Het bericht dat de NPO later dit jaar enkel de gekuiste versie van de film Land van Johan wil uitzenden. |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van filmmaker Eddy Terstall dat de NPO later dit jaar de gekuiste versie van zijn film Land van Johan wil uitzenden?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de NPO dus kennelijk eist dat een gelauwerde filmmaker zijn eigen film aanpast?
Uit navraag bij de NPO blijkt dat van genoemde geen sprake is. Het is de vrije redactionele keuze van de omroep om een film uit te zenden en waar nodig afspraken met rechthebbenden te maken. De afwegingen die ten grondslag liggen aan die keuzes ken ik niet en daar ga ik ook niet over.
Deelt u de mening dat dit volstrekt absurd is? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven wat de redenen van de NPO zijn om te eisen dat deze film wordt gekuist? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uitleggen of dit nu de normale gang van zaken is bij de NPO en zo ja, welke andere films, series of documentaire gekuist zijn of in de toekomst nog gekuist zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep gaat, binnen de grenzen van de wet en de publieke mediaopdracht, zelf over zijn programmering.
Kunt u vertellen waar Nederlanders hun NPO-abonnement kunnen opzeggen? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep is een publieke voorziening die bekostigd wordt via de rijksmediabijdrage en Ster-inkomsten, niet via abonnementen.
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.
SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Zie vraag 1 en 2.
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.
De besteding van gemeentelijke middelen aan iftarbijeenkomsten, gepresenteerd als 'ontmoetingen' en 'integratie' |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het bericht dat de grootste gemeenten in Nederland tienduizenden euro’s aan publieke middelen hebben besteed aan het organiseren of faciliteren van iftarbijeenkomsten, en dat deze uitgaven zijn verantwoord onder begrotingsposten als «ontmoetingen» en «integratie»?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving. Gemeenten dragen zelf verantwoordelijkheid voor de besteding van middelen en de inrichting van hun beleid. Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Daarbij kan de gemeenteraad geld reserveren voor bepaalde doelstellingen. De raad heeft de taak om te controleren of de gemeentelijke middelen juist worden besteed door het college van burgemeester en wethouders.
Onder welke begrotingsposten zijn deze uitgaven door de betreffende gemeenten precies verantwoord, en hoe waarborgt u dat het wegschrijven van uitgaven voor religieuze bijeenkomsten onder neutrale noemers als «ontmoeting», «verbinding» of «integratie» de democratische controle door de gemeenteraad niet bemoeilijkt?
Het is aan de individuele gemeenteraden om het budgetrecht uit te oefenen en toe te zien op de juiste besteding van middelen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze controletaak te verrichten.
Welke meetbare integratiedoelstellingen liggen ten grondslag aan de gemeentelijke financiering van iftarbijeenkomsten, en op basis van welke evaluaties of effectmetingen is vastgesteld dat deze bijeenkomsten aantoonbaar bijdragen aan taalverwerving, arbeidsparticipatie of maatschappelijke zelfredzaamheid?
Dit zal per gemeente verschillen aan de hand van het lokaal gevoerde beleid op integratie en aanverwante beleidsterreinen. Het is aan de gemeenteraad om hier controle op uit te oefenen. Ook kan binnen de gemeente worden overwogen of wordt overgegaan op evaluaties en effectmetingen met betrekking tot de doelen die door subsidies en gefinancierde activiteiten worden gediend.
In hoeverre kan worden uitgesloten dat bij de door gemeenten gefinancierde iftars organisaties betrokken zijn die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd vanuit het buitenland, bijvoorbeeld door Turkije (Diyanet/ISN), Saoedi-Arabië, Qatar of andere staten, en welk toezicht bestaat hierop?
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor subsidieverlening en het stellen van voorwaarden, waaronder transparantie over financieringsstromen indien dat relevant wordt geacht.
Daar waar er mogelijk sprake is van ongewenste buitenlandse financiering kent Nederland een systeem met verschillende instrumenten. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) doet onderzoek naar personen of organisaties die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid of de democratische rechtsorde. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken notes verbales over ongewenste buitenlandse financiering ontvangt vanuit derde landen, kan Buitenlandse Zaken deze doorsturen naar de AIVD.
De voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) zag op het tegengaan van onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door donaties aan maatschappelijke organisaties. Aangezien het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is verworpen, wordt er nader bezien of een aanvullend instrument passend is.
Hoe verhoudt de structurele financiering van iftarbijeenkomsten door gemeenten zich tot het grondwettelijke beginsel van scheiding van kerk en staat, mede in het licht van de uitspraak van uw voorganger bij de beantwoording van eerdere Kamervragen dat de overheid «geen geloof of wijze van geloofsbelijdenis mag voortrekken»?2
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Mocht een gemeente ervoor kiezen om in het kader van een subsidieregeling ten behoeve van integratie en dialoog iftaractiviteiten te subsidiëren, moeten subsidieaanvragen die door een ander geloof zijn geïnspireerd en op gelijke mate bijdragen aan de doelen, in principe op gelijke manier worden toegekend. Wanneer gemeenten zelf iftaractiviteiten organiseren of deze buiten een subsidieregeling om subsidiëren, zijn ze ook gehouden aan het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is van belang te overwegen welke doelen met de activiteit worden gediend, of ook andere geloofsgerelateerde activiteiten die dezelfde doelen dienen worden georganiseerd of gefinancierd en hoe wordt voorkomen dat een geloof door de gemeente wordt voorgetrokken. De gemeenteraad kan op deze keuzes controle uitoefenen.
In welke omvang en frequentie financieren dezelfde gemeenten bijeenkomsten die verbonden zijn aan andere religieuze tradities, zoals het christendom, het jodendom of het hindoeïsme, en hoe verklaart u een eventueel verschil met de financiering van islamitische bijeenkomsten?
Elke gemeente kent een andere begroting en andere subsidieregelingen. Het is aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten om verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad over de besteding van de gemeentelijke begroting.
Hoe beoordeelt u het feit dat iftarbijeenkomsten naar hun aard religieuze handelingen omvatten – zoals gebeden en Koranrecitatie – terwijl gemeenten dergelijke bijeenkomsten presenteren en financieren als neutrale «ontmoetingen»?
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
Op welke wijze draagt het faciliteren van religieus-culturele bijeenkomsten die primair gericht zijn op de eigen gemeenschap bij aan werkelijke integratie – het leren van de Nederlandse taal, het verwerven van economische zelfstandigheid en het internaliseren van democratische waarden – en hoe weegt u dit af tegen het risico dat dergelijke financiering juist gescheiden religieuze gemeenschappen bevestigt en institutionaliseert?
Als iftarmaaltijden door de gemeente worden gefinancierd in het kader van integratie of dialoog impliceert dit dat de bijeenkomsten niet zijn voorbehouden aan een specifieke gemeenschap of religie, maar juist zijn gericht op ontmoeting en uitwisseling tussen Nederlanders met verschillende achtergronden. Deze activiteiten kunnen bijdragen aan het versterken van de sociale samenhang en participatie in de samenleving en kunnen daarmee onderdeel zijn van een bredere aanpak gericht op integratie en versterken van de sociale samenhang.
Hoe verhoudt de gemeentelijke financiering van religieuze maaltijden zich tot het kabinetsbeleid dat inzet op assimilatie – het overnemen van de Nederlandse taal, normen, waarden en gebruiken – in plaats van het accommoderen van religieuze en culturele praktijken uit het land van herkomst?
Zoals in het regeerakkoord vermeld, richt het kabinetsbeleid zich op meedoen in de Nederlandse samenleving. Dat betekent dat iedereen actief deelneemt en bijdraagt aan de samenleving. Wij verwachten daarbij dat iedereen de waarden van de democratische rechtsstaat omarmt, waaronder godsdienstvrijheid. Het financieren van iftarmaaltijden die open staan voor iedereen in het kader van dialoog kan bijdragen aan tolerantie en respect voor de godsdienstvrijheid binnen Nederland. De organisatie van dergelijke activiteiten kan daarnaast de sociale samenhang bevorderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat door de overheid gefinancierde iftars bijdragen aan het ontstaan van parallelgemeenschappen, waarin de band met het land van herkomst en de eigen religieuze gemeenschap wordt versterkt ten koste van deelname aan de bredere Nederlandse samenleving?
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 8, 9 en 11.
Hoe weegt u de zorg van een substantieel deel van de Nederlandse bevolking dat de toenemende institutionalisering van islamitische rituelen in het publieke domein – inclusief door de overheid gefinancierde iftars op ministeries, bij de Nationale Politie en in publieke gebouwen – bijdraagt aan een ervaring van culturele verdringing?
Ruimte voor verschillende culturele en religieuze activiteiten is kenmerkend voor zowel de diversiteit binnen onze samenleving alsook de naleving van kernwaarden van onze democratische rechtsstaat, zoals gelijkheid en godsdienstvrijheid. Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze geeft het structureel financieren van iftars door overheden – terwijl vergelijkbare faciliteiten voor andere levensbeschouwelijke tradities achterwege blijven – een signaal van ongelijkheid af, en hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het maatschappelijke draagvlak voor integratie?
Iedereen moet in Nederland in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Indien overheden activiteiten ondersteunen moeten ze het gelijkheidsbeginsel in acht nemen. Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 5.
Het Concertgebouw dat musici en orkesten weert die direct of indirect betrokkenheid hebben bij oorlogsmisdaden en genocide |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt het dat het Concertgebouw nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd waarbij artiesten, musici en orkesten kunnen worden geweerd indien zij (direct of indirect) betrokken zouden zijn bij discriminatie, geweld of ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder oorlogsmisdaden en genocide?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dat Het Concertgebouw nieuwe richtlijnen hanteert waarbij artiesten, musici of complete orkesten kunnen worden geweerd op basis van vermeende betrokkenheid bij internationale misdrijven, zonder dat daar een juridisch oordeel of individueel onderzoek aan voorafgaat?
Voorop staat dat culturele instellingen zelf gaan over hun programmering, verhuur en richtlijnen die ze daarvoor hanteren. Naar ik begrijp heeft Het Concertgebouw ervoor gekozen om de richtlijnen aan te vullen zodat transparant is hoe de organisatie bepaalde toekomstige situaties weegt. Het gaat daarbij om keuzes die alle instellingen maken op basis van het profiel van de instelling. Instellingen zijn daar vrij in.
Klopt het dat deze richtlijnen zijn opgesteld naar aanleiding van activistische druk rondom het optreden van een cantor van het Israëlische leger en dat deze richtlijnen zonder openbare toelichting of consultatie zijn ingevoerd?
Het Concertgebouw is een privaatrechtelijke onderneming. Ze zijn niet gebonden aan openbare consultaties om hun richtlijnen aan te passen.
Acht u het passend dat een gesubsidieerde culturele instelling beleid formuleert dat in de praktijk kan leiden tot collectieve uitsluiting van artiesten uit bepaalde landen of culturele groepen en daarmee het risico loopt op discriminatoire besluitvorming of zelfs (juridisch relevante) groepsbelediging?
Culturele instellingen zijn vrij in het bepalen wat zij programmeren. Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving. Vanuit dat uitgangspunt gaan culturele instellingen dus ook over hun eigen programmering/samenwerkingen. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat voor deze artistieke vrijheid. Deze vrijheid is uiteraard wel begrensd daar waar de wet wordt overtreden. Keuzes in samenwerking mogen – ook door culturele instellingen – bijvoorbeeld nimmer gebaseerd zijn op gronden die wettelijk als discriminatie worden aangemerkt. In dat geval kan men aangifte doen. Ik kan als Minister echter niet op de stoel van de rechter gaan zitten.
Kunt u toelichten op welke wijze een instelling als Het Concertgebouw, dat geen internationaal-juridische bevoegdheid heeft, kan vaststellen of een artiest schuldig is aan oorlogsmisdaden of misdrijven tegen de menselijkheid en ziet u risico’s in deze vorm van zelftoegeëigende morele rechtspraak?
Zie antwoord 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke uitsluiting kan leiden tot (juridisch relevante) groepsbelediging, omdat hiermee een volledige bevolkingsgroep of nationale culturele sector collectief wordt weggezet als medeplichtig aan internationale misdrijven? Zo ja, overtreedt Het Concertgebouw hier dan niet gewoon de wet?
Het is aan de rechter om te beoordelen of Het Concertgebouw de wet overtreedt.
In hoeverre zijn deze richtlijnen verenigbaar met de wettelijke non-discriminatienormen en de Governance Code Cultuur?
Het is aan de rechter om te beoordelen of de richtlijnen verenigbaar zijn met de wettelijke non-discriminatienormen.
Wat betreft de Governance Code Cultuur: ik zie niet direct reden om aan te nemen dat de richtlijn hiermee in strijd is. De code doet geen uitspraken of aanbevelingen over specifieke zaken rond de bedrijfsvoering, zoals het opstellen van een huishoudelijk reglement. Ook stelt de code niet verplicht dat culturele instellingen met iedereen moeten samenwerken, of dat niemand mag worden buitengesloten op grond van bijvoorbeeld ethische overwegingen.
Overigens wil ik benadrukken dat de code is opgesteld door de sector zelf. Het is een richtlijn over de principes van goed bestuur en toezicht in de culturele en creatieve sector, alleen het onderschrijven hiervan is verplicht binnen de basisinfrastructuur voor de periode 2025–2029. De naleving is in beginsel niet juridisch afdwingbaar.
Acht u het wenselijk dat een instelling die (zelfs beperkt) wordt gefinancierd met publieke middelen, circa 4% gemeentelijke subsidie, een politiek-activistische boycot kan effectueren, met verstrekkende maatschappelijke gevolgen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan 2025–2028 van de gemeente Amsterdam staat dat subsidie wordt geweigerd of ingetrokken wanneer een instelling in strijd handelt met wet- of regelgeving en bent u het ermee eens dat deze richtlijnen strijdig zijn met deze subsidievoorwaarden, en dus een grond vormen voor ingrijpen richting Het Concertgebouw?
Ik heb geen rol, noch bevoegdheid in de relatie tussen de gemeente Amsterdam en Het Concertgebouw. Interventie door de rijksoverheid in subsidierelaties tussen gemeenten en hun instellingen is bovendien onwenselijk, omdat het in strijd is met de bestuurlijke autonomie van de gemeente.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat Het Concertgebouw zich in de aanvraag van de subsidie presenteert als toegankelijk huis «voor alle Amsterdammers», met nadruk op diversiteit en inclusie en bent u bereid om tijdens een overleg met de gemeente Amsterdam te pleiten voor een onderzoek naar mogelijke schendingen van subsidievoorwaarden door Het Concertgebouw?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u toezeggen de gemeente Amsterdam expliciet te adviseren de subsidie te heroverwegen of in te trekken zodra wordt vastgesteld dat Het Concertgebouw met dit boycotbeleid buiten zijn statutaire doel treedt én in strijd handelt met de aan de subsidie verbonden normen van non-discriminatie en diversiteit en inclusie?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat deze richtlijnen een precedent kunnen scheppen waardoor andere musea en culturele instellingen onder activistische druk vergelijkbare uitsluitingscriteria overnemen, met alle gevolgen voor artistieke vrijheid, publieke toegankelijkheid en maatschappelijke polarisatie?
Zie antwoord op vraag 4.
Klopt het dat u bevoegd bent om in te grijpen wanneer gesubsidieerde instellingen handelen op een wijze die strijdig is met wettelijke normen en bent u bereid dit te doen wanneer blijkt dat Het Concertgebouw met deze richtlijnen de grenzen van non-discriminatie overschrijdt?
