Problemen met tolkenvoorzieningen in de zorg |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de bureaucratische werkwijze van het UWV voor het aanvragen van tolkvoorzieningen door mensen met een auditieve beperking en door belangenorganisaties voor mensen met een auditieve beperking? Kunt u uw antwoord toelichten?1, 2
In 2021 heeft onderzoeksbureau Ruigrok NetPanel in opdracht van UWV onderzoek gedaan naar de ervaringen van tolkgebruikers met de tolkvoorziening. Hierin beoordelen tolkgebruikers de dienstverlening van UWV gemiddeld met een 7,7 en is het merendeel van de gebruikers tevreden (60%) of zeer tevreden (30%). Daarnaast is in 2021 door Berengroep in opdracht van UWV een tevredenheidsonderzoek uitgevoerd onder tolken Nederlandse Gebarentaal en onder schrijftolken over de dienstverlening van UWV en Tolkcontact. Hierin geeft 64% van de respondenten de dienstverlening van UWV een 8 of hoger en wordt de dienstverlening gemiddeld met een 7,58 beoordeeld. De ervaringen van tolkgebruikers en tolken met de dienstverlening van UWV kunnen derhalve als overwegend positief beschouwd worden.
De uitvoering van de tolkvoorzieningen is bij een bestuursorgaan belegd, om rechtsbescherming van gebruikers bij een aanvraag, en daarmee de mogelijkheid om in bezwaar en beroep te gaan, te garanderen. Ten tijde van de behandeling Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein is in 2019 gekozen voor UWV als uitvoerder, omdat UWV reeds de tolkvoorzieningen voor het werk- en onderwijsdomein uitvoerde. Hierdoor was UWV het bestuursorgaan met de meeste ervaring met zowel de doelgroep als met het uitvoeren van vergelijkbare regelingen. UWV heeft daarbij een deel van de werkzaamheden belegd bij de Berengroep (Tolkcontact). Gezien de genoemde tevredenheid van tolkgebruikers en tolken, ben ik nog steeds van mening dat UWV het meest geschikte bestuursorgaan is om de tolkvoorziening te beleggen.
Waarom duurt de aanvraag voor een tolkvoorziening tussen de tien werkdagen en acht weken? Deelt u de mening dat dit een veel te lange periode is? Zo ja, kunt u deze periode laten verkorten? Zo neen, waarom niet?
De termijn van 8 weken betreft een wettelijke termijn, waarbinnen UWV verplicht is een aanvraag verwerkt te hebben.3 Het is wenselijk dat aanvragen sneller verwerkt worden dan deze wettelijke termijn en daarom hanteert UWV een streeftermijn van 10 dagen. Bij spoedsituaties kunnen gebruikers via Tolkcontact direct een tolk regelen en wordt de aanvraag achteraf behandeld. In het onderzoek van Ruigrok NetPanel geeft 69% van de respondenten aan tevreden of zeer tevreden te zijn met de snelheid waarmee UWV beslist over aanvragen en geeft 25% van de gebruikers aan de behandelsnelheid van UWV neutraal te beoordelen of hier geen mening over te hebben. Ik acht het daarom niet noodzakelijk de periode te laten verkorten.
Met welke reden kunnen extra tolkvoorzieningen buiten de standaard-uren niet in het buitenland gebruikt worden, waardoor het voor mensen onmogelijk wordt om een uitstapje te maken of bijvoorbeeld een congres bij te wonen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gebruikers van de tolkvoorziening hebben standaard recht op 30 uren aan tolkdiensten per jaar in het leefdomein en in het geval van zowel een auditieve als visuele beperking 168 uren per jaar. Deze tolkuren kunnen naar wens van de gebruiker worden ingezet. Tolkgebruikers hebben daarnaast de mogelijkheid om extra tolkuren aan te vragen als maatwerk.
Per 1 januari 2022 zijn de kaders voor de maatwerkaanvragen van de tolkvoorziening leefdomein aangepast, waarbij er voor maatwerkaanvragen een maximum van acht uur per dag gesteld is en aanvragen voor het buitenland in principe niet gehonoreerd worden. Deze kaders zorgen ervoor dat UWV de maatwerkaanvragen op een transparante wijze kan beoordelen. Daarnaast dragen de kaders bij aan de houdbaarheid van de tolkvoorziening met het oog op het aantal beschikbare tolken, evenals de financiële houdbaarheid.
Als er door de kaders schrijnende situaties ontstaan, dan blijft maatwerk mogelijk. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het inzetten van een tolk bij een ziekenhuisbezoek in het buitenland.
Om welke reden stelt het UWV dat schrijftolken niet meer dan acht uur per dag kunnen declareren als er sprake is van extra tolkvoorzieningen buiten de standaard uren in het buitenland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen waarom er voor schrijftolken in het leefdomein en voor organisaties pas vanaf twee uur en vijf minuten een teamtolk ingezet kan worden en in het werkdomein pas vanaf anderhalf uur, waardoor schrijftolken in die situaties respectievelijk twee uur en vijf minuten of anderhalf uur non-stop moeten tolken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Afhankelijk van de duur, intensiteit en complexiteit van een tolkopdracht is de inzet van een teamtolk mogelijk. In het werkdomein is dit mogelijk bij tolkopdrachten die langer duren dan één uur. Ik ben voor het leefdomein op dit moment bezig met het verkennen van de impact van het verlagen van de minimumduur van teamtolkopdrachten van twee uur naar opdrachten die langer dan één uur duren.
Bent u nog steeds van mening dat het UWV geschikt is om de tolkvoorzieningen te beheren, aangezien belangenorganisaties kritische geluiden hebben geuit over het beleggen van de uitvoering van de tolkvoorziening bij het UWV ten tijde van de behandeling van de Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke maatregelen gaat u nemen om de bureaucratische werkwijze van tolkvoorzieningen bij het UWV te verminderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit de tevredenheidsonderzoeken genoemd in het antwoord op de vragen 1 en 6 blijkt dat de ervaringen van tolkgebruikers en tolken met de dienstverlening van UWV overwegend positief zijn. Dit laat onverlet dat ik samen met UWV en de Ministers van OCW (tolkvoorziening onderwijsdomein) en SZW (werkdomein) doorlopend werk aan het optimaliseren van de tolkvoorziening. Bijvoorbeeld inzake de inzet van de teamtolk. Daarbij nemen we de signalen vanuit de belangenorganisaties uiterst serieus.
Het artikel 'Internationale zorgen over vluchtende alleenreizende kinderen uit Oekraïne' |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u zich in de bevindingen die geschetst worden over de stand van zaken omtrent de registratie van onbegeleide Oekraïense vluchtelingenkinderen in Nederland gedurende de eerste maanden van de oorlog? Zo niet, waarom?1
Het artikel waar u naar verwijst, is geschreven over de situatie rond de periode maart 2022.
Kort nadat de eerste amv’s uit Oekraïne naar Nederland kwamen, is afgesproken dat deze amv’s, die arriveerden met een volwassen begeleider die niet de ouder of wettelijk voogd is, bij aankomst door gemeenten gemeld konden worden bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). In de gevallen dat de amv’s uit Oekraïne zonder volwassen begeleider arriveerden, konden deze bij Nidos worden gemeld. Deze afspraken hebben toentertijd tot verwarring geleid, waardoor registratie en monitoring van deze groep niet altijd plaatsvond.
Dit is aanleiding geweest om met betrokken partijen (Ministerie van Justitie en Veiligheid, de RvdK, Nidos en de VNG) de afspraken te herzien. Deze nieuwe procesafspraken zijn in juni jl. gestart. Hierover is uw Kamer reeds geïnformeerd middels de verzamelbrief van 8 juli jl.2 De bevindingen uit het artikel worden daarom slechts ten dele herkend.
Volgens de nieuwe procesafspraken dient iedere minderjarige die zonder ouder(s) binnenkomt bij een gemeente te worden aangemeld bij Nidos. Nidos beoordeelt op basis van een intake met de minderjarige (en waar mogelijk met de ouder(s) op afstand) of het aanvragen van tijdelijke voogdij gepast is. Nidos schakelt de RvdK in wanneer een minderjarige bij een gastgezin verblijft. Dit gastgezin wordt vervolgens gescreend door de RvdK.
Erkent de Staatssecretaris dat de registratie van vluchtende alleenreizende kinderen uit Oekraïne beter op orde is in landen als België, Tsjechië, Frankrijk en Italië, die – in tegenstelling tot Nederland – naast het aantal alleenreizende kinderen ook het gender en de leeftijd registeren? Zo niet, waarom?
Het kabinet onderschrijft het belang van een zo secuur mogelijke identificatie, registratie en opvang van alle personen die uit Oekraïne vluchten op dit moment. Vanwege hun kwetsbaarheid, is dit proces bij kinderen nog meer zwaarwegend.
Zoals bij vraag 1 uitgelegd zijn er nieuwe procesafspraken gemaakt om alleenstaande minderjarige vreemdelingen beter in beeld te krijgen. Hierbij worden ook persoonlijke gegevens geregistreerd. Dit is nodig om een gedegen onderzoek te kunnen doen naar de situatie en eventuele aanvraag van voogdijschap van de minderjarige. Waar dat mogelijk is, kijken we bij het verbeteren van ons proces ook over de grens. In het kader van de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen zijn met name het Solidariteitsplatform en het Blueprint-netwerk, beiden geleid door de Europese Commissie, hiervoor de geëigende kanalen. In deze Europese platforms worden ervaringen, signalen en lessen bij de registratie van alleenstaande minderjarige vreemdelingen tussen lidstaten uitgewisseld, ook met de in de vraag benoemde lidstaten. In de beantwoording van vraag 10 en 11 ga ik hier nader op in.
Klopt het dat in Nederland geen registratie plaatsvond van de leeftijd en het gender van alleenreizende vluchtende kinderen? Worden deze gegevens nog steeds niet geregistreerd? Zo niet, waarom?
Iedere onbegeleide minderjarige moet gemeld worden bij Nidos. Bij elke melding worden door Nidos verschillende gegevens, waaronder geboortedatum, geslacht, en contactgegevens van het kind, eventuele begeleider en diens ouder(s), geregistreerd.
Klopt het dat Nederland relatief gezien nog altijd weinig vluchtende alleenreizende kinderen registreert in vergelijking met andere Europese lidstaten? Zo ja, hoe verklaart u dit?
Sinds de bovengenoemde nieuwe procesafspraken zijn ingegaan, zien wij een stijging van het aantal meldingen bij Nidos, en het aantal amv's dat wordt geregistreerd. De meeste minderjarigen die in Nederland aankomen, worden vergezeld door een volwassen begeleider, die vaak in bezit is van notariële aktes waarin de wensen van de ouders voor wat betreft de begeleiding van de kinderen zijn opgenomen. Op die manier is de begeleiding en verzorging van de minderjarige in Oekraine al geformaliseerd. Hierop wordt bij de beantwoording van vraag 8 en 9 uitgebreider ingegaan.
Klopt het dat zij alleen worden geregistreerd wanneer zij zichzelf melden? Zo ja, hoe wordt voorkomen dat mensenhandelaren de weg naar registratie voor deze groep belemmeren?
Iedere minderjarige die zonder ouder(s) binnenkomt bij een gemeente moet worden gemeld bij Nidos. Wij zien dat meldingen via verschillende kanalen binnenkomen, zowel vanuit de begeleider van de minderjarige als gemeente ambtenaren. Uitgangspunt is dus signalering vanuit gemeenten, en omgeving. Hiervoor is de handreiking «signaleren van kinderen en jongeren uit Oekraïne» gemaakt. Tot nu toe zijn er geen meldingen binnengekomen van mensenhandel binnen de groep amv's. Verschillende organisaties, waaronder de IND, Rode Kruis, en VluchtelingenWerk, zijn door Nidos geïnformeerd over het aanmeldingsproces. Deze organisaties kunnen ook zelf alleenstaande minderjarigen melden bij Nidos.
Vooralsnog is het beeld dat gemeenten amv's goed signaleren bij aankomst.
Welke concrete acties heeft u ondernomen sinds de aangenomen motie Koekkoek c.s. over gecentraliseerde informatievoorziening over de registratie van onbegeleide vluchtelingenkinderen (Kamerstuk 19 637, nr. 2872)?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer kan het plan voor gecentraliseerde informatievoorziening en voorlichting over het belang en de noodzaak van de registratie van onbegeleide vluchtelingenkinderen – waar bovenstaande motie om verzoekt – verwacht worden?
Er is uitvoering gegeven aan bovenstaande motie in de verzamelbrief Opvang Oekraïne van 8 juli jl.3
In hoeverre is de juiste kennis en kunde in de gemeenten m.b.t. signalering en begeleiding van alleenreizende kinderen volgens u verbeterd sinds de aangenomen motie Koekkoek c.s. (Kamerstuk 19 637, nr. 2872)? Is er sprake van verbetering? Zo ja, hoe meet u dit?
Zoals hierboven is gesteld is er een handreiking «signaleren van kinderen en jongeren uit Oekraïne» gemaakt voor gemeenten. Dit dient hen te helpen bij het signaleren van amv's. Daarbij is volgens de nieuwe procesafspraken het uitgangspunt dat iedere minderjarige die zonder ouder(s) aankomt, ook al is deze vergezeld door een volwassen begeleider, gemeld wordt bij Nidos. Dit heeft ervoor gezorgd dat gemeenten niet meer zelf de afweging hoeven te maken over hoe voogdij is geregeld tussen de persoon met wie de minderjarige reist, en of er dus een onderzoek moet worden ingesteld door de RvdK. De kennis en kunde is hierdoor sec belegd bij Nidos die met een jarenlange ervaring een gedegen afweging kan maken of voogdij nodig is, en of eventuele screening nodig is.
Bij alle meldingen weegt het Nidos zorgvuldig af of een voorziening in de voogdij vanuit Nidos noodzakelijk is. Voor deze afweging verzamelt het Nidos informatie. Deze informatie wordt uitgevraagd bij de melder, de minderjarige, ouders (indien zij te bereiken zijn), en de begeleiders in Nederland. Dit wordt gedaan door professionele, SKJ geregistreerde jeugdbeschermers en zij worden hierin ondersteund door juristen en gedragswetenschappers. Sinds 14 juni is er ook specialistische ondersteuning door Nidos opgezet in de vorm van een Meldpunt waar zowel mensen van buitenaf als intern advies kan worden ingewonnen. Bij twijfel wordt er ook contact gezocht met de Oekraïense autoriteiten in Nederland.
Alle zaken die bij de RvdK liepen zijn onderzocht of afgesloten. Sinds de nieuwe procesafspraken zien we een stijging van het aantal meldingen bij Nidos. Op 19 september jl. gaat dit bij elkaar om 500 meldingen. In 50 zaken is Nidos belast met voogdijschap. Voor ca. 30 minderjarigen loopt nog een verzoek van Nidos aan de rechtbank. Voor ca. 150 minderjarigen is door Nidos het verzoek om te worden benoemd als voogd van de minderjarige niet aangevraagd bij de rechtbank omdat er geen voorziening in de voogdij noodzakelijk was. Daarbij kan worden gemeld dat er tot op heden geen gedwongen voogdijmaatregel is uitgesproken. Voor de overige ca. 270 minderjarigen loopt nog een onderzoek bij Nidos.
Hebben de tot nu toe ondernomen concrete acties geleid tot een stijging in het aantal registraties van het aantal vluchtende, alleenreizende kinderen uit Oekraïne?
Zie antwoord vraag 8.
Wat doet u in Europees verband om ervoor te zorgen dat andere lidstaten de registratie van vluchtende alleenreizende kinderen uit Oekraïne te verbeteren? Kunt u dit onderwerp ter sprake brengen in de volgende Europese Raadsvergadering en de Kamer hierover informeren?
Zoals reeds benadrukt, acht het kabinet het waarborgen van de veiligheid van alleenreizende kinderen die vluchten voor het conflict in Oekraïne van groot belang. Omdat de veiligheid van deze kinderen naast een nationaal vraagstuk ook een Europese dimensie kent, onderschrijft het kabinet het belang van het uitwisselen van best practices en informatie met andere Europese lidstaten op het gebied van registratie. Door de vergaderingen die van hoog tot laag (ambtelijk) niveau plaatsvinden, kan Nederland continu leren van andere landen en bezien of het proces zo optimaal is geregeld. Ook levert Nederland zelf een actieve bijdrage vanuit de ervaringen op nationaal niveau. Zo wordt tijdens bijeenkomsten van het Solidarity Platform, geleid door de Europese Commissie, aandacht besteed aan casuïstiek (bijvoorbeeld verzoeken vanuit de Oekraïense autoriteiten aangaande deze groep) en aan lessen die lidstaten onderling met elkaar kunnen delen. Daarnaast is het onderwerp in de afgelopen maanden ook onderwerp van gesprek geweest tijdens bijeenkomsten van het Integrated Political Response Mechanism (IPCR), momenteel onder leiding van Tsjechië. Tijdens deze bijeenkomsten stond gezamenlijke interactie met de Oekraïense autoriteiten over de aanwezigheid en veiligheid van alleenstaande minderjarige vreemdelingen eveneens centraal. Tot slot deelt het Blueprint-netwerk – dat onder leiding staat van de Europese Commissie en waarin alle lidstaten inclusief de Schengen-geassocieerde landen zijn vertegenwoordigd – elke week de meest actuele kwantitatieve gegevens over registraties van amv’s met elkaar. Nederland levert ook daar een bijdrage aan.
Spreekt u met uw Belgische, Tsjechische, Franse en/of Italiaanse collega’s over mogelijk te nemen maatregelen ter verbetering van de registratie van onbegeleide vluchtende Oekraïense kinderen in Nederland? Zo ja, wat leveren die gesprekken concreet op?
Zie antwoord vraag 10.
De kosten van energieverbruik van medische apparaten |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Kuipers , Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de websites van zorgverzekeraars waarin wordt aangegeven welke vergoeding wordt gegeven bij gebruik van zuurstofapparatuur?1, 2, 3, 4
Ja
Bent u bekend met het feit dat er zieke mensen zijn die hun energierekening niet meer kunnen betalen maar wel een torenhoge energierekening ontvangen door het gebruik van zuurstofapparatuur?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat een zuurstofconcentrator een vermogen van een paar honderd Watt vraagt wanneer deze gebruikt wordt? Klopt het dat, wanneer deze 24 uur per dag wordt gebruikt, een elektriciteitsverbruik heeft van duizenden kilowatturen per jaar (bijvoorbeeld: 400 W x 24 uur x 365 dagen = ca. 3.500 kWh per jaar) en dus extra elektriciteitskosten van duizenden euro’s met zich mee kan brengen?
Naar aanleiding van uw vraag en eerdere signalen over dit onderwerp, ben ik bij leveranciers van zuurstofapparatuur en bij het UMC Utrecht nagegaan wat het verbruik is van deze appratuur. Op basis van drie bronnen kom ik tot de conclusie dat een zuurstofconcentrator 0,31 kilowatt (310 watt) per uur verbruikt. Uitgaande van de elektriciteitsprijs die CBS rapporteert over het aanbod van energiecontracten aan nieuwe klanten in augustus 2022 (€ 0,58 cent per kWh), kost dit 18 cent per uur. Gemiddeld wordt deze 12 uur per dag gebruikt. Gerekend met deze elektriciteitsprijs en dit verbruik zijn de kosten € 65 euro per maand; € 780 per jaar. Wanneer iemand deze 24 uur per dag gebruikt, zijn de kosten het dubbele. De energieprijzen zijn echter zeer volatiel en het is niet mogelijk om te voorspellen hoe deze zich de komende maanden zullen ontwikkelen.
Deelt u de mening dat de vergoedingen die door zorgverzekeraars worden uitgekeerd in verhouding moeten staan met de daadwerkelijke energiekosten en dat dat nu niet het geval is? Bent u er zich van bewust dat deze hoge energiekosten voor sommige mensen niet meer betaalbaar zijn?
Zorgverzekeraars dienen op grond van de Zorgverzekeringswet een passende vergoeding te bieden voor zowel mechanische ademhalingsondersteuning in de thuissituatie als voor het gebruik van zuurstofapparatuur thuis. Zorgverzekeraars vergoeden dit rechtstreeks door middel van een declaratieformulier. Uitgaande van websites van verzekeraars wordt vaak 6 cent per uur vergoed, waar de huidige elektriciteitskosten bij zuurstofapparatuur gemiddeld 18 cent per uur is voor huishoudens die net een nieuw energiecontract hebben afgesloten (zie antwoord vraag5. De vergoeding lijkt dus niet in alle situaties passend te zijn.
Hoe gaat u deze schrijnende situatie aankaarten bij de zorgverzekeraars? Bent u bereid op zeer korte termijn met de zorgverzekeraars afspraken te maken over een realistische vergoeding door alle zorgverzekeraars voor het elektriciteitsverbruik van medische apparatuur in de thuissituatie, ook en met terugwerkende kracht voor dit jaar 2022 nog?
Ik heb zorgverzekeraars gewezen op deze kwestie en hen voorzien van de berekening zoals weergegeven in het antwoord op vraag 3. Ik ga ervan uit dat zorgverzekeraars deze informatie betrekken bij hun vergoedingenbeleid en zal monitoren of dit inderdaad gebeurt.
Herinnert u zich dat op 5 juli 2022 een motie is aangenomen waarvan het dictum luidt: «(...) verzoekt de regering te bevorderen dat er structureel meer onderzoek gedaan wordt naar Long COVID, de diagnose, de biomedische oorzaak van Long COVID, de frequentie en de mogelijke behandelmethodes; verzoekt de regering de Kamer daarover binnen ongeveer een maand te informeren»?1
Ja
Bent u bekend met het feit dat het Amerikaanse volkstellingsbureau nu vragen over Long COVID in haar vragenlijsten meeneemt en dat de uitkomst is dat 16 miljoen Amerikanen in de leeftijdscategorie 18–65 vertellen dat ze Long COVID hebben en twee tot vier miljoen van deze mensen niet kunnen werken?2
Ja
Is het u bekend dat het ook in Nederland om aanzienlijke aantallen mensen moet gaan, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat het UWV in de eerste helft van 2022 731 keuringen had met hoofddiagnose COVID en dat 62% volledig arbeidsongeschikt bleek te zijn? Bent u bekend met het feit dat dit nog waarschijnlijk nog maar het begin is, omdat iemand normaal gesproken pas twee jaar na ziek worden, gekeurd wordt voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)?
