De brand in de Vondelkerk te Amsterdam en het aanstaande herstel daarvan |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brand in de Vondelkerk te Amsterdam, een rijksmonument ontworpen door Pierre Cuypers?
Ja.
Klopt het dat bij deze brand de hoofdmuren van de kerk behouden zijn gebleven en dat ook een aanzienlijk deel van het historische glaswerk intact is gebleven, waardoor het gebouw als geheel constructief behouden is gebleven?
Ja, het klopt dat delen van de gevels en het glas nog aanwezig zijn, mede door het zorgvuldige bluswerk van de brandweer. Er wordt nu door de eigenaar, Stadsherstel Amsterdam, samen met een constructeur, gekeken hoe de gevels te stutten. Daarna worden de verbrande elementen uit de kerk verwijderd. Pas dan kan er een definitieve analyse gemaakt worden van de constructieve staat.
Is het kabinet bekend met het feit dat de Vondelkerk in 1904 reeds deels door brand is getroffen en dat de destijds beschadigde onderdelen historisch getrouw zijn hersteld, zonder moderniserende of interpretatieve ingrepen?
Dit is niet geheel juist. De Vondelkerk is inderdaad in 1904 eerder getroffen door brand. Daarbij is onder meer de toren verwoest. Deze is toen herbouwd volgens een gewijzigd plan. Ook in latere tijd is de kerk verbouwd. In het bijzonder toen de kerk in de jaren ’80 door Stadsherstel Amsterdam werd gerestaureerd en herbestemd voor maatschappelijk gebruik. Zoals veel historische gebouwen toont de Vondelkerk in zijn huidige staat het resultaat van een reeks van bouwfases.
Deelt u de opvatting dat dit eerdere herstel na de brand van 1904 een relevant precedent vormt voor de wijze waarop ook nu met de herbouw van dit rijksmonument dient te worden omgegaan?
Gebouwen (en andere objecten) zijn beschermd als rijksmonument vanwege hun bijzondere erfgoedwaarden. Uitgangspunt in de omgang daarmee is het in stand houden van deze erfgoedwaarden. Tegelijkertijd zijn de meeste gebouwen voor de eigenaar een gebruiksobject. Het doel van de monumentenzorg is om behoud en gebruik op zorgvuldige wijze te verenigen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft dit vastgelegd in de Uitgangspunten voor de adviespraktijk (laatste versie 2024, Uitgangspunten en overwegingen advisering gebouwde en groene rijksmonumenten | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Deelt u de opvatting dat bij rijksmonumenten die door calamiteiten zijn beschadigd, historische reconstructie op basis van beschikbare documentatie het uitgangspunt dient te zijn?
Wat er na een calamiteit met een rijksmonument gebeurt, is in de eerste plaats aan de eigenaar. Bij de Vondelkerk heeft de eigenaar al verklaard dat alles er op gericht is de kerk te herstellen. Bij de huidige eigenaar is alle kennis over de vorige restauratie nog aanwezig. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Acht u het wenselijk dat bij de herbouw van de Vondelkerk wordt gekozen voor eigentijdse of interpretatieve ingrepen (zoals een moderne of glazen dakconstructie), indien een historisch getrouwe reconstructie technisch mogelijk is?
Het is nu te vroeg om daar een uitspraak over te doen. Eerst moet worden bekeken wat de schade precies is. Alle inspanningen zijn erop gericht de Vondelkerk te herstellen. Voor deze herstelwerkzaamheden zal door de eigenaar een vergunningaanvraag worden ingediend waarover de RCE advies zal uitbrengen aan de gemeente Amsterdam. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat van historische reconstructie uitsluitend mag worden afgeweken indien sprake is van aantoonbare technische of veiligheidsnoodzaak, en niet op basis van esthetische, beleidsmatige of functionele voorkeuren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke rol ziet u voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) bij het vaststellen van de uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, en bent u bereid deze uitgangspunten expliciet vast te leggen voordat ontwerptrajecten of architectenselecties plaatsvinden?
De RCE adviseert de gemeente Amsterdam (vergunningverlener) en de eigenaar. Er is reeds intensief contact tussen de eigenaar, Stadsherstel Amsterdam, de gemeente en de RCE. Bij de vergunningverlening voor ingrijpende wijzigingen aan rijksmonumenten is een advies van de RCE noodzakelijk. Op die manier wordt bewaakt dat zoveel mogelijk erfgoedwaarden in stand blijven. Zie verder het antwoord op vraag 4.
In hoeverre acht u het van belang dat bij de herbouw recht wordt gedaan aan het oorspronkelijke ontwerp, de materiaalkeuze en het architectonisch silhouet van Pierre Cuypers, mede gezien de nationale betekenis van diens oeuvre?
De kerk is niet voor niets een rijksmonument. Voor nu is het uitgangspunt van alle betrokkenen om de kerk te herstellen, afhankelijk van de (technische) mogelijkheden en de financiering. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid rijksmiddelen voor herstel of herbouw van de Vondelkerk te verbinden aan de voorwaarde van historisch getrouwe reconstructie conform het oorspronkelijke ontwerp, en zo ja, onder welke voorwaarden?
De financiering van het herstel van de Vondelkerk is in eerste instantie een zaak tussen de eigenaar en de verzekeraar.
Hoe voorkomt u dat bij de herbouw van rijksmonumenten na calamiteiten een precedent ontstaat waarbij «reconstructie» in de praktijk leidt tot modernisering of herinterpretatie van monumentaal erfgoed?
Bij herstel van rijksmonumenten na calamiteiten staat het behoud van de monumentale waarden centraal. Advisering door de RCE aan de gemeente Amsterdam over herstel en eventuele reconstructie vindt plaats binnen de hierboven aangehaalde uitgangspunten, waarin zorgvuldigheid, terughoudendheid en het behoud van authenticiteit leidend zijn. Daarbij kan ook ruimte zijn voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen, indien die ondersteunend zijn aan het behoud en de toekomstige instandhouding van het monument en geen afbreuk doen aan de monumentale waarden. De te nemen maatregelen worden uiteindelijk door de vergunningverlener, de gemeente Amsterdam, afzonderlijk en integraal afgewogen.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de door het kabinet en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerde uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, voordat onomkeerbare ontwerpkeuzes worden gemaakt?
De uitgangspunten die bij de advisering door de RCE worden gehanteerd zijn reeds openbaar. Zie het antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Coffeeshops maken volop reclame voor ‘space donuts’ ondanks streng verbod: ‘Online kan blijkbaar alles’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Coffeeshops maken volop reclame voor «space donuts» ondanks streng verbod:«Online kan blijkbaar alles»»?1
Ja.
Klopt het dat het reclameverbod voor coffeeshops uit de AHOJGI-criteria niet alleen ziet op fysieke uitingen, maar ook op online reclame via sociale media, zoals Instagram? En hoe zit het met websites? Mogen coffeeshops hun producten presenteren via (publiek toegankelijke) websites?
Het gedoogbeleid stelt strikte criteria aan de verkoop van softdrugs. In de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie zijn de landelijke gedoogvoorwaarden voor coffeeshops vastgelegd op grond waarvan de verkoop van softdrugs in coffeeshops wordt gedoogd. Dit zijn de zogenaamde AHOJGI-criteria (affichering, harddrugs, overlast, jeugd, grote hoeveelheden, ingezetenen, zie hieronder).
Bij de beoordeling van de vraag of kan worden afgezien van strafrechtelijk optreden tegen een coffeeshop gelden de volgende criteria:
Het afficheringsverbod (criterium A) betekent dat het voor coffeeshops niet is toegestaan om reclame te maken, in die zin dat een coffeeshop geen reclame maakt anders dan een summiere aanduiding op de betreffende lokaliteit. Dit verbod op affichering geldt voor elk medium (televisie, radio, kranten, internet, reclameborden, posters, folders, etc.). Dit betekent dus ook dat geen enkele vorm van online reclame is toegestaan, niet op sociale media en ook niet op websites. Indien dit wel het geval is, dan kan het Openbaar Ministerie besluiten tot vervolging over te gaan. De gemeente stelt binnen de kaders van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet ook lokaal coffeeshopbeleid op waarin de AHOJGI-criteria en aanvullende voorwaarden kunnen worden opgenomen. Nagenoeg alle gemeenten hebben de handhaving op het afficheringsverbod opgenomen in hun lokale beleid.2 Dat houdt in dat de burgemeesters van deze gemeenten ook bestuursrechtelijk kunnen handhaven bij een overtreding van het afficheringsverbod.
Herkent u het beeld uit het artikel in De Telegraaf dat coffeeshops online structureel reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten, terwijl fysieke reclame streng wordt gehandhaafd?
Navraag bij zowel de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) als verschillende gemeenten wijst uit dat coffeeshops niet structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. De consequenties van het overtreden van de AHOJGI-criteria kunnen ernstig zijn en leiden tot het schorsen of definitief intrekken van de exploitatievergunning en de gedoogverklaring. Mede door deze ernstige consequenties houden coffeeshops zich in het algemeen strikt aan de voorwaarden.
Deelt u de opvatting dat online reclame voor softdrugs door coffeeshops, al dan niet via eigen websites, in strijd is met het geldende gedoogbeleid, ook als deze reclame niet expliciet gericht is op minderjarigen?
Zoals in het antwoord onder vraag 2 opgenomen, stelt het gedoogbeleid strikte criteria aan de verkoop van softdrugs. In de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie is vastgelegd onder welke voorwaarden de verkoop van softdrugs wordt gedoogd door het openbaar ministerie (de AHOJGI-criteria). De gemeente kan vervolgens binnen de kaders van de Opiumwet en de Aanwijzing Opiumwet lokaal coffeeshopbeleid opstellen waarin de AHOJGI-criteria zijn opgenomen en aanvullende voorwaarden kunnen worden gesteld.
Het verbod op affichering geldt in zijn algemeenheid en dus niet alleen als de reclame expliciet gericht is op minderjarigen. Overtreding van dit criterium betekent dan ook dat zowel de burgemeester bestuursrechtelijk kan handhaven op basis van het gemeentelijke coffeeshopbeleid als het openbaar ministerie kan vervolgen op basis van artikel 3b Opiumwet.
Hoe beoordeelt u het risico dat minderjarigen via sociale media worden geconfronteerd met online reclame voor softdrugs, zoals beschreven in het Telegraaf-artikel?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 herkennen wij het beeld niet dat coffeeshops structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. Daarom beoordelen wij het risico op dit moment als laag. Mochten wij in de toekomst signalen ontvangen van de VNG of individuele gemeentes dat de situatie verandert dan zullen wij het risico opnieuw beoordelen en, indien nodig, passende maatregelen verkennen.
Bent u bekend met signalen dat gemeenten moeite hebben met de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops, ondanks dat dit verbod juridisch duidelijk is?
Zoals onder vraag 3 weergegeven, zijn ons geen signalen bekend dat coffeeshops structureel online reclame maken voor softdrugs en cannabisproducten. Wel zien we dat het handhaven op online uitingen uitdagend kan zijn voor gemeenten, bijvoorbeeld omdat het lastig is te achterhalen wie er achter de online reclame zit en dat de reclame snel verwijderd kan worden en op een andere plek geplaatst kan worden. Indien een coffeeshop online reclame maakt, kan de gemeente op basis van het lokale beleid bestuursrechtelijk handhaven. Hierbij kan de gemeente in het uiterste geval de exploitatievergunning en de gedoogverklaring schorsen of definitief intrekken.
Deelt u de zorg dat het uitblijven van effectieve handhaving van online reclame de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid ondermijnt en daarmee de gezondheid van tieners (en volwassenen) in gevaar brengt?
Zie het antwoord op vraag 3. Wij herkennen niet dat coffeeshops op grote schaal online reclame maken voor hun producten en dat hiermee de geloofwaardigheid van het gedoogbeleid wordt ondermijnd. Bij afwezigheid van online reclame door coffeeshops op grote schaal is er ook geen extra gevaar voor de gezondheid van tieners en volwassenen.
Welke instrumenten hebben gemeenten momenteel tot hun beschikking om op te treden tegen online reclame door coffeeshops, en acht u deze instrumenten voldoende effectief?
Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 stelt een gemeente binnen de landelijke kaders eigen coffeeshopbeleid vast waarin de AHOJGI-criteria en eventueel aanvullende criteria worden opgenomen. De AHOJGI- criteria vormen daarmee een onderdeel van het lokale coffeeshopbeleid en kunnen worden opgenomen als voorwaarden bij een exploitatievergunning of een gedoogverklaring voor een coffeeshop. Dit betekent dat bij niet-naleving van deze criteria de burgemeester bestuursrechtelijk kan handhaven omdat niet aan de voorwaarden voor de vergunning wordt voldaan. Gemeenten leggen in het gemeentelijke handhavingsbeleid vast welke maatregelen zij kunnen nemen indien coffeeshops zich niet houden aan de voorwaarden. In het uiterste geval kan de burgemeester de exploitatievergunning en gedoogverklaring van een coffeeshop schorsen of intrekken. Daarnaast kan het openbaar ministerie tot vervolging overgaan op basis van artikel 3b Opiumwet. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek.
Inmiddels zijn er handhavingsverzoeken ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam. Het is aan de burgemeester om op deze handhavingsverzoeken te reageren.
Kunt u gemeenten landelijk ondersteunen of faciliteren bij de handhaving van het online reclameverbod voor coffeeshops? Bijvoorbeeld door landelijke richtlijnen, expertise of samenwerking met andere instanties?
Navraag bij VNG en individuele gemeenten leert dat er geen behoefte is aan landelijke richtlijnen of ondersteuning op dit gebied. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 3 is het afficheringsverbod voor gemeenten voldoende helder en houden coffeeshops zich in het algemeen aan de voorwaarden. Indien een coffeeshop zich niet aan de voorwaarden houdt, kan de burgemeester overgaan tot bestuursrechtelijke handhaving.
Ziet u een rol voor landelijke toezichthouders bij het tegengaan van online reclame voor softdrugs door coffeeshops? Bent u bereid met sociale-mediaplatforms het gesprek aan te gaan om te voorkomen dat coffeeshops reclame maken voor drugs via de sociale media?
Waar het gaat om online reclame voor softdrugs door coffeeshops is het aan de gemeente om bestuursrechtelijke sancties op te leggen aan een coffeeshop, dan wel aan het openbaar ministerie om een coffeeshop te vervolgen.
Daarnaast moeten onlineplatforms op grond van de Europese Digital Services Act maatregelen nemen om illegale content tegen te gaan. In het algemeen geldt dat alle reclame voor drugs illegale content is en ik ben actief bezig met de aanpak hiervan. In deze aanpak zoeken wij samen met andere ministeries geregeld de dialoog met sociale-media platformen op. Afgelopen jaren is een publiek-private samenwerking onder neutraal voorzitterschap van het Platform van de InformatieSamenleving (ECP) opgezet, waarin publieke en private partijen bijeenkomen om uitdagingen, zorgen en ontwikkelingen op het gebied van online content met elkaar te bespreken.3 Deze dialoog ondersteunt de aanpak van diverse vormen van schadelijke en illegale online content.
Verder houdt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toezicht op de naleving van de Digital Services Act voor tussenhandeldiensten met een hoofdvestiging in Nederland. Een platform moet volgens de DSA passende en evenredige maatregelen nemen om de bescherming van minderjarigen voldoende te waarborgen. De ACM heeft in dat kader een onderzoek geopend naar Snapchat in verband met de handel van vapes aan minderjarigen. De ACM onderhoudt hierbij nauw contact met de Europese Commissie, omdat Snapchat is aangemerkt als Very Large Online Platform (VLOP) en daardoor onder rechtstreeks toezicht van de Europese Commissie valt. Ik volg de uitkomsten van het onderzoek van de ACM met interesse.
Ook wordt de internationale samenwerking opgezocht met andere landen om problemen met jurisdictie te ondervangen en elkaars ervaringen te delen. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheid tot publiek-private samenwerking, onder andere op Europees niveau met internetproviders om zo de uitdagingen – van de online verkoop van verboden middelen – gezamenlijk te adresseren.
Tot slot is het goed om te benadrukken dat het kabinet investeert in de opsporing van gedigitaliseerde criminaliteit. Deze investering zal ook de handhaving van de online verkoop van drugs ten goede komen.
Op welke wijze wordt binnen het kabinet samengewerkt tussen de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport op dit dossier, gezien de raakvlakken met zowel handhaving als jeugd- en preventiebeleid?