Als een rechter vaststelt dat een instelling die door mijn ministerie wordt gesubsidieerd in strijd met de wet handelt bij het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten kan ik de subsidie (al dan niet gedeeltelijk) proberen in te trekken. Mijn ministerie heeft echter geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw. Dit is aldus niet aan de orde.
Ziet u aanleiding om Het Concertgebouw erop aan te spreken dat hun richtlijnen mogelijk buiten hun statutaire doelstelling vallen nu in de statuten van Het Concertgebouw is vastgelegd dat de instelling tot doel heeft het geven van concerten, het instandhouden van het gebouw en educatie en uitdrukkelijk géén taak heeft op het gebied van internationale politieke oordeelsvorming of sanctiebeleid?
Nee. Ik zie hier geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Zoals gezegd heb ik geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw.
Kunt u toezeggen te laten onderzoeken of de richtlijnen van Het Concertgebouw in strijd zijn met het discriminatieverbod en/of strafrechtelijke bepalingen rond groepsbelediging en de Kamer te informeren over de juridische beoordeling?
Nee. Ik heb geen subsidierelatie met het Concertgebouw en zie aldus ook geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Bovendien is het aan de rechter om vast te stellen of sprake is van een strafbaar feit. Het is m.i. onwenselijk en strijdig met onze democratische rechtsstaat als politici op de stoel van de rechter gaan zitten.
Kunt u toezeggen om bij gemeenten die, ondanks evidente schendingen van subsidievoorwaarden door musea of andere culturele instellingen, deze subsidies toch in stand houden, te onderzoeken op welke wijze kortingen op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds kunnen worden gedaan?
De middelen uit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. Over de besteding van deze middelen hoeft dan ook geen verantwoording te worden afgelegd aan het Rijk. Het is aan het college van B&W om de subsidievoorwaarden te controleren. Het is aan de gemeenteraad om het college te controleren.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over eventuele uitkomsten van dergelijke onderzoeken en eventuele maatregelen, inclusief financiële consequenties voor Het Concertgebouw, indien blijkt dat de richtlijnen onrechtmatig of onwenselijk zijn?
Zoals bij antwoord 16 aangegeven, dit is aan het college van B&W en de gemeenteraad.
Het bericht ‘Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jerusalem’s Christian schools threatened as government moves to ban Palestinian teachers»1?
Dit zijn berichten die helaas tekenend zijn voor de toenemende druk waaronder (christelijke) Palestijnen staan. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is hieraan expliciet aandacht besteed, de situatie in de Oude Stad van Jeruzalem in het bijzonder.
Klopt het dat de Israëlische autoriteiten voor het schooljaar 2026–2027 geen werkvergunningen meer willen verstrekken aan Palestijnse leraren uit de Westelijke Jordaanoever die werkzaam zijn op christelijke scholen in Jeruzalem?
Naar verluidt staat inderdaad in de brief van het Israëlische Ministerie van Onderwijs van 10 maart jl. aan schooldirecties in Jeruzalem dat voor het schooljaar 2026–2027 alleen leraren mogen worden aangenomen die in Jeruzalem wonen en beschikken over Israëlische onderwijsbevoegdheden.
Deelt u de zorg dat deze maatregel gevolgen heeft voor meer dan tweehonderd leraren en daarmee de continuïteit van de ongeveer vijftien christelijke onderwijsinstellingen in Jeruzalem onder druk zet?
Ja. De meeste docenten op deze scholen zijn christelijke Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever. Als zij niet meer kunnen werken in Jeruzalem zullen de scholen gedwongen op zoek moeten gaan naar nieuwe docenten.
Hoe beoordeelt u de mogelijke impact van deze maatregel op de positie van christelijke minderheden in Jeruzalem en het behoud van religieuze en culturele diversiteit in de stad?
De maatregel zorgt ervoor dat minder christenen toegang hebben tot Jeruzalem. Dit heeft een verder negatieve impact op de pluriformiteit van de stad.
Op welke wijze en hoe hard raakt deze maatregel de financiële situatie van deze leraren en hun gezinnen? Op welke wijze raakt deze maatregel de Palestijnse economie?
Het gaat om tientallen families die potentieel een bron van inkomen kwijt raken, maar niet om een dusdanig grote groep dat het een significante invloed heeft op de al zwakke Palestijnse economie. Wel zal het in het bijzonder impact hebben op een groep mensen die voornamelijk uit de regio van Bethlehem komt, waar het al slecht gaat met de economie door de afhankelijkheid en afwezigheid van toerisme. In die zin heeft het een relatief grote impact op een specifieke gemeenschap op de Westelijke Jordaanoever. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat als reden wordt aangevoerd dat de diploma’s niet zouden voldoen aan de academische standaarden die nodig zouden zijn? Hoe beoordeelt u dit argument? Mocht dit argument valide zijn, welke rol kan Nederland spelen om eventueel aan deze eis tegemoet te komen?
Op 21 januari jl. heeft de Knesset een wet aangenomen die het tewerkstellen van leraren met diploma’s uit de Palestijnse Gebieden beperkt. De wet zorgt ervoor dat deze groep leraren niet kan worden aangesteld als leraar, schooldirecteur of inspecteur in Jeruzalem. De wet beschouwt deze groep als personen zonder de vereiste academische graad voor dergelijke functies. In de toelichting van het wetsvoorstel staat: «de academische opleiding in de Palestijnse Autoriteit vindt plaats in een omgeving waarin sprake is van ophitsing tegen de staat Israël, en die niet overeenkomt met de principes en waarden waarop het onderwijs in de staat Israël is gebaseerd.»
Er zijn enkele uitzonderingen en overgangsregelingen binnen de wet, namelijk: i) personen die al voor inwerkingtreding van de wet als leraar werkten en in hun bestaande functie blijven; ii) personen die al een diploma hadden van de Palestijnse Autoriteit of een volledig academisch jaar hebben afgerond, voor hen geldt dat zij in sommige gevallen alsnog, onder strengere voorwaarden, kunnen worden aangesteld; en iii) de directeur-generaal van het Israëlische Ministerie van Onderwijs kan toch iemand toelaten als een persoon ook beschikt over een Israëlisch diploma. Personen die worden afgewezen hebben recht om in beroep te gaan tegen de beslissing.
Het kabinet erkent niet dat Israël soevereiniteit kan uitoefenen over Oost-Jeruzalem. Het bezettingsrecht is van toepassing en kent strenge voorwaarden voor het aanpassen van lokale wetgeving. Bovendien dient de bezetter het bezette gebied te besturen ten behoeve van de lokale bevolking. Deze maatregel staat hier haaks op.
Bent u bereid deze kwestie zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen bij de Israëlische autoriteiten en te pleiten voor het behoud van het werk voor deze leraren?
Nederland blijft zich inzetten zowel bilateraal als multilateraal voor de vrijheid van minderheden. Waar opportuun zal het kabinet deze specifieke casus onder de aandacht brengen.
Bent u bereid om, samen met internationale partners en kerkelijke organisaties, te bezien hoe deze scholen ondersteund kunnen worden indien deze maatregel wordt doorgezet?
De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah onderhoudt contact met lokale kerkgemeenschappen, volgt de situatie nauwgezet en beziet steeds in overleg hoe de verschillende zorgen die leven kunnen worden geadresseerd.
Ziet u een ontwikkeling dat minderheden in Jeruzalem, inclusief (Palestijnse) christenen, steeds verder onder druk komen te staan, door situaties zoals deze en zoals in eerdere schriftelijke benoemd?2 Welke stappen onderneemt u en gaat u ondernemen om deze ontwikkelingen tegen te gaan?
Ja, minderheden in Jeruzalem staan onder toenemende druk. Nederland dringt aan op handhaving van de status quo rond heilige plaatsen. Hierbij steunt Nederland de rol van Jordanië als beschermer van de Christelijke en Islamitische Heilige plaatsen in Jeruzalem, zoals ook erkend door Israël in het Vredesverdrag. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden afgelopen november is expliciet aandacht besteed aan de krimpende ruimte voor (Palestijnse) christenen, met name in de Oude Stad van Jeruzalem.
Hoe luidt uw reactie op de berichten «PA drafts constitution, omits Jewish ties to Jerusalem, calls for Sharia legal system»1 en «PA paid half a billion shekels to terrorists in pay-for-slay scheme, sources reveal -exclusive»2?
Het kabinet heeft de berichten voor kennisgeving aangenomen.
Wat is de etymologische geschiedenis van de benaming «Jeruzalem»?
Er zijn verschillende theorieën over de etymologische geschiedenis van de benaming van Jeruzalem.
Klopt het met uw informatie dat de Joodse banden met Jeruzalem in de ontwerp-Grondwet, zoals opgesteld door de Palestijnse Autoriteit (PA), worden weggelaten en bijvoorbeeld enkel het beschermen van islamitische en christelijke heiligdommen wordt benoemd? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat er in de conceptgrondwet geen referentie wordt gemaakt naar de bescherming van Joodse heilige plekken in Jerusalem, maar wel naar Islamitische en Christelijke heiligdommen. Het kabinet is van mening dat vrije, veilige en niet-discriminerende toegang tot heilige plaatsen van alle religies – waaronder de Joodse heiligdommen in Jeruzalem – een essentieel onderdeel is van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Het kabinet zal de ontwikkelingen omtrent de Grondwet nauwkeurig blijven volgen. Zie ook het antwoord op vraag 4 en 5.
Meent u dat in een toekomstige situatie de Joodse banden met Jeruzalem nooit mogen worden ontkend en bent u bereid dit standpunt randvoorwaardelijk uit te dragen voor de toekomst?
Jeruzalem heeft historisch gezien en vandaag de dag een speciale status in het jodendom, de islam, en het christendom. Het respecteren van verschillende religieuze plaatsen in Jeruzalem is ook vastgelegd in de al lang bestaande Status Quo-overeenkomst. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een fundamenteel mensenrecht en een prioriteit binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Nederland draagt dit uit en zet zich in om dit recht te beschermen, ook in Israël en de Palestijnse Gebieden. Deze conceptgrondwet is wat het kabinet betreft geen bewijs van ontkenning van de geschiedenis van Jeruzalem door de Palestijnse Autoriteit (PA). Zie ook het antwoord op vraag 3.
Welke historische banden heeft het Joodse volk en het judaïsme wetenschappelijk-historisch gezien volgens dit kabinet ten aanzien van de vroege geschiedenis van Jerusalem en aanwezigheid door de eeuwen heen tot op heden? Hoe verhoudt dit zich tot de uitingen van de PA? Is er sprake van bewuste geschiedvervalsing volgens dit kabinet door de PA en zo ja, op welke onderdelen? Bent u bereid de PA hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe wordt invulling gegeven aan de gewijzigde motie-Ceder/Stoffer over het standpunt dat Joden welkom en veilig moeten zijn in Jeruzalem innemen en uitdragen (Kamerstuk 26 150, nr. 239)?
Nederland geeft uitvoering aan deze motie. Het standpunt van het kabinet is dat iedereen het recht heeft om zijn of haar religieuze of levensbeschouwelijke keuze te maken, en dit in vrijheid en veiligheid te doen. Dat geldt wereldwijd, en daarmee ook in Jeruzalem.
Klopt het dat de ontwerp-Grondwet shariawetgeving implementeert? Zo ja, hoe beoordeelt het kabinet dit? Erkent het kabinet dat dergelijke wetgeving op zeer gespannen voet staat met internationale mensenrechtenverdragen zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Wat betekent dit voor de omgang van dit kabinet met de PA?
De conceptgrondwet voorziet geen directe implementatie van de sharia. Wel wordt in de conceptgrondwet aangegeven dat bepaalde principes van de sharia als inspiratiebronnen gelden voor wetgeving. Dit is gebruikelijk in islamitische landen en heeft geen invloed op de betrekkingen die het kabinet onderhoudt met de PA.
Bent u bekend met de uitspraken van uw ambtsvoorganger over dat «de systematiek van betalingen aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood [is] herzien» en dat de «de betalingen onder het vorige systeem (...) zijn gestopt»?3
Daar ben ik mee bekend.
Klopt het met uw informatie dat de ontwerp-Grondwet de voorzetting van het «pay-for-slay-programma» lijkt te formaliseren? Zo nee, hoe interpreteert u het grondwetsartikel zoals genoemd in het artikel van 13 februari jl.?
Er staat dat «rechten van gevangenen zullen worden bewaard». Er wordt in de conceptgrondwet niet gerefereerd aan het sociale zekerheidssysteem waar betalingen aan achterblijvende families van gevangenen onderdeel van zijn op basis van financiële behoeften. Zie ook het antwoord op vraag 10 en 11.
Heeft u signalen ontvangen dat de PA het «pay-for-slay-programma» in 2025 heeft voortgezet, zoals uiteengezet in het artikel van 25 februari jl.? Wat vindt u daarvan?
De Palestijnse president Abbas ondertekende op 11 februari 2025 een decreet waarin dit systeem werd vervangen door een nieuw sociaal systeem. Het decreet stelt dat deze families in aanmerking komen voor uitkeringen op basis van hun financiële behoeften, net zoals andere Palestijnen die steun behoeven. De hervorming op dit vlak is doorgevoerd en wordt gehandhaafd. President Abbas ontsloeg op 10 november 2025 zijn Minister van Financiën, die volgens berichtgeving goedkeuring had gegeven voor een beperkt aantal betalingen volgens het oude systeem. Daaropvolgend publiceerde president Abbas een verklaring waarin hij de hervormingen t.a.v. het sociale zekerheidssysteem nogmaals bevestigde en waarin hij benadrukte dat alle betalingen volgens dit hervormde systeem zullen plaatsvinden. Het kabinet heeft geen recente signalen ontvangen dat de PA het eerdere systeem van uitkeringen voortzet. Het hervormde systeem wordt momenteel in opdracht van de Palestijnse Autoriteit door een onafhankelijk auditbureau beoordeeld. Daarnaast wordt een onafhankelijke audit uitgevoerd in opdracht van de EU.
Kunt u met zekerheid stellen dat het «pay-for-slay-programma» echt is gestopt? Zo ja, kunt u dit onderbouwen?
Zie antwoord vraag 10.
Mocht u niet met zekerheid kunnen stellen dat het «pay-for-slay-programma» daadwerkelijk is gestopt, kunt u toezeggen om, in lijn met de aangenomen motie-Ceder (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2948), enkel in te stemmen met EU-steun aan de PA als het geld dat de PA uitgeeft aan de uitkeringen wordt afgetrokken van het bedrag aan steun? Zo nee, waarom niet?
Zoals bekend zijn de uitbetalingen in het kader van het meerjarensteunprogramma van de EU aan de Palestijnse Autoriteit afhankelijk van de voortgang op de implementatie van de hervormingen van het sociale systeem, waaronder op het gebied van betalingen van de Palestijnse Autoriteit aan de families van Palestijnen die door Israëlische troepen gevangen zijn gezet of gedood. Het kabinet dringt er bij de Commissie op aan dat deze afspraken nauwgezet worden gemonitord.
Kunt u toezeggen om de Kamer proactief te informeren als u signalen krijgt dat de PA bedragen uitkeert in het kader van «pay-to-slay» en uit een te zetten welke stappen u gaat ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet informeert de Kamer geregeld over de voortgang van de hervormingen van de PA en zal dit blijven doen.
De nieuwe Archiefwet die naar verluidt met het huidige stelsel niet uitvoerbaar is |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de zinvolheid van het streven om de Archiefwet 1995 te actualiseren staat of valt met de uitvoerbaarheid ervan?
