Het artikel 'Woningbouw blijft op slot ondanks stikstofingreep kabinet: Nieuwe steden zullen er niet komen' |
|
Mona Keijzer |
|
van Essen , Boekholt-O’Sullivan |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Woningbouw blijft op slot ondanks stikstofingreep kabinet: Nieuwe steden zullen er niet komen»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de aangekondigde stikstofmaatregelen voorlopig nauwelijks extra woningbouwprojecten zullen losmaken omdat de rekenkundige ondergrens niet wordt verhoogd?
In de Kamerbrief van 26 juni jl. is het landelijke pakket aan maatregelen voor natuurherstel gepresenteerd. Dit pakket wordt juridisch geborgd en is gericht op het stapsgewijs en per gebied op gang brengen van vergunningverlening. Op die manier kan ook weer op juridisch houdbare wijze extra woningbouw gerealiseerd worden.
Daarnaast voert het kabinet zo snel mogelijk een juridisch houdbare, wetenschappelijke onderbouwde rekenkundige ondergrens in. Activiteiten met een beperkte stikstofneerslag hebben dan vaak geen vergunning meer nodig voor het onderdeel stikstof. Om tot een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens te komen, is nog een aantal stappen nodig. De invoering is nu uiterlijk eind 2027 voorzien.
Bent u op de hoogte van een notitie van het Economisch Instituut voor de Bouw waarin staat dat 96 procent van de woningbouwprojecten doorgang kan vinden bij een rekenkundige ondergrens van één mol? Hoe beoordeelt u deze analyse?2
Het rapport van het Economisch Instituut voor de Bouw (hierna: EIB) uit juli 2025 geeft een overzicht van de effecten van het invoeren van een rekenkundige ondergrens van 1 mol/ha/jaar op de vergunningverlening voor nieuwbouwwoningen. Mede daarom spant het kabinet zich in om uiterlijk eind 2027 een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens in te voeren.
Ik wil daarbij wel opmerken dat het rapport nog uitgaat van een rekenkundige ondergrens van 1,00 mol/ha/jaar. Dit betekent dat alle projecten met een bijdrage van (voor afronding) 0,9949… mol/ha/jaar of minder onder de ondergrens vallen. Destijds was dit een logische aanname. In oktober 2025 heeft prof. Petersen zijn expertoordeel echter verduidelijkt.3 Sindsdien stuurt het kabinet aan op een rekenkundige ondergrens van 1 mol/ha/jaar, waarbij alle projecten met een bijdrage van (voor afronding) 0,49… mol/ha/jaar of minder onder de ondergrens vallen. Hierdoor zal het effect van de rekenkundige ondergrens op de woningbouw minder groot zijn dan het EIB veronderstelt.
Ook zie ik dat in het rapport kritiek wordt geuit op de Raad van State en wordt gesteld dat de invoering van een rekenkundige ondergrens ecologisch veilig en wetenschappelijk verantwoord is. In zijn analyse gaat het EIB echter voorbij aan de betekenis van Europese wetgeving, in het bijzonder de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Hoewel het EIB terecht stelt dat de VHR geen specifieke rekenkundige ondergrens voor stikstofdeposities voorschrijft en de noodzaak benadrukt van een maatschappelijke belangenafweging, ontbreekt in zijn analyse aandacht voor de verplichting van de Nederlandse Staat de nodige maatregelen te treffen voor de instandhouding van de natuur en voor passende maatregelen om verslechtering van de natuur te voorkomen of tegen te gaan (artikel 6, eerste en tweede lid, Habitatrichtlijn). Met het pakket dat is gepresenteerd in de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw»4 geef ik onder andere invulling aan de verplichtingen uit de VHR.
Hoeveel woningbouwprojecten en hoeveel woningen zouden volgens de meest recente berekeningen van het kabinet eerder gerealiseerd kunnen worden indien de rekenkundige ondergrens op korte termijn wordt verhoogd naar één mol?
Als gevolg van de invoering van de rekenkundige ondergrens zullen de uitdagingen rondom stikstof voor woningbouwprojecten in veel gevallen worden opgelost, mits de invoering van de rekenkundige ondergrens op een juridisch houdbare manier gebeurt. Net als alle andere sectoren is de woningbouw niet gebaat bij een rekenkundige ondergrens die juridisch geen standhoudt. Zorgvuldigheid is daarom geboden.
Heeft u een overzicht van woningbouwlocaties die door de voorgenomen aanscherping van de stikstofaanpak alsnog vertraging oplopen of niet door kunnen gaan? Zo ja, kunt u deze in een bijlage aan de beantwoording van deze schriftelijke vragen voegen?
Het kabinet heeft een ambitieus samenhangend pakket gepresenteerd waarmee Nederland op juridisch geborgde wijze gefaseerd van het stikstofslot kan gaan. Ook Bouwend Nederland onderschrijft dit standpunt van het kabinet.5 Het kabinet heeft geen signalen ontvangen die dit standpunt tegenspreken.
Bent u bekend met signalen van gemeenten dat woningbouwlocaties nabij Natura 2000-gebieden door de aangekondigde maatregelen extra risico lopen op vertraging of afstel? Zo ja, welke signalen heeft u ontvangen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, heb ik dergelijke signalen van specifieke woningbouwplannen niet ontvangen, ook niet specifiek voor de zones. Woningbouwprojecten nabij Natura2000-gebieden blijven ruimtelijk mogelijk, uiteraard mits wordt voldaan aan de geldende regelgeving.
Het samenhangende pakket van het kabinet zorgt daarnaast dat vergunningverlening stapsgewijs weer mogelijk wordt. Het invoeren van een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens zal aanvullende mogelijkheden bieden voor een groot deel van de woningbouwprojecten.
Deelt u de zorg dat Nederland dreigt te belanden in een situatie waarin niet langer politieke keuzes, maar juridisering en steeds strengere interpretaties van regelgeving leidend worden voor de volkshuisvesting? Zo nee, waarom niet?
Nee, die zorg deel ik niet. Bestaande regelgeving is binnen de kaders van de Nederlandse democratische rechtstaat tot stand gekomen. De rechter toetst besluiten van de overheid aan deze regels. Op die manier borgt de rechtsstaat de bescherming tegen willekeur en dat de overheid zich aan haar eigen wetten en internationale verdragen houdt.
Hoe verhoudt het uitstellen van de verhoging van de rekenkundige ondergrens zich tot de ambitie om jaarlijks 100.000 woningen te bouwen? Acht u de ambitie na de recente kritiek nog steeds haalbaar?3
Zoals ik in eerdere antwoorden heb aangegeven, heeft het kabinet een ambitieus pakket gepresenteerd waarmee enerzijds gefaseerd vergunningverlening opnieuw mogelijk wordt en anderzijds zo snel mogelijk een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens ingevoerd kan worden. Ik verwacht dat dit een positieve bijdrage levert aan het realiseren van 100.000 woningen per jaar.
Erkent u dat er een verschil is tussen de rekenkundige ondergrens (in Aerius) en een drempelwaarde? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de rekenkundige ondergrens in aerius dat en wat weerhoudt u er dan van deze zo snel mogelijk te verhogen?
Ja, er is een wezenlijk verschil tussen de rekenkundige ondergrens en een drempelwaarde. Een rekenkundige ondergrens ziet op de wetenschappelijke limitatie van het model, terwijl een drempelwaarde aangeeft wat politiek/beleidsmatig toelaatbaar wordt geacht. Zoals in mijn eerdere beantwoording aangegeven, vindt het kabinet het van belang dat de invoering van een rekenkundige ondergrens op een juridisch houdbare manier gebeurt. Daarvoor zijn in ieder geval eerst nog voldoende beheersmaatregelen nodig, zoals ook geadviseerd door professoren Backes en Petersen.7 Als de beheersmaatregelen eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes.
Klopt het dat u verwacht dat pas na aanvullende jurisprudentie meer duidelijkheid ontstaat over de juridische houdbaarheid van een hogere ondergrens? Zo ja, waarom bent u die mening toegedaan? En hoe verhoudt dit zich tot Duitsland?
De grootste zekerheid over de juridische houdbaarheid van de rekenkundige ondergrens komt uit het volledig doorlopen van een juridische procedure waar de ondergrens onderdeel van is. Juridische zekerheid is maximaal als de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State de toepassing van de rekenkundige ondergrens als zodanig accepteert.
Het kabinet is echter overtuigd van de voorliggende onderbouwing en wil daarom zo snel mogelijk overgaan tot invoering van de rekenkundige ondergrens, ook als een dergelijke uitspraak van de Afdeling nog niet is gegeven. Zoals eerder aangegeven is er nog wel een aantal andere stappen nodig voordat de rekenkundige ondergrens houdbaar kan worden ingevoerd. Tegelijk wordt ook nog geprobeerd een geschikte procedure te vinden om de rekenkundige ondergrens snel juridisch te laten toetsen.
Bent u bereid om nog dit jaar met voorstellen te komen om de rekenkundige ondergrens te verhogen, zodat Programma Aanpak Stisktof (PAS)-melders kunnen worden gelegaliseerd en woningbouwprojecten niet langer onnodig op stikstof vastlopen?
Zoals aangekondigd in mijn brief van 26 juni jl. is het kabinet voornemens om zo snel mogelijk, uiterlijk in het vierde kwartaal van 2027, een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens in te voeren. Parallel ben ik met een pakket aan maatregelen gekomen voor onder andere natuurherstel en is het Programma Maatwerkaanpak PAS-melder vastgesteld. Momenteel wordt een spoedwet opgesteld met daarbij een programma van maatregelen, waarmee handhavings- en intrekkingsverzoeken kunnen worden afgewezen. Deze stappen samen zullen onder meer PAS-melders en de woningbouw helpen.
In hoeverre is het uitblijven van een verhoging van de rekenkundige ondergrens een politieke keuze van het kabinet zelf en niet een rechtstreeks gevolg van Europese regelgeving? Mocht het een rechtstreeks gevolg van Europese regelgeving zijn kunt u dan de uitspraak van de hoogste Duitse bestuursrechter die de grens van 21 mol per hectare per jaar recent opnieuw bekrachtigd heeft, weerleggen?
Het kabinet kiest ervoor om de rekenkundige ondergrens op een zorgvuldige manier in te voeren. Voor de Nederlandse situatie acht het kabinet het, op basis van wetenschappelijke adviezen, noodzakelijk om eerst voldoende beheersmaatregelen te nemen, voordat overgegaan kan worden op invoering van de rekenkundige ondergrens. Daar wordt op dit moment samen met de provincies met voorrang aan gewerkt.
De Duitse context en systematiek voor natuurvergunningverlening is anders dan de Nederlandse. Er kunnen daarom niet zonder meer parallellen getrokken worden. Bij de onderbouwing van de rekenkundige ondergrens zoals die nu voorligt, zijn de Duitse ervaringen wel betrokken.
Klopt het dat Artikel 2, lid 3 van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) lidstaten oproept om bij het stikstofbeleid rekening te houden met economische, sociale en culturele en lokale belangen? Zo ja, waarom houdt u hier geen rekening mee en maakt het boeren en woningbouw kapot?
Artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn schrijft voor dat bij het nemen van maatregelen rekening gehouden dient te worden met economische, sociale en culturele vereisten en lokale bijzonderheden. Dit geldt als een algemene richtlijn voor het nationale beleid, maar is niet bedoeld niet om specifieke, dwingende voorschriften voor de lidstaten uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn (onder meer het treffen van de nodige instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen om verslechtering van de natuur te voorkomen) opzij te kunnen schuiven.
Het kabinet is zich bewust van de grote belangen van de woningbouw en de agrarische sector. Juist om te voorkomen dat de vergunningverlening volledig op slot gaat, heeft het kabinet in juni een pakket aan stikstof-reducerende maatregelen aangekondigd in de vorm van een samenhangend pakket met het doel om enerzijds de vergunningverlening voor (onder meer de) boeren en de bouw los te trekken en anderzijds om de natuur te herstellen.
Welk concreet risico acht u groter: een juridische procedure of het jarenlang uitblijven van tienduizenden woningen voor starters, gezinnen en ouderen?
Zoals ik heb aangegeven in mijn reactie op vraag 8, verwacht ik dat dit ambitieuze pakket een positieve bijdrage levert aan de ambitie van de realisatie van 100.000 woningen per jaar. Om deze woningen daadwerkelijk te realiseren is wel een juridische houdbare vergunning noodzakelijk. Verder benadruk ik dat in onze democratische rechtstaat de toegang tot de rechter open moet staan. Juridische procedures zijn een belangrijk onderdeel van de rechtstaat.
Kunt u toezeggen om in een bijlage bij deze schriftelijke vragen uitvoerig in te gaan op de juridische en politieke redenen waarom de rekenkundige ondergrens op dit moment niet kan worden verhoogd inclusief een weerlegging van de casus voor een ondergrens van één mol per hectare per jaar voor stikstofdeposities en een verdediging van het advies van de Raad van State (Kamerstuk 35 0334, nr. 393) (Kamerstuk 35 334, nr. 399)?4
In de beantwoording van een aantal vragen hierboven ben ik reeds ingegaan op de planning en noodzakelijke tussenstappen tot invoering van een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens.
Daarnaast verwijs ik naar onder meer de kamerbrief «Voortgang op de wetswijziging alternatief voor de KDW en de rekenkundige ondergrens»9 waarin mijn voorganger is ingegaan op de destijds nog te nemen stappen. Deze stappen zijn onder meer opgepakt via de adviesvraag die is gedaan naar prof. Backes en prof. Petersen10. Deze reflectie is een belangrijke reden dat het kabinet eerst beheersmaatregelen ontwikkelt, voordat de rekenkundige ondergrens wordt ingevoerd.
Tot slot verwijs ik naar de kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw» van 26 juni jl. Hierin presenteert het kabinet een samenhangende aanpak aan stikstof-reducerende maatregelen, waarin de rekenkundige ondergrens een belangrijke rol speelt. Om over te kunnen gaan op invoering van de rekenkundige ondergrens zijn echter nog een aantal stappen te zetten. Deze worden in de komende tijd uitgewerkt, samen met provincies en andere medeoverheden. Het kabinet vertrouwt erop dat daarmee de rekenkundige ondergrens op een zorgvuldige manier uiterlijk het vierde kwartaal van 2027 kan worden ingevoerd, of spoediger indien mogelijk. Hiervoor onderzoeken we ook de snellere route van directe implementatie in de provinciale omgevingsverordening.
Klopt het dat u tijdens het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof aangaf dat de aangekondigde zoneringsaanpak niet ziet op woningbouwvergunningen maar op emissiereductie bij landbouw en industrie? Kunt u toezeggen dat deze zonering nooit onderdeel wordt van de vergunningverlening voor woningbouwprojecten? Indien u dat niet kunt, betekent dit dan dat u verkeerde info tijdens het debat gegeven heeft?
In dit debat heb ik aangegeven dat de Rijksinstructieregels voor de zoneringsaanpak niet toezien op woningbouw. De samenhangende aanpak van het hele pakket, waaronder de zonering, moet er juist toe leiden dat er weer meer ruimte komt voor onder meer woningbouw. In zoverre wil ik juist wel dat de aanpak onderdeel wordt van de natuurvergunningverlening van (woningbouw)projecten. Niet als beperking, maar als onderbouwing zodat het woningbouwproject kan doorgaan omdat er voldoende maatregelen worden genomen voor natuurbehoud. Ik merk daarbij op dat voor elk project een concrete toets moet worden verricht aan de geldende wet- en regelgeving, waaronder op het gebied van natuurbescherming.
Kunt u tevens uitsluiten dat provincies, gemeenten, omgevingsdiensten of rechters deze zones in de praktijk zullen betrekken bij vergunningverlening voor woningbouw?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 16 wil ik dat de aanpak onderdeel wordt van de onderbouwing dat onder andere woningbouwprojecten weer doorgang kunnen vinden. De beoordeling van nieuwe projectaanvragen, bijvoorbeeld voor woningbouw, blijft daarbij aan het betreffende bevoegd gezag.
Kunt u toezeggen om deze vragen binnen drie weken te beantwoorden?
Vanwege het reces is deze termijn helaas niet gehaald.
Het bericht dat er cruciale informatie over de jacht op Wolf Bram pas maanden later boven tafel kwam |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jacht op wolf Bram verliep in diepste geheim en cruciale info komt pas maanden later boven tafel?»1
Ja.
Wat doet u precies om faunabeheerders en specifiek zij die belast zijn met het oplossen van een maatschappelijk probleem zoals overlast gevende wolven te beschermen, nu uit nieuwe documenten blijkt dat jagers veel last hadden van pro-wolfactivisten?
Ik betreur het zeer als uitvoerders van een vergunning hinder ondervinden bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. Iedereen moet veilig zijn werkzaamheden kunnen uitvoeren. Het beleid rond overlastgevende wolven ligt echter primair bij provincies en gemeenten. Zij dragen er zorg voor dat de uitvoering goed wordt geregeld en het is aan eenieder om zich correct te gedragen tegenover anderen.
Ik ga tijdens het Nationaal Wolvenberaad met provincies en burgemeesters in gesprek waarbij ik ook zal bespreken welke ondersteuning ik kan bieden bij het uitvoeren van het beleid rond probleemwolven.
Hoe bestaat het dat activisten een wildcamera kapotmaken en er een fysieke confrontatie plaatsvindt met een faunabeheerder en deze activisten niet worden vervolgd? Wat is ervoor nodig om dit alsnog voor elkaar te krijgen?
Zowel de eigenaar van een camera als een faunabeheerder kan in zo’n geval aangifte doen. Zo’n aangifte wordt dan in behandeling genomen door het Openbaar Ministerie (OM). Dit kan ook achteraf. Het OM is niet bekend met aangiftes over het kapotmaken van wildcamera’s of van fysieke confrontaties.
Kunt u aangeven hoe vaak faunabeheerders de afgelopen vijf jaar bedreigd zijn en of dit tot vervolging heeft geleid? Indien nee, waarom niet? Heeft u de mensen in beeld die dit doen? Indien nee, waarom niet?
Het OM beschikt niet over gegevens over hoe vaak faunabeheerders worden bedreigd, omdat daarvan geen aangifte is gedaan. Daarnaast worden beschikbare registraties niet uitgesplitst naar de hoedanigheid van betrokkenen, zoals faunabeheerders. Om die redenen zijn hierover geen specifieke cijfers beschikbaar.
Kunt u een lijst met alle vernielingen en vermissingen van spullen, veroorzaakt door activisten om het werk van faunabeheerders te belemmeren, in de afgelopen vijf jaar met de Kamer delen? Indien nee, waarom niet?
Het OM beschikt niet over gegevens over hoe vaak eigendommen van faunabeheerders worden vernield of weggenomen indien daarvan geen aangifte wordt gedaan. Daarnaast worden beschikbare registraties niet uitgesplitst naar de hoedanigheid van betrokkenen, zoals faunabeheerders of activisten. Om die redenen zijn hierover geen specifieke cijfers beschikbaar.
Deelt u de mening dat wolf Bram vanwege het bijten van vier mensen en het doodbijten van twee honden een groot maatschappelijk probleem bleek en dat wat dat betreft de faunabeheerders vanuit de provincie als bevoegd gezag volledige ondersteuning verdienen? Zo ja, hoe kan het kabinet hier een bijdrage aan leveren?
Ja, er was sprake van een probleemwolf. In mijn amvb heb ik de definities van probleemwolven vastgelegd, zodat er duidelijkheid ontstaat over situaties zoals die zich in de provincie Utrecht hebben voorgedaan. Met de amvb lever ik een bijdrage aan het oplossen van dit maatschappelijk probleem.
Deelt u de mening dat de uitvoering van deze taak onder grote maatschappelijke druk is uitgevoerd, er grote zorgen waren over de verdere escalatie van het gedrag van deze wolf en mogelijke fatale gevolgen voor mensen? Bent u bereid om provincies hier meer in te ondersteunen en erop toe te zien dat de uitvoerende faunabeheerders vanuit alle overheidsdiensten volledige ondersteuning en medewerking krijgen?
