De Chinese militaire oefeningen en simulatie van een blokkade rond Taiwan. |
|
Tom van der Lee (GL), Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Eric van der Burg (VVD), Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Taiwan: China’s massive military drills stir invasion fears» van Deutsche Welle1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze grootste militaire oefeningen rondom Taiwan ooit?
De Chinese autoriteiten treden in toenemende mate assertief op in de eigen regio en in het multilaterale systeem en verhogen structureel de druk op Taiwan en landen die met Taiwan samenwerken. Sinds 2022 omvat dit onder andere reguliere, grootschalige militaire oefeningen en (des)informatiecampagnes. Deze zijn onderdeel van de Chinese strategie om onder andere met hybride activiteiten de inlijving van Taiwan in de Volksrepubliek China te bewerkstelligen. De recente militaire oefening past binnen deze inzet maar was omvangrijker dan recente voorgaande oefeningen. De boodschap van de Chinese autoriteiten was daarbij expliciet ook gericht aan externe partijen die zich, volgens China, inmengen in Taiwan. De inzet van het kabinet en de EU is gericht op behoud van de status quo.
Deelt u de mening van de Europese Commissie, die middels een verklaring van EDEO heeft aangegeven dat deze oefeningen een nieuwe bedreiging zijn voor internationale vrede en stabiliteit, en oproept af te zien van zulke acties die voor escalatie kunnen zorgen?
Ik deel de zorgen zoals uitgedragen door de woordvoerder van EDEO over de recente Chinese militaire oefening rond Taiwan; dat heb ik via sociale media ook duidelijk gemaakt. Conform diverse moties spreekt Nederland zich binnen de kaders van het één-Chinabeleid samen met de EU en gelijkgezinde landen uit vóór de-escalatie en tégen destabiliserende unilaterale acties die de status quo bedreigen. Het Taiwan-vraagstuk dient op vreedzame wijze te worden opgelost, waarbij rekening gehouden moet worden met de wensen van de Taiwanese bevolking. Alle betrokken partijen dienen zich te onthouden van unilaterale acties, dreiging of geweld gericht op het wijzigen van de status quo.
Deelt u de mening dat Nederland een extra groot belang heeft bij het handhaven van de status quo in China en Taiwan, mede gezien onze positie in wereldwijde logistiek en de halfgeleiderindustrie?
Het kabinet en de EU zijn zich bewust van de mogelijke repercussies van een crisis rond Taiwan, niet alleen voor de Taiwanese bevolking maar ook voor de hele regio en de wereldeconomie. Een eventueel conflict zou rampzalig zijn voor alle betrokkenen, maar ook grote mondiale repercussies hebben, inclusief voor Nederland. Dat betekent dat dit meer is dan een lokale kwestie en de internationale gemeenschap zich in dient te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen.
Dat vergt overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn. Dit is evenwel geen exercitie die in het openbaar kan worden gedaan.
Heeft u zicht op de exacte impact voor de Nederlandse economie van een langdurige blokkade van Taiwanese havens?
Ik kan niet speculeren over de exacte impact voor de Nederlandse economie in het hypothetische geval van een langdurige blokkade van Taiwanese havens. Zoals gezegd dient de internationale gemeenschap zich in te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen en vergt dat overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn, maar kan ik daar niet verder op ingaan in het openbaar.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voor het commissiedebat van 13 januari over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ja.
Berichtgeving rondom de ratificatie van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA) en de ontwikkeling van een Nederlandse strategie voor kritieke grondstoffen met Chili. |
|
Derk Boswijk (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u in staat te reflecteren op de bevindingen uit dit artikel over de ratificatie van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA)?1
Ja. Het artikel stelt dat het gewenst is om de Advanced Framework Agreement (AFA) tussen de EU en Chili te ratificeren vanwege het nakomen van partnerschapsbeloftes, ondersteuning van inzet op de diversificatie van grondstoffenwaardeketens en versterking van bescherming van investeringen. Er is een kabinetsappreciatie2 van zowel het AFA als het interim handelsverdrag (iTA) opgesteld. Het kabinet onderschrijft het belang van tijdige ratificatie welke in voorbereiding is. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de handelsonderdelen van het AFA vallend onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie geheel zijn gerepliceerd in het iTA en daarmee reeds sinds 1 februari 2025 in werking zijn. Ratificatie van het AFA biedt geen aanvullende handelsvoordelen, aangezien de delen die buiten het iTA vallen zien op politieke samenwerking en investeringsbescherming.
Kan u aangeven wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot de Nederlandse ratificatieprocedure van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA)?
De geavanceerde kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds is op 13 december 2023 ondertekend en wordt deels voorlopig toegepast. Daarnaast zijn de handelsafspraken zoals opgenomen in het iTA sinds 1 februari 2025 in werking. Voordat de overeenkomst in werking kan treden, dienen alle EU-lidstaten hun interne procedures te hebben afgerond. De stukken die nodig zijn voor de Nederlandse parlementaire goedkeuringsprocedure zijn in voorbereiding.
Op welke termijn verwacht u het ratificatiewetsvoorstel aan de Kamer voor te kunnen leggen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 zijn de goedkeuringsstukken in voorbereiding. De goedkeuringsstukken betreffen het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst en een memorie van toelichting. Na instemming van de ministerraad wordt het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst met de memorie van toelichting aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Na de verwerking van het advies in een nader rapport, wordt het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst, met de memorie van toelichting en het nader rapport, aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer voor goedkeuring voorgelegd. Zodra beide Kamers hun goedkeuring aan het wetsvoorstel hebben verleend kan over worden gegaan tot ratificatie van de overeenkomst door Nederland. Het kabinet zet in op ratificatie door Nederland op afzienbare termijn.
Zou u kunnen aangeven of er bepaalde bezwaren denkbaar zijn tegen ratificatie?
Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 2 en 3 zijn de parlementaire goedkeuringsstukken in voorbereiding. Het kabinet is een groot voorstander van het verdiepen van de samenwerking tussen de EU en Chili en is positief over de uitkomst van de onderhandelingen over het AFA.3
Dit handelsverdrag beoogt meerdere doelen gelijktijdig te realiseren: meer onderlinge handel en investeringen, gezamenlijke aanpak van wereldwijde uitdagingen en verdieping van politieke samenwerking. Bent u het ermee eens dat dit handelsverdrag als model kan dienen voor EU-handelsverdragen met andere landen?
Ja.
Chili herbergt een van de grootste lithiumreserves van de wereld. Onderschrijft u het belang van stabiele toeleveringsketens van kritieke grondstoffen voor de Nederlandse en Europese markt?
Ja.
Hoe kijkt u naar het opzetten van een Nederlandse of Europese strategie rondom het structureel vergaren van kritieke grondstoffen in het kader van de agressievere benadering van de markt door onder andere China en de Verenigde Staten?
Het kabinet onderschrijft de noodzaak tot deze strategieën en wijst op de Nationale Grondstoffenstrategie4, het BNC-fiche over de EU Critical Raw Materials act5 en de recent gepubliceerde mededeling ReSourceEU, waarover uw Kamer binnen de gestelde termijn een BNC-fiche ontvangt.
Bent u het eens dat de AFA een belangrijke bijdrage kan leveren aan de Europese en Nederlandse toegang tot lithium, koper en ook andere zeldzame metalen?
Op dit moment is het interim handelsverdrag (iTA) tussen de EU en Chili in werking. Hierin is het handelsdeel van de AFA dat valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie gerepliceerd. In het iTA staan afspraken over de toegang tot grondstoffen, zoals over het beperken van exportrestricties (zoals heffingen en quota’s), een verbod op monopolies met exclusieve rechten voor import en export van ruwe kritieke grondstoffen, en het inkaderen van het beleid van lagere grondstofprijzen voor binnenlandse producenten. Dit zijn afspraken die de voorspelbaarheid van de grondstofhandel bevorderen. Daarnaast zijn in het politieke deel van de AFA enkele intenties op het gebied van grondstoffenhandel overeengekomen, zoals het bevorderen van de samenwerking op transparantie van de mondiale grondstoffenmarkt.
Bent u het in dat kader eens dat de AFA zo spoedig mogelijk in werking moet treden?
Ja, waarbij opgemerkt wordt dat voor de Nederlandse ratificatie van de overeenkomst een goedkeuringsprocedure dient te worden doorlopen. De goedkeuringsstukken zijn in voorbereiding en de overeenkomst dient, na adviesvoorziening door de Raad van State, door beide Kamers te worden goedgekeurd.
Bent u bereid er bij de lidstaten die de AFA nog niet hebben geratificeerd in hun nationale parlement erop aan te dringen dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Het kabinet zet in op ratificatie door Nederland op afzienbare termijn. Op dat moment ligt het voor de hand ook andere lidstaten hiertoe op te roepen.
China heeft in 2025 exportbeperkingen ingevoerd op gallium, germanium en andere kritieke grondstoffen; bent u van mening dat dit de urgentie versterkt voor Nederland om de samenwerking met Chili op het gebied van zeldzame aardmetalen te intensiveren?
Het kabinet erkent de urgentie van het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen, en werkt hieraan via de nationale grondstoffenstrategie en de EU Critical Raw Materials Act. Het diversifiëren van de waardeketens is hier een belangrijk onderdeel van. Nederland (en de EU) kijken hierbij naar diverse landen, waaronder Chili.
De Chinese exportcontrolemaatregelen op gallium en germanium uit 2023 en op onder meer een aantal zeldzame aardemetalen uit april 2025 onderstrepen het belang hiervan. Het zij opgemerkt dat zeldzame aardmetalen een aparte groep grondstoffen is, die momenteel niet in Chili gewonnen of verwerkt wordt maar die wel deels aanwezig zijn in Chili. Winning en verwerking hiervan wordt momenteel verkend.6 Gallium en germanium worden ook niet in Chili gewonnen of verwerkt.
Desalniettemin is Chili is een belangrijke producent van grondstoffen, met name koper, lithium en boor (aangewezen als kritieke grondstoffen door de Europese Commissie). Daarom steunt het kabinet het Memorandum of Understanding (MoU) dat de Europese Unie in 2023 heeft afgesloten met Chili op kritieke grondstoffen. Hierin is afgesproken dat partijen onder andere samen werken aan het bevorderen van projecten, open en eerlijke markten, en environmental, social, governance(ESG) standaarden.
Nederland geeft invulling aan dit MoU middels diverse activiteiten. Zo hebben het Nederlands Materialen Observatorium en Nederlandse universiteiten een samenwerking met Chileense universiteiten en steunt Nederland een Europa-brede studie op basis van aanbevelingen van CEPAL over hoe de regio zijn lithium- en koperwaardeketens duurzaam kan ontwikkelen. Ook heeft TNO een samenwerking met het Nationaal Lithiuminstituut (INLiSa).
Bent u bereid om een integrale beleidsnotitie op te stellen over de kansen en uitdagingen voor Nederland op het gebied van zeldzame aardmetalen in Chili, waarin de hierboven genoemde aspecten in samenhang worden bezien?
In de Nationale Grondstoffenstrategie is diversificatie één van de pijlers om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen te versterken7. Samenwerking met derde landen, waaronder Chili, valt onder deze pijler. Voor de beleidsinzet verwijs ik u daarom naar deze strategie. Het kabinet zal geen integrale beleidsnotitie opstellen over de kansen en uitdagingen voor Nederland op het gebied van zeldzame aardmetalen in Chili.
Daarnaast heeft voor internationale grondstoffensamenwerking een Europese aanpak die zich richt op de hele waardeketen de voorkeur, omdat de Nederlandse industrie deze grondstoffen niet of nauwelijks direct importeert of gebruikt8. Nederland importeert vooral producten waar kritieke grondstoffen in verwerkt zitten. Naast de reeds bestaande kaders voor internationale samenwerking op kritieke grondstoffen wordt uw Kamer binnenkort ook geïnformeerd over de kabinetspositie t.a.v. het ResourceEU actieplan, dat onder andere ingaat op de Europese aanpak van partnerschappen met grondstofrijke landen.
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 11 is Chili een belangrijke producent van kritieke grondstoffen. Daarom steunt het kabinet grondstoffensamenwerking in EU-verband, via het Memorandum of Understanding (MoU) tussen de EU en Chili.
Kan u toezeggen de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van zowel de ratificatie van de EU-Chili AFA als de Nederlandse inzet op het gebied van kritieke grondstoffen met Chili?
De Kamer wordt regulier geïnformeerd over de voortgang van onderhandelingen en ratificaties van handels- en investeringsakkoorden via de voortgangsrapportage handelsakkoorden9, die vier maal per jaar als bijlage bij de geannoteerde agenda’s voor de Raden Buitenlandse Zaken Handel aan uw Kamer worden gezonden.
In de voortgangsrapportage Nationale Grondstoffenstrategie10 is een update gegeven over de samenwerking met derde landen. Zoals hierboven genoemd wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd over de kabinetspositie t.a.v. het Commissievoorstel voor ResourceEU, dat ook ingaat op de Europese aanpak van partnerschappen met grondstofrijke landen.
De stand van zaken bij de aanpak van speculatieve grondhandel |
|
André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Maatschappelijke en juridische ontwikkelingen bij de windhandel in opgeknipte agrarische percelen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Waarom is de Kamer nog steeds niet geïnformeerd over de uitkomst van het toegezegde ambtelijke onderzoek naar de aanpak van speculatieve grondhandel?2
Uw Kamer is op 20 november 2025 bij brief, mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geïnformeerd over de uitkomst van het ambtelijk onderzoek naar maatregelen om speculatieve grondhandel met opgesplitste percelen gericht op particulieren te voorkomen en tegen te gaan.3 In diezelfde brief is uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een extern onderzoek naar een splitsingsverbod bij speculatieve grondhandel,4 en over een update door het Kadaster van de inzichten over de aard en omvang van de voorliggende problematiek.5
Wat is de stand van zaken van het genoemde ambtelijke onderzoek? Wanneer wordt de uitkomst met de Kamer gedeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse dat het voor consumenten niet eenvoudig is om een gesloten koopovereenkomst voor opgeknipte landbouwpercelen ontbonden te krijgen en verhaal te halen?
Een consument heeft meerdere privaatrechtelijke mogelijkheden om een met een grondhandelaar gesloten koopovereenkomst over een gesplitst perceel te vernietigen.6 Zo kan een consument zich onder andere beroepen op een oneerlijke handelspraktijk, dwaling, bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of de onbepaalbaarheid van de koop. Uit de rechtspraak blijkt dat een beroep op een oneerlijke handelspraktijk of dwaling het meest voorkomt. Er is sprake van een oneerlijke handelspraktijk7 als de handelaar informatie heeft verstrekt die feitelijk onjuist is of de informatie op zodanige wijze heeft gepresenteerd dat de consument daardoor wordt misleid en de gemiddelde consument door die misleiding een besluit over de overeenkomst neemt, dat hij anders niet had genomen. Dit kan het geval zijn als het verkochte perceel de functie van «landbouwgrond» heeft en de grondhandelaar de – onjuiste – suggestie heeft gewekt dat een (omgevings)planwijziging op komst is, waardoor de grond een waardesprong zal maken en daarmee rendement oplevert. Bij een beroep op dwaling8 gaat het om het ontbreken van een juiste voorstelling van zaken, waardoor de consument een overeenkomst heeft gesloten die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. De dwaling moet te wijten zijn aan een mededeling of het zwijgen van de grondhandelaar, of beide partijen moeten van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan (wederzijdse dwaling).
De consument die meent dat sprake was van dwaling of een oneerlijke handelspraktijk kan de overeenkomst vernietigen door een buitengerechtelijke verklaring te doen aan de handelaar, bijvoorbeeld in de vorm van een brief, of door een procedure bij de rechter te starten. Door vernietiging verliest de overeenkomst met terugwerkende kracht haar werking. Reeds verrichte prestaties, zoals betaling van de koopsom, kunnen worden teruggevorderd als onverschuldigde betaling. Indien de consument een beroep doet op een oneerlijke handelspraktijk, rust de bewijslast voor de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie op de handelaar. Een handelaar die een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht, heeft bovendien onrechtmatig gehandeld jegens de consument en is daarmee in beginsel aansprakelijk voor de schade die de consument als gevolg daarvan heeft geleden.
Indien een consument de koopovereenkomst heeft vernietigd, is hiermee tevens een eventueel in de koopovereenkomst opgenomen boetebeding vernietigd. In de praktijk komt het namelijk voor dat een grondhandelaar een boetebeding heeft opgenomen in de koopovereenkomst met de consument. Dit beding kan bijvoorbeeld inhouden dat de consument een boete verbeurt als hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt. Ook komt het voor dat de grondhandelaar een beding opneemt dat inhoudt dat de consument geen beroep kan doen op ontbinding of vernietiging van de overeenkomst. Dit kan de koper afschrikken om gebruik te maken van zijn wettelijke mogelijkheden om af te zien van de koop. Zo’n beding doet echter niets af aan de hiervoor genoemde mogelijkheden om de koopovereenkomst te vernietigen. Ook kan de rechter onder omstandigheden een dergelijk beding terzijde schuiven op de grond dat het beding op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.9 Als het beding is opgenomen in de algemene voorwaarden kan de rechter het beding vernietigen als het onredelijk bezwarend is voor de consument.10
In aanvulling op de bestaande mogelijkheden voor consumenten om van de koopovereenkomst af te komen, zullen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en ik de wenselijkheid van een wettelijke bedenktijd bij de aankoop van grond door consumenten onderzoeken. Deze verkenning is aangekondigd in de Kamerbrief van 20 november 2025. Een dergelijke wettelijke bedenktijd geldt reeds bij de koop van een woning door een particulier (consument). De consument krijgt dan gedurende drie dagen na het sluiten van de koopovereenkomst het recht de overeenkomst te ontbinden. Met een bedenktijd krijgt een consument tijd om na te denken over zijn aankoop. In die periode kan de consument de door de verkoper verschafte informatie nagaan en tevens kan de consument, wanneer deze onder druk is gezet door een grondhandelaar om een beleggingsperceel te kopen, alsnog eenvoudig van de koop afzien. Het invoeren van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond zou deze kopers dus extra bescherming kunnen bieden. In de verkenning wordt onderzocht in hoeverre een wettelijke bedenktijd een oplossing kan zijn om consumenten beter te beschermen en malafide praktijken rondom speculatieve grondhandel tegen te gaan.
Deelt u de analyse dat het versnipperen van eigendomsrechten van landbouwpercelen onwenselijk is vanuit het oogpunt van gebiedsontwikkeling?
Waar dergelijke versnippering plaatsvindt en ter plaatse tevens sprake is van gebiedsontwikkeling, is dit versnipperen onwenselijk. In het ambtelijke onderzoek is een groot aantal maatregelen rond het thema speculatieve grondhandel gericht op particulieren onderzocht en beoordeeld. Bij de beoordeling van de maatregelen is betrokken, dat op landelijke schaal de reguliere gebiedsontwikkeling nauwelijks wordt gehinderd. Het onderzoeksrapport van het Kadaster bevestigt het eerdere beeld dat het aandeel beleggingspercelen op het totaal van de landbouwgrond klein is.11 Uit het onderzoek van het Kadaster blijkt verder dat er bij speculatieve grondhandel slechts in zeer zeldzame gevallen sprake is geweest van grond die ten behoeve van een gebiedsontwikkeling weer is verkocht (of onteigend). Grondhandelaren die zich richten op particulieren wekken namelijk de – meestal onjuiste – suggestie dat een (omgevings)planwijziging met een gebiedsontwikkeling op komst is. Wanneer toch een gebiedsontwikkeling is voorzien ter plaatse van versnipperde percelen kan niet worden uitgesloten dat deze vanwege de complexiteit en het aantal eigenaren, leidt tot een vertraging in de gebiedsontwikkeling. Omdat de overheid beschikt over instrumenten als het voorkeursrecht en onteigening, staan versnipperde eigendomsposities niet per definitie in de weg aan de verwezenlijking van ruimtelijke plannen.
Kunt u, zowel kwalitatief als kwantitatief, de gevolgen van de geschetste speculatieve grondhandel voor de woningbouw duiden?
Zie het antwoord op vraag 5 alsmede de Kamerbrief van 20 november waarin de onderzoeken van het Kadaster toegelicht worden.
Hoe waardeert u de analyse van het Kadaster dat de windhandel leidt tot vervuiling van kadastrale registers, omdat voorlopige grensaanduidingen bij transacties niet opgevolgd worden door definitieve grensvaststellingen, en dat percelen hiermee de facto onverkoopbaar worden en geen rechten als overpad, erfpacht en opstal gevestigd kunnen worden?
Op deze bredere problematiek die het Kadaster schetst, ga ik in mijn brief van 20 november 2025 in. Een gedachte hierbij is om nieuwe perceelsgrenzen definitief vast te stellen voorafgaand aan de eigendomsoverdracht en inschrijving. Het ter plaatse moeten verschijnen voor een fysieke inmeting, zou de grondhandel kunnen tegengaan. Echter, dit stuit op problemen in de uitvoeringspraktijk van reguliere gebiedsontwikkeling. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar voornoemde brief. Over de problematiek rond het achterwege blijvende definitieve grensvaststelling gaat het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (verder) met het Kadaster in gesprek.
Hoe waardeert u de constatering dat de rechtspraak, de rechtswetenschap en de rechtspraktijk inmiddels het standpunt inneemt dat het aanbieden van opgeknipte kavels landbouwgrond voor handelaren een vergunningplichtige activiteit in het kader van de Wet financieel toezicht is? Wat betekent dit voor de opstelling van de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?
Of er sprake is van een vergunningplichtige activiteit is afhankelijk van de casus. Hierbij speelt het beheercriterium een cruciale rol, zoals beschreven in de Kamerbrief. Wanneer speculatieve grondhandel kwalificeert als beleggingsobject is dit reeds vergunningplichtig onder de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daarnaast kunnen de toezichthouders Autoriteit Financiële Markten (AFM) en Autoriteit Consument en Markt (ACM) optreden tegen oneerlijke handelspraktijken. Daarbij geldt dat de AFM belast is met de handhaving voor zover sprake is van een financiële dienst of activiteit en de ACM voor zover daar geen sprake van is. Indien de toezichthouders constateren dat een grondhandelaar zich bedient van oneerlijke handelspraktijken, hebben zij diverse (handhavings)instrumenten tot hun beschikking. Zo kunnen zij onder meer een zelfstandige last, bestuurlijke boete of last onder dwangsom opleggen. De AFM en de ACM beoordelen individuele casussen op dit terrein en zullen op grond van hun mandaat optreden als dat mogelijk en noodzakelijk is.
De gedachte de opsplitsing van grond zelf aan een vergunning te binden, of om grondhandelaren aan een vergunningstelsel te binden, is uitgebreid onderzocht. Een dergelijke maatregel is niet doeltreffend en doelmatig. In de brief van 20 november 2025 is dit nader toegelicht.
Hoe waardeert u de in het artikel genoemde voorstellen: een vergunningplicht in het kader van de Wet financieel toezicht, inzet van notarissen om oorspronkelijke verkoopprijzen te vermelden en de inzet van het Kadaster om voor kleine agrarische percelen een uitmeting van de grenzen te vereisen?
Voor het antwoord inzake een vergunningplicht verwijs ik naar antwoord 8.
Het voorstel om notarissen de oorspronkelijke verkoopprijzen te laten melden ziet op vermelding in de leveringsakte. De notaris komt namelijk in beeld indien koper en verkoper zover zijn dat ze tot de juridische levering willen overgaan. De oorspronkelijke verkoopprijs is dan pas zichtbaar nadat de koper de koopovereenkomst heeft gesloten en de notaris de leveringsakte heeft opgemaakt.
