Het bericht 'Kenner Politieke Islam waarschuwt Nederland: “Netwerken achter Franse rellen zijn ook hier actief' |
|
Bente Becker (VVD), Claire Martens-America (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kenner Politieke Islam waarschuwt Nederland: «Netwerken achter Franse rellen zijn ook hier actief»»1?
Herkent u de analyse uit het artikel dat ook in Nederland netwerken gelieerd aan de moslimbroederschap actief zijn? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Wat weet u over de mate waarin in Nederland netwerken gelieerd aan de moslimbroederschap actief zijn in Nederland en hun werkwijze? Wat kunt u delen, desnoods vertrouwelijk?
Welk beleid voert u tegen de inmenging vanuit de moslimbroederschap in Nederland?
Hoe voorkomt u dat leden van deze netwerken gesprekspartner zijn voor de overheid bij beleidsontwikkeling van het integratiebeleid of het onderwijs?
Bent u bereid de inmenging vanuit dit soort (islamistische) netwerken de komende tijd, eventueel samen met de diensten, extra nauwgezet te monitoren, gelet op de rellen die we in andere landen om ons heen zagen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid deze vragen spoedig te beantwoorden, op z’n laatst bij de extra toegezegde brief over ongewenste buitenlandse inmenging voor de begroting J&V?
De veelpleger Tarek el A. die ondanks tientallen misdrijven niet is uitgezet en nu een gezin halfdood heeft geslagen en gestoken. |
|
Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het schokkende bericht dat Tarek el A., die ondanks tientallen eerdere diefstallen en geweldsfeiten nog altijd een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd had, nu een gezin halfdood heeft geslagen en gestoken?1
Hoe is het mogelijk dat Tarek el A. na tientallen strafbare feiten nog steeds in ons land verbleef? Waarom is deze Marokkaanse crimineel niet direct na zijn allereerste strafbare feit het land uitgezet?
Erkent u dat dit onbeschrijfelijke leed voor dit gezin voorkomen had kunnen en moeten worden als er eerder was ingegrepen? Hoe rechtvaardigt u dit fatale falen tegenover de slachtoffers?
Hoe kijkt u naar het feit dat we na Mohammed K. weer te maken hebben met een losgeslagen criminele vreemdeling die jarenlang zijn gang kon gaan?
Hoeveel asielzoekers en statushouders zijn inmiddels al meerdere keren in de fout gegaan? Hoeveel van deze veelplegers zijn daadwerkelijk uitgezet en hoeveel lopen er op dit moment nog vrij rond in onze samenleving?
Deelt u de mening dat een straf van veertien maanden, waarvan een halfjaar voorwaardelijk, een lachertje is voor een poging tot doodslag waarbij een heel gezin is geterroriseerd? Zo, ja bent u bereid minimumstraffen in te voeren?
Voelt u zich verantwoordelijk voor het brute geweld dat dit soort types kunnen plegen doordat u weigert hen uit te zetten?
Kunt u garanderen dat deze gevaarlijke crimineel direct na het uitzitten van zijn celstraf definitief wordt uitgezet en een levenslang inreisverbod krijgt? Zo nee, waarom niet?
Bent u nu eindelijk bereid onze grenzen te sluiten en een asielstop af te kondigen?
Het bericht 'Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting' |
|
Bart Bikkers (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongerenwerk Amsterdam verdacht van betrokkenheid bij grote witwasconstructie: gemeente stak miljoenen subsidie in stichting»?1
Wat vindt u ervan dat middelen van Preventie met Gezag (PmG) terechtkomt bij een organisatie die betrokken is bij witwaspraktijken?
Hoeveel middelen vanuit PmG via de gemeente Amsterdam zijn terechtgekomen bij de alliantie ONE Jongerenwerk en de daarin deelnemende stichtingen? Zo ja, om welke bedragen gaat het?
Welke eisen stelt het Rijk aan gemeenten die PmG-middelen doorverstrekken aan stichtingen en andere uitvoeringsorganisaties, als het gaat om de integriteit van de ontvanger? Is een integriteitstoets, zoals een Bibob-toets, daarbij een voorwaarde? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat bijna alle gemeenten subsidies in hun Bibob-beleid hebben opgenomen, maar dat het instrument bij subsidies in de praktijk weinig wordt ingezet en dat vooralsnog geen enkele verleende subsidie naar aanleiding van een Bibob-onderzoek is ingetrokken?
