Het verslavend ontwerp van Instagram en Facebook |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen van de Europese Commissie over het verslavende ontwerp van Instagram en Facebook1 en de berichtgeving hierover?2
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen van de Europese Commissie? Deelt u de analyse dat Meta willens en wetens gebruikmaakt van verslavend ontwerp, ten koste van de privacy en gezondheid van haar miljarden gebruikers?
Ik ben blij om te zien dat de Europese Commissie haar toezichthoudende taak op de Digital Services Act (hierna: «DSA») doortastend oppakt. En dat de regels uit de Digital Services Act inderdaad handvatten bieden om op te treden tegen verslavend ontwerp van online platforms, zoals in dit geval Facebook en Instagram. Over de motieven van Meta ga ik niet speculeren.
Vindt u dat het onderzoek van de Europese Commissie snel genoeg is verlopen, aangezien al lang en breed bekend is dat Meta verslavend ontwerp toepast op Instagram en Facebook?
Het nemen van een niet-nalevingsbesluit kost tijd. Er moet deugdelijk en zorgvuldig onderzoek worden verricht. Er moet voldoende overtuigend bewijs zijn om in te kunnen grijpen en het besluit staande te kunnen houden in een eventuele juridische procedure erover. Ten behoeve van de rechtsbescherming is het bovendien belangrijk om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om opmerkingen te maken en die te onderzoeken of te wegen. Het is daarom goed te verklaren dat dit besluit niet al is genomen in de weken of maanden na inwerkingtreding van de DSA in november 2024. Sinds die datum heeft de Europese Commissie ontzettend veel werk verricht. Zo heeft de Europese Commissie vanaf nul een onderdeel binnen haar organisatie moeten opbouwen om toezicht te houden, mensen geworven, en inmiddels tal van onderzoeken verricht, besluiten genomen, en rechtszaken gevoerd. Ik vind daarom dat de Europese Commissie doortastend en voorspoedig te werk is gegaan, en vertrouw erop dat zij dat blijft doen.
Wat is er nodig om de Digital Services Act sneller, effectiever en harder in te kunnen zetten tegen techbedrijven die verslavend ontwerp toepassen? Wat is hiervoor de inzet van dit kabinet?
Een evaluatie van de DSA op EU-niveau, en in Nederland van de Uitvoeringswet digitaledienstenverordening, is voorzien in 2027. De uitkomsten en de opvolging daarvan worden verwacht in de tweede helft van 2027. In dit kader zal het kabinet uiteraard aandacht hebben voor mogelijke aanpassingen van de DSA die de effectiviteit ervan en het optreden door toezichthouders kunnen verbeteren. Als toezichthouders op de DSA in Nederland worden de Autoriteit Consument en Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens daarbij betrokken.
Kunt u uitleggen wanneer Meta technische aanpassingen moet doorvoeren op Instagram en Facebook? Welke aanpassingen zijn dit?
Meta heeft eerst de mogelijkheid om te reageren op de bevindingen van de Europese Commissie. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat ze aanpassingen van het ontwerp voorstelt om te trachten zo de bezwaren van de Europese Commissie weg te nemen. De DSA noch het voorlopige besluit van de Europese Commissie schrijven voor hoe zij dat moet doen. Wel heeft de Europese Commissie voorbeelden gegeven van mogelijke maatregelen die Meta kan nemen, zoals «(...) door belangrijke verslavende functies zoals «autoplay» en «infinite scroll» standaard uit te schakelen, effectieve «schermtijdonderbrekingen» te implementeren en het aanbevelingssysteem aan te passen om het minder betrokkenheidsgericht te maken».3 Welke aanpassingen er uiteindelijk moeten worden gemaakt is ter beoordeling van de Europese Commissie als bevoegd toezichthouder en in laatste instantie aan het Hof van Justitie.
Hoe hoog is de boete die Meta riskeert? Vindt u de boete hoog genoeg om het bedrijf tot actie te dwingen?
De DSA maakt het mogelijk om een boete op te leggen ter hoogte van maximaal 6% van de wereldwijde omzet in het vorige boekjaar. Volgens de voorlopige jaarrapportage van Meta blijkt dat die omzet in 2025 bijna $ 201 miljard bedroeg, oftewel zo’n € 176 miljard.4 Momenteel zou de maximale boete dus ruim € 10 miljard kunnen bedragen. Er is daarnaast ook de mogelijkheid om een last onder dwangsom op te leggen ter hoogte van maximaal 5% van de gemiddelde dagelijkse inkomsten of de wereldwijde jaaromzet in het vorige boekjaar per dag.
Wanneer moet Meta de aanpassingen doorvoeren? Is hier een harde deadline voor? Zo niet, bent u bereid hiervoor te pleiten bij de Europese Commissie?
Meta heeft eerst de mogelijkheid om te reageren op de bevindingen van de Europese Commissie waarna die dat zal moeten beoordelen, eventueel aanvullend onderzoek moet verrichten en al dan niet uiteindelijk een niet-nalevingsbesluit moet nemen. Op dit moment is niet te zeggen hoelang dat nog gaat duren. Hoewel ik uiteraard ook graag zo snel mogelijk veranderingen zie, hebben we dit soort regels om rechtsbescherming te bieden. Ik wil en moet bovendien de onafhankelijkheid van de toezichthouders in acht nemen en ga me daarom niet mengen in deze of andere toezichtzaken.
Vertrouwt u er op dat Meta de aanpassingen zal doorvoeren? Op welke manieren kunnen de Europese Commissie of afzonderlijke lidstaten de druk opvoeren om dit tijdig te doen?
Als er uiteindelijk een niet-nalevingsbesluit van de Europese Commissie volgt, en dat standhoudt wanneer er een rechtszaak volgt, dan vertrouw ik erop dat Meta daar opvolging aan geeft en de benodigde aanpassingen maakt. De Europese Commissie kan ter waarborging hiervan een boete of last onder dwangsom opleggen. Zie daarvoor ook het antwoord op vraag 6.
Hoe kunt u, samen met het Nederlandse veld van experts, burgerrechtenorganisaties en toezichthouders, bijdragen aan de stappen die de Europese Commissie zet tegen Meta?
Wanneer mogelijk laat ik de Europese Commissie weten dat zij de steun van het kabinet heeft bij het uitvoeren haar toezicht op de DSA, ongeacht welke digitale dienst. Het is tegelijkertijd niet aan mij om mij in een individuele casus te mengen gericht tegen één bedrijf.
Ik zie tegelijkertijd dat burgerrechtenorganisaties en andere experts graag een bijdrage leveren aan de effectieve uitvoering van de DSA. Zoals bijvoorbeeld de rechtszaak van Bits of Freedom tegen Meta5 eerder dit jaar, of de zaak van Mékic tegen X.6 Ik juich het van harte toe dat ook private organisaties en personen gebruik maken van de rechten die de DSA hen biedt. De jurisprudentie die hierdoor ontstaat, evenals de besluiten van toezichthouders, zullen uiteindelijk leiden tot de met de DSA beoogde veranderingen in de bredere industrie.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Russische atleten en ploegen weer welkom op Olympische Spelen na besluit IOC' |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Russische atleten en ploegen weer welkom op Olympische Spelen na besluit IOC»?1
Hoe beoordeelt u het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité (ROC) voorlopig op te heffen, in het licht van de realiteit dat er door de Russische agressie inmiddels meer dan 600 Oekraïense atleten en coaches zijn vermoord, er nog zeker 19 in Russische gevangenschap verkeren en er 13 als vermist staan geregistreerd?
Hoe duidt u het feit dat het IOC deze schorsing opheft, terwijl de oorspronkelijke reden voor de schorsing (namelijk: het inlijven van regionale sportbonden uit geannexeerde Oekraïense gebieden door het ROC) door Rusland niet ongedaan is gemaakt of gecorrigeerd?
Hoe beoordeelt u de haalbaarheid van zogenaamd «neutrale» Russische deelnemers of ploegen, wetende dat topsport in Rusland veelal onlosmakelijk verbonden is met de staat en dat veel topsporters direct gelieerd zijn aan het Russische leger en de veiligheidsdiensten?
Deelt u de zorg dat het toelaten van Rusland tot het meest prestigieuze sportevenement ter wereld bijdraagt aan het witwassen van Russische oorlogsmisdaden in Oekraïne en kan bijdragen aan het legitimeren van de Russische staat op het wereldtoneel?
Deelt u de opvatting dat het IOC besluit het risico in zich draagt het signaal af te geven, namelijk dat oorlogsmisdaden zonder langdurige of fundamentele consequenties blijven, en daarmee straffeloosheid aanwakkert? Zo ja, wat gaat u hier dan aan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zorg dat dit besluit kan dienen als een onwenselijke opmaat naar de bredere politieke rehabilitatie van het regime van Poetin, en bent u het ermee eens dat hiervan geen sprake mag zijn zolang de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne voortduurt?
Hoe schat u de kans in dat er in de huidige Russische context werkelijk onafhankelijke dopingcontroles worden uitgevoerd?
Wat vindt u van de verklaringen van onder meer Estland en Litouwen, waarin dit besluit van het IOC stevig wordt veroordeeld en de oproep is gedaan om Europese financiering aan het IOC op te schorten, omdat sport geen achterdeur mag zijn voor het normaliseren van agressie?
Bent u bereid om zich aan te sluiten bij de inzet van Estland en Litouwen, en in Europees verband de mogelijkheid te verkennen om EU-subsidies en -financieringsprogramma's (zoals het Erasmus+-programma) aan het IOC op te schorten of te bevriezen totdat deze beslissing wordt teruggedraaid? Zo nee, waarom niet?
Ziet u mogelijkheden om, in overleg met de gastlanden van de komende Spelen (de Verenigde Staten voor de Zomerspelen van 2028 en Frankrijk voor de Winterspelen van 2030), te spreken over de inzet van gerichte visumrestricties om deelname van Russische sporters met aantoonbare staats- of legerbanden te voorkomen?
Bent u bereid om er op korte termijn voor te zorgen dat er een krachtig en eenduidig Nederlands geluid richting het IOC gaat, met als inzet dat de rehabilitatie van Rusland onbespreekbaar is zolang de oorlog in Oekraïne voortduurt?
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Hanneke van der Werf (D66), Renilde Huizenga (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Ja.
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Het kabinet is, vanwege de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne, en de faciliterende rol die Belarus daarbij speelt, tegen deelname van Russische en Belarusische sporters onder nationale vlag of met nationale symbolen aan internationale sportwedstrijden. Het kabinet heeft uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.1
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Het kabinet deelt de zorgen dat deelname door Russische en Belarusische sporters aan internationale sportwedstrijden zorgt voor een vermindering van de internationale isolatie van Rusland en de solidariteit met Oekraïne kan verzwakken. Tegelijkertijd is het IOC een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet handelt daarom binnen de beschikbare mogelijkheden.
Vorige maand heeft het kabinet op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-Commissaris. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Aanleiding voor de brief was dat meerdere internationale sportfederaties atleten uit Rusland en Belarus weer volledig toelaten tot sportevenementen, dus onder eigen vlag en nationale symbolen. In de brief wordt benadrukt dat Rusland en Belarus internationale sport nog steeds gebruiken voor politieke doeleinden, dat Oekraïense sporters door de oorlog niet onder gelijke omstandigheden kunnen trainen en deelnemen, en dat sport niet los kan worden gezien van politiek wanneer het door Russische en Belarusische regimes wordt ingezet. De brief benadrukt verder dat de Russische agressieoorlog een ernstige schending is van het internationaal recht en van fundamentele waarden van de internationale sport.
De EU-commissaris wordt in de brief verzocht om aanvullende stappen te nemen door EU-financiering en toegang tot EU-platforms op te schorten voor sportorganisaties, zoals het IOC, die niet handelen in lijn met principes als respect voor mensenrechten, de rechtsstaat en vreedzame betrekkingen tussen landen.
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Het kabinet deelt de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie in sportieve en niet-sportieve fora. Het kabinet ziet dat Rusland sport inzet voor politieke doeleinden. Zolang Rusland deze agressieoorlog, mede gefaciliteerd door Belarus, doorzet, zal het kabinet alles binnen de beschikbare mogelijkheden doen om normalisatie van Rusland en Belarus in internationale sportevenementen tegen te gaan.
Zoals hiervoor al is opgemerkt, heeft het kabinet uw Kamer op 24 juni jl. geïnformeerd over een precisering van het kabinetsstandpunt rond de deelname van Russische en Belarusische atleten en sportteams aan sportevenementen in Nederland.2 Deze precisering kwam voort uit de recente ontwikkelingen waarin meerdere internationale sportfederaties en sportorganisaties de schorsing opheffen van Rusland en/of Belarus. Door het opheffen van deze schorsing bieden zij atleten en sportteams uit beide landen weer de mogelijkheid volledig – onder eigen vlag en nationale symbolen – deel te nemen aan internationale sportevenementen, ook in Nederland.
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag en nationale symbolen onwenselijk en zal binnen de beschikbare mogelijkheden al het mogelijke doen om deelname te voorkomen; dat geldt voor nationale sporters, landenteams en clubteams uit beide landen.
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het besluit3 van het IOC van 7 juli jl. waardoor zowel individuele atleten als teams uit Rusland weer onder voorwaarden kunnen deelnemen aan de Olympische en Paralympische Spelen. Het IOC maakt op een later tijdstip bekend of dit besluit betekent dat atleten en sportteams uit Rusland onder eigen nationale symbolen – zoals een vlag en volkslied – mogen deelnemen. Het is daarbij belangrijk om te vermelden dat er op de Olympische Zomerspelen van 2024 in Parijs en de Olympische Winterspelen van 2026 in Milaan-Cortina al Russische individuele atleten deelnamen, zij het onder strikte voorwaarden. Met dit recente besluit van het IOC lijken de meeste restricties opgeheven. De weg is hiermee vrij voor deelname van (landen)-teams.
Het IOC geeft verder aan dat Rusland pas volledig kan terugkeren wanneer er voldaan wordt aan strikte anti-dopingvoorwaarden, in het bijzonder de voorschriften die zijn vastgelegd in de antidopingregels van het IOC en de internationale sportfederaties (IF's), evenals de door het World Anti-Doping Agency (WADA) vastgestelde richtlijnen.
Daarnaast moeten Russische atleten deel uitmaken van een nationaal antidopingprogramma van de Russische anti-dopingorganisatie RUSADA en het Russisch Olympisch Comité (ROC), waarvan de uitvoering is gedelegeerd aan de International Testing Agency (ITA). Verder moeten atleten die terugkeren naar de internationale sport vooraf meerdere keren zijn getest op basis van een risicoanalyse. De internationale sportfederaties (IF's) zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de periode waarbinnen deze controles moeten hebben plaatsgevonden en stellen, in samenwerking met de ITA, een passend testprogramma op, inclusief het vereiste aantal controles en de termijn waarbinnen deze moeten worden uitgevoerd.
Indien het World Anti-Doping Agency (WADA) voorafgaand aan de Olympische Spelen van Los Angeles 2028 het functioneren van RUSADA nog steeds als niet-conform de daartoe gestelde regels en richtlijnen beschouwt, zal het IOC de ITA opdragen erop toe te zien dat alle gekwalificeerde Russische atleten onafhankelijk zijn getest volgens dezelfde werkwijze.
Het IOC is een internationale autonome sportorganisatie. Het kabinet heeft geen direct zicht op de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden.
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Het kabinetsstandpunt, zoals omschreven onder het antwoord op vraag 4, is gedeeld met de Nederlandse sportbonden tijdens een bijeenkomst op 1 juli jl. met bondsdirecteuren. Tijdens deze bijeenkomst is stilgestaan bij wat het kabinetsstandpunt inhoudt enerzijds, en anderzijds hoe nationale sportbonden verplicht zijn om de regels te volgen van internationale sportfederaties, ook als zij Rusland weer volledig toelaten onder eigen nationale symbolen, en wat dit voor hen betekent.
Het kabinet is zich bewust van de praktische implicaties dat het kabinetsstandpunt met zich meebrengt. Immers, wanneer een nationale sportbond een EK of WK wil organiseren in Nederland is het verplicht de regels te volgen van de internationale sportfederatie waar zij aangesloten zijn. Ook als dat betekent dat Russische en/of Belarusische sporters worden toegelaten. Tegelijkertijd staat het nationale sportbonden vrij om hierover in overleg te treden met de betreffende internationale sportfederatie en te zoeken naar een passende oplossing.
Het kabinet erkent dat internationale sportfederaties autonoom zijn in de keuze om Russische en Belarusische sporters uit te nodigen voor internationale sportevenementen, ook voor evenementen in Nederland. Tegelijkertijd vindt het kabinet het onwenselijk dat atleten en sportteams uit deze landen onder eigen vlag en nationale symbolen meedoen aan sportevenementen in Nederland vanwege de voortdurende Russische agressie-oorlog tegen Oekraïne en facilitering door Belarus. Het kabinet doet daarom alles binnen de beschikbare mogelijkheden om deelname te voorkomen en blijft hierover in gesprek met NOC*NSF en de sportbonden.
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Het kabinet acht deelname aan sportevenementen in Nederland van Russische en Belarusische atleten en sportteams onder eigen vlag, het volkslied en andere nationale symbolen onwenselijk.
Het kabinet acht het van belang dit standpunt actief uit te dragen en is hier actief over in gesprek met gelijkgezinde Europese landen en heeft dit onderwerp al geagendeerd in passende EU-gremia. Zo heeft het kabinet vorige maand op initiatief van Estland een brief gericht aan de verantwoordelijk EU-commissaris, zie ook de beantwoording van vraag 3. Deze brief is ondertekend door acht andere EU-sportministers. Het doel is te komen tot een gezamenlijke Europese lijn ten aanzien van het voorkomen van deelname van Russische en Belarusische atleten aan internationale sportcompetities onder eigen nationale symbolen. Het kabinet zal relevante ontwikkelingen delen met de Kamer middels de geannoteerde agenda en het verslag van Europese bijeenkomsten.