Notarissen zijn bij de uitoefening van hun ambt verplicht te voldoen aan hoge maatstaven die gelden ten aanzien van de zorg- en informatieplicht. Indien de notaris constateert dat de gesloten koop een speculatief karakter heeft, dan dient de notaris de koper daarop te wijzen en de risico’s van een dergelijke transactie aan hem uit te leggen. Hij moet zich ervan vergewissen dat de koper zich goed bewust is van dat speculatieve karakter en de transactie desondanks wil.12 Het speculatieve karakter van de transactie kan de notaris bijvoorbeeld constateren, wanneer hij een onwaarschijnlijk waardeverschil ziet tussen de aan- en verkoopprijs van de grond. Daarnaast moet de notaris onder omstandigheden zijn dienstverlening bij een onverklaarbare prijsstijging weigeren.
Ten aanzien van de inzet van het Kadaster verwijs ik naar antwoord 7. In het kader van de op landelijke schaal relatief beperkte omvang van de problematiek van deze grondhandel ligt het niet voor de hand deze rol te veranderen. In de eerdergenoemde brief wordt hier nader op ingegaan.
Hoe wilt u op korte termijn ongewenste speculatieve grondhandel inperken? Wat verwacht u daarbij concreet van betrokken partijen als de AFM, het notariaat en het Kadaster?
Ik verwijs u naar de aangekondigde maatregelen in de Kamerbrief die ik mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer heb gestuurd. De Kamerbrief van 20 november 2025 introduceert een aantal maatregelen om deze speculatieve grondhandel aan te pakken. Zo zal er online voorlichting vanuit het Rijk komen. Ook verkent de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid samen met mij de komende periode, de wenselijkheid van de invoering van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond. Daarnaast blijf ik de ontwikkelingen van deze praktijk volgen en wordt het Kadaster periodiek om een update van het aantal beleggingspercelen gevraagd.
De herbeoordeling van F-35-export Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of de herbeoordeling van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël is gedaan aan de hand van de acht criteria die in het EU Gemeenschappelijk Standpunt zijn opgenomen? Zo nee, waarom niet?1
Conform het arrest van de Hoge Raad (d.d. 3 oktober 2025) is de uit- en doorvoer van F-35 onderdelen vanuit Nederland naar Israël opnieuw beoordeeld aan de hand van de geldende kaders voor wapenexportcontrole. Daarbij is de reguliere toets aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport toegepast.
Kunt u per criterium de Kamer informeren hoe u tot het oordeel bent gekomen de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de algemene vergunning AV009 te handhaven? Kunt u, kortom, de exporttoets zelf met de Kamer delen, niet enkel de uitkomst ervan, zodat de Kamer haar controlerende taak kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is transparant over de resultaten van het wapenexportbeleid. Over zowel toegewezen als afgewezen vergunningaanvragen wordt openbaar gerapporteerd via rijksoverheid.nl. In aanvulling daarop wordt de Tweede Kamer conform de motie El Fassed c.s. (Kamerstuk 2010–2011, 22 054, nr. 165 en Kamerstuk 2011–2012, 22 054, nr. 181) versneld (binnen twee weken na afgifte van vergunning) per brief geïnformeerd over afgegeven nieuwe vergunningen (niet zijnde een verlenging of vervanging) voor de definitieve uitvoer van volledige wapensystemen met een waarde van meer dan EUR 2 miljoen indien het land van eindbestemming geen EU/NAVO-land of een daaraan gelijk gesteld land (Japan, Zwitserland, Nieuw-Zeeland en Australië) betreft. De herbeoordeling van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël voldoet niet aan die voorwaarden. Daarnaast omvat de herbeoordeling gevoelige informatie die schadelijk kan zijn voor bilaterale relaties van Nederland. Gelet op bovenstaande is het kabinet niet voornemens af te wijken van de staande praktijk inzake informatievoorziening over de resultaten van het wapenexportbeleid.
Waarom heeft u besloten tot een volgende herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden?
Gelet op de recente ontwikkelingen rondom het staakt-het-vuren en de verdere uitwerking van het vredesplan, is er sprake van een situatie die voortdurend in ontwikkeling is. Het kabinet heeft daarom besloten tot een volgende herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden. Dat het kabinet over de mogelijkheid beschikt om naar eigen inzicht over te gaan tot een herbeoordeling wordt ook bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025.
Waarom schrijft u dat het staakt-het-vuren standhoudt? Bent u ermee bekend dat Israël vrijwel dagelijks het staakt-het-vuren schendt en talloze aanvallen op Gaza zijn uitgevoerd, waarbij honderden Palestijnen zijn gedood sinds 10 oktober, waaronder veel burgers?
Het staakt-het-vuren is fragiel, maar houdt stand. Het is zaak dat dit zo blijft en dat afspraken worden gemaakt over de tweede fase van het vredesplan, waaronder de ontwapening van Hamas. Dat is een grote uitdaging.
Erkent het kabinet dat ook in de nieuwe situatie op de grond die het kabinet beschrijft in de Kamerbrief het lijden van Palestijnse burgers in Gaza onverminderd doorgaat als gevolg van de totale verwoesting, ontheemding, en tekorten aan levensreddende goederen?
Het leed van Palestijnen in de Gazastrook gaat niet aan het kabinet voorbij. Daarom is het van belang dat implementatie van het vredesplan voor de Gazastrook, waar een groot deel van de wereld zich achter geschaard heeft, en VN Veiligheidsraadsresolutie 2803 (2025) slagen. Daar is de inzet van het kabinet op gericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Israël momenteel ongeveer de helft van Gaza bezet houdt?
Het standpunt van Nederland is onverminderd dat Israël de bezettende macht is in de Palestijnse gebieden, inclusief de Gazastrook, en daarom verplichtingen heeft op basis van het bezettingsrecht. Nederland veroordeelt unilaterale stappen die zouden neerkomen op annexatie van de Gazastrook door Israël en staat achter het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk.
Het is voor het kabinet essentieel dat de Palestijnse Autoriteit in de toekomst verantwoordelijkheid draagt voor het bestuur van de Palestijnse Gebieden, mede omdat de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden. Het kabinet onderstreept daarbij dat Hamas de wapens dient neer te leggen en geen rol mag spelen in het toekomstige bestuur van Gaza. Het vredesplan van president Trump biedt hier aanknopingspunten voor. Het is van belang dat dit plan wordt geïmplementeerd in overeenstemming met het internationaal recht en de onderhandelingen over de tweede fase spoedig worden voortgezet.
Deelt u de opvatting dat export van onderdelen van de F-35 naar Israël uitgesloten dient te blijven zolang de dreiging blijft bestaan dat dit wapensysteem ingezet wordt voor mensenrechtenschendingen of oorlogsmisdaden in Gaza (of elders in de regio) en Israël de kuststrook deels bezet? Zo nee, waarom niet?
De internationaalrechtelijke verplichtingen in het kader van wapenexportcontrole van Nederland (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag) zijn leidend bij besluitvorming over wapenexport. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in het arrest van 3 oktober 2025. Op grond van die verplichtingen geldt dat het kabinet geen vergunningen verleent voor de uitvoer van militaire goederen, indien een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen kunnen worden gebruikt bij het begaan of faciliteren van ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht.
Bent u, nu u tot het oordeel komt dat de levering van F-35-onderdelen aan Israël voorlopig niet plaats mag vinden, eveneens van mening dat landen die dergelijke onderdelen van of via Nederland geleverd krijgen, deze onderdelen ook niet zouden moeten doorleveren aan Israël? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Het bevel van de Hoge Raad en in het verlengde daarvan de uitgevoerde herbeoordeling ziet niet op de uit- en doorvoer van F-35 onderdelen vanuit Nederland naar andere landen.
Op het moment van uitvoer van in Nederland geproduceerde, onderhouden of opgeslagen F-35-onderdelen naar andere F-35 partnerlanden, bijvoorbeeld voor de productie van nieuwe toestellen, is het vanwege de werking van de internationale logistieke keten in het F-35-programma niet duidelijk welke onderdelen uiteindelijk bij welke F-35 gebruiker terechtkomen. Er kunnen meerdere jaren zitten tussen de uitvoer van deze onderdelen uit Nederland aan het andere F-35 partnerland, en het moment dat het afgebouwde F-35-toestel door het andere F-35 partnerland daadwerkelijk aan een F-35-gebruiker wordt geleverd. Voor dergelijke projecten met EU-, NAVO-, en daaraan gelijkgestelde landen (Australië, Japan, Nieuw-Zeeland en Zwitserland) geldt binnen de Nederlandse exportcontrole bij de uitvoer van componenten naar producenten al langere tijd het ontvangende land als land waaraan getoetst wordt, als op het moment van uitvoer geen eindgebruiker bekend is.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat op 11 december over de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december?
Ja.
De Chinese militaire oefeningen en simulatie van een blokkade rond Taiwan. |
|
Tom van der Lee (GL), Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Eric van der Burg (VVD), Raymond de Roon (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Taiwan: China’s massive military drills stir invasion fears» van Deutsche Welle1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze grootste militaire oefeningen rondom Taiwan ooit?
De Chinese autoriteiten treden in toenemende mate assertief op in de eigen regio en in het multilaterale systeem en verhogen structureel de druk op Taiwan en landen die met Taiwan samenwerken. Sinds 2022 omvat dit onder andere reguliere, grootschalige militaire oefeningen en (des)informatiecampagnes. Deze zijn onderdeel van de Chinese strategie om onder andere met hybride activiteiten de inlijving van Taiwan in de Volksrepubliek China te bewerkstelligen. De recente militaire oefening past binnen deze inzet maar was omvangrijker dan recente voorgaande oefeningen. De boodschap van de Chinese autoriteiten was daarbij expliciet ook gericht aan externe partijen die zich, volgens China, inmengen in Taiwan. De inzet van het kabinet en de EU is gericht op behoud van de status quo.
Deelt u de mening van de Europese Commissie, die middels een verklaring van EDEO heeft aangegeven dat deze oefeningen een nieuwe bedreiging zijn voor internationale vrede en stabiliteit, en oproept af te zien van zulke acties die voor escalatie kunnen zorgen?
Ik deel de zorgen zoals uitgedragen door de woordvoerder van EDEO over de recente Chinese militaire oefening rond Taiwan; dat heb ik via sociale media ook duidelijk gemaakt. Conform diverse moties spreekt Nederland zich binnen de kaders van het één-Chinabeleid samen met de EU en gelijkgezinde landen uit vóór de-escalatie en tégen destabiliserende unilaterale acties die de status quo bedreigen. Het Taiwan-vraagstuk dient op vreedzame wijze te worden opgelost, waarbij rekening gehouden moet worden met de wensen van de Taiwanese bevolking. Alle betrokken partijen dienen zich te onthouden van unilaterale acties, dreiging of geweld gericht op het wijzigen van de status quo.
Deelt u de mening dat Nederland een extra groot belang heeft bij het handhaven van de status quo in China en Taiwan, mede gezien onze positie in wereldwijde logistiek en de halfgeleiderindustrie?
Het kabinet en de EU zijn zich bewust van de mogelijke repercussies van een crisis rond Taiwan, niet alleen voor de Taiwanese bevolking maar ook voor de hele regio en de wereldeconomie. Een eventueel conflict zou rampzalig zijn voor alle betrokkenen, maar ook grote mondiale repercussies hebben, inclusief voor Nederland. Dat betekent dat dit meer is dan een lokale kwestie en de internationale gemeenschap zich in dient te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen.
Dat vergt overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn. Dit is evenwel geen exercitie die in het openbaar kan worden gedaan.
Heeft u zicht op de exacte impact voor de Nederlandse economie van een langdurige blokkade van Taiwanese havens?
Ik kan niet speculeren over de exacte impact voor de Nederlandse economie in het hypothetische geval van een langdurige blokkade van Taiwanese havens. Zoals gezegd dient de internationale gemeenschap zich in te zetten om dergelijke scenario’s te voorkomen en vergt dat overleg met gelijkgezinden en huiswerk voor de EU om voorbereid te zijn, maar kan ik daar niet verder op ingaan in het openbaar.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden voor het commissiedebat van 13 januari over de Raad Buitenlandse Zaken?
Ja.
Het artikel ‘Woede om miljoenenorder: vier miljoen slimme meters komen straks uit China’ |
|
Pieter Grinwis (CU), Jan Paternotte (D66), Henk Jumelet (CDA), Peter de Groot (VVD), Eric van der Burg (VVD), Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat netbeheerders circa vier miljoen slimme meters gaan inkopen bij Chinese leveranciers? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?1
Welke afwegingen zijn gemaakt over de economische afhankelijkheid van China bij de keuze voor deze leveranciers?
Is onderzocht of voldoende capaciteit bestaat bij Europese of Nederlandse producenten om deze meters te leveren? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?
Welke risicoanalyses zijn uitgevoerd met betrekking tot nationale veiligheid en cybersecurity bij het gebruik van slimme meters, die geproduceerd zijn door bedrijven gevestigd in China?
Zijn er specifieke dreigingsanalyses voor mogelijke beïnvloeding van het energiesysteem (bijvoorbeeld verbruikscijfers manipuleren of storingen veroorzaken) wanneer apparaten in handen zijn van derde landen met potentiële tegenstellingen?
Hebben de AIVD, MIVD of NCTV hierover advies uitgebracht richting het kabinet of netbeheerders? Kunt u die adviezen openbaar maken of samenvatten?
Welke data worden precies verzameld door deze slimme meters en op welke frequentie (bijvoorbeeld per minuut, per uur)?
Wordt er onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke data voor het energienetbeheer en privacygevoelige data? Zo ja, hoe worden die gescheiden?
Welke maatregelen zijn getroffen om te waarborgen dat gegevensuitwisseling volledig conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en EU-privacyregels verloopt?
Welke technische safeguards zijn ingebouwd om te voorkomen dat externe (buitenlandse) fabrikanten of andere externe partijen toegang krijgen tot het backend-systeem waarmee meters data uitwisselen?
Is er nog een mogelijkheid dat de Rijksoverheid ingrijpt en deze aanbesteding terugdraait, indien blijkt dat de veiligheid teveel in het geding komt?
Het artikel ‘Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Felix Klos (D66) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Hoe de nikkelhandel via Rotterdam Poetins oorlogskas vult en China aan kritieke metalen helpt», waarin wordt beschreven dat de blijvende betrokkenheid van Nederlandse bedrijven bij de import en doorvoer van Russische nikkel en koper direct bijdraagt aan de Russische staatsinkomsten en oorlogseconomie?1
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie, door Russische nikkel- en koperimport niet te sanctioneren, Rusland jaarlijks met miljarden euro’s aan exportinkomsten blijven voorzien, terwijl Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne?
Deelt u de mening dat dit het imago van Nederland en de Europese Unie, evenals de geloofwaardigheid van onze inzet ter ondersteuning van Oekraïne, ondermijnt?
Ziet u mogelijkheden om, in navolging van de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK), in EU-verband de import van Russisch nikkel en koper alsnog aan banden te leggen, bijvoorbeeld door Russische producenten zoals Norilsk Nickel op EU-sanctielijsten te plaatsen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? En waarom kunnen de VS en het VK dit wél?
Hoe beoordeelt u het feit dat voor het vervoer van Russisch nikkel naar Nederland gebruik wordt gemaakt van schimmige constructies met ondoorzichtige eigendomsstructuren en recent opgerichte rederijen, terwijl de daaropvolgende opslag, doorvoer en herexport vanuit Nederland volledig legaal plaatsvinden?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven direct en indirect bijdragen aan het in stand houden van mondiale waardeketens die deze lucratieve export mogelijk maken, en daarbij zelf financieel profiteren van handel die bijdraagt aan de voortzetting van de Russische agressie tegen Oekraïne?
Heeft u deze bedrijven daarop aangesproken?
Ziet u mogelijkheden om werk te maken van het verbieden of beperken van de herexport van Russische metalen vanuit Nederland of de Europese Unie naar landen buiten de EU? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Wilt u deze vragen één voor één, op zo kort mogelijke termijn beantwoorden?
Berichtgeving rondom de ratificatie van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA) en de ontwikkeling van een Nederlandse strategie voor kritieke grondstoffen met Chili. |
|
Derk Boswijk (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Aukje de Vries (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u in staat te reflecteren op de bevindingen uit dit artikel over de ratificatie van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA)?1
Ja. Het artikel stelt dat het gewenst is om de Advanced Framework Agreement (AFA) tussen de EU en Chili te ratificeren vanwege het nakomen van partnerschapsbeloftes, ondersteuning van inzet op de diversificatie van grondstoffenwaardeketens en versterking van bescherming van investeringen. Er is een kabinetsappreciatie2 van zowel het AFA als het interim handelsverdrag (iTA) opgesteld. Het kabinet onderschrijft het belang van tijdige ratificatie welke in voorbereiding is. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de handelsonderdelen van het AFA vallend onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie geheel zijn gerepliceerd in het iTA en daarmee reeds sinds 1 februari 2025 in werking zijn. Ratificatie van het AFA biedt geen aanvullende handelsvoordelen, aangezien de delen die buiten het iTA vallen zien op politieke samenwerking en investeringsbescherming.
Kan u aangeven wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot de Nederlandse ratificatieprocedure van de EU-Chili geavanceerde kaderovereenkomst (AFA)?
De geavanceerde kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds is op 13 december 2023 ondertekend en wordt deels voorlopig toegepast. Daarnaast zijn de handelsafspraken zoals opgenomen in het iTA sinds 1 februari 2025 in werking. Voordat de overeenkomst in werking kan treden, dienen alle EU-lidstaten hun interne procedures te hebben afgerond. De stukken die nodig zijn voor de Nederlandse parlementaire goedkeuringsprocedure zijn in voorbereiding.
Op welke termijn verwacht u het ratificatiewetsvoorstel aan de Kamer voor te kunnen leggen?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 zijn de goedkeuringsstukken in voorbereiding. De goedkeuringsstukken betreffen het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst en een memorie van toelichting. Na instemming van de ministerraad wordt het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst met de memorie van toelichting aan de Raad van State voor advies voorgelegd. Na de verwerking van het advies in een nader rapport, wordt het wetsvoorstel tot goedkeuring van de overeenkomst, met de memorie van toelichting en het nader rapport, aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer voor goedkeuring voorgelegd. Zodra beide Kamers hun goedkeuring aan het wetsvoorstel hebben verleend kan over worden gegaan tot ratificatie van de overeenkomst door Nederland. Het kabinet zet in op ratificatie door Nederland op afzienbare termijn.
Zou u kunnen aangeven of er bepaalde bezwaren denkbaar zijn tegen ratificatie?
Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 2 en 3 zijn de parlementaire goedkeuringsstukken in voorbereiding. Het kabinet is een groot voorstander van het verdiepen van de samenwerking tussen de EU en Chili en is positief over de uitkomst van de onderhandelingen over het AFA.3
Dit handelsverdrag beoogt meerdere doelen gelijktijdig te realiseren: meer onderlinge handel en investeringen, gezamenlijke aanpak van wereldwijde uitdagingen en verdieping van politieke samenwerking. Bent u het ermee eens dat dit handelsverdrag als model kan dienen voor EU-handelsverdragen met andere landen?
Ja.
Chili herbergt een van de grootste lithiumreserves van de wereld. Onderschrijft u het belang van stabiele toeleveringsketens van kritieke grondstoffen voor de Nederlandse en Europese markt?
Ja.
Hoe kijkt u naar het opzetten van een Nederlandse of Europese strategie rondom het structureel vergaren van kritieke grondstoffen in het kader van de agressievere benadering van de markt door onder andere China en de Verenigde Staten?
Het kabinet onderschrijft de noodzaak tot deze strategieën en wijst op de Nationale Grondstoffenstrategie4, het BNC-fiche over de EU Critical Raw Materials act5 en de recent gepubliceerde mededeling ReSourceEU, waarover uw Kamer binnen de gestelde termijn een BNC-fiche ontvangt.
Bent u het eens dat de AFA een belangrijke bijdrage kan leveren aan de Europese en Nederlandse toegang tot lithium, koper en ook andere zeldzame metalen?
Op dit moment is het interim handelsverdrag (iTA) tussen de EU en Chili in werking. Hierin is het handelsdeel van de AFA dat valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie gerepliceerd. In het iTA staan afspraken over de toegang tot grondstoffen, zoals over het beperken van exportrestricties (zoals heffingen en quota’s), een verbod op monopolies met exclusieve rechten voor import en export van ruwe kritieke grondstoffen, en het inkaderen van het beleid van lagere grondstofprijzen voor binnenlandse producenten. Dit zijn afspraken die de voorspelbaarheid van de grondstofhandel bevorderen. Daarnaast zijn in het politieke deel van de AFA enkele intenties op het gebied van grondstoffenhandel overeengekomen, zoals het bevorderen van de samenwerking op transparantie van de mondiale grondstoffenmarkt.
Bent u het in dat kader eens dat de AFA zo spoedig mogelijk in werking moet treden?
Ja, waarbij opgemerkt wordt dat voor de Nederlandse ratificatie van de overeenkomst een goedkeuringsprocedure dient te worden doorlopen. De goedkeuringsstukken zijn in voorbereiding en de overeenkomst dient, na adviesvoorziening door de Raad van State, door beide Kamers te worden goedgekeurd.
Bent u bereid er bij de lidstaten die de AFA nog niet hebben geratificeerd in hun nationale parlement erop aan te dringen dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Het kabinet zet in op ratificatie door Nederland op afzienbare termijn. Op dat moment ligt het voor de hand ook andere lidstaten hiertoe op te roepen.
China heeft in 2025 exportbeperkingen ingevoerd op gallium, germanium en andere kritieke grondstoffen; bent u van mening dat dit de urgentie versterkt voor Nederland om de samenwerking met Chili op het gebied van zeldzame aardmetalen te intensiveren?
Het kabinet erkent de urgentie van het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen, en werkt hieraan via de nationale grondstoffenstrategie en de EU Critical Raw Materials Act. Het diversifiëren van de waardeketens is hier een belangrijk onderdeel van. Nederland (en de EU) kijken hierbij naar diverse landen, waaronder Chili.
De Chinese exportcontrolemaatregelen op gallium en germanium uit 2023 en op onder meer een aantal zeldzame aardemetalen uit april 2025 onderstrepen het belang hiervan. Het zij opgemerkt dat zeldzame aardmetalen een aparte groep grondstoffen is, die momenteel niet in Chili gewonnen of verwerkt wordt maar die wel deels aanwezig zijn in Chili. Winning en verwerking hiervan wordt momenteel verkend.6 Gallium en germanium worden ook niet in Chili gewonnen of verwerkt.
Desalniettemin is Chili is een belangrijke producent van grondstoffen, met name koper, lithium en boor (aangewezen als kritieke grondstoffen door de Europese Commissie). Daarom steunt het kabinet het Memorandum of Understanding (MoU) dat de Europese Unie in 2023 heeft afgesloten met Chili op kritieke grondstoffen. Hierin is afgesproken dat partijen onder andere samen werken aan het bevorderen van projecten, open en eerlijke markten, en environmental, social, governance(ESG) standaarden.
Nederland geeft invulling aan dit MoU middels diverse activiteiten. Zo hebben het Nederlands Materialen Observatorium en Nederlandse universiteiten een samenwerking met Chileense universiteiten en steunt Nederland een Europa-brede studie op basis van aanbevelingen van CEPAL over hoe de regio zijn lithium- en koperwaardeketens duurzaam kan ontwikkelen. Ook heeft TNO een samenwerking met het Nationaal Lithiuminstituut (INLiSa).
Bent u bereid om een integrale beleidsnotitie op te stellen over de kansen en uitdagingen voor Nederland op het gebied van zeldzame aardmetalen in Chili, waarin de hierboven genoemde aspecten in samenhang worden bezien?
In de Nationale Grondstoffenstrategie is diversificatie één van de pijlers om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen te versterken7. Samenwerking met derde landen, waaronder Chili, valt onder deze pijler. Voor de beleidsinzet verwijs ik u daarom naar deze strategie. Het kabinet zal geen integrale beleidsnotitie opstellen over de kansen en uitdagingen voor Nederland op het gebied van zeldzame aardmetalen in Chili.