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport werken intensief samen op het gebied van drugsbeleid in het algemeen en op het coffeeshopbeleid in het bijzonder. Dit gaat om zowel het reguliere coffeeshopbeleid als het Experiment gesloten coffeeshopketen. In de Kamerbrief inzake het drugsbeleid, die 22 mei vorig jaar aan uw Kamer is gestuurd, wordt verder ingegaan op de samenwerking op het gebied van preventie en handhaving van drugs in het algemeen.4
Bent u bereid te bezien of aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen nodig zijn om te voorkomen dat het reclameverbod voor coffeeshops online een dode letter blijft, zoals geschetst in het Telegraaf-artikel?
Wij achten aanvullende landelijke maatregelen of verduidelijkingen niet nodig aangezien het afficheringsverbod voor coffeeshops voldoende helder is en gemeenten dan wel het OM kunnen optreden indien een coffeeshop zich hier niet aan houdt.
Het NOS-bericht 'Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Meta blokkeert tientallen queer- en abortus-accounts, zonder uitleg»1 en het bericht van Bits of Freedom «Meta sluit accounts af uit genderrechten- en abortusbeweging»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u het recente blokkeren en verwijderen door Meta van tientallen accounts op haar sociale mediaplatform?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en transparant zijn. Daarbij geldt dat wat offline illegaal is, online ook illegaal is. Discriminatie en uitsluiting is niet toegestaan. Ook niet door internetplatforms. Als blijkt dat een online dienst stelselmatig inbreuk maak op de grondrechten, verdient dat een stevige veroordeling. Een beoordeling of er tevens sprake is van overtreding van wet- of regelgeving, zoals de Digital Services Act, is aan de bevoegde toezichthouder(s).
Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. Zo moeten platforms de gebruiker een duidelijke en specifieke motivering verstrekken. Ook dienen online platforms adequate mogelijkheden aan te bieden om bezwaar te maken tegen het verwijderen of schorsen van accounts. In het geval van zeer grote online platformen (VLOP’s) als Meta is de Europese Commissie de aangewezen toezichthouder op de naleving van de DSA.
Hoeveel accounts van personen en groepen die zich bezighouden met genderrechten, queerrechten en abortusbewegingen zijn door Meta geblokkeerd?
In dergelijk detail heb ik daar geen zicht op. De Europese Commissie houdt een database bij waarin onder meer zeer grote online platforms inzicht geven in de moderatie die zij verrichten. Wanneer een online platform besluit om accounts te schorsen of content te verwijderen, moet het platform het besluit en de specifieke motivering hiervoor indienen voor opname in de database.3
Ziet u een groeiende trend in het aantal gebruikers die zich inzetten voor politieke doelen dat beperkingen opgelegd krijgt door Meta?
Daar heb ik op dit moment geen zicht op. Het onderzoek van Repro Uncensored stelt dat sprake is van een toename aan dergelijke beperkingen in 2025 ten opzichte van 2024. De DSA verplicht online platforms tot transparantie over hun moderatiepraktijken en de toezichthouders controleren hierop.
Hoe reageert u op de bewering van Meta dat hier sprake is van een technische fout? Op welke manier kunt u vaststellen dat er daadwerkelijk sprake is van een fout in de (geautomatiseerde) contentmoderatie van Meta?
In het kader van zorgvuldigheid uit ik nog geen oordeel. Het namelijk niet aan mij om vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van fouten in de moderatiepraktijken van online platforms, maar aan de toezichthouder. Wel worden signalen als deze benoemd tijdens het structurele contact dat ik heb met de toezichthouder.
Deelt u de analyse van burgerrechtenorganisatie Repro Uncensored dat Meta het specifiek gericht heeft op queer en LHBTI-accounts en accounts beheerd door sekswerkers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen bent u bereid om te nemen op basis van de bevindingen?
Het is niet passend als ik me daarover uitlaat, dat is aan de toezichthouder. In algemene zin vind ik het belangrijk dat de online publieke ruimte inclusief moet zijn en dat het niet zo kan zijn dat accounts op basis van specifieke gronden onevenredig worden geblokkeerd of gecensureerd.
Online platforms mogen hun eigen algemene voorwaarden vormgeven, maar moeten die zorgvuldig, evenredig en objectief handhaven (artikel 14, DSA). Er is in Nederland en de EU geen ruimte voor ongelijke behandeling in gelijke gevallen en het overtreden van nationale en Europese wetgeving door een platform en het is aan de Europese Commissie om te handhaven. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie in het uitoefenen van haar toezichthoudende taak op de naleving van de DSA en diens kaders ter beperking van systeemrisico’s als online haat en discriminatie. Als er sprake blijkt van systeemrisico’s op een online platform als online haat tegen gemarginaliseerde groepen, biedt de DSA ook middelen om dit te sanctioneren.
Zoals afgelopen zomer werd aangekondigd in het Plan van aanpak tegen online discriminatie, treft het kabinet zelf ook maatregelen om de prevalentie van online discriminatie zichtbaar te maken en voor Nederlandse burgers om hun digitale rechten te gebruiken. Ook maatregelen gericht op zogeheten awful but lawful content, dat schadelijk is maar niet-evident onrechtmatig.
Is de manier waarop deze accounts verwijderd zijn, zonder uitleg en bezwaarmogelijkheden, in strijd met artikel 17 van de Europese Digital Services Act, dat stelt dat «opgelegde beperkingen» voorzien moeten zijn van «een duidelijke en specifieke motivering»?
Als er inderdaad sprake is van opgelegde beperkingen zonder een duidelijke en specifieke motivering, dan kan er sprake zijn van een overtreding van de DSA. Indien dit geen geïsoleerd incident is maar onderdeel van een patroon, kan de bevoegde toezichthouder dit nader onderzoeken en desnoods handhavend optreden.
De DSA verplicht ook tot het bieden van een bezwaarmogelijkheid voor gebruikers. De getroffen gebruikers kunnen dit geschil daarnaast voorleggen aan één van de buitengerechtelijke geschilbeslechtingscommissies voor een onafhankelijke beoordeling.4 Indien zij in het gelijk worden gesteld dan kan dat leiden tot een besluit dat Meta hun account(s) moet herstellen. Tot slot kunnen de getroffen gebruikers een civielrechtelijke zaak tegen Meta starten. Er is inmiddels al een aantal voorbeelden waarbij Nederlandse organisaties en personen platforms voor de rechter hebben gedaagd wegens overtreding van de DSA, en dat hebben gewonnen.
Welke gevolgen heeft het voor Meta als blijkt dat zij zich niet aan de Digital Services Act heeft gehouden? Hoe ziet u erop toe dat dit wordt gehandhaafd?
De Europese Commissie kan als toezichthouder dwangsommen van de gemiddelde dagomzet en geldboetes opleggen ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet van een VLOP. Daarnaast kunnen personen en organisaties via de civiele rechter online platforms dagen voor overtredingen van de DSA, of gebruik maken van de mogelijkheden om de zaak voor te leggen aan een onafhankelijke geschilbeslechtingscommissie. Zoals hiervoor toegelicht zijn daar reeds succesvolle voorbeelden van bekend.
Deelt u de mening van de indieners dat onafhankelijk onderzocht moet worden of hier sprake is van discriminatoir handelen?
Dat is niet aan mij. Het is zaak dat de bevoegde toezichthouders onafhankelijk kunnen opereren. Ik vind het niet passend dat ik me uitlaat over de noodzaak om de ene of een andere zaak al dan niet te onderzoeken.
In algemene zin ben ik voorstander van een transparante online publieke ruimte en vind ik het belangrijk dat de mogelijkheid bestaat om onafhankelijk onderzoek te doen met gebruik van openbare data van online platformen. Artikel 40 van de DSA biedt mogelijkheden daartoe. Wanneer een online platform deze toegang verhindert, kan de Europese Commissie daar een procedure tegen starten.
Deelt u de mening dat het blokkeren van accounts op sociale media platforms op grond van ideologische of politieke voorkeuren indruist tegen Europese wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Platforms mogen volgens de DSA hun eigen algemene voorwaarden bepalen, maar moeten bij het opstellen en toepassen daarvan gepaste aandacht hebben voor de rechten en legitieme belangen van alle betrokkenen. Waaronder de grondrechten van de afnemers van de dienst, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid en de pluriformiteit van de media en andere fundamentele rechten en vrijheden zoals in het Handvest verankerd. Een oordeel of er in dit geval sprake is van een eventuele overtreding hiervan is aan de bevoegde toezichthouder, en uiteindelijk aan de (bestuurs)rechter, of in een privaatrechtelijke procedure aan de civiele rechter.
Bent u van mening dat het uw verantwoordelijkheid is om burgers te beschermen tegen online discriminatie of onrechtmatig handelen van grote mediaplatformen zoals Meta? Bent u bereid om met Meta hierover in gesprek te gaan?
Ja. Samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zet ik stappen om alle vormen van discriminatie en onrechtmatige behandeling door grote mediaplatformen aan te pakken. De maatregelen hiertoe liggen besloten in het Plan van aanpak tegen online discriminatie. Het contact tussen ons ministerie en de internetsector is structureel van aard, thema’s als non-discriminatie, veiligheid en inclusiviteit vormen (naast andere publieke waarden) de kern van dit contact.
Bent u bereid om op basis van Europese en Nederlandse wetgeving op te treden en sancties op te leggen aan Meta als onderzoek uitwijst dat er tegen de wet wordt gehandeld?
De Europese Commissie is in eerste instantie de aangewezen partij om handhavend op te treden tegen overtredingen van de DSA door VLOP’s zoals Meta. Ik ondersteun de Europese Commissie waar mogelijk in diens rol als toezichthouder op de naleving van de DSA.
Bent u bereid om bij de Europese Commissie aan te dringen op een onderzoek naar deze gevallen? Zo nee, waarom niet?
Het contact tussen de Europese Commissie en mijn ministerie (en andere relevante ministeries) is structureel van aard. Ik zie het als mijn taak om de Europese Commissie waar mogelijk te ondersteunen bij haar taakuitoefening als toezichthouder op de naleving van de DSA. Daar hoort ook het doorgeven van signalen zoals in deze berichtgeving bij. Daarbij vertrouw ik de Europese Commissie bij het uitoefenen van haar rol, dus voor aandringen zie ik geen noodzaak. Dat zou ook niet passend zijn omdat het de onafhankelijkheid van de Europese Commissie in het geding brengt.
Wel begrijp ik uw verlangen naar ad hoc en daadkrachtig ingrijpen bij waargenomen incidenten. De DSA is ontworpen om de grondrechten van mensen in de online wereld te bestendigen en ik vind het belangrijk binnen de kaders van de wet te blijven handelen. De DSA is een relatief nieuwe wet en het vereist tijd om inzicht te krijgen of de geboden kaders en maatregelen werken zoals bedoeld. In 2027 evalueert de Europese Commissie de wet en wordt deze evaluatie voorgelegd aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. Tijdens deze evaluatie is er ook de mogelijkheid om namens Nederland input te geven.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
De positie van Palestijnse christenen |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat een aantal Israëlische kolonisten voorbereidingen treffen voor een nieuwe nederzetting in het overwegend christelijke Beit Sahour, in de omgeving van Bethlehem?1 Hoe luidt uw reactie op deze berichten?
Ja. Het standpunt van het kabinet ten aanzien van nederzettingen is bekend: die zijn onrechtmatig. Het bericht over de ontwikkelingen in Beit Sahour is daarom zorgelijk.
Klopt het dat het land al was bestemd voor publieke voorzieningen, zoals een kinderziekenhuis? Klopt het dat door dergelijke activiteiten van kolonisten er steeds minder plaats is voor de bevolking, die voornamelijk bestaat uit Palestijnse christenen? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat dit gebied initieel was bedoeld om een kinderziekenhuis te bouwen. Het kabinet veroordeelt het Israëlische nederzettingenbeleid alsook dergelijke acties van kolonisten.
Is deze onteigening op grond van de onderlinge Oslo-Akkoorden of Israëlisch recht te onderbouwen? Zo ja, op welke wijze?
Nee. Dergelijke onteigeningen kunnen niet gerechtvaardigd worden. Zoals het Internationaal Gerechtshof ook aangeeft in zijn advies van 19 juli 2024 moet privéeigendom worden gerespecteerd en mag het niet worden geconfisqueerd. Het Hof merkt op dat dit verbod op confiscatie van privéeigendom onvoorwaardelijk is: het staat geen uitzonderingen toe, niet in geval van militaire noodzaak, noch op enige andere grond. Nederland respecteert het oordeel van het IGH.
Bent u bereid om specifiek deze casus ter sprake te brengen in uw gesprekken met Israëlische autoriteiten en hun antwoord met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet, net als de EU, veroordeelt het nederzettingenbeleid in algemene zin, draagt deze boodschap publiekelijk uit en brengt deze ook stelselmatig over aan Israël. Dit heb ik tijdens mijn reis aan Israël in november jl. gedaan. Ook heeft Nederland, middels een verklaring met andere landen, de recente goedkeuring van 19 nieuwe nederzettingen door Israël veroordeeld als schending van het internationaal recht en ondermijnend voor een gedragen tweestatenoplossing.
Wat is uw reactie op berichtgeving dat Israëlische kolonisten systematische aanvallen uitvoeren gericht op Palestijnse christenen, bijvoorbeeld door inbreuk te maken op het klooster van St. Gerasimos in de buurt van Jericho?2
Berichten over aanvallen op Palestijnen, onder wie Palestijnse christenen, en het verder onder druk zetten van christelijke instituties in de Palestijnse Gebieden, zijn zorgelijk. Dat ondermijnt de vrijheid van religie en levensovertuiging aldaar. Cultureel erfgoed, waaronder religieuze gebouwen, dient te worden beschermd onder het bezettingsrecht. Het kabinet veroordeelt het geweldgebruik van kolonisten en blijft zich in EU-verband onverminderd inzetten voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om richting de Israëlische regering de boodschap over te brengen dat deze kolonisten ter verantwoording moeten worden geroepen en dat religieus erfgoed moet worden beschermd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met signalen dat sinds 7 oktober 2023 Israëlische autoriteiten Palestijnse christenen slechts beperkt toegang geven tot de Oude Stad in Jeruzalem? Hoe beoordeelt u dat? Bent u bereid om de Israëlische autoriteiten te vragen om te borgen dat alle christenen, ongeacht hun achtergrond, toegang krijgen tot de Oude Stad om christelijke feesten te kunnen vieren?
De druk op christelijke instituties en christenen in de Palestijnse Gebieden, waaronder Oost-Jeruzalem, is zorgelijk, gezien het recht op vrijheid van godsdienst en de speciale status die Jeruzalem zowel binnen het jodendom, het christendom en de islam inneemt. Nederland zet zich wereldwijd actief in voor de bescherming van de vrijheid van religie en levensovertuiging als een fundamenteel mensenrecht. Dit doet Nederland onder andere via het Mensenrechtenfonds, het werk van de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de Mensenrechtenambassadeur, bilaterale diplomatie en in multilaterale gremia en initiatieven. Daarbij komt Nederland op voor de rechten van alle religieuze groepen, waaronder christenen, met speciale aandacht voor kleine en kwetsbare geloofsgemeenschappen. Verder steunt Nederland verschillende projecten gericht op de bevordering van vrijheid van religie in Israël en de Palestijnse Gebieden. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden in november jl. is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor (Palestijnse) christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem. In dat kader is onder meer gesproken met de Grieks-Orthodoxe Kerk.
Welke stappen zet u om ervoor te zorgen dat de komende kerstdagen door Palestijnse christenen ongehinderd, met eerbied en veilig gevierd kunnen worden, zeker in het licht van bovenstaande berichten?
Er zijn geen incidenten gerapporteerd rondom de afgelopen Kerst.
Herinnert u zich de eerdere schriftelijke vragen en antwoorden ten aanzien van de Tent of Nations?3 Wat is nu het vooruitzicht ten aanzien van de juridische kwestie en de onrechtmatige stappen op grond van de familie Nassar?
De omstandigheden zijn onveranderd ten opzichte van de situatie zoals geschetst in de antwoorden van het kabinet op eerdere schriftelijke vragen. De familie Nassar wacht nu al meer dan een jaar op een uitspraak in de zaak over hun landregistratie. De familie Nassar heeft geen andere pressiemiddelen dan de lopende juridische processen en hun internationale contacten. Het kabinet volgt de ontwikkelingen en brengt de zaak van Tent of Nations waar mogelijk onder de aandacht bij de Israëlische autoriteiten.
Herinnert u zich de eerdere vragen en antwoorden ten aanzien van «arnona», het belasting heffen op kerkelijk bezit in Jerusalem?4 Kunt u een update geven over de stand van zaken?
Er zijn sinds de beantwoording van deze vragen geen nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van het beleid rondom belastingen op kerkelijke eigendommen in Jeruzalem.
