Oliebedrijven en raffinaderijen die extra winsten (overwinsten) maken tijdens de Iran-oorlog |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het AD, gepubliceerd op 20 juli 2026: «Marktwaakhond zet prijsopbouw van benzine en diesel online, zoveel verdienen raffinaderijen per liter»?1
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben de hogere brandstofprijzen geleid tot overwinsten bij olieproducenten. Vindt u deze overwinsten acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De ACM geeft aan dat de winstmarge van oliebedrijven en raffinaderijen hoger ligt dan vóór de oorlog in Iran. Hoe verklaart u dit?
Bent u het ermee eens dat de automobilist en consumenten via hogere transportkosten de prijs betalen voor de hoge winsten van oliebedrijven en raffinaderijen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de automobilist lagere prijzen aan de pomp zou kunnen betalen, mits daar politiek toe wordt besloten? Zo ja, hoe zou dit volgens u het beste kunnen? Zo nee, waarom niet?
Wat maakt dat u deze overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen niet méér belast dan nu het geval is? Wat maakt dat u nog niet over bent gegaan tot het invoeren van een overwinstbelasting zoals u eerder aangaf te overwegen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat er sprake zou zijn van overwinsten?
Deelt u de mening dat de belasting op de overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen omhoog moet om voor financiële verlichting te zorgen aan de pomp? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het belangrijker dat oliebedrijven gigantische winsten maken of dat de automobilist een acceptabele prijs aan de pomp betaalt?
Op 13 juli 2026 kostte een liter benzine aan een Nederlandse pomp gemiddeld 2,27 euro. Daarvan ging 0,40 euro naar btw en 0,85 euro naar accijns. Vindt u het rechtvaardig dat een automobilist in Nederland veel meer btw en accijns aan de pomp betaalt dan in andere Europese landen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de komende weken een overwinstbelasting voor oliebedrijven en raffinaderijen in te voeren? Zo ja, per wanneer? Zo niet, waarom niet?
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Het herziene rijksbrede cloudbeleid 2026 |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Is het duidelijk voor alle relevante rijksorganisaties wat de gevolgen zijn van het herziene cloudbeleid? (Kamerstuk 26 643, nr. 1541) Kunt u aangeven of er organisaties zijn die bij voorbaat aangeven niet aan het herziene beleid te kunnen of zullen voldoen?
Hebben rijksorganisaties voldoende beeld op hun eigen cloudgebruik om de herziene regels effectief na te leven? Op welke delen van het cloudlandschap van de overheid ontbreekt er nog overzicht?
Welke rol krijgt de veelbelovende Nederlandse Digitale Dienst om zeker te stellen dat alle rijksorganisaties aan het herziene cloudbeleid kunnen en zullen voldoen? Bent u bereid de organisatie hiertoe de nodige capaciteit en instrumenten te geven?
Kunt u een schematisch overzicht geven van maatregelen die ook overwogen zijn voor het herziene cloudbeleid, met een onderbouwing waarom deze uiteindelijk niet zijn opgenomen?
Welke concrete doelen heeft het kabinet om digitaal onafhankelijk te worden? Wordt het doel vastgesteld op 30% digitaal onafhankelijk per 2029, zoals gevraagd in de motie-Thijssen/Bruyning (Kamerstuk 36 574, nr. 5) en de initiatiefnota Wolken aan de Horizon (Kamerstuk 36 574, nr. 2)?
Hoeveel digitaal onafhankelijker wordt de Rijksoverheid door het herziene cloudbeleid in de komende jaren? Wordt het doel van 30% in 2029 gehaald?
Kunt u heel concreet uitleggen welke rol u heeft, als coördinerend Staatssecretaris (EZK) en als Staatssecretaris verantwoordelijk voor uitvoeringsdiensten (BZK), om dit beleid te handhaven?
Welke instrumenten heeft u om het herziene cloudbeleid daadwerkelijk uit te voeren? Met hoeveel zekerheid kunt u zeggen dat dit beleid zal leiden tot een digitaal onafhankelijke Rijksoverheid?
Heeft u overwogen om het coördinatiebesluit, waarin de bevoegdheden van bewindspersonen zijn vastgelegd, uit te breiden zodat u dwingender kan optreden om het herziene cloudbeleid uit te voeren? Waarom heeft u dit niet gedaan, cf. de motie-Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1294)?
Waarom is er, ondanks de hoge ambities in het coalitieakkoord, geen budget beschikbaar gesteld voor de herziening van het cloudbeleid?
Wat bedoelt u met de «scherpe keuzes» en «herprioritering» die nodig zijn omdat het kabinet geen middelen reserveert voor haar eigen digitale ambities?
Met welke investeringen zou het herziene cloudbeleid sneller en effectiever toegepast kunnen worden? Hoe kan voorkomen worden dat door «scherpe keuzes» en «herprioritering» geen vaart wordt gemaakt met de nodige maatregelen om digitaal onafhankelijk te worden?
Kunt u de overgangstermijn van vier jaar onderbouwen? In welke gevallen wordt hier van afgeweken? Hoe voorkomt u dat migraties van bestaand cloudgebruik allemaal vertraagd worden wegens «hoge kosten of risico’s»?
Wat bedoelt u ermee dat het «afgeraden» wordt om e-mail- en documentbeheer in de publieke cloud te zetten? Betekent dit dat binnen vier jaar alle mailservers en documentbeheer daadwerkelijk uit de publieke cloud worden gehaald?
Welke aanpassingen in het IT-inkoopbeleid zijn nodig om het herziene cloudbeleid verder te ondersteunen? Heeft u plannen om het inkoopbeleid aan te scherpen, en zo ja, welke?1
Waarom wordt een generiek cloud-tenzij beleid enkel «afgeraden»? Waarom formuleert u dit niet dwingender?
Hoe wordt er op toegezien dat rijksorganisaties binnen 12 maanden een exitplan opstellen voor bestaand cloudgebruik?2 Bent u van plan dit per organisatie te monitoren en met de Kamer te delen? Welke gevolgen zijn er als een organisatie niet op tijd een exitplan aanlevert?
Worden organisaties verplicht om opvolging te geven aan de «aanwijzingen» van de Chief Information Security Officer (CISO) Rijk, als blijkt dat aangeleverde cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan niet in lijn zijn met het beleid?
Waarom is er niet voor gekozen om de CISO Rijk of de Staatssecretaris belast met Digitale Zaken de bevoegdheid te geven om cloudplannen, de risicoanalyse en/of het exitplan als geheel af te wijzen, als deze niet voldoen aan het herziene cloudbeleid?
Hoe verwacht u dat rijksorganisaties de «geopolitieke risico’s» van cloudgebruik in hun risicoanalyse in kaart brengen? Welke criteria worden hiervoor gebruikt?
Hoe bent u van plan aan de Kamer te rapporteren over de opgestelde risicoanalyses en exitplannen van rijksorganisaties?
Wat bedoelt u met het gegeven dat overheidsdocumenten en mailberichten «bij voorkeur» niet in de publieke cloud worden ondergebracht? Waarom bent u hier niet dwingender in, gezien de gevoeligheid van deze gegevens en de erkende risico’s van de publieke cloud?
Kunt u concreet maken wanneer aan de drie uitzonderingsgronden is voldaan om tóch mailverkeer en documenten in de publieke cloud te mogen houden? Na hoeveel tijd wordt bezien of deze uitzonderingsgronden nog steeds gelden?
Wat bedoelt u met het gegeven dat het sleutelbeheer van versleutelde vertrouwelijke gegevens «bij voorkeur» niet bij de cloudleverancier wordt neergelegd? Waarom belegt u het niet per definitie in eigen beheer?
Onder welke voorwaarden is het volgens u acceptabel om bijzondere persoonsgegevens alsnog in de publieke cloud te verwerken? Hoe wordt vastgesteld dat de mitigerende maatregelen afdoende zijn?
Wat bedoelt u ermee dat het rijksbrede cloudbeleid «waar mogelijk» toegepast zal worden bij uitgezonderde organisaties? Worden de uitgezonderde organisaties wel geacht om hun eigen cloudbeleid aan te scherpen?