Dit aantal is mij bekend. Van de mensen die met hoofddiagnose «COVID-19» werden gekeurd voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) werd volgens het UWV3 8% duurzaam en volledig arbeidsongeschikt verklaard. Van de gekeurden kreeg 54% een Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) 80–100 uitkering. Dit betekent dat op het moment van keuring sprake is van (bijna) volledig verlies van arbeidscapaciteit, maar verbetering van de belastbaarheid niet wordt uitgesloten.
Ik ben ermee bekend dat niet alle mensen die gedurende de pandemie langdurige klachten hebben ontwikkeld in dit aantal zijn meegerekend. Pas na twee jaar ziekte volgt een WIA-beoordeling.
Deze cijfers hebben betrekking op mensen die de delta-variant van COVID-19 hebben doorgemaakt. Mogelijk is er een verschil tussen de delta- en de omikron-variant wat betreft de kans op langdurige klachten. Dit is een onderwerp van onderzoek binnen het lopende LongCOVID-onderzoek van het RIVM.
Heeft u een inschatting van de omvang van Long COVID in Nederland? Zo nee, bent u bereid om daar onderzoek naar te doen?
Uit een recent onderzoek4 blijkt dat één op de acht mensen die een COVID-infectie hebben doorgemaakt aangeven langdurig klachten te ervaren. Verder onderzoekt het RIVM met het LongCOVID-onderzoek5 onder meer hoeveel mensen na corona langdurige gezondheidsklachten krijgen.
Mensen met klachten die langer dan drie maanden aanhouden kunnen terecht bij C-support voor een integrale aanpak (het medisch domein, het domein van werk en inkomen en het (psycho-)sociale domein). Inmiddels hebben circa 18.000 mensen met langdurige klachten na een COVID-infectie zich gemeld bij C-support.
Kunt u een brief over de uitvoering van deze motie binnen twee weken aan de Kamer doen toekomen en daarin ingaan op elk van de genoemde aspecten in het dictum?
Ik verwijs hiervoor naar de bijlage «Voorbereiding en bescherming – andere relevante onderwerpen die verband houden met de langetermijnaanpak van het coronavirus»6 bij de Kamerbrief langetermijnaanpak COVID-19.
Post-COVID is een belangrijk onderwerp. Veel mensen ervaren langdurig klachten na het doormaken van een COVID infectie en dit heeft grote invloed op degenen die het treft en hun omgeving. Op dit moment is er helaas nog geen pasklaar oplossing, omdat er nog veel onduidelijk is over diagnose en mogelijke behandeling van post-COVID.
Ik ben daarom blij dat er snel gestart is met onderzoek naar post-COVID en dat er op dit moment blijvend en ruime aandacht is binnen de wetenschap voor onderzoek naar alle aspecten van post-COVID. Zo lopen via ZonMw achttien studies naar het verloop van post-COVID, het mechanisme achter post-COVID, mogelijkheden voor herstel- en nazorg, en behandeling. Twaalf van deze onderzoeken zijn biomedisch van aard.
Tevens onderzoekt het RIVM met het LongCOVID-onderzoek onder meer hoeveel mensen na corona langdurige gezondheidsklachten ervaren, wat deze klachten zijn en hoe lang deze klachten aanhouden. Daarnaast doen verschillende ziekenhuizen onderzoek naar de oorzaak en mogelijke behandeling van post-COVID. Naast al dit nationale onderzoek loopt er internationaal ook zeer veel onderzoek naar alle aspecten van post-COVID.
Vanwege de veelvoud aan onderzoeken, bereiden de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) een overkoepelende kennisagenda voor, waarbij nationale en internationale onderzoeken op het gebied van post-COVID worden samengebracht en geanalyseerd op hun toepassing in Nederland. Hieruit zal blijken of en welk aanvullend onderzoek nodig is. Ik juich dit initiatief toe.
Ten aanzien van de vormgeving van een expertisecentrum post-COVID hebben NFU en C-support toegezegd om de komende maanden gezamenlijk uit te werken op welke wijze kennis en ervaring uit de wetenschap, onderzoek en praktijk op het gebied van post-COVID structureel bijeengebracht kunnen worden om binnen afzienbare termijn toepassing te krijgen in praktijk.
Kunt u vooral ingaan op het biomedische onderzoek dat in Nederland gedaan wordt, de wijze waarop dat nu gefinancierd wordt en de wijze waarop u gaat bevorderen dat dat structureel en grondig gaat gebeuren?
Zoals hierboven beschreven financiert het Ministerie van VWS via ZonMw onderzoek naar de diagnostiek, behandeling en organisatie van post-COVID. Op dit moment worden achttien onderzoeken gedaan, waarvan twaalf onderzoeken biomedische van aard zijn.
Biomedisch onderzoek is een belangrijk onderdeel van de kennisagenda die de NFU, de FMS en het NHG voorbereiden. Uit deze kennisagenda zal blijken of er hiaten zijn waarvoor aanvullend onderzoek nodig is.
Medisch specialisten |
|
Wieke Paulusma (D66) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ziekenhuizen kwetsbaar voor fraude door neveninkomsten artsen»?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de hoogleraar Integriteit en de integriteitsadviseur van KPMG die stelt dat de huidige werkwijze omtrent neveninkomsten voor medisch specialisten veel ruimte over laat voor slordigheid ofwel kwade wil?
Zoals in het nieuwsbericht is genoemd, is het zo dat als iemand kwaad wil doen, diegene activiteiten, belangen en inkomsten zal (proberen te) verhullen. Hierna licht ik het huidige kader van ziekenhuizen toe om zicht te krijgen op nevenfuncties en neveninkomsten van medisch specialisten.
Ik wijs op hetgeen op het gebied van reclame en gunstbetoon is geregeld in de Geneesmiddelenwet, de Wet Medische Hulpmiddelen en de Beleidsregels gunstbetoon,2 het Transparantieregister Zorg3 en het laatste evaluatierapport daarover,4 de door de Federatie van Medisch Specialisten (FMS) opgestelde Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling5 en de door Brancheorganisaties Zorg (BoZ) opgestelde Governancecode zorg 2022.
Zoals de Minister voor LZS ook in de brief van 29 juni jongstleden over de aanpak niet-integere zorgaanbieders heeft aangegeven,6 is het noodzakelijk dat wordt ingegrepen wanneer personen misbruik maken van collectieve middelen en de belangen van patiënten en cliënten en de zorg in het algemeen ernstig schaden. Tegelijkertijd kunnen we nooit alle mazen voor niet-integere zorgaanbieders dichten, als we ons zorgsysteem toegankelijk en de werkdruk werkbaar willen houden. Het bestrijden van niet-integere zorgaanbieders vraagt daarom om een gerichte en effectieve aanpak door alle betrokken partijen. Ik verwijs u naar voornoemde brief voor informatie over de brede aanpak van niet-integere zorgaanbieders.
Bent u het eens met de opvatting dat de huidige situatie rondom het Isala-ziekenhuis in Zwolle, waarbij de toegang tot goede zorg in het geding is gekomen door het op non-actief stellen van twee medisch specialisten ten alle tijden voorkomen dient te worden?
Ik vind dat patiënten en cliënten toegang moeten hebben tot goede zorg. De raad van bestuur van een zorginstelling is verantwoordelijk voor het organiseren van de zorg. Dit betekent dat de raad van bestuur soms moet optreden, bijvoorbeeld als zorgverleners mogelijk ontoelaatbaar hebben gehandeld. Vervolgens moeten maatregelen worden genomen om de mogelijke risico’s ten aanzien van kwaliteit, veiligheid en continuïteit van zorg te beheersen. De IGJ ziet in voorliggend geval op dit moment geen risico’s voor de kwaliteit van zorg.
Hoe wordt onderzocht en voorkomen dat er nog meer van dit soort gevallen spelen?
Wat er wel en niet mag op het gebied van reclame en gunstbetoon is geregeld in de Geneesmiddelenwet, de Wet Medische Hulpmiddelen en in de Beleidsregels gunstbetoon.7 De farmaceutische sector en de hulpmiddelensector hebben in aansluiting op de beleidsregels gedragscodes geformuleerd. Wanneer een vergoeding van een farmaceutisch bedrijf of hulpmiddelenbedrijf aan zorgverleners is toegestaan, moet deze vergoeding in de meeste gevallen geregistreerd worden in het Transparantieregister Zorg.8 Het Transparantieregister berust op zelfregulering en er is een gedragscode, de Gedragsregels openbaarmaking financiële relaties.9 Alle bedrijven die zijn aangesloten bij de betrokken koepelorganisaties,10 waaronder ziekenhuizen, moeten zich houden aan deze gedragsregels. Door het register is het inzichtelijk in hoeverre een behandelaar een financiële relatie heeft met een bedrijf. Uit de jaarlijkse evaluatie van het register, die ik u op 31 januari 2022 heb toegestuurd, blijkt dat het register doeltreffend en effectief is.11 Tevens vraag ik de onderzoekers om de rapportage van de specifieke artsengroep en het specifieke ziekenhuis expliciet te betrekken bij de rapportage die u begin 2023 ontvangt.
Daarnaast is mede door de Federatie van Medisch Specialisten de Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling opgesteld. De code wordt onderschreven door organisaties die verantwoordelijk zijn voor de totstandkoming van wetenschappelijke adviesrapporten en richtlijnen. Tot slot is er de Governancecode zorg 2022, een door Brancheorganisaties Zorg opgestelde privaatrechtelijke vorm van zelfregulering. De leden van ActiZ, de Nederlandse ggz, NFU, NVZ en VGN verplichten zichzelf met hun lidmaatschap tot toepassing en naleving van deze code. Daarnaast kunnen zorgaanbieders die niet lid zijn van één van bovenstaande brancheorganisaties er ook gebruik van maken. Het committeren aan en implementeren van de code is onder andere voor ziekenhuizen een instrument om niet-integere activiteiten te voorkomen.
Het toezicht van de IGJ is gericht op de kwaliteit en veiligheid van zorg en in dat kader bijvoorbeeld op de naleving van de Beleidsregels gunstbetoon. Daar waar de IGJ risico’s ziet, treedt zij op.
Deelt u de overtuiging dat ziekenhuizen betere afspraken met medisch specialisten over neveninkomsten kunnen maken als de specialisten in vaste dienst treden? Hoe gaat u ervoor zorgen dat medische specialisten in de Federatie Medisch Specialisten (MSB) op korte termijn verbetering laten zien en welke stappen worden anders ondernomen om regelgeving voor te bereiden om medisch specialisten in loondienst te laten gaan?
Zowel medisch specialisten in loondienst als vrijgevestigden hebben conform de geldende gedragsregels een meldplicht voor neveninkomst in het Transparantieregister Zorg. Het is aan de partijen om hier in gezamenlijkheid goede afspraken over te maken. Echter, wanneer sprake is van kwade wil kan het in zowel in loondienst als bij vrijgevestigden voorkomen dat nevenfuncties en neveninkomsten niet gemeld worden. Over de verschillende meldingen/signalen die nu bekend zijn, ga ik ook met de IGJ en betreffende wetenschappelijke vereniging (Nederlandse Vereniging voor Cardiologie) in gesprek.
Gegeven de verantwoordelijkheid die de medisch specialisten hebben om de gewenste transformatie naar passende zorg, de bestuurbaarheid en het afremmen van perverse prikkels maximaal te ondersteunen en te versterken, ga ik deze kabinetsperiode de werking van de belemmeringen en verkeerde prikkels nader analyseren, monitoren en concrete acties formuleren en uitvoeren. In het najaar zal ik u nader informeren over het tijdspad met alle relevante aspecten en stappen rondom de transformatie naar passende zorg van medisch specialistische bedrijven.
Hoe kan verder de controle op integriteit nog verbeterd worden?
Diverse casuïstiek12 heeft laten zien dat twijfel kan bestaan of financiële belangen van individuen binnen een zorgorganisatie, zoals bestuurders en aandeelhouders, wel te verenigen zijn met het belang van de zorgorganisatie als geheel en met de maatschappelijk belangen in de zorg. Toezichthouders13 hebben gesignaleerd dat zij in dergelijke gevallen onvoldoende bevoegdheden hebben om in te grijpen. Het uitgangspunt is dat zorgaanbieders hun organisatie en bedrijfsvoering integer inrichten. Zij moeten de vrijheid houden om hun bedrijfsvoering in te richten passend bij het doel van de organisatie. Echter, daar waar bedrijfsmatige keuzes een risico kunnen vormen voor de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg, kan van zorgaanbieders worden gevraagd om de keuzes te verantwoorden. Bij risico’s voor de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg en onrechtmatig handelen moet de externe toezichthouder in kunnen grijpen. Het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) bevat daarom aanscherpingen van bestaande regels op het terrein van winstuitkering en vergunningsvoorwaarden, de introductie van publiekrechtelijk toezicht op onderdelen van de bedrijfsvoering die raken aan de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg en de intrekking van verouderde regels. Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat de NZa ook direct kan optreden bij excessen die voortvloeien uit een niet-integere besluitvormingsprocedure bij tegenstrijdige belangen en waarborging van normale marktvoorwaarden bij bepaalde transacties.
Hoe kijkt u tegen de stelling dat met het in loondienst treden van medisch specialisten ook meer grip komt op de woekerende winstuitkeringen binnen de zorg, zoals bij de recente financiële misstanden bij MartiniZorg?
Wanneer personen misbruik maken van collectieve middelen en de belangen van patiënten en cliënten en de zorg schaden, moet worden ingegrepen. Op de aanpak van niet-integere zorgaanbieders is de Minister voor LZS nader ingegaan in de brief van 29 juni jongstleden aan uw Kamer.14 Over de concrete casus van MartiniZorg doe ik geen uitspraken. Het is aan de toezichthouders hier een oordeel over te vellen. Zoals in het Coalitieakkoord is vastgelegd, is het kabinet voornemens het in de Wibz mogelijk te maken (nadere) voorwaarden aan winstuitkering te stellen. Hierdoor kan excessieve winstuitkering door zorgaanbieders worden tegengegaan dan wel voorkomen. Zorgaanbieders dienen te allen tijde de belangen van de patiënten, cliënten en/of andere belanghebbenden en de zorgorganisatie voorop te stellen.
Welke instrumenten biedt het aankomende wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) om fraude onder medisch specialisten te bestrijden?
Zie antwoord vraag 6.
WOB-documenten met betrekking tot uitgaven in het kader van de coronapandemie |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recent openbaar gemaakte WOB-verzoeken met betrekking tot de grote uitgaven van het Rijk in verband met de coronapandemie?1
Ja. De fragmenten van Wob-documenten die in het artikel worden getoond zijn afkomstig uit de deelbesluiten aangaande de Inclusieve Vaccin Alliantie (periode maart-augustus 2020)2 en scenario’s en maatregelen (periode augustus 2020)3. De volledige documenten zijn via WOBCovid19.rijksoverheid.nl te raadplegen.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat er honderden miljoenen zijn uitgegeven in het kader van de coronapandemie, terwijl niemand op uw departement echt lijkt te weten waar deze gelden precies naartoe zijn gegaan en aan besteed zijn?
Ik ben als Minister verantwoordelijk voor de uitgaven van het Ministerie van VWS. Over de uitgaven aan de bestrijding van de COVID-19-pandemie en de doelstellingen hiervan is de Kamer, conform de reguliere begrotingssystematiek, regelmatig geïnformeerd. Investeringen en donaties ten behoeve van de wereldwijde aanpak van de pandemie maken hier onderdeel van uit. Het Ministerie van VWS werkt hierin nauw samen met het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Door de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is de Kamer regelmatig geïnformeerd over de uitgaven in het kader van de wereldwijde aanpak van COVID-19, onder meer in de Kamerbrieven van 14 april 20204, 10 juli 20205, 6 december 20216 en 1 maart jl.7 De inzet van Official Development Assistance-middelen (ODA) voor de wereldwijde bestrijding van COVID-19 is gedocumenteerd en in verslagen vastgelegd via de reguliere middelen voor monitoren en evalueren. Hierover is middels de gangbare wegen aan de Kamer gerapporteerd, bijvoorbeeld in de jaarverslagen Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarnaast zijn deze documenten inzichtelijk gemaakt op de website www.nlontwikkelingssamenwerking.nl.
Wie waren er direct verantwoordelijk voor het uitgeven van de gelden en zijn er afspraken gemaakt met de ontvangende partijen over doelstellingen, tijdslijnen, betrokkenen, verslaglegging, etc.? Zo ja, kunnen die afspraken inzichtelijk en openbaar worden gemaakt voor de Tweede Kamer? Zo nee, waarom zijn deze afspraken niet gemaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inzichtelijk maken op welke manier de Nederlandse bevolking direct geprofiteerd heeft van de uitgave van deze grote sommen gemeenschapsgeld? Graag een uitgebreide uiteenzetting van welke doelen door deze investeringen voor Nederland zijn bereikt. Welke concrete resultaten zijn bereikt? Zo nee, waarom weet u niet wat de investeringen hebben opgeleverd?
Pandemieën zijn per definitie grensoverschrijdend en vergen een internationale aanpak. Zo kunnen vaccins, therapieën en behandelwijzen beter in internationaal verband ontwikkeld worden dan dat ieder land zijn eigen vaccins, therapieën en behandelwijzen ontwikkelt. Dit laatste zou een inefficiënte besteding van middelen zijn. Daarnaast is het voor het bestrijden van de pandemie, en dus ook voor de gezondheid van Nederlandse burgers, noodzakelijk dat het virus overal ter wereld effectief wordt aangepakt. Zolang het virus nog vrij rond kan gaan, kunnen er namelijk nieuwe mutaties optreden die besmettelijker zijn of waartegen de huidige vaccins minder goed beschermen. Alleen als vaccins en behandelingen wereldwijd beschikbaar zijn, waaronder in lage- en middeninkomenslanden, kan de pandemie (in Nederland) worden ingedamd.
Waarom heeft Nederland, op Duitsland na, de grootste financiële bijdrage geleverd aan onderzoek en innovatie voor COVID-19 aan de Europese Commissie? Waar is dit geld precies naartoe gegaan? Welk onderzoek is hiermee gefinancierd en wat zijn de uitkomsten van dit onderzoek?
De Europese Commissie is geen onderzoeksinstelling en er is dan ook geen geld direct naar de Europese Commissie gegaan specifiek voor onderzoek en innovatie voor COVID-19, zoals in de vraagstelling wordt beweerd. In algemene zin vind ik het verstandig om te investeren in onderzoek en innovatie, zoals het kabinet heeft gedaan in het kader van de COVID-19-pandemie. Dit leidt tot inzicht in hoe het virus beter te bestrijden is en hoe behandelwijzen ingezet kunnen worden bij patiënten.
Is de verantwoording voor de honderden miljoenen die door Nederland aan verschillende organisaties gedoneerd zijn ergens inzichtelijk gemaakt? Zo ja, kunt u de Tweede Kamer deze verantwoording doen toekomen? Zo nee, waarom is dit niet gebeurd en kan dit alsnog vastgelegd en openbaar gemaakt worden?
Zie mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Hoe verhoudt zich het bedrag dat door het Rijk is uitgegeven voor de coronapandemie tot de financiële schade die Nederland geleden heeft door de coronamaatregelen en het coronabeleid? Bent u van mening dat de uitgaven in dat opzicht gerechtvaardigd zijn geweest? Zo ja, hoe dan? Graag een uitgebreide analyse.
De COVID-19-pandemie was een ongekende periode met veel onbekendheden die vroeg om snel handelen. Bij het nemen van maatregelen in de strijd tegen COVID-19 zijn verschillende belangen – waaronder ook financiële en economische belangen – meegewogen. De genomen maatregelen zijn aan de Kamer voorgelegd en kenden draagvlak in de Kamer. Daarbij is, door middel van bijvoorbeeld de omvangrijke steunpakketten, de economische schade beperkt gebleven, zo blijkt ook uit onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB)8. In de besluitvorming is steeds toegezien op een zo doelmatig mogelijke besteding van benodigde middelen uit het generale Rijksbrede beeld. Ik ben daarom van mening dat deze uitgaven gerechtvaardigd zijn geweest.
De coronamaatregelen hebben tenminste 320.000 gezonde levensjaren gekost en op dit moment kampen wij met aanhoudende oversterfte, waarvan wij niet weten of de coronavaccins, waaraan Nederland aanzienlijke bedragen heeft uitgegeven, daarbij een rol spelen, kunt u reflecteren op deze enorme uitgaven aan farmaceuten in het licht van de huidige kennis over de gebrekkige werking van deze vaccins en de vermoedens van (ernstige) schade en sterfte veroorzaakt door deze vaccins?
In de antwoorden op schriftelijke vragen van 5 juli9, 6 juli10, 25 juli11 en 25 augustus jl.12 van het lid Van Haga (Groep Van Haga) ben ik meermaals uitgebreid ingegaan op de effectiviteit en veiligheid van de in Nederland ingezette COVID-19-vaccins. Er is brede wetenschappelijke consensus over de effectiviteit van deze vaccins in het voorkomen van ernstige ziekte en sterfte door COVID-19 en de geringe kans op ernstige bijwerkingen na vaccinatie. Voor de aankoop en inzet van COVID-19-vaccins is in de Kamer altijd breed draagvlak geweest. Ik vind de uitgaven die zijn gedaan voor de aankoop van COVID-19-vaccins dan ook gerechtvaardigd.
Bent u zich ervan bewust dat de exorbitante bedragen die aan de coronapandemie zijn uitgegeven ervoor hebben gezorgd dat het Rijk op dit moment geen financieel vlees meer op botten heeft? Zo ja, hoe reflecteert u op het feit dat vele economen en andere financiële experts hiervoor al waarschuwden aan het begin van de coronacrisis?
Zie het antwoord op vraag 7. In de besluitvorming is steeds toegezien op een zo doelmatig mogelijke besteding van benodigde middelen uit het generale Rijksbrede beeld. Ik deel de mening dat de huidige economische situatie het gevolg is van onzorgvuldig financieel beleid ten tijde van de coronacrisis dan ook niet.