Erkent u dat dergelijke acties van meerdere Israëlische kolonisten stappen richting duurzame vrede tussen Israël en de Palestijnen verder weg brengen? Welke stappen onderneemt u richting het bereiken van duurzame vrede?
Zoals bekend zet het kabinet zich in voor een duurzame oplossing voor het conflict, waarbij het uitgangspunt de tweestatenoplossing blijft. Het nederzettingenbeleid en kolonistengeweld ondermijnen dit doel. Daarom blijft Nederland zich in EU-verband onverminderd inzetten voor sancties tegen gewelddadige kolonisten. Nederland blijft zich naar vermogen en met partners inzetten voor verbetering van de situatie, bilateraal en via multilaterale fora zoals de EU en de VN.
Het bericht ‘Pakistaanse voorganger doodgeschoten’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Pakistaanse voorganger doodgeschoten»?1 Kunt u het bericht op basis van uw informatie bevestigen?
Betrouwbare contacten van de ambassade in Islamabad bevestigen het bericht. Geweld tegen Christenen en mensen in het algemeen vanwege hun levensovertuiging en religie keurt het kabinet te allen tijde af. Vrijheid van religie en vrijheid van meningsuiting zijn fundamentele mensenrechten die voor iedereen gelden, ongeacht achtergrond of overtuiging.
Begrijpt u dat de Pakistaanse christelijke gemeenschap zeker ook weer de komende kerstdagen vreest voor mogelijk geweld en dat zij zelf onvoldoende veiligheidsmaatregelen kan treffen? Bent u van oordeel dat Pakistaanse christenen voldoende worden beschermd en zo nodig beveiligd? Zo nee, welke stappen onderneemt u, zowel bilateraal als in EU-verband, om te pleiten voor betere bescherming?
Het kabinet deelt de zorgen dat de veiligheid van Christenen en andere religieuze minderheden in Pakistan onder druk staat. Nederland spreekt daarom regelmatig met de Pakistaanse autoriteiten over de vrijheid van religie en levensovertuiging en het belang van de bescherming van Christenen en andere religieuze minderheden. Dit gebeurt zowel bilateraal, in Den Haag alsook via de Nederlandse ambassade in Islamabad, als via diverse multilaterale fora. Ook de EU ambassadeur in Islamabad brengt het onderwerp regelmatig op in gesprekken met de Pakistaanse autoriteiten. Ook ondersteunt de Nederlandse ambassade in Islamabad diverse maatschappelijke organisaties die zich sterk maken voor vrijheid van religie en levensovertuiging in Pakistan.
Herkent u de conclusies van mensenrechtenorganisaties en christelijke leiders dat aanvallen op religieuze minderheden in Pakistan vaak ongestraft blijven en autoriteiten vaak niet voor hen opkomen, bijvoorbeeld in het geval van de ontvoering en gedwongen bekering van christelijke meisjes? Zo ja, welke stappen onderneemt u, zowel bilateraal als in EU-verband om ervoor te zorgen dat de Pakistaanse rechtsstaat óók geldt voor religieuze minderheden?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat de blasfemiewetten in Pakistan worden misbruikt, door christenen valselijk aan te klagen vanwege godslastering? Wat is uw huidige inzet op dit punt? Bent u bereid om zich harder in te zetten tegen misbruik, danwel afschaffing van deze wetten?
Blasfemiewetten zijn diepgeworteld in de Pakistaanse samenleving en politiek. Het beschermen van moslims en de islam in Zuid-Azië is een kernreden voor de oprichting van het land. Pakistan is weinig ontvankelijk voor pogingen van andere landen of organisaties om deze wetten aan te passen. Nederland zet zich zowel bilateraal als via diverse multilaterale kanalen in om landen, waaronder Pakistan, aan te sporen tot het afschalen en afschaffen van blasfemiewetgeving. Tijdens de Universal Periodic Review (UPR) in de Mensenrechtenraad in 2023 – het peer reviewmechanisme over mensenrechten waar alle VN-landen aan kunnen deelnemen – heeft Nederland Pakistan aanbevolen juridische en praktische maatregelen te nemen om misbruik van blasfemiewetten te voorkomen en religieuze intolerantie aan te pakken. Daarnaast pleit Nederland ook in andere internationale fora, zoals de International Religious Freedom or Belief Alliance (IRFBA), voor het afschaffen van de doodstraf voor blasfemie en afvalligheid.
Hoe rijmt u de onveiligheid van christenen in Pakistan met de GSP+ (Generalized Scheme of Preferences)-status die Pakistan heeft, waardoor het land profiteert van preferentiële toegang tot de markt van de EU? Wanneer zou er reden zijn voor het intrekken van deze status, als mensenrechten van religieuze minderheden structureel worden geschonden?
Pakistan is sinds 2014 een begunstigd land onder het GSP+ schema van het Generalized Scheme of Preferences (GSP). Als voorwaarde voor het verkrijgen van GSP+ status, heeft Pakistan 27 internationale verdragen op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, milieu en goed bestuur geratificeerd.2 De effectieve implementatie van die verdragen door GSP+ begunstigde landen wordt door de Europese Commissie (EC) gemonitord. Er is in december 2025 een monitoringsmissie van de EC geweest, de rapportage wordt in februari 2026 verwacht. Tijdens de monitoringsmissie zijn ook de rechten van (religieuze) minderheden en (valse) beschuldigingen van blasfemie onder de loep genomen. Het monitoringsregime biedt de Europese Commissie en EU-lidstaten een instrument om onvoldoende naleving van die verdragen aan de orde te stellen in dialoog met begunstigde landen.
Indien sprake is van ernstige en systematische mensenrechtenschendingen, is de Europese Commissie bevoegd een voorstel te doen om tariefpreferenties tijdelijk op te schorten. Op dit moment acht de Commissie dat voor Pakistan niet aan de orde. Het kabinet zal in lijn met motie-Ceder (Kamerstuk 32 735, nr. 391) in Europees verband het belang benadrukken van het meewegen van de situatie aangaande vrijheid van religie en levensovertuiging en rechten van minderheden in de afwegingen hieromtrent.
Bent u bereid om de Kamer periodiek op de hoogte te houden van uw inzet op de vrijheid en veiligheid van religieuze minderheden, zoals christenen in Pakistan? Zo nee, waarom niet?
De vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de prioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Aandacht voor de positie van christelijke gemeenschappen maakt deel uit van de bredere Nederlandse inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, zeker in landen waar christelijke gemeenschappen onder druk staan, zoals Pakistan. De Kamer wordt periodiek over de Nederlandse mensenrechteninzet en resultaten inclusief voor de vrijheid van religie en levensovertuiging in de jaarlijkse mensenrechtenrapportage geïnformeerd.3
De organisatie van chanoekaconcerten en andere concerten met een joods karakter in het Concertgebouw |
|
Annabel Nanninga (JA21), Diederik Boomsma (CDA) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD), Becking |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanvankelijke beslissing van het Concertgebouw in Amsterdam om het jaarlijkse chanoekaconcert van de Stichting Chanukah Concert te cancelen vanwege de aanwezigheid van een zanger uit Israël, omdat hij ook cantor is voor en optreedt bij bijeenkomsten van het Israëlische leger?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het zogenaamde compromis op grond waarvan, naast een eerder programma, het concert met de betreffende cantor alleen in beslotenheid werd gehouden? Hoe beoordeelt u dat het daarmee niet mogelijk is voor niet-genodigden om dit chanoekaconcert bij te wonen?
Ja, wij zijn bekend met het compromis, en dat de viering in een andere vorm doorgang heeft kunnen vinden. Er is uitgebreid overleg gevoerd tussen de partijen. Wij staan positief tegenover het feit dat het is gelukt om tot een oplossing te komen die voor de verschillende betrokken partijen acceptabel is.
Kent u andere voorbeelden van culturele instellingen en zaalverhuurders waarbij de (subsidie-ontvangende) organisatie eist dat individuele artiesten of musici van een groep worden vervangen wegens andere optredens, functies of werkzaamheden in het land van herkomst? Zo ja, welke? Graag een toelichting.
Wij kennen geen vergelijkbare casus waarbij een organisatie verzoekt een individuele artiest te vervangen. Wel zijn er door sommige instellingen keuzes gemaakt om voorstellingen te vervangen die niet aansluiten bij de profilering van de betreffende instelling.
Heeft u kennisgenomen van de manier waarop het chanoekaconcert op 14 december 2025 bij het Concertgebouw heeft plaatsgevonden en dat daarbij rookbommen zijn gegooid en «leve Hamas» werd geroepen?
Ja.
Heeft u gezien dat bij de ingang van het Concertgebouw een bord omhoog werd gehouden met de tekst die de pogrom van 7 oktober 2023 verheerlijkte? Kunt u aangeven wanneer de politie kan optreden tegen het verheerlijken van recente moord- en martelpraktijken en wanneer dergelijke teksten als intimidatie en opruiing kunnen worden bestempeld? Graag een toelichting.
In het wetboek van Strafrecht zijn verschillende uitingsdelicten opgenomen, zoals strafbare vormen van persoonlijke belediging (zie de artikelen 261, 262 en 266 Sr), bedreiging (artikel 285 Sr), groepsbelediging (artikel 137c Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld tegen een groep mensen (artikel 137d Sr) en opruiing (artikel 131 Sr). Het in het openbaar tonen van een bepaald symbool, tekst of afbeelding of het roepen van leuzen kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een uitingsdelict opleveren. Daarvoor is vereist dat de wettelijke bestanddelen van het desbetreffende uitingsdelict zijn vervuld. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht niet zodanig specifiek zijn dat bijvoorbeeld het roepen van leus X of het tonen van symbool Y telkens afzonderlijk strafbaar is gesteld. Ter verzekering van een breed toepassingsbereik zijn de uitingsdelicten vrij algemeen omschreven.
Onder opruiing (artikel 131 Sr) wordt verstaan het aanzetten tot een strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Intimidatie is niet zelfstandig strafbaar gesteld, maar kan afhankelijk van de feiten en omstandigheden een uitingsdelict opleveren. Bijvoorbeeld wanneer de uiting kwalificeert als zich in het openbaar opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen vanwege wegens hun ras/hun godsdienst/hun levensovertuiging/hun seksuele gerichtheid/hun handicap (artikel 137c Sr). Het wetsvoorstel om verheerlijking van terrorisme strafbaar te stellen ligt op dit moment bij de Raad van State.
De politie en het Openbaar Ministerie (OM) zijn verantwoordelijk voor het ingrijpen bij mogelijke strafbare uitingen tijdens een demonstratie. Of er (direct) ingegrepen kan worden om strafbare feiten te beëindigen, hangt af van de context waarbinnen overtredingen of strafbare feiten plaatsvinden.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat met de andere organisator van een jaarlijks chanoekaconcert in het Concertgebouw (dat jaarlijks plaatsvond in de grote zaal en een van de grootste joodse culturele evenementen in Europa was), The Jewish Amsterdam Chamber Ensemble, het huurcontract al eerder niet was verlengd voor 2025 en dat dit concert daarom dit jaar ook al niet zoals de afgelopen jaren kan doorgaan in het concertgebouw?
De Chanukah-concerten in Het Concertgebouw worden alternerend georganiseerd door de Stichting Chanukah Concerts en door de Stichting Jewish Music Concerts. De Stichting Jewish Music Concerts (organisator van het concert van The Jewish Amsterdam Chamber Ensemble) heeft de Chanukah-vieringen georganiseerd in 2022 en 2024. In 2025 werd de viering door de Stichting Chanukah Concerts georganiseerd.
Hoe beoordeelt u de beslissing van het Concertgebouw om deze concerten te weren, mede in het licht van de vele andere joodse evenementen die worden gecanceld en geweerd, en bijvoorbeeld het feit dat joodse organisaties moeite ondervinden om zalen te huren voor bijeenkomsten?
Voorop staat dat het onacceptabel is als een concert geen doorgang kan vinden wegens een Joods thema of Joodse achtergrond van een organisatie. Culturele instellingen gaan wel zelf over de programmering. Wij zien ook dat de spanningen in de samenleving voor instellingen lastig te hanteren zijn. Om die reden is in het kader van de «strategie bestrijding antisemitisme» een subsidieverzoek ingewilligd van Kunsten«92 in samenwerking met het Verwey-Jonker instituut om de culturele en creatieve sector handvatten te bieden voor het omgaan met maatschappelijke spanningen en polarisatie. Deze is 20 januari 2026 gepubliceerd. Zoals blijkt uit dit rapport, hangt een besluit om iets wel of niet te programmeren naast de kernwaarden in de praktijk ook af van de risico’s op onveiligheid voor medewerkers, bezoekers en artiest/maker/kunstenaar; en mogelijke schade aan materialen en gebouwen. Daarmee heeft dit probleem ook een financieel component (i.e. beveiligingskosten).
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het personeel van het Concertgebouw vorig jaar bij het lustrumconcert heeft gedreigd om niet te werken om zo tot afblazen van dat concert te dwingen en dat de directie bovendien zou hebben geëist dat er geen Israëlische vlaggen zouden worden getoond en dat daarna de samenwerking is stopgezet? Hoe beoordeelt u dat?
Ja, het geplande concert heeft tot ophef onder het personeel geleid. Hoe daarmee wordt omgegaan is aan de organisatie. Wel is het onacceptabel als een concert geen doorgang kan vinden wegens een Joods thema of Joodse achtergrond van een organisatie. Het is daarom goed dat het lustrumconcert door is gegaan.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het Concertgebouw een optreden van het Jerusalem String Quartet in mei vorig jaar aanvankelijk had geannuleerd, na hetze kritiek van de pro-Palestijnse pressiegroepen, omdat men aangaf te vrezen voor demonstraties en de veiligheid, maar zonder dat hierover eerst contact of overleg was gezocht met de Amsterdamse driehoek om die veiligheidssituatie te verbeteren?
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat zo een patroon is ontstaan waarbij joodse en/of Israëlische evenementen worden ontmoedigd, afgeblazen en/of geweerd in het Concertgebouw of alleen mogelijk zijn onder druk van allerlei concessies op de inhoud, en ook op veel andere locaties? Welke stappen wilt u zetten om daar een einde aan te maken om ervoor te zorgen dat joodse en/of Israëlische evenementen gewoon veilig en ongestoord kunnen doorgaan?
Ja. Een van de maatregelen in de Strategie Bestrijding Antisemitisme is het Veiligheidsfonds Joodse Instellingen en Evenementen. Het primaire doel hiervan is dat Joods leven gewoon door moet kunnen gaan in Nederland en dat daarom middelen beschikbaar zijn voor veiligheidsinspanningen die helaas nodig zijn om dit mogelijk te maken. De organisator van het Chanoekaconcert heeft hier in 2025 gebruik gemaakt.
Deelt u de mening dat, wanneer concertzalen of andere podia vrezen voor intimidatie en onveiligheid wanneer daar Joden en/of Israëli’s optreden, het cruciaal is dat men daar niet voor buigt maar juist extra moet inzetten op het laten doorgaan ervan, en dat de overheid dan indien nodig aanvullende maatregelen treft? En zo ja, welke stappen heeft de regering gezet om dat te bewerkstelligen en te laten landen en wat doet de regering om ervoor te zorgen dat die veiligheid dan wordt geboden?
Ja, wij verwachten dat concertzalen of andere podia zich tot het uiterste inspannen om doorgang te geven aan culturele uitingen. De primaire verantwoordelijkheid voor een ordentelijk en veilig verloop van een bijeenkomst ligt bij de organisator en/of accommodatie. Dat geldt ook voor de mogelijke onveiligheid van betrokken personen (publiek, artiesten, personeel, enzovoorts). De burgemeester kan aanvullende maatregelen nemen als de aard en de omvang van de dreiging dermate is dat de organisatie en/of accommodatie hier zelf geen weerstand (meer) tegen kunnen bieden. De burgemeester is namelijk verantwoordelijk voor de openbare orde en de veiligheid, waar hij in de driehoek samen optrekt met het OM en de politie. Inspanningen van het kabinet zijn erop gericht het lokaal bestuur zo effectief en efficiënt als mogelijk in staat te stellen de lokale veiligheid te vergroten. Binnen dit systeem zijn al extra maatregelen mogelijk, bijvoorbeeld bewaking van instellingen door politie of KMAR wanneer er concrete informatie over onveiligheid is. In het kader van maatregelen verwijzen wij u ook naar het antwoord van vraag 10.
Hoe beoordeelt en hoe betitelt u het wanneer joodse of Israëlische organisaties of evenementen volgens andere standaarden lijken te worden beoordeeld dan andere groepen of nationaliteiten?