Kunt u «kleinschalige doelen» noemen waarvoor het rijksbrede cloudbeleid een uitzondering zou maken? Hoe en door wie wordt bepaald of iets wel of niet uitgezonderd wordt?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vooraf aan het commissiedebat «Digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het bericht ‘Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal’ |
|
Dion Huidekooper (D66), Robert van Asten (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sloopmaterialen nauwelijks hergebruikt als hoogwaardig bouwmateriaal»?1
Herkent u het in het bericht geschetste beeld dat een aanzienlijk deel van de bij sloop en renovatie vrijkomende bouwproducten en bouwmaterialen nog niet opnieuw als volwaardig bouwproduct of bouwmateriaal wordt toegepast? Welke gegevens zijn hierover bij het Rijk beschikbaar?
Deelt u de opvatting dat beter inzicht in vrijkomende materiaalstromen nodig is om gericht beleid te kunnen voeren op meer hergebruik en hoogwaardige recycling?
In de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik is aangekondigd dat er wordt gewerkt aan landelijke monitoring van circulair slopen en hergebruik. Kunt u aangeven hoe deze monitoring ervoor staat en wanneer de eerste resultaten worden verwacht?
Koplopers in de bouwsector geven aan dat hergebruikte materialen in de huidige Milieuprestatie Gebouwen (MPG) soms ongunstiger scoren dan nieuwe materialen door een gebrek aan gestandaardiseerde data. Ziet u mogelijkheden om deze systematiek op korte termijn te optimaliseren, zodat hergebruik eerlijk wordt gewaardeerd?
In dezelfde aanpak wordt gewerkt aan een baseline en meetbare ambities voor circulair slopen en hergebruik. Wanneer verwacht u deze vast te kunnen stellen en op welke manier wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Welke belemmeringen voor meer hergebruik van bouwproducten en bouwmaterialen ziet u op dit moment als het meest urgent, bijvoorbeeld op het gebied van certificering, kwaliteitsborging, garanties en de waardering van hergebruik in de milieuprestatieberekening?
Welke mogelijkheden ziet u om de komende jaren meer zekerheid te creëren voor opdrachtgevers en bouwers die gebruik willen maken van hergebruikte bouwproducten en materialen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om bij grotere sloop- en renovatieprojecten vaker vooraf in kaart te brengen welke bouwproducten en materialen geschikt zijn voor hergebruik? Welke rol kan het Rijk spelen om dit verder te stimuleren?
Deelt u de opvatting dat een grotere beschikbaarheid van herbruikbare materialen ook voldoende vraag naar deze materialen vereist? Welke mogelijkheden ziet u voor het Rijk en andere publieke opdrachtgevers om die vraag verder te vergroten?
Deelt u de opvatting dat de overheid via haar eigen inkoopbeleid (zoals bij het Rijksvastgoedbedrijf) een sleutelrol kan spelen in het creëren van voldoende vraag naar deze materialen? Hoe geeft u hier momenteel concreet invulling aan?
Welke aanvullende stappen acht u nodig om het aandeel hergebruikte bouwproducten en materialen richting 2030 substantieel te vergroten?
Het invoeren van chatcontrole |
|
Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Europees Parlement stemt in controversiële spoedprocedure alsnog voor het checken van berichten op beelden van kindermisbruik»?1
Wat vindt u van het verlengen van «chatcontrol 1.0»2 en de manier waarop dit via een spoedprocedure, mede onder druk van de Europese Commissie en grote techbedrijven, is geforceerd?
Wat is de zienswijze van dit kabinet op deze vorm van chatcontrole? Volgt u nog steeds de beide aangenomen moties-Kathmann (Kamerstukken 32 317, nr. 891 & 32 317, nr. 981) die vragen om zich tegen chatcontrole te verzetten?
Wat zijn de gevolgen van deze stemming voor de privacy van Nederlandse burgers, nu vrijwillige chatcontrol niet alleen opnieuw is ingevoerd, maar is uitgebreid ten opzichte van de vorige vrijstelling?
Op welke manier mogen techbedrijven AI toepassen om berichtenverkeer tussen burgers te surveilleren? Kunt u duidelijk maken wat voor techniek hiervoor wordt toegepast door de relevante bedrijven?
Hoe wordt voorkomen dat onschuldige burgers op basis van valse positieven verdacht worden gemaakt en worden gemeld bij de politie of Europol?
Deelt u de zorgen van de indiener dat, zolang het scannen van online berichtenverkeer is toegestaan, er een reëel risico is dat deze techniek ook voor andere doeleinden zal worden gebruikt als gevolg van «mission creep»?
Hoe staat het met de onderhandelingen voor de CSAM-verordening, waar een vorm van chatcontrole tot dusver altijd een onderdeel van is geweest? Wanneer verwacht u dat hierover een stemming zal plaatsvinden?
Bent u bereid de Kamer een beslismoment voor te leggen als er een belangrijke (voor)stemming nadert met betrekking tot chatcontrole, zodat zij tijdig en goed geïnformeerd de kabinetsinzet kan sturen?
Kunt u bevestigen dat Nederland zich ten alle tijden en onomwonden zal verzetten tegen voorstellen die het scannen van versleutelde berichten mogelijk maken, al dan niet via een omweg?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , van Essen , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
Het artikel dat de stikstofplannen van het kabinet bedrijven hard gaan raken en zorgt voor een economische bom voor Nederland. |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat uw stikstofplannen ook de industrie keihard zullen raken? Kunt u aangeven welk effect uw stikstofplannen op de Nederlandse economie hebben? Zo nee, waarom niet?1
Uw eerste vraag refereert aan een bericht in de Telegraaf (van 25 juni jl.) dat «bijna 100 bedrijven in de buurt van Natura 2000 gebieden een verplichting opgelegd krijgen om hun stikstofuitstoot radicaal omlaag te brengen». In dit artikel wordt ingegaan op de economische impact van de stikstofmaatregelen. In de Kamerbrief van 26 juni jl. wordt het stikstofbeleid verder toegelicht. Hierin is ook rekening gehouden met economie. De vergunningverlening weer op gang krijgen vraagt iets van alle sectoren die bijdragen aan de uitstoot van stikstof en dus ook van de industrie. Industriële bedrijven doen al veel, omdat ze moeten voldoen aan milieu- en klimaatmaatregelen. Voor industrie geldt bijvoorbeeld dat de vergunning periodiek wordt vernieuwd en de fabriek zich moet aanpassen naar de beste beschikbare techniek (BBT). Daarom daalt de stikstofuitstoot van de industrie al lange tijd gestaag en deze ontwikkeling zet zich de komende periode voort, en dat geldt ook voor bedrijven in de nabijheid van natura 2000 gebieden. Het kabinet heeft gekeken naar wat de industrie aanvullend kan doen. Zo is het kabinet voornemens om aanvullend middelen beschikbaar te maken voor de (bestaande) subsidieregeling Beperking Ammoniakemissies Industrie, en bieden we industriële bedrijven binnen de vastgestelde zones rondom natura 2000 gebieden, een kans om een vrijwillige bijdrage te leveren door bovenwettelijk extra stikstofoxide te verminderen.
Doordat er momenteel geen vergunningen kunnen worden verleend loopt de Nederlandse economie schade op. Voor de periode van 2024 tot 2030 is dat rond de 4,1 miljard euro voor projecten die geen vergunning kunnen krijgen. (Jaarlijks 0,1% van het BBP). En de economische schade van stikstofemissies op gezondheid en natuur komt in 2023 neer op jaarlijks minstens 15,1 miljard euro (Jaarlijks 1,6% van het BBP) (Stikstofuitstoot en stikstofbeperkingen; Wat is de schade? SEO 20252). Dit maatregelenpakket zorgt ervoor dat vergunningverlening weer op gang kan komen. Dit zal stap voor stap en gebied voor gebied gaan.
Kunt u een opsomming geven van de bijna honderd bedrijven in de buurt van Natura 2000-gebieden die een verplichting opgelegd blijken te krijgen om hun stikstofuitstaat radicaal omlaag te brengen, inclusief cijfers van al gerealiseerde stikstofreductie per bedrijf? Indien dit niet kan, waarom niet?
Het aantal bedrijven in de zones rondom Natura 2000-gebieden is te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp (https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/KN-2025-0016.pdf). Op individueel bedrijfsniveau zijn de emissiegegevens van agrarische activiteiten om privacy-redenen niet openbaar.
