeld schetst van de geschiedenis?
Het kabinet is bekend met het feit dat slavernij in verschillende tijden en regio’s heeft bestaan. Dat laat onverlet dat Nederland verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen rol in het trans-Atlantische slavernijverleden en de doorwerking daarvan.
Acht u het rechtvaardig dat huidige generaties Nederlandse belastingbetalers financieel aansprakelijk worden gesteld voor historische gebeurtenissen waaraan zij geen deel hadden?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen voor Nederland ook niet tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen.
Waarom richt deze resolutie zich uitsluitend op de trans-Atlantische slavenhandel en niet op de Arabische slavenhandel, die langer duurde en naar schatting evenveel of meer slachtoffers maakte?
De resolutie richt zich specifiek op de trans-Atlantische slavenhandel en de historische en hedendaagse gevolgen daarvan. Het staat een indiener van een resolutie in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, in dit geval Ghana, vrij zelf een thematische focus te kiezen. Nederland onderschrijft dat alle vormen van slavernij en slavenhandel, waar ook, ernstige misdrijven en grove schendingen van de menselijke waardigheid zijn.
Heeft Nederland bij de beraadslagingen in de Algemene Vergadering aandacht gevraagd voor slavernij die tot op de dag van vandaag voortbestaat in delen van Afrika en het Midden-Oosten?
In de beraadslagingen in de Algemene Vergadering heeft Nederland zich gericht op de inhoud van de voorliggende resolutie en de daarbij relevante juridische en beleidsmatige aspecten.
Deelt u de mening dat het hypocriet is dat landen waar moderne slavernij nog steeds voorkomt, mede-indieners zijn van een resolutie over historische slavernij, vooral gezien in die tijd deze landen actief hun eigen medemensen verkochten aan mensen van over de hele wereld?
Het kabinet herkent zich niet in deze kwalificatie. Het tegengaan van hedendaagse vormen van slavernij en mensenhandel is een mondiale opgave die alle landen aangaat, ongeacht hun historische rol. Nederland zet zich hier actief voor in, zowel bilateraal als in internationaal verband, waaronder binnen de VN.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat ook het slavernijverleden en de doorwerking daarvan worden erkend en besproken. Dat landen zich inzetten voor aandacht voor historische slavernij staat niet op gespannen voet met de noodzaak om hedendaagse vormen van slavernij krachtig te bestrijden. Beide sporen zijn complementair en vereisen blijvende inzet.
Hoe verhoudt deze resolutie zich tot het feit dat Nederland als een van de eerste landen slavernij heeft afgeschaft?
Het kabinet onderschrijft die feitelijke veronderstelling niet. Nederland schafte slavernij in de voormalige koloniën af in 1863; in Suriname gold tot 1873 een periode van staatstoezicht. Hoewel slaven officieel vrij waren, moesten zij in Suriname nog tien jaar lang verplicht onder staatstoezicht op de plantages werken.
Nederland is in Europa het eerste land dat formeel excuses aanbood voor het slavernijverleden, en heeft die excuses bovendien verbonden aan een meerjarig beleidsprogramma voor erkenning, herdenken, bewustwording en de aanpak van de doorwerking in het heden.
Acht u het gepast om ontwikkelingshulp te blijven verstrekken aan landen die tegelijkertijd herstelbetalingen van Nederland eisen?
Het kabinet beziet ontwikkelingssamenwerking en discussies over het slavernijverleden als twee afzonderlijke trajecten met elk een eigen doel en afwegingskader. Ontwikkelingssamenwerking is gericht op het bevorderen van stabiliteit, armoedebestrijding, mensenrechten en duurzame ontwikkeling, en gebeurt op basis van beleidsmatige en internationale afspraken.
Kunt u bevestigen dat slavernij een wereldwijd fenomeen was dat in vrijwel alle beschavingen heeft bestaan, en dat het selectief aanwijzen van West-Europese landen een vertekend historisch beeld geeft?
Het kabinet kan bevestigen dat slavernij historisch een wereldwijd fenomeen is geweest. Dat neemt niet weg dat Nederland een eigen verantwoordelijkheid heeft voor zijn rol in de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij en voor de doorwerking daarvan.
Deelt u de mening dat het Nederlandse volk niet gebaat is bij een voortdurende schuldcultuur over historische gebeurtenissen?
Het kabinet herkent zich niet in de term «schuldcultuur». Het beleid is gericht op erkenning van historisch onrecht, kennis en bewustwording, dialoog en het tegengaan van racisme en discriminatie.
Het bericht 'Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek»?1
Ja.
Wat is volgens u de verklaring voor deze ernstige ontsnappingsincidenten in korte tijd?