Het anders beoordelen op basis van achtergrond of religie van personen, organisaties of evenementen is ontoelaatbaar in een democratische rechtsstaat zoals Nederland dat is. Het is dan ook onacceptabel als een concert, voorstelling of culturele activiteit geen doorgang vindt wegens een Joods thema of Joodse achtergrond van een artiest.
Welke wetten, verordeningen en regelingen, enerzijds in algemene zin, en anderszins in het kader van de subsidies die worden verstrekt vanuit het Rijk, zien op de vraag wanneer een (culturele) instelling mag weigeren om een zaal te verhuren aan bepaalde organisaties of personen vanwege hun achtergrond of positie, en op welke gronden?
Als algemene wet- en regelgeving die op deze vraag van toepassing zijn gelden de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het Wetboek van Strafrecht en de Grondwet. Als specifieke wetgeving voor de culturele instellingen die door OCW worden bekostigd gelden in casu de Wet, het besluit en de Regeling op het specifiek cultuurbeleid (hierna: Wsc, Bsc en Rsc) dan wel de Erfgoedwet en Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen (hierna: Rbr).
Hieruit vloeit voort dat het instellingen vrij staat om te bepalen aan wie zij hun zalen verhuren, tenzij daar specifieke verplichtingen over zijn opgenomen in de subsidieregelingen, dan wel in de verleningsbeschikkingen. Ook geldt dat instellingen niet in strijd met het wetboek van Strafrecht mogen handelen. Dit betekent dat zij bijvoorbeeld niet mogen discrimineren.
In de Wsc, Bsc, Rsc, noch in de Erfgoedwet en de Rbr zijn specifieke regels opgenomen over aan wie culturele instellingen hun zalen mogen verhuren. Ook in de subsidiebeschikkingen voor de culturele instellingen is hierover niets opgenomen.
Tijdens het wetgevingsoverleg van de OCW-begroting, onderdeel Cultuur van 19 januari 2026 is door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap toegezegd dat een verkenning wordt uitgevoerd naar het niet mogen uitsluiten van landen in de subsidievoorwaarden en de mogelijkheid van het korten van subsidie in het geval een land geboycot wordt. De Kamer ontvangt hierover in mei een brief.
In welke gevallen is het in strijd met voorwaarden voor subsidieverstrekking wanneer organisaties weigeren een zaal te verhuren of ruimte te bieden aan een optreden, vanwege de nationaliteit of afkomst van de betreffende personen of organisaties, dan wel vanwege criteria die voor personen met de desbetreffende nationaliteit zeer moeilijk te vermijden of voorkomen zijn? Graag een toelichting.
Wanneer de redenen tot het weigeren om een zaal te verhuren, dan wel de redenen om te weigeren om een ruimte te bieden aan een optreden als strafbare discriminatie zijn aan te merken, dan is ook sprake van strijd met de voorwaarden en verplichtingen waaronder subsidie wordt verleend. Een impliciete voorwaarde is immers dat subsidie-activiteiten niet in strijd met de wet mogen zijn. Er moet dan wel echt sprake zijn van een feit dat strafbaar is onder het Wetboek van strafrecht. Dit is aan het OM en de rechter om te bepalen, niet aan een Minister.
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving waaruit blijkt dat journalisten tijdens de pro-Palestijnse demonstraties rond het chanoekaconcert in Amsterdam zijn belaagd, bedreigd en in hun werkzaamheden zijn belemmerd?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat journalisten op de openbare weg door de politie zijn weggestuurd terwijl zij werden bedreigd en geïntimideerd door demonstranten?
Vindt u het acceptabel dat agenten ervoor kozen om niet op te treden tegen personen die journalisten met geweld en de dood bedreigden, maar wél ingrepen richting de pers?
Hoe beoordeelt u het innemen van een politieperskaart bij een journalist die doelwit was van intimidatie en deelt u de opvatting dat hiermee feitelijk de verkeerde partij werd gesanctioneerd?
Wat zegt het volgens u over de staat van persvrijheid wanneer journalisten moeten wijken «om escalatie te voorkomen» terwijl extremistische demonstranten hun gang kunnen gaan?
Vindt u dat de politie in deze gevallen haar beschermende taak jegens journalisten voldoende heeft ingevuld? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dat oordeel?
Wij achten het van groot belang dat journalisten ook tijdens demonstraties hun werk op een goede en veilige manier kunnen doen. Politie heeft, onder verantwoordelijkheid van het lokaal gezag, een belangrijke rol bij het in goede banen leiden van demonstraties en het waarborgen van de veiligheid van alle aanwezigen, zo ook die van journalisten. In zijn algemeenheid helpt het hierbij als de journalisten hun aanwezigheid bij de demonstratie waar mogelijk vooraf kenbaar maken aan de politie, bijvoorbeeld door het dragen van een geldige Politieperskaart.
Wij vertrouwen hierbij op de deskundigheid van de politie. Wanneer een journalist toch te maken krijgt met agressie of geweld, dan kan er altijd aangifte worden gedaan.
Hoe kijkt u aan tegen het argument van «de-escalatie» wanneer dit er in de praktijk toe leidt dat strafbare feiten tegen journalisten onbestraft blijven?
Afwegingen over de politie-inzet rondom demonstraties worden gemaakt in afstemming met het bevoegd gezag op basis van kennis van de lokale omstandigheden. Het klopt inderdaad dat hierbij dialoog en de-escalatie het uitgangspunt is.
In gevallen waarbij de openbare orde ernstig wordt verstoord of dreigt te worden verstoord, kan de politie overgaan tot beperking van de journalistieke bewegingsvrijheid op een bepaalde plaats. Bijvoorbeeld om de veiligheid van journalisten te kunnen waarborgen. Vanzelfsprekend is de politie terughoudend bij het beperken of aanhouden van journalisten.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat journalisten, joodse organisaties en instellingen niet langer het zwijgen wordt opgelegd door intimidatie en geweld?
Bent u bereid het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten, waaronder strafrechtelijke vervolging, gebiedsverboden en bestuurlijke maatregelen, om deze vormen van intimidatie, vernieling en chantage effectief te bestrijden?
Het artikel 'Gemeente zet stappen tegen moslimdiscriminatie met nieuw actieplan: ‘Genoeg is genoeg’' |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «gemeente zet stappen tegen moslimdiscriminatie met nieuw actieplan: «Genoeg is genoeg»»?1
Ja, dat ben ik.
Deelt u de zorg dat lespakketten over «islamitisch erfgoed» en georganiseerde moskeebezoeken het seculiere karakter van het onderwijs onaanvaardbaar aantasten door deze kwaadaardige ideologie actief de klas binnen te halen en kinderen hieraan bloot te stellen?
Die zorg deel ik niet. Ten eerste is het in het licht van de grondwettelijke onderwijsvrijheid die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet een misverstand dat het onderwijs per definitie «een seculier karakter» heeft. Er zijn in Nederland immers scholen van allerlei religieuze signaturen. Alleen openbare scholen behoren neutraal te zijn (artikel 23, derde lid, van de Grondwet). Dit neutraliteitsvereiste betekent echter niet dat openbare scholen geen aandacht zouden mogen besteden aan religies of levensbeschouwingen. Integendeel: de wettelijke burgerschapsopdracht vereist dat scholen competenties aan hun leerlingen proberen bij te brengen die nodig zijn deel om te nemen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving.2 Het bezoeken van gebedshuizen kan in dat kader onderdeel zijn van het onderwijsprogramma, maar het is aan de (openbare) school daar zelf keuzes in te maken. Het onderwijsprogramma van een openbare school mag echter nooit zo zijn ingericht, dat een bepaalde religie of levensbeschouwing wordt «voorgetrokken» ten opzichte van andere; dan zou het immers niet meer neutraal zijn.3 Ik heb geen signalen dat daarvan in dit geval sprake zou zijn.
Kunt u onderzoeken wie deze gevaarlijke lespakketten ontwikkelt en financiert, inclusief mogelijke buitenlandse partijen?
Het betreffende lespakket is aangekondigd in een actieplan van de gemeente Den Haag. Ik vertrouw erop dat de gemeente deze plannen zorgvuldig en op basis van de behoefte van scholen verder uitwerkt.
Wanneer er zorgen zijn over mogelijke ongewenste buitenlandse inmenging, kunnen burgers via verschillende wegen signalen bij de Rijksoverheid onder de aandacht brengen en meldingen doen. Voor een uitgebreidere update over de stand van zaken rond een centraal meldpunt ongewenste buitenlandse inmenging verwijs ik u naar de brief van Minister van Oosten van Justitie en Veiligheid van 12 december jl.4
Bent u bereid dit onzinnige actieplan te verbieden en de islamisering van het onderwijs te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Artikel 23 van de Grondwet beschermt het recht op onderwijsvrijheid en – meer specifiek – de vrije keuze der leermiddelen.5 Dit recht komt alle scholen die zijn gebaseerd op een denominatieve grondslag gelijkelijk toe.6
Bent u tevens bereid alle islamitische scholen te sluiten en kinderen te laten genieten van onderwijs gebaseerd is op vrijheid en gevrijwaard is van de islamitische ideologie van intolerantie, haat en geweld? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat ben ik niet. Zie antwoord 4.
De berichtgeving over de verwijdering van portretten van oud-ministers uit het ministerie van OCW en het kunstbeleid voor rijkskantoren |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat de (oudste) portretten van voormalige bewindspersonen die de hal van het Ministerie van OCW opluisteren worden verwijderd en plaatsmaken voor nieuwe kunst?1
Over een aantal jaar verhuist het Ministerie van OCW naar een nieuw pand met minder ruimte voor een galerijwand in de ontvangsthal. Bovendien wordt de collectie schilderijen van oud-bewindspersonen steeds groter: alleen al acht bewindspersonen in de laatste twee jaar. Ik ben geïnformeerd dat dit de aanleiding was om na te denken over de toekomstbestendigheid van de galerij.
Om alvast te anticiperen op de nieuwe omgang met de portrettencollectie en de ontvangsthal in de nieuwbouw is op een van de huidige wanden nieuwe kunst geëxposeerd.
Dit leidde tot Kamervragen en een WOO-verzoek over of overwegingen van diversiteit en inclusie bij het besluit om een deel van de huidige wand leeg te maken een rol speelden. Bij het toekomstbestendig maken van de groeiende collectie portretten heeft dit geen rol gespeeld. Bij de inrichting van de hernieuwde wand is ambtelijk ruim voor mijn aantreden de opdracht verstrekt om in de nieuwe, hedendaagse kunst de verbinding met het terrein van OCW en de samenleving te laten zien onder de noemer van inclusie.
Klopt het dat daarmee de volledigheid van de chronologie van de opvolging van bewindspersonen wordt doorbroken?
Het klopt dat alle portretten na de verhuizing niet meer tegelijkertijd op de oude manier getoond kunnen worden. De collectie met de oorspronkelijke portretten zal op mijn verzoek na de verhuizing prominent te zien zijn in de huisvesting van OCW. De collectie wordt aanvullend ook digitaal in samenhang chronologisch gepresenteerd.
Klopt het bericht in de Telegraaf dat een aantal van de oudste portretten vervolgens alleen nog zichtbaar zijn op een foto maar de kunstwerken zelf in een depot verdwijnen?
De oorspronkelijke portretten zullen op mijn verzoek na de verhuizing prominent te zien zijn in de huisvesting van het Ministerie van OCW.
Klopt het dat ook het portret van bijvoorbeeld voormalig Minister Victor Henri Rutgers, die een belangrijke rol speelde in het Verzet en slachtoffer was van het naziregime, wordt verwijderd?
Het portret van voormalig Minister Rutgers hing aan de eerste wand die is aangepast anticiperend op de nieuwe omgang met de portrettengalerij en de ontvangsthal in de nieuwbouw, zie het antwoord op vraag 1.
Waarom wordt dit gedaan en wat vindt u ervan?
Ik vind het jammer dat de portretten niet meer allemaal op de oude manier tentoongesteld kunnen worden in het nieuwe pand, maar heb er begrip voor dat er een andere vorm moet worden gevonden voor de groeiende collectie. Ik ben van mening dat het niet goed is als de portretten niet meer allemaal tentoongesteld zouden kunnen worden. De collectie met de oorspronkelijke portretten zal daarom op mijn verzoek na de verhuizing in de huisvesting van OCW prominent te zien zijn. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat het juist waardevol en wenselijk is om oud-bewindspersonen op deze manier te eren en de geschiedenis van het departement recht te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat deze herinrichting is uitgevoerd als onderdeel van een project tegen discriminatie en racisme en op welke manier volgt daaruit dat deze portretten weg zouden moeten? Vindt u de aanwezigheid van portretten van oud-bewindspersonen op de een of andere manier in strijd met doelstellingen van inclusie en diversiteit? Zo ja, hoe dan?
Nee het klopt niet dat de aanwezigheid van portretten van oud-bewindspersonen in strijd is met doelstellingen van diversiteit en inclusie. Voor de inrichting van de leeggemaakte wand in het huidige pand, heeft het ministerie een opdracht verstrekt aan FMH Kunstadvies. De opdracht is begeleid door het programma tegen discriminatie en racisme.
Klopt het dat deze wijzigingen zijn uitgevoerd na inbreng en advies van FMH Kunstadvies, de organisatie die het interdepartementale kunstbeleid uitvoert, het kunstadvies verzorgt en verantwoordelijk is voor de kunstinrichting van rijkskantoren in heel Nederland?
Dat klopt.
Welke ideologische aannames en overtuigingen liggen aan dit initiatief ten grondslag en op welke manier zijn die vastgesteld?
Het afwisselen van de tentoonstellingen van (delen van) een collectie is geen ideologisch statement.
Zijn er andere plannen om ook in andere Rijkskantoren de kunstinrichting te wijzigen op grond van vergelijkbare ideologische overwegingen, waarbij opnieuw de geschiedenis plaats zou moeten maken? Graag een toelichting.
Nee. OCW is betrokken bij het rijksbrede kunstbeleid, maar niet bij de kunstinrichting van andere Rijkskantoren.
De aangekondigde social mediacontrole van de Amerikaanse overheid |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «VS wil sociale media controleren van alle aankomende reizigers: «Ook de gegevens van familieleden worden gevraagd»»?1
Ja.
Hebben de Amerikaanse autoriteiten u van de aangekondigde controles op de hoogte gebracht? Zo nee, wat zegt dat volgens u over de betrekkingen tussen Nederland en de Verenigde Staten?
Het nieuwsbericht gaat over een publieke consultatie door de Amerikaanse autoriteiten over een voorstel van «U.S. Customs and Border Protection» (CBP) om de informatieverzameling rondom ESTA-aanvragen te herzien. De Amerikaanse autoriteiten hebben hierover nog geen besluit genomen en het is nog niet duidelijk of – en in welke vorm – het voorstel zal worden geïmplementeerd.
Nederland is niet over deze publieke consultatie op de hoogte gebracht; dit is ook niet gebruikelijk.
Wat zijn de redenen dat de Amerikaanse autoriteiten deze controles willen uitvoeren? Vindt u deze redenen legitiem? Zo ja, waarom?
Het kabinet heeft geen aanvullende informatie over de Amerikaanse beweegredenen achter het voorstel.
Verwacht u dat dit moeilijkheden oplevert voor mensen die van plan waren het WK voetbal in 2026 te bezoeken? Zo ja, wat bent u van plan om daartegen te doen?
Zie het antwoord op vraag 2. Het kabinet monitort ontwikkelingen met betrekking tot de Amerikaanse inreisregels en zal Nederlandse reizigers bij relevante wijzigingen hierover informeren via het reisadvies.
Denkt u dat persoonsgegevens zoals DNA en Irisscans van Nederlandse staatsburgers veilig zijn in de handen van de Amerikaanse autoriteiten? Zo ja, waarom?
Het kabinet kan op dit moment niet nader ingaan op de eventuele gevolgen van de verschillende onderdelen van het voorstel, aangezien het nog niet duidelijk is of – en in welke vorm – het voorstel zal worden geïmplementeerd.
Denkt u dat het proportioneel is om van Nederlandse staatsburgers te eisen DNA en Irisscans af te laten nemen voorafgaand aan een vakantie naar de Verenigde Staten? Zo ja, waarom?
In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat landen biometrische gegevens vragen van bezoekers. Landen zijn vrij hierin hun eigen afweging te maken. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Vindt u de aangekondigde controles wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid uw zorgen kenbaar te maken bij de Amerikaanse autoriteiten?
De Amerikaanse autoriteiten hebben nog geen besluit genomen over het voorstel en het is nog niet duidelijk of – en in welke vorm – het voorstel zal worden geïmplementeerd. In algemene zin is het aan de Amerikaanse autoriteiten om hun inreisbeleid vorm te geven.
