De BOSA-regeling |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bereid te kijken naar een compensatiemaatregel voor het uitvallen van de service van de BOSA-regeling, waardoor veel sportverenigingen de subsidie misliepen?
Ik ben me ervan van bewust dat de storing vervelende situaties opleverde en dat betreur ik. Bij het vasthouden aan volgorde van binnenkomst had niet iedereen een gelijke kans om hun subsidieaanvraag in te dienen. Om elke aanvrager een gelijke kans te geven heb ik dit besluit moeten nemen. Een compensatieregeling is niet aan de orde. Het doen van een aanvraag betekent nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat.
Hoe kijkt u naar de problemen voor twee voetbalverenigingen in het Friese Lemmer die willen fuseren, maar daarbij de BOSA-subsidie nodig hebben, en deze door de loting zijn misgelopen, terwijl deze eerst wel leek toebedeeld?1
Ik kan niet ingaan op specifieke gevallen. Wel begrijp ik dat de storing voor sommige aanvragers tot teleurstellende en vervelende situaties heeft geleid. Dat betreur ik. Juist daarom vind ik het belangrijk om goed te kijken naar de gevolgen van deze storing en daar lessen uit te trekken. Daarbij zullen zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als ook de verdeelwijze van het beschikbare budget kritisch worden geëvalueerd. Aanvragers die dit jaar geen kans op BOSA-subsidie hebben kunnen ontvangen, krijgen volgend jaar opnieuw de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen.
Hoe kijkt u naar het feit dat de BOSA-regeling al jaren overvraagd is, waardoor veel sportverenigingen achter het net vissen?
De feitelijke vraag van amateursportverenigingen overstijgt al enkele jaren het beschikbare budget. De overvraging laat zien dat de behoefte aan investeringen in sportaccommodaties en -materialen groot is.
Eerder heeft NOC*NSF aangegeven2 dat er € 125 mln. nodig zou zijn voor de BOSA om tegemoet te komen aan de vraag. Ik zie geen budgettaire ruimte hier volledig aan tegemoet te komen, maar in het coalitieakkoord3 is wel opgenomen dat er geïnvesteerd wordt in de renovatie en verduurzaming van sportaccommodaties.
Ik wil verkennen hoe we binnen de financiële ruimte zo goed mogelijk recht kunnen doen aan de behoeften van sportverenigingen. Daarom stel ik een werkgroep «financiering bouw en onderhoud sportaccommodaties» in om mij te adviseren hoe ik de beschikbare middelen zo goed mogelijk in kan zetten.
Wat is volgens u het meest geschikte jaarlijkse BOSA-budget wat recht doet aan de noden van sportverenigingen in Nederland?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een loting een zeer onwenselijke manier is om het geld toe te wijzen uit de BOSA-regeling?
De loting zal sommige aanvragers verheugen en anderen teleurstellen. Ik ben me ervan bewust dat de nieuwe volgorde vervelende situaties oplevert, dat betreur ik. Maar ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst hadden zich door de storing ongelukkige situaties voorgedaan.
Kunt u al een doorkijk geven over hoeveel budget van het gereserveerde sportbudget uit het coalitieakkoord de komende jaren naar de BOSA-regeling gaat?
De inzet van het gereserveerde budget voor sport uit het coalitieakkoord vormt onderdeel van de bredere besprekingen over de inzet van coalitieakkoord-middelen. Deze gesprekken lopen op dit moment. De Kamer zal uiterlijk op Prinsjesdag geïnformeerd worden over de inzet van deze middelen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sportverenigingen en de RVVB over de ernst en omvang van de problemen rondom de BOSA-regeling en te kijken naar het meldpunt? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie spreekt regelmatig met de RVVB. Ik zal ook met de RVVB in gesprek gaan over de problemen rondom de BOSA-regeling.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Sportbeleid van 30 juni?
Ja.
Het Sportakkoord 2 en het rapport van de evaluatie Sportakkoord |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de evaluatie van het Sportakkoord?1
Kan worden toegelicht hoeveel meer mensen zijn gaan sporten of bewegen als gevolg van het Sportakkoord?
Kan nader worden toegelicht wat «landelijk is een strategisch kader voor topsport tot stand gebracht» concreet betekent voor de topsport?
Zijn topsporters tevredener, behalen ze betere prestaties of is hun positieve maatschappelijke impact toegenomen als gevolg van het Sportakkoord?
Kan nader worden toegelicht wat het concreet betekent dat «De ambitie om de governance van top- en breedtesport samen te brengen is deels waargemaakt; de fysieke samenvoeging van coördinatieteams is niet doorgezet, maar er vindt wel samenwerking op specifieke thema’s plaats»?
Wat zijn de consequenties van de «verbeterde samenwerking» tussen gemeentes en sportverenigingen? Hoe vertaalt deze verbetering zich concreet?
Wat zijn de concrete consequenties voor het sportaanbod als de breedtesport niet gebord wordt omdat de sportakkoordmiddelen wegvallen, zoals gesteld in de evaluatie?
Welke resultaten verdwijnen precies door het gebrek aan structurele financiering, zoals beschreven op pagina 5?
Hoe doelmatig en doeltreffend was het besteedde geld aan het Sportakkoord, uitgedrukt in toename in sporten en bewegen?
In hoeverre bent u van mening dat het effectief en doelmatig is om middelen niet gewoon lokaal in te zetten, maar aan adviseurs lokale sport, wanneer adviseurs aangeven dat toegang tot lokale en regionale netwerken lastig is?
Wat heeft de gemiddelde sportclub aan administratieve ontlasting gehad als gevolg van het Sportakkoord? Was dit doeltreffend en doelmatig?
Zijn gemeentes tevreden met het Sportakkoord? Of zijn er ook gemeentes die alternatieven aandragen?
Zijn sportverenigingen tevreden met het Sportakkoord – zij moeten immers de doelen waarmaken? Of zijn er ook sportverenigingen die de alternatieven aandragen?
Waarom is er geen enquête gehouden onder sportverenigingen over hoe de middelen zo goed mogelijk verdeeld kunnen worden?
Zijn sporters tevreden met het Sportakkoord?
Kan worden toegelicht wat er wordt bedoeld met een betere samenwerking tussen breedtesport en topsport? Kunt u dit toelichten aan de hand van drie illustratieve voorbeelden?
Wat betekent het volgende citaat concreet «Op basis van landelijke interviews en de casestudies concluderen we dat de sportinfrastructuur in Nederland de afgelopen jaren op verschillende vlakken merkbaar versterking heeft gekregen, maar de mate van robuustheid verschilt sterk tussen gemeenten»?
Zijn sportverenigingen tevreden over het ondersteuningsaanbod voor sportaanbieders, die duidelijk zijn toegenomen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Commissiedebat Sportbeleid d.d. 30 juni 2026?
Het artikel ‘De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival’ |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival»?1
Ja.
Klopt het dat de auteur van dit artikel in de aanloop naar het Eurovisie Songfestival meerdere schriftelijke vragen en verzoeken om opheldering heeft gericht aan AVROTROS, de Ombudsman van de NPO en het Commissariaat voor de Media, en dat deze niet, dan wel slechts summier of niet-inhoudelijk, zijn beantwoord?
De AVROTROS heeft desgevraagd laten weten dat zij bekend zijn met de auteur van het artikel en haar brieven zorgvuldig hebben beantwoord.
Desgevraagd laat ook de ombudsman weten dat er veelvuldig contact is geweest met de auteur van het artikel waar u naar verwijst. Waar dat contact de bevoegdheden van de ombudsman raakte is door de ombudsman ook inhoudelijk gereageerd.
Ten slotte laat het Commissariaat voor de Media weten dat de auteur van het stuk, namens de «Verzetsgroep Opstaan tegen Antisemitisme» bij het Commissariaat op 17 februari 2026 ook een verzoek om handhaving heeft ingediend. Dit was het eerste contactmoment met het Commissariaat. Op vrijdag 8 mei 2026 heeft het Commissariaat een besluit op het handhavingsverzoek genomen. Het besluit is conform vast beleid twee weken later – op 22 mei – gepubliceerd op de website van het Commissariaat. In het procesverloop van het besluit is het verloop van de procedure opgenomen, waarbij ook de verschillende contacten met de verzoeker zijn opgenomen.
Deelt u de opvatting dat het structureel uitstellen van inhoudelijke beantwoording tot nádat een boycotbeslissing feitelijk onomkeerbaar is geworden op gespannen voet staat met de beginselen van transparantie, publieke verantwoording en democratische controle van met belastinggeld gefinancierde instellingen? Zo nee, waarom niet?
De AVROTROS, het Commissariaat voor de Media en de ombudsman laten weten dat zij veelvuldig contact hebben gehad met de auteur van het artikel en haar te woord hebben gestaan. Ik reken erop dat zij allen hun beslissing rondom de bekendmaking van informatie en het beantwoorden van de vragen goed hebben overwogen.
Daarnaast heeft het Commissariaat voor de Media laten weten dat het handhavingsverzoek waarnaar verwezen wordt in de beantwoording van vraag 2 binnen de gestelde wettelijke termijn en conform de vaste werkwijze is afgehandeld. In correspondentie gaf de verzoeker verder aan spoedeisend belang te hebben bij een besluit vóór 16 mei (de finale van het Songfestival). Het Commissariaat heeft het besluit daarom op 8 mei jl. genomen. Het besluit is te vinden op de website van het Commissariaat.2
Bent u van mening dat van een publieke omroep mag worden verwacht dat zij politieke neutraliteit en pluriformiteit waarborgt, zoals bedoeld in de Mediawet, en hoe verhoudt een besluit om af te zien van deelname aan een cultureel evenement vanwege de deelname van een specifiek land zich volgens u tot die publieke taak?
De landelijke publieke omroep is als stelsel samen verantwoordelijk om, naast andere publieke waarden, de pluriformiteit te waarborgen. In tegenstelling tot de NOS is het niet de taak van de andere omroepen om (politiek) neutraal te zijn: (politieke) neutraliteit is niet opgenomen als eis in de Mediawet. De verschillende omroepen binnen het publieke bestel vertegenwoordigen hun eigen stromingen om zo vanuit verschillende perspectieven aanbod te maken. De beslissing over de deelname van Nederland aan het Eurovisie Songfestival ligt op basis van de redactionele autonomie bij de betrokken omroeporganisatie.
Kunt u aangeven of er voorafgaand aan of tijdens de besluitvorming contacten zijn geweest tussen AVROTROS en/of de NPO enerzijds en activistische organisaties, NGO’s of lobbygroepen anderzijds over de deelname van Israël aan het Eurovisie Songfestival en zo ja, bent u bereid hierover volledige transparantie richting de Kamer te betrachten?
De omroepen gaan zelf over hun programmering. Hoe zij tot besluitvorming komen en met wie zij daarover spreken is dan ook aan hen.
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de publieke omroep enerzijds stelt principiële bezwaren te hebben tegen deelname aan het Eurovisie Songfestival, maar anderzijds het evenement wel blijft uitzenden en daarmee profiteert van kijkcijfers en advertentie-inkomsten? Acht u deze combinatie verenigbaar met de publieke voorbeeldfunctie van de omroep?
Het is aan de omroepen zelf om besluiten te nemen over hun programmering. Het is niet aan mij om te oordelen over het besluit van deelname aan en de uitzending van het Eurovisie Songfestival van de publieke omroep.
Bent u bereid het Commissariaat voor de Media te verzoeken te onderzoeken of de handelwijze van AVROTROS en de NPO in deze kwestie verenigbaar is met de Mediawet, in het bijzonder waar het gaat om onafhankelijkheid, politieke neutraliteit, gelijke behandeling en de publieke taakopvatting en de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren?
Het Commissariaat voor de Media is een onafhankelijke toezichthouder en gaat over haar eigen werkzaamheden. Derhalve ga ik geen verzoek doen voor een specifiek onderzoek op dit punt.
Het bericht 'Omroep Zwart gered door gift van zes ton ondanks ledenverlies' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Is publiek bekend welke donateur een gift van meer dan zes ton aan Omroep Zwart heeft geschonken?1
Nee.
Weet u wellicht wie deze gift van meer dan zes ton aan Omroep Zwart heeft geschonken?
Nee.
Vindt u het zorgelijk dat (anonieme) donateurs door middel van dergelijke grote giften mogelijk in het geheim invloed kunnen uitoefenen op de programmering van de publieke omroep?
Alle omroepen moeten voldoen aan de eisen op het gebied van transparantie en verantwoording. Het Commissariaat voor de Media houdt hier toezicht op. Het is een omroep toegestaan om donaties te ontvangen zolang er sprake is van een onvoorwaardelijke gift, hier geen inhoudelijke voorwaarden aan verbonden zijn en daarmee de onafhankelijkheid van het media-aanbod volledig gewaarborgd is. Het Commissariaat zal dit onderwerp in het kader van de reguliere rechtmatigheidstoetsing over boekjaar 2025 opvolgen.
Het bericht dat archieffragmenten van Pim Fortuyn zijn geblokkeerd en niet mogen worden uitgezonden |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt de bewering in de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 dat een groot aantal archieffragmenten van Pim Fortuyn in televisiesystemen wel kan worden teruggevonden, maar niet (meer) mag worden uitgezonden?
Nee, dit is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.1 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat. Daarnaast geeft Beeld & Geluid aan dat het aantal daadwerkelijk geblokkeerde fragmenten in hun archief laag is.