Bent u bereid om, samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), te bevorderen dat gemeenten bij meerjarige subsidies boven een bepaald drempelbedrag aan organisaties die werken met kwetsbare of risicojongeren standaard een Bibob-toets uitvoeren? Bent u bereid dit als voorwaarde te verbinden aan de besteding van PmG-middelen?
Op welk detailniveau ontvangt u verantwoordingsinformatie over PmG: alleen op programmaniveau, of ook per interventie en per uitvoerende organisatie en bent u van mening dat u voldoende zicht heeft op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de middelen die worden besteed via PmG?
Welke mogelijkheden heeft het Rijk om PmG-middelen terug te vorderen of te korten wanneer blijkt dat deze onrechtmatig, in strijd met de doelstellingen zijn besteed of waarvan de doelmatigheid niet kan worden vastgesteld?
In hoeverre voldoen de interventies die de gemeente Amsterdam met PmG-middelen financiert aan het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit?
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te voorkomen dat PmG-middelen worden ingezet bij witwasconstructies?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het tweeminutendebat Jeugdcriminaliteit beantwoorden?
Het beschermen van consumenten tegen online misleiding door malafide aanbieders van spoeddiensten |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Belgische werkwijze om online misleiding tegen te gaan, waarbij internetgebruikers die een als malafide aangemerkte website proberen te bezoeken, automatisch worden doorgeleid naar een waarschuwingspagina?1 Bent u tevens bekend met de resultaten van deze aanpak, die ertoe heeft geleid dat reeds honderdduizenden Belgische consumenten op deze wijze zijn gewaarschuwd?2
Herinnert u zich de antwoorden op mijn eerder gestelde schriftelijke vragen, waarin u schreef dat weren van advertenties door zoekmachines onvoldoende is om consumenten te beschermen, omdat bijvoorbeeld ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven leiden? (Aanhangsel Handelingen II, 2025–2026, nr. 1809). Deel u de mening dat de Belgische werkwijze een antwoord biedt op deze constatering?
Bent u bereid te verkennen of een vergelijkbare aanpak in Nederland kan worden ingevoerd, mede gezien de meldingen van online fraude en malafide websites bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM)? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat artikel 2.7, eerste lid, van de Wet handhaving consumentenbescherming de Autoriteit Consument en Markt (ACM) al de bevoegdheid geeft om consumenten door te leiden naar een waarschuwingspagina als zij een website van malafide partijen bezoeken? Hoe vaak heeft de ACM van deze bevoegdheid gebruikgemaakt en welke mogelijkheden biedt deze bepaling voor een aanpak naar Belgisch voorbeeld?
Kunt u reflecteren op de Belgische wetgeving en aanpak om advertenties van malafide aanbieders van zoekmachines te weren? Hoe verhouden deze zich tot de Nederlandse wetgeving en aanpak? Bent u bereid om in gesprek met uw Belgische ambtsgenoot te bezien welke lessen uit het Belgische voorbeeld voor Nederland kunnen worden getrokken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het rapport « Who Gets Deepfaked? Measuring the exposure of European parliamentarians in deepfake pornography», het rapport «Targeted and Ignored. Sexualised Deepfakes of Women MEPs and the Failure of Platform Responses», het artikel «Unicum: vrouwelijke Kamerleden slaan handen ineen in strijd tegen gruwelijk online seksueel misbruik» en het statement «AI kent geen grenzen. Wij wel.» dat 15 vrouwelijke Tweede Kamerleden van acht verschillende politieke partijen hebben uitgestuurd?1, 2, 3
Wat zegt het volgens u dat vrouwelijke parlementariërs in Europa 33 keer vaker slachtoffer zijn van deepfake pornografie dan mannen en dat zeker een kwart van de vrouwelijke parlementariërs in Nederland hier slachtoffer van is?
