De vestiging van de Amerikaanse medicijnfabriek Eli Lilly in Katwijk |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Herbert , Bertram , Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Katwijk kan haast geen nee zeggen tegen komst van enorme pillenfabriek» in Trouw?1
Klopt het dat er vanuit de Rijksoverheid en door Ministers druk is uitgeoefend op gemeente Katwijk en wethouders om te zorgen dat de pillenfabriek in Katwijk wordt toegelaten? Hebben Ministers hierover gebeld met Katwijkse bestuurders zoals in de krant staat? Zo ja, wat hebben de Ministers aan de gemeente Katwijk gevraagd? Zo nee, hoe is dit wel gegaan?
Waarom is in de bestuurlijke afspraken als voorwaarde opgenomen dat Eli Lilly zich daadwerkelijk in Katwijk vestigt? Welke overwegingen zijn daarbij gemaakt en wie is daarbij betrokken geweest? Op welke wijze is rekening gehouden met belangen van omwonenden, gezondheid, natuur en milieu? Kunt u per rijksbijdrage en per overige afspraak uiteenzetten welke gevolgen het heeft als Eli Lilly zich niet in Katwijk vestigt, waaronder welke bijdragen en afspraken in dat geval vervallen, worden gewijzigd of onverkort van kracht blijven?
Waarom zijn rijksmiddelen voor bereikbaarheid en afspraken over woningbouw gekoppeld aan de vestiging van één individueel bedrijf, terwijl de bestuurlijke afspraken zelf ook spreken over autonome verkeersgroei en over de reeds bestaande woningbouwopgaven in Valkenhorst en Zijlhoek-De Woerd?
Kunt u zich voorstellen dat dit als een vorm van chantage wordt gezien door inwoners van Katwijk? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat tijdens het overleg met de gemeente Katwijk de mogelijkheid aan de orde is geweest dat de Rijksoverheid of de provincie Zuid-Holland bevoegdheden zou inzetten indien de gemeente niet zou meewerken aan de vestiging van Eli Lilly? Zo ja, wanneer is dit besproken, door welke vertegenwoordigers van het Rijk en op welke wettelijke bevoegdheden werd daarbij gedoeld?
Kunt u in het kader van artikel 68 van de Grondwet een overzicht geven van de contacten die bewindspersonen, secretarissen-generaal, directeuren-generaal en andere vertegenwoordigers van het Rijk in maart en april 2025 met het gemeentebestuur van Katwijk hebben gehad over de mogelijke vestiging van Eli Lilly, inclusief datum, deelnemers en onderwerp van het contact? Bent u bereid de bijbehorende verslagen, e-mails en andere bestuurlijke stukken aan de Kamer te verstrekken?
Op welke informatie baseerde u aanvankelijk de verwachting dat de vestiging van Eli Lilly een belangrijke onderzoeks- en ontwikkelingscomponent zou bevatten? Wanneer werd u ervan op de hoogte dat informatie van Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) volgens het college van burgemeester en Wethouders van Katwijk juist leek te wijzen op «veel productie en weinig Research & Development», en heeft dit geleid tot een herbeoordeling van de meerwaarde van de vestiging voor het Leiden Bio Science Park?
Klopt het dat onder de Omgevingswet afzonderlijk toestemming kan worden verleend voor het realiseren van een industrieel gebouw, terwijl nog geen definitief besluit is genomen over de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteiten waarvoor dat gebouw is bedoeld? Zo ja, acht u het wenselijk dat hierdoor een megafabriek reeds grotendeels of geheel kan worden gebouwd voordat vaststaat dat het beoogde productieproces milieurechtelijk kan worden toegestaan? Welke mogelijkheden heeft u om de bouw op te schorten tot een besluit is genomen over de milieuvergunning, in het licht van de zorgen van de inwoners van Katwijk?
Deelt u de zorgen van omwonenden over het grote waterverbruik van de beoogde fabriek van Eli Lilly, mede gezien de bestaande druk op de drinkwatervoorziening in de regio? Kunt u schetsen hoeveel water de megafabriek gaat verbruiken en hoeveel huishoudens met die hoeveelheid zouden kunnen worden voorzien?
Hoe wordt geborgd dat het watergebruik van de fabriek niet ten koste gaat van de drinkwatervoorziening voor inwoners, natuur, woningbouw en andere maatschappelijke functies, en dat lozingen van proces- en afvalwater geen negatieve gevolgen hebben voor de waterkwaliteit?
Hoe beoordeelt u de zorgen van omwonenden over de mogelijke gevolgen van luchtverontreiniging, chemische emissies, geluid, geur en andere milieubelasting van de megafabriek voor hun gezondheid en leefomgeving, in het bijzonder voor kinderen en toekomstige bewoners van Valkenhorst? Bent u bereid te bevorderen dat vóór ingebruikname een onafhankelijke nulmeting wordt uitgevoerd?
Begrijpt u de zorgen van omwonenden over de opslag en het gebruik van grote hoeveelheden brandbare en andere gevaarlijke stoffen op een locatie nabij bestaande en toekomstige woongebieden en recreatievoorzieningen? Hoe wordt gewaarborgd dat gedurende de gehele bedrijfsduur onafhankelijk wordt gecontroleerd op de hoeveelheden gevaarlijke stoffen, de Seveso-drempelwaarden en de naleving van veiligheidsvoorschriften, en dat omwonenden vooraf duidelijk weten wat zij bij een calamiteit moeten doen?
Bent u bereid om te overleggen met gemeente Katwijk en haar inwoners om te kijken of de komst van de megafabriek alsnog moet worden voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één en met spoed beantwoorden, gezien het besluitvormingsproces?
Het bericht ‘Trump overweegt exportverbod diesel, 'zou heel Europa veel last van hebben'’ |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsartikel «Trump overweegt exportverbod diesel, «zou heel Europa veel last van hebben»»?1
Heeft u aanleiding om te denken dat er op korte termijn mogelijk een exportverbod op Amerikaans geproduceerde diesel kan worden ingevoerd?
Kunt u inzicht geven over hoeveel diesel Nederland en de Europese Unie momenteel uit de Verenigde Staten importeren en welk percentage van het Nederlandse en Europese dieselverbruik daarmee wordt gedekt?
Hoe heeft de import afhankelijkheid van olie en olieproducten vanuit de Verenigde Staten zich de afgelopen jaren ontwikkeld en wat zijn de oorzaken van deze ontwikkeling?
Welke gevolgen zou een Amerikaans exportverbod hebben voor de beschikbaarheid en prijs van diesel in Nederland?
Zijn er voldoende alternatieve leveranciers die op korte termijn in staat zijn het volume op te vangen, en zo ja welke?
Welke gevolgen zou een Amerikaans exportverbod hebben voor Nederlandse huishoudens?
Welke gevolgen zou het hebben voor de Nederlandse raffinaderijen; hebben zij nog ruimte om een deel van de wegvallende productie op te vangen?
Wordt er met lidstaten van het Internationaal Energieagentschap overleg gevoerd over onder welke omstandigheden er opnieuw strategische dieselvoorraden zouden worden vrijgegeven en hoe deze ook weer worden aangevuld en wat is daarin de Nederlandse inzet?
Wordt er in de Europese Unie een reactie voorbereidt op een Amerikaans exportverbod en wat is daarin de Nederlandse inzet?
Hoe beoordeelt u het strategische belang van voldoende raffinagecapaciteit in Nederland en Europa voor de voorzieningszekerheid, mede in het licht van de huidige krapte en een eventueel exportverbod?
Deelt u de constatering van de Secretaris-Generaal van de NAVO dat speciaal voor de operationele capaciteiten van onze strijdkrachten voldoende raffinagecapaciteit cruciaal is?
Wanneer verwacht u de visie op raffinage met de Tweede Kamer te delen en hoe betrekt het kabinet de behoefte van de Nederlandse krijgsmacht en onze NAVO-verplichtingen?
De spiegelei-gebiedsgerichte aanpak |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Overijssel eist maatwerk: «Maak van stikstofzone geen pannenkoek, maar een spiegelei»»1 waarin wordt gesteld dat maatwerk in zones rond Natura 2000-gebieden beter aansluit bij wat nodig is dan algemene maatregelen?
Kunt u bevestigen dat provincies binnen de zonegerichte aanpak per Natura 2000-gebied invulling kunnen geven aan het additionaliteitsvereiste en dat daarbij wordt gekeken naar de drukfactoren die in dat specifieke gebied relevant zijn en naar maatregelen die effectief en proportioneel zijn?
Deelt u de opvatting dat de staat van instandhouding, de natuurdoelanalyse en de gebiedsanalyse inzicht moeten geven in welke drukfactoren het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in een gebied belemmeren en dat het dan doelgerichter kan zijn om maatregelen te nemen die rechtstreeks op die drukfactoren aangrijpen dan te werken met een uniform pakket instructieregels en uniforme doelen?
Kunt u bevestigen dat de zonegerichte aanpak daarom ruimte moet bieden voor gebied specifiek maatwerk en dat wanneer gerichte maatregelen op de relevante drukfactoren aantoonbaar additioneel, effectief en proportioneel bijdragen aan de instandhoudingsdoelstellingen deze in de plaats kunnen komen van onderdelen van een uniform pakket instructieregels en uniforme doelen?
Hoe kijkt u aan tegen de spiegelei-benadering die in het artikel wordt voorgesteld? Kunt u bevestigen dat deze methodiek van het gericht kijken naar wat nodig is, zoals het rekening houden met dominante windrichting, perceelsgrenzen, et cetera, effectiever is dan het trekken van een grens met een passer rond een gebied van bijvoorbeeld 500 meter?
Hoe kijkt u aan tegen wat in het artikel wordt geschetst over dat maatregelen een goede uitleg verdienen, waarbij in de combinatie van maatregelen ook een goede boterham verdiend moet kunnen blijven worden? Deelt u de mening dat economisch perspectief cruciaal is voor het doen slagen van de gezoneerde aanpak?
De bijdrage van boomsingels aan reductie van de stikstofdepositie |
|
André Flach (SGP) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat boomsingels om veehouderijbedrijven en in bufferzones om stikstofgevoelige natuur een effectieve rol kunnen spelen bij het wegvangen van stikstofuitstoot en het verlagen van depositiebijdragen op nabijgelegen natuurgebieden1?
Deelt u de mening dat de aanplant van boomsingels naast andere maatregelen een relevante bijdrage kan leveren aan het verminderen van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats (bij stallen mogelijk meer dan 15 procent reductie)?
Is de veronderstelling juist dat boomsingels nu geen rol spelen bij het bepalen van de ammoniakuitstoot van individuele stallen?
In hoeverre wordt bij berekeningen van de regionale ammoniakuitstoot, -verspreiding en depositie rekening gehouden met de genoemde rol van boomsingels bij veehouderijbedrijven?
In hoeverre is opvolging gegeven aan het advies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) om een impactanalyse uit te voeren naar de bijdrage van landschapselementen, als windsingels, aan de reductie van concentraties en deposities2? Zo niet, wordt dit alsnog opgepakt?
Is de constatering juist dat in Duitsland bedrijven ruimte hebben om middels fijnmazigere verspreidingsberekeningen ten opzichte van het standaardmodel te laten zien dat ze minder depositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden? Zo ja, ziet u mogelijkheden hiertoe voor Nederlandse bedrijven?
Heeft u kennisgenomen van de Britse tool voor het berekenen van de ammoniakreductie door boomsingels?
Ziet u mogelijkheden om ervoor te zorgen dat bij het bepalen van de ammoniakuitstoot van individuele bedrijven rekening gehouden kan worden met de aanwezigheid van een goed ontwikkelde boomsingel, bijvoorbeeld door gebruik van een tool vergelijkbaar met de hiervoor genoemde Britse tool?
Hebben provincies ruimte om de aanwezigheid van genoemde boomsingels te verdisconteren in hun emissie- en depositieberekeningen? Zo ja, hoe?
Op welke wijze wordt de aanleg van boomsingels om veehouderijbedrijven gestimuleerd, gelet op de bijdrage aan de reductie van de stikstofuitstoot en andere milieu en natuurvoordelen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de bijdrage van boomsingels aan het verminderen van de stikstofproblematiek op enigerlei wijze erkend gaat worden, zodat het loont om deze aan te planten, te versterken en te behouden?
Het gebrek aan gegevens over het energie- en watergebruik van datacenters |
|
André Flach (SGP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat van veel datacenters in Nederland geen informatie beschikbaar is over het energie- en watergebruik1?
Hoe waardeert u de gebrekkige beschikbaarheid van genoemde gegevens, gelet op de geldende verplichtingen op basis van de Energie-Efficiëntierichtlijn en de Nederlandse implementatie daarvan via onder meer de Omgevingsregeling en op de netcongestie- en milieuproblematiek?
Is de constatering juist dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) slechts van 104 datacenters gegevens heeft ontvangen, terwijl in Nederland meer dan 180 datacenters aanwezig zijn die verplicht zijn om onder meer gegevens over energie- en watergebruik te verstrekken? Zo ja, kunt u hier een verklaring voor geven?
Hoe wordt ervoor gezorgd dat alle meldingsplichtige datacenter hun gegevens met betrekking tot energie- en watergebruik gaan verstrekken?
Kunt u aangeven welk deel van de datacenters die genoemde gegevens verstrekt hebben de betreffende gegevens als bedrijfsvertrouwelijk heeft aangemerkt?
Is de veronderstelling juist dat bij milieu-informatie de overheid de afweging kan maken om het publieke belang van transparantie zwaarder te laten wegen dan het belang van de individuele bedrijven?
Hoe weegt u in het geval van datacenters, mede gelet op de grote impact van hun energie- en watergebruik op het energiesysteem en het lokale watersysteem, het publieke belang van transparantie ten opzichte van het belang van de individuele bedrijven?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er meer transparantie komt inzake het energie- en watergebruik van individuele datacenter?
Het rapport 'Mind the gap' van WISE Nederland over de kosten van eindberging van radioactief afval |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport Mind The Gap van de World Information Service on Energy (WISE) Nederland?1
Wat kost volgens het kabinet de eindberging van het hoogradioactieve afval van vier nieuwe kerncentrales en/of additionele SMR’s? Als dat onbekend is, acht u het dan verantwoord onomkeerbare bouwbesluiten te nemen zonder deze kosten te kennen?
Klopt het dat COVRA’s verwachte uitgaven voor de eindberging tussen de jaarrapporten 2023 en 2024 zijn gestegen van 2,31 miljard euro naar 10,9 miljard euro? Heeft deze bijna-vervijfvoudiging gevolgen gehad voor de tarieven en contractprijzen van afvalproducenten?