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht dat gokbedrijven Meta voor de rechter slepen vanwege advertenties voor illegale goksites |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-artikel «Gokbedrijven slepen Meta voor rechter vanwege advertenties illegale goksites»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse consumenten via socialemediaplatforms nog steeds worden geconfronteerd met advertenties voor illegale onlinegoksites, ondanks bestaande wet- en regelgeving en het toezicht van de Kansspelautoriteit?
Ik vind het zorgelijk dat Nederlanders advertenties van illegale online gokaanbieders te zien krijgen. Het is verboden om reclame voor niet vergunde kansspelaanbieders te maken. Illegale aanbieders houden zich niet aan de regels voor reclame voor online kansspelen en zij richten zich juist ook op kwetsbare groepen. Dit is in het bijzonder verontrustend omdat bij illegaal gokken geen sprake is van bescherming, bewustwording en doorgeleiding naar hulp en zorg. Gokschade bij illegaal aanbod is naar verwachting groter dan bij legaal aanbod.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Straatman van 28 januari 2026, ontvangt de Kansspelautoriteit (Ksa) voortdurend meldingen over illegale reclames op socialemediaplatforms en spoort zij ook zelf illegale reclames op.2 Bij geconstateerde overtredingen meldt de Ksa dit bij de betreffende socialemediabedrijven. Zo heeft de Ksa in april van dit jaar ruim 4.600 illegale advertenties gemeld bij Meta en gaven zij recentelijk aan in mei ruim 26.000 meldingen te hebben gedaan.3 Het grote aantal en de korte omlooptijd van deze advertenties leiden ertoe dat een aanpak die voornamelijk berust op het achteraf melden en verwijderen van afzonderlijke advertenties onvoldoende schaalbaar en bestendig is. Dit benadrukt de noodzaak om niet alleen de advertenties, maar ook de achterliggende aanbieders en de infrastructuur die zij gebruiken aan te pakken. Ik verwijs u in dit kader ook naar de voortgangsrapportage van de Kansspelautoriteit over de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen, die als bijlage bij mijn brief van 12 juni 2026 aan uw Kamer is aangeboden.4 Daarin wordt de voortgang beschreven op de onderdelen marketing, betalingsverkeer, internet en spelaanbieders.
Hoe verhoudt het bestaan van grootschalige advertenties voor illegale goksites zich tot de effectiviteit van het verbod op ongerichte reclame en de mate waarin consumenten – waaronder jongvolwassenen – worden geconfronteerd met gokreclame?
Het bestaan van illegale gokreclame doet niet af aan het effect van het verbod op ongerichte reclame voor vergunde aanbieders van online kansspelen. Zoals eerder vermeld in mijn brief van 12 juni, is het effect van het verbod op ongerichte reclame (Besluit orka) dat ongerichte reclame voor online gokken is verdwenen van televisie, radio en uit het straatbeeld. Ook het aantal reclames op internet is sterk gedaald.5 Desondanks zien nog steeds veel mensen, waaronder jongvolwassenen, reclame voor online gokken, ook als zij hier niet naar op zoek zijn. Uit de evaluatie van de Wet kansspelen op afstand uit 2024 blijkt dat de huidige wettelijke beperkingen onvoldoende zijn om bestaande spelers, met name jongvolwassenen en andere kwetsbare spelers, tegen de aanzuigende werking van kansspelreclame te beschermen.6 Daarom kies ik ervoor om reclame voor online kansspelen te verbieden. Dit is in lijn met het coalitieakkoord en de door uw Kamer aangenomen motie van Van Nispen c.s.7
Kunt u aangeven in hoeverre de huidige handhavingsinstrumenten van de Kansspelautoriteit toereikend zijn om advertenties voor illegale onlinekansspelen effectief te bestrijden op grote onlineplatforms en wat ervoor nodig is om dit te verbeteren?
Zoals ik in antwoord op vraag 2 heb aangegeven, treedt de Ksa actief op tegen illegale advertenties voor onlinekansspelen. Tegelijkertijd is duidelijk dat de huidige aanpak niet voldoende is om het illegale aanbod effectief terug te dringen. Om deze aanpak verder te versterken werk ik, zoals aangekondigd in mijn brief van 12 juni 2026, in afstemming met de Ksa aan aanvullende instrumenten en de verbetering van bestaande instrumenten om illegale aanbieders effectiever aan te pakken. Daarbij heb ik expliciet aandacht voor het verstoren van de infrastructuur die deze aanbieders gebruiken. Het is van belang om optimaal gebruik te maken van de bestaande instrumenten en dit in samenwerking te doen met partijen die hierin kunnen helpen. Zo is het nu al verboden voor derden zoals online platforms illegaal aanbod te bevorderen. De Ksa treedt hiertegen op.
Kunt u schetsen welk beeld er bestaat van de omvang en ontwikkeling van de illegale onlinegokmarkt in Nederland en welke implicaties dit heeft voor de effectiviteit van het huidige en voorgenomen reclamebeleid?
De omvang en ontwikkeling van de illegale online kansspelmarkt en illegale reclame zijn niet exact vast te stellen. De Monitoringsrapportage online kansspelen voorjaar 2026 van de Ksa laat zien dat de kanalisatie in termen van spelers nog steeds hoog is. Naar schatting speelt ongeveer 91% van de Nederlandse spelers alleen bij vergunde aanbieders. Wanneer wordt gekeken naar het geld dat spelers verliezen, ligt de kanalisatie echter aanzienlijk lager, op ongeveer 53%.8 Dit wijst erop dat een relatief kleine groep veel geld vergokt op illegale goksites.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de eerdergenoemde Kamervragen van het lid Straatman, is de inzet van de Ksa niet gericht op het uitputtend monitoren van het bereik en de verspreiding van illegale reclame.9 In algemene zin kan gesteld worden dat een zorgvuldig gereguleerd vergund aanbod hand in hand moet gaan met een effectieve aanpak van het illegale aanbod en deelname daaraan. Beide vragen blijvend veel aandacht. Voor de maatregelen die de Ksa en ik op dat gebied nemen, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2 en 4.
In uw voortgangsbrief kansspelen met contouren voor maatregelen van 12 juni 20262 geeft u aan voornemens te zijn om reclame voor vergunde onlinekansspelaanbieders (vrijwel) volledig te verbieden. Hoe wordt bij de verdere uitwerking van dit beleid voorkomen dat hierdoor de positie van illegale goksites versterkt?
Met een verbod op reclame voor vergunde online gokaanbieders is naar verwachting niet alle reclame voor online gokken verdwenen. Het is tot nu toe slechts beperkt mogelijk om reclames van illegale goksites tegen te gaan en er moet rekening mee gehouden worden dat dit ook met een versterkt wettelijk instrumentarium beperkt effectief blijft.
Bij de uitwerking van het reclameverbod houd ik daarom rekening met de vindbaarheid van het vergunde aanbod. In mijn brief van 12 juni 2026 heb ik aangegeven zeer beperkte en strikt begrensde uitzonderingen op het reclameverbod te onderzoeken. Hiermee wil ik voorkomen dat mensen die al actief op zoek zijn naar online kansspelen bij illegale aanbieders terechtkomen. Op basis van de huidige inzichten denk ik daarbij aan informatie op de eigen website van een vergunde aanbieder en reclame bij resultaten van expliciete zoekopdrachten naar online goksites. De precieze uitwerking van het verbod en de uitzonderingen daarop wordt nader onderzocht in het Beleidskompas. Zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 2, is mijn inzet in aanvulling hierop gericht op het tegengaan van illegaal aanbod en de deelname daaraan.
Bent u bereid om bij de uitwerking van het voorgenomen reclameverbod ruimte te laten voor reclame door vergunde aanbieders wanneer zij aantoonbaar kunnen waarborgen dat zij controle hebben over de inhoud, de doelgroep en het bereik van hun boodschap, juist om te voorkomen dat consumenten die interesse hebben in onlinekansspelen, vooral terechtkomen bij illegale aanbieders?
Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en vraag 6, zien mensen nog steeds veel reclame voor online gokken, ook mensen die hier niet naar op zoek zijn. In lijn met het coalitieakkoord wil ik reclame voor online gokken daarom verbieden. Daarbij blijft het van belang dat spelers die willen deelnemen aan online kansspelen hun weg vinden naar het vergunde aanbod.
Bent u bereid voorafgaand aan definitieve besluitvorming een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren naar de gevolgen van een vrijwel volledig reclameverbod voor de bescherming van spelers, de omvang van de illegale markt en de blootstelling aan illegale gokreclame en de uitkomsten daarvan met de Kamer te delen?
Nee, ik zie op dit moment geen aanleiding om een onafhankelijke impactanalyse te laten uitvoeren. Er is al onderzoek gedaan naar de effecten van kansspelreclame en de werking van het huidige stelsel.11 12 Deze informatie wordt betrokken bij de verdere uitwerking van het reclameverbod. Zoals ik in mijn brief van 12 juni heb aangegeven, werk ik het reclameverbod nader uit aan de hand van het Beleidskompas. Daarbij worden onder meer de verwachte effecten op de bescherming tegen gokschade, kansspelgerelateerde criminaliteit en (deelname aan) illegale kansspelen betrokken. Bij de verdere uitwerking maak ik gebruik van beschikbare onderzoeken, de monitoringsrapportages van de Ksa en de kennis en expertise van betrokken partijen. Daarnaast zal de voorgenomen wet- en regelgeving de gebruikelijke uitvoeringstoetsen en consultatieprocedures doorlopen. Ook in dat kader worden de uitvoerbaarheid en de mogelijke gevolgen van de maatregelen beoordeeld en kunnen betrokken partijen daarop reageren.
De uitzending van Nieuwsuur 'Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?» over de opkomst van afslankmedicatie en de vraag of Nederland daarop is voorbereid?1
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de toegang tot afslankmedicatie de komende jaren vooral afhankelijk wordt van de portemonnee van patiënten, terwijl patiënten zonder voldoende financiële middelen kunnen uitwijken naar buitenlandse of schimmige websites?
Heeft u een concreet scenario klaarliggen voor de situatie waarin goedkope generieke varianten van GLP-1- en GLP-1/GIP-middelen op grote schaal online beschikbaar komen voor Nederlandse patiënten? Zo ja, wat houdt dat scenario in? Zo nee, waarom niet en wanneer komt dat er wel?
Welke inschatting maakt u van de huidige omvang van het gebruik van afslankmedicatie buiten de reguliere zorgkanalen, bijvoorbeeld via buitenlandse websites, online platforms of sociale media?
Welke prognoses heeft u over de verwachte groei van dit gebruik in 2026 en de jaren daarna, mede gelet op het vooruitzicht dat goedkopere varianten uit onder meer India en China beschikbaar komen?
Welke cijfers zijn beschikbaar over meldingen van verkeerd gebruik, bijwerkingen, vergiftigingen of ziekenhuisopnames door afslankmedicatie bij onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, Lareb, huisartsenposten en spoedeisende hulpafdelingen en kunt u deze cijfers uitsplitsen over 2023, 2024, 2025 en 2026 en daarbij waar mogelijk onderscheid maken tussen geregistreerde middelen, off-labelgebruik, online bestelde middelen, vermoedelijk vervalste middelen, zelf geïmporteerde middelen en middelen waarvan de herkomst onbekend is?
Klopt het dat het Zorginstituut Nederland nog bezig is met beoordelingen van nieuwe obesitasmedicatie, waaronder Wegovy en Mounjaro? Waarom moet dit proces zo lang duren, mede gelet op de snelle groei van de markt en het toenemende gebruik buiten de reguliere zorg?
Wanneer verwacht u de publicatie van de adviezen over Wegovy en Mounjaro voor de behandeling van obesitas? Bent u bereid het Zorginstituut te vragen deze publicatie te versnellen? Zo nee, waarom niet en welke afweging ligt daaraan ten grondslag?
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat het beleid in de praktijk neerkomt op afwachten, terwijl patiënten ondertussen zelf middelen bestellen, doseringen aanpassen of zonder begeleiding stoppen en opnieuw beginnen?
Hoe beoordeelt u het door emeritus hoogleraar Chris Mulder genoemde voorbeeld van een gecontroleerd model waarbij patiënten goedkope medicatie uit het buitenland kunnen bestellen, maar waarbij overheid, inspectie en laboratoria de betrouwbaarheid van middelen toetsen en artsen of apothekers het gebruik begeleiden?
Bent u bereid de juridische, medische en praktische haalbaarheid van zo’n gecontroleerd import- en testmodel voor afslankmedicatie te onderzoeken, inclusief de ruimte binnen Nederlandse en Europese geneesmiddelenwetgeving en binnen bijvoorbeeld het octrooirecht, de douaneregels en de regels voor persoonlijke import?
Indien u een dergelijk model niet mogelijk of niet wenselijk acht, kunt u precies aangeven welke wettelijke, Europese, medische of praktische belemmeringen daaraan in de weg staan?
Bent u bereid te onderzoeken of een lijst van betrouwbare buitenlandse fabrikanten of producten kan worden opgesteld, dan wel of batchgewijze kwaliteitscontrole mogelijk is, zodat patiënten niet volledig zijn overgeleverd aan schimmige websites?
Bent u bereid met huisartsen, apothekers, medisch specialisten en patiëntenorganisaties richtlijnen te ontwikkelen voor veilige begeleiding van patiënten die afslankmedicatie gebruiken of overwegen, ook wanneer zij deze middelen niet via vergoeding verkrijgen?
Op welke termijn informeert u de Kamer over de aanpak van deze problematiek, inclusief scenario’s voor goedkope import, online aanbod, toezicht, patiëntveiligheid, medische begeleiding en de beoordeling van mogelijke vergoeding?
De uitspraak dat het islamitische geloof “het minst tolerant” zou zijn |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Waarom heeft u ervoor gekozen om, naar aanleiding van een onderzoek naar lhbtiq+-opvattingen onder jongeren, te stellen dat het islamitische geloof «het minst tolerant» zou zijn in vergelijking met het christendom en andere geloofsovertuigingen?
Ik sta pal voor vrijheid en gelijkwaardigheid als fundamentele waarden in onze democratische rechtsstaat. Deze waarden zijn niet onderhandelbaar. In Nederland moet iedereen in vrijheid en veiligheid zichzelf kunnen zijn, ongeacht godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of welke grond dan ook.
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam1 stond op de convocatie van het Commissiedebat Emancipatie van 25 juni jongstleden. Tijdens dit debat vond een discussie plaats tussen de leden van de commissie. Hierbij vroegen de leden om een toelichting over acceptatie in relatie tot religie. In mijn reactie heb ik toegelicht wat het onderzoek hierover zegt. Het onderzoek meldt dat religieuze jongeren gemiddeld negatievere lhbtiq+-opvattingen hebben dan niet-religieuze jongeren. Onder religieuze jongeren hebben islamitische jongeren gemiddeld negatievere lhbtiq+-opvattingen dan christelijke en andersgelovige jongeren (p. 45–46 van het rapport).
Klopt het dat het onderzoek geen oordeel geeft over de tolerantie van religies, maar uitsluitend ziet op opvattingen van jongeren over lhbtiq+-personen? Zo ja, waarop baseerde u dan uw uitspraak dat het islamitische geloof «het minst tolerant» zou zijn?
Het onderzoek brengt in kaart welke factoren correleren met de lhbtiq+-opvattingen van jongeren. Uit het onderzoek blijkt dat met name de mate van conservatisme, geslacht, godsdienst en leerweg een rol spelen bij de lhbtiq+-opvattingen van jongeren. Zie het antwoord op vraag 1.
Heeft u deze uitspraak gedaan namens het kabinet, onder het beginsel van eenheid van kabinetsbeleid, of betrof dit uw persoonlijke opvatting?
Zie de antwoorden op vragen 1 en 2. In de kabinetsreactie op het onderzoek
Indien dit kabinetsbeleid betreft: kan het kabinet bevestigen dat het islamitische geloof volgens het kabinet «het minst tolerant» is? Indien dit niet het geval is, waarom heeft u deze uitspraak dan gedaan als bewindspersoon?
Zie de antwoorden op vragen 1, 2 en 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen een algemene kwalificatie te geven van «het islamitische geloof», terwijl het onderzoek uitsluitend betrekking heeft op opvattingen van respondenten die zichzelf als moslim identificeren?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongerenwas onderwerp van gesprek in het Commissiedebat Emancipatie. In mijn reactie heb ik toegelicht wat het onderzoek hierover zegt als het gaat om religie en verschillen tussen religies.
Zie ook het antwoord op vraag 1.
Erkent u dat uw uitspraak een algemene kwalificatie van het islamitische geloof inhoudt, terwijl de onderzoekers zelf geen conclusies trekken over religies, maar uitsluitend rapporteren over opvattingen van een onderzochte groep jongeren? Erkent u daarmee dat u met uw algemene duiding verder bent gegaan dan de onderzoekers zelf verantwoorden?
Mijn uitspraken komen voort uit eerdergenoemd onderzoek en zijn gedaan in het Commissiedebat Emancipatie dat ging over de mogelijke zorgen met betrekking tot afnemende lhbtiq+-acceptatie onder jongeren.
Heeft u vooraf kennisgenomen van de methodologische kanttekeningen van de onderzoekers, waarin zij waarschuwen dat de resultaten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd? Zo ja, waarom heeft u die waarschuwingen niet betrokken bij uw publieke duiding?
Ja. In het verlengde daarvan zijn aanvullende onderzoeken en inzichten nodig om beter te begrijpen hoe het complex van factoren met betrekking tot lhbtiq+-acceptatie werkt en daar beleid op te maken voor het verbeteren van de vrijheid en gelijkwaardigheid van lhbtiq+ personen. In 2027 wordt aanvullend onderzoek gepubliceerd dat onder andere nader inzicht moet geven in de invloed van (verschillende vormen van) religieus conservatisme. Op basis van die resultaten weeg ik af welk aanvullend onderzoek en toezicht nodig is.