Klopt het dat redacties bij het raadplegen van deze archieven worden geconfronteerd met een technische blokkade, waardoor uitzending van deze fragmenten slechts mogelijk is na aanvullende toestemming of helemaal niet is toegestaan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Is het waar dat deze blokkades zijn aangebracht binnen systemen waarvan omroepen gebruikmaken, zoals het archiefsysteem van de NPO en/of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid? Zo niet, om welk systeem gaat het dan?
Zie het antwoord op vraag 1.
Welke instanties of partijen hebben besloten tot het aanbrengen van deze blokkades bij archieffragmenten van Pim Fortuyn?
Zoals ik onder antwoord 1 heb aangegeven fungeren de omroepen als rechthebbende en licentieverstrekker als het materiaal aan hen toebehoort. Zij bepalen of een licentie voor hergebruik wordt verstrekt. Voor het verwerken van blokkeringen of licentiebeperkingen dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem aanpassen.
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor het publiek kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke uitzondering valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo geven de omroepen aan dat het mogelijk is dat het auteursrecht op het fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico zou kunnen betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade op de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkering het materiaal nog steeds te bekijken is in het archief van Beeld & Geluid. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Is het waar dat het hierbij (mede) gaat om fragmenten met aantoonbare historische en politieke betekenis, waaronder interviews en debatmomenten uit de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn?
Beeld & Geluid geeft aan zelf niet te beoordelen of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kan maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zal uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma <I>NOVA</I> uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten in DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Met welke reden of redenen zijn deze fragmenten geblokkeerd, en op basis van welk juridisch, beleidsmatig of contractueel kader is deze beslissing genomen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Zijn er naast de in de uitzending genoemde fragmenten nog meer archiefbeelden van Pim Fortuyn die (gedeeltelijk) zijn geblokkeerd, en zo ja, kunt u aangeven om hoeveel fragmenten het gaat en op welke gronden deze zijn geblokkeerd?
Zie het antwoord op vraag 5.
Klopt het dat betrokkenen die in deze fragmenten voorkomen, via een systeem kunnen aangeven dat zij niet wensen dat bepaalde beelden opnieuw worden uitgezonden?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien de publieke omroep verantwoordelijk is voor het blokkeren van deze archieffragmenten, acht u deze handelwijze verenigbaar met de publieke taak van de publieke omroep om de Nederlandse politieke en maatschappelijke geschiedenis toegankelijk en inzichtelijk te maken?
Zoals ik onder antwoord 4 heb aangegeven, onderschrijf ik het uitgangspunt van de omroepen om vanuit hun publieke taak materiaal waarvan zij rechthebbende zijn, zoveel mogelijk beschikbaar te stellen. Daarom vind ik het goed dat omroepen een zorgvuldige afweging maken voordat ze bepalen of een fragment geblokkeerd moet worden.
Veel licenties voor archiefmateriaal, waaronder dat van Fortuyn, worden dan ook regelmatig verstrekt. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is.
Deelt u de mening dat historisch-politieke archieffragmenten die met publieke middelen zijn vervaardigd of beheerd, in beginsel vrij beschikbaar moeten zijn voor journalistieke en maatschappelijke duiding?
Ja. Audiovisueel archiefmateriaal draagt bij aan de beleving van historische momenten. Het geeft inzage in een tijdsbeeld en kan bijdragen aan historisch inzicht en het begrip van complexe hedendaagse vraagstukken. Daarom is het goed dat een breed publiek kennis kan nemen van archiefmateriaal. Tegelijkertijd zijn er gronden waarop het hergebruik van materiaal beperkt kan worden.
Deelt u de mening dat het structureel blokkeren van dergelijke fragmenten neerkomt op het beperken van het zicht op de Nederlandse politieke geschiedenis?
Nee. Op dit moment is er mijns inziens geen sprake van het «structureel» blokkeren van archiefmateriaal. Omroepen gaan slechts na een zorgvuldige afweging over tot het blokkeren van materiaal. Ik vind het goed dat omroepen hier terughoudend mee omgaan, vanwege de maatschappelijke waarde die het materiaal heeft. Dat neemt niet weg dat omroepen soms genoodzaakt zijn om een afweging te maken tussen het belang van het hergebruik en overige relevante omstandigheden, zoals het belang van de betrokkenen.
Zoals ik onder antwoord 5 heb aangegeven, constateert Beeld & Geluid dat omroepen ook voor programma’s die een blokkade bevatten, licenties geven voor hergebruik.
Kunt u toezeggen dat u zich actief zal inzetten om ervoor te zorgen dat archieffragmenten van Pim Fortuyn met historische en politieke betekenis weer zonder belemmeringen kunnen worden uitgezonden? Zo niet, waarom niet?
Nee. Beeld & Geluid geeft aan dat er in algemene zin licenties worden verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal van Fortuyn. Bovendien is ook voor het desbetreffende fragment uit het nieuwsbericht meerdere malen een licentie verstrekt voor hergebruik. Daarnaast zetten omroepen zich in om zoveel mogelijk materiaal beschikbaar te maken. Het blijft uiteindelijk aan de rechthebbende om een afweging te maken rondom het verstrekken van licenties.
De overnames van vakantieparken en de stand van zaken van de nieuwe Kampeerwet |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Markt voor vakantiehuizen koelt in hoog tempo af»?1 Wat is u reactie op het feit dat er op makelaarssite Funda nu 4.979 recreatiewoningen te koop staan, 32% meer dan in maart 2025?
Herkent u de door makelaarsvereniging NVM geconstateerde trend dat steeds meer eigenaren van vakantiewoningen deze willen verkopen?
Onderschrijft u de woorden van recreatieadviseur Hans van Leeuwen dat straks 75% van de vakantiehuizen in Nederland geen rendement meer oplevert? Voorziet u net als hij een grote verkoopgolf?
De SP heeft jarenlang gewaarschuwd dat de overname van campings en de bouw van veel nieuwe vakantiewoningen ertoe zou leiden dat deze markt ook op een moment weer zou afkoelen, met grote gevolgen voor alle betrokkenen, erkent u dat dit nu gebeurt?
Ondanks de snel afkoelende markt voor vakantiehuizen, worden er nog steeds campings opgekocht en geherstructureerd voor de bouw van (luxe) vakantiewoningen, deelt u onze mening dat dit zeer onverstandig is?
Nog steeds verliezen recreanten hun vaste kampeerplek omdat ze moeten wijken voor de komst van duurdere vakantiewoningen, ondanks dat er een groter tekort is aan betaalbare vakantieplekken dan aan luxere vakantiewoningen, wat gaat u doen om deze trend te keren?
Kent u de oproep van Veluwse gemeenten «Overnamegolf vakantieparken baart gemeenten op Veluwe zorgen: «Voor veel mensen onbetaalbaar»»?2
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat steeds meer vakantieparken in handen komen van grote ketens?
Begrijpt u de zorgen van de Veluwse gemeenten dat vakanties daardoor te duur worden?
De Veluwse gemeenten spreken nu de, ook door de SP vaak geuite zorg uit, dat vakantieparken eenheidsworst worden en vakantie straks alleen nog te betalen is voor mensen met veel geld, deelt u deze zorg nu eveneens?
Erkent u dat het voor gemeentes nu vaak lastig is om de komst van vakantieketens te voorkomen? Kunt u in uw antwoord meenemen welke mogelijkheden gemeenten volgens u hebben om deze trend te keren?
Erkent u dat wanneer het voor gemeenten al lastig is om hier iets aan te doen, het voor recreanten die hun vaste plek dreigen te verliezen nog veel lastiger is?
Erkent u dat gemeenten bestaande instrumenten om recreatiebestemmingen te beschermen in de praktijk lang niet altijd benutten of handhaven?
Wat gaat u doen om te voorkomen dat gemeenten recreatief gebruik laten verdwijnen zonder duidelijke ruimtelijke afweging over de gevolgen voor betaalbare recreatie, leefbaarheid en toerisme?
Erkent u dat recreanten nu niet of nauwelijks beschermd zijn bij overnames en herstructureringen?
Wat vindt u ervan dat sommige recreanten niet eens precies weten wie de nieuwe eigenaar is omdat deze verscholen zit in een reeks bv’s? Zo is Metanoia, de nieuwe eigenaar van camping de Fontein, met 25 bv’s ingeschreven op één adres en staan er 60 bv’s op één adres in Zandvoort waaronder de nieuwe eigenaar van camping Sandevoerde, ziet u dit als onwenselijk?
Hoeveel campings en vakantieparken zijn sinds 2020 overgenomen door investeringsmaatschappijen, grote recreatieketens of vastgoedpartijen?
Heeft het kabinet zicht op hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen vijf jaar zijn verdwenen?
Hoeveel nieuwe recreatiewoningen, waaronder luxe recreatiewoningen, zijn de afgelopen vijf jaar vergund, en hoeveel betaalbare kampeerplaatsen zijn in dezelfde periode verdwenen?
Heeft u inzicht in het aantal overnames van campings en vakantieparken dat gepaard gaat met opzegging van vaste standplaatsen, herstructurering of omzetting naar recreatiewoningen?
Bent u bereid landelijk inzichtelijk te maken hoeveel vaste kampeerplaatsen de afgelopen jaren zijn verdwenen door overnames, herstructurering en transformatie van vakantieparken?
Erkent u dat recreatiewoningen en vakantieparken in toenemende mate worden gebruikt door bedrijven die vakantiewoningen opkopen voor de huisvesting van arbeidsmigranten, waardoor recreatiebestemmingen feitelijk verdwijnen?
Heeft u inzicht in hoeveel recreatieparken momenteel geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten?
Deelt u de mening dat recreatieparken primair bedoeld moeten blijven voor recreatie en betaalbare vakanties, en niet sluipenderwijs moeten veranderen in grootschalige huisvestingslocaties?
Erkent u dat de combinatie van grootschalige opkoop van vakantieparken, herstructurering en huisvesting van arbeidsmigranten leidt tot verdere afname van betaalbare recreatiemogelijkheden voor Nederlandse gezinnen?
Hoe verklaart u dat woningbouwprojecten in heel Nederland geregeld stilvallen vanwege stikstofregels, terwijl de uitbreiding of herstructurering van vakantieparken en de bouw van recreatiewoningen vaak wel doorgaan, óók nabij kwetsbare natuurgebieden?
Deelt u de mening dat het wringt dat betaalbare woningbouw regelmatig wordt tegengehouden vanwege stikstof, terwijl recreatieve vastgoedontwikkeling veelal wel mogelijk blijkt?
Erkent u dat stikstofberekeningen bij de herstructurering van vakantieparken doorgaans gebaseerd zijn op door initiatiefnemers zelf aangeleverde gegevens en berekeningen?
Hoe wordt gecontroleerd of de aangeleverde stikstofberekeningen, verkeersprognoses en natuuronderzoeken bij recreatieve herstructureringsprojecten daadwerkelijk volledig en realistisch zijn?
Heeft u signalen dat herstructureringen van vakantieparken gefaseerd worden uitgevoerd om stikstofeffecten of vergunningplichten te beperken of te omzeilen?
Wordt bij gefaseerde herstructurering van campings en vakantieparken altijd gekeken naar de totale cumulatieve stikstof- en natuureffecten van het volledige project?
Deelt u de mening dat voorkomen moet worden dat grootschalige recreatieve vastgoedontwikkeling via deelprojecten of gefaseerde aanvragen onder natuur- en stikstofregels uitkomt?
Voorjaar 2025 werd ons voorstel aangenomen om te komen tot een nieuwe Kampeerwet om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen (motie Kamerstuk 36 452, nr. 4), hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Op 21 januari 2026, bij de behandeling van de begroting van Economische Zaken, schreef u aan de Kamer «de uitvoering van de motie heeft mijn aandacht» en «naar verwachting wordt de reactie de binnenkort aan de Kamer gestuurd», wat is uw definitie van binnenkort?
Wanneer kunnen we de reactie op de aangenomen motie verwachten? Kunt u al zeggen welke maatregelen u gaat nemen om recreanten, natuur en omgeving beter te beschermen?
Welke maatregelen gaat u opnemen in de nota Ruimte om te borgen dat Nederland een divers recreatieaanbod heeft met mogelijkheden voor elk budget?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de «eerste verjaardag» van onze aangenomen motie om te komen tot een nieuwe Kampeerwet (binnen de termijn van drie weken)?
Onthullingen in Nieuws van de Dag betreffende de mogelijkheid bij de NPO om tv-fragmenten met Pim Fortuyn te blokkeren zodat deze niet uitgezonden kunnen worden. |
|
Annabel Nanninga (JA21) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 waarin presentator Thomas van Groningen onthulde dat personen die figureren in tv-fragmenten met Pim Fortuyn, de mogelijkheid hebben om in het archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid aan te geven dat voor hen pijnlijke passages niet uitgezonden mogen worden en dit dan ook niet gebeurt?
Ja.
Klopt volgens u de bewering van Van Groningen dat het fragment waarin oud-politicus Marcel van Dam tegen Pim Fortuyn zegt dat hij een «buitengewoon minderwaardig mens» is, is geblokkeerd en dat dit het geval is met «heel veel van dit soort fragmenten» met Pim Fortuyn?