Bent u het ermee eens dat dergelijke cijfers schrikbarend zijn? Kunt u zich voorstellen dat dit een chilling effect heeft op vrouwen die politiek actief willen worden? Zo ja, wat gaat u eraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat deepfake pornografie een groot maatschappelijk probleem is dat heel veel vrouwen in Nederland treft, waaronder ook vrouwen die niet het platform hebben van vrouwelijke Tweede Kamerleden en vrouwelijke BN’ers? Wat doet het volgens u met de positie van de vrouw in onze maatschappij dat deepfake pornografie zo gemakkelijk te genereren is, dat het eenmaal gemaakt niet tot nauwelijks van het internet verdwijnt en dat zeer grote aantallen vrouwen slachtoffer zijn van dit soort video’s?
Deelt u de mening van de onderzoekers van de twee rapporten dat naast goede wetgeving om deepfakepornografie te verbieden er ook sprak moet zijn van strikte handhaving? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u ook per voorstel apart ingaan op de beleidsvoorstellen die de onderzoekers in hun twee rapporten doen om deepfake pornografie te bestrijden? Kunt u tevens aangeven welk van deze voorstellen nationaal kunnen worden opgepakt en voor welke van deze voorstellen u zich in Europees verband wilt inzetten?
Kunt u ingaan op de drie eisen namelijk een meldpunt waarop slachtoffers op een laagdrempelige manier melding kunnen maken van digitaal seksueel misbruik en waar ze meteen makkelijk aangifte kunnen doen (1), handhaving van het uitkleedverbod (2) en een landelijke campagne om het bewustzijn rondom deepfakes te vergroten (3)? Bent u van plan deze uit te voeren?
Kunt u deze vragen los van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Honderden miljoenen fraude via verzekeraar Atradius |
|
Suzanne Kröger (PRO), Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staat mogelijk voor honderden miljoenen het schip in door fraude via verzekeraar Atradius»?1
Deelt u de constatering dat er al langer zorgen bestaan rondom mogelijke tekortkomingen in de bestrijding van fraude en financiële criminaliteit bij exportkredietverzekeringen, zoals bijvoorbeeld gepubliceerd in Regimes of Permission: Export Credit Agencies, Anti-Money Laundering and Anti-Terrorism Financing(2025)2 en zoals blijkt uit meerdere zaken de afgelopen jaren?3 4
In hoeverre komen de aangekondigde maatregelen uit uw Kamerbrief d.d. 3 juli 2026 (Kamerstuk 26 485, nr. 463) overeen met de aanbevelingen voor overheden en exportkredietverzekeraars uit het bovengenoemde rapport Regimes of Permission? Kunt u aangeven welke maatregelen u wel, welke gedeeltelijk en welke u niet overneemt en waarom?
Hoe beoordeelt u, tegen de achtergrond van de huidige fraudezaken, de constatering in het rapport Regimes of Permission dat exportkredietverzekeraars voor hun due diligence sterk afhankelijk zijn van informatie die door hun cliënten zelf wordt aangeleverd, waardoor informatie-asymmetrie ontstaat?
In hoeverre verrichtte Atradius Dutch State Business (ADSB) zelfstandig onderzoek naar garanten, tussenpersonen en andere partijen in de transactieketen, in plaats van uitsluitend af te gaan op informatie van de verzekerde?
Klopt het dat bij de huidige fraudezaken vermoedelijk gebruik is gemaakt van vervalste financiële informatie en accountantsverklaringen? Waarom waren de bestaande controlemechanismen van ADSB niet in staat deze informatie eerder als mogelijk frauduleus te identificeren?
Welke controles verrichtte ADSB op de financiële positie van een garant vóór het afgeven van een polis? Werden accountantsverklaringen rechtstreeks bij de betreffende accountant geverifieerd?
Deelt u de mening dat het goed is dat banken, verzekeraars en andere financiële instellingen vergaande verplichtingen hebben om witwassen, terrorismefinanciering en andere financiële criminaliteit te voorkomen? Waarom gelden voor een publieke exportkredietverzekeraar die namens en voor rekening en risico van de Staat opereert niet dezelfde of vergelijkbare wettelijke verplichtingen?