Nederland kampt op dit moment met een grote koopkrachtcrisis en een naderende recessie, hoe reflecteert u daarop in het licht van de gigantische uitgaven die gedaan zijn voor de coronapandemie? Bent u het ermee eens dat het kabinet door onzorgvuldig financieel beleid in coronatijd nu moet verzaken de Nederlandse burgers door deze economische crisis heen te slepen? Zo nee, graag een uitgebreide uiteenzetting van de rechtvaardiging van deze financiële keuzes.
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u verklaren waarom er zoveel geld is weggevloeid naar buitenlands beleid voor bestrijding van de coronapandemie, maar er voor Nederland zelf geen geld was voor het structureel ophogen van de zorgcapaciteit, wat voor ons land het grootste probleem vormde? Waarom is er niet voor gekozen prioriteit te leggen bij onze eigen, al jaren noodlijdende zorg?
Pandemieën zijn per definitie grensoverschrijdend en vergen een internationale aanpak. Nederland heeft daarom weloverwogen geïnvesteerd in internationale samenwerking voor de bestrijding van de COVID-19-pandemie, zoals ik ook in mijn antwoord op vraag 4 heb toegelicht.
Het kabinet zet daarnaast volop in op het optimaliseren van de zorgcapaciteit. Zo is met de subsidieregeling IC-opschaling (2020–2022) € 450 miljoen beschikbaar gesteld om de uitbreiding van IC-bedden mogelijk te maken, in aanvulling op de financiering van de reeds beschikbare IC-bedden die door zorgverzekeraars wordt vergoed. Het budget is beschikbaar gesteld voor verbouwingskosten, kosten voor de medische inventaris, het opbouwen van de crisisvoorraad geneesmiddelen, opleidingskosten en de kosten voor extra inzet van zorgverleners. Over de financiering van een basiscapaciteit van 1.150 IC-bedden vanaf 2023 maken zorgverzekeraars en ziekenhuizen via reguliere contractering afspraken. In het Integraal Zorgakkoord (IZA) is afgesproken dat het MSZ-kader vanaf 2023 wordt opgehoogd, onder meer om eventuele meerkosten van IC-opschaling tot 1.150 bedden te bekostigen. Het tekort aan flexibel in te zetten zorgpersoneel vormde afgelopen jaren het grote knelpunt in de benutting van de beschikbare IC-capaciteit. De stijgende zorgvraag in combinatie met de brede arbeidsmarktkrapte maakt het niet realistisch om in te zetten op het vergroten van het aantal zorgmedewerkers. De komende tijd zal daarom ten behoeve van de flexibele opschaling ingezet worden op het optimaal benutten van sociale en technologische innovatie en het flexibel opleiden van medewerkers zodat brede inzetbaarheid wordt geborgd. Een en ander is ook expliciet onderdeel van het programmaplan Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (TAZ) dat door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport op 30 september jl.13 aan de Kamer is gestuurd. Op grond van het voorgaande investeert het kabinet € 20 miljoen om meer instroom in de opleidingen Basis Acute Zorg in de tweede helft van 2022 mogelijk te maken.
Weet u hoeveel eventuele winst de organisaties waaraan Nederlands geld is gedoneerd gemaakt hebben dankzij de gelden die zij van het Rijk hebben ontvangen? Zo ja, kunt u dit inzichtelijk en openbaar maken voor de Tweede Kamer?
Nederland heeft alleen donaties gedaan aan organisaties zonder winstoogmerk.
Hartschade bij jonge jongens na coronavaccinatie |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de studie «Cardiovascular Manifestation of the BNT162b2 mRNA COVID-19 Vaccine in Adolescents»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van deze studie.
Wat vindt u van de bevindingen in deze studie, die laten zien dat 3,5 procent van de gevaccineerde jongens in dit onderzoek last kreeg van hartschade na Pfizer mRNA-vaccinatie? Hoe reflecteert u op het feit dat dit een aanzienlijk hoger percentage is dan de tot nu toe bekende frequentie van hartschade na coronavaccinatie bij jongens en jonge mannen?
Het percentage van 3,5% wordt niet in het artikel genoemd. Door de meldingen bij Lareb en de aanvullende wetenschappelijke onderzoeken naar bijwerkingen zoals myocarditis en pericarditis die zijn gedaan, weten we dat er een zeer kleine kans op myocarditis en pericarditis na vaccinatie met een mRNA-vaccin bestaat. Verschillen tussen dit onderzoek en andere onderzoeken kunnen komen door verschillen in de opzet van een onderzoek of de populatie waarin het onderzoek verricht is, zoals ook de auteurs van het door u aangehaalde onderzoek vermelden.
Deelt u de mening dat, aangezien uit eerdere medische publicaties ook al is gebleken dat hartschade relatief vaak voorkomt na inenting met een mRNA coronavaccin, inmiddels duidelijk is dat deze vaccinaties, zeker bij jonge mensen, dus niet zo veilig zijn als lange tijd werd beweerd? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide analyse geven?2
Ik ben mij bewust van het zeer kleine risico op myocarditis en pericarditis, zoals ik ook in het antwoord op vraag 2 heb genoemd. Myocarditis en pericarditis zijn dan ook opgenomen als mogelijke zeer zeldzame bijwerkingen in de bijsluiters van de COVID-19-vaccins. Echter is het nog steeds zo dat de kans op deze aandoeningen aanzienlijk hoger is bij een infectie met SARS-CoV-2 in vergelijking tot een vaccinatie met een mRNA-vaccin. Dit wordt ook onderschreven door de auteurs van het door u aangedragen artikel. Bijwerkingencentrum Lareb stelt dat het risico op myocarditis na een SARS-CoV-2-infectie 19 keer groter is dan na coronavaccinatie. Voor pericarditis is het risico 5 keer groter na een infectie dan na een vaccinatie. Het risico op myocarditis voor mannen tussen de 12 en 17 jaar is 6 keer groter na een infectie dan na een vaccinatie. Het gezondheidsvoordeel van een vaccinatie weegt daarom zwaarder dan het risico op eventuele bijwerkingen na de vaccinatie. Er is brede wetenschappelijke consensus over de veiligheid en effectiviteit van de COVID-19-vaccins, ook bij jonge mensen. Ik zie op dit moment geen aanleiding om hieraan te twijfelen.
Zijn deze recente studie en de conclusies daaruit reden voor u om ook in Nederland onderzoek te gaan doen naar hartschade bij jongeren na coronavaccinatie? Zo ja, wie gaat dit onderzoek uitvoeren en wanneer start dit? Worden de methodieken en de data toegankelijk en openbaar gemaakt voor onafhankelijke wetenschappers? Zo nee, waarom wordt dit niet in Nederland onderzocht?
De onderzoekers concluderen in het artikel dat het bij jonge mensen van belang is alert te zijn op bijwerkingen aan het hart na een vaccinatie met een mRNA-vaccin. In Nederland wordt hier bij alle doelgroepen al veel aandacht aan besteed. Ik hecht veel waarde aan de zorgvuldige monitoring van eventuele bijwerkingen en ik vertrouw daarbij op de deskundigheid van Lareb en het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG).
Zoals ik in reactie op uw motie van 24 mei jl.3 in de Verzamelbrief van 4 juli jl.4 ook heb toegelicht, zijn zorgverleners volgens de Geneesmiddelenwet (artikel 78:3) verplicht om bij Lareb melding te maken van ernstige vermoedelijke bijwerkingen. Ook kunnen mensen zelf vermoedelijke bijwerkingen melden bij Lareb. Niet alle gemelde vermoedens van bijwerkingen zijn ook daadwerkelijk bijwerkingen die door vaccinatie worden veroorzaakt. Wanneer een nieuwe bijwerking wordt gevonden, of nieuwe kennis van bestaande bijwerkingen wordt opgedaan, wordt dit door Lareb onderzocht en de bevindingen worden gedeeld met het CBG. Zij bekijken of het inderdaad gaat om een bijwerking en delen de bevindingen met de EudraVigilance-databank van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en vanuit daar met VigiBase, de databank van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Deze databanken maken het mogelijk om internationaal informatie over bijwerkingen uit te wisselen. Ze zijn voor iedereen toegankelijk en worden door zorgverleners en medische instanties uit de hele wereld geraadpleegd om bijwerkingen in een vroeg stadium te signaleren. Op dit moment zie ik er daarom geen reden toe nieuwe onderzoeken te starten.
Weet u hoeveel jongeren in Nederland hartschade hebben opgelopen na coronavaccinatie? Zo ja, hoeveel zijn dat er, welke vaccins hebben deze personen gekregen en na hoeveel tijd/doses traden de klachten op? Zo nee, waarom zijn hierover geen cijfers bekend?
Bij jongeren tot 20 jaar zijn in Nederland tot nu toe bijna 2,1 miljoen vaccinaties in totaal gezet. Bijwerkingencentrum Lareb heeft tot 1 september jl. 14 meldingen van myocarditis en 12 meldingen van pericarditis ontvangen bij jongeren tot 20 jaar. Bij 15 van de meldingen trad de vermoedelijke bijwerking binnen 5 dagen op, bij 2 meldingen trad de vermoedelijke bijwerking tussen de 5 en 13 dagen op en bij 9 meldingen trad de vermoedelijke bijwerking langer dan 14 dagen na de vaccinatie op.
Weet u wat de lange termijngevolgen zijn van dergelijke hartschade? Wordt hier, aangezien de coronavaccins pas korte tijd worden gebruikt, onderzoek naar gedaan? Worden gediagnosticeerde gevallen in Nederland de komende jaren gevolgd en gemonitord in het kader van onderzoek naar en effecten en verbetering van de coronavaccins Zo nee, waarom niet?
De meeste mensen bij wie myocarditis of pericarditis optreedt na vaccinatie herstellen binnen enkele dagen tot weken na behandeling en houden hier geen blijvende schade aan over. Meldingen van (vermoedelijke) bijwerkingen van COVID-19-vaccinatie worden gemonitord door Bijwerkingencentrum Lareb, het CBG en het EMA. In de antwoorden op de door u gestelde schriftelijke vragen van 5 juli5, 6 juli6 en 25 juli jl.7 ben ik uitgebreid ingegaan op de zorgvuldige wijze waarop zij dit doen. Ik zie dan ook geen reden om hierin aanpassingen te maken of aanvullend onderzoek te doen.
Vindt u het in het licht van deze recente onderzoeksdata nog verantwoord dat op dit moment (jonge) kinderen in Nederland opnieuw uitnodigingen ontvangen voor het halen van een (herhaal)coronavaccinatie? Zo ja, waarom? Is het niet beter om het vaccinatieprogramma voor kinderen en jongeren voorlopig stop te zetten, temeer daar zij van het coronavirus nauwelijks iets te vrezen hebben en het risico op complicaties na vaccinatie weleens groter zou kunnen zijn dan complicaties na natuurlijke infectie?
Ik vind het nog steeds verantwoord om de eerder vastgelegde vaccinatiestrategie uit te voeren. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb toegelicht, wegen de voordelen van een vaccinatie nog steeds op tegen het zeer kleine risico op ernstige bijwerkingen, omdat de kans op complicaties na een infectie groter is dan de kans op complicaties na een vaccinatie.
Deelt u de mening dat, aangezien het grootste deel van de jeugd in Nederland inmiddels is blootgesteld aan het coronavirus en daardoor veelal al een infectie op natuurlijke manier heeft doorlopen, zij dus al immuniteit hebben opgebouwd, waardoor een coronavaccinatie sowieso overbodig is? Zo nee, waarom niet, aangezien uit onderzoek ook blijkt dat natuurlijke afweer beter is dan afweer door vaccinatie?3
Ik deel de mening dat een COVID-19-vaccinatie na infectie overbodig is niet. Over het algemeen zien we bij zowel vaccinaties als doorgemaakte infecties na verloop van tijd een afname van bescherming tegen een SARS-CoV-2-infectie (bij alle varianten). Dit geldt ook voor jongeren. Ook mensen die een infectie met een eerdere variant hebben doorgemaakt kunnen opnieuw besmet raken met een nieuwe variant en daar mogelijk ernstig ziek van worden. Vaccinatie is dus belangrijk om de bescherming op peil te houden. Zoals ik ook in reactie op uw schriftelijke vragen van 26 juli jl.9 heb toegelicht, is uit recent onderzoek van het RIVM10 gebleken dat personen die een infectie hebben doorgemaakt én een vaccinatie hebben gehaald beter beschermd zijn tegen een SARS-CoV-2-infectie in vergelijking met personen die alleen een infectie hebben doorgemaakt of alleen een vaccinatie hebben gekregen.
Bent u voornemens kinderen, jongeren en ouders actief te informeren over de recente bevindingen omtrent hartschade na coronavaccinatie? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet en vindt u niet dat mensen recht hebben op volledige informed consent voor zij zich laten vaccineren?
Via verschillende (online) kanalen kunnen ouders, kinderen en jongeren informatie vinden over de COVID-19-vaccins. Hiertoe zijn ook speciale informatiematerialen voor kinderen en jongeren in begrijpelijke taal ontwikkeld. De informatiematerialen zijn onder andere te vinden op de websites van de rijksoverheid, Lareb, het RIVM en het CBG. Er wordt daarin ook aandacht besteed aan de risico’s op eventuele bijwerkingen, waaronder de kleine kans op meer ernstige bijwerkingen zoals myocarditis en pericarditis. Algemene informatie over bijwerkingen is daarnaast te vinden in de bijsluiters van de vaccins. Deze zijn online te vinden op de website van het CBG.
Mocht in de toekomst duidelijk worden dat de coronavaccinaties inderdaad op grote schaal hartschade hebben toegebracht aan kinderen en jongeren, komt er daarvoor dan vanuit het Rijk een compensatie voor de getroffenen?
COVID-19-vaccins mogen in de EU alleen worden gebruikt als ze voldoen aan alle eisen van kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid die zijn vastgelegd in de Europese wetgeving. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb toegelicht ziet het EMA hierop toe. Op basis van de wetenschappelijke beoordeling door het EMA krijgt de producent een vergunning om het vaccin in de EU op de markt te brengen. In Nederland wordt het vaccin vervolgens geregistreerd bij het CBG. Voorafgaand aan vergunningverlening en registratie zijn de werkzaamheid en veiligheid van het vaccin derhalve uitgebreid beoordeeld in klinische studies. Mocht onverhoopt duidelijk worden dat, na grondige beoordeling, een duidelijk (causaal) verband bestaat tussen enig gebrek van het vaccin en de betreffende bijwerking dan zal moeten worden onderzocht of de producent van het vaccin in dit kader een toerekenbaar verwijt kan worden gemaakt. Als dat zo is, dan kan de producent onder omstandigheden worden aangesproken voor de gevolgen van daaruit voortvloeiende bijwerkingen. In die situatie kan de overheid onder specifieke en strikte voorwaarden de aansprakelijkheid overnemen van de producent. Deze voorwaarden zijn geregeld in de aankoopcontracten van de vaccins tussen de overheid en de producenten. Mocht iemand ervoor kiezen de overheid hiervoor aansprakelijk te stellen dan zal aan de hand van de geldende wettelijke criteria per individueel geval beoordeeld worden of de overheid aansprakelijk kan worden geacht.
Waarom is de Kamer niet actief ingelicht over dit onderzoek? Bent u niet van mening dat dergelijke informatie van belang is voor de beleidsvoering op het gebied van de volksgezondheid en de controlerende taak van de Kamer op dat beleid?
Wereldwijd wordt er ontzettend veel onderzoek gedaan naar COVID-19 en aan COVID-19 gerelateerde onderwerpen. Het is onmogelijk om de Kamer actief te informeren over ieder onderzoek. De huidige vaccinatiestrategie is tot stand gekomen op basis van de wetenschappelijke adviezen van o.a. de Gezondheidsraad. De raad maakt voor zijn adviezen steeds gebruik van de meest recente (internationale) wetenschappelijke inzichten. Daarnaast wegen experts van onder andere het RIVM, Lareb en CBG regelmatig relevante onderzoeken en informeren mij op het moment dat daar voldoende aanleiding toe is. Uiteraard informeer ik de Kamer hier dan ook over.
Gaat u dit najaar opnieuw ongevaccineerde jongeren uitsluiten van publieke plaatsen, ondanks het feit dat inmiddels wijdverspreid bekend is dat er geen medische rechtvaardiging is voor (indirecte) dwang en/of drang bij jongeren om zich te laten vaccineren? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit? Kunt u een uitgebreide uitleg geven?
Het kabinet hoopt dat de inzet van ingrijpende interventiemaatregelen, zoals het coronatoegangsbewijs (CTB), niet meer nodig zal zijn. Echter, een aantal sectoren die de afgelopen twee jaar zwaar getroffen zijn door het coronavirus geeft aan dat het CTB een wenselijke – en in een aantal gevallen zelfs de enige werkbare – maatregel is om renderend open te kunnen blijven tijdens een zware opleving van het virus. Voor onder andere de culturele sectoren, de evenementensector en veel recreatieve sectoren leidt een afstandsnorm tot ingrijpend capaciteitsverlies met de facto sluiting als gevolg. Deze sectoren willen het CTB als instrument in kunnen zetten in het geval dat er bij een opleving van het virus zwaardere interventiemaatregelen nodig zijn. Daarom hebben deze sectoren het CTB in de vorm van 3G of 1G (Testen voor Toegang) opgenomen in hun sectorplan. Bij beide vormen geldt dat mensen die ervoor kiezen zich niet te laten vaccineren een geldig CTB kunnen krijgen met een negatieve testuitslag. Een alternatief voor vaccinatie is bij deze toepassingen van het CTB dus altijd mogelijk.
Het kabinet begrijpt deze wens vanuit de sectoren, aangezien het alternatief bij een zware opleving voor deze sectoren zeer ingrijpend is. Tegelijkertijd bestaat op dit moment geen wettelijke grondslag voor de inzet van het CTB en heeft zowel de Tweede als de Eerste Kamer bedenkingen geuit bij de mogelijke inzet van een CTB in de toekomst. Het kabinet heeft om deze reden het CTB niet meegenomen in de eerste tranche van de wijziging van de Wet publieke gezondheid (Wpg), maar ziet ook dat het op voorhand uitsluiten van maatregelen bij een mogelijke opleving in de toekomst de mogelijke interventiemaatregelen beperkt, waardoor ingrijpendere maatregelen sneller in beeld komen. Hiertoe valt een wetsvoorstel te overwegen ter ondersteuning van de sectorplannen, waaronder onder voorwaarden de inzet van een CTB, mits daarvoor in de Kamer draagvlak is. Wij gaan hierover graag met de Kamer in gesprek.
De financiële crisis bij het Ikazia ziekenhuis |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Hoe oordeelt over de financiële crisis bij het Ikazia ziekenhuis?1 2
Het is altijd zorgelijk als een zorginstelling in financieel zwaar weer verkeert.
Het Ikazia ziekenhuis werkt momenteel aan een herstelplan samen met de stakeholders. Het is nu niet aan mij om een oordeel te hebben over de financiële situatie. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en ook de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) volgen de situatie nauwgezet en informeren mij daar actief over.
Met welke redenen heeft het Ikazia te weinig compensatie gekregen voor de covidkosten over 2020? Kunt u uw antwoord toelichten?
De NZa heeft mij laten weten dat het Ikazia ziekenhuis een beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule, dat is een extra compensatie naast de reguliere COVID-19 compensatieregelingen tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Het moet dan gaan om bijzondere omstandigheden, waardoor het ziekenhuis niet uit komt met de reguliere COVID-19 compensatieregelingen.
De Commissie Hardheidsclausule (hierna Commissie) beoordeelt of een ziekenhuis in aanmerking komt voor extra financiële compensatie. De Commissie is een gedifferentieerde commissie met afgevaardigden vanuit de zorgaanbieders en zorgverzekeraars. De Commissie is ook een initiatief van deze voornoemde partijen.
Op de aanvraag van het Ikazia ziekenhuis heeft de Commissie besloten een gedeeltelijke toekenning te geven voor de door zorgverzekeraars in de contracten van 2020 geaccommodeerde groei die bij de oorspronkelijke vaststelling van de compensatie niet meegenomen kon worden. Hiervoor heeft de Commissie gebruik gemaakt van een geobjectiveerde kwantificering door een onafhankelijk bureau.
Het resultaat van het Ikazia ziekenhuis werd vorig jaar onder andere negatief beïnvloed door het hoge ziekteverzuim, maar ook door lage tarieven en tegenvallende volumeafspraken met zorgverzekeraars, kunt u nagaan met welke redenen er lage tarieven zijn gehanteerd en waarom de volumeafspraken met zorgverzekeraars tegenvielen?
De NZa heeft aangegeven dat het Ikazia ziekenhuis voorafgaand aan COVID-19, tijdens de contractering voor het jaar 2020 met een aantal zorgverzekeraars een volumevrij contract heeft afgesloten waarin groei mogelijk is tegen een lager tarief. Dit was destijds op basis van de verwachte groei een logische keus, maar heeft verkeerd uitgepakt gezien de onverwachte intrede van COVID-19 en de daardoor uitgebleven groei. De Commissie Hardheidsclausule heeft in de extra toekenning voor 2020 gecompenseerd voor de in de contracten geaccommodeerde groei.
Welke andere ziekenhuizen hebben ook financiële problemen door tegenvallende coronacompensatie en afspraken met zorgverzekeraars? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de NZa zijn er geen andere ziekenhuizen bekend die financiële problemen hebben mede vanwege een nadelig besluit door de Commissie. De situatie bij het Ikazia ziekenhuis lijkt daarmee een unieke situatie. Er zijn andere ziekenhuizen die voor de Commissie zijn gekomen omdat ze het oneens zijn met de toekenning, maar hier is geen sprake van financiële problemen zoals het Ikazia ziekenhuis die nu kent. Er zijn bij de NZa ook geen ziekenhuizen bekend waarbij door afspraken met zorgverzekeraars financiële problemen zijn ontstaan.