Klopt het dat de prijzen in de langlopende afvalcontracten tussen COVRA en de exploitanten van Borssele en Petten vele jaren vastliggen, geen risico-opslag kennen en niet openbaar zijn? Bent u bereid ten minste de prijs- en risicobepalingen openbaar te maken, zodat de Kamer kan controleren of «de vervuiler betaalt» wordt nageleefd?
Klopt het dat de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) in 2020 na inspectie vaststelde dat ziekenhuizen feitelijk financiële risico’s droegen die bij de exploitanten van Borssele en Petten thuishoren, dit strijdig achtte met het Nationaal Programma, een dwangsom voorbereidde maar weer introk, en de Staatssecretaris wees op het ontbreken van een regelgevend kader voor de financiering van de eindberging? Welke opvolging kreeg dit, naast de beleidsregel van 2024 die alleen de tariefstelling betreft?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de jaarlijkse toevoegingen aan de eindbergingsreserve moeten stijgen van circa 2,5–4,5 miljoen euro nu naar 35–70 miljoen euro om de eindbergingsrekening van het voorgenomen beleid in 2130 te dekken? Welk mechanisme in het huidige stelsel zou die stijging moeten realiseren?
Bent u bereid, naar Fins en Zweeds voorbeeld, een bergingsheffing per kilowattuur kernstroom in te voeren, zodat de stroom die het afval veroorzaakt ook de eindberging betaalt? Zo nee, hoe geeft u dan invulling aan «de vervuiler betaalt»?
Bent u bereid, naar Zweeds voorbeeld, de eindbergingskostenraming periodiek onafhankelijk te laten toetsen, met de bevoegdheid de bijdragen van afvalproducenten daarop aan te passen? En bent u bereid financiële zekerheden van exploitanten te verlangen voor het geval een producent omvalt voordat zijn afval is betaald, een risico dat zich bij de ontmanteling van Dodewaard al heeft voorgedaan?
Klopt het dat Nederland medeoprichter is van de European Repository Development Organisation (ERDO), dat COVRA het secretariaat voert en dat het Nederlandse beleid tweesporig is (nationale óf multinationale eindberging)? Deelt u de analyse dat grootschalige nieuwbouw het multinationale spoor feitelijk afsluit, waardoor een besparingsmogelijkheid van miljarden euro’s op het bestaande afval verloren gaat? Is dit in de besluitvorming meegewogen?
Bent u bereid de Kamer vóór enig onomkeerbaar besluit over nieuwbouw een integraal overzicht van de afvalkosten te sturen met per scenario de volledige verwachte kosten van opslag, eindberging en eventuele opwerking, inclusief de dekking daarvan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voor het eerstvolgende commissiedebat over kernenergie beantwoorden?
Energieprijzen elektriciteit intensieve industrie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe is het kabinet van plan onze Nederlandse industrie te behouden voor Nederland terwijl elektriciteit intensieve bedrijven in 2027 opnieuw met fors hogere netkosten worden geconfronteerd en concurrenten in onze buurlanden aanzienlijk lagere totale elektriciteitskosten hebben?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet in 2027 om te voorkomen dat onze elektriciteit intensieve industrie vertrekt naar het buitenland?
Gezien de elektriciteitsenvelop pas vanaf 2028 beschikbaar is, welk instrument en welk budget zet het kabinet in 2027 in om het elektriciteitskostennadeel voor de Nederlandse elektriciteit intensieve industrie te verkleinen?
De uitwerking van de Europese regels ten aanzien van verpakkingen (PPWR) en de uitwerking op micro-ondernemers |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe zorgt u ervoor dat de uitvoering van de PPWR (Packaging and Packaging Waste Regulation) ook voor micro- en kleine ondernemingen werkbaar is, zodat zij kunnen profiteren van de Europese interne markt?
Welke mogelijkheden ziet u om de administratieve uitvoering van verplichtingen op grond van de Extended Producer Responsibility (EPR) voor kleine ondernemers te vereenvoudigen, zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheid van producenten en positieve impact op circulariteit?
Hoe kijkt u naar het voorstel van de Europese Commissie om de verplichting tot een Authorised Representative bij grensoverschrijdende verkoop tijdelijk op te schorten en wat zou er volgens u na deze tijdelijke maatregel moeten gebeuren?
Bent u bereid zich in Brussel in te zetten voor één Europees registratiemechanisme voor EPR-verplichtingen, vergelijkbaar met de btw-One-Stop-Shop?
Bent u bereid te pleiten voor verdere harmonisatie van registratie-, rapportage- en gegevensvereisten, zodat ondernemers niet per lidstaat met verschillende systemen worden geconfronteerd?
Hoe kan harmonisatie volgens u juist bijdragen aan méér ambitie op het gebied van circulariteit en producentenverantwoordelijkheid, bijvoorbeeld door naleving eenvoudiger te maken?
Bent u in gesprek met Nederlandse micro- en kleine ondernemers over de verdere uitwerking van de PPWR, zodat de regels ook voor deze groep werkbaar zijn en tegelijkertijd positieve impact hebben?
Het artikel 'Kernafvalrekening van kabinetsplannen loopt mogelijk op tot €31 miljard' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de eindberging van het hoogradioactieve afval € 16 tot 31 miljard kan gaat kosten, waarvan € 12 tot 23 miljard bovenop de tot nu toe beoogde bedragen? Zo nee, wat gaat het dan wel kosten?1
Hoe beoordeelt u het feit dat de eindberging van kernafval hoogstwaarschijnlijk meer gaat kosten dan het gehele bouwbudget van de nieuw te bouwen kerncentrales?
Vindt u het verantwoordelijk bestuur dat het totale kostenplaatje van de bouw van kerncentrales niet in volle transparantie met de Kamer en de kiezers wordt gedeeld?
Is de Kamer, naar uw mening, fatsoenlijk geïnformeerd over de volledige kosten van de bouw van kerncentrales?
Waarom zijn de besluiten over de bouw van nieuwe kerncentrales en de eindberging van het afval van elkaar gescheiden?
Hoe verklaart u dat de kostenraming van COVRA in een jaar tijd bijna vervijfvoudigde? Bent u bereid het kostenramingsmodel aan te passen? Wordt deze al aangepast?
Bent u van mening dat de Kamer moet vertrouwen op de huidige ramingen gezien de discrepanties die worden besproken in dit artikel?
Kunt u bevestigen dat de bijdragen van producenten van radioactief materiaal aan het eindbergingsfonds van COVRA zijn vastgelegd in langlopende afspraken waarvan de bedragen niet openbaar zijn? Bent u bereid deze bedragen alsnog openbaar te maken?
Waarom zit er geen risico-opslag op het fonds voor eindberging van radioactief materiaal? Bent u bereid deze alsnog in te stellen?
Bent u bereid, conform aanbeveling 1 uit het WISE rapport, een volledige opbergkostenrekening te publiceren voordat er onomkeerbare besluiten worden genomen over nieuwe kerncentrales? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 2, een bergingsheffing op nucleaire elektriciteit van 0,35 tot 0,7 cent per kilowattuur in te voeren, zoals Finland en Zweden die kennen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 3, een einde te maken aan de vertrouwelijkheid van de kernafvalcontracten tussen COVRA en de exploitanten van Borssele en Petten, en deze ten minste wat betreft prijs en risicoverdeling openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 4, een onafhankelijke periodieke kostentoets in te richten naar Zweeds model, met de bevoegdheid om de bijdragen van producenten aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 5, financiële zekerheden te garanderen van nucleaire exploitanten voor het geval een exploitant omvalt voordat zijn afval betaald is? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid, conform aanbeveling 6, een volledige kostenbasis te laten opstellen voor de berging van laag- en middelradioactief afval, NORM-afval en de bovengrondse opslag, zodat ook deze ontbrekende helft van de rekening in beeld komt? Zo nee, waarom niet?
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie-Beckerman c.s. (Kamerstuk 32 645, nr. 149), die de regering verzoekt de Groninger zoutkoepels Pieterburen, Onstwedde en Bourtange definitief te schrappen van de lijst van mogelijke opslagplaatsen voor kernafval?
Is het bij u al bekend op wat voor manier kernafval uit de te bouwen kerncentrales en bestaande kerncentrales langdurig wordt opgeslagen? Zo nee, hoe is het mogelijk om een reële raming te maken van de kosten?
Vindt u het verantwoord dat er kerncentrales gebouwd gaan worden zonder een plan te hebben voor de eindberging van kernafval en zonder een volledig overzicht te hebben van de kosten hiervan?
Overlast, extra gemeentelijke kosten en herziening van het statiegeldsysteem. |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de in het G4-onderzoek beschreven problemen waarbij statiegeldzoekers afvalbakken openbreken en vuilniszakken opentrekken, waardoor eerder ingezameld afval alsnog op straat belandt?1
Deelt u de opvatting dat het onaanvaardbaar is wanneer een maatregel tegen zwerfafval ertoe leidt dat netjes weggegooid afval opnieuw op straat terechtkomt en bewoners opdraaien voor extra opruimkosten en vernielingen?
Wordt bij de beoordeling van het statiegeldsysteem, naast de afname van flesjes en blikjes in het zwerfafval, ook gemeten hoeveel ander afval door het doorzoeken van bakken en zakken op straat belandt? Kunt u het netto-effect op de totale hoeveelheid zwerfafval in stedelijke probleemgebieden laten vaststellen, rekening houdend met extra schoonmaakinzet?
Deelt u de mening dat wanneer statiegeld op blikjes en kleine flesjes per saldo leidt tot méér zwerfafval, milieuverontreiniging en plastic in het milieu en de zee, dit een goede aanleiding is om het huidige statiegeldbeleid fundamenteel te herzien? Hoe verhoudt het vasthouden aan dat beleid zich in dat geval tot de doelstelling om juist zwerfafval en plastic in het milieu en de zee terug te dringen?
Wordt bij de beoordeling van Verpact uitsluitend gekeken naar inzamel- en recyclingpercentages of ook naar neveneffecten, zoals zwerfafval, opengebroken afvalbakken, gemeentelijke kosten, openbare orde en overlast? Bent u bereid deze factoren als formele prestatie-indicatoren in de beoordeling op te nemen?
Is sinds de invoering van statiegeld op kleine flesjes en blikjes ooit een maatschappelijke kosten-batenanalyse uitgevoerd waarin niet alleen recycling en zwerfafvalreductie, maar ook reinigingskosten, vernielingen, handhaving, openbare orde, uitvoeringskosten en sociale effecten zijn meegenomen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze vóór verdere uitbreiding uit te voeren?
Kunt u voor Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht afzonderlijk de actuele extra kosten voor reiniging, schadeherstel, aanpassing van afvalbakken en handhaving in kaart brengen? Hoe beoordeelt u daarbij de opgave van Amsterdam van minimaal 11 miljoen euro per jaar, naast 8 miljoen euro voor aanpassing van de belangrijkste afvalbakken, en welk deel van deze kosten is onafhankelijk vastgesteld?
Hoeveel van de in november 2025 aangekondigde minimaal 5 miljoen euro van Verpact voor de aanpak van opengebroken afvalbakken is inmiddels daadwerkelijk besteed, waaraan en in welke gemeenten? Welke meetbare vermindering van vernielingen en zwerfafval heeft dit opgeleverd, en acht u het budget toereikend?
Bent u bereid te zorgen voor volledige compensatie van aantoonbare extra gemeentelijke kosten door deze statiegeldproblematiek, met verrekening van reeds ontvangen vergoedingen? Welke bijdrage verlangt u daarbij van Verpact en producenten, en welke verantwoordelijkheid neemt het Rijk als die bijdrage tekortschiet?
Kunt u, aansluitend op uw mededeling dat jaarlijks ongeveer 130 miljoen euro aan statiegeld niet wordt opgeëist, inzicht geven in de opgebouwde middelen, bestedingen en nog beschikbare reserves? Welk bedrag kan worden ingezet voor het oplossen van de stedelijke overlast en het vergoeden van extra gemeentelijke kosten, en welke belemmeringen bestaan daarbij?
Welke maatregelen, waaronder donatieringen, aparte inzamelvoorzieningen, aangepaste afvalbakken en extra innamepunten, verminderen aantoonbaar het zwerfafval en de overlast? Kunt u de evaluaties met de Kamer delen en daarbij aangeven of problemen zich verplaatsen naar omliggende straten, andere afvalbakken of huishoudelijke afvalzakken?
Bent u bekend met de noodkreet van burgemeester Halsema over de groeiende groep dakloze crackgebruikers in Amsterdam, en met berichtgeving van Het Parool dat het verzamelen van statiegeld voor dakloze mensen een inkomstenbron vormt? Deelt u de zorg dat dit de daklozen- en crackproblematiek kan versterken en daarmee de openbare orde, leefbaarheid en het veiligheidsgevoel in de stad aantast?2 3
Deelt u de zorg dat mensen met een crackverslaving afvalbakken openbreken op zoek naar statiegeld om hun volgende dosis te betalen, daarmee hun verslaving financieren en de verloedering van het straatbeeld versterken? Wat gaat u doen om deze vernielingen, vervuiling en overlast tegen te gaan?
Bent u bereid op korte termijn met de G4, andere getroffen gemeenten en Verpact bindende afspraken te maken over vermindering van overlast, financiering en uitvoering? Welke resultaten moeten uiterlijk binnen zes maanden worden bereikt, wie is daarvoor verantwoordelijk en hoe grijpt u in als die resultaten uitblijven?
Welk effect verwacht u van de op 4 september aangekondigde uitbreiding van het statiegeldsysteem op de problemen in grote steden, en waarop baseert u die verwachting? Zijn de gevolgen voor afval op straat, vernielingen, hygiëne en uitvoeringskosten voor gemeenten en ondernemers vooraf onderzocht, en kunt u die onderzoeken openbaar maken?
Klopt het dat Artikel 50, vierde lid, onderdeel d, van de Verordening (EU) 2025/40 betreffende verpakkingen en verpakkingsafval de daarin genoemde melk- en zuivelproducten uitzondert van de Europese statiegeldplicht? Waarom kiest u toch voor uitbreiding naar deze verpakkingen, en welke alternatieven heeft u onderzocht om aan de inzamelverplichtingen te voldoen?
Bent u bereid verdere uitbreiding waarvoor Nederland beleidsruimte heeft uit te stellen totdat aantoonbaar is dat de stedelijke overlast structureel afneemt en de innamecapaciteit en hygiëne op orde zijn? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een fundamentele herziening van het statiegeldsysteem te onderzoeken en daarbij ook alternatieve inzamel- en beloningssystemen en gehele of gedeeltelijke opschorting of afschaffing van statiegeld op kleine drankverpakkingen te betrekken? Wilt u deze opties vergelijken op zwerfafval, recycling, overlast, kosten en uitvoerbaarheid?