Ja. Het feit dat de huidige Archiefwet 1995 steeds minder goed uitvoerbaar wordt, is één van de belangrijkste redenen voor de modernisering. Waar de huidige Archiefwet 1995 nog gebaseerd is op de oude werkelijkheid van een papieren archief, biedt het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. betere kaders voor goed digitaal informatiebeheer en digitale archivering. Dit is nodig om overheidsinformatie duurzaam digitaal te beheren vanaf creatie. De vormgeving van de Archiefwet 20.. en de onderliggende regelgeving maakt het daarbij gemakkelijker om de wet- en regelgeving aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen.
Hoe beoordeelt u de constatering dat er bij de nieuwe Archiefwet sprake is van een fundamentele mismatch tussen wet, digitale werkelijkheid en bestuurlijke keuzes, die deze onuitvoerbaar maakt?1
Ik deel deze constatering niet. Het artikel waarnaar verwezen wordt, richt zich met name op waardering en selectie van overheidsinformatie. Het stelt dat het huidige selectiestelsel is gebaseerd op procesmatige lijsten en handmatige beoordeling, ontwikkeld in een papieren tijdperk, terwijl deze werkwijze in een digitale omgeving niet vol te houden is, omdat informatieproductie daarin continu en grootschalig is. De waardering en selectie van overheidsinformatie is echter bij uitstek een onderwerp waarvoor met de Archiefwet 20.. en het daarmee gepaard gaande beleid een andere koers wordt ingezet.2 De Archiefwet 20.. staat vereenvoudiging van categorieën bij de waardering van documenten expliciet toe, en biedt daarmee ruimte voor waardering volgens andere methodieken dan de klassieke procesmatige waardering. De Archiefwet 20.. biedt daarmee onder andere ruimte voor de zogeheten sleutelfunctiemethodiek die geschikt is om op een eenvoudige, heldere en te automatiseren manier te bepalen welke e-mails en chatberichten tijdelijk te bewaren zijn en welke blijvend. Daarnaast krijgt de rijksarchivaris op basis van het concept-Archiefbesluit 20.. de bevoegdheid om modelselectiebesluiten vast te stellen om eenheid in de waardering van overheidsinformatie te bevorderen. Het uitgangspunt blijft hierbij wel dat vernietiging van overheidsdocumenten alleen kan op basis van een geldig selectiebesluit. Dit verzekert dat de keuze hoelang documenten worden bewaard bewust én verantwoord wordt genomen.
Hoe houdt uw nieuwe Archiefwet ermee rekening dat de hoeveelheid overheidsinformatie explosief groeit, met e-mails, chatberichten, samenwerkingsdossiers en datasets, maar tegelijkertijd de informatie beter moet worden beheerd dan ooit tevoren, met de naar tien jaar verkorte overbrengingstermijn van de nieuwe Archiefwet, de hogere eisen van digitale duurzaamheid, de Wet open overheid (Woo), die om snelle vindbaarheid vraagt en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), die verplicht tot tijdige vernietiging?
De nieuwe Archiefwet draagt bij aan een oplossing voor het probleem van de groei van vastgelegde informatie door een helder juridisch kader te bieden voor het beheer van documenten door overheidsorganen, het vastleggen van bewaartermijnen, en voor de openbaarheid van documenten na overbrenging naar een archiefdienst. Ook de verkorting van de overbrengingstermijn helpt daarbij. Goed beheer van documenten is een voorwaarde om aan de Wet open overheid te kunnen voldoen. In de nieuwe Archiefwet wordt benadrukt dat beheer van digitale documenten voortdurende zorg vereist. Hierbij mogen overheidsorganen op basis van een risicobenadering keuzes maken in de benodigde beheermaatregelen voor verschillende documenten die zij beheren.
Tegelijkertijd is het van belang dat documenten tijdig worden gewaardeerd en op tijd worden vernietigd als dat moet, op basis van een geldend selectiebesluit. Door de Archiefwet aldus juist toe te passen, kan ook worden voldaan aan de eisen van de AVG.
Hoe verklaart u de achterstanden, versnipperde opslag en gebrekkige metadata, die leiden tot vertraging bij Woo-verzoeken en persoonsgegevens die soms langer bewaard blijven dan toegestaan?
Er zijn diverse factoren die de achterstanden in de informatiehuishouding hebben veroorzaakt. De hoeveelheid en diversiteit van digitale informatie is de afgelopen jaren exponentieel toegenomen. Er is in het verleden onvoldoende tijd, geld en aandacht geweest voor het in huis hebben van specialistische kennis en het informatiebewustzijn van medewerkers. De sturing was onvoldoende, het informatie- en applicatielandschap is complex en er zijn diverse aanscherpingen geweest op het gebied van privacy en beveiliging.
Het rijksbrede programma Open Overheid werkt sinds 2021 aan de verbetering van de informatiehuishouding en het voldoen aan de wettelijke eisen voor openbaarmaking (Wet open overheid). Sinds 2021 wordt jaarlijks de groei in volwassenheid van de informatiehuishouding gemeten. Op een schaal van 1 tot 4, met de ambitie om in 2026 rijksbreed minimaal niveau 3 te bereiken, laat de meest recente meting over 2025 zien dat een gemiddeld niveau van 2,6 is bereikt.
De verbeteroperatie is langdurig en verloopt stapsgewijs, met grote aandacht voor de structurele borging van verbeteringen in het stelsel. De verbeteroperatie is gericht op meer menskracht, betere kennis, verbetering van werkprocessen, adequate ICT-systemen en versterkte sturing.
Departementen en hun organisaties hebben zich in het Meerjarenplan Openbaarheid en Informatiehuishouding 2026–20303 ertoe verplicht om, indien dit nog niet het geval is, minimaal volwassenheidsniveau 3 te realiseren. De voortgang wordt gevolgd via metingen die openbaar worden gemaakt via een rijksbreed dashboard.
Hoe beoordeelt u de afhankelijkheid van buitenlandse technologie, bij opslag en verwerking van overheidsinformatie in cloudomgevingen van internationale aanbieders, mede in het licht van de Amerikaanse CLOUD Act?
Met de modernisering van de Archiefwet worden ook het Archiefbesluit (een algemene maatregel van bestuur) en de Archiefregeling (een ministeriële regeling) vernieuwd. In deze lagere regelgeving, die onderdelen van het wetsvoorstel uitwerkt, worden onder andere nadere eisen gesteld aan duurzame toegankelijkheid, bestandsformaten en metadata. De concept-Archiefregeling 20.. bevat, mede vanwege recente ontwikkelingen rond digitale autonomie, een bepaling op grond waarvan de opslag en verwerking van documenten moet plaatsvinden binnen het grondgebied van de Europese Unie, in landen binnen de Europese Economische Ruimte, of binnen landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, tenzij het verantwoordelijk overheidsorgaan vanwege zijn taak op grond van internationale verdragen hiervan moet afwijken. In een tijd waarin archieven bijna uitsluitend analoog waren, reproductietechnieken zich beperkten tot microfiche en -film lag het voor de hand archieven dichtbij te bewaren en was een dergelijke bepaling niet nodig. Door de digitalisering is dit veranderd.
De concept-Archiefregeling 20.. geeft hiermee richting en biedt nadrukkelijk ook de ruimte voor overheden om een strikter beleid te voeren. Daarnaast werkt het Ministerie van BZK momenteel aan een herziening van het cloudbeleid waarin de vereisten verder worden aangescherpt voor de rijksoverheid.
Wat betreft de Verenigde Staten gebruikt de Nederlandse overheid het EU-US Data Privacy Framework (DPF) (sinds 10 juli 2023) als wettelijke basis voor het veilig doorgeven van persoonsgegevens naar gecertificeerde Amerikaanse organisaties. Voor een nadere toelichting op doorgifte op basis van het EU-US Data Privacy Framework verwijs ik gaarne naar de Kamerbrief d.d. 17 maart 2025 van de Staatssecretaris van BZK.4
Vormen standaardisatie, uniforme metadata en vergaande automatisering bij informatiebeheer geen voorwaarde voor een realistische naleving van de nieuwe Archiefwet?
Ja. Wat betreft standaardisatie en gebruik van uniforme metadata is om die reden in het wetsvoorstel de bevoegdheid opgenomen voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om normen vast te stellen die de eenheid, de kwaliteit of de doelmatigheid van de duurzame toegankelijkheid van documenten bevorderen. Deze normen zijn een aanvulling op de nadere regels in het concept-Archiefbesluit en de concept-Archiefregeling. Deze bevoegdheid kan worden gemandateerd aan de rijksarchivaris. De vaststelling van deze normen gebeurt in overeenstemming met de Minister van BZK5, en ook de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed wordt hierbij betrokken. Daarnaast ontwikkelen CIO-Rijk en het Nationaal Archief instructies en handreikingen. De normen, instructies en handreikingen komen tot stand met de benodigde expertise en bieden richting aan de uitvoering van de Archiefwet.
Wat betreft de automatisering van het informatiebeheer geldt het uitgangspunt dat overheidsorganen zelf verantwoordelijk zijn voor het goed beheren van hun documenten. Hierbij wordt steeds meer geautomatiseerd om de uitdagingen in het digitale informatiebeheer het hoofd te bieden, bijvoorbeeld door te werken aan automatische emailclassificatie. Hetzelfde geldt voor archiefdiensten die bijvoorbeeld werken aan het automatiseren van het maken van indexen die fungeren als toegang op overgebracht archief die het handmatig en tijdsintensief inventariseren en schrijven van deze indexen kan vervangen.6
Bent u bereid om informatiebeheer onderdeel te maken van digitale systemen zelf, met vereenvoudigde categorieën, verplichte standaarden en automatische toepassing van bewaartermijnen en tegelijkertijd expliciete keuzes maken over digitale soevereiniteit en de mate van afhankelijkheid van externe infrastructuur voor de meest kritieke informatie? Zo ja, hoe gaat u dit gestalte geven? Zo nee, waarom niet?
Deels. Zoals ik eerder bij antwoord 6 aangaf zijn overheidsorganen zelf verantwoordelijk voor het goed beheren van hun documenten. De eisen uit de nieuwe Archiefwet verplichten overheidsorganisaties echter wel om informatiebeheer onderdeel te maken van hun digitale systemen. De toezichthouders zien vervolgens toe op naleving. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed werkt momenteel aan een herziening van haar sanctiebeleid om onder andere de op basis van de nieuwe Archiefwet te introduceren bestuurlijke boete daarin op te nemen. Ook introduceert de nieuwe Archiefwet een verplichting om incidenten te melden bij de Inspectie.
Ik ondersteun de uitvoering van de Archiefwet door de vernieuwingen wat betreft waardering en selectie een speerpunt te maken bij de implementatie van de nieuwe Archiefwet. Zo is de nieuwe Archiefwet beter toegerust op waardering volgens de zogeheten sleutelfunctiemethodiek die geschikt is om op een eenvoudige, heldere en te automatiseren manier te bepalen welke e-mails en chatberichten tijdelijk te bewaren zijn en welke blijvend. Daarnaast krijgt de rijksarchivaris op basis van het concept-Archiefbesluit de bevoegdheid om modelselectiebesluiten vast te stellen om eenheid in de waardering van overheidsinformatie te bevorderen. Voor de vragen over digitale soevereiniteit verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Tot slot hecht ik er aan te benadrukken dat met het invoeren van het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. niet alle problemen in de informatiehuishouding bij de overheid zullen zijn opgelost. Dat vraagt langdurige inzet zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 uiteengezet heb en zoals ook in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is toegelicht.7 De nieuwe Archiefwet is daarbij wel een significante stap in de goede richting die op korte termijn gezet kan worden.
Het bericht 'Ook sportclubs openen jacht op gulle gever' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook sportclubs openen jacht op gulle gever»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een sportvereniging evengoed een goede bestemming is voor een gift als een gift aan een Goed Doel of culturele instelling?
Ja, sportverenigingen zijn een goede bestemming voor een gift. Zij brengen mensen samen, bevorderen de gezondheid en versterken de sociale cohesie van de samenleving.
Hoe duidt u dat sportverenigingen ondanks de grote geefbereidheid onder Nederlandse huishoudens nauwelijks van die geefbereidheid profiteren?
De Staatssecretaris van Financiën en ik herkennen dit beeld. Dit vloeit voort uit de voorkeur die gevers voor een maatschappelijk thema hebben. Uit het onderzoek Geven in Nederland 2024 blijkt dat elke geefbron zijn eigen voorkeur voor een maatschappelijk terrein heeft. Zo geven huishoudens relatief veel aan religie en levensbeschouwing, gezondheid en internationale hulp en bedrijven relatief veel aan sport en recreatie.2 Van het totaalbedrag € 485 miljoen aan giften aan sport en recreatie in 2022 was € 354 miljoen afkomstig van bedrijven en € 42 miljoen afkomstig van huishoudens en € 90 miljoen afkomstig van andere bronnen.3 Daarnaast kan worden gewezen op vrijwilligers – een bijdrage in tijd van huishoudens – die belangrijk zijn voor onder meer sportverenigingen.
Deelt u de mening dat hogere giftinkomsten van sportverenigingen een bijdrage kunnen leveren aan het kabinetsdoel om te bouwen aan de gezondste generatie ooit?
Sportverenigingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het realiseren van de gezondste generatie ooit. Meer financiële middelen stellen verenigingen in staat om meer en kwalitatief beter sportaanbod te organiseren. Hogere giftinkomsten zouden hier een bijdrage aan kunnen leveren.
Kunt u reflecteren op de vraag of het hebben van een ANBI-status en de daarmee samenhangende regeling waardoor een gewone gift aan een ANBI-instelling in tegenstelling tot een gewone gift aan een sportvereniging bij de inkomstenbelasting aftrekbaar is, bevorderlijk is voor het ontvangen van giften uit de samenleving?
Het doel van de giftenaftrek is het bevorderen van schenkingen aan instellingen die bijdragen aan het algemeen nut. Een gift komt in beginsel in aanmerking voor de giftenaftrek als deze is gedaan aan een ANBI of een steunstichting sociaal belang behartigende instelling (steunstichting SBBI). Verenigingen, zoals sportverenigingen, muziekverenigingen en buurtverenigingen, zijn doorgaans geen ANBI, omdat zij in eerste instantie het eigen, particuliere belang van de leden van die vereniging behartigen. Het ontbreken van de ANBI-status staat er echter niet aan in de weg een aftrekbare gift te doen aan een vereniging: periodieke giften aan verenigingen zijn namelijk wel aftrekbaar.
Beschikt u over cijfers over het gebruik van de regeling waarmee periodieke giften aan verenigingen en in het bijzonder sportverenigingen aftrekbaar zijn in de aangifte inkomstenbelasting, en zo ja, kunt u cijfers delen over het gebruik van de regeling voor periodieke giften aan verenigingen in de afgelopen vijf jaar, met daarin een uitsplitsing naar sportverenigingen?
Onderstaand vindt u de gegevens uit belastingaangiften over de jaren 2019 tot en met 2023 van periodieke giften die aan verenigingen, dus geen (culturele) ANBI’s, zijn gedaan (links). Rechts staan de aantallen en bedragen van deze giften die specifiek aan sportverenigingen zijn gedaan. Uit de tabel blijkt dat in 2023 in totaal € 38,5 miljoen periodieke giften aan verenigingen is aangegeven, waarvan € 4,3 miljoen periodieke giften aan sportverenigingen.