Nee, dat is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.1 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende. Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context, voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat. Daarnaast geeft Beeld & Geluid aan dat het aantal daadwerkelijk geblokkeerde fragmenten in hun archief laag is.
Deelt u de mening dat als dit fragment (of welk fragment dan ook) inderdaad op verzoek van Marcel van Dam (of van wie dan ook) niet meer mag worden uitgezonden, dit vanuit journalistiek oogpunt bijzonder ongewenst is?
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor hergebruik kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke exceptie valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij een nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo geven de omroepen aan dat het mogelijk is dat het auteursrecht op het fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico zou kunnen betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op de veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade bij de verstrekking van de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkade het materiaal en de metadata te bekijken blijven. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Meent u dat er een einde zou moeten komen aan de praktijk van een veto uitspreken over het uitzenden van tv-fragmenten, door personen die liever niet herinnerd worden aan een optreden in relatie tot Fortuyn of eventuele andere persoonlijkheden/onderwerpen, en zo ja, bent u bereid dit aan de orde te stellen bij de NPO?
Nee, naar mijn mening is geen sprake van dergelijke veto’s. Voor blokkeringen of licentiebeperkingen van materiaal dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem aanpassen.
Ik vind het daarnaast van belang om nogmaals te benadrukken dat het percentage geblokkeerde fragmenten in het archief van Beeld & Geluid laag is. Een besluit van de omroep als rechthebbende om geen licentie te verstrekken voor het hergebruik van materiaal wordt genomen na een zorgvuldige afweging tussen het belang van hergebruik en de overige relevante omstandigheden, zoals het belang van een betrokkene.
Zijn er volgens u situaties denkbaar waarbij een persoon met recht bezwaar zou kunnen maken tegen het herhalen van fragmenten die zich in het archief bevinden van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid?
In mijn antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven dat het hergebruik van materiaal beperkt kan worden op verschillende gronden.
Aangezien iedere Nederlander onvrijwillig meebetaalt aan de NPO, acht u het gepast om dan materiaal dat van ons allemaal is, te cureren, censureren, blokkeren of anderszins niet publiek beschikbaar te maken danwel houden?
Zoals ik onder antwoord 3 al heb aangegeven, streven omroepen ernaar om materiaal waarvan zij de rechthebbende zijn zoveel mogelijk beschikbaar te stellen voor hergebruik. Dit vinden zij passend gezien de publieke taak die zij uitvoeren. Dit uitgangspunt deel ik. Omroepen maken een zorgvuldige afweging bij het verstrekken van licenties. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is.
Bovenstaande sluit niet uit dat er gronden kunnen zijn waarop omroepen besluiten om een licentie niet te verstrekken.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel fragmenten uit het archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid op verzoek van betrokkenen zijn geblokkeerd, afgeschermd of anderszins beperkt in hergebruik, en in hoeveel gevallen dit politiek of maatschappelijk relevante uitzendingen betreft?
Nee. Beeld & Geluid beoordeelt niet of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kunnen maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zou uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma NOVA uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten van het zoekportaal DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Kunt u inzichtelijk maken welk orgaan binnen de NPO verantwoordelijk is voor dergelijke censuur en welke overwegingen en criteria gehanteerd worden bij het inwilligen van verzoeken tot moderatie dan wel censuur?
Ik deel niet de mening dat hier sprake is van censuur. Zoals ik eerder heb aangegeven, streven omroepen ernaar om fragmenten waarvan zij rechthebbende zijn, zo veel mogelijk vrij te geven. Zie het antwoord op vraag 3 voor de gronden en overwegingen die een rol spelen bij een besluit om een licentie voor hergebruik niet te verstrekken.
Het blokkeren van historische archiefbeelden van Pim Fortuyn |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat historische televisiefragmenten van Pim Fortuyn in omroeparchieven zijn gemarkeerd als niet-uitzendbaar of beperkt toegankelijk zijn gemaakt?1
Ja.
Klopt het dat binnen omroeparchieven of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid systemen bestaan waarmee betrokken personen bezwaar kunnen maken tegen heruitzending van historische fragmenten?
Nee, dit is niet helemaal juist. Professionals, zoals journalisten en wetenschappers, die audiovisueel materiaal willen zoeken en bestellen voor hergebruik, kunnen in het portal DAAN materiaal uit de collecties zoeken, bekijken, downloaden en licenties aanvragen.2 In de zoekresultaten wordt direct getoond welke auteursrechtelijke status aan een uitzending is gekoppeld. Materiaal kan bijvoorbeeld Publiek Domein zijn, grofweg materiaal uit de eerste helft van de twintigste eeuw, en dan zonder licentie worden gedownload. Er kan ook staan «licentie vereist» of «geblokkeerd». Dit kan bijvoorbeeld zijn vanwege het auteursrecht, privacyredenen of veiligheidsrisico’s van geportretteerden. Dat betekent dat het materiaal niet zonder extra controle door de rechthebbende kan worden gebruikt.
Voor het verwerken van blokkeringen of licentiebeperkingen dienen rechthebbenden een verzoek in bij Beeld & Geluid. Individuele personen kunnen dit niet zelf in het systeem.
Hoe beoordeelt u het voorbeeld waarbij voormalig politicus Marcel van Dam bezwaar zou hebben gemaakt tegen heruitzending van het historisch bekende fragment waarin hij Pim Fortuyn in Het Lagerhuis een «buitengewoon minderwaardig mens» noemt, en vindt u dat dergelijke politiek-historische fragmenten beschikbaar en uitzendbaar moeten blijven?
Ik vind het belangrijk dat audiovisueel archiefmateriaal, waaronder dat over Fortuyn, zoveel mogelijk beschikbaar is. Het draagt bij aan de beleving van historische momenten en geeft inzage in een tijdsbeeld. Hierdoor kan het bijdragen aan historisch inzicht en het begrip van complexe hedendaagse vraagstukken. Daarom is het goed dat een breed publiek kennis kan nemen van archiefmateriaal. Onlangs is hierin een belangrijke stap gemaakt met de lancering van het online platform «de Schatkamer» van Beeld & Geluid. Op dit platform zijn meer dan 700.000 audiovisuele fragmenten gratis te zien voor het publiek.
Beeld & Geluid geeft aan dat voor het hergebruik van het fragment waaraan gerefereerd wordt een licentie nodig is. Het fragment heeft volgens Beeld & Geluid een andere, lichtere status dan een blokkade. De aanvrager heeft dan toestemming nodig van de rechthebbende. Als het gaat om materiaal van de omroepen, fungeert de omroep als rechthebbende en licentieverstrekker.
Het fragment stamt volgens Beeld & Geluid uit een tijd dat hergebruik nog plaatsvond via fysieke banden. Daarop zat destijds een sticker «blocked/geblokkeerd» zodat er vanwege de gevoeligheid van het materiaal altijd een extra toets werd gedaan naar de context voordat het materiaal kon worden hergebruikt. In de digitale transitie van het materiaal zijn die termen in eerste instantie overgenomen. Beeld & Geluid geeft aan dat de term «geblokkeerd» voor verwarring kan zorgen en neemt dit mee in de doorontwikkeling van hun archiefsysteem. Het zegt namelijk iets over de toetsing bij een licentieverstrekking en niet zozeer over het weghalen van het materiaal. Dat laatste is niet aan de orde.
Uit gegevens van Beeld & Geluid blijkt dat het eerdergenoemde fragment door de jaren heen een aantal keer is vrijgegeven voor hergebruik. Ook ziet Beeld & Geluid dat er over het algemeen licenties worden verleend voor het hergebruik van beelden van Pim Fortuyn. Ter illustratie verwijst Beeld & Geluid naar de in 2025 verschenen documentaire Fortuyn: On-Hollands, dat veel archiefbeelden bevat.
Het is belangrijk om te benoemen dat ook in het geval van een blokkering het materiaal nog steeds te bekijken is in het archief van Beeld & Geluid. Het betekent dus niet dat het materiaal helemaal niet meer toegankelijk is.
Op basis van welke criteria kunnen historische televisiebeelden worden geblokkeerd, beperkt of «uitgezet» voor hergebruik?
De omroepen geven aan dat zij vanuit de uitvoering van de publieke taak fragmenten waarvan zij de rechthebbende zijn, zoveel mogelijk vrijgeven. Dit geldt in het bijzonder voor journalistiek materiaal. Ik vind dit een belangrijk uitgangspunt.
Er kunnen desondanks gronden zijn om op enig moment geen licentie te geven voor het gebruik van een bepaald fragment of materiaal. De beschikbaarheid van publieke omroeparchieven voor het publiek kan bijvoorbeeld worden beperkt op grond van het auteursrecht, het naburig recht en overwegingen met betrekking tot privacy. In deze gevallen is dat in de eerste plaats ten behoeve van de rechten van makers, uitvoerend kunstenaars en natuurlijke personen. Het uitgangspunt van auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd materiaal is dat voor de openbaarmaking en verveelvoudiging ervan door derden, toestemming van de rechthebbenden vereist is. Dit is niet het geval als er sprake is van gebruik dat onder een wettelijke uitzondering valt. Indien de omroep rechthebbende van het materiaal is, besluit zij of er een licentie wordt verstrekt voor het hergebruik van archiefmateriaal.
De omroepen hebben mij nadere toelichting gegeven bij specifieke situaties waarin een licentie voor hergebruik niet is verstrekt. Zo is het mogelijk dat het auteursrecht op een fragment niet (meer) bij de omroep berust. Een andere reden is dat fragmentverstrekking een risico kan betekenen voor de geportretteerde of andere betrokkenen. Dit risico kan zien op veiligheid of andere redelijke belangen van betrokkenen, zoals privacy. De omroep weegt in een dergelijk geval de belangen van de betrokkenen af tegen het belang dat is gemoeid met de openbaarmaking van het fragment. Daarnaast weegt de omroep mee in welke context de aanvrager het fragment wil gebruiken.
Omroepen beoordelen de verstrekking van fragmenten altijd per geval. BNNVARA geeft aan dat het fragment waar u naar verwijst destijds is geblokkeerd omdat het na de dood van Pim Fortuyn in 2002 een onbedoelde context en lading kreeg. Hierdoor kwamen de belangen en de veiligheid van de directbetrokkenen in het geding. Om deze reden is destijds besloten om het fragment te blokkeren en dat is zo gebleven. BNNVARA heeft naar aanleiding van persvragen over het fragment opnieuw naar de blokkade op de licentie gekeken en ziet hierin aanleiding om deze te heroverwegen. Reden hiervoor is de veranderde context waardoor de voornoemde redenen voor de blokkade niet meer van toepassing zijn. Zoals eerder aangegeven is er in de afgelopen jaren meerdere keren een licentie verstrekt voor het hergebruik van dit fragment.
Deelt u de mening dat censuur of het achterhouden van historisch uitgezonden beeldmateriaal zoveel mogelijk moet worden uitgesloten en dat publiek uitgezonden politieke fragmenten in beginsel beschikbaar en uitzendbaar moeten blijven?
Ik deel niet de mening dat er sprake zou zijn van censuur of het achterhouden van historisch uitgezonden beeldmateriaal. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4, onderschrijf ik het uitgangspunt van de omroepen om materiaal zoveel mogelijk vrij te geven in het kader van de publieke taak die ze uitvoeren. Daarom vind ik het goed dat omroepen een zorgvuldige afweging maken voordat ze bepalen of een fragment geblokkeerd moet worden.
Bovendien is het aantal geblokkeerde fragmenten in het archief van Beeld & Geluid laag. Veel licenties voor archiefmateriaal, waaronder dat over Fortuyn, worden regelmatig verstrekt. Beeld & Geluid verzoekt de omroepen daarnaast om periodiek te controleren of een blokkade nog relevant is. Ook is het mogelijk om een groot deel van het archiefmateriaal alsnog te bekijken in DAAN, ondanks mogelijke beperkingen rondom het hergebruik.
Hoe wordt voorkomen dat politiek gevoelige of maatschappelijk ongemakkelijke fragmenten selectief uit het publieke geheugen verdwijnen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u inzicht geven in hoeveel historische politieke fragmenten momenteel beperkt beschikbaar zijn, wie daarover beslist, en welke bezwaarprocedures daarbij gelden?
Nee. Beeld & Geluid geeft aan zelf niet te beoordelen of fragmenten een aantoonbare historische of politieke betekenis hebben. Deze kwalificaties worden niet vastgelegd in de metadata. Hiermee sluit ik niet uit dat het type fragmenten waarnaar u verwijst onderdeel uit kan maken van een programma dat de status «geblokkeerd» heeft. Om vast te stellen in welke gevallen dit speelt, zal uitgebreider onderzoek nodig zijn.
Volgens Beeld & Geluid heeft een programma soms als geheel de status «geblokkeerd», terwijl de blokkade slechts betrekking heeft op één onderdeel van dat programma. Denk aan een uitzending van het programma NOVA uit 2002, waarin een item van Fortuyn te zien was, maar die is geblokkeerd vanwege een ander item over de Puttense moordzaak. Deze blokkade verschijnt in de zoekresultaten van het portal DAAN wanneer op de naam Fortuyn wordt gezocht.
Dit laat onverlet dat voor verschillende programma’s met deze status in de loop van de jaren een licentie is verstrekt voor hergebruik, net zoals voor het fragment waarnaar werd verwezen in de uitzending van «Nieuws van de dag».