Welke wettelijke instantie houdt momenteel toezicht op de naleving door ADSB van haar verplichtingen op het gebied van het voorkomen van witwassen, terrorismefinanciering en andere financiële criminaliteit?
Zijn er voldoende wettelijke waarborgen om ADSB verantwoordelijk te houden voor gebrekkige controles die tot gevolg hebben dat miljoenen aan belastinggeld verloren gaan?
In hoeverre heeft ADSB volgens u de capaciteit en kennis in huis om risico's op misbruik in te schatten en fraude te detecteren voordat een polis wordt afgegeven? Heeft ADSB mensen in dienst die hierin gespecialiseerd zijn? Huurt ADSB hiervoor externe partijen in? Zo ja, welke?
Geweld tegen journalisten tijdens de demonstratie op het Malieveld |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat journalisten tijdens deze demonstratie naar verluidt zijn bespuugd, uitgescholden, geduwd en bekogeld met onder meer stenen, vuurwerk en blikjes, terwijl zij herkenbaar als journalist aanwezig waren?
Deelt u de opvatting dat journalisten hun werk bij demonstraties en andere situaties met een verhoogd veiligheidsrisico vrij en veilig moeten kunnen uitvoeren en dat geweld tegen journalisten niet alleen de betrokken journalisten raakt, maar ook de vrije nieuwsgaring en daarmee onze democratische rechtsstaat?
Hoeveel aangiften zijn naar aanleiding van het geweld tegen journalisten op en rond het Malieveld gedaan? Hoeveel van deze incidenten worden momenteel door de politie onderzocht?
Worden beschikbare camerabeelden, waaronder beelden van journalisten, omstanders, politie en gemeentelijke camera's, veiliggesteld en gebruikt om verdachten van geweld tegen journalisten te identificeren?
Op welke wijze werken politie, Openbaar Ministerie en PersVeilig samen om ervoor te zorgen dat de daders van geweld tegen journalisten tijdens deze demonstratie worden opgespoord en, waar mogelijk, vervolgd? Op welke wijze wordt er op dit moment prioriteit gegeven aan meldingen en aangiften waarbij sprake is van geweld tegen journalisten door politie, het Openbaar Ministerie en PersVeilig? Kunt u bevestigen dat elke melding kan rekenen op opvolging?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling dat PersVeilig dit jaar, met nog een aantal maanden te gaan, al 58 meldingen van fysiek geweld tegen journalisten heeft ontvangen, terwijl dat er in 2025 slechts 55 waren? Is PersVeilig voldoende toegerust om het toenemend aantal meldingen in behandeling te nemen?
Heeft u voldoende zicht op de feitelijke omvang van geweld en agressie tegen journalisten, mede omdat incidenten niet altijd bij PersVeilig of de politie worden gemeld? Zo nee, hoe gaat u dit inzicht verbeteren?
Welke concrete maatregelen worden nu genomen om journalisten beter te beschermen tijdens demonstraties waarbij vooraf een verhoogd risico op geweld of ongeregeldheden wordt voorzien? Acht u deze maatregelen voldoende?
Welke instructies gelden voor politieagenten en de ME voor de omgang met herkenbare journalisten tijdens het beëindigen van een demonstratie of bij grootschalige openbare-ordehandhaving? Vindt er ook onderzoek dan wel een evaluatie plaats naar de veiligheid van journalisten tijdens demonstraties?
Bent u bereid de gebeurtenissen op het Malieveld te betrekken bij de aanpak van agressie en geweld tegen journalisten en de Kamer te informeren over eventuele aanvullende maatregelen die naar aanleiding hiervan worden genomen?
De toenemende agressie en het geweld tegen spoorwegpersoneel. |
|
Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brandbrief van spoorwegvakbond VVMC van 25 september 2026, getiteld «Ontspoort gedrag spoort niet!»?1
Hoe beoordeelt u de cijfers uit de brandbrief, waaruit blijkt dat er in de eerste drie kwartalen van 2026 al 5.088 meldingen van agressie en geweld bij de NS zijn geregistreerd (waarvan 1.561 bedreigingen, 1.368 gevallen van fysiek geweld en 105 wapenbedreigingen)?