Welke nationale en Europese juridische ruimte bestaat voor de in de vorige vraag genoemde opties, zowel vóór als vanaf 2029? Kunt u per optie de toepasselijke bepalingen en voorwaarden benoemen, waaronder de vrijstellingsmogelijkheid van Artikel 50, vijfde lid, en aangeven welke wetswijzigingen of Europese stappen eventueel nodig zijn?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
De duurzaamheidsvoorwaarden aan de subsidie van Indirecte Kosten Compensatie (IKC) |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Eelco Heinen (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat bedrijven die de subsidie op grond van de Subsidieregeling Indirecte Kosten Compensatie (IKC) toegewezen krijgen, moeten voldoen aan de voorwaarde dat voor elk jaar dat de IKC is toegekend, de maatregelen die met de subsidie gefinancierd worden moeten resulteren in minimaal 3% minder CO2-uitstoot vergeleken met 2020?
Klopt het dat er een uitzondering is voor bedrijven die menen dat «de gevraagde CO2-vermindering van 3% per subsidiejaar in uw specifieke bedrijfssituatie niet haalbaar» is, waarna ze een extra plan moeten indienen om aan te tonen dat minstens 30% van het elektriciteitsverbruik uit koolstofvrije bronnen komt?
Kunt u voor elk jaar sinds 2020 waarin de IKC is opengesteld aangeven hoeveel bedrijven gebruik hebben gemaakt van de genoemde uitzondering, en voor welk subsidiebedrag deze bedrijven IKC (voorlopig) toegekend hebben gekregen of hebben aangevraagd?
Hoe vaak is er inmiddels IKC subsidie toegekend waarvoor CO2-reductie een voorwaarde was?
Is er voor IKC toegekend in eerdere jaren inmiddels een eerste controle geweest of de CO2-reductie die als voorwaarde werd gesteld ook daadwerkelijk gehaald is? Zo ja, wat kunt u zeggen over de uitkomsten hiervan?
Van de bedrijven die eerder IKC-subsidie toegekend hebben gekregen, hoeveel daarvan hebben de 3% reductie voor elk jaar dat ze subsidie kregen niet gehaald?
Hoeveel geld is er al teruggevorderd van de IKC vanwege het niet behalen van de CO2-reductiedoelstellingen?
Kunt u per bedrijf dat IKC-subsidie toegekend heeft gekregen sinds 2020 aangeven hoeveel IKC ze per jaar hebben ontvangen, hoeveel CO2-reductie er is gerealiseerd door maatregelen die zijn gefinancierd door de IKC-subsidie en hoeveel CO2-reductie voor de komende jaren nog is toegezegd als voorwaarde voor het verkrijgen van de IKC-subsidie?
Als u dit niet per bedrijf kunt aangeven, kunt u dit dan per sector uitsplitsen?
Kunt u aangeven of de RVO elke monitoringsrapportage controleert of dat dit slechts steekproefsgewijs gebeurt? Op welke andere manieren wordt gecontroleerd of een bedrijf heeft voldaan aan de vereisten voor de subsidie?
Welke instantie is verantwoordelijk voor het terugvorderen van de IKC-subsidie als niet wordt voldaan aan de CO2-reductie vereisten? Hoe werkt dit proces en wat zijn de tijdslijnen daarbij?
Bent u bereid op regelmatige basis meer transparantie te geven over de inzet van de IKC, waaronder de geplande en gerealiseerde CO2-reductie als gevolg van deze subsidie? Zo nee, waarom niet?
Heeft Tata Steel gebruikgemaakt van de uitzonderingsregeling en dus de verplichting om 30% van het elektriciteitsverbruik uit duurzame bronnen te halen? Zo nee, welke reductie wordt er volgens het bedrijf behaald?
Hoe kan het dat de Nederlandse Emmissieautoriteit de CO2-uitstoot van Tata Steel (inclusief Vattenfall centrales) tussen 2020 (basisjaar) en 2025 nagenoeg gelijk is gebleven met 10,9 Mton uitstoot en de uitstoot per ton geproduceerd staal volgens de jaarverslagen van het bedrijf afgenomen is van 1,77 naar 1,72 ton CO2 per ton vloeibaar staal (2,3% in 5 jaar), terwijl ze in de periode 2021–2025 ruim 120 miljoen euro IKC-subsidie ontvingen?
Kan Tata Steel hun «Heracless groen staal plan» aandragen om te voldoen aan de uitzondering voor de IKC-subsidie? Zo ja, hoe voorkomt u dat er dubbele subsidie wordt gegeven voor de CO2-reductie die Tata zegt te zullen reduceren?
Indien u niet op individuele situaties in wilt gaan, kunt u in algemene bewoording aangeven hoe u ervoor zorgt dat bedrijven geen dubbele subsidie krijgen in de vorm van maatwerksubsidie en IKC-subsidie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de beantwoordingstermijn beantwoorden?
Vogelrustgebieden |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u, omdat u tijdens het commissiedebat Visserij en Landbouw- en Visserijraad van 16 juni 2026 geen duidelijk antwoord kon geven op deze vraag en toezegde hierop schriftelijk terug te komen, nu alsnog precies uiteenzetten op basis van welke ornithologische en juridische criteria Nederland verplicht zou zijn de Hollandse kust als Vogelrustgebied aan te wijzen en welke ruimte Nederland daarbij zelf nog heeft?
Bent u bekend met het bericht van Rijkswaterstaat waaruit blijkt dat in Zeeland al verschillende strandjes en dijktrajecten zijn afgesloten ten behoeve van kustbroedvogels? Deelt u de zorg dat wat in Zeeland gebeurt, straks ook langs de Hollandse kust kan gebeuren? Zo nee, waarom niet?1
Kunt u nog steeds ondubbelzinnig uitsluiten dat de aanwijzing van de Hollandse kust als Vogelrustgebied ertoe leidt dat stranden of andere recreatiegebieden geheel, gedeeltelijk of gedurende bepaalde perioden worden afgesloten?
Een onbeantwoorde vraag van het lid Jansen tijdens het commissiedebat Ontwerp-Natuurplan op 3 september 2026. |
|
Chris Jansen (PVV), Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Kunt u, als u voorafgaand aan de betreffende persconferentie gesprekken of andere contacten heeft gehad met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), dan aangeven wanneer deze contacten hebben plaatsgevonden, met wie is gesproken en wat daarbij is besproken?
Het PBL heeft in de periode dat het werkte aan de reflectie geen conceptteksten met mij of mijn ministerie gedeeld. Dit past bij de onafhankelijke rol en positie van het PBL. Daarbij hoort ook dat het PBL zelf bepaalt op welke manier en op welke wijze het PBL zijn rapporten naar buiten brengt. Dit gebeurt conform de Aanwijzingen voor de Planbureaus (Staatscourant 21-02-2012, 3200). Tijdens het constituerend beraad van het kabinet is besloten dat het PBL een officiële adviesrol heeft voor de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof.
Het rapport is op 2 september, de avond voor publicatie, ambtelijk met LVVN gedeeld. Er heeft op dat moment geen inhoudelijk contact met het PBL plaatsgevonden.
Kunt u, indien u voorafgaand aan de betreffende persconferentie geen gesprekken of andere contacten met het PBL heeft gehad, dit dan expliciet bevestigen?
Ik neem aan dat u doelt op de vraag over mijn contacten met het PBL van het lid Kostić (PvdD), gesteld tijdens een ordedebat aan het begin van het commissiedebat. De heer Jansen heeft zich bij die vraag van het lid Kostić aangesloten. Ik heb tijdens het debat geantwoord dat het PBL een onafhankelijk instituut is en dat het PBL het ministerie heeft geïnformeerd dat dit hun werkwijze is. Daarnaast heb ik aangegeven dat het ongenoegen van Kamerleden over de werkwijze van het PBL zou worden overgebracht. Dit is inmiddels gebeurd.
Kunt u daarbij ook aangeven wanneer u voor het eerst kennis heeft genomen van de informatie, conclusies of bevindingen die het PBL in het kader van de betreffende persconferentie naar buiten heeft gebracht?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten waarom u tijdens het commissiedebat Ontwerp-Natuurplan van 3 september 2026 niet meer bent teruggekomen op de door het lid Chris Jansen gestelde vraag?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de Kamer alsnog volledig en concreet antwoord te geven op de oorspronkelijke vraag van het lid Chris Jansen, zodat deze tijdens het commissiedebat onbeantwoord gebleven vraag alsnog wordt beantwoord?
Ja, zie hierboven.
Kunt u deze vragen voor komende week woensdag beantwoorden?
Tot mijn spijt is dit niet gelukt.
De gasvelden in Groningen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Is het correct dat het afdichten van de gasputten in Groningen ongeveer 2 miljard euro kost?1 Indien dit niet correct is, hoeveel kost het afdichten van deze gasputten de Nederlandse belastingbetaling bij benadering dan ongeveer?
De kosten voor het opruimen van de gasputten van het Groningenveld zijn kosten die hoe dan ook op enig moment gemaakt zouden moeten worden, want op basis van de Mijnbouwwet is een operator verplicht buitenwerking gestelde mijnbouwwerken te ontmantelen. Een deel van de opbrengst van de winning is hiervoor in het verleden opzijgezet.
NAM geeft desgevraagd aan dat de kosten voor alleen het opruimen van enkel de resterende putten van het Groningenveld ongeveer € 0,5 miljard bedragen (peildatum eind 2025). Hiervoor geldt dat 40% daarvan (€ 0,2 miljard) door EBN wordt gedragen. Zowel NAM als EBN hebben hiervoor voorzieningen genomen. Tenslotte drukken de opruimkosten het resultaat van NAM, wat leidt tot gemiste belastinginkomsten.
Zoals hierboven gesteld, zijn dit geen extra kosten gerelateerd aan huidige beleidskeuzes, maar kosten die altijd op enig moment gemaakt worden.
Is het correct dat de gasinstallaties boven het Groningse gasveld inmiddels deels naar Oekraïne zijn verscheept?
Ik verwijs naar de antwoorden van de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp op vragen van de van de leden Klos en Van der Werf (beiden D66) over het artikel «Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben»2, die op 2 februari jl. zijn toegezonden aan de Tweede Kamer. Daarin is aangegeven dat het kabinet in verband met de veiligheidssituatie in Oekraïne geen uitspraken doet over concrete leveringen.
Hoeveel tijd en geld zou het Nederland, bij benadering, kosten om, in een noodsituatie waarbij er uit het buitenland ineens niet voldoende gas naar Nederland kan worden gehaald, onze Groningse gasvelden, die nu met beton worden dichtgestort en waarvan de gasinstallaties worden ontmanteld, weer operationeel te maken?
Er is een duidelijke belofte gedaan na jaren van leed en onduidelijkheid: het Groningenveld blijft dicht. Het wetsvoorstel waarmee de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld wettelijk is verankerd, is begin 2024 met een overgrote meerderheid door zowel de Eerste als de Tweede Kamer aangenomen. Een betrouwbare overheid komt daar niet op terug. Er is daarom geen tijds- en kosteninschatting van het opnieuw operationeel maken van de gasinstallaties.
Voor het ondervangen van noodsituaties is het Bescherm- en Herstelplan Gas (BHG) ontwikkeld. Ook wordt een voorlopige strategische gasopslag aangelegd in de PGI Alkmaar. Voor een grotere strategische gasopslag ga ik graag in gesprek met de Kamer op basis van de brief over strategisch gasbeleid die op korte termijn aan de Kamer wordt toegezonden. Daarnaast werkt het kabinet het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis en de daarbij horende lagere regelgeving verder uit.
Vindt u het verstandig, met een dreigende internationale energiecrisis op komst, de gasputten naar onze nationale strategische gasreserve vol te storten met beton en de gasinstallaties te ontmantelen en verschepen naar Oekraïne?
Zie het antwoord op vraag 3.
Voor hoeveel procent, ongeveer, is de Nederlandse strategische gasopslag op dit moment gevuld en loopt het vullen hiervan volgens schema?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de recente Kamerbrief over gasleveringszekerheid3. Daarin is aangegeven dat de Nederlandse opslagen op 9 september met 51% gevuld waren. Het vullen loopt op schema.
Het verlagen van de vuldoelen voor de gasvoorraden |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat u voornemens bent het vuldoel voor de gasvoorraden te verlagen van 80% naar 64% om zo prijspieken te voorkomen?1
Het kabinet heeft op 11 september jl. een brief gestuurd over het actuele beeld van de gasleveringszekerheid en een vooruitblik op de winter van 2026–2027.2 Daarin is toegelicht dat het actuele beeld is dat de gasleveringszekerheid in aanloop naar de winter van 2026/2027 voldoende is geborgd. In deze brief is ook toegelicht dat en waarom Nederland gehoor heeft gegeven aan de oproep van de Europese Commissie om het EU-vuldoel voor Nederland te verlagen met 10 procentpunt om te voorkomen dat de gasprijzen onnodig (verder) worden opgedreven. Daarmee komt het Europees vuldoel voor Nederland uit op 64%, dat is afgerond 93 TWh.
Deelt u de mening dat het een bizarre gang van zaken is (1) dat u eerst zélf een nationaal vuldoel vaststelt omdat u dat nodig acht, (2) dat u dat doel echter niet haalt en (3) dat u vervolgens het doel verlaagt? Kunt u zich voorstellen dat dit niet bepaald geruststellend overkomt?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat u «garandeert» dat de Nederlanders komende winter níét in de kou komen te zitten en dat er géén gastekort zal ontstaan? Zo ja, waarop is deze «garantie» gebaseerd, aangezien (1) de Gasunie de gasvoorraden nu weliswaar voldoende acht, maar een gastekort ook niet kan uitsluiten en (2) energiespecialisten er juist voor pleiten de gasvoorraden verder te vúllen, vrezend voor een zeer strenge winter en/of verstoringen?
Zie antwoord vraag 1.
Welk concreet effect verwacht u van het verlagen van het vuldoel op de gasprijs? Kunt u ook de «garantie» uitspreken dat de Nederlanders daadwerkelijk fors minder gaan betalen – en als dat niet middels een lagere gasprijs is, dan bijvoorbeeld door een lagere btw op energie?