Voor de procedure rondom het blokkeren van materiaal verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat juist de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn van groot historisch belang is voor het begrijpen van het huidige maatschappelijke en politieke debat in Nederland?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid in overleg te treden met de publieke omroep en het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid om te waarborgen dat historisch relevante politieke archieven toegankelijk en uitzendbaar blijven voor journalistieke en documentaire doeleinden?
Nee. Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5 constateer ik dat omroepen een zorgvuldige afweging maken bij het verstrekken dan wel blokkeren van fragmenten. Omroepen streven ernaar om materiaal waarvan zij rechthebbende zijn zoveel mogelijk beschikbaar te stellen voor hergebruik. Daarnaast wordt voor een groot deel van de fragmenten in de praktijk een licentie verstrekt voor hergebruik en is het percentage blokkeringen in het archief van Beeld & Geluid laag.
Het bericht 'Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote zorgen over afhandeling BOSA-aanvragen 2026»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom is gekozen voor een lotingssystematiek, terwijl veel verenigingen aantoonbaar tijdig hun aanvraag hebben ingediend? Waarom is deze objectieve volgorde van binnenkomst losgelaten?
Het besluit om de verdeelwijze van het budget op volgorde van binnenkomst van complete aanvragen los te laten is niet lichtzinnig genomen. Zoals aangegeven in de Verzamelbrief Sport en Bewegen april 20262 hebben aanvragers door de storing niet allemaal een eerlijke en gelijke kans gehad tot het indienen van hun subsidieaanvraag. Om iedereen een gelijke kans te geven heb ik besloten de verdeelwijze van het beschikbare budget van de BOSA aan te passen naar rangschikking van de complete aanvragen op basis van loting.
Hoe rechtvaardigt u dat verenigingen die zorgvuldig en tijdig hebben gehandeld, door een willekeurige loting alsnog worden uitgesloten? Deelt u de opvatting dat dit het vertrouwen in een voorspelbare en rechtvaardige overheid ondermijnt?
Door de storing was verdeling van het budget op volgorde van binnenkomst geen gelijke en eerlijke methodiek meer. Met loting heeft elke BOSA-aanvrager een gelijke kans om aanspraak te maken op subsidie. De loting zal voor sommigen positief uitvallen en voor anderen een mogelijke teleurstelling zijn. Ik betreur met u dat deze storing heeft plaatsgevonden en zal er alles aan doen om dit in de toekomst beter vorm te geven.
Bent u zich ervan bewust dat dit besluit leidt tot concrete en schrijnende situaties bij verenigingen die hierdoor hun plannen moeten stilleggen? Hoe weegt zij deze gevolgen in het licht van behoorlijk bestuur?
Ik ben me ervan van bewust dat dit vervelende situaties oplevert en dat betreur ik. Tegelijkertijd betekent het doen van een aanvraag nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Daar komt bij dat ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst zich schrijnende situaties hadden voorgedaan bij organisaties die vanwege de storing geen aanvraag hadden kunnen doen. Elke verdeelsystematiek sluit aanvragen in en uit.
Een wijziging van de regeling met terugwerkende kracht die nadelige gevolgen heeft voor een bepaalde groep ontvangers is niet wenselijk in het kader van het rechtszekerheidsbeginsel. Anderzijds moet ik op grond van het gelijkheidsbeginsel potentiële gegadigden gelijke kansen bieden bij de verdeling van subsidie. Op grond van de bestaande jurisprudentie weegt het gelijkheidsbeginsel zwaarder dan het rechtszekerheidsbeginsel.
Waarom is er niet gekozen voor een alternatieve verdelingssystematiek die beter aansluit bij rechtszekerheid en gelijke behandeling, zoals volgorde van binnenkomst of inhoudelijke prioritering?
Zoals ik in eerdere antwoorden heb toegelicht was een gelijke verdeelvolgorde op volgorde van binnenkomst door de storing niet meer mogelijk. Een volgorde op basis van inhoudelijke prioritering is niet wenselijk, aangezien je daarmee criteria zou toevoegen waarop aanvragers worden beoordeeld waar zij niet op hebben kunnen anticiperen. Daarom is de inschatting gemaakt dat rangschikking op basis van een loting het meest recht doet aan het bieden van een gelijke kans voor BOSA-aanvragers.
Hoe beoordeelt u de positie van verenigingen die aantoonbaar tijdig hebben ingediend en op basis daarvan gerechtvaardigde verwachtingen hadden over de behandeling van hun aanvraag?
Het wijzigen van de verdeelvolgorde is een vervelende uitkomst voor de verenigingen die het wel tijdig is gelukt om een aanvraag in te dienen en die een slechtere positie bij de loting hebben gekregen. Het doen van een tijdige aanvraag betekent echter nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat. Er was immers ook nog een kans dat de aanvraag die tijdig was ingediend op andere gronden zou worden afgewezen, bijvoorbeeld als de activiteiten niet binnen de BOSA passen of als de aanvraag incompleet zou zijn.
Herkent u de signalen dat verenigingen tijdens technische problemen bij de aanvraagprocedure geen gehoor konden krijgen? Hoe verhoudt dit zich tot de zorgplicht van de overheid richting aanvragers?
Ik vind het vervelend voor aanvragers als zij niet altijd direct gehoor kregen met vragen over de storing. Door het grote aantal aanvragers dat gelijktijdig contact opnam konden zij niet altijd direct telefonisch geholpen worden en zijn zij soms verwezen naar het schriftelijke formulier. Ondanks de drukte en ontstane wachttijden bij de telefoonlijn van DUS-I is het klantcontactcentrum niet gesloten en operationeel gebleven. DUS-I heeft daarnaast met BOSA-alerts ingezet op het informeren van de doelgroep over de status van het portaal en de uiteindelijke sluiting van het aanvraagportaal vanwege de overvraging van het subsidieplafond.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te voorkomen dat aanvragers in de toekomst opnieuw afhankelijk worden van een systeem dat als willekeurig wordt ervaren, en om de procedure aantoonbaar eerlijker en transparanter te maken?
Ik trek lering uit de gevolgen van deze storing en neem deze lessen mee in de vormgeving van de regeling voor komende jaren. Zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als de verdeelwijze van het beschikbare budget zal hierbij tegen het licht gehouden worden.
Herkent u de signalen dat het aanvragen van de BOSA in toenemende mate complex aan het worden is en veel sportverenigingen om die reden ervoor kiezen de aanvraagprocedure over te laten aan externe partijen? Hoe beoordeelt u in het licht van deze toenemende complexiteit het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen?
Significant heeft eerder de doeltreffendheid en doelmatigheid van de BOSA onderzocht. Zo stelt Significant dat uit de interviews blijkt dat aanvragen goed te doen zijn voor de gemiddelde penningmeester en dat de administratieve lasten bij het doen van een subsidieaanvraag schappelijk zijn.3 De aanvraagprocedure is sinds dit onderzoek niet substantieel gewijzigd. Ik zie niet hoe de inzet van intermediairs het gelijke speelveld voor het aanvragen van de subsidie tussen de sportverenigingen onder druk zou zetten: de regels zijn voor iedereen hetzelfde.
Deelt u de mening dat het actief verwijderen of weren van boeken uit bibliotheken en schoolbibliotheken een bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting?1, 2
Deelt u de opvatting dat juist voor jongeren die thuis of in hun omgeving weinig toegang hebben tot informatie of herkenning rondom bijvoorbeeld seksuele diversiteit of genderidentiteit, een laagdrempelige en diverse bibliotheekcollectie van groot belang is?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling die wordt geschetst door de Schrijverscentrale en bibliotheken, waarbij bepaalde titels op sommige scholen niet meer welkom zijn, en ouders actief collecties «opschonen»?
Heeft u zicht op hoe vaak en welke typen titels in Nederland ter discussie worden gesteld of verwijderd uit (school)bibliotheken?
Herkent u het beeld uit de Verenigde Staten dat met name boeken over seksualiteit, seksuele diversiteit, LHBTI-personen, vrouwen en minderhedenrechten relatief vaak onderwerp zijn van verwijdering of discussie? In hoeverre speelt dit in Nederland?
Heeft u zicht op in hoeverre georganiseerde belangengroepen druk uitoefenen op bibliotheken en scholen om bepaalde titels te weren of te verwijderen?
Welke waarborgen bestaan er in Nederland om te voorkomen dat politieke of maatschappelijke druk leidt tot beperking van het aanbod in bibliotheken en het onderwijs?
Welke mogelijkheden ziet u om scholen en bibliotheken beter toe te rusten omstreden boeken te behouden, ook bij bezwaren van ouders of belangengroepen?
Bent u bereid om, samen met relevante belangenorganisaties op het gebied van onder andere LHBTI-emancipatie, gendergelijkheid en seksuele educatie, te verkennen hoe bibliotheekcollecties op deze thema’s beschermd kunnen worden?
Dagelijks bewegen als kerndoel in het basisonderwijs |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Renilde Huizenga (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kinderen dupe van besluit Ministerie Onderwijs? Scherder wil rechtszaak om dagelijks bewegen te verplichten»?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
Is het juist dat het Landelijk Expertisecentrum voor het curriculum (SLO) dagelijks bewegen had opgenomen in de kerndoelen voor het basisonderwijs maar dat het Ministerie van OCW daar twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen, na anderhalf jaar vergaderen, plotseling een streep doorheen heeft gezet?2 Zo ja, wat was de exacte reden voor dit besluit en wie heeft dit besluit genomen?
Nee, dit is onjuist. Het Ministerie van OCW en SLO herkennen deze beschrijving van het proces niet. In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen heeft het kerndoelenteam een aanboddoel bedacht met als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. SLO heeft na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule geconstateerd dat dit achtste conceptkerndoel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel3. Dit kerndoel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen. Dit steun ik op basis van de genoemde argumenten.
Wat is de onderbouwing van om dagelijks bewegen niet als verplicht kerndoel op te nemen terwijl er in Nederland 400.000 kinderen met overgewicht zijn en dat aantal de laatste jaren sterk is toegenomen?
Kerndoelen gaan over onderwijsinhoud en dus over wát leerlingen moeten leren. Zij gaan niet over hoe, wanneer of hoe vaak scholen iets moeten organiseren. Deze kerndoelen zijn opgesteld door SLO, samen met experts en leraren. Hierbij is uiteraard ook gekeken naar wat je wettelijk van scholen kunt en mag eisen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat kinderen leren waarom bewegen belangrijk is voor de mentale en fysieke gezondheid. Om ervoor te zorgen dat leerlingen voldoende tijd krijgen om te leren bewegen heeft lichamelijke opvoeding als énige vak een wettelijke urennorm.
In het primair onderwijs zijn scholen verplicht om minimaal twee lesuren per week aan lichamelijke opvoeding in te roosteren. In het voortgezet onderwijs is voor iedere schoolsoort een minimale totale urennorm opgenomen in de Wet voortgezet onderwijs 2020. Verder is het aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75% van de tijd niet op school zijn. De verantwoordelijkheid voor gezond opgroeien ligt dan ook primair bij de opvoeders.
De Nederlandse Sportraad, de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving en de Onderwijsraad riepen in 2018 gezamenlijk al op om het lange zitten te onderbreken door middel van beweegbreaks, maar geen van de aanbevelingen uit dat advies zijn overgenomen door de afgelopen twee kabinetten.3 Bent u wel van plan gehoor te geven aan deze herhaaldelijke adviezen, en zo ja, op welke manier?
Bewegen past uiteraard bij een gezonde en actieve leefstijl. Leren hoe je beweegt gebeurt voor een deel op school, via de lessen lichamelijke opvoeding. Om ervoor te zorgen dat leerlingen voldoende tijd krijgen om te leren bewegen heeft lichamelijke opvoeding als enige vak een wettelijke urennorm. In het primair onderwijs zijn scholen verplicht om minimaal twee lesuren per week aan lichamelijke opvoeding in te roosteren. In het voortgezet onderwijs is voor iedere schoolsoort een minimale totale urennorm opgenomen in de Wet voortgezet onderwijs 2020. Het verplichten van extra beweging gedurende de dag of tijdens andere lessen dan lichamelijke opvoeding past niet binnen de kaders van de kerndoelen.
Ik juich het toe als scholen, naast de gymles, bewegen tijdens de rest van de schooldag stimuleren. Bijvoorbeeld door begeleid buitenspelen, het stimuleren van fietsen of lopen van en naar school, naschoolse activiteiten of bewegend leren. Het Ministerie van OCW ondersteunt scholen hierbij, samen met andere ministeries, onder andere via het programma Gezonde School. Ook gebruiken sommige scholen de School & Omgeving middelen om leerlingen te laten sporten en bewegen. Veel scholen zijn al aan de slag met dagelijkse beweegmomenten. In 2024/2025 boden vier op de tien scholen (40%) dit aan.6 Zo werken in de gemeente Westland inmiddels 17 basisscholen aan een meer beweeglijke schooldag en zijn «Gezonde School» geworden. Het gaat daarbij bijv. om beweegtussendoortjes en bewegen tijdens en om te leren, een dynamische schooldag en schoolpleinen die uitnodigen tot bewegen.7
De Gezondheidsraad adviseert dat kinderen en jongeren tot 18 jaar dagelijks minstens 60 minuten matig intensief bewegen.4 Hoe verhoudt het besluit om dagelijks bewegen niet te verplichten zich tot dit advies?