Wat is uw reactie op de zeer ernstige incidenten die de VVMC aanhaalt, zoals de zware mishandelingen van hoofdconducteurs op de stations Rotterdam Blaak en Den Dolder, en het incident op station Almere Centrum op 6 augustus 2026 waarbij een medewerker Veiligheid & Service een vingerkootje kwijtraakte door een beet?
Welke maatregelen worden op dit moment genomen om agressie en geweld tegen medewerkers in het openbaar vervoer terug te dringen? Wat is tot nu toe bekend over de effectiviteit van deze maatregelen?
Deelt u de mening van de VVMC dat de uitrol van bodycams het verlies van juridische handhavingsbevoegdheden en toegang tot de Basisregistratie Personen (BRP) inhoudelijk niet kan compenseren?
Welke concrete opvolging heeft u gegeven aan de uitkomsten van het recente rondetafelgesprek op 3 maart 2026 in de Tweede Kamer over veilig reizen in het openbaar vervoer en welke merkbare verbeterstappen zijn er sindsdien op de werkvloer gezet?
Acht u de huidige aanpak voldoende om de stijgende trend in agressie en geweld tegen ov-personeel te keren? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Welke concrete doelstellingen hanteert u voor het terugdringen van agressie en geweld tegen ov-personeel? Op welke termijn verwacht u dat medewerkers hiervan merkbaar resultaat zien?
Wat is de exacte stand van zaken rond het nakomen van de coalitieafspraak om ov-boa’s toegang te verlenen tot het vreemdelingenregister en, onder voorwaarden, tot de strafrechtketendatabank? Op welke termijn beschikken ov-boa's in de praktijk over deze informatiepositie om overlastgevers effectief aan te pakken?
Hoe staat het met de landelijke uitrol van de Rotterdamse RET-pilots voor intensievere samenwerking tussen vervoerders en politie, en welke (eerste) resultaten zijn hieruit te melden?
Hoe staat het met de uitvoering dat iedere conducteur die dat wil ov-boa kan worden, en op welke termijn verwacht u dat deze afspraak gerealiseerd kan worden?
Hoe staat het met de totstandkoming en uitvoering van het nieuwe landelijke convenant sociale veiligheid in het openbaar vervoer en het bijbehorende actieplan? Welke concrete, meetbare doelstellingen en termijnen worden hierin opgenomen om het aantal ernstige A-incidenten terug te dringen?
Bent u bereid om op korte termijn in te gaan op de uitnodiging van de VVMC voor een bestuurlijk overleg met vakbonden, vervoerders, politie en OM, en de Kamer over de uitkomsten hiervan te informeren?
De bedreiging en intimidatie van familierechtadvocaten |
|
Fatihya Abdi (GroenLinks-PvdA), Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 dat familierechtadvocaten steeds vaker worden bedreigd en geïntimideerd? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Hoeveel meldingen van bedreiging en intimidatie van advocaten zijn er de afgelopen vijf jaar jaarlijks gedaan, en hoeveel daarvan betroffen familierechtadvocaten?
Hoeveel van deze meldingen over de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot resp. aangifte, strafrechtelijk onderzoek en vervolging?
Worden bedreigingen van advocaten vanwege hun beroepsuitoefening volgens het kabinet voldoende serieus en met voldoende urgentie opgepakt? Zo nee, waarom niet?
Waar kunnen advocaten die worden bedreigd laagdrempelig melden en welke ondersteuning krijgen zij vervolgens? Vindt u deze handelwijze afdoende?
Welke concrete acties zijn de afgelopen jaren ondernomen om bedreiging en intimidatie van advocaten tegen te gaan, en wat zijn daarvan de resultaten?
Deelt u de mening dat het risico bestaat dat deze bedreigingen ertoe leiden dat advocaten bepaalde zaken, bijvoorbeeld rond huiselijk geweld en complexe scheidingen, niet meer willen aannemen? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt bij bedreigde advocaten de dreiging beoordeeld en wanneer komen maatregelen vanuit het stelsel Bewaken en Beveiligen in beeld?