Ja, die mening deel ik. Ik heb dan ook waardering voor zowel de zorgvuldigheid die de provincie heeft getoond bij het tot stand komen van de afschotvergunning als voor de uitvoering hiervan. Met de amvb beoog ik de provincies te ondersteunen in de uitvoering van hun beleid rond probleemwolven. Ik heb aan de provincies mijn ondersteuning toegezegd daar waar zij in de praktijk wellicht tegen juridische procedures als gevolg van de amvb aanlopen. Verder, wanneer mensen zich bijvoorbeeld niet aan toegangsregels van gebieden houden, kunnen uitvoerders die hier hinder van ondervinden dit melden bij een terreinbeherende organisatie die vervolgens kan optreden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het debat over de Wolf in Nederland van 1 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Het artikel waaruit blijkt dat de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar verwachting zal opschalen naar feitelijk watertekort |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de inhoud van het artikel?1
Ja, ik ben hiervan op de hoogte.
Hoe beoordeelt u de ernst van de huidige droogte, mede gelet op het uitzonderlijke lage waterpeil en de zeer lage afvoer van de Rijn? Kunt u een actueel overzicht van het neerslagtekort en de grondwaterstanden van de Rijn en de Maas toevoegen aan uw antwoord?
Op 16 juli is besloten op te schalen van een dreigend (niveau 1) naar een feitelijk watertekort (niveau 2). De omstandigheden van de huidige droogte wordt uitgebreid beschreven in de Kamerbrief2 die op 16 juli is verstuurd om de Kamer te informeren over de opschaling.
De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. De rivierafvoeren zijn historisch laag. Zo is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s welke afkomstig is uit 1976 onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op, en is vergelijkbaar met het droge jaar 2018. Actuele informatie over afvoeren, (grond)waterstanden en (regionale) maatregelen is te vinden op de online droogtemonitor3.
Op basis van welke criteria schaalt de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) op naar «feitelijk watertekort» en wat zijn hiervan de directe en indirecte gevolgen voor de samenleving?
De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek waterverdeling en droogte4. De huidige situatie (feitelijk watertekort) vraagt om besluiten die over regio’s, watersysteemfuncties en belanghebbenden heen gaan en die bestuurlijk goed afgestemd moeten worden. Deze afstemming is de rol van het Management Team Watertekorten (MTW). Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Voorbeelden van directe gevolgen van de watertekorten zijn dat de scheepvaart op verschillende locaties te maken heeft met dieptebeperkingen, met langere wachttijden (doordat in een aantal sluizen waterbesparend wordt geschut) of stremmingen (door een te laag waterpeil of te grote zoutindringing). Ook ondervinden natuur en landbouw verdergaande effecten van de droogte, omdat niet alleen de beschikbaarheid van oppervlaktewater beperkt is maar ook de grondwaterstanden steeds verder zakken. Voor de landbouw heeft de droogte invloed op de gewasgroei, met name in gebieden waar geen wateraanvoer mogelijk is, en daar waar onttrekkingsverboden van kracht zijn. De drinkwater- en energievoorziening staan voorlopig niet onder druk.
Voorbeelden van indirecte effecten zijn dat door de beperkingen voor de scheepvaart bedrijven moeite krijgen met de bevoorrading omdat grondstoffen of producten later binnenkomen. Daarnaast kunnen bedrijven tijdelijk kiezen voor vrachtwagens in plaats van schepen, wat zorgt voor extra drukte op de weg.
Verder neemt bij lagere afvoeren de vervuiling van het water toe (door minder verdunning) en stijgt de watertemperatuur. Het risico op bijvoorbeeld vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden neemt daarbij toe, sterk afhankelijk van de lokale omstandigheden. Bij aanhoudend hoge watertemperatuur is er risico dat het lozen van koelwater op de rivieren sterk moet worden beperkt of gestaakt.
Welke criteria en omstandigheden zorgen voor nog verdere opschaling, als dat mogelijk is, en wat zijn dan de gevolgen? Wilt u elke mogelijke overtreffende trap van deze ladder in het antwoord betrekken?
De criteria voor ieder niveau van opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek waterverdeling en droogte5.
Op 16 juli is een Kamerbrief gestuurd om u te informeren dat op 1 juli Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar het huidige niveau van een «feitelijk watertekort» (niveau 2). Verdere opschaling kan plaatsvinden wanneer sprake is van een dreigend nationaal watertekort met maatschappelijke gevolgen. In algemene zin betreft het:
Dit leidt tot (het hoogste) niveau 3: «(dreigende) crisis watertekort». De Minister van IenW besluit tot opschaling naar niveau 3, op advies van de dgRWS (in de rol van portefeuillehouder crisisbeheersing van het Ministerie van IenW c.q. voorzitter MTW). De laatste keer dat dit gebeurde was in 2003. Er is dan sprake van grote maatschappelijke gevolgen en mogelijke, daarmee samenhangende, politiek-bestuurlijke gevoeligheden. Bijvoorbeeld als de leveringszekerheid van de energie- of drinkwatervoorziening in het geding komt. Hiermee wordt ook de nationale interdepartementale crisisorganisatie actief onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Besluitvorming vindt dan ook plaats op het hoogste ambtelijke of zelfs ministerieel niveau. De LCW en MTW leveren in dit geval advies aan de nationale crisisorganisatie.
Kunt u per regio aangeven welke onttrekkings-, beregenings- en sproeiverboden momenteel gelden of worden voorbereid en welke gevolgen deze maatregelen (zullen) hebben voor boeren, tuinders en overige ondernemers?
In de online droogtemonitor6 zijn de actieve maatregelen voor elke regio weergegeven; ook voor onttrekkingsverboden van grond- en oppervlaktewater. De waterschappen en Regionale Droogte Overleggen (RDO) leveren deze informatie zelf aan bij Rijkswaterstaat voor de droogtemonitor.
De gevolgen van de onttrekkingsbeperkingen zijn gebiedsafhankelijk. Bijvoorbeeld door eventuele lokale verschillen in neerslag, de mate waarin wateraanvoer mogelijk is en de mate waarin ondernemers zelf waterbesparende maatregelen hebben getroffen.
Welke preventieve maatregelen zijn er genomen om droogte in 2026 zoveel als mogelijk het hoofd te bieden, dan wel af te wenden?
In de Kamerbrief van 16 juli zijn enkele van de genomen maatregelen opgenomen. Zo hebben waterbeheerders vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Bij bekende knelpunten zoals de sluis Eefde in het Twentekanaal zijn tijdelijke pompinstallaties geplaatst en is er preventief gebaggerd zodat er langer kon worden doorgevaren.
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte. Zo is bijvoorbeeld de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA) uitgebreid. De KWA is een voorziening om zoetwater naar West-Nederland te leiden, op het moment dat de aanvoer van zoetwater vanuit de Rijn door droogte te beperkt is. Deze KWA is nu ook in werking. Daarnaast zijn er maatregelen genomen om te zorgen dat als er water is, dit in de bodem kan infiltreren en niet of minder snel wordt afgevoerd. Vooral in gebieden waar geen water aanvoer is, is dit van belang.
Ook is na de droogte van 2003 door de Rijksoverheid (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, nu Infrastructuur en Waterstaat) in samenwerking met waterbeheerders de Verdringingsreeks ontwikkeld en vastgelegd in artikel 3.14 van het Bkl. Deze verdelingsvolgorde bepaalt welke functies het beschikbare oppervlaktewater krijgen als er watertekorten optreden. De leveringszekerheid van drinkwater en energie staan hoog in deze verdringingsreeks, net zoals het behoud van de stabiliteit van keringen en het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur.
Deelt u de mening dat het kabinet opnieuw vooral lijkt te reageren wanneer de droogte al is opgetreden, terwijl al maanden bekend was dat de uitgangspositie door lage grondwaterstanden, beperkte sneeuwval en droogte in de stroomgebieden ongunstig was? Zo ja, waarom is er dan niet voldoende preventief gehandeld? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Zoals bij vraag 6 aangegeven wordt door het Rijk al jaren gewerkt om Nederland voor te bereiden op zoetwaterschaarste. Dit doen we zowel uitvoeringsmaatregelen in het watersysteem, als door onderzoek naar de ontwikkeling van de duur en frequentie van droogte en watertekorten. In de droge jaren 2018 en 2022 hebben de genomen maatregelen (zoals de KWA) effect gehad, en bewijzen ook nu weer hun nut. Verder monitoren Rijkswaterstaat en het KNMI de voorspellingen in het gehele stroomgebied van de rivieren continu. Onder andere hierom is tijdig besloten de buffer van het IJssel- en Markermeer te vergroten en hebben waterschappen hun peilen opgezet ter voorbereiding op mogelijke droogte.
Op 31 mei 2024 is de Kamer geïnformeerd7 over de nieuwe inzichten rondom zoetwaterbeschikbaarheid. Daaruit blijkt dat de zoetwateropgave de komende jaren flink toeneemt. Tot nu toe hebben we in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. De inzet op optimalisatie van het watersysteem en zoveel mogelijk faciliteren van de watervraag wordt voortgezet. Op 22 juni 2026 heb ik de Kamer geïnformeerd8 over welke maatregelen ik wil nemen in het hoofdwatersysteem, mede om de zoetwaterbeschikbaarheid te verbeteren. Dit is echter niet langer voldoende, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden via het aanpassen en transformeren van de ruimtelijke inrichting aan de waterbeschikbaarheid. Denk aan het voortzetten van het beter vasthouden van water (en verhogen van grondwaterstanden), maar ook aan veranderingen in bedrijfsvoering en locatiekeuze van watervragende activiteiten.
Kunt u ondubbelzinnig garanderen dat de beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater deze zomer én in de komende jaren nergens in Nederland in gevaar komt? Zo nee, waarom niet?
Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel, al blijft het belangrijk om (het hele jaar door) bewust en zuinig met drinkwater om te gaan.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening de komende jaren steeds meer onder druk staat. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt grotendeels bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Voor de lange termijn kijkt het Rijk samen met de drinkwatersector hoe zij zich het best kan ontwikkelen om toekomstbestendig te zijn en ook op lange termijn voldoende, kwalitatief goed drinkwater kan leveren in Nederland. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
De klimaatimpact van de veehouderij en de kabinetsaanpak |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat volgens de meest recente Klimaat- en Energieverkenning (KEV) nog circa 24 megaton CO₂-reductie nodig is om de klimaatdoelen voor 2030 te halen?
Volgens de Klimaat- en Energieverkenning 2025 (KEV25) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is nog 22 megaton CO2-eq. aanvullende broeikasgasreductie nodig om het wettelijke klimaatdoel van 55% broeikasgasreductie in 2030 ten opzichte van 1990 met 95% zekerheid te halen. In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030, zie ook antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven hoeveel de landbouwsector en specifiek de veehouderij uitstoot in CO₂-equivalenten volgens de meest recente cijfers? Welk aandeel is dit van de totale uitstoot in Nederland?
Volgens de KEV25 kwamen de broeikasgasemissies van de landbouw in 2024 uit op 24,8 megaton CO2-eq. Hiervan kwam 17,8 megaton CO2-eq. door de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw. De overige emissies kwamen door energieverbruik, met name afkomstig van de glastuinbouw. Dit komt neer op een aandeel van 17,1% van de landbouw en 12,3% specifiek van de procesemissies van de veehouderij en akkerbouw, van de totale uitstoot (145 megaton CO2-eq.) in Nederland.
Hoeveel van de nog benodigde reductiedoelstelling van 24 megaton gaat u toerekenen aan de landbouw- en veehouderijsector?
In 2022 zijn voor alle klimaatsectoren indicatieve sectordoelen gesteld1. In de voorjaarsbesluitvorming 20232 is de indicatieve restemissie van de landbouw aangescherpt met 1 Mton CO2-eq. extra reductie in de glastuinbouw. De landbouwsector heeft hierdoor een indicatief sectordoel (restemissiedoel) van 17,9 megaton CO2-eq. in 2030. Dit is uitgesplitst in een bijdrage van de veehouderij en akkerbouw van 13,6 megaton CO2-eq. en een bijdrage van de glastuinbouw van 4,3 megaton CO2-eq. in 2030. Volgens de KEV25 is het gat tot het doelbereik voor de landbouw nog 4 megaton CO2-eq., waarvan 2,5 megaton CO2-eq. voor de veehouderij en akkerbouw.
Kunt u aangeven hoeveel broeikasgasreductie het kabinet op dit moment concreet verwacht te realiseren in de veehouderij richting 2030 en 2035, uitgesplitst naar maatregelen en in megatonnen CO₂-equivalenten, gezien het voornemen om pas vanaf 2035 doelsturing in te voeren?
In de KEV26, die met Prinsjesdag wordt gepubliceerd, komt het PBL met nieuwe cijfers en ramingen richting 2030. Het kabinet heeft op 26 juni jl. het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd.3 De maatregelen die hierin zijn genomen zullen vanwege de doorlooptijd nog niet kunnen worden meegenomen in de ramingen in de KEV26. In september 2026 volgt wel een reflectie van het PBL op dit maatregelenpakket, waarin ook de klimaateffecten worden meegenomen.
Staat de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton nog steeds overeind, of gelden er op dit moment andere doelstellingen, aangezien in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelstellingen worden genoemd voor landbouw en veehouderij?
Na het Klimaatakkoord uit 2019 zijn zowel de wettelijke doelen (via wijziging van de Klimaatwet) als het bijbehorende beleid aangescherpt. Het kabinet stuurt voor de klimaatopgave primair op de indicatieve sectordoelen (restemissiedoelen), waaronder het eerdergenoemde restemissiedoel van 17,9 megaton CO2-eq. voor de landbouw. Daarnaast heeft Nederland zich gecommitteerd aan de Global Methane Pledge. Dit houdt in dat Nederland zich inzet voor 30% reductie van methaan in 2030 ten opzichte van 2020.
Wordt de reductiedoelstelling uit het Klimaatakkoord 2019 van 1,2 tot 2,7 megaton vanuit de veehouderij gehaald, en zo nee, waarom en welke reductie resteert?
Zie hiervoor het antwoord op de vragen 3 en 5.
Kunt u toelichten waarom in het Klimaatplan 2025–2035 geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor de landbouw en veehouderij in megatonnen zijn opgenomen, terwijl deze sector een substantiële bijdrage levert aan de nationale uitstoot?
In het Klimaatplan, dat eens in de vijf jaar wordt vastgesteld, is een meerjarige beleidsagenda opgenomen en wordt het transitiepad geschetst voor de lange termijn. Het Klimaatplan bevat geen concrete reductiedoelen of maatregelen voor sectoren na 2030, ook niet voor andere sectoren dan de landbouw. De meerjarige beleidsagenda wordt in de jaarlijkse klimaatcyclus gebruikt voor de budgettaire besluitvorming over concrete klimaatmaatregelen. De meerjarige beleidsagenda is in de Klimaat- en Energienota 2025 geactualiseerd.4
Deelt u de conclusie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen en dat aanvullend beleid noodzakelijk is dat op korte termijn emissiereductie oplevert? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bereidt u specifiek voor de veehouderij voor?
Het PBL stelt in de KEV25 dat het huidige beleid onvoldoende is om de klimaatdoelen te halen. Na het verschijnen van de KEV25 heeft het kabinet maatregelen voor de landbouwsector aangekondigd in het kader van het pakket voor landbouw, natuur en stikstof. Onderdeel van dit pakket zijn de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Hiermee zet het kabinet in op reductie van broeikasgassen in de veehouderij. Daarnaast zijn er ook andere maatregelen aangekondigd die naar verwachting effect hebben op de reductie van de broeikasgassenuitstoot in de landbouw, zoals de vrijwillige beëindigingsregeling, de afroming van productierechten en grondgebondenheid. Conform het coalitieakkoord neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te halen. Het kabinet wil aansluiten bij de Europese aanpak en kijkt hiervoor ook naar de voorstellen van de Europese Commissie voor het 2040-maatregelenpakket die later dit jaar worden verwacht.
Kunt u aangeven hoeveel CO₂-reductie wordt verwacht als gevolg van het stikstofbeleid? Wat betekent dit voor de zekerheid waarmee klimaatdoelen gehaald kunnen worden?
Het PBL presenteert in september een reflectie op het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Het klimaateffect van het pakket zal in deze reflectie ook worden doorgerekend.
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate de omvang van de veestapel onderdeel is van het klimaatbeleid, gegeven dat het PBL aangeeft dat deze voor een groot deel bepalend is voor de broeikasgasemissies? Welke concrete beleidskeuzes en doelstellingen hanteert het kabinet op dit punt?
Het kabinet stuurt in het klimaatbeleid op de eerdergenoemde sectorale restemissiedoelen. Voor de veehouderij is er vanuit de Ministeriële Taskforce voor landbouw, natuur en stikstof een reeks aan maatregelen aangekondigd, waaronder de bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u toelichten wat u verstaat onder «een stevige aanpak [.] om invulling te geven aan het sectordoel van de veehouderij en mestaanwending in de akkerbouw» zoals genoemd in het Klimaatplan 2025–2025 (p. 43), en welke concrete maatregelen daar op dit moment onder vallen?
Zoals genoemd heeft het kabinet onlangs het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof gepresenteerd. Deze maatregelen zullen ook een bijdrage leveren aan de klimaatdoelen voor de landbouw. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8. Conform het coalitieakkoord neemt het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen om de klimaatdoelen te halen.
Kunt u per maatregel aangeven wat het verwachte reductiepotentieel is, binnen welke termijn deze gerealiseerd wordt en hoe zeker deze reductie is (bijvoorbeeld op basis van gevalideerde praktijkdata)?
In september 2026 wordt de doorrekening van PBL voor het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof verwacht. Hierbij wordt ook gekeken naar de effecten voor klimaat.
In hoeverre leunt het huidige beleid op technologische innovaties, zoals emissiearme stalsystemen en managementmaatregelen? Hoe beoordeelt u de risico’s dat deze innovaties onvoldoende of te laat leveren?
De aanpak bestaat uit verschillende soorten maatregelen en leunt niet alleen op technologische innovaties. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 8.
Voor het behalen van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen is het van belang dat de veehouder voldoende maatregelen tot zijn beschikking heeft om het bedrijfsspecifieke emissiedoel te halen. Daarom wordt het doel ook bepaald op basis van technisch reductiepotentieel. De borging van de bedrijfsspecifieke emissiedoelen wordt verder uitgewerkt om te zorgen dat ingezette maatregelen ook tot daadwerkelijke reductie zullen leiden.
Klopt het dat het kabinet voornemens is doelsturing pas vanaf 2035 in te voeren, waarbij agrariërs afrekenbare emissiedoelen krijgen? Waarom wordt deze systematiek niet al vóór 2030 ingevoerd, gezien de urgentie van de klimaatopgave?
Doelsturing en het invoeren van afrekenbare emissienormen vraagt om een uitvoerige systeemwijziging die niet van vandaag op morgen gerealiseerd is. De periode richting 2035 geeft agrarische bedrijven tevens de ruimte om zorgvuldige keuzes te maken over de toekomst van hun bedrijf waarna ze moeten voldoen aan de individuele bedrijfsnormen. Het is daarbij cruciaal om ondernemers te ondersteunen met het maken van deze keuzes en in het nemen van maatregelen om in 2035 voldoen aan de geldende normen. Voor ammoniak geldt bovendien in 2030 een sectorale streefwaarde waardoor er naar verwachting al sprake zal zijn van reductie voor 2030. Het kabinet verkent de mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme in 2030.
Hoe verhoudt het uitstellen van doelsturing tot na 2030 zich tot de noodzaak om op korte termijn substantiële emissiereducties te realiseren?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 14. Er geldt voor ammoniak een sectorale streefwaarde voor 2030 en het kabinet verkent mogelijkheden voor een passend borgingsmechanisme. Daarnaast zet het kabinet voordat de normen afrekenbaar worden al in op emissiereducerende maatregelen door bijvoorbeeld managementmaatregelen te stimuleren. Naast de inzet op doelsturing, heeft het kabinet andere maatregelen aangekondigd in het onlangs verschenen maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Welke alternatieve instrumenten zet het kabinet vóór 2030 in om daadwerkelijk afdwingbare emissiereductie in de veehouderij te realiseren?
Zie antwoord op vraag 15.
Kunt u toelichten waarom het kabinet stelt dat emissies uit de veehouderij in 2050 niet tot nul kunnen worden teruggebracht, en in hoeverre deze aanname invloed heeft op de ambitie en inzet richting 2030?