Totaal aan periodieke giften aan verenigingen
Totaal aan periodieke giften aan sportverenigingen
Jaar
Aantal
Bedrag
Aantal
Bedrag
2019
23.500
€ 17.200.000
5.900
€ 5.100.000
2020
19.300
€ 21.300.000
5.500
€ 4.900.000
2021
18.600
€ 27.300.000
5.300
€ 4.900.000
2022
18.500
€ 42.700.000
5.200
€ 4.500.000
2023
19.700
€ 38.500.000
5.000
€ 4.300.000
Er zijn overigens ook ANBI’s die sporten stimuleren, zoals NOC*NSF en het Nationaal Fonds voor de Sport. Deze zitten niet in deze gegevens.
Kunt u reflecteren op de vraag of een periodieke gift en de daarmee samenhangende voorwaarden zoals het laten opmaken van een overeenkomst en het vastleggen van een termijn van vijf jaar voor potentiële giftgevers als een drempel wordt ervaren, en zo ja, ziet u mogelijkheden om deze drempel te verlagen?
Het opmaken van een overeenkomst voor het doen van een periodieke gift aan een vereniging is sinds 2014 versimpeld, doordat sindsdien voor een periodieke gift geen notariële akte meer is vereist. Tegenwoordig kan worden volstaan met een onderhandse akte, die te downloaden is vanaf de website van de Belastingdienst.4 Het vastleggen van een termijn van minstens vijf jaar is onzes inziens gelet op het aantal gedane periodieke giften geen onoverkomelijke drempel en deze termijn geeft ANBI’s en verenigingen ook duidelijkheid over de verwachte inkomsten op de lange termijn. Dit maakt hen toekomstbestendiger.
Welke mogelijkheden ziet u om het geven aan sportverenigingen fiscaal aantrekkelijker te maken?
Een uitbreiding van de giftenaftrek met eenmalige giften aan verenigingen is niet in lijn met de ambitie van het kabinet om het belastingstelsel te vereenvoudigen. Daarnaast kent zo’n uitbreiding vele bezwaren zoals de voormalige Staatssecretaris van Financiën reeds heeft toegelicht.5 Zo zou een uitbreiding van de faciliteit leiden tot een aanzienlijke budgettaire derving en een toename van de uitvoeringslasten. Het is daarnaast aannemelijk dat degenen die al een periodieke gift aan hun vereniging doen, dat ook zullen blijven doen aangezien het fiscale voordeel van een periodieke gift ten opzichte van een gewone giften groter is. In tegenstelling tot een periodieke gift is voor de aftrekbaarheid van een eenmalige gift van belang dat de drempel van 1% van het verzamelinkomen met een minimum van € 60 wordt overschreden. Het maximum bedraagt 10% van het verzamelinkomen. Voor de aftrek van periodieke giften geldt geen drempel maar uitsluitend een maximum van € 1,5 miljoen per jaar (2026).
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de sportbonden, de bewustwording onder Nederlandse huishoudens over de mogelijkheid om te schenken aan sportverenigingen te verbeteren?
In 2021 is op initiatief van de sportbonden en NOC*NSF het Nationaal Fonds voor de Sport opgericht, met steun van het VSBfonds en steunbetuiging van het Ministerie van VWS. Dit fonds heeft een ANBI-status en biedt diverse geefvormen, zoals een eenmalige of periodieke gift, een nalatenschap of een eigen Fonds op Naam. Daarmee is voor gevers die sport een warm hart toedragen al een
toegankelijk loket beschikbaar. Langs die weg kan ook samen met deze partners de bewustwording over de mogelijkheden om aan sport te geven verder worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om vanuit de Rijksoverheid, bijvoorbeeld op de webpagina van de Belastingdienst, meer aandacht te besteden aan de mogelijkheid tot schenken aan een sportvereniging?
Goede en vindbare informatie helpt om aandacht te geven aan de bestaande mogelijkheden om onder voorwaarden aan een sportvereniging te schenken of na te laten. Op de website van de Belastingdienst zijn reeds de fiscale voorwaarden voor het doen van een gift aan een vereniging te vinden.6 Ook heeft de Belastingdienst bijvoorbeeld op de eigen webpagina een verwijzing opgenomen naar het Stichtingen en Verenigingen Loket. Op deze webpagina worden vragen beantwoord over stichtingen en verenigingen en belastingzaken. Deze beschikbare informatie kan ook door sportverenigingen of -koepels worden gebruikt voor het vergroten van de bekendheid over de mogelijkheden tot schenken.
Bent u bekend met het artikel «Opinie: «Laat de ondernemer scoren tijdens het WK voetbal»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tweede Kamer wil NOS verbieden geld te vragen voor uitzenden WK-duels Oranje in cafés en op pleinen»?2
Ja.
Deelt u de mening dat een groot sporttoernooi als het wereldkampioenschap (WK) voetbal het land bijeen brengt en dat het daarom belangrijk is dat er ruimte wordt geboden voor de beleving van zo’n toernooi?
Ja, ik deel deze mening. Het WK-voetbal is een mooie gelegenheid om mensen te verbinden en gezamenlijke herinneringen te creëren. Het is belangrijk dat dit voor iedereen toegankelijk en beleefbaar is.
Beaamt u dat het bieden van ruimte aan festiviteiten rondom sporttoernooien, zoals het aankomend WK-voetbal, de veiligheid kan vergroten, doordat supporters niet halverwege de wedstrijd gefrustreerd naar buiten worden gestuurd en er juist spreiding ontstaat bij het verlaten van cafés en evenementen?
Het is aan het lokaal bestuur om de openbare orde en veiligheid rondom grote evenementen en sporttoernooien in goede banen te leiden. En daarbij puttend uit eerder opgedane ervaringen. Georganiseerde festiviteiten en pragmatische keuzes in sluitingstijden voor horeca kunnen bijdragen aan een geordend verloop van grote evenementen en sporttoernooien, maar ook de bron zijn van onrust. Dit kan per situatie en locatie verschillen. Het lokaal bestuur zal altijd, samen met de politie, de handhaving van de openbare orde bij de vergunningverlening bij grote evenementen en sporttoernooien, zoals een WK voetbal, betrekken en zo nodig de openbare orde handhaven.
Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat aankomend WK-voetbal de leeuw niet in zijn hempje staat door ervoor te pleiten de openingstijden voor (horeca- en evenementen)ondernemers te verruimen als het Nederlands elftal speelt, bijvoorbeeld via de Vereniging Nederlandse Gemeenten of het samenwerkingsverband van grootte gemeenten (G40)?
De regulering van openingstijden is een verantwoordelijkheid die bij het lokaal bestuur berust. Het is aan gemeenten om, in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen en hun eigen lokaal beleid, passende afwegingen te maken.
Deelt u de mening dat het moeilijk uitlegbaar is dat er door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van programma’s die al met belastinggeld zijn verkregen of gemaakt?
De Mediawet 2008 kent het zogenoemde dienstbaarheidsverbod. Op grond hiervan is het voor publieke omroepen verboden om bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst of een concurrentievoordeel door commerciële partijen. Het dienstbaarheidsverbod is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van de staatssteunzaak over de financiering van de NPO aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.3 Commerciële exploitatie van (sport)uitzendingen kan daarom niet kosteloos plaatsvinden. Voor vertoningen buiten de huiselijke kring moet een marktconforme vergoeding gevraagd worden. Daarnaast geeft de NOS aan dat in het contract met de FIFA staat dat voor vertoningen van WK-wedstrijden buiten de huiselijke kring een vergoeding gevraagd moet worden.
De vertoning van wedstrijden komt neer op openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermd werk waarvoor Videma (de collectieve beheersorganisatie voor vertoningsrechten) de licentieverlening verzorgt namens rechthebbenden – in dit geval de NOS. De tarieven hiervoor zijn transparant en eenvoudig terug te vinden op de website van Videma. Voor het vertonen van wedstrijden in een publieke setting, zoals in cafés en op pleinen, gelden sinds het EK van 2024 aanzienlijk verlaagde tarieven. Deze verlaagde tarieven gelden in principe voor alle evenementmatige vertoningen buiten de huiselijke kring, behalve bij evenementenlocaties waar entree wordt gevraagd, bijvoorbeeld op een festival of in een stadion. In die situaties geldt het standaard evenemententarief.
Overigens hebben veel reguliere horecaondernemingen voor het vertonen van het WK-voetbal voldoende aan een zogenoemde doelgroeplicentie. Met deze licentie mogen ondernemers het hele jaar door televisiebeelden tonen van diverse omroepen waaronder ook alle wedstrijden van het WK-voetbal. Een onderneming tot bijvoorbeeld 50m2 horeca-oppervlakte betaalt hiervoor (bij eigen aanmelding) € 247,34 excl. BTW per jaar.
Snapt u de verontwaardiging dat er in Nederland door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van het EK- of WK-voetbal, terwijl dit in onze buurlanden (nagenoeg) gratis is?
Alle WK-wedstrijden blijven voor iedereen gratis te bekijken via de publieke omroep, zowel op televisie als online. De bijdrage geldt, vanwege het hiervoor geschetste juridische kader alleen voor publieke vertoningen buiten de huiselijke kring zoals in horecagelegenheden, op pleinen of bij evenementen. Dergelijke vertoningen worden vaak georganiseerd door ondernemers omdat zij daarmee extra inkomsten kunnen genereren. In die gevallen wordt een marktconforme vergoeding gevraagd. Daarmee wijkt Nederland niet af. Het kijken buiten huiselijke kring is in onze buurlanden vaak ook niet gratis. Ook daar geldt dat er een bijdrage kan worden gevraagd voor evenementmatige vertoning van WK-wedstrijden.
Onderschrijft u de mening dat het belasten van het uitzenden van een sporttoernooi als het aanstaand WK-voetbal, ondernemers ontmoedigt hun nek uit te steken om leuke activiteiten rondom zo’n toernooi te organiseren, temeer omdat ondernemers óók voor de uitzendrechten moeten betalen als het regent en er dus veel minder bezoekers komen opdagen om de kosten terug te winnen?
(Horeca-)ondernemers hebben vele overwegingen om al dan niet activiteiten te organiseren rondom sporttoernooien of andere grote evenementen. Dat het daarbij slecht weer kan zijn is een van deze overwegingen. Of de kosten van een evenementenlicentie ondernemers ontmoedigt om activiteiten rondom het WK-voetbal te organiseren, is lastig te beoordelen. Er zijn immers ook allerlei andere kosten zoals de inkoop van bier of de inhuur van personeel en technische faciliteiten die bij slecht weer wellicht niet terugverdiend kunnen worden. Tegelijkertijd is het aannemelijk dat veel ondernemers, ondanks deze kosten en risico’s, toch besluiten activiteiten te organiseren wanneer zij daar voldoende vraag of omzetkansen zien.
Bent u bereid zo snel mogelijk met de NOS en eventueel andere relevante partijen in gesprek te treden met als doel de kosten voor het uitzenden van programma’s waar al belastinggeld mee gemoeid is, zoals het aanstaand WK-voetbal, blijvend af te schaffen?
Zie het antwoord op vraag 6. Dat er een vergoeding betaald moet worden als WK-wedstrijden commercieel door derden geëxploiteerd worden, volgt onder meer uit de Mediawet 2008 en de Europese staatssteunregels, alsmede uit contractuele afspraken met de FIFA.
Onderneemt u, bovenstaande buiten beschouwing gelaten, nog andere maatregelen om te voorkomen dat het midden- en kleinbedrijf aankomend WK-voetbal buitenspel staat en Oranjesupporters juist optimaal kunnen genieten?
Nee. Er worden momenteel geen aanvullende maatregelen genomen.
Kunt u bovenstaande vragen, gezien de aanstaande start van het WK-voetbal, zo snel mogelijk en tenminste binnen de geldende beantwoordingstermijn beantwoorden?
Nee. Gelet op de benodigde tijd voor nadere interdepartementale afstemming was het niet mogelijk om binnen de gebruikelijke termijn van antwoorden te voorzien. Conform de procedure is hiervoor reeds een uitstelbrief verzonden.
Door de politie georganiseerde iftarbijeenkomsten |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichten en op sociale media verspreide video’s waaruit blijkt dat op verschillende locaties iftarbijeenkomsten zijn georganiseerd of gefaciliteerd door de politie, onder meer in of bij politiebureaus, waarbij ook de islamitische gebedsoproep (azan) te horen is?
Klopt het dat er op of bij meerdere politiebureaus iftarbijeenkomsten hebben plaatsgevonden die door of met medewerking van de politie zijn georganiseerd of gefaciliteerd? Zo ja, om welke locaties, data en gelegenheden ging het?
Klopt het dat in het in de video getoonde geval sprake was van een iftarbijeenkomst waarbij de azan werd voorgedragen in aanwezigheid van politieagenten in uniform? Zo ja, wie was verantwoordelijk voor de organisatie en op basis van welke overwegingen is besloten deze bijeenkomst te houden?
Acht u het passend dat in of bij politiebureaus expliciete religieuze uitingen of rituelen plaatsvinden die behoren tot één specifieke godsdienst, terwijl de politie een neutrale vertegenwoordiger van de rechtsstaat behoort te zijn?
Zijn er binnen de politie richtlijnen of protocollen voor het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarmaaltijden, gebedsmomenten of andere religieuze activiteiten, in politiegebouwen of tijdens politiegerelateerde evenementen? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Worden bij dergelijke bijeenkomsten politiecapaciteit, werktijd, faciliteiten of andere publieke middelen ingezet? Zo ja, kunt u inzicht geven in de aard en omvang van deze inzet?
Zijn er ook voorbeelden bekend waarbij andere religieuze tradities – zoals christelijke, joodse of andere religieuze bijeenkomsten of rituelen – op vergelijkbare wijze door of met medewerking van de politie in politiegebouwen zijn georganiseerd of gefaciliteerd?
Hoe verhoudt het faciliteren van expliciet religieuze activiteiten zich volgens u tot de vereiste neutraliteit van de politie als overheidsinstelling?
Deelt u de zorg dat het faciliteren van expliciet religieuze activiteiten door de politie het beeld kan wekken dat de politie zich met een specifieke religie identificeert, en dat dit het vertrouwen in de neutraliteit en onpartijdigheid van de politie bij delen van de samenleving kan ondermijnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Acht u het wenselijk dat politieagenten in uniform aanwezig zijn bij of deelnemen aan religieuze rituelen of oproepen, zoals het voordragen van de azan, in de context van een door of met medewerking van de politie georganiseerde bijeenkomst?
Bent u bereid te bezien of nadere richtlijnen nodig zijn om te waarborgen dat politiegebouwen en politieactiviteiten een levensbeschouwelijk neutraal karakter behouden?
Is er bekend in hoeverre er onder politieagenten draagvlak bestaat voor het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarbijeenkomsten, in of bij politiebureaus? Zo ja, wat zijn de uitkomsten daarvan?
Hoe wordt binnen de politie omgegaan met politieagenten die zich levensbeschouwelijk neutraal willen opstellen en daarom niet willen deelnemen aan religieuze bijeenkomsten of rituelen, zoals iftarbijeenkomsten of het bijwonen van religieuze oproepen? Wordt het weigeren van deelname formeel en informeel volledig geaccepteerd?
Kunt u aangeven of er binnen de politie signalen, meldingen of klachten bekend zijn van politieagenten die zich onder druk gezet, ongemakkelijk of bezwaard hebben gevoeld door het organiseren van religieuze bijeenkomsten in of bij politiebureaus?
Zijn er binnen de politie interne discussies, spanningen, ergernissen of vormen van weerstand bekend onder medewerkers met betrekking tot het organiseren of faciliteren van religieuze bijeenkomsten, zoals iftarbijeenkomsten, door of met medewerking van de politie?