De twee genoemde incidenten waarbij gedetineerden zich tijdens het vervoer door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) naar een ziekenhuis aan het toezicht hebben onttrokken, zijn twee op zichzelf staande incidenten. Beide incidenten worden door DJI op dit moment nader onderzocht.
Klopt het dat sinds de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) uitspraak van 7 januari 2022 ongeboeid vervoer bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) het uitgangspunt is?2
Naar aanleiding van meerdere uitspraken waaronder de genoemde uitspraak van de Raad voor Sanctietoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), wordt een justitiabele tijdens het vervoer in beginsel niet geboeid. Indien de DV&O op basis van een risicoanalyse voorafgaand aan het vervoer de inschatting maakt dat geboeid vervoer noodzakelijk is wordt tot boeien overgaan. Ook kan dit tijdens het vervoer worden besloten als de justitiabele zich dusdanig gedraagt dat de inzet van handboeien of andere geweldsmiddelen noodzakelijk wordt geacht. Voor de risicoanalyse die voorafgaand aan het vervoer plaatsvindt, wordt gebruik gemaakt van informatie van de locatie waar de justitiabelen zich bevindt, van ketenpartners en van informatie die bekend is bij de DV&O, bijvoorbeeld naar aanleiding van een eerder vervoer.
DJI beziet momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien tijdens het vervoer aangepast dient te worden van een nee tenzij noodzakelijk, naar een ja tenzij niet noodzakelijk. Voor de zomer van 2026 zal duidelijk zijn of het uitgangspunt aangepast dient te worden. Indien dat het geval is zal de geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen hierop aangepast worden en voorgelegd worden aan de RSJ voor advies.
Waarom is er in november 2025 voor gekozen om niet langer het hoofd van DV&O, maar de directeur van een inrichting verantwoordelijk te laten zijn voor het toezicht tijdens vervoer en tijdens medisch bezoek?
Met het aanpassen van de Regeling vervoer Justitiabelen in november 20253 heeft er in de praktijk geen wijziging in de bevoegdheden van de directeur van de inrichting of de directeur DV&O plaats gevonden. Wel zijn deze bevoegdheden in de betreffende regeling verduidelijkt. In de wetssystematiek kennen we alleen het handelen namens de directeur van de inrichting en namens de Minister (voor enkele specifieke taken). In de Penitentiaire beginselenwet is opgenomen dat de directeur van de inrichting zorgdraagt voor de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis of andere instelling voor een medische behandeling.4 Dit impliceert dat de directeur van de inrichting verantwoordelijk is voor de beslissing over aanwezigheid van beveiligers bij het bezoek. Op grond van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen is de directeur DV&O namens de directeur van de inrichting bevoegd. Daarmee is de directeur DV&O verantwoordelijk voor de belangenafweging en beslissing of beveiligers al dan niet in de behandel- of spreekkamer aanwezig zijn tijdens de behandeling van een justitiabele door een arts buiten de inrichting.
Hoeveel onttrekkingen en pogingen daartoe zijn er geweest per maand tijdens vervoer in 2024, 2025 en 2026 met daarbij een onderscheid tussen (pogingen tot) onttrekkingen tijdens geboeid en ongeboeid vervoer?
In 2024 zijn er 5 (pogingen tot) onttrekking geweest. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2025 zijn er 7 (pogingen tot) onttrekking geweest. 4 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2026 zijn er 3 (pogingen tot) onttrekking geweest tot en met 15 april 2026. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
Bij alle pogingen tot onttrekkingen was er sprake van ongeboeid vervoer.
Waarom wordt, gelet op het bepaalde in artikel 10 Geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen, niet als uitgangspunt genomen dat gedetineerden geboeid vervoerd worden?
Zoals bij vraag 3 is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt aangepast dient te worden.
Bent u bereid om per omgaande te realiseren dat geboeid vervoer wederom het uitgangspunt wordt? Zo nee, waarom bent u dan niet bereid om risico’s voor de samenleving en de medewerkers van DV&O te beperken?
Zoals bij de beantwoording van vraag zes is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien aangepast dient te worden. Vooruitlopend hierop zal het uitgangspunt niet worden aangepast. Reden hiervoor is dat hiervoor regelgeving aangepast dient te worden. Daarnaast heeft het aanpassen van het uitgangspunt naast de impact die dit heeft op de justitiabelen, ook impact op de medewerkers en dient daarom voorgelegd dient te worden aan de Ondernemingsraad.
Wel wordt vooruitlopend op de aanpassing van het uitgangspunt bekeken of en hoe de bestaande juridische ruimte benut kan worden zodat eerder tot het gebruik van handboeien kan worden overgegaan. De uitkomsten van de in vraag 2 genoemde onderzoeken worden hierin meegenomen.