Nederland heeft zelfstandig beperkte invloed op gasprijzen op de internationale groothandelsmarkt. De Europese Unie als geheel kan daar een groter effect op hebben. Daarom heeft de Europese Commissie alle lidstaten gezamenlijk opgeroepen om hun vuldoel met 10 procentpunt te verlagen. Zoals ik in het antwoord op de vragen 1, 2 en 3 heb aangegeven, geeft Nederland gehoor aan die oproep van de Europese Commissie. Verder heeft het kabinet dit voorjaar een pakket aan maatregelen vastgesteld om de weerbaarheid tegen hogere energieprijzen te vergroten en de mogelijke gevolgen op korte termijn te beperken.3
Klopt het dat Energie Beheer Nederland (EBN) met belastinggeld van de Nederlanders de gasvoorraden vult voor zover de markt dat nalaat, maar dat dat gas uiteindelijk ook naar het buitenland kan vloeien? Deelt u de conclusie dat de Nederlanders zich niet blauw betalen om andere landen van gas te voorzien?
Voor deze winter speelt EBN een belangrijke rol om voldoende gas op te slaan. Het gas dat in Nederland wordt opgeslagen wordt gekocht door leveranciers die klanten in Nederland kunnen beleveren maar ook klanten in buurlanden. Voor Nederlandse klanten gekocht gas blijft in Nederland en komt terecht bij Nederlandse afnemers. Andersom kunnen leveranciers met klanten in Nederland ook gas inkopen dat bijvoorbeeld in Duitsland wordt opgeslagen. De weerbaarheid van de Europese gasmarkt is gebaat bij een gezamenlijke aanpak. Daarom legt de Verordening gasleveringszekerheid4 ook alle landen met opslagcapaciteit een jaarlijks vuldoel op. Een gezamenlijke weerbare Europese gasmarkt komt de leveringszekerheid van alle lidstaten ten goede, inclusief Nederland. Gezien onze relatief grote opslagcapaciteit draagt Nederland daar wel meer dan sommige andere landen aan bij. Het kabinet pleit in dit kader in Brussel voor het aanpassen van het huidige systeem met behoud van leveringszekerheid.
Deelt u de mening dat óns gas van óns is? Gaat u ervoor zorgen dat ónze gasvoorraden louter ónze leveringszekerheid ten goede komen?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat in uw antwoord op vraag 21 u aangeeft dat in de KNMI’23 klimaatscenario’s gebruik is gemaakt van het hoge emissiescenario SSP5–8.5 om een hoog klimaatscenario af te leiden als worst-case scenario voor de effecten van klimaatverandering met als argument dat «Dit hoge klimaatscenario is ook mogelijk bij lagere emissies als het klimaat gevoeliger blijkt te reageren op een toename in broeikasgassen dan gedacht en/of als terugkoppelingen in de koolstofcyclus de CO2 concentratie sneller doet toenemen dan gedacht.», waarmee aangetoond is dat het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) ondanks dat nationaal en internationaal onderzoekers al bijna tien jaar waarschuwen dat het RCP8.5-scenario onwaarschijnlijk is en niet meer gebruikt zou moeten worden voor beleidsdoeleinden, toch nog dit onwaarschijnlijke scenario?
Kunt u als dat klopt dan aangeven op welke wetenschappelijke literatuur het KNMI baseert dat er versterkende effecten in het klimaat kunnen zitten waardoor het klimaat nog heftiger kan gaan reageren op een toename van CO2?
Klopt het dat het KNMI zonder wetenschappelijke onderbouwing nieuwe klimaatscenario’s draait waarbij het probeert aan te tonen dat je zelfs met veel lagere emissies toch die hoge opwarming kunt krijgen en dus geen afstand wil nemen van de hoge opwarming en snelle zeespiegelstijging in hun Hoge scenario?
Deelt u de mening en zo nee waarom niet dat in de «KNMI-klimaatscenario’s 2023» er wel wordt gehint dat RCP8.5 niet langer plausibel zou zijn maar toch omschrijft het KNMI in het antwoord op vraag 2 het gebruik van RCP8.5 als een worst-case scenario terwijl die omschrijving in het 66 pagina’s tellende rapport van het KNMI helemaal niet voorkomt en het KNMI en PBL het RCP8.5 scenario in 2014 dus wel degelijk opvoerden als een business-as-usual scenario?
Deelt u de volgende mening: in vraag 26 vraag ik de Kamer met spoed een eerste inventarisatie te sturen van de projecten in Nederland die gebaseerd zijn op RCP8.5 en/of SSP5–8.5 zodat de Kamer kan zien hoe dit scenario heeft doorgewerkt in de samenleving en u antwoord dat u daarvoor onvoldoende aanleiding ziet en verwijst u naar de Kamerbrief «KNMI’23-klimaatscenario’s en doorwerking in Rijksbeleid» van 8 mei 20242 die een uitgebreid overzicht zou geven, maar die brief zelf noemt RCP8.5 of SSP5–8.5 niet expliciet maar geeft wel aan dat de overheid een scenario gebruikt dat vergelijkbaar is met een hoge-emissiewereld (SSP5–8.5-familie) als basis voor een groot aantal strategische investeringen en beleidsprogramma’s en de brief documenteert daarmee een brede institutionele doorwerking van dit type scenario in de Nederlandse samenleving?
Kunt u de projectlijsten van bijvoorbeeld (en niet limiterend) Rijkswaterstaat, Deltares, ProRail, IPO, Unie van Waterschappen en de provincies waarnaar is gevraagd alsnog aan de Kamer toesturen, ter aanvulling op de genoemde brief van Minister Harbers die weliswaar bewijst dat de beleidsmatige doorwerking groot is, maar nog geen inventarisatie van de feitelijke projectmatige doorwerking oplevert en alleen programma’s weergeeft?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van zelfregulering in deze sector, nu een zelf opgelegde norm bij een groot nieuw project ruim wordt overschreden?1
Kunt u toelichten welke informatie het Rijk op dit moment structureel ontvangt over het feitelijke drinkwatergebruik per datacenter in Nederland?
Kunt u toelichten op welke juridische grondslag een bevoegd gezag het drinkwatergebruik van een nieuwe vestiging kan meewegen bij de verlening van een omgevingsvergunning?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van drinkwater in het huidige stelsel vooral achteraf wordt geregeld via de leveringsrelatie met het drinkwaterbedrijf, en niet vooraf in het ruimtelijk spoor?
Kunt u toelichten welke wijzigingen in wet- en regelgeving nodig zouden zijn om waterbeschikbaarheid een expliciete afwegingsgrond te maken bij vergunningverlening aan grootverbruikers?
Kunt u toelichten of het juridisch en uitvoeringstechnisch denkbaar is om de logica van de verdringingsreeks ook vooraf toe te passen, bij het toestaan van nieuw grootschalig drinkwatergebruik, in plaats van uitsluitend bij feitelijke schaarste? Zo ja, hoe kijkt u naar een dergelijke aanpassing?
Kunt u toelichten in hoeverre de zorg- en leveringsplicht uit de Drinkwaterwet zich uitstrekt tot laagwaardig industrieel gebruik, zoals koeling?
Kunt u toelichten hoe u opvolging geeft aan de aanbeveling uit het Rli-advies «Zorg voor water» om de systeemverantwoordelijkheid voor de drinkwatervoorziening actiever in te vullen?2
Kunt u toelichten hoe een nieuwe aansluiting van deze omvang zich verhoudt tot het doel uit het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing om het zakelijke drinkwatergebruik in 2035 met 20 procent te verminderen ten opzichte van de referentieperiode 2016–2019?3
Bent u bereid te verkennen of het besluitmoment over meer sturende maatregelen, dat nu is voorzien bij de herijking van dat plan in 2028, naar voren kan worden gehaald?
Het buitensporige watergebruik van een nieuw datacenter in Amsterdam |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
de Bat , Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat het onwenselijk is dat een nieuw commercieel datacenter jaarlijks circa 1,1 miljard liter drinkwater gebruikt, zeker tijdens een periode van uitzonderlijke droogte?1
Deelt u de opvatting dat drinkwater niet gebruikt zou moeten worden voor de koeling van datacenters, zeker wanneer alternatieve koeltechnieken beschikbaar zijn?
Bent u ervan op de hoogte dat het directe watergebruik van datacenters slechts een beperkt deel vormt van hun totale watervoetafdruk en dat het overgrote deel van het waterverbruik indirect is?
Kunt u actuele, onafhankelijke cijfers over de totale watervoetafdruk van datacenters (direct en indirect) in Nederland met de Kamer delen, uitgesplitst naar:
Kunt u aangeven welk aandeel dit vormt van de totale Nederlandse waterconsumptie?
Wordt bij de vergunningverlening en ruimtelijke afweging van datacenters rekening gehouden met de watervoetafdruk van de benodigde elektriciteitsproductie? Zo nee, waarom niet?
Welke landelijke wettelijke mogelijkheden heeft u om het gebruik van drinkwater door datacenters te verbieden of aan een bindend maximum te onderwerpen, mede gelet op de aangenomen motie-Grinwis c.s.?2
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Grinwis c.s. over het aanscherpen van de juridische criteria voor hyperscale datacenters en het stellen van effectieve wettelijke voorwaarden aan datacenters?3 Wat is de tijdlijn en wanneer krijgen we resultaten te zien?
Waarom gelden er op dit moment vooral landelijke vestigingsregels voor hyperscale datacenters, maar geen vergelijkbare landelijke begrenzingen voor watergebruik, elektriciteitsgebruik en maatschappelijke en ecologische belasting door andere grote datacenters?
Bent u bereid de bestaande landelijke regels uit te breiden naar datacenters die op dit moment niet onder de huidige definitie van hyperscale vallen, maar wel een groot beslag leggen op drinkwater of het elektriciteitsnet?
Bent u bereid om in landelijke regelgeving vast te leggen dat nieuwe datacenters geen drinkwater mogen gebruiken voor koeling?
Als een volledig verbod volgens u niet mogelijk is, bent u dan bereid een strikt landelijk maximum per datacenter en voor de sector als geheel vast te leggen? Zo nee, welke andere effectieve maatregelen bent u dan wel bereid te nemen?
Erkent u dat de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en de daarmee samenhangende groei van datacenters zo snel verloopt dat wet- en regelgeving, democratische controle en maatschappelijke besluitvorming deze ontwikkeling onvoldoende kunnen bijbenen? Zo nee, hoe onderbouwt u dat?
Welke publieke voorwaarden moeten volgens u worden gesteld voor nieuwe datacenters of grootschalige AI-infrastructuur, zodat de baten aantoonbaar ten goede komen aan de Nederlandse samenleving en niet hoofdzakelijk terechtkomen bij buitenlandse technologiebedrijven?
Hoeveel van de datacenters in Nederland komt ten goede aan de Nederlandse en Europese digitale autonomie?
Bent u het eens met de stelling dat er gezien de schaarse ruimte in Nederland geen ruimte moet zijn voor datacenters voor big-tech-bedrijven buiten Europa? Zo nee, waarom niet en ten koste waarvan mogen zulke big-tech-datacenters dan gaan volgens u?
Bent u bereid om per direct een tijdelijk landelijk moratorium in te stellen op datacenters, totdat bindende landelijke wetgeving is vastgesteld over onder meer het directe en indirecte watergebruik, het energiegebruik, de belasting van het elektriciteitsnet en de gevolgen voor woningbouw en andere maatschappelijke functies? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het maatschappelijk onaanvaardbaar is wanneer woningbouwprojecten door netcongestie vertragen of stilvallen, terwijl nieuwe energie-intensieve datacenters wel capaciteit kunnen krijgen en een datacenter al snel een capaciteit van 40 MW vraagt, wat in dezelfde ordergrootte is als 100.000 huishoudens? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel elektriciteit gebruikt het voorgenomen datacenter in Amsterdam naar verwachting maximaal, en hoeveel netcapaciteit is daarvoor nodig?
Deelt u de opvatting dat woningbouw, zorg, openbaar vervoer, verpleeghuizen, scholen en andere vitale maatschappelijke functies voorrang moeten hebben op commerciële datacenters bij de verdeling van schaarse netcapaciteit? Zo nee, waarom niet?
Waarom zijn datacenters niet als afzonderlijke categorie opgenomen in het prioriteringskader voor nieuwe aansluitingen op het elektriciteitsnet? Welke prioriteit krijgen datacenters precies op dit moment in het kader?
Staat er een evaluatie van dit prioriteringskader gepland, om te zien in hoeverre netbeheerder hierdoor maatschappelijke aspecten meewegen bij het verdelen van netcapaciteit? Zo nee, bent u bereid deze evaluatie alsnog te doen?
Bent u bereid wettelijk vast te leggen dat nieuwe datacenters geen aansluiting krijgen zolang daardoor capaciteit wordt verdrongen die nodig is voor woningbouw of andere maatschappelijke prioriteiten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een landelijke vergunningsvoorwaarde in te voeren waarin datacenters verplicht worden hun elektriciteitsvraag flexibel af te schakelen tijdens piekbelasting en netcongestie?
Welke mogelijkheden ziet u om datacenters verplicht te laten bijdragen aan netverzwaring, flexibiliteit, opslag en lokaal energiebeheer, zodat de kosten niet op huishoudens en andere gebruikers worden afgewenteld?
Erkent u dat de gevolgen van datacenters voor drinkwater, elektriciteit, ruimte, warmte en klimaat het lokale belang overstijgen en daarom om landelijke regie vragen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de daarvoor geldende termijn beantwoorden?
De impact, uitwerking en aanpassing van en communicatie over de stikstofbrief |
|
Jan Struijs (50PLUS), André Flach (SGP), Maarten Goudzwaard (JA21), Pieter Grinwis (CU) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Waarom was u de afgelopen weken, tot gisteren, zo stil, terwijl de onrust over de grote gevolgen van uw Kamerbrief op het platteland groter en groter werd? Waarom heeft u de tijd niet benut om toegankelijk uit te leggen wat uw aangekondigde beleid wel en niet betekent in gebieden en op bedrijfsniveau, afgezien van wat zogenaamde misverstanden, waar pas gisteren een eerste repliek op kwam1?
Op 26 juni hebben we als kabinet de aanpak gepresenteerd om te komen tot natuurherstel, een toekomstbestendige landbouw en een oplossing voor de stikstofproblematiek. We zijn in de Kamerbrief zo concreet mogelijk geweest wat deze aanpak betekent. Tegelijkertijd vragen diverse onderdelen om verdere, soms gebiedsgerichte, uitwerking voordat exact kan worden gezegd wat dit betekent op gebieds- en bedrijfsniveau. Dat doen we de komende tijd zorgvuldig met de betrokken partijen.
Het is een omvangrijk pakket, want dat is nodig om de beoogde doorbraak te realiseren. We vragen daarbij in de periode tot 2035 veel, zeker ook van de agrarische sector. Het is begrijpelijk dat daar vragen en zorgen over zijn. Helder en zorgvuldig uitleggen wat we doen, waarom we dat doen en wat dit richting 2035 gaat betekenen zie ik daarom als essentieel. Ik heb de afgelopen zomer daarom zelf gesprekken gevoerd met individuele boeren, sectorpartijen en terreinbeherende organisaties, over de inhoud van het pakket en de manier waarop we daar invulling aan kunnen geven. Die gesprekken zijn heel waardevol en inzichten daaruit benut ik voor de verdere uitwerking van de plannen.