Zie antwoord vraag 4.
Neuropsycholoog Erik Scherder en belangenorganisatie Defence for Children verkennen juridische stappen tegen de staat, omdat zij vinden dat de gezondheid van kinderen onvoldoende wordt beschermd. Bent u bereid in gesprek te gaan met Scherder en Defence for Children over hun zorgen?
Ik ben altijd bereid om in gesprek te gaan. Het ministerie hecht waarde aan een constructieve dialoog en wil in gesprek blijven met deskundigen en maatschappelijke organisaties over hoe kinderen meer kunnen bewegen binnen de schoolcontext, rekening houdend met praktische uitvoerbaarheid, wetgeving en het bestaande curriculum. Hierover heeft overigens al eerder een gesprek plaatsgevonden met o.a. Prof. dr. Scherder.
Recente studies tonen een relatie aan tussen fitheid van kinderen en hun prestaties op rekenen en taal.5 Deelt u de opvatting dat bewegen en cognitieve ontwikkeling onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, en zo ja, hoe weegt u dit mee in het curriculumbeleid?
Ja, er komt steeds meer bewijs dat lichamelijke activiteit en cognitieve ontwikkeling met elkaar verbonden zijn. Daarom deel ik ook het belang van bewegen. Zoals eerder genoemd zijn de kerndoelen niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Het is van belang dat scholen hun onderwijs inrichten met kennis uit wetenschap en praktijk en goed afgestemd op hun leerlingen. Het actief onderbreken van zitgedrag om kinderen beter te laten leren is één van de zaken waar scholen kennis van kunnen nemen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag, in de vorm van de dynamische schooldag, maar zeker ook anderszins.
Bent u bereid het besluit te herzien en dagelijks bewegen alsnog als kerndoel op te nemen in het curriculum voor het basisonderwijs? Zo nee, welke alternatieve maatregelen neemt u om de beweegachterstand van kinderen structureel aan te pakken?
Het verplichten van scholen om bewegen als geheel te stimuleren past niet binnen de wettelijke kaders van de kerndoelen. Ik deel met uw Kamer de mening dat leraren al een flinke verantwoordelijkheid hebben in hun dagelijkse onderwijspraktijk. Dagelijks bewegen vraagt om een gezamenlijke inzet van verschillende partijen. In de eerste plaats zijn ouders/ verzorgers verantwoordelijk voor het gezond opgroeien van hun kinderen. De gemeenten, maatschappelijke organisaties en verenigingen komen met verschillende initiatieven om daaraan bij te dragen.
Scholen kunnen een rol spelen in meer bewegen gedurende de dag. Als zij dat willen worden, zijn er handvatten om hiermee aan de slag te gaan.
Het Ministerie van OCW helpt scholen met méér bewegen naast de gymles (ook in samenwerking met andere departementen) onder andere via de Koningsspelen en het programma de Gezonde School. Ook gebruiken sommige scholen de School & Omgeving-middelen om leerlingen te laten sporten en bewegen. Daarnaast draagt het Ministerie van OCW bij aan een regeling van VWS (Brede Regeling Combinatiefuncties) waarbij gemeenten buurtsportcoaches met cofinanciering van het Rijk kunnen inzetten op hun scholen voor bijvoorbeeld het organiseren van sportaanbod op school of het faciliteren van een actieve pauze.
(Dagelijks) bewegen vraagt om inbedding in de schooldag, maar leraren staan al onder grote werkdruk. Hoe voorkomt u dat de verantwoordelijkheid voor het beweegbeleid volledig op het bord van de individuele leraar terechtkomt en welke structurele ondersteuning, zoals gymdocenten, beweegcoaches of schoolbrede programma’s, stelt u hiervoor beschikbaar?
Zie antwoord vraag 8.
De collectieve erkenning en het cultureel erfgoed van de Molukse gemeenschap |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de evaluatie van het beleid rond collectieve erkenning, waarin wordt vastgesteld dat het Moluks Historisch Museum geen structurele financiering kent, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof?1
Ja, dat ben ik.
Hoe verklaart u dit verschil in de toekenning van structurele financiering, ondanks expliciete constatering in de evaluatie die op uw verzoek is uitgevoerd door Panteai, tot op heden niet is gecorrigeerd? Kunt u toelichten waarom voor het Moluks Historisch Museum, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof, na 2026 geen structurele borging van financiering en huisvesting is gerealiseerd?
Het beleid van de collectieve erkenning richt zich op alle gemeenschappen in Nederland, waaronder de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen. Om een pleisterplaats te bieden aan al deze gemeenschappen is in 2019 Museum Sophiahof van Indië tot nu (hierna: Sophiahof) opgericht.
Het Moluks Historisch Museum (MHM) te Utrecht moest in 2012 noodgedwongen sluiten vanwege onvoldoende structurele inkomsten. Vervolgens is MHM een aantal jaar als kenniscentrum gehuisvest geweest in het Moluks Kerkelijk Centrum te Houten, waar de toekomst van de organisatie ook onzeker was. Omdat de geschiedenis van de Molukse gemeenschap nadrukkelijk onderdeel vormt van de collectieve erkenning en om deze geschiedenis toch te borgen, ontvangt MHM subsidie om deze rol te kunnen vervullen. Deze subsidie ontvangt MHM niet zozeer als apart museum, maar als onderdeel van de Sophiahof. Daarbij staat VWS garant voor de huisvestingskosten van de Sophiahof.
In de Sophiahof is, naast MHM, een aantal andere organisaties gehuisvest die verschillende rollen vervullen.2 Met deze partners ben ik een traject gestart hoe gezamenlijk de samenwerking, visieontwikkeling en strategische richting van de Sophiahof verder uit te werken, om daarmee de Sophiahof dé nationale plek te maken voor alle gemeenschappen van de collectieve erkenning. Ik wil graag dit traject dat naar verwachting tot eind 2027 loopt (met mogelijke uitloop tot 2028), afwachten. Om ervoor te zorgen dat de Molukse geschiedenis een goede plek in dit traject krijgt, is aan MHM toegezegd de projectsubsidie voor de komende jaren voort te zetten.
Vindt u dat hiermee sprake is van systematische ongelijke behandeling binnen het beleid voor oorlogsgetroffenen en meer specifiek de uitvoering van de regeling collectieve erkenning van Indisch Moluks Nederland? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe reflecteert u op het feit dat Sophiahof geen depotruimte heeft waardoor het Moluks Historisch Museum is aangewezen op tijdelijke opslagruimten, met als gevolg dat de collectie en het archief van het museum, die grotendeels tot stand zijn gekomen door schenkingen vanuit de Molukse gemeenschap, geen vaste thuis hebben en dus niet toekomstbestendig geborgd zijn?
Deelt u de mening dat het behouden en bewaren van erfgoed van Molukse gemeenschappen uit de koloniale diaspora onderdeel is van onze herinneringscultuur en bijdraagt aan de erkenning, herstel en zorg waarin het beleid oorlogsgetroffenen ook voorziet? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat het Rijk de verantwoordelijkheid draagt om de collectie van het Moluks Historisch Museum een vast thuis te geven, met de garantie dat de collectie in Molukse handen blijft? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in overleg met de Molukse gemeenschap, te komen tot een structurele en toekomstbestendige huisvesting van de collectie op een plek die betekenisvol is voor de Molukse gemeenschappen?
Erkenning en rechtsherstel voor de Molukse gemeenschap |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Kabinet kan geschiedenis schrijven met rechtsherstel voor Molukse gemeenschap»?1 Bent u tevens bekend met het bericht «Oud-premier Van Agt vroeg Koning om excuses aan Molukse gemeenschap»2 en het bericht «Arnhem erkent pijn Molukkers: excuses, plaquette én betalingen voor grafrechten»?3
Ja, dat ben ik.
Hoe duidt u en het kabinet de oproepen uit de bovengenoemde berichten in het licht van het feit dat op 21 maart 2026 het herdenkingsjaar 75 jaar Molukkers in Nederland is gestart?
De vele (lokale) herdenkingen en andere initiatieven die dit jaar worden georganiseerd, laten zien dat de bewustwording over dit belangrijke onderdeel van onze geschiedenis toeneemt. Het kabinet vindt dit een positieve ontwikkeling en bekijkt hoe hier op een waardige manier bij stil kan worden gestaan.
Erkent u dat het Nederlandse overheidsbeleid rond de komst en opvang van Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen in 1951 heeft geleid tot groot onrecht met langdurige gevolgen voor hun rechtspositie, maatschappelijke positie en vertrouwen in de overheid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zich zeer bewust dat het gebrek aan begrip voor de ondergane oorlogsverschrikkingen in Azië, de kille ontvangst en behandeling in Nederland en het daaropvolgende formalisme in het rechtsherstel bij de Molukse gemeenschap veel verdriet teweeg heeft gebracht. Deze slechte behandeling is door de regering erkend.4 Tegelijkertijd is het kabinet zich – onder meer door gesprekken met mensen uit de Molukse gemeenschap – bewust van het feit dat in de gemeenschap een grote behoefte bestaat aan meer aandacht voor en erkenning van hetgeen met name de eerste generatie heeft moeten meemaken.
Is hierbij naar het oordeel van u en het kabinet sprake van een bijzondere verantwoordelijkheid van de Staat der Nederlanden, mede in het licht van de militaire dienstverbanden en de verwachtingen die destijds door de overheid zijn gewekt?
Vanwege de gebeurtenissen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog heeft het kabinet een bijzondere solidariteit en ereschuld aan alle eerste generatie Nederlandse oorlogsgetroffenen en verzetsdeelnemers, waaronder de Molukse. In dit kader is in de loop der tijd een stelsel van zorg en dienstverlening opgebouwd. Daarbij is de toezegging gedaan dat kwalitatief goede zorg en dienstverlening tot de laatst levende van de 1e generatie in stand blijft.
Daarnaast ben ik, als coördinerend bewindspersoon voor oorlogsgetroffenen en herinnering Tweede Wereldoorlog, verantwoordelijk voor het beleid van collectieve erkenning van de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen in Nederland. Het ontstaan van het beleid van de collectieve erkenning gaat is het resultaat van een langer proces in het kader van het zogenoemde Indische en Molukse rechtsherstel. Het rechtsherstel bestond onder andere uit verschillende individuele en collectieve regelingen die ten doel hadden het leed en de schade die het gevolg waren van de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarna te compenseren, voor zover dat überhaupt mogelijk was.
Het doel van het beleid van de collectieve erkenning is om een nieuwe fase in te gaan in de relatie tussen de gemeenschappen, de bredere samenleving en de overheid, door middel van een brede collectieve erkenning van de gebeurtenissen en het leed dat mensen in Nederlands-Indië/Indonesië hebben doorstaan gedurende de Tweede Wereldoorlog en de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië en datgene dat zij na aankomst in Nederland hebben meegemaakt.5 Dit gebeurt door verankering van het (cultureel)erfgoed in Nederland en het vergroten van de kennis van de geschiedenis van gemeenschappen met wortels in Nederlands-Indië/Indonesië.
Bent u bereid concrete voorstellen uit te werken voor vormen van rechtsherstel en de Kamer hierover voor het einde van het herdenkingsjaar te informeren?
Het kabinet vindt het van belang op een passende manier stil te staan bij 75 jaar Molukkers in Nederland en te bekijken hoe – in aanvulling op het hetgeen reeds is gebeurd – tegemoet kan worden gekomen aan de behoeften van de gemeenschap. Het is hierover met de gemeenschap in gesprek.
Bent u bereid hierover actief in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van de Molukse gemeenschap en betrokken medeoverheden, en de Kamer?
Zie antwoord vraag 5.
Toenemende regeldruk voor lokale gemeenschapsactiviteiten |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Herbert , Boekholt-O’Sullivan , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Tentfeesten in gevaar door regels en kosten» van Hart voor Nederland en «Meer regels voor evenementen: onderzoek naar natuur soms nodig» van Omroep Land van Cuijk?1, 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat door de stapeling van regels en administratieve verplichtingen lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten onder druk komen te staan?
In bepaalde situaties kan dit inderdaad het geval zijn. Door de stapeling van, op zichtzelf goed uitlegbare, regels en eisen is beleid en regelgeving door de jaren heen ingewikkeld geworden voor burgers, bedrijven en medeoverheden.
Hoe beoordeelt u de uitkomst van de landelijke enquête onder organisatoren van dorpsfeesten door Landelijke Vereniging Kleine Kernen (LVKK) dat 79 procent van de organisatoren van dorpsfeesten gemeentelijke regelgeving als een belemmering ervaart?3
Voor evenementen gelden, net als voor elke andere bedrijfsmatige activiteit, regels vanuit verschillende belangen en bestuursorganen. In dit geval regels zoals in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), Wet publieke gezondheid en Wet veiligheidsregio’s en de Omgevingswet. Tegelijkertijd ziet dit kabinet dat er soms sprake is van onnodige regeldruk. Daarom heeft dit kabinet stevige ambities ten aanzien van vereenvoudiging van regels en vermindering van regeldruk. Vereenvoudiging betekent het terugdringen van onnodige regels, stapeling van regels, uitzonderingen en complexiteit in wet- en regelgeving, processen en dienstverlening, maar ook bijvoorbeeld het harmoniseren van regelingen en het stoppen met opvragen van informatie die de overheid al heeft. Op dit moment verkent de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, in samenspraak met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, hiervoor de mogelijkheden. Ik verwijs ook naar de beantwoording van de Staatssecretaris Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid van 15 april 2026 op vragen uit de Tweede Kamer over regeldruk bij paasvuuractiviteiten.