De emissies uit de veehouderij worden in 2050 niet tot nul teruggebracht vanwege de biologische processen die met deze emissies gepaard gaan. Met de huidige inzichten kunnen deze biologische processen van met name (melk)vee en mesttoediening niet volledig emissievrij worden. De (melk)veehouderij en mesttoediening zal ook in 2050 nog in Nederland plaatsvinden, waardoor deze sector niet geheel naar nul emissie zal gaan. Deze stelling doet niets af aan de ambitie en inzet richting het klimaatdoel van 2030.
Hoe groot acht u de resterende emissies uit de landbouwsector in 2030, en in hoeverre rekent u op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie om deze te neutraliseren?
Zie antwoord op vraag 2. De indicatieve sectordoelen voor 2030 tellen op tot het wettelijke netto reductiedoel van 55% ten opzichte van 1990. Het kabinet stuurt op doelbereik in de sectoren en rekent voor 2030 niet op koolstofverwijdering of andere vormen van compensatie voor het indicatieve sectordoel voor de landbouw. Voor realisatie van het indicatieve sectordoel voor het landgebruik in 2030 wordt echter wel gerekend op een toename van koolstofverwijdering in bossen en minerale bodems, naast emissiereductie uit organische veenbodems.
Acht u het wenselijk om in te zetten op compensatie van landbouwemissies, in plaats van maximale reductie aan de bron? Kunt u dit toelichten?
Een van de uitgangspunten uit de Routekaart Koolstofverwijdering5 is dat het reduceren van broeikasgasemissies voorop blijft staan. Hiermee wordt de afhankelijkheid van koolstofverwijdering voor compensatie richting klimaatneutraliteit in 2050 geminimaliseerd. Voor de landbouwsector, evenals voor andere klimaatsectoren, betekent dit concreet dat emissiereductie aan de bron plaatsvindt waar dit mogelijk en haalbaar is. Onvermijdelijke of zeer moeilijk te reduceren emissies worden op duurzame wijze gecompenseerd door de inzet van koolstofverwijdering.
Hoe borgt u dat Nederland voldoet aan de verplichtingen onder de Europese Effort Sharing Regulation (ESR), waarin landbouwemissies zijn inbegrepen, indien aanvullende nationale maatregelen uitblijven?
De KEV25 raamt dat het heel erg waarschijnlijk is (meer dan 95% kans) dat Nederland zijn verplichtingen nakomt onder de ESR. De ESR beslaat naast landbouw ook uit emissies uit mobiliteit (excl. luchtvaart), gebouwde omgeving, kleine industrie en afval.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn als Nederland zijn ESR-doelen niet haalt, zowel financieel als juridisch?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 20, ligt Nederland op koers om het ESR-doel voor 2030 te halen. Een lidstaat die niet voldoende reductie behaalt binnen de ESR, kan verschillende flexibiliteiten uit de verordening inzetten om alsnog aan de ESR-verplichting te kunnen voldoen. Hier gaat het onder andere om compensatie tussen verschillende jaren of het kopen van emissieruimte van andere lidstaten. Indien na inzet van deze flexibiliteiten alsnog niet voldaan wordt aan de verplichting, treedt de boeteclausule van de ESR-verordening in werking. De lidstaat moet in latere jaren dan meer emissies reduceren. Haalt een land de doelen structureel niet, dan heeft de Europese Commissie de mogelijkheid om een inbreukprocedure te starten bij het EU-Hof, wat kan leiden tot geldboetes voor de overheid.
Kunt u reflecteren op de bredere klimaatimpact van het in stand houden van de huidige omvang van de veehouderij, mede in relatie tot beleidskeuzes rond bijvoorbeeld groen gas? In hoeverre worden hier ook scope-2 en -3 effecten meegenomen?
Het kabinet stuurt voor de klimaatdoelen op emissiereductie van broeikasgassen. De inzet op groen gas is hier onderdeel van. De omvang van de veehouderij is geen doel op zich, maar kan wel een resultante zijn van het gevoerde beleid. Scope-2 en scope-3 effecten vormen geen onderdeel van de doelen, maar kunnen wel worden meegewogen in de besluitvorming.
Welke concrete stappen is het kabinet bereid op korte termijn te zetten om de uitstoot van de veehouderij daadwerkelijk en substantieel te reduceren, en wanneer kan de Kamer hierover uitgewerkte voorstellen verwachten?
Het kabinet zal de komende tijd uitgewerkte voorstellen uit het maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof aan de Kamer doen toekomen. Zie verder ook het antwoord op vraag 8.
Deelt u de opvatting dat het huidige beleid onvoldoende concreet, onvoldoende afdwingbaar en onvoldoende ambitieus is om de klimaatdoelen te halen? Zo nee, waarop baseert u dat?
Volgens de KEV25 zijn er aanvullende maatregelen nodig om de klimaatdoelen te realiseren. Met het gepresenteerde maatregelenpakket landbouw, natuur en stikstof beoogt het kabinet een forse stap te zetten richting het vlottrekken van vergunningverlening. Maatregelen uit dit maatregelenpakket kennen ook een emissie-reducerend effect op klimaat. In september komt het PBL met een reflectie op dit maatregelenpakket, waarin ook wordt gekeken naar het klimaateffect. Daarnaast volgt met Prinsjesdag de KEV26 met nieuwe ramingen van het PBL. Conform het coalitieakkoord zal het kabinet in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullende maatregelen nemen om de klimaatdoelen te halen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk, onderbouwd en op tijd beantwoorden?
Ja.
Illegale houtkap in de Amazone via Nederlandse bedrijven |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), van Essen |
|
|
|
|
Klopt het dat hout met een illegale herkomst via Nederlandse importeurs, handelaren of afnemers in de keten is beland en is verkocht met een duurzaam label? Zo ja, welke partijen zijn daarbij betrokken?1
Wanneer er signalen zijn dat er illegaal gekapt hout op de Nederlandse markt terecht komt, wordt hier handhavend tegen opgetreden. Dat mogelijk illegaal gekapt hout op de Nederlandse markt terecht komt, is helaas nooit helemaal uit te sluiten. Over individuele gevallen doen de ministeries geen uitspraak.
Welke Nederlandse bedrijven, importeurs, handelaren of afnemers zijn door de regering of toezichthouders in beeld gebracht in verband met deze handel?
Namen van bedrijven kunnen niet openbaar gemaakt worden. Over eventuele lopende strafrechtelijke onderzoeken maken opsporingsdiensten geen informatie bekend vanwege de bescherming van privacy en onschuldspresumptie, evenals de integriteit van het onderzoek.
Welke boetes, sancties of importverboden zijn inmiddels opgelegd aan betrokken partijen? Als die sancties er niet zijn, waarom niet?
Op basis van het rapport van Earthsight zijn nog geen boetes, sancties of importverboden opgelegd. In dit soort zaken onderzoekt de NVWA eerst of de informatie in het rapport inderdaad voldoende aanknopingspunten heeft om controles bij bedrijven uit te voeren. Ook wordt gekeken of genoemde bedrijven zijn geïnspecteerd op meer recente partijen en wat de uitkomst van die inspecties was. Bij de houtverordening gaat het uiteindelijk niet om een controle op een specifieke partij hout, maar om de mate van robuustheid van een stelsel van zorgvuldigheidseisen dat een bedrijf heeft en om welke maatregelen bedrijven nemen als er toch onregelmatigheden in hun toeleveringsketens optreden.
Hoe vaak heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) in de afgelopen vijf jaar controles uitgevoerd op tropisch hardhout uit de Amazone en hoeveel overtredingen zijn daarbij vastgesteld?
In de afgelopen vijf jaar zijn er 32 inspecties uitgevoerd op bedrijven waarbij de focus van de inspectie lag op zendingen uit het Amazonegebied. Bij elf bedrijven betrof het gezaagd hout en bij 21 bedrijven papierproducten. Zeven waren akkoord, vier kregen een Proces-Verbaal, 20 een Last onder dwangsom en één een nadere bestuursrechtelijke maatregel. Met de invoering van de EUDR zal de inspectie-intensiteit toenemen. Dit betekent onder andere dat zendingen van hout en houtproducten, waaronder hout uit het Amazonegebied, nog nadrukkelijker onderwerp van toezicht zullen zijn.
Vindt het kabinet het acceptabel dat bedrijven winst maken op tropisch hout, terwijl de Amazone ondertussen steeds verder verdwijnt?
Het kabinet zet zich ervoor in om illegaal geproduceerd hout van de Nederlandse en Europese markt te weren en om wereldwijd ontbossing en bosdegradatie per 2030 te stoppen en om te keren, onder meer door internationale samenwerking en regelgeving. Voor houtproducten gelden Europese regels om ontbossing en illegale houtkap tegen te gaan. De Europese houtverordening (EUTR) verplicht bedrijven om gepaste zorgvuldigheid toe te passen om het risico op het op de markt brengen van illegaal gekapt hout te beperken. Deze regelgeving wordt vervangen door de Europese ontbossingsverordening (EUDR), die bedrijven verplicht aan te tonen dat hout en andere relevante grondstoffen legaal geproduceerd zijn en niet afkomstig zijn van gronden waarop ontbossing of bosdegradatie heeft plaatsgevonden.
Daarnaast verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven dat zij handelen conform internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO): de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights. Deze standaarden schrijven voor dat bedrijven risico’s voor mens en milieu in de waardeketen, zoals het risico op ontbossing, identificeren en waar nodig aanpakken. Het kabinet ondersteunt het Nederlandse bedrijfsleven hierbij, o.a. via het MVO-steunpunt, sectorale samenwerking en het postennetwerk.
Bent u bereid de handhaving op import van tropisch hout aan te scherpen, onder meer door intensievere ketencontroles en zwaardere sancties bij misleiding?
Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de ontbossingsverordening (EUDR), de opvolger van de houtverordening, is de handhavingscapaciteit bij de NVWA uitgebreid. Vanaf 30 december 2026, het moment van inwerkingtreding van de EUDR, zal het aantal inspecties toenemen. Vanaf dat moment gelden verplichte controlepercentages. Uit landen met een gemiddeld risico op ontbossing, waar veel landen in de Amazone-regio onder vallen, zal 3% van de marktdeelnemers die hout importeren, jaarlijks moeten worden geïnspecteerd.
Is het kabinet bereid om misstanden in de toeleveringsketen van hout en het effect hiervan op de Amazone serieus te onderzoeken, om te zien of aanvullende nationale regels nodig zijn naast de EUDR om frauduleuze import van tropisch hout tegen te gaan?
Het kabinet vindt het van belang dat misstanden in de houtketen worden voorkomen en aangepakt. De Europese ontbossingsverordening (EUDR) is hiervoor een belangrijk instrument dat bedrijven verplicht inzicht te geven in hun toeleveringsketens en ervoor te zorgen dat relevante producten niet bijdragen aan ontbossing en bosdegradatie. Het kabinet zet zich in voor een effectieve uitvoering en handhaving van de EUDR. Op basis van de ervaringen met de uitvoering en eventuele signalen over misstanden zal worden bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn.
Kunt u aangeven welke diplomatieke stappen Nederland zet richting Brazilië om structurele controle op herkomst, kapvergunningen en exportdocumenten te verbeteren?
Bij inspecties controleert de NVWA de documentatie van importerende bedrijven op hun verplichtingen onder de houtverordening. Incidenteel en waar nodig werkt de NVWA daarvoor samen met Braziliaanse instanties en overheden.
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor hardere aanpak van misstanden in toeleveringsketens, inclusief een passage hierover in het politiek deel van het Mercosur-verdrag?
Het kabinet onderschrijft het belang van een stevige Europese aanpak van misstanden in toeleveringsketens. In EU-kader wordt al gewerkt aan de uitvoering van verschillende IMVO-gerelateerde wetgeving zoals de EUDR en de Richtlijn inzake gepaste zorgvuldigheid voor duurzaamheid van ondernemingen (CSDDD). Nederland brengt daarnaast het belang van gepaste zorgvuldigheid, naleving van internationale normen en een gelijk speelveld voor bedrijven actief onder de aandacht in de EU. Aangezien de onderhandelingen over het EU-Mercosur-akkoord reeds zijn afgerond, is een aanpassing hiervan op dit moment niet aan de orde. Binnen het akkoord zijn concrete duurzaamheidsafspraken gemaakt met als doel grondstofwaardeketens veiliger en toekomstbestendig te maken, en zijn er bepalingen overeengekomen over hoe gezamenlijk wordt ingezet op duurzaam bosbeheer. Daarnaast is er een reguliere dialoog tussen de EU en de Mercosur-landen voor de implementatie van de gemaakte afspraken.
Bent u bereid de Kamer binnen drie maanden te informeren over de stand van zaken rond toezicht, handhaving en vervolging in deze zaak?
Zoals toegelicht doen de ministeries geen uitspraken over individuele zaken.
De separate scheiding van innovatieve biobased materialen naar aanleiding van het antwoord van de minister op eerder gestelde vragen |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het risico dat innovatieve verpakkingsmaterialen, die nog niet binnen bestaande inzamel-, sorteer- en verwerkingsketens passen, onvoldoende kunnen opschalen doordat zij in de praktijk geen passende verwerkingsroute hebben en dus niet op grote schaal recyclebaar zijn?1
Voor het bereiken van een circulaire economie is het noodzakelijk dat producten, wanneer deze het einde van de (lange) levensduur bereiken, op grote schaal worden gerecycled. Voor verpakkingen is dit wettelijk vastgelegd in de Verpakkingenverordening (Packaging and Packaging Waste Regulation, PPWR). Deze Europese wet bepaalt dat verpakkingen vanaf 2035 alleen in de handel mogen worden gebracht als ze op grote schaal worden gerecycled.
Het risico dat u schetst is bekend. Het kan zijn dat nieuwe, innovatieve verpakkingsmaterialen op lange termijn leiden tot milieuvoordelen. Op korte termijn worden deze materialen wellicht slechts op kleine schaal toegepast. De kans is dus klein dat ze op korte termijn op grote schaal worden gerecycled. Om dit risico te ondervangen, is in de PPWR vastgelegd dat verpakkingen gemaakt van deze innovatieve materialen zijn uitgezonderd van de voorwaarde om op grote schaal te worden gerecycled, voor een periode van vijf jaar. De Europese Commissie houdt in de gaten welke verpakkingen door lidstaten worden uitgezonderd en kan aanpassingen voorstellen wanneer de situatie daarom vraagt.
Hoe precies wordt vastgesteld dat een verpakking op grote schaal wordt gerecycled, wordt nog uitgewerkt door de Commissie in een uitvoeringshandeling. Het is belangrijk dat deze en andere handelingen op een zorgvuldige manier door de Commissie worden uitgewerkt. Zoals in de beantwoording van de vorige set Kamervragen is aangegeven, zal het kabinet blijven pleiten voor geharmoniseerde uitwerkingen, zodat ook voor innovatieve verpakkingen duidelijkheid en bijgevolg investeringszekerheid komt.
Deelt u de opvatting dat artikel 48 PPWR juist ruimte biedt om via ketenafspraken, pilots of andere maatregelen te zorgen voor passende inzameling, sortering en verwerking van innovatieve verpakkingsmaterialen, ook wanneer deze nog geen onderdeel zijn van bestaande afvalstromen?
Zoals in de beantwoording van de vorige set Kamervragen is aangegeven1, is in Nederland een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) voor verpakkingen van toepassing. Hiermee zijn producenten verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van het afval van de verpakkingen die zij op de markt brengen. Via het UPV-instrument kunnen ketenafspraken, pilots, of andere overeenkomsten tussen producenten van (innovatieve) verpakkingen en verwerkers van verpakkingsafval worden georganiseerd en/of gefinancierd.
Zoals toegelicht in vraag 1, kunnen innovatieve verpakkingen een tijdelijke uitzondering krijgen van de voorwaarde om op grote schaal te worden gerecycled. Deze tijd kan worden benut om tot een passende route te komen, zodat ook grootschalige recycling mogelijk wordt. Dit vermindert het risico dat de bepalingen over grootschalige recycling de opschaling van innovatieve materialen hinderen. Om de uitzondering te verkrijgen, dienen marktdeelnemers informatie aan te leveren, waaronder een tijdschema voor wanneer de verpakking wel op grote schaal kan worden gerecycled. Ketenafspraken, pilots of andere overeenkomsten kunnen wellicht helpen om dit tijdschema op te stellen.
Bent u bereid om vóór 12 augustus 2026 samen met de sector te verkennen welke belemmeringen innovatieve biobased en composteerbare verpakkingen ondervinden binnen de huidige afvalketen en welke oplossingen mogelijk zijn?
Het is bij alle verpakkingsmaterialen aan de marktdeelnemers zelf om binnen de bestaande wettelijke kaders en waar nodig plannen en afspraken te maken over inzameling, sortering en recycling van hun verpakkingsafval. De afvalfase moet immers mee worden genomen bij het ontwerp van de verpakkingen (design-for-recycling). Zoals in de beantwoording van de vorige set Kamervragen is aangegeven1 faciliteert de rijksoverheid wel ketengesprekken, met name via de Ketentafel Verpakkingen die vanaf september van start gaat.
Bent u bereid om daarbij te onderzoeken of gerichte pilots kunnen bijdragen aan een eerlijke beoordeling en verwerking van innovatieve verpakkingsmaterialen, zodat kansrijke innovaties die milieutechnisch grote voordelen hebben t.o.v. bestaande verpakkingen niet onnodig worden belemmerd?
De beoordeling of een verpakking innovatief is, gebeurt op basis van de wettelijke definitie uit de PPWR. De bevoegde autoriteit in de lidstaat beoordeelt of een verpakking hieronder valt, en geeft, bij een positieve beoordeling, deze informatie door aan de Europese Commissie. In Nederland is de bevoegde autoriteit Rijkswaterstaat (RWS). RWS werkt daarom op dit moment een beoordelingskader uit. De insteek is om dit zoveel mogelijk af te stemmen met andere lidstaten.
Zoals in het antwoord op de vorige vraag toegelicht, heeft de rijksoverheid geen rol in de (commerciële) afspraken die marktdeelnemers maken over de inzameling, sortering en verwerking van verpakkingsafval. Het staat hen vrij om pilots op te zetten binnen de bestaande wettelijke kaders.
Waterproblematiek als gevolg van klimaatverandering |
|
Felix Klos (D66), Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat de opschaling van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling naar het niveau «dreigend watertekort» op 1 juli concreet betekent en of u verwacht dat Nederland deze zomer opschaalt naar «feitelijk watertekort»?1
Van watertekort is sprake als de vraag naar water vanuit verschillende maatschappelijke en ecologische behoeften groter is dan het aanbod met een voor de behoefte geschikte kwaliteit. Watertekort ontstaat geleidelijk.
Op 16 juli is de Kamer per brief2 geïnformeerd over de opschaling. In de brief is opgenomen dat op 1 juli de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) is opgeschaald naar het niveau «dreigend watertekort» (niveau 1). Ook wordt de Kamer in de brief geïnformeerd over de concrete genomen maatregelen. Op advies van de LCW heeft de voorzitter van het Management Team Watertekorten (MTW) donderdag 16 juli 2026 besloten om op te schalen naar een «feitelijk watertekort» (niveau 2). De criteria voor opschaling zijn vastgelegd in het Landelijk draaiboek Waterverdeling en Droogte3.
Het MTW bestaat uit Rijkswaterstaat, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies en betrokken Ministeries (LNV, EZK en IenW). Zij bereiden bovenregionale maatregelen voor, om het water zo goed mogelijk te verdelen. Denk bij maatregelen aan schutbeperking, onttrekkingsverboden en aangepaste inzet van de stuwen op de Rijntakken. De leden van het MTW vertalen dit naar besluiten in de eigen bestuurlijke kolom. Waterschappen, Rijkswaterstaat en provincies hebben elk hun eigen structuren, verantwoordelijkheden en besluitvorming.
Deelt u de analyse van de voorzitter van de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling dat de huidige droogte steeds meer overeenkomsten vertoont met het uitzonderlijke jaar 1976 en dat de kans op zulke zomers door klimaatverandering toeneemt?2
Ja, ik deel deze analyse. De aanhoudende droogte zorgt ervoor dat er een grotere vraag is naar water dan wat er ons land binnenkomt via regen en rivieren. Elke droogte is anders, maar tot nu toe zijn er veel overeenkomsten met de droogte uit 1976. Zo zijn de rivierafvoeren historisch laag, en is op 15 juli de laagste juli-afvoer van 780 m/s, uit 1976, onderschreden. Ook het neerslagtekort loopt steeds verder op. Deze is vergelijkbaar met het droge jaar 2018 maar blijft voorlopig nog onder het neerslagtekort van 1976.