Welke consequenties heeft het voorgenomen besluit van de ING om het rekening- courantkrediet en de lening per 1 oktober stop te zetten en het voorgenomen besluit van zorgverzekeraars om tijdelijke financiële ondersteuning per 1 oktober te stoppen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De NZa geeft aan dat als zorgverzekeraars en de banken per 1 oktober 2022 de financiering stopzetten er sprake zal zijn van een faillissement. De NZa heeft daarom nauw contact met zorgverzekeraar Zilveren Kruis (als representant namens de andere zorgverzekeraars) over een oplossing voor de liquiditeit vanaf 1 oktober. De banken en zorgverzekeraars zijn in gesprek met het Ikazia ziekenhuis en werken nauw samen aan een plan voor de toekomst. Op basis van de huidige berichten hieromtrent verwacht de NZa dat de financiering niet per 1 oktober stopgezet zal worden. De verwachting is dat partijen hierover begin september met een gezamenlijk standpunt naar buiten treden.
Wilt u informeren welke bezuinigingen het Ikazia ziekenhuis voornemens is in te stellen en de Kamer hierover informeren?
Momenteel werkt het Ikazia ziekenhuis samen met zorgverzekeraars en banken aan een gezamenlijk herstelplan. Op de korte termijn hopen zij te kunnen bezuinigen door verzuimreductie en een efficiëntere planning. Daarnaast worden investeringen uitgesteld. Ook wordt er aan zorgverzekeraars gevraagd om een deel van het verwachte verlies te compenseren.
Een extern bureau is ingeschakeld door het Ikazia ziekenhuis om naast deze korte termijn oplossingen, ook te kijken naar mogelijkheden die meer toekomstbestendig zijn, zoals betere samenwerking in de regio. In september zal hierover meer duidelijkheid komen. Wanneer nodig zal ik uw Kamer hierover informeren.
Op welke wijze wordt de kwaliteit van zorg en de patiëntveiligheid geborgd met de huidige financiële verliezen van het Ikazia ziekenhuis? Kunt u uw antwoord toelichten?
De raad van bestuur van het Ikazia ziekenhuis heeft zicht op de mogelijke risico’s voor kwaliteit en veiligheid van zorg en treft indien nodig maatregelen. De IGJ ziet hier op toe. De financiële situatie van het Ikazia ziekenhuis heeft op dit moment geen gevolgen voor de kwaliteit en veiligheid van zorg, heeft de IGJ mij laten weten.
Hebben de financiële verliezen consequenties voor het personeel in het Ikazia ziekenhuis? Kunt u ervoor zorgen dat zorgverleners hun baan behouden bij eventuele bezuinigingsrondes? Kunt u uw antwoord toelichten?
Aan een herstelplan wordt nog gewerkt en daar ken ik de inhoud niet van, maar ik ga ervan uit dat het Ikazia ziekenhuis dit uiterst zorgvuldig zal doen. Daarbij volgen zowel de NZa en de IGJ de situatie nauwgezet en houd ik via hen vinger aan de pols.
Welke maatregelen kunt en/of gaat u treffen om te voorkomen dat het Ikazia ziekenhuis omvalt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wanneer de continuïteit van zorg in het geding is geldt het continuïteitsbeleid (dat ook aan de Tweede Kamer is gemeld)3, waarbij in de eerste plaats de zorgaanbieder en zorgverzekeraars de verantwoordelijkheid hebben om de problemen die mogelijk leiden tot discontinuïteit van zorg op te lossen. De zorgverzekeraar heeft hierbij een zorgplicht in de richting van de verzekerden om te zorgen voor goede en passende zorg en continuïteit van zorg. De NZa en de IGJ houden daarbij toezicht op de situatie vanuit het oogpunt van deze zorgplicht en de kwaliteit van zorg.
Het beleid is gericht op continuïteit van zorg en niet op continuïteit van een zorgaanbieder. Hoe vervelend het ook is voor alle betrokkenen, een ziekenhuis is een private instelling en kan failliet gaan. Wat wel helder is, is dat ongecontroleerde faillissementen, welke tot chaotische situaties leiden, voorkomen moeten worden. Het Ministerie van VWS, de NZa, de IGJ en zorgverzekeraars hebben de afgelopen tijd veel stappen gezet om zo’n situatie in de toekomst te voorkomen. Zo is het systeem van vroegsignalering, dat via de toezichthouders NZa en IGJ loopt, versterkt. We zien het nu eerder als een belangrijke zorgaanbieder, zoals een ziekenhuis, in financiële problemen komt. En eerder zien betekent, indien nodig, eerder handelen, met het oog op de continuïteit van zorg voor patiënten.
Dat betekent niet dat we een zorgaanbieder in financiële problemen koste wat kost overeind zullen houden. Het kan ook betekenen, dat de zorg op een gecontroleerde manier wordt overgedragen aan een andere instelling. Zoals uit eerdere antwoorden blijkt is dit op dit moment niet aan de orde bij het Ikazia ziekenhuis.
Welke lessen zijn te trekken over de wijze waarop de covidkosten voor ziekenhuizen zijn geregeld, maar ook de problemen die ziekenhuizen ervaren met afspraken met zorgverzekeraars? Wilt u uw analyse hierop geven?
Allereerst wil ik benoemen dat vanaf het moment dat de corona pandemie uitbrak er door verschillende partijen onder hoge druk en met man en macht gewerkt is om de continuïteit van zorg zo goed mogelijk te waarborgen. De regelingen die zorgverzekeraars en ziekenhuizen hebben getroffen voor de omgang met COVID-kosten in 2020, en in aangepaste vorm in 2021 en 2022, hebben daar zeker ook in grote mate aan bijgedragen. Ik ben ziekenhuizen en zorgverzekeraars erkentelijk voor hun inspanningen.
Ik vind het niet passend om als Minister van VWS hieruit lessen te trekken. Het gaat immers om regelingen tussen private partijen, namelijk zorgverzekeraars en ziekenhuizen. Uiteraard staan binnen het Ministerie van VWS wel de algemene lessons learned rondom COVID-19 op de agenda als het gaat om de organisatie en inrichting van COVID-zorg; regie en sturing in crisistijd en bijbehorende (crisis)financiering.
De schadelijke gevolgen van eroderende windturbines voor gezondheid en economie |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers , Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat de wieken van windturbines bestaan uit glasvezel die met epoxy worden geïmpregneerd? Zo ja, weet u dan ook dat epoxy circa 30–40% Bisfenol A (BPA) bevat en bent u zich ervan bewust dat dit een zeer schadelijke stof is?
Het klopt dat er bij de productie van de bladen van windturbines een epoxy wordt gebruikt. Een component voor het maken van deze epoxy is inderdaad Bisfenol A (BPA). BPA wordt echter vrijwel volledig omgezet tijdens het chemische proces dat plaatsvindt. In het eindproduct kan een kleine hoeveelheid niet-omgezette BPA aanwezig blijven. Deze overgebleven hoeveelheid BPA verschilt per product, maar ligt in de ordegrootte van 0,001 tot 0,01%. Dit is beduidend lager dan de 30–40% BPA die in de vraag wordt genoemd.
Er is Europese wet- en regelgeving (REACH-verordening) voor het gebruik van BPA in producten. Dit is de laatste jaren ingesteld en wordt de komende jaren nog verder aangescherpt. Deze wet- en regelgeving moet ervoor zorgen ervoor dat mensen niet worden blootgesteld aan schadelijke hoeveelheden. BPA wordt namelijk niet alleen gebruikt in windturbines, maar ook in tal van andere producten zoals bijvoorbeeld plastics die worden toegepast in bijvoorbeeld bouwmaterialen, elektronica, plastic flessen, (voedsel) verpakkingsmateriaal, implantaten, infuusapparatuur en speelgoed. Daarnaast wordt BPA onder meer gebruikt in bepaalde tandheelkundige materialen, in inkt, in thermisch papier waaronder kassabonnen en dus als basis voor epoxy-verven en -lijmen. Daarnaast is het correct dat bisfenol A tot de zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) wordt gerekend vanwege hormoonverstorende eigenschappen en schadelijkheid voor het immuunsysteem.
Heeft u kennisgenomen van de Noorse studie «Leading Edge erosion and pollution from wind turbine blades», uit 2021?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat de wieken van windturbines zeer slijtagegevoelig zijn, waarbij hevige erosie optreedt en er daardoor aanzienlijke hoeveelheden BPA in het milieu (bijvoorbeeld in het (drink)water) terechtkomen?
Het is bekend dat de bladen van windturbines slijten tijdens het gebruik. De (hoeveelheden van) stoffen die hierbij in het milieu terechtkomen zijn op dit moment nog niet exact bekend. Op dit moment doet het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) hier onderzoek naar in de quickscan «Inzicht in emissies van stoffen bij de winning van energie met windturbines op land» (hierna quickscan). Dit betreft een verkennend onderzoek waarbij de gebruikte materialen, mogelijke emissies, een eerste inschatting van mogelijke risico’s en aanleidingen voor vervolgonderzoek in kaart worden gebracht. De resultaten hiervan worden in het eerste kwartaal van 2023 verwacht.
Bent u ervan op de hoogte dat BPA in verband gebracht wordt met verstoring van de hormoonhuishouding en ernstige gezondheidsproblemen zoals kanker, obesitas en voortplantingsstoornissen? Zo ja, waarom is het gebruik hiervan dan nog altijd toegestaan bij het maken van windturbines?
Ik ben ervan op de hoogte dat BPA in verband wordt gebracht met de verstoring van de hormoonhuishouding van mens en milieu en een ZZS is. Om deze reden is de stof ook in de Europese REACH-verordening opgenomen als zeer zorgwekkende stof voor autorisatie (SVHC). De overgebleven hoeveelheid BPA verschilt per product, maar ligt in de ordegrootte van 0,001 tot 0,01% (zie antwoord vraag 1).
Bent u ervan op de hoogte dat het neerslaan van BPA op/in water de kwaliteit van water ernstig aantast? Zo ja, kunnen wij dan dus concluderen dat veel water in Nederland ernstig verontreinigd is?
De kwaliteit van het oppervlakte-, grond- en drinkwater wordt in Nederland uitgebreid gecontroleerd op chemische verontreinigingen. Er zijn geen aanwijzingen dat de stof BPA een bedreiging vormt voor de kwaliteit hiervan.
Heeft u inzicht in welke gevolgen de vervuiling van het (drink)water heeft op de volksgezondheid? Zo ja, kunt u openbaar maken wat deze gevolgen zijn? Hoeveel mensen ondervinden hier schade van en wat houdt deze schade in? Zo nee, waarom zijn hierover geen gegevens beschikbaar?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u inzicht in de hoeveelheid BPA die in het milieu terechtkomt door erosie van windturbines? Zo nee, waarom niet en gaat u daar onderzoek naar doen?
Op dit moment wordt hier onderzoek naar gedaan door het RIVM in de quickscan.
Hoeveel windturbines staan er in totaal in Nederland?
In Nederland staan op dit moment 2679 windturbines op land (waarvan 138 in het IJsselmeer) en 462 op zee. Dit is gebaseerd op beschikbare data van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daarnaast is op dit moment een windpark in aanbouw. Van de 160 zijn er nu ongeveer 60 inmiddels gebouwd.
Kunt u aangeven na welk aantal jaren er gemiddeld erosie optreedt aan windturbines op zee en op land?
Erosie is een continu proces en begint dus nagenoeg gelijk na plaatsing van de windturbines. Wel neemt de mate van erosie exponentieel toe in de tijd. De locatie heeft een sterke invloed op erosie. Zo hebben op zee geplaatste windturbines meer slijtage dan op land geplaatste windturbines, omdat de (weers)omstandigheden op zee extremer zijn.
Wordt er regelmatig gecontroleerd of erosie niet eerder dan verwacht voorkomt?
Erosie is een continu proces en begint nagenoeg gelijk na plaatsing van de windturbines. Het is niet bekend hoe vaak er op (de mate van) erosie bij windturbinebladen gecontroleerd wordt. Dit kan verschillen per windmolenpark. Exploitanten hiervan controleren en onderhouden deze parken zelf.
Bent u bekend met voorbeelden waarbij er veel eerder erosie waar te nemen is dan de verwachting was? Zo ja, kunt u aangeven wat de gevolgen hiervan waren?
Nee.
Wordt er onderzoek gedaan naar de potentiële gezondheidsschade die de BPA die in het milieu terechtkomt veroorzaakt? Zo ja, hoe is dit onderzoek gedaan en kunt u de bevindingen van dit onderzoek met ons delen? Zo nee, waarom niet en kan dit in kaart gebracht worden?
Momenteel wacht ik de resultaten af van de quickscan van het RIVM. Naar aanleiding hiervan kan besloten worden of vervolgonderzoek en/of verdere stappen noodzakelijk zijn.
Waarom wordt er nog steeds gekozen voor het bouwen van nieuwe windturbines in Nederland, als deze zoveel schadelijke stoffen uitstoten?
Windturbines dragen bij aan de transitie naar een duurzaam energiesysteem en zijn onmisbaar in de huidige en toekomstige energiemix. Op dit moment doet het RIVM onderzoek naar schadelijke stoffen die mogelijk vrijkomen bij de productie van energie met windturbines op land in de quickscan. Volgens een onderzoek van het RIVM is de transitie naar hernieuwbare bronnen beter voor de gezondheid en veiligheid in Nederland dan het gebruik blijven maken van fossiele brandstoffen2.
Hoe rijmt u de klimaatlobby die actief pleit voor het inzetten van windturbines bij de energietransitie, met de milieuvervuilende en daarmee volksgezondheidschadende gevolgen van de erosie van deze windturbines?
Zie antwoord vraag 13.
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2012 al gewaarschuwd voor de schadelijke gevolgen van BPA voor de volksgezondheid, waarom heeft dat niet geleid tot uitgebreid onderzoek naar deze stof in windturbines? Waarom is de Tweede Kamer niet attent gemaakt op deze waarschuwing? Zijn artsen in Nederland actief attent gemaakt op deze waarschuwing, zodat zij hiermee rekening kunnen houden in hun diagnostiek bij een patiënt?
De Tweede Kamer is herhaaldelijk geïnformeerd over de risico’s van BPA en stoffen die erop lijken (Kamerstuk 32 793, nr. 370; Kamerstuk 32 793, nr. 296; Kamerstuk 32 793, nr. 208). Ook is er publieksinformatie beschikbaar over de risico’s van BPA via de website www.waarzitwatin.nl, een website gemaakt door VeiligheidNL en het RIVM. Daarnaast wordt BPA zoals eerder aangegeven bij de beantwoording onder vraag 1 ook toegepast in tal van andere producten.
Het gebruik van BPA is nader gereguleerd via de REACH-verordening voor het gebruik van BPA in producten. Het gaat dan met name om producten die bedoeld zijn voor baby’s en peuters. Dit is de laatste jaren ingesteld en wordt de komende jaren nog aangescherpt.
De richtlijnen voor diagnostiek worden door artsen(verenigingen) zelf opgesteld, op basis van de beschikbare wetenschappelijke kennis. Ook WHO-publicaties en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken kunnen daarbij gebruikt worden. De rijksoverheid heeft daar verder geen rol in. Het is voor artsen niet goed mogelijk om bij individuele gezondheidsklachten een directe link te leggen met BPA.
Hebben artsen en andere gezondheidsprofessionals al eerder aan de bel getrokken over de mogelijke gezondheidsschade door eroderende windturbines? Zo ja, wat is er gebeurd met deze meldingen en is de Tweede Kamer hierover geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van EZK is met verschillende gezondheidsprofessionals in gesprek geweest over de signalen die zij hebben afgegeven over eroderende windturbines. Naar aanleiding van deze gesprekken is bij het RIVM de quickscan uitgezet om in kaart te brengen welke (schadelijke) stoffen vrij komen. De Kamer wordt geïnformeerd zodra de quickscan is afgerond over welke vervolgonderzoeken en/of stappen noodzakelijk worden geacht.
Kunt u in kaart brengen hoeveel de gezondheidsschade die wordt veroorzaakt door eroderende windturbines de samenleving kost?
Ik wacht de quickscan naar het vrijkomen van (schadelijke) stoffen bij eroderende windturbines af. Naar aanleiding hiervan kan besloten worden of verder onderzoek en/of stappen noodzakelijk worden geacht.
Als de erosie van windturbines inderdaad leidt tot zoveel vervuilende en schadelijke stoffen in het milieu, kunnen wij daaruit dan concluderen dat de energietransitie en de klimaatlobby de afgelopen jaren hebben geleid tot een toename van zorgkosten en druk op de zorg? Wat gaat u eraan doen om dat te bestrijden?
Zoals eerder aangegeven wordt de kwaliteit van het oppervlakte-, grond- en drinkwater in Nederland uitgebreid gecontroleerd op chemische verontreinigingen. Er zijn geen aanwijzingen dat de stof BPA een bedreiging vormt voor de kwaliteit hiervan. Daarnaast wacht ik de uitkomsten van de quickscan af. De Kamer wordt geïnformeerd over de resultaten zodra de quickscan is afgerond en naar aanleiding hiervan welke vervolgonderzoeken en/of stappen noodzakelijk worden geacht.
Kunt u aangeven of windturbines ook kunnen worden geproduceerd zonder dat BPA of andere schadelijke stoffen hierin worden verwerkt? Zo niet, zijn hiervoor wel mogelijkheden in de toekomst?
Op dit moment is niet bekend of windturbines ook zonder het gebruik van BPA geproduceerd kunnen worden.
Kunt u aangeven of er andere vormen van energiewinning zijn waarbij het risico op milieuvervuiling en schade aan de volksgezondheid kleiner zijn?
Het opwekken van groene stroom door middel van windturbines draagt bij aan schonere lucht. Volgens een onderzoek van het RIVM is de transitie naar hernieuwbare bronnen beter voor de gezondheid en veiligheid in Nederland dan het gebruik blijven maken van fossiele bronnen.
Het afschaffen van de vrije artsenkeuze |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vele kritiek op de kabinetsplannen voor het afschaffen van de vrije artsenkeuze in Nederland?1 2 Hoe reflecteert u op die kritiek?
Ik heb kennis genomen van deze berichtgeving. De berichten zijn gebaseerd op het onderhandelaarsakkoord van het Integraal Zorgakkoord (hierna IZA), dat nog geconsulteerd moest worden bij de verschillende achterbannen. Op 16 september heb ik uw Kamer geïnformeerd over het definitieve IZA3 dat ik samen met de Minister voor LZS en de Staatssecretaris van VWS met partijen heb gesloten. Op 12 oktober zijn wij met u in gesprek gegaan over het IZA. Wij zijn ook graag bereid om waar nodig een nadere toelichting en duiding te geven over de afspraken, bijvoorbeeld door een technische briefing.
Kunt u beamen dat deze maatregel voornamelijk uit bezuinigingsoogpunt wordt genomen? Zo nee, kunt u dan gedetailleerd uiteenzetten hoe de zorg voor individuele patiënten wordt verbeterd door de vrije artsenkeuze van mensen in te perken?
De ambitie van het IZA is om samen met partijen de zorg voor iedereen toegankelijk, kwalitatief goed en betaalbaar te houden. Redenen om hierop in te zetten zijn divers. Ten eerste staat de toegankelijkheid van de zorg staat onder druk; in alle zorgsectoren zien we nu de spanning tussen vraag en aanbod toenemen. Daarnaast stellen we vast dat er te veel versnippering van ondersteuning en zorg bestaat dat soms leidt tot moeizame samenwerking tussen (zorg)aanbieders uit verschillende (zorg)sectoren. We hebben met elkaar vastgesteld dat de kwaliteit van de zorg onder druk staat, dat de kwaliteit beter kan en moet. Aan de andere kant stellen we vast dat de zorgaanbieders onder druk staan, de werkdruk is hoog en de uitval onder zorgmedewerkers is groot, terwijl de zorg ook nog een opgave heeft om te verduurzamen. Tot slot moet de stijging van de uitgaven voor de zorg worden teruggedrongen; we blijven de komende jaren meer geld uitgeven aan de zorg, maar die stijging moet minder snel gaan om de zorg ook straks betaalbaar te houden.
Samen met partijen is vastgesteld dat de zorg daarom meer gericht moet zijn op gezondheid en op wat we kunnen en minder gericht moet zijn op ziekte. Samen met partijen is vastgesteld dat we de zorg ook anders moeten organiseren, als gevolg van arbeidsmarktkrapte, de complexiteit van de zorg, de beoogde kwaliteit en vanwege de uitgaven. Daarbij is ook vastgesteld dat we de zorg ook anders kunnen organiseren, daar zijn al vele goede voorbeelden voor beschikbaar.
Kunt u beamen dat het vooral de verzekeraars zijn die garen spinnen bij deze maatregel, aangezien dit hen een vrijbrief geeft patiënten te verplichten de goedkoopst mogelijke zorg en zorgverlener te gebruiken, welke eenzijdig is gekozen door de zorgverzekeraar?
Zie antwoord vraag 2.
Kunnen wij hieruit concluderen dat niet de kwaliteit, maar de kosten leidend zijn in het verlenen van zorg aan patiënten? Zo nee, waarom niet? Graag een gedetailleerde analyse. Zo ja, kunt u reflecteren op de Eed van Hippocrates die artsen moeten afleggen en hoe dit te rijmen valt met deze maatregel?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u zich ervan bewust dat patiënten die complexe, gespecialiseerde, zorg nodig hebben deze vaak niet in hun eigen regio, of bij de goedkoopste aanbieder, kunnen krijgen? Bent u zich er daarnaast van bewust dat deze zorg onontbeerlijk is voor hun welzijn en kwaliteit van leven? Zo ja, waarom kiest u er dan voor om niet de zorgprofessional, maar de verzekeraar leidend te laten zijn in de behandeling van deze patiënten?