Daarnaast heeft voor internationale grondstoffensamenwerking een Europese aanpak die zich richt op de hele waardeketen de voorkeur, omdat de Nederlandse industrie deze grondstoffen niet of nauwelijks direct importeert of gebruikt8. Nederland importeert vooral producten waar kritieke grondstoffen in verwerkt zitten. Naast de reeds bestaande kaders voor internationale samenwerking op kritieke grondstoffen wordt uw Kamer binnenkort ook geïnformeerd over de kabinetspositie t.a.v. het ResourceEU actieplan, dat onder andere ingaat op de Europese aanpak van partnerschappen met grondstofrijke landen.
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 11 is Chili een belangrijke producent van kritieke grondstoffen. Daarom steunt het kabinet grondstoffensamenwerking in EU-verband, via het Memorandum of Understanding (MoU) tussen de EU en Chili.
Kan u toezeggen de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van zowel de ratificatie van de EU-Chili AFA als de Nederlandse inzet op het gebied van kritieke grondstoffen met Chili?
De Kamer wordt regulier geïnformeerd over de voortgang van onderhandelingen en ratificaties van handels- en investeringsakkoorden via de voortgangsrapportage handelsakkoorden9, die vier maal per jaar als bijlage bij de geannoteerde agenda’s voor de Raden Buitenlandse Zaken Handel aan uw Kamer worden gezonden.
In de voortgangsrapportage Nationale Grondstoffenstrategie10 is een update gegeven over de samenwerking met derde landen. Zoals hierboven genoemd wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd over de kabinetspositie t.a.v. het Commissievoorstel voor ResourceEU, dat ook ingaat op de Europese aanpak van partnerschappen met grondstofrijke landen.
De herbeoordeling van F-35-export Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of de herbeoordeling van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël is gedaan aan de hand van de acht criteria die in het EU Gemeenschappelijk Standpunt zijn opgenomen? Zo nee, waarom niet?1
Conform het arrest van de Hoge Raad (d.d. 3 oktober 2025) is de uit- en doorvoer van F-35 onderdelen vanuit Nederland naar Israël opnieuw beoordeeld aan de hand van de geldende kaders voor wapenexportcontrole. Daarbij is de reguliere toets aan de criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport toegepast.
Kunt u per criterium de Kamer informeren hoe u tot het oordeel bent gekomen de uitsluiting van Israël als eindbestemming voor de algemene vergunning AV009 te handhaven? Kunt u, kortom, de exporttoets zelf met de Kamer delen, niet enkel de uitkomst ervan, zodat de Kamer haar controlerende taak kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is transparant over de resultaten van het wapenexportbeleid. Over zowel toegewezen als afgewezen vergunningaanvragen wordt openbaar gerapporteerd via rijksoverheid.nl. In aanvulling daarop wordt de Tweede Kamer conform de motie El Fassed c.s. (Kamerstuk 2010–2011, 22 054, nr. 165 en Kamerstuk 2011–2012, 22 054, nr. 181) versneld (binnen twee weken na afgifte van vergunning) per brief geïnformeerd over afgegeven nieuwe vergunningen (niet zijnde een verlenging of vervanging) voor de definitieve uitvoer van volledige wapensystemen met een waarde van meer dan EUR 2 miljoen indien het land van eindbestemming geen EU/NAVO-land of een daaraan gelijk gesteld land (Japan, Zwitserland, Nieuw-Zeeland en Australië) betreft. De herbeoordeling van de uit- en doorvoer van F-35-onderdelen naar Israël voldoet niet aan die voorwaarden. Daarnaast omvat de herbeoordeling gevoelige informatie die schadelijk kan zijn voor bilaterale relaties van Nederland. Gelet op bovenstaande is het kabinet niet voornemens af te wijken van de staande praktijk inzake informatievoorziening over de resultaten van het wapenexportbeleid.
Waarom heeft u besloten tot een volgende herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden?
Gelet op de recente ontwikkelingen rondom het staakt-het-vuren en de verdere uitwerking van het vredesplan, is er sprake van een situatie die voortdurend in ontwikkeling is. Het kabinet heeft daarom besloten tot een volgende herbeoordeling binnen een uiterlijke termijn van zes maanden. Dat het kabinet over de mogelijkheid beschikt om naar eigen inzicht over te gaan tot een herbeoordeling wordt ook bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025.
Waarom schrijft u dat het staakt-het-vuren standhoudt? Bent u ermee bekend dat Israël vrijwel dagelijks het staakt-het-vuren schendt en talloze aanvallen op Gaza zijn uitgevoerd, waarbij honderden Palestijnen zijn gedood sinds 10 oktober, waaronder veel burgers?
Het staakt-het-vuren is fragiel, maar houdt stand. Het is zaak dat dit zo blijft en dat afspraken worden gemaakt over de tweede fase van het vredesplan, waaronder de ontwapening van Hamas. Dat is een grote uitdaging.
Erkent het kabinet dat ook in de nieuwe situatie op de grond die het kabinet beschrijft in de Kamerbrief het lijden van Palestijnse burgers in Gaza onverminderd doorgaat als gevolg van de totale verwoesting, ontheemding, en tekorten aan levensreddende goederen?
Het leed van Palestijnen in de Gazastrook gaat niet aan het kabinet voorbij. Daarom is het van belang dat implementatie van het vredesplan voor de Gazastrook, waar een groot deel van de wereld zich achter geschaard heeft, en VN Veiligheidsraadsresolutie 2803 (2025) slagen. Daar is de inzet van het kabinet op gericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat Israël momenteel ongeveer de helft van Gaza bezet houdt?
Het standpunt van Nederland is onverminderd dat Israël de bezettende macht is in de Palestijnse gebieden, inclusief de Gazastrook, en daarom verplichtingen heeft op basis van het bezettingsrecht. Nederland veroordeelt unilaterale stappen die zouden neerkomen op annexatie van de Gazastrook door Israël en staat achter het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk.
Het is voor het kabinet essentieel dat de Palestijnse Autoriteit in de toekomst verantwoordelijkheid draagt voor het bestuur van de Palestijnse Gebieden, mede omdat de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden. Het kabinet onderstreept daarbij dat Hamas de wapens dient neer te leggen en geen rol mag spelen in het toekomstige bestuur van Gaza. Het vredesplan van president Trump biedt hier aanknopingspunten voor. Het is van belang dat dit plan wordt geïmplementeerd in overeenstemming met het internationaal recht en de onderhandelingen over de tweede fase spoedig worden voortgezet.
Deelt u de opvatting dat export van onderdelen van de F-35 naar Israël uitgesloten dient te blijven zolang de dreiging blijft bestaan dat dit wapensysteem ingezet wordt voor mensenrechtenschendingen of oorlogsmisdaden in Gaza (of elders in de regio) en Israël de kuststrook deels bezet? Zo nee, waarom niet?
De internationaalrechtelijke verplichtingen in het kader van wapenexportcontrole van Nederland (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport en het Wapenhandelsverdrag) zijn leidend bij besluitvorming over wapenexport. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in het arrest van 3 oktober 2025. Op grond van die verplichtingen geldt dat het kabinet geen vergunningen verleent voor de uitvoer van militaire goederen, indien een duidelijk risico bestaat dat de uit te voeren militaire goederen kunnen worden gebruikt bij het begaan of faciliteren van ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht.
Bent u, nu u tot het oordeel komt dat de levering van F-35-onderdelen aan Israël voorlopig niet plaats mag vinden, eveneens van mening dat landen die dergelijke onderdelen van of via Nederland geleverd krijgen, deze onderdelen ook niet zouden moeten doorleveren aan Israël? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Het bevel van de Hoge Raad en in het verlengde daarvan de uitgevoerde herbeoordeling ziet niet op de uit- en doorvoer van F-35 onderdelen vanuit Nederland naar andere landen.
Op het moment van uitvoer van in Nederland geproduceerde, onderhouden of opgeslagen F-35-onderdelen naar andere F-35 partnerlanden, bijvoorbeeld voor de productie van nieuwe toestellen, is het vanwege de werking van de internationale logistieke keten in het F-35-programma niet duidelijk welke onderdelen uiteindelijk bij welke F-35 gebruiker terechtkomen. Er kunnen meerdere jaren zitten tussen de uitvoer van deze onderdelen uit Nederland aan het andere F-35 partnerland, en het moment dat het afgebouwde F-35-toestel door het andere F-35 partnerland daadwerkelijk aan een F-35-gebruiker wordt geleverd. Voor dergelijke projecten met EU-, NAVO-, en daaraan gelijkgestelde landen (Australië, Japan, Nieuw-Zeeland en Zwitserland) geldt binnen de Nederlandse exportcontrole bij de uitvoer van componenten naar producenten al langere tijd het ontvangende land als land waaraan getoetst wordt, als op het moment van uitvoer geen eindgebruiker bekend is.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat op 11 december over de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december?
Ja.
Het Commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken Handel van 19 november |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u tijdens het commissiedebat heeft aangegeven geen compenserende maatregelen te willen treffen voor de Nederlandse varkenssector, welke getroffen is door antidumpingsheffingen, ingesteld door China?
Herinnert u zich dat u daarbij heeft gesteld dat compenserende maatregelen «in andere sectoren ook niet worden toegepast»?
Kunt u voor deze bewering een volledige en concrete lijst verstrekken van sectoren waarop u doelde? Per sector: welke antidumpingheffing, welk percentage per lidstaat, welke schade, en welk besluit om geen compensatie te verstrekken was daarbij aan de orde?
In hoeveel van deze door u genoemde sectoren bij vraag 3 gold, net zoals in de varkenssector, dat de betrokken bedrijven geen enkele verantwoordelijkheid droegen voor de buitenlandse heffingen of tegenmaatregelen, maar desalniettemin substantiële economische schade ondervonden?
Erkent u dat in gevallen waarin Europese bedrijven schuldeloos door externe handelsmaatregelen worden geraakt, welke per bedrijf en/of lidstaat verschillen, het uitblijven van compensatie het level playing field binnen de interne markt kan verstoren?
Indien dit niet het geval is, op welke wijze waarborgt de EU volgens u dan wél gelijke concurrentieverhoudingen?
Bent u bereid, gelet op de structurele en eenzijdige risico’s voor de Europese varkenssector, uw eerdere positie te heroverwegen en zich in Brussel in te zetten voor tijdelijke compenserende of mitigatiemaatregelen, zolang de Chinese antidumpingsheffingen gelden?
Indien het antwoord nee is, hoe beoordeelt u dan het risico dat Europese producenten blijvend worden benadeeld door geopolitiek gemotiveerde maatregelen waar zij zelf geen invloed op hebben?
Hoe verhoudt bovenstaande antwoord zich tot de kwesties aangaande het concurrentievermogen en verdienvermogen van zowel Nederland en de EU?
Is dit in lijn met de conclusies en aanbevelingen van het rapport Draghi?
Kunt u deze vragen individueel en zo spoedig mogelijk beantwoorden, gelet op het feit dat deze vragen onvoldoende duidelijk werden beantwoord in het commissiedebat?
Het bericht ‘Tabakssmokkel en nepsigaretten schaden Nederlandse verkopers’ |
|
Harmen Krul (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tabakssmokkel en nepsigaretten schaden Nederlandse verkopers»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksondernemers en instanties zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Douane meer illegale handel in sigaretten zien? Wat zijn hierover de meest recente cijfers?
De laatste bekende cijfers over de illegale markt in sigaretten zijn afkomstig uit het pakjesraaponderzoek uit 2024 (Empty Pack Survey, EPS), in juni met uw Kamer gedeeld.2 Bij dit pakjesraaponderzoek in Nederland is een bepaalde hoeveelheid sigarettenverpakkingen op straat geraapt in tien grote steden en 20 gemeenten aan de grens. Het aandeel nagemaakte sigarettenverpakkingen en pakjes die niet op de Europese markt mogen worden aangeboden, omdat ze niet geregistreerd staan in de EU-database (illicit whites) was in 2024 gezamenlijk 11,1%. Daarnaast is in 2024 30,1% van de geraapte pakjes in het buitenland veraccijnsd. Uit dit onderzoek valt niet op te maken of deze pakjes voor eigen gebruik zijn meegenomen uit het buitenland of dat ze in Nederland verder illegaal verhandeld zijn.
Kunt u, voor zover bekend, aangeven in hoeverre de productie van illegale sigaretten in Nederland plaatsvindt? Hoe verhoudt de illegale productie in Nederland zich cijfermatig met illegale handel per luchtvracht, via de Rotterdamse haven of door import uit andere Europese landen? Ziet u een toename van illegale productie in Nederland?
Ik verwijs graag naar de jaarrapportage 2024 van de Douane die in juni 2025 aan uw Kamer is aangeboden3, waarin staat dat illegale productie van sigaretten ook in Nederland plaatsvindt.
In 2024 zijn in Nederland twee illegale sigarettenfabrieken opgerold in Bunnik en Bladel. Verder is één fabriek in opbouw aangetroffen in Hulst en zijn in samenwerking met België twee trailers met tabaksmachines inbeslaggenomen.
Daarnaast is één illegale productielocatie voor waterpijptabak opgerold in Aalten. Ter vergelijking: in 2023 werden tien illegale fabrieken/productielocaties opgerold. Ook in 2025 zijn enkele illegale fabrieken opgerold; exacte cijfers over 2025 volgen in het eerste kwartaal van 2026.
Ik heb van de Douane begrepen dat in 2024 68% van de grotere inbeslagnames van sigaretten aan de maritieme buitengrens van de EU hebben plaatsgevonden. Slechts 1% van de inbeslagnames vond plaats per luchtvracht en 31% van de inbeslagnames vond plaats in het binnenland (illegale productie en opslag).
Welke effecten ziet u van de uitgebreidere bevoegdheden en extra middelen voor toezichthouders en opsporingsdiensten om te handhaven op illegale handel in sigaretten en vapes? Is dit voldoende om een vuist te maken tegen illegale handel en zo nee, wat zou er nog meer nodig zijn?
De Douane is de toezichthouder als het gaat over illegale handel in accijnsgoederen zoals sigaretten en tabak. Vapes (e-sigaretten) zijn op dit moment geen accijnsgoederen. De NVWA is de toezichthouder voor vapes.
De Douane draagt ook bij aan het verstoren van criminele werkprocessen en er worden barrières opgeworpen tegen crimineel handelen. Eén van die barrières is de ingevoerde vergunningplicht voor tabaksmachines. Omdat de EU-regelgeving met betrekking tot een vergunningplicht voor tabaksmachines op zich laat wachten, heeft Nederland in 2023 als eerste land in de EU zelfstandig deze vergunningplicht ingevoerd. Illegale sigarettenfabrieken kunnen hierdoor ook in de opbouw- en afbouwfase worden aangepakt. Deze aanpak lijkt inmiddels vruchten af te werpen, zoals ook blijkt in het antwoord op vraag 3. Ten aanzien van de illegale fabrieken wordt nog opgemerkt dat interventies leiden tot volledige ontmanteling en verlies van de productielijn(en). Aanwezige machines ten gunste van de fabricage worden in beslag genomen en vernietigd.
Voor het kerstreces zal ik een factsheet delen met uw Kamer waarin wordt beschreven hoe het toezicht door de NVWA op het verbod op smaakjes van vapes4 is verlopen tussen juli 2024 en juli 2025. Daarbij wordt ook ingegaan op de nieuwe bevoegdheid tot inbeslagname in artikel 13e van de Tabaks- en rookwarenwet (vanaf 1 januari 2025). In de praktijk is het bij het toezicht op de naleving van het smaakjesverbod voor de NVWA niet altijd gemakkelijk om aan te tonen dat een e-sigaret met een smaak anders dan tabak in de handel wordt gebracht. Om deze reden werk ik aan een wetsvoorstel dat het in voorraad hebben van producten die niet voldoen aan de product- en verpakkingseisen van de Tabaks- en rookwarenwet verbiedt. Hierbij is gelet op het Europees recht een uitzondering opgenomen voor doorvoer. Dit wetsvoorstel zal binnenkort in internetconsultatie komen. Ik verwacht dat de NVWA hierdoor efficiënter en effectiever kan handhaven. Verbeterd toezicht is echter maar een deel van de oplossing om de illegale handel te stoppen. Er moet ook worden ingezet op het verminderen van de vraag naar deze producten. Ik werk daarom parallel aan het uitrollen van de preventieve maatregelen die genoemd zijn in het Actieplan tegen Vapen5 en de Samenhangende preventiestrategie.6
Zijn er op dit moment praktische problemen in het opsporen en handhaven van illegale tabakssmokkel? Zo ja, hoe kan de opsporing efficiënter worden ingericht?
De Douane heeft, op basis van de Wet op de Accijns en het Douanewetboek van de Unie, voldoende handvatten om handhaving uit te voeren op illegale tabakssmokkel. De Douane werkt op dit gebied ook samen met de FIOD in het combi-team SMOKE.
Daarnaast is de Douane aangewezen als toezichthouder voor een aantal artikelen in de Tabaks- en rookwarenwet. De voorziene implementatie van het bijbehorende boeteproces vindt naar verwachting plaats in 2026 en hiermee wordt handhaving nog efficiënter.
Er ligt inmiddels ook een voorstel van de Europese Commissie om in de gehele Europese Unie enkele maatregelen in te voeren die onder meer te maken hebben met de strijd tegen fraude en belastingontduiking. Onderhandelingen over dit voorstel zijn inmiddels gestart.
Bent u van mening dat de handhaving van illegale online webshops waarop sigaretten worden verkocht, goed genoeg verloopt? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om dit te verbeteren?
De handhaving van het verbod op de online verkoop is belegd bij de NVWA. Na de invoering van het verbod op verkoop op afstand zijn veel reguliere webshops gestopt met de verkoop van rookwaren zoals sigaretten en vapes. Een ander, kleiner deel van de webshops heeft de verkoop voortgezet. Dit betreft veelal bewuste overtreders. De NVWA blijft hier toezicht op houden, waarbij de afgelopen periode de focus met name op de verkoop op afstand van vapes lag. Om handhaving en maatregelen van de NVWA te ontlopen, voeren deze winkels veelal anoniem hun werkzaamheden uit of vestigen zij zich in het buitenland. In die gevallen is niet altijd te achterhalen wie er achter de website zit, waardoor geen boete kan worden opgelegd. Indien de website in het buitenland gevestigd is, maar de verkoop daarop zich richt op Nederland, dan handhaaft de NVWA ook. In de praktijk blijken niet alle buitenlandse bedrijven op de opgelegde maatregelen te reageren. Er wordt daarbij dan gevraagd om bijstand vanuit andere EU-lidstaten. Ook wanneer testaankopen door de NVWA worden gedaan, valt niet altijd te achterhalen wie er verantwoordelijk is voor de niet-toegestane verkoop op afstand. De NVWA gaat doorlopend na hoe dit toezicht kan worden doorontwikkeld om deze verkopers aan te pakken.
Hoeveel websites waarop illegale sigaretten worden aangeboden en verkocht zijn de afgelopen maanden offline gehaald?
In het kader van het toezicht op de naleving op de regels over de online verkoop door de NVWA, met name gericht op websites met vapes, zijn er in 2025 131 online webshops geïnspecteerd. Daarbij is 25 keer opgetreden (12 officiële waarschuwingen en 13 boetes). Dit betreffen de webshops waarbij de eigenaar kon worden achterhaald. Daarnaast zijn er ook nog 35 webshops geïnspecteerd waar de eigenaar niet te achterhalen viel. Vanwege het ontbreken van gegevens over de eigenaar, konden deze controles niet in het inspectieregistratiesysteem van de NVWA worden geregistreerd. Hiervoor is recentelijk een oplossing gevonden en deze bedrijven zullen vanaf volgend jaar ook kwantitatief meegeteld worden.
Websites gevestigd in het buitenland, maar gericht op verkoop in Nederland, worden ook door de NVWA geïnspecteerd. Contact leggen met deze webshops is heel moeilijk. Er wordt in dat kader dan ook vaak gevraagd om bijstand van andere EU-lidstaten.
Het offline halen van een website is complex en zeer tijdrovend. In het verleden is gebleken dat een website die offline was gehaald, zeer snel weer online was. Daarbij was de naam van de website slechts minimaal aangepast. In dat geval moet weer opnieuw het traject gestart worden om de website offline te halen. De afgelopen maanden zijn geen websites offline gehaald.
Welke maatregelen gaat u nemen om illegale handel in sigaretten op groepspagina’s en marketing gericht op jongeren tegen te gaan?
Het online verkopen van sigaretten en aanverwante producten is, afhankelijk van het product, sinds juni 2023/januari 2024 verboden. Op dit moment is een besluit in voorbereiding waarbij ook het online aanbieden van tabaksproducten en aanverwante producten verboden wordt, omdat dit de handhaving vergemakkelijkt. De NVWA hoeft dan niet meer aan te tonen dat er daadwerkelijk online wordt verkocht, het enkel aanbieden is al een overtreding. De NVWA controleert of bedrijven zich aan de regels houden. Bij een overtreding wordt een waarschuwing of boete gegeven of een andere maatregel opgelegd. In het kader van het toezicht zoekt de NVWA naar posts waarin deze producten worden gepromoot (marketing) of aangeboden vanuit of specifiek gericht op Nederland en laat deze posts door de platformen verwijderen. Sporadisch is te achterhalen wie er achter deze posts zit. In dat geval wordt dit doorgegeven aan de Douane en kan indien mogelijk een controle plaatsvinden en opgetreden worden met een maatregel als de wet wordt overtreden. Daarnaast heeft de NVWA gesprekken gevoerd met verschillende platforms of zij zelf geautomatiseerd kunnen scannen op posts met aanbod van deze producten en of zij deze posts snel en effectief zelf kunnen verwijderen. Zo kan worden voorkomen dat op de publieke functies van de platforms gehandeld wordt in vapes en sigaretten.
Deelt u de mening dat accijnsverhogingen ondanks een toename in illegale handel en smokkel nog steeds een effectief middel zijn om roken te ontmoedigen?
Accijnsverhoging wordt internationaal gezien als de meest effectieve manier om het aantal rokers terug te dringen.7 Na de laatste accijnsverhoging in 2024 heeft het RIVM onderzoek gedaan naar het effect van deze verhoging op het rookgedrag van ondervraagde rokers, waaronder stoppen met roken, minder roken en het doen van aankopen over de grens.8 Ook de Douane heeft met het eerder genoemde pakjesraaponderzoek (EPS) onderzoek gedaan naar de herkomst van in Nederland gerookte sigaretten.9
Het RIVM-rapport wijst uit dat de accijnsverhoging in 2024 gedragsveranderingen bij rokers teweeg heeft gebracht en een rol heeft gespeeld bij het stoppen of minderen met roken. Tegelijkertijd benoemt het rapport dat het aantal stoppers kleiner is dan bij de accijnsverhoging van 2023 en dat het belangrijkste gedragseffect van de accijnsverhoging in 2024 is dat een aanmerkelijk grotere groep rokers in het buitenland rookwaren is gaan kopen. De bevindingen uit het EPS van 2024 tonen ten aanzien van het kopen van rookwaren in het buitenland een vergelijkbaar beeld en laten zien dat sinds de vorige meting een toename heeft plaatsgevonden in het aantal niet in Nederland veraccijnsde pakjes. Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 aangegeven, is een gedeelte daarvan illegaal. Dat zijn namaakpakjes en pakjes die niet op de Europese markt mogen worden aangeboden. Het grootste gedeelte van de niet in Nederland veraccijnsde pakjes is in een andere lidstaat legaal aangekocht.
Het RIVM geeft aan dat het lijkt dat in de Nederlandse context, van altijd nabije grenzen, het accijnsbeleid op tabak tegen zijn grenzen is aangelopen. Daarom streeft Nederland in het kader van de herziening van de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) naar verdere Europese harmonisatie van de accijnstarieven zodat prijsverschillen met het buitenland kleiner worden. Hiernaast zet Nederland zich ook in voor strengere regels over de hoeveelheid rookwaar die consumenten vanuit het buitenland mogen meenemen.
Het is aan het volgende kabinet om te besluiten over te gaan tot wijzigingen ten aanzien van de accijns.