De KNMI-klimaatscenario’s5 laten zien dat perioden van droogte vaker zullen optreden en langer zullen aanhouden naarmate het klimaat verandert.
Kunt u toelichten welke keuzes u in de verdringingsreeks voorziet als de droogte de rest van de zomer aanhoudt en op welk moment u de Kamer daarover informeert?3
De huidige droogte heeft op dit moment vooral gevolgen voor functies die vallen onder categorie 4 van de wettelijke verdringingsreeks (bijlage 1). Voor de functies in de categorieën 1 tot en met 3 doen zich momenteel geen bovenregionale waterverdelingsvraagstukken voor.
De Kamer wordt geïnformeerd wanneer er wordt op- danwel afgeschaald naar een ander niveau of wanneer er sprake is van ingrijpende bestuurlijke besluiten met aanzienlijke maatschappelijke of financiële gevolgen. Dit laatste ligt waarschijnlijk pas in de rede wanneer wordt opgeschaald van niveau 2 naar niveau 3 van de droogtekolom, en de watertekorten ook gevolgen hebben voor functies in de categorieën 1 tot en met 3 van de verdringingsreeks.
Welke maatregelen in dat geval nodig zijn, hangt af van de aard van de watertekorten en algehele situatie op dat moment. Het is daarom niet mogelijk daar nu op vooruit te lopen.
Kunt u toelichten hoe u de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw, natuur en industrie borgt nu de verzilting in het benedenrivierengebied verder toeneemt en regionaal al onttrekkings- en beregeningsverboden gelden?4
De Kamerbrief8 van 16 juli biedt overzicht van de reeds genomen maatregelen. Zo hebben waterbeheerders al vroeg in het jaar geanticipeerd op mogelijke droogte door het peil lokaal en in het IJssel- en Markermeer te verhogen. Plaatselijk worden pompen ingezet om kanalen en het regionale watersysteem van extra water te voorzien en verschillende maatregelen zijn al ingezet om de verzilting te beperken en waterpeilen te kunnen handhaven. Denk aan het extra inlaten van water, het sluiten van de Haringvlietsluizen, beperkt spuien bij de Afsluitdijk en de inzet van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA). Waterbeheerders hebben hiermee de gevolgen van de droogte gedeeltelijk kunnen opvangen en/of uitstellen. Hoe langer de droogte aanhoudt, hoe ingewikkelder het wordt om functies lager in de verdringingsreeks (categorie 4) van zoetwater te voorzien. De gevolgen van droogte kunnen niet altijd en overal voorkomen worden.
Kunt u specifiek toelichten in hoeverre de huidige droogte en verzilting een concreet risico vormen voor een feitelijk drinkwatertekort voor consumenten op de korte en middellange termijn?
De huidige droogte en verzilting vormen geen risico op een drinkwatertekort en brengen dan ook geen concrete gevolgen mee voor de consument. Er is momenteel voldoende drinkwater beschikbaar en de levering van drinkwater blijft stabiel. Risico’s voor de drinkwaterwinning zijn beheersbaar door de preëmptieve peilopzet van het IJsselmeer begin dit jaar, het inschakelen van de Klimaatbestendige wateraanvoer (KWA) voor West-Nederland en andere genomen maatregelen uit de Kamerbrief9. Wel is belangrijk bewust met kraanwater om te gaan. Het vaste advies van de drinkwaterbedrijven is dat minder water gebruiken altijd beter is – het hele jaar door.
Het is bekend dat de drinkwatervoorziening op de middellange termijn steeds meer onder druk komt te staan. Onder andere door langere periodes van droogte, maar ook door een groeiende vraag. De beschikbaarheid van voldoende, schoon en betaalbaar drinkwater wordt voor een belangrijk deel bepaald door de beschikbaarheid en kwaliteit van de drinkwaterbronnen. Om de komende jaren onze drinkwaterbeschikbaarheid ook veilig te stellen werken de drinkwaterbedrijven en provincies in het kader van het Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen aan maatregelen om de productiecapaciteit van drinkwater in 2030 ook structureel te vergroten. Tegelijkertijd werken we met de uitvoering van het Nationaal Plan van aanpak drinkwaterbesparing samen met veel stakeholders aan het terugbrengen van de vraag naar drinkwater met 20% in 2035, zowel voor consumenten als voor zakelijke gebruikers.
Hoe beoordeelt u de ecologische gevolgen van deze droogte, zoals vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en een landelijk verhoogd risico op natuurbranden?
Het risico op vissterfte, blauwalg, botulisme, droogvallende nevengeulen en natuurbranden is jaarlijks terugkerend en lokaal verschillend, maar naarmate de droogte aanhoudt neemt dit risico overal toe. Zo zijn onlangs in het noordelijke deel van de Krimpenerwaard grote aantallen dode vissen en watervogels aangetroffen, vermoedelijk ten gevolge van een botulisme-uitbraak door de hoge watertemperaturen. Het handelen ten aanzien van het verhoogde risico op natuurbranden is vastgelegd in het Landelijk Crisisplan Natuurbranden10.
Kunt u aangeven welke gevolgen de aanhoudende droogte heeft voor de staat van kades, dijken en funderingen?
De droogte heeft vooralsnog beperkte gevolgen voor de staat van kades en dijken omdat we op tijd ingrijpen waar dat nodig is. Waterbeheerders controleren locaties waar door uitdroging risico’s kunnen ontstaan en nemen maatregelen om deze te beschermen. Het recentelijk afsluiten van de Twentekanalen is hier een voorbeeld van. De stabiliteit van keringen heeft de hoogste prioriteit in de verdringingsreeks.
Funderingen zijn als zodanig niet opgenomen in de verdringingsreeks, maar waterbeheerders nemen wel maatregelen om bodemdaling door droogte (klink en zetting) te voorkomen. Hiermee wordt ook schade aan funderingen door de huidige droogte beperkt.
Kunt u toelichten wat de lage waterstanden nu al betekenen voor de binnenvaart, waar schepen minder diep mogen varen, minder lading kunnen meenemen en verladers te maken krijgen met hogere transportkosten, laagwatertoeslagen en langere doorlooptijden?
De huidige lage waterstanden in Nederland hebben aanzienlijke gevolgen voor de binnenvaartsector. Door de verminderde vaardiepte mogen binnenvaartschepen minder diep varen, wat direct leidt tot een verminderd laadvermogen per schip. Hierdoor neemt de beschikbare transportcapaciteit af, terwijl de vraag naar vervoer onverminderd blijft. Uit ervaringen in 2018 en 2022 hebben wij gezien dat de transportprijzen in dergelijke periodes -tijdelijk- enorm kunnen stijgen. Bovendien leiden lage waterstanden tot langere wachttijden bij sluizen, omdat deze minder vaak schepen doorlaten om water te besparen, wat de vertragingen in de logistieke keten verergert. Verladers en bedrijven moeten hun planning aanpassen, bijvoorbeeld door voorraden op te bouwen of alternatieve transportmodaliteiten te overwegen.
De recente stremming van de Twentekanalen illustreert hoe ingrijpend de gevolgen van droogte voor de binnenvaart en de regionale economie kunnen zijn. Door het sluiten van de sluizen bij Eefde is de vaarverbinding tussen de IJssel en belangrijke Twentse industrie- en overslaglocaties (tijdelijk) weggevallen. Bedrijven die afhankelijk zijn van aanvoer en afvoer over water worden daardoor gedwongen op zoek te gaan naar mogelijke alternatieven zoals het wegvervoer of andere logistieke oplossingen, hetgeen extra kosten en organisatorische uitdagingen met zich brengt. Wij blijven in goed gesprek met de sector en zijn ons bewust dat hierdoor niet alleen de binnenvaart wordt geraakt, maar ook verladers, industriële bedrijven, overslagterminals en andere schakels in de logistieke keten. De uiteindelijke duur van dergelijke stremmingen als gevolg van droogte is vooraf vaak onzeker.
Houdt het kabinet rekening met dreigende tekorten aan specifieke goederen en grondstoffen in Nederland als gevolg van de beperkte toevoer via de commerciële binnenvaart en zo ja, welke goederen betreft dit en hoe wordt dit gemonitord?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s op tekorten als gevolg van beperkte toevoer via de binnenvaart en monitort dit actief. Binnen het kader van de Mobiliteitsvisie wordt gewerkt aan het verhogen van de leveringszekerheid door risicovolle afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast hebben wij een langlopend programma dat de klimaatimpact inzichtelijk maakt in zgn. stresstesten en mogelijke maatregelen in kaart brengt in een Uitvoeringsagenda. Vooralsnog zijn er geen signalen van specifieke tekorten van goederen. De voorraden en de mate van transportalternatieven, bijvoorbeeld vervoer via de weg, bepaalt mede de continuïteit van commerciële partijen. Het kabinet blijft de situatie nauwlettend volgen in samenwerking met brancheorganisaties, waterschappen, Rijkswaterstaat en andere betrokken partijen.
Kunt u aangeven of het kabinet een raming maakt van de economische schade van de droogte van 2026 voor Nederlandse handels-, productie- en industriebedrijven? Zo nee, kunt u toezeggen dit wel te doen?
Er zijn evaluaties gemaakt van de economische effecten van droogte In de droge jaren 201811 en 202212. Indien de droogte van dit jaar verder doorzet zal ook over dit seizoen een economische evaluatie worden gemaakt.
Op dit moment ontwikkelt het kabinet een dashboard dat de schade van (dreigende) watertekorten voor de huidige en aankomende perioden in beeld kan brengen. Een van de doelen van dit dashboard is om jaarlijkse droogterapportages te kunnen maken die ingaan op de economische effecten. De informatie in dit dashboard kan al worden gebruikt voor een evaluatie van economische effecten van de droogte dit jaar.
Welke risico's ziet u door de aanhoudende droogte, hoge watertemperaturen en lage rivierstanden voor de koelwatercapaciteit van elektriciteitscentrales en in hoeverre brengt dit de leveringszekerheid van energie in Nederland in gevaar?
Op dit moment is de leveringszekerheid van energie niet in gevaar als gevolg van de huidige droogte. Wel is de watertemperatuur hoger dan normaal en is het risico dat bij verdere daling van rivierafvoeren en aanhoudende hoge luchttemperatuur dat het lozen van koelwater op de rivieren dan sterk moet worden beperkt of gestaakt.
De elektriciteitscentrales in Nederland liggen zeer beperkt aan rivieren en veelal langs de kust of aan water met invloed van het getij, waar opwek blijvend mogelijk is doordat de watertemperatuur daar lager is. Bij de elektriciteitscentrales aan de Maas en de Amer kan eventueel een koeltoren worden ingezet, waardoor veel minder warmte wordt toegevoegd aan de rivier.
Leveringszekerheid van energie zit in categorie 2 van de verdringingsreeks. Dat betekent dat de watervraag voor de leveringszekerheid van energie voorrang krijgt op economische functies indien dat nodig is. In zeer uitzonderlijke gevallen kan voor de leveringszekerheid van elektriciteit de inzet van centrales ook bij hoge watertemperaturen worden toegelaten, bijvoorbeeld als ook op Europese schaal onvoldoende elektriciteit beschikbaar is.
Deelt u de opvatting dat extreme droogte en extreem hoogwater twee uitingen zijn van hetzelfde onderliggende probleem, namelijk klimaatverandering, en dat het waterdossier daarmee onlosmakelijk ook een klimaatdossier is?
Het waterdossier is ook, maar niet alleen, een klimaatdossier. De oorzaak van de toenemende wateropgaven ligt in de combinatie van klimaatveranderingen en sociaal-economische ontwikkeling.
Door klimaatverandering verandert het wateraanbod. De Deltascenario’s13 laten zien dat het zomers droger en ’s winters natter wordt en de extremen extremer zullen worden en vaker zullen optreden. Het weerbeeld wordt grilliger, de Rijn- en Maasafvoeren gaan veranderen en de zeespiegel stijgt met verzilting in de kustgebieden als gevolg.
Tegelijkertijd laten de Deltascenario’s zien dat ook sociaal-economische ontwikkelingen een rol spelen. De vraag naar zoetwater groeit door bevolkingsgroei, economische ontwikkeling en nieuwe water-intensieve activiteiten (bijv. datacentra en waterstoffabrieken). Ook bepalen de ruimtelijke keuzes die we nu en in het verleden gemaakt hebben de waterbeschikbaarheid en het risico op wateroverlast.
Op welke wijze werkt u samen met de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) om te zorgen dat mitigatie en adaptatie op het klimaat- en waterterrein elkaar versterken?
De ontwerpNationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS; Kamerbrief 31 793, nr. 301) is een rijksbrede strategie, waarbij de betrokken ministeries (waaronder die van IenW en EZK/KGG) nauw hebben samengewerkt. Zo bevat de Ontwerp-NAS een aanpak voor een klimaatbestendige energieinfrastructuur. In het Programma Energiehoofdinfrastructuur wordt bekeken waar nieuwe energie-infrastructuur ruimtelijk geordend kan worden om zo te werken naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Klimaatadaptatie wordt hierbij integraal meegewogen. Het kabinet blijft verder gecommitteerd aan klimaatmitigatie en zet met volle kracht in op het halen van de klimaatdoelen.
Bent u bekend met de stelling van hydrometeoroloog Jan Verkade dat de enige échte, structurele oplossing voor de toenemende droogte- en waterproblematiek ligt in het drastisch verminderen van de CO₂-uitstoot? Deelt u deze visie en is het kabinet bereid om op basis hiervan extra (mitigerende) maatregelen te treffen om gegarandeerd aan de nationale en internationale klimaatafspraken te voldoen?
Ik deel de visie dat het verminderen van de CO2-uitstoot belangrijk is. Het kabinet werkt daarom aan het behalen van de klimaatdoelen en de implementatie en realisatie van maatregelen. Maar zelfs als we morgen alle klimaatdoelen halen, dan krijgt Nederland de komende jaren alsnog te maken met extremer weer. Bovendien heeft de mate waarin de rest van de wereld de klimaatdoelen behaalt, ook een groot effect op de klimaatverandering in Nederland.
Daarom zet ik tegelijk in op adaptatie, zoals het vergroten van de sponswerking van onze landschappen zodat we water beter kunnen vasthouden, en het flexibiliseren van het hoofdwatersysteem zodat we het schaarse water slimmer kunnen verdelen waar dit het meest nodig is.
Door klimaatverandering neemt het belang van sterke internationale samenwerking verder toe. Nederland is immers voor een groot deel afhankelijk van het rivierwater dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Binnen de internationaal rivierencommissies zet Nederland zich daarom actief in voor afspraken over de rivierafvoer.
Bent u van mening dat Nederland genoeg doet om de effecten van klimaatverandering tegen te gaan via mitigatie en adaptatie? Zo nee, waar is extra inzet nodig en welke rol ziet u voor zichzelf daarin?
Uit de evaluatie van de NAS’16 (2022)14 blijkt dat zowel de Rijksoverheid als veel decentrale overheden en bedrijven al aan de slag zijn gegaan met klimaatrisico’s. Maar hieruit blijkt ook dat die inzet onvoldoende is gezien het huidige tempo van klimaatverandering. Met de (ontwerp)NAS’26 streeft het kabinet naar duidelijkheid over onze ambities en doelen en zetten we op de korte termijn stappen waarmee we ons voorbereiden op de benodigde veranderingen op de middellange termijn. Om de benodigde snelheid te behalen is het echter nodig om – in samenwerking met belanghebbenden – keuzes te maken waar welke maatregelen worden genomen. Dit vergt eveneens capaciteit en middelen bij alle betrokken partijen.
Het kabinet zet verder in op de implementatie en realisatie van de klimaatmitigatiemaatregelen die reeds zijn afgesproken, op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak zodat we de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 conform afspraak halen. Behalen van het klimaatdoel van 2030 blijft lastig, maar we houden de ambitie vast.
Kunt u per hoofdaanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)-rapport «Voorbij de risico's»5 op het waterdossier aangeven welke door u in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie is overgenomen en welke niet en wat de reden is bij de aanbevelingen die u niet heeft overgenomen?
Het onderzoek van het PBL is meegenomen in de ontwerpNAS. Zo zijn de risicoanalyses in alle hoofdstukken mede gebaseerd op dit onderzoek en hanteren we in de adaptatiepadenkaarten een vergelijkbare indeling van intensiverende en transformerende maatregelen. Een intensiverende maatregel voor zoetwaterbeschikbaarheid is bijvoorbeeld het verder optimaliseren van de flexibiliteit van het hoofdwatersysteem. Daarbij kunnen we, afhankelijk van de specifieke droogteomstandigheden en aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks, het water slim verdelen naar waar dat het meest nodig is. Een transformerende maatregel is bijvoorbeeld het beter vasthouden van grondwater. Hiervoor kan een functiewijziging nodig zijn. In de Ontwerp-NAS worden echter geen beleidskeuzes voor het waterdomein gemaakt. Dit gebeurt in het Nationaal Waterprogramma dat in 2027 ter inzage wordt gelegd, maar ook op regionaal niveau, onder andere ook aan de hand van de stapsgewijze aanpak van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie waarin gemeenten, waterschappen en provincies samenwerken.
Kunt u toelichten of het Deltaprogramma Zoetwater, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het uitgangspunt «water en bodem sturend» in hun huidige vorm toereikend zijn voor zomers als deze, of dat u versnelling nodig acht en wat die versnelling dan concreet zou inhouden?
Het aanbod van zoetwater in de neemt in de zomerperiode af, terwijl de vraag toeneemt. Toekomstige waterschaarste, in zomers zoals deze met lage rivierafvoeren, kunnen niet volledig worden voorkomen. De genoemde programma’s helpen ons voor te bereiden op deze waterschaarste. We zien dat al uitgevoerde maatregelen de effecten van schaarste tot nu toe hebben weten te beperken.
De programma’s geven richting aan een bredere aanpak waarin de nadruk verschuift van het treffen van maatregelen in het watersysteem naar aanpassingen in het ruimtegebruik en de ruimtelijke inrichting. Belangrijk hiervoor is dat maatschappelijke partijen en gebruikers beter inzicht krijgen in de lokale veranderingen in waterbeschikbaarheid door klimaatverandering, en de inspanningen van overheden en waterbeheerders om dit gebiedsgericht te beperken, of niet, afhankelijk van hun doelen en strategie. Aanvullend op een goede samenwerking en voldoende capaciteit en financiering bij alle betrokkenen, is voorwaardelijk ook voldoende kennis, duidelijkheid en transparantie. Deze nieuwe aanpak wordt momenteel concreet uitgewerkt in het Nationaal Waterprogramma (NWP) welke in 2027 ter inzage wordt gelegd.
Kunt u een reflectie geven op het bericht dat Waterschappen pleiten voor Europese regels om te voorkomen dat Nederland niet alleen een «restje rivierwater» krijgen?6
Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land instroomt. Deze afhankelijkheid geldt omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in Nederland voor bijvoorbeeld scheepvaart en daarmee de bevoorrading van eigen industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid te waarborgen. Het beeld dat Nederland alleen een «restje rivierwater» krijgt deel ik daarom niet.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke Europese samenwerking verder toe. Nederland is al lang actief om in Europees verband afspraken te maken en zet daarbij vooral in op afspraken binnen de riviercommissies. Onder meer binnen de Internationale Commissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan o.a. over waterkwaliteit en waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken van de internationale samenwerking.
Bent u bekend met de berichtgeving dat de burgemeester van Valkenburg aan de Geul vijf jaar na de watersnood van 2021 spreekt van «een ramp na de ramp», omdat particulieren achterbleven met een restschuld van 15 tot 45 procent en hoe beoordeelt u die kwalificatie?7
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Gedupeerden hebben schadevergoedingen verkregen vanuit de afgesloten verzekeringen. Voor schade die onverzekerbaar is hebben gedupeerden een tegemoetkoming ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Deze wet geldt als vangnet en biedt de mogelijkheid aan de overheid om een tegemoetkoming aan gedupeerden te verstrekken. Het gaat dus niet om een schadevergoeding en is niet kostendekkend. Dit is een belangrijk onderscheid.