Zijn er Nederlanders die na 20 januari 2025 de toegang tot de Verenigde Staten is geweigerd vanwege hun uitingen op sociale media? Zo ja, heeft u de Amerikaanse autoriteiten daarop aangesproken?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is niet bekend met gevallen van Nederlanders na 20 januari jl. die de toegang tot de Verenigde Staten zijn geweigerd vanwege uitingen op sociale media.
Bent u het met GroenLinks-PvdA eens dat de sociale mediacontroles een beknotting zijn van de vrijheid van meningsuiting? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Welke consequenties heeft deze stap voor het visumvrij reizen voor Amerikaanse staatsburgers naar de EU?
Het starten van deze publieke consultatie heeft geen gevolgen voor het visumvrij reizen voor Amerikaanse staatsburgers naar de EU.
Bent u bereid om de controles met spoed aan te kaarten in de EU en met Europese partners gezamenlijk op te trekken tegen het aangekondigde beleid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om in EU-verband of met Europese partners gezamenlijk op te trekken tegen het voorstel. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u de gestelde vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja
Het niet naar behoren beantwoorden van vragen over het reguleren van versterkte gebedsoproepen |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom bedrijfsgevoelige informatie in de opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie zou verhinderen dat correspondentie tussen het ministerie en gemeenten, burgers en andere externe partijen (geanonimiseerd en waar nodig deels gelakt) aan de Kamer wordt verstrekt?
Voorafgaand aan opdrachtverleningen wordt eerst een offerteaanvraag opgesteld. Op basis daarvan verstuurt de opdrachtnemer een offerte, die vervolgens door de opdrachtgever wordt bevestigd. Alle opdrachten aan derde partijen worden afgesloten met één of meerdere eindproducten, bijvoorbeeld een eindrapportage. In een dergelijk eindrapportage is opgenomen hoe de opdracht tot stand is gekomen en welke resultaten er zijn behaald.
Bij de uitvoering van de opdracht worden de relevante stukken – voor zover mogelijk zonder bedrijfsgevoelige informatie en waar nodig gedeeltelijk gelakt – als bijlagen bij het eindproduct (de rapportage) openbaar gemaakt. De offerte, de offerteaanvraag en de dienstverleningsovereenkomst zijn reeds openbaar gemaakt bij de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ergin op 9 september 2025.1
Voor de start van de verkenning heeft er geen correspondentie plaatsgevonden tussen het ministerie (als opdrachtgever) en burgers of andere externe partijen.
Welke concrete passages in de opgevraagde correspondentie kwalificeert u als bedrijfsgevoelig, en op basis van welke wettelijke bepalingen concludeert u dat deze informatie in deze fase niet kan worden gedeeld?
Bedrijfsgevoelige informatie omvat veelal cijfermatige gegevens rondom (uur)tarieven, het aantal uren dat voor bepaalde werkzaamheden wordt besteed en de totale tijdsduur per onderdeel van de opdracht. Zoals hierboven vermeld wordt deze informatie – voor zover relevant – na afloop van de opdracht geopenbaard met inachtneming van het weglaten c.q. lakken van bedrijfsgevoelige informatie.
Waarom is het niet mogelijk om ten minste een inventarislijst van alle relevante documenten (correspondentie, memo’s, adviezen, e-mails en verslagen) te delen, zodat de Kamer kan beoordelen welke stukken onder bedrijfsgevoeligheid zouden kunnen vallen?
Een inventarisatielijst zal ik zo spoedig als mogelijk naar uw Kamer verzenden. Gelet op het enorme aantal documenten waarop een inventarisatie plaats moet vinden, zal dit echter veel tijd kosten. Mijn ambtenaren gaan aan de slag met het voorbereiden van deze stukken. Zodra deze stukken gereed zijn voor verzending, zal ik in ieder geval de volgende documenten aan uw Kamer doen toekomen:
Na afronding van het traject wordt de eindrapportage samen met de volgende bijlagen geopenbaard:
Kunt u bevestigen of verslagen, interne notities, analysememo’s of gespreksverslagen behoren tot de «overige relevante stukken» die volgens uw beantwoording pas na afronding van het traject openbaar worden gemaakt? Zo ja, waarom kunnen deze stukken niet eerder worden verstrekt?
In mijn antwoord op vraag 3 heb ik een overzicht gegeven van de relevante stukken die zo spoedig mogelijk verstrekt worden en daarmee openbaar zullen worden gemaakt. Tijdens dit intensieve traject, gericht op het boven tafel krijgen van alle door uw Kamer gevraagde informatie, is uiteraard veel intern e-mailverkeer geweest tussen betrokkenen. Dit interne e-mailverkeer behoort niet standaard tot de «overige relevante stukken» die na afloop van een traject openbaar worden gemaakt. Het betreft hier o.a. vergaderverzoeken, agenda’s voor overleggen en reacties op concepten.
De analyse van de 0-meting wordt door de opdrachtnemer opgesteld en als bijlage toegevoegd aan de eindrapportage. Interne notities, zoals agendaverzoeken, besprekingen van opgeleverde stukken en het bewaken van de voortgang van het traject, behoren eveneens niet tot de standaard openbaar te maken stukken.
Doordat de verschillende fasen van het traject niet altijd volgordelijk verlopen en verschillende doorlooptijden kennen, zijn de afzonderlijke gespreksverslagen per fase nog niet helemaal afgerond. Deze verslagen zullen wel onderdeel uitmaken van de bijlagen bij het eindrapport van de opdrachtnemer.
Wanneer acht u het traject volledig afgerond, en kunt u een concrete datum of fasering geven waaruit blijkt op welk moment de Kamer de volledige correspondentie wél kan ontvangen?
Dit traject omvat een zeer groot aantal documenten en (gespreks)verslagen, afkomstig uit verschillende, elkaar deels overlappende fasen. Door de betrokkenheid van een groot aantal (samenwerkings)partners, zoals gemeenten, leden van buurtorganisaties, moskeebesturen, experts en koepelorganisaties, is het niet altijd mogelijk om overlegmomenten ver vooruit in te plannen. Dit heeft geleid tot enige vertraging in het traject.
Als beoogde einddatum voor de afronding van het traject is eind mei 2026 voorzien. Daarna zal ik alle documenten delen met uw Kamer.
U verwijst naar tussentijdse resultaten van de nulmeting die «uiterlijk voor het einde van dit jaar» worden toegezonden. Betreft dit uitsluitend uitkomsten, of bent u bereid ook onderliggende documenten zoals vragenlijsten, gespreksformats en analysekaders te verstrekken?
De tussentijdse resultaten betreffen de uitkomsten van de 0-meting. Daarbij horen als onderliggende documenten de vragenlijst en een analyse van de ingestuurde antwoorden. De gespreksformats voor de verdiepende gesprekken volgen in de volgende fase van het traject. Zoals vermeld in het antwoord op uw vraag 3 zullen deze documenten onderdeel uitmaken van de eindrapportage.
U stelt dat verdiepende gesprekken worden gevoerd die geen buurtonderzoek vormen. Kunt u precies omschrijven welke criteria volgens u bepalen of een activiteit wél of niet als buurtonderzoek wordt beschouwd?
Tijdens de verdiepende gesprekken met gemeenten, lokale vertegenwoordigers van buurtbewoners en moskeeën, worden de eerste resultaten van de landelijke 0-meting besproken en wordt de lokale situatie in kaart gebracht. Deze gesprekken vinden plaats in kleine kring en zijn bedoeld om praktijkvoorbeelden te verzamelen over hoe er lokaal wordt omgegaan met versterkte gebedsoproepen.
Het betreft hier een selecte groep deelnemers, niet de hele buurt. Er wordt geen aanvullend onderzoek uitgevoerd of informatie uitgevraagd.
Worden van deze verdiepende gesprekken verslagen, notulen of samenvattingen gemaakt? Zo ja, waarom worden deze stukken niet met de Kamer gedeeld, gelet op hun rol in het formuleren van mogelijke beleidsmaatregelen?
Ja, zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Met hoeveel gemeenten, omwonenden en geloofsgemeenschappen zijn deze gesprekken gevoerd, op welke wijze zijn deelnemers geselecteerd en welke methodiek wordt gebruikt om de opgehaalde informatie te wegen?
Voor de verdiepende gesprekken zijn via verschillende kanalen circa 40 gemeenten benaderd om deel te nemen aan dit onderdeel van het traject. De selectie van deze gemeenten is gebaseerd op drie criteria: de grootte van de gemeente, geografische spreiding in Nederland en de aanwezigheid van versterkte religieuze geluidsuitingen.
Tot nu toe hebben in vier gemeenten verdiepende gesprekken plaatsgevonden. In de komende periode staat nog één verdiepend gesprek gepland in een andere gemeente. De overige gemeenten hebben om uiteenlopende redenen aangegeven niet deel te willen nemen aan deze verdiepende gesprekken.
Kunt u garanderen dat alle stukken die niet expliciet bedrijfsgevoelig zijn, waaronder gespreksverslagen, interne analyses, e-mailwisselingen met gemeenten en beleidsmemo’s uiterlijk tegelijk met de eindrapportage openbaar worden gemaakt?
Zoals ik heb uiteengezet in antwoord op uw vraag 3 zullen de bovengenoemde documenten zo spoedig mogelijk worden gedeeld met uw Kamer. Voor de volledigheid en gelet op de omvang van de overige documenten die niet in deze fase kunnen worden gedeeld, zullen deze bij de oplevering van de eindrapportage als bijlage worden toegevoegd.
Bent u bereid de juridische toetsing die ten grondslag ligt aan uw besluit om correspondentie niet te verstrekken, inclusief afwegingen onder artikel 68 Grondwet, met de Kamer te delen?
Zoals aangegeven ben ik bereid om alle relevante documenten en onderliggende stukken met uw Kamer te delen en daarmee te openbaren. Voor de volledigheid en gelet op de grote hoeveelheid, zullen de documenten die (nog) niet in deze fase worden gedeeld bij de oplevering van de eindrapportage als bijlage worden toegevoegd. Er is geen sprake van een weigering van informatie zoals bedoeld in de Beleidslijn actieve openbaarmaking 2022 zodat een juridisch oordeel bij een beroep op een verschoningsgrond van artikel 68 Grondwet niet aan de orde is. In dit kader verwijs ik ook naar de Verzamelbrief over artikel 68 van de Grondwet en de daarbij gevoegde bijlage, die de Minister van BZK op 20 juni 2025 aan uw Kamer heeft doen toekomen.2
Kunt u alle bovenstaande vragen separaat beantwoorden?
Ja.
Het voorkomen van antisemitische verstoringen van de Chanoekaviering in Amsterdam |
|
Annelotte Lammers (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aangekondigde tegendemonstraties rondom de Chanoekaviering met voorzanger Shai Abramson op zondag 14 december 2025 bij het Koninklijk Concertgebouw in Amsterdam, waarbij antisemitische groepen oproepen tot acties die gericht zijn op het verstoren van deze Joodse viering?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de opvatting dat antisemitische groeperingen niet mogen verhinderen dat deze Joodse viering op waardige en veilige wijze kan plaatsvinden?
Het is niet aan het kabinet, maar aan het lokaal gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren, en waar nodig te beperken of in het uiterste geval te verbieden. Om een ongehinderde en veilige instroom van het Concertgebouw mogelijk te maken en ter voorkoming van wanordelijkheden had de burgemeester van Amsterdam besloten dat bij de ingangen van het Concertgebouw geen demonstraties mochten plaatsvinden. In dit geval heeft uiteindelijk de rechter bepaald dat een kleine groep demonstranten onder bepaalde voorwaarden toch mocht demonstreren bij het Concertgebouw. Andere demonstranten konden onder voorwaarden op het Museumplein demonstreren. Waar demonstranten zich niet aan deze voorwaarden hielden, heeft de politie direct opgetreden en aanhoudingen verricht. Het is aan het openbaar ministerie en aan de rechter om te bepalen of er sprake was van strafbare feiten.
Deelt u de zorgen van steeds meer Joodse Nederlanders die vrezen dat zij niet langer zonder risico een religieus-cultureel evenement kunnen bijwonen vanwege antisemitische demonstraties? Bent u bovendien bekend met de open brief van mevrouw Lia Flesschedrager, die een indringend voorbeeld schetst van deze angst doordat haar 88-jarige vader met vasculaire dementie en haar 87-jarige moeder mogelijk niet veilig de Joodse viering kunnen bereiken?4
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om, in overleg met de burgemeester van Amsterdam, alle noodzakelijke maatregelen te treffen om de veiligheid van bezoekers te garanderen en daarbij tevens te bespreken of het afkondigen van een noodverordening wenselijk is om antisemitische verstoringen te voorkomen, mede gezien eerdere antisemitische incidenten bij Joodse evenementen, zoals bij de opening van het Nationaal Holocaustmuseum?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden en wel uiterlijk vóór zondag 14 december 2025?
Helaas is dat niet gelukt. Op 9 januari jl. heb ik uw Kamer een uitstelbericht gezonden.
Het verdwijnen van programma’s bij de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en de aangekondigde bezuinigingen |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het verdwijnen van verschillende programma’s bij de NPO naar aanleiding van de aangekondigde bezuinigingen in 2027?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze bezuinigingen gepresenteerd worden als een directe bedreiging van de publieke taak terwijl de NPO een jaarbudget heeft van ongeveer één miljard euro?
De bezuiniging op de rijksmediabijdrage van de landelijke publieke omroep bedraagt € 156,7 miljoen per 2027. Het kabinet is van mening dat de publieke mediaopdracht van de landelijke publieke omroep met de resterende middelen ook kan worden uitgevoerd. Het is echter onvermijdelijk dat bij een besparing van die omvang ook op het programmabudget moet worden gekort en dat dit daarmee impact heeft op de uitvoering van de publieke taakopdracht.
Klopt het dat commerciële omroepen als RTL en Talpa het moeten doen met een hogere werkdruk, kleinere teams en nog geen vijfde van het publieke budget, terwijl ze qua output vergelijkbaar zijn met de publieke omroep?
Ik beschik niet over de benodigde cijfers en informatie bij de genoemde onderwerpen om een vergelijking tussen de landelijke publieke omroepen en de commerciële omroepen te maken. Vergelijkingen tussen de publieke en commerciële omroepen moeten daarnaast ook rekening houden met de verschillende positie die zij innemen in het Nederlandse medialandschap door de wettelijk vastgelegde publieke mediaopdracht van de landelijke publieke omroep.
Hoe kijkt u naar het feit dat de NPO bij bezuinigingen direct snijdt in programma’s in plaats van te kijken naar efficiëntieverbeteringen zoals bij commerciële partijen?
Het is aan de NPO en de omroepen om binnen de huidige wettelijke kaders de bezuinigingen op de rijksmediabijdrage op te vangen. De NPO en de omroepen nemen hiervoor verschillende maatregelen. Die maatregelen hebben betrekking op meerdere terreinen waaronder ook besparingen op organisatiekosten en op kosten voor distributie. Bij de NPO-organisatie zelf leidt dit tot een afname van circa 80 arbeidsplaatsen. Het organisatiebudget van de omroepen wordt verlaagd, met 10% voor de taakomroepen en met 16% voor de omroepverenigingen.
Het is bij een bezuiniging van deze omvang onvermijdelijk dat ook op het programmabudget moet worden gekort, waarbij de opbrengst niet enkel kan worden gevonden in efficiëntieverbeteringen.
Hoe beoordeelt u de zaken die worden betaald met publiek geld binnen de NPO, zoals een dure studio in Amsterdam, reizen naar tv-beurzen, luxe kantoorruimtes en meerdere managementlagen? En kan u aangeven hoeveel miljoen er binnen de NPO wordt uitgegeven aan managementlagen?
Het is aan de NPO en de omroepen om met de beschikbare middelen binnen de kaders van de Mediawet en andere relevante wet- en regelgeving de publieke mediaopdracht uit te voeren. De accountant en het Commissariaat voor de Media zien hierop toe. De NPO en de omroepen leggen hierover publiek verantwoording af in hun jaarverantwoording en volgen daarbij de richtlijnen uit de Regeling financiële verantwoording landelijke publieke omroepen. Kosten worden daarin verantwoord naar kostensoort zoals personeelskosten of huisvesting. Aanvullend worden programmakosten bij omroepen nog onderscheiden naar genres en kosten bij de NPO naar activiteiten zoals de kosten voor aankoop van rechten of distributie. In de jaarverantwoording wordt conform de Wet Normering Topinkomens (WNT) ook gerapporteerd over de hoogte van de bezoldiging van de topfunctionarissen in bestuur en toezicht.
Zoals vermeld bij het antwoord op vraag 4 wordt in het kader van de bezuinigingen ook bezuinigd op organisatiekosten.