In het IZA staat het waarborgen van een gelijke toegang tot zorg van goede kwaliteit voor alle groepen in de samenleving centraal, zodat mensen tijdig de zorg krijgen die ze nodig hebben. Dat is dus precies wat we met dit akkoord willen bereiken. Daarbij gaan we inzetten op gezondheid en welzijn door middel van (wijkgerichte) preventie en ondersteuning, zodat mensen zo gezond en vitaal mogelijk zijn en zorgvragen worden voorkomen of minder zwaar worden. We gaan inzetten op vroege signalering en waar nodig een brede en snelle probleemverheldering om bij een hulpvraag de juiste vorm van ondersteuning te bepalen. We gaan ervoor zorgen de beschikbare capaciteit die we hebben optimaal wordt ingezet, zonder verspilling van de tijd en energie van mensen en geld. We gaan inzetten op het verminderen van de administratieve lasten om zorgprofessionals te ontlasten en op het behouden van de beschikbare zorgprofessionals door het werkplezier te vergroten. We gaan inzetten op het verder verbeteren van de uitkomsten van zorg. Alle maatregelen in het IZA zijn erop gericht om de zorg voor de patiënt te waarborgen en verbeteren en om de zorg houdbaar te maken voor de toekomst.
Realiseert u zich dat ontoereikende medische kennis, ervaring en specialisatie bij de behandeling van (complexe) patiënten leidt tot verslechtering van de gezondheidssituatie van deze mensen, meer, langere en duurdere zorg en (onnodige) complicaties en sterfte? Zo ja, bent u zich ervan bewust dat dit extra druk geeft op de toch al overbelaste zorg en een stijging van zorgkosten voor de samenleving zal betekenen?
Zie antwoord vraag 5.
Realiseert u zich dat vertrouwen in een medisch behandelaar en lichamelijke autonomie van groot belang zijn voor patiënten in een behandeltraject? Zo ja, hoe rijmt u dit met het wegnemen van de vrije artsenkeuze voor patiënten, die daardoor noodgedwongen bij behandelaars terechtkomen waarin zij te weinig vertrouwen hebben, wat hun behandeling, welzijn en eventuele genezing nadelig zal beïnvloeden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u zich ervan bewust dat er in veel ziekenhuizen geen hooggespecialiseerde kennis van bepaalde aandoeningen aanwezig is, waardoor patiënten die daar gedwongen terechtkomen niet de juiste zorg krijgen? Zo ja, waarom kiest u er dan toch voor dergelijke patiënten niet naar behoren te laten behandelen en kunt u uiteenzetten welke gevolgen u denkt dat dit zal hebben?
Zie antwoord vraag 5.
Toegang tot adequate medische zorg is geborgd in de Grondwet, hoe rijmt u dit met het wegnemen van de vrije artsenkeuze, aangezien de expertise in de zorg lang niet overal in het land gelijk verdeeld is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat door het wegnemen van de vrije artsenkeuze de zo geroemde toegankelijkheid van de Nederlandse zorg significant zal verslechteren? Tenslotte zullen slechts nog de beter bedeelden in dit land de extra kosten kunnen opbrengen van het gebruik maken van «niet gecontracteerde zorg», kunt u uiteenzetten hoe dit past in het inclusiviteitsstreven van dit kabinet?
Zoals u in het IZA kunt lezen is er geen sprake van het wegnemen van de vrije artsenkeuze. Ook is er geen sprake van een tweedeling in de zorg door het IZA. De afspraken zijn er juist op gericht dat iedereen in Nederland de beste zorg krijgt en dat iedereen een ruime keuze heeft aan zorgverleners. Voor de huisartsenzorg en de als hoogcomplex benoemde derdelijnszorg die geleverd wordt in Universitair Medisch Centra wordt bovendien een volledige keuzevrijheid gegarandeerd.
Als hoogwaardige zorg een privilege wordt van de rijkeren in Nederland, kunnen we dan niet beter het stelsel van het ziekenfonds en de particuliere zorgverzekering weer terugbrengen? Zo nee, waarom niet en wat is dan het verschil?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het ermee eens dat de medische wetenschap onderhevig is aan voortdurend voortschrijdend inzicht? Zo ja, kunt u dan ook beamen dat de ene arts een andere conclusie kan trekken dan de ander en dat dat bijvoorbeeld kan betekenen dat de ene arts een patiënt als uitbehandeld bestempelt, terwijl een andere arts nog mogelijkheden ziet? Is het in dat licht niet van groot belang dat een patiënt de mogelijkheid heeft zelf te kiezen voor een bepaalde arts en/of behandeling en/of een second opinion, niet in de laatste plaats aangezien de integriteit en autonomie van het eigen lichaam een belangrijk grondrecht is?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft u inzicht in hoeveel mensen er fysieke en/of psychische schade zullen oplopen van het wegnemen van de vrije artsenkeuze? Zo ja, kunt u die cijfers inzichtelijk maken? Zo nee, waarom niet en gaat u daar onderzoek naar doen?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel de zorgverzekeraars verdienen aan het besparen op «te dure» zorg aan patiënten?
Het is de taak van de zorgverzekeraar om namens zijn verzekerden zorg van goede kwaliteit zo doelmatig mogelijk in te kopen. Daarmee wordt de zorg in het belang van ons allen betaalbaar gehouden en kan voorkomen worden dat de premies voor de zorgverzekering onnodig hoog worden.
Kunt u reflecteren op het wegnemen van de vrije artsenkeuze en de daaraan inherente overheidsbemoeienis, in verhouding tot het grondrecht van lichamelijke integriteit en het recht op toereikende medische zorg?
Zie antwoord 10, 11, 12 en 13
Britse berichtgeving over sterfte door lockdowns |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Britse CBS: lockdown blijkt dodelijker dan corona»?1
Ja.
Kunnen wij aannemen dat ook in Nederland een aanzienlijk aantal mensen is gestorven als (indirect) gevolg van de lockdowns en alle beperkingen die daarbij kwamen kijken? Zo nee, waarom niet? Graag een uitgebreide analyse.
In Nederland kunnen we (nog) geen direct verband leggen tussen de lockdowns en het overlijden van mensen. In het recent uitgevoerde oversterfte onderzoek, dat uitgevoerd is door het CBS en het RIVM, is onder meer gekeken naar de hoogte van de oversterfte in 2020 en 2021 en de doodsoorzaken in die periode. De (indirecte) gevolgen van lockdowns op (over)sterfte zijn daarin niet onderzocht.
Aanvullend op het bovengenoemde oversterfte onderzoek is recentelijk een derde traject gestart. Gedurende dit traject zal via een subsidieprogramma van ZonMw onderzoek gedaan kunnen worden door onafhankelijke academische wetenschappers, die niet gelieerd zijn aan het RIVM of het CBS. ZonMw heeft een beoordelings- en begeleidingscommissie ingesteld om de uitvoering van dit traject te ondersteunen. Zij hebben een onderzoeksagenda opgesteld voor het vervolg van het oversterfte onderzoek en hierin is onder andere uitgestelde zorg en het effect van lockdowns meegenomen als belangrijk thema. Een deel van dit onderzoek is uitvoerbaar op basis van de op dit moment beschikbare data en is reeds van start gegaan. Voor het andere deel wordt gewacht op de analyse van de mogelijkheden om data toegankelijk te maken binnen de geldende privacy- en wettelijke kaders. Op de website van ZonMw is verdere informatie te vinden over het vervolg van het oversterfte onderzoek en de opgestelde onderzoeksagenda2.
In het Verenigd Koninkrijk wachten 6,7 miljoen mensen op een ziekenhuisbehandeling, die zij eerder hadden moeten krijgen, maar door de lockdowns werd vertraagd, hoe verhouden deze cijfers zich ten opzichte van de cijfers in Nederland? Hoeveel mensen wachten hier op een behandeling in het ziekenhuis, die is uitgesteld door de lockdowns?
Het is goed te beseffen dat het niet de lockdowns zijn die hebben geleid tot uitgestelde zorg. Door de corona-pandemie is de zorg onder grote druk komen te staan. Er was niet altijd genoeg plek en personeel voor de zorg die niet direct met corona te maken had. De zorg voor niet-levensbedreigende aandoeningen, zoals bepaalde operaties, werd vaak uitgesteld.3 De collectieve maatregelen die tijdens de crisis zijn genomen, waren erop gericht om de hoeveelheid coronabesmettingen te beperken en daarmee ook de druk op de zorg te verlichten. Dat er sprake zou zijn geweest van uitgestelde zorg ten gevolge van lockdowns, zoals de vraagsteller suggereert, deel ik dan ook niet.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, heb ik op dit moment geen inzicht in de precieze aantallen sterfgevallen als gevolg van uitgestelde zorg en lockdowns. Ik vind het dan ook belangrijk dat de begeleidingscommissie van ZonMw dit onderwerp op de onderzoeksagenda van het vervolgtraject van het oversterfte onderzoek heeft geplaatst. Wat betreft de gezondheidsgevolgen van uitgestelde operaties tijdens de coronapandemie heeft het RIVM onlangs een rapport gepubliceerd4. Daarin geeft het RIVM aan dat door de uitgestelde operaties in totaal in 2020 en 2021 ongeveer 320.000 levensjaren in goede gezondheid verloren zijn gegaan. Dit is een gezondheidsverlies van 18 procent ten opzichte van de gezondheid die de operaties hadden opgeleverd als ze waren doorgegaan. Voor meer informatie hierover verwijs ik u graag naar het door het RIVM gepubliceerde rapport.
Momenteel is het zo dat het overgrote deel van de uitgestelde zorg planbare, niet-urgente zorg betreft met een laag risico op verdere verslechtering. De druk op de zorg neemt toe door de werkvoorraad die de zorg nu nog heeft door de uitgestelde zorg, maar het risico op verdere verslechtering van deze patiënten (en daarmee ook een grotere belasting van de zorg) is klein. Een deel van de zorg die niet is gerealiseerd, is ondertussen opgelost of niet meer nodig, bijvoorbeeld doordat een patiënt met meniscusproblematiek ondertussen naar tevredenheid geholpen is door de fysiotherapeut.
Het beleid was, en is er nog steeds op gericht om de reguliere zorg zoveel mogelijk doorgang te laten vinden. Daar werd, en wordt, hard aan gewerkt. Hierover heb ik u geïnformeerd in mijn brief aan uw Kamer op 5 juli 2022.
Heeft u inzicht in hoeveel sterfgevallen er de afgelopen twee jaar in Nederland zijn geweest als gevolg van uitgestelde zorg door de lockdowns? Zo ja, kunt u deze cijfers openbaar maken? Zo nee, waarom zijn deze cijfers er niet en gaat u daar onderzoek naar doen?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u inzicht in hoeveel mensen op dit moment kampen met een verslechterde gezondheidssituatie en/of misschien zullen komen te overlijden als gevolg van uitgestelde zorg, of te laat verleende zorg, door de lockdowns? Zo ja, kunt u deze cijfers openbaar maken? Zo nee, waarom zijn deze cijfers er niet en gaat u daar onderzoek naar doen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel levens er in Nederland zijn gered door de lockdowns, afgezet tegen het aantal levens dat door de lockdowns en de neveneffecten daarvan verloren is? Zo nee, waarom is deze analyse er niet en gaat u deze nog maken? Wat gaat u doen als de conclusie van deze analyse is dat er ook in Nederland meer mensen gestorven zijn aan de (indirecte) gevolgen van de lockdowns dan aan het coronavirus?
Er is (nog) geen direct verband te leggen tussen het aantal levens dat is gered, afgezet tegen het aantal levens dat verloren is gegaan. Het derde traject van het oversterfte onderzoek moet hier meer inzicht in gaan bieden. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 2.
Weet u hoeveel mensen door de lockdowns geen contact hebben gezocht met een arts voor klachten die zij hadden?
Het RIVM en NIVEL hebben een analyse gemaakt van mijding van de huisartsenzorg in 20205. Hieruit bleek dat voornamelijk tijdens de eerste golf (maart tot juni 2020) het aantal reguliere consulten bij de huisarts lager was dan in dezelfde periode in 2019 (gemiddeld 11%). Daar tegenover staat dat het aantal consulten in de zomer van 2020 en in de tweede golf gelijk was aan dezelfde periode in 2019. Het aantal korte consulten lag gedurende de eerste golf juist 14% hoger dan in dezelfde periode in 2019. De verklaring hiervoor is waarschijnlijk dat kortere telefonische consulten de reguliere fysieke consulten deels vervingen gedurende de eerste golf. Er is nog geen analyse gemaakt van zorgmijding over 2021 en 2022. De afname in het aantal consulten in 2020 is zowel het gevolg van afschaling van de zorg, als het mijden van zorg door patiënten. Op dit moment voeren het RIVM en NIVEL verdere analyses uit om de beweegredenen van patiënten bij het mijden van zorg verder in beeld te krijgen.
Weet u of huisartsen, ziekenhuizen en andere zorgverleners actief mensen die contact zochten voor medische vragen en/of hulp hebben geweerd, in verband met de lockdowns en de daarbij behorende restricties? Zo ja, op basis van welke criteria is dat gebeurd? Welke assessments zijn hierbij gemaakt, op basis waarvan? Zijn deze afwegingen in retrospectief juist gebleken, of moeten wij concluderen dat er, wellicht onder overheidsdruk, verzaakt is om mensen adequaat en op tijd te helpen?
Tijdens de crisis en verschillende golven is het nooit het beleid geweest om patiënten actief te weren van zorg die op dat moment medisch noodzakelijk was. Conform het LNAZ opschalingsplan COVID-19 zorg werd de COVID-19 capaciteit opgeschaald en zorg die medisch verantwoord kon wachten werd afgeschaald. Patiënten met planbare behandelingen moesten daardoor langer wachten of de behandeling werd uitgesteld. De acute zorg heeft wel doorgang kunnen vinden.
Ook in Nederland hebben veel mensen zich niet gemeld bij de huisarts en/of een andere zorgverlener met klachten, omdat zij zich daarin door de lockdowns beperkt voelden, wat naar alle waarschijnlijkheid heeft geleid tot gemiste diagnoses en gezondheidsschade bij patiënten, hoe reflecteert u hierop?
Alle inzet is er steeds op gericht om de medische zorg zoveel mogelijk doorgang te kunnen laten vinden. Hierbij is het cruciaal dat er goede triage plaatsvindt, zodat mensen die risico lopen op verdere achteruitgang bij uitstel van behandeling tijdig de benodigde zorg krijgen. Het is aan de ziekenhuizen/zorgverleners om deze triage uit te voeren en te beoordelen welke patiënten als eerste geholpen moeten worden om verdere gezondheidsschade te voorkomen. Zoals hiervoor aangegeven, worden op dit moment verdere analyses uitgevoerd om de beweegredenen van patiënten bij het mijden van zorg verder in beeld te krijgen.
Bent u het ermee eens dat de opgelopen gezondheidsschade zal leiden tot meer en complexere zorg voor veel patiënten, aangezien hun aandoeningen door gemiste zorg verergerd zullen zijn? Hoe reflecteert u daarop?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vragen 3, 4 en 5.
Bent u het ermee eens dat dit zal leiden tot een nog grotere druk op de zorg en bovendien hogere zorgkosten? Zo ja, hoe reflecteert u daarop en hoe gaat u dit ondervangen? Hoe gaat deze grotere en duurdere zorgvraag worden bekostigd?
Zoals ik in het antwoord op vragen 3, 4 en 5 heb toegelicht, wordt de zorg nog steeds belast door het inhalen van uitgestelde zorg, maar is tegelijkertijd het risico klein dat verslechtering van deze patiënten tot grotere belasting van de zorg leidt. Zoals eveneens toegelicht, is het kabinetsbeleid, en de inzet van contactbeperkende maatregelen daarbinnen specifiek, steeds primair gericht geweest op het verlichten van de druk op de zorg, zodat reguliere zorg zo veel mogelijk doorgang kon vinden.
Worden de mensen die zorg zijn misgelopen door de lockdowns en daardoor ernstige, permanente gezondheidsschade hebben opgelopen daarvoor gecompenseerd? Zo ja, hoe en waarvan wordt dit bekostigd?
Mensen moeten de zorg krijgen die ze nodig hebben, dat is en blijft een topprioriteit. Om dit te borgen en uitgestelde zorg weg te werken lopen verschillende acties. Ik verwijs u hiervoor naar mijn brief aan uw Kamer van 5 juli 2022.6
Wordt er in Nederland ook een onderzoek ingesteld naar de sterfte als gevolg van de lockdowns? Zo ja, hoe en door wie wordt dit onderzoek gedaan? Welke gegevens worden hiervoor gebruikt en worden deze toegankelijk en openbaar gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 2.
Indien blijkt dat de lockdowns ook in Nederland meer levens hebben gekost dan zij hebben bespaard, wat is daarvan dan het gevolg voor de verantwoordelijke beleidsmakers?
Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Grondwet is de overheid verplicht maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid. Aan deze verplichting is uitvoering gegeven door collectieve maatregelen te treffen. De collectieve maatregelen waarmee de lockdowns zijn gerealiseerd hadden een wettelijke grondslag in de Tijdelijke wet maatregelen (hierna: de Twm). De Twm is op een democratische wijze tot stand gebracht, en daarmee zijn de getroffen maatregelen democratisch gelegitimeerd. De Twm kende een democratisch gelegitimeerd besluitvormingsproces waarbij zowel de Tweede als de Eerste Kamer waren betrokken en waarbij de Tweede Kamer een beslissende stem had. De verantwoordelijke Ministers leggen over gevoerd beleid verantwoording af aan het Parlement. Dit zal in de door vragensteller geschetste situatie niet anders zijn.
Kunt u, nu steeds duidelijker wordt dat de coronamaatregelen en de lockdowns allesbehalve het gewenste effect hebben gehad en zelfs op vele fronten aanzienlijke schade hebben aangericht, garanderen dat Nederland nooit meer in lockdown gaat? Zo nee, waarom niet? Kunt u uitleggen welke proportionaliteit u nog ziet voor deze vergaande maatregel ten opzichte van alle aantoonbaar geleden schade van de afgelopen twee jaar?
De stelling dat het nu steeds duidelijker wordt dat de coronamaatregelen en de lockdowns allesbehalve het gewenste effect hebben gehad, deel ik niet, aangezien de werkzaamheid van deze pakketten aannemelijk is gemaakt door experts van het RIVM. De effectiviteit van maatregelen bij toekomstige epidemieën is afhankelijk van verschillende factoren. De verspreiding van dergelijke infectieziekten levert een gevaar op voor de volksgezondheid. Het is dan zaak om snel te kunnen handelen en, indien noodzakelijk en proportioneel, ook verplichtende collectieve maatregelen te kunnen nemen om de (verdere) verspreiding te voorkomen. Ik ben voornemens in het wetsvoorstel Eerste tranche wijziging Wet publieke gezondheid te verankeren dat bij het nemen van maatregelen steeds de noodzakelijkheid en proportionaliteit moeten worden afgewogen. Hierbij wordt vanzelfsprekend ook de epidemiologische situatie in ogenschouw genomen.
Het uitsluiten van de uitvaartbranche van de zorgbonus |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat medewerkers in de uitvaartzorg in tegenstelling tot andere zorgverleners geen bonus hebben ontvangen voor hun inzet tijdens de pandemie en de risico’s die zij daarbij hebben gelopen voor hun eigen gezondheid?
Het kabinet stelde in 2020 via de subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19 (hierna: subsidieregeling) een bonus beschikbaar van netto € 1.000 voor zorgprofessionals en pgb-zorgverleners die een uitzonderlijke prestatie hebben verricht in de strijd tegen COVID-19 in de periode 1 maart 2020 tot 1 september 2020. De subsidieregeling komt voort uit de breed aangenomen Kamermotie die de regering verzocht «de mogelijkheid te onderzoeken om de zorgverleners van wie nu extra inzet wordt gevraagd in de bestrijding van het coronavirus, als blijk van waardering, een bonus toe te kennen, en de Kamer over de uitkomst te informeren»1. In 2021 stelde het kabinet opnieuw een bonus beschikbaar voor het verrichten van een uitzonderlijke prestatie van ten hoogste € 500 netto, ditmaal voor werkzaamheden verricht in de periode 1 oktober 2020 tot 15 juni 2021. De bonus voor 2021 betrof een gebudgetteerde regeling waarbij het bonusbedrag afhankelijk is van het aantal aanvragen. In totaal was er € 720 miljoen beschikbaar voor de zorgbonus 2021. Rekening houdend met het aantal aanvragen is het definitieve bonusbedrag op € 384,71 netto vastgesteld. Het kabinet heeft met de subsidieregeling zijn waardering uitgesproken voor zorgprofessionals werkzaam in de sector Zorg en Welzijn. Deze waardering is bovenop de reguliere beloningsmogelijkheden die elke werkgever in Nederland heeft conform hun eigen cao’s.
Voor deze subsidie kwamen zorgaanbieders binnen de sector zorg en welzijn in aanmerking die (bedrijfsmatig) zorg verlenen bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet, de Wet publieke gezondheid, de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning én die op 1 september 2020 in het handelsregister stonden ingeschreven met ten minste twee werkzame personen en met een hoofd- of nevenactiviteit met een SBI-code die in de bijlage van de bonusregeling is opgenomen. Voor personeel werkzaam bij deze zorgaanbieders kon, indien de zorgaanbieder van mening is dat de zorgprofessional een uitzonderlijke prestatie heeft verricht subsidie worden aangevraagd voor het uitkeren van een bonus. Zorgaanbieders konden voor de voor hen werkzame zorgprofessionals bij de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (hierna: DUS-i) subsidie aanvragen voor de bonus. Budgethouders konden een bonus aanvragen voor de voor hen werkzame pgb-zorgverleners bij de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB). De verrichte werkzaamheden werden bekostigd uit de Wmo 2015, Jeugdwet of Wlz.
De coronacrisis heeft onze samenleving voor grote uitdagingen gesteld en van ons allemaal een bijzondere inspanning gevraagd, ook buiten de sector zorg en welzijn. Dit geldt ook voor medewerkers in de uitvaartbranche en andere sectoren buiten zorg en welzijn waarin belangrijk werk is verricht in de coronacrisis. Ik heb grote waardering voor de wijze waarop wij ons allen in de coronacrisis aan deze moeilijke situatie hebben aangepast. De subsidieregeling is echter specifiek bedoeld voor de sector zorg en welzijn. De uitvaartbranche valt niet onder de deze sector en kwam om die reden niet in aanmerking om een subsidieaanvraag in te dienen. Het verder uitbreiden van de subsidieregeling naar sectoren buiten de sector zorg en welzijn is niet aan de orde.