Wat vindt u ervan dat gedetineerden sinds november 2025 zonder enige vorm van toezicht contact kunnen hebben tijdens een medisch bezoek?
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat de bepaling waarin stond dat een medisch onderzoek altijd in het bijzijn van de transportbegeleider plaatsvindt zich niet verhoudt tot het beginsel van de geheimhoudingsplicht van de arts dat in diverse (internationale) regelgeving is vastgelegd. Deze uitspraken hebben tot wijziging van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen geleid. Volgens de beroepscommissie dient het uitgangspunt bij een bezoek van een justitiabele aan een arts te zijn dat er geen toezichthoudend personeel aanwezig is in de behandel- of spreekkamer. Op dit uitgangspunt wordt slechts een uitzondering gemaakt indien de aanwezigheid van personeel in de behandel- of spreekkamer uit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. De aanwezigheid van toezichthoudend personeel wordt bepaald op basis van een zelfstandige belangenafweging tussen enerzijds het individuele belang van de justitiabele bij raadpleging van/behandeling door een arts zonder dat daarbij toezichthoudend personeel aanwezig is en anderzijds het algemene belang van handhaving van de orde en veiligheid dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. In het kader van deze belangenafweging maakt DV&O vooraf een risicoprofiel van de justitiabele ten behoeve van de veiligheid.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat voortgezet crimineel handelen tijdens medische bezoeken niet kan plaatsvinden?
Zoals bij de beantwoording van vraag acht is aangegeven, kan toezichthoudend personeel aanwezig zijn in de behandel- of spreekkamer indien dit vanuit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. Het risico op voortgezet crimineel handelen vanuit de justitiabelen, maakt onderdeel uit van het risicoprofiel dat wordt opgemaakt ten behoeve van de belangenafweging.
Wanneer wordt eindelijk het wetsvoorstel strafbaarstelling zelfbevrijding en onttrekking aan elektronisch toezicht naar de Raad van State gestuurd?
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat strekt tot het strafbaar stellen van zelfbevrijding uit een penitentiaire inrichting, tbs-kliniek en justitiële jeugdinrichting. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een strafbaarstelling van het onttrekken aan elektronisch toezicht (de enkelband) in het Wetboek van Strafrecht. Op 19 september van 2025 is het wetsvoorstel in consultatie gegeven. De consultatieadviezen en uitvoeringstoetsen worden momenteel verwerkt. Na deze verwerking kan de volgende stap in het wetgevingsproces worden gezet, dat wil zeggen het vragen van advies aan Raad van State voor advies. Ik verwacht uw Kamer hier voor de zomer van 2026 over te informeren.
Het artikel ‘Zorggeld verdwijnt naar aandeelhouders: 311 miljoen uitgekeerd’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovengenoemd artikel?1
Ja, ik ben bekend met bovengenoemd artikel.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er 311 miljoen euro aan zorggeld is uitgekeerd aan aandeelhouders en niet opnieuw geïnvesteerd in de zorg of beschikbaar gehouden voor tegenvallers?
Financiële belangen mogen nooit ten koste gaan van kwalitatief goede, betaalbare en toegankelijke zorg voor de patiënt. Ik vind excessieve winstuitkeringen onwenselijk en zorggeld hoort primair ten goede te komen aan de zorg zelf. Maar we hebben investeringen in de zorg ook nodig, bijvoorbeeld om innovaties te kunnen financieren. Een investeerder loopt risico met het investeren van zijn geld, het is niet gek dat daar een beloning tegenover staat in de vorm van dividenduitkering. Net als een bank die rente vraagt voor een lening die wordt aangegaan.
Echter, een winstuitkering dient wel verantwoord te zijn. Het is belangrijk dat er een financiële buffer is bij zorgaanbieders om tegenvallers op te vangen en reserves op peil te houden. Zoals eerder aan de Kamer is medegedeeld, kijkt het kabinet met de aanscherping van de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieder (Wibz) ook naar extra maatregelen die zien op winstuitkeringen. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer hierover te informeren.
Hoe oordeelt u over de stelling dat bij 47 procent van de zorgaanbieders die winst uitkeerden, de financiële reserve minder dan 15 procent was, terwijl dat als ondergrens wordt gehanteerd in de financiële sector?
Ik vind het onwenselijk dat bijna de helft van de zorgaanbieders die winst heeft uitgekeerd niet voldoende weerstandsvermogen heeft om financiële tegenvallers op te vangen. Er kunnen zich daardoor grote risico’s voordoen voor de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg, als aan het maximaliseren van uitkeerbare winst een groter belang wordt gehecht dan aan de maatschappelijke belangen van zorg. Dit kan de financiële stabiliteit en continuïteit van zorg in gevaar brengen. Daarom wordt er met de Wibz voorwaarden gesteld aan winstuitkeringen, waarvan een weerstandsvermogen van minimaal 15% er één is. Hiernaast ben ik bezig met het aanscherpen van de Wibz, waarbij ik ook kijk naar extra maatregelen rondom winstuitkering. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer hierover te informeren.