De Wts is ruimhartiger toegepast dan louter juridisch voorgeschreven, Zo zijn voertuigen die schade hebben ondervonden door de wateroverlast in principe verzekerbaar door een all-risk verzekering en vallen daarmee buiten de werking van de Wts. Toch heeft het kabinet besloten bij hoge uitzondering en eenmalig de voertuigen die slechts WA-verzekerd waren toch onder de werking van de regeling van de Wts voor het hoogwater Limburg 2021 te brengen.
Naast deze ruimhartige toepassing van de Wts heeft het kabinet bovendien coulancehalve aanvullend de beleidsregel financiële nood in het leven geroepen. Door toepassing van de Wts en deze beleidsregel is absoluut ruimhartig opgetreden.
Met de term «ruimhartig» is overigens nooit bedoeld dat gedupeerden volledig schadeloos worden gesteld en dat is, zoals hierboven uiteengezet, ook niet het doel van de Wts. Het uitgangspunt blijft dat burgers en bedrijven voor verzekerbare schade zijn aangewezen op particuliere verzekeringen; de Wts is uitsluitend bedoeld als vangnet voor onverzekerbare schade.
Kunt u toelichten hoe het kan dat van de door Deltares becijferde schade van circa 433 miljoen euro ten minste vijftien miljoen euro die voor gedupeerden bestemd was hen nooit heeft bereikt en bent u bereid te bezien of die middelen alsnog ten goede kunnen komen aan de resterende schade in het gebied?8
Deltares heeft in hun rapport Een watersysteemanalyse – wat leren we van het hoogwater van juli 2021? een totaaloverzicht opgenomen van tegemoetkomingen en uitgekeerde schade per eind 2022. Dit betrof € 433 miljoen. Onderdeel van dit totaaloverzicht is onder andere de omzetdervingsregeling. Het Rijk heeft in 2023 een voorshot van € 24 miljoen verleend aan de provincie Limburg voor een eenmalige tegemoetkoming in omzetderving bij mkb'ers. Dit bedrag omvatte zowel de tegemoetkomingen als de uitvoeringskosten en de afhandeling van bezwaar- en beroepsprocedures, maar was verder beperkt onderbouwd omdat er destijds nog geen beeld was van de daadwerkelijk in-aanmerking-komende schade.
Het voorschot is verstrekt in de vorm van een specifieke uitkering (SPUK) met daar bijkomende voorwaarden. Zo moest, bijvoorbeeld, uitkering ervan in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsregels, met name de staatssteunregels, en een eventuele onderuitputting moest terugkomen bij het rijk.
De provincie Limburg voerde de regeling in twee tranches uit, maar uiteindelijk raakte lang niet alle middelen bestemd. Conform de voorwaarden van de SPUK wordt het resterende bedrag daarom terugbetaald aan het Rijk. Dit is deels nog lopend vanwege een laatste beroeps- en bezwarenprocedure. Het kabinet is verder niet van plan de resterende middelen opnieuw als schadetegemoetkoming beschikbaar te stellen aan de provincie.
Wat zegt het volgens u over de uitvoerbaarheid van de regelingen dat gemeenten als Gulpen-Wittem en Meerssen speciale medewerkers moesten aanstellen om inwoners door het «woud aan regels» te loodsen9 en welke opvolging geeft u aan de conclusie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat de Wet tegemoetkoming schade bij rampen niet toekomstbestendig is?10
Communicatie over de regelingen zijn ruim opgezet en breed uitgedragen in samenwerkingen tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, gemeenten en lokale hulpverlenende partijen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om additioneel verdere ondersteuning in te schakelen waar zij dat nodig achten.
Ten aanzien van de conclusie van het WODC dat de Wts in de huidige vorm niet toekomstbestendig is, is bij Kamerbrief van 7 november 2025 de Kamer geïnformeerd dat binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bezien hoe opvolging gegeven kan worden aan de gedane suggesties om deze wet wél toekomstbestendig te maken.
Kunt u aangeven hoe hoog de verzekeringsgraad tegen overstromings- en wateroverlastschade nu is onder huishoudens en onder mkb'ers, welk streefcijfer u hanteert en met welke instrumenten u die graad wilt verhogen?
Het kabinet heeft geen generieke streefcijfers voor verzekerbaarheid. Uiteraard is het wel wenselijk dat de verzekerbaarheid wordt bevorderd. Hierop is in de voornoemde brief van 7 november 2025 reeds ingegaan, kortheidshalve verwijs ik u daarom naar deze brief.
Kunt u toelichten of het beperken van de langdurige nasleep van een watercrisis, dus herstel, schadeafhandeling en verzekerbaarheid, expliciet onderdeel is van de derde laag van de meerlaagsveiligheid en van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP)? Zo niet, kunt u toezeggen dit onderdeel te laten zijn van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie?
«Meerlaagsveiligheid» is de basis van het beleid voor waterveiligheid en wateroverlast. Naar aanleiding van de wateroverlast en hoogwater in Limburg is meerlaagsveiligheid uitgebreid met twee lagen, laag 0: waterbewust handelen en laag 4 waterrobuust herstel. De eerste laag is preventie: het voorkómen van een overstroming of van wateroverlast. Dit is de belangrijkste pijler van het waterveiligheidsbeleid. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) is een alliantie van alle 21 waterschappen en het Rijk. Via dit programma worden de primaire waterkeringen versterkt, zodat ze voor 1 januari 2050 voldoen aan de wettelijke gestelde omgevingswaarden (norm). Het gaat hier om preventie en is dus geen directe maatregel voor herstel na een crisis. Waterrobuust herstel is opgenomen in de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) onder opgave 4.2 Veerkracht en weerbaarheid bij wateroverlast door extreme regen. Verdere uitwerking van het herstel na wateroverlast situaties zal plaatsvinden in de Nationale Aanpak Wateroverlast die eind 2026 gepubliceerd zal worden.
In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie kondigt u een klimaatadaptatieladder en een herziene klimaatschadeschatter aan, maar kunt u aangeven wanneer die ladder er ligt, of daarin ook wordt vastgelegd welk deel van de restschade bij inwoners en ondernemers mag blijven liggen en hoe deze ladder zich verhoudt tot de Wet tegemoetkoming schade bij rampen, waarvan het WODC concludeerde dat die niet toekomstbestendig is?
De klimaatadaptatieladder wordt volgens de Ontwerp-NAS’26 uiterlijk 2029 opgeleverd. De ladder gaat over de keten van investeren, schade en herstel, en gaat over alle klimaatrisico's. Doel is om duidelijk te maken (voor verschillende doelgroepen) wie welke risico's en kosten draagt, inclusief schade die niet of moeilijk te verzekeren is. De eventuele herziening van de Wts heeft een eigen beloop maar de uiteindelijke uitkomst ervan zal worden meegenomen in de klimaatadaptatieladder. Een antwoord op de vraag over de restschade die bij inwoners en ondernemers komt te liggen is daarom op dit moment niet te geven.
Kunt u deze vragen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden, in plaats van verlenging tot zes weken, gezien de urgentie van het onderwerp?
Ja.
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , van Essen , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
De gevolgen van de dagvaarding van Tata Steel voor de maatwerkafspraken |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de dagvaarding van Tata Steel door het Openbaar Ministerie in het licht van de door u in het plenaire debat genoemde mogelijkheid dat een uitkomst van een onderzoek van een bevoegde autoriteit een grond kan vormen voor opzegging van de «Joint Letter of Intent» (JLoI), indien die naar redelijk oordeel van de Staat ernstige zorgen doet ontstaan over de maatwerkafspraak?
Betekent deze dagvaarding voor u aanleiding om opnieuw te beoordelen of voortzetting van de JLoI nog verenigbaar is met de belangen van de Staat, de omwonenden en de kwaliteit van de uiteindelijke maatwerkafspraken? Waarom wel of waarom niet?
Welke concrete gevolgen verbindt u aan deze ontwikkeling voor de onderhandelingen over de definitieve, bindende maatwerkafspraken met Tata Steel?
Kunt u uiteenzetten welke «borging van de risico’s» inmiddels is uitgewerkt, en op welke wijze daarin rekening wordt gehouden met een strafzaak, mogelijke aansprakelijkheid en de gezondheidsschade voor omwonenden?
Het verminderen van gezondheidsrisico's is en blijft één van de hoofddoelstellingen van de beoogde maatwerkafspraak. In artikel 2.11 van de Joint Letter of Intent is overeengekomen dat partijen zullen bespreken welke omstandigheden en risico's kunnen worden opgenomen in de maatwerkafspraak voor de uitvoering van de projecten. De uitwerking hiervan loopt. Hier kan niet op vooruit worden gelopen. Voor wat betreft de impact van de strafrechtelijke vervolging op de maatwerkafspraak, zie het antwoord op vraag 1 t/m 3.
Welke criteria hanteert u om te bepalen wanneer een uitkomst van een onderzoek of strafzaak zó ernstig is dat opzegging van de JLoI of heronderhandeling van de maatwerkafspraken aan de orde is?
Bent u bereid de Kamer vóór verdere stappen in het maatwerktraject te informeren over de juridische en inhoudelijke consequenties van deze dagvaarding voor de onderhandelingspositie van de Staat?
Bent u bereid om niet tot afronding van de maatwerkafspraak over te gaan zolang de strafzaak tegen Tata Steel nog loopt?
Het sluiten van bezoekcentra door Staatsbosbeheer |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: «Prioriteit bij natuurbeheer»?»1
Ja, wij zijn bekend met het artikel «Staatsbosbeheer wil alle bezoekerscentra sluiten: Prioriteit bij natuurbeheer».
Klopt het dat Staatsbosbeheer voornemens is alle zeven buitencentra (De Pelen, Almeerderhout, Oostvaardersplassen, Schoorlse Duinen, Sallandse Heuvelrug, Drents-Friese Wold en het Boomkroonpad op de Hondsrug) te sluiten? Zo ja, op welke termijn en in welke fasering?
Staatsbosbeheer (hierna: SBB) is voornemens te stoppen met het huidige concept en de eigen exploitatie van de zeven buitencentra. Het definitieve besluit hierover volgt na advies van de ondernemingsraad van SBB, uiterlijk op 1 oktober 2026. De beoogde sluitingsdatum voor de winkels en exploitatie is vastgesteld op 1 januari 2027. Dit betekent echter niet dat alle gebouwen zonder meer worden gesloten. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke situatie, lopende contracten en bestaande samenwerkingsafspraken. De toekomstige invulling en het moment waarop de huidige exploitatie eindigt, verschillen daardoor per locatie. Voor de zeven gebouwen geldt daarom geen uniforme fasering. Er is wel sprake van één eerdere fasering: buitencentrum Almeerderhout is vanwege het vertrek van de horeca en teruglopende bezoekersaantallen vroegtijdig gesloten op 26 juli 2026.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (met name jonge) bezoekers en de lokale en regionale economie rond natuurgebieden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het voornemen om deze centra te sluiten?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een belangrijke bijdrage leveren aan het draagvlak voor natuurbeheer, natuureducatie van (jonge) bezoekers en lokale en regionale economie rond natuurgebieden. Echter, vanwege de structurele en financiële tekorten en noodzaak om prioriteit te geven aan wettelijke kerntaken, wil SBB zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra in zijn huidige vorm beëindigen. Om de educatieve waarde te behouden, blijft SBB publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Per locatie wordt in overleg met betrokken partners en de omgeving onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Onderkent u de bredere maatschappelijke waarde van natuur, zoals voor gezondheid, welzijn, educatie, recreatie en regionale economie? Zo ja, hoe weegt u deze maatschappelijke waarde mee in de besluitvorming rond de financiering van Staatsbosbeheer?
Wij erkennen de maatschappelijke waarde van natuur, maar wijzen erop dat domein-overschrijdende baten, zoals gezondheid en recreatie, een gedeelde financiële verantwoordelijkheid is met decentrale overheden en private partijen. Vanwege wettelijke prioriteiten van SBB voor natuurbeheer, biodiversiteit en Natura2000, moeten maatschappelijke voorzieningen zoals bezoekerscentra zelfvoorzienend worden of via regionale partners worden gefinancierd.
Bent u van mening dat de sluiting van alle bezoekerscentra deze maatschappelijke waarde van natuur ondermijnt, doordat de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en voorlichting voor een breed publiek (1,3 miljoen bezoekers per jaar) verdwijnt? Kunt u dit toelichten?
We ervaren wat ongemak dat met de sluiting van alle bezoekerscentra de fysieke, laagdrempelige toegang tot natuureducatie en -voorlichting kan verdwijnen voor een breed publiek. Maar aangezien de gratis toegankelijkheid van natuurgebieden behouden blijft en natuureducatie via digitale middelen en samenwerkingen wordt voortgezet door SBB, zijn wij niet van mening dat de maatschappelijke waarde van natuurgebieden wordt ondermijnd door dit voorgenomen besluit van SBB. Daarnaast gaat het om zeven locaties, terwijl SBB op vele andere plekken zonder bezoekerscentrum de maatschappelijke waarde op dit moment ook al in stand houdt. Per locatie onderzoekt SBB in overleg met betrokken partners en de omgeving welke toekomstbestendige invulling mogelijk is.
Waarom is er sinds 2014 geen structurele rijksbijdrage meer beschikbaar gesteld voor het in stand houden van deze bezoekerscentra, terwijl deze een belangrijke functie vervullen in natuureducatie en publieksbereik?
Het stopzetten in 2014 van de structurele bijdrage vanuit het Rijk voor het in stand houden van de bezoekerscentra van SBB was het gevolg van het Natuurpact uit 2013, waarmee het Rijk het natuurbeleid en de bijbehorende budgetten decentraliseerde naar de provincies. Door deze stelselherziening en gelijktijdige Rijksbezuinigingen werd de Rijksbijdrage voor SBB beperkt tot zijn wettelijke kerntaak van natuurbeheer. Recreatieve en educatieve publieksvoorzieningen, zoals de bezoekerscentra, moesten vanaf dat moment een regionale verantwoordelijkheid worden of commercieel zelfvoorzienend worden geëxploiteerd via winkels, horeca en lokale partners.
Bent u bereid te onderzoeken of (een deel van) de rijksbijdrage voor de buitencentra van Staatsbosbeheer kan worden hersteld, bijvoorbeeld via de begroting van het Ministerie van LVVN of via het Programma Natuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover een voorstel verwachten?
Omdat de budgetten uit de LVVN-begroting en het Programma Natuur wettelijk geoormerkt zijn voor natuurherstel en -beheer en niet voor publieksvoorzieningen, zijn wij niet bereid de Rijksbijdrage aan SBB op te hogen voor de buitencentra van SBB. Onze focus ligt in plaats daarvan op het ondersteunen van SBB bij de overdracht van de locaties aan lokale overheden en marktpartijen, aangezien de verantwoordelijkheid voor natuurrecreatie en -educatie sinds 2014 bestuurlijk bij de provincies ligt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomst van het traject bij de ondernemingsraad en een eigen appreciatie te geven van het definitieve besluit, voordat tot onomkeerbare stappen (zoals sluiting per 1 januari 2027) wordt overgegaan?
Ja, wij zijn hiertoe bereid en zullen de Tweede Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomst van de ondernemingsraadprocedure en het definitieve besluit van SBB. Wij zullen hierbij een (beleidsmatige) appreciatie geven, maar benadrukken dat SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen operationele verantwoordelijkheid heeft. Deze informatievoorziening zal plaatsvinden ruim vóór de geplande sluitingsdatum van 1 januari 2027, zodat de Kamer de mogelijkheid behoudt om tijdig te debatteren voordat er onomkeerbare stappen worden gezet.
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk draagvlak voor de Natura 2000-doelen, waarvan de doelen conform coalitieakkoord worden geëvalueerd, mede afhankelijk is van de mate waarin burgers direct met natuur en natuurbeheer in aanraking komen, bijvoorbeeld via bezoekerscentra? Weegt u dit effect mee bij de evaluatie en is de Minister bereid dit punt daarin expliciet te betrekken?
Ja, wij delen de opvatting dat direct contact met de natuur essentieel is voor het maatschappelijk draagvlak. De toegankelijkheid van natuurgebieden is voor het Kabinet van groot belang en we zullen daarom de factor «publieksbereik» breed betrekken bij de evaluatie van Natura2000-doelen conform coalitieakkoord. Wij benadrukken echter dat het verdwijnen van fysieke bezoekerscentra het draagvlak niet hoeft te ondermijnen, omdat SBB burgers blijft bereiken via digitale platforms, scholen en gebiedsinformatie en dit draagvlak creëert in veel andere gebieden zonder bezoekerscentrum. De expliciete opname van dit punt in de evaluatie zal dan ook niet leiden tot herfinanciering door het Rijk, aangezien de exploitatie van de gebouwen een regionale of commerciële verantwoordelijkheid blijft.
Hoe kijkt u naar het feit dat er relatief grote bedragen beschikbaar zijn voor reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden, terwijl er voor de relatief beperkte kosten van publieksvoorlichting en natuureducatie via bezoekerscentra geen structurele middelen worden vrijgemaakt? Bent u bereid om, bij de nadere uitwerking van de zoneringsaanpak en de bijbehorende middelen, te bezien of een deel hiervan kan worden ingezet voor het behoud van publieksfuncties zoals bezoekerscentra, gezien hun bijdrage aan het draagvlak voor natuurbeleid?
Het financiële verschil tussen reducerende maatregelen in zones rondom soms kleine natuurgebieden (de zoneringsaanpak) en publieksvoorlichting en natuureducatie (o.a. via de bezoekerscentra) vloeit voort uit een strikt wettelijk onderscheid, waarbij de grote budgetten juridisch geoormerkt zijn voor dwingende Europese verplichtingen rond stikstofreductie en natuurherstel om economische blokkades te voorkomen. Het Rijk houdt vast aan het standpunt dat de exploitatie van bezoekerscentra sinds de decentralisatie van 2014 een provinciale en commerciële verantwoordelijkheid is, die niet gefinancierd kan worden uit budgetten voor natuurherstel en natuurbeheer. Wij zijn daarom van mening dat zoneringsmiddelen niet kunnen worden ingezet voor publieksfuncties zoals bezoekerscentra.
Het bericht staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra |
|
Marieke Vellinga-Beemsterboer (D66) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Staatsbosbeheer af wil van verlieslatende bezoekerscentra, en kunt u bevestigen wat de aanleiding en omvang van dit voornemen is?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van het bericht en kunnen bevestigen dat de aanleiding ligt in de structurele financiële verliezen van de bezoekerscentra. Om in tijden van schaarse middelen te kunnen focussen op natuurbeheer en biodiversiteitsbehoud, heeft Staatsbosbeheer (hierna: SBB) het voornemen om zijn betrokkenheid bij de bezoekerscentra anders in te gaan vullen. Per locatie zal gekeken worden naar de mogelijkheden, waarbij sluiting van een bezoekerscentrum ook een resultaat zou kunnen zijn.
Deelt u de opvatting dat bezoekerscentra niet alleen een kostenpost zijn, maar ook een instrument voor publieksvoorlichting, draagvlak en natuurbegrip?
Ja, wij delen de opvatting dat bezoekerscentra een maatschappelijke waarde hebben voor publieksvoorlichting en natuurbegrip. Gelijktijdig heeft SBB als zelfstandig bestuursorgaan een eigen verantwoordelijkheid om financieel gezond te blijven. De wettelijke taak op het gebied van natuureducatie en het creëren van draagvlak blijft onverminderd van kracht. SBB blijft publieksvoorlichting en educatie bieden via informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met onder meer IVN Natuureducatie, scholen, gemeenten en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden.
Hoe beoordeelt u de keuze van Staatsbosbeheer om juist op bezoekerscentra te bezuinigen, terwijl publieksvoorlichting een belangrijke schakel is tussen burgers en natuurbeheer?
Wij beoordelen de keuze van SBB als een pijnlijke maar begrijpelijke afweging, waarbij de organisatie vanwege structurele tekorten de prioriteit legt bij zijn kerntaak van natuurbeheer en biodiversiteitsherstel in het veld boven het openhouden van verlieslatende bezoekerscentra. Het gaat om zeven buitencentra, maar publieksvoorlichting wordt voorzien in alle SBB-gebieden. Hoewel wij de autonomie van SBB als zelfstandig bestuursorgaan respecteren en de verschuiving naar een andere invulling van publieksvoorlichting steunen, benadrukken wij dat deze bezuiniging niet mag leiden tot het verdwijnen van de educatieve functie en dat er daarom actief moet worden gezocht naar lokale partners en alternatieven om de vitale schakel tussen burger en natuur te behouden.