Het uitsluiten van Joodse organisaties bij onderzoek naar Joods vastgoed in Rijswijk |
|
Gidi Markuszower (PVV), Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de gemeente Rijswijk ervoor heeft gekozen om het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Irgoen Olei Holland niet te informeren over een onderzoek naar Joods vastgoed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, omdat deze media volgens de gemeente een bepaalde «kleuring» zouden geven aan het conflict in Gaza?1
Deelt u de mening dat het uiterst kwalijk is als een gemeente besluit Joodse media en organisaties uit te sluiten van communicatie over een onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie en dat dit op zijn minst de schijn wekt van discriminatie op grond van politieke gezindheid, afkomst of religie?
In algemene zin staat buiten kijf dat het uitsluiten van Joodse media en organisaties vanwege hun geloof of afkomst onacceptabel is. Het doen van onderzoek, naar welk onderwerp dan ook, speelt een belangrijke rol bij het verrijken van kennis en ontwikkelingen in de samenleving. Wanneer een gemeente onderzoek doet of laat uitvoeren betreft dit een lokale aangelegenheid. De gemeentelijke autonomie maakt dat gemeentebesturen een eigen bevoegdheid hebben. Hierbinnen kunnen zij ook zelf onderzoek verrichten en hier beleidskeuzes op baseren. Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven aan de wijze waarop een gemeente in een concreet geval optreedt in het kader van een onderzoek. Het is aan de gemeenteraad om haar college van burgemeester en wethouders ter verantwoording te roepen wanneer zij dat nodig acht.
Hoe beoordeelt u het feit dat het college van burgemeester en wethouders hiermee inging tegen het advies van zowel de onderzoeker als de begeleidingscommissie, die aangaf dat het uitsluiten van deze media de onafhankelijkheid en kwaliteit van het onderzoek kon schaden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat communicatie over onderzoek naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog afhankelijk wordt gemaakt van de politieke opvattingen die een gemeente toeschrijft aan bepaalde Joodse media of organisaties?
In het algemeen ben ik het met u eens dat Joodse media of organisaties niet op basis van hun politieke opvattingen uitgesloten zouden moeten worden bij onderzoeken naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog.
Hoe verhoudt de handelwijze van de gemeente Rijswijk zich volgens u tot artikel 1 van de Grondwet, waarin expliciet is vastgelegd dat discriminatie op grond van onder meer politieke gezindheid niet is toegestaan?
Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven over de handelwijze van het gemeentebestuur van Rijswijk. Wanneer er een vermoeden is van het overtreden van artikel 1 van de Grondwet, kan de rechter daar desgevraagd een oordeel over uitspreken.
Deelt u de zorgen dat door deze beslissing mogelijk relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden nooit zijn bereikt, waardoor het onderzoek naar Joods vastgoed mogelijk onvolledig is gebleven?
Het is niet aan mij om over een specifiek geval een opvatting te hebben. Wel kan ik het mij voorstellen dat er in dit geval een zorg bestaat dat mogelijk niet alle relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden zijn bereikt in dit onderzoek. Echter, ik wil en kan niet oordelen of het onderzoek van de gemeente Rijswijk daarmee als onvolledig kan worden gezien.
Bent u bereid te onderzoeken of de handelwijze van de gemeente Rijswijk in strijd is met het discriminatieverbod en met de zorgvuldigheid die van een overheid mag worden verwacht bij onderzoek naar onteigend Joods bezit?
Nee. De Nationale ombudsman is in beginsel bevoegd om klachten over de gedraging van – in dit geval – de gemeente Rijswijk te onderzoeken en hierover te oordelen. Met de komst van de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling – naar zogenaamd eenzijdig overheidshandelen – wordt het in de toekomst voor het College voor de Rechten van de Mens ook mogelijk om over het handelen van de overheid te oordelen. Een wetgevingstraject hiervoor ben ik momenteel aan het voorbereiden.
Welke rol ziet u voor het Rijk om te waarborgen dat gemeenten bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie zorgvuldig, onafhankelijk en zonder politieke of ideologische afwegingen handelen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders haar verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen. Dit geldt ook bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie.
Deelt u de mening dat het bijzonder pijnlijk en ongepast is als juist bij onderzoek naar onrecht dat Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan opnieuw een situatie ontstaat waarin Joodse organisaties of media worden buitengesloten en dat dit bijdraagt aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Ik kan mij voorstellen dat er gevoelens van onvrede bestaan bij de Joodse organisaties die niet direct zijn betrokken bij het onderzoek van de gemeente Rijswijk. Echter, zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen.
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met de gemeente Rijswijk om opheldering te vragen over deze gang van zaken en de Kamer hierover te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht 'Onderzoek naar Amerikaanse cloud-risico’s door ministerie van overheidswebsite verwijderd' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Volkskrant-bericht «Onderzoek naar Amerikaanse cloud-risico’s door Ministerie van overheidswebsite verwijderd» (d.d. 5 maart 2026)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van experts dat de risico’s die overheden lopen door het gebruik van de nieuwe clouddienst van Amazon worden onderschat?
Het rapport beoogt een objectieve juridische beoordeling te geven van de juridische onderzoeksvragen die in het rapport geformuleerd zijn. Het onderzoek heeft samengevat de volgende bevindingen opgeleverd:
Bent u voornemens gebruik te maken van de nieuwe clouddienst van Amazon? Waarom wel of niet?
Zoals aangegeven in het coalitieakkoord is de inzet van het kabinet erop gericht om eenzijdige afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak. Vanuit deze inzet zullen ook nieuwe ontwikkelingen op de cloudmarkt overwogen worden.
Bent u bekend met de aangenomen motie van het lid Dassen (Kamerstuk 36 800, nr. 61) over het volledig overstappen op Europese, op open standaarden gebaseerde digitale alternatieven voor de digitale infrastructuur?2
Ja.
Hoe verhoudt het publiceren, en naar aanleiding van deskundige kritiek weer verwijderen, van dit rapport zich tot de aangenomen motie van het lid Dassen en de brede wens van de Kamer om grootschalig over te stappen naar Europese alternatieven?
Er is geen verband tussen de lopende uitvoering van de motie Dassen en het tijdelijk terugnemen van de publicatie van het rapport. De motie richt zich op het ontwikkelen van een routekaart voor het overstappen op Europese, open standaarden gebaseerde digitale alternatieven, terwijl het tijdelijk terugnemen van de publicatie van het rapport te maken heeft met onduidelijkheden in de interpretatie. Het begeleidende bericht is verduidelijkt en daarna opnieuw geplaatst. De inhoud van het rapport is geheel ongewijzigd.
Welke alternatieven zijn er al reeds om invulling te geven aan deze motie en hoe snel kunnen deze worden geïmplementeerd?
De motie roept op tot het ontwikkelen van een routekaart voor het overstappen op Europese, open standaarden gebaseerde digitale alternatieven. Deze is in ontwikkeling en zal uiterlijk in het laatste kwartaal van dit jaar aan de Kamer voorgelegd worden.
Hoe zou het eventueel aanschaffen van diensten van de nieuwe clouddienst van Amazon staan in relatie tot het coalitieakkoord, waarin staat dat het inkoopbeleid van de overheid gebruikt zal worden voor het aanjagen van Nederlandse en Europese ICT-industrie?
Zoals aangegeven in het coalitieakkoord is de inzet van het kabinet erop gericht om eenzijdige afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak.
Erkent u het risico voor onze digitale soevereiniteit als wij niet versneld overstappen op Europese alternatieven voor onze digitale infrastructuur? Waarom wel of niet?
Nederland en Europa zijn voor cruciale digitale infrastructuur sterk afhankelijk geworden van een klein aantal buitenlandse spelers. Dat maakt ons kwetsbaar in een wereld waarin technologie steeds vaker als geopolitiek machtsmiddel wordt ingezet. In algemene zin is de inzet van het kabinet erop gericht om het Europese aanbod van clouddiensten te vergroten en eenzijdige afhankelijkheden van partijen met een marktmacht en partijen uit derde landen af te bouwen.
Hier ziet het kabinet op in met verschillende beleidsinstrumenten zoals wetgeving (Dataverordening en de Digitalemarktenverordening) en innovatiebevordering (o.a. middels het IPCEI CIS). Het kabinet heeft als doel om bij digitale inkoop en aanbestedingen in het digitale domein te gaan standaardiseren en centraliseren, waarbij onder meer gestuurd wordt op waarden zoals security-by-design, zero-trust, soevereiniteit, open source en ketenveiligheid.
Kunt u deze vragen binnen een week en afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht dat een rapport over Amerikaanse clouddiensten is verwijderd |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Jantine Zwinkels (CDA), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Onderzoek naar Amerikaanse cloud-risico’s door Ministerie van overheidswebsite verwijderd» (De Volkskrant, 5 maart 2026)?
Ja.
Kunt u verklaren waarom het onderzoek naar de risico’s van de Amazon «European Sovereign Cloud» tijdelijk offline is gehaald?1
Vanwege onduidelijkheden in de interpretatie is de publicatie tijdelijk teruggenomen voor verduidelijking in het begeleidende bericht en daarna opnieuw geplaatst; de inhoud van het rapport is geheel ongewijzigd.
Wat is uw reactie op het rapport?
Het onderzoeksrapport dat SLM heeft laten opstellen door het advocatenkantoor Greenberg Traurig bevat een objectieve juridische beoordeling van de AWS ESC ten aanzien van de soevereiniteit op data en soevereiniteit op de beschikbaarheid van het systeem.
Het onderzoek heeft samengevat de volgende bevindingen opgeleverd:
De conclusie van Greenberg Traurig dat de AWS European Sovereign Cloud compatibel kan zijn met de visie digitale autonomie en soevereiniteit, heeft alleen betrekking op een deel van de eisen ten aanzien van Nederlandse of Europese jurisdictie, maar niet op de overige autonomie doelstellingen van de Visie.
Wat is het doel geweest van het onderzoek van GreenbergTraurig? Wat wordt er gedaan met de uitkomsten?
Binnen de scope en mandaat van SLM Microsoft, Google Cloud en AWS valt het onderzoeken van het aanbod van de genoemde partijen. Zo voert SLM onder meer Data Protection Impact Assessments (DPIA’s) uit op diensten van deze partijen.
Gezien het beschikbaar zijn van de AWS European Sovereign Cloud (AWS ESC) per 15–01 jl. is dit aanbod in opdracht van SLM onderzocht.
Het onderzoeksrapport dat SLM heeft laten opstellen door het advocatenkantoor Greenberg Traurig bevat een objectieve juridische beoordeling van de AWS ESC ten aanzien van de soevereiniteit op data en soevereiniteit op de beschikbaarheid van het systeem.
Een belangrijke disclaimer is dat dit geen technisch onderzoek is naar de doeltreffendheid van technische en/of organisatorische maatregelen van AWS. Ook betreft dit geen beleidsadvies of een compliance-beoordeling.
Hoe reageert u op de kritiek dat het rapport eenzijdig is geschreven? Ziet u aanleiding om de risico’s nader te onderzoeken?
Het rapport beoogt een objectieve juridische beoordeling te geven van de juridische onderzoeksvragen die in het rapport geformuleerd zijn.
Momenteel is er geen aanleiding om de risico’s nader te onderzoeken. Nu wordt prioriteit gegeven aan onderzoek en contractering van EU leveranciers (momenteel STACKITt, ESET en OVH).
Hoe leest u de conclusies van het rapport, waaruit blijkt dat de Amerikaanse overheid via de Amazon «European Sovereign Cloud» nog steeds toegang kan krijgen tot Nederlandse data?
Zie beantwoording vraag 3.
Kunt u bevestigen dat het afnemen van de Amazon «European Sovereign Cloud» en soortgelijke initiatieven van Amerikaanse techgiganten niet bijdraagt aan het digitaal autonoom maken van Nederland? Wordt het afbouwen van het gebruik hiervan onderdeel van het kabinetsbeleid?
Zie antwoord op vraag 3 (voor eerste deelvraag).
Het kabinetsbeleid is er, middels de Nederlandse Digitalisering Strategie (NDS), op gericht een soevereine overheidscloud te realiseren, waar mogelijk en passend in samenwerking met de Nederlandse of Europese IT industrie.
In algemene zin is de inzet van het kabinet erop gericht om eenzijdige afhankelijkheden van derde landen af te bouwen en zoveel mogelijk te diversifiëren, ook op digitaal vlak.
Hebben ministeries, uitvoeringsorganisaties, zbo’s of andere overheidsdiensten reeds plannen om gebruik te maken van de Amazon «European Sovereign Cloud» of soortgelijke initiatieven? Zo ja, kunt u een overzicht geven van organisaties die van plan zijn om de dienst af te nemen of dit al hebben gedaan?
Overheidsorganisaties zijn verantwoordelijk voor hun eigen gebruik van clouddiensten. Op dit moment is mij niet bekend of er overheidsorganisaties voornemens zijn deze clouddienst te gaan gebruiken.
Zijn er nog andere risicoanalyses of onderzoeken uitgevoerd naar de gevolgen voor de digitale autonomie bij het afnemen van de Amazon «Sovereign European Cloud» of soortgelijke initiatieven? Zo ja, kunt u deze aan de Kamer doen toekomen?
In samenwerking met een werkgroep van het CIO Platform Nederland, waaraan ook een aantal overheid CIO’s deelnemen, is er een inventarisatie gedaan naar een aantal cloud diensten die als «soevereine cloud» worden aangeboden.
Deze inventarisatie is nog niet afgerond en indien een rapport wordt opgesteld, kan het gedeeld worden met de Tweede Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Hoe moet het nu verder met het Fonds Podiumkunsten? ‘Het systeem is eigenlijk failliet’' |
|
Erik van der Maas (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe moet het nu verder met het Fonds Podiumkunsten (FPK)? «Het systeem is eigenlijk failliet»» waarin beschreven wordt dat Fonds Podiumkunsten voor de zevende keer een besluit tot het afwijzen van een subsidieaanvraag moet heroverwegen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter het Fonds Podiumkunsten herhaaldelijk heeft teruggefloten vanwege onzorgvuldige besluitvorming? Was u bekend met eerdere fouten in de subsidieverstrekking door dit Fonds?
Juridische procedures naar aanleiding van de meerjarige besluiten van het fonds zijn niet ongebruikelijk, gelet op het belang dat die besluiten hebben voor organisaties. De juridische procedures die nu lopen hebben betrekking op de meerjarige besluiten voor de huidige subsidieperiode (2025–2028). In 2024 zijn er 273 subsidiebesluiten genomen voor de periode 2025–2028. Er zijn 13 organisaties die een beroep hebben ingediend.
Ik vind het goed dat subsidiebesluiten door de rechter kunnen worden getoetst. Het fonds is op de meeste beroepsgronden door de rechter in het gelijk gesteld, maar de rechter heeft ook geoordeeld dat de procedure op een aantal punten niet zorgvuldig genoeg was. Het fonds zal de lessen die volgen uit deze uitspraken meenemen bij het voorbereiden van de volgende subsidieperiode.
Zijn er naar uw weten naast het Fonds Podiumkunsten andere cultuurfondsen door een rechter op de vingers getikt? Zo ja, om welke fondsen ging het hier?
Er zijn naar mijn weten geen andere fondsen recentelijk door de rechter in het ongelijk gesteld in een procedure.