Voor industriële bedrijven in zones worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld. Het kabinet is wel voornemens om stikstofimpact van industrie te verminderen door voor bedrijven die zich dicht bij natuurgebieden bevinden een tenderregeling open te stellen voor bovenwettelijke reductie.
Wat zijn de gevolgen voor de betreffende bedrijven? Wat zijn de gevolgen economisch gezien? Hoeveel werknemers gaan hier de gevolgen van merken? Hoeveel gezinnen betreft dit?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 worden met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels opgesteld voor industriële bedrijven in zones.
Is er voor uw plannen een brede impactanalyse gedaan, waarin in ieder geval de impact op de Nederlandse economie, de voedselzekerheid, de voedselautonomie, de werkgelegenheid, de schade aan bedrijven, de impact om de burgers en de impact op de woningbouw zijn meegenomen? Zo ja, kunt u deze delen voor het plenair debat over de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Indien nee, hoe bestaat het dat deze er niet is?
In de plannen heeft het kabinet zich gebaseerd op de diverse onderzoeken en rapporten die de afgelopen jaren verschenen zijn over mogelijke oplossingen en effecten van de stikstofproblematiek. Het kabinet kiest nu voor deze aanpak, juist ook vanwege de hoge maatschappelijke kosten waar de economie momenteel onder gebukt gaat en de onzekerheid die daarmee gepaard gaat.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) in de Tweede Kamer een reflectie op het maatregelpakket publiceren, die het kabinet zal benutten bij de verdere uitwerking van de verschillende maatregelen en besluiten. Het kabinet zal ook scherp zicht houden op mogelijke (regionale) sociaaleconomische effecten, onder meer via de reguliere monitoring.
Houdt u er rekening mee dat er meer dan 30 rioolwaterzuiveringsinstallaties binnen de plannen vallen? Hoe gaat u voorkomen dat bedrijven die buiten de zones vallen, maar wel lozen op deze zuiveringen ook gedwongen moeten krimpen en niet meer kunnen uitbreiden of starten? Kunt u een lijst van alle bedrijven die dit betreft sturen?
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 2, komen er met dit maatregelenpakket geen nieuwe regels voor industriële bedrijven, en ook niet rioolwaterzuiveringen. Veel rioolzuiveringsinstallaties worden al vernieuwd door waterschappen om te kunnen voldoen aan de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Welke consequenties heeft dit voor de nieuw aan te sluiten woningbouw in deze gebieden, want die lozen ook op de rioolwaterzuiveringen?
Aangezien er geen nieuwe regels zijn voor rioolwaterzuiveringen, is er ook geen sprake van een effect op aan te sluiten woningbouw.
Beseft u dat u met deze stikstofmaatregelen de Nederlandse economie, de Nederlandse voedselvoorziening en de Nederlandse boeren de nek omdraait? Waarom doet u dit?
Het kabinet realiseert zich dat met dit pakket veel wordt gevraagd van (onder meer) agrarische ondernemers. Tegelijkertijd is dit pakket ook noodzakelijk om weer perspectief te bieden. De ondernemer staat er niet alleen voor. Het kabinet biedt ruimhartige ondersteuning gericht op verschillende ontwikkelrichtingen. En als onderdeel van de aanpak investeert in de sociale en economische vitaliteit van het platteland.
Waarom legt u het rapport van prof. dr. Meester2 aangaande de statistische relevantie van de berekende stikstofdepositie naast u neer? Waarom kiest u niet, zoals het rapport aangeeft, voor instandhouding van onze natuur zonder radicaal stikstofbeleid waar u op inzet? Waarom blijft u vasthouden aan uw huidige koers van afbraak, terwijl Europa dat niet van ons vraagt?
Het vorige kabinet heeft de heer Meester gevraagd om analyse naar de statistiek onder de modellen die gebruik worden voor het verkrijgen van inzicht in stikstofdepositie die o.a. gebruikt is in de natuurdoelanalyses. Deze analyse is onderhevig geweest aan een uitgebreide review. Het vorige kabinet constateerde reeds dat de bevindingen van de heer Meester niet allemaal berusten op voldoende wetenschappelijke onderbouwing, en dit blijkt ook uit de review van dhr. Petersen.4 Ik sluit mij hierbij aan en vind het belangrijk dat beleid, zeker als dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de samenleving, gebaseerd is op een degelijke wetenschappelijke onderbouwing.
Wilt u deze vragen uiterlijk op dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden, maar in ieder geval ruim voor aanvang van het plenaire debat samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof? Zo nee, waarom niet?
Ja
Het bericht 'Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Frankrijk wil op eigen AI-benen staan en gaat stoppen met gebruik Amerikaans Palantir voor inlichtingendienst DGSI»?1
In welke mate ziet u, net als uw Europese collega’s doen, risico’s voor Defensie en politie in het blijven werken met het Amerikaanse Palantir, en kunt u deze uitleggen?
Bent u in contact met uw Franse collega en heeft u aangegeven dat u graag bijdraagt aan de ontwikkeling van een Europees alternatief? Zo nee, waarom niet?
Overweegt u om ook binnen de Nederlandse overheid Palantir volledig te vervangen met een Europees alternatief?
Wat zou, met in acht neming van juridische haalbaarheid, het snelste pad zijn naar een volledige breuk met Palantir binnen onze overheid?
Bent u van mening dat nu kiezen voor Europese alternatieven betekent dat we dan niet meer de beste systemen kunnen gebruiken?
Zo ja, kunt u reflecteren op de self fulfiling prophecy dat wij geen alternatieven kunnen opbouwen als we daar geen politieke keuzes voor maken?
Bent u van mening dat we in Europa een eigen AI-industrie nodig hebben om niet afhankelijk te zijn van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, welke stappen zet u nu om hiertoe te komen?
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om niet aan te sluiten op de tender vanuit de Europese Unie voor een gigafabriek in Nederland?
Kunt u uitleggen waarom er geen middelen gereserveerd zijn voor de digitale ambities in het coalitieakkoord, inclusief de Nederlandse Digitaliseringsstrategie? En welke rol kan defensie hierin spelen?
Welk tijdspad ziet u als realistisch om de afhankelijkheid van Amerikaanse tech-industrie voldoende afgebouwd te hebben? En kunt u een beeld schetsen van wat u als voldoende acht in deze kwestie?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht 'Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: ‘Wij zijn het braafste jongetje van de klas’' |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Letschert , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Oranje op scherm kijken peperduur terwijl het in België gratis kan: «Wij zijn het braafste jongetje van de klas»» uit de Telegraaf van 13 juni 2026, mede gebaseerd op uw Kamerbrief over dit onderwerp van 11 juni 2026?1, 2
Zou u het goed vinden als het uitzenden van voetbalwedstrijden op schermen tot 5000 bezoekers voor ondernemers gratis zou zijn?
Waar baseert u het op dat de NOS door het gratis uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen, dienstbaar zou zijn aan het maken van een meer dan normale winst van (horeca)ondernemers en dat het daarmee het dienstbaarheidsverbod in de Mediawet zou schenden, bijvoorbeeld indachtig onderzoek dat aantoont dat het WK-voetbal nauwelijks zorgt voor extra horeca-omzet omdat mensen hun bestedingspatroon verschuiven?3
Waar baseert u het op dat derden een concurrentievoordeel behalen als de NOS voor het uitzenden van het WK-voetbal tot 5.000 personen geen vergoeding vraagt, bijvoorbeeld indachtig het feit dat in dat geval iedere (horeca)ondernemer hiervan kan profiteren en er tussen (horeca)ondernemers onderling dus geen concurrentievoordeel ontstaat?
Waarom is de NOS in Nederland wel in het bezit van de rechten voor public viewings terwijl de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) in België dit niet is? Acht u het wenselijk dat de NOS bij volgende grote voetbaltoernooien niet in het bezit van deze public viewing is, om te voorkomen dat zij, volgens u, geld moet vragen voor deze public viewings?
Bent u van mening dat het gratis uitzenden van het WK-voetbal door de NOS tot 5.000 bezoekers tot «maatschappelijke problemen» leidt en/of een groot risico voor het «publiek belang» kent, welke kernwaarden van het toezichtkader van het Commissariaat van de Media vormen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom doet u dan geen moreel appel op het Commissariaat van de Media om in deze casus niet te handhaven op deze bepaling uit de Mediawet?