Deelt u de mening dat een automatische stapsgewijze verhoging van de accijns veel beter is dan schoksgewijze verhogingen, omdat het een effectieve maatregel is om roken te ontmoedigen en ook meer duidelijkheid aan ondernemers geeft? Zo ja, bent u bereid dit te overwegen?
Vanuit de wetenschap wordt advies gegeven over hoe tabaksaccijns het beste ingezet kan worden om roken te ontmoedigen. Deze aanbevelingen zijn volgens het Trimbos-instituut als volgt samen te vatten:10
Daarnaast streeft Nederland, zoals genoemd in mijn beantwoording bij vraag 9, in het kader van de herziening van de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) naar verdere Europese harmonisatie van accijnstarieven zodat prijsverschillen met het buitenland kleiner worden. Het kabinet is ook voorstander van een driejaarlijkse indexatie van de minimumaccijnstarieven, zoals voorgesteld door de Commissie.
Het is, tot slot, niet aan dit demissionaire kabinet om nieuwe toezeggingen te doen met betrekkingen tot de accijns op tabaksproducten.
Wat doet u om in Europa samen met andere lidstaten te werken aan tabaksontmoedigingsbeleid, waarvan accijnsverhogingen onderdeel zijn?
Om het Nederlandse gezondheids- en tabaksontmoedigingsbeleid en de strijd tegen illegale handel en productie te versterken heeft Nederland, samen met andere lidstaten, de Europese Commissie opgeroepen de Richtlijn tabaksaccijns te moderniseren.11
Nederland is dan ook blij met de publicatie van het herzieningsvoorstel voor de Richtlijn tabaksaccijns (TTD) van 16 juli 2025. Zoals al genoemd in mijn beantwoording bij de vragen 9 en 10 streeft Nederland naar verdere Europese harmonisatie van de accijnstarieven en strengere regels over de hoeveelheid rookwaren die consumenten vanuit het buitenland mogen meenemen. Hiernaast is Nederland ook groot voorstander van de door de Commissie voorgestelde uitbreiding van de reikwijdte van de Richtlijn tabaksaccijns naar andere tabaks- en tabakgerelateerde producten, zoals bijvoorbeeld vapes (e-sigaretten). U kunt meer lezen over de Nederlandse inzet ten aanzien van de herziening van de richtlijn in de bijlage «Beoordeling richtlijn tabaksaccijns» bij de Kamerbrief «informatievoorziening over nieuwe commissievoorstellen» die op 19 september 2025 aan uw Kamer is gestuurd.12
Ook streeft Nederland naar een spoedige herziening van de tabaksproductenrichtlijn (TPD) en de richtlijn inzake tabaksreclame (TAD). Nederland heeft als trekker in maart 2025 namens 11 andere lidstaten een gezamenlijke brief opgesteld en hier bij de Commissie op aangedrongen.13
Wat doet u specifiek om onze buurlanden Duitsland, Luxemburg en België te bewegen ook tabaksproducten duurder te maken, om smokkel en illegale handel tegen te gaan en een gelijk speelveld te bevorderen?
Nederland heeft goed contact met België over het tabaksontmoedigingsbeleid. België kent, net als Nederland, relatief hoge tabaksaccijns, in tegenstelling tot Duitsland en Luxemburg. In de context van de Benelux heeft Nederland ook contact over verwachte wijzigingen in het accijnsbeleid. Uiteraard kan Nederland geen directe invloed uitoefenen op de politieke keuzes die in onze buurlanden worden gemaakt. De herziening van de Richtlijn tabaksaccijns is daarvoor wel een geschikt instrument.
De stand van zaken bij de aanpak van speculatieve grondhandel |
|
André Flach (SGP) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Maatschappelijke en juridische ontwikkelingen bij de windhandel in opgeknipte agrarische percelen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Waarom is de Kamer nog steeds niet geïnformeerd over de uitkomst van het toegezegde ambtelijke onderzoek naar de aanpak van speculatieve grondhandel?2
Uw Kamer is op 20 november 2025 bij brief, mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geïnformeerd over de uitkomst van het ambtelijk onderzoek naar maatregelen om speculatieve grondhandel met opgesplitste percelen gericht op particulieren te voorkomen en tegen te gaan.3 In diezelfde brief is uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een extern onderzoek naar een splitsingsverbod bij speculatieve grondhandel,4 en over een update door het Kadaster van de inzichten over de aard en omvang van de voorliggende problematiek.5
Wat is de stand van zaken van het genoemde ambtelijke onderzoek? Wanneer wordt de uitkomst met de Kamer gedeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse dat het voor consumenten niet eenvoudig is om een gesloten koopovereenkomst voor opgeknipte landbouwpercelen ontbonden te krijgen en verhaal te halen?
Een consument heeft meerdere privaatrechtelijke mogelijkheden om een met een grondhandelaar gesloten koopovereenkomst over een gesplitst perceel te vernietigen.6 Zo kan een consument zich onder andere beroepen op een oneerlijke handelspraktijk, dwaling, bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of de onbepaalbaarheid van de koop. Uit de rechtspraak blijkt dat een beroep op een oneerlijke handelspraktijk of dwaling het meest voorkomt. Er is sprake van een oneerlijke handelspraktijk7 als de handelaar informatie heeft verstrekt die feitelijk onjuist is of de informatie op zodanige wijze heeft gepresenteerd dat de consument daardoor wordt misleid en de gemiddelde consument door die misleiding een besluit over de overeenkomst neemt, dat hij anders niet had genomen. Dit kan het geval zijn als het verkochte perceel de functie van «landbouwgrond» heeft en de grondhandelaar de – onjuiste – suggestie heeft gewekt dat een (omgevings)planwijziging op komst is, waardoor de grond een waardesprong zal maken en daarmee rendement oplevert. Bij een beroep op dwaling8 gaat het om het ontbreken van een juiste voorstelling van zaken, waardoor de consument een overeenkomst heeft gesloten die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. De dwaling moet te wijten zijn aan een mededeling of het zwijgen van de grondhandelaar, of beide partijen moeten van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan (wederzijdse dwaling).
De consument die meent dat sprake was van dwaling of een oneerlijke handelspraktijk kan de overeenkomst vernietigen door een buitengerechtelijke verklaring te doen aan de handelaar, bijvoorbeeld in de vorm van een brief, of door een procedure bij de rechter te starten. Door vernietiging verliest de overeenkomst met terugwerkende kracht haar werking. Reeds verrichte prestaties, zoals betaling van de koopsom, kunnen worden teruggevorderd als onverschuldigde betaling. Indien de consument een beroep doet op een oneerlijke handelspraktijk, rust de bewijslast voor de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie op de handelaar. Een handelaar die een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht, heeft bovendien onrechtmatig gehandeld jegens de consument en is daarmee in beginsel aansprakelijk voor de schade die de consument als gevolg daarvan heeft geleden.
Indien een consument de koopovereenkomst heeft vernietigd, is hiermee tevens een eventueel in de koopovereenkomst opgenomen boetebeding vernietigd. In de praktijk komt het namelijk voor dat een grondhandelaar een boetebeding heeft opgenomen in de koopovereenkomst met de consument. Dit beding kan bijvoorbeeld inhouden dat de consument een boete verbeurt als hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt. Ook komt het voor dat de grondhandelaar een beding opneemt dat inhoudt dat de consument geen beroep kan doen op ontbinding of vernietiging van de overeenkomst. Dit kan de koper afschrikken om gebruik te maken van zijn wettelijke mogelijkheden om af te zien van de koop. Zo’n beding doet echter niets af aan de hiervoor genoemde mogelijkheden om de koopovereenkomst te vernietigen. Ook kan de rechter onder omstandigheden een dergelijk beding terzijde schuiven op de grond dat het beding op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.9 Als het beding is opgenomen in de algemene voorwaarden kan de rechter het beding vernietigen als het onredelijk bezwarend is voor de consument.10
In aanvulling op de bestaande mogelijkheden voor consumenten om van de koopovereenkomst af te komen, zullen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en ik de wenselijkheid van een wettelijke bedenktijd bij de aankoop van grond door consumenten onderzoeken. Deze verkenning is aangekondigd in de Kamerbrief van 20 november 2025. Een dergelijke wettelijke bedenktijd geldt reeds bij de koop van een woning door een particulier (consument). De consument krijgt dan gedurende drie dagen na het sluiten van de koopovereenkomst het recht de overeenkomst te ontbinden. Met een bedenktijd krijgt een consument tijd om na te denken over zijn aankoop. In die periode kan de consument de door de verkoper verschafte informatie nagaan en tevens kan de consument, wanneer deze onder druk is gezet door een grondhandelaar om een beleggingsperceel te kopen, alsnog eenvoudig van de koop afzien. Het invoeren van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond zou deze kopers dus extra bescherming kunnen bieden. In de verkenning wordt onderzocht in hoeverre een wettelijke bedenktijd een oplossing kan zijn om consumenten beter te beschermen en malafide praktijken rondom speculatieve grondhandel tegen te gaan.
Deelt u de analyse dat het versnipperen van eigendomsrechten van landbouwpercelen onwenselijk is vanuit het oogpunt van gebiedsontwikkeling?
Waar dergelijke versnippering plaatsvindt en ter plaatse tevens sprake is van gebiedsontwikkeling, is dit versnipperen onwenselijk. In het ambtelijke onderzoek is een groot aantal maatregelen rond het thema speculatieve grondhandel gericht op particulieren onderzocht en beoordeeld. Bij de beoordeling van de maatregelen is betrokken, dat op landelijke schaal de reguliere gebiedsontwikkeling nauwelijks wordt gehinderd. Het onderzoeksrapport van het Kadaster bevestigt het eerdere beeld dat het aandeel beleggingspercelen op het totaal van de landbouwgrond klein is.11 Uit het onderzoek van het Kadaster blijkt verder dat er bij speculatieve grondhandel slechts in zeer zeldzame gevallen sprake is geweest van grond die ten behoeve van een gebiedsontwikkeling weer is verkocht (of onteigend). Grondhandelaren die zich richten op particulieren wekken namelijk de – meestal onjuiste – suggestie dat een (omgevings)planwijziging met een gebiedsontwikkeling op komst is. Wanneer toch een gebiedsontwikkeling is voorzien ter plaatse van versnipperde percelen kan niet worden uitgesloten dat deze vanwege de complexiteit en het aantal eigenaren, leidt tot een vertraging in de gebiedsontwikkeling. Omdat de overheid beschikt over instrumenten als het voorkeursrecht en onteigening, staan versnipperde eigendomsposities niet per definitie in de weg aan de verwezenlijking van ruimtelijke plannen.
Kunt u, zowel kwalitatief als kwantitatief, de gevolgen van de geschetste speculatieve grondhandel voor de woningbouw duiden?
Zie het antwoord op vraag 5 alsmede de Kamerbrief van 20 november waarin de onderzoeken van het Kadaster toegelicht worden.
Hoe waardeert u de analyse van het Kadaster dat de windhandel leidt tot vervuiling van kadastrale registers, omdat voorlopige grensaanduidingen bij transacties niet opgevolgd worden door definitieve grensvaststellingen, en dat percelen hiermee de facto onverkoopbaar worden en geen rechten als overpad, erfpacht en opstal gevestigd kunnen worden?
Op deze bredere problematiek die het Kadaster schetst, ga ik in mijn brief van 20 november 2025 in. Een gedachte hierbij is om nieuwe perceelsgrenzen definitief vast te stellen voorafgaand aan de eigendomsoverdracht en inschrijving. Het ter plaatse moeten verschijnen voor een fysieke inmeting, zou de grondhandel kunnen tegengaan. Echter, dit stuit op problemen in de uitvoeringspraktijk van reguliere gebiedsontwikkeling. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar voornoemde brief. Over de problematiek rond het achterwege blijvende definitieve grensvaststelling gaat het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (verder) met het Kadaster in gesprek.
Hoe waardeert u de constatering dat de rechtspraak, de rechtswetenschap en de rechtspraktijk inmiddels het standpunt inneemt dat het aanbieden van opgeknipte kavels landbouwgrond voor handelaren een vergunningplichtige activiteit in het kader van de Wet financieel toezicht is? Wat betekent dit voor de opstelling van de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?
Of er sprake is van een vergunningplichtige activiteit is afhankelijk van de casus. Hierbij speelt het beheercriterium een cruciale rol, zoals beschreven in de Kamerbrief. Wanneer speculatieve grondhandel kwalificeert als beleggingsobject is dit reeds vergunningplichtig onder de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daarnaast kunnen de toezichthouders Autoriteit Financiële Markten (AFM) en Autoriteit Consument en Markt (ACM) optreden tegen oneerlijke handelspraktijken. Daarbij geldt dat de AFM belast is met de handhaving voor zover sprake is van een financiële dienst of activiteit en de ACM voor zover daar geen sprake van is. Indien de toezichthouders constateren dat een grondhandelaar zich bedient van oneerlijke handelspraktijken, hebben zij diverse (handhavings)instrumenten tot hun beschikking. Zo kunnen zij onder meer een zelfstandige last, bestuurlijke boete of last onder dwangsom opleggen. De AFM en de ACM beoordelen individuele casussen op dit terrein en zullen op grond van hun mandaat optreden als dat mogelijk en noodzakelijk is.
De gedachte de opsplitsing van grond zelf aan een vergunning te binden, of om grondhandelaren aan een vergunningstelsel te binden, is uitgebreid onderzocht. Een dergelijke maatregel is niet doeltreffend en doelmatig. In de brief van 20 november 2025 is dit nader toegelicht.
Hoe waardeert u de in het artikel genoemde voorstellen: een vergunningplicht in het kader van de Wet financieel toezicht, inzet van notarissen om oorspronkelijke verkoopprijzen te vermelden en de inzet van het Kadaster om voor kleine agrarische percelen een uitmeting van de grenzen te vereisen?
Voor het antwoord inzake een vergunningplicht verwijs ik naar antwoord 8.
Het voorstel om notarissen de oorspronkelijke verkoopprijzen te laten melden ziet op vermelding in de leveringsakte. De notaris komt namelijk in beeld indien koper en verkoper zover zijn dat ze tot de juridische levering willen overgaan. De oorspronkelijke verkoopprijs is dan pas zichtbaar nadat de koper de koopovereenkomst heeft gesloten en de notaris de leveringsakte heeft opgemaakt.
Notarissen zijn bij de uitoefening van hun ambt verplicht te voldoen aan hoge maatstaven die gelden ten aanzien van de zorg- en informatieplicht. Indien de notaris constateert dat de gesloten koop een speculatief karakter heeft, dan dient de notaris de koper daarop te wijzen en de risico’s van een dergelijke transactie aan hem uit te leggen. Hij moet zich ervan vergewissen dat de koper zich goed bewust is van dat speculatieve karakter en de transactie desondanks wil.12 Het speculatieve karakter van de transactie kan de notaris bijvoorbeeld constateren, wanneer hij een onwaarschijnlijk waardeverschil ziet tussen de aan- en verkoopprijs van de grond. Daarnaast moet de notaris onder omstandigheden zijn dienstverlening bij een onverklaarbare prijsstijging weigeren.
Ten aanzien van de inzet van het Kadaster verwijs ik naar antwoord 7. In het kader van de op landelijke schaal relatief beperkte omvang van de problematiek van deze grondhandel ligt het niet voor de hand deze rol te veranderen. In de eerdergenoemde brief wordt hier nader op ingegaan.
Hoe wilt u op korte termijn ongewenste speculatieve grondhandel inperken? Wat verwacht u daarbij concreet van betrokken partijen als de AFM, het notariaat en het Kadaster?
Ik verwijs u naar de aangekondigde maatregelen in de Kamerbrief die ik mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer heb gestuurd. De Kamerbrief van 20 november 2025 introduceert een aantal maatregelen om deze speculatieve grondhandel aan te pakken. Zo zal er online voorlichting vanuit het Rijk komen. Ook verkent de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid samen met mij de komende periode, de wenselijkheid van de invoering van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond. Daarnaast blijf ik de ontwikkelingen van deze praktijk volgen en wordt het Kadaster periodiek om een update van het aantal beleggingspercelen gevraagd.
Nederlandse onderdelen in Russische drones en raketten |
|
Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (PvdA), Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van President Zelensky dat de rakketten en drones die Rusland gebruikt om Oekraïense doelen te raken onderdelen uit Nederland bevatten?1
Ja.
Was u op de hoogte van het feit dat in Nederland gemaakte onderdelen voor drones en raketten door Rusland gebruikt worden? Zo ja, waarom is hier niet eerder actie op ondernomen?
Uw Kamer heeft hier eerder in 2022 vragen over gesteld.2 Sinds medio 2022 is het duidelijk dat de Russische militaire industrie in hoge mate afhankelijk is van westerse componenten, waaronder ook componenten uit Nederland. Rusland slaagt er nog altijd in om – via omwegen en tegen hoge kosten – dergelijke componenten te importeren. Hiervoor gebruikt het een uitgebreid netwerk van tussenhandelaren in derde landen.
De aanpak van sanctieomzeiling is dan ook al sinds 2022 een prioriteit binnen het Nederlandse sanctiebeleid. Dit behelst nationaal een combinatie van onderzoek, voorlichting en handhaving. Daarnaast wordt met derde landen samengewerkt om omzeiling via hun grondgebied tegen te gaan. Nederland spreekt hier zelf actief landen op aan en EU Sanctiegezant David O’Sullivan speelt hierin een belangrijke rol. Binnen de EU zet Nederland zich consequent in voor een effectieve aanpak van omzeiling. Dit is steevast een van de speerpunten in EU sanctiepakketten. Waar diplomatieke inspanningen niet genoeg opleveren, verbindt de EU hieraan consequenties door passende en gerichte maatregelen in te stellen. De EU legde al sancties op aan 132 bedrijven in derde landen die aantoonbaar sancties omzeilen en daarmee het Russisch militair industrieel complex ondersteunen. Hierbij wordt samengewerkt met G7-partners en Nederland draagt hier actief aan bij.
Kunt u toelichten welke acties u concreet ondernomen heeft naar aanleiding van berichten uit 2024 waaruit bleek dat oude ASML-machines door Rusland gebruikt werden voor de productie van chips voor drones? En hoe effectief zijn deze maatregelen geweest?2
Het kabinet kan geen inzicht geven in concrete acties die mogelijk worden gedaan bij individuele bedrijven. Zoals destijds is geantwoord is Rusland sterk afhankelijk van het westen voor technologie en componenten.4 Deze situatie is nog steeds van toepassing.
De handhaving van sanctiemaatregelen ten aanzien van de export van gesanctioneerde goederen is een verantwoordelijkheid van de Douane in opdracht van de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Daarbij wordt nadrukkelijk ingezet op het tegengaan van omzeiling. Bedrijven die ervan worden verdacht zich bewust schuldig te maken aan sanctieomzeiling worden ter vervolging voorgelegd aan het Openbaar Ministerie. De meeste Nederlandse bedrijven die betrokken raken bij sanctieomzeiling zijn zich daarvan echter niet bewust. Daarom worden bedrijven, waarvan uit onderzoek blijkt dat zij mogelijk (onbewust) betrokken zijn bij omzeiling, actief benaderd en voorgelicht over de risico’s van omzeiling. De bedrijven worden daarmee in de gelegenheid gesteld om passende interne maatregelen te nemen. Op die manier zijn al veel malafide distributeurs in derde landen uitgesloten van handel.
Erkent u dat hiermee de Nederlandse steun aan Oekraïne ernstig ondermijnd wordt?
Het feit dat onderdelen afkomstig van Nederlandse bedrijven nog steeds worden teruggevonden in Russische drones en raketten die gebruikt worden in de oorlog tegen Oekraïne, is zeer onwenselijk. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken, in samenwerking met andere overheidsorganen, zet zich sterk in om sanctieomzeiling van deze goederen tegen te gaan.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat in nauw contact met Oekraïense autoriteiten over deze kwestie. Net als alle andere signalen van (mogelijke) sanctieomzeiling worden signalen die gedeeld worden vanuit de Oekraïense autoriteiten zeer serieus genomen en opgevolgd met acties die gericht zijn om sanctieomzeiling tegen te gaan.
Vallen alle onderdelen voor drones en raketten onder de huidige sancties tegen Rusland en zo niet, bent u bereid om deze alsnog toe te voegen aan de Europese sanctielijst?
De onderdelen in kwestie vallen al sinds 2022 onder de sancties tegen Rusland, mede op aandringen van Nederland. Binnen de aanpak van sanctieomzeiling ligt sterk de nadruk op goederen die op de zogeheten lijst van «Common High Priority Items»5 staan. Dit zijn goederen die de Russische oorlogsindustrie het hardst nodig heeft. De goederen op deze lijst zijn voor een groot gedeelte van belang voor de productie van componenten bestemd voor Russische drones en raketten. Het kabinet zet zich voortdurend in om met nieuwe sanctiemaatregelen en verbeteringen in de naleving van sancties de effectiviteit van het beleid te optimaliseren om omzeiling zo effectief mogelijk aan te pakken.
Heeft u een indicatie van welke Nederlandse bedrijven hierbij direct of indirect betrokken zijn? Zo nee, bent u bereid hier met spoed onderzoek naar te doen?
De overheid werkt actief samen met Nederlandse producenten om hen te helpen de omzeiling van hun goederen tegen te gaan. Dikwijls gaat het om kleine onderdelen die via vele tussenschakels in Rusland terecht komen en worden verwerkt in raketten en drones. De lange ketens maken het een hardnekkig probleem. Echter, diezelfde lange ketens zijn een direct gevolg van de verrichte inspanningen en maken het complexer en duurder voor Rusland om aan componenten te komen bedoeld voor haar wapenindustrie. De sancties zijn bedoeld als economisch drukmiddel en in dat opzicht dienen sancties dus hun doel. Het kabinet blijft zich onophoudelijk inzetten om de effectiviteit hiervan te optimaliseren.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor 12:00 uur op dinsdag 7 oktober?
De vragen zijn één voor één beantwoord. Het bleek helaas niet mogelijk deze vragen per ommegaande te beantwoorden, zoals door u verzocht.
De door China opgelegde importheffingen voor varkensvlees |
|
Chris Stoffer (SGP), André Flach (SGP) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat China forse importheffingen heeft ingevoerd voor Europees varkensvlees, in het bijzonder voor de coöperatie Vion1?
Ja.
Kunt u een inschatting geven van de gevolgen van deze importheffingen voor de Europese en Nederlandse markt, de bedrijven in de keten en de primaire sector, die te maken heeft met opgaven met betrekking tot milieu en dierenwelzijn?
De gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven van de door de Chinese overheid opgelegde voorlopige heffingen zijn op dit moment nog onduidelijk. Deze zijn afhankelijk van meerdere factoren. De voorlopige heffingen variëren voor Nederlandse bedrijven van 20% tot 62,4%. Nederlandse exporterende bedrijven behoren, samen met bedrijven uit Spanje, Denemarken en Frankrijk, tot de voornaamste Europese exporteurs van varkensproducten naar China. Meer dan de helft van de varkensvleesproducten betreft bijproducten: poten, snuiten, oren, staartjes. De afzet op de Chinese markt en die van Hongkong genereert voor bijproducten de hoogste waarde. De totale export naar China van Europese varkensvleesproducten bedroeg in 2024 ca. 2,2 miljard euro, waarvan ca. 374 miljoen euro vanuit Nederland2. Er zijn weinig alternatieve markten waar een vergelijkbare opbrengst kan worden gegenereerd voor bijproducten. De verwachting is dat de door China ingestelde heffingen op termijn kunnen leiden tot een verminderde afzet naar China, met als mogelijk gevolg verlaging van de prijs voor vleesvarkens in Nederland en de EU als geheel. Nederland en de Europese Commissie volgen de ontwikkelingen op de Nederlandse respectievelijk Europese markt nauwgezet.
Hoe waardeert u de Chinese analyse dat sprake zou zijn van dumpingpraktijken, in het licht van het Wereldhandelsorganisatie (WTO)-kader?