Kunt u uiteenzetten hoe de opdracht en publieke taak ten aanzien van educatie en bewustwording voor Staatsbosbeheer wordt gewogen en vormgegeven ten opzichte van de opdracht voor natuurbeheer?
SBB weegt natuurbeheer als zijn prioritaire basistaak, waarbij publiekseducatie dient als noodzakelijk maatschappelijke verankering. Dit mag echter bij financiële krapte niet ten koste gaan van het ecologische beheer in het veld. Sinds de decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies ontvangt SBB geen specifieke bekostiging meer voor de bezoekerscentra. SBB maakt daarom keuzes over de wijze waarop educatie en publieksvoorlichting worden georganiseerd. Het voorgenomen besluit om te stoppen met het huidige concept van bezoekerscentra betekent niet dat SBB stopt met educatie en publieksvoorlichting, SBB blijft deze activiteiten uitvoeren.
Deelt u de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk onderdeel moeten zijn van het werk van Staatsbosbeheer?
Ja, wij delen de opvatting dat publieksvoorlichting, educatie en bewustwording een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel moeten zijn van het werk van SBB, aangezien deze maatschappelijke opdracht wettelijk is verankerd en cruciaal is voor het maatschappelijk draagvlak van het natuurbeleid. Wij benadrukken echter dat de uitvoering van deze taak niet verplicht gekoppeld is aan het behoud van bezoekerscentra, waardoor SBB de ruimte krijgt om deze publieksfunctie in tijden van financiële krapte op een andere en flexibelere manier vorm te geven zonder dat de essentie van de voorlichting verloren gaat.
Welke gevolgen voorziet u voor het natuurbeleid wanneer de zichtbaarheid en uitleg van beheermaatregelen voor het publiek afneemt?
Wij voorzien dat het afnemen van fysieke zichtbaarheid en uitleg kan leiden tot een risico op verminderd maatschappelijk draagvlak en onbegrip bij burgers voor ingrijpende beheermaatregelen, maar stellen dat dit negatieve gevolg ondervangen moet worden door de voorlichting effectiever in te richten op de locaties waar de maatregelen daadwerkelijk plaatsvinden. In plaats van communicatie via statische bezoekerscentra moet de uitleg over het natuurbeleid verschuiven naar de werkvloer zelf, door de inzet van gerichte digitale informatie, tijdelijke borden in het veld en boswachters als direct aanspreekpunt, waardoor de cruciale binding en acceptatie bij het publiek behouden kunnen blijven.
Kunt u toelichten hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de ambitie van de overheid om burgers juist meer te betrekken bij natuur, landschap en biodiversiteit?
Wij erkennen dat deze ontwikkeling op het eerste gezicht haaks lijkt te staan op de kabinetsambitie om burgers meer bij natuur en biodiversiteit te betrekken, maar wij stellen tegelijkertijd wel vast dat wordt ingezet op een kwalitatieve modernisering van de betrokkenheid in plaats van het in stand houden van verlieslatende fysieke locaties. De Rijksambitie richt zich op het stimuleren van actieve participatie en natuurbeleving in de directe leefomgeving van burgers, wat betekent dat voorlichting en educatie effectiever naar de mensen toe gebracht moet worden via scholen, digitale kanalen en lokale initiatieven.
Hoe voorkomt u dat bezuinigingen op bezoekerscentra leiden tot minder maatschappelijk draagvlak voor ingrijpend of noodzakelijk natuurbeheer?
Wij willen een daling van het maatschappelijk draagvlak voorkomen door van SBB te vragen dat de voorlichting over noodzakelijk natuurbeheer proactief en direct op de projectlocaties in het veld wordt vormgegeven, in plaats van te leunen op statische bezoekerscentra. Daarnaast stimuleren wij overleg met lokale overheden en partners om de publieksfunctie van vitale locaties waar mogelijk via alternatieve exploitatievormen te behouden.
Is onderzocht of publieksvoorlichting via bezoekerscentra juist kosten kan besparen in het natuurbeheer, doordat beter geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder schade veroorzaken?
Ja, (internationaal) wetenschappelijk onderzoek toont aan dat natuureducatie en gerichte publieksvoorlichting de schade aan natuurgebieden aantoonbaar verminderen, doordat geïnformeerde bezoekers zich zorgvuldiger gedragen en minder afval achterlaten wat leidt tot lagere schoonmaak- en herstelkosten binnen het natuurbeheer. Hoewel deze preventieve kostenbesparingen in de praktijk zijn bewezen, landen deze indirecte maatschappelijke baten niet als inkomsten op de exploitatiebalans van de bezoekerscentra zelf, die door de hoge vastgoed- en personeelslasten verlieslatend blijven. Wij benadrukken daarom dat deze effectieve preventieve voorlichting niet moet stoppen, maar in tijden van financiële krapte efficiënter en goedkoper rechtstreeks op de werkvloer in het veld moet worden vormgegeven om de natuur te beschermen.
Deelt u de opvatting dat het sluiten van bezoekerscentra een verschuiving kan betekenen van natuur als publiek goed naar natuur als puur beheersvraagstuk en hoe weegt u dat risico?
Wij delen de opvatting dat het sluiten van fysieke bezoekerscentra het risico in zich draagt dat natuur door het publiek meer als een puur technisch beheersvraagstuk in plaats van een gezamenlijk publiek goed wordt ervaren, maar wij stellen dat dit risico kan worden ondervangen door maatschappelijke verbinding op andere manieren vorm te geven. Wij wegen dit risico zorgvuldig en benadrukken dat natuurbeleid alleen succesvol kan zijn als er een sterke educatieve en emotionele binding met burgers blijft bestaan. Om te voorkomen dat de natuurbeleving versmelt tot louter ecologisch beheer, sturen wij erop aan dat natuur toegankelijk blijft voor bezoekers en dat SBB niet bezuinigt op de inhoud van de publiekstaak zelf, maar de transitie maakt naar een directere, laagdrempelige aanwezigheid in het veld, waardoor de status van natuur als publiek goed juist op de feitelijke plek van de natuurervaring wordt versterkt.
Welke alternatieven zijn er om de functie van bezoekerscentra te behouden zonder dat dit ten koste gaat van het kernbeheer van natuurgebieden?
SBB heeft onderzocht op welke wijze de functies van de bezoekerscentra ook op een andere manier kunnen worden ingevuld, zonder afbreuk te doen aan de kerntaak van natuurbeheer. Daarbij is het uitgangspunt dat publieksvoorlichting, educatie en natuurbeleving behouden blijven, maar niet noodzakelijkerwijs vanuit een door SBB geëxploiteerd bezoekerscentrum. SBB blijft publieksactiviteiten uitvoeren via onder meer informatievoorziening in de natuurgebieden, de website, excursies, educatieve programma's en het contact dat boswachters dagelijks met bezoekers hebben. Daarnaast werkt SBB samen met o.a. scholen, gemeenten, IVN Natuureducatie en andere partners om natuurbeleving en natuureducatie voor een breed publiek toegankelijk te houden. Voor de huidige gebouwen wordt per locatie, in overleg met betrokken partners en rekening houdend met bestaande afspraken en contracten, onderzocht welke toekomstbestendige invulling mogelijk is. Daarbij kan worden gedacht aan exploitatie door lokale ondernemers of andere maatschappelijke partijen. Ook kunnen, waar passend, tijdelijke of mobiele voorzieningen worden ingezet, bijvoorbeeld bij (natuurherstel)projecten of evenementen.
Bent u bereid om met Staatsbosbeheer in gesprek te treden over het voortzetten van de bezoekerscentra en hierin ondersteunend op te treden?
Ja, wij zijn bereid om met SBB in gesprek te treden en ondersteunend op te treden, mits dit gebeurt binnen de kaders van de operationele autonomie van de organisatie en zonder dat dit leidt tot een structurele financiële bijdrage vanuit het Rijk. Wij willen ons in deze gesprekken met name richten op het faciliteren en samenbrengen van SBB met provincies, gemeenten en lokale ondernemers om alternatieve, kostenneutrale exploitatievormen voor de centra te onderzoeken. Tegelijkertijd zullen wij er tijdens deze overleggen scherp op toezien dat de wettelijke opdracht voor natuureducatie en publieksvoorlichting kwalitatief gewaarborgd blijft binnen de nieuwe bedrijfsvoering.
Bent u bereid te borgen dat publieksvoorlichting niet als eerste onder druk komt te staan wanneer binnen Staatsbosbeheer moet worden bezuinigd?
De operationele en de financiële prioriteitstelling vallen onder de zelfstandige verantwoordelijkheid van de directie van SBB en natuurbeheer heeft bij financiële krapte de wettelijke prioriteit boven vastgoed. Hoewel wij de autonomie van de organisatie als zelfstandig bestuursorgaan respecteren, willen wij wel borgen dat de wettelijke taak op het gebied van educatie en bewustwording overeind blijft. Wij vragen SBB dan ook dat deze maatschappelijke functie bij het wegvallen van de bezoekerscentra kwalitatief gewaarborgd blijft via een modernere, directere en kostenefficiëntere invulling in de klas en in de natuurgebieden zelf.
Het uitzetten van het stroomnet in Brabant vanwege overbelasting en netcongestie |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Buitenlandse bedrijven mijden Nederland door dreiging netcongestie»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het tijdelijk afschakelen van delen van het stroomnet?
Na vernomen te hebben dat netbeheerder Enexis zich genoodzaakt zag over te gaan tot het tijdelijk afschakelen van ongeveer 18.000 klanten in en nabij Tilburg, is direct contact gelegd met de netbeheerder om goed geïnformeerd te worden over de situatie. Een stroomstoring is altijd een vervelende situatie voor de getroffen huishoudens en bedrijven. Hoewel later is gebleken dat de aanleiding een foutieve meetweergave was (zie het antwoord op vraag 3), hebben de medewerkers van Enexis, met beperkte tijd en informatie op dat moment, juist gehandeld. Daarbij is het indrukwekkend dat Enexis bij 17.900 klanten de stroom binnen een kwartier heeft hersteld en bij de laatste 90 getroffen klanten binnen 40 minuten.
Is de exacte oorzaak van deze situatie inmiddels bij u bekend? Zo ja, wat is deze oorzaak? Zo nee, bent u bereid dit nader te laten uitzoeken en de Kamer hierover alsnog te informeren?
Ja, de oorzaak is bekend. De afschakeling van een deel van het stroomnet in Tilburg was niet het gevolg van een daadwerkelijke stroompiek. Uit nadere analyse is gebleken dat meetapparatuur na werkzaamheden was teruggevallen naar de fabrieksinstellingen, waardoor ten onrechte een aanzienlijk hogere stroomdoorvoer werd geregistreerd dan feitelijk het geval was. Op basis van de op dat moment beschikbare informatie was afschakeling noodzakelijk om de netveiligheid te waarborgen en daarmee mogelijk langdurige uitval door herstelwerkzaamheden van kapotte apparatuur te voorkomen. Enexis doet onderzoek hoe het kan dat de apparatuur is teruggevallen naar de fabrieksinstellingen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen.
Verwacht u dat dergelijke noodmaatregelen vaker nodig zullen zijn? Zo ja, met welke frequentie verwacht u dat dit zal gebeuren en wat is naar verwachting de duur per verstoring?
De druk op het stroomnet neemt op verschillende plekken toe. Netbeheerders nemen maatregelen om overbelasting zoveel mogelijk te voorkomen, zoals de inzet van de storingsreserve op het stroomnet, mobiele batterijen en afspraken met bedrijven over hun afname van elektriciteit. Desondanks is niet uit te sluiten dat in uitzonderlijke situaties noodmaatregelen nodig zijn. De frequentie waarmee dit zou kunnen voorkomen is niet generiek te voorspellen; dit is sterk afhankelijk van lokale (weers)omstandigheden en de actuele belasting van het net.
Wordt er bij dergelijke beslissingen door netbeheerders gecommuniceerd met kritieke sectoren en de overheid? Zo ja, hoe verloopt deze communicatie? Zo nee, waarom niet en wordt dit op termijn alsnog ingericht?
Bij elke collectieve storing of collectieve afschakeling informeert de netbeheerder direct na de gebeurtenis, binnen vijf minuten, de betreffende veiligheidsregio over het getroffen gebied, het aantal getroffen klanten en verwachte eindtijd. Dit is ook bij het incident in Tilburg gebeurd. Bij grote of langdurige storingen sturen de netbeheerders tussentijdse updates. Er is doorlopend goed contact tussen netbeheerders en de crisisorganisaties in de veiligheidsregio, en zij trainen gezamenlijk op dergelijke scenario’s.
Netbeheerders werken aan manieren om klanten snel te waarschuwen op het moment er een voorzienbare afschakeling aan komt. In de praktijk zullen overbelastingssituaties vaak een onverwacht en acuut karakter hebben, waardoor binnen enkele minuten moet worden besloten tot afschakeling. In dergelijke situaties is voorafgaande communicatie niet altijd mogelijk, anders dan bij bijvoorbeeld geplande werkzaamheden.
Deelt u de zorg dat dit incident laat zien dat netcongestie niet langer alleen een probleem is voor nieuwe aansluitingen of uitbreidingen, maar inmiddels ook raakt aan de betrouwbaarheid van de bestaande stroomvoorziening?
Dit incident werd niet veroorzaakt door netcongestie; zie het antwoord op vraag 3.
Komt u met een vervolg op of aanvulling van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie, aangezien de waarschuwingen over het vollopende stroomnet elkaar haast wekelijks opvolgen? Wanneer verwacht u de eerste resultaten van de maatregelen?
Het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) is een belangrijke pijler van de aanpak van netcongestie door het kabinet, samen met netbeheerders, medeoverheden, marktpartijen en de ACM. Het is sinds de start een «levend programma»: het wordt doorlopend aangevuld en bijgestuurd aan de hand van ontwikkelingen en resultaten. De afgelopen tijd zijn bijvoorbeeld acties uit het Aansluitoffensief2 en de aanpak sneller uitbreiden elektriciteitsnet3 toegevoegd aan het LAN. Ik heb uw Kamer op 30 juni jl. geïnformeerd4 over de nieuwe structuur van het LAN, gericht op sneller en effectiever handelen en op versterking van de samenwerking en wisselwerking tussen regionale trajecten en landelijk beleid.
Voor de voortgang en resultaten van het LAN verwijs ik naar de voortgangsrapportages en begeleidende brieven die uw Kamer twee keer per jaar ontvangt5, waarin onder meer de fysieke netuitbreiding en afgesloten flexibele contracten worden bijgehouden. In de genoemde brief van 30 juni zijn aanvullend enkele concrete resultaten genoemd in specifieke gebieden (Zeeland, Oostzaan) waar extra ruimte op het net is gevonden voor partijen op de wachtrij.
Hoe hoog verwacht u dat de maatschappelijke effecten zijn van de directe kosten van netuitbreiding die richting 2040 oplopen tot 270 miljard euro2, en het overvolle stroomnet dat tegelijkertijd uitbreidingen en economische groei remt? Als dit onbekend is, bent u dan bereid hiervan een raming te maken, uitgesplitst naar vermeden investeringen, beperking van economische groei en banen?
De schaarste aan transportcapaciteit voor elektriciteit kan bedrijven belemmeren bij gewenste uitbreiding of vestiging in Nederland. Dit heeft gevolgen voor de economische groei en de werkgelegenheid. Op basis van onderzoek van Ecorys7 schat BCG in dat Nederland circa € 10 tot € 35 mld. per jaar aan economische baten misloopt door netcongestie8. Er staan op dit moment bij de regionale netbeheerders zo’n 15.000 partijen op de wachtrij voor grootverbruik, voor in totaal ruim 9.300 MW aan afnamecapaciteit. Dit betreft voor een groot deel (industriële) bedrijven met ambities voor groei en/of verduurzaming. Deze situatie onderstreept de urgentie van de aanpak van netcongestie voor de economie en de energietransitie. Er bestaan echter grote verschillen tussen economische sectoren en individuele bedrijven in zowel de toegevoegde waarde per MWh gebruikte elektriciteit, als in de mate waarin mitigerende maatregelen en alternatieven beschikbaar zijn, zoals vraagverschuiving in de tijd en opwek of opslag «achter de meter». In het algemeen geldt dat zowel het financiële resultaat van individuele bedrijven als de groei van de economie als geheel van vele factoren afhankelijk is, waar netcongestie er één van is. Het is zodoende onmogelijk om te kwantificeren hoeveel bedrijven als gevolg van netcongestie niet in Nederland hebben geïnvesteerd. Met het Aansluitoffensief9 werken netbeheerders, bedrijfsleven en overheid samen om meer bedrijven te helpen om ondanks netcongestie uit te kunnen breiden. Ook nemen regionale netbeheerders initiatieven om bedrijven op de wachtrij voor vaste capaciteit actief te benaderen om capaciteit aan te bieden op momenten dat die wél beschikbaar is.
Kunt u in cijfers uitdrukken hoeveel bedrijven Nederland hebben gemeden of zijn uitgeweken naar het buitenland, hoeveel banen dit Nederland kost en wat de economische kosten hiervan zijn, aangezien ook internationale bedrijven niet meer naar Nederland komen vanwege netcongestie?
Zie antwoord vraag 8.
Worden de ontwikkelingen op het stroomnet en de gevolgen hiervan voor het investeringsklimaat ook meegenomen in de modellen voor voorspellingen over de verwachte energievraag? Zo ja, waar en op welke wijze? Welke gevolgen heeft dit tot op heden voor de prognoses?
Ja. Beelden van de toekomstige energievraag worden gemaakt door o.a. het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning (KEV), door de netbeheerders ten behoeve van hun investeringsplannen, en door het Ministerie van EZK als onderdeel van het Nationaal Plan Energiesysteem. In de KEV schetst het PBL de verwachte energievraag bij vastgesteld en voorgenomen beleid en maakt daarbij gebruik van actuele marktverwachtingen en andere omstandigheden zoals netcongestie. De netbeheerders monitoren continu de ontwikkelingen in de energievraag en betrekken de bredere economische en investeringsontwikkelingen bij analyses en scenario’s van het energiesysteem. De meest recente uitwerking hiervan is de Verkenning Vertraagde Transitie (VVT) van Netbeheer Nederland10, gebaseerd op actuele trends en ontwikkelingen. Dit scenario heeft als doel om beschikbare netcapaciteit in beeld te brengen via een realistische korte termijn voorspelling van elektriciteitsvraag, rekening houdend met netcongestie. De verwachte elektriciteitsvraag is daarin naar beneden bijgesteld. Alle congestieonderzoeken worden uiterlijk eind 2026 up-to-date gemaakt met het VVT scenario. Naar verwachting gaat dit in sommige gebieden significante ruimte bieden aan de wachtrij. Deze verkenning is aanvullend op de scenario’s11 voor de langere termijn die Netbeheer Nederland tweejaarlijks opstelt als basis voor hun investeringsplannen. Naar verwachting publiceren de netbeheerders begin 2027 nieuwe scenario’s.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het einde van juli beantwoorden?
Helaas is het, mede door de vakantieperiode, niet gelukt om tijdig alle voor de beantwoording noodzakelijke informatie in te winnen.
De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Dat wolf Bram illegaal, 5 uur later dan volgens de vergunning was toegestaan, is gedood |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat wolf Bram (GW3237) op 1 december 2025 om 23.10 uur is doodgeschoten, ruim 5 uur later dan volgens vergunning was toegestaan?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat uit de documenten die via een Woo-verzoek openbaar zijn gekomen, blijkt dat de vergunningsvoorschriften voor het afschot van wolf Bram bewust zijn overtreden?
Via bovengenoemd bericht is deze informatie tot mij gekomen.
Wat vindt u ervan dat uit documenten die via een Woo-verzoek openbaar zijn geworden, blijkt dat de vergunningsvoorschriften voor het afschot van wolf Bram bewust zijn overtreden?
De Provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor de betreffende vergunning. De provincie is ook de instantie die oordeelt over naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden. Omdat ik hier niet de rol van bevoegd gezag heb, is het niet aan mij om een oordeel te hebben over het naleven van deze voorwaarden.
Weet u dat de toezichthouder in het controlerapport concludeerde dat het afschot van Bram een overtreding is van voorschrift m uit de vergunning en daarmee een overtreding van artikel 5.5. eerste lid onder g uit de Omgevingswet, maar desondanks besloot niet tot handhaving over te gaan? Wat vindt u daarvan?