Kan u, ook in het kader van de herinrichting, uitzoeken of de NPO snijdt in hun managementlagen (en zo nee, waarom dit niet gebeurt), en waarom dan wel gekozen wordt om te snijden in programma’s met journalistieke meerwaarde zoals Kassa?
Zoals gezegd wordt bij de invulling van de bezuiniging vanaf 2027 ook bespaard op het budget voor de organisatiekosten van de NPO en de omroepen. Het verminderen van het aantal bestuurders is een van de doelen van de hervorming zoals aangekondigd door dit kabinet.1 Mocht de aangekondigde hervorming tijdig doorgang vinden, kan deze vermindering ingaan vanaf 2029. Bij welke inrichting van het bestel dan ook geldt dat bij een besparing van deze omvang het onvermijdelijk is dat ook op het programmabudget moet worden gekort.
Kan u reflecteren op een schijnbare cultuur binnen de NPO waarbij volgens mediakenners sprake is van een «verwend rijkeluiskind-mentaliteit» en waarbij bezuinigingen vooral worden gepresenteerd als een ramp, terwijl het in verhouding tot het totaal aantal werknemers om een beperkte ingreep gaat?
Het gaat om een bezuiniging van € 156,7 miljoen op de rijksmediabijdrage. Zoals gezegd is het bij een besparing van die omvang onvermijdelijk dat naast een besparing op organisatiekosten ook op het programmabudget moet worden gekort. Het kabinet is van mening dat de publieke mediaopdracht ook met de resterende middelen kan worden uitgevoerd. Het staat iedereen vrij daar anders over te denken, ook de medewerkers en bestuurders bij de landelijke publieke omroep. Ik ga ervan uit dat zij zich hoe dan ook blijven inzetten voor de uitvoering van de publieke taak.
Hoe verhoudt deze houding zich tot de publieke taak en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de NPO?
Zie het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de NPO over het feit dat ze het schrappen van journalistieke en maatschappelijk relevante programma’s prioriteren boven het schrappen van interne luxe, managementlagen en dure faciliteiten?
De invulling van de bezuinigingen is aan de NPO en de omroepen. Ik spreek de NPO regelmatig over de voortgang van de uitvoering van de besparingsmaatregelen.
Kan u toezeggen deze vragen voor het wetgevingsoverleg Media van 8 december te beantwoorden?
De vragen zijn voor het verplaatste wetgevingsoverleg Media van 26 januari beantwoord.
Het bericht ‘Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten’ |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestijnen leren op school Joden en Israël te haten: «Blauwdruk voor terreur»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme bevatten en geweld tegen Joden verheerlijken?
Nederland veroordeelt alle vormen van antisemitisme en acht
antisemitische teksten in lesmateriaal onacceptabel. Dit draagt Nederland bilateraal en in EU-verband uit.
Bent u bekend met het eerder ingenomen standpunt van het Europees Parlement dat de EU alleen financiële steun op het gebied van onderwijs aan de Palestijnse Autoriteit mag verlenen als de inhoud van schoolboeken wordt afgestemd op de Unesco-normen, alle antisemitische uitingen worden geschrapt en voorbeelden die aanzetten tot haat en geweld worden verwijderd?2 Deelt Nederland deze positie ook?
Het kabinet is bekend met dit standpunt. Europese steun aan de Palestijnse Autoriteit is afhankelijk van voortgang op noodzakelijke hervormingen, waar lesmateriaal onderdeel van is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland onderschrijft dat lesmateriaal in lijn moet zijn met UNESCO-normen, zoals ook is overeengekomen tussen de Commissie en de Palestijnse Autoriteit (PA). Tijdens mijn recente bezoek aan de PA heb ik dat ook ter sprake gebracht.
Welke consequenties verbindt Nederland aan het feit dat Palestijnse schoolboeken nog steeds antisemitisme blijken te bevatten?
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden antisemitische schoolboeken zich tot de zogenaamde Letter of Intent die in de zomer van 2024 is ondertekend door de Europese Commissie en de Palestijnse Autoriteit, waarin ook hervorming van het schoolcurriculum is opgenomen?
De Europese financiële steun voor de PA is afhankelijk van voortgang op de hervormingsagenda waarvan onderwijs een belangrijk aandachtspunt is. Het is in beginsel aan de EU om de voortgang op de punten van deze hervormingsagenda te monitoren, te kwalificeren en eventuele consequenties aan te verbinden. Nederland blijft in dit kader consequent aandacht vragen voor het belang van het tegengaan van antisemitisme in schoolboeken.
Zoals in het verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de informele Raad Buitenlandse Zaken van 7 en 8 mei 2025 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3132), is de intentieverklaring getekend door de Europese Commissie en de PA op 19 juli 2024. De verklaring bevat een strategie gericht op het stabiliseren van de PA en de economie op de Westelijke Jordaanoever, waaraan een noodsteunprogramma was verbonden van EUR 400 miljoen. De Commissie handelt bij onvoldoende voortgang. Illustratief hiervoor was het Europese besluit om in een eerder stadium nog geen geld over te maken voor de tweede tranche van het noodsteunprogramma (EUR 17.5 miljoen) vanwege onvoldoende voortgang op het implementeren van de in de intentieverklaring afgesproken «prioritaire acties» op het gebied van hervorming van het sociaalzekerheidsstelsel, waaronder betalingen aan families van gevangenen.
Er wordt consequent aandacht gevraagd voor het belang van hervormingen op het gebied van onderwijs waaronder lesmateriaal. Op 20 november jl. kwam de Europese «Palestine Donor Group» bijeen waar de Europese steun aan de PA centraal stond, inclusief gemaakte voortgang op het gebied van hervormingen. Ook hier onderstreepte zowel de Europese Commissie als Nederland het belang van voortzetten van de Palestijnse hervormingsagenda, ook op het gebied van schoolboeken. De Palestijnse Autoriteit bevestigde gecommitteerd te zijn om met de EU afgesproken hervormingen door te voeren, en UNESCO-normen te hanteren voor het schoolcurriculum. Hierover staat de PA in nauw contact met UNESCO.
Hoe wordt gecontroleerd of deze hervorming van het curriculum daadwerkelijk en effectief plaatsvindt? Wat zijn de benchmarks op basis waarvan verdere financiering aan de Palestijnse Autoriteit wordt verstrekt? Wat gebeurt er nu blijkt dat de Palestijnse Autoriteit zich niet aan de Letter of Intent houdt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat, nu er blijkbaar niks veranderd is aan de inhoud van de schoolboeken, dit direct gevolgen moet hebben voor het verstrekken van EU-(onderwijs)subsidies aan de Palestijnse Autoriteit? Bent u bereid om dit standpunt ook in Europese gremia in te brengen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven of Nederland ook zelfstandig (los van de EU-subsidies) geld steekt in onderwijs of lesmateriaal van de Palestijnse Autoriteit? Zo ja, gaat u deze subsidies direct stopzetten?
Nederland verstrekt geen subsidies op het gebied van onderwijs of lesmateriaal aan de PA.
Het stopzetten van het Sinterklaasfeest op een Utrechtse basisschool |
|
Annette Raijer (PVV), Martin Bosma (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een Utrechtse basisschool ervoor heeft gekozen om het traditionele Sinterklaasfeest te schrappen en te vervangen door een zogeheten «Kinderfeest», inclusief sjoelbakken en een stroopwafelkar, zoals vermeld in het artikel «Utrechtse basisschool stopt met sinterklaasviering: «Spanning, pijn en onrust»» en bent u het ermee eens dat hiermee een van de meest verbindende, vrolijke en breed gedragen tradities in Nederland zonder enige noodzaak wordt ingeruild voor iets dat op een gewone donderdagmiddagactiviteit lijkt?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf hoe zij invulling geven aan hun onderwijs en aan activiteiten en vieringen die daar onderdeel van uitmaken. Het is een mooi feest dat op veel plaatsen gevierd wordt.
Hoe beoordeelt u de motivatie van de school dat Sinterklaas zou zorgen voor «onrust en ongemak bij teamleden en ouders», terwijl op vrijwel alle andere scholen in Nederland dit kinderfeest juist zorgt voor saamhorigheid, plezier en betrokkenheid en kunt u verklaren waarom deze school zo sterk afwijkt van de landelijke praktijk?
In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf om op basis van de schooleigen context en gemeenschap weloverwogen keuzes te maken in het vieren van feestdagen.
Klopt het dat de school zelf aangeeft dat het Sinterklaasfeest «toch al niet leefde» bij een gedeelte van de ouders en kinderen, met name vanwege de achtergrond van ouders met Surinaamse afkomst? Zo ja, vindt u het wenselijk dat een Nederlandse school haar tradities afschaft omdat een deel van de ouders zich hier niet mee identificeert, en kan de Minister bevestigen dat Nederlandse tradities op Nederlandse scholen moeten worden beschermd en niet worden weggepoetst?
In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf om beslissingen te nemen hoe zij invulling geven aan feestdagen. Het is niet aan de overheid om scholen te verplichten bepaalde feestdagen te vieren. Daarnaast is het Sinterklaasfeest op veel scholen nog een belangrijke feestdag die gevierd wordt.
Deelt u de zorg dat dit besluit een precedent schept waardoor scholen onder druk kunnen komen te staan om meer Nederlandse tradities vaarwel te zeggen, puur omdat groepen ouders dit liever niet zien? Zo nee, hoe waarborgt u dat typisch Nederlandse feesten zoals Sinterklaas, dat al generaties lang onderdeel is van onze cultuur, niet stukje bij beetje worden uitgehold of vervangen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om deze school hierop aan te spreken en scholen in het algemeen duidelijk te maken dat het schrappen van Nederlandse tradities geen wenselijke ontwikkeling is?
Nee. Scholen hebben de vrijheid en het recht om zelf keuzes te maken in het vieren van bepaalde Nederlandse feestdagen en de wijze waarop.
Kunt u toezeggen dat u als Minister actief bewaakt dat scholen niet buigen voor culturele druk, maar Nederlandse cultuur en tradities juist koesteren en doorgeven aan de volgende generatie?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat het Van Gogh Museum de deuren dreigt te sluiten |
|
Heera Dijk (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het gebouw van het Van Gogh Museum eigendom is van de Nederlandse Staat en dat hiermee ook de verantwoordelijkheid voor de staat van het gebouw, de veiligheid en de instandhouding bij de Staat ligt?
Aan welke veiligheids-, klimaat- en instandhoudingsnormen moeten gebouwen van het Rijksvastgoedbedrijf voldoen en in hoeverre voldoet het Van Gogh Museumgebouw op dit moment aan deze normen?
Het museum meldt risico’s bij onder meer verouderde liften, daklekkages en klimaatinstallaties, zijn deze risico’s bij het Ministerie van OCW bekend en hoe worden deze beoordeeld binnen de verantwoordelijkheid van de Staat als eigenaar van het gebouw?
Kunt u aangeven welke signalen over de staat van het gebouw het Ministerie van OCW de afgelopen jaren heeft ontvangen en welke opvolging daaraan is gegeven?
De huisvestingssubsidie van rijksmusea wordt gebruikt voor zowel operationele kosten als gebouwonderhoud, acht u dit een passend model voor rijksvastgoed dat meer dan 50 jaar oud is, gezien de toenemende kosten voor vervanging van installaties en structureel onderhoud?
Ja, ik acht dit een passend model. De huisvestingssubsidie is bedoeld voor zowel kort-cyclisch als lang-cyclisch onderhoud en verduurzaming. Het museum krijgt ieder jaar hetzelfde subsidiebedrag voor huisvesting (in 2025 € 7,8 miljoen). De huisvestingssubsidie kan alleen worden verhoogd als er loon- en prijsbijstelling wordt toegekend. Een deel van dit subsidiebedrag is bedoeld voor kort-cyclisch onderhoud. Een ander deel (gemiddeld € 4,9 miljoen per jaar) is bedoeld om te sparen voor lang-cyclisch onderhoud en investeringen. Dit laatste bedrag is voor het Van Gogh Museum relatief hoog, juist omdat er in de subsidie rekening is gehouden met de onderhoudsstaat van de panden. Ook ontvangt het museum subsidie voor verduurzaming van hun panden. Juist omdat het museum ieder jaar hetzelfde subsidiebedrag krijgt, kan het met vertrouwen sparen of lenen voor grote investeringen en renovaties. Ik ben van mening dat de subsidie die het Van Gogh Museum ontvangt, voldoende is om het noodzakelijk onderhoud te kunnen uitvoeren. De uitkomsten van het deskundigenonderzoek dat ik heb laten verrichten in de bezwaarprocedure, onderschrijven dat.
Daarbij merk ik op dat de andere rijksmusea, sommige ook met zeer complexe of oude gebouwen, gebruik maken van hetzelfde subsidiemodel en dat het voor hen wel werkbaar is.
Hoe beoordeelt u de samenhang tussen structureel onderhoud, goed functionerende beveiligingssystemen en het voorkomen van incidenten, mede in het licht van de recente diefstal in het Louvre en de internationale discussie over museumbeveiliging?
Het huisvestingsstelsel van de rijksmusea is er juist op gericht dat de musea zelf aan het roer zitten om deze samenhang te bereiken, als goed huisvader. Hiervoor ontvangen zij een subsidie op grond van de Erfgoedwet. Ik merk daarbij nog op dat naar aanleiding van de diefstal van twee schilderijen uit het Van Gogh Museum in 2002, in 2004 een risico-inventarisatie en -analyse bij de rijksgesubsidieerde musea is uitgevoerd. Vanaf 2005 is op basis van de resultaten van deze analyse vervolgens structureel € 7 miljoen toegevoegd aan de subsidie voor collectiebeheer van de rijksgesubsidieerde musea ten behoeve van extra veiligheidsvoorzieningen.
Hoe verhoudt de huidige financiering van huisvesting en instandhouding zich tot de afspraken die in 1962 zijn gemaakt over het duurzaam kunnen bewaren en openbaar tonen van de collectie?
Ik ben ik van mening dat de staat voldoet aan de afspraken uit de overeenkomst van 1962. Ik verwijs hiervoor ook graag naar mijn eerdere antwoorden op vragen van uw Kamer over ditzelfde onderwerp.4
Welke mogelijkheden ziet u op korte termijn om risico’s voor bezoekersveiligheid, collectiebehoud en de continuïteit van het museum te mitigeren totdat structureel onderhoud kan worden uitgevoerd?
Zoals ik hierboven heb aangegeven, is het binnen het huidige huisvestingsstelsel voor rijksmusea de eigen verantwoordelijkheid van de musea om de museale panden te onderhouden en te beheren en zo de bezoekersveiligheid en de continuïteit van het museum te garanderen. Zie ook het antwoord bij vraag 5. Binnen dit stelsel is het aan de musea zelf om keuzes te maken hoe het onderhoud wordt ingepland en in de tijd wordt gezet. De musea kennen hun museale panden het best en kunnen op basis van deze informatie besluiten welk onderhoud noodzakelijk is en welk onderhoud nog even kan worden uitgesteld.
Naast de subsidie, biedt de staat ook te mogelijkheid om tegen een gunstige rente te lenen bij het Nationaal Restauratiefonds voor verduurzaming. Daarnaast is het mogelijk om te lenen bij de schatkist voor onderhoud en instandhouding.
In de jaarrekening van het museum over 2024 is te lezen dat het museum beschikt over een bestemmingsreserve voor huisvesting van meer dan € 9 miljoen en een voorziening groot onderhoud van meer dan € 19 miljoen. De bestemmingsreserve is overigens onderdeel van een eigen vermogen van meer dan € 53 miljoen. Deze bedragen kan het Van Gogh Museum ook aanwenden om het onderhoud te bekostigen. Het is dus zeker niet zo dat het Van Gogh Museum voor haar plannen volledig afhankelijk is van de huisvestingssubsidie.
Daarmee zeg ik niet dat de subsidie ontoereikend is. De externe deskundige die ik heb geraadpleegd laat in zijn onderzoeksrapport zien dat de huidige subsidie vanuit het huisvestingstelsel voor rijksmusea afdoende is. Ik heb dit rapport bij deze antwoorden gevoegd. Het Van Gogh Museum en ik verschillen mijns inziens uiteindelijk vooral van mening over de vraag hoe haar aanvullende ambities, die verder gaan dan noodzakelijk onderhoud en vervanging – bijvoorbeeld op het gebied van verduurzaming – bekostigd moeten worden. Het museum vindt dat de overheid ook daar moet bijspringen. Dat zie ik anders. Het staat het museum natuurlijk vrij om die ambities na te streven. Ik heb daarom aangegeven dat er diverse alternatieve financieringsmogelijkheden zijn voor het museum, sommige gefaciliteerd door de overheid. Zo kan het museumbestuur die ambities ook realiseren. De financiering vanuit het huisvestingsstelsel is daar alleen niet voor bedoeld. Ik zie daarom geen reden om de huisvestingssubsidie te verhogen.