Bent u bereid uw woorden in te trekken en excuses aan te bieden aan de moslimgemeenschap in Nederland?
Ik ga graag in gesprek met de moslimgemeenschap over lhbtiq+-acceptatie in het algemeen en de vrijheid en gelijkwaardigheid van islamitische lhbtiq+ jongeren in het bijzonder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
De bevindingen zijn zeer zorgelijk. Antisemitisme, zowel offline als online, is onacceptabel. Joden moeten zich in Nederland vrij en veilig kunnen voelen. Het kabinet zet zich daarom actief in voor de bestrijding van antisemitisme, waaronder online antisemitisme.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Dat het onderzoek laat zien dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media in enkele jaren is verdubbeld en het aantal directe bedreigingen zelfs is vervijfvoudigd, is een uiterst ernstige ontwikkeling. Hoewel het kabinet terughoudend is met het trekken van conclusies uit één onderzoek, sluiten de bevindingen aan bij bredere signalen van onder meer politie, het Openbaar Ministerie, de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) en maatschappelijke organisaties dat online antisemitisme de afgelopen jaren is toegenomen.
Antisemitisme tast niet alleen de veiligheid van Joden aan, maar ook de open en democratische rechtsstaat. Het kabinet veroordeelt deze ontwikkeling daarom nadrukkelijk.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Het kabinet beoordeelt deze ontwikkeling als buitengewoon ernstig. Oproepen tot moord, uitroeiing of geweld tegen Joden zijn niet «slechts» kwetsende uitingen, maar kunnen afhankelijk van de inhoud en context strafbare feiten opleveren, zoals het aanzetten tot haat of geweld of bedreiging. Dergelijke uitingen dragen bovendien bij aan een online klimaat waarin intimidatie en discriminatie worden genormaliseerd en kunnen ook leiden tot reële veiligheidsrisico's voor Joden.
Waar sprake is van strafbare uitingen en een aangifte daarvan, is het aan politie en OM om daartegen op te treden. Wanneer uitingen kwalificeren als terroristische online-inhoud kan er daarnaast melding worden gemaakt bij het online meldpunt van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). De ATKM is bevoegd om verwijderbevelen uit te vaardigen aan platformen en hostingbieders om terroristische content binnen één uur offline te halen of ontoegankelijk te maken.
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Het klopt dat antisemitisme zich breed manifesteert en dat dit zeker niet alleen uit rechts-radicale en complotgerichte online kringen komt. Vanuit allerlei extremistische ideologische hoeken, van links tot rechts, alsook vanuit religieus extremisme, komt jodenhaat voor. Internationale spanningen werken daarbij door in het publieke debat en op sociale media, waar antisemitische uitingen in sommige kringen steeds vaker openlijk worden geuit of genormaliseerd. Antisemitisme is onacceptabel, waar het ook vandaan komt.
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Het kabinet onderkent dat buitenlandse extremistische netwerken en influencers steeds meer gebruik maken van sociale media om antisemitische propaganda, complottheorieën en haatdragende narratieven internationaal te verspreiden. Online platformen kennen geen landsgrenzen, waardoor dergelijke boodschappen ook Nederlandse gebruikers bereiken en polarisatie kunnen versterken.
De Digital Services Act (DSA) verplicht zeer grote online platformen om illegale content te modereren en systeemrisico's, waaronder de verspreiding van illegale content alsook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten met name o.a. het in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrecht op non-discriminatie, te analyseren en passende maatregelen te nemen. Daarnaast werkt Nederland nauw samen met de Europese Commissie en andere lidstaten om grensoverschrijdende online risico’s op beïnvloeding aan te pakken. Tegelijkertijd blijft het versterken van digitale weerbaarheid en mediawijsheid essentieel om gebruikers weerbaarder te maken tegen dergelijke beïnvloeding.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan. De aanpak van online antisemitisme maakt deel uit van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–20302. Deze strategie vormt het samenhangende beleidskader voor de bestrijding van antisemitisme en omvat maatregelen op het gebied van bescherming en handhaving, onderwijs, preventie en het versterken van Joods leven en herdenken.
Ten aanzien van de online omgeving zet het kabinet in op een combinatie van regulering, handhaving en samenwerking met nationale en internationale partners.
Online platformen zijn gebonden aan de DSA. Deze verordening heeft als doel te zorgen voor een veilige, voorspelbare en betrouwbare online omgeving, waarin de verspreiding van illegale online inhoud en de maatschappelijke risico’s die de verspreiding van desinformatie of andere inhoud met zich kunnen brengen, worden aangepakt, en waarin de in het Handvest verankerde grondrechten doeltreffend worden beschermd. Voor dat doel bevat de DSA verschillende zorgvuldigheidsverplichtingen voor verschillende typen tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Zo moeten zij een zorgvuldig beleid ten aanzien van inhoudsmoderatie opnemen in hun algemene voorwaarden en dat beleid ook zorgvuldig toepassen in de praktijk (artikel 14). Zij moeten verder een toegankelijk en gebruiksvriendelijk systeem hebben waarin gebruikers of derden melding kunnen doen van illegale inhoud, waaronder haatzaaiende of discriminerende inhoud, en dat leidt tot tijdige en zorgvuldige besluiten over die meldingen (artikel 16). Zeer ernstige strafbare feiten moeten worden gemeld bij de bevoegde rechtshandhavende autoriteiten (artikel 18). De verordening verplicht aanbieders van online platforms verder om gebruikers die frequent kennelijk illegale inhoud verspreiden, tijdelijk te schorsen (artikel 23 van de verordening).
De zogenaamde zeer grote online platforms- en zoekmachines, die als zodanig moeten worden aangewezen door de Europese Commissie,3 moeten verder ten minste één keer per jaar de zogeheten systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Systeemrisico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en de eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de openbare veiligheid of de uitoefening van grondrechten, waaronder het grondrecht op non-discriminatie. Risicobeperkende maatregelen van zeer grote online platforms kunnen onder meer de naleving van gedragscodes omvatten. In dat kader is relevant dat de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online+ in 2025 in de DSA is geïntegreerd. Deze gedragscode heeft tot doel de verspreiding van illegale haatzaaiende uitlatingen op onlineplatforms te voorkomen en aan te pakken door middel van toezeggingen op het gebied van algemene voorwaarden, herziening van de tijd van kennisgevingen, transparantie van inhoudsmoderatieacties, samenwerking tussen meerdere belanghebbenden en bewustmaking. De ondertekenaars,4 waaronder zeven zeer grote online platforms, verbinden zich ertoe de verbintenissen uit de code na te leven.
In Nederland is Meld Online Discriminatie (MOD) aangewezen als betrouwbare flagger onder de DSA. MOD beoordeelt meldingen van mogelijk illegale discriminatoire content en kan platforms verzoeken deze content te verwijderen.
Daarnaast blijft het kabinet online platforms aanspreken op hun verantwoordelijkheid om een veilige online omgeving te creëren. Nederland neemt deel aan internationale samenwerking, waaronder een meerjarige werkgroep van de Europese Commissie over de bestrijding van antisemitisme. Ook heeft het kabinet tijdens het ministeriële EU Internet Forum5 van 4 maart aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van platforms om online antisemitisme effectief tegen te gaan.
De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) speelt eveneens een belangrijke rol. De NCAB zit een internationale werkgroep voor van nationale coördinatoren en speciaal gezanten die online platforms aanspreekt op de aanpak van online antisemitisme en organiseert jaarlijks de International Prosecutors Summit on Antisemitism (IPSA), waarin Europese openbaar aanklagers samenwerken aan de versterking van de strafrechtelijke aanpak van onder meer online antisemitisme. Ook laat de NCAB jaarlijks onderzoek naar online antisemitisme in Nederland.
Voor wat betreft het tegengaan van online radicalisering, extremisme en terrorisme coördineert de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de Versterkte Aanpak Online (VAO). De aanpak omvat diverse interventies onder andere op het gebied van preventie en bewustwording, normerende gesprekken met de internetsector, en de inzet van het bestaande wettelijke kader – waaronder de DSA en de verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI). Ook wordt door middel van ondersteunende bijeenkomsten, regionale adviezen via lokaal adviseurs en een verkenning naar een communicatie aanpak over online gevaren, gewerkt aan het versterken van de digitale weerbaarheid van de samenleving. Over deze beleidsinzet en recente ontwikkelingen is uw Kamer op 22 mei jl. geïnformeerd via de Voortgangsbrief Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content.6
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Nee. Voor het onderzoek heeft Textgain data van Twitter/X Facebook, Instagram, TikTok en YouTube geanalyseerd, maar ook kleinere sites als Dumpert, geenstijl.nl en Marokko.nl en internetfora als 4chan en Soyzellig. De onderzoekers concluderen dat antisemitisme op deze platforms zou zijn toegenomen, maar het onderzoek betreft geen juridisch onderzoek naar de naleving van de DSA door zeer grote online platforms. Het is aan de Europese Commissie als primaire toezichthouder op zeer grote online platforms- en zoekmachine, om te beoordelen of zij hun verplichtingen onder de DSA naleven. De Commissie is daarin onafhankelijk.
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, biedt de DSA een belangrijk Europees kader voor een veiligere online omgeving. De DSA bevat enerzijds een kader voor aansprakelijkheid en anderzijds zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten, waaronder online platforms. Deze verplichtingen zijn erop gericht illegale inhoud op online platforms terug te dringen en ervoor te zorgen dat met name zeer grote online platforms hun verantwoordelijkheid nemen om systeemrisico’s te beperken. De integratie van de Gedragscode voor de bestrijding van illegale haatzaaiende uitlatingen online in de DSA draagt bij aan de naleving en doeltreffende handhaving van de DSA op dit gebied.
Op dit moment heeft het kabinet geen reden om te twijfelen aan de toereikendheid van dit kader. Het toezicht op de DSA begint op stoom te komen, zoals onder meer blijkt uit de handhavingsacties van de Europese Commissie en de nationale toezichthouders. Tegelijkertijd vormt de DSA één onderdeel van een bredere aanpak. Effectieve bestrijding van antisemitisme vraagt eveneens om strafrechtelijke handhaving, internationale samenwerking, onderwijs en maatschappelijke weerbaarheid.
Het kabinet blijft de werking van de DSA volgen. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Deze evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA maar kan desalniettemin kansen bieden om de werking in de praktijk te verbeteren. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse betrokkenheid bij de evaluatie en gaat hiervoor in gesprek met betrokken ministeries en toezichthouders.
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
Het kabinet blijft de dialoog met de internetsector zoeken over zowel schadelijke als illegale content, waaronder trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. In alle gesprekken die we met online platforms voeren worden deze onderwerpen, waaronder ook de bestrijding van antisemitische content, aan de orde gesteld. Daarnaast ondersteun ik, samen met de Staatssecretaris van Economische Zaken – Digitale Economie en Soevereiniteit, de Publiek private Samenwerking Online Content onder neutraal voorzitterschap van ECP.
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Voor zover mij bekend, betreffen 4chan en Soyzellig beide user-generated content platforms, waarop gebruikers tekst, afbeeldingen en reacties kunnen plaatsen. Of zij onder de reikwijdte van de DSA vallen, hangt af van de vraag of zij kwalificeren als «tussenhandeldienst», meer specifiek als «hosting dienst» en «online platform» als subcategorie van hostingdiensten. Hoewel het aan de bevoegde toezichthouders en/of rechter is om dit vast te stellen, lijkt dit voor beide platforms voorshands het geval, in welk geval zij zullen moeten voldoen aan de verplichtingen in de DSA die gelden voor online platforms. Het betreft onder meer de zorgvuldigheidsverplichtingen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6, met de kanttekening dat 4chan en Soyzellig niet zijn aangewezen als «zeer groot online platform» en dus niet aan de verplichtingen inzake systeemrisico’s hoeven te voldoen. Die verplichtingen gelden enkel voor de platforms met een gemiddeld aantal maandelijks actieve afnemers van 45 miljoen of meer.
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Zowel de politie als het OM hebben expertisecentra gericht op de aanpak van discriminatiezaken. Bij de politie levert het Expertise Centrum Aanpak Discriminatie-Politie (ECAD-P) op verschillende manieren expertise met betrekking tot de aanpak van discriminatie (waaronder antisemitisme) aan de politieorganisatie. De capaciteit van het ECAD-P is het afgelopen jaar uitgebreid en bestendigd met structurele middelen. Bij het ECAD-P leveren discriminatierechercheurs ondersteuning aan collega’s in regionale eenheden bij de behandeling van discriminatiezaken en helpen zij de basisteams proactief bij het herkennen en oppakken van meldingen en aangiftes met een discriminatoir karakter. Wanneer iemand melding of aangifte doet van discriminatie in een politie-eenheid dan pakt de medewerker uit die eenheid deze zaak op en rondt deze zelf af. Bij complexere zaken kan een beroep worden gedaan op de discriminatierechercheur die aan de eenheid is gekoppeld. Daarnaast zijn thematische discriminatierechercheurs bij het ECAD-P werkzaam, onder andere specifiek op de thema’s antisemitisme en online discriminatie.
Het Landelijk Expertisecentrum Discriminatie (LECD) van het OM zorgt voor het adviseren en informeren van officieren en andere medewerkers binnen het OM op het gebied van de aanpak van discriminatiezaken. Elk arrondissementsparket heeft officieren van justitie die gespecialiseerd zijn in strafbare discriminatie. Zij behandelen complexe discriminatiezaken en zijn vraagbaak voor andere collega’s. De discriminatieofficieren en andere gespecialiseerde OM-medewerkers komen meerdere keren per jaar met het LECD samen om geïnformeerd te blijven en tijdig nieuwe ontwikkelingen rondom strafbare discriminatie, waaronder online antisemitisme, te signaleren. Het OM is op dit moment bezig om de aanpak van online discriminatie te intensiveren. Binnen het huidige beleid bestaat ruimte om in uitzonderlijke gevallen ook ambtshalve discriminatiezaken op te pakken. Die ruimte wordt binnen het OM de komende periode beter benut door vanuit de discriminatieaanpak nadrukkelijker samen te werken met de aanpak van (online) terrorismezaken.
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor de strijd tegen (online) antisemitisme en voor de veiligheid van Joden in Nederland. De bevindingen van dit onderzoek neemt het kabinet dan ook serieus en zal deze betrekken bij de verdere uitvoering van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 en het Plan van aanpak online discriminatie waar antisemitisme deel van uitmaakt.
De voorgenomen aanscherping van de Wapenwet |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het kabinet de Wapenwet wil aanscherpen met onder meer psychologische en lichamelijke controles voor houders van een wapenverlof?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Erkent u dat houders van een wapenverlof reeds behoren tot de strengst gecontroleerde burgers van Nederland en zich moeten houden aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften?
Het stelsel rond legaal wapenbezit is in opzet stringent en legt aan (aanstaande) verlofhouders verplichtingen op. De Wet wapens en munitie (WWM) gaat er immers vanuit dat legaal wapenbezit en -gebruik risico’s voor anderen en de openbare orde en veiligheid met zich brengen en het veiligheidsgevoel van burgers kunnen aantasten. Om die reden zijn wapens dan ook bij uitgangspunt wettelijk verboden voor alle burgers. Zoals verankerd in de WWM, staat de overheid een vergunning voor een wapen alleen toe wanneer er sprake is van een redelijk belang en wanneer er geen vrees voor misbruik bestaat; dat laatste is één van de belangrijkste weigeringsgronden. Deze waarborgen worden in de praktijk vormgegeven via vergunningplichten, antecedenten- en betrouwbaarheidstoetsen, eisen aan veilige opslag en periodieke herbeoordelingen.
De stringente uitgangspunten van de wet zijn in de praktijk niet op alle onderdelen goed uitgewerkt. De Onderzoeksraad voor de Veiligheid heeft in 2011 gesignaleerd dat de toepassing van de criteria «redelijk belang» en «vrees voor misbruik» uiteenloopt en dat onvoldoende helder is welke feiten en omstandigheden bij die beoordeling zwaarder moeten wegen. Daarnaast zijn er zwakke plekken in stelsel en uitvoering benoemd en blijkt dat het stelsel in de praktijk als ontoegankelijk wordt ervaren. In 2022 is de e-screener opgeschort en is het WM32-formulier tijdelijk ingevoerd om de psychische gesteldheid te toetsen. Deze werkwijze is gebaseerd op zelfverklaring en referenten en heeft wel waarde heeft maar is geen toereikend instrument is voor het toetsen van de fysieke en psychische gesteldheid.2 In 2024 ontving uw kamer het verslag van kennistafels die zich hadden gebogen over suggesties voor een definitieve oplossing.3 Deze bevindingen worden meegenomen in de nadere uitwerking van de toetsen voor fysieke en psychische gesteldheid.
Kortom: ik erken dat verlofhouders zijn onderworpen aan een uitgebreid stelsel van vergunningen, controles, screenings en opslagvoorschriften; die noodzakelijk zijn gelet op het uitgangspunt «wettelijk verboden voor alle burgers». Tegelijk constateer ik dat dit stelsel op onderdelen onvolledig, ineffectief, onduidelijk of juridisch ontoereikend is. Daarom werk ik aan verduidelijking en versterking van de toepassing van «redelijk belang» en «vrees voor misbruik», aan meer uniformiteit in de beoordeling, aan een robuustere toetsing van de fysieke en psychische geschiktheid die verder gaat dan zelfverklaring, en aan verbetering van de gebruikte instrumenten. Zo blijft de bescherming van de openbare orde en de veiligheid van burgers leidend en wordt deze in de praktijk beter geborgd.