Hoe oordeelt u over het bericht dat door een maas in de wet veelal zelfstandige klinieken winstuitkeringen kunnen doen terwijl dat eigenlijk niet de bedoeling is van de wetgeving?
Ik kan op basis van de informatiekaart dividenduitkeringen van de NZa niet vaststellen of het dividend in de medisch specialistische zorg afkomstig is van zelfstandige klinieken2. In algemene zin kan ik wel zeggen dat op basis van het huidige winstuitkeringsverbod medisch specialistische zorg geen winst mag uitkeren. Dit geldt echter niet voor onderaannemers. Dit neemt niet weg dat ik wil dat elke zorgeuro goed terecht komt en de toegankelijkheid, kwaliteit en het belang van de patiënt altijd voorop staat. Met de Wibz wil ik voorkomen dat winst mag worden uitgekeerd als dit de continuïteit van de zorgaanbieder in gevaar brengt, of wanneer dit ten koste gaat van de kwaliteit van zorg. Daarom worden er voorwaarden gesteld aan winstuitkering die betrekking hebben op financiële ratio’s en het voldoen aan kwaliteitsstandaarden. Deze voorwaarden gelden voor zowel hoofd- als onderaannemers.
Bent u bereid deze maas in de wet te dichten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 4, kan ik op basis van de informatiekaart dividenduitkeringen van de NZa niet vaststellen of het dividend in de medisch specialistische zorg afkomstig is van zelfstandige klinieken3. Met de Wibz worden voorwaarden gesteld aan het doen van een winstuitkering. Deze voorwaarden hebben betrekking op zowel financiële ratio’s, als het voldoen aan kwaliteitseisen. Bovendien zullen deze voorwaarden aan winstuitkering gelden voor zowel hoofd- als onderaannemers, waardoor ook onderaannemers aan voorwaarden moeten voldoen alvorens winst kan worden uitgekeerd.
Momenteel ben ik mij aan het herbezinnen op aanscherpingen van de Wibz. Hierbij kijk ik ook naar extra maatregelen die zien op de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod, zodat deze op een coherente en consistente manier wordt vormgegeven. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer over de uitkomst hiervan te informeren.
Hoe oordeelt u over het bericht dat de directeur Toezicht van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) stelt dat het «belangrijk is dat er duidelijke regels komen voor winstuitkering in de zorg, zodat er helderheid voor de sector ontstaat over wat nu verantwoord is»?
Ik ben het met de NZa eens dat het belangrijk is dat er duidelijke regels voor winstuitkeringen in de zorg nodig zijn. Financiële belangen mogen namelijk nooit ten koste gaan van goede en toegankelijke zorg en mogen de continuïteit van zorg niet in gevaar brengen. Bovendien helpen duidelijke regels de toezichthouder ook in haar toezicht en eventuele handhaving. Met de Wibz ben ik voornemens deze helderheid over verantwoord ondernemerschap te creëren door voorwaarden te stellen aan winstuitkeringen. Deze voorwaarden voor winstuitkering zullen voor zowel hoofd- als onderaannemers gelden. De NZa krijgt de mogelijkheid te handhaven bij het schenden van deze voorwaarden.
Is het correct dat er gewerkt wordt aan aanscherping van de Wet integere bedrijfsvoering zorg om winstuitkering in de zorg tegen te gaan? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze wetgeving verwachten?
Ik werk momenteel aan een aangescherpte versie van de Wibz. Zoals vermeld in de Kamerbrief van december 20254, neem ik de voorwaarden voor het doen van winstuitkeringen hierin mee. Ook is de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod onderdeel van de aanscherping. Ik verwacht uw Kamer voor de zomer hierover te informeren.
Is de genoemde winst van 7,3 miljard euro en de dividenduitkering van 0,311 miljard euro de totaaltelling van winsten en dividenden binnen het kader Zorg in 2024 of vallen er ook delen of niches buiten de scope van deze cijfers? Denk bijvoorbeeld aan de winst en het dividend van maatschappen van specialisten of van private equity investeringen in specifieke delen van de zorgsector. Zijn de gegeven cijfers volledig en/of uitputtend ten aanzien van winst en dividend in de zorgsector of niet?