Een bericht van vicepremier Keijzer over de NOS. |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het X-bericht van de vicepremier Keijzer?1
Ja.
Is dit een standpunt van het kabinet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Hoe beoordeelt u deze uitlatingen in het licht van de wettelijke waarborg dat de publieke omroep onafhankelijk dient te zijn van politieke beïnvloeding?
In, onder meer, de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid verankerd. Onder deze vrijheden valt in ieder geval bescherming tegen ongeoorloofde overheidsinmenging. Het is belangrijk dat media zich vrij weten van politieke beïnvloeding. De Mediawet 2008 bevat aanvullende, specifieke waarborgen voor de redactionele onafhankelijkheid van de publieke omroep. Deze normen vormen essentiële onderdelen van het constitutionele en wettelijke kader waarbinnen onafhankelijke journalistiek functioneert. Het is een groot goed dat we in Nederland persvrijheid hebben. Alleen als de publieke omroep onafhankelijk kan opereren, kan zij haar essentiële taak binnen de democratische rechtsstaat vervullen.
Dit alles wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich in het huidige bestel niet hoeven te verantwoorden over hun redactionele keuzes, of dat daar geen debat over zou mogen ontstaan. Ook dat hoort bij de journalistieke praktijk. Bij opmerkingen of klachten over de journalistieke handelwijze kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Ook de Raad voor de Journalistiek kan om een oordeel gevraagd worden. Dit stelsel van zelfregulering, en ieders verantwoordelijkheid voor de wet, moet ervoor zorgen dat publieke omroepen zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken. In het kader van de hervorming van de landelijke publieke omroep worden voorstellen voorbereid om deze zelfregulering verder te versterken.2
Hoe verhoudt een dergelijke publieke uitlating van een vicepremier zich tot de ministeriële verantwoordelijkheid voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening in Nederland?
Als Minister van OCW ben ik verantwoordelijk voor het mediabeleid en stelselverantwoordelijk voor de publieke omroep en de journalistiek. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om te staan voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Is er binnen het kabinet gesproken over de mogelijke impact van dit soort uitspraken op het vertrouwen in journalistiek en publieke instituties? Zo ja, wat was de conclusie?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Acht u dat een lid van het kabinet door dergelijke uitlatingen de indruk kan wekken zich te mengen in de inhoudelijke berichtgeving van de publieke omroep?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Hoe waarborgt het kabinet dat er geen sprake is van (de schijn van) politieke druk op redacties van publieke media?
In de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Mediawet 2008 zijn verschillende bepalingen opgenomen die de onafhankelijkheid van media beschermen. In de eerste plaats garanderen de Grondwet en het EVRM de persvrijheid. Artikel 7 van de Grondwet verbiedt daarbij expliciet voorafgaand toezicht op radio en televisie-uitzendingen. Op grond van artikel 2.1 van de Mediawet 2008 zijn publieke omroepen gehouden media-aanbod te verzorgen dat vrij is van overheidsinvloeden. Bovendien schrijft de Mediawet 2008 voor dat publieke omroepen redactionele autonomie hebben en zelf verantwoordelijk zijn voor de vorm en inhoud van hun programma’s.
Kunt u reflecteren op de mogelijke effecten van dit soort publieke uitspraken op journalisten, redacties en de mate waarin zij vrij en onbelemmerd hun werk kunnen doen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al schreef, is het van belang dat media zich vrij moeten weten van politieke beïnvloeding. Het wettelijk kader zoals ik dat omschrijf in het antwoord op vraag 3 en vraag 7 moet dit waarborgen.
Bent u bereid om Minister Keijzer hierop aan te spreken en is volgens u de eenheid van het kabinetsbeleid in het geding?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen vóór het wetgevingsoverleg Media op 8 december 2025 beantwoorden?
Het wetgevingsoverleg Media is inmiddels verplaatst naar 26 januari 2026. Ik heb uw vragen beantwoord voordat dit wetgevingsoverleg plaatsvindt.
Wettelijke bescherming van immaterieel erfgoed |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland momenteel geen wettelijke bescherming kent voor immaterieel cultureel erfgoed en hierdoor – anders dan in andere landen – geen beschermingsmechanisme bevat voor tradities, geluiden, rituelen, ambachten of culturele praktijken?
Nee, dat kan ik niet. Het klopt weliswaar dat de Erfgoedwet geen specifiek beschermingsregime voor immaterieel erfgoed bevat, maar dat wil niet zeggen dat er geen beschermingsmechanisme is.
Nederland heeft bij het beschermen van immaterieel erfgoed bewust gekozen voor een beleidsmatige benadering, omdat dit past bij de aard van dit erfgoed en bij de Nederlandse context. Immaterieel erfgoedgemeenschappen zijn zelf verantwoordelijk voor hun tradities, bepalen zelf wat hun erfgoed is en hoe zij het beoefenen, ontwikkelen en doorgeven. Dit is niet aan de overheid, en dat moet ook zo blijven.
De basis voor de beleidsmatige benadering vormt het Unesco-verdrag inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed (hierna: Unesco-verdrag) uit 2003, dat het Koninkrijk der Nederlanden in 2012 heeft geratificeerd. De structuren die in Nederland de borging en overdracht van immaterieel erfgoed faciliteren, zijn op dit verdrag gestoeld. Dit omvat o.a. het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN), het programma Faro van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), het Fonds voor Cultuurparticipatie (via de Wet op het specifiek cultuurbeleid) en de provinciale erfgoedhuizen. Ter nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 1 van de Kamerbrief immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen uit 2024, met een beschrijving van de kernonderdelen van het Nederlandse beleid rond immaterieel erfgoed.1 Het belang dat overheden hechten aan immaterieel erfgoed komt ook tot uitdrukking in de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 die Rijk, VNG en IPO daarover maakten en de mogelijkheden in de Omgevingswet, zoals beschreven in vraag 7.2
Anders dan bij materiële vormen van erfgoed wordt in Nederland bij immaterieel erfgoed niet de term «beschermen», maar «borgen» of «overdracht» gebruikt. «Beschermen» impliceert dat immaterieel erfgoed in een bepaalde vorm kan worden bewaard. Immaterieel erfgoed is echter levende cultuur die door gemeenschappen wordt beoefend en meebeweegt met de tijd en omstandigheden.
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de overheid de belangen van immaterieel erfgoedgemeenschappen goed meeneemt bij het voorbereiden of aanpassen van wetgeving die effect heeft op immaterieel erfgoed. In de praktijk gebeurt dat ook.
KIEN heeft richting gemeenschappen een rol als wet- of regelgeving wordt aangepast. Zo heeft KIEN bijvoorbeeld een brochure uitgebracht voor immaterieel erfgoedgemeenschappen en gemeenten over de waarde, context en wetgeving rond vuurtradities (paasvuren, carbidschieten en vreugdevuren). Ook organiseert KIEN daarover workshops en gesprekken tussen burgemeesters, wethouders en gemeenschappen zoals carbidschieters.
Naar aanleiding van de motie van Oostenbrink (BBB) ben ik in gesprek met de VNG, met als doel te komen tot een handreiking voor vergunningverleningen voor streekevenementen.
Kunt u toelichten hoe u de positie van Nederlands immaterieel erfgoed beoordeelt in het huidige, niet-wettelijke systeem en of u van mening bent dat dit systeem voldoende is om immaterieel erfgoed op lange termijn te beschermen?
Het beleid voor immaterieel erfgoed in Nederland heeft zich sinds de ratificatie van het Unesco-verdrag in 2012 sterk ontwikkeld. Het immaterieel erfgoedveld is uitgegroeid tot een volwaardig beleidsterrein, dat een duurzaam en integraal onderdeel vormt van landelijk, provinciaal en gemeentelijk cultuurbeleid. De kracht van het Nederlandse systeem ligt in de centrale rol die erfgoedgemeenschappen zelf spelen. Want alleen gemeenschappen kunnen zorgen voor borging op de lange termijn. De Nederlandse bottom-up benadering sluit aan bij het gedachtengoed van het Unesco-verdrag, de Nederlandse maatschappelijke context en zorgt ervoor dat de ondersteuning aansluit bij de behoeften van de gemeenschappen.
In Nederland is gekozen om de coördinatie van het Unesco-verdrag bij een NGO (KIEN) te beleggen, zodat de uitvoering van het verdrag niet direct verbonden is aan de politiek en overheid. KIEN draagt bij aan borging van immaterieel erfgoed op de lange termijn door o.a. ondersteuning en deskundigheidsbevordering aan gemeenschappen te bieden en zorgt voor begrip en kennisontwikkeling over immaterieel erfgoed. Daarnaast coördineert KIEN de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland met ruim 400 bijgeschreven tradities, ambachten en gebruiken.
Voor het versterken van het immaterieel erfgoedbeleid op de langere termijn is ook het huidige ratificatietraject van het Verdrag van Faro relevant.3 In 2024 heeft Nederland het verdrag ondertekend, waarmee Nederland zich verbindt aan de drie Faro-kerndoelen; meedoen en meebeslissen over erfgoed, erfgoed verbinden aan sociaal-maatschappelijke doelen en openstaan voor andere erfgoedopvattingen. Dit verdrag en de implementatie via o.a. RCE en KIEN draagt bij aan de versterking van zeggenschap en eigenaarschap van erfgoedgemeenschappen bij de borging op de lange termijn.
Hoe denkt u over de opvatting dat het ontbreken van wettelijke bescherming van immaterieel erfgoed betekent dat Nederlandse immateriële tradities, waaronder het luiden van kerkklokken als concreet voorbeeld, volledig afhankelijk zijn van beleid en vrijwillige borging, en dat dit op lange termijn kan leiden tot verlies van cultureel erfgoed?
De rol van de overheden bij immaterieel erfgoed is faciliterend, om een kader te scheppen waarin immaterieel erfgoed kan gedijen. Een wettelijke plicht tot bescherming zou leiden tot ongewenste overheidsbemoeienis met de inhoud van tradities. Dat gaat direct in tegen het centrale uitgangspunt van het Unesco-verdrag dat gemeenschappen zelf bepalen wat hun erfgoed is.
Het is inherent aan immaterieel erfgoed dat het wordt gedragen door mensen en gemeenschappen. Zonder actieve beoefening door mensen houdt immaterieel erfgoed op te bestaan. Daarmee verschilt het fundamenteel van alle andere vormen van erfgoed.
Hoe beoordeelt u het wettelijk kader dat andere landen wel hebben ontwikkeld voor immaterieel erfgoed, zoals Zuid-Korea met de Act on the Safeguarding and Promotion of Intangible Cultural Heritage, waarin onder meer een nationale lijst met immaterieel erfgoed, erkende erfgoeddragers en een wettelijke staatsplicht tot bescherming en overdracht zijn opgenomen?1
Het Unesco-verdrag geeft landen veel vrijheid om structuren passend bij de eigen context in te richten. De Zuid-Koreaanse casus is ontstaan in een specifieke historische context na de Japanse bezetting en de Koreaanse oorlog. Dit leidde tot top-down systeem met wettelijke erkenning en een sterk hiërarchisch onderscheid tussen «erkend» en «niet erkend» immaterieel erfgoed.
In Nederland is -passend bij het sterke Nederlandse maatschappelijk middenveld- het uitgangspunt geweest om bij het ontwikkelen van het immaterieel erfgoedbeleid uit te gaan van een bottom-up benadering waarbij gemeenschappen zelf hun erfgoed aanmelden, borgen en overdragen en waarin geen hiërarchie wordt aangebracht tussen vormen van immaterieel erfgoed.
Bent u bereid te onderzoeken wat de toepasbaarheid is van het Koreaanse model voor Nederland, specifiek met betrekking tot een wettelijke definitie van immaterieel erfgoed, een bindende nationale inventaris en een wettelijke erkenning van gemeenschappen of dragers die een traditie onderhouden?
Nee, er is geen aanleiding om een onderzoek naar de toepasbaarheid van het Koreaanse model voor Nederland te starten.
De Erfgoedwet kent een definitie van cultureel erfgoed die is ontleend aan het Verdrag van Faro en die aansluit bij de Unesco-definitie van immaterieel erfgoed. Mijn ambtsvoorganger heeft eind 2024 aangekondigd deze begripsbepaling te willen aanscherpen om te verduidelijken dat -passend bij het Unesco-verdrag- overheden, erfgoedinstellingen en erfgoedgemeenschappen allemaal de ruimte hebben om in een voortdurend maatschappelijk gesprek te bepalen wat cultureel erfgoed is.
Daarnaast bestaat er een nationale inventaris; de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. Deze inventaris is niet «bindend» in juridische zin, omdat dit zou impliceren dat de overheid bepaalt wat wel en niet erkend immaterieel erfgoed is. De inventaris is een instrument ten behoeve van zichtbaarheid en toekomst geven. Gemeenschappen krijgen hierin ondersteuning vanuit KIEN.
Hoe beoordeelt u de Franse Wet nr. 2021-85 van 29 januari 2021, waarin het sensorisch erfgoed van rurale gebieden – waaronder kenmerkende geluiden zoals kerkklokken, maar ook geuren vallen – juridisch wordt verankerd in het Franse milieuwetboek als onderdeel van het nationale erfgoed?2
De Franse wet over het patrimoine sensoriel des campagnes is een reactie op het Frans fenomeen van rechtszaken van nieuwkomers in landelijke gebieden tegen geluiden en geuren zoals hanengekraai, kerkklokken en mest. De wet heeft geen direct afdwingbare rechten gecreëerd, maar wordt wel bij rechtelijke beoordelingen tijdens burengeschillen meegewogen.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze Franse benadering, waarbij immateriële en sensorische uitingen wettelijk worden beschermd, inspiratie kan bieden voor de Nederlandse praktijk rond immaterieel cultureel erfgoed en de bescherming van tradities, landschappelijke kenmerken en omgevingsgeluiden zoals kerkklokken?
De Franse benadering biedt in beperkte mate inspiratie voor Nederland. In Nederland houden rechters al rekening met de context van een burengeschil.
Relevant voor de Nederlandse praktijk is de Omgevingswet. Deze wet biedt mogelijkheden om immaterieel erfgoed te verankeren in omgevingsvisies en -plannen. Gemeenten kunnen bij het opstellen van het omgevingsvisie en -plan rekening houden met bijvoorbeeld jaarlijks terugkerende evenementen zoals processies, corso’s of carnaval, met bouwplaatsen voor wagens, met kermisterreinen of molenbiotopen en andere streekgebonden kenmerken die verbonden zijn aan de fysieke leefomgeving. De Omgevingswet biedt zodoende verankering van immaterieel erfgoed zonder dat een aparte wet nodig is.
KIEN heeft samen met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de publicatie Ruimte voor immaterieel erfgoed uitgebracht.6 Deze biedt gemeenten en gemeenschappen handvatten om immaterieel erfgoed te integreren in het omgevingsbeleid. Dit is een voorbeeld van een wijze van borging die beter past bij het Nederlandse gedecentraliseerde bestel dan een nationale wet.
De Wet versterking participatie op decentraal niveau vraagt overheden een participatieverordening op te stellen waarin wordt aangegeven hoe inwoners invloed kunnen uitoefenen op het beleid, van beleidsvorming, tot uitvoering en evaluatie. In de praktijk zorgt deze wet voor deelname van o.a. immaterieel erfgoedgemeenschappen aan beleidsvorming van overheden.
Acht u het wenselijk dat ook Nederland een vorm van wettelijke verankering van immaterieel erfgoed ontwikkelt, bijvoorbeeld via een wijziging van de Erfgoedwet, of een andere wet naar voorbeeld van Frankrijk?
Nee, een wijziging van de Erfgoedwet specifiek voor immaterieel erfgoed is niet wenselijk. Het in de Erfgoedwet gehanteerde begrip «cultureel erfgoed» omvat roerend, onroerend en immaterieel erfgoed. Voor wat betreft roerend en onroerend cultureel erfgoed richt de Erfgoedwet zich primair op de aanwijzing, het gebruik en de bescherming daarvan. Immaterieel erfgoed heeft een fundamenteel ander karakter, zoals hierboven reeds verduidelijkt. Het wordt gedragen door mensen en kan niet als zodanig niet worden «beschermd». Borging van immaterieel erfgoed vindt plaats door onder antwoord 1 genoemde beleidsmatige benadering.