De afgelopen periode heb ik mij zowel rechtstreeks als via belangrijke stakeholders, ingespannen om vragen die in de sector leven zo goed mogelijk te beantwoorden. Via zaakbegeleiders is er individueel contact met agrarisch ondernemers. Medeoverheden zijn deze zomer in een webinar geïnformeerd over de zoneringsplannen en er zijn bijeenkomsten geweest met agrarisch bedrijfsadviseurs, zodat ook zij in staat zijn om het gesprek te voeren met agrarisch ondernemers. Ondernemers kunnen met vragen ook terecht bij het Informatiepunt Stikstof en Natura 2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. De ervaring tot nu toe leert dat er relatief weinig vragen zijn gesteld bij deze loketten. Niettemin blijven we de komende periode actief communiceren, onder andere via de websites groeiennaarmorgen.nl en onslevendlandschap.nl, en blijven we beschikbaar om vragen van ondernemers zo goed mogelijk te beantwoorden.
De verdere invulling van de maatregelen is van groot belang voor de duidelijkheid die vanuit de sector wordt gevraagd. Dit kwam ook naar voren in het gesprek dat op 20 augustus met LTO en NAJK is gevoerd. We hebben afgesproken om frequent en structureel in gesprek te blijven. Het kabinet zal de komende periode benutten om samen met medeoverheden, maatschappelijke partijen en uw Kamer te komen tot een verdere invulling van de verschillende maatregelen.
Waarom liet u de informatievoorziening over aan andere organisaties, zoals Agractie met een heldere gratis rekentool2? Waar was uw explainer en rekentool? Bent u ook zo geschrokken van de impact van de bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht uit uw brief voor alle melkveehouders in ons land? Of klopt de globale inschatting van de gevolgen voor de CO2- en ammoniakuitstoot en de financiële impact op melkveebedrijven in de rekentool van Agractie niet? Op welke punten dan niet en hoe zit het dan wel en met welke impact?
De gestelde emissienorm voor de melkveehouderij zal flinke inspanningen vragen van ondernemers om emissies te reduceren en zal in veel gevallen ook stevige investeringen vragen. Daarom is belangrijk dat we duidelijkheid bieden waar ondernemers staan ten opzichte van de norm en welke handelingsperspectieven zij hebben. Ondernemers kunnen nu via Kringloopwijzer al een eerste indicatie krijgen hoe zij scoren ten opzichte van de bedrijfsemissienormen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeien naar morgen3.
Het kabinet zal daarnaast op korte termijn, met input van sectorpartijen en private initiatieven, verschillende herkenbare bedrijfssituaties uitwerken als voorbeelden en daarover communiceren. Ook heeft LVVN opdracht aan WUR verleend om een gebruiksvriendelijke, maar ook wetenschappelijk gevalideerde, tool te bouwen waarmee melkveehouders inzicht krijgen wat er op hun bedrijf mogelijkheden zijn om aan de emissienormen voor ammoniak en broeikasgassen te voldoen.
Er is online een aantal tools te vinden die door derden worden aangeboden, waarmee boeren een berekening kunnen maken van wat de opgave betekent voor hun bedrijf. Deze tools zijn niet allemaal juist of volledig, in de tool van Agractie staan bijvoorbeeld geen managementmaatregelen voor ammoniakreductie in. Aanpassingen in voer of weidegang worden ook niet meegenomen, terwijl hier wel reductie mee bereikt kan worden.
De gestelde normen zullen veel vragen van ondernemers. Om ondernemers te helpen bij het nemen van maatregelen heeft het kabinet ook middelen gereserveerd voor het ondersteunen van innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en vrijwillig beëindigen.
Hoe verhouden de potentieel strijdige landelijke sporen uit uw Kamerbrief van 26 juni jl.3 van bedrijfsspecifieke emissienormen en andere landelijke regelingen, zoals inzake extensivering en vrijwillige opkoop, zich tot elkaar én tot het spoor van de gebiedsgerichte aanpak, waarin per Natura 2000-gebied wordt vastgesteld welke drukfactoren moeten worden verminderd, bij het bepalen van de totale reductieopgave voor de landbouw? Hoe werkt dit uit voor een individueel landbouwbedrijf, zowel binnen als buiten de zones?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. heeft het kabinet een samenhangende aanpak geschetst om natuurherstel te realiseren en vergunningverlening mogelijk te maken. Deze aanpak bestaat uit (systeemherstel)maatregelen die op meerdere drukfactoren zijn gericht, waaronder de opgave voor stikstof.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn gericht op het verminderen van de emissie per bedrijf via techniek- en managementmaatregelen. In eerste instantie door te informeren en stimuleren via subsidies. Per 2035 worden deze normen afrekenbaar. De normen worden vastgesteld op een ambitieus maar haalbaar niveau om zo de innovatiekracht van de Nederlandse landbouw aan te spreken en te gebruiken om een zo groot mogelijk gedeelte van de opgave mee te behalen. Tezamen met generiek beleid, zoals gericht op extensivering en vrijwillige beëindiging, wordt daarmee de emissiereductieopgave ingevuld en een belangrijke bijdrage geleverd aan het wegnemen van de drukfactor stikstof. De zoneringsaanpak richt zich op een vijftal drukfactoren in relatie tot landbouw en grondgebruik, te weten hydrologie, waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen, versnippering en stikstof. Voor met name deze laatste drukfactor geldt dat een belangrijke bijdrage aan wegnemen van deze drukfactor door generiek beleid wordt geleverd. Hoe dit uitwerkt voor een individueel landbouwbedrijf is afhankelijk van de specifieke staat van de natuur in de relevante gebieden en van de nadere invulling van de samenhangende aanpak.
Hoe verhoudt het antwoord op vraag 3 zich tot de uitspraak van de Raad van State inzake Lieftinghsbroek4, waaruit blijkt dat niet van een vooraf vastgestelde generieke emissiereductie kan worden terug geredeneerd naar de ecologische noodzaak, maar dat de causaliteit de andere kant op moet worden aangetoond: eerst vaststellen welke natuurkwaliteit in welk gebied moet worden beschermd, welke drukfactoren daarvoor moeten worden aangepakt, en pas daarna bepalen welke bijdrage van de landbouw nodig is? Erkent u dat een generieke landelijke reductiedoelstelling niet automatisch volgt uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied? En dat een generieke reductie op landelijk niveau met generieke normen niet afdoende is om lokale discussies rondom vergunningen (lid 3), PAS-melders en interim-mers te beëindigen? Kunt u klare wijn schenken over welk van deze strijdige paradigma’s prevaleert in de verdere uitwerking van uw beleid?
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over Lieftinghsbroek onderschrijft dat de onderbouwing gebiedsgericht moet zijn. In die zaak was een verwijzing naar het landelijke maatregelpakket op zichzelf onvoldoende. Pas toen inzichtelijk was gemaakt welk effect concrete maatregelen in en rond dit gebied hebben, achtte de afdeling de motivering toereikend. Uit de ecologische doelstelling van een afzonderlijk Natura 2000-gebied volgt niet automatisch een generieke landelijke reductiedoelstelling.
Generieke reductie is, net zoals een uitsluitend gebiedsgerichte aanpak, op zichzelf onvoldoende effectief om de vergunningverlening overal los te trekken. Juist met de samenhangende aanpak wordt gewerkt aan de oplossing om Nederland weer in beweging te krijgen. Op deze manier biedt het kabinet een basis om additionaliteit te onderbouwen en komt er, stapsgewijs en per gebied, weer ruimte voor vergunningverlening. Het zo goed als mogelijk monitoren van de staat van de natuur in de verschillende gebieden, en ook de relevante drukfactoren, is daarbij doorlopend van belang.
Vanwege de noodzaak om zo snel als mogelijk vergunningverlening los te trekken kiest het kabinet ervoor om voortvarend aan de slag te gaan met de aanpak. Dit betekent dat er parallel wordt gewerkt aan de invulling van het generieke beleid, de gebiedsgerichte aanpak en natuurherstelmaatregelen. Voor het kabinet zijn deze onderdelen niet tegenstrijdig maar versterken zij elkaar juist.
Maakt u inzichtelijk, bijvoorbeeld via een openbaar en actueel dashboard, hoe de in vraag 3 genoemde sporen zich tot elkaar verhouden, wat de historische en actuele stand van zaken qua emissiereductie en natuurherstel is en hoeveel waar bereikt is (bij Natura 2000-gebieden, regionaal, provinciaal, sectoraal en landelijk)? Hoe kunnen ondernemers en overheden straks weten waar ze staan, hoever ze zijn en wat er nog moet gebeuren?
Het kabinet vindt het van belang dat de voortgang richting doelbereik nauwkeurig wordt bijgehouden, en dat de inspanningen die ondernemers leveren hier direct in worden door vertaald. Om dit mogelijk te maken wordt de bestaande monitoringssystematiek waar nodig geactualiseerd en richten we aanvullende monitoring in, bijvoorbeeld om de realisatie op gebiedsniveau inzichtelijk te maken. Het maatregelpakket dat in juni is gepresenteerd wordt vastgelegd in een nieuw programma. Het kabinet verstuurt het Ontwerpprogramma dit najaar aan de Kamer, hierin zal de systematiek voor monitoring en evaluatie ook een plek hebben. Hierbinnen kan onderscheid worden gemaakt tussen monitoring van stikstofemissies op nationaal en sectorniveau, de monitoring van bedrijfsspecifieke emissienormen, en monitoring van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
De voortgang richting de stikstofemissiedoelen per sector voor 2035 wordt inzichtelijk gemaakt via de nationale realisatiecijfers door WUR (Emissies naar de lucht uit de landbouw berekend met NEMA), de Emissieregistratie, en de RIVM-rapportage Monitor stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden. In deze jaarlijkse rapportages wordt voor de (deel)sectoren landbouw, industrie en mobiliteit op nationaal niveau de ontwikkeling van de ammoniakemissie opgenomen. Ook is te vinden welke emissiereductie sinds 2019 al is behaald door de sector.
Het kabinet stuurt via bedrijfsspecifieke emissienormen op emissiereductie in de melkveehouderij en in de intensieve veehouderij. Deze normen zijn pas afrekenbaar in 2035 en ondernemers worden ondersteund bij het treffen van maatregelen om aan deze normen te kunnen voldoen. Voor de bedrijfsspecifieke emissienormen geldt dat het belangrijk is dat ondernemers inzicht hebben in wat deze normen in de praktijk voor hun bedrijf betekenen, en hoe zij stappen kunnen zetten in het behalen van die normen. Melkveehouders kunnen vrijblijvend de Kringloopwijzer raadplegen voor een eerste indicatie waar zij staan ten opzichte van de normen. Hiervoor is een handreiking beschikbaar gesteld op de website Groeiennaarmorgen.nl/kringloopwijzer. Ook wordt er een gebruiksvriendelijke tool gebouwd voor ammoniak en broeikasgassen die wetenschappelijk onderbouwd en gevalideerd is. Zie ook de beantwoording van vraag 2.
De effecten van de gebiedsgerichte inzet en van de natuurherstelmaatregelen op de Natura 2000-gebieden worden gemonitord via de, door het Verbeterprogramma VHR-monitoring ontwikkelde, maatregelregistratie-applicatie. De resultaten daarvan worden iedere twee jaar gerapporteerd door een consortium van PBL, WUR en RIVM in het kader van Monitoring en Evaluatie Stikstofreductie en Natuurverbetering. Specifiek voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt daarnaast dat de staat van instandhouding in beeld wordt gebracht via de Natuurdoelanalyses. De Natuurdoelanalyses worden op termijn voor alle Natura 2000-gebieden gedaan, gekoppeld aan de beheerplancycli.
Biedt u provincies inzake de gebiedsgerichte aanpak alleen ruimte voor een alternatieve invulling van de zonering (zoals de brief die u aan de provincies hebt verstuurd suggereert) en extra reductiedoelen bovenop de generieke stikstofaanpak, of kan de gebiedsgerichte aanpak ook een alternatief vormen voor de landelijke bedrijfsspecifieke normen zodra op gebiedsniveau vanuit het natuurbeheerplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)? Zo nee, wat stelt de gebiedsgerichte aanpak van onderop dan nog voor én blijft de onzekerheid rondom vergunningverlening dan niet bestaan? Zo ja, hoe gaat het precies werken als de normen per fosfaatrecht en dierplaats niet uniform, maar per regio verschillend worden?
De aanpak van het kabinet bestaat uit generieke maatregelen (waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen), een gebiedsgerichte inzet, natuurherstelmaatregelen, en maatregelen gericht op ondersteuning van boerenbedrijven en het platteland. Alleen in combinatie en samenhang leiden de verschillende onderdelen van de aanpak tot de noodzakelijke emissiereductie en het bredere natuurherstel, die nodig is voor ruimte voor vergunningverlening.
De bedrijfsspecifieke emissienormen zijn generiek en gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen die veehouders kunnen toepassen en dit reductiepotentieel is niet anders in andere provincies. Dat betekent dat de bedrijfsspecifieke normen niet vervangen kunnen worden door gebiedsgerichte inzet. Bij de verdere uitwerking van de bedrijfsspecifieke emissienormen blijven we wel in gesprek met de provincies om onder andere te leren van relevante ervaringen die zijn opgedaan.
Een «alternatieve invulling» voor de gebiedsgerichte aanpak (een omwisselbeslissing)6 ziet toe op de vervanging van de aanvullende gebiedsgerichte inspanning die van boeren in zones rond Natura 2000-gebieden wordt gevraagd. De Rijksinstructieregels vormen daarmee de ruggengraat van de aanpak. Hieruit volgen kaders op bijvoorbeeld doelbereik, borging, financiën en tijdspad waaraan een omwisselbeslissing dient te voldoen. In meerdere gebieden zijn boeren samen met andere partijen in gebiedsprocessen aan de slag. De omwisselbeslissing kan een uitkomst bieden voor partijen die, op basis van kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden, mogelijkheden zien om de aanvullende gebiedsgerichte inspanning op een andere manier te leveren.
Hoe verhouden volgens u de eisen in de zonering (namelijk extensivering middels veebezetting en mestgebruik, zoals in de Kamerbrief van 26 juni jl. staat) zich tot het alternatief (geborgde gebiedsplannen, zoals ook benoemd in de genoemde Kamerbrief)? Hoe, wanneer en op basis van welke berekening/methodiek weet een ondernemer (samen met de provincie in dat geborgde gebiedsplan) of het alternatief voldoende is?