Waarom kiest u ervoor opnieuw extra verplichtingen op te leggen aan legale jagers, sportschutters en verzamelaars, terwijl het illegale wapenbezit onder criminelen onverminderd groot blijft? Heeft u dan wel de prioriteiten op orde?
Dit is geen kwestie van óf-óf. De aanpak van illegaal wapenbezit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
Ik zet in op de aanpak van illegale wapens. Per 1 juli 2026 is de maximumgevangenisstraf voor onder meer het in strijd met de wet vervaardigen of voorhanden hebben van illegale wapens verdubbeld van 4 naar 8 jaar4. Politie en OM zetten hier hard op in: tijdens een recente landelijke actiedag zijn tientallen vuurwapens aangetroffen en 14 verdachten aangehouden. Daarnaast wordt gericht geïnvesteerd in preventie, onder meer via een educatief pakket op scholen over «life skills» zoals conflicthantering (Voel je veilig), om de weerbaarheid van jongeren te vergroten en wapenbezit te voorkomen.
Het stelsel voor legaal wapenbezit zoals uitgewerkt in de Wet wapens en munitie is een ander vraagstuk. In Nederland geldt een verbod op wapenbezit, via vergunningen kunnen daarop uitzonderingen worden gemaakt voor een beperkt aantal gerechtvaardigde toepassingen. Als overheid hebben we de verantwoordelijkheid om die uitzonderingen zó in te richten dat toepassingen daadwerkelijk gerechtvaardigd kunnen worden naar de samenleving en om te zorgen voor eisen en voorschriften die het risico op misbruik beperken. De verplichtingen voor verlofhouders zijn noodzakelijke waarborgen om de openbare orde en veiligheid te beschermen.
Klopt het dat politie en justitie nu al moeite hebben om alle bestaande controles en toezichtmaatregelen rond verlofhouders uit te voeren? Zo ja, waarom acht u verdere uitbreiding van het stelsel dan uitvoerbaar? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om alleen vergunningen te verlenen aan personen indien toereikende eisen en voorschriften worden gesteld aan de aanvrager of houder van een vergunning en getoetst wordt of aan de eisen en voorschriften wordt voldaan. De overheid dient ook te voorzien in controle en toezicht op de personen en na te gaan of zij zich houden aan de eisen en voorschriften van de vergunning.
De aanpassingen voor nieuw beleid en wetgeving zijn erop gericht om heldere en eenduidige eisen en voorschriften te stellen aan aanvragers en houders van een wapenvergunning. Deze eisen en voorschriften zijn veelal een uitwerking van de uitgangspunten van de huidige wet- en regelgeving. Zo dient een aanvrager of houder van een wapenvergunning te worden getoetst op risicofactoren waaronder de psychische gesteldheid met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen, zoals voorgeschreven in de Circulaire wapens en munitie.
In aanloop naar nieuwe wetgeving wordt tussentijds gekeken naar, waar dat mogelijk is, het verlichten van de administratieve druk, digitalisering van het administratieve aanvraagproces wat ook voor de aanvragers en houders druk wegneemt, en het verbeteren van de gegevensuitwisseling tussen uitvoeringsdiensten. Het is de taak van de overheid om te bepalen wat een zinvolle en gerechtvaardigde toepassing is voor wapens door burgers en in welke gevallen we dus een uitzondering op het wapenverbod voor burgers willen toestaan. De lastenverzwaring voor uitvoeringsdiensten zal zo veel mogelijk worden beperkt door het opstellen van helder beleid op gerechtvaardigde toepassingen van de betrokken ministeries.
Op basis van welke concrete cijfers concludeert u dat psychologische en lichamelijke keuringen van alle verlofhouders daadwerkelijk zullen leiden tot een veiliger Nederland?
Het door de overheid verlenen van een wapenvergunning is een uitzondering op het algemene wapenverbod voor burgers. In de toekomst zal dit alleen gebeuren indien een psychologisch onderzoek bij aanvragers en houders is afgenomen. De overheid heeft immers een actieve plicht om ervoor te zorgen dat er enkel vergunningen worden verleend aan mensen die daar psychisch gezien op een verantwoorde manier mee om kunnen gaan. Steeds meer Europese landen stellen dergelijke psychologische onderzoeken verplicht aan aanvragers en houders van vergunningen.
Net als mijn voorganger, hanteer ik het uitgangspunt dat de overheid geen wapenvergunningen dient te verlenen aan personen met risicofactoren en dat hiertoe een psychologisch onderzoek moet worden doorlopen om vast te stellen of bij personen al dan niet indicaties van een risico aanwezig zijn.5 Het belang van de samenleving gaat altijd boven de aanvrager of houder van een wapenvergunning.
Waarom richt u zich op burgers die reeds bekend zijn bij de overheid, beschikken over een vergunning en zich al aan uitgebreide regels houden, in plaats van de aanpak van illegaal wapenbezit en vuurwapengeweld verder op te voeren?
Zoals toegelicht bij het antwoord bij vraag 3 is dit geen kwestie van óf-óf. De aanpak van criminaliteit en het borgen van een veilig en zorgvuldig stelsel voor legaal wapenbezit zijn twee verschillende maar beide noodzakelijke sporen.
De overheid heeft de verantwoordelijkheid om zorgvuldig en uitlegbaar beleid te maken bij het toestaan van uitzonderingen op het algemene verbod op wapens voor burgers. Dit betekent dat de beoogde toepassingen van de wapens gerechtvaardigd kunnen worden naar de samenleving en dat er toereikende eisen en voorschriften worden gesteld die het risico op misbruik beperken.
Deelt u de opvatting dat het wrang is dat legale verlofhouders opnieuw worden geconfronteerd met extra controles, keuringen en beperkingen, terwijl veel Nederlanders dagelijks zien dat vuurwapengeweld, straatterreur en ernstige criminaliteit door veelplegers een steeds groter probleem vormen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Welke problemen worden met deze maatregelen opgelost die niet reeds met de bestaande bevoegdheden, controles en screenings kunnen worden aangepakt?
In mijn brief van 17 juni jl. zijn de contouren van de nieuwe wet omschreven die de oorspronkelijke fundamenten van de wet beogen te herstellen en die de uitzonderingen op het verbod strikt, uitlegbaar en navolgbaar beogen te begrenzen. Zoals uit de Kamerbrief blijkt, gaat het over een stelselwijziging die invloed heeft op de uitgangspunten en de opbouw van de wet. De maatregelen in de stelselwijziging adresseren onder meer: het ontbreken van een toereikend instrument voor psychische beoordeling en het ontbreken van eisen aan fysieke geschiktheid; het (tegenwettelijk) neerleggen van de feitelijke beslissingsbevoegdheid bij verenigingen; ontbreken van verankerde bekwaamheidseisen (m.u.v. jacht); risico’s van thuisbewaring en transport; onvoldoende zicht en traceerbaarheid van munitie, en verhoging van gevaarzetting van wapens door technologische ontwikkelingen (zoals zware luchtdrukwapens); inconsistente regelgeving en gegevensuitwisseling; niet-kostendekkende uitvoering en wisselende kwaliteit bij uitvoeringsdiensten.
Bent u bereid af te zien van nieuwe lasten voor legale verlofhouders zolang niet is aangetoond dat de bestaande regelgeving onvoldoende is en zolang de handhaving van de huidige regels niet volledig op orde is? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 17 juni jl. beschrijf ik de noodzaak van nieuw beleid en wetgeving en een stelselherziening om de genoemde tekortkomingen te adresseren. Hierbij wordt zorgvuldig gewerkt: maatregelen worden uitgewerkt met uitvoeringstoetsen op proportionaliteit en haalbaarheid, en waar mogelijk worden knelpunten die geen wetswijziging vergen eerder aangepakt. Daarmee wordt zowel handhaving versterkt als regelgeving verbeterd.
Tevens staat in mijn brief van 17 juni jl. opgenomen dat het uitgangspunt voor wetgeving is dat degene die profijt heeft van de vergunning, de kosten die de overheid maakt voor de vergunningverlening, controle en toezicht dient te vergoeden. Eerder heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid aangegeven dat een kostendekkend stelsel gewenst is, zodat de financiële lasten niet bij de overheid liggen.6 Momenteel inventariseert een extern onderzoeksbureau de totale kosten van het stelsel en wordt er een onderbouwd kostprijsmodel ontwikkeld ten behoeve van het innen van onkostenvergoedingen.
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Ja.
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Zoals eerder is aangegeven in de Kamerbrief van 11 juni 2026 met de reactie op de twee moties over het WK-voetbal, gunt het kabinet eenieder om van het WK-voetbal te genieten.3 Samen voetbal kijken zorgt voor saamhorigheid en verbinding. Maar er zijn ook regels van toepassing op het vertonen van sportwedstrijden buiten de huiselijke kring (de zogenoemde public viewings). Zoals toegelicht in de brief zijn er verschillende situaties waarop verschillende regels van toepassing zijn. Het gaat onder andere om het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet 2008, mede gebaseerd op Europese staatssteunregels, en om de contractuele bepalingen uit de overeenkomst van de NOS met de FIFA inzake de uitzendrechten voor het WK-voetbal. Uit deze regels vloeit voort dat er een vergoeding gevraagd moet worden voor vertoningen met een commercieel karakter buiten de huiselijke kring.
De betreffende (horeca)ondernemers behalen een direct economisch voordeel door de vertoning van de wedstrijden, omdat uit ervaring blijkt dat deze op dat moment leidt tot een toename van het aantal bezoekers en daarmee tot extra omzet. Dit voordeel manifesteert zich voorafgaand, tijdens en ook na de vertoning en staat in rechtstreeks verband met de beschikbaarstelling van de uitzending. Tegen die achtergrond is de toepasselijkheid van het dienstbaarheidsverbod niet afhankelijk van het overschrijden van een bezoekersdrempel van 5.000 personen. De economische bevoordeling doet zich immers voor ongeacht de omvang van het publiek, zodat ook viewing evenementen met lagere bezoekersaantallen onder de reikwijdte van het dienstbaarheidsverbod vallen.
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Het vertonen van WK-wedstrijden in horecagelegenheden of op andere locaties is een commerciële exploitatie van de uitzendingen die zorgt voor (meer) bezoekers en bijdraagt aan meer omzet voor de ondernemers op dat moment. Ook worden speciale WK-vertoningen georganiseerd waarbij het doel nadrukkelijk is om winst te genereren middels kaartverkoop en/of door extra omzet uit de verkoop van eten en drinken. Aan de andere kant staat het horecaondernemers altijd vrij om geen WK-vertoningen te organiseren als de inschatting wordt gemaakt dat dit commercieel niet interessant is.
Dat de uitzendingen van WK-wedstrijden een substantieel commercieel voordeel kunnen opleveren, blijkt onder meer uit de vele speciaal georganiseerde WK-evenementen. Ook blijkt een aanzienlijke stijging van het aantal pintransacties en de horecaomzet tijdens wedstrijden van het Nederlands elftal.5 Dat de extra horeca-inkomsten tijdens WK-wedstrijden worden gevolgd door mogelijk lagere inkomsten op momenten dat er geen WK-wedstrijden zijn, is niet relevant voor de toepassing van het dienstbaarheidsbeginsel.
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet verbiedt publieke omroepen bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst (of concurrentievoordeel) door commerciële partijen. Dit beginsel is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun, dat beoogt te voorkomen dat publieke middelen worden aangewend ter bevoordeling van marktpartijen.
Zie verder ook het antwoord op vraag 2.
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
De NOS verkrijgt de public viewing-rechten als onderdeel van het totale rechtenpakket dat met de FIFA wordt overeengekomen. Over deze rechten wordt niet afzonderlijk onderhandeld. De huidige overeenkomst ziet overigens op zowel het WK 2026 als het WK 2030. Het niet door de NOS verwerven van de public viewing-rechten betekent overigens niet dat dan voor het commerciële gebruik van deze rechten geen vergoeding verschuldigd zou zijn. In dat geval zullen organisatoren zoals horecaondernemingen of gemeenten de benodigde rechten rechtstreeks bij de FIFA moeten afnemen. De FIFA hanteert daarbij een tariefstructuur die afhankelijk is van het verwachte bezoekersaantal. Zo geldt bijvoorbeeld een vergoeding van 1.000 USD voor evenementen tot en met 1.000 bezoekers, 2.000 USD voor 1.001 tot en met 2.000 bezoekers en 4.000 USD voor evenementen van 2.001 tot en met 5.000 bezoekers.
Daarnaast ontslaat een rechtstreekse licentie bij de FIFA de (horeca)ondernemers niet van de verplichting om toestemming te verkrijgen voor de auteursrechtelijke openbaarmaking van de betreffende uitzending. Daarvoor is in Nederland nog steeds een afzonderlijke licentie van de NOS vereist. In dat scenario zouden organisatoren derhalve met twee afzonderlijke licentieverleners moeten contracteren en twee afzonderlijke licenties moeten verkrijgen.
Een belangrijk verschil met Nederland is dat België niet beschikt over een collectieve beheersorganisatie vergelijkbaar met Videma in Nederland. De Vlaamse publieke omroep VRT is verantwoordelijk voor de licentieverlening voor de openbaarmaking van haar uitzendingen, maar verwijst ondernemers daarnaast naar de FIFA voor het verkrijgen van de benodigde public viewing-licentie. Hierdoor kunnen organisatoren geconfronteerd worden met verschillende rechthebbenden en afzonderlijke licenties met voorwaarden. In Vlaanderen kan deze onduidelijkheid leiden tot onzekerheid bij ondernemers die publieke vertoningen van wedstrijden willen organiseren.
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Het maatschappelijk belang dat hier aan de orde is, is de naleving van nationale en internationale (wettelijke) normen en het onafhankelijk toezicht daarop. Het Commissariaat voor de Media is de onafhankelijke toezichthouder voor de Nederlandse mediasector. Als zelfstandig bestuursorgaan opereert het Commissariaat volledig onafhankelijk, zonder politieke of bestuurlijke inmenging. Juist voor de mediasector is het van belang dat het toezicht onafhankelijk is, mede gelet op het belang van deze sector voor de onafhankelijke nieuwsvoorziening en de democratische rechtsorde. Daarom wil ik als Minister geen moreel appel doen en de deur openzetten voor andere oproepen vanuit de politiek.
Maatschappelijke problemen en/of een groot risico voor het publiek belang zijn algemene uitgangspunten die het Commissariaat voor de Media hanteert in het kader van de prioritering binnen zijn toezichtstrategie maar als onafhankelijke toezichthouder bepaalt het Commissariaat – binnen de bevoegdheden die de Mediawet hem geeft – zelf op welke zaken hij zich in zijn toezicht richt.
De NOS dient zich als publieke omroep te houden aan de regels uit de Mediawet, waaronder het dienstbaarheidsverbod. Op het moment dat het Commissariaat signalen krijgt of uit eigen onderzoek blijkt dat de NOS zich niet aan de Mediawet houdt, is het aan de onafhankelijke toezichthouder om een handhavingstraject te starten. Het past mij niet om een moreel appel te doen op het Commissariaat om dat niet te doen, of mij anderszins te mengen in de uitvoering van het toezicht door het Commissariaat.
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Het dienstbaarheidsverbod is een algemeen beginsel uit de Mediawet 2008 en is tot stand gekomen na langdurige gesprekken met de Europese Commissie over de financiering van de publieke omroep. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van die zaak aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.6 De Europese staatssteunregels bieden naar mijn mening geen ruimte om voor specifieke evenementen zoals een EK- of WK-voetbal een (wettelijke) uitzondering te maken op het dienstbaarheidsverbod uit de Mediawet. Ik zie dan ook geen mogelijkheden om hiervoor een wetswijziging in gang te zetten. Het dienstbaarheidsverbod is gebaseerd op Europese staatssteunregels en is juist bedoeld om ondernemers te beschermen. De publieke omroep dient zich marktconform te gedragen en voorkomen moet worden dat de ene groep ondernemers (bovenmatig) kan profiteren terwijl een andere groep dat niet kan. Zonder het dienstbaarheidsverbod zou er dus oneerlijke concurrentie kunnen plaatsvinden, ofwel doordat de publieke omroep met eigen activiteiten marktverstorend werkt, ofwel doordat bepaalde marktpartijen de markt verstoren vanwege voordelen die zij van de publieke omroep verkrijgen.
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Zoals werd aangegeven in de Kamerbrief van 11 juni 2026 is de regulering van openingstijden (van horeca) een lokale aangelegenheid. Het kabinet is naar aanleiding van de moties in gesprek gegaan met de VNG en heeft de oproep gedaan aan gemeenten om horecaondernemingen tegemoet te komen wanneer zij plannen hebben om WK-wedstrijden te vertonen en daarvoor ruimere openingstijden vereist zijn. De praktijk heeft laten zien dat gemeenten horecaondernemers deze ruimte ook hebben geboden. Steeds meer gemeenten verruimden de openingstijden. Waar in maart 2026 slechts 11% van de gemeenten ruimere openingstijden dan de reguliere sluitingstijden had ingesteld voor het WK, was dat ten tijde van de brief opgelopen naar circa 40%. Later is dit nog verder gestegen naar circa 55%.7 Zoals ook aangegeven in de brief heeft het Rijk geen eigen bevoegdheid om openingstijden landelijk te regelen of gemeenten te verplichten tijdelijk ruimere openingstijden te hanteren.
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
U vroeg mij deze vragen binnen een week te beantwoorden. Dat is helaas niet gelukt aangezien ik voor de beantwoording van de vragen afhankelijk was van informatie van derden en ik de antwoorden ook nog interdepartementaal diende af te stemmen. Op 10 juli 2026 heb ik u een uitstelbrief gestuurd voor de beantwoording van deze (en andere) Kamervragen.