De winst van 7,3 miljard euro en de dividenduitkeringen van 0,311 miljard euro betreft de totaaltelling van de winsten (in het geval van rechtspersonen betreft dit het resultaat na belasting; in geval van eenmanszaken en personenvennootschappen is dit de winst voor belasting – de eigenaar/eigenaren moet(en) in dit geval nog inkomstenbelasting betalen over de winst uit onderneming) en dividenduitkeringen van de ruim 18.000 zorgaanbieders die een jaarverantwoording hebben ingediend.
Deze cijfers zijn niet volledig, omdat niet alle zorgaanbieders een jaarverantwoording hebben ingediend. Van alle zorgaanbieders die zijn aangeschreven om een jaarverantwoording in te dienen, heeft ruim een kwart dit niet gedaan. De NZa hanteert een risicogestuurd handhavingsbeleid ten aanzien van het niet tijdig, juist of volledig indienen van de jaarverantwoording. Het bedrag van 0,311 miljard euro dividenduitkering is ook niet volledig, omdat uitkeringen door micro rechtspersonen hierin niet zijn meegenomen. Door de beperkte jaarverantwoording van micro zorgaanbieders is niet vast te stellen of zij dividend hebben uitgekeerd.
Kunt u iets zeggen over de samenstelling en de kenmerken van de groep zorgaanbieders die wel dividend uitkeren, versus de aanbieders die dat niet of nauwelijks doen? Zijn de aanbieders die dividend uitkeren bijvoorbeeld relatief groot of juist relatief klein? Worden de dividenden vooral getrokken wanneer private equity in het spel is of juist niet? Graag een zo uitgebreid mogelijke toelichting op de kenmerken van de aanbieders die wel of geen dividend uitkeren.
Samenstelling en kenmerken van de groep zorgaanbieders die dividend heeft uitgekeerd vallen buiten de scope van hetgeen is gepubliceerd in de informatiekaart. De NZa is voornemens om een nadere analyse uit te voeren op de cijfers van deze groep die dividend heeft uitgekeerd.
Welk deel van de niet uitgekeerde winst van zorgaanbieders wordt gemaakt door instellingen met een «weerstandvermogen» beneden de 15% en welk deel van de niet uitgekeerde winst van zorgaanbieders wordt gemaakt door instellingen met een «weerstandvermogen» boven de 15%?
Voor de ruim 7,3 miljard euro verantwoorde winst geldt dat in 59% van de gevallen de zorgaanbieder een weerstandsvermogen heeft van meer dan 15%. In 41% van de gevallen is het weerstandvermogen dus beneden de 15%.
De aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Heera Dijk (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid ooit?1
Het kabinet onderstreept het belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakt en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend met de excuses die in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning zijn aangeboden. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Tegelijkertijd heeft het kabinet zich kritisch opgesteld ten aanzien van onderdelen van de resolutie, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Kunt u, overwegende dat de Nederlandse staat in 2022 excuses heeft gemaakt voor het slavernijverleden, toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming?
Ja. Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die dagelijks last hebben van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden en geschrokken zijn van de stemonthouding?
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
Op welke manieren werkt u momenteel al aan bewustwording over en herstel van (de doorwerking van) het Nederlandse koloniale- en slavernijverleden?
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft al uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft via bestaand beleid. Dat ziet onder meer op erkenning, herdenken en het creëren van een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Bijvoorbeeld door het versterken van maatschappelijke initiatieven, aanpassingen in het onderwijs, meer onderzoek, dialoog met betrokken gemeenschappen en de aanpak van racisme en discriminatie.
Daarmee wordt niet vanaf nul begonnen, maar voortgebouwd op een programma dat al in uitvoering is en de komende periode verder wordt verdiept. Met oog voor de historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om actief te werken aan maatschappelijke bewustwording over het koloniale- en het slavernijverleden en de blijvende impact daarvan, en hoe gaat u in ieder geval de zes Caribische eilanden daarbij betrekken?
Ja.
De zes Caribische eilanden zijn daarbij vanaf het begin betrokken.
In samenwerking met Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Maarten en Sint Eustatius is gewerkt aan eilandelijke actieagenda’s, waarin toezeggingen van 19 december 2022 zijn vertaald in concrete projectplannen. Deze zijn inmiddels aangeboden en toegekend. Voorbeelden van impactvolle projecten zijn DNA onderzoek naar oorspronkelijke afkomst van de gemeenschappen op de Bovenwindse eilanden, (multifunctionele) erfgoedcentra op Aruba en Sint Eustatius, ontwikkeling van een NT3-model (een onderwijskundig concept) waarbij Nederlands als vreemde taal wordt geïmplementeerd in het primair onderwijs op Bonaire en de digitalisering en het vervolgens toegankelijk maken van koloniale archieven op onder andere Curaçao. Daarnaast is op verschillende momenten input opgehaald vanuit de gemeenschappen voor de vormgeving van de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden.