Waarom geeft u in de genoemde Kamerbrief als reactie op de motie niet aan dat u voor de lange termijn werkt aan een wetswijziging om deze situatie bij een Europees Kampioenschap over twee jaar te voorkomen? Bent u daartoe bereid?
Waarom geeft u in de Kamerbrief niet duidelijker aan het wenselijk te vinden als (horeca)ondernemers en Oranjesupporters ook in de overige 60% van de Nederlandse gemeenten kunnen genieten van ruimere openingstijden?
Kunt u deze vragen deze week nog beantwoorden, aangezien het WK al is begonnen?
Het bericht 'Bestuurders Tata Steel krijgen toch extraatje voor inspanning in ‘moeilijke tijden’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van het Financieele Dagblad over de beloningen van bestuurders van Tata Steel Nederland?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het dat Tata Steel Nederland in een periode waarin met het Rijk wordt onderhandeld over een mogelijke subsidie van € 2 miljard voor de verduurzaming van de staalproductie en een ontslagronde, extra beloningen aan bestuurders uitkeert?
Het kabinet snapt dat dit bericht vragen oproept. Het besluit over het beloningsbeleid van een private onderneming is echter aan de onderneming zelf. Wel is in artikel 10 van de Joint letter of intent (JLoI) met Tata Steel Nederland (TSN), Tata Steel Limited (TSL) en de Provincie Noord-Holland (PNH) opgenomen dat de onderneming een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid voert. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking van de JLoI in een maatwerkovereenkomst.
Zijn afspraken over bestuurdersbeloningen, dividenduitkeringen, kapitaaluitkeringen aan aandeelhouders en het inkopen van eigen aandelen onderdeel van de onderhandelingen over de maatwerkafspraken met Tata Steel?
In artikel 10 van de JLoI is opgenomen dat TSN een passend, redelijk en uitlegbaar beloningsbeleid moet implementeren. De daadwerkelijke invulling hiervan is onderdeel van de uitwerking in een maatwerkovereenkomst.
Bent u bereid om dergelijke afspraken op te nemen voor gedurende de looptijd van de subsidie?
De gesprekken over de uitwerking van de JLoI lopen op dit moment en ik kan dan ook niet vooruitlopen op de precieze invulling van deze afspraken. Conform artikel 10 JLoI, is het de inzet van partijen om tot afspraken te komen over het beloningsbeleid in een maatwerkafspraak.
Bent u verder bekend met de passages uit het Jaarverslag van Tata Steel waarin de financiering van het groen staal plan wordt uitgewerkt?
Ja.
Beschikt u over concrete aanwijzingen dat Tata Steel Limited bereid is substantieel eigen vermogen beschikbaar te stellen voor het Groen Staal-project in IJmuiden? Zo ja, om welke omvang gaat het?
In artikel 7 van de JLoI zijn afspraken gemaakt over de investering en financiering van en door TSL en TSN. Deze afspraken laten de investeringsbereidheid van TSL en TSN zien. Ook is duidelijk dat de staat maximaal 2 miljard zal bijdragen. De verdere uitwerking van de JLoI is onderwerp van gesprek en daar kan het kabinet nu niet op vooruitlopen. Zoals bekend vindt de staat het belangrijk dat TSL significant bijdraagt en op enige wijze garant staat en dit komt dus ook duidelijk naar voren in de afspraken die in de JLoI zijn gemaakt.
Heeft de verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen gevolgen voor de omvang of voorwaarden van de eventuele staatssteun?
Het is in beginsel aan het bedrijf zelf om de financiering precies uit te werken. Hierover wordt gesproken in de onderhandelingen voor de maatwerkovereenkomst.
Welke minimale financiële bijdrage van Tata Steel Limited acht u redelijk alvorens publieke middelen beschikbaar worden gesteld?
De verdeling van de financiële bijdrage is vastgelegd in de JLoI die onder andere door de staat, TSL en TSN ondertekend is. In de JLoI staat opgenomen dat de totale investeringskosten voor de projecten tussen de 4–6,5 miljard euro zijn. De bijdrage van de staat is gemaximeerd op 2 miljard euro, ongeacht waar het bedrag in de bandbreedte van 4–6,5 miljard euro op uitkomt. Er staat in artikel 7.1.1. sub a van de JLoI dan ook expliciet opgenomen dat de staat niet verantwoordelijk is voor eventuele benodigde resterende financiering bovenop dit bedrag. De investering van TSL en TSN en de bijdrage van de staat zijn proportioneel en dienen in lijn te zijn met de Europese regels voor staatssteun. Als de investering van TSN en TSL lager uitvalt dan de verwachte bandbreedte zal de bijdrage van de staat ook lager worden. TSL en TSN dragen het risico als de kosten hoger worden dan voorzien.
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het bericht ‘Tiktokshop komt naar Nederland, 'een giftige cocktail voor impulsaankopen’ |
|
Judith Buhler (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Herbert , Aerdts , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tiktokshop komt naar Nederland, «een giftige cocktail voor impulsaankopen»» van de NOS?1 Erkent u dat de combinatie van sociale media, verslavende aanbevelingsalgoritmen en directe aankoopmogelijkheden het risico op impulsieve en onverantwoorde aankopen vergroot?
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van de Tiktokshop met Europese consumentenbeschermingsregels, nu gebruikers producten kunnen aanschaffen zonder de app te verlaten en daarmee voortdurend worden blootgesteld aan commerciële prikkels? Acht u het risico reëel dat hierbij sprake is van verboden manipulatieve ontwerpkeuzes (dark patterns)?
Heeft u inzicht in de wijze waarop de Tiktokshop gebruikmaakt van livestreamverkoop, aftellende aanbiedingen, schaarsteclaims en influencer marketing? Erkent u dat deze technieken specifiek zijn ontworpen om consumenten aan te zetten tot snelle en impulsieve aankopen en daarmee het risico op financiële problemen kunnen vergroten, met name onder jongeren?
Welke concrete stappen zetten de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en andere bevoegde toezichthouders, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Europese Commissie in het kader van de Europese digitaledienstenverordening (Digital Services Act), om de Tiktokshop vanaf de introductie actief te controleren op overtredingen van de toepasselijke regelgeving? Acht u deze toezichthouders voldoende toegerust qua bevoegdheden en capaciteit?
Bent u bereid de introductie van de Tiktokshop actief te monitoren, waaronder consumentenklachten, retourpercentages, signalen van misleiding en problematische impulsaankopen, en de Kamer hierover periodiek te informeren?
Welke ervaringen zijn bij u bekend uit landen waar de Tiktokshop reeds actief is, waaronder meldingen van consumentenmisleiding, agressieve verkooppraktijken en handhavingsmaatregelen door toezichthouders? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat de bestaande regelgeving onvoldoende is toegesneden op social-commerceplatforms die aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopfunctionaliteiten combineren? Zo nee, waarop baseert u die conclusie? Zo ja, welke aanvullende maatregelen zult u in Europees verband bepleiten?
Een LinkedIn-bericht van minister-president Rob Jetten over regeldruk en ondernemerschap |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat regeldrukvermindering belangrijk is voor een aantrekkelijk ondernemersklimaat?1
Onderschrijft u de knelpunten in de regeldrukagenda van FME?
Gaat u opvolging geven aan de regeldruklijst van FME en zo ja, op welke termijn kan de Kamer resultaten verwachten?
Wanneer gaat u per ministerie een target opleggen voor regeldrukvermindering, conform het coalitieakkoord? Hoe gaat u handhaven op deze targets?
Wordt de Kamer nog voor de zomer geïnformeerd over uitgewerkte standaarden met gemeenten voor minder regeldruk voor ondernemers, conform een toezegging aan mij tijdens de afgelopen begrotingsbehandeling van Economische Zaken op 21 en 22 januari 2026 en zoals opgenomen in het coalitieakkoord?
Wanneer wordt er een oplossing gevonden voor de bijschrijfplicht in de horeca, conform de aangenomen motie-Kisteman uit 2025?2
AI-gigafabrieken en de klimaatimpact van grootschalige datacenters |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Waarom AI zo’n energieslurper is: deze cijfers laten zien wat ChatGPT en datacenters van de planeet vragen»?1
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van onderzoekers en de VN dat de snelle groei van hyperscale-datacenters voor AI de energie- en klimaattransitie in gevaar brengt?