Bent u bereid te verkennen hoe het Nederlandse systeem voor immaterieel erfgoed versterkt kan worden door internationale best practices, en in dat kader specifiek te kijken naar wettelijke borging van immaterieel erfgoed die generaties lang zijn doorgegeven?
Nederland blijft doorlopend op de hoogte van internationale best practices via verschillende routes. Nederland wisselt bijvoorbeeld actief kennis uit via o.a. de Intergouvernementele Comité Meetings en de General Assembly van het Unesco-verdrag en via bilaterale contacten. Deze internationale uitwisseling levert inspiratie voor Nederlands beleid en de praktijk.
KIEN onderhoudt als geaccrediteerde NGO bij het Unesco-verdrag structureel internationale contacten en kijkt hoe andere landen het Unesco-verdrag implementeren. In de Kennisagenda 2021–2024 van KIEN is bijvoorbeeld internationaal vergelijkend onderzoek naar inventarisatiemethodieken opgenomen. Hieruit blijkt dat landen zeer verschillende benaderingen hanteren, passend bij hun eigen context.
Bent u bereid een verkenning uit te voeren naar mogelijke juridische instrumenten om immaterieel erfgoed te beschermen, waarin zowel het Koreaanse model (met wettelijke dragers en nationale Intangible Cultural Heritage Committee (ICH-commissie)) als het Franse model (wettelijke status voor immateriële erfgoed) worden meegenomen?
Nee, gezien voorgaande antwoorden is een verkenning van het Koreaanse en Franse modellen niet opportuun.
Kunt u aangeven welke stappen nodig zouden zijn om in Nederland tot een wettelijke erkenning en bescherming van immaterieel erfgoed te komen, én of u bereid bent deze stappen in gang te zetten?
Nee, gezien voorgaande antwoorden ben ik niet bereid om tot een wettelijke erkenning en bescherming van immaterieel erfgoed te komen.
Het NOS-artikel 'Brandbrief media: techgiganten bedreigen democratie in Nederland' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse nieuwsmedia alarm slaan over de invloed van grote internationale techbedrijven?1
Ja.
Hoe duidt u de in de brandbrief geschetste risico’s voor de democratische rechtsorde, de kwaliteit van de publieke informatievoorziening en de positie van onafhankelijke journalistiek?
De zorgen worden door het kabinet geadresseerd in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media.2 De aanbevelingen worden momenteel nader uitgewerkt in samenwerking met andere departementen en sectorpartijen.
Zo is het voor het kabinet cruciaal om in te blijven zetten op het daadkrachtig uitvoeren en handhaven van (bestaande) Europese wet- en regelgeving (zie het antwoord op vraag 9). Ook maakt het kabinet zich hard voor het weerbaar maken van de gebruiker tegen de gevolgen van desinformatie, bijvoorbeeld door het blijvend investeren in mediawijsheid.
Daarnaast werkt het kabinet aan een sterkere journalistieke functie van de publieke omroepen, zowel door het versterken en professionaliseren van de lokale publieke omroepen, als door het hervormen van de landelijke publieke omroep. De Kamer is over de laatste stand van zaken geïnformeerd bij de Mediabegrotingsbrief.3
Hoe beoordeelt u de in de brandbrief genoemde problematiek van scraping en hergebruik van journalistieke content door aanbieders van kunstmatige intelligentie (AI)?
Artikel 15o van de Auteurswet bevat een op artikel 4 van de Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt gebaseerde uitzondering op het auteursrecht op grond waarvan het trainen van generatieve artificiële intelligentie met werken van letterkunde, wetenschap of kunst uit een legale bron voor niet-wetenschappelijke doeleinden is toegestaan. Voor het maken van de daarvoor benodigde kopieën van werken is dus geen voorafgaande toestemming van makers of hun rechtverkrijgenden vereist. Dit is anders als de rechthebbenden op uitdrukkelijke en passende wijze een voorbehoud hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gekopieerd om generatieve artificiële intelligentie te trainen. In de brandbrief wordt aandacht gevraagd voor het probleem van illegale «scraping». Daarvan is sprake als de werken niet uit een legale bron, maar uit een illegale bron van het internet worden gekopieerd. Daarvan is ook sprake als door rechthebbenden gemaakte voorbehouden dat hun werken en andere materialen niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, niet worden gerespecteerd.
Op grond van artikel 53 van de AI-verordening zullen de ontwikkelaars van generatieve artificiële intelligentie een voldoende gedetailleerde samenvatting moeten maken van de werken waarmee hun algoritme is getraind. Geheel in lijn met de AI-verordening heeft de Europese Commissie daarvoor inmiddels ook een sjabloon ontwikkeld. De transparantie die daarvan het gevolg zal zijn, moet rechthebbenden beter in staat stellen te controleren of de voorwaarden die aan de inroepbaarheid van voornoemde uitzondering op het auteursrecht correct zijn nageleefd. In de brief wordt daarom terecht gepleit voor een snelle en strikte uitvoering van de AI-verordening zodat de mediasector kan optreden tegen illegale «scraping».
Welke stappen worden gezet om het auteursrecht en eerlijke vergoedingsmechanismen te waarborgen? Bent u bijvoorbeeld voornemens wetgeving te introduceren ten aanzien van auteursrecht en AI?
Als makers of hun rechtverkrijgenden voorbehouden hebben gemaakt dat hun werken niet mogen worden gebruikt om generatieve artificiële intelligentie te trainen, is voor het gebruik van die werken voorafgaande toestemming van de rechthebbenden vereist. Aan het verlenen van toestemming kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals het betalen van een vergoeding. De Europese richtlijn auteursrecht in de digitale eengemaakte markt, waarop die regeling is gebaseerd, wordt in 2026 door de Europese Unie geëvalueerd.
Uit het antwoord op de vorige vraag kan worden afgeleid dat er al wetgeving bestaat op het gebied van het auteursrecht en artificiële intelligentie. Die wetgeving is gebaseerd op Europese regelgeving. Het beleidsvoortouw is daarmee ook verschoven naar de Europese Unie. Het demissionaire kabinet is niet voornemens om op zuiver nationale leest geschoeide wetgeving te introduceren op de doorsnede van het auteursrecht en artificiële intelligentie (los van de vraag of daarvoor nog ruimte bestaat).
In hoeverre deelt u de zorgen van mediabedrijven dat grote techplatforms, mede door de inzet van AI-functionaliteiten, de zichtbaarheid, vindbaarheid en inkomstenbasis van Nederlandse nieuwsmedia verder onder druk zetten?
Media-aanbod moet zo makkelijk mogelijk vindbaar en zichtbaar zijn. Daarmee bereikt deze inhoud de Nederlanders en kunnen mediabedrijven inkomsten genereren. Het kabinet, onder aanvoerderschap van de Minister van OCW, is bezig met het nader verkennen van prominentiebeleid, op grond van de AVMD-richtlijn. Een eventuele aankomende herziening van de richtlijn kan de reikwijdte van het prominentiebeleid mogelijk uitbreiden naar videoplatformdiensten, het kabinet zal daarin een positieve grondhouding aannemen.
Deelt u de zorgen over strategische afhankelijkheden van een beperkt aantal buitenlandse technologieaanbieders voor de Nederlandse informatievoorziening? Welke beleidsopties worden overwogen om deze afhankelijkheden te verkleinen?
In algemene zin herkent het kabinet de zorgen ten aanzien van de platformisering en de afhankelijkheden. Het kabinet heeft hier in de beleidsreactie op het WRR-rapport Aandacht voor Media ook aandacht voor.
Het kabinet zoekt samen met de sector naar manieren om de afhankelijkheden te verkleinen. Prominentiebeleid zou zo’n middel kunnen zijn. Hiervoor kijkt het kabinet ook naar best practices uit andere Europese landen. Daar waar mogelijk zal het kabinet het gesprek over het verkleinen van de afhankelijkheden faciliteren.
Bent u van mening dat de Nationale Digitaliseringsstrategie in voldoende mate bijdraagt aan de bescherming van de doelen genoemd in de brandbrief?
De Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS), onder coördinatie van BZK, richt zich primair op de digitale overheid met als doel om de digitale basis van de overheid – en daarmee ons land – te versterken. De kracht van de NDS is om als rijksoverheid samen op te trekken met provincies, gemeenten, waterschappen en publieke dienstverleners. De NDS versterkt o.a. de transparantie, veiligheid en democratische controle van algoritmes die gebruikt worden door de overheid, Onderdeel van de NDS is het samenwerken aan de implementatie van digitale wetgeving en het wegnemen van juridische knelpunten. De NDS richt zich echter niet op specifieke sectoren, zoals de mediasector.
Hoe beoordeelt u het idee om te komen tot één coördinerend bewindspersoon voor zowel media- als technologiebeleid? Ziet u aanleiding om de huidige bestuurlijke inrichting op dit terrein te heroverwegen?
Het wijzigen van de departementale indeling is een politiek besluit dat aan de formatietafel wordt genomen. De secretarissen-generaal hebben zich er in hun brief aan de informateur wel over uitgelaten.4
Wat is de stand van zaken van de implementatie van relevante Europese regelgeving, zoals de Verordening digitale markten en de Verordening artificiële intelligentie, voor zover deze betrekking heeft op de machtspositie van grote technologiebedrijven en de positie van mediabedrijven?
Diverse uitvoeringswetten in het digitale acquis zijn reeds gepubliceerd in het Staatsblad en in werking getreden. Het gaat bijvoorbeeld om de uitvoeringswetten van de platform-to-business verordening, data governance verordening, digitale diensten verordening, digitale markten verordening en dataverordening. De uitvoeringswet voor de Verordening Artificiële Intelligentie is momenteel in voorbereiding. Deze zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 in internetconsultatie gaan. Parallel daaraan zullen de diverse (vereiste) toetsen worden uitgevoerd. Na verwerking van alle resultaten van consultaties en toetsen, zal deze uitvoeringswet naar de Raad van State gaan voor advies en na verwerking daarvan naar het parlement.
Bent u bereid periodiek aan de Kamer te rapporteren over de staat van de Nederlandse informatievoorziening in relatie tot de rol van grote technologiebedrijven en de effecten van AI op mediapluriformiteit?
Het Commissariaat voor de Media betrekt deze aspecten reeds in de jaarlijkse Mediamonitor en het Digital News Report.5 Deze informatie is beschikbaar via de website van het Commissariaat en is laagdrempelig toegankelijk. Deze rapporten worden veelvuldig aangehaald in Kamerbrieven en vormen daarmee een belangrijke informatiebron om beleid op te baseren.
Verbod op religieuze uitingen boa’s |
|
Annelotte Lammers (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Is de Minister eens met de stelling dat boa’s neutraliteit dienen uit te stralen? Zo nee, waarom niet?
Waarom treedt de algemene maatregel van bestuur (AMvB) niet in werking (betreffende een verbod op religieuze uitingen voor buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s))? Zo nodig tot de beoogde wet die ditzelfde behelst in werking is getreden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het linkedin bericht geplaatst door de Arnhemse burgemeester Ahmed Marcouch waarin hij aangeeft dat het wel mogelijk moet zijn dat een boa een hoofddoek draagt bij het uniform?1
Is het niet gewenst dat een burgemeester ook neutraal is, om maar eens de woorden van de burgemeester zelf aan te halen, in gedrag en integriteit?
In hoeverre kan deze burgemeester neutraal zijn gezien hij zelf aangeeft dat hij geïnspireerd wordt door Said Qutb de oprichter van de fundamentalistische Moslimbroederschap. Zo ja waarom?
De transparantie van besteding van budget door een aspirant-omroeporganisatie |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat in het strafproces tegen een presentator van een aspirant-omroep de betreffende omroep de juridische kosten grotendeels voor haar rekening heeft genomen, dat zou zijn afgesproken om deze kosten «weg te schrijven» in het jaarverslag en dat deze presentator een crowdfunding startte om de juridische kosten te financieren? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?1
Ik ken het bericht. Het Commissariaat voor de Media, als onafhankelijk toezichthouder, heeft mij laten weten nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van bestedingen in deze kwestie. Omdat deze zaak onderwerp van lopend onderzoek van de toezichthouder is, past het mij niet hier verdere uitspraken over te doen.
Kunt u uiteenzetten hoe in algemene zin toezicht wordt gehouden op de naleving van het uitgangspunt dat de financiering die publieke omroepen ontvangen alleen mogen worden besteed aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht?
Hoofdregel van de wet is dat alle inkomsten van een omroepvereniging bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht, tenzij daar door de wet een uitzondering op is gemaakt (artikel 2.135 Mediawet 2008). Het Commissariaat voor de Media (Commissariaat) is verantwoordelijk voor het financiële toezicht op publieke omroepen (artikel 2.171 van de Mediawet 2008). Dit toezicht richt zich onder meer op de rechtmatigheid van de besteding van de middelen die bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht. Het toezicht gebeurt onder meer aan de hand van de jaarrekeningen die de (aspirant-)omroepen met een controleverklaring van de accountant jaarlijks bij het Commissariaat moeten aanleveren. Als daar aanleiding toe bestaat, zal het Commissariaat de financiële rechtmatigheid van bestedingen nader onderzoeken.2 Wanneer (aspirant-)omroepen zich niet houden aan de wettelijke verplichtingen kan het Commissariaat handhavend optreden. Middelen die onrechtmatig besteed zijn vordert het Commissariaat terug.
Welke sancties kunnen worden opgelegd aan (aspirant-)omroepen die zich niet houden aan de geldende juridische verplichtingen?
In algemene zin geldt dat bij overtreding van geldende juridische verplichtingen door (aspirant-)omroepen het Commissariaat per casus kijkt welk handhavingsinstrument het meest effectief is om herstel te bereiken of herhaling te voorkomen. Dit kan variëren van het voeren van een normoverdragend gesprek en het opleggen van een waarschuwing, tot formele handhavingsinstrumenten zoals een last onder dwangsom of een boete. Bij onrechtmatige besteding van middelen vordert het Commissariaat deze terug. Ook kan het Commissariaat een aanwijzing geven als sprake is van wanbeheer of als een deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen of het voeren van een deugdelijke administratie onvoldoende gewaarborgd zijn. Bij deze keuze baseert de toezichthouder zich op feiten die zijn verzameld en een beoordeling van de aard en de ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.
Wie legt volgens u sancties op conform de mediawet en hoe effectief is het wetsartikel 2.33 van de mediawet volgens u? Kunt u dit toelichten?
Het Commissariaat voor de Media is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Mediawet 2008, en kan bij overtredingen sanctioneren. Dat is onder meer het geval als sprake is van onrechtmatige besteding van gelden. Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 ziet op het intrekken van een (voorlopige) erkenning. Dat is een zeer verstrekkende bevoegdheid van de Minister die alleen als ultimum remedium moet worden ingezet.
Kunt u zich het Kamerdebat herinneren over de rolduidelijkheid aangaande sanctioneren van (aspirant-)omroepen door de NPO, het Commissariaat voor de Media en het kabinet en de aangenomen motie van het lid Mohandis c.s. om de rollen en het sanctiebeleid in den brede aan te scherpen en te verduidelijken, zodat duidelijker wordt na hoeveel overtredingen de licentie in het geding komt? Zo ja, hoe verhoudt dit geval zich tot deze rolduidelijkheid?2
Ja. In de reactie op deze motie heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat dit onderwerp wordt meegenomen in het wetsvoorstel voor de hervorming van de landelijke publieke omroep. Die toezegging staat. In het onderhavige geval is er overigens geen rolonduidelijkheid. Volgens de wet is het Commissariaat belast met het toezicht op de rechtmatige besteding van publieke omroepmiddelen. Daar hebben de NPO noch het kabinet een rol.
Betrekt u de uitvoering van deze motie bij de komende wetsbehandeling conform uw toezegging tijdens het notaoverleg Media van 14 april 2025? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat, met het oog op het belang van betrouwbare en transparante journalistiek, herhaald overtreden van de uit de mediawet conform artikel 2.33 voortvloeiende verplichtingen moet worden gesanctioneerd en de omroeplicentie in het geding kan komen? Zo nee, waarom niet?
Alle omroepen, geen enkele uitgezonderd, dienen zich aan de voor hen geldende wettelijke verplichtingen te houden. Als men dat nalaat geldt het handhavingsregime zoals dat in de Mediawet is vastgelegd en zoals ik heb toegelicht in mijn antwoorden op vraag 2 tot en met 4. De mogelijkheid van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 om een (voorlopige) erkenning in te trekken, kan pas aan de orde komen als het Commissariaat minstens twee sancties in een jaar heeft opgelegd of wanneer daar een tweede negatief oordeel van de evaluatiecommissie aan ten grondslag ligt. Dat is overigens geen automatisme, er dient altijd een zorgvuldige afweging gemaakt te worden