De Europese Commissie heeft in een eerste reactie reeds aangegeven dat het Chinese onderzoek naar dumpingpraktijken gebaseerd is op ontoereikend bewijs van dumpingpraktijken. De Europese Commissie analyseert het onderzoek en de voorlopige maatregelen momenteel nader op conformiteit met regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), om op basis daarvan mogelijke vervolgstappen in kaart te brengen.
Bent u voornemens op kortst mogelijke termijn bij de Europese Commissie aan te dringen op het aanvragen van uitstel voor invoering van deze importheffingen?
Sinds de Chinese aankondiging van de voorlopige antidumpingmaatregelen op 5 september jl. staan het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in nauw contact met zowel de Europese Commissie en andere betrokken EU lidstaten, als met (vertegenwoordigers van) de Nederlandse varkenssector. De Europese Commissie heeft in reactie op de voorlopige maatregelen schriftelijk commentaar ingediend bij het Chinese Ministerie van Handel, om de bezwaren tegen het onderzoek duidelijk te maken en aan te dringen op het opheffen van de voorlopige maatregelen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft namens de Nederlandse overheid eveneens schriftelijk commentaar ingediend, met dezelfde strekking. De Ministeries van Buitenlandse Zaken en LVVN blijven in nauw contact met de Europese Commissie, en met de Nederlandse varkenssector, om de meest geschikte vervolgstappen te bepalen om de gevolgen voor de Nederlandse varkenssector waar mogelijk te kunnen beperken.
Welke stappen gaat u in Europees verband zetten om ervoor te zorgen dat zo snel mogelijk gereageerd wordt op de Chinese aankondiging en dat de gevolgen voor de Nederlandse varkenssector ingeperkt worden?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u, gelet op de urgentie, bereid deze vragen zo snel mogelijk, deze week te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht dat investeren in ontwikkelingssamenwerking gunstig is voor de Nederlandse economie |
|
Daniëlle Hirsch (GL), Don Ceder (CU) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse economie heeft baat bij ontwikkelingssamenwerking»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusies uit het rapport van de Universiteit van Göttingen, waarnaar dit artikel verwijst? Deelt u de conclusies, gebaseerd op econometrische berekening, dat elke euro ontwikkelingshulp de Nederlandse export en economie flink doet groeien? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met het rapport van de Universiteit van Göttingen «Domestic effects of foreign aid» (2025) waarnaar u verwijst. Het onderzoek maakt gebruik van een econometrisch model om mogelijke verbanden te schatten tussen Nederlandse ontwikkelingshulp en de Nederlandse export van goederen en diensten. De auteurs concluderen dat er, op basis van hun model, een positief verband bestaat tussen de omvang van Nederlandse hulp en Nederlandse export en werkgelegenheid. Het kabinet onderkent dat deze studie een interessant perspectief biedt op positieve neveneffecten van ontwikkelingssamenwerking voor de Nederlandse economie.
De uitkomsten sluiten aan op de bevindingen van de IOB-studie2 «Good things come to those who make them happen, return on aid for Dutch exports» die verscheen in 2014, en andere onderzoeken3, 4, 5, 6. Wel worden de effecten in dit nieuwe rapport aanzienlijk hoger ingeschat dan in de IOB-studie. Dit verschil kan mogelijk worden verklaard doordat het gaat om een scenarioanalyse, en omdat er geen wetenschappelijke consensus bestaat over hoe dit effect te berekenen. De resultaten zijn daardoor afhankelijk van aannames, parameterkeuzes en de gehanteerde modellering van auteurs, en vormen daarmee een onderbouwde indicatie en geen eenduidig bewijs.
Uit de IOB-studie van 2014 bleek dat elke euro bilaterale hulp € 0,70–€ 0,90 extra export oplevert en dat hiermee circa 15.000 banen gemoeid zijn. In haar reactie heeft de toenmalige Minister (Kamerstuk 33 625, nr. 123, 12 september 2014) aangegeven veel waarde te hechten aan onderzoek naar de effecten van de Nederlandse ontwikkelingshulp voor de Nederlandse handel en economie. Het Centraal Planbureau (CPB) berekent het effect van ontwikkelingshulp op de Nederlandse export al jaren op basis van de uitkomsten van deze IOB-studie.
Het kabinet heeft ervoor gekozen om investeren in ontwikkelingssamenwerking nog sterker te verbinden aan Nederlandse belangen, ook op economisch terrein. Dit komt ook nadrukkelijk naar voren in de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp van 20 februari 2025.
Deelt u de conclusies, gebaseerd op econometrische berekening, dat elke sinds 2010 via ontwikkelingssamenwerking geïnvesteerde euro, bijna vier euro aan Nederlandse exportgroei opleverde? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat deze bevindingen in lijn zijn met eerdere gepubliceerde onderzoeken, waaronder door de IOB van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in 2014? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie antwoord op vraag 2.
Deelt de Minister van Buitenlandse Zaken de conclusie dat de positieve impact van ontwikkelingssamenwerking op de Nederlandse werkgelegenheid en economie steeds groter wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot uitspraken van uw voorganger – Minister Klever – dat bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking in het Nederlandse belang zouden zijn?
Het rapport Domestic Effects of Foreign Aid van de Universiteit van Göttingen concludeert niet dat de positieve impact van ontwikkelingssamenwerking op de Nederlandse werkgelegenheid en economie «steeds groter» wordt. In het onderzoek wordt een vergelijking gemaakt tussen verschillende perioden. Daarbij worden voor de periode na 2010 gemiddeld hogere effecten gevonden dan voor de periode daarvoor. Dit betreft gemiddelden over meerdere jaren, geen doorlopende stijgende trend.
De uitspraken van mijn voorganger moeten gezien worden in het licht van het regeerprogramma, waarin een substantiële afname van het budget voor ontwikkelingshulp werd aangekondigd, als onderdeel van de financiële keuzes die het kabinet heeft gemaakt.
Deelt u de zorgen, geuit door de experts in het artikel, dat de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking ten koste gaan van banen en economische ontwikkeling in Nederland?
Nee. Het nieuwe beleid is sterker dan voorheen gericht op wederzijdse economische belangen en verwachting is dat het een positief effect heeft op economische ontwikkeling in partnerlanden en Nederland.
Bent u bekend met het ODI-onderzoek naar de terugverdieneffecten van Europese ontwikkelingssamenwerking, waarin geconcludeerd wordt dat investeren in ontwikkelingssamenwerking een positieve impact heeft op Europese economieën? Hoe beoordeelt u de conclusies uit dit onderzoek?2
Ja, ik ben bekend met het onderzoek van het Overseas Development Institute (ODI) getiteld «The Economic Impact of EU Aid on EU Economies» (mei 2025). In deze studie concludeert ODI dat investeringen in Europese ontwikkelingssamenwerking niet alleen bijdragen aan armoedebestrijding en mondiale stabiliteit in partnerlanden, maar ook economische voordelen kunnen opleveren binnen de EU, onder meer via toegenomen export en werkgelegenheid.
Dit rapport betreft een scenarioanalyse, gebaseerd op simulaties met het Global Trade Analysis Project model (GTAP). GTAP is algemeen evenwichtsmodel (een Computable General Equilibrium model), en dergelijke modellen zijn sterk afhankelijk van de gekozen aannames, parameters en modelleringstechniek van de auteurs. Bovendien is deze studie niet peer-reviewed, en dus niet wetenschappelijk gevalideerd volgens de gebruikelijke academische standaarden.
De conclusies dragen bij aan het bredere inzicht in de potentiële neveneffecten van ontwikkelingssamenwerking, maar vormen op dit moment geen sluitend bewijs. Ze dienen dan ook te worden geïnterpreteerd als een beleidsmatig interessant signaal, niet als wetenschappelijk hard onderbouwde uitkomst.
Deelt u de opvatting dat bij goed bestuur vereist dat de gevolgen van relatief grote bezuinigingen voor de Nederlandse economie, werkgelegenheid, veiligheid en samenleving vooraf in kaart gebracht zouden moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het van belang om bij beleidsvoorstellen, inclusief bezuinigingen, de relevante effecten en risico’s zoveel mogelijk in beeld te brengen. Het kabinet weegt budgettaire keuzes integraal af, hierbij neem het kabinet de verwachte gevolgen van dergelijke keuzes mee in de afweging.
In de praktijk is het methodologisch lastig om vooraf alle maatschappelijke effecten volledig in kaart te brengen, zeker wanneer deze afhankelijk zijn van complexe internationale en economische factoren.
Hebben uw ministeries onderzoek laten doen om de brede maatschappelijke kosten en baten van de miljardenbezuinigingen van uw kabinet op ontwikkelingssamenwerking in kaart te laten brengen om zodoende een goed geïnformeerde afweging te kunnen maken? Zo nee, waarom niet? Zo nee, bent u voornemens dit alsnog te doen? Zo ja, welke kosten en baten voor het Nederlandse eigenbelang zijn onderzocht? Zijn ook de gevolgen buiten Nederland onderzocht? Zo ja, kunt u deze onderzoeken voor het einde van het zomerreces delen met de Kamer?
Het kabinet ziet om voornoemde reden geen toegevoegde waarde van een onderzoek naar de brede maatschappelijke kosten en baten van de recente bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking in Nederland. Wel gaat het ministerie met het CPB in gesprek over de manier waarop de effecten van ontwikkelingshulp worden meegenomen in de prognoses over de groei van de Nederlandse economie.
De OESO-DAC heeft recentelijk (d.d. 26 juni 2025) een rapport8 gepubliceerd waarin de effecten van de internationale bezuinigingen op ontwikkelingshulp in kaart worden gebracht. In de Kamerbrief9 «Effecten bezuinigingen» (welke gelijktijdig met deze beantwoording is verstuurd) wordt ingegaan op het OESO-rapport en een toelichting gegeven op de effecten van de Nederlandse bezuinigingen op de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (BHO).
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het einde van het zomerreces beantwoorden?
Dat is niet gelukt vanwege de wisseling van bewindspersonen.
Het artikel ‘Brussel wil belasting van €2 op goedkope pakketjes uit China’ |
|
Robert Rep (PVV) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Is de Staatssecretaris bekend met het artikel «Brussel wil belasting van € 2 op goedkope pakketjes uit China»?1
Ja.
Wat is het standpunt van de Staatssecretaris ten aanzien van het schrappen van de vrijstelling voor pakketjes uit China met een waarde onder de 150 euro, waarover nu geen invoerrechten worden betaald?
De Europese Commissie heeft voorstellen gedaan om het Douanewetboek van de Unie te moderniseren. Onderdeel hiervan is het schrappen van de huidige vrijstelling van invoerrechten voor zendingen met een waarde tot en met € 150. Dit past volgens het kabinet binnen de bredere inspanningen om fraude te bestrijden en een gelijk speelveld te creëren tussen Europese en niet-Europese leveranciers van goederen.
Kan de Staatssecretaris aangeven wat het schrappen van de vrijstelling aan invoerrechten oplevert voor Brussel en wat gaat daarvan naar de Nederlandse schatkist?
De opbrengsten van de douanerechten worden beschouwd als zogenoemde traditionele eigen middelen en vloeien in beginsel toe aan de EU-begroting. De lidstaten ontvangen een vergoeding voor het innen van de douanerechten ter dekking van de kosten. Op dit moment is dat 25%. De Europese Commissie heeft in haar impactassessment een inschatting gemaakt van de extra opbrengsten op EU-niveau. Dit schatten zij op 12 miljard over 15 jaar. Voor Nederland (en de andere lidstaten) geldt dat de additionele opbrengst voor de nationale schatkist beperkt zal blijven tot de eerdergenoemde 25% inningsvergoeding op de extra geinde douanerechten.
Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het voornemen voor een nieuwe Europese belasting in relatie tot de doorwerking in de consumentenprijzen?
De Commissie heeft in haar mededeling van 5 februari 2025 gesuggereerd dat de lidstaten een forfaitaire non-discriminatore heffing kunnen introduceren. Inmiddels zijn de ideeën verder ontwikkeld en lijken deze opgenomen te worden in het nieuwe Douanewetboek van de Unie. De exacte uitwerking en hoogte van de heffing, een zogenoemde handling fee, wordt nog nader bepaald.
Een handling fee kan leiden tot een beperkte stijging van de consumentenprijs van dergelijke producten. De mate waarin dit doorwerkt in de prijs, is afhankelijk van de wijze waarop bedrijven deze handling fee als kosten doorberekenen. De handling fee is bedoeld voor de kosten van controle en afhandeling van de enorme hoeveelheid e-commerce pakketjes die nu dagelijks (circa 3 miljoen) Nederland binnenkomen. Het kabinet is dan ook positief over de introductie van een dergelijke handling fee.
Het artikel ’Onderzoek naar frauduleuze invoer e-bikes uit China’ |
|
Robert Rep (PVV) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld en de conclusies die in het artikel van Nieuwsfiets.nu worden geschetst?1
De Douane is bekend met het beeld dat er fietsonderdelen worden ingevoerd in de Europese Unie om deze in de EU te assembleren, om daarmee hogere invoerrechten te voorkomen.
Heeft u al eerder signalen ontvangen die de bevindingen van dit artikel ondersteunen?
Ja, de Douane is ermee bekend dat er fietsonderdelen worden ingevoerd in de Europese Unie om deze in de EU te assembleren, om daarmee hogere invoerrechten te voorkomen.
Op welke wijze gaat u voorkomen dat e-bikes, die in onderdelen via Polen de Europese Unie binnenkomen en vervolgens in Portugal worden geassembleerd, ertoe leiden dat onze schatkist inkomsten misloopt? Hoe groot is het bedrag aan misgelopen inkomsten voor onze schatkist?
Wanneer goederen worden ingevoerd in de Europese Unie, dan heft de lidstaat van invoer namens de Europese Unie invoerrechten. De invoerrechten zijn eigen middelen van de Europese Unie en worden door deze lidstaat afgedragen aan de Europese Unie. De lidstaat ontvangt een percentage van de invoerrechten als vergoeding van de kosten die de lidstaat maakt voor het heffen en innen van de invoerrechten. Het is dus niet zo dat de Nederlandse schatkist een bedrag misloopt nu de goederen niet via Nederland worden ingevoerd. Na invoer bevinden de goederen zich in het vrije verkeer van de Europese Unie en kunnen de goederen zich vrij binnen de Europese Unie verplaatsen. De 27 nationale douanediensten van de Europese Unie werken dan ook veel samen bij het toezicht aan onze Europese buitengrens.
Hoe beoordeelt u het omzeilen van antidumpingheffingen met e-bikes vanuit China en welke maatregelen bent u eventueel bereid te treffen?
Omzeiling van antidumpheffingen ondermijnt het doel van deze heffingen. Daarom heeft dit de aandacht van de Douane. De douanecontroles op de invoer van e-bikes in de Europese Unie via Nederland zijn onderdeel van de algemene risicogerichte controlestrategie op omzeiling van invoerrechten en antidumpingheffingen. De Douane maakt daarbij een inschatting waar de grootste risico’s zich voordoen – op basis van een risicoanalyse – en richt daar zijn inzet op. Antidumpingheffingen in het algemeen brengen grotere risico’s met zich mee vanwege de bedragen die ermee zijn gemoeid. Zij vormen dan ook een prioriteit voor de Douane. De mate waarin specifiek op e-bikes wordt gecontroleerd is onderdeel van de controlestrategie. Deze strategie wordt regelmatig geactualiseerd, onder meer op basis van signalen die de Douane ontvangt.
Het bericht ‘SOMO: Nederlandse zakenmannen verkopen voor tientallen miljoenen aan Israëlische wapenindustrie’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Reinette Klever (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «SOMO: Nederlandse zakenmannen verkopen voor tientallen miljoenen aan Israëlische wapenindustrie»1 en «Kortsluiting in het internationaal recht»2?
Ja.
Vindt u het moreel verwerpelijk dat deze zakenmannen via hun in India gevestigde bedrijf «SASMOS» elektronische componenten aan onder andere de Israëlische wapenfabrikanten Elbit; Rafael; en Israel Aerospace Industries leveren?
Het kabinet doet in beginsel geen publieke uitspraken over individuele bedrijven of personen.
Klopt het dat de strafrechtelijke vervolging van deze zakenmannen binnen de rechtsmacht van Nederland valt zoals is gebleken uit eerdere, vergelijkbare gevallen? Kunt u uiteenzetten op basis van wat voor jurisdictie, welke wetten en regels dat nu weer zou kunnen gebeuren?
Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van gedragingen die mogelijk strafbaar handelen opleveren en waarover Nederland rechtsmacht heeft. Indien het Openbaar Ministerie het na een dergelijke beoordeling opportuun acht om tot vervolging over te gaan, is het aan de rechter om een uiteindelijk oordeel te vellen over de vraag of Nederland rechtsmacht heeft. Bij een dergelijke beoordeling kan worden gekeken naar de rechtsmachtbepalingen in het Wetboek van Strafrecht, maar – afhankelijk van de precieze verdenking – ook naar rechtsmachtbepalingen in andere wetten zoals bijvoorbeeld de Wet internationale misdrijven.
Weet u of het Openbaar Ministerie al een onderzoek heeft lopen naar deze zakenmannen?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen.
Wat is uw oordeel over de Israëlische wapenbedrijven waarmee deze mannen op grote schaal handel drijven? Wat vindt u ervan dat bedrijven zoals Elbit en Rafael beelden van aanvallen op illegaal bezette Palestijnse gebieden gebruiken in hun promotievideo’s? Wat vindt u ervan dat journalisten hebben aangetoond dat bij sommige van die aanvallen kinderen zijn omgekomen? Wat vindt u ervan dat deze bedrijven vervolgens met schaars geklede vrouwen proberen de moord op Palestijnse kinderen met hun wapensystemen «sexy» te maken? Wat is uw standpunt over het seksueel en commercieel uitbuiten van oorlogsmisdrijven door deze bedrijven?
Het kabinet doet in beginsel geen publieke uitspraken over individuele bedrijven of individuen. Staten dienen zich te houden aan internationaal recht. Het kabinet benadrukt het belang van naleving van het internationaal recht en roept staten op hun verantwoordelijkheid te nemen. Zie tevens het antwoord op vraag 15.
Van ondernemingen uit staten die de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen hebben onderschreven, zoals Israël, wordt verwacht dat zij zakendoen in lijn met deze internationale kaders. Dit betekent dat bedrijven de risico’s voor mens en milieu in hun waardeketen in kaart moeten brengen en deze risico’s moeten voorkomen en aanpakken. Volgens deze internationale kaders dienen ondernemingen in situaties van gewapend conflict normen van humanitair oorlogsrecht te respecteren en aangescherpte gepaste zorgvuldigheid toe te passen.
Wat vindt u ervan dat bedrijven zoals Israel Aerospace Industries ook «battle tested» drones (getest op Palestijnen in de illegaal bezette gebieden) hebben verkocht aan Vladimir Poetin, zelfs na de illegale annexatie van de Krim en de MH17-ramp waarbij 196 Nederlanders werden vermoord? Hoe staat u tegenover het feit dat deze drones een sleutelrol speelden in Poetin’s operaties in Syrië, waarmee het brute regime van Assad overeind werd gehouden? Wat vindt u ervan dat Israël Russische piloten opleidde om deze drones in te zetten, wat tot onnoembaar veel oorlogsmisdrijven heeft geleid?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u ook dat handel met wapenbedrijven zoals Elbit, Rafael en Israel Aerospace Industries tegen alle ethische standaarden indruist? Zo ja, wat doet u ertegen dat Nederlanders niet meer voor honderden miljoenen handelen met deze bedrijven? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse uitvoer van militaire goederen naar Israël wordt zorgvuldig getoetst aan de Europese kaders voor wapenexportcontrole. Daar waar een duidelijk risico bestaat dat militaire goederen gebruikt worden bij het begaan van ernstige schendingen van de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. Daarmee voldoet de Staat aan zijn internationaalrechtelijke verplichtingen ten aanzien van wapenexportcontrole. Dat is onlangs bevestigd in het vonnis van de voorzieningenrechter in de zaak Al-Haq c.s. tegen de Staat (d.d. 13 december 2024).
Materieelsamenwerking van defensie met Israëlische bedrijven vindt plaats binnen de kaders van het kabinetsbeleid en de Europese aanbestedingswetgeving. De Israëlische defensie-industrie ontwikkelt systemen die belangrijk zijn voor de doorontwikkeling en modernisering van de Nederlandse krijgsmacht. Defensie heeft in Israël geproduceerde militaire middelen en systemen aangeschaft vanwege de kwaliteit en relatief snelle beschikbaarheid daarvan.
Wat vindt u ervan dat de wapens van deze fabrikanten sinds oktober 2023 op grote schaal worden ingezet door het Israëlische leger in Gaza, met name in het licht van de consensus onder genocideonderzoekers dat Israël genocide pleegt in Gaza?
Het kabinet staat voor de veiligheid en het bestaansrecht van de Staat Israël. Dat betekent ook dat Israël over een defensie-industrie moet kunnen beschikken. Het kabinet veroordeelt de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 ten stelligste; tegelijkertijd roept het huidige Israëlisch handelen urgente vragen op over de proportionaliteit daarvan. Vanaf het begin van het conflict roept het kabinet Israël op om in overeenstemming met het internationaal recht te handelen bij het optreden in de Gazastrook. Het is van belang dat op verschillende manieren en vanuit diverse landen druk wordt uitgeoefend op de regering Netanyahu om de situatie op de grond onmiddellijk te verbeteren. Dit is ook de reden dat Nederland onder andere in mei 2025 de brief aan de Hoge Vertegenwoordiger heeft gestuurd om de naleving door Israël van artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren.
Gezien de aanhoudende catastrofale situatie in de Gazastrook en het niet nakomen van de afspraken met de EU, heeft het kabinet besloten om zowel nationale- als Europese maatregelen te nemen. Uw Kamer is hierover middels een brief op 28 juli jl.3 geïnformeerd. Graag verwijzen wij u ook naar de Kamerbrief van 21 januari 20254. Hierin is opgenomen de verplichting van derde staten om genocide te voorkomen. In de brieven van 18 juni 20255, 28 juli 2025 en de beantwoording van de Kamervragen van het lid Dassen van 24 juni 20256 is hierop verder invulling gegeven. Tot slot is het kabinet op 7 april overgegaan tot intrekking van de algemene vergunning NL002 en aanpassing van de algemene vergunningen NL007 en NL010 door Israël uit te sluiten als land van eindbestemming [Kamerstuk 22 054, nr. 454].
Zouden de elektrische bedradingsoplossingen van SASMOS voor drones, straaljagers en tanks, die SASMOS zelf met de «bloedsomloop en het centrale zenuwstelsel van het menselijk lichaam» vergelijkt door de recent aangescherpte exportcontroles van Nederland voor export naar Israël komen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat vindt u ervan dat deze elektrische onderdelen op grote schaal naar Israël worden uitgevoerd door SASMOS?
Op basis van het SOMO-rapport is niet met zekerheid te zeggen welke goederen SASMOS precies exporteert. Daarom is niet vast te stellen of hiervoor een vergunningplicht geldt en of hiervoor in een hypothetisch geval bij export vanuit Nederland een exportvergunning is vereist. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Wat vindt u ervan dat de export van SASMOS naar Israël flink is gestegen sinds oktober 2023? Vindt u het ook zorgelijk dat het er alles van weg heeft dat SASMOS enorm profiteert bij iedere oplaaiing van het geweld in Gaza? Wat vindt u er bijvoorbeeld van dat alleen al in maart 2025, de maand waarin Israël het staakt-het-vuren beëindigde, SASMOS op 20 verschillende dagen producten naar Israël heeft verscheept?
Het kabinet doet in beginsel in het openbaar geen uitspraken over individuele bedrijven of personen. Alle Nederlandse bedrijven hebben zich te houden aan de wet. Als er aanwijzingen zijn dat bedrijven de wet hebben overtreden, dan zal dit worden onderzocht door de relevante toezichthouder. Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van gedragingen die mogelijk strafbaar handelen opleveren.