Hoe verklaart u dat vooral de eisen rond veiligheid, vergunningen en bureaucratie als grootste struikelblokken worden genoemd? Welke rol ziet u voor de landelijke overheid om, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, hier regeldruk te verminderen?
Met name bij de organisatie van kleinere evenementen kunnen dit soort regels sneller als niet proportioneel worden ervaren. In het omgevingsplan kan de gemeente aangeven waar evenementen ruimtelijk mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Maar naast regels in het omgevingsplan die gericht zijn op de belangen voor de fysieke leefomgeving gelden ook nog steeds de regels voor de openbare orde en veiligheid en de publieke gezondheid. Een dorpsfeest met 150 bezoekers moet soms aan dezelfde veiligheidsnormen voldoen als een groot festival. Het kabinet is aan de slag om regeldruk te verminderen en heeft als ambitie om jaarlijks minimaal 500 regels te schrappen of te vereenvoudigen. Alle bewindspersonen en hun departementen krijgen hiervoor een opgave, gecoördineerd door de Taskforce Slagvaardige Overheid. Hiernaast is het de bedoeling dat ook medeoverheden, toezichthouders, uitvoeringsorganisaties, publieke dienstverleners en andere betrokken partijen een rol krijgen in de vereenvoudigingsopgave op hun werkterrein. Het kabinet wil ook afspraken gaan maken met gemeenten om praktische belemmeringen, zoals evenementenregels, te verminderen.
Kunt u in kaart brengen aan welke landelijke regelgeving voldaan moet worden bij het organiseren van lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten? Zou u daarin per relevante wetgeving aan kunnen geven welke verplichtingen daaruit voort kunnen vloeien?
Zoals hierboven toegelicht zijn de regels voor lokale gemeenschapsactiviteiten onder andere afhankelijk van de omvang van het evenement, de locatie waar het evenement plaatsvindt en de risico’s voor de openbare orde en veiligheid. Dat betekent ook dat er voor verschillende locaties verschillende regels, zowel nationaal als decentraal en vanuit verschillende belangen kunnen gelden. En afhankelijk van de geldende regels kan er sprake zijn van een vergunning- of meldingsplicht. In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) staan regels die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid waarvoor de burgemeester verantwoordelijk is. Landelijk gelden er regels vanuit de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg, en de Wet veiligheidsregio’s, de Warenwet, de Wegenverkeerswet, de Wet milieubeheer en de Omgevingswet. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024 zijn de regels hierin voor evenementen, zoals regels over brandveiligheid en toegang voor de hulpdiensten, geluidoverlast voor omwonenden, inzameling van afvalstoffen, verkeer en invloed op beschermde natuur door harmonisatie gewijzigd of staan ze op een andere plek dan voorheen.
Kunt u aangeven welke ruimte er is voor gemeenten om binnen de Omgevingswet regeldruk in het buitengebied tegen te gaan?
De Omgevingswet vraagt om een decentrale en integrale afweging van de verschillende belangen in de fysieke leefomgeving, zoals brandveiligheid en toegang voor de hulpdiensten, geluidoverlast voor omwonenden, inzameling van afvalstoffen, verkeer en invloed op beschermde natuur. In het omgevingsplan kan de gemeente aangeven waar evenementen ruimtelijk mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Hierdoor is er lang niet altijd een omgevingsvergunning verplicht voor evenementen en kan er vooraf voor organisaties meer duidelijkheid zijn over wat er mogelijk is. Zo kan in het omgevingsplan het gebied worden aangewezen waar evenementen kunnen worden gehouden en welke regels daar precies gelden, zoals een geluidsnorm. Gemeenten worden vanuit het ministerie ondersteund bij het anders werken met de mogelijkheden van de Omgevingswet.
Bent u van mening dat van lokale gemeenschapsactiviteit zoals dorpsfeesten niet verwacht kan worden dat zij aan dezelfde administratieve verplichtingen zouden moeten voldoen als grootschalige evenementen zoals festivals?
Zoals hierboven toegelicht zijn de administratieve verplichtingen afhankelijk van de geldende regels en die worden bepaald door de omvang en de locatie van het evenement en de risico’s voor openbare orde en veiligheid. Er moet een goede balans moet zijn tussen de bescherming en veiligheid van aanwezigen en de lasten die de lokale regelgeving opwerpt voor deelnemers. Hierbij kan het ook helpen als de regels goed worden uitgelegd aan betrokkenen, zodat er draagvlak voor ontstaat.
Is het binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk om voor lokale gemeenschapsactiviteiten versoepelde vergunningsprocedures te laten gelden? Zo nee, bent u bereid om te verkennen op welke manier gemeenten in staat gesteld kunnen worden om voor bepaalde lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten versoepelde procedures te laten gelden?
Ja, het is mogelijk voor gemeenten om in het omgevingsplan aan te geven op welke locatie evenementen mogelijk zijn en welke regels daar gelden. Hierdoor is er niet altijd een omgevingsvergunning verplicht voor evenementen en kan er vooraf voor organisaties meer duidelijkheid zijn. Gemeenten worden door mijn ministerie en door de koepels VNG, UvW en IPO ondersteund bij het anders werken onder de Omgevingswet en krijgen informatie hierover ook via het Informatiepunt Leefomgeving.
Bent u bereid om samen met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en maatschappelijke organisaties, zoals de LVKK, op te trekken om te kijken hoe regelgeving voor lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten, versoepeld kan worden?
In het kader van onze gezamenlijke ambities ten aanzien van vereenvoudiging en vermindering van regeldruk zijn wij in gesprek met de decentrale overheden en maatschappelijke organisaties hierover en zetten wij dit gesprek de komende tijd voort.
De mediarichtlijn van Fiom over abortus |
|
Femke Wiersma (BBB), Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over taalgebruik over abortus?1
Ja.
Is het Ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom ook te gaan gebruiken?
De mediarichtlijn is volgens Fiom bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Het Ministerie van VWS is daarmee geen «doelgroep» van deze richtlijn. Dat neemt niet weg dat sommige suggesties die Fiom in de mediarichtlijn doet, ook voor het Ministerie van VWS behulpzaam kunnen zijn. Immers, stigma en (voor-)oordelen komen helaas nog altijd voor bij een onbedoelde zwangerschap. Het kabinet wil daarom in beleid, doelen en woordkeuze werken aan de-stigmatisering.2
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen qua objectiviteit en neutraliteit?
Fiom ontvangt een instellingssubsidie van het Ministerie van VWS. Hiermee ontwikkelt Fiom naar eigen inzicht kennis over, onder andere, ongewenste zwangerschap en abortus. Deze mediarichtlijn kwam mede op basis van de uitkomsten van onderzoek3 naar de berichtgeving over abortus in Nederlandse kranten tot stand. Dit past in de activiteiten die Fiom onderneemt om een breed publiek van informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en alle keuzeopties te voorzien.
Fiom tracht met de adviezen stigma over (in dit geval) abortus te verminderen en een realistischer beeld van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap uit te dragen. Daarmee sluit deze activiteit aan bij de doelen binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.
In de subsidievoorwaarden zijn geen specifieke eisen opgenomen over de wijze waarop Fiom mag communiceren. Uiteraard geldt in algemene zin wel dat het
Ministerie van VWS het belangrijk vindt dat informatie voor iedereen toegankelijk, kloppend, begrijpelijk en goed vindbaar is. Het Ministerie van VWS verwacht daarnaast dat een expertisecentrum als Fiom er voor iedereen is, welke (levensbeschouwelijke) visie op abortus iemand ook heeft.
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals het pretendeert te zijn?
De informatie en de gegeven adviezen zijn mede gebaseerd op het in antwoord op vraag drie genoemde wetenschappelijk onderzoek dat in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam werd gedaan. De missie en visie van Fiom zijn ook van invloed geweest op de richtlijn. Fiom heeft de vrijheid om ten aanzien van hun activiteiten, zoals het publiceren van dit document voor journalisten, eigen afwegingen en keuzes te maken, passend bij de missie en visie van Fiom. Dat Fiom daarbij een voorkeur toont voor bepaalde terminologie laat onverlet dat er zeer uiteenlopende (normatieve) visies op zwangerschap en abortus mogelijk zijn.
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen van de morele zwaarte van abortus?
Het doel van Fiom met deze mediarichtlijn is het bevorderen van feitelijke en niet-stigmatiserende berichtgeving over abortus. In algemene zin geldt dat taal invloed heeft op hoe mensen naar een onderwerp als abortus kijken. Dat geldt zowel voor taal die de ingreep bagatelliseert, als voor taal die de ingreep zwaarbeladen maakt. Naar de mening van het kabinet is hier dan ook geen sprake van «verdoezelen».
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Het kabinet begrijpt dat de keuze voor de term «richtlijn» de suggestie kan wekken dat er sprake is van een standaard waarvan niet afgeweken mag worden. In het document biedt Fiom praktische tips voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals, zodat zij op een respectvolle manier kunnen berichten over abortus. Journalisten zijn uiteraard niet verplicht om deze adviezen te volgen en gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over «pro-life», maar enkel over «anti-abortus»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Fiom licht in het document toe dat de term «pro-life» de suggestie kan wekken dat voorstanders van keuzevrijheid tégen het leven zouden zijn. Dat is een redenering die het kabinet kan volgen. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de kritiek en gevoeligheid ten aanzien van dit media-advies van mensen en organisaties die zichzelf als «pro-life» beschouwen. Er is ten aanzien van het onderwerp abortus sprake van verschillende waarden, die er allemaal mogen zijn.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag zes, geeft Fiom een advies bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Fiom heeft de vrijheid om daarbij eigen afwegingen en keuzes te maken en journalisten gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Erkent u dat «pro-life» een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Ja, dit erkent het kabinet. Dat laat onverlet dat Fiom hiervoor een alternatieve term kan aanbieden.
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies in het maatschappelijk debat?
De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zijn grondwettelijk vastgelegd. Het is belangrijk dat er in het maatschappelijk debat ruimte is voor verschillende levensbeschouwelijke visies. Er is, naar de mening van het kabinet, in het maatschappelijk debat in Nederland ruimschoots aandacht voor uiteenlopende meningen over abortus. Fiom heeft adviezen gegeven over mogelijk taalgebruik door mediaprofessionals die willen bijdragen aan dit debat.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen «baby», «ongeboren kind», «ongeboren leven» en «meisjes of jongetjes»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
De mediarichtlijn van Fiom verbiedt niets, maar geeft advies aan media die berichten over abortus. Fiom adviseert om in de context van berichtgeving over abortus bij voorkeur medische terminologie te gebruiken – zoals «de vrucht» of «de zwangerschap» – omdat dit aansluit bij de medische werkelijkheid en een waardeoordeel voorkomt. Het kabinet begrijpt deze toelichting van Fiom. Tegelijkertijd mogen en kunnen woorden zoals «baby», «meisje» of «jongetje» uiteraard worden gebruikt om een zwangerschap te omschrijven.
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen «baby», «meisje» of «jongetje» mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Dit is een terechte constatering. De term «ongeboren leven» staat in de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). In de wet is een balans getroffen tussen de beschermwaardigheid van ongeboren leven en keuzevrijheid van de vrouw. Het is begrijpelijk en gangbaar dat deze term wordt gebruikt. Dit geldt ook voor het Ministerie van VWS.
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term «ongeboren leven» zich tot het feit dat de term «ongeboren leven» twee keer letterlijk wordt genoemd in de Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde lid, onderdeel b)?
Fiom wijst hier op het feit dat de vrouw die voor een zwangerschapsafbreking kiest, door het gebruik van het woord «plegen» (veelal onbedoeld) als dader of misdadiger wordt aangemerkt. Dat is zeer onwenselijk, want het kan gevoelens van schaamte en verdriet voor vrouwen vergroten. Bovendien klopt het niet: een vrouw die een zwangerschapsafbreking ondergaat is niet strafbaar en ook een arts die de zwangerschapsafbreking verricht op grond van de Wafz is dat niet. Vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan en artsen die een zwangerschapsafbreking uitvoeren zijn dus geen daders of misdadigers. Daarmee is het gebruik van het woord «plegen» niet passend.
Vanzelfsprekend erkent het kabinet dat het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat een abortus in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over «abortus plegen» omdat dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Fiom stelt dat het post-abortus syndroom een niet-wetenschappelijke term is. Dit is gebaseerd op het onderzoek Abortus en Psychische gezondheid.4 In dit onderzoek wordt het volgende aangegeven: «Een bestaande […] visie is dat abortus een traumatische ervaring is, die uniek is in de zin dat het leven van een ongeboren vrucht wordt beëindigd, en hiermee ook de moederlijke hechting aan het ongeboren kind geschonden wordt en dat abortus tot een betaald type posttraumatische stressstoornis kan leiden, te weten het Post-Abortus Syndroom (PAS). Deze diagnose is echter niet erkend en ook niet opgenomen in diagnostische handboeken zoals de DSM-IV, DSM-5 of de ICD-10. In internationaal onderzoek wordt de term dan ook inmiddels niet meer gebezigd.»
Op basis van welke wetenschappelijke bronnen stelt Fiom dat het «post-abortus syndroom» niet bestaat?