Bovenop het generieke beleid is aanvullende gebiedsgerichte inspanning nodig om verdere achteruitgang te stoppen. Het ambitieniveau en de borging (het wat) van deze aanvullende inspanning is niet te vervangen als we stevige stappen willen zetten op natuurherstel en het vlottrekken van de vergunningverlening. De manier waarop we dit doen (het hoe) kan wel alternatieven kennen. Gezien de urgentie van de problematiek in veel Natura 2000-gebieden, de effecten hiervan op de vergunningverlening, en de mogelijke intrekkingen als gevolg van een onvoldoende geborgd of doelmatig pakket moet een alternatief plan (een omwisselbeslissing7) eenzelfde ambitieniveau en borging in de tijd kennen met eenzelfde middelenbehoefte. Anders is deze alternatieve aanpak onvoldoende stevig om de benodigde stappen te zetten. De inhoudelijke kaders en het proces van de omwisselbeslissing worden momenteel verder uitgewerkt. Eind oktober zal ik hier meer informatie over delen met uw Kamer. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. In de loop van 2028 wordt duidelijk of deze omwisselbeslissing aan de vereisten voldoet en kan dienen als volwaardige vervanging van de door het Rijk uitgewerkte aanpak.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van het doorlopen van een volwaardig gebiedsproces binnen het door u gestelde tijdsframe? Acht u het praktisch uitvoerbaar om voor alle gezoneerde gebieden binnen deze termijn tot volwaardige gebiedsplannen te komen? Kunt u daarbij aangeven of er voldoende procesregisseurs beschikbaar zijn om deze processen zorgvuldig te begeleiden en op welke wijze en in welke mate de betreffende gebieden hierbij worden ondersteund?
Het is van belang om een onderscheid te maken tussen het opstellen en indienen van een omwisselbeslissing enerzijds en het volledig uitvoeren van het onderliggende plan. Gebieden kunnen, onder leiding van provincies, tot 1 januari 2028 een verzoek voor een omwisselbeslissing indienen. Dat betekent niet dat het onderliggende plan dan al volledig moet zijn uitgevoerd. Bovendien zijn in veel gebieden al belangrijke stappen gezet en kan op bestaande processen worden voortgebouwd. Tegelijk vraagt de volledige uitvoering van het onderliggende plan bij een omwisselbeslissing op onderdelen om trajecten met een langere doorlooptijd, waarin onder meer kavelruil en herverkaveling een rol spelen. Ondernemers krijgen de komende jaren dan ook de ruimte om hun bedrijfsvoering geleidelijk aan te passen en maken daarbij zelf de keuzes richting extensivering. Dat vraagt om goede afstemming op gebiedsniveau, waarbij onder meer grondbehoefte en de inzet van vrijvallende grond samenkomen.
Die puzzel legt zich niet vanzelf. Provincies hebben onder de Omgevingswet een wettelijke taak voor gebiedsgerichte coördinatie en zullen doorgaans als gebiedsregisseur optreden. Daar hoort passende ondersteuning bij. Het faciliterend pakket wordt er onder meer op ingericht om grondmobiliteit op gang te brengen, ondernemers te ondersteunen bij hun bedrijfsplannen en te voorzien in kennisondersteuning en zaakbegeleiding. Rijk, provincies en gemeenten werken daarnaast gezamenlijk aan toereikende procesbegeleiding en voldoende uitvoeringscapaciteit, zodat binnen het gestelde tijdsframe in alle gezoneerde gebieden waar nodig tot een werkbaar gebiedsproces kan worden gekomen.
Welke wetenschappelijke basis en rapporten liggen ten grondslag aan uw keuze voor 500 meter en voor (de locatie van) 1.000 meter-zones? Zijn kleinere/minder zones rond stikstofgevoelige natuur (in slechte staat) ook overwogen? En hoe verhoudt de door u gekozen zoneringsaanpak zich tot de hotspotaanpak, zoals gehanteerd bij de Veluweaanpak?
Er zijn verschillende onderzoeken en rapporten (zie hieronder) benut die de keuzes omtrent de zoneringsaanpak kunnen motiveren. Daarbij gaat het onder andere om de noodzaak voor gebiedsgerichte maatregelen buiten het Natura 2000-gebied, evenals het type maatregelen, het ambitieniveau van deze maatregelen, en het ruimtebeslag hiervan. Daarnaast is een eigen methodiek toegepast om op basis van beschikbare landbouwgegevens over bedrijfslocaties, bedrijfstypen en bedrijfsemissies te bepalen waar voldoende aanleiding is om een zone van 1.000 meter voor te stellen om voldoende bij te dragen aan een vermindering van druk op het Natura 2000-gebied door (lokale) stikstofemissies.
Kleinere zones zijn in een eerder stadium ook verkend. Om voldoende effect te hebben zou dat wel betekenen dat het regime in een kleinere zone ingrijpend strenger zou moeten, wat resulteert in onvoldoende perspectief voor een vorm van landbouwkundig gebruik. Om een toekomst voor de landbouw rondom Natura 2000-gebieden te bieden (al dan niet in een extensieve vorm) is gekozen voor zones met een lager ambitieniveau en een groter ruimtebeslag. Een keuze voor kleinere zones zou op basis van het huidige ambitieniveau (namelijk behoud van extensieve landbouw) onvoldoende effectief zijn om landbouw-gerelateerde drukfactoren op Natura 2000-gebieden voldoende te verminderen. Daarmee zou het doel, natuurherstel realiseren waardoor Nederland stapsgewijs van het slot komt, niet behaald worden. Als overheden gaan Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen met prioriteit aan de slag in de vijf prioritaire gebieden, juist omdat hier de grootste opgaven liggen en gestapelde drukfactoren. Hier plegen de vier overheden extra inzet, onder meer op het versterken van de uitvoeringskracht.
Voor de Veluwe hebben de vier overheden met elkaar de samenwerkingsovereenkomst voor de Aanpak Veluwe ondertekend. In de Kamerbrief is hierover opgenomen: «Bredere inzet op emissiereductie, natuurherstel en fysiek beekdalherstel wordt vormgegeven via de Aanpak Veluwe.» Hiervoor is met de regionale bestuurders al afgesproken dat aanpassingen kunnen worden gemaakt in de begrenzing van de zone. Een uitbreiding van de zone van 500 meter naar 1.000 meter is voor de Veluwe niet nodig omdat emissiereductie (65%-69%) op een groter gebied dan de 1000m-zone, namelijk het hele gebied van de Aanpak Veluwe, wordt gerealiseerd. Binnen de Aanpak Veluwe worden de natuur- en watermaatregelen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de wettelijke vereisten (KRW en VHR) en die voldoende zijn voor robuust systeemherstel en weer kunnen aantonen van additionaliteit. Op een later moment zal besloten worden of de Aanpak Veluwe, of het strokenbeleid als onderdeel hiervan, kan dienen als omwisselbeslissing voor de instructieregels van de zonering. Anders wordt de Aanpak Veluwe en/of het strokenbeleid aangepast of gaan de instructieregels in de zone gelden.
En niet-uitputtende lijst van bronnen en onderzoeken die zijn benut voor de totstandkoming van de zoneringsaanpak:
Omschrijving
Bron
Rapport van de Ecologische Autoriteit over de weging van maatregelen en prioritering van drukfactoren in Natura 2000-gebieden
RIVM-rapport over emissies en deposities uit zones rond Natura 2000-gebieden
Kennisnotitie WENR over effect van maatregelen in zones van verschillende afstanden rondom Natura 2000-gebieden in de provincie Zuid-Holland
Arcadis Rapport met inzicht over drukfactoren per Natura 2000-gebied in de provincie Zuid-Holland
PBL Landbouw- en natuurverkenning met scenario’s voor een toekomst van de landbouw in Nederland met inzicht in overgangszones rond N2000-gebieden
Onderzoek naar de verspreiding van pesticiden in de Peel
Reflectie op MCEN-maatregelenpakket vanuit kennisconsortium PBL, Deltares, RIVM & WUR
Haalbaarheidsstudie WSN-doelen met maatschappelijke kosten-batenanalyse voor scenario met zone van 1km
WUR-rapport over voorkomen pesticiden in N2000-gebieden met inzicht in problematiek rond gewasbeschermingsmiddelen
Rapport over ruimtelijke benadering voor het oplossen van de stikstofproblematiek in Nederland
PON-Telos rapport grond voor verbinding over een grondstrategie rondom Natura 2000-gebieden
Natuurdoelanalyses uitgevoerd voor 131 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met per gebied inzicht in de knelpunten en oplossingsrichtingen voor de instandhouding van het Natura 2000-gebied.
Zie individuele publicaties bij verschillende provincies of website Ecologische Autoriteit.
Advies van de Ecologische Autoriteit om Op basis van de hoofdbevindingen en veldbezoeken nav de natuurdoelanalyses breder te adviseren over wat nodig is om de natuurdoelen te halen.
RIVM Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025
Bent u bereid de volledige (reken-)methodiek, inclusief rapporten, data, emissie- en depositiecijfers en de totaalanalyse van alle drukfactoren, voor alle aangewezen zones, zowel rond Natura 2000-gebieden als beekdalen als grondwaterbeschermingsgebieden, aan de Kamer te zenden, met daarbij dus de onderbouwing van de aanwijzing per afzonderlijk gebied?
Specifiek voor cijfers over stikstofemissie en -depositie in/uit de zones is gebruik gemaakt van de RIVM-kennisnotitie Emissies en deposities uit zones rondom Natura 2000-gebieden en onderliggende databestanden.8 Voor de mate van KDW-overschrijding per gebied is gebruik gemaakt van de cijfers uit het RIVM-rapport Monitor Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden 2025.9
Voor andere drukfactoren wordt op dit moment een proces doorlopen met de provincies om tot definitieve aanwijzing per gebied te komen. Zoals in de kamerbrief is gesteld is zonering niet voor elk stikstofgevoelig Natura 2000-gebied nuttig en nodig, omdat er bijvoorbeeld geen landbouw plaatsvindt of dat (zicht is op dat) instandhouding van het gebied bereikt wordt.
Voor beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderstaande bronnen benut om te concluderen wat de landbouwgerelateerde problematiek voor de specifieke beken en grondwaterbeschermingsgebieden is en welke oplossingsrichtingen daar mogelijk zijn.
1. Groenendijk, P. (2021). Kansen van de stikstofaanpak voor het doelbereik van de KRW voor nutriënten: Memo.
2. Groenendijk, P., Duan, K., Renaud, L., & Rietra, R. (2024). Effecten van maatregelen op nitraat in het agrarische deel van grondwaterbeschermingsgebieden. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3371). Wageningen Environmental Research.1
3. Van der Bolt, F., Groenendijk, P., & Renaud, L. (2025). Verkenning van het effect van grootschalig herstel van beekdalen op de emissies van nutriënten uit de bodem. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3461). Wageningen Environmental Research.2
4. Deltares, 2025. Doorrekening van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen voor KRW-doelbereik nutriënten. Memo.
5. Deltares uit 2023: Effectiviteit van bufferzones voor grondwaterstandsverhoging in grondwaterafhankelijke natuurgebieden op de zandgronden
6. Cleassens et al. 2016. (RIVM) Effecten van het landelijk mestbeleid op de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden
7. Ravensbergen et al. 2024. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – quickscan
8. Ravensbergen et al. 2025. Impactanalyse stoppen van gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden – verdiepende studie op quickscan
9. Van Driezum et al. 2025. (KWR) Bestrijdingsmiddelen in Nederlandse bronnen voor drinkwater (2018–2022)
10. Gies et al. 2023. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied
11. Ercan et al. 2025. Landbouw in klimaatrobuuste beeklandschappen
Hoe beoordeelt u de grote verschillen tussen provincies in de invulling en uitwerking van hun natuurbeheerplannen als ook de daadwerkelijke monitoring van het beheer in relatie tot andere drukfactoren dan stikstof? Wat vindt u ervan dat daarin veelal de stikstofproblematiek vanuit lid 3 VHR wordt aangevlogen in plaats van met de benodigde onderbouwing vanuit lid 1 en 2, met als extreem voorbeeld de situatie in de provincie Noord-Brabant? Herkent u deze problematische situatie en welke instructies bent u voornemens te geven (zoals inzake tempo, evaluatiemethodiek, afweging van drukfactoren en definiëring van de emissieruimte) ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
In Nederland hebben we een eenduidig kader om te voldoen aan de juridische eisen, onder andere voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het natuurbeleid in Nederland is gedecentraliseerd, zodat maatwerk mogelijk is met inachtneming van de fysieke kenmerken van en specifieke kennis uit een gebied. Om aan de geldende juridische kaders te voldoen is een goede, gebiedsspecifieke, evaluatiemethodiek van belang, waarin alle relevante drukfactoren worden meegenomen. De natuurdoelanalyses (NDA’s) spelen hierin een belangrijke rol. Ik heb de Ecologische Autoriteit gevraagd te adviseren over de geactualiseerde handleiding voor de NDA’s. Daarnaast bezie ik of aanvullende instructieregels voor Natura 2000-beheerplannen nodig zijn.
Via de SNL-systematiek is de monitoring van het natuurbeheer in belangrijke mate gestandaardiseerd. In aanvulling daarop monitoren provincies de effecten van drukfactoren, hierin is veel ruimte voor maatwerk. Ik werk via het Verbeterprogramma VHR-monitoring met provincies aan verbetering van de monitoring, onder meer van omgevingscondities. Dit moet adequaat beheer ten goede komen. Daarnaast kunnen provincies aan de slag met het opstellen van een plan waarmee zij additionaliteit kunnen onderbouwen. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Het stikstofbeleid richt zich dan ook op maatregelen die nodig zijn voor zowel het eerste, tweede als derde lid van de VHR.
Voor de genoemde situatie in Noord-Brabant geldt dat provincies als bevoegd gezag individuele intrekkingsverzoeken beoordelen. In dit geval ging het om een passende maatregel gebaseerd op artikel 6, tweede lid van de VHR. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk voor duidelijke landelijke kaders. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 12 en mijn eerdere beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp10.