Bent u het ermee eens dat datacenters die gebruikmaken van hernieuwbare energie niet automatisch duurzaam zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is om nieuwe energieslurpende AI-gigafabrieken te faciliteren zolang Nederland kampt met netcongestie en grote uitdagingen bij het behalen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
In de brief aan de Kamer over AI-gigafabrieken geeft u aan private investeringen in AI-gigafabrieken te willen faciliteren door de juiste randvoorwaarden te creëren; welke randvoorwaarden worden hier bedoeld?2
Kunt u bevestigen dat AI-gigafabrieken volledig moeten voldoen aan de bestaande regels die gelden voor grootschalige datacenters? Zo ja, waarin verschilt het faciliteren van AI-gigafabrieken dan feitelijk van het bestaande beleid? Zo nee, welke uitzonderingen worden overwogen?
Hoe verhoudt het faciliteren van AI-gigafabrieken zich tot de uitvoering van de aangenomen motie Grinwis c.s. om de vestiging van hyperscale-datacenters juist strenger te reguleren?3
Deelt u de mening dat de maatschappelijke kosten van AI-infrastructuur, waaronder het beslag op energie, water, ruimte en netcapaciteit, expliciet moeten worden meegewogen bij toekomstige besluiten over de vestiging van nieuwe hyperscale-datacenters en AI-gigafabrieken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de vergunningverlening van datacenters een milieu-effectrapportage verplicht te stellen waarbij alle gevolgen voor koolstof, water en land worden afgewogen? Zo nee, waarom niet?
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Judith Buhler (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Ja, ik ben bekend met het artikel en de arbeidsmarktprognoses van het UWV. Ik herken de verwachting dat de werkgelegenheid in Limburg afneemt. Daar staat tegenover dat de arbeidsmarkt in Limburg nog steeds krap is. Het is dus lastig voor werkgevers om de juiste mensen te vinden. Daarbij helpt het als werknemers en werkzoekenden zich blijven ontwikkelen.
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Het UWV verwacht dat het aantal banen in Limburg zal afnemen, ook bij lagere energieprijzen. Bij hogere energieprijzen zal die afname groter zijn en vooral plaatsvinden in sectoren als de industrie en detailhandel. Tegelijkertijd verwacht het UWV ook dat de werkgelegenheid toeneemt in sectoren als de zorg en de ICT. Het gaat er daarnaast ook om hoeveel mensen instromen in de arbeidsmarkt en wat hun vaardigheden zijn. Het is belangrijk dat werknemers en werkzoekenden hun vaardigheden zo kunnen ontwikkelen dat deze passen bij de economische ontwikkelingen. Daarin moeten we extra aandacht hebben voor werkenden en werkzoekenden met vaardigheden die minder gevraagd worden in de toekomstige economie. Daarom werken we bijvoorbeeld in regionale werkcentra aan dienstverlening voor deze mensen.
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Wanneer de werkgelegenheid in de regionale economie over de volle breedte structureel onder druk staat, raakt dit direct het regionale verdienvermogen en daarmee potentieel ook de brede welvaart, leefbaarheid en economische vitaliteit van die regio. Een sectorale terugval hoeft echter niet per definitie tot dergelijke risico’s te leiden. Indien krimp in bijvoorbeeld industrie en detailhandel wordt gecompenseerd door groei in andere sectoren, kan de economische basis zich juist herstructureren zonder verlies aan vitaliteit. Dit past binnen het bredere beeld van een economie in transitie, waarin verschuivingen tussen sectoren onvermijdelijk zijn. Werkgelegenheid en bestaanszekerheid blijven daarbij nauw met elkaar verbonden, maar vragen om een brede/tweeledige benadering waarin zowel wordt ingezet op verduurzaming van bestaande sectoren als op de ontwikkeling van nieuwe, stuwende economische activiteiten.
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Zoals de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 signaleert, krijgen Limburg en andere grensregio’s de komende jaren te maken met toenemende bevolkingskrimp en vergrijzing, onder meer doordat relatief veel jongeren deze gebieden verlaten. Deze regionale demografische ontwikkelingen beïnvloeden de arbeidsmarkt door enerzijds een verminderde instroom en vergrote uitstroom van arbeid en anderzijds door vraagverschuiving, bijvoorbeeld doordat de vraag naar arbeid verschuift richting sectoren als de zorg. Tegelijkertijd staat Limburg voor de opgave de economische structuur te versterken en de transitie naar een meer hoogproductieve en welvarende economie vorm te geven. Het is daarom van belang zowel in te zetten op de randvoorwaarden voor deze economische transitie als op ondersteuning van kwetsbare groepen bij het ontwikkelen van vaardigheden die aansluiten op de veranderende arbeidsvraag, conform het antwoord op vraag 2.
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Nee, een dergelijk onderzoek wordt op dit moment niet door ons uitgevoerd.
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In Limburg is relatief veel industriële werkgelegenheid. Het Kabinet zet zich in om de internationale concurrentiepositie van de energie-intensieve industrie te verbeteren. Allereerst in Europa, bijvoorbeeld via aanpassingen binnen het EU-ETS en CBAM ter verbetering en versterking van het systeem, hetgeen bijdraagt aan betere bescherming van de industrie tegen import uit derde landen. Op nationaal niveau werkt het Kabinet aan verbetering van het level playing field, onder andere via de aangekondigde afschaffing van de CO2-heffing, verlaging van de energie- en elektriciteitskosten en het continueren van de SDE++ subsidieregeling. Daarnaast zijn er regionale agenda's opgesteld in het kader van het Nationaal Programma Vitale Regio's om een gebiedsgerichte aanpak te bevorderen. Op 30 januari 2026 (2) is de Kamer over de voortgang geïnformeerd. Aanvullend heeft het Kabinet in het Coalitieakkoord aangekondigd zich met de maatwerkaanpak te willen richten op industriële clusters of gebieden. Cluster Chemelot heeft in dit kader een clusterplan opgesteld dat inzicht geeft in hoe het toekomstperspectief van het cluster weer kan worden verbeterd. Dit clusterplan is aangeboden aan het Ministerie van EZK en de Provincie Limburg. De komende maanden worden de ambities uit het plan, samen met de betrokken bedrijven, verder geconcretiseerd.
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Zowel UWV als gemeenten zetten scholing en arbeidsmarktinstrumenten in om aan te sluiten bij de lokale en regionale personeelsvraag en zo werkzoekenden te begeleiden naar werk. Dit doen UWV en gemeenten vanuit hun publieke re-integratietaken en in regionaal verband via de arbeidsmarktinfrastructuur, met medebetrokkenheid van sociale partners en in samenwerking met tekortsectoren.
Sinds 2025 bestaat daarnaast de SLIM-Scholingssubsidie voor werkgevers in de maatschappelijk cruciale sectoren techniek, bouw en energie, ICT, groen, zorg en welzijn, kinderopvang en onderwijs. De subsidie heeft tot doel om met behulp van scholing instroom van werkzoekenden en doorstroom of overstappen van werkenden te stimuleren en zo bij te dragen aan de aanpak van personeelstekorten in deze sectoren. Opleidingen waarvoor de subsidie kan worden ingezet, komen voort uit de sectorale Ontwikkelpaden. De Ontwikkelpaden geven inzicht in welke functies er zijn, hoe deze elkaar opvolgen en welke opleidingen daarvoor nodig zijn. Deze worden door sociale partners gemaakt en door de Minister van SZW erkend. Dit is een goed werkbaar instrument voor werkgevers, werknemers en werkzoekenden, sectoren, opleiders en arbeidsmarktprofessionals. SZW ondersteunt samen met landelijke partners de ingebruikname van Ontwikkelpaden door de arbeidsmarktregio’s in samenwerking met sectoren voor de matching van werkzoekenden.
Het Kabinet werkt bovendien aan een Talenstrategie: een breed pakket aan maatregelen voor met als doel schaars talent te bewegen naar opgaven die cruciaal zijn voor onze toekomstige welvaart en verdienvermogen. Daarbij gaat het om talent in de breedste zin van het woord: van kinderen in het basisonderwijs, studenten in het vervolgonderwijs, tot werknemers en werkzoekenden. En van praktische vaardigheden tot theoretische kennis. Hierin trekt het kabinet nauw op met relevante stakeholders, waaronder vanzelfsprekend ook medeoverheden en het UWV.