Online beïnvloeding van jongeren en regelgeving rondom influencers |
|
Harmen Krul (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Joris Lohman (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onderzoeken van Wijzer in Geldzaken en de Universiteit Utrecht dat veel jongeren zich bij financiële beslissingen laten beïnvloeden voor finfluencers met loze beloften over snel geld verdienen en dat met name kwetsbare jongeren hierdoor in de problemen kunnen komen, terwijl finfluencers vooral hun eigenbelang dienen?1, 2
Ja.
Bent u bekend met het recente onderzoek van de Radboud Universiteit dat influencers zonder medische achtergrond mensen met hun gezondheidsadviezen medische misinformatie kunnen verstrekken, bijvoorbeeld met oproepen om geen zonnebrand meer te gebruiken of te stoppen met hormonale anticonceptie?3
Ja.
Bent u bekend met de recente waarschuwingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautorteit (NVWA) over de risico’s van supplementen, waar verboden of onveilige stoffen in kunnen zitten, bijvoorbeeld bij teveel inname of verkeerde combinaties waardoor schade aan de gezondheid kan ontstaan, en de publicatie van een Blocklist?4
Ja.
Deelt u de zorg dat jongeren in toenemende mate informatie over onder meer financiële zaken, gezondheid en maatschappelijke vraagstukken verkrijgen via sociale media en influencers, en dat dit risico’s kan meebrengen wanneer informatie onjuist, onvolledig of misleidend is?
Ja.
Bent u bekend met het artikel ««Geen diploma, geen video»: nieuwe Chinese wetgeving voor influencers leidt tot verhit online debat»? En het initiatief van de Chinese overheid om eisen te stellen aan influencers te beschikken over aantoonbare deskundigheid wanneer zij over bepaalde maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën adviseren?5
Ja.
Vind u dat ook in Nederland strengere regels zouden moeten gelden voor influencers die over maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën mogen adviseren, zoals het beschikken over aantoonbare deskundigheid of expliciete vermelding dat hiervan geen sprake is, omdat zulke adviezen niet zonder risico’s zijn?
Het is zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende mate worden blootgesteld aan onjuiste informatie van influencers, bijvoorbeeld over gezondheidsonderwerpen en geldzaken. Dit kan hen aanzetten tot keuzes die zij anders niet zouden maken, met negatieve gevolgen als resultaat. Tegelijkertijd is het belangrijk om de vrijheid van meningsuiting ook online te bewaken.
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen problematische inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk dat inhoud van kwaliteitsmedia zichtbaarder wordt gesteld. Het kabinet werkt dan ook, binnen het kader van de Audiovisuele Mediadienstenrichtlijn (AVMSD), aan het invoeren van prominentiemaatregelen om de zichtbaarheid en vindbaarheid van aanbod van algemeen belang te vergroten.
Kunt u onderzoeken of het mogelijk is om aanvullende eisen aan deskundigheid te stellen bij adviseren op terreinen waar desinformatie een verhoogd risico inhoudt, met name voor kwetsbare groepen, zoals over financiën, voedings- (en specifiek over Voedingssupplementen en kruidensupplementen) en gezondheidsadviezen?
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de AVMSD. Het is vooraleerst belangrijk dat influencers duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving te verbeteren. In zowel het non-paper over de Digital Fairness Act6, als in het non-paper over de herziening van de AVMSD7, is opgenomen dat het noodzakelijk is de toepasselijke regels goed af te stemmen, zodat de regels voor influencers duidelijk en handhaafbaar zijn.
Zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn een disclaimer te verplichten bij posts van influencers waaruit voor een breed publiek eenvoudig te herleiden is dat het niet om deskundig advies gaat, bijvoorbeeld #NietDeskundig, #GeenDiploma of #GeenExpert
Zie het antwoord op vraag 6 en 7. Het kabinet heeft recent de Europese Commissie opgeroepen om regels voor influencers te verduidelijken. Het kabinet kijkt met interesse naar de voorstellen van de Europese Commissie op dit punt. Daarnaast wijst het kabinet op het belang van co- en zelfregulering, hiermee wordt de sector aangespoord om (binnen de wettelijke kaders) zelf normen te stellen en te handhaven. De ervaringen met de Nederlandse Reclame Code zijn positief. Deze vorm van co-regulering draagt bij aan verantwoorde en betrouwbare reclame-uitingen8.
Bent u bereid om ook in Europees verband in te zetten op betere consumentenbescherming bij online advisering over mogelijk risicovolle producten, en met name op aanvullende eisen aan (informatie over) deskundigheid? Bijvoorbeeld via Digital Services Act, richtlijnen voor consumentenbescherming of de Digital Fairness Act?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 7 en 8 zet het kabinet op Europees niveau in op betere regulering van influencers. In welk wetgevingsinitiatief dit het beste past, wordt nog onderzocht. De uiteindelijke keuze hierin ligt bij de Europese Commissie. Het kabinet heeft zijn standpunt over influencers wel reeds kenbaar gemaakt via een non-paper in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een non-paper over de Digital Fairness Act (DFA) voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Daarnaast stelde het kabinet voor om in de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers9. Tot slot stelt het kabinet in hetzelfde non-paper risico’s te zien bij finfluencing, met name natuurlijk wanneer illegale financiële producten en diensten worden gepromoot. Het kabinet verzoekt de Europese Commissie daarom om dit soort handelspraktijken te verbieden via een aanpassing van het EU-consumentenrecht10.
Wat is het doel van deze taalgids en is het doel van de gids bereikt?1
Naar aanleiding van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter demonstraties en het Toeslagenschandaal hebben zowel de toenmalig Minister-President als de toenmalige Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloten tot een rijksbrede inzet tegen discriminatie en racisme. Binnen OCW heeft dit geleid tot een tijdelijke programmatische aanpak, met de OCW Agenda tegen Discriminatie en Racisme die door mijn voorgangers met uw Kamer is gedeeld in 2022.2 In deze Agenda werd het belang van «inclusief taalgebruik» benoemd. De taalgids is daarna ambtelijk tot stand gekomen als beoogd hulpmiddel, slechts voor medewerkers van het ministerie.
Wanneer is het Programma tegen Discriminatie en Racisme (PDR) ontstaan en waar is besloten een taalgids te maken? Wanneer bent u of uw voorganger akkoord gegaan met de taalgids?
Zie het antwoord op vraag 1.
Wat zijn de kosten verbonden aan dit programma?
Voor de tijdelijke programmatische aanpak is tussen 2022–2028 incidenteel € 12,4 miljoen extra vrijgemaakt.3 Dit geld is begroot voor projecten, samenwerking en subsidies o.a. op het gebied van lesmateriaal, onderadvisering, kennis over koloniaal- en slavernijverleden en het tegengaan van discriminatie en racisme op de werkvloer.
Tijdens het Vragenuurtje liet de Staatssecretaris de Kamer weten deze Taalgids min of meer overbodig te vinden en deze «in de kast te leggen». Bent u ervan op de hoogte dat in de Taalgids staat dat deze elk jaar zal worden herzien? Wat vindt u daarvan?
Zoals ik heb aangegeven is de taalgids niet langer in gebruik op het ministerie. De digitale versie van de gids is niet meer te raadplegen via het OCW-Rijksportaal voor (OCW-)ambtenaren, en fysieke exemplaren zijn voor zover mogelijk teruggenomen. Geplande herzieningen van de taalgids vinden dus niet plaats. De motie Van Houwelingen c.s.4 beschouw ik met deze acties als uitgevoerd. Uiteraard blijft het ministerie vanuit ambtelijk vakmanschap streven naar zorgvuldige, gelijkwaardige, duidelijke en begrijpelijke communicatie in woord en geschrift.
Bent u voornemens om de makers van deze Taalgids de opdracht te geven geen jaarlijkse herziening te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan of gaat u dat doen?
Ja. Zie het antwoord op vraag 4.
Hoeveel fte c.q. personen werken bij de afdeling die deze taalgids hebben gemaakt?
Eén medewerker van het ministerie heeft de ontwikkeling van de taalgids in de periode tussen de zomer van 2023 en de zomer van 2025 begeleid, naast andere werkzaamheden. Daarnaast waren zo’n 30 tot 35 medewerkers voor enkele uren in die periode betrokken, door mee te denken of mee te lezen.
Hoeveel fte c.q. personen van andere afdelingen hebben geholpen bij het tot stand brengen van deze taalgids? Van welke afdelingen waren deze fte c.q. personen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoeveel uur is er in totaal aan deze taalgids besteed?
Zie antwoord vraag 6.
Wat zijn de werkzaamheden van het PDR? Vanuit welke behoefte bestaat dit programma en welk probleem lost het op?
De programmatische aanpak ziet onder meer op: de OCW-brede coördinatie op de uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme, de samenwerking met de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, de OCW-brede coördinatie op het «proces na de komma» met beleidsintensiveringen op het koloniaal- en slavernijverleden en de samenwerking met de Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding. Zie het antwoord op vraag 1 voor het ontstaan van de tijdelijke programmatische aanpak van discriminatie en racisme en de OCW Agenda tegen Discriminatie en Racisme.5
Hoeveel en welke organisaties c.q. organisatieonderdelen c.q. mensen zijn om advies gevraagd bij het vormgeven van het PDR in het algemeen en de Taalgids in het bijzonder?
De taalgids is ambtelijk ontwikkeld op basis van wat het ministerie al had samengebracht binnen het OCW-domein aan maatschappelijke en sectorale bronnen op het gebied van inclusieve taal. Uit het bestaande netwerk van externe adviseurs is nadere expertise gebruikt, waaronder van ECHO Expertisecentrum Diversiteitsbeleid en IZI Solutions.
Welke en hoeveel ministeries maken nog meer gebruik van dit soort taalgidsen of vergelijkbare regels dan wel adviezen?
Het Ministerie van Algemene Zaken heeft het rijksbrede Taalkompas ontwikkeld, een praktische schrijfhulp voor alle rijksambtenaren, met kennis over transparant, begrijpelijk en toegankelijk communiceren vanuit de rijksoverheid. Daarnaast ben ik niet bekend met rijks- of departementale taalgidsen.
Omdat het zorgvuldig, gelijkwaardig, duidelijk en begrijpelijk communiceren onderdeel is van het ambtelijk vakmanschap, ga ik er vanuit dat ambtenaren zich per onderwerp zullen bekwamen, specifiek op het eigen dossier, voor eigen gebruik. Bijvoorbeeld zoals het Programma Maritiem Erfgoed van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed heeft gedaan voor het eigen team en de directie Emancipatie van OCW heeft gedaan op het gebied van gender en lhbtiq+.
Wordt deze Taalgids meegestuurd aan contacten van het ministerie? Zo ja, wanneer en aan wie?
De taalgids is nadrukkelijk ontwikkeld als naslagwerk alleen voor medewerkers van het ministerie. De gids is daarnaast op een enkel specifiek verzoek gedeeld met collega’s van andere rijksorganisaties.
Zijn dergelijke taalgidsen dan wel taaladviezen onderdeel van subsidievoorwaarden? Zo ja, welke?
Nee.
Kan de Minister toezeggen om bij haar collega’s aan te dringen om elke taalgids van andere ministeries te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik laat het aan de andere bewindspersonen om hier de afweging over te maken.
Heeft u aan de landen c.q. de inwoners in het Midden-Oosten gevraagd of zij voortaan «Zuidwest-Azië» genoemd willen worden? Zo ja, welke waren het eens en welke niet? Zo nee, getuigt het niet van een neokoloniale benadering van deze landen door te bepalen hoe ze genoemd moeten worden?
Nee. Het uitgangspunt van de taalgids was gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels.
Heeft u representatief onderzoek gedaan onder Generatie X of zij die benaming vervelend vinden? Zo nee, waar baseert u dan de overtuiging op dat zij zich gekwetst voelen om zo genoemd te worden?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Heeft u bij de afweging om Generatie X een kwetsende naam te vinden afgewogen dat het voorstelbaar is dat de Generatie X dermate veel levenservaring heeft dat zij een kwalificatie als «Generatie X» ook nog wel overleven?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Waar komt volgens de bewindspersonen de behoefte vandaan om taal te «dekoloniseren»?
De suggesties in de taalgids waren in lijn met de inspanningen van het kabinet in het vervolgtraject excuses Slavernijverleden.6
Hoe is er in de Taalgids gekomen tot het «doorbreek van machtsverhoudingen»? Hoe bepaal je hoeveel macht iemand heeft? En wie gaat dan de macht verdelen? Is het aan de overheid om die veronderstelde macht te verdelen? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
De taalgids had als doel om bewustwording te vergroten van hoe taal in bepaalde situaties als ongelijk of afstandelijk kan worden ervaren. De gids beoogde handvatten te geven om in communicatie onnodige drempels te verlagen en toegankelijker en gelijkwaardiger te formuleren.
Tijdens het Vragenuurtje van 7 april jl. leek de Staatssecretaris aan te geven dat de Taalgids op eigen ambtelijk initiatief tot stand is gekomen. Klopt dat? Zo nee, waarom zei de Staatssecretaris dat dan? Zo ja, is het aan ambtenaren om het bij uitstek politieke vraagstuk van verdeling van macht te adresseren met een Taalgids?