Zoals ik in mijn antwoorden op vragen 2 en 3 heb aangegeven is deze informatie via de door u aangehaalde bericht tot mij gekomen. Ik heb met betrekking tot deze vergunning niet de rol van bevoegd gezag, het is daarom niet aan mij om een oordeel te hebben over het naleven van deze voorwaarden.
Vindt u dat de Omgevingswet moet worden gehandhaafd? Zo nee, waarom niet? In welke gevallen moet de Omgevingswet volgens u wel of niet worden gehandhaafd (kunt u daar heel specifiek in zijn)?
In het algemeen ben ik van oordeel dat regelgeving zoveel als mogelijk moet worden gehandhaafd. In dit specifieke geval heb ik niet de rol van bevoegd gezag en het is daarom niet aan mij om een oordeel te hebben over naleving.
Op welk moment (tijdstip en datum) was u op de hoogte van het afschot van wolf Bram?
Het bericht hierover heeft mij destijds via de media bereikt. Een specifieke datum en tijdstip zijn niet te achterhalen.
Was u op de hoogte van het moment van de doding? Zo ja, wanneer heeft u die kennis gekregen?
Het bericht hierover heeft mij destijds via de media bereikt. Wanneer dit precies was, is niet te achterhalen.
Was u op de hoogte van de strikte vergunningsvoorschriften en in het bijzonder van het voorschrift dat uiterlijk tot 17.33 uur mocht worden gedood?
Vergunningen en de daaraan verbonden voorwaarden afgegeven door andere overheden, worden in de regel niet met het Rijk gedeeld. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat elke afwijking van de zeer strikte vergunningsvoorschriften, een overtreding is van voorschriften? Deelt u de mening dat het overtreden van de vergunningsvoorschriften ontoelaatbaar is? Zo ja, welke gevolgen heeft dat? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u graag naar mijn antwoord op vraag 3 en het feit dat ik met betrekking tot deze vergunning niet de rol van bevoegd gezag heb.
Deelt u de mening dat wolven waardevolle en beschermde diersoorten zijn en dus niet lichtzinnig moet worden omgegaan met overtredingen van vergunningsvoorschriften rondom bijvoorbeeld het doden van wolven? Zo nee, waarom niet?
De wolf is een beschermde diersoort. Deze verdient de bescherming die hoort bij deze beschermingsstatus. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 3.
Ziet u het gevaar van precedentwerking van het afwijken van vergunningsvoorschriften, zeker gezien er waarschijnlijk al regelmatig sprake is van stroperij en dus het illegaal doden van wolven? Zo nee, waarom niet?
Nee. Dit betreft een individueel geval, ik zie geen aanleiding voor precedentwerking. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Indien u een gevaar ziet in precedentwerking, welke stappen zal u daartegen zetten? Indien u daar niet toe bereid bent, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 11 heb aangegeven, zie ik geen aanleiding voor precedentwerking.
Bent u bereid een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de doding van wolf Bram? Zo nee, waarom niet en wat gaat u dan doen?
Ik zie geen aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek. De Provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor de betreffende vergunning. De provincie is ook de instantie die oordeelt over naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
Kunt u de vragen één voor één en voor 8 juli beantwoorden?
Het is door het zomerreces niet gelukt om de vragen binnen deze termijn te beantwoorden.
Fosfaatrechten |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Hoeveel aanvragen zijn sinds de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) ontvangen en op hoeveel fosfaatrechten hebben deze aanvragen betrekking? Hoe beoordeelt u de belangstelling voor de regeling tot nu toe?
Sinds de start van de openstelling van de Subsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) op 1 juni 2026 zijn tot nu toe 42 aanvragen ingediend. Deze aanvragen hebben betrekking op 598 melkkoeien en 24.287,21 fosfaatrechten. Daarnaast hebben zich tot op heden 8 aanvragers teruggetrokken, met 128,2 koeien en 5058,47 fosfaatrechten. Dat betekent dat op dit moment, minus de intrekkingen, 34 aanvragen actueel zijn, waarvan 33 aanvragen zijn toegewezen en bij één aanvrager op aanvullende informatie wordt gewacht. In totaal nemen deze 33 aanvragers met 459,81 koeien en 19.288,74 fosfaatrechten deel. In relatie tot het beschikbare budget is de belangstelling op dit moment nog beperkt.
Heeft u signalen ontvangen dat het gebruik van 2025 als referentiejaar van invloed is op de deelnamebereidheid van melkveehouders, bijvoorbeeld doordat de actuele bedrijfsomvang afwijkt van de bedrijfsomvang waarop de regeling is gebaseerd?
Hierover heb ik geen signalen ontvangen.
Heeft u signalen ontvangen dat het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden gevolgen heeft voor de mogelijkheden van melkveehouders om deel te nemen aan de regeling, bijvoorbeeld bij bedrijven die hun bouwplan hebben aangepast sinds het wegvallen van de derogatie?
Ik heb vragen ontvangen van potentiële deelnemers hoe wordt omgegaan met het vereiste om het graslandareaal van 2025 te behouden. Indien melkveehouders in 2026 minder grasland hebben dan in 2025, dienen zij uiterlijk op 15 mei 2027 de oppervlakte terug te brengen naar de oppervlakte van 2025. Op die manier kunnen melkveehouders het grondgebruik nog wijzigen en worden melkveehouders die in 2026 een lager graslandareaal hebben dan in 2025 niet uitgesloten van deelname aan de Sem.
Heeft u signalen ontvangen dat het verschil tussen de vergoeding van 110 euro per kilogram fosfaatrecht binnen de Sem en de huidige marktwaarde van fosfaatrechten van invloed is op de belangstelling voor de regeling?
Ik herken dat de prijs per fosfaatrecht in de Sem lager ligt dan de huidige marktwaarde. Gezien het Europese steunkader waaronder de Sem is goedgekeurd, moet worden uitgegaan van een gemiddelde verkoopprijs over een langere periode. De prijs van € 110 is vastgesteld op basis van de gemiddelde verkoopprijs van fosfaatrechten over de afgelopen drie jaar. De huidige marktprijzen van fosfaatrechten kunnen gelet op het Europese steunkader geen invloed hebben op de vergoeding per fosfaatrecht in de Sem. Het verschil tussen de marktwaarde en de vergoeding in de Sem kan zeker van invloed zijn op de belangstelling voor de regeling. Tegelijkertijd krijgt een melkveehouder die deelneemt aan de Sem, naast een vergoeding voor de doorgehaalde fosfaatrechten, ook compensatie voor de inkomstenderving per verminderde melkkoe.
Het bericht 'Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig' |
|
André Poortman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stoppen Green Deal Duurzame Zorg onverstandig»?1
Deelt u de mening dat voor een toekomstbestendige, toegankelijke en kwalitatief goede zorgsector het van belang is dat gezien de toenemende schaarste van grondstoffen ook deze sector, als een van de sectoren met een hoog grondstoffenverbruik, een verduurzamingsslag maakt?
Heeft u kennisgenomen van de brief inzake de Future Deal Zorg d.d. 2 juni 2026 van de heren Kees Vendrik, Ernst Kuijpers en Steven van Eijck die aan u en de Ministers van VWS en Staatssecretaris van IenW is toegestuurd?
Zo ja, kunt u zich vinden in de strekking van de oproep om samen met veldpartijen te komen tot een Zorgtafel waaraan betrokken ministeries deelnemen, ten behoeve van een programmatische aanpak?
Kunt u delen welke initiatieven er, ook gezien de afspraak uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben, op dit moment binnen de zorgsector lopen ten behoeve van de verduurzaming van het grondstof- en materiaalgebruik en die bijdragen aan een circulaire zorgsector?
Is u bekend welke circulaire potentie (grondstoffenbesparing) er in de zorg kan worden gerealiseerd en wat dit aan bespaarde zorgkosten en vermeden CO2-uitstoot oplevert? Zo nee, kunt dat laten onderzoeken?
En bent u bereid op basis van de uitkomsten te komen tot een plan om deze potentie met betrokken partijen te realiseren?
Kunt u reflecteren op de in het bericht gemaakte notie dat door in te zetten op circulaire zorg aantoonbaar miljarden bespaard kunnen worden? Beschikt u over gegevens die deze notie onderschrijven en zo ja, kunt u deze delen?
Klopt het dat de Green Deal Duurzame Zorg per 2027 afloopt, maar dat veldpartijen hier gezien alle succesvolle initiatieven van onderop wel mee door willen gaan middels een Future Deal Zorg? Wat is uw reactie op dit voorstel en welke rol ziet u hierin voor het Ministerie van VWS?
De uitzending van Nieuwsuur 'Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?» over de opkomst van afslankmedicatie en de vraag of Nederland daarop is voorbereid?1
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de toegang tot afslankmedicatie de komende jaren vooral afhankelijk wordt van de portemonnee van patiënten, terwijl patiënten zonder voldoende financiële middelen kunnen uitwijken naar buitenlandse of schimmige websites?
Heeft u een concreet scenario klaarliggen voor de situatie waarin goedkope generieke varianten van GLP-1- en GLP-1/GIP-middelen op grote schaal online beschikbaar komen voor Nederlandse patiënten? Zo ja, wat houdt dat scenario in? Zo nee, waarom niet en wanneer komt dat er wel?
Welke inschatting maakt u van de huidige omvang van het gebruik van afslankmedicatie buiten de reguliere zorgkanalen, bijvoorbeeld via buitenlandse websites, online platforms of sociale media?
Welke prognoses heeft u over de verwachte groei van dit gebruik in 2026 en de jaren daarna, mede gelet op het vooruitzicht dat goedkopere varianten uit onder meer India en China beschikbaar komen?
Welke cijfers zijn beschikbaar over meldingen van verkeerd gebruik, bijwerkingen, vergiftigingen of ziekenhuisopnames door afslankmedicatie bij onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, Lareb, huisartsenposten en spoedeisende hulpafdelingen en kunt u deze cijfers uitsplitsen over 2023, 2024, 2025 en 2026 en daarbij waar mogelijk onderscheid maken tussen geregistreerde middelen, off-labelgebruik, online bestelde middelen, vermoedelijk vervalste middelen, zelf geïmporteerde middelen en middelen waarvan de herkomst onbekend is?
Klopt het dat het Zorginstituut Nederland nog bezig is met beoordelingen van nieuwe obesitasmedicatie, waaronder Wegovy en Mounjaro? Waarom moet dit proces zo lang duren, mede gelet op de snelle groei van de markt en het toenemende gebruik buiten de reguliere zorg?
Wanneer verwacht u de publicatie van de adviezen over Wegovy en Mounjaro voor de behandeling van obesitas? Bent u bereid het Zorginstituut te vragen deze publicatie te versnellen? Zo nee, waarom niet en welke afweging ligt daaraan ten grondslag?
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat het beleid in de praktijk neerkomt op afwachten, terwijl patiënten ondertussen zelf middelen bestellen, doseringen aanpassen of zonder begeleiding stoppen en opnieuw beginnen?
Hoe beoordeelt u het door emeritus hoogleraar Chris Mulder genoemde voorbeeld van een gecontroleerd model waarbij patiënten goedkope medicatie uit het buitenland kunnen bestellen, maar waarbij overheid, inspectie en laboratoria de betrouwbaarheid van middelen toetsen en artsen of apothekers het gebruik begeleiden?
Bent u bereid de juridische, medische en praktische haalbaarheid van zo’n gecontroleerd import- en testmodel voor afslankmedicatie te onderzoeken, inclusief de ruimte binnen Nederlandse en Europese geneesmiddelenwetgeving en binnen bijvoorbeeld het octrooirecht, de douaneregels en de regels voor persoonlijke import?
Indien u een dergelijk model niet mogelijk of niet wenselijk acht, kunt u precies aangeven welke wettelijke, Europese, medische of praktische belemmeringen daaraan in de weg staan?
Bent u bereid te onderzoeken of een lijst van betrouwbare buitenlandse fabrikanten of producten kan worden opgesteld, dan wel of batchgewijze kwaliteitscontrole mogelijk is, zodat patiënten niet volledig zijn overgeleverd aan schimmige websites?
Bent u bereid met huisartsen, apothekers, medisch specialisten en patiëntenorganisaties richtlijnen te ontwikkelen voor veilige begeleiding van patiënten die afslankmedicatie gebruiken of overwegen, ook wanneer zij deze middelen niet via vergoeding verkrijgen?
Op welke termijn informeert u de Kamer over de aanpak van deze problematiek, inclusief scenario’s voor goedkope import, online aanbod, toezicht, patiëntveiligheid, medische begeleiding en de beoordeling van mogelijke vergoeding?
Het artikel 'Honderden euro’s bonus voor slim gebruik elektriciteit tegen overvol stroomnet: ‘Auto buiten piekuren opladen’' |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energiebedrijven zetten geld in tegen overvol stroomnet: vergoeding voor slim laden en gebruik thuisbatterij»? Hoe beoordeelt u deze samenwerking van regionale netbeheerders?1
Het kabinet ziet dit initiatief van netbeheerders, energieleveranciers en marktpartijen als een positieve ontwikkeling en is verheugd met de samenwerking.
Het initiatief is versneld tot stand gekomen in het kader van de FGU-aanpak, waarover de Kamer onlangs is geïnformeerd2. De intensieve samenwerking binnen deze FGU-aanpak heeft eraan bijgedragen dat deze oplossing snel kon worden ontwikkeld. De ACM en het kabinet werken daarnaast aan het wegnemen van knelpunten in wet- en regelgeving om verdere opschaling mogelijk te maken.
Ziet u het ook als een win-win-win dat door het slim aansturen van laadpalen, thuisbatterijen en hybride warmtepompen het stroomnet op piekuren wordt ontzien, er ruimte komt op het net voor nieuwe aansluitingen en huishoudens geld kunnen verdienen?
Ja. Dit sluit volledig aan bij de reeds ingezette aanpak binnen het spoor «Beter benutten – kleinverbruikers» van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN).
Flexibel elektriciteitsverbruik door huishoudens biedt aanzienlijke mogelijkheden om het elektriciteitssysteem tijdens piekmomenten te ontlasten. Dat kan door het gebruik van elektrische apparaten te verschuiven naar momenten buiten de piek. Vooral slimme «net-intensieve» apparaten, zoals laadpalen, thuisbatterijen en warmtepompen, kunnen daarbij een verschil maken.
Onderdeel van deze aanpak zijn ook de normen die het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) ontwikkelt voor slimme apparaten die deelname aan flexibiliteitsdiensten makkelijker maken. Zo kunnen huishoudens eenvoudiger bijdragen aan een stabieler elektriciteitsnet en beter sturen op elektriciteitskosten om meer grip te krijgen op hun energierekening.
Heeft u er kennis van genomen dat klanten van Essent met een «buurtbonus» een jaarlijkse bonus kunenn krijgen van 400 euro per jaar als zij meer eigen zonnestroom gebruikem en dat ook huishoudens geld kunnen verdienen als zij hun batterij actief gebruiken voor het ondersteunen van het net? Deelt u dat dit een goede stimulans kan zijn voor huishoudens om zonnepanelen en batterijen aan te schaffen?
Het is aan energieleveranciers en andere marktpartijen om aantrekkelijke en begrijpelijke proposities voor consumenten te ontwikkelen. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor partijen die huishoudens ontzorgen en hen helpen te profiteren van prijsprikkels, bijvoorbeeld via slimme apps en energiemanagementsystemen die apparaten zoals thuisbatterijen, laadpalen en warmtepompen automatisch aansturen op basis van de situatie op het elektriciteitsnet en de elektriciteitsprijs.
Het kabinet ziet dat marktpartijen, zowel landelijk als regionaal, steeds meer van dit soort flexibiliteitsdiensten ontwikkelen. Daarmee dragen zij bij aan een efficiënter gebruik van het elektriciteitssysteem, minder druk op het stroomnet en kunnen huishoudens hiervan financieel profiteren.
Kunt u andere regionale netbeheerders aansporen hier ook mee aan de slag te gaan, zodat dit ook in gang gezet kan worden buiten de FGU-regio?
Dit initiatief is een samenwerking van alle regionale netbeheerders. In deze fase richt het zich op de FGU-regio en Noord-Brabant, omdat daar de netcongestieproblematiek het meest kritiek is. Het is nadrukkelijk de bedoeling om succesvolle elementen van deze aanpak in een volgende fase breder, en bij voorkeur landelijk, toe te passen.
Hoe gaat u van dit samenwerkingsverband leren?
Dit initiatief maakt onderdeel uit van de aanpak van netcongestie door het Rijk, netbeheerders, medeoverheden en de ACM, zowel binnen de FGU-aanpak als binnen de Landelijke Aanpak Netcongestie (LAN). Het laat zien hoe deze intensieve samenwerkingen bijdraagt aan innovatieve en structurele oplossingen voor netcongestie. Binnen deze aanpakken worden maatregelen gemonitord en worden succesfactoren continu in kaart gebracht. De opgedane kennis wordt actief gedeeld en benut om de aanpak van netcongestie in andere regio’s verder te verbeteren.
De Kamer wordt via de halfjaarlijkse voortgangsrapportages3 geïnformeerd over de voortgang van de landelijke aanpak netcongestie, waaronder relevante ontwikkelingen en de lessen die daaruit worden getrokken. Daarnaast heeft het lid Grinwis het kabinet verzocht4 de geleerde lessen en succesvolle maatregelen uit de FGU-aanpak in kaart te brengen. Hierover wordt de Kamer geïnformeerd in de volgende voortgangsrapportage, die in oktober wordt verwacht.
Hoe verhoudt dit plan zich tot de volume en tijdsafhankelijke tarieven, waarmee de Autoriteit Consument & Markt (ACM) deze zomer komt?
In het toekomstige elektriciteitssysteem zijn zowel tijdsafhankelijke nettarieven als marktgebaseerde flexibiliteitsdiensten, zoals hierboven beschreven, nodig om het stroomnet efficiënter te benutten. Het nieuwe tariefstelsel zal naar verwachting een belangrijk deel van de benodigde verschuiving van het elektriciteitsverbruik naar rustigere momenten realiseren. Flexibiliteitsdiensten vormen daarop een waardevolle aanvulling, doordat ze lokaal en op specifieke momenten extra flexibiliteit kunnen vrijmaken. Daarmee helpen ze resterende knelpunten te verminderen en ruimte te creëren voor nieuwe aansluitingen.
De Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’ |
|
Mona Keijzer |
|
van Essen |
|
Kunt u per provincie aangeven hoeveel agrarische bedrijven binnen de voorgestelde bufferzones van 500 meter en 1 kilometer rondom Natura 2000-gebieden liggen?
Deze cijfers zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp.1
Voor de zones tot 500 meter gaat het in totaal (voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, exclusief grote wateren), over 3.077 agrarische bedrijven, 66 industriële bedrijven, en ca. 153.000 hectare landbouwgrond. De cijfers per gebied, ook voor zones tot 1.000 meter, zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM en bijbehorende databestanden.
De uiteindelijke selectie van gebieden en vastgelegde begrenzing is uiteindelijk leidend voor de precieze hectares en bedrijfsaantallen die in de zones zullen vallen.
Kunt u per provincie aangeven hoeveel andere bedrijven binnen deze bufferzones liggen, uitgesplitst naar sector?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel hectare landbouwgrond komt binnen deze bufferzones te liggen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket extra maatregelen moet nemen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten extensiveren? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten verplaatsen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket uiteindelijk zullen stoppen?
Het kabinet kiest voor een aanpak gebaseerd op duidelijke normen en kaders, waarbinnen ondernemers de ruimte krijgen om zelf te kiezen op welke wijze ze hieraan willen voldoen (mogelijkheden uit trappetje van Remkes: innoveren, extensiveren, verplaatsen, omschakelen of stoppen). Dit betekent dat op voorhand niet te zeggen is hoeveel bedrijven welke ontwikkelrichting kiezen. Wel is het de verwachting dat bijna alle veehouderijen aanpassingen moeten doen binnen hun bedrijfsvoering en ook in de akkerbouw zullen aanpassingen nodig zijn. De mate waarin en de manier waarop is afhankelijk van de huidige bedrijfsvoering, de locatie van het bedrijf en de keuze in ontwikkelrichting van de ondernemer. Met de aanpak van het kabinet komt de vergunningverlening juist weer in beweging en gaat Nederland stapsgewijs van het slot.