Kunt u de uitvoering van de VN-resolutie opnemen in de aangekondigde voortgangsbrief slavernijverleden die de Kamer in het eerste kwartaal zou ontvangen, en kunt u aangeven wanneer u de Kamer deze brief toezendt?
Ja. In de aangekondigde brief over de voortgang van de acties rond het slavernijverleden zal, voor zover relevant, ook worden ingegaan op de internationale context van deze resolutie en op de wijze waarop Nederland reeds invulling geeft aan de onderdelen die het onderschrijft.
De brief wordt voor het zomerreces aan uw Kamer toegezonden.
Openbaarmaking bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Enneüs Heerma (CDA), van Essen |
|
|
|
|
Klopt het dat bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau gegevens over emissies, managementmaatregelen of prestaties van individuele landbouwbedrijven verzameld en verwerkt zullen worden?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat dergelijke gegevens, wanneer zij bij de overheid berusten, in beginsel onder de reikwijdte van de Wet open overheid (Woo) kunnen vallen?
Ja, dat kan. De Woo geeft algemene regels voor het openbaar maken van de informatie waarover de overheid beschikt. Daaronder vallen in beginsel ook de bedrijfsgegevens van individuele bedrijven waar de overheid over beschikt, ongeacht hoe de overheid daarover de beschikking heeft gekregen. Doorslaggevend voor de vraag of gegevens onder de reikwijdte van de Woo vallen, is of er een verband bestaat tussen de informatie en de publieke taak van het bestuursorgaan. Niet alle gegevens die bij de overheid berusten zijn per definitie verbonden aan de publieke taak van in dit geval de Minister van LVVN. Wat publieke taken zijn moet ruim worden uitgelegd zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Woo.1
Deelt u de zorg dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven kan leiden tot ongewenste effecten zoals reputatieschade, actiedruk of juridisering richting individuele ondernemers?
Ik begrijp dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven impact kan hebben voor individuele ondernemers, zeker als bedrijfsgegevens gelijk zijn aan het privéadres. Ik begrijp dat dit zijn weerslag kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Zoals ik in mijn brief over de zienswijzeprocedure bij de openbaarmaking van emissiegegevens 15 april 20262 heb aangegeven werk ik in dit kader met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Hoe wordt voorkomen dat bedrijfsgegevens die nodig zijn voor doelsturing via Woo-verzoeken openbaar gemaakt kunnen worden?
Openbaarheid van overheidsinformatie is een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Openbaarheid van gegevens maakt het mogelijk voor belangenorganisaties, onderzoekers en burgers informatie te vergaren over onder andere hun leefomgeving.
Daarom zijn er internationaal afspraken gemaakt over openbaarheid van informatie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Verdrag van Aarhus (hierna: het verdrag) en de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG, hierna: de richtlijn). De richtlijn en het verdrag zijn geïmplementeerd in de Woo.
Ik streef er dan ook niet naar om dergelijke informatie te onttrekken van de openbaarheid. Tegelijkertijd kunnen er wel dilemma’s spelen, bijvoorbeeld wanneer de openbaarmaking van dergelijke gegevens mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Daarbij spelen een aantal elementen een rol.
Als er een verzoek wordt gedaan tot openbaarmaking, is het van belang om welke gegevens verzocht wordt. Als bedrijfsgegevens ook als milieu-informatie aan te merken zijn, dan dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van openbaarmaking tegenover het belang van het bedrijf om de bedrijfsgegevens niet openbaar te maken. Bij deze belangenafweging staat openbaarmaking van de gegevens voorop. Er kan alleen van openbaarmaking van de (betreffende) informatie worden afgezien wanneer het bedrijf concreet kan onderbouwen dat openbaarmaking daadwerkelijk en ernstige schade toebrengt aan het bedrijfsbelang3.
Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo mogen er bij emissiegegevens geen uitzonderingsgronden worden toegepast. Deze gegevens moeten dan ook altijd openbaar worden gemaakt als daartoe een verzoek wordt gedaan. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn.4 Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de richtlijn.
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo, de richtlijn en het verdrag bieden. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving van doelsturing.
Wordt overwogen om de dataverzameling voor doelsturing (deels) buiten de overheid te organiseren, bijvoorbeeld via ketenorganisaties, sectorale systemen of onafhankelijke dataplatforms?