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het is niet nodig om een extra regionale agenda op te stellen voor Limburg, omdat er al regionale agenda’s ontwikkeld worden. In het kader van de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur zijn in alle arbeidsmarktregio’s regionale beraden opgericht, bestaande uit gemeenten, het UWV, sociale partners, onderwijsinstellingen en SBB. Onder regie van de centrumgemeenten stellen zij regionale meerjarenagenda’s op, gericht op onder meer het behoud van werkgelegenheid.
Ook in de Limburgse arbeidsmarktregio’s worden deze agenda’s ontwikkeld, waarbij opgaven en ontwikkelingen op het gebied van arbeidsmarkt, onderwijs en economie in samenhang worden benaderd. Van werk naar werk dienstverlening valt onder verantwoordelijkheid van sociale partners. De aanpak wordt verbonden aan de regionale samenwerking.
Het tegengaan van indirecte import van Russisch aluminium via derde landen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg , Berendsen , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen vanuit de Nederlandse aluminiumindustrie dat Russisch primair aluminium, ondanks het bestaande Europese importverbod, via derde landen alsnog de Europese markt kan bereiken nadat het daar is verwerkt in halffabricaten of andere aluminiumproducten?
Klopt het dat de Europese Unie (EU) met het 16e sanctiepakket een direct importverbod heeft ingesteld op Russisch primair aluminium, maar dat dit verbod niet zonder meer voorkomt dat aluminium met Russische oorsprong via verwerking in derde landen alsnog als verwerkt product de EU binnenkomt?
Deelt u de zorg dat deze indirecte instroom de effectiviteit van het Europese sanctieregime kan ondermijnen, omdat inkomsten uit Russisch aluminium daarmee alsnog kunnen blijven bijdragen aan de Russische economie en daarmee indirect aan de Russische oorlogskas?
Deelt u daarnaast de zorg dat Europese aluminiumproducenten hierdoor op achterstand kunnen worden gezet ten opzichte van producenten buiten de EU die goedkoper Russisch primair aluminium kunnen inkopen, verwerken en vervolgens als halffabricaat of eindproduct op de Europese markt kunnen brengen?
Heeft het kabinet zicht op de omvang van indirecte importstromen van aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt, uitgesplitst naar herkomstland, productcategorie en importvolume? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit met spoed in kaart te brengen?
Welke derde landen ziet het kabinet als verhoogd risico voor omleiding, verwerking of heretikettering van Russisch aluminium richting de Europese markt?
Is het kabinet bereid om in de onderhandelingen over het 21e sanctiepakket tegen Rusland te pleiten voor een indirect invoerverbod op aluminiumproducten waarin Russisch primair aluminium is verwerkt?
Is het kabinet bereid om daarbij ook te pleiten voor verplichte rapportagevereisten bij import van aluminiumproducten, waaronder het land van de eerste en tweede belangrijkste smeltstap en het land waar de laatste gietstap heeft plaatsgevonden?
Bent u bereid te onderzoeken of de EU kan aansluiten bij internationale voorbeelden waarbij de smelt- en gietoorsprong van aluminium expliciet wordt geregistreerd, zodat sanctieontwijking via derde landen beter kan worden tegengegaan?
Welke rol ziet het kabinet hierbij voor de Douane, de Europese Commissie en nationale toezichthouders om te controleren of aluminiumproducten daadwerkelijk vrij zijn van Russische primaire aluminiuminput?
Hoe voorkomt het kabinet dat bonafide Nederlandse en Europese bedrijven met extra administratieve lasten worden geconfronteerd, terwijl bedrijven die via derde landen profiteren van goedkoop Russisch aluminium buiten schot blijven?
Deelt u de opvatting dat de aluminiumsector van strategisch belang is voor Europa, onder meer voor defensie, energie-infrastructuur, mobiliteit, bouw, netverzwaring en industriële weerbaarheid?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor het sluiten van deze lacune in het sanctieregime en de Kamer voorafgaand aan de besluitvorming over het 21e sanctiepakket te informeren over de Nederlandse inzet op dit punt?
Het bericht ‘Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: 'Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers'' |
|
André Flach (SGP), Jimmy Dijk (SP) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Winkelsluiting op zondag verder onder vuur: «Een aanslag op privélevens van duizenden medewerkers»»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Herinnert u zich de toezegging van de Minister-President in de richting van de fractie van de SGP tijdens het debat over de regeringsverklaring dat «deze regering de gemeentelijke vrijheid erkent voor zover in de Winkeltijdenwet is vastgelegd»?
Ja.
Welke consequenties heeft dit standpunt van de regering voor de eventuele uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
In de evaluatie van de Winkeltijdenwet wordt rekening gehouden met de gemeentelijke vrijheid zoals vastgelegd in de Winkeltijdenwet. Daarbij wordt ook gekeken naar de belangen van werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel. Zoals toegezegd in de antwoorden op de vragen over de Winkeltijdenwet van het lid Kisteman (VVD)2 wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en over het standpunt van het kabinet.
Kunt u hierbij toezeggen dat naar aanleiding van de evaluatie van de Winkeltijdenwet de mogelijkheden voor zondagsopenstelling voor winkeliers op geen enkele wijze zullen worden verruimd, vanwege het belang van zondagsrust voor onder meer kleine werkgevers, werknemers en de samenleving als geheel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, in aanvulling op de reeds geschetste opties in een eerdere Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling2, in de kabinetsreactie over de uitkomsten van de evaluatie ook opties voor verdere bescherming van de zondagsrust op te nemen, zodat er een compleet beeld ontstaat van de mogelijkheden voor aanpassing van de Winkeltijdenwet ten aanzien van winkeltijden op zondag?
Conform de Kamerbrief over verruiming van de zondagsopenstelling4 van begin dit jaar lag de focus van het onderzoek, dat onlangs werd afgerond, op drie onderdelen. Deze onderdelen zijn: marktanalyse en consumentengedrag in het kader van zon- en feestdagen, mogelijkheid van het (gedeeltelijk) loslaten van het openingsverbod op zon- en feestdagen, en een evaluatie van het verbod op eenzijdige wijziging winkeltijden. Het perspectief van werknemers over de zondagsrust en een toelichting over de vereisten onder zondagswet komen terug in de evaluatie. In het onderzoek zijn echter geen opties in kaart gebracht om de zondagsrust verder te beschermen. Om die reden zal dit niet terugkomen in de begeleidende kabinetsreactie.
Hoe reageert u op de oproep van de FNV aan het kabinet om «het weekend niet af te schaffen»?3
Ik begrijp de zorgen van de FNV over de positie van werknemers in winkels en distributiecentra. In de evaluatie wordt daarom onder meer onderzocht hoe werknemers de huidige regels rond winkeltijden ervaren en wat de gevolgen voor hen zouden zijn van een eventuele (gedeeltelijke) afschaffing van het openingsverbod op zon- en feestdagen.
Bent u bereid uw reactie op de brief van FNV Handel te delen met de Kamer?
De brief van FNV Handel betrof een oproep aan mij als Minister van Economische Zaken en Klimaat om de openingstijden niet op te rekken. Hoewel er geen schriftelijke reactie wordt opgesteld, kan ik u mededelen dat mijn ministerie wel in gesprek gaat met de FNV. Dit gesprek zal plaatsvinden voordat het eindrapport van de evaluatie van de Winkeltijdenwet en de begeleidende kabinetsreactie aan uw Kamer wordt aangeboden.
Erkent u dat met een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag de bescherming van werknemers onder druk kan komen te staan?
Ik ben mij bewust dat een verdere openstelling van de winkeltijden op zondag effect kan hebben op de werktijden van werknemers. Het perspectief van werknemers is dan ook meegenomen in de evaluatie. Mijn reflectie hierop komt terug in de begeleidende brief die uw Kamer in september ontvangt.
Kunt u uitgebreid aangeven in hoeverre en op welke wijze de positie van werknemers expliciet wordt meegenomen in de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Als onderdeel van de evaluatie zijn gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV om het werknemersperspectief ook vanuit de bonden mee te nemen.