Bent u voorts bereid om de relaties van SASMOS met andere Nederlandse bedrijven onder de loep te nemen, zoals GKN Aerospace en de in Brabant gevestigde Lumipol Group? Bent u het namelijk eens dat het Nederlandse businessnetwerk met de Israëlische wapenindustrie doorgelicht moet worden om in kaart te brengen of er sprake is van medeplichtigheid aan Israëlische oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide? Kunnen de belastingdienst, douane en FIOD hier een rol bij spelen?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft u überhaupt ooit een waarschuwing aan dit soort bedrijven gegeven dat er een groot risico is dat hun producten bijdragen aan grove schendingen van het internationaal recht vanwege gebruik door het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights toepassen. Volgens deze kaders dienen bedrijven mensenrechtenrisico’s, in hun waardeketens te identificeren, ook bij export, en waar nodig aan te pakken. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van Nederlandse private partijen zelf om beslissingen te maken binnen de kaders van de wet.
Bent u het eens dat het evident is dat de zakenmannen uit het artikel zich bewust waren van de mogelijkheid dat hun materiële hulp gebruikt zou worden voor het plegen van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid of genocide en dat ze dat risico aanvaardden?
Het kabinet doet daar geen uitspraken over. Het is in individuele zaken aan de rechter om te oordelen of bepaald handelen internationale misdrijven oplevert, indien en voor zover het Openbaar Ministerie het opportuun acht om tot vervolging over te gaan.
Bent u het ook eens dat uit jurisprudentie (denk aan de zaak Frans van Anraat in 2009, en Guus van Kouwenhoven in 2018) bleek dat het voldoende was dat de veroordeelde personen wisten wat de daders van plan waren en niet noodzakelijkerwijs hun intentie hoefden te delen om strafrechtelijk veroordeeld te worden? Bent u het met andere woorden eens dat de Nederlandse rechtbanken dedolus eventualis hebben gehanteerd omdat deze steunt op «de aanname van risico» in plaats van «kennis» van het feit dat wapens werkelijk worden ingezet voor het begaan van internationale misdrijven? Hoe beschouwt u dat in relatie tot de onderhavige casus?
Door de Nederlandse rechter zijn in het verleden inderdaad personen uit de private sector met de Nederlandse nationaliteit veroordeeld voor medeplichtigheid aan oorlogsmisdrijven. In die zaken stelde de rechter vast dat sprake was van opzet en dat deze personen wisten dat door derden oorlogsmisdrijven zouden worden gepleegd dan wel dat zij zich willens en wetens hadden blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat derden oorlogsmisdrijven zouden plegen door gebruikmaking van de geleverde goederen.
De beoordeling of sprake is van opzet is – zoals ook uit deze jurisprudentie volgt – afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het is aan de rechter om een dergelijke beoordeling te maken indien en voor zover het openbaar ministerie het opportuun acht om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan. Ik kan mij daar niet over uitlaten.
Bent u het tot slot eens dat er een nationale aanpak moet komen tegen private handelingen die bijdragen aan schendingen van het internationaal recht door Israël in Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, welke instanties zouden hierbij betrokken moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Iedere staat dient zich te houden aan internationaal recht. In het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 20247 wordt geen uitspraak gedaan over de reikwijdte van de verantwoordelijkheid van derde staten voor de activiteiten van private partijen.
Wapenexportvergunningen voor het Israëlische Iron Dome-systeem |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Reinette Klever (PVV), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw opmerking in een debat vorige week over ««twee exportvergunningen voor onderdelen van het zogeheten Iron Dome-systeem» van Israël?»1
Ja, ik ben bekend met de woorden van de Minister van Buitenlandse Zaken waar naar wordt verwezen. Het kabinet handelt daarmee conform de motie van het lid Kahraman (motie 21 501-02, nr. 3170).
Kunt u aangeven wat voor export dit precies betreft, over welke onderdelen dit gaat?
Sinds de aanval van Hamas op Israël op 7 oktober 2023 heeft het kabinet in respectievelijk januari 2024 en maart 2025 vergunningen goedgekeurd voor de uitvoer van onderdelen voor het Iron Dome-luchtafweersysteem. In beide gevallen betrof het onderdelen voor de radar waarmee het Iron Dome-luchtafweersysteem inkomende projectielen kan waarnemen om deze vervolgens uit te schakelen.
Produceren in Nederland gevestigde bedrijven onderdelen voor de Iron Dome? Zo ja, sinds wanneer exporteren deze bedrijven onderdelen hiervoor naar Israël?
Het gaat hier om goederen die niet in Nederland, maar in Canada zijn geproduceerd. De onderdelen zijn daarna vanuit Nederland naar Duitsland overgebracht om daar verder verwerkt te worden met als uiteindelijke eindbestemming Israël. Meerdere vergelijkbare transacties hebben sinds 2013 plaatsgevonden.
Daarnaast hebben er tussen 2005 en 2012 zes transacties plaatsgevonden voor de uitvoer van onderdelen en technologie met als eindbestemming Israël waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze transacties gebruikt zijn ten behoeve van (de ontwikkeling van) het Iron Dome-luchtafweersysteem dat sinds 2011 operationeel is.
Indien onderdelen voor de Iron Dome niet in Nederland worden geproduceerd, hebben deze vergunningen dan betrekking op doorvoer van onderdelen voor dit wapensysteem? Zo nee, wat bedoelt u dan met uw opmerking in het debat?
De twee transacties ten behoeve van het Iron Dome-systeem betreffen in Canada geproduceerde goederen die in Nederland zijn binnen gebracht en vervolgens naar Duitsland zijn verzonden. Op grond van het Besluit strategische goederen is er hier sprake geweest van overdracht vanuit Nederland naar Duitsland, dan wel van doorvoer door Nederland naar Duitsland. Vanwege deze overdracht/doorvoer zijn er in Nederland overdracht- en doorvoervergunningen verleend. In de loop van tijd is de aard van de transacties overigens veranderd van doorvoer naar uitvoer. Dit vanwege aanpassingen in de goederenstroom, namelijk van binnenbrengen en directe doorvoer naar Duitsland, naar invoer in Nederland om vervolgens overgedragen te worden naar Duitsland. De in Canada geproduceerde goederen zijn in geen van de gevallen rechtstreeks vanuit Nederland naar Israël uitgevoerd.
De berichtgeving rondom de levering van kritieke grondstoffen uit China |
|
Joris Thijssen (PvdA), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Reinette Klever (PVV), Dirk Beljaarts (PvdV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In de handelsoorlog tussen de VS en China springt de strijd om aardmetalen eruit» en de berichtgeving dat China de export van zeven aardmetalen aan banden heeft gelegd?1
Ja.
Heeft het kabinet in aanloop naar de stop waarschuwingen ontvangen? Zo ja, is dit gecommuniceerd richting bedrijven die mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de exportstop?
Het kabinet is enige uren voor de publieke aankondiging en gelijktijdige invoering van deze vergunningplicht geïnformeerd door de Chinese overheid. Het kabinet heeft vervolgens zowel signalen ontvangen als zelf contact opgenomen met het bedrijfsleven.
Op verzoek van de ministeries van Economische Zaken en Buitenlandse Zaken heeft het Nederlands Materialen Observatorium (NMO) proactief contact gelegd en onderhouden met bedrijven waarvan aannemelijk is dat er permanente magneten zijn verwerkt in hun producten. Daarnaast zijn brancheorganisaties VNO-NCW, FME en Koninklijke Metaalunie door het Ministerie van Economische Zaken gevraagd in hun achterban signalen op te halen van leveringsdisrupties bij Nederlandse bedrijven.
Kunt u een beeld schetsen van de effecten van de exportstop op de Nederlandse economie? In welke sectoren en/of op welke bedrijven heeft de stop het meeste effect? Wat zijn deze effecten? Gaat u maatregelen nemen om de gevolgen van de beperkingen te mitigeren? Kunt u een overzicht geven van alle mogelijke en noodzakelijke maatregelen om de effecten van de exportstop te voorkomen? Welke maatregelen gaat u wel nemen en welke niet en waarom?
De Chinese exportcontrolemaatregel betreft geen exportstop maar een exportvergunningsverplichting. Vergunningsaanvragen worden momenteel door de Chinese overheid in behandeling genomen, maar het is onduidelijk wanneer en in welke mate deze vergunningen worden afgegeven. Hierdoor lopen leveringen van zware zeldzame aardmetalen, scandium en de permanente magneten waarin deze verwerkt zijn vertragingen op.
De Nederlandse industrie importeert uit China high-end permanente magneten, waarin zware zeldzame aardmetalen en scandium verwerkt zijn. Permanente magneten worden onder meer gebruikt binnen de hightech-, automotive- en consumentenelektronica-industrie. Vanuit veiligheidsoogpunt en bedrijfsvertrouwelijkheid kunnen geen nadere uitspraken worden gedaan over specifieke Nederlandse sectoren of individuele bedrijven waarop de exportcontrolemaatregel de grootste impact heeft.
Wanneer bedrijven onvoldoende voorraden of alternatieve toeleveringsketens hebben, lopen zij het risico dat hun productie belemmerd wordt. Wanneer dit moment wordt bereikt kan per bedrijf en product verschillen, waarbij belemmerde productie van halffabricaten en componenten ook invloed heeft op bedrijven verderop in de waardeketen. Bedrijven geven daarnaast aan dat extra administratieve last en de onduidelijkheid over doorlooptijden en welke informatie gevraagd wordt bij de exportvergunningsaanvraag belangrijke punten van zorg zijn.
Wat betreft de huidige acute leveringsdisruptie van zware zeldzame aardmetalen en permanente magneten onderhouden de ministeries van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken nauw contact met de Europese Commissie over het afgeven van boodschappen namens de lidstaten aan de Chinese autoriteiten over de onwenselijkheid van de vertragingen in de vergunningverlening. Zo heeft Eurocommissaris Šefčovič op 3 juni 2025 de situatie besproken met de Chinese Minister van Handel, de heer Wang. Ook vanuit Nederland zijn er regelmatig gesprekken met China op zowel politiek als ambtelijk niveau over exportcontrolemaatregelen en -regelgeving. Onze insteek is onnodige verstoringen in de productie- en toeleveringsketens zoveel mogelijk te vermijden en voorspelbaarheid en duidelijkheid voor onze bedrijven te waarborgen. Dat maken we ook duidelijk aan China.
Binnen de Nationale Grondstoffenstrategie en de Europese Critical Raw Materials Act wordt op zowel nationaal als Europees niveau gewerkt aan het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen, halffabricaten en componenten waarin deze zijn verwerkt. Nederland werkt aan voorraadvorming, stimulering van duurzame mijnbouw en verwerking van kritieke grondstoffen binnen de EU, bevordering van circulariteit en diversificatie van de herkomstlanden van kritieke grondstoffen. Deze handelingsperspectieven helpen de weerbaarheid van Europese en Nederlandse waardeketens stap voor stap te vergroten. Voor het behalen van resultaten is het echter cruciaal dat het bedrijfsleven hiermee ook aan de slag gaat.
Welke rol heeft het Nederlands Materialen Observatorium (NMO) in deze situatie, bijvoorbeeld bij het vroeg signaleren van ontwikkelingen, het opstellen van maatregelen die de Nederlandse industrie kunnen beschermen en maatregelen die de impact van een dergelijke exportstop kunnen beperken?
De rol van het NMO is het verzamelen en beheren van gegevens, informatie en kennis over kritieke grondstoffen, en het monitoren van toeleveringsketens. Daarmee biedt het NMO inzichten die overheden en bedrijven helpen bij het inspelen op risico’s die samenhangen met verstoringen in de toeleveringsketens.
In de specifieke situatie van de Chinese exportcontrolemaatregel op zware zeldzame aardmetalen en permanente magneten heeft het Ministerie van Economische Zaken het NMO gevraagd een impactanalyse op te stellen. Onderdeel van de monitoring van de impact is dat het NMO contact opneemt met bedrijven waarvan aannemelijk is dat er permanente magneten zijn verwerkt in hun producten. Daarnaast is er contact gelegd met de grondstoffen observatoria DERA (Duitsland) en OFREMI (Frankrijk) om na te gaan welke impact Duitsland en Frankrijk ervaren.
Op basis van de informatie via het NMO, het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn mogelijke acties van de rijksoverheid gezamenlijk geïdentificeerd, zoals het aankaarten van de problematiek via de Europese Commissie en bilaterale contacten.
Heeft het NMO gewaarschuwd voor een exportstop zoals deze? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er met die waarschuwingen gedaan?
De Chinese exportcontrolemaatregel op zeldzame aardmetalen en permanente magneten betreft geen exportstop, maar een exportvergunningsverplichting. Middels de reguliere bilaterale consultaties tussen Nederland en China is het kabinet enige uren voor de publieke aankondiging en gelijktijdige invoering van deze vergunningplicht geïnformeerd door de Chinese overheid.
Internationale en nationale kennisinstellingen, zoals TNO, waarschuwen Europese lidstaten en het bedrijfsleven al langer over de leveringszekerheidsrisico’s van kritieke grondstoffen en benadrukken daarbij de monopoliepositie van China in de toeleveringsketen. De kennisinstellingen benoemen vaak de eerdere exportcontrolemaatregelen op kritieke grondstoffen (bijvoorbeeld op gallium en germanium). Dat doet het Nederlands Materialen Observatorium ook sinds het gelanceerd is.
De gesprekken die het NMO en de overheid voeren met bedrijven, onder meer over de leveringszekerheid van grondstoffen, zijn vertrouwelijk.
In hoeverre richt het werk van Economische Zaken en het NMO zich op minder kritieke metalen zoals lithium? Hoe vergelijkt dat zich dat met het werk wat verricht is op het gebied van zeldzame aardmetalen en neodymium, gegeven het feit dat zeldzame aardmetalen veruit bovenaan de EU-lijst van meest kritieke elementen staan? Wat is de scope van de werkzaamheden van het NMO?
De reikwijdte van de Nationale Grondstoffenstrategie is primair de lijst van 34 metalen en mineralen die door de Europese Commissie zijn geclassificeerd als kritieke en/of strategische grondstoffen, evenals de halffabricaten en componenten die deze grondstoffen bevatten.
Binnen de eerste analyses die gevraagd zijn van het NMO zijn kritieke grondstoffen die Nederland in relatief hoge mate importeert in beginsel geprioriteerd. Lithium is hieraan toegevoegd vanwege het belang voor de energietransitie. Wat betreft zeldzame aardmetalen is gezien de exportcontrolemaatregel het werk ten aanzien van permanente magneten versneld.
In dit stadium van de kennisopbouw is de inzet van het Ministerie van Economische Zaken per kritieke of strategische grondstof vergelijkbaar. Binnen de verschillende handelingsperspectieven wordt nu uitgewerkt welke kritieke en strategische grondstoffen, halffabricaten of componenten prioriteit hebben. Ook wordt gekeken welke actie van Nederland daarbij passend is, en voor welke productgroepen dat geldt. Denk hierbij aan voorraadvorming, verwerking binnen Nederland, of het gericht stimuleren van circulariteit door Nederlandse bedrijven. De relatieve kritikaliteit van een grondstof op Europees niveau is een belangrijke factor. Daarnaast spelen ook andere overwegingen een rol. Bijvoorbeeld hoe belangrijk die leveringszekerheid van die grondstof is voor de Nederlandse economie. Ook wordt gekeken in hoeverre Nederland en het Nederlandse bedrijfsleven goed gepositioneerd zijn om bij te dragen aan het vergroten van de leveringszekerheid van de grondstof.
Dat een grondstof op de Europese lijst het meest kritiek is, wil niet per definitie zeggen dat nationale actie door of binnen Nederland de meest effectieve manier is om aan de Europese leveringszekerheid bij te dragen.
Bent u bekend met berichtgeving over het snel teruglopende aanbod van koper vanuit China als gevolg van een toename in import door Amerikaanse bedrijven als gevolg van de aangekondigde tarieven vanuit de Verenigde Staten?2
Ja.
Kunt u aangeven wat de impact van een gebrek aan koper kan hebben op het Nederlands bedrijfsleven? Welke maatregelen kunnen genomen worden om de effecten zoveel mogelijk te mitigeren? Worden dergelijke maatregelen getroffen of voorbereid? Zo nee, waarom niet?
De wereldwijde vraag naar koper neemt jaarlijks toe, maar het mondiale aanbod is momenteel in balans met de totale vraag. China is een grootgebruiker van koper, maar domineert de markt niet. Het land is verantwoordelijk voor ongeveer 60% van het wereldwijde koperverbruik. De rest van de wereld beschikt echter over voldoende koper om in de eigen vraag en consumptie te voorzien. Het artikel gaat in op de recent toegenomen inkoop van koper door de Verenigde Staten. Daarmee concurreert de VS met China, zijn de koper-voorraden in China snel afgenomen en de koper-voorraden in de VS toegenomen.
Koper is een basismetaal dat wordt verhandeld op internationale grondstoffenbeurzen, zoals de London Metal Exchange (LME). Het NMO monitort de ontwikkelingen rond koper, inclusief de handel en speculaties over mogelijke nieuwe invoertarieven. Als de beschreven concurrentie op koper-aanvoer aanhoudt, kan dit leiden tot stijgende koperprijzen wat gevolgen kan hebben voor Nederlandse kopergebruikers. Volatiliteit in de koperprijs is echter inherent aan deze cyclische grondstoffenmarkt. De markt houdt hier rekening mee, en is in de praktijk voorbereidt op dit soort prijsfluctuaties.
Er is vooralsnog geen reden om aan te nemen dat Nederland geen toegang meer zal hebben tot koper voor eigen gebruik. Op dit moment is er daarom geen aanleiding om acute maatregelen te treffen. Wel wordt door het Ministerie van Economische Zaken ook naar koper gekeken binnen de opzet van een traject richting het aanleggen van reserves van kritieke grondstoffen die vrij verhandeld worden.
Daarnaast levert het NMO informatie aan over de waardeketens van individuele kritieke grondstoffen door middel van materialendossiers. Over koper wordt later dit jaar ook een dossier opgeleverd, en tenminste deels publiek toegankelijk gemaakt via de website van het Nederlands Materialen Observatorium. Dit mede ten behoeve van de informatievoorziening aan het bedrijfsleven.
Welke signalen heeft u van tevoren binnengekregen over de forse vermindering van het koperaanbod op de wereldmarkt? Van wie waren die afkomstig? Heeft u hierbij informatie en ondersteuning vanuit het NMO gekregen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in welke vorm? Wat is er met deze signalen gedaan?
Er is vooralsnog geen reden om aan te nemen dat Nederland geen toegang meer zal hebben tot koper voor eigen gebruik. Zie antwoord 7 voor de analyse. De ministeries van Economische Zaken, Buitenlandse Zaken en het NMO hebben vooralsnog geen signalen ontvangen van het bedrijfsleven dat er leveringszekerheidsrisico’s zijn door een teruglopend aanbod van koper.
Om te anticiperen op volatiliteit in het koperaanbod is kennis nodig over de cyclische grondstoffenmarkt. Het NMO heeft de afgelopen periode kennis en expertise gedeeld over de kopermarkt met het Ministerie van Economische Zaken.
Kunt u aangeven wat tot nu toe de rol van het NMO is geweest in het signaleren van leveringsproblemen rondom en het inzetten op verminderen van de vraag? Bent u van mening dat deze rollen tot nu toe effectief vervuld worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom? Heeft het NMO een rol in het verminderen van de vraag naar kritieke grondstoffen door middel van recycling? Zo nee, waarom niet?
Voor beantwoording over de rol en werkzaamheden van het NMO in het signaleren van leveringsproblemen tot nu toe verwijs ik u naar de antwoorden op de vragen 4, 5,6, 8 en 9. Het kabinet is positief over hoe het NMO tot nu toe opereert en in een korte tijd bijdraagt aan de kennisopbouw op het terrein van kritieke grondstoffen en de kwetsbaarheden die daarbij spelen.
Het NMO is sinds de lancering dit jaar druk bezig met het verder consolideren en uitbouwen van zowel de eigen voorziene diensten binnen de Nationale Grondstoffenstrategie, als de samenwerking hierin met de overheid, het bedrijfsleven, het maatschappelijk middenveld en kennisinstellingen.
Binnen de Nationale Grondstoffenstrategie zijn circulariteit en innovatie opgenomen als handelingsperspectief, onder meer om de vraag naar kritieke grondstoffen verminderen. Het NMO heeft hierbij een rol als kennispartner voor de overheid. Het kabinet is tevreden over de effectiviteit waarmee het NMO deze taken oppakt.
Het NMO analyseert samen met kennispartners uit de recyclingketen welke bijdrage Nederland (en omliggende landen) kan leveren aan het vergroten van recyclingbijdragen van kritieke grondstoffen. Daarnaast neemt het NMO secundaire grondstoffenstromen mee in de leveringszekerheidsanalyses, die onder andere in de materialendossiers worden verwerkt. Ook werkt het NMO mee aan het ontwikkelen van publiek-private plannen van aanpak voor prioritaire productgroepen.3 Hierbij wordt onder meer gekeken hoe circulariteit de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen voor deze productgroepen kan vergroten. Concreet voorbeeld is de analyse naar circulaire elektrolyzers, die eerder met uw Kamer is gedeeld.4
Wat doet u, zowel economisch als diplomatiek, om dit soort maatregelen vanuit China te beperken en in de toekomst te voorkomen?
Het kabinet heeft de problematiek en de onwenselijkheid van de vertragingen in de vergunningverlening aangekaart bij de Europese Commissie. Eurocommissaris Šefčovič heeft op 3 juni 2025 de situatie besproken met de Chinese Minister van Handel, de heer Wang. Ook vanuit Nederland zijn er regelmatig gesprekken met China op zowel politiek als ambtelijk niveau over exportcontrole en regelgeving. Onze gezamenlijke Europese inzet is om onnodige verstoringen in de productie- en toeleveringsketens zoveel mogelijk te vermijden en voorspelbaarheid en duidelijkheid voor onze bedrijven te waarborgen. Dat maken we ook duidelijk aan China.
Via de Nationale Grondstoffenstrategie en in samenwerking met andere EU-lidstaten onder Europese Critical Raw Materials Act wordt gewerkt aan het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen.
De gevolgen van Trump's handelsoorlog voor Nederland |
|
Frans Timmermans (GroenLinks-PvdA), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA), Marleen Haage (PvdA), Barbara Kathmann (PvdA), Joris Thijssen (PvdA), Tom van der Lee (GL), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dirk Beljaarts (minister economische zaken) (PvdV), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP), Eelco Heinen (minister financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over de kelderende beurzen de afgelopen dagen? Welke financiële risico's ziet het kabinet voor Nederland? Welke financiële verwevenheden maken ons kwetsbaar? Op welke manier gaat het kabinet deze risico's mitigeren? Is er verscherpt toezicht op de financiële markten?1
Vrijhandel is de afgelopen eeuw een katalysator geweest van economische groei. Consumenten profiteren van lagere prijzen als gevolg van vrijhandel. De opgelegde invoerheffingen zijn economisch schadelijk. Allereerst voor de Amerikaanse economie, maar ook voor de economische groei wereldwijd en in Nederland. Ook beleggers zijn teleurgesteld door de tarieven en verwachten dat dit slecht voor bedrijven is. Dit uit zich ook in volatiliteit op beurzen. De dalende beurskoersen zijn op dit moment echter geen aanleiding voor zorgen over de financiële stabiliteit of de weerbaarheid van financiële instellingen. Nederlandse en Europese financiële instellingen staan er goed voor, met een goede uitgangspositie qua buffers en winstgevendheid.
Het kabinet monitort de ontwikkelingen op de financiële markten nauw en staat onder andere ook in contact met De Nederlandsche Bank en de financiële sector. Daarbij houden we onder meer scherp in de gaten of de toegenomen volatiliteit er niet toe leidt dat financiële markten niet goed meer functioneren. Zo heeft het kabinet nu in het bijzonder ook aandacht voor de ontwikkelingen ten aanzien van Amerikaanse treasuries en de dollar. Het kabinet blijft de ontwikkelingen en potentiële risico’s nauwlettend monitoren en in kaart brengen.