Bent u bekend met de uitspraak van misdaadjournalist Paul Vugts in de Parool Misdaadpodcast van 11 juni 2026, waarin hij stelt dat Amsterdamse ambtenaren hem zouden hebben benaderd nadat hij had gepubliceerd over Syrische asielzoekers die verantwoordelijk zouden zijn voor een golf van straatroven in Amsterdam, met de boodschap dat dergelijke berichtgeving «rechts in de kaart» zou spelen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het buitengewoon zorgelijk is wanneer ambtenaren feitelijke journalistieke berichtgeving beoordelen aan de hand van de vraag welke politieke stroming daar mogelijk baat bij zou hebben?
In algemene zin is het niet ongebruikelijk dat de overheid, bijvoorbeeld via woordvoerders of persvoorlichters, contact onderhoudt met journalisten. Het is de taak van deze ambtenaren om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt dat een ambtenaar zijn werk politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen.
Deelt u de mening dat de waarheidsvinding door journalisten nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan de vraag of feiten «links», «rechts» of enig ander politiek kamp in de kaart spelen?
Ja. Journalisten moeten hun werk in vrijheid kunnen doen. Zij hanteren hierbij de journalistieke kernbeginselen, zoals hoor en wederhoor en het verifiëren van bronnen. Deze werkwijze draagt eraan bij dat een onderwerp vanuit verschillende perspectieven wordt belicht. Het is vervolgens aan de lezer, kijker of luisteraar om zich op basis van de door de journalist verstrekte informatie een eigen oordeel te vormen.
Acht u het verenigbaar met de persvrijheid wanneer overheidsfunctionarissen journalisten benaderen met de suggestie dat bepaalde feiten beter niet gepubliceerd kunnen worden omdat deze een politiek onwenselijk effect zouden kunnen hebben?
In algemene zin kan ik zeggen dat de persvrijheid in het geding komt als er van overheidswege censuur zou worden toegepast, bijvoorbeeld het op basis van politieke motieven uitvaardigen van een verbod iets te publiceren. Dat is in Nederland niet toegestaan. Daarnaast is het onacceptabel als de overheid «zachte druk» uitoefent op journalisten of media. Zulke druk kan een zogenoemd chilling effect veroorzaken, waardoor journalisten uit vrees voor negatieve gevolgen overgaan tot zelfcensuur. Ook dat is onwenselijk en dient te worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het kwalificeren van feitelijke berichtgeving als iets wat «rechts in de kaart speelt» een vorm van politieke framing is die niet thuishoort in het contact tussen overheid en journalistiek?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een overheid die journalisten probeert te bewegen om feiten niet of minder prominent te publiceren uit angst voor electorale of ideologische gevolgen, zich begeeft op een hellend vlak richting politieke beïnvloeding van de pers?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.
Vindt u het acceptabel dat ambtenaren kennelijk niet primair bezwaar zouden hebben tegen de feitelijke juistheid van berichtgeving, maar tegen de mogelijke politieke interpretatie daarvan?
Ik verwijs u naar het antwoord op vragen 3 en 4.
Deelt u de mening dat de taak van journalisten is om relevante feiten boven tafel te krijgen en te publiceren en niet om bij iedere publicatie af te wegen of die publicatie «rechts in de kaart» zou kunnen spelen?
Ja. Journalisten werken volgens journalistieke kernbeginselen. De Raad voor de Journalistiek vat dit in de Leidraad kernachtig samen: «Goede journalistiek is waarheidsgetrouw en nauwgezet, onpartijdig en fair, controleerbaar en integer.»2 Het is aan de journalist om, vaak in overleg met zijn redactie, de afweging te maken hoe deze beginselen in een concreet geval worden toegepast.
Bent u bereid uit te spreken dat feiten over criminaliteit, migratie, asiel en openbare veiligheid niet mogen worden verzwegen of afgezwakt omdat de politieke consequenties daarvan bepaalde partijen of stromingen zouden kunnen bevoordelen?
Ja. Een gezond debat wordt gevoerd met de juiste feiten. Journalisten hebben een belangrijke rol in het brengen van deze feiten, zodat de lezer, kijker of luisteraar zelf een afweging kan maken en een mening kan vormen.
Deelt u de mening dat het bestrijden van «rechtse» politieke duiding nooit een taak kan is van gemeentelijke ambtenaren in hun contact met journalisten?
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 2 kan ik zeggen dat in contacten met journalisten, het de taak van ambtenaren is om vragen van journalisten te beantwoorden en het overheidsbeleid toe te lichten of onder de aandacht te brengen. Daarbij geldt zoals hiervoor aangegeven dat een ambtenaar zijn werk te allen tijde politiek neutraal en op basis van deskundigheid moet doen. Het bestrijden van een bepaalde politieke duiding behoort niet tot de taak van een ambtenaar.
Bent u bereid bij de gemeente Amsterdam na te vragen of de term «rechts in de kaart spelen», of woorden van gelijke strekking, daadwerkelijk is gebruikt in contact met Paul Vugts of met andere journalisten?
De lokale gemeenteraad, in dit geval de Amsterdamse, heeft tot taak het college van burgemeester en wethouders te controleren. In de Amsterdamse gemeenteraad zijn tevens raadsvragen gesteld over deze kwestie, waarmee de gemeenteraad dus invulling geeft aan deze verantwoordelijkheid.
Bent u bereid daarbij ook na te gaan of binnen de gemeente Amsterdam interne richtlijnen, instructies of communicatiestrategieën bestaan waarin wordt gesproken over het voorkomen van berichtgeving die «rechts», «populistisch», «extreemrechts» of andere politieke stromingen in de kaart zou kunnen spelen?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 11.
Kunt u uitsluiten dat er binnen de gemeente Amsterdam of andere overheidslagen beleid, instructies of informele werkwijzen bestaan om berichtgeving over asielzoekers, statushouders, migranten of criminaliteit te ontmoedigen wanneer deze politiek ongewenst wordt geacht?
Ten aanzien van de situatie in de gemeente Amsterdam zijn er raadsvragen gesteld, zoals benoemd in het antwoord op vraag 11. Ik heb geen signalen ontvangen dat er bij overheden gebruikt wordt gemaakt van beleid, instructies of informele werkwijzen over het ontmoedigen van bepaalde berichtgeving.
Bent u bereid te onderzoeken of overheidscommunicatieafdelingen journalisten vaker benaderen met politieke argumenten over de mogelijke impact van hun berichtgeving, in plaats van met feitelijke correcties of wederhoor?
Ik heb geen signalen ontvangen dat ambtenaren regelmatig journalisten benaderen met politieke argumenten. Ik zie derhalve geen aanleiding voor een onderzoek.
Bent u bereid heldere richtlijnen op te stellen of aan te scherpen waarin wordt vastgelegd dat overheidsfunctionarissen journalisten niet mogen aanzetten tot het achterwege laten van berichtgeving op grond van het argument dat deze «rechts in de kaart» zou spelen?
Nee. Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de voorgaande vragen.
Deelt u de mening dat juist het achterhouden of ontmoedigen van feitelijke berichtgeving over gevoelige onderwerpen het wantrouwen in overheid en media voedt?
Zorgvuldige en eerlijke communicatie door de overheid is essentieel voor het vertrouwen van burgers in de overheid. De media hebben tot taak om in informatie te voorzien, de macht te controleren en een podium te bieden aan diverse geluiden. De journalistieke sector heeft hiervoor zelf standaarden opgesteld, zoals bijvoorbeeld in de eerder aangehaalde Leidraad van de Raad voor de Journalistiek.
Bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van iedere vorm van overheidsdruk op journalisten die is gebaseerd op de politieke gevolgen van hun berichtgeving?
Er is geen plaats voor overheidsdruk op journalisten om zo hun berichtgeving te beïnvloeden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Een Instagrampost van de minister over een onderhoud van de minister met leden van de Moslim Studenten Associatie (MSA) |
|
Diederik Boomsma (CDA), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de post op Instagram van 11 juni 2026 waarin u vertelt over uw ontmoeting met leden van de Moslim Studenten Associatie (hierna: MSA)?1
Ja.
In deze post zegt u dat «veel moslimstudenten» zich «nog niet altijd» thuis voelen op hun onderwijsinstelling, heeft u een idee hoeveel studenten dit betreft en wat hun klachten precies zijn?
Voor het onderwijs zijn er geen cijfers over thuisgevoel uitgesplitst naar religie. Breder onderzoek laat zien dat er moslimdiscriminatie plaatsvindt in de Nederlandse samenleving.2
Moslimstudenten geven aan, onder andere op basis van een eigen enquête3 die zij aan één van mijn ambtsvoorgangers hebben aangeboden, dat (gebrek aan) thuisgevoel in het onderwijs een belangrijk issue voor hen is. Tevens hebben zij mij en mijn ambtsvoorgangers er in gesprekken op gewezen dat zij te maken krijgen met incidenten zoals koranverscheuringen, onveiligheid tijdens stages met angst om te melden en meer beveiligingscontroles op basis van uiterlijke kenmerken (zoals het dragen van een hoofddoek). Ook noemen zij dat moslimstudenten vaak de eerste in hun familie zijn die naar het hoger onderwijs gaan. Dit brengt prestatiedruk met zich mee, vaak ook een financiële druk thuis, en vraagt om aandacht voor thuisgevoel.
Was u ervan op de hoogte dat de MSA is aangesloten bij Femyso, het Forum of European Muslim Youth and Student Organisations, dat volgens de inlichtingendiensten van België, Duitsland en Frankrijk en verschillende wetenschappers de officieuze jongerentak is van de Council of European Muslims, een organisatie die de strategie voor de Europese Unie coördineert van de Moslimbroederschap die streeft naar de islamisering van het Westen? Zo ja, heeft u hierover gesproken met de delegatie van MSA?2, 3, 4, 5, 6, 7
Het is openbare informatie dat MSA lid is van Femyso. Dit is tijdens het gesprek niet aan de orde gekomen. Het gesprek ging over studentenwelzijn en thuisgevoel. Daarover spreek ik met meerdere studenten. Dat vind ik belangrijk en blijf ik doen. De MSA heeft mij naar aanleiding van deze vragen laten weten dat zij is aangesloten bij Femyso, maar dat zij geen enkele verbinding heeft met de Moslimbroederschap.
Wat vindt u van de bevinding dat Femyso en de bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA strijden volgens de in vraag 3 genoemde inlichtingendiensten en wetenschappers tegen islamofobie of moslimdiscriminatie en voor «sociale veiligheid» omdat officieel erkend slachtofferschap helpt bij het behouden en verkrijgen van subsidies en het verwezenlijken van faciliteiten zoals bijvoorbeeld gebeds- of stilteruimten waarmee de «ongelovige» omgeving kan worden aangepast aan de islamitische norm?
Ik deel dit beeld niet. Discriminatie van welke groep dan ook is bij wet verboden. Dit kabinet zet zich in voor het tegengaan van discriminatie en het verbeteren van sociale veiligheid voor iedereen. Zoals ik ook in het debat over mentale gezondheid van scholieren en studenten van 24 juni jl. heb aangegeven, spreek ik met allerlei studenten over onderwerpen waar zij mee zitten, met welke achtergrond dan ook. Ik vind het enorm belangrijk dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs en zie het als mijn rol om daarover in gesprek te gaan.
Er is geen subsidierelatie tussen het ministerie en de MSA. Voorts blijft het al dan niet verwezenlijken van stilteruimten een verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen zelf. Net als de toekenning van bestuursbeurzen voor studentenverenigingen.
Wat vindt u van de bevinding dat volgens de Franse sociologe en kenner van de ideologie van de Moslimbroederschap Florence Bergeaud-Blackler en van een in mei vorig jaar verschenen onderzoek dat is verricht in opdracht van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken dat Femyso en bij haar aangesloten verenigingen zoals MSA opleidingsstructuren voor hooggekwalificeerde kaderleden van de Moslimbroederschap zijn die een rol moeten spelen in de strategie die entryismwordt genoemd, dat wil zeggen het ideologisch bewerken en verleiden van overheidsorganisaties om deze een «inclusieve» koers te laten varen die de islam accommodeert? Bent u bekend met het onderzoek van Florence Bergeaud-Blackler en hoe beoordeelt u de bevindingen en waarschuwingen daarin?8
Hier ben ik niet bekend mee.
Het onderzoek van het Franse Ministerie van Binnenlandse Zaken was voor de Franse president Macron aanleiding om aan te dringen op maatregelen, het rapport waarschuwt onder andere dat de organisaties van het moslimbroedernetwerk heel bedreven zijn in het exploiteren van slachtofferschap («victimisation») om de eigen agenda vooruit te helpen, herkent u het beeld? Zo nee, waarom niet?9, 10
Ik beschik niet over de informatie om dit beeld te duiden.
Meent u – in het licht van deze waarschuwing – dat het verstandig was om leden van de MSA niet alleen te ontvangen maar ook hun narratief over te nemen dat «veel moslimstudenten» zich niet thuis voelen op universiteiten, hogescholen en mbo-instellingen waardoor deze klacht die draait om een niet nader omschreven gevoel wint aan legitimiteit? Graag een toelichting.
Ik vind het belangrijk dat iedereen zich thuis voelt binnen het onderwijs. Thuisgevoel is, los van een op zichzelf staande waarde, ook van invloed op studiesucces. Ik spreek met een brede groep studenten met verschillende achtergronden, waarbij ik geen enkele groep studenten boven de andere plaats. Op die manier leer ik wat er speelt onder studenten. Ik wijs uw suggestie af dat ik door gesprekken te voeren een bepaald narratief overneem in relatie tot de uitdagingen die moslimstudenten ervaren.
Lokale afdelingen van de MSA – zoals de MSA Rotterdam (Erasmus Universiteit), de MSA UAS (Amsterdam) en de EMSA (Universiteit Twente) – zijn erkende studentenorganisaties die in aanmerking komen voor subsidies van de onderwijsinstellingen zoals «bestuursmaanden» en activiteitensubsidies, daarnaast kunnen zij een beroep doen bij gemeenten op een bijdrage uit welzijns- en diversiteitspotjes, bent u bereid met de betrokken onderwijsinstellingen en gemeenten in overleg te treden om te zien hoeveel subsidie de MSA via al deze kanalen ontvangt?
Nee, ik ben daartoe niet bereid. Onderwijsinstellingen en gemeenten gaan zelf over hun uitgaven, binnen de kaders die er gelden. Ik heb er vertrouwen in dat zij hun keuzes en afwegingen zorgvuldig maken.
Hoe beoordeelt u de financiering van deze organisaties, in het licht van de formele banden van MSA met Femyso en vindt u het wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 8.
Bent u bereid kennis te nemen van de actuele wetenschappelijke literatuur over de Moslimbroederschap en het zogenoemde «broederisme» alsmede het rapport van de Franse overheid dat beschrijft hoe verenigingen die zich presenteren als ngo’s voor burgerrechten en non-discriminatie in feite religieuze lobbyorganisaties zijn die de taal spreken van diversiteit en inclusie om groepsprivileges af te dwingen zoals gebedsruimten, inclusief tentamenbeleid – flexibiliteit rondom religieuze feestdagen – en halal-opties in de kantine? Graag een toelichting.11, 12
Ik neem kennis van uiteenlopende wetenschappelijke publicaties en rapporten over verschillende onderwerpen. Daarbij baseer ik mijn oordeel niet op één specifieke analyse of denkrichting, maar op een brede weging van beschikbare feiten en onderzoek.
Een reclameverbod voor ultra fast fashion |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de EenVandaag-uitzending over een reclameverbod op ultra fast fashion?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat reclame voor ultra fast fashion-producten via sociale media (zoals TikTok Shop), aanbevelingsalgoritmen en influencermarketing bijdraagt aan overconsumptie van textiel en daarmee op gespannen voet staat met de Nederlandse én Europese doelstellingen op het gebied van circulaire economie en grondstoffengebruik? Zo nee, waarom niet?
Ja, die opvatting deel ik. In het Nationaal Programma Circulaire Economie zet het kabinet onder andere in op het efficiënter grondstoffengebruik en het bevorderen van circulair consumentengedrag. Het sterk groeiende verdienmodel van ultra fast fashion platforms staan hiermee op gespannen voet en stimuleren het tegenovergestelde. Deze producten bestaan vaak uit textiel van lage kwaliteit met een korte levensduur en worden tegen lage prijzen aangeboden. Daarnaast zorgt de instroom van grote hoeveelheden laagwaardig textiel ervoor dat hergebruik en hoogwaardige recycling onder druk staat. Ook de Inspectie Leefomgeving en Transport benoemt deze problemen.2Bovendien maken bepaalde platforms gebruik van diverse reclame- en marketingtechnieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, om consumenten te verleiden tot het kopen van grote hoeveelheden trendgevoelige kleding.
In hoeverre acht u het wenselijk dat met name jongeren en financieel kwetsbare consumenten via ultra fast fashion-platforms worden blootgesteld aan koopprikkels voor goedkope kledingproducten? Ziet u een relatie tussen dergelijke verkooptechnieken, impulsaankopen en de financiële weerbaarheid van consumenten?
Het is belangrijk dat consumenten, met name jongeren en financieel kwetsbare groepen, hun keuzes kunnen baseren op duidelijke en betrouwbare informatie en niet worden beïnvloed door misleidende verkooptechnieken. Daarom zetten de ACM3 en Europese toezichthouders4 zich actief in voor de naleving van de consumentenregels en spreken zij deze platforms hierop aan. Eerder hebben Europese consumententoezichthouders vastgesteld dat bepaalde ultra fast fashion-platforms gebruikmaken van technieken, zoals nepkortingen, aftelklokken en meldingen van beperkte beschikbaarheid, die consumenten kunnen aanzetten tot impulsieve aankopen en in strijd zijn met het consumentenrecht. De consumententoezichthouders roepen de platforms op hun handelspraktijken in overeenstemming te brengen met het consumentenrecht. Omdat deze platforms in meerdere Europese landen dezelfde mogelijke overtredingen begaan, is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van de Europese consumententoezichthouders. Ook de ACM neemt deel aan deze actie. Het overtreden van consumentenregels kan de financiële weerbaarheid van consumenten onder druk zetten.