Deelt u de mening dat, mede gegeven om welke bedragen het gaat, besluiten over het verstrekken van subsidies door de cultuurfondsen transparant en ook stevig onderbouwd moeten zijn? Hoe kan het dat dit bij het Fonds Podiumkunsten nu al meermaals onvoldoende is gebleken?
Ja, ik deel die mening. Zoals ook geantwoord onder vraag 2, is het goed dat de rechter de besluiten van het Fonds Podiumkunsten toetst. Tijdens de betreffende beroepszaken werden meerdere beroepsgronden aangevoerd. Het Fonds Podiumkunsten is op de meeste beroepsgronden in het gelijk gesteld, maar ook is geoordeeld dat de procedure op een aantal punten niet zorgvuldig genoeg is. Het Fonds heeft aangegeven gevolg te geven aan de uitspraken.
Bent u naar aanleiding van deze of eerdere onzorgvuldige besluitvorming in gesprek met het Fonds Podiumkunsten? Zo ja, wat is daarbij uw inzet? Zo nee, bent u dat van plan?
Het fonds is als zelfstandig bestuursorgaan zelf verantwoordelijk voor zijn subsidiebesluiten en de juridische afwikkeling daarvan. Daar meng ik mij niet in. Wel ben ik met het fonds in gesprek over de geconstateerde gebreken en de beheersmaatregelen die getroffen moeten worden.
Ik zie dat er sprake is van zeer hoge druk op de meerjarige productieregeling van het fonds. Het fonds moest 146 aanvragen afwijzen, bijna drie keer zoveel als in de periode hiervoor. 59 aanvragers met een positief advies konden niet worden gehonoreerd wegens onvoldoende budget. Daarnaast kreeg regionale spreiding in de regeling een groter belang, waardoor met name in Amsterdam een aantal bekende instellingen een afwijzing heeft gekregen ten faveure van instellingen buiten de Randstad.
Door de hoge druk op het subsidiebudget en het aantal daarmee gemoeide afwijzingen en de nadruk op spreiding in de regeling maken dat er voor meer instellingen aanleiding was om de subsidiebesluiten juridisch te laten toetsen.
Bij het voorbereiden van de volgende subsidieperiode zullen de lessen uit deze periode en de uitspraken van de rechter meegenomen worden.
Hoe beoordeelt u de schijn van belangenverstrengeling binnen de adviescommissies die aanvragen beoordelen? Hoe wordt een dergelijke eventuele belangenverstrengeling voorkomen?
Het voorkomen van belangenverstrengeling is beleid van het fonds. Zij hanteert een protocol dat commissieleden dienden te ondertekenen om de schijn van belangenverstrengeling of vooringenomenheid te voorkomen.
Of er in een concreet geval sprake is van de schijn van belangenverstrengeling is aan de rechter. Bij de recente uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen schijn van belangenverstrengeling is binnen een specifieke adviescommissie. Hierin wijkt de rechtbank af van de recente uitspraken van de rechtbank Amsterdam met betrekking tot dezelfde adviescommissie.
Hoe beoordeelt u de resultaten van de vrij recent ingevoerde «ontschotting» waarbij adviseurs vanuit verschillende disciplines een beoordeling maken? Ziet u kansen om dit beter vorm te geven?
Het fonds is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van zijn beoordelingsprocedure, de besluiten en de afwikkeling daarvan.
Vindt u dat beoordelingsprocedures op dit moment voldoende transparant zijn? Zo nee, wat gaat u doen om deze procedures transparanter te maken?
Uit de uitspraken van de rechter is gebleken dat de beoordelingsprocedures transparanter dienen te zijn. Zoals ook in vraag 2 aangegeven zullen de lessen die uit deze uitspraken volgen worden meegenomen in het voorbereiden van de volgende subsidieperiode.
Bent u van mening dat het huidige systeem van subsidieverstrekking leidt tot hoge administratieve lasten? Zo ja, wat gaat u doen om de bestaande regeldruk te verminderen?
Ik onderken dat er ruimte is om administratieve lasten te verlagen. De komende tijd ga ik in gesprek met medeoverheden en rijkscultuurfondsen om te onderzoeken hoe de subsidieprocessen van cultuursubsidies bij verschillende overheden geharmoniseerd kunnen worden en de regeldruk verminderd kan worden in de nieuwe beleidsperiode.
Hoe duidt u de kritiek op de overmatige bureaucratie in het aanvragen van subsidies waarbij instellingen maanden bezig zijn met het doen van een aanvraag en sommigen daar soms zelfs iemand voor moeten inhuren? Hoe beoordeelt u de stelling dat het systeem «failliet» zou zijn?
Ik ben niet van mening dat het systeem failliet is. Wel zie ik dat het subsidiesysteem zoals we dat nu kennen toe is aan een herziening. De Raad voor Cultuur bracht in 2024 het advies «Toegang tot cultuur» uit, waarin ook aanbevelingen worden gedaan over de aanvraag- en beoordelingsprocedures en de administratieve lasten die daarmee gepaard gaan. Tegelijk is de wijze waarop we cultuursubsidies verdelen in Nederland, met onafhankelijke beoordelingen en een hoge mate van transparantie, ook een groot goed. Minister Bruins heeft in een Kamerbrief aangegeven te kijken naar manieren om het bestel te vereenvoudigen en verbeteren2. In de volgende stappen richting de nieuwe subsidieperiode probeer ik waar mogelijk de administratieve lasten verder te verminderen.
Wanneer komt u richting de Kamer met de contouren rondom de herziening van de culturele basisinfrastructuur?
Na de zomer van 2026 informeer ik uw Kamer over de hoofdlijnen van het cultuurbestel vanaf 2029.
Het bericht ‘Nederland moet meer doen voor rechten van vrouwen, zeggen VN’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de kritiek van het VN-comité dat Nederland op dit moment onvoldoende doet om de rechten van vrouwen te beschermen?1
Het kabinet neemt de aansporing die volgt uit de concluding observations van het Committee on the Elimination of Discrimination against Women (CEDAW-comité) ter harte. Samen met de Ministers van SZW, JenV en VWS kom ik met een kabinetsreactie. En uiteraard zult u de aansporing terugzien in de Emancipatienota 2026.
Welke aansporingen uit het rapport ziet u als belangrijke prioriteiten voor de emancipatie-agenda van de komende tijd?
De concluding observations bevatten aanbevelingen op veel verschillende gebieden, waaronder veiligheid, gezondheid en economische onafhankelijkheid. Ik ga hierover met mijn collega’s in het kabinet en het maatschappelijk middenveld in gesprek. Concrete beleidsvoornemens leest u terug in de emancipatienota, die ik in september aan uw Kamer stuur.
Ziet u mogelijkheden om wetgeving te moderniseren door de structurele aard van geweld tegen vrouwen expliciet te erkennen en past dit binnen de uitvoering van het Nationaal Actieplan nu concreet wordt ingezet op de aanpak van femicide en vrouwenhaat?
Ja. Het kabinet ziet mogelijkheden om wetgeving verder te versterken als het gaat om het voorkomen en bestrijden van (seksueel) geweld tegen vrouwen. Voor de implementatie van de Europese richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn (EU) 2024/1385) wordt momenteel een wetswijziging voorbereid met zowel strafrechtelijke aanpassingen als wijzigingen in andere wetgeving, waaronder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Vanuit de EU-richtlijn geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld komt er ook een nationaal actieplan gericht op geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit zal in eerste aanleg vooral gaan om een beleidskader en beleidsacties die vertaald moeten worden naar concrete uitvoering.
Vindt u dat financiële zelfstandigheid van vrouwen een belangrijke prioriteit zou moeten zijn binnen het emancipatiebeleid en zou het wettelijk verankeren van de aanpak van «economisch geweld» of dit op een andere wijze opnemen in het emancipatiebeleid hierbij kunnen helpen?
Emancipatiebeleid gaat om veiligheid, gezondheid en financiële onafhankelijkheid. Dat leidt immers tot vrijheid en gelijkwaardigheid. Ook onderschrijft het kabinet het belang van het wettelijk verankeren van de aanpak van economisch geweld. Dit wordt meegenomen in het wetsvoorstel in het kader van de implementatie van de Europese richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Het gaat hierbij om het wijzigen van de begripsomschrijving van huiselijk geweld in artikel 1.1.1 van de WMO2015.
Welke stappen kan het kabinet samen met werkgevers zetten om, naast alle stappen die de komende tijd worden gezet om werken meer lonend te maken en kinderopvang bijna gratis te maken, te zorgen voor een moderne werkcultuur waarin ouderschapsverlof voor mannen de norm is?
Gelijkwaardige werk- en zorgverdeling tussen ouders is belangrijk om vrouwenemancipatie te bevorderen. De mate waarin verlof daaraan bijdraagt wordt momenteel geëvalueerd in opdracht van de Minister van SZW. De resultaten worden verwacht in de eerste helft van 2026 en zullen duidelijk maken of en hoe eventuele nadere aandacht voor normverandering op het werk noodzakelijk is. Hieraan zal ik ook aandacht besteden in de Emancipatienota.
Zijn er maatregelen denkbaar, naast de voorgenomen voortzetting van de aanpak «Samen Tegen Mensenhandel», om kwetsbare groepen beter uit handen te houden van uitbuiters en zo de zorgen in het rapport beter te adresseren?
Om kwetsbare groepen beter uit handen te houden van uitbuiters worden, naast de maatregelen uit het Actieplan Samen tegen Mensenhandel, verschillende maatregelen genomen.
Ten eerste wordt er ingezet op het benaderen van potentiële slachtoffers van criminele uitbuiting op verschillende social media platformen via online outreach. Daarnaast wordt ingezet op het programma «Preventie met gezag» waarmee het kabinet wil voorkomen dat kwetsbare minderjarigen de criminaliteit in gaan en daar steeds verder in verstrikt raken.
Ten tweede is er specifieke aandacht voor jonge asielzoekers. COA-medewerkers worden getraind in het herkennen van signalen van uitbuiting en in de COA-opvang is voor Alleenstaande Minderjarige Vluchtelingen (AMV) 24 uur per dag begeleiding aanwezig en geldt een meldplicht. Jonge asielzoekers van wie wordt vermoed dat zij slachtoffer van mensenhandel zijn, worden in de Beschermde Opvang geplaatst. Dit is een aparte opvanglocatie waar gewerkt wordt aan weerbaarheid en zelfredzaamheid.
Ten derde zijn er ook enkele maatregelen die buiten het Actieplan worden genomen en tot doel hebben kwetsbare groepen uit handen te houden van uitbuiters. Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat het Actieplan zich juist richt op kwetsbare groepen, zoals minderjarigen, en dat in dat kader ook veel maatregelen worden genomen.
Wat is de stand van zaken van de implementatie van de herziening van artikel 273f van het wetboek van strafrecht en in hoeverre kan deze hierbij helpen?
Het wetsvoorstel uitbreiding en modernisering strafbaarstelling mensenhandel (273f Sr) ligt op dit moment bij de Eerste Kamer. De tweede nota n.a.v. het verslag2 is op 26 maart 2026 met de Eerste Kamer gedeeld. De Eerste Kamer beslist op korte termijn hoe zij het wetsvoorstel wenst te behandelen. Met het wetsvoorstel wordt de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel effectiever gemaakt, waardoor de vervolging van daders én de bescherming van slachtoffers verbetert. Dit zorgt ervoor dat ook kwetsbare groepen beter worden beschermd tegen uitbuiters.
Welke stappen kunnen worden gezet in samenwerking met de regeringen van het Caribisch deel van het Koninkrijk om te zorgen dat vrouwenrechten daar overal op hetzelfde niveau worden beschermd, zodat de inzet voor gelijkwaardigheid overal in het Koninkrijk voelbaar is?
Via het samenwerkingsverband No Mas No More werken de verschillende regeringen van het Koninkrijk aan een gezamenlijke aanpak gericht op het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen in Caribisch Nederland en de landen van het Koninkrijk. Bij de uitwerking van de Emancipatienota bekijk ik ook eventuele andere mogelijkheden tot samenwerking met de andere landen van het Koninkrijk.
Hoe kunnen we de waardevolle en vaak onzichtbare rol van vrouwen op boerenbedrijven de erkenning geven die zij verdienen en op welke wijze past dit in de samenwerking met boerenorganisaties en de verduurzaming van de landbouwsector die het kabinet voorstaat?
De VN hebben 2026 uitgeroepen tot year of the female farmer. LVVN werkt aan het vergroten van kennis en bewustwording over de waardevolle en diverse bijdrage van vrouwen aan de landbouw. Daarbij werkt het departement nauw samen met vertegenwoordigende organisaties zoals LTO Vrouw en Bedrijf, en ondersteunt LVVN bijvoorbeeld het netwerk Vrouwen en Voedsel, dat jaarlijks een evenement organiseert rondom internationale vrouwendag.
Hoe gaat u borgen dat wetenschappelijke kennis over gender en intersectionaliteit een standaard onderdeel wordt van elk nieuw beleidstraject?
Er is Rijksbreed afgesproken om bij elk beleidstraject het Beleidskompas te doorlopen. De Kwaliteitseis Effecten op Gendergelijkheid maakt hier een verplicht onderdeel van uit. Bij alle departementen wordt er met regelmaat aandacht gevraagd voor het doorlopen van het Beleidskompas inclusief de Kwaliteitseis.
Ziet u mogelijkheden om de veiligheid van vrouwelijke politici te verhogen en hoe sluit dit aan bij de ambities waarbij wordt gewerkt aan de ondersteuning van vrouwelijke rolmodellen en initiatieven als «Vrouwen naar de top»?
Dit kabinet wil een gelijkwaardige positie van vrouwen in onder meer het bedrijfsleven en in het openbaar bestuur. Dit doet we onder andere met steun aan initiatieven voor meer vrouwen in de top. Ik verwijs daarvoor naar mijn brief van 4 maart jl. waarin ik uw Kamer informeer over de laatste stand van zaken over genderdiversiteit in de top van organisaties.3 Ook is het belangrijk dat politieke organisaties een veilige werkomgeving actief bevorderen. Het Ministerie van OCW financiert onder andere de alliantie Politica om meer vrouwen actief in de politiek te krijgen én te houden. Stichting Stem op een Vrouw – een van de alliantiepartners – heeft het initiatief genomen voor de ontwikkeling van het protocol «veilig online zichtbaar in de politiek», dat 3 maart jl. is gelanceerd. Het betreft een partij overstijgende aanpak gericht op het herkennen en tegengaan van (de impact van) online haat tegen politici.
Daarnaast ondersteunt het programma Weerbaar Bestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties politieke ambtsdragers in het decentraal bestuur die te maken krijgen met (online) agressie, zoals intimidatie en bedreiging. Ook zet het Ministerie van BZK zich in voor verbeteren van de positie van vrouwen en andere ondervertegenwoordigde groepen in het decentraal bestuur.
Vrouwelijk leiderschap zou vanzelfsprekend moeten zijn in ons land, zodat gelijkwaardige en evenwichtige vertegenwoordiging in alle lagen van de samenleving zichtbaar is, inclusief in het bedrijfsleven en de politiek. Vrouwelijke rolmodellen kunnen hierbij een stimulerende rol hebben.