In het kader van doelsturing zal nog besloten moeten worden hoe de organisatie van data delen ingericht zal worden. Daarbij is het goed om op te merken dat informatie die nodig is voor een goede taakuitoefening door de overheid niet gepositioneerd kan worden buiten de invloedsfeer van het ministerie waardoor documenten buiten de reikwijdte van de Woo vallen. Ook indien het verzamelen, controleren en bewerken van agrarische bedrijfsinformatie gebeurt door een specifiek daarvoor op te richten private entiteit, is niet uit te sluiten dat die entiteit geheel of gedeeltelijk onder de Woo valt, omdat voor milieu-informatie een ruim begrip van «overheid» moet worden gehanteerd. Bij besluitvorming door de overheid is het noodzakelijk dat de overheid over relevante gegevens beschikt.
Bent u bekend met systemen in de veehouderij waarbij gegevens over diergezondheid en bedrijfsvoering via ketenpartijen worden verzameld, zoals binnen de zuivelsector via systemen als KoeMonitor/KoeKompas?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Ziet u mogelijkheden om monitoring in het kader van doelsturing primair via gebiedsmonitoring te organiseren, bijvoorbeeld via gebiedscoöperaties of andere collectieve verbanden van boeren, zodat niet direct bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven bij de overheid berusten?
Bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau zal monitoring primair via individuele landbouwbedrijven georganiseerd worden. Bovendien is voor sommige toepassingsvormen van doelsturing herleidbaarheid naar bedrijven een vereiste. Hiernaast kunnen de mogelijkheden naar gebiedsmonitoring verkend worden om gegevens op een meer geaggregeerd niveau te verzamelen. Zie ook het antwoord op vragen 4 en 5 voor het geval herleidbaarheid naar bedrijven nodig is.
Welke waarborgen worden overwogen om ervoor te zorgen dat boeren veilig en zonder risico op openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie kunnen deelnemen aan systemen voor doelsturing?
Er moeten hierover nog keuzes worden gemaakt, waarbij uiteindelijk van belang is dat besluiten zorgvuldig worden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het op donderdag 9 april 2026 geplande commissiedebat Doelsturing?
Het commissiedebat Doelsturing is door uw Kamer uitgesteld tot nader order. De reguliere termijn voor het beantwoorden van Kamervragen is gehanteerd.
Het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Berendsen , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Verenigde Naties (VN) slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende VN-resolutie. Het kabinet onderstreept het grote belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakten en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend door het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar principiële en juridische bezwaren tegen bestaan, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt.
Klopt het dat Nederland zich heeft onthouden van stemming? Zo ja, waarom?
Ja. het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat van landen met een koloniaal verleden en directe betrokkenheid bij (trans-Atlantische) slavenhandel, zoals Nederland, een expliciete erkenning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt deze stemonthouding in de Algemene Vergadering van de VN zich tot de officiële excuses voor het handelen van de Nederlandse staat, waarbij, in de bewoordingen van de toenmalige Minister-President Rutte, «een komma, geen punt» werd gezet? Had het niet meer in deze benadering gepast om wél in te stemmen met deze VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft dat van landen met een koloniaal verleden, zoals Nederland, een expliciete erkenning van het slavernijverleden verwacht mag worden.
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
De onthouding bij deze resolutie, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, staat niet op gespannen voet met deze lijn. Deze gezamenlijke positie laat zien dat de juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutie breder worden gedeeld. De keuze om te onthouden is ingegeven door specifieke juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutietekst, en niet door een gebrek aan erkenning van het historische onrecht.
Hoe beoordeelt u de oproep van de secretaris-generaal van de VN om te komen tot «een confrontatie met de nalatenschap van de slavernij en racisme»? Wat valt, in dit licht bezien, te verwachten aan kabinetsmaatregelen?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft al via bestaand beleid. Het is van groot belang om deze geschiedenis te blijven erkennen, te begrijpen en bespreekbaar te maken, juist vanwege de blijvende impact ervan op samenlevingen wereldwijd en in Nederland.
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Met oog voor historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Bent u bereid om deze vragen vóór het aankomende commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten te beantwoorden?
Ja.
De uitspraken van de minister tijdens de behandeling van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 maart 2026 |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u de uitspraak die u deed tijdens het debat over de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin u stelde dat u het sterke vermoeden heeft dat het aandeel totale uitgaven aan de sociale zekerheid ten aanzien van het bruto binnenlands product (bbp) tot 2040 nog verder toeneemt en ook flink toeneemt?
Ja.
Kunt u deze uitspraak schriftelijke onderbouwen? Zo niet, waarom niet?