Hoeveel andere bedrijven verwacht u dat door dit pakket worden beperkt in hun bedrijfsvoering of vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedrijven krijgen te maken met een stapeling van maatregelen, zoals bufferzones, emissieplafonds, grondgebondenheid en aanvullende gebiedseisen?
Het is niet te zeggen om hoeveel bedrijven dit precies gaat, aangezien dit afhankelijk is van de specifieke bedrijfssituatie. Generieke maatregelen, zoals bedrijfsspecifieke emissienormen en grondgebondenheid, gelden in heel Nederland. Binnen de uiteindelijke begrenzing van zones rond Natura 2000-gebieden en in kwetsbare watergebieden worden daarnaast aanvullend gebiedsgerichte maatregelen getroffen. Hier is ook aanvullende gebiedsgerichte ondersteuning beschikbaar om het ook voor deze boeren behapbaar te houden.
Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor woningbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor landbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor industrie? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor infrastructuur?
Voor de projecten waar u naar verwijst, is hoofdzakelijk de provincie het bevoegd gezag voor vergunningverlening. Ik heb geen overzicht van de lopende of nieuwe aanvragen bij de provincies, en kan daarom geen exacte aantallen noemen.
Het aantal vergunningen dat daadwerkelijk wordt verleend, hangt bovendien af van factoren die per aanvraag verschillen, waaronder de specifieke situatie van het project en de staat van de natuur in het betreffende gebied.
Dit geldt ook voor het aantal woningbouwprojecten dat vooruitlopend op de invoering van de rekenkundige ondergrens doorgang kan vinden. Het effect van de ondergrens werkt per project verschillend uit, afhankelijk van de afstand tot het betreffende Natura 2000-gebied.
Ik kan dan ook geen betrouwbare prognose geven van het aantal vergunningen, woningen of bedrijven dat hiermee gemoeid is, uitgesplitst naar sector of peildatum.
Hoeveel woningbouwprojecten kunnen volgens u voor invoering van de rekenkundige ondergrens alsnog doorgaan?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel woningen levert dit pakket voor 1 januari 2028 daadwerkelijk op?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel bedrijven kunnen tot eind 2027 geen vergunning krijgen om hun bedrijf uit te breiden of te verduurzamen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen neemt u om vergunningverlening weer op gang te brengen zolang de rekenkundige ondergrens nog niet is ingevoerd?
We verwachten dat op korte termijn per Natura 2000-gebied een plan wordt opgesteld waarmee additionaliteit kan worden onderbouwd. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Parallel hieraan wordt met voorrang gezorgd dat verduurzaming versneld doorgang kan vinden.
Waarom kiest u ervoor de rekenkundige ondergrens pas uiterlijk eind 2027 in te voeren?
Het kabinet wil de ondergrens zo snel mogelijk invoeren, maar uiterlijk eind 2027. Voor een verantwoorde invoering zijn echter ook beheersmaatregelen nodig. Alle deposities onder de rekenkundige ondergrens tellen bij elkaar op en kunnen lokaal voor een toename van depositie zorgen. Daarom is onder andere geadviseerd door de wetenschappers Arthur Petersen en Chris Backes om flankerend beleid in te voeren. Als kabinet volgen we deze adviezen. Het uitwerken en borgen van deze beheersmaatregelen pakken we met urgentie op, maar dit kost wel tijd.
Daarnaast wordt de technische en praktische werking van de rekenkundige ondergrens nog nader uitgewerkt.
Welke juridische, technische en wetenschappelijke belemmeringen maken een eerdere invoering onmogelijk?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft u onderzocht wat invoering van een rekenkundige ondergrens van 1 mol zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Op 4 juli 2024 heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) de Interbestuurlijke Verkenning Rekenkundige Ondergrens opgeleverd.2 Daarin is ook een impactanalyse voor verschillende sectoren in opgenomen. De verwachting is dat vooral PAS-melders, de woningbouw, en kleine projecten geholpen zullen worden.
Heeft u onderzocht wat een bestuurlijke drempelwaarde, vergelijkbaar met de Duitse systematiek, zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen?
De mogelijkheden voor een drempelwaarde zijn ook betrokken bij de hierboven genoemde verkenning van IPO. Als de beheersmaatregelen voor de rekenkundige ondergrens eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet gaan inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes
Hoeveel PAS-melders verwacht u voor eind 2027 daadwerkelijk te legaliseren?
Het Programma Maatwerk PAS-melders biedt verschillende oplossingsrichtingen waarmee de PAS-melder weer in een legale situatie terechtkomt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met ondersteuning van een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij de bedrijfsspecifieke situatie past. Het programma streeft ernaar om voor elke PAS-melder uiterlijk in maart 2028 een oplossing in beeld te hebben. De oplossing hoeft in maart 2028 nog niet volledig geïmplementeerd te zijn, de ondersteuning vanuit Rijk en provincies loopt door tot en met 2030 zodat er ruimte is voor de implementatie van de oplossing en het traject van vergunningverlening.
Welke extra maatregelen neemt u om PAS-melders voor invoering van de rekenkundige ondergrens sneller duidelijkheid te geven?
Met de invoering van de rekenkundige ondergrens zal een deel van de PAS-melders een oplossing hebben, omdat zij met hun gehele activiteit binnen deze grens blijven. Zij krijgen geen vergunning, maar er komt wél een einde aan hun onzekerheid. Voor de andere PAS-melder presenteert het programma andere oplossingsrichtingen. Om het maatwerkprogramma extra slagkracht te geven, wordt er € 350 miljoen extra vrijgemaakt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij hen past.
Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken is gekozen voor bufferzones van 500 meter en 1 kilometer?
Het nut en de noodzaak van zoneringsbeleid is terug te lezen in publicaties van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).3 De cijfermatige onderbouwing van de zones is gebaseerd op de cijfers uit de bijpassende kennisnotitie van het RIVM4. Daarnaast zijn verschillende wetenschappelijke onderzoeken benut om inzichtelijk te maken welke afstanden passend zijn om druk vanuit agrarische activiteiten en grondgebruik op het Natura 2000-gebied te beperken. Denk daarbij aan verspreiding van nutriënten via het bodem- en watersysteem, of de verspreiding van schadelijke stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen via drift, water, atmosferische depositie of via ongewervelden. De passende afstand verschilt per drukfactor en hangt samen met de knelpunten die in de natuurdoelanalyses per gebied opkomen. Daarmee is 500 meter naar voren gekomen als minimale afstand om breed aan het verminderen van drukfactoren op Natura 2000-gebieden te voldoen.
Bent u bereid deze onderzoeken met de Kamer te delen?
Deze onderzoeken zijn reeds openbaar, zie hiervoor de links in de voetnoten bij de beantwoording van de vorige vraag.
Bent u bekend met het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam waaruit blijkt dat ongeveer 90 procent van de uitgestoten stikstof in hogere luchtlagen terechtkomt en elders neerslaat, terwijl van de circa 10 procent die binnen 500 meter neerslaat, het grootste deel al binnen 100 meter van de bron terechtkomt? Waarom kiest het kabinet desondanks voor bufferzones van 500 meter en één kilometer?1
Dat onderzoek is bij mij bekend. Het onderzoek bevestigt eerdere bevindingen van het RIVM dat dichtbij de bron de meeste stikstof per hectare neerslaat en dat die bijdrage langzaam afneemt naarmate de afstand groter wordt. Ook op meer dan 100 meter kunnen emissiebronnen echter nog tot veel stikstofdepositie leiden, zeker als we kijken naar de optelsom van alle bijdragen per hectare. Uit ander onderzoek van het RIVM6 blijkt dat tot 1.000 meter van het gebied, stikstofmaatregelen ongeveer 2,5x effectiever zijn dan generieke maatregelen.
Waarom kiest u voor generieke bufferzones rond Natura 2000-gebieden, terwijl de problemen per natuurgebied verschillen?
De komende periode gaat het kabinet aan de slag met de verdere uitwerking van de zoneringsaanpak. Daarbij worden enerzijds instructieregels uitgewerkt, waaronder over de breedte van de zones. Deze vormen de ruggengraat van het Rijk om te komen tot een zoneringsaanpak. Anderzijds krijgen gebieden de mogelijkheid om tot 1 januari 2028 met een gebiedseigen oplossing te komen die gelijk is in doelbereik, financiën en juridische borging. Dit kan bijvoorbeeld vormgegeven worden via een omwisselbesluit. Daarbij zoekt het kabinet een balans tussen een gelijk speelveld en ruimte bieden voor gebiedseigen oplossingen. In beide gevallen is er daarbij ruimte voor provinciale doorvertaling van de landelijke beleidsvoornemens en kaders naar specifieke Natura2000-gebieden.
Allereerst maakt het kabinet onderscheid tussen gebieden waar zonering geen nut en noodzaak heeft, waar wordt ingezet op een 500 meter zone en waar wordt ingezet op een 1.000 meter zone. Een deel van de instructieregels zal ook afwegingsruimte bevatten binnen kaders. Daar is sprake van voor:
Heeft u onderzocht wat kleinere, gebiedsgerichte bufferzones of zones van maximaal 250 meter zouden betekenen voor natuurherstel en vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Uit de reflectie van PBL, RIVM, Deltares en Wageningen University and Research (WUR) op het MCEN pakket7 met zones van 250 meter is naar voren gekomen dat deze afstanden onvoldoende doen om achteruitgang te stoppen. Deze afstanden zijn niet passend bij een integraal pakket aan gebiedsgerichte maatregelen dat nodig is om druk vanuit de landbouw op Natura 2000-gebieden zo veel mogelijk te verzachten. Daarnaast zorgen zones van 250 meter voor meer uitdagingen op het gebied van grondmobiliteit en het mogelijk maken van een volwaardige extensieve bedrijfsvoering voor bedrijven met percelen in de zones. Daarbij is er ook een afweging te maken. In kleinere zones zal er een grotere opgave liggen in de zone zelf. Deze opgave is dusdanig dat er niet tot nauwelijks ruimte is voor landbouw in de zone. Een grotere zone dan 250 meter raakt meer bedrijven. Tegelijkertijd blijft er hierdoor ruimte voor extensieve vormen van landbouw.
Klopt het dat de huidige AERIUS-systematiek en de bestaande natuurdoelanalyses voorlopig blijven gelden en dat de Kritische Depositiewaarde daardoor in de praktijk voorlopig een belangrijke rol blijft spelen bij vergunningverlening?
Dat klopt. Bij toestemmingverlening zal de best beschikbare wetenschappelijke kennis benut blijven worden, dat verlangt de rechter ook van ons.
Wat verandert er morgen concreet voor een ondernemer die een natuurvergunning aanvraagt ten opzichte van de situatie voor deze Kamerbrief?
Met de kabinetsaanpak zetten we de essentiële stappen om vergunningverlening weer stapsgewijs mogelijk te maken. Het vraagt nadere uitwerking voordat er in de praktijk weer meer vergunningen kunnen worden verleend. Daar gaan we mee aan de slag.
Op basis van welke juridische adviezen verwacht u dat de nieuwe systematiek beter standhoudt bij de rechter dan de huidige?
Het kabinet kiest voor een omvangrijk pakket met juridisch geborgde maatregelen waar nodig. Het gaat bijvoorbeeld om de bedrijfsspecifieke emissienormen, wettelijke doelstellingen en de regels op zonering. Met daarbij aandacht voor monitoring en bijsturing. Dit is niet gebaseerd op een nieuwe systematiek, maar bouwt voort op de inzet van het vorige kabinet en het advies dat de Landsadvocaat toentertijd heeft gegeven. Daarbij benadrukt de Landsadvocaat onder meer het belang van een goede borging van maatregelen.
Kunt u uitsluiten dat de maatregelen uit dit pakket ertoe leiden dat boeren hun veestapel moeten verkleinen?
Dat kan ik niet uitsluiten. Dit maatregelpakket zal van sommige veehouderijen ingrijpende besluiten vragen, bijvoorbeeld van intensieve melkveebedrijven om aan de grondgebondenheidsnorm te voldoen. Hierbij hebben deze ondernemers afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden, zoals het kopen of pachten van extra grond, het aangaan van samenwerking met akkerbouwers in de omgeving, of het verminderen van het aantal dieren. Het kabinet treft flankerende maatregelen om boeren hierbij te ondersteunen.
Indien u dat niet kunt uitsluiten, hoeveel boeren verwacht u dat hierdoor minder dieren zullen moeten houden?
Omdat ondernemers verschillende ontwikkelrichtingen hebben om aan de verschillende normen te voldoen, is het op voorhand niet te zeggen hoeveel boeren hierdoor minder dieren zullen gaan houden. Het kabinet biedt brede ondersteuning gericht op de verschillende ontwikkelrichtingen.
Heeft het kabinet berekend met hoeveel koeien, varkens en kippen de Nederlandse veestapel als gevolg van dit pakket zal afnemen? Zo ja, wilt u deze berekeningen met de Kamer delen?
Het kabinet zet in op het verlagen van de emissies op bedrijfsniveau via doelsturing. Met stalaanpassingen en managementmaatregelen is er in deze sectoren nog veel emissiereductie te realiseren. Omdat het kabinet niet het onmogelijke wil vragen van ondernemers, zijn deze normen gebaseerd op het technisch reductiepotentieel. Dat betekent ook dat hiermee niet de gehele opgave gerealiseerd kan worden. Daarom zet het kabinet ook in op aanvullende generieke reductiemaatregelen, waaronder vrijwillige beëindiging, extensivering en afroming. Het resultaat van deze maatregelen is onder andere afhankelijk van de deelname bereidheid en van de dynamiek op de markt. Een exacte inschatting van het gevolg voor het aantal dieren in de verschillende sectoren is daarom op voorhand niet te maken.
Klopt het dat ondernemers die willen investeren in emissiereducerende technieken daarvoor vaak eerst een natuurvergunning nodig hebben?
Met het voorliggende pakket vertrouw ik erop dat natuurvergunningen voor verduurzamingsprojecten op korte termijn weer verleend kunnen worden. Vooruitlopend op reguliere toestemmingeverlening werkt het kabinet met voorrang aan het versneld mogelijk maken van verduurzaming. Hierbij wordt gekeken naar onder andere de passende maatregel als instrument. Daarnaast bespreekt het Rijk met provincies welke routes zij zien voor toestemming voor verduurzamingactiviteiten. Zo wordt verduurzaming weer een onderdeel van de oplossing.
Het is afhankelijk van de maatregel of nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Zo zullen voor managementmaatregelen over het algemeen geen nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Voor stalmaatregelen is dat vaak wel het geval. Daarvoor kan toestemmingverlening weer in gebieden waar het pakket behoud van de natuur borgt. Waar dat niet het geval is, kan de passende maatregel worden ingezet om toch de verduurzaming doorgang te laten vinden, dan is geen natuurvergunning nodig.
Hoe voorkomt u dat bedrijven die willen investeren en verduurzamen opnieuw vastlopen doordat zij geen natuurvergunning kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoeveel verschillende landelijke en gebiedsgerichte regels krijgen agrarische ondernemers als gevolg van dit pakket? Acht u dit een vereenvoudiging van het stikstofbeleid?
Het is nog niet definitief vast te stellen hoeveel verschillende regels precies uit dit pakket volgen, omdat nog niet alle regels volledig zijn vastgesteld. Het is niet waarschijnlijk dat het pakket direct leidt tot een vereenvoudiging van het stikstofbeleid, maar er zijn wel onderdelen die leiden tot vereenvoudiging, zoals het verhogen van de rekenkundige ondergrens. Tevens biedt het ondernemers meer duidelijkheid over wat er van hen verwacht wordt, onder meer met de bedrijfsspecifieke emissienormen en de grondgebondenheidsnorm. Agrarische ondernemers kunnen binnen deze kaders en met de beschikbare ondersteuning keuzes maken die passen bij hen als ondernemer, bij hun bedrijf en bij de omgeving van het bedrijf. Bij het inrichten van het pakket wordt rekening gehouden met bestaande regelgeving en het zo eenvoudig mogelijk houden van de wet- en regelgeving.
Heeft het kabinet onderzocht wat de stapeling van al deze maatregelen betekent voor een gemiddeld agrarisch bedrijf? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Het kabinet realiseert zich dat het maatregelpakket veel impact kan hebben op agrarische bedrijven, ook in termen van het verdienvermogen. Met breed ondersteuningsbeleid gaat dit kabinet naast de ondernemer staan en wordt er ondersteuning geboden voor de verschillende ontwikkelrichtingen. PBL, WUR en RIVM zullen het maatregelpakket beoordelen, onder meer op emissiereductie en sociaaleconomische aspecten. Onderdeel van de reflectie van de kennisinstellingen op sociaaleconomische aspecten van het beleid is ook een inschatting van het effect van het pakket op het verdienvermogen van de agrarische sector. We hebben de kennisinstellingen verzocht om hun reflecties gereed te hebben vóór de behandeling van de LVVN-begroting in de Tweede Kamer.
Voor de wettelijke borging van verschillende maatregelen is het daarnaast noodzakelijk om de sociaaleconomische gevolgen goed in beeld te hebben.
Kunt u per maatregel aangeven welke bedoeld is om vergunningverlening weer op gang te brengen en welke bedoeld is om de landbouwsector structureel te veranderen?
De maatregelen in de aanpak vormen één samenhangend geheel. De bedrijfsspecifieke emissienormen in de landbouw werken alleen met genoeg ondersteunende maatregelen. De zoneringsaanpak rond Natura 2000-gebieden werkt alleen als extensivering ook mogelijk wordt gemaakt. De stap naar extensivering en verduurzaming is alleen mogelijk als dat economisch loont, en als ook de hele keten meedoet. En ruimte voor vergunningverlening ontstaat alleen als de natuur op orde komt. Daarmee zijn alle onderdelen van de aanpak nodig om de vergunningverlening weer op gang te brengen. Tegelijkertijd kijken we naar de synergie van het pakket met andere opgaven, door bijvoorbeeld ook gewasbescherming, dierwaardigheid en klimaat mee te nemen.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de Nederlandse voedselproductie, voedselzekerheid en de afhankelijkheid van voedselimport? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
In Nederland is er een ruim, divers en voor de meeste mensen betaalbaar aanbod van voedsel. Dit is het resultaat van voedselproductie hier en de invoer van voedsel uit landen die onderdeel zijn van de Europese Unie, alsook van daarbuiten. Juist de combinatie van eigen productie en de mogelijkheden voor import maakt dat we voedselzeker zijn. Ondanks dat de samenstelling mogelijk verandert, zet dit kabinet zich in voor een toekomstbestendige landbouwsector die een duurzame bijdrage levert aan voedselzekerheid in Nederland en elders, ook op de langere termijn. De Staatssecretaris werkt aan een Voedselzekerheidsagenda en zal de Kamer spoedig informeren over de contouren en het proces.
Kunt u garanderen dat ondernemers die de komende jaren investeren om aan alle nieuwe regels te voldoen, niet later alsnog worden geconfronteerd met extra beperkingen of een generieke korting op productierechten?
Wanneer is voor het kabinet de vrijwillige aanpak niet langer voldoende? Welke criteria hanteert u om over te gaan tot dwingende maatregelen?
Kunt u uitsluiten dat ondernemers uiteindelijk worden gedwongen hun bedrijf of veestapel te verkleinen als de gestelde doelen niet worden gehaald?
Bent u zich ervan bewust dat de mogelijkheid van dwingende maatregelen en voortdurende onzekerheid grote gevolgen kan hebben voor de waarde en financierbaarheid van agrarische bedrijven? Heeft u dit onderzocht?
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de bereidheid van banken en andere financiers om agrarische bedrijven te financieren? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Voor boeren, banken en financiers heeft de juridische onzekerheid over vergunningverlening afgelopen jaren geleid tot een terughoudendheid om te investeren in de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Vergunningen zijn een belangrijke randvoorwaarde om financiering te verstrekken aan agrarische bedrijven. Eind vorig jaar gaf bijvoorbeeld de Rabobank aan dat er in de landbouw vooral is geïnvesteerd in grond, en minder in innovaties zoals technieken of nieuwe stallen. Het kabinet heeft het vertrouwen dat door dit pakket de vergunningverlening weer op gang komt, net als de investeringen in deze sector.
Bent u bereid deze vragen, gelet op het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof van 1 juli 2026, voor aanvang van dat debat te beantwoorden?
Ja.