Overwegende dat het onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) is gefinancierd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ISN Academie, een onderdeel van de Islamitische Stichting Nederland (ISN), de Nederlandse tak van Diyanet, het Turkse Presidium voor Godsdienstzaken, dat moskeeën beheert, imams opleidt en de politieke ideologie van de AKP-partij van president Recep Tayyip Erdogan uitdraagt, waarom is gekozen voor samenwerking met Diyanet? Graag een toelichting welke overwegingen en opvattingen daaraan ten grondslag liggen.1
In deze set Kamervragen worden vragen gesteld over twee onderzoeken. Het onderzoek van Regioplan en de Universiteit Utrecht is uitgevoerd naar aanleiding van het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme 20222 en het daaropvolgende amendement van het lid Van Baarle (DENK) van 13 oktober 2022, waarin is verzocht om een onafhankelijk nationaal onderzoek naar moslimdiscriminatie.3 Met dit onderzoek is de wens van uw Kamer uitgevoerd.
Het onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) van 10 februari 2026 en het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Regioplan en de Universiteit Utrecht van 31 januari 2025.
KIS ontvangt op basis van een vastgesteld werkplan jaarlijks een instellingssubsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Een onderdeel van dat werkplan is de uitvoering van het zogenoemde KIS-portaal, waar vraagstukken uit de samenleving aangaande integratie en samenleven gesteld kunnen worden en door KIS worden onderzocht. Deze vragen kunnen leiden tot zogenaamde portaalprojecten.
Het portaalproject-onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» is uitgevoerd naar aanleiding van vragen van vijf organisaties: ISN Academie, Stichting School & Veiligheid, SPIOR/K9, Collectief Jonge Moslims en Moslimstudenten Associatie Nederland. Eén van deze partijen heeft het onderzoek voor een deel mede gefinancierd, ISN Academie (zie ook vraag 5).
KIS is onafhankelijk en maakt eigen afwegingen. Bij navraag bij KIS naar de aard van de samenwerking met ISN Academie geeft KIS aan dat ISN Academie het onderzoek alleen mede gefinancierd heeft en geen inhoudelijke betrokkenheid heeft gehad bij het onderzoek. De uitvoering van het onderzoek lag bij KIS.
Na publicatie van het rapport is bekend geworden dat er een huwelijksverband bestaat tussen de hoofdonderzoeker van het onderzoek en de directeur van ISN Academie. Zoals ik uw Kamer reeds heb geïnformeerd, heb ik KIS gevraagd om een tweetal onderzoeken uit te laten voeren om dit goed uit te zoeken (een accountantsonderzoek en een onafhankelijke wetenschappelijke review) en waar nodig maatregelen te treffen.4
Volgens de wetenschapster Semiha Sözeri van de Universiteit Utrecht e.a. vormen de imams en de koranscholen van Diyanet een schild tegen wat als «assimilatiekrachten» in de Nederlandse samenleving wordt ervaren. Vindt u dat Diyanet in het licht van deze achtergrond een geschikte partner is om mee samen te werken in een onderzoek naar moslimdiscriminatie?
Onderzoek moet altijd onafhankelijk, transparant en boven iedere twijfel verheven zijn. Dat betekent dat zowel financiering als betrokkenheid van partners nooit de schijn van beïnvloeding mogen oproepen. In dit geval is die schijn wél ontstaan, en dat is onwenselijk.
De Islamitische Stichting Nederland (ISN) speelt voor veel mensen een religieuze en sociale rol. Tegelijkertijd is er al jaren een maatschappelijke discussie over de zorgen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding. Het ministerie heeft dit in het verleden ook besproken ten aanzien van de structuur van de betreffende organisatie.
Bij wetenschappelijk onderzoek is het essentieel dat de onafhankelijkheid en transparantie boven iedere twijfel zijn verheven. Juist om de uitkomsten van dergelijke onderzoeken niet te schaden te en waarborgen. In deze context vind ik de samenwerking met ISN geen verstandige keuze. Dit betekent overigens niet dat binnen andere context samenwerking met ISN is uitgesloten.
Het nieuwe kabinet werkt, zoals aangekondigd in de Voortgangsbrief van 2 maart 2026, aan een herijking van de koers en prioriteiten op het gebied van inburgering, integratie en samenlevingsvraagstukken, waaronder de samenwerking met maatschappelijke partners. Ik hoop uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk verder te kunnen informeren.
Overwegende dat de onderzoeken van Regioplan en de Universiteit Utrecht en van het Kennisplatform Inclusief Samenleven berusten op zeer bescheiden steekproeven (het gaat om respectievelijk 38 en 57 respondenten), en zijn aangevuld met een literatuurstudie, bent u van mening dat onderzoek met een dergelijke beperkte opzet de conclusie kan rechtvaardigen dat moslimdiscriminatie in Nederland een «structureel probleem» is? Zo ja waarom bent u die opvatting toegedaan?
Een oordeel over de robuustheid van een specifiek onderzoek laat ik graag aan de wetenschap.
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) heeft de 57 respondenten voor «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» deels geworven via een oproep op sociale media en deels gebruik gemaakt van personen die eerder meewerkten aan onderzoek van KIS; bent u van mening dat deze methode voldoende robuust is? Zo ja, waar baseert u dat op?
Zie antwoord vraag 3.
Wat heeft het ministerie uitgegeven aan beide onderzoeken? Meent u dat dit geld welbesteed is?
Voor het KIS onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» is 40.000 euro subsidie van het Ministerie van SZW. De totale kosten van dat onderzoek bedroegen 45.000 euro.
Met betrekking tot het KIS onderzoek gaat het om, zoals bij antwoord 1 aangegeven, een portaalonderzoek welke KIS op basis van aanvraag van vijf maatschappelijke organisaties heeft uitgevoerd.
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Universiteit Utrecht en Regioplan (2025)5 kostte 302.500 euro en is gegund na een openbare aanbesteding volgens de richtlijnen van Europese aanbestedingen. Het kabinet heeft op 12 december 2025 opvolging gegeven aan dit onderzoek middels de Kabinetsreactie «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie en versterking aanpak moslimdiscriminatie».6
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» is zoals bij antwoord 1 aangegeven uitgevoerd naar aanleiding van een verzoek van uw Kamer en het Nationale Programma tegen Discriminatie en Racisme 2022.
Bent u bekend met het werk van de Franse antropologe en kenner van de netwerken van de Moslimbroederschap in Europa Florence Bergeaud-Blackler, die erop wijst dat de klacht over islamofobie een cruciaal onderdeel is van een «soft power strategie» van islamistische lobbyisten? En dat deze lobbyisten steeds herhalen dat men slachtoffer is van haat en discriminatie omdat zij op die manier de kans denken te vergroten dat hun eisen voor bijvoorbeeld gebedsruimtes op scholen en hoofddoeken bij de politie worden ingewilligd? Bergeaud-Blackler waarschuwt autoriteiten om zich niet te laten lenen voor deze agenda. Wat vindt u van deze analyse?
De analyse waarnaar wordt gerefereerd raakt aan bredere zorgen over buitenlandse beïnvloeding, religieus geïnspireerde druk en organisaties die proberen invloed uit te oefenen op onze open samenleving. Die zorgen neem ik serieus.
Tegelijkertijd weten we dat discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie, in Nederland voorkomt en dat dit een reëel probleem is dat we moeten aanpakken. Om te zorgen dat iedereen, wat je achtergrond ook is, een eerlijke kans krijgt om mee te doen en aan het werk te gaan.
Het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann |
|
René Claassen (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann waarin wordt gesteld dat meerdere theaters en zalen onder druk zijn gezet door linkse actiegroepen vanwege geplande optredens van Rogier Kahlmann en dat dit in diverse gevallen heeft geleid tot de annulering van voorstellingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat culturele instellingen door georganiseerde druk en dreigementen worden bewogen om programmering aan te passen of te schrappen?
Ik zie dit als een ongewenste en zorgwekkende ontwikkeling die de artistieke vrijheid van makers en culturele instellingen onder druk zet. Artistieke vrijheid vormt een fundament van onze democratische rechtstaat, waarin iedereen de ruimte moeten krijgen om zichzelf te uiten, ook als dit schuurt.
Deelt u de opvatting dat het intimideren van podia en programmeurs vanwege de inhoud van een voorstelling een ernstige aantasting vormt van de artistieke vrijheid en de vrijheid van meningsuiting?
Ja, die opvatting deel ik.
In hoeverre acht u het wenselijk dat een kleine, activistische linkse minderheid via dreiging met klachten, reputatieschade of meldingen bij instanties feitelijk een veto kan uitspreken over culturele programmering?
Culturele instellingen hebben de vrijheid om zelf te bepalen wie zij wel of niet programmeren. Burgers hebben de vrijheid om iets van deze programmering te vinden, maar dat moet wel op een correcte wijze. Ik acht iedere inmenging die culturele instellingen onder druk zet om hun keuzes aan te passen onwenselijk.
Kunt u aangeven of en hoe vaak gesubsidieerde culturele instellingen zich bij uw ministerie hebben gemeld vanwege druk, bedreiging of intimidatie rondom programmering in de afgelopen jaren?
Er zijn mij enkele incidenten bekend van door OCW gesubsidieerde culturele instellingen die te maken kregen met druk, bedreiging of intimidatie vanwege hun programmering. Bezien vanuit een breder perspectief constateer ik dat makers en culturele instellingen druk ervaren op hun artistieke vrijheid, bijvoorbeeld in polariserende discussies over programmeringskeuzes. Deze signalen ontving de Raad voor Cultuur ook en bewogen hem ertoe om een advies uit te brengen over artistieke vrijheid, dat de Raad 21 januari jl. aan uw kamer heeft aangeboden.2 Op dit moment bereid ik een reactie op dit advies voor.
Welke verantwoordelijkheid ziet u voor de overheid om culturele instellingen te beschermen tegen ongeoorloofde druk en intimidatie, juist wanneer deze instellingen afhankelijk zijn van publieke middelen?
Ik vind het belangrijk een inclusieve, pluriforme en toegankelijke culturele sector te waarborgen. Als de samenleving polariseert en de spanningen toenemen, moet de culturele en creatieve sector een veilig podium blijven bieden voor het vrije woord, artistieke expressie en dialoog. Om instellingen hierin te ondersteunen heeft mijn ambtsvoorganger de Handreiking Weerbare Cultuursector3 van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt. Deze handreiking en het onderliggende onderzoek bieden culturele instellingen houvast om zorgvuldige afwegingen te maken in de dynamiek van maatschappelijke spanningen, polarisatie en toenemende druk om positie te kiezen.
Deelt u de zorg dat het normaliseren van dergelijke actiemethoden leidt tot zelfcensuur binnen de culturele sector, waarbij instellingen uit angst voor repercussies bepaalde artiesten of thema’s mijden?
Ik deel de zorg dat acties die culturele instellingen onder druk zetten bepaalde keuzes te maken de druk op de artistieke vrijheid vergroot. In tijden van maatschappelijke spanningen en polarisatie is het daarom extra belangrijk om culturele instellingen handvatten te bieden voor de omgang met maatschappelijke druk. Hiervoor heeft mijn voorganger onlangs de handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt.
Bent u bereid in overleg te treden met de culturele sector over richtlijnen of ondersteuning voor instellingen die te maken krijgen met georganiseerde intimidatie of dreiging rondom hun programmering?
Hierover ben ik reeds in gesprek met de sector. De handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut is het resultaat van een onderzoek dat tot stand is gekomen aan de hand van meerdere gesprekken met de sector.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om culturele instellingen te beschermen tegen druk en intimidatie rondom hun programmering?
Ik neem dit onderwerp zeer serieus. Daarom beraad ik me op dit moment goed op het eerder genoemde advies van de Raad voor Cultuur over artistieke vrijheid. Ik zal in mijn reactie op dit advies ook ingaan op de druk en intimidatie rondom programmering van culturele instellingen.
Het bericht 'Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee' |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Tieman , Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Carnavalswagen bouwen steeds duurder, daarom betalen gemeenten mee»?1
Ja, dat heb ik.
Deelt u de mening dat carnaval onderdeel is van ons culturele immateriële erfgoed?
Ja, die mening deel ik van harte. Carnaval is een levendige traditie die generaties verbindt, gemeenschappen samenbrengt en een onmiskenbaar onderdeel vormt van het culturele leven in Nederland, zeker in de zuidelijke provincies en Twente.
Maakt u zich ook zorgen over de toekomst van carnaval doordat verenigingen onder druk staan van regeldruk en bureaucratie?
De signalen in het genoemde artikel kwamen ook naar voren in de evaluatie van het immaterieel erfgoedbeleid, waarvan de uitkomsten zijn meegenomen in de kamerbrief «Immaterieel erfgoed van, voor, door en met iedereen».2
Deze signalen passen in een bredere zorg over verenigingsleven in Nederland. Om de regeldruk te verminderen zijn al acties in gang gezet (zie vraag 8 en 9). Ook de kabinetsvoornemens om de regeldruk voor vrijwilligersverenigingen te verminderen en de aansprakelijkheid van vrijwilligers te beperken, kunnen in dit licht worden gezien.
Ondanks dat er zorgen zijn heb ik ook veel vertrouwen in de kracht van de carnavalsverenigingen. Ik zie dat carnaval onverminderd van grote waarde is in de zuidelijke provincies en Twente, waar gemeenschappen met veel enthousiasme samen wagens bouwen en carnaval vieren.
Bent u van mening dat milieuzones in binnensteden geen belemmering moeten vormen voor praalwagens in optochten?
Gemeenten gaan over de invoering en handhaving van milieuzones en zero-emissiezones. Deze zones hoeven geen belemmering te zijn voor praalwagens in optochten.
Praalwagens en carnavalswagens worden vaak getrokken door (landbouw)tractoren. Tractoren vallen niet onder milieuzones of zero-emissiezones, dus worden hier ook niet door belemmerd.
Op dit moment worden alleen de meest vervuilende dieselbestelauto’s en vrachtwagens geweerd in milieuzones en zero-emissiezones. Mocht een dergelijke dieselbestelauto of vrachtwagen nodig zijn voor het trekken van een praalwagen dan kan een ontheffing mogelijk zijn, bijvoorbeeld via de hardheidsclausule van de gemeente. Daarnaast zijn er dagontheffingen aan te vragen via het landelijke Centraal Loket van de RDW. Dit kan tot twaalf keer per jaar per gemeente.
Wat vindt u van de toegenomen eisen die gesteld worden aan vrijwillige verkeersregelaars bij optochten?
De «Regeling verkeersregelaars» is niet aangepast waardoor er geen toegenomen eisen voor verkeersregelaars zijn. Deze regeling voorziet in twee soorten verkeersregelaars: de evenementenverkeersregelaar en de beroepsverkeersregelaar.
Evenementenverkeersregelaars kunnen bij evenementen al eenvoudige verkeersregelende taken uitvoeren na het afleggen van een gratis te volgen e-instructie als opleiding. Voorafgaand aan het evenement is de organisatie verplicht het team van verkeersregelaars nadere instructies te geven, zoals waar iedereen moet staan en wanneer een kruispunt weer kan worden vrijgegeven.
Beroepsverkeersregelaars worden ingezet bij onder andere wegwerkzaamheden en het regelen van verkeer bij complexere verkeerssituaties. Deze verkeersregelaars volgen een opleiding en een praktijkexamen, waarmee een aanstelling als beroepsverkeersregelaar kan worden aangevraagd.
Aan welke eisen een carnavalsvereniging qua verkeersregelaars moet voldoen, is aan de gemeente die de evenementenvergunning verleent. Ook kan het zijn dat bij afgesloten gebieden geen of minder beroepsverkeersregelaars nodig zijn dan wanneer een carnavalsoptocht drukke wegen passeert.
Bent u bereid om in gesprek te treden met verzekeraars om deregulering te bewerkstelligen, aangezien de verzekeringsvoorwaarden en bureaucratie in relatie tot praalwagens is toegenomen?