In hoeverre acht u een benadering voor ultra fast fashion-producten juridisch en beleidsmatig haalbaar, zoals in verschillende sectoren waarbij beperkingen of verboden gelden op reclame wanneer producten of diensten aantoonbaar negatieve maatschappelijke gevolgen hebben, zoals bij tabak, kansspelen en bepaalde financiële producten?
Het kabinet ziet dat er zorgen bestaan over de impact van ultra fast fashion en de wijze waarop deze producten worden gepromoot. Voor ultra fast fashion ontbreekt op dit moment een dergelijke juridische afbakening. Om een eventueel verbod of vergaande beperking van reclame juridisch houdbaar te maken, is een dergelijke heldere definitie nodig van wat onder ultra fast fashion wordt verstaan en op welke gronden een beperking gerechtvaardigd is.
Daarbij geldt dat reclameregulering een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en daarom alleen mogelijk is wanneer daarvoor een voldoende zwaarwegend algemeen belang bestaat en de maatregel proportioneel en goed afgebakend is. Het kabinet ziet het vaststellen van een duidelijke definitie als eerste stap. Dit onderwerp wordt op Europees niveau opgepakt, gezien het belang van harmonisatie binnen de textielsector. Nederland, Duitsland en Frankrijk brengen een non-paper in bij de Milieuraad waarin wij pleiten voor een Europese definitie van ultra fast fashion.
Daarna worden de juridische mogelijkheden verder onderzocht. Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning. Op het gebied van illegale reclame gelden er Europese regels onder de Digital Services Act (DSA). Deze regels zijn sinds 2024 van kracht. Zij verplichten platforms om illegale content en misleiding tegen te gaan. Ook het gebruik van misleidende verkooptechnieken en zogenoemde dark patterns valt hieronder.
Bent u bekend met de maatregelen die in Frankrijk en Italië zijn genomen of voorgesteld om reclame voor ultra fast fashion te beperken?
Ja.
Bent u bereid om, in navolging van Frankrijk en Italië, te onderzoeken of een Nederlandse definitie van ultra fast fashion kan worden opgesteld?
Ja, Nederland bepleit samen met andere lidstaten een Europese definitie en gezamenlijke aanpak van ultra fast fashion. Hierbij kan worden gekeken naar bestaande voorbeelden, zoals in Frankrijk.
Wat is uw beleidsambitie op de breed aangenomen motie Stoffer c.s. over voor het begrotingsdebat IenW komen met een actieplan om ultrafast fashion aan te pakken (Kamerstuk 32 852, nr. 372) die oproept om de Franse anti ultra fast fashionwet te vertalen naar Nederland? Wanneer kunnen we concrete beleidsacties verwachten hieromtrent?
In de voortgangsrapportage textiel van 2025 is de Kamer geïnformeerd over de aanpak ultra fast fashion naar aanleiding van motie Stoffer c.s. Daarnaast heeft de Textieltafel, onder leiding van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie Steven van Eijck, partijen uit de textielketen samengebracht om te werken aan oplossingen voor de inzameling, sortering en recycling van textiel. In het rapport «Samen verder in Circulair Textiel» doet de Textieltafel aanbevelingen om de circulaire textielketen te versterken. De Kamer ontvangt voor de zomer een kabinetsreactie, inclusief de verdere uitwerking van de aanpak van ultra fast fashion.
De invloed van FVD op de publieke omroep ON |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving in het televisiedocumentaire De duistere kant van Forum voor Democratie over beïnvloeding van de publieke omroep ON door de politieke partij FVD, mede in het licht van onafhankelijke journalistiek bij publieke omroepen in het algemeen en onafhankelijke nieuwsgaring en verslaglegging in het bijzonder?1
De documentaire gaat in op mogelijke beïnvloeding van ON! door Forum voor Democratie. Het is niet aan mij om te vast te stellen of daar daadwerkelijk sprake van is. Ik kan hier wel het volgende over zeggen. De publieke omroep heeft tot taak om op een redactioneel onafhankelijke manier media-aanbod te verzorgen. In dat media-aanbod mogen politieke en maatschappelijke standpunten aan de orde komen, maar politieke beïnvloeding van redactionele keuzes is in strijd met de wettelijke taakopdracht die de publieke omroepen hebben. De maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke visie van waaruit een omroepvereniging werkt, kan overeenkomsten hebben met standpunten van politieke partijen. Maar dat is iets anders dan wanneer een omroepvereniging een spreekbuis of het propagandakanaal van een politieke partij is of wordt. Dat staat de Mediawet logischerwijs niet toe. De redactionele onafhankelijkheid is vastgelegd in de wettelijke taakopdracht van de publieke omroep en in de wettelijk verplichte redactiestatuten van de omroepen. Daarnaast geldt voor journalistiek media-aanbod de Code Journalistiek Handelen die de gezamenlijke landelijke omroepen hebben vastgesteld. Het is aan het Commissariaat voor de Media respectievelijk de ombudsman voor de publieke omroep om te beoordelen of er in strijd met de wet respectievelijk de code is gehandeld.
Klopt het beeld dat de omroep deals heeft gesloten met FVD die invloed hebben op welke gasten deze in zijn uitzendingen uitnodigt? Als dit waar is, is dit dan strijdig met de redactionele onafhankelijkheid van de omroep?
Ik heb geen informatie die duidt op het sluiten van deals. Maar als dat het geval zou zijn, dan geldt wat ik in mijn antwoord op vraag 1 heb gesteld. Een publieke omroep hoort zijn redactionele beslissingen onafhankelijk te maken en daar valt ook de keuze van gasten onder. Overigens heeft ON! in zijn eigen redactiestatuut opgenomen dat de redactie de haar opgedragen programmatische journalistieke taken uitoefent zonder rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook, noch van buitenaf, noch van binnenuit, en dat de redactie geen directe binding heeft met enige politieke of levensbeschouwelijke groepering of met belangengroepen, anders dan een lidmaatschap.
Klopt het dat het ledenbestand van ON is gestolen?
ON! laat desgevraagd weten op de hoogte te zijn geweest van een mogelijk datalek. Daarop heeft de omroep intern onderzoek laten doen en een melding van een mogelijk datalek gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik kan slechts constateren dat in de documentaire van PowNed wordt gesteld dat een onbevoegd persoon over het ledenbestand van ON! zou beschikken.
In algemene zin kan toegang tot persoonsgegevens door een onbevoegde als een inbreuk op de vertrouwelijkheid gelden. Op grond van het eerste lid van artikel 33 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dient een inbreuk in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalek) door de verwerkingsverantwoordelijke gemeld te worden, tenzij het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.
Of heeft de omroep het ledenbestand gedeeld met FVD? Mag dit volgens de regelgeving?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u uiteen zetten hoeveel sancties de omroep heeft opgelegd gekregen en welke overtredingen deze heeft begaan volgens de NPO, de NPO-ombudsman en het Commissariaat voor de Media?
In 2022 heeft de NPO aan ON! twee sancties opgelegd. De eerste sanctie betrof een inhouding van 2,5% op het budget van ON! en volgde op een rapport van de ombudsman van 7 juni 2022 inzake overtredingen van de Code Journalistiek Handelen. De NPO oordeelde dat ON! daarmee onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking binnen de publieke omroep. De tweede sanctie betrof een inhouding van 1,5% van het budget van ON! omdat naar de mening van de NPO ON! door zijn opstelling en gedrag samenwerking belemmert en daardoor onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking. In 2023 heeft de NPO aan ON! een derde sanctie opgelegd in de vorm van inhouding van 3,5% van het budget van ON!, naar aanleiding van een tweede rapport van de ombudsman van 30 november 2022 waarin deze concludeert dat de Code Journalistiek Handelen door ON! structureel wordt overtreden. Volgens de NPO bleek wederom dat ON! onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking. Overigens heeft de NPO in 2024 de eerste twee van de drie sancties om proceseconomische redenen herroepen.
In het jaarverslag van de ombudsman kan men vinden wat de ombudsman binnenkrijgt aan aantallen klachten over de diverse omroepen. Op de website van de ombudsman staan ook de publicaties van de ombudsman naar aanleiding van klachten en vragen van het publiek. Niet elke klacht leidt tot een onderzoek en niet elk onderzoek leidt tot een harde conclusie over het al dan niet schenden van de Code Journalistiek Handelen. In meerdere uitspraken naar aanleiding van klachten over ON! heeft de ombudsman adviezen voor verbetering aangedragen. In een viertal uitspraken heeft de ombudsman scherp geoordeeld dat sprake is van schendingen van de Code. Behalve de reeds genoemde twee onderzoeksrapporten betreft het de volgende twee uitspraken. In de uitspraak van 17 augustus 2023 over de eerste uitzending van het derde seizoen van Ongehoord Nieuws op 31 januari 2023 concludeert de ombudsman onder meer dat presentatoren niet doorvroegen naar onderbouwing van beweringen van sprekers, waardoor voor goed begrip belangrijke context ontbrak en aantoonbaar onjuiste informatie niet werd gecorrigeerd. In een uitspraak van 11 februari 2026 over de uitzending van Ongehoord Nieuws van 14 oktober 2025 concludeert de ombudsman dat op meerdere punten niet aan de Code Journalistiek Handelen is voldaan: feiten, meningen en beweringen liepen door elkaar en belangrijke uitspraken werden niet onderbouwd met controleerbare bronnen. Ik merk hierbij op dat de ombudsman geen bevoegdheden heeft om sancties op te leggen.
Het Commissariaat voor de Media heeft op 18 september 2025 een bestuurlijke boete opgelegd aan ON! van in totaal € 40.000 omdat ON! op twee manieren de Mediawet 2008 heeft overtreden. Allereerst doordat in twee gevallen (de schijn van) belangenverstrengeling is ontstaan, namelijk doordat een bestuurder van ON! verantwoordelijk is geweest voor personeelsaangelegenheden van een familielid en doordat er vermenging van redactionele en (privé) politieke belangen van een medewerker heeft plaatsgevonden. Ten tweede heeft het Commissariaat geconstateerd dat ON! haar eigen redactiestatuut niet heeft nageleefd omdat een lid van de redactie van ON! directe binding had met een politieke partij (verdergaand dan alleen een lidmaatschap). Verder heeft het Commissariaat nog een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet voldoen aan de informatieverplichting. Deze last is door ON! opgevolgd en de dwangsom is niet geïnd.
Klopt het dat u volgens de Mediawet als enige bevoegd bent om de licentie van een publieke omroep in te trekken?
Het klopt dat op grond van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 alleen de Minister bevoegd is om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken.
Hoeveel van zulke «gele kaarten» kan ON zich uws inziens nog permitteren, voordat u het gepast vindt de zendmachtiging in te trekken?
Intrekken van een (voorlopige) erkenning is een zeer ingrijpende beslissing waarvoor een zeer zware motiveringsplicht geldt. Een (voorlopige) erkenning kan dan ook alleen ingetrokken worden op in de wet vastgelegde limitatieve gronden (artikel 2.33 Mediawet 2008). De wet onderscheidt daarbij gevallen waarbij er geen afwegingsruimte voor de Minister is en een (voorlopige) erkenning moet worden ingetrokken (artikel 2.33, lid 1) en gevallen waarin een (voorlopige) erkenning kan worden ingetrokken en er dus afwegingsruimte voor de Minister is (artikel 2.33, lid 2 tot en met 4). In die laatste gevallen heeft de Minister een belangenafweging te maken, waarbij in elk geval het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) toepassing vindt. Dit betekent dat de Minister moet beoordelen of intrekking van de erkenning, gelet op het doel van de Mediawet 2008, een geschikt, noodzakelijk en proportioneel middel zou zijn. In 2023 heeft toenmalig Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onvoldoende juridische grond gezien om tegemoet te komen aan een verzoek van de raad van bestuur van de NPO om op grond van artikel 2.33, lid 4, Mediawet 2008 de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Bij de vraag of de opgelegde sancties van het Commissariaat inmiddels voldoende grondslag zijn om de voorlopige erkenning in te trekken, moeten de aard en ernst van de overtredingen en de overwegingen van het Commissariaat daarbij worden meegewogen. Ook de overwegingen en conclusies van de evaluatiecommissie NPO kunnen in de afwegingen worden betrokken. Naar aanleiding van het rapport van de evaluatiecommissie, hebben omroepen de NPO verzocht mij te vragen passende maatregelen te nemen. De NPO beraadt zich nu op dat verzoek.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over de landelijke publieke omroep van 24 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Forum voor Democratie en Ongehoord Nederland |
|
Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Letschert , van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitingen die zijn gedaan in een PowNed documentaire waarin is gesteld dat een onbevoegd persoon beschikt over het volledige ledenbestand van Ongehoord Nederland?
Indien deze beschuldiging juist blijkt, kwalificeert dit dan als een meldingsplichtig datalek onder de Algemene verordening gegevensbescherming?
Bent u bekend met enige melding van een datalek door Ongehoord Nederland met betrekking tot ledengegevens?
Deelt u de opvatting dat leden van omroepverenigingen erop moeten kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens niet terechtkomen bij personen die geen functionele noodzaak hebben om daarover te beschikken?
Welke maatregelen worden genomen indien blijkt dat persoonsgegevens van circa 50.000 leden onbevoegd toegankelijk zijn geweest?
Kunt u uitsluiten dat persoonsgegevens die zijn verzameld voor een omroeplidmaatschap worden gebruikt voor partijpolitieke doeleinden, en zo nee, welke waarborgen bestaan hiertegen?
Het bericht 'Torenhoge salarissen omroepbazen stegen nóg verder, terwijl gewone medewerkers vrezen voor hun baan' |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat salarissen van omroepbestuurders sterker zijn gestegen dan die van het overige personeel terwijl tegelijkertijd sprake is van bezuinigingen en ontslagen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke loonontwikkeling waarbij bestuurders relatief sterker vooruitgaan dan medewerkers een onwenselijk signaal afgeeft in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd? Zo nee, waarom niet?
Voor de bezoldiging van bestuurders gelden heldere regels. De bezoldiging van bestuurders en toezichthouders in de publieke sector zijn gemaximeerd door de Wet Normering Topinkomens (WNT). De maximale bezoldiging van de WNT wordt ieder jaar geïndexeerd met het percentage van de ontwikkeling van de contractuele loonkosten voor de overheid.
Dit voorkomt dat de bezoldiging te hoog wordt of te sterk stijgt.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot het uitgangspunt dat publieke middelen sober, doelmatig en maatschappelijk verantwoord moeten worden besteed?
De loonontwikkeling van de bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris is gemaximeerd door de WNT. Die maximering is juist gebaseerd op het uitgangspunt van een sobere, doelmatige en maatschappelijk verantwoorde besteding van publieke middelen. Ik ben van mening dat organisaties die een publieke taak hebben en die bekostigd worden met publiek geld, hun bestuurders en toezichthouders ordentelijk behoren te betalen. Ordentelijk betekent: evenwichtig, maatschappelijk verantwoord en niet exorbitant.
Klopt het dat bestuurdersbeloningen veelal meestijgen met het maximum van de Wet normering topinkomens (WNT)? Acht u het wenselijk dat dit maximum in de praktijk als richtpunt fungeert in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd?
De WNT kent bewust alleen maxima, daarbinnen is het aan de bestuurder als topfunctionaris en de instelling als werkgever om tot afspraken over de bezoldiging en de overige arbeidsvoorwaarden te komen. Als partijen een bezoldiging op het maximum afspreken, is dat dus niet verboden door de WNT. Het is dan aan partijen zelf om ervoor te zorgen dat de bezoldiging niet boven dat maximum uitkomt, zo zal bijvoorbeeld bij verhoging van één component van de bezoldiging een of meer andere componenten dienovereenkomstig moeten worden verlaagd. Overigens geldt voor de bestuurders in de publieke mediasector dat er aparte, verlaagde, maxima zijn afgesproken die afhankelijk zijn van de bestuurlijke complexiteit van de instelling.
Kunt u een overzicht geven van de verhouding tussen uitgaven aan bestuur, toezicht en management enerzijds en het programmabudget anderzijds over de afgelopen vijf jaar?
De financiële verantwoording van de omroepen is niet ingericht op de termen bestuur, toezicht en management. Wel wordt bij de omroepen een onderscheid gemaakt tussen organisatiekosten en kosten voor media-aanbod. Bij de NPO-organisatie wordt een onderscheid gemaakt tussen bestuur en beheer, ondersteuning aan de ene kant en gemeenschappelijke activiteiten (o.a. kosten voor rechten en distributie) aan de andere kant. Op basis van dit onderscheid is het aandeel organisatiekosten in de totale kosten van het bestel circa 14%.
In de Mediabegrotingsbrief 2027 zal ik een meerjarenoverzicht van de afgelopen jaren opnemen.
In hoeverre acht u het verdedigbaar dat bij bezuinigingen primair wordt gesneden in programmering en redactionele capaciteit terwijl bestuurlijke lagen relatief worden ontzien?
De landelijke publiek omroep is onafhankelijk. Het is dan ook primair aan de NPO en de omroepen om te bepalen hoe de bezuinigingen worden ingevuld. Het uitgangspunt daarbij is wel om de programmering zoveel als mogelijk te ontzien. Om die reden wordt er bij de invulling van de bezuinigingen ook bespaard op de organisatiekosten van de NPO en de omroepen.
Deelt u de opvatting dat een publieke omroep bij bezuinigingen bij zichzelf dient te beginnen en dat dit impliceert dat ook de top van de organisatie naar rato bijdraagt aan besparingen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
In hoeverre verwacht u dat de hervormingen binnen de publieke omroep leiden tot lagere overhead en een beperking van bestuurlijke kosten?
De voorgenomen hervorming gaat leiden tot minder organisaties en minder bestuurlijke afstemming. Dat leidt ook tot een lagere totale overhead en minder bestuurlijke kosten.