Hoe staat u ondertussen ondernemers en provincies bij die te maken hebben met aanvallen op de natuurvergunningen? Hoe voorkomt u daarbij dat er verschil (rechtsongelijkheid) ontstaat in de omgang met vergunninghouders uit diverse sectoren, zoals in Noord-Brabant het geval is, waar de provincie op een andere wijze omgaat met industriële bedrijven en de Amercentrale dan met de vijf pluimveehouders? Welke instructies bent u voornemens te geven ter invulling van uw stelselverantwoordelijkheid?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Van der Plas11 vind ik het belangrijk dat ondernemers er in principe vanuit kunnen gaan dat natuurvergunningen blijven gelden. Die duidelijkheid is belangrijk. Als een intrekkingsverzoek wordt gedaan, zijn provincies in Nederland het bevoegde gezag om die verzoeken te beoordelen, waarbij een grote mate van zorgvuldigheid nodig is. Als Minister ben ik systeemverantwoordelijk. Daaraan geef ik invulling met het stikstofpakket dat het kabinet op 26 juni jl. heeft gepresenteerd. Het landelijke pakket gaat daarbij uit van een bijdrage van alle sectoren, met perspectief voor de agrarische sector. Naast de agrarische sector leveren ook de industrie en mobiliteit door fors minder stikstof uit te stoten.
In Noord-Brabant heeft de provincie zich naar aanleiding van een rechterlijke uitspraak en de specifieke situatie in en rond Natura-2000 gebieden tot het voornemen genoodzaakt gezien om de natuurvergunningen van vijf pluimveehouders in te trekken. Ik heb daarover bij de provincie aangegeven het belangrijk te vinden dat er geen onomkeerbare besluiten genomen worden totdat het trappetje van Remkes is doorlopen en dat de effecten van het maatregelenpakket worden meegenomen bij de afweging.
Kunt u garanderen dat een ondernemer die aantoonbaar voldoet aan de generieke normen uit uw brief en die de daarvoor noodzakelijke maatregelen uitvoert, ook daadwerkelijk juridische ruimte krijgt om zijn bedrijf voort te zetten en te ontwikkelen? Zo nee, waarin bestaat de rechtszekerheid van het voorgestelde doelsturingsbeleid dan concreet?
Het kabinet heeft er vertrouwen in dat met deze samenhangende aanpak de vergunningverlening losgetrokken kan worden en ruimte kan worden geboden voor boer, natuur en bouw. Deze aanpak bestaat onder andere aan de bedrijfsspecifieke emissienormen maar ook uit ander generiek en gebiedsgericht beleid.
Waarom kiest u ervoor om de norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen te koppelen aan de emissies van stallen en mestopslagen en lijken veld- en mestaanwendingsemissies hierbij buiten beeld te blijven? Als u niet bereid bent deze keuze te herzien, wat is dan uw repliek waard op het zogenaamde misverstand dat de in de Kamerbrief van 26 juni gecommuniceerde bedrijfsspecifieke norm slecht uitpakt voor extensieve en biologische melkveebedrijven, aangezien investeren in technische stalmaatregelen helemaal niet past bij hun bedrijfsstijl? Bent u bereid managementmaatregelen als meer weidegang, eiwitarmer voeren, aanzuren van mest, meer mestkwaliteit en mestverdunning bij aanwending volwaardig mee te tellen als bijdrage aan het behalen van de norm per fosfaatrecht? Waarom wel/niet?
Het klopt dat de bedrijfsspecifieke emissienorm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht alleen gebaseerd is op stal- en opslagemissies. Er is gekozen om voor het terugdringen van de veldemissies van ammoniak geen systeem van doelsturing in te voeren omdat de keuzemogelijkheden ten opzichte van de bestaande middelvoorschriften beperkt zijn. Daarbij geldt ook dat de borging van veldemissies complexer is omdat het meten hiervan lastiger is ten opzichte van emissies uit stallen. Daarnaast speelt een rol bij de keuze voor een norm per fosfaatrecht dat het meenemen van veldemissies niet goed past in de systematiek, omdat er dan een prikkel zou ontstaan om zoveel mogelijk land te verkopen en mest af te voeren (waardoor er ook geen veldemissies op het bedrijf zijn en een melkveehouder beter scoort op een norm per fosfaatrecht). Tevens worden de hoogtes van de veldemissies ook bepaald door omstandigheden waar een ondernemer geen invloed op heeft, zoals het weer. Daarom wordt ingezet op het verder aanscherpen van de voorschriften voor emissiearm aanwenden van meststoffen.
Het is een misverstand dat alleen technische stalmaatregelen kunnen worden ingezet om aan de norm te voldoen. Om de norm de te halen kunnen ondernemers verschillende maatregelen nemen, zoals meer weidegang of eiwit armer voeren. Keuzevrijheid en ruimte voor ondernemerschap zijn één van de belangrijkste uitgangspunten van bedrijfsgerichte doelsturing. De overheid stelt de normen, maar ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om aan deze normen te voldoen. De inzet van managementmaatregelen kunnen hier een belangrijk onderdeel van zijn bij zowel gangbare als extensieve bedrijven. Hierbij is het goed om rekening te houden dat het kabinet heeft aangekondigd om te kijken naar de gevolgen van de ammoniak norm voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve en/of productie-extensieve melkveehouderijen en of dit moet leiden tot een aanpassing van de emissienormen voor deze categorie bedrijven, of in de gehanteerde rekenmethoden ook voldoende rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering van extensieve veehouderij en of extra (financiële) ondersteuning noodzakelijk is. Bovendien is ook al een uitzondering aangekondigd op de klimaatnorm voor biologische bedrijven omdat niet alle maatregelen passen binnen de biologische bedrijfsvoering. Daarmee heeft en houdt het kabinet oog voor extensieve en biologische melkveebedrijven.
Als onverhoopt het terugdringen van veldemissies geen onderdeel maakt van de voorgestelde doelsturing, dan wel niet meetelt in relatie tot de door u gekozen norm van 0,164 kg NH₃ per fosfaatrecht, terwijl deze wel circa de helft uitmaken van de ammoniakemissies van de melkveehouderij, is het dan niet redelijk de gekozen norm navenant aan te passen?
De huidige emissienorm voor ammoniak (NH₃) van 0,164 kg per fosfaatrecht is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen gericht op stal- en opslagemissies. Veldemissies zijn in de bepaling hiervan niet meegenomen en een aanpassing van de norm is daarom nu niet aan de orde. Er vindt nog een nadere wetenschappelijke validatie van de normen plaats. De uitkomsten hiervan volgen in het eerste kwartaal van volgend jaar.
Bent u bereid om, gelet op de grote uitdaging voor melkveehouderijbedrijven om aan de gecommuniceerde bedrijfsspecifieke normen per fosfaatrecht te kunnen voldoen (en daarmee samenhangend de hoge kosten, uithollend draagvlak en het risico op rechtszaken zodra de norm niet wordt gerealiseerd en handhaving volgt), de norm verder te differentiëren naar bedrijfstype en te herformuleren naar een norm op bedrijfsniveau, waarbij het fosfaatrecht alleen wordt gebruikt om de norm in uit te drukken, waarna alle maatregelen inzetbaar zijn om aan deze reductie op bedrijfsniveau te voldoen? Als daarmee een equivalente reductie mogelijk is met draagvlak vanuit de sector, is dat dan niet te prefereren boven generieke uitrol van een hoge norm waarmee de sector verder moet intensiveren?
Met het stellen van een bedrijfsspecifieke emissienorm per fosfaatrecht krijgen bedrijven een duidelijk doel op bedrijfsniveau dat afhankelijk is van het aantal fosfaatrechten dat zij hebben. In eerste instantie wordt daarbij ingezet op het informeren en stimuleren van ondernemers. In 2035 wordt de norm afrekenbaar en moeten ondernemers daaraan voldoen. Ondernemers kunnen zelf bepalen welke maatregelen zij inzetten om de benodigde emissiereductie te realiseren, zoals het aanpassen van de stal, het nemen van managementmaatregelen, het verwerven van meer fosfaatrechten, of het extensiveren van de bedrijfsvoering.
De emissienorm is vastgesteld op basis van het technisch reductiepotentieel en daarmee is er sprake van één generieke norm om overal in Nederland te sturen op geborgde emissiereductie. Ook wordt hiermee voorkomen dat er complexe systematiek ontstaat waarin er verschillende normen gaan gelden voor verschillende bedrijven en gebieden.
Daarbij geldt wel dat het kabinet in de brief van 26 juni al heeft aangegeven goed te kijken naar de impact van de stikstofnorm op biologische en extensieve bedrijven. Mogelijk past deze norm niet goed bij de bedrijfsvoering van deze groep ondernemers. Daarom wordt er gekeken naar of er aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning nodig is voor deze bedrijven. Voor de klimaatnorm geldt dat biologische bedrijven beperktere handelingsperspectieven hebben en daarom zal voor deze bedrijven een uitzondering worden uitgewerkt.
En kunt u nog een aantal zaken met betrekking tot de ammoniakemissie per fosfaatrecht ophelderen, zoals: (a) Hoe ziet de achterliggende berekening voor de 0,164 kg NH3 per fosfaatrecht eruit?; (b) Is die 0,164 kg NH₃ is gebaseerd op het huidige aantal rechten, en zo ja, hoe gaat u dan om met de doorgehaalde rechten bij afroming en opkoop? Worden die opnieuw uitgegeven? En welke bedrijven komen daarvoor dan in aanmerking? Wat is de rol van de bestaande fosfaatbank daarbij?; (c) Is innovatie volgens u een belangrijk onderdeel van de oplossing? Zo ja, is dan de lijst van toegestane technieken niet veel te kort? Hoe wilt u daarbij het wantrouwen in de eerder afgeschoten Regeling Ammoniak en Veehouderij-lijst (RAV-lijst) verhelpen? Hoe en wanneer komt er een nieuwe juridisch houdbare lijst met meer nieuwe technieken met daarbij een herbeoordeling van de oude innovaties en stalvloeren, met zekerheid voor ondernemers; (d) Hoe regelt u de erkenning voor managementmaatregelen op dier- en stalniveau, die zorgen voor een belangrijke reductiedaling? Hoe wordt dit op de zeer korte termijn geregeld qua systematiek, waarbij hedendaags vakmanschap wordt beloond? En hoe wordt ten slotte hierbij de opgave voor dierwaardigheid meegewogen?
Beantwoording onder vraag 18.
Kunt u duidelijkheid geven aan de Kamer en aan veehouders of reeds gedane investeringen in inmiddels afgekeurde stalvloeren wel mee gaan tellen in het doelbereik, aangezien een vloer die circa de helft aan emissies reduceert ten opzichte van de aanvankelijke belofte nog altijd die helft van de oorspronkelijke emissies reduceert?
Om de hoogte van de norm te bepalen is in beeld gebracht wat op basis van bekende maatregelen het technisch reductiepotentieel is. Hiervoor is door de WUR het rapport «Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij»12 opgesteld. Deze gedane analyse rust in belangrijke mate op technische studies en rapporten, waarbij gekeken is naar op dat moment concreet beschikbare maatregelen in de sector. Daardoor wordt niet het onmogelijke gevraagd van blijvende ondernemers13. Uitgangspunt voor de bedrijfsspecifieke emissienormen is het technisch reductiepotentieel. Met de bekende technieken kan niet de hele opgave worden gerealiseerd. Daarom zijn er ook aanvullende maatregelen nodig. Het kabinet kiest er zodoende voor om de hoeveelheid productierechten te verminderen via afroming en vrijwillige beëindiging, en is niet voornemens om doorgehaalde rechten opnieuw uit te geven. Pas nadat de totale nationale fosfaatproductie onder het nationale mestproductieplafond ligt kan de fosfaatbank opengesteld worden waarmee het mogelijk wordt om aan grondgebonden (jonge) boeren niet-verhandelbare ontheffingen te verlenen voor de productie van een in de ontheffing opgenomen hoeveelheid fosfaat met melkvee, zonder dat de melkveehouders daar fosfaatrechten voor nodig hebben.
Om aan de normen te voldoen kunnen ondernemers verschillende maatregelen inzetten, zoals de inzet van (stal)techniek en innovatie, toepassing van managementmaatregelen, extensivering van de bedrijfsvoering, of verwerving van extra fosfaatrechten. Ondernemers die al stappen hebben gezet en al investeringen hebben gedaan, kunnen de gerealiseerde reductie meetellen in het halen van de norm. Uiteindelijk mogen de individuele bedrijven maximaal de gestelde emissienormen uitstoten en moet een ondernemer dit ook geborgd kunnen aantonen. Voor de inzet van (stal)technieken is het dan wel van belang dat (stal)technieken doen wat ze beloven. Hier zijn nog wel stappen te zetten, zodat nieuwe technieken en stalmaatregelen ook goed geborgd zijn. Daarom zijn de Ministeries IenW en LVVN bezig met het programma Vernieuwing Stalbeoordeling. In dit programma wordt een systematiek ontwikkeld waarbij de gemiddelde emissiereducties van staltechnieken geborgd wordt aangetoond en zo deze technieken voorzien van onderbouwde emissielabels waarmee ondernemers beslissingen kunnen nemen of en welke technieken zij in willen zetten. Juist ook om te borgen dat maatregelen doen wat ze beloven, en ondernemers ook voldoende rechtszekerheid te bieden en voldoende ruimte voor hun vakmanschap zijn nog de nodige stappen te zetten. Daarom worden de normen ook pas in 2035 afrekenbaar en niet eerder.
In de uitwerking van de gehele stikstofaanpak, dus ook bij de uitwerking van de emissienormen, zal steeds naar de integraliteit van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen nemen, waaronder voor integraal duurzame stallen.
Kunt u inzicht geven in de haalbaarheid van de klimaatnorm van 92 kg CO2-eq. per fosfaatrecht, zowel voor extensieve/biologische bedrijfsstijlen met relatief weinig fosfaatrechten en veel weidegang die niet overgaan tot maatregelen als mestvergisting en toediening van Bovaer als voor intensievere bedrijfsstijlen?
In de brief van 26 juni jl. heeft het kabinet al een uitzondering voor de biologische sector aangekondigd op de klimaatnorm, omdat niet alle maatregelen die melkveehouders kunnen nemen passen binnen de biologische bedrijfsvoering (zoals het gebruik van voeradditieven) en deze norm daarmee niet als haalbaar wordt gezien voor biologische bedrijven. Hoe deze uitzondering eruit moet komen te zien, wordt met de biologische sector besproken.
De klimaatnorm voor gangbare bedrijven is gebaseerd op het technisch reductiepotentieel van maatregelen om broeikasgasuitstoot te verminderen. Onder meer dagontmesting, mestvergisting en methaanremmende additieven kunnen hieraan bijdragen.
Hoe voorkomt u dat de gekozen koppeling aan fosfaatrechten economisch juist schaalvergroting en intensivering bevoordeelt, omdat voor de hand liggende technische stalsysteemaanpassingen meer passen bij een dergelijke bedrijfsstijl? Heeft u dit mogelijke gedragseffect onderzocht? En ook eventuele alternatieven die meer aansluiten bij een biologische en/of extensieve bedrijfsvoering?