De tijdelijke programmatische aanpak van discriminatie en racisme is een formeel besluit geweest. De taalgids is ambtelijk tot stand gekomen als beoogd hulpmiddel, slechts voor medewerkers van het ministerie.
Heeft u aan inheemse volkeren gevraagd of zij het vervelend vinden om «inheems» genoemd te worden en of zij voortaan liever «oorspronkelijke bewoners» willen worden genoemd? Zo nee, is dit dan niet bij uitstek een neokoloniale benaderingswijze van deze volkeren?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Vanuit waar komt de behoefte bij u om illegale vluchtelingen voortaan «mensen die op de vlucht zijn» te noemen? Welk probleem lost dit volgens u op?
Zie het antwoord op vraag 15.
Hoe denkt u dat het schrappen van de woorden «Moederdag» en «Vaderdag» overkomt op mensen die de afgelopen maanden hun vader of moeder hebben verloren en dit jaar Moederdag of Vaderdag met groot gemis vieren? Heeft u deze groep gevraagd of zij het eens zijn met het schrappen van het woord «Moederdag» en «Vaderdag»? Telt het gekwetst zijn van deze groep als aanleiding om een taalgids aan te passen c.q. af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Hoe reflecteert u op het feit dat zelfs «Beste dames en heren» moet worden vervangen voor «Beste collega, Beste geadresseerde, Beste mensen»? Bent u het eens dat het Ministerie van OCW volledig is doorgeslagen?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Waar is volgens u het dedain vandaan gekomen op het Ministerie van OCW om voor een brede groep te bepalen wat die wel en niet mogen zeggen?
Zie het antwoord op vraag 15.
Bent u het eens met de stelling dat de Taalgids vol staat met tegenstrijdigheden? Bent u het eens dat uitgangspunt 1 wordt ondermijnd door uitgangspunt 5; als je mensen als groep behandelt, kun je ze niet meer als individu behandelen. Wie mag er eigenlijk nog spreken namens de groep?
Laat me vooral zeggen dat het belangrijk is dat mensen niet gereduceerd worden tot een eigenschap of kenmerk. Het uitgangspunt van de taalgids was gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels.
Aangezien deze taalgids tot stand kwam met kennis en advies van verschillende deskundigen en organisaties die zich inzetten voor antidiscriminatie, welke deskundigen en organisaties zijn dat? Worden deze geheel of gedeeltelijk betaald uit de door de Staatssecretaris genoemde € 40.000? Zo nee, waar dan uit? Wat is dan het totaalbedrag?
De taalgids is ambtelijk ontwikkeld op basis van wat het ministerie al had samengebracht binnen het OCW-domein aan maatschappelijke en sectorale bronnen op het gebied van inclusieve taal. Uit het bestaande netwerk van externe adviseurs is expertise gebruikt (€ 3.388). Deze kosten vallen onder het eerder genoemde budget van de tijdelijke programmatische aanpak.
Hoe kijkt u aan tegen de zin in de Taalgids: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, is soms een onconventionele aanpak nodig»? Bent u het eens dat die onconventionele aanpak verdacht veel lijkt op dat ambtenaren gaan bepalen wat gelijkwaardigheid is en daar «onconventionele» taal voor ontwikkelen?
Nee. Zie het antwoord op vraag 15.
Hoe werkt deze Taalgids volgens u door in delen van het onderwijs? Is daar actief beleid op? Zo ja, waarom wordt dat wenselijk geacht?
Nee, het uitgangspunt van de taalgids was om gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels. Zie verder het antwoord op vraag 20.
Bent u bekend met de wetenschappelijke theorieën die stellen dat de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt, waarneemt en de wereld begrijpt? Bent u het eens met de stelling dat deze taalgids invloed heeft op de manier van denken van ambtenaren en daarbuiten? Is dat wenselijk?
Taal doet er toe in alle aspecten van onze samenleving. Het uitgangspunt van de taalgids was gelijkwaardige communicatie te bevorderen zonder drempels.
In het boek van George Orwell, 1984 staat het volgende citaat: «Don’t you see that the whole aim of Newspeak is to narrow the range of thought?»; ziet u hoe met deze Taalgids en de daarin opgenomen «newspeak» uiteindelijk het denken beperkt wordt? Zo nee, waarom niet?2
Nee, zie het antwoord op vraag 15.
Het bericht dat de NPO later dit jaar enkel de gekuiste versie van de film Land van Johan wil uitzenden. |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van filmmaker Eddy Terstall dat de NPO later dit jaar de gekuiste versie van zijn film Land van Johan wil uitzenden?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de NPO dus kennelijk eist dat een gelauwerde filmmaker zijn eigen film aanpast?
Uit navraag bij de NPO blijkt dat van genoemde geen sprake is. Het is de vrije redactionele keuze van de omroep om een film uit te zenden en waar nodig afspraken met rechthebbenden te maken. De afwegingen die ten grondslag liggen aan die keuzes ken ik niet en daar ga ik ook niet over.
Deelt u de mening dat dit volstrekt absurd is? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven wat de redenen van de NPO zijn om te eisen dat deze film wordt gekuist? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uitleggen of dit nu de normale gang van zaken is bij de NPO en zo ja, welke andere films, series of documentaire gekuist zijn of in de toekomst nog gekuist zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep gaat, binnen de grenzen van de wet en de publieke mediaopdracht, zelf over zijn programmering.
Kunt u vertellen waar Nederlanders hun NPO-abonnement kunnen opzeggen? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep is een publieke voorziening die bekostigd wordt via de rijksmediabijdrage en Ster-inkomsten, niet via abonnementen.
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.
SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Zie vraag 1 en 2.
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.
De besteding van gemeentelijke middelen aan iftarbijeenkomsten, gepresenteerd als 'ontmoetingen' en 'integratie' |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het bericht dat de grootste gemeenten in Nederland tienduizenden euro’s aan publieke middelen hebben besteed aan het organiseren of faciliteren van iftarbijeenkomsten, en dat deze uitgaven zijn verantwoord onder begrotingsposten als «ontmoetingen» en «integratie»?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving. Gemeenten dragen zelf verantwoordelijkheid voor de besteding van middelen en de inrichting van hun beleid. Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Daarbij kan de gemeenteraad geld reserveren voor bepaalde doelstellingen. De raad heeft de taak om te controleren of de gemeentelijke middelen juist worden besteed door het college van burgemeester en wethouders.
Onder welke begrotingsposten zijn deze uitgaven door de betreffende gemeenten precies verantwoord, en hoe waarborgt u dat het wegschrijven van uitgaven voor religieuze bijeenkomsten onder neutrale noemers als «ontmoeting», «verbinding» of «integratie» de democratische controle door de gemeenteraad niet bemoeilijkt?
Het is aan de individuele gemeenteraden om het budgetrecht uit te oefenen en toe te zien op de juiste besteding van middelen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze controletaak te verrichten.
Welke meetbare integratiedoelstellingen liggen ten grondslag aan de gemeentelijke financiering van iftarbijeenkomsten, en op basis van welke evaluaties of effectmetingen is vastgesteld dat deze bijeenkomsten aantoonbaar bijdragen aan taalverwerving, arbeidsparticipatie of maatschappelijke zelfredzaamheid?
Dit zal per gemeente verschillen aan de hand van het lokaal gevoerde beleid op integratie en aanverwante beleidsterreinen. Het is aan de gemeenteraad om hier controle op uit te oefenen. Ook kan binnen de gemeente worden overwogen of wordt overgegaan op evaluaties en effectmetingen met betrekking tot de doelen die door subsidies en gefinancierde activiteiten worden gediend.
In hoeverre kan worden uitgesloten dat bij de door gemeenten gefinancierde iftars organisaties betrokken zijn die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd vanuit het buitenland, bijvoorbeeld door Turkije (Diyanet/ISN), Saoedi-Arabië, Qatar of andere staten, en welk toezicht bestaat hierop?
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor subsidieverlening en het stellen van voorwaarden, waaronder transparantie over financieringsstromen indien dat relevant wordt geacht.
Daar waar er mogelijk sprake is van ongewenste buitenlandse financiering kent Nederland een systeem met verschillende instrumenten. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) doet onderzoek naar personen of organisaties die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid of de democratische rechtsorde. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken notes verbales over ongewenste buitenlandse financiering ontvangt vanuit derde landen, kan Buitenlandse Zaken deze doorsturen naar de AIVD.
De voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) zag op het tegengaan van onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door donaties aan maatschappelijke organisaties. Aangezien het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is verworpen, wordt er nader bezien of een aanvullend instrument passend is.
Hoe verhoudt de structurele financiering van iftarbijeenkomsten door gemeenten zich tot het grondwettelijke beginsel van scheiding van kerk en staat, mede in het licht van de uitspraak van uw voorganger bij de beantwoording van eerdere Kamervragen dat de overheid «geen geloof of wijze van geloofsbelijdenis mag voortrekken»?2
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Mocht een gemeente ervoor kiezen om in het kader van een subsidieregeling ten behoeve van integratie en dialoog iftaractiviteiten te subsidiëren, moeten subsidieaanvragen die door een ander geloof zijn geïnspireerd en op gelijke mate bijdragen aan de doelen, in principe op gelijke manier worden toegekend. Wanneer gemeenten zelf iftaractiviteiten organiseren of deze buiten een subsidieregeling om subsidiëren, zijn ze ook gehouden aan het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is van belang te overwegen welke doelen met de activiteit worden gediend, of ook andere geloofsgerelateerde activiteiten die dezelfde doelen dienen worden georganiseerd of gefinancierd en hoe wordt voorkomen dat een geloof door de gemeente wordt voorgetrokken. De gemeenteraad kan op deze keuzes controle uitoefenen.
In welke omvang en frequentie financieren dezelfde gemeenten bijeenkomsten die verbonden zijn aan andere religieuze tradities, zoals het christendom, het jodendom of het hindoeïsme, en hoe verklaart u een eventueel verschil met de financiering van islamitische bijeenkomsten?
Elke gemeente kent een andere begroting en andere subsidieregelingen. Het is aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten om verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad over de besteding van de gemeentelijke begroting.
Hoe beoordeelt u het feit dat iftarbijeenkomsten naar hun aard religieuze handelingen omvatten – zoals gebeden en Koranrecitatie – terwijl gemeenten dergelijke bijeenkomsten presenteren en financieren als neutrale «ontmoetingen»?
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
Op welke wijze draagt het faciliteren van religieus-culturele bijeenkomsten die primair gericht zijn op de eigen gemeenschap bij aan werkelijke integratie – het leren van de Nederlandse taal, het verwerven van economische zelfstandigheid en het internaliseren van democratische waarden – en hoe weegt u dit af tegen het risico dat dergelijke financiering juist gescheiden religieuze gemeenschappen bevestigt en institutionaliseert?
Als iftarmaaltijden door de gemeente worden gefinancierd in het kader van integratie of dialoog impliceert dit dat de bijeenkomsten niet zijn voorbehouden aan een specifieke gemeenschap of religie, maar juist zijn gericht op ontmoeting en uitwisseling tussen Nederlanders met verschillende achtergronden. Deze activiteiten kunnen bijdragen aan het versterken van de sociale samenhang en participatie in de samenleving en kunnen daarmee onderdeel zijn van een bredere aanpak gericht op integratie en versterken van de sociale samenhang.
Hoe verhoudt de gemeentelijke financiering van religieuze maaltijden zich tot het kabinetsbeleid dat inzet op assimilatie – het overnemen van de Nederlandse taal, normen, waarden en gebruiken – in plaats van het accommoderen van religieuze en culturele praktijken uit het land van herkomst?
Zoals in het regeerakkoord vermeld, richt het kabinetsbeleid zich op meedoen in de Nederlandse samenleving. Dat betekent dat iedereen actief deelneemt en bijdraagt aan de samenleving. Wij verwachten daarbij dat iedereen de waarden van de democratische rechtsstaat omarmt, waaronder godsdienstvrijheid. Het financieren van iftarmaaltijden die open staan voor iedereen in het kader van dialoog kan bijdragen aan tolerantie en respect voor de godsdienstvrijheid binnen Nederland. De organisatie van dergelijke activiteiten kan daarnaast de sociale samenhang bevorderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat door de overheid gefinancierde iftars bijdragen aan het ontstaan van parallelgemeenschappen, waarin de band met het land van herkomst en de eigen religieuze gemeenschap wordt versterkt ten koste van deelname aan de bredere Nederlandse samenleving?
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 8, 9 en 11.
Hoe weegt u de zorg van een substantieel deel van de Nederlandse bevolking dat de toenemende institutionalisering van islamitische rituelen in het publieke domein – inclusief door de overheid gefinancierde iftars op ministeries, bij de Nationale Politie en in publieke gebouwen – bijdraagt aan een ervaring van culturele verdringing?
Ruimte voor verschillende culturele en religieuze activiteiten is kenmerkend voor zowel de diversiteit binnen onze samenleving alsook de naleving van kernwaarden van onze democratische rechtsstaat, zoals gelijkheid en godsdienstvrijheid. Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze geeft het structureel financieren van iftars door overheden – terwijl vergelijkbare faciliteiten voor andere levensbeschouwelijke tradities achterwege blijven – een signaal van ongelijkheid af, en hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het maatschappelijke draagvlak voor integratie?
Iedereen moet in Nederland in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Indien overheden activiteiten ondersteunen moeten ze het gelijkheidsbeginsel in acht nemen. Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 5.