Waarom is er voor gekozen om pas in het vierde kwartaal van 2026 een voorstel te doen voor een benchmark voor overheadkosten? Waarom is er niet gekozen voor versnelling, gelet op de actuele maatschappelijke en politieke discussie over bezuinigingen en bestedingen binnen de publieke omroep?2
De keuze voor het vierde kwartaal is gebaseerd op benodigde tijd voor afstemming, in een periode waarin er al veel tijd en aandacht nodig is om de voorgenomen hervorming en bezuinigingen goed vorm te geven en uit te werken.
Ook zonder benchmark bestaan er al afspraken en regelingen voor de hoogte en transparantie van de verschillende kosten. Omroepen rapporteren op basis van het handboek financiële verantwoording3 al jaarlijks over de hoogte van de organisatiekosten. De vergoeding voor organisatiekosten die omroepen ontvangen is genormeerd in de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO, waarmee de vergoeding voor organisatiekosten wordt bepaald, gerelateerd aan de hoogte van het programmabudget. De NPO rapporteert jaarlijks over de kosten van de eigen NPO-organisatie en maakt daarbij een onderscheid tussen kosten voor gemeenschappelijke activiteiten voor het gehele bestel (o.a. rechten en distributiekosten) en kosten voor bestuur en beheer en ondersteuning.
Kunt u uiteenzetten welke concrete definities en afbakeningen u hanteert voor «overhead» zodat inzichtelijk wordt welke kosten wel en niet onder deze toekomstige norm vallen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik een benchmark wil vormgeven en toepassen. Het uitgangspunt is om daarbij zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de al bestaande definities uit het handboek financiële verantwoording en het onderscheid dat daarin voor de financiële verantwoording voor omroepen al wordt gemaakt tussen kosten voor media-aanbod en organisatiekosten.
Hoe wordt gewaarborgd dat de voorgenomen benchmark daadwerkelijk vergelijkbaarheid en transparantie oplevert tussen omroepen?
Ik informeer u in de Mediabegrotingsbrief 2027 over de precieze definities en afbakening van de term overhead en over de manier waarop ik de benchmark wil vormgeven en toepassen. Het borgen van vergelijkbaarheid en transparantie is daar onderdeel van. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door vastlegging van definities en van rapportageafspraken.
Waarom wilt u, gezien de aanzienlijke hoeveelheid publieke middelen, geen koppeling maken tussen bezuinigingen op het mediabudget en besparingen op bestuur en toezicht vanwege de onafhankelijkheid van de publieke omroep? Hoe voorkomt u in dat licht dat bezuinigingen in de praktijk onevenredig neerslaan bij programma’s en makers?
Een directe koppeling vanuit de overheid tussen de hoogte van het totale mediabudget en de hoogte van uitgaven aan een specifieke kostencategorie is onwenselijk. Dat geldt voor alle uitgaven, ook de uitgaven aan bestuur en toezicht. De publieke omroep moet daarin onafhankelijk keuzes kunnen maken, binnen de kaders en randvoorwaarden die de wet- en regelgeving, waaronder de WNT, daaraan stellen. Zoals ook gesteld bij het antwoord op vraag 6 wordt bij de invulling van de huidige bezuinigingen ook bespaard op organisatiekosten bij de NPO en de omroepen.
Welke andere instrumenten of prikkels ziet u om te bevorderen dat ook binnen bestuur, toezicht en management kritisch wordt gekeken naar kostenreductie?
De kaders en randvoorwaarden uit wet- en regelgeving vormen tezamen het instrumentarium en de prikkel om te bevorderen dat kritisch wordt gekeken naar kostenreductie. Daarbij gaat het onder andere om de WNT, om de wettelijke opdracht om middelen doelmatig te besteden en om de organisatie sober, doelmatig en evenwichtig in te richten en om de bindende regeling vergoeding organisatiekosten van de NPO. Ook een transparante verantwoording en gebruik van een benchmark kan hieraan bijdragen.
In hoeverre acht u het voldoende dat bestuurdersbeloningen enkel worden begrensd via de WNT, gegeven het feit dat binnen dat kader alsnog sprake kan zijn van aanzienlijke salarisstijgingen?
Ik acht het voldoende dat de WNT alleen de maximale bezoldiging begrenst. Binnen die normen is het aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Tot hoe ver reikt de onafhankelijkheid van de NPO wanneer het gaat over de invulling van bezuinigingen? Waar zit de grens voor u om te besluiten in te grijpen bij disproportionele salarissen/beloningen van individuele medewerkers, bestuurders of toezichthouders?
De onafhankelijkheid van de NPO en de omroepen is een groot goed, die wat mij betreft ver reikt. Dat geldt ook voor de invulling van de bezuinigingen, zolang dat gebeurt binnen de kaders en randvoorwaarden van de wet- en regelgeving, waaronder de WNT.
Deelt u de opvatting dat het ontbreken van een koppeling tussen bezuinigingen en de bijdrage van de bestuurlijke top het risico vergroot dat het draagvlak voor de publieke omroep onder druk komt te staan?
Die opvatting deel ik niet. Ik vind het voor het draagvlak wel belangrijk dat de NPO en de omroepen transparant rapporteren over de manier waarop de beschikbare middelen worden ingezet en welke keuzes daarbij worden gemaakt. Het gebruik van een benchmark voor overhead kan daaraan bijdragen.
Hoe verhoudt uw standpunt dat de overheid geen partij is bij individuele beloningsafspraken zich tot de systeemverantwoordelijkheid voor doelmatige besteding van publieke middelen?
De systeemverantwoordelijkheid van de overheid voor doelmatige besteding van publieke middelen wordt onder andere ingevuld door de maximering van bezoldigingen van topfunctionarissen door de WNT. Dat verhoudt zich goed tot het standpunt dat het daarbinnen aan bestuurders en toezichthouders als topfunctionaris en de instelling als werkgever is om te komen tot afspraken over passende beloningen.
Kunt u toelichten hoe de Kamer tijdig wordt betrokken bij de uitwerking van de overheadnorm en de onderliggende keuzes?
Uw Kamer wordt geïnformeerd over de voorgenomen uitwerking en de onderliggende keuzes in de Mediabegrotingsbrief 2027. Het is daarna ook aan uw Kamer zelf om te bepalen of en hoe uw Kamer zich daarin kan vinden en welke uitwerking en betrokkenheid gewenst is.
Bent u bereid om, vooruitlopend op de definitieve benchmark, tussentijds inzicht te geven in de huidige overheadpercentages en mogelijke bandbreedtes voor een norm?
Zie het antwoord op vraag 5.
Authentieke en inauthentieke social media accounts |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hoe wordt het onderscheid tussen «authentiek» en «inauthentiek» gedrag op sociale media gemaakt?
Voor «authentiek» en «inauthentiek» gedrag op socialemediadiensten zijn geen eenduidig afgebakende begrippen. In artikel 34 en overweging 55 en 84 van de Europese digitaledienstenverordening (DSA) wordt wel verwezen naar de term «niet-authentiek gebruik». Die omschrijving biedt aanknopingspunten om dergelijk gebruik te onderscheiden van authentiek gebruik. Daaruit valt af te leiden dat bij niet-authentiek gebruik bijvoorbeeld gedacht kan worden aan het aanmaken van nepaccounts, het gebruik van bots, of andere bedrieglijke vormen van gebruik van de dienst. Artikel 34 van de DSA verwijst ook naar geautomatiseerde exploitatie van de dienst en de versterking en mogelijk snelle en wijde verspreiding van illegale inhoud en van informatie die niet verenigbaar is met de algemene voorwaarden van de dienst.
Worden er accounts als «inauthentiek» geïdentificeerd?
De overheid identificeert niet welke accounts niet-authentiek zijn. Die verantwoordelijkheid ligt op grond van de DSA bij aanbieders van zeer grote online platforms en zoekmachines. Zij zijn op grond van artikel 34 DSA verplicht een risicobeoordeling uit te voeren van het ontwerp en de werking van hun dienst, waarbij zij zogenaamde systeemrisico's identificeren en vervolgens beperken. Bij deze risicobeoordeling dienen zij rekening te houden met de manier waarop risico's worden beïnvloed door opzettelijke manipulatie van hun dienst, waaronder niet-authentiek gebruik. Daarnaast zijn zij op grond van artikel 37 DSA verplicht jaarlijks een onafhankelijke audit te laten uitvoeren om te controleren of de verplichtingen rond systeemrisicobeheer voldoende worden nageleefd. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van deze verplichtingen.
Als dat zo is, welke maatregelen worden vervolgens concreet tegen deze «authentieke accounts» genomen?
Er worden geen maatregelen tegen authentieke accounts genomen door de overheid. Wel kunnen online diensten maatregelen nemen tegen accounts die hun gebruikersvoorwaarden schenden.
Indien niet-authentiek gebruik van online diensten leidt tot systeemrisico’s voor de maatschappij, dienen aanbieders van zeer grote online platforms en zoekmachines met meer dan 45 miljoen actieve gebruikers mitigerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen kunnen onder meer het aanpassen van het ontwerp, de kenmerken of de werking van hun diensten omvatten, met inbegrip van hun online-interfaces, het testen en aanpassen van hun algoritmische systemen en/of het aanpassen van inhoudsmoderatieprocedures. Artikel 35 DSA noemt verder het markeren van gegenereerd of gemanipuleerd beeld-, audio- of videomateriaal als voorbeeld van een mitigerende maatregel. De Europese Commissie houdt toezicht op de naleving van de verplichtingen voor zeer grote online platforms en zoekmachines. In geval van niet-naleving kunnen bijvoorbeeld boetes worden opgelegd ter hoogte van 6% van de jaarlijkse omzet.
Het bericht 'Duitse regering wil nachtleven beschermen door clubs als culturele instelling te classificeren' |
|
Heera Dijk (D66) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Duitse regering wil nachtleven beschermen door clubs als culturele instelling te classificeren»?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving over de goedkeuring van de Duitse overheid om nachtclubs in bouwvergunningen als culturele instelling te classificeren.
Deelt u de zorg dat het aantal nachtclubs in tien jaar tijd met 45% is gedaald?
Nachtcultuur heeft culturele en maatschappelijke waarde, omdat het plekken zijn waar mensen elkaar ontmoeten en creatief talent zich kan tonen. Ik deel daarom in zijn algemeenheid de zorgen die er zijn over de beschikbaarheid van locaties voor nachtclubs.
Deelt u de opvatting dat het nachtleven culturele en maatschappelijke waarde heeft, doordat het ruimte biedt aan onder andere muziek, sociale verbinding, jong talent en bijdraagt aan een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat?
Zie antwoord vraag 2.
Beschouwt u nachtcultuur als onderdeel van de culturele infrastructuur van Nederland? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u voor het Rijk bij het behoud en de ontwikkeling daarvan?
Ik ben als Minister van OCW verantwoordelijk voor het culturele bestel. Nachtcultuur is daar als culturele uiting onderdeel van. Het Fonds Podiumkunsten heeft subsidieregelingen waar ook organisaties en makers uit de nachtcultuur een aanvraag kunnen doen. Daarnaast heeft het Ministerie van OCW het Centraal Bureau voor Statistiek de opdracht gegeven om dit jaar cijfers te verzamelen van clubs. De overheid gebruikt deze gegevens bijvoorbeeld om beleid te maken, en om te peilen hoe het gaat met de culturele sector.
Bent u bereid te onderzoeken of het, naar Duits voorbeeld, wenselijk en mogelijk is om nachtclubs met aantoonbare culturele waarde wettelijk als culturele instellingen te erkennen, zodat deze plekken beter beschermd worden tegen verdringing en sluiting?
Het is goed als nachtclubs, als plaats waar nachtcultuur een plek heeft, worden beschermd tegen verdringing en sluiting. Dit is primair de verantwoordelijkheid van gemeenten. Ik zie dat sinds 2022 een toenemend aantal gemeenten beleid ontwikkelt voor nachtcultuur. Ik zie op dit moment geen rol voor het Rijk.
Bent u bereid te onderzoeken hoe clubs en nachtculturele instellingen met aantoonbare culturele waarde op andere manieren beter kunnen worden beschermd?
Er is sinds 2022 een toenemend aantal gemeenten dat zich toelegt op de ontwikkeling van beleid rondom nachtcultuur. Gemeenten zitten dicht op het vuur, weten wat er speelt in de sector en in hun stad. Het Rijk ondersteunt onder meer via regelingen van het Fonds Podiumkunsten de nacht- en clubcultuur. Verschillende makers en organisatoren van bijvoorbeeld elektronische muziek, dans en (experimentele) performances en organisatoren ontvangen middelen van het fonds. In sommige gevallen worden ook clubs en podia die toegespitst zijn op nacht- en clubcultuur door het fonds ondersteund. Amsterdam Dance Event ontvangt van Fonds Podiumkunsten meerjarige ondersteuning als festival waar de nacht- en clubcultuur en de ontwikkelingen in de elektronische muziek centraal staan.
Welke mogelijkheden hebben nachtclubs of organisaties voor nachtcultuur op dit moment om binnen bestaande cultuurregelingen, rijksfondsen of gemeentelijke regelingen ondersteuning te krijgen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en gemeenten om in het ruimtelijkeordeningsbeleid structureler ruimte te reserveren voor nachtcultuur?
Ik zal bij mijn medebestuurders en mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aandacht vragen voor het belang van ruimte voor nachtcultuur.
Bent u bereid te onderzoeken of het agent-of-change-principe, naar voorbeeld van Toronto, ook in Nederland kan helpen om nieuwe woningbouw en bestaande nachtcultuur beter naast elkaar te laten bestaan?
Het agent-of-change principe waarbij op gemeentelijk niveau gekeken wordt hoe er in het omgevingsplan rekening gehouden kan worden met onder andere nachtculturele voorzieningen, wordt in verschillende steden in de wereld reeds toegepast. In het geval van Toronto, maar bijvoorbeeld ook in het geval van Londen, gaat het om gemeentelijke regelgeving. Ik zie op dit moment onvoldoende aansluiting op landelijk beleid om dit vanuit het Rijk nader te onderzoeken. Het staat gemeenten vanzelfsprekend vrij om daar zelf onderzoek naar te doen.
Bent u bekend met de Utrechtse pilot die jongeren op een veilige en begeleide manier laat kennismaken met het nachtleven, en bent u bereid te onderzoeken of dit model landelijk kan worden uitgerold om jongeren in een beschermde omgeving kennis te laten maken met nachtcultuur?
Ik ben bekend met de Utrechtse pilot UUUnight. Initiatieven om jongeren elkaar te laten ontmoeten, gebruik makend van al het moois dat in de nachtcultuur te vinden is, zijn waardevol. Utrecht en Amsterdam hebben ingezet op nachtcultuur, maar het kan natuurlijk ook op andere gebieden, zoals sport, theaterbezoek of gaming. Gemeenten zijn daarbij zelf verantwoordelijk of zij gemeentelijk beleid op het gebied van nachtcultuur willen ontwikkelen en implementeren.
Het bericht ‘Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht van 29 mei jl. «Zestal bekogelt moskee Rotterdam met bierflesjes en urineert tegen gebouw»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze gebeurtenis?
Vernieling van een gebedshuis is ernstig en onacceptabel. Dergelijke incidenten raken niet alleen gebouwen, maar ook mensen. Ze veroorzaken gevoelens van onrust, angst en onveiligheid binnen gemeenschappen.
Deelt u de opvatting dat iedereen in Nederland, ongeacht geloofsovertuiging, zich veilig moet kunnen voelen in en rondom zijn of haar gebedshuis en dat aanvallen op moskeeën onaanvaardbaar zijn?
In Nederland moet iedereen zijn of haar geloof vrij en veilig kunnen belijden. De vrijheid van godsdienst is een grondwettelijk recht. Aanvallen op gebedshuizen, waaronder moskeeën, zijn onaanvaardbaar.
Vernieling van gebouwen, waaronder gebedshuizen, is strafbaar.2 Wanneer dergelijke strafbare feiten gericht zijn tegen een groep mensen vanwege bijvoorbeeld hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met een discriminatoir aspect.3
Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt van het delict. Indien bij aangiften aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief, kan dit worden betrokken in het opsporingsonderzoek conform de Aanwijzing discriminatie.4
Kunt u aangeven hoe de regering gereageerd heeft op deze aanslag? Is er contact geweest met het bestuur van de Mevlana-moskee?
De primaire verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie en het contact met religieuze instellingen ligt bij het lokale gezag. De burgemeester van Rotterdam heeft direct na het incident contact opgenomen met het bestuur van de Mevlana-moskee om haar steun te betuigen en te bespreken welke ondersteuning passend is vanuit de gemeente. Zij heeft ook een oproep gedaan aan getuigen om zich te melden bij de politie.
Is er inmiddels meer bekend over de achtergrond en motieven van de daders?
Over de details van een lopend strafrechtelijk onderzoek worden geen uitspraken gedaan.
Kunt u aangeven hoe vaak in de afgelopen vijf jaar moskeeën, kerken, synagogen en andere gebedshuizen doelwit zijn geweest van vernieling, intimidatie of andere strafbare feiten? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar jaar, type incident en religieuze instelling?
Op basis van de registratiepraktijk bij officiële meldinstanties is een uitsplitsing naar jaar, type incident en religieuze instelling niet beschikbaar.
Welke maatregelen bestaan momenteel om de veiligheid van gebedshuizen te vergroten en acht u deze maatregelen toereikend?
De verantwoordelijkheid voor het treffen van passende veiligheidsmaatregelen ligt op de eerste plaats bij deze instellingen zelf. De lokale driehoek kan aanvullende veiligheidsmaatregelen nemen als deze instellingen, redelijkerwijs op eigen kracht geen, of onvoldoende, weerstand kunnen bieden tegen de dreiging en het risico. Het treffen van aanvullende maatregelen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie en risicobeeld.