Klopt het dat «een grootschalig onderzoek naar de ervaringen van medewerkers in de sector is uitgebleven», zoals beschreven in genoemde brief? Zo ja, bent u bereid hier alsnog onderzoek naar te doen en dit te betrekken bij de uitkomsten van de evaluatie van de Winkeltijdenwet?
Dat klopt, er is geen grootschalig onderzoek gedaan naar de ervaringen van medewerkers in de sector. Dat wil echter niet zeggen dat het werknemersbelang niet wordt meegewogen. Om die reden zijn er ook gesprekken gevoerd met de FNV en de AVV. Omdat de evaluatie is afgerond vind ik het niet opportuun om een grootschalig onderzoek uit te voeren naar de ervaringen van medewerkers in de sector.
Hoe wordt in het evaluatieonderzoek invulling gegeven aan de toezegging van voormalig Minister van Economische Zaken Karremans in de richting van het lid Flach (SGP) dat ook de belangen van ondernemers die hechten aan zondagsrust hierin zullen worden meegenomen?
In het evaluatieonderzoek is op meerdere manieren rekening gehouden met de belangen van ondernemers die hechten aan de zondagsrust. Zo is bij de enquête onder winkeliers expliciet gevraagd naar de redenen om niet open te gaan op zon- en feestdagen. Daarnaast zijn er verschillende casestudies uitgevoerd in specifieke gemeenten, waaronder gemeenten met een grote geloofsgemeenschap en waar de zondagsrust een nadrukkelijke rol speelt in het lokale beleid.
De beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voor woningbouw, infrastructuur en waterveiligheid |
|
Dieke van Groningen (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de provincie Gelderland haar ontgrondingenbeleid aanscherpt en daarbij meer beperkingen stelt aan de winning van primaire bouwgrondstoffen, zoals zand, grind en klei?1
In hoeverre heeft u inzicht in de gevolgen die deze provinciale beleidswijzigingen kunnen hebben voor de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ten behoeve van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en de energietransitie?
Kunt u aangeven hoe de nationale behoefte aan primaire bouwgrondstoffen zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld en hoe deze zich naar verwachting gaat ontwikkelen richting 2030, 2040 en 2050? Zo nee, waarom niet?
Beschikt het kabinet over actuele ramingen van de benodigde hoeveelheden zand, grind en klei voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten, waterveiligheidsmaatregelen en de energietransitie? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Heeft het Rijk inzicht in de cumulatieve effecten van provinciale beleidskeuzes op de nationale beschikbaarheid van bouwgrondstoffen? Zo ja, wat zijn daarvan de belangrijkste bevindingen?
In hoeverre acht u de huidige en vergunde winningscapaciteit voldoende om in de toekomstige nationale behoefte aan bouwgrondstoffen te voorzien?
Kunt u aangeven welk percentage zand, grind en andere primaire bouwgrondstoffen momenteel uit Nederland afkomstig is en welk percentage geïmporteerd wordt van buiten Nederland?
Verwacht u dat deze afhankelijkheid de komende jaren zal toenemen, indien de binnenlandse winningscapaciteit verder onder druk komt te staan? Zo ja, waarom?
Op welke manier waarborgt u dat geïmporteerde materialen niet vervuild zijn met bijvoorbeeld PFAS?
Welke risico’s ziet u voor de woningbouwopgave, infrastructuurprojecten en waterveiligheidsmaatregelen, wanneer de binnenlandse winning van bouwgrondstoffen verder afneemt?
Deelt u de opvatting dat de beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen een nationaal strategisch belang is, gelet op de grote maatschappelijke opgaven waarvoor Nederland staat?
Hoe beziet u de verhouding tussen provinciale bevoegdheden ten aanzien van ontgrondingen enerzijds en de nationale belangen op het gebied van woningbouw, infrastructuur, waterveiligheid en economische ontwikkeling anderzijds?
Deelt u de opvatting dat provincies met winbare voorraden van bouwgrondstoffen, binnen de randvoorwaarden van natuur- en omgevingsbeleid, een verantwoordelijkheid hebben om bij te dragen aan de nationale grondstoffenvoorziening?
Bent u bereid om samen met provincies in kaart te brengen of de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen voldoende is om de nationale opgaven op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energietransitie en waterveiligheid te realiseren?
Bent u, indien blijkt dat we door provinciale beleidskeuzes te weinig beschikking hebben over bouwgrondstoffen, bereid hier het gesprek over te voeren en in te grijpen?
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele knelpunten in de toekomstige beschikbaarheid van bouwgrondstoffen en mogelijke maatregelen om deze te voorkomen?
Het artikel 'NADI dreigt vast te lopen door gebrek aan relevant budget' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Instituut voor Publieke Economie (IPE) over het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het NADI-ontwerpvoorstel dat op 9 februari jl. met de Kamer is gedeeld, het huidige ontwerp betreft dat verder wordt uitgewerkt, inclusief doelen, werkwijze en besluitvorming?
Ja, het NADI-ontwerpvoorstel dat door mijn voorganger met uw Kamer is gedeeld is leidend voor de oprichting van NADI.
Deelt u de lezing van het IPE dat het ontwerp en het beoogde doel van NADI alleen kunnen worden gerealiseerd indien het agentschap beschikt over risicodragend kapitaal zonder minimumrendementseisen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die analyse deel ik grotendeels. Het doel van NADI is om technologische oplossingen te ontwikkelen voor grote maatschappelijke uitdagingen. Daarbij gaat het om high-risk/high-reward trajecten die in het reguliere innovatiebeleid vaak moeilijk van de grond komen. Een volledige revolverendheidsdoelstelling staat naar verwachting op gespannen voet met de risicotolerantie die nodig is om de organisatie effectief te laten opereren.
Tegelijkertijd verwacht ik dat NADI mogelijk wel voor een klein deel revolverend kan worden vormgegeven, bijvoorbeeld via terugbetalingsverplichtingen bij succesvolle projecten, met een verwachte terugbetalingstermijn van 10 tot 15 jaar. Daarbij is het wel van belang dat deze afspraken zo worden vormgegeven dat zij geen drempel vormen voor partijen om aan een NADI-programma deel te nemen.
Ik ben bezig met de uitwerking waaronder de vormgeving en de voorgenomen financiering uit het Coalitieakkoord. U wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u uiteenzetten of de voorgenomen kapitaalstorting van 500 miljoen euro in NADI naar verwachting leidt tot een toename van de EMU-schuld, en zo nee, op basis van welke beoordeling u tot die conclusie komt?
Bij een niet saldo-relevante storting zal de staatsschuld oplopen, maar verslechtert het EMU-saldo niet.
Kunt u uiteenzetten wat het gevolg is van een niet-EMU-saldorelevante kapitaalstorting voor het ontwerp, het beoogde doel en de effectiviteit van NADI?
In lijn met mijn antwoord op vraag 3, ben ik de vormgeving in combinatie met de kapitaalstorting in het Coalitieakkoord aan het uitwerken. Ik kan hier niet op vooruitlopen, maar u wordt hierover binnenkort geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke concrete dekkingsopties op dit moment door het kabinet worden overwogen voor de kapitaalstorting in NADI?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid alternatieve dekkingsopties te onderzoeken indien blijkt dat de doelen van het NADI-ontwerpvoorstel niet haalbaar zijn met de huidige voorgenomen financieringsopties?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het voorstel van IPE om de Innovatiebox te versoberen om NADI te financieren, mede in het licht van de beperkte effectiviteit en doelmatigheid van deze regeling?
Het voorstel van IPE gaat voorbij aan het hoofddoel van de innovatiebox: het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. De innovatiebox bewerkstelligt, kort samengevat, dat winsten uit succesvolle R&D-activiteiten in Nederland effectief minder zwaar worden belast dan andere winsten. Als een innovatief bedrijf met kwalificerende activiteiten hogere winsten behaalt, dan heeft dat bedrijf een groter innovatieboxvoordeel maar betaalt het dus ook meer vennootschapsbelasting in Nederland. Dit voordeel is derhalve relatief.
Het kabinet hecht een groot belang aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft in dat kader de primaire doelstelling van de innovatiebox, namelijk het bevorderen van het vestigings- en investeringsklimaat voor innovatieve ondernemingen. Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Het kabinet ziet daarom geen enkele aanleiding om de bestaande regeling te versoberen.