Klopt het dat uw ministerie in augustus 2020 een brief heeft ontvangen van de Vereniging Toeleveranciers Uitvaartbranche (VTU) over dit onderwerp, maar dat hier geen reactie op is gekomen? Zo ja, waarom is er niet op deze brief gereageerd?
Vanuit verschillende branches is aandacht gevraagd voor de inzet die is geleverd tijdens de coronacrisis. Ook vanuit de uitvaartbranche heb ik vragen ontvangen over de subsidieregeling, die ik waar mogelijk beantwoord heb. Daaronder kan inbegrepen zijn een brief van de Vereniging Toeleveranciers Uitvaartbranche. In mijn communicatie over de subsidieregeling heb ik aan branches buiten zorg en welzijn benadrukt dat ik ieders inspanning in covid tijd enorm waardeer, maar de subsidieregeling niet openstaat voor andere sectoren dan de sector zorg en welzijn.
Bent u bereid om alsnog met de uitvaartsector in gesprek te gaan over de mogelijkheden voor een zorgbonus voor werknemers in de uitvaartzorg?
Zie antwoord vraag 1.
Draagvlak voor de modernisering van het Geneesmiddelvergoedingssysteem (GVS) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Welke signalen krijgt u van de (beroepsorganisaties van) huisartsen, medisch-specialisten, apothekers en apothekersassistenten over de door u geplande modernisering van het Geneesmiddelvergoedingssysteem? Kunt u beschrijven of deze overwegend positief danwel kritisch van aard zijn? En gaan deze signalen over het algemene beleidsvoornemen of over specifieke clusters van geneesmiddelen?
Vanuit het veld ontving en ontvang ik geregeld (zeer) kritische signalen over de modernisering van het geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS). In mijn brief van 27 september 2022, waarin ik bekend maakte de invoering van de GVS-modernisering uit te stellen tot 1 januari 2024, heb ik aangegeven dat ik de aankomende tijd wil gebruiken om de signalen die ik heb ontvangen nader te bestuderen, dat ik intensief in gesprek met partijen ben en dat ik dat de komende maanden blijf doen.1 In reactie op de internetconsultatie van de ministeriele regeling waarmee de GVS-modernisering vastgelegd zou worden en ook in twee bijeenkomsten op 8 en 9 september 2022 naar aanleiding van de motie Den Haan2, hebben partijen hun zorgen recentelijk nog toegelicht. Ik haal vier elementen uit de reactie van veldpartijen. Allereerst hebben partijen voorbeelden gegeven waarin kwetsbare patiënten geraakt worden door de GVS-modernisering. Dat kan gebeuren door zorgmijding, verminderde therapietrouw en uitstel van zorg als gevolg van bijbetaling, en door (ernstige) bijwerkingen wanneer patiënten wisselen van geneesmiddel. Ten tweede spreken partijen hun zorgen uit over de beschikbaarheid van geneesmiddelen, in het bijzonder de beschikbaarheid van geneesmiddelen met specifieke toedieningsvormen en lage sterktes die voor specifieke patiëntgroepen op de markt gebracht zijn. Eén fabrikant stelt toekomstige geneesmiddelen, die een incrementele innovatie betekenen ten opzichte van het bestaande aanbod (zoals een geneesmiddel met dezelfde uitkomsten maar bijvoorbeeld een verbeterd gebruiksgemak), niet meer in Nederland aan te bieden. Ten derde noemen met name zorgverleners de mogelijke extra werkdruk en verwijzen zij daarbij naar het onderzoek van SIRA Consulting en het advies van het Adviescollege Toetsing Regeldruk3. Zo zijn zij van mening dat in de proportionaliteitsafweging van de GVS-modernisering onvoldoende rekening wordt gehouden met de kosten van mogelijke negatieve neveneffecten, zoals in het eerste element hierboven genoemd. Tot slot uiten voorschrijvers en apothekers, fabrikanten en patiëntenverenigingen in het algemeen kritiek op de clustercriteria en daarmee de clusterindeling van het GVS, met name daar waar deze niet aansluiten op behandelrichtlijnen, waaronder ook de Leidraad Verantwoord Wisselen.
Wat heeft u gedaan met het signaal dat als noot 23 is opgenomen in het rapport van SIRA-consulting «Regeldruk modernisering GVS»1, waarin het NHG schrijft dat «artsen en apothekers duidelijk aangeven zich niet gehoord te voelen in het traject van modernisering van het GVS»?
Voorschrijvers, apothekers en fabrikanten geven dit signaal ook aan in de informatiebijeenkomsten over de GVS-modernisering die op regelmatige basis met alle genoemde partijen plaatsvinden, meest recentelijk zoals gezegd in het kader van de motie Den Haan. Ik vind het vervelend dat deze partijen zich niet gehoord voelen en vind het uiteraard belangrijk om voor zoveel mogelijk draagvlak te zorgen.
Vanaf de start van de GVS-modernisering, dat wil zeggen, sinds dit beleidsvoornemen is opgenomen in het Regeerakkoord van het Kabinet Rutte III in 2017, is het veld regelmatig op de hoogte gehouden en ook betrokken en om input gevraagd in verschillende bijeenkomsten. Ik vind dat van groot belang en blijf dat doen. Ik heb ook gezorgd voor tijdige publicatie van de nieuwe vergoedingslimieten (in concept), mede op verzoek van veldpartijen, en ik heb alle partijen nadrukkelijk uitgenodigd om samen met mij een communicatieplan op te stellen. Via verschillende wegen hebben partijen regelmatig hun zorgen en onvrede geuit. Ik ben hiermee niet lichtvoetig omgegaan. Ik kijk serieus naar de mogelijke negatieve gevolgen van de GVS-modernisering. Zo zijn de signalen dat het risico op beschikbaarheidsproblemen groter zijn dan eerder gedacht mijn primaire motivatie om de invoering van de GVS-modernisering met één jaar uit te stellen6.
Ik wil er tegelijk op wijzen dat het feit dat ik een andere afweging maak in antwoord op de vraag of een herberekening van het GVS nodig en gewenst is, niet betekent dat ik partijen niet hoor. Het is mijn taak om de uitgaven aan receptgeneesmiddelen te beheersen en daarmee bij te dragen aan de houdbaarheid van de Nederlandse zorg. Ik vind het in dat kader onwenselijk als patiënten onnodig relatief dure geneesmiddelen gebruiken, daar waar zij ook met goedkopere middelen uit de voeten kunnen. En naast andere instrumenten om doelmatigheid te stimuleren en prijzen te matigen zoals de Wet geneesmiddelenprijzen en inkoop- en preferentiebeleid van zorgverzekeraars en zorgaanbieders, vind ik het GVS en de daarin gehanteerde vergoedingslimieten voor op populatieniveau vergelijkbare producten nog steeds van meerwaarde.
Ook de WRR wijst op de spanning tussen het maatschappelijk draagvlak en de noodzaak tot het maken van scherpe keuzes door de politiek. Partijen erkennen overigens wel dat de met de GVS-modernisering te realiseren doelmatigheid nastrevenswaardig is, en dat er een gezamenlijke opdracht ligt om niet meer te betalen voor geneesmiddelen dan nodig. Zij vinden echter een herberekening van de vergoedingslimieten van het GVS niet het geschikte instrument, omdat zij zoals gezegd de mogelijke nadelige gevolgen niet vinden opwegen tegen de baten.
Bent u het ermee eens dat – hoe groot of klein de keuze ook is – het van belang is dat keuzes binnen de zorg worden gesteund door (maatschappelijk) draagvlak, zoals overigens ook de WRR bepleit in haar rapport «Kiezen voor houdbare zorg»?2 Zo ja, op welke wijze heeft u voor de modernisering van het GVS aan draagvlak gewerkt bij de betrokken beroepsbeoefenaars? En bij patiënten, verzekerden en zorgverzekeraars?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de afweging tussen de verwachte financiële baten van de modernisering van het GVS (ongeveer 140 miljoen euro) enerzijds en de te verwachten kosten, zoals berekend door Sira (in het berekende scenario 55 miljoen euro) plus de nog niet berekende kosten voor bijvoorbeeld het opnieuw instellen van diabetespatiënten ten behoeve van nieuwe medicatie, anderzijds?
De verwachte besparing is structureel, terwijl de kosten eenmalig zijn. Stel dat gerekend wordt met een periode van 10 jaar, dan ligt de verwachte besparing dus fors hoger dan de kosten. Daarnaast is het zo dat als patiënten van geneesmiddel wisselen om een bijbetaling te voorkomen, de eenmalige kosten voor met name zorgverleners inderdaad toenemen, maar daarmee ook de structurele besparing. Met andere woorden, het bedrag van € 140 miljoen is geen maximumbesparing, maar is de uitkomst van een conservatieve inschatting van de gevolgen waarbij voor verschillende factoren correcties zijn toegepast, zoals voor de kosten van de maximeringsregeling en de invloed van prijsarrangementen, inkoopbeleid verzekeraars, prijsaanpassingen en overstapgedrag. Ik wijs er daarnaast op dat een minder hoge premie als gevolg van de GVS-modernisering ook baten oplevert voor de premiebetaler. Ik ben van mening dat de structurele baten van een GVS-modernisering daarom opwegen tegen de kosten, ook al besef ik dat die kosten, zoals het rapport van SIRA Consulting ook aangeeft, incidenteel fors kunnen zijn. Omdat ik op basis van recente signalen concludeer dat het risico op problemen met de beschikbaarheid van geneesmiddelen als gevolg van de modernisering groter is dan eerder gedacht en het niet mogelijk is hiervoor een oplossing uit te werken in de korte tijd die nog beschikbaar is tot 1 januari 2023, heb ik echter wel de ingangsdatum van de modernisering heroverwogen en besloten de invoering van de GVS-modernisering uit te stellen tot 1 januari 2024.
Bent u het ermee eens dat het van belang is dat betrokkenen inzicht hebben in de afweging van baten en kosten bij het maken van keuzes in de zorg, omdat dat bijdraagt aan het benodigde draagvlak? Zo ja, hoe borgt u dat structureel inzicht in de afwegingen mogelijk is?
Ja, daar ben ik het mee eens. Ik heb daar bij de GVS-modernisering naar gestreefd en dat blijf ik doen. In de afgelopen jaren is er veelvuldig contact geweest met de betrokken partijen over de GVS-modernisering. In dit contact heb ik niet alleen om input gevraagd, maar heb ik ook inzicht gegeven in de verwachte effecten van de modernisering. Ook in brieven over de stand van zaken aan uw Kamer en in antwoord op vragen van uw Kamer heb ik dat gedaan, omdat ik het belangrijk vind te laten zien wat mijn afwegingen zijn. En nog voor het zomerreces heb ik het SIRA-rapport over regeldruk gedeeld met uw Kamer en de betrokken veldpartijen. Daarnaast heb ik het veld nadrukkelijk betrokken bij de verschillende waarden die ik nastreef in mijn beleid ten aanzien van de extramurale geneesmiddelenzorg (kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid), en de balans daartussen. De modernisering betreft een maatregel die primair de betaalbaarheid te goede moet komen, andere maatregelen zijn weer gericht op de kwaliteit en de toegankelijkheid. Ik blijf daarbij benadrukken dat het de verantwoordelijkheid van ons allemaal is om de zorg houdbaar en betaalbaar te houden.
Is het mogelijk om (maatschappelijk) draagvlak mee te nemen als factor bij de afwegingen die ten grondslag liggen aan (beleids)keuzes voor de zorg? Zo ja, kunt u de Kamer informeren op welke wijze u hieraan invulling gaat geven?
Dat draagvlak mee wordt gewogen bij het maken van beleidskeuzes is staand beleid en al jaren een vast onderdeel van beslisnota’s. Niet alleen in het kader van de Wet open overheid kan uw Kamer kennisnemen van de weging van het draagvlak bij beleidskeuzes, maar ook in Kamerbrieven heb ik daar aandacht voor. Het is, gelet op de grote uitdagingen die er op het terrein van de zorg liggen (zie ook het in vraag 3 genoemde WRR-rapport), mijn verwachting dat er de komende jaren soms scherpe keuzes gemaakt moeten worden. Ik kan daardoor, net zoals bij de GVS-modernisering, niet toezeggen dat elke keuze altijd op veel steun kan rekenen. Wel kan ik toezeggen het veld altijd te betrekken bij afwegingen die tot een beleidskeuze leiden.
Het bericht ‘Zorgpersoneel met long covid radeloos, vakbonden stellen ultimatum aan kabinet’ |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Zorgpersoneel met long covid radeloos, vakbonden stellen ultimatum aan kabinet»?1
Het kabinet is zich bewust van de ingrijpende gevolgen die alle mensen met langdurige post-COVID klachten ondervinden. Daarom heb ik, samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs (P&VO), deze zomer verkend hoe mensen met langdurige post-COVID klachten extra ondersteund kunnen worden. Het kabinet heeft besloten het beoogde vervolg op de uitkomsten van de verkenning juridisch breder te laten wegen door eerst voorlichting in te winnen bij de Afdeling Advisering van de Raad van State. Na ontvangst van de voorlichting van de Raad van State beslist het kabinet over het vervolg op de verkenning en zal uw Kamer daarover zo spoedig mogelijk per brief worden geïnformeerd.
Bent u het ermee eens dat de groep zorgverleners die nu door het Post Covid Syndroom thuis zit een enorm belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de strijd tegen het coronavirus?
Alle zorgmedewerkers die zorg hebben verleend aan COVID-patiënten of daar nauw bij betrokken waren, hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de strijd tegen het virus. Dat sommigen van hen langdurige post-COVID klachten hebben ontwikkeld met als gevolg dat zij minder of zelfs niet meer kunnen werken, vind ik heel schrijnend.
Herinnert u zich de oproep van uw ministerie om een applaus te geven voor de zorg: «Onze dank aan hen is groot, daarom klappen we straks om 20 uur voor de zorg (en al die anderen).»?2
Ja.
Herinnert u zich de stelling van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving dat «Ruimhartigheid is geboden bij de omgang met zorgmedewerkers die in de frontlinie hebben gestaan om de samenleving draaiende te houden»?3
Ja. Ik heb kennisgenomen van het rapport «(Maat)werk bij langdurige klachten na COVID». Op 16 september heb ik uw Kamer geïnformeerd dat de door uw Kamer bij brief van 12 juli jl. (kenmerk 2022Z14973) gevraagde beleidsreactie op het rapport «(Maat)werk bij langdurige klachten na COVID» van de Raad voor de Samenleving, onderdeel zal uitmaken van de brief die volgt.
Wat vindt u ervan dat zorgverleners in de beginperiode van de pandemie vaak onbeschermd werkten met besmette patiënten als gevolg van de toen geldende richtlijnen van de overheid en daardoor een groot risico liepen op besmetting en het Post Covid Syndroom?
Tijdens de eerste golf (maart – juni 2020) werd de wereld overvallen door een pandemie die ongekend was in zijn aard. Een nieuw en onbekend virus overspoelde de Nederlandse samenleving en de zorg, terwijl er nog geen vaccin beschikbaar was en zorg verleend moest worden op basis van de toen beperkte beschikbare kennis. Door de toegenomen kennis over het virus, weten we nu veel beter hoe we de risico’s op besmetting kunnen beperken en over de behandeling van COVID-patiënten.
De beroepsgroepen hebben, samen met het RIVM, op basis van de toen beschikbare kennis richtlijnen opgesteld voor het verlenen van zorg. Deze richtlijnen waren evidence based en gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten. Ik deel uw conclusie niet dat als gevolg van de toen geldende richtlijnen mensen onbeschermd hebben gewerkt met besmette patiënten en daardoor post-COVID klachten hebben ontwikkeld. Veiligheid op de werkvloer is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de werkgever.
Bent u het ermee eens dat dit uw ministerie een enorme verantwoordelijkheid geeft om de groep zorgverleners die nu door het Post Covid Syndroom thuis zitten zo goed mogelijk te ondersteunen?
Post COVID-klachten doen zich breed in de samenleving voor. Zoals toegelicht in de brief van 27 juni jl.4 biedt het kabinet via drie sporen ondersteuning aan eenieder met post-COVID klachten. Het eerste spoor richt zich onder andere op het doen van onderzoek om beter beeld te krijgen van de klachten en effectieve behandeling van post-COVID. Het tweede spoor ziet op het verbeteren van het ondersteuningsaanbod voor mensen met post COVID, middels het tijdelijk vergoeden van paramedische herstelzorg en het financieren van C-support. Het derde spoor ziet op de ondersteuning bij het werk. Hierover blijft het kabinet ook in gesprek met sociale partners om werkenden met langdurige post COVID voor de arbeidsmarkt te behouden.
Bent u van mening dat de ondersteuning die uw ministerie momenteel aan deze groep biedt voldoende is om aan deze verantwoordelijkheid te voldoen?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Wat vindt u ervan dat een deel van deze groep momenteel in financiële problemen komt, doordat zij hun baan en (een deel) van hun inkomen zijn verloren als gevolg van het Post Covid Syndroom? Bent u het ermee eens dat dit een onacceptabel gevolg is van hun inzet in de strijd tegen het virus?
Zie mijn antwoord op vraag 1 en vraag 2.
Waarom duurt het zo lang voordat deze groep zorgverleners een fatsoenlijke financiële schadevergoeding krijgt? Waarom heeft u het tot een ultimatum van de vakbonden laten komen?
Ik ben mij zeer bewust van de urgentie van de financiële problemen van sommige zorgmedewerkers. Deze zijn in de persoonlijke gesprekken die ik met een aantal van hen had, expliciet onder mijn aandacht gebracht. Tegelijkertijd vraagt deze kwestie om zorgvuldigheid. Juist vanwege die zorgvuldigheid heb ik het voorstel dat naar aanleiding van de gezamenlijke verkenning met OCW en SZW is opgesteld, in een verzoek tot voorlichting voorgelegd aan de Afdeling Advisering van de Raad van State. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk adviseren over de uitkomsten daarvan.
Bent u bereid om zo snel mogelijk een fatsoenlijke financiële schadevergoeding te geven aan deze groep en hiervoor niet de deadline van de vakbonden af te wachten?
Zie mijn antwoord op vraag 1 en mijn antwoord op vraag 9.
Luxetaks op drinkwater |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over een luxetaks op drinkwater?1
Ja.
Deelt u de mening dat drinkwater een primaire levensbehoefte is, die niet alleen weggelegd dient te zijn voor de rijken? Zo ja, wilt u de waterbedrijven op hun falie geven voor dit onaanvaardbare plan en het plan van tafel vegen, zeker in een tijd waarin alles duurder wordt en veel mensen niet meer rond kunnen komen? Graag een gedetailleerd antwoord.
Ja, drinkwater is een eerste levensbehoefte. De Europese Drinkwaterrichtlijn verplicht dat iedereen toegang heeft tot drinkwater. Betaalbaarheid van drinkwater is daarom erg belangrijk.
Voldoende beschikbaarheid van bronnen voor de bereiding drinkwater is niet meer vanzelfsprekend. De toenemende vraag naar drinkwater en de onder druk staande waterkwaliteit zet het watersysteem als geheel onder druk. We moeten nadenken over hoe we de Nederlandse drinkwatervoorziening toekomstbestendig maken. In de Beleidsnota Drinkwater is onder meer gekozen om in te zetten op waterbesparing. Afgesproken is te beginnen met een verkenning (overzicht) van mogelijke maatregelen en instrumenten voor zowel huishoudens als bedrijven om drinkwater te besparen. Dit najaar wordt de Kamer geïnformeerd over deze verkenning. Over de mogelijke maatregelen en instrumenten in de nog te verschijnen verkenning heeft nog geen besluitvorming heeft plaatsgevonden. In de beleidsreactie op de verkenning zal worden ingegaan op (on)wenselijkheid van diverse onderdelen van de verkenning.
Waterbesparing begint met bewustzijn. Ik waardeer dat de drinkwaterbedrijven hier steeds meer aandacht voor vragen. Het idee van het instellen van een hoger tarief voor bovengemiddeld gebruik, meer gebruik dan nodig voor de eerste levensbehoeften, is een mogelijkheid die in de verkenning aan de orde komt en in Vlaanderen al is geïmplementeerd.
Oversterfte en vaccinaties |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van CBA/RIVM van 23 juni 2022 dat verslag doet van het onderzoek naar de oversterfte?
Ja. Dit onderzoek is op mijn verzoek uitgevoerd door RIVM en CBS en ik heb uw Kamer over het rapport geïnformeerd (Kamerstuk 25 295, nr. 1886).
Bent u bekend met de volgende bevinding in paragraaf 7.4 van dat rapport: «Het onderzoek van de doodsoorzaakverklaringen geeft geen beeld van de kwantitatieve en kwalitatieve bijdrage van het vaccineren tegen COVID-19 aan overlijden [...] Het beeld dat uit de beschrijving naar voren komt moet dus met grote voorzichtigheid geïnterpreteerd worden en levert geen representatieve kwantitatieve inzichten»?
Ja.
Kunt u gemotiveerd aangeven of u de conclusie van de onderzoekers zelf deelt dat dit onderzoek niet de vraag heeft beantwoord of vaccinaties iets met de oversterfte te maken hebben? Zo nee, waarom niet?
De conclusie zoals u die beschrijft deel ik niet omdat het over een deel van het onderzoek gaat en niet het volledige onderzoeksrapport. U verwijst naar een conclusie uit de deelanalyse die het CBS in het onderzoek heeft verricht. Het CBS schetst in deze deelanalyse een beschrijvend beeld van meldingen van mogelijk overlijden als gevolg van COVID-19-vaccinatie op de doodsoorzaakverklaringen. Op basis van deze meldingen van COVID-19-vaccinatie in de doodsoorzaakverklaringen, is de bijdrage van COVID-19-vaccinatie aan overlijden niet aan te tonen. Reden hiervoor is dat de beschikbare informatie in deze verklaringen hiervoor te beperkt is. De mogelijke rol van COVID-19-vaccinatie bij overlijden, op basis van de doodsoorzaakverklaringen, dient daarom met voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden, zoals door CBS in het rapport beschreven. Daarbij is het van belang om bewust te zijn van het feit dat het doodsoorzakenformulier niet als registratie voor bijwerkingen dient. Hiervoor is Lareb de aangewezen bron. In het oversterfteonderzoek van het CBS en het RIVM is gebruik gemaakt van de doodsoorzakenstatistieken, en niet de data van Lareb.