Vanwege veiligheidsoverwegingen worden over (specifieke) maatregelen publiekelijk geen mededelingen gedaan.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar dit incident en eventuele lessen die hieruit kunnen worden getrokken voor de bescherming van religieuze gemeenschappen in Nederland?
Het is primair aan het OM om te beoordelen wanneer en op welke wijze over (de afdoening van) individuele zaken kan worden gecommuniceerd. Indien het onderzoek tot uitkomsten leidt die van belang kunnen voor uw Kamer, zal ik er zorg voor dragen dat uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
De campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal. |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de campagne rond mentale gezondheid in het amateurvoetbal en kunt u aangeven welke publieke middelen direct of indirect beschikbaar zijn gesteld aan deze campagne, de betrokken organisaties en de uitvoering daarvan?1
Ja, ik ben bekend met deze campagne. Voor deze campagne zijn geen publieke middelen beschikbaar gesteld. Zilveren Kruis en KNVB zijn een maatschappelijk partnership aangegaan om mentale gezondheid onder jongeren bespreekbaar te maken. Het initiatief «De onzichtbare blessure» wordt volledig door hen gefinancierd.
Welke concrete, meetbare doelstellingen zijn aan deze campagne verbonden, op basis van welke wetenschappelijke inzichten is gekozen voor deze aanpak en hoe wordt vastgesteld of de campagne daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de mentale gezondheid van jongeren?
Zilveren Kruis en KNVB zetten in op een brede, preventieve aanpak waarin voetbal wordt benut als katalysator voor positieve verandering om zodoende de kans te verkleinen dat jongeren op latere leeftijd mentale gezondheidsproblemen ervaren. In samenwerking met experts, kennispartners en maatschappelijke organisaties zoals MIND Us, Erasmus Universiteit en Play Mental wordt ingezet op een omgeving waarin het net zo vanzelfsprekend is om te praten over hoe je je voelt als dat het is om over een fysieke blessure te praten.
De gezamenlijke ambitie is om binnen vijf jaar aantoonbare impact te maken op de mentale gezondheid van jongeren tussen de 16 en 25 jaar. Dit gebeurt langs drie sporen: het bereiken en inspireren van 9,6 miljoen sportliefhebbers, het bieden van praktische tools aan 100.000 voetballende jongeren via hun omgeving en het actief ondersteunen van jongeren via voetbalverenigingen. Daarbij staat bewustwording, het bespreekbaar maken van mentale gezondheid en het bieden van concrete handvatten centraal. Vanuit de overtuiging dat niet alle mentale uitdagingen een zorgvraag zijn, maar ook vragen om steun vanuit de sociale omgeving.
Het partnerschap is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten. Onderzoek van het Trimbos-instituut laat zien dat één op de vier Nederlandse jongeren wel eens mentale problemen ervaart2. Vertaald naar het voetbal betekent dit dat er in een gemiddelde kleedkamer meerdere jongeren kunnen zitten die niet lekker in hun vel zitten. Daarbij gaat het niet alleen om psychische klachten waarvoor professionele hulp nodig is, maar ook om gevoelens van stress, prestatiedruk, onzekerheid en somberheid.
De effecten van de campagne worden gemonitord. In samenwerking met onderzoeksbureau Motivaction zijn een nulmeting en een vervolgmeting uitgevoerd onder Nederlandse sportliefhebbers. Hieruit blijkt dat mensen die de campagne hebben gezien het belang van mentale gezondheid binnen de sport vaker onderschrijven en vaker bereid zijn hierover het gesprek aan te gaan. De campagne laat daarmee positieve effecten zien op bewustwording, houding en gespreksintentie. Zilveren Kruis en de KNVB blijven deze ontwikkelingen – in samenwerking met kennispartners – monitoren en sturen waar nodig bij om de gestelde doelen te realiseren.
Kunt u aangeven hoeveel vergelijkbare campagnes op het gebied van mentale gezondheid de afgelopen vijf jaar met publieke middelen zijn ondersteund, wat deze hebben gekost en welke aantoonbare resultaten zij hebben opgeleverd?
Het Ministerie van VWS heeft in de afgelopen vijf jaar drie keer een campagne over mentale gezondheid van jongeren rechtstreeks gefinancierd. Dit ging om verschillende versies van de grootschalige «Hey, het is oké» campagne. De campagne startte met als doel het wegnemen van het stigma rond psychische aandoeningen. Door de jaren heen werd dit doorontwikkeld naar een campagne specifiek gericht op jongeren om beginnende mentale klachten, zoals eenzaamheid en prestatiedruk bespreekbaar te maken. Vroegtijdig praten doorbreekt een taboe en helpt na te denken over oplossingen met mensen die je vertrouwt. De campagne liep tussen 2021 en 2024. De totale kosten bedroegen bijna € 3,3 miljoen. De campagne bestond uit verschillende thema’s over bijvoorbeeld prestatiedruk, eenzaamheid, werkstress en winterdip.
De campagne-effectonderzoeken zijn gepubliceerd en te vinden op de website van de Rijksoverheid3 4. Zo blijkt uit het onderzoek over de campagne in 2024 dat jongeren en jongvolwassenen (16–25 jaar) vaker met een vertrouwd iemand zijn gaan praten wanneer sprake was van beginnende mentale klachten. Ook zagen jongeren de voordelen van in gesprek gaan meer in.
Hoe wordt voorkomen dat belastinggeld vooral terechtkomt bij campagnes, workshops, ambassadeurs en overlegstructuren, terwijl jongeren met psychische problemen nog steeds te maken hebben met wachtlijsten en beperkte toegang tot passende hulp?
Als we de mentale gezondheid willen verbeteren en de druk op de (jeugd)ggz willen verlichten dan is een brede blik nodig op de oorzaken en de oplossingen rondom mentale problemen. Verschillende risico- en beschermende factoren hebben invloed op iemands mentale gezondheid. Niet elke hulpvraag is gebaad bij een antwoord in zorg. Preventie en ondersteuning zijn belangrijk voor het voorkomen en verergeren van mentale klachten. Deze samenhang vraagt om een integrale kijk naar de uitdagingen in de keten van mentale gezondheid en ggz.
Campagnes, bijeenkomsten en workshops kunnen een middel zijn om kennis en bewustwording van het belang van een goede mentale gezondheid te vergroten. Het probleem erkennen is essentieel in het zoeken naar een oplossing. Communicatie, rechtstreeks vanuit de overheid of juist via andere organisaties die dichter bij bijv. jongeren staan, kan onderdeel zijn van de bredere aanpak in het verbeteren van de mentale gezondheid.
In de versterkingsagenda mentale gezondheid en ggz5 zijn maatregelen opgenomen die inzetten op de knelpunten tussen beleidsdomeinen in de keten van mentale gezondheid en ggz. Hierin is zowel aandacht voor het versterken van de mentale veerkracht als voor wachttijdondersteuning. Ook in het Aanvullend zorg- en welzijnsakkoord (Azwa) zijn aanvullende afspraken gemaakt gericht op het toegankelijk en betaalbaar houden van kwalitatief goede zorg en ondersteuning.
Afgelopen januari is de wet Verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg in werking getreden. In deze wet zijn maatregelen opgenomen om de beschikbaarheid van, met name, specialistische jeugdzorg te verbeteren. De wet verplicht gemeenten om specialistische zorg regionaal in te kopen en geeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wettelijke taken op het terrein van vroegsignalering van beschikbaarheidsrisico’s, stelselonderzoek naar de beschikbaarheid van jeugdzorg en toezicht.
Kunt u aangeven hoeveel jongeren momenteel wachten op geestelijke gezondheidszorg en hoe de uitgaven aan bewustwordingscampagnes zich verhouden tot investeringen in daadwerkelijke behandeling en ondersteuning?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het organiseren van jeugdhulp. Er is geen landelijk overzicht van het aantal jongeren dat wacht op ggz. Inzicht in wachttijden gebeurt in eerste instantie op gemeentelijk en regionaal niveau.
De financiering van de jeugdzorg verloopt grotendeels via het gemeentefonds. Gemeenten bepalen in beginsel zelf hoe zij dit budget besteden. Veel gemeenten investeren zelf ook in specifieke projecten/activiteiten, campagnes en interventies gericht op het versterken van de mentale veerkracht van jongeren. Hier is geen landelijk overzicht van.
De Rijksoverheid financiert op dit moment geen bewustwordingscampagne. Wel is afgelopen jaar onder het concept Praatpower een toolbox ontwikkeld om (lokaal) in gesprek te gaan met jongeren en hun omgeving en zijn gesprekken geïnitieerd en gevoerd over mentale gezondheid en wat jongeren nodig hebben om mentaal gezond te blijven. Het rapport met aanbevelingen is 27 januari aan uw Kamer aangeboden6.
Welke afspraken zijn gemaakt voor situaties waarin tijdens dergelijke bijeenkomsten signalen naar voren komen van ernstige psychische problemen, suïcidaliteit, huiselijk geweld of kindermishandeling en hoe wordt geborgd dat deze jongeren snel passende hulp krijgen?
Hier is niet één antwoord op te geven. Afspraken zullen per project verschillen. Binnen de toolbox van Praatpower is in elk geval nadrukkelijk aandacht voor de psychologische veiligheid van de deelnemers en mogelijkheden voor nazorg. Hierbij wordt ook verwezen naar het platform www.injebol.nl. Op dit platform kunnen jongeren terecht voor laagdrempelige ondersteuning. Indien noodzakelijk verwijzen de vrijwilligers achter de ondersteuningslijn van www.injebol.nl door naar 113.
Deelt u de opvatting dat het bespreekbaar maken van mentale problemen waardevol kan zijn, maar nooit een vervanging mag worden voor tijdige professionele hulpverlening? Zo ja, welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat jongeren na signalering ook daadwerkelijk hulp ontvangen?
Ja, deze opvatting deel ik. Het bespreekbaar van mentale problemen kan verlichting bieden voor (lichte) mentale klachten. Een zorgtraject is ook niet altijd het passende antwoord op een hulpvraag. Een deel van de jongeren is meer gebaat bij andere vormen van ondersteuning of preventieve hulp.
In het Azwa zijn afspraken gemaakt over verbetering van de aansluiting op het snijvlak van het zorgdomein en het sociaal domein. Gemeenten, aanbieders en zorgverzekeraars hebben in het Azwa afspraken gemaakt over welke «basisfunctionaliteiten» in elk geval in elke regio of gemeente beschikbaar moet zijn, zoals bijvoorbeeld de basisfunctionaliteit sociaal verwijzen.
De positie van christenen in India |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Harde maatregelen tegen christenen in India: water en werk geweigerd»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving over de situatie van christelijke gemeenschappen in het district Kanker in de Indiase deelstaat Chhattisgarh, maar kan deze berichten in dit specifieke district niet verifiëren. Dat laat vanzelfsprekend onverlet dat het kabinet berichten over het mogelijk ontzeggen van toegang tot water, banen en andere bestaansmiddelen aan christelijke families zorgwekkend acht.
In algemene zin geldt dat de oorzaken van geweld tegen religieuze minderheden in India zich niet altijd eenduidig vast laten stellen. Er zijn grote verschillen in de dynamiek op nationaal niveau en op niveau van de verschillende deelstaten. Voorts is niet steeds mogelijk om helder te differentiëren of er sprake is van conflict van religieuze of etnische aard, gerelateerd aan sociale klasse, aan economisch conflict (bijvoorbeeld conflict over land of grondstoffen), of aan een combinatie van dergelijke factoren. Dit geldt zeker voor een deelstaat als Chhattisgarh die reeds decennialang geteisterd wordt door conflict.
Beschikt u over eigen informatie over de in het artikel beschreven situatie? Klopt het dat christelijke gemeenschappen via boycotmaatregelen onder druk worden gezet om hun geloof af te zweren?
Meldingen van sociale uitsluiting, discriminatie of druk in verband met religieuze identiteit zijn zorgelijk. De beschreven situatie zou passen binnen bredere spanningen rond religieuze bekeringen en de positie van religieuze minderheden waarover regelmatig gerapporteerd wordt door religieuze organisaties en mensenrechtenorganisaties. De Nederlandse ambassade in New Delhi volgt deze situatie nauwgezet. Zoals hierboven evenwel uiteengezet beschikt het kabinet momenteel niet over onafhankelijk geverifieerde informatie over de in het artikel beschreven situatie.
Bent u bereid om deze situatie, zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen van de Indiase autoriteiten en daarbij aan te dringen op bescherming van de getroffen christelijke gemeenschappen en op toegang tot de waterbronnen, banen binnen het overheidsprogramma en de producten uit het bos? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als samen met EU-partners, in om zorgen over de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, bij de Indiase autoriteiten aan de orde te stellen. In EU-verband gebeurt dit onder meer via de jaarlijkse EU-mensenrechtendialoog met India en andere relevante politieke contacten, waar aandacht wordt gevraagd voor bescherming van kwetsbare groepen en hun toegang tot basisvoorzieningen en bestaansmiddelen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid. Een van de prioriteiten van het kabinet in het mensenrechtenbeleid is vrijheid van religie en geloofsovertuiging. Nederland maakt gebruik van bilaterale en multilaterale kanalen om zorgen over vrijheid van religie en levensovertuiging over te brengen, in lijn met de inzet zoals uiteengezet in de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026.
Hoe taxeert u de antibekeringswet die is aangenomen door de Indiase deelstaat Chhattisgarh?2 Is deze wet inderdaad in strijd met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Op welke wijze heeft u deze kwestie aangekaart, zowel in bilateraal als in EU-verband?
Antibekeringswetgeving bestaat in verschillende Indiase deelstaten en is gericht op het voorkomen van bekeringen die volgens de wetgever tot stand komen door dwang, fraude of misleiding. De nieuwe wet in Chhattisgarh bevat onder meer bepalingen die personen die van religie willen veranderen verplichten dit vooraf te melden bij de autoriteiten. Daarnaast voorziet de wet in zware straffen voor bekeringen die volgens de wet door verboden middelen tot stand zijn gekomen.
De gevolgen van dergelijke wetgeving voor de vrijheid van religie en levensovertuiging baren het kabinet zorgen. Zowel artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) als artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) erkennen het recht om van religie of overtuiging te veranderen als onderdeel van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Wetgeving die religieuze bekeringen onderwerpt aan voorafgaande meldings- of toestemmingsvereisten staat daarmee op gespannen voet met deze internationale mensenrechtenstandaarden. Zie overigens het antwoord op vraag 3.
Kunt u in bredere context de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India schetsen? Deelt u de zorgen over onderdrukking van deze minderheden in India?
Naast christenen worden ook andere groepen zoals moslims in toenemende mate geconfronteerd met discriminatie, geweld en beperkende maatregelen. Dit past in een breder patroon van druk op religieuze minderheden in meerdere Indiase deelstaten. Het kabinet deelt de zorgen van de Kamer. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader dat zich richt op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, ongeacht geloofsovertuiging. In de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026 heeft het kabinet bevestigd dat bescherming van religieuze minderheden, waaronder christenen, een prioriteit is.
Wordt de situatie van christenen en andere religieuze minderheden in India expliciet betrokken bij de Nederlandse inzet ten aanzien van de betrekkingen met India? Zo ja, op welke wijze?
De situatie van religieuze minderheden maakt onderdeel uit van de bredere Nederlandse inzet op mensenrechten in India. Nederland volgt de situatie van religieuze minderheden in India nauwgezet, zowel bilateraal als in EU- en VN-verband. De Nederlandse ambassade in New Delhi onderhoudt contacten met maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers om zicht te houden op ontwikkelingen rondom vrijheid van religie en levensovertuiging. Ook spreekt de ambassade, samen met andere EU-lidstaten, regelmatig met vertegenwoordigers van religieuze minderheden over de situatie ter plaatse. Daarnaast wordt de positie van religieuze minderheden, inclusief die van christenen, geadresseerd in de EU-India mensenrechtendialoog.
Is christenvervolging als gespreksonderwerp aan bod gekomen tijdens het recente bezoek van Minister-President Modi aan Nederland, conform motie-Bikker/Stoffer (Kamerstuk 36 800, nr. 56)? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet handelt conform de motie-Bikker/Stoffer en betrekt vrijheid van religie en levensovertuiging structureel bij contacten met landen waar dit aan de orde is. Over de specifieke inhoud van diplomatieke gesprekken met Minister-President Modi doet het kabinet in het openbaar geen mededelingen. Mensenrechten vormen een vast onderdeel van de Nederlandse inzet in contacten met India. De inzet op dit thema is in lijn met de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder.
Welke concrete stappen zet Nederland momenteel in EU- en VN-verband ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India? Bent u bereid tot extra inzet? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, samen met EU-partners, in voor de bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India. Onder meer middels de EU-mensenrechtendialoog met India en in relevante bilaterale contacten.
Daarnaast wordt via de Nederlandse ambassade in New Delhi en de EU-delegatie nauw contact onderhouden met mensenrechtenverdedigers, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van religieuze en andere kwetsbare gemeenschappen in India, om ontwikkelingen te volgen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid, waarin vrijheid van religie en levensovertuiging een prioriteit is. Nederland is actief lid van de International Freedom of Religion or Belief Alliance en zet zich daarbinnen in voor de bescherming van religieuze minderheden wereldwijd. In VN-verband steunt Nederland resoluties die vrijheid van religie bevorderen en spreekt het landen aan op schendingen. De diplomatieke inzet wordt ondersteund door programmatische instrumenten, waaronder het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma (2026–2031, EUR 35 miljoen), actief in landen waar religieuze gemeenschappen aantoonbaar onder druk staan. De inzet richt zich naast concrete schendingen ook op onderliggende oorzaken zoals conflict, sociaaleconomische ongelijkheid en zwak bestuur, met als doel duurzame verbetering van de positie van religieuze minderheden.