Is het kabinet erop voorbereid dat hogere Amerikaanse tarieven op China kunnen zorgen voor handelsverschuivingen richting Europa, met andere woorden: meer Chinese producten op de Europese markt? Hoe zorgt het kabinet in Europees verband dat onze markt niet nog meer overspoeld wordt met goedkope producten die geproduceerd zijn onder standaarden die we in Europa niet tolereren? Hoeveel worden de huidige acties versneld om dit bewezen effect te stoppen zodat Nederlandse bedrijven niet kapotgaan? Hoe worden deze acties uitgebreid?
Het kabinet is zich bewust van het risico van mogelijke omlegging van handelsstromen door verhoogde importtarieven van de VS op Chinese producten. Dit kan leiden tot lagere prijzen voor consumenten, maar ook druk leggen op de Europese markt. Hierover is ook tijdens de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 7 april jl. gesproken.2 Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat een groter aanbod van producten tegen lagere prijzen gunstig kan zijn voor de Nederlandse economie en Nederlandse consumenten, uiteraard op voorwaarde dat deze producten niet op ongeoorloofde wijze op de interne markt worden aangeboden. Het brede handelsinstrumentarium om het gelijke speelveld met derde landen te beschermen is eerder toegelicht in antwoord op vragen van de leden Kamminga en Martens-America.3 Dit handelspolitieke en handelsdefensieve instrumentarium wordt benut, getuige ook de lopende onderzoeken en al bestaande maatregelen onder de verschillende instrumenten.4
De wijze van productie ziet op de geldende wet- en regelgeving in het land waar het product wordt gemaakt. Deze standaarden vallen in beginsel onder het recht te reguleren waarbij ieder land de eigen wet- en regelgeving vaststelt – die dan ook in elk land anders is. Tegelijkertijd wordt door het kabinet, zowel bilateraal als in EU-verband, wel ingezet op de naleving van multilaterale standaarden en op het tegengaan van misstanden. Dat geldt bijvoorbeeld voor gedwongen arbeid, via de recent in werking getreden antidwangarbeidverordening5 waarmee producten vervaardigd met dwangarbeid van de EU markt geweerd worden.6 Op 14 december 2027 gaan deze verplichtingen gelden voor bedrijven zowel binnen als buiten de EU.
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp heeft tijdens voornoemde Raad Buitenlandse Zaken Handel van 7 april jl. ook expliciet aandacht gevraagd voor de effectieve aanpak van problematiek rondom de grote instroom van goedkope, laagwaardige producten op de Europese markt conform motie De Korte.7 De Commissie is zich ook terdege bewust van deze zorgen en heeft in dit kader op 5 februari jl. een mededeling gepubliceerd over veilige en duurzame e-commerce. De kabinetsappreciatie over deze mededeling ontving uw Kamer middels een BNC-fiche op 14 maart jl.8 Daarnaast is onlangs door de Commissie een «Import Surveillance Task Force» opgericht, die de indirecte effecten van verlegging van handelsverkeer zal monitoren.
Voorts wordt op zeer korte termijn in de gehele Unie breed ingezet op gecoördineerde toezichtacties waarbij de focus ligt op e-commerce zendingen met hoge veiligheidsrisico’s. De Europese Commissie coördineert dit in samenwerking met de nationale Douanediensten en Markttoezichthouders. Ook Nederland doet hier aan mee. De uitkomsten van deze acties kunnen gebruikt worden als bewijs in onderzoeken onder de Digital Services Act 9 en om risicoanalyses effectiever te maken. Ook zet het kabinet zich op dit moment in voor een effectieve handhaving van de Digital Services Acten de General Product Safety Regulation, die onder meer verantwoordelijkheden bevatten voor online marktplaatsen. Aanvullend worden consumenten en ondernemers voorgelicht over productveiligheidsrisico’s, zoals via de Productenmeldwijzer.10
Kunt u aangeven wat de mogelijke economische gevolgen zijn voor Nederland als de handelstarieven ongewijzigd blijven? Wat betekent dit voor onze economische groei?
Zoals toegezegd in het Commissiedebat met de Vaste Kamercommissie van BHO voorafgaand aan de Raad Buitenlandse Zaken Handel11 en verzocht in motie De Korte-Ceder,12 is het kabinet in gesprek met het Centraal Planbureau (CPB) om de eerder uitgevoerde studie naar de effecten van het handelspolitieke beleid van de regering-Trump te actualiseren op basis van het huidig gepubliceerde VS-beleid.13 Daarbij is aan uw Kamer toegezegd dat deze studie aan uw Kamer zal worden gezonden zodra deze afgerond is. Voorts heeft het kabinet de Europese Commissie verzocht om een impact assessment van de rebalancerende maatregelen uit te voeren, conform de motie Ceder-Boswijk.14 Het IMF publiceert op 22 april nieuwe ramingen voor de mondiale economie, waaronder voor de Nederlandse economie.
Kan het kabinet aangeven welke sectoren geraakt worden en welke gevolgen dit zal hebben voor de banen van mensen en wat de potentiële gevolgen zijn voor de werkgelegenheid in Nederland?
De Amerikaanse regering heeft een additionele landenspecifieke importheffing aangekondigd van minimaal 10%. Voor veel handelspartners van de VS is gekozen voor een beduidend hogere landenspecifieke heffing. Voor de EU gaat het in beginsel om 20% bovenop het bestaande VS buitentarief. De landenspecifieke heffing, zover hoger dan 10%, is op 9 april jl. met 90 dagen geschorst, waarmee voor de EU het additionele tarief van 10% gaat gelden. Een aantal goederen is van de landenspecifieke heffingen uitgezonderd, zoals halfgeleiders. Voorts zijn voor alle derde landen additionele heffingen van kracht van 25% voor alle import van staal, aluminium en auto’s, naast een heffing van 25% op staal en aluminium als onderdeel van een geïmporteerd product. Deze productspecifieke importheffingen zijn additioneel aan het al bestaande VS buitentarief maar niet cumulatief met de landenspecifieke heffingen. Nadere toelichting op de stand van zaken met betrekking tot de handelspolitiek van de VS is uw Kamer toegekomen via het verslag van voornoemde Raad Buitenlandse Zaken Handel van 7 april jl.
Door al deze maatregelen worden nagenoeg alle sectoren van de Nederlandse economie die naar de VS exporteren direct geraakt en kunnen overige sectoren indirect worden geraakt, bijvoorbeeld omdat zij als toeleverancier optreden voor de direct geraakte sectoren. Tevens kunnen sectoren direct en indirect worden geraakt door maatregelen die derde landen in reactie op de VS-maatregelen nemen of als gevolg van de verzwakking van de wereldhandel. Op basis van eerdere studies is duidelijk dat deze maatregelen een negatief effect zullen hebben op de Nederlandse economie. Niettemin is de directe afhankelijkheid van de Nederlandse economie van de VS beperkt. Verschillende onderzoeksinstellingen wijzen vooralsnog dan ook nog steeds op gematigde groei in Nederland of als gevolg van de verzwakking van de wereldhandel. Voor een precieze duiding van de mogelijke economische gevolgen verwijst het kabinet naar de actualisatie van de CPB-studie zoals genoemd in het antwoord op vraag 3 hierboven.
Is het kabinet bereid of van plan om de getroffen sectoren te hulp te schieten, zoals ook gebeurt in Spanje? Zo ja, is het kabinet bereid om voorwaarden te verbinden aan die hulp zodat vooral die bedrijven worden bijgestaan die een plek hebben in de toekomstige economie van Nederland met een hoog verdienvermogen, een klimaatplan, passend (eventueel op termijn) binnen de beschikbare milieuruimte en strategische functies?
Van financiële steun aan Nederlandse bedrijven is op dit moment geen sprake. Handelsmaatregelen van derde landen vallen in eerste instantie onder het bedrijfsrisico dat internationaal actieve ondernemers nemen. Het kabinet staat in nauw contact met het bedrijfsleven. Dat neemt niet weg dat het kabinet zich ervoor inzet dat de effecten van de tarieven zo beperkt mogelijk worden gehouden voor onze bedrijven. De Nederlandse en Europese inzet is erop gericht om de tarieven van de VS van tafel te krijgen.
Tegelijkertijd richt het kabinet zich op een toekomstbestendige Nederlandse economie. Versterking van het concurrentievermogen en een aantrekkelijk ondernemingsklimaat behoren tot de prioriteiten voor het kabinet, zoals uitgewerkt in onder meer de kabinetsvisie EU-Concurrentievermogen.15Dit vereist onder meer het wegnemen van barrières op de interne markt en het ontwikkelen van de kapitaalmarktunie. In de kabinetsvisie is tevens aangegeven dat het kabinet zich inzet voor een toekomstgerichte industrie, onder andere via gerichte programma’s voor strategische markten. In dat kader verwelkomt het kabinet dan ook de inspanningen van de Europese Commissie voor bijvoorbeeld de automotive sector en staal- en metaalsector, waarover uw Kamer via een BNC-fiche nader zal worden geïnformeerd. Ook zet het kabinet zich in voor meer gerichte samenwerkingen tussen EU-Lidstaten ten behoeve van de versterking van de strategische autonomie en weerbaarheid. In dat kader is recent de Semicon Coalition16 gelanceerd.
Kan het kabinet een duidelijk beeld schetsen van de gevolgen voor de handelsstroom tussen de VS en Nederland, mocht president Trump zijn tarieven hoger opvoeren na tegenmaatregelen vanuit de EU? Wat zijn de plannen van het kabinet als het gaat om het ondersteunen van specifieke sectoren en het beschermen van de werkgelegenheid mocht dit scenario uitkomen? . Hoe gaat het kabinet zich inzetten om betere banden te smeden met andere bondgenoten die op handelsgebied ook onder vuur liggen van de VS, zoals Canada en Mexico?
Het kabinet gaat niet vooruitlopen op – of speculeren over – mogelijke maatregelen en eventuele gevolgen daarvan. In algemene zin kan worden opgemerkt dat het verder verhogen van importheffingen kan leiden tot prijsverhogingen voor importeurs van producten uit derde landen en daarmee een drukkende werking kan hebben op de vraag naar deze producten. De mate waarin de vraag naar afzonderlijke producten afneemt, is onder andere afhankelijk van de prijselasticiteit van deze producten. Ook geldt voor het handelsvolume dat het effect van verdere prijsstijgingen steeds kleiner wordt, omdat substitutie het makkelijkst is wanneer prijzen licht stijgen. In de antwoorden op vragen 3 en 5 is reeds ingegaan op de effecten op de Nederlandse economie en Nederlandse bedrijven.
Klopt het dat Europese multinationals overwegen om fabrieken in de VS te openen om tarieven te omzeilen, en wat zou dit betekenen voor de Europese en de Nederlandse werkgelegenheid?2
Zoals aangegeven in het regeerprogramma18 is de handelsinzet van dit kabinet onderdeel van het bredere buitenlandbeleid gericht op een sterk, welvarend en weerbaar Nederland. Uw Kamer ontvangt dit voorjaar de beleidsbrief handel van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, waarin verdere invulling gegeven wordt aan de inzet van dit kabinet op het versterken van de handelsrelaties met derde landen.
Het kabinet deelt het belang van internationale samenwerking en het aanhalen van de relaties met handelspartners. Dat is nu nog belangrijker dan voorheen. Het kabinet blijft inzetten op een constructieve en positieve economische relatie met de VS en kijkt tegelijkertijd – ook binnen EU-verband – naar verdere diversificatie van de handelsrelaties, gericht op samenwerking binnen en buiten de Europese Unie met gelijkgestemde landen.19 Met Canada heeft de EU reeds een handelsakkoord gesloten (CETA). Daarnaast heeft recent een economisch werkbezoek naar Canada plaatsgevonden op het gebied van kritieke grondstoffen onder leiding van de Minister voor BHO. Voor Mexico werkt de EU aan de modernisering van het bestaande handelsakkoord.
Het kabinet hecht eraan om de gemaakte afspraken effectief te implementeren en de mogelijkheden die de akkoorden bieden optimaal te benutten, zo ook op kritieke grondstoffen. Dit is ook in het belang van het Nederlands bedrijfsleven. Het kabinet zal zich blijven inzetten, in lijn met motie Kamminga-Boswijk20, op Europees niveau voor de verdieping van de handelsrelaties met Canada en Mexico, zoals tijdens de recente Raad Buitenlandse Zaken Handel.21
Welke maatregelen staan er klaar om werknemers te helpen bij het verlies van banen? Is de sociale zekerheid opgewassen tegen een hogere instroom? Zo nee, gaat het kabinet vaart maken met het crisisbestendig maken van de sociale zekerheid?
Zoals aangegeven in antwoord op de schriftelijke vragen van het lid Kamminga22 kan de door importheffingen gecreëerde economische onzekerheid invloed hebben op investeringsbeslissingen van ondernemingen. Dergelijke effecten kunnen beide kanten op treden, zoals eerder is gebleken bij de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. Het effect op de werkgelegenheid is daarom moeilijk in te schatten. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor een aantrekkelijk en voorspelbaar investeringsklimaat in Nederland, waaronder door verdieping van de EU interne markt. Zie tevens de beantwoording van vraag 5 ten aanzien van de versterking van het concurrentievermogen en een aantrekkelijk ondernemingsklimaat.
Op dit moment is er nog een arbeidstekort in Nederland, dus deelt het kabinet de mening dat een werkgarantiefonds, waarmee mensen met behoud van inkomen van een oude baan naar een nieuwe baan kunnen gaan, kan helpen om snel weer aan het werk te helpen en dat een dergelijk fonds onrust in Nederland kan voorkomen?
In de eerste plaats zijn de sociale partners verantwoordelijk voor van-werk-naar-werk-dienstverlening. In een deel van de cao’s zijn hierover ook afspraken gemaakt, en worden er voorzieningen aangeboden. Bij (grootschalige) reorganisaties worden bovendien sociale plannen opgesteld. In deze plannen worden de gezamenlijke regelingen en voorzieningen voor het achterblijvende en vertrekkende personeel vastgelegd. Uit een sociaal plan kan ook VWNW-dienstverlening volgen. Werkgevers kunnen er tevens voor kiezen om zelf VWNW-dienstverlening aan te bieden zonder dat hierover expliciete afspraken zijn gemaakt.
De krapte op de Nederlandse arbeidsmarkt is op dit moment nog altijd hoog. De grote vraag naar arbeid vergemakkelijkt de zoektocht naar een nieuwe baan. Dat neemt niet weg dat baanverlies een ingrijpende gebeurtenis is.
Wie werkloos wordt, kan via UWV gebruikmaken van inkomensondersteuning via het sociale zekerheidsstelsel en van ondersteuning bij het vinden van een nieuwe baan. Dat gaat door middel van preventieve dienstverlening (veelal digitaal zoals een competentietest en vacaturebank), via basis dienstverlening (zoals de werkmap, netwerkbijeenkomst en gesprek met een werkcoach) en via persoonlijke dienstverlening (voor wie risico loopt op langdurige werkloosheid). Indien er geen WW-rechten zijn opgebouwd, kan iemand voor ondersteuning terecht bij de gemeente. Om de publieke en private dienstverlening voor werk en scholing aan werkzoekenden, werkenden en werkgevers te verbeteren, werken we bovendien aan een hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur.
UWV en gemeenten zijn niet onbekend met fluctuaties in het cliëntenbestand. In het verleden hebben we gezien dat het beroep op de WW en de bijstand toeneemt als het economisch minder gaat. Er zijn geen signalen dat UWV en gemeenten een toename van de instroom niet zouden kunnen dragen. De uitgaven die hiermee gemoeid zijn, vallen bovendien buiten het uitgavenplafond Sociale Zekerheid.
Heeft het kabinet een overzicht van goederen die relatief simpel te substitueren zijn voor de Nederlandse consument? Zo ja, hoe gaat het kabinet zich inzetten om deze producten op de tarievenlijst van de EU te krijgen en zo de schade voor de Nederlandse consument te beperken?
Het kabinet ziet geen aanleiding een werkgarantiefonds in te stellen. Door de arbeidsmarktkrapte is het perspectief op het snel vinden van een nieuwe baan relatief goed. Een werkgarantiefonds zou ook in de verantwoordelijkheid treden die sociale partners hebben op van-werk-naar-werk dienstverlening. Voor niet-werkenden geldt een publieke taak en biedt de overheid begeleiding van-werkloosheid-naar-werk en inkomensondersteuning via het sociale zekerheidsstelsel. Met de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur23 wordt arbeidsmarktdienstverlening structureel ingericht, voortbouwend op de tijdelijke structuur (Regionale Mobiliteitsteams) uit de coronacrisis. Een door sociale partners ingericht dekkend privaat gefinancierd van-werk-naar-werk stelsel dat volgt uit het SER middellange termijn advies is hier onderdeel van. Het kabinet is voornemens een tijdelijke financiële impuls te geven aan deze ambitie van sociale partners. De sociale partners werken deze plannen momenteel uit.
Wat verwacht het kabinet wat betreft de gevolgen voor de koopkracht van Nederlanders? Kan het kabinet een analyse maken van de koopkrachteffecten voor verschillende inkomensgroepen?
Zoals aangegeven in antwoord op schriftelijke vragen van het lid Eerdmans24 is voor het kabinet belangrijk dat er per product op de lijst met rebalancerende maatregelen van de EU een zorgvuldige afweging wordt gemaakt. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de mate van afhankelijkheid en substitueerbaarheid van het betreffende product. Wanneer er sprake is van voldoende alternatieven is er geen reden om te vrezen voor verminderde beschikbaarheid en kan ook het prijsopdrijvende effect van importtarieven beperkt blijven. Hiernaast geldt ook dat rebalancerende maatregelen beogen om druk te zetten op de VS om op basis van gelijkwaardigheid te onderhandelen over het wederzijds reduceren van tarieven. Het kabinet blijft het belang benadrukken van een positieve handelsagenda met de Verenigde Staten, maar geeft daarbij aan dat de EU de eigen belangen dient te verdedigen. Het kabinet brengt het Nederlands belang ook actief onder de aandacht in de EU.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat werkende Nederlanders, en in het bijzonder diegenen met een laag inkomen, de dupe worden van het economische beleid van de Amerikaanse regering?
In het Centraal Economisch Plan uit februari jl. waarschuwde het CPB voor de gevolgen van de toenemende onzekerheid op het terrein van handel en internationale samenwerking voor de wereldeconomie. Het CPB heeft in de raming in beperkte mate rekening gehouden met het effect van de toegenomen onzekerheid. Het kabinet kan nog niks zeggen over de precieze gevolgen van de hogere tarieven op de inflatie, hiervoor verwijst het kabinet naar de actualisatie van de CPB-studie. Het effect op de koopkrachtontwikkeling van huishoudens en de verschillende inkomensgroepen is nog onzeker. In augustus publiceert het CPB de volgende raming van de koopkrachtontwikkeling. Op dat moment beziet het kabinet ook het bredere koopkrachtbeeld.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de pensioenen van mensen op korte en lange termijn?
Het is nog onzeker wat het precieze effect is van het Amerikaanse beleid op de inflatie en de koopkrachtontwikkeling van Nederlanders. Bij een handelsoorlog bestaat het risico dat iedereen daar financiële nadelen van ondervindt, in dat geval kan het kabinet niet voor iedereen de gevolgen ongedaan maken. Het kabinet heeft tijdens de augustusbesluitvorming de mogelijkheid om bij te sturen om huishoudens te ondersteunen en te kijken naar een evenwichtige inkomensverdeling.
Voor wat betreft de EU tegenmaatregelen zet het kabinet zich in, zoals aangegeven in antwoord op vraag 11, dat er per product op de lijst met rebalancerende maatregelen van de EU een zorgvuldige afweging wordt gemaakt, waarbij naast de directe financiële impact voor bedrijven ook gekeken wordt naar de mate van afhankelijkheid en substitueerbaarheid. Bij voldoende alternatieven kan het prijsopdrijvende effect van importtarieven beperkt blijven.
Is het kabinet in overleg met sociale partners over de economische gevolgen van de handelstarieven en mogelijke mitigerende maatregelen? Overlegt het kabinet naast bedrijven en werkgevers ook met de vakbonden? Op welke momenten vond tot nu toe overleg plaats en wanneer is toekomstig overleg nog voorzien?
Op de korte termijn hebben de huidige koersschommelingen geen invloed op de lopende pensioenuitkeringen. Pensioenfondsen beleggen voor de lange termijn en houden rekening met tijdelijke tegenvallende resultaten op de beurs. Fondsen staan er goed voor en kunnen gebruik maken van hun buffer.
Daarnaast wordt in de regel het pensioen alleen op vast moment in het jaar gewijzigd. Voor verreweg de meeste fondsen geldt dat pas aan het einde van dit jaar wordt vastgesteld wat de uitkeringen van 2026 zullen zijn. Dat geldt ook voor de fondsen die al naar het nieuwe pensioenstel zijn overgestapt. Pensioenfondsen hebben in het nieuwe pensioenstelsel mogelijkheden om economische schokken voor lopende uitkeringen te dempen, door de inzet van de solidariteitsreserve en schokken te spreiden. Ook in het oude pensioenstelsel kunnen de gevolgen voor de lopende uitkeringen worden beperkt.
Op de lange termijn hoeven de dalende beurzen geen gevolgen te hebben voor de pensioenen als het om een tijdelijke daling gaat. Een pensioenfonds houdt bij het vaststellen van haar beleggingsbereid rekening met diverse scenario’s, waaronder slechtweer scenario’s.
Wel kunnen negatieve beleggingsresultaten ten koste gaan van het pensioenvermogen van actieve deelnemers. Zij zullen dit zien in hun pensioenoverzichten. Deze deelnemers hebben nog een lange horizon om dergelijke kortingen goed te maken. Het is aan de fondsen om daarover duidelijk en tijdig aan deelnemers te communiceren.
Welke voorbereidingen heeft u getroffen voor het scenario dat de regering-Trump Amerikaanse digitale diensten gebruikt om druk te zetten op Europese regeringen?3 Wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse publieke sector en onze economie als deze digitale diensten fors duurder worden als gevolg van een handelsoorlog?
Het kabinet heeft regelmatig overleg met sociale partners over de sociaaleconomische situatie in algemene zin. Deze ontwikkelingen zijn nog geen onderwerp van gesprek geweest, tegelijkertijd is het goed voorstelbaar dat dit in de toekomst wel aan de orde komt.
Zoals de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp in het Commissiedebat over de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 7 april jl. heeft aangegeven op vragen van het lid Hirsch is het kabinet regulier in gesprek met ondernemingen en het bredere bedrijfsleven naast de betrokken werkgeversorganisaties over de handelspolitieke maatregelen van de VS en het voornemen van het nemen van rebalancerende maatregelen van de EU. Er is tot op heden nog geen verzoek gekomen van de vakbonden voor een gesprek over de Amerikaanse tarieven. Wel wordt er regulier overleg gevoerd met het maatschappelijk middenveld via het Breed Handelsberaad (BHB), waarin zowel maatschappelijke organisaties, vakbonden als werkgevers zitting hebben. Voorafgaand aan de aankomende RBZ Handel zal er weer een fysieke bijeenkomst van het BHB plaatsvinden, waar de mogelijkheid bestaat om van gedachten te wisselen over de handelspolitieke inzet, zo ook over de handelsbetrekkingen met de VS.
Heeft u een plan om de Nederlandse afhankelijkheid van Amerikaanse digitale diensten te verminderen?
Amerikaanse technologiebedrijven leveren belangrijke producten en diensten waar onze digitale economie en samenleving op draaien. Het is belangrijk dat we hier de vruchten van blijven plukken. We zijn ons bewust van de afhankelijkheid van grote Amerikaanse technologiebedrijven. Maar er zijn ook grote economische belangen voor deze bedrijven om de Europese economie te blijven bedienen. Tegelijkertijd zijn we niet naïef en zetten we als kabinet in op het afbouwen van risicovolle strategische afhankelijkheden, ook op digitale diensten. Hier wordt nader op ingegaan in het antwoord op vraag 17.