Kunt u aangeven hoe de na de moord op advocaat Derk Wiersum beloofde structurele aandacht voor de weerbaarheid en de bescherming van advocaten heeft geleid tot structurele verbeteringen? Zijn deze maatregelen nog steeds afdoende? Zo nee, welke aanvullingen stelt u zich voor?
Sluit de huidige aanpak en het vernieuwde stelsel Bewaken en Beveiligen voldoende aan bij bedreigingen van advocaten die niet rechtstreeks voortkomen uit georganiseerde criminaliteit, maar wel vanwege hun beroepsuitoefening worden bedreigd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, samen met de Nederlandse Orde van Advocaten, politie en het Openbaar Ministerie, te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om bedreigde advocaten beter te beschermen en ervoor te zorgen dat bedreigingen altijd serieus worden opgevolgd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze inventarisatie delen met de Kamer?
Het bericht ‘Drugs stromen via doodnormale post Nederland binnen: ‘Criminelen gebruiken meerdere routes tegelijk’ |
|
Claire Martens-America (VVD) |
|
Eerenberg , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drugs stromen via doodnormale post Nederland binnen: «Criminelen gebruiken meerdere routes tegelijk»»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de drugssmokkel via (pakket)post zich steeds meer verplaatst van uitgaande naar inkomende en doorvoerzendingen, terwijl de bestaande aanpak van het Hit en Run Postteam (HARP), vooral op de uitgaande stroom is gericht en zo ja, deelt u de conclusie dat hier een blinde vlek in de huidige aanpak zit?
Het toezicht door de Douane vindt ook plaats op inkomende en doorvoerzendingen van pakketten. Op basis van risicoprofielen worden pakketten die binnenkomen via de luchtvracht op Schiphol en andere luchthavens gecontroleerd. Er worden significante vangsten gedaan, waaronder grote hoeveelheden marihuana en cocaïne. Er vindt ook opsporing en vervolging plaats. Op Schiphol gebeurt dat bijvoorbeeld door het Cargo HARC-team, een samenwerkingsverband van de Douane, de Koninklijke Marechaussee en de FIOD.
Daarnaast verricht de politie onder andere opsporingsonderzoeken naar verdachten die drugs vanuit het buitenland naar Nederland versturen. Het betreft hier niet een verplaatsing van uitgaand naar inkomend. De uitgaande stroom neemt niet af, maar lijkt eerder te groeien en professionaliseren. Daarnaast is er een trend ontstaan waarbij met name cannabisproducten per post binnenkomen. Een oorzaak ligt hier vooral in de (gedeeltelijke) legalisering van marihuana in delen vanuit Noord-Amerika. Binnen de EU is vrij verkeer van goederen. Hierdoor is relatief weinig toezicht op stromen binnen de EU.
Wat is volgens u de verklaring voor de forse stijging van respectievelijk 2.184 kilo marihuana, 212 kilo ketamine en 38 kilo crystal meth en welke aanvullende maatregelen treft u naar aanleiding van deze drie trends?
De Douane ziet de smokkel van marihuana via pakketten en postzendingen als een vast onderdeel van het verdienmodel van criminelen. Om deze reden heeft de Douane in 2025 de risicoprofielen op marihuana aangescherpt. Daarnaast is de samenwerking gezocht met andere landen om de aanpak van deze smokkel te versterken. De Douane heeft op 2 juni 2026 samen met België, Frankrijk en Canada een intentieverklaring voor nauwere samenwerking tegen internationale drugshandel ondertekend.
De stijging van ketamine is een wereldwijde trend. Ketamine is in veel landen geen lijst 1 drugs maar een geneesmiddel, zo ook in Nederland. Dit maakt ketamine kwetsbaar voor misbruik en weglek naar het illegale circuit, o.a. door het gebruik van bedrijfsconstructies waarmee de handel als legitiem wordt gepresenteerd.
De Douane heeft specifiek in de post- en pakketstroom de registratie van vangsten verdovende middelen verder verbeterd. Ook dit kan een reden zijn voor hogere geregistreerde vangsten in de eerste helft van dit jaar vergeleken met voorgaande jaren. De Douane blijft de vangsten ketamine en methamfetamine monitoren.
In hoeverre worden post- en pakketbedrijven verplicht of