In het onderzoeksdeel dat uitgevoerd is door het RIVM is gekeken naar het risico op overlijden kort na COVID-19 vaccinatie, en hieruit is geconcludeerd dat er geen oorzakelijk verband tussen vaccinaties en een verhoogde kans op overlijden kon worden aangetoond. Deze conclusie onderschrijf ik.
Erkent u dat er volgens het CBS en RIVM 3400 onverklaarbare sterfgevallen in 2021 zijn en dat de oversterfte tot op de dag van vandaag nog steeds aanhoudt? Zo nee, waarom niet? Bent u het met eens dat we nu werkelijk alles moeten doen om de oorzaken hiervan te achterhalen?
Zoals eerder aangegeven vind ik het heel belangrijk om de oorzaken en redenen van oversterfte te onderzoeken. Vandaar ook dat ik bezig ben met de uitvoering van de motie Omtzigt aangaande een onderzoek naar de redenen en oorzaken van oversterfte in 2020–2021.
Het CBS en het RIVM concluderen op basis van hun onderzoek dat gedurende de eerste oversterftegolf de oversterfte even groot is als het aantal mensen dat het CBS registreerde met als doodsoorzaak COVID-19. In de tweede oversterftegolf overleden meer mensen aan COVID-19 dan er oversterfte was. Tijdens de derde oversterftegolf was de oversterfte juist hoger dan het aantal mensen dat aan COVID-19 overleed. Dit betrof circa 3.400 overledenen en was vooral zichtbaar bij de leeftijdsgroep 65- tot 80-jarigen. Er zijn in het onderzoek geen grote veranderingen in de hoofdgroepen van doodsoorzaken anders dan COVID-19 gevonden in 2020 en 2021. Daarmee wordt aangegeven dat in deze periode andere doodsoorzaken die niet tot een van de hoofdgroepen behoren mogelijk bijdroegen aan de oversterfte.
Het is niet zo dat de oversterfte tot op de dag van vandaag nog steeds aanhoudt. Uit de sterftecijfers van het CBS kan geconstateerd worden dat er in het begin van 2022 geen sprake was van oversterfte. Sinds eind maart is er sprake van oversterfte volgens het CBS. Om deze oversterfte nader te duiden, zijn onder andere de doodsoorzakenstatistieken nodig. Op dit moment zijn de doodsoorzakenstatistieken beschikbaar bij het CBS t/m mei 20221. Uit deze cijfers blijkt dat in de laatste twee weken van maart de sterfte als gevolg van vermoedelijke of vastgestelde COVID-19 iets hoger lag dan in de weken ervoor. In april nam de COVID-19-sterfte weer af. Hierbij is het belangrijk om aan te geven dat hoeveel mensen overlijden afhankelijk is van een groot aantal factoren. De oorzaak voor een periode van oversterfte is daarom niet eenduidig aan te wijzen. Voor verdere toelichting verwijs ik u graag naar mijn antwoorden op de schriftelijke vragen die gesteld zijn door het lid van Haga (Groep van Haga) op 22 september2.
Sluit u de vaccinaties als mogelijke oorzaak van de oversterfte uit? Zo ja, waarom?
Op basis van hun onderzoek concluderen het CBS en het RIVM dat er geen oorzakelijk verband tussen vaccinatie en een verhoogde kans op overlijden kon worden aangetoond. Ik onderschrijf de conclusies van dit onderzoek. Voor verdere toelichting verwijs ik u naar mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Van Haga (Groep Van Haga) van 5 juli3 en 25 juli jl.4
Erkent u dat volgens verschillende wetenschappers de benodigde data om een eventueel verband tussen vaccinaties en oversterfte aan te tonen wel voorhanden zijn, maar deze data niet beschikbaar worden gemaakt voor onderzoek? Zo nee, waarom niet? Bent u ervan op de hoogte dat volgens verschillende onderzoekers geanonimiseerde data nodig zijn die de genoemde gegevens (per persoon) bevatten:
Ik onderschrijf het belang van de beschikbaarheid van data voor wetenschappelijk onderzoek in het algemeen, en het oversterfteonderzoek in het bijzonder. Op dit moment is de voor het oversterfteonderzoek gewenste toegang tot databronnen nog niet volledig ingeregeld. Ik verwijs naar mijn brief van 27 september 2022 voor mijn inzet om dit mogelijk te maken.
Kunt u exact aangeven waarom deze data niet geanonimiseerd kunnen worden aangeleverd en beschikbaar worden gesteld voor alle wetenschappers, ook in het licht van de vorige vragen?
Momenteel worden verscheidene datasets gepseudonimiseerd al beschikbaar gesteld, bij het CBS, voor onderzoek wanneer een aanvraag voor deze dataset ingediend wordt. Echter is het bij een deel van de onderzoeken belangrijk dat de data eerst gekoppeld wordt aan andere datasets voordat deze gepseudonimiseerd beschikbaar gesteld kan worden. Bij het koppelen van datasets is zorgvuldigheid van groot belang. Ik verwijs naar mijn brief van 27 september 2022 voor mijn inzet om dit mogelijk te maken.
Kunt u beloven dat u alles in het werk zal stellen om deze gegevens beschikbaar te maken en in het geval dat dit niet lukt, exact en concreet zal aan te geven waarom dit niet mogelijk is?
Zoals eerder aangegeven doe ik er alles aan om verdiepend vervolgonderzoek naar oversterfte mogelijk te maken door te faciliteren dat alle brondata die hiervoor nodig is beschikbaar gesteld wordt aan wetenschappers (ook diegene die niet gelieerd zijn aan het CBS of het RIVM). Uiteraard moet dit wel binnen de geldende wettelijke kaders gebeuren. Ik verwijs naar mijn brief van 27 september 2022 voor mijn inzet om dit mogelijk te maken.
Kunt u de bovenstaande vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De vaccinatie tegen apenpokken |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Erkent u dat het een moeizaam en tijdrovend proces voor de GGD is om in kaart te brengen wie er risico loopt op apenpokken en daarom in aanmerking komt voor vaccinatie, bijvoorbeeld omdat er geen centrale database bestaat voor wie er PrEP gebruikt? Zo ja, klopt het dat dit proces de vaccinatiesnelheid vertraagd?
De uitvoeringsrichtlijn monkeypox-vaccinatie van het Landelijk Coördinatiecentrum Infectieziektebestrijding van het RIVM definieert de te vaccineren hoog risicogroep voor de GGD’en. Voor de vaccinatie tegen apenpokken komen de volgende groepen in aanmerking:
Daarnaast hebben GGD’en de mogelijkheid om hoog risico MSM die geen uitnodiging voor vaccinatie hebben ontvangen maar wel van mening zijn dat zij tot de hoog risicogroep behoren omdat zij veel wisselende contacten hebben, ook te vaccineren.
Het in beeld brengen van deze groepen kost inderdaad tijd, maar heeft op dit moment geen invloed op de vaccinatiesnelheid.
Er is inderdaad geen centrale database voor PrEP-gebruikers. De personen, die via een CSG PrEP-zorg ontvangen of die daarvoor op de wachtlijst staan, zijn echter bij de afzonderlijke centra doorgaans bekend en bereikbaar. Voor cliënten, die buiten de GGD als risicogroep bekend staan (hiv-behandelaren en huisartsen), geldt in verband met de privacywetgeving dat de uitnodiging via de primaire behandelaar moet lopen. Overleg en afstemming tussen de GGD’en als vaccinerende instantie en deze groepen behandelaren kostte tijd bij aanvang van de vaccinatiecampagne.
Is het voor de GGD mogelijk om de gehele risicogroep voor apenpokken in kaart brengen, overwegende dat het belangrijk is dat mensen zich anoniem kunnen registreren voor een soa-test en hier ook gebruik van wordt gemaakt? Zo ja, hoe dan?
Het is voor de GGD’en niet mogelijk een volledig beeld te hebben van de gehele risicogroep. Personen, die bij het CSG soa-zorg ontvangen, kunnen er inderdaad voor kiezen om anoniem te blijven of een alias te gebruiken.
Er zijn personen, die bewust hiervoor kiezen; voor het grootste deel zijn zij overigens wel bereikbaar via een emailadres of een telefoonnummer.
Deelt u de mening dat, gezien de GGD geen compleet overzicht heeft van de risicogroep, mensen die zelf inschatten dat ze risico lopen op een apenpokken-infectie toegang zouden moeten krijgen tot een vaccin? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit realiseren?
Voor de omvang van de risicogroep, die gevaccineerd zou moeten worden in het kader van de uitbraakbestrijding, laat ik mij adviseren door het Deskundigenberaad (DB) en het RIVM. In het kader van uitbraakbestrijding is het volgens het DB niet nodig om de doelgroep uit te breiden. Modellering heeft aangegeven dat vaccinatie van de nu afgebakende hoogrisicogroepen het meest bijdraagt aan de bestrijding van deze uitbraak. Van verruiming van de doelgroepen voor vaccinatie zou beperkte invloed op het beloop van de huidige uitbraak te verwachten zijn.
Overigens heeft de GGD de mogelijkheid om, zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven, hoog risico MSM die geen uitnodiging voor vaccinatie hebben ontvangen maar wel van mening zijn dat zij tot de hoog risicogroep behoren omdat zij veel wisselende contacten hebben, ook te vaccineren.
Heeft u voldoende vaccins om de doelgroep uit te breiden? Zo nee, speelt dit mee in de overweging om de doelgroep niet uit te breiden?
Voor het bepalen van de te vaccineren doelgroep laat ik mij leiden door het advies van het Deskundigenberaad, dat zich richt op uitbraakbestrijding. Uit dat advies blijkt niet dat schaarste van het vaccin een overweging in de advisering is geweest. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om extra vaccins in te kopen om een eventuele uitbreiding van de doelgroep te faciliteren? Zo ja, wanneer gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Via een gezamenlijke aankoop in EU-verband wordt op dit moment gewerkt aan de beschikbaarheid van extra vaccin. De verwachting is dat deze in het derde kwartaal van 2023 worden geleverd. Deze aankoop staat los van een eventuele uitbreiding van de doelgroep en is mede bedoeld als aanvulling van de strategische voorraad.
Kilometers lange oeverbeschoeiing, die behandeld is met een kankerverwekkende stof |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat dacht u toen u hoorde dat 245 kilometer oeverbeschoeiing in de Noordoostpolder kankerverwekkende stoffen bevat?1
Ook voor mij was dit een bericht waar ik graag verduidelijking bij ontving. Zie verder de antwoorden op de overige vragen.
Wat was uw reactie toen bleek dat op sommige plekken de normoverschrijding voor fluorantheen maar liefst 16 tot 26 keer zo hoog is als toegestaan?
Zie antwoord vraag 1.
Wat vindt u ervan dat het waterschap Zuiderzeeland ruim tien jaar de tijd neemt om de paaltjes te vervangen? Na hoeveel jaar worden deze paaltjes normaliter vervangen?
Het waterschap heeft hierover nog geen besluit genomen. Er zijn vervangingsscenario’s uitgewerkt, rekening houdend met alle consequenties en risico’s. Eind 2022 vindt hierover besluitvorming plaats door het waterschap. De verwachte levensduur van de paaltjes was oorspronkelijk veertig jaar.
Beaamt u dat de kankerverwekkende oeverbeschoeiing in de Noordoostpolder vóór 2027 verwijderd zou moeten worden vanwege het moeten behalen van de Kaderrichtlijn Water? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om het waterschap op te roepen vaart te maken met de verwijdering en waar nodig dit te faciliteren?
Nee, voor de normen voor fluorantheen en andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) geldt een andere termijn. Deze normen zijn in 2013 in de Europese richtlijn prioritaire stoffen aangescherpt. Deze normen zijn eind 2015 geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving via het Besluit monitoring en kwaliteitseisen (2009). De norm voor fluorantheen dient uiterlijk in 2033 te zijn behaald.
Klopt het dat in bijna alle Nederlandse wateren houten paaltjes worden gebruikt, behandeld met kankerverwekkende stoffen (oeverbeschoeiing geïmpregneerd met creosoot en/of carbolineum) en dat deze stoffen uitspoelen naar het water? Hoeveel kilometer beschoeiing betreft het in totaal?
Oeverbeschoeiingen die geïmpregneerd zijn met creosoot of carbolineum zijn inmiddels veelal vervangen door milieuvriendelijker alternatieven. In grote delen van Nederland (bijvoorbeeld veenweidegebieden) is in het geheel geen beschoeiing aanwezig.
Kunt u aangeven welke en hoeveel kankerverwekkende stoffen via deze geïmpregneerde oeverbeschoeiing in het water en de waterbodems zijn gekomen?
Creosoot bevat een grote verscheidenheid aan PAK’s en fenolen. Gecreosoteerd hout dat in zoet water werd gebruikt bevat ongeveer 10 gewichtsprocent creosoot. Uit de houten beschoeiing logen heel traag de lichtere PAK’s uit, waaronder fluorantheen en anthraceen. Ondanks de uitloging zal ook na tientallen jaren (de verwachte levensduur) in contact met water nog circa 90% van het creosoot in het hout zitten, de overige 10% zal verdampen of in water of waterbodem belanden. Zoals aangegeven in vraag 5 worden inmiddels milieuvriendelijkere alternatieven toegepast.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn van deze giftige stoffen voor de gezondheid van mensen en wat de gevolgen zijn voor een goede staat van instandhouding van de natuur?
De norm voor fluorantheen is gebaseerd op schadelijkheid voor de mens bij consumptie van zoetwatermosselen. Een concentratie in het oppervlaktewater tot maximaal twintig keer deze norm is nog niet schadelijk voor het ecosysteem en dus ook niet voor de goede staat van instandhouding van de natuur. In de Noordoostpolder komen zoetwatermosselen (zeer) beperkt voor, voor zover bekend vindt geen consumptie plaats van deze mosselen.
Klopt het dat Nederland de hoogste dichtheid gecreosoteerd hout per vierkante kilometer heeft in Europa dankzij haar uitgebreide oeverbeschoeiing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Nederland kent een hoge dichtheid van watergangen waarvoor versteviging van oevers noodzakelijk is. Toepassing van gecreosoteerd hout in oeverbeschoeiingen vindt niet meer plaats en bestaande oeverbeschoeiingen van dit type worden sinds de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw vervangen door milieuvriendelijker alternatieven.
Klopt het dat gecreosoteerd hout (hout dat geïmpregneerd is met een middel tegen schimmel) als oeverbeschoeiing op lokale schaal een bedreiging vormt voor de kwaliteit van het oppervlaktewater? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Waar nog gecreosoteerd hout als oeverbeschoeiing aanwezig is, kan dit lokaal een bedreiging vormen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. De waterschappen hebben de taak ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het oppervlaktewater in orde is.
Kunt u aangeven waar en in welke mate de waterkwaliteitsnormen worden overschreden in Nederland als gevolg van geïmpregneerde oeverbeschoeiing? Indien u dit niet kunt aangeven, bent u bereid om bij de waterschappen te informeren hoeveel kilometer oeverbeschoeiing geïmpregneerd is met onder andere carbolineum en waar deze kankerverwekkende stoffen uitspoelen? Zo nee, waarom niet?
Er is niet structureel sprake van normoverschrijdingen voor fluorantheen of andere PAK’s als gevolg van gecreosoteerde oeverbeschoeiing. Op veel plekken waar deze beschoeiing heeft gestaan is deze al eerder vervangen. In grote delen van Nederland (bijvoorbeeld veenweidegebieden) is in het geheel geen beschoeiing aanwezig.
Beaamt u dat het gebruik van gecreosoteerd hout als oeverbeschoeiing verboden zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, per wanneer?
In de Derde Nota Waterhuishouding (1990) is al geconstateerd dat terughoudendheid gewenst is ten aanzien van gebruik van gecreosoteerd hout in de waterbouw en dat er naar alternatieven moet worden gekeken. Toepassing van gecreosoteerd hout in oeverbeschoeiingen vindt niet meer plaats en bestaande oeverbeschoeiingen van dit type worden sinds de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw vervangen door milieuvriendelijker alternatieven.
Kunt u aangeven welke andere oeverbeschoeiing in de Noordoostpolder zal worden toegepast?
Dit is een bestuurlijke keuze van het waterschap, zie ook het antwoord op vraag 13.
Wat zijn de alternatieven voor de oeverbeschoeiing en welke mogelijke kankerverwekkende of andere schadelijke stoffen zouden hierbij kunnen uitspoelen naar het water?
Alternatieven zijn oeverbeschoeiingen van onbehandeld hard hout, eventueel in combinatie met een natte plasdraszone, van beton of staal of van kunststof.
Klopt het dat oeverbeschoeiing gemaakt van kunststof ook schadelijke stoffen, met name weekmakers, uitspoelt naar het watermilieu? Zo ja, welke kankerverwekkende of andere schadelijke stoffen spoelen naar het water uit?
In kunststof oeverbeschoeiingen kunnen weekmakers zitten. Deze logen in het oppervlaktewater echter in zodanig geringe mate uit dat er voor zover bekend geen sprake is van schadelijke effecten.
Kunt u aangeven waar en hoeveel de waterkwaliteitsnormen overschreden worden in Nederland als gevolg van kunstmatige oeverbeschoeiing? Indien u dit niet kunt aangeven, bent u bereid om bij de waterschappen te informeren hoeveel kilometer kunstmatige oeverbeschoeiing er is en waar deze schadelijke stoffen uitspoelen? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen overschrijdingen van waterkwaliteitsnormen als gevolg van kunststof oeverbeschoeiingen bekend.
Deelt u de mening dat alternatieve oeverbeschoeiing die ook kankerverwekkende stoffen uitspoelt naar het water niet gebruikt dient te worden? Zo ja, hoe gaat u hier voor zorgen?
Uiteraard deel ik uw mening dat oeverbeschoeiingen geen schadelijke effecten mogen hebben. Er zijn milieuvriendelijke alternatieven, zie het antwoord op vraag 13.
Het nieuws dat de National Health Service (NHS) Tavistock kliniek, de enige genderidentiteitskliniek voor kinderen en jongeren in het Verenigd Koninkrijk, heeft gesloten |
|
Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Kuipers , Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuws dat de National Health Service (NHS) in het Verenigd Koninkrijk besloten heeft om Tavistock and Portman Trust’s Gender Identity Development Service clinic (Tavistockkliniek) te sluiten omdat de veiligheid van minderjarigen gevaar loopt?1 2
Ik ben op de hoogte van de sluiting van de Tavistockkliniek.
Hoe verhoudt het medische traject van de Tavistockkliniek zich tot de zorg die in Nederlandse klinieken geleverd wordt aan kinderen en jongeren met genderdysforie?
De NHS in Engeland heeft een onafhankelijke review laten uitvoeren met als doel om te horen hoe het de zorg aan kinderen en jongeren met vragen over hun genderidentiteit of genderincongruentie zou kunnen verbeteren. In het rapport van deze review, het Cass rapport, wordt onder andere geconcludeerd dat er significante verschillen zijn tussen de «Dutch approach» en de werkwijze van de Tavistock kliniek. In de Tavistock kliniek is de «Dutch Approach» – multidisciplinaire zorg, aandacht voor psychische comorbiditeit en langdurig volgen en monitoren (psychologische begeleiding) – losgelaten.3
Het Radboudumc Expertisecentrum Geslacht en Gender heeft mij laten weten dat in het Radboudumc alle kinderen en jongeren volgens een goed gedocumenteerd zorgpad worden begeleid. Alle stappen in de begeleiding en behandelingen vinden plaats na intensieve psychologische evaluatie waar ook rekening wordt gehouden met psychiatrische co morbiditeit. Hiervoor wordt ook samengewerkt met andere hulpverleners en GGZ. Alle beslissingen worden in een multidisciplinair team samen besproken. Elke stap in de behandeling wordt nauwkeurig gedocumenteerd en de follow up is gestandaardiseerd ingericht. Patiënten en ouders worden zowel mondeling als ook schriftelijk uitvoerig ingelicht over de voor- en nadelen van de behandeling. Voor lange termijn monitoring is een biobank opgezet, aldus het Radboudumc.4
Is er in Nederland wel voldoende sprake van «holistische zorg» voor kinderen en/of tieners met genderdysforie, en zo ja, hoe wordt deze gewaarborgd?
Ik heb voor de beantwoording van deze vraag input gevraagd aan het Radboudumc Expertisecentrum geslacht en gender. Het Radboudumc heeft mij laten weten dat transgenderzorg bij uitstek multidisciplinaire zorg is. De zorg wordt gedragen door een team professionals (kinderartsen, psychologen, psychiater, fertiliteitsartsen en anderen) die intensief samenwerken om gepersonaliseerde zorg op hoog niveau te bieden. Alle voor- en nadelen worden steeds voor een individuele patiënt zorgvuldig afgewogen in het team. Hierbij worden ook systeem en ontwikkelingsfactoren naast mogelijke co-morbiditeit meegenomen. De manier van werken wordt beschreven in de kwaliteitsstandaarden voor transgenderzorg. Hormonale behandeling voor kinderen en adolescenten wordt alleen geboden in hooggespecialiseerde centra met ervaring op gebied van transgenderzorg. Dit zijn op dit moment het Radboudumc Expertisecentrum geslacht & gender in Nijmegen, het Zaans Medisch centrum en zorgcentrum genderdysforie Amsterdam Universitair Medisch Centrum.
Wordt er in Nederlandse klinieken ook gewerkt vanuit het principe van genderaffirmatie, zoals in de Tavistockkliniek?
In het Cass rapport wordt onder het «affirmatieve model» verstaan dat sprake is van een wijze van het verlenen van transgenderzorg waarbij de subjectieve genderbeleving van een jongere wordt bevestigd.5 Het gaat om «een bevestigende en niet verkennende benadering, vaak gedreven door verwachtingen van ouders en kind zelf».6 In het rapport wordt aangegeven dat er onder meer onvoldoende werd stil gestaan bij andere mogelijke oorzaken van het psychisch lijden.