Als Amerikaanse digitale diensten duurder zouden worden als gevolg van de huidige handelsspanningen, zal dit in eerste instantie leiden tot stijgende kosten voor alle Europese en dus Nederlandse publieke en private organisaties die er gebruik maken. Tegelijkertijd kan dit leiden tot verhoogde belastinginkomsten en het verbeteren van de relatieve concurrentiepositie van Europese alternatieven.
Wat is uw voorstel voor het treffen van maatregelen die gericht politieke druk zetten op de miljardairs in de regering-Trump, specifiek gericht op Amerikaanse digitale diensten? Wat is uw reactie op het Franse voorstel hieromtrent?4
De agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA)27 beschrijft het kabinetsbeleid met betrekking tot het verminderen van afhankelijkheden in het digitale domein. Hierin staan ook de tien digitale technologieën omschreven die vanuit het geopolitiek en geo-economisch perspectief cruciaal zijn voor Nederland. Met betrekking tot diensten gaat dit om kunstmatige intelligentie (AI), cloud, netwerktechnologie waaronder 6G, cybersecurity en kantoorsoftware. Er lopen verschillende maatregelen om afhankelijkheden af te bouwen. Dit gaat met name om stimulerende maatregelen zoals de uitvoering van projecten uit het Nationaal Groeifonds (zoals het Future Network Services-programma voor de ontwikkeling van 6G-technologie en het Ained programma gericht op het creëren van een AI-ecosysteem gericht op de ontwikkeling en toepassing van AI-technologie) en de IPCEI CIS (Cloud Infrastructuur en Services) over clouddiensten, evenals algemene economische maatregelen zoals het verdiepen van de interne markt om opschaling van veelbelovende Nederlandse techbedrijven in de EU te faciliteren. Voorts zet het kabinet met gelijkgezinde lidstaten in op een Europese investeringsagenda voor digitale technologie en infrastructuur, zoals bepleit in de Amsterdam Verklaring van de D9+ bijeenkomst van 27 maart 2025.28
Ook zet het kabinet in op het versterken van de digitale autonomie van de overheid door in te zetten op het ontwikkelen van een soevereine overheidscloud, het herijken van het Rijkscloudbeleid en het beperken van ongewenste afhankelijkheden van enkele technologiebedrijven. Dit gebeurt tevens als onderdeel van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS),29 waarin deze thema’s tot de prioriteiten behoren. Specifiek met betrekking tot clouddiensten staat de kabinetsinzet beschreven in de Kamerbrief Initiatiefnota Wolken aan de horizon.
Herinnert de Minister voor Buitenlandse Handel zich haar uitspraak dat zij «eerst graag wil praten met de Amerikanen»?5 Waarop baseert de Minister de verwachting dat er onderhandelingsruimte is bij de Verenigde Staten, gegeven de uitspraken van president Trump op zondagavond dat hij niet van plan is om van koers te wijzigen?
In gesprekken over de huidige stand van zaken en de mogelijke reactie van de Europese Unie wordt gesproken over het gehele pakket aan mogelijke maatregelen, waaronder ook voorstellen van individuele lidstaten. Uitgangspunt is dat het uiteindelijke pakket is gericht op het de-escaleren van het handelsconflict. Het kabinet steunt de Europese Commissie in deze aanpak, en benadrukt het belang van EU-eenheid in het optreden richting de VS. De importtarieven die de Verenigde Staten hebben ingevoerd kennen alleen maar verliezers. De verwachting is dat door deze tarieven vooral de prijzen in de VS zullen stijgen, maar ook in andere landen. De Nederlandse en Europese inzet is erop gericht om de tarieven van de VS van tafel te krijgen.
Deelt het kabinet het inzicht dat niemand baat heeft bij een handelsoorlog, maar dat nu de Verenigde Staten besloten heeft een handelsoorlog te ontketenen, het zaak is dat Europa stevig van zich afbijt?
Deze uitspraken zijn bekend. Het is het beleid van dit kabinet om uit te gaan van een positieve agenda en engagement met de VS, waarbij de eigen belangen dienen te worden beschermd. Deze lijn wordt door uw Kamer gedeeld, getuige de aangenomen moties van het lid Ceder31 en van de leden Eerdmans en Wilders.32 Inmiddels heeft president Trump aangekondigd (op 9 april jl.) de landenspecifieke heffingen deels op te schorten, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 hierboven.
Deelt u de mening dat het voor Nederland van groot belang is om een stevige positie in Europa te hebben omdat het van belang is om hierin gezamenlijk op te trekken? Veranderen deze omstandigheden uw beleid ten aanzien van Europese samenwerking en de noodzaak van een sterk en weerbaar Europa? Zo ja, op welke manier?
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 18 kennen de importtarieven die de Verenigde Staten hebben ingevoerd alleen maar verliezers, daarom betreurt het kabinet deze ook. De verwachting is dat door deze tarieven vooral de prijzen in de VS zullen stijgen, maar ook in andere landen. De Nederlandse en Europese inzet is erop gericht om de tarieven van de VS van tafel te krijgen. Dit doet het kabinet onder meer in gesprekken met Amerikaanse collega’s. Het kabinet zet zich ervoor in dat, als dat nodig is, de EU robuust, proportioneel en de-escalerend zal reageren.
Heeft u in beeld welke ongewenste strategische afhankelijkheden we in Nederland hebben ten aanzien van de VS? Zo ja, welke afhankelijkheden zijn dit? Gaat u deze ongewenste strategische afhankelijkheden afbouwen? Hoe gaat u dit doen? Wat is hiervoor uw inzet op Europees niveau?
Het kabinet benadrukt de noodzaak voor EU-eenheid in de handelspolitieke inzet ten aanzien van de Verenigde Staten. Ten aanzien van gemeenschappelijke handelspolitiek is de Europese Unie exclusief bevoegd. Het kabinet onderschrijft het belang van Europese samenwerking en de noodzaak van een sterk en weerbaar Europa. Hierbij gelden de afspraken en inzet zoals opgenomen in hoofdstuk 9b van het regeerprogramma33 als uitgangspunt.
Zou u deze vragen separaat en zo spoedig mogelijk, uiterlijk voor 15 april, willen beantwoorden?
De handelsrelatie tussen Nederland en de VS is en blijft voor Nederland van groot belang. We zijn ons bewust van de strategische afhankelijkheden ten opzichte van de VS. Een voorbeeld hiervan is het veelvuldig gebruik van Amerikaanse clouddiensten. Ook zien we de afgelopen jaren een toename van de import van LNG uit de VS. Dat betekent echter niet dat deze afhankelijkheden per definitie risicovol zijn.
Het kabinet brengt via de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden (TFSA) risicovolle strategische afhankelijkheden in diverse waardeketens in kaart. Voor de geïdentificeerde risicovolle strategische afhankelijkheden worden handelingsopties ontwikkeld. Voorbeelden hiervan zijn het diversifiëren van leveranciers of het stimuleren van Nederlandse en/of Europese productiecapaciteit. Gezien de verwevenheid van de Europese lidstaten binnen de interne markt is de Europese Unie het belangrijkste handelingsniveau.
Daarbij geldt dat zorgvuldig omgegaan moet worden met het openlijk communiceren over de kwetsbaarheden van de Nederlandse en Europese economie. Gelet op het feit dat de identificatie van risicovolle strategische afhankelijkheden vertrouwelijk is, kan ik hier niet inhoudelijk ingaan op de uitgevoerde analyses en de handelingsopties.
Het bericht dat de invoering van importheffingen op Amerikaanse producten korte tijd is uitgesteld |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de invoering van importheffingen op Amerikaanse producten1 korte tijd is uitgesteld?
Ja.
Is het juist dat de Verenigde Staten tot op heden importheffingen hebben ingesteld op staal en afgeleide producten afkomstig uit de Europese Unie?
Op 12 maart jl. zijn in de VS aanvullende importtarieven van kracht geworden op staal en aluminium en producten die staal en aluminium bevatten. Deze tarieven gelden voor importen uit alle landen, en daarmee ook voor importen uit de Europese Unie.
Klopt het dat op de conceptlijst van de Europese Unie met mogelijke tegenmaatregelen richting de Verenigde Staten, welke naar verwachting medio april wordt vastgesteld, ook levensmiddelen zijn opgenomen?
Het klopt dat op de conceptlijst van de Europese Unie met mogelijke tegenmaatregelen ook een aantal levensmiddelen zijn opgenomen, naast staal, aluminium en andere industriële producten. Het gaat dan om producten als vlees en noten.
Deelt u de opvatting dat de kosten voor boodschappen, mede door stevige inflatie, reeds aanzienlijk zijn gestegen?
Geldontwaarding heeft de afgelopen vijf jaar boven de langjarige gemiddelden vanaf het jaar 2000 gelegen2, hetgeen effect heeft op het prijspeil van goederen zoals die in de winkel liggen. In deze periode zijn ook de lonen in Nederland gestegen.3
Deelt u de mening dat producten die behoren tot de eerste levensbehoeften, zoals levensmiddelen, niet zouden moeten worden opgenomen in een lijst met mogelijke tegenmaatregelen?
Voor het wel of niet opnemen van producten op de lijst met rebalancerende tarieven van de EU wordt onder andere gekeken naar de mate van afhankelijkheid en substitueerbaarheid van het betreffende product. Daar waar de beschikbaarheid van alternatieven, bijvoorbeeld door productie in derde landen, danwel in de Europese Unie zelf, afdoende is, is er geen reden om te vrezen voor verminderde beschikbaarheid van deze producten. In geval van voldoende alternatieven zal ook het prijsopdrijvende effect van importtarieven beperkt blijven. Dit is een afweging die per product moet worden gemaakt. Er is daarom geen reden om te pleiten voor het niet opnemen van de categorie levensmiddelen op de lijst. Wel is het belangrijk om per product zorgvuldig een afweging te maken. Dit is voor Nederland een belangrijk aandachtspunt bij de inzet in Brussel ten aanzien van deze lijst.
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor het schrappen van levensmiddelen – als eerste levensbehoefte – van de genoemde conceptlijst met EU-importheffingen?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u kennisgenomen van het RaboResearch-rapport «Trump’s tariffs: What could be the impact on EU food and agriculture?» (februari 2025), waarin wordt gewaarschuwd dat een oplopend handelsconflict tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie kan leiden tot hogere prijzen voor voedselproducten binnen de EU, inclusief Nederland? Hoe reflecteert u hierop?
Ja. Het instellen van tarieven door de Verenigde Staten en de rebalancerende maatregelen van de EU kunnen een effect hebben op de prijzen van producten. Dit kan het gevolg zijn van directe heffingen op producten, maar ook via indirecte effecten. Dit is mede de reden dat het belangrijk is goed te kijken naar zowel de afhankelijkheid van de VS als handelspartner voor de betreffende producten als de beschikbaarheid van alternatieven in andere derde landen danwel de EU zelf bij het opstellen van de EU-lijst.
Daarbij geldt dat rebalancerende maatregelen beogen om druk te zetten op de VS om op basis van gelijkwaardigheid te onderhandelen over het wederzijds reduceren van tarieven. Het kabinet blijft het belang benadrukken van een positieve handelsagenda met de Verenigde Staten, maar geeft daarbij aan dat de EU de eigen belangen dient te verdedigen.
Het bericht 'Aantal Nederlandse handelsmissies afgenomen, ook fors minder opbrengst' |
|
Roelien Kamminga (VVD) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aantal Nederlandse handelsmissies afgenomen, ook fors minder opbrengst»?1
Ja.
Herkent u hetgeen geschetst in het NOS-artikel?
Ja.
Hoe bent u voornemens om de door u genoemde 12 handelsmissies per jaar zo effectief mogelijk vorm te geven en hoe gaat u ervoor zorgen dat de Nederlandse belangen zo goed mogelijk in het buitenland worden vertegenwoordigd?
Er is een zorgvuldig proces om de (economische) reisagenda van het kabinet publiek en privaat af te stemmen, met onder andere werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland, brancheorganisaties, topsectoren en regionale ontwikkelingsmaatschappen. De wensen van het bedrijfsleven en relevante kennisinstellingen wegen zwaar in de besluitvorming naar welke landen en in welke sectoren de missies plaatsvinden. Verder spelen de posten in het buitenland een belangrijke rol om de belangstelling en vraag van bezochte landen in kaart te brengen. Tot slot vindt afstemming plaats binnen het Koninkrijk en met decentrale overheden.
Op welke wijze staan de te organiseren handelsmissies in relatie tot de prioriteiten die u in de beleidsbrief Handel aan de Kamer kenbaar gaat maken en wordt het bedrijfsleven bij deze weging betrokken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zal een nauwe verbinding blijven leggen tussen de inzet van het instrument economische missie en relevante beleidsbrieven, inclusief de nog af te ronden beleidsbrief «Buitenlandse Handel». Voor de prioriteiten van de beleidsbrief Handel heeft het kabinet gebruik gemaakt van de tientallen gesprekken, reizen en bezoeken met en naar ondernemers. Voor de wijze waarop de samenwerking met het bedrijfsleven geschiedt, zie vraag 3.
Wordt er voorafgaand aan een kalenderjaar geïdentificeerd op welke manier er een optimale waarde kan worden gegenereerd voor het Nederlandse bedrijfsleven door het organiseren van handelsmissies? Zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen?
Zie ook het antwoord op vraag 3. Dit proces vindt eens per half jaar plaats, en de reisagenda wordt dus tweemaal per jaar afgestemd.
Doorgaans worden missies voorafgegaan door marktstudies en verkennende evenementen en/of meer kleinschalige missies, gericht op specifieke sectoren of nichemarkten.
Hoe gaat u de wensen van de Nederlandse handelssectoren in de aard van de handelsmissies incorporeren? Hoeveel inspraak hebben ondernemers in de opzet van handelsmissies?
Zie ook het antwoord op vraag 3. Economische missies worden voortdurend verbeterd op basis van input van de deelnemende ondernemers. Hiervoor worden gedegen evaluaties uitgevoerd onder deelnemers aan alle economische missies. De uitkomsten van deze evaluaties worden jaarlijks met de Kamer gedeeld in de Kamerbrief «Rapportage economische missies». Op basis van het goede rapportcijfer dat deelnemers aan de missies geven (gemiddeld een 8,1 in 2024) kunnen we concluderen dat deelnemers over het algemeen tevreden zijn met wat de missies hen bieden.
Hoe gaat u meer inzetten op vraaggestuurde en sectorspecifieke handelsmissies? Hoe garandeert u dat er voldoende voorbereiding en nazorg voor de deelnemende ondernemers is?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3 en 6.
Er vindt uitgebreide e-mailcommunicatie met de deelnemers voorafgaand aan de missie plaats. Naast deze communicatie, is er een missie-app waarin het programma wordt gedeeld, de gesprekspartners worden toegelicht en de deelnemers aan de missie staan vermeld. Tot slot vindt enkele weken voor de start van de missie een deelnemersbijeenkomst plaats, waar de missie wordt doorlopen, aandachtspunten worden benoemd en vragen worden beantwoord.
Inhoudelijk worden meestal brancheorganisaties of bijvoorbeeld topsectoren aangehaakt bij de voorbereiding, vanwege hun specifieke kennis en netwerk binnen een bepaalde sector.
De deelnemers aan de missie kunnen terecht bij de posten ter plaatse voor nadere ondersteuning en opvolging. Ook staat RVO de bedrijven bij met een breed scala aan instrumenten.
Ten slotte is een economische missie in beginsel altijd onderdeel van een meerjarige programmering met een keten aan activiteiten, met bijv. marktstudies, gezamenlijke deelname aan een relevante internationale beurs, en/of de opzet van een cluster bedrijven dat gezamenlijk een markt wil betreden met behulp van het RVO-handelsinstrumentarium.
Welke rol ziet u voor organisaties als VNO-NCW en MKB-Nederland bij het organiseren van handelsmissies?
VNO-NCW en MKB-Nederland worden actief betrokken bij de keuzes voor markten en sectoren voor economische missies. Daarnaast draagt VNO-NCW bij aan de algehele voorbereiding van missies en reist vaak mee. Voorzitter VNO-NCW is met regelmaat zakelijk missieleider, en VNO-NCW organiseert vaak bepaalde onderdelen, zoals een CEO Roundtable, met als doel om belemmeringen op buitenlandse markten weg te nemen.
Naar welke landen/gebieden bent u voornemens om de komende kabinetsperiode handelsmissies te organiseren? Op wat voor gronden neemt u deze beslissing?
Nog voor het zomerreces geef ik leiding aan economische missies naar Italië en Indonesië, en geven mijn collega’s van EZ en VWS leiding aan economische missies naar Japan in het kader van de Expo.
Momenteel bevindt de besluitvorming voor de economische missies in de tweede helft van 2025 zich in een afrondende fase. De manier waarop deze agenda tot stand komt beschreef ik in de antwoorden op de vragen 3 tot en met 6.
Vind u dat het aantal handelsmissies moet worden geïntensiveerd met meer dan 12 missies per jaar, gezien de geopolitieke situatie in de wereld en het voornemen om nieuwe markten aan te boren? Zo ja, op welke manier bent u voornemens om dit te bewerkstellingen? Zo nee, waarom is specifiek voor het aantal van 12 gekozen, terwijl dit in 2015 bijvoorbeeld nog 21 was?
Ongeveer twaalf missies per jaar lijkt goed aan te sluiten bij de behoeften en mogelijkheden van het bedrijfsleven. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u voornemens om aan een lange termijn agenda voor handelsmissies te werken waardoor ook de komende jaren voor ondernemers meer zekerheid bestaat? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de beleidsbrief handel en publiek-private samenwerking bestaat er al een meerjarige strategie als basis onder de besluitvorming voor economische missies. Het is een bewuste keuze om voor de daadwerkelijke planning te werken op basis van periodes van zes maanden, omdat dit balans biedt tussen inspelen op de actualiteit en potentiële deelnemers voldoende voorbereidingstijd geven.
Heeft u in overweging genomen om bredere handelsmissies op te zetten, bijvoorbeeld in Benelux-verband of met Duitsland?
Twee keer eerder organiseerden we een economische missie met bewindspersonen in samenwerking met België. De laatste keer was december 2023 naar de Verenigde Staten. De missies werden ongeveer hetzelfde beoordeeld door ondernemers in vergelijking met andere missies. We blijven actief kijken naar verdere samenwerking. Tegelijkertijd zijn dergelijke gezamenlijke missies organisatorisch een stuk complexer, en dat geldt ook voor de coördinatie van bijvoorbeeld markten, thema’s en agenda’s.
Bent u bekend met het rapport «Vervolgonderzoek economische missies onder leiding van bewindspersonen» dat het CBS in 2024 heeft gepubliceerd?2 Deelt u de mening dat de resultaten uit dit rapport overtuigend laten zien dat bestaande handelaren wel degelijk baat hebben bij missiedeelname, de kans dat een structurele handelaar een buitenlandse markt verlaat halveert en daarnaast missiedeelname de kans verhoogt dat incidentele exporteurs uitgroeien tot structurele exporteurs met een factor 1,6?
Ja, daar ben ik mee bekend en ja, die mening deel ik.
Het bericht ‘EU zal terugslaan na Trump’s heffingen op import van staal en aluminium’ |
|
Roelien Kamminga (VVD) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU zal terugslaan na Trump’s heffingen op import van staal en aluminium»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er heffingen van 25% zullen plaatsvinden op alle staal- en aluminiumexporten vanuit de EU naar de Verenigde Staten en zo ja, vanaf welke datum zouden deze ingaan?
President Trump heeft op 10 februari jl.2 en op 11 februari jl.3 uitvoeringsbesluiten (executive orders)ondertekend die betrekking hebben op tarieven op staal en aluminium. De verklaringen zien onder meer toe op het vervallen per 12 maart a.s. van ontheffingen voor bestaande Amerikaanse tarieven uit 2018. In oktober 2021 kregen lidstaten van de EU ontheffingen voor deze tarieven van 25 procent op staal en 10 procent op aluminium. De oorspronkelijke tarieven uit 2018 worden dus gereactiveerd. Tegelijkertijd worden de tariefcodes uitgebreid, wat wil zeggen dat er tarieven zullen gelden op een breder palet aan staal- en aluminiumproducten dan voorheen. Tot slot worden de tarieven op aluminium per 12 maart a.s. verhoogd van 10 procent naar 25 procent.
Wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse en Europese staal- en aluminiumindustrie en specifiek voor Tata Steel, dat ruim 12% van het staal dat zij produceert in de Verenigde Staten afzet?2 Zijn er nog andere Nederlandse bedrijven die door de tarieven worden geraakt?
Als gevolg van Amerikaanse tarieven zullen buitenlandse staal- en aluminiumproducten op de Amerikaanse markt duurder worden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is de reikwijdte van de nieuw tarieven groter dan de oorspronkelijke tarieven uit 2018. Het is daarom aannemelijk dat meer Nederlandse bedrijven die staal- en aluminiumproducten exporteren naar de VS, net zoals Tata, hiermee te maken zullen krijgen. Het zal aan Amerikaanse importeurs zijn om te bepalen of zij de extra kosten die gepaard gaan met de tarieven willen betalen.
Is de EU voornemens om tegenmaatregelen te nemen? Zo ja, vanaf wanneer gaan deze tegenmaatregelen in en op welke productgroepen? Kunt u nader toelichten op welke maatregelen de voorzitter van de Europese Commissie doelt en kunnen deze op Nederlandse steun rekenen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, zijn de Amerikaanse verklaringen van 10 en 11 februari deels een reactivering van bestaande tarieven. In 2018, toen de VS deze tarieven instelde, heeft de EU tegenmaatregelen genomen.5 Deze tegenmaatregelen zijn in november 2021 geschorst nadat met de VS een ontheffing op de Amerikaanse tarieven overeen werd gekomen. De schorsing loopt af op 31 maart a.s. In Europees verband zal in de komende weken worden besloten of en hoe de tegenmaatregelen worden gereactiveerd, na bestudering van de Amerikaanse uitvoeringsbesluiten.
Wat betreft andere handelsmaatregelen, zal de EU, zoals eerder aangegeven, de eigen handelsbelangen beschermen waar nodig. Wanneer dat nodig is, zal hierover in EU-verband overlegd worden. Nederland steunt een robuuste, proportionele en de-escalerende reactie van de EU wanneer onze economische belangen worden geschaad.
Is dit onderwerp besproken tijdens de Informele Raad Buitenlandse Zaken Handel d.d. 3 en 4 februari 2025? Zo ja, wat was hierbij de Nederlandse inzet?
Tijdens de Informele Raad Buitenlandse Zaken Handel van 3 en 4 februari is gesproken over de EU-VS handelsrelatie. Over de Nederlandse inzet bent u geïnformeerd via het addendum geannoteerde agenda Kamerbrief.6 Over de uitkomst bent u middels het verslag geïnformeerd.7
Bent u bekend met de uitspraak van President Trump om ook tarieven voor andere producten, zoals auto's en chips, te overwegen? Zo ja, kunt u nader schetsen wat de impact hiervan zal zijn en wat het kabinet al dan niet in EU-verband doet om dit te voorkomen?
Het kabinet is bekend met de uitspraken van President Trump over mogelijke toekomstige tarieven. De inzet van Nederland en de Europese Commissie is erop gericht om constructief samen te werken met de VS om de trans-Atlantische handelsrelatie te versterken. Wat betreft de gevolgen van tarieven blijven we uitdragen dat niemand gebaat is bij verdere tarieven tussen de EU en de VS. Bedrijven en consumenten aan beide zijden van de oceaan zullen geconfronteerd worden met hogere prijzen. Tot slot blijft de Europese Commissie uitdragen dat de EU stevig en proportioneel zal reageren op onrechtvaardige belemmeringen tegen vrije en eerlijke handel die Europese belangen schaden.
Is de EU voornemens om de dialoog met President Trump aan te gaan en hierbij in te zetten op minder importtarieven?
Zie antwoord vraag 6.