Het IPE stelt dat voor een EMU-relevante dekking circa 150 miljoen euro per jaar nodig is; herkent u dit bedrag en kunt u dit toelichten?
Zoals eerder gezegd kan ik niet vooruitlopen op besluitvorming over de vormgeving van NADI in combinatie met de in het Coalitieakkoord voorziene kapitaalstorting.
Tegelijkertijd begrijp ik dat het IPE op dit bedrag uitkomt, kijkend naar de jaarbudgetten van vergelijkbare organisaties in het buitenland, zoals de ARPA-organisaties in de Verenigde Staten (jaarbudget ca. € 7,5 miljard), SPRIND in Duitsland (jaarbudget ca. € 250 miljoen) en ARIA in het Verenigd Koninkrijk (jaarbudget ca. € 300 miljoen).
Hoe beoordeelt u de conclusie van het IPE dat deze dekking cruciaal is om NADI zodanig vorm te geven dat het daadwerkelijk kan functioneren conform het beoogde doel?
Die conclusie kan ik volgen. Maar in lijn met mijn eerdere antwoorden kan ik niet vooruitlopen op de besluitvorming hierover. Ik zal uw Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het geplande commissiedebat Innovatie op 25 juni 2026?
Ja.
Het bericht ‘Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gedoodverfd opvolger van DigiD is niet te gebruiken zonder Gmail-account of Apple-ID»?1
Ja.
Deelt u de mening dat apps en oplossingen die ontwikkeld worden door de Rijksoverheid altijd zo toegankelijk mogelijk zouden moeten zijn voor elke Nederlander? Zo ja, hoe beoordeelt u dan de keuze tot verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van NL Wallet?
Ja, ik deel die mening.
Er is geen keuze gemaakt tot de verplichting van een Google-account of Apple-ID voor het gebruik van de NL Wallet en dit is ook niet ons streven.
De publieke wallet wordt stapsgewijs ontwikkeld en dat gebeurt transparant. Dagelijks worden nieuwe wijzigingen aan de broncode aangebracht en gepubliceerd zodat iedereen die dat wil de ontwikkeling kan volgen. In de huidige versie zijn beveiligingsmaatregelen opgenomen om gebruikers te beschermen tegen malafide apps, waarmee hun persoonsgegevens worden beschermd en identiteitsfraude wordt bestreden. Voor de grootste gebruikersgroepen (mensen met een Google-account of Apple-ID) zijn deze maatregelen nu gerealiseerd. Voor andere gebruikersgroepen zijn andere maatregelen nodig. Die maatregelen zullen worden onderzocht en, indien dat veilig kan, worden geïmplementeerd voordat de publieke wallet beschikbaar komt voor gebruikers.
Deelt u de mening dat ook mensen die geen gebruik maken van telefoons met Google of van telefoons met Apple-ID in staat zouden moeten zijn om gebruik te maken van NL Wallet? Zijn deze mogelijkheden bij de ontwikkeling van NL Wallet verkend? Zo ja, waarom is dan gekozen om alsnog voor deze technische voorwaarden te gaan voor NL Wallet? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel die mening.
De beveiligingsmaatregelen die gebruikers zonder Google-account of Apple-ID in staat stellen om ook gebruik te maken van de publieke wallet worden nog verkend. Hiervoor wordt ook van gedachten gewisseld met experts van andere lidstaten. Als deze opties veilig zijn, zullen die worden geïmplementeerd voordat de wallet live gaat.
Deelt u de mening dat in het kader van toegankelijkheid ook mensen die geen gebruik willen of kunnen maken van een smartphone de app NL Wallet zouden moeten kunnen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
Mensen die geen gebruik willen maken van de NL wallet, hoeven dat ook niet. De vrijwilligheid is wettelijk geborgd in de verordening. Met het oog op de toegankelijkheid van de NL Wallet betrekken wij gebruikers bij de ontwikkeling, bijvoorbeeld mensen met een beperking. Verder zullen we verkennen hoe we de toegankelijkheid van de NL wallet kunnen vergroten, ook voor mensen die geen smartphone willen of kunnen gebruiken.
Kunt u uitleggen waarom DigiD wel te gebruiken is voor mensen zonder iOS-telefoon of Google-account of zonder smartphone? Waarin verschilt DigiD van NL Wallet waardoor dit voor NL Wallet niet mogelijk zou zijn?
De werking van inlogmiddelen als DigiD verschilt van die van EDI wallets als de NL Wallet, wat andere beveiligingsrisico’s met zich meebrengt en zodoende om andere maatregelen vraagt. Zoals aangegeven bij antwoord 2 is de NL Wallet nog in ontwikkeling en streven we ernaar om deze ook beschikbaar te maken voor mensen zonder Apple-ID of Google-account. Met DigiD kun je bij bepaalde overheidsdiensten inloggen zonder smartphone, met de SMS-check. Bij diensten die een hoger betrouwbaarheidsniveau vereisen heb je een smartphone met DigiD app nodig. BZK onderzoekt de mogelijkheid om een DigiD ook op hogere betrouwbaarheidsniveaus zonder smartphone beschikbaar te stellen. EDI-wallets, zoals de NL Wallet, moeten worden uitgegeven op het hoogste betrouwbaarheidsniveau. We bekijken of we de ontwikkelingen bij DigiD kunnen benutten voor EDI-wallets, inclusief de NL Wallet.
Hoe complex is het om de NL Wallet zo om te bouwen dat het hebben van een Apple Account of Google Account niet voorwaardelijk is?
Zoals gezegd moeten deze maatregelen nog worden onderzocht. Daaruit zal ook blijken hoe complex dit is.
Kunt u garanderen dat NL Wallet niet de rol van DigiD in de toekomst zal overnemen, zo lang voor het gebruik van NL Wallet een Apple-ID of Google-account voorwaardelijk is? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
DigiD blijft bestaan zoals reeds eerder aan de Kamer is toegezegd2. Het gebruik van de NL-wallet is vrijwillig, zoals ik heb aangegeven in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u garanderen dat organisaties die op dit moment DigiD ondersteunen en die NL Wallet willen ondersteunen, in de toekomst DigiD ook blijven ondersteunen naast NL Wallet? Zo nee, deelt u de mening dat dat betekent dat Nederlanders tot het gebruik van een Google-account of Apple-ID worden gedwongen?
Ja, de acceptatieverplichtingen voor DigiD blijven bestaan naast de acceptatieverplichtingen voor EDI-wallets.
Zoals gezegd is er nog geen keuze gemaakt om een Google-account of Apple-ID te verplichten voor de NL Wallet en is dit ook niet ons streven.
Kunnen gebruikers van NL Wallet van wie het Google-account of de Apple-ID om wat voor reden dan ook door Google of Apple wordt geblokkeerd gebruik blijven maken van NL Wallet? Zo nee, kunt u dan garanderen dat Nederlanders die gebruik maken van NL Wallet niet in de problemen komen? Zo ja, kunt u aangeven waarom dit acceptabel is?
De NL Wallet kan niet voorkomen dat gebruikers worden geblokkeerd door de aanbieder van hun smartphone, besturingssysteem of andere de software die daarop draait. Om die reden hecht ik er waarde aan om te zorgen dat de NL Wallet niet van een kleine groep aanbieders afhankelijk is en onderzoek ik mogelijkheden om ook een veilige oplossing te bieden aan burgers zonder Google-account of Apple-ID.
Hoe kijkt u vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit naar de keuze om een Google-account of Apple-ID voor een NL Wallet voorwaardelijk te maken?
Zoals gezegd is er geen keuze gemaakt om het Apple-ID of Google-account voorwaardelijk te maken en is dit ook niet ons streven.
Hoe bent u van plan om in het vervolg, bij ontwikkeling van apps door de overheid, het gemak van de ontwikkeling af te wegen tegen digitale soevereiniteit en toegankelijkheid?
Bij de ontwikkeling van apps worden meerdere factoren meegewogen. De borging van publieke waarden waaronder veiligheid, privacy, inclusie en soevereiniteit staat centraal. Gemak van de ontwikkeling speelt hierin geen rol.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja, de vragen worden afzonderlijk van elkaar beantwoord. Ik heb uw Kamer met een uitstelbrief laten weten dat beantwoording langer ging duren.