Ja. Mijn tijdens het debat uitgesproken vermoeden over de toename van de uitgaven aan de sociale zekerheid tot 2040 is gebaseerd op de verwachte ontwikkeling van de uitgaven aan AOW en WIA (samen goed voor ten minste de helft van de uitgaven aan sociale zekerheid) als aandeel van het bbp. Voor de AOW-uitgaven verwachten we een toename van € 13,5 miljard tussen 2025 en 2040 in constante prijzen (prijspeil 2025). Op basis van ramingen van het CPB betekent dat een toename van de AOW-uitgaven als aandeel van het bbp van 4,7% in 2025 naar 5,7% in 2040. Ook voor de WIA-uitgaven verwachten we een toename. Het IBO Werken aan de WIA schat een toename van het aantal mensen in de WIA met zo’n 28% in 2060 als gevolg van vergrijzing en de oplopende AOW-leeftijd (2/3 koppeling). De uitgaven aan de WIA lopen naar verwachting op met circa € 4,2 miljard tussen 2025 en 2040 in constante prijzen.
Deze toename kwalificeer ik dus inderdaad als «flink». Een verwachtte stijging van de uitgaven met ruim 17 miljard euro per jaar in constante prijzen is groot. Dit is geld dat dan niet aan andere, noodzakelijke doelen kan worden uitgegeven.
Kunt u schriftelijk onderbouwen op welk onderzoek u zich baseert wanneer u stelt dat de uitgaven aan sociale zekerheid van 12,1% van het bbp naar 12,8% van het bbp zullen stijgen zonder kabinetsingrijpen, en met kabinetsingrijpen van 12,1% naar 12,6%?
De geschatte toename van de uitgaven aan sociale zekerheid (inclusief kabinetsbeleid) als aandeel van het bbp tussen 2025 (12,1%) en 2034 (12,6%) komt uit de verantwoording van het centraal economisch plan van het CPB. In de doorrekening van het coalitieakkoord geeft het CPB aan dat het effect van het coalitieakkoord op de uitgaven sociale zekerheid € –2,5 miljard is. Dat staat gelijk aan 0,2% van het door het CPB verwachtte bbp in 2030. Als we aannemen dat in 2034 het effect van het coalitieakkoord op de uitgaven aan sociale zekerheid ook –0,2% bbp is, dan zijn de verwachte uitgaven aan sociale zekerheid in 2034 zonder coalitieakkoord 12,8% bbp.
Bent u het ermee eens dat dit niet de grote stijging is zoals u die eerder tijdens datzelfde debat schetste? En dat het hier niet over onhoudbare stijgingen gaat? Zo ja, waarom wilt u dan zo hard op de sociale zekerheid bezuinigen? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Een toename van de uitgaven aan sociale zekerheid met 0,5% bbp al in 2030 gaat om veel geld. Dat is geld dat niet aan andere, noodzakelijke, uitgaven kan worden besteed. Daarom is bijsturing wat het kabinet betreft noodzakelijk. Ook de recente Studiegroep Begrotingsruimte concludeert: zonder bijsturing is de overheidsschuld onhoudbaar. De Studiegroep adviseert dan ook om met prioriteit vergrijzingsgevoelige uitgaven en inkomsten te hervormen.
Bent u het ermee eens dat deze cijfers laten zien dat de door het kabinet voorgestelde kortingen op de WW en WIA en de verhoging van de AOW-leeftijd helemaal niet nodig zijn? Zo niet, waarom niet?
Nee, daar ben ik het niet mee eens. Voorgaande antwoorden laten zien dat er wel degelijk maatregelen nodig zijn. We hebben te maken met een aantal grote noodzakelijke uitgaven, onder andere naar aanleiding van de sterk veranderde geopolitieke situatie. Het is waar, zo heb ik ook in het debat over de SZW begroting aangegeven, dat je uiteindelijk altijd een andere politieke keuze kunt maken over hoe je dat betaalt. Maar we zullen ergens ruimte moeten vinden.
En het kabinet vindt het, gegeven bovengenoemde cijfers en adviezen, logisch dan ook te kijken naar de sociale zekerheid die zowel absoluut als ook als aandeel van het bbp een groot en groeiend deel van de collectieve uitgaven vormt.
Bovendien zijn er ook andere factoren die het noodzakelijk maken te kijken naar de vormgeving van de sociale zekerheid. Denk m.b.t. de WIA bijvoorbeeld aan het afschaffen van de IVA voor de uitvoerbaarheid van het stelsel. Maar ook de verhouding actief-inactief is relevant om in de overweging mee te nemen. Demografische ontwikkelingen maken dat de oplopende uitgaven aan de sociale zekerheid door een relatief steeds kleinere groep werkenden moet worden betaald. In 2060 zijn er naar verwachting 40 AOW-gerechtigden1 (nu 37) en 6 WIA-gerechtigden (nu 4,8) per 100 werkenden. En om dat voor de AOW verder in perspectief te plaatsen: in 1990 waren er 30 en in 1960 (drie jaar na de invoering van de AOW) maar 17 AOW-gerechtigden per 100 werkenden.2
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.