Met een keuze voor het fosfaatrecht wordt verhandeling van emissieruimte mogelijk, hetgeen bedrijven meer handelingsperspectieven biedt en wordt de totale emissie in de melkveesector absoluut begrenst. Voor veel bedrijven zal gelden dat ook investeringen in stalaanpassingen noodzakelijk zullen zijn om aan de normen te kunnen voldoen. Er worden middelen ter beschikking gesteld om bedrijven hierbij te ondersteunen. Voor biologische en extensieve bedrijven zal, ook in overleg met partijen, worden gekeken naar de impact van de norm op de bedrijfsvoering en zal worden bekeken of het nodig is om aanpassingen en/of extra (financiële) ondersteuning te bieden. Dit omdat deze bedrijven op allerlei fronten een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke doelen.
Op welke wijze voert u de afspraak uit het coalitieakkoord uit, namelijk dat er een uitzondering op de grondgebondenheidsnorm komt voor bedrijven die voldoen aan doelsturing? Hoe en op basis van welke parameter(s) geeft u daar invulling aan in uw wetsvoorstel?
De voorgestelde grondgebondenheidsnorm zorgt voor een balans tussen het aantal stuks melkvee en het areaal landbouwgrond in een gebied. Dat draagt bij aan een toekomstbestendige melkveehouderij, die in balans is met de leefomgeving én een bijdrage levert aan de verbetering van waterkwaliteit, klimaatmitigatie, weidegang en biodiversiteit. Grondgebondenheid is dus niet louter gericht op waterkwaliteit.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat een zoveel mogelijk gesloten kringloop per bedrijf of per gebied minder vervuilend is en goed voor de waterkwaliteit en dat een eenvoudige grondgebondenheidsnorm wordt ingevoerd voor de melkveehouderij met een uitzondering voor bedrijven die voldoen aan doelsturing. Het kabinet heeft ervoor gekozen om niet aan vast te houden aan de koppeling met doelsturing en heeft hierbij in ogenschouw genomen dat het al dan niet realiseren van een norm voor waterkwaliteit ook wordt bepaald door factoren die buiten de invloed van de melkveehouder liggen zoals weersomstandigheden en dat de effecten op de waterkwaliteit in achtereenvolgende jaren kunnen fluctueren. Afhankelijk van de vormgeving van de uitzondering, heeft dit grote gevolgen voor melkveehouders als zij op een bepaald moment opeens niet blijken te voldoen aan de norm. De koppeling kan zorgen voor juridische risico’s voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van zowel de grondgebondenheidsnorm als van afrekenbare doelsturing.
Wanneer maakt u intern en extern salderen weer mogelijk? En welke afwijkingsmogelijkheden komen er op bedrijfsniveau, als op gebiedsniveau de doelen worden gerealiseerd? Welke ruimte biedt u met andere woorden aan een collectieve aanpak op gebiedsniveau met ruimte voor verschil op bedrijfsniveau?
Als er voldoende maatregelen worden getroffen die nodig zijn voor natuur, zijn intern- en extern salderen mogelijk. Met de samenhangende aanpak en bijbehorend maatregelpakket zal dat stapsgewijs en per gebied beter mogelijk worden. Het is mogelijk voor een gebied om een alternatieve gebiedseigen maatwerk-oplossingen (zoals een collectieve aanpak) vast te stellen als kan worden verzekerd dat individuele wijzigingen niet leiden tot mogelijke significante effecten.
Hoe ver bent u, samen met de provincies en het RIVM, met het ophogen van de rekenkundige ondergrens? Erkent u dat het verhogen van de rekenkundige ondergrens slechts een tijdelijke tussenoplossing is die vooral behulpzaam is op korte termijn, zolang Aerius een rol speelt in de vergunningverlening? Wat is de tijdlijn van de aanpassing van het vergunningenstelsel en vanaf wanneer speelt Aerius geen rol meer in de vergunningverlening?
In de brief van 26 juni jl. heb ik aangekondigd dat het kabinet zo snel mogelijk, maar uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027 de Rekenkundige Ondergrens (RKO) in zal voeren. Hiervoor zijn, aanvullend op een voldoende en geborgd maatregelenpakket, specifieke beheersmaatregelen nodig. Samen met provincies werk ik deze beheersmaatregelen uit en voor het eind van het jaar zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Met de invoering van de RKO zet het kabinet een volgende stap in het verbeteren van het gebruik van modellen en de toepassing van AERIUS in beleid, in opvolging van meerdere wetenschappelijke adviezen. AERIUS Calculator, of een vergelijkbaar systeem met depositiemodellen, blijft een rol spelen bij toestemmingverlening zolang het vergunningenstelsel een beoordeling van de stikstofdepositie vereist. Volledig overstappen naar emissiesturing is een brede wens. Met voornoemde Kamerbrief heb ik voor veel beleidsuitgangspunten een eerste stap in die richting gezet.
Om ook bij toestemmingverlening over te gaan op emissiesturing, zijn echter nog wel een aantal stappen nodig. Op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen is het immers verplicht om het effect van de emissie van een nieuwe of te wijzigen activiteit op de Natura 2000-gebieden te beoordelen. Een berekening van de depositie is daarbij op dit moment doorgaans noodzakelijk. Op dit moment is het nog niet te zeggen wanneer de overstap naar emissiesturing ook bij toestemmingverlening mogelijk gaat zijn.
Voorgestelde zonering zonder dat sprake is van stikstofoverbelasting (brief van 26 juni en Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3) |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht van Omroep Zeeland «ZLTO: kabinet moet vijf van zeven Zeeuwse stikstofgebieden schrappen», waaruit blijkt dat er een aantal gebieden in Zeeland zijn waar geen sprake is van stikstofoverbelasting, maar die in Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3 bij de brief van 26 juni wel worden genoemd in de indicatieve lijst met gebieden met een zone van 500 meter?1
Ik ben bekend met het Nieuwsbericht van Omroep Zeeland. De verdiepingsbijlage bij de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en stikstof» bevat een voorlopige lijst van 121 Natura 2000-gebieden waarvoor wordt onderzocht of een zone daar van toegevoegde waarde is. Zoals in de brief benoemd is een zone niet voor al deze gebieden nuttig en/of nodig. De gebiedskennis van provincies is nodig om daar conclusies over te trekken. Zonering kan bijvoorbeeld niet relevant zijn voor een gebied omdat verslechtering kan worden uitgesloten of omdat dit niet samenhangt met agrarische activiteiten en grondgebruik in de zone. Dat gaat niet alleen over stikstofoverbelasting, maar bijvoorbeeld ook over problemen rond waterkwaliteit of verdroging. Het doel is om enkel tot zonering over te gaan voor gebieden waar dit ook aantoonbaar nodig is. Op dit moment doorlopen we, gezamenlijk met provincies, een zorgvuldig proces om tot een aangepaste lijst gebieden te komen. Voor een deel van de gebieden die op de groslijst staan zullen we met de provincies kunnen concluderen dat een zoneringsaanpak vanuit het Rijk daar niet passend is. Ik stel uw Kamer daar eind oktober per brief van op de hoogte.
Klopt het dat provincies tot het einde van het jaar de mogelijkheid krijgen om per gebied in hun provincie aan te geven of er zones worden ingesteld?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat zones worden ingesteld als deze helpen bij het stoppen van verslechtering van de natuur in en rond Natura 2000-gebieden?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat het feit dat een Natura 2000-gebied stikstofgevoelige natuur bevat onvoldoende grond is voor zonering, en dat conform uw afwegingskader aantoonbaar sprake moet zijn van (dreigende) verslechtering én dat agrarische activiteiten binnen de betreffende zone daaraan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft een maatregelenpakket gepresenteerd, waar zonering een onderdeel van is, om Nederland weer in beweging te krijgen. Het doel van dit pakket is om boeren duidelijkheid te geven en de natuur te herstellen zodat vergunningen weer verleend kunnen worden. Enkel het voorkomen van stikstofgevoelige natuur is onvoldoende reden om tot zonering over te gaan. Zonering is een passende maatregel wanneer een Natura 2000-gebied habitats kent die druk ervaren van landbouwgerelateerde activiteiten. Dat wil zeggen dat er aantoonbaar sprake moet zijn van (dreigende) verslechtering en landbouwactiviteiten in de zone daar een rol in spelen. Dat gaat niet alleen over stikstof, maar kan bijvoorbeeld ook gaan over onvoldoende waterkwaliteit door het afspoelen van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen, of over verdroging als gevolg van landbouwkundig gebruik.
Klopt het dat er in het artikel van Omroep Zeeland wordt gesproken over een lijst met overbelaste gebieden waar een zone omheen komt terwijl het in de Verdiepingsbijlage gaat over een indicatieve lijst stikstofgevoelige gebieden?
Dit klopt, de verdiepingsbijlage bij hoofdlijn 3 van de Kamerbrief «weer ruimte voor boer, natuur en bouw» spreekt van een voorlopige lijst met stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, inclusief een verwachting dat daar nog gebieden vanaf vallen. De lijst in deze bijlage is dus geen lijst van overbelaste gebieden waar een zone omheen komt maar een indicatieve lijst van Natura 2000-gebieden waar mogelijk een zone omheen komt.
Klopt het dat Canisvliet, Groote Gat, Vogelkreek, Yerseke en Kapelse Moer en Zwin & Kievittepolder in Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3 voorlopig zijn aangewezen voor een zone van 500 meter, terwijl uit de Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2025 volgt dat in deze gebieden geen stikstofgevoelig areaal als overbelast is aangemerkt? Op basis van welke exacte informatie zijn deze gebieden voorlopig aangewezen als te zoneren?
Deze gebieden zijn nog niet aangewezen, maar maken onderdeel uit van een lijst gebieden waarvoor wordt onderzocht of een zone rondom het gebied een passende maatregel is voor het oplossen van de knelpunten en drukfactoren zoals geconcludeerd in de natuurdoelanalyses. Dat kan ook betrekking hebben op drukfactoren anders dan overbelasting met stikstofdepositie. Een gebied kan bijvoorbeeld ook druk ervaren als gevolg van onvoldoende waterkwaliteit of verdroging.
Kan er sneller duidelijkheid worden gegeven over de vraag of een zone rond een gebied daadwerkelijk nodig is, aangezien veel informatie over deze gebieden reeds voorhanden is?
Zoals in de brief benoemd is een zone niet voor al deze gebieden nuttig en/of nodig. De gebiedskennis van provincies is nodig om daar conclusies over te trekken. Daarvoor moet een zorgvuldig proces worden doorlopen, waarbij op basis van feitelijke informatie conclusies moeten worden getrokken. Ik stel uw Kamer daar eind oktober per brief van op de hoogte.
Welke ruimte is er om veel gerichter te zoneren? Hoe kan daarbij met de beschikbare kennis worden gestuurd op de exacte overbelaste hexagonen in plaats van op een geheel Natura 2000-gebied? Hoe kan met provincies worden gezocht naar zo snel als mogelijk duidelijkheid hebben over de definitieve lijst?
Het kabinet heeft ervoor gekozen om in principe rondom gehele Natura 2000-gebieden te zoneren, waarbij wordt gestuurd op een andere vorm van landbouw die past bij het Natura 2000-gebied in plaats van een meer technische vorm van sturing op het exact voldoen van de ecologische opgave per gebied. Op deze manier wordt integraal ingezet op alle relevante drukfactoren. Enkel zo kan vanuit de landbouw worden gedaan wat nodig is om de natuur te herstellen en de vergunningverlening los te trekken. Dat gaat niet altijd over het verminderen van stikstofemissies. Ook mestgebruik kan problemen veroorzaken voor lokale bodem- en waterkwaliteit, gewasbeschermingsmiddelen kunnen druk uitoefenen op de instandhouding van soorten en habitats en wateronttrekking kan een gebied doen verdrogen. Met regels in de zone sturen we op een vorm van landbouw die deze druk niet veroorzaakt. Dit garandeert een robuuste zone die voldoende doet voor het Natura 2000-gebied. Een ruime zone rondom het hele gebied vergroot, gelet op de aaneenschakeling van percelen, ook de mogelijkheden voor een extensief landbouwperspectief en voorkomt dat de grenzen van de zone blijven wijzigen bij wijzigingen in de habitatkartering of herijking van de staat van de natuur. Provincies kunnen mogelijk in het kader van een omwisselbesluit ruimte vinden om met een gerichtere zonering hetzelfde effect op het gebied te bewerkstelligen.
Kan de communicatie over zonering worden versterkt en versneld om misverstanden weg te nemen? Zo ja, hoe ziet deze versnelling eruit, welke fases voorziet u en kunt u deze toelichten?
Ik ben in gesprek met agrarische partijen, natuurbeheerders medeoverheden en andere betrokkenen over de concretisering van de beleidsvoornemens voor de zoneringsaanpak. We doorlopen gebiedscasussen met medeoverheden en boeren om te toetsen wat dit beleidsvoornemen in de praktijk doet, er lopen reguliere gesprekken met maatschappelijke partijen, en er zijn regiosessies gehouden door het hele land om provincies, waterschappen en gemeenten goed te informeren over de inhoud van de zoneringsaanpak, waardoor zij deze boodschap naar de lokale boeren waar ze veel mee in gesprek zijn kunnen uitdragen. Ik ga daarnaast op korte termijn met de medeoverheden in gesprek over de definitieve selectie van Natura 2000-gebieden, de concretisering van de rijksinstructieregels en de uitgangspunten voor het proces en de kaders van de omwisselbeslissing. Ik stel uw Kamer daar eind oktober per brief van op de hoogte. Het kabinet heeft sinds de presentatie van het maatregelpakket daarnaast een brede communicatiestrategie ingezet om boeren, medeoverheden, adviseurs en andere betrokkenen te informeren en vragen te beantwoorden. Deze inzet omvat interviews, werkbezoeken en webinars voor medeoverheden, alsmede ondersteuning via het informatiepunt stikstof en Natura2000 van BIJ12 en het klantcontactcentrum van RVO. Daarnaast vindt er regelmatig ambtelijk overleg plaats met diverse stakeholders. Naast informatie op Rijksoverheid.nl is informatie geplaatst op de website Groeiennaarmorgen.nl van LVVN, die speciaal gericht is op agrarische ondernemers. Melkveehouders kunnen hier bijvoorbeeld via de kringloopwijzer een eerste inzicht krijgen in hun emissies op bedrijfsniveau. De komende weken wordt de communicatie verder uitgebreid. Voorzien is onder meer een internetconsultatie over het wetsvoorstel KDW uit de wet en de zienswijzeprocedure rondom het onderliggende programma van maatregelen. Ook worden op onslevendlandschap.nl en groeiennaarmorgen.nl vragen beantwoord die leven rondom het pakket maatregelen beantwoord. Deze vragen en antwoorden worden de komende periode telkens uitgebreid.