Alle motorrijtuigen, dus ook praalwagens, moeten op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd zijn voor schade die het motorrijtuig aan derden veroorzaakt. Deze verzekeringsplicht geldt al sinds 1965 en heeft als doel om derden, zoals toeschouwers en personen die op de wagen meerijden, te beschermen.
Ik deel de mening dat onnodige bureaucratie vermeden moet worden. Met dit doel is het voor praalwagens en carnavalsoptochten mogelijk om een collectieve verzekering af te sluiten; een optochtverzekering. Deze optochtverzekering is bedoeld om het bezitters en kentekenhouders van praalwagens makkelijker te maken om een verzekering af te sluiten.
Voor verzekeraars is het mogelijk in de verzekeringsovereenkomst aanvullende voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld met het oog op beperking van het risico. Daarbij geldt dat als zich een ongeval met een praalwagen voordoet, dit al snel ernstige gevolgen heeft, nu hierbij veel slachtoffers betrokken kunnen zijn; zowel personen die op de wagen meerijden als omstanders. Het is dan ook van belang dat het risico op een ongeval zo beperkt mogelijk blijft. Er is daarom op dit moment geen aanleiding voor een gesprek met verzekeraars.
Deelt u de mening dat er een uitzonderingsmogelijkheid op de kentekenplicht kan gelden voor praalwagens?
In Nederland geldt een kentekenplicht voor een groot gedeelte van de voertuigen die zich op de openbare weg begeven. Het gaat daarbij onder andere om personenauto’s, bedrijfsauto’s/ bestelauto’s, vrachtwagens landbouw- en bosbouwvoertuigen, landbouwaanhangwagens en mobiele machines. Voor praalwagens is de kentekenplicht afhankelijk van het type voertuig dat gebruikt wordt. Dit zorgt ervoor dat de verkeersveiligheid voor zowel bestuurders als omstanders wordt geborgd.
Ik verwijs graag naar de beantwoording van eerder gestelde Kamervragen, waarin verder inhoudelijk op dit vraagstuk wordt ingegaan.3
Deelt u de mening dat de stapeling van lokale regels, vergunningseisen en aanvullende voorschriften ertoe leidt dat carnavalsverenigingen onevenredig veel tijd en middelen kwijt zijn aan administratie in plaats van aan het organiseren van optochten? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om deze regeldruk te verminderen?
Uit onderzoek van het Netwerk Levend Erfgoed, mede in het kader van de motie Oostenbrink4, blijkt dat gemeenschappen met festiviteiten in de openbare ruimte, waaronder carnavalsverenigingen, veel vergunningsdruk ervaren. Deze conclusie wordt ook ondersteund door het rapport van het Nationaal Klimaatplatform over de toekomstbestendigheid van de evenementensector, «De Toon maakt de muziek»5. Ik ben over dit advies in gesprek met de Minister van Klimaat en Groene Groei en de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Binnen de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 verkennen OCW, VNG en IPO samen met de sector de mogelijkheden om wet- en regelgeving voor vrijwilligersorganisaties -met behoud van veiligheid- laagdrempeliger te maken. Naar aanleiding van de motie Oostenbrink zijn er specifiek voor streekevenementen, zoals carnaval, werksessies met VNG, gemeenten en vrijwilligersorganisaties om te komen tot een werkvorm waarin gemeenten en vrijwilligersorganisaties met elkaar in gesprek gaan over knelpunten die door deze organisaties ervaren worden bij vergunningverlening.
Naar aanleiding van eerder gestelde Kamervragen6 verricht het Ministerie van VWS onderzoek naar de regeldruk omtrent praalwagens. Onderzocht wordt hoe tot een lastenverlichting voor carnavalsverenigingen gekomen kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden in het tweede kwartaal van 2027 gepubliceerd.
Tot slot wordt de motie Yesilgöz-Zegerius en Bontenbal uitgevoerd7. Deze motie verzoekt de regering om voor eind 2025 een brede inventarisatie op elk departement te doen van welke 500 regels geschrapt of de regeldruk verminderd kan worden8. Hierover worden ministerie-overstijgende overleggen gevoerd.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en veiligheidsregio’s, te bezien hoe meer ruimte kan worden geboden aan initiatieven voor carnavalsoptochten, bijvoorbeeld door het vereenvoudigen van procedures en het creëren van proportionele en werkbare kaders, zodat verenigingen worden gestimuleerd in plaats van belemmerd? Zo nee, waarom niet?
Proportionele kaders voor evenementenvergunningen zijn een kabinetsbrede opgave. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor immaterieel erfgoed pleit ik ervoor dat carnaval en vergelijkbare tradities een herkenbare plek krijgen in deze bredere vereenvoudigingsoperatie. Daarnaast komt veel van de voor carnavalvieringen relevante regelgeving vanuit gemeenten. Via de Bestuurlijke Afspraken Cultuurbeoefening 2025–2028 ben ik in gesprek met gemeenten. Deze gesprekken sluiten ook aan bij de lopende uitvoering van de motie Oostenbrink.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om carnaval actiever te promoten als immaterieel cultureel erfgoed van Nederland, teneinde het draagvlak en de waardering voor deze traditie te vergroten?
Bewustwording van de culturele en maatschappelijke waarde van immaterieel erfgoed, zoals carnaval, is een belangrijk onderdeel van mijn beleid voor immaterieel erfgoed. Het door mij gefinancierde Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) heeft als een van haar kerntaken het vergroten van de zichtbaarheid van immaterieel erfgoed bij gemeenten, provincies, instellingen en het brede publiek. Een voorbeeld hiervan is de door KIEN gecoördineerde Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland, die de diversiteit van Nederlandse tradities zichtbaar maakt.
Kunt u, indachtig het belang van het behoud van Nederlandse tradities, toezeggen dat u zich ervoor zal inzetten dat carnaval niet ten onder gaat aan een overmaat aan regels en bureaucratie, zodat ook toekomstige generaties – van Prins Carnaval tot Raad van Elf – onbezorgd de polonaise kunnen blijven lopen?
Carnaval leeft door de mensen die er jaar in jaar uit hun schouders onder zetten; de wagenbouwers, de bestuursleden en de verkeersregelaars. Het is mijn taak en die van het kabinet om ervoor te zorgen dat de overheid hen daarin ondersteunt en niet belemmert. Dat is de richting die het coalitieakkoord «Aan de slag» bevestigt met de aandacht voor verenigingsleven en het terugdringen van regeldruk voor maatschappelijke organisaties.
Veiligheid van Joodse studenten en isolatie van dissidente academici |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview «Onderzoeker Amanda Kluveld: Er zijn Joodse studenten die met studie stopten om onveiligheid»?1
Ja.
Hoe duidt u de uitspraak dat actiegroep Free Palestine Maastricht een eigen «kantoortje» heeft op de Maastricht University?
Instellingen gaan – binnen de kaders van wet- en regelgeving – zelf over wie zij gebruik laten maken van de ruimtes op hun instelling. Binnen deze kaders staat het instellingen vrij om hun eigen criteria te hanteren. Van de Universiteit Maastricht heb ik begrepen dat zij bepaalde ruimtes beschikbaar stelt aan studentorganisaties, Free Palestine Maastricht is er daar een van. Het criterium dat de Universiteit Maastricht hanteert voor het gebruik maken van deze ruimtes is dat een organisatie een studentorganisatie moet zijn die bij de universiteit bekend is en geregistreerd staat. In het geval van Free Palestine Maastricht is dit zo.
Het is aan de instelling, die de verantwoordelijkheid voor een veilige leer- en werkomgeving draagt, om deze beoordeling te maken. Ik vertrouw op de afweging die de Universiteit Maastricht hierin maakt.
Mag een politieke actiegroep als Free Palestine Maastricht volgens het bestaande universiteits- en onderwijsbeleid gebruikmaken van permanente kantoorruimtes op universiteiten? Zo ja, welke criteria gelden daarvoor en wie beslist hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met de onderzoeker in kwestie eens dat de oproep «Kill All Zionists» als profielnaam op Instagram in feite een directe oproep tot geweld is tegen Joodse studenten en medewerkers? Hoe verhouden zulke uitingen zich tot een veilige en inclusieve leeromgeving?
Laat duidelijk zijn dat het kabinet dergelijke uitingen sterk van de hand wijst. Daarbij passen dergelijke uitingen uiteraard ook niet in een veilige en inclusieve leeromgeving. Het is niet aan mij als Minister om te oordelen of er sprake is van een directe oproep tot geweld. Het is aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit. In het algemeen kan ik wel met uw Kamer delen dat het rapport «Gevangen in vrijheden»2 van de Taskforce Bestrijding Antisemitisme ons leert dat in sommige gevallen antizionisme kan fungeren als dekmantel voor antisemitische sentimenten. Het rapport stelt dat antizionisme een antisemitisch karakter krijgt wanneer antizionistische uitingen gepaard gaan met ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden, het gebruik van antisemitische stereotypen of het collectief verantwoordelijk stellen van Joden voor het handelen van Israël.
Bent u bekend met het artikel «Zwijg, zionist! Hoe universiteiten dissidenten monddood maken»?2
Ja.
Herkent u het beeld dat academici die afwijkende opvattingen hebben over Israël en Gaza zich beperkt voelen in hun vrijheid van meningsuiting?
Ik ben ervan op de hoogte dat het open debat over Israël en Gaza aan universiteiten al enige tijd onder grote druk staat. Het signaal dat academici zich beperkt voelen in het uiten van hun opvattingen hierover vind ik zorgelijk. Onderwijsinstellingen zijn bij uitstek de plaats voor open debat en dialoog, waarin er ruimte moet zijn voor ieders geluid, ook wanneer dit soms schuurt.
In hoeverre bereiken signalen over sociale en professionele isolatie van academici aan Nederlandse universiteiten het Ministerie van OCW, en welke acties of maatregelen acht u nodig om de academische vrijheid in dit soort kwesties te waarborgen?
Laat ik vooropstellen dat het sociaal en professioneel isoleren van onderzoekers, evenals andere vormen van sociale onveiligheid, ontoelaatbaar is. Signalen over vormen van (sociale) onveiligheid van wetenschappers bereiken mij onder andere via het platform WetenschapVeilig dat op initiatief van UNL, de KNAW en NWO en met ondersteuning van mijn ministerie eind 2022 is gelanceerd. Op de website is informatie beschikbaar voor wetenschappers, leidinggevenden en werkgevers over hoe om te gaan met bedreigingen, intimidatie en haatreacties. In 2024 is een eerste monitor over externe intimidatie, haat en bedreiging gepubliceerd4. In 2026 zal deze worden herhaald.
Er is een veilige, open en inclusieve cultuur nodig om de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek en onderwijs en een veilige leer- en werkomgeving te borgen. Het is de verantwoordelijkheid van de kennisinstellingen om hier zorg voor te dragen. Voor het handelingsperspectief is het van belang om een onderscheid te maken tussen academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting. Het verschil is dat academici in functie een beroep kunnen doen op academische vrijheid, met inachtneming van de waarden waar academische vrijheid op berust. Vrijheid van meningsuiting komt iedere burger toe. Meer inzicht in dit onderscheid is nodig. Daarom werkt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) op verzoek van mijn ministerie aan een advies over vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Ik verwacht dit advies in de zomer. Ook verwacht ik in de zomer een advies van de KNAW over de juridische borging van academische vrijheid. Daarnaast start ik dit najaar een inventarisatie naar pluriformiteit in de wetenschap.5 Op basis van deze adviezen en inventarisatie bekijk ik of, en zo ja, welke acties of maatregelen nodig zijn om de academische vrijheid te waarborgen.
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Er is momenteel geen landelijk overzicht van de mate waarin scholen gebruik maken van gastlessen of educatieprogramma’s van bijvoorbeeld herinneringscentra en oorlogsmusea. Reden hiervoor is dat deze activiteiten buiten het onderwijscurriculum vallen en scholen dus uit eigen beweging deze activiteiten kunnen organiseren. De herinneringscentra en oorlogsmusea beschikken zelf wel over gegevens van hun eigen bezoekers. Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden – een door VWS gesubsidieerde aanbieder van gastlessen houdt ook jaarlijks het aantal schoolbezoeken bij. In overleg met WO2NET en het Veldberaad, het samenwerkingsverband van de belangrijkste professionele partijen in de WOII-sector, wordt de jaarlijkse monitor van WO2NET zo ingericht dat in 2026 landelijke bezoekcijfers beschikbaar komen.
Vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie is vanaf 1 januari 2026 structureel € 750.000,– per jaar beschikbaar gesteld voor scholen in het voortgezet onderwijs. Via de CJP Cultuurkaart wordt scholen zo de mogelijkheid geboden om extra budget in te zetten voor extracurriculaire activiteiten met betrekking tot Holocausteducatie zoals bezoek aan een «authentieke» locatie. De ambitie van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) daarbij is dat alle scholen een bezoek brengen aan een dergelijke locatie om te leren over de Holocaust. Het CJP monitort het gebruik van de subsidie.
Door zowel de monitor van het CJP als die van WO2NET komt vanaf eind 2026 een landelijk beeld van de bezoeken van scholen aan herinneringscentra en oorlogsmusea om te leren over de Holocaust.
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Het Ministerie van VWS heeft vanaf 2026 structureel € 250.000 gereserveerd om het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch te subsidiëren. Hiermee wordt deze instelling in staat gesteld het verhaal van het Apeldoornsche Bosch, de deportatie van en moord op Joodse psychiatrisch patiënten en hun verzorgers, aan zoveel mogelijk Nederlanders over te brengen.
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Het vorige kabinet heeft € 15 miljoen ter beschikking gesteld voor de vernieuwing van Kamp Westerbork met de verwachting dat ook andere financiers over de brug zullen komen. Kamp Westerbork is daarom gevraagd om gesprekken met andere mogelijke financiers aan te gaan. Kamp Westerbork heeft aangegeven dat tot op heden een totaalbedrag van ongeveer € 22 miljoen is toegezegd, onder andere door de provincie Drenthe en particuliere fondsen. Dit is inclusief de bijdrage van het Rijk. Kamp Westerbork blijft in gesprek met andere potentiële financiers.
Met deze bijdrage is een belangrijke stap gezet bij de realisatie van de vernieuwing van Kamp Westerbork. Het is nu eerst aan Kamp Westerbork om met de vernieuwing van de eerste fase van start te gaan. Het blijkt dat in 2027 wordt gestart met de daadwerkelijke realisatie en dat de voorbereidingen hiervoor in volle gang zijn. Ik blijf in gesprek met Kamp Westerbork over de vorderingen, ook naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid van Dijk c.s., dat het ministerie oproept om bij voorjaarsnota een voorstel te doen voor aanvullende financiering voor na 2027.
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Om iedereen op een leerzame en laagdrempelige manier kennis te laten nemen van dit verhaal hebben zowel het rijk, provincies als gemeenten een eigen verantwoordelijkheid en een eigen rol. Juist dichtbij, in de buurt, op plekken waar gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, wordt het verhaal van WOII en de Holocaust tastbaar en invoelbaar. Dit vraagt een sterke infrastructuur op landelijk, regionaal én lokaal niveau. Daarom ga ik in de komende tijd in gesprek met (een vertegenwoordiging van) provincies en gemeenten om met hen na te gaan hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Want er gebeurt al veel in provincies en gemeenten waar het gaat om bijvoorbeeld herdenkingen, educatie, erfgoed en archieven. In de beleidsbrief die het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar naar Uw Kamer stuur, wordt verder ingaan op de stand van zaken.
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Zie antwoord vraag 9.