Van het Radboudumc Expertisecentrum Geslacht en Gender en een wetenschapper van Amsterdam UMC heb ik begrepen dat dit niet de manier is waarop in Nederland momenteel transgenderzorg aan kinderen en jongeren wordt verleend. In Nederland wordt niet volgens het genderaffirmatieve model zoals beschreven in het Cass rapport gehandeld. In plaats van de subjectieve genderbeleving zonder nader onderzoek te bevestigen, worden in Nederland in een brede evaluatie alle aspecten van de psychosociale en seksuele ontwikkeling van het kind / de jongere meegenomen en in een bredere context gezet (verkennende benadering). Daarbij wordt er bijvoorbeeld ook gekeken naar andere mogelijke oorzaken van het psychisch lijden.
Overigens heb ik in mijn antwoorden op de vragen van de leden Van der Staaij en Bisschop (beiden SGP) over antwoorden op vragen van het lid Sylvana Simons over genderdysforie bij GGD’s, huisartsenpraktijken en apotheken (2022Z15099), d.d. 29 augustus 2022, aangegeven dat er «in de wetenschappelijke en klinische gemeenschap rondom transgenderzorg consensus [bestaat] dat een affirmatieve benadering de beste psychologische gezondheidsuitkomsten geeft.» Om te voorkomen dat nu onterecht de indruk zou ontstaan dat met de «affirmatieve benadering» waarover ik in die antwoorden heb gesproken wordt gedoeld op genderaffirmatie (het «affirmatieve model» waarover wordt gesproken in het Cass rapport), hecht ik eraan hier expliciet te benoemen dat dit niet het geval is. Zoals ik in de antwoorden op de Kamervragen van de leden Van der Staaij en Bisschop (beiden SGP) aangaf, doelde ik hiermee op het ondersteunen van kinderen en jongeren in hun psychoseksueel ontwikkelingsproces (waar het hebben van vragen over je genderidentiteit regelmatig een onderdeel van vormt), waarbij ik ook heb benadrukt dat dit niet hetzelfde is als het kritiekloos accepteren of aanmoedigen.
Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoe zou de voorliggende wetswijziging, waardoor de leeftijdsgrens voor het wijzigen van het geslacht in de geboorteakte komt te vervallen, de zorgtrajecten voor kinderen en jongeren met genderdysforie kunnen beïnvloeden?
Het wetsvoorstel tot Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het veranderen van de voorwaarden voor wijziging van de vermelding van het geslacht in de akte van geboorte (35 825) maakt het mogelijk dat ook kinderen jonger dan zestien jaar hun geslachtsregistratie kunnen wijzigen in de geboorteakte. Dit wetsvoorstel onderkent dat genderidentiteit een belangrijk aspect is van iemands identiteit. Dat geldt zeker ook voor kinderen. Dit neemt niet weg dat genderidentiteit van kinderen vaak nog veranderlijk – fluïde – is. De wens tot wijziging dient daarom ook zorgvuldig te worden bekeken. Het kind verdient ondersteuning in zijn/haar/diens keuze. Het wetsvoorstel voorziet daarom in een rechterlijke toets voor kinderen jonger dan zestien jaar. Dit leidt ertoe dat kinderen alleen kunnen overgaan tot wijziging, als zij daarover goed hebben nagedacht. De rechter zorgt ervoor dat de wens van het kind met enige afstand wordt bekeken en in breder perspectief wordt geplaatst.
Deze wetswijziging heeft geen gevolgen voor het zorgtraject voor kinderen met genderdysforie. Artsen hebben een eigen professionele verantwoordelijkheid, gelet op de lichamelijke en psychische gevolgen van een medische behandeling. De juridische duiding van geslacht of gender in de geboorteakte van het kind is in dit medische kader niet van belang. Ook na een wetswijziging zal individueel per patiënt geëvalueerd worden welke stappen in de medische behandeling passend en verantwoordelijk zijn.
Is het voor artsen nog mogelijk om een klinische transitie op basis van medische redenen te ontraden, als er al sprake is van juridische wijziging op basis van zelfidentificatie?
Ja, artsen hebben een eigen professionele verantwoordelijkheid, gelet op de lichamelijke en psychische gevolgen van een medische ingreep. Een medische behandeling staat in dit licht los van een wijziging van de geboorteakte.
Zijn in Nederlandse klinieken opvallende stijgingen te zien van aanmeldingen van kinderen en tieners met genderdysforie, zoals bij Tavistockkliniek waar sprake was van een stijging van wel 5000 procent?3
De cijfers uit The Times spreken over een tijdspad van 7 jaar. Omdat de cijfers gaan over 7 jaar is de vergelijking met de situatie in Nederland lastig te maken. De kwartiermaker transgenderzorg houdt sinds eind 2018 bij wat de vraag naar en wachttijden voor transgenderzorg zijn.
In december 2018 waren er in Nederland 883 aanmeldingen van kinderen en jongeren onder de 18 jaar voor psychologische transgenderzorg (waar o.a. de indicatiestelling voor somatische zorg plaatsvindt). In januari 2022 (het laatste meetmoment) was sprake van 2.500 aanmeldingen. Dit is een toename van 183%. Bij de interpretatie van deze cijfers is het overigens belangrijk om er rekening mee te houden dat een deel van de personen die wachten op zorg zich bij meer dan één aanbieder op de wachtlijst inschrijft. Het daadwerkelijk aantal personen dat wacht op een intake is dus naar verwachting lager. Daarnaast rapporteert de kwartiermaker de informatie zoals aangeleverd door de aanbieders die in beeld zijn. Het kan zijn dat er (kleine) aanbieders van transgenderzorg zijn die de kwartiermaker niet in beeld heeft, en die daardoor niet zijn meegenomen in deze cijfers.
Zoals ik aangaf in de beantwoording van eerdere Kamervragen van de leden Van der Staaij en Bisschop (beiden SGP) over antwoorden op vragen van het lid Sylvana Simons over flyers over genderdysforie bij GGD’s, huisartsenpraktijken en apotheken (2022Z15099), maak ik mij op dit moment overigens geen zorgen over de toename van het aantal behandelverzoeken voor genderdysforie door minderjarigen. Deze toename kan verschillende oorzaken hebben, die ook positief kunnen zijn. Om er achter te komen of er reden is tot zorg, is eerst meer inzicht nodig in de oorzaken van deze toename. Zoals u weet wordt dit momenteel, met subsidie van VWS, onderzocht door onderzoekers van de Radboud Universiteit. Het streven is dat dit onderzoek eind 2022 wordt afgerond. Uiteraard zal ik uw Kamer te zijner tijd over de uitkomsten van dit onderzoek informeren.
Ik verwacht dit najaar de meest recente ontwikkelingen op gebied van de wachttijden transgenderzorg te ontvangen van de kwartiermaker transgenderzorg. Ik zal uw Kamer daar te zijner tijd uiteraard over informeren.
Als van een stijging van genderdysforie zoals in het Verenigd Koninkrijk in Nederland geen sprake is, wat zijn dan wel de getallen en trends met betrekking tot dergelijke aanmeldingen van Nederlandse jongeren?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u ervan op de hoogte dat in Zweden en in Finland de protocollen met betrekking tot klinisch wijzigen van geslacht zijn aangescherpt op basis van wetenschappelijke bevindingen, met als doel om kinderen en jongeren te beschermen?4 5
De overheid bemoeit zich niet met de manier waarop zorgverleners zorg verlenen, voor zover het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. Ik ben dan ook niet op de hoogte van de precieze situatie in Zweden en Finland. Het is aan veldpartijen om gezamenlijk, in professionele standaarden en richtlijnen, invulling te geven aan de vraag wat goede transgenderzorg is.
Er vindt er op dit moment, in opdracht van VWS, een evaluatie plaats van de bestaande Kwaliteitsstandaard Transgenderzorg Somatisch. In de reeds uitgevoerde oriënterende (literatuur)search ten behoeve van de evaluatie is ook gekeken naar richtlijnen/protocollen van andere landen. Deze richtlijnen, zoals o.a. die van Zweden en de Standards of Care for the Health of Transsexual, Transgender, and Gender Nonconforming People10 (versie 7, versie 8 wordt volgende maand verwacht), en wetenschappelijke literatuur worden meegenomen in de actualiteitsbepaling van de huidige kwaliteitsstandaard.
Zijn er signalen dat dezelfde zaken die in het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Finland gebeurd zijn met betrekking op veiligheid van minderjarigen, ook in Nederland plaats kunnen vinden? Hoe wordt daar op gelet?
De Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (de inspectie) houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg in Nederland. De inspectie heeft mij laten weten niet bekend te zijn met dergelijke signalen, en overigens ook in bredere zin geen signalen te hebben ontvangen dat de veiligheid van de transgenderzorg in het geding is.
Bent u bereid, omwille van een zorgvuldig en weloverwogen proces, de Kamer te verzoeken de behandeling van de Transgenderwet aan te houden, zodat eerst van terzake deskundigen (zoals endocrinologen, kinderartsen en psychologen) meer informatie kan worden verworven over ontwikkelingen op dit terrein?6
Nee, ik zie geen aanleiding om de behandeling van het wetsvoorstel 35 825 aan te houden. Het medische traject is een traject waarin artsen de verantwoordelijkheid hebben voor de medische behandeling van een kind.
In de (juridische) wijziging van de geslachtsaanduiding in de geboorteakte van een kind jonger dan zestien jaar hebben artsen geen rol. Ook in deze procedure staat het belang van het kind centraal. Dit belang wordt in het wetsvoorstel gewaarborgd door de rechter. De voorgestelde rechterlijke toets leidt ertoe dat een wijziging van de geboorteakte alleen mogelijk is na een zorgvuldige beoordeling van het belang van het kind. Zie verder ook mijn antwoord op de vragen 5 en 6.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen twee weken beantwoorden in verband met de aanstaande behandeling van de Transgenderwet?
Ja.
Personeelsbeleid GGD m.b.t. coronapandemie en voortzetting vaccinatiecampagne. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Klopt het dat er bij de GGD werknemers op stand-by staan, in afwachting van een nieuwe corona-uitbraak? Zo ja, hoeveel zijn dat er?
Met de GGD’en is afgesproken dat zij voor testen, bron- en contactonderzoek en vaccineren een beperkte basiscapaciteit aanhouden die indien nodig kan worden opgeschaald. Hierover is de Tweede Kamer met de brief van 13 juni jl. geïnformeerd.1 Het huidige testbeleid leidt tot minder testvraag bij de GGD’en. Zolang antigeen(zelf)testen voldoende betrouwbaar zijn, blijft zelftesten de primaire testmethode om individuele besmettingen op te sporen en wordt niet opgeroepen tot grootschalig testen bij de GGD. Bepaalde doelgroepen, waaronder zorgpersoneel dat werkt met mensen met een kwetsbare gezondheid, kunnen wel terecht bij de GGD voor een PCR-test. Hiertoe houdt de GGD een basistestcapaciteit beschikbaar. Deze basiscapaciteit geeft ook de mogelijkheid tot beperkte opschaling indien nodig. Grootschalige opschaling van PCR-testen voor de gehele bevolking is alleen nodig in specifieke scenario’s, bijvoorbeeld bij een virusvariant waarbij antigeen(zelf)testen onvoldoende betrouwbaar zijn, terwijl de besmettingen en druk op de zorg onverhoopt toch weer oplopen. Dat is (voorlopig) niet aan de orde. Omdat de testvraag fluctueert en onvoorspelbaar is, vraagt dit flexibiliteit van personele inzet, en worden hiervoor oproepkrachten en beschikbaarheidsdiensten ingezet. Het al dan niet oproepen van personeel is afhankelijk van de testvraag. Hierdoor varieert de personele inzet per dag. Oproepkrachten zijn, wanneer zij niet worden opgeroepen, beschikbaar voor ander werk op de arbeidsmarkt.
Het vaccineren loopt bij de GGD’en gewoon door. Voor vaccineren geldt dat de GGD’en een basiscapaciteit aanhouden van 300.000 prikken per week die opgeschaald kan worden bij het starten van een nieuwe vaccinatiecampagne. Op dit moment is die opschaling bezig voor de najaarsronde.2 Door tijdig te starten met vaccineren kunnen we ervoor zorgen dat minder mensen ernstig ziek worden door COVID-19. Daarmee draagt vaccineren bij aan het toegankelijk houden van de zorg en indirect aan het zoveel mogelijk openhouden van de samenleving. Met het oog op de krapte op de arbeidsmarkt en om toch snel op te kunnen schalen werken de GGD’en aan flexibele inzet van personeel voor zowel testen als vaccineren. De GGD’en zetten hun personeel zo efficiënt en productief mogelijk in. Het personeel is de afgelopen periode bijvoorbeeld ook ingezet bij de vaccinatie tegen apenpokken. GGD’en bespreken met werkgevers de mogelijkheden voor het beschikbaar stellen van medewerkers met ervaring met prikken of testen. Ook voor de GGD’en is het in de huidige arbeidsmarkt moeilijk om personeel vast te houden in de minder drukke periodes.
Zo ja, kunt u aangeven op basis van welke informatie/aanwijzingen u deze op handen zijnde nieuwe uitbraak baseert? Kunt u dit vermoeden epidemiologisch staven en zo ja, aan de hand waarvan? Kunt u hierbij een uitgebreide (statistische) analyse geven?
Er zijn verschillende indicatoren die bepalen of een nieuwe uitbraak mogelijk op handen is. De immuniteit van de populatie speelt een rol bij een mogelijke nieuwe uitbraak. Zo zijn de circulatie van het virus in groepen met een lage vaccinatiegraad, afnemende bescherming na vaccinatie of na doorgemaakte infectie of een hogere mate van «immuunevasie» van nieuwe virusvarianten allemaal factoren die kunnen leiden tot een toename in het aantal besmettingen. Daarnaast verspreidt een respiratoir virus zoals SARS-CoV-2 zich makkelijker in het najaar/de winter (seizoenseffect).
In 2020 en 2021 is er in het najaar steeds een toename gezien van het aantal besmettingen, ondanks dat er contactbeperkende maatregelen golden. Nu op dit moment geen maatregelen meer gelden, de kans op een nieuwe virusvariant aanwezig is, een afnemende immuniteit sinds eerdere (booster)vaccinatie of infectie aanwezig is en een seizoenseffect niet valt uit te sluiten, moet rekening gehouden worden met een mogelijke nieuwe uitbraak in het najaar. Om die reden heb ik in een vroeg stadium besloten het RIVM en de GGD’en opdracht te geven zich voor te bereiden op een vaccinatieronde in het najaar3 en heb ik onlangs op advies van het OMT-V besloten deze najaarsronde vanaf half september te starten.4
Gaat u de bevolking proactief oproepen om zich de komende tijd weer te laten testen bij klachten?
Zolang antigeen(zelf)testen bij klachten voldoende betrouwbaar zijn, blijft zelftesten de primaire testmethode om individuele besmettingen op te sporen en wordt niet opgeroepen tot grootschalig testen bij de GGD. Bepaalde doelgroepen, waaronder zorgpersoneel dat werkt met mensen met een kwetsbare gezondheid, kunnen nu wel terecht bij de GGD voor een PCR-test.
Grootschalige opschaling van PCR-testen voor de gehele bevolking is alleen nodig in bepaalde scenario’s, bijvoorbeeld als er een virusvariant komt waarbij de antigeen(zelf)testen onvoldoende betrouwbaar zijn, terwijl de besmettingen en druk op de zorg onverhoopt toch weer oplopen. Dat is (voorlopig) niet aan de orde.
Bent u het eens dat een proactief testbeleid automatisch ook zal leiden tot meer aangetoonde «besmettingen», waardoor de coronacijfers dus logischerwijs weer zullen oplopen?
Testen op corona is slechts één van de vele methoden waarmee de infectiedruk in kaart gebracht wordt. Op dit moment, zonder grootschalig te testen, wordt onder meer door middel van rioolwatermetingen, NIVEL-peilstations en de infectieradar het aantal besmettelijke personen in Nederland in beeld gebracht. Wanneer grootschalig PCR-testen opnieuw wordt ingezet, heeft dit als doel het inperken van besmettingen en het geven van gepast isolatie- of quarantaine advies in het kader van de volksgezondheid.
Onderkent u ook dat een positieve test weinig zegt, aangezien hierbij niet bekend is of een persoon ook daadwerkelijk op dat moment actief en/of een besmettelijk virus bij zich draagt?
De PCR-test toont specifiek stukjes genetisch materiaal van het SARS-CoV-2 virus aan en heeft een hoge testgevoeligheid. Dat betekent dat de PCR-test het virus ook oppikt bij iemand die nog weinig virus heeft of weinig virus meer bij zich draagt. Een positieve PCR-testuitslag kan niet altijd worden gebruikt om te bepalen of iemand na de isolatieperiode en het verdwijnen van de symptomen, nog besmettelijk is na het doormaken van COVID-19. Wel is het zeer geschikt om een actuele besmetting bij klachten of na recent contact met iemand die besmet was, aan te tonen. Op basis van die kennis kan iemand in thuisisolatie gaan en contacten informeren.
Zo ja, kan geconcludeerd worden dat door het toegenomen proactief testen straks (opnieuw) een potentieel kunstmatig gecreëerde «golf» zal optreden? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide verklaring geven?
Nee, met het huidige testbeleid wordt al proactief aangespoord een zelftest te gebruiken bij corona-gerelateerde klachten. De uitslagen hiervan worden niet centraal geregistreerd. Het al dan niet toenemen van de infectiedruk wordt gemeten door de reeds eerdergenoemde instrumenten en wordt dus niet enkel bepaald door positieve testuitslagen. Het aansporen van de bevolking om zich te laten testen bij de GGD, zal dus niet bijdragen aan het «ontstaan van die golf».
Worden de mensen die op dit moment bij de GGD op stand-by staan 100 procent betaald en zo ja, hoe verantwoordt u dat? Kunnen wij daaruit dus concluderen dat zij op dit moment betaald worden, terwijl zij geen werkzaamheden uitvoeren? Kunt u de motivatie daarachter verklaren?
Nee, als een oproepkracht niet wordt opgeroepen door de GGD wordt deze niet betaald. Indien een werknemer een beschikbaarheidsdienst heeft, wordt deze volgens CAO gedeeltelijk betaald. Omdat de testvraag fluctueert en onvoorspelbaar is vraagt dit flexibiliteit van personele inzet. Daarom worden oproepkrachten ingezet. Het al dan niet oproepen van personeel is afhankelijk van de testvraag. Hierdoor varieert de personele inzet per dag.
Uit welke gelden worden deze werknemers op stand-by bekostigd?
In de begroting van VWS is geld gereserveerd voor de bestrijding van het coronavirus. De kosten die de GGD’en maken in het kader van coronabestrijding worden gefinancierd vanuit de meerkostenregeling.
Hoeveel kosten deze werknemers op stand-by de belastingbetaler op maandelijkse basis exact?
Omdat de testvraag varieert van maand tot maand fluctueert ook het aantal ingezette oproepkrachten. Hierdoor variëren de vaste maandelijkse kosten.
Hoe lang worden deze werknemers op stand-by al betaald en hoe lang worden zij doorbetaald als er voor hen (nog) geen werk (meer) is? Kunt u de contractbepalingen van deze mensen openbaar maken voor de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Als een oproepkracht niet wordt opgeroepen door de GGD wordt deze niet betaald. Indien een werknemer een beschikbaarheidsdienst heeft, wordt deze volgens CAO gedeeltelijk betaald. Het contract van de oproepkracht is in overeenstemming met de CAO van SGO. Deze is openbaar.5
Bent u zich ervan bewust dat Nederland kampt met een nijpende koopkrachtcrisis? Zo ja, hoe verklaart u dan dat er belastinggeld wordt uitgetrokken voor het betalen van salarissen van mensen waarvoor, vooralsnog, geen werk is, terwijl er voor koopkrachtcompensatie geen ruimte is?
Het uitgangspunt van het kabinet bij de lange termijnaanpak van het coronavirus is het open houden van de samenleving. De GGD’en houden voor testen, bron- en contactonderzoek en vaccineren een beperkte basiscapaciteit aan die indien nodig kan worden opgeschaald. Het opschalen van de testcapaciteit zou nodig kunnen zijn bij de opkomst van een virusvariant waarbij antigeen(zelf)testen onvoldoende betrouwbaar zijn, terwijl de besmettingen en druk op de zorg onverhoopt toch weer oplopen. In dat geval zijn testen en bron- en contactonderzoek belangrijke instrumenten in de bestrijding van de epidemie. Voor het vaccineren geldt dat de basiscapaciteit opgeschaald kan worden met het oog op een nieuwe vaccinatieronde, zoals op dit moment het geval is. Door te vaccineren kunnen we ervoor zorgen dat minder mensen ernstig ziek worden door COVID-19. Daarmee draagt vaccineren bij aan het toegankelijk houden van de zorg en indirect aan het zoveel mogelijk openhouden van de samenleving.
Vanuit maatschappelijk oogpunt vind ik het daarom te verantwoorden dat de GGD’en deze beperkte capaciteit aanhouden en opschalen indien nodig. De GGD’en hebben daarbij nadrukkelijk aandacht voor een flexibele en zo efficiënt mogelijke inzet van personeel, gelet zowel op de kosten en op de krapte op de arbeidsmarkt.
Bent u zich ervan bewust dat Nederland kampt met grote personeelstekorten? Zo ja, waarom worden de mensen die op dit moment op stand-by staan dan niet gekoppeld aan sectoren die dringend mensen nodig hebben?
De afgelopen jaren hebben we gezien dat het coronavirus een grote impact kan hebben op onze samenleving. Het openhouden van de samenleving is een gezamenlijke opgave waar de GGD’en door te vaccineren en te testen een belangrijke bijdrage aan leveren. De GGD’en werken met een beperkte basiscapaciteit die alleen wordt opgeschaald indien daar aanleiding toe is. Oproepkrachten zijn, wanneer zij niet worden opgeroepen, beschikbaar voor ander werk op de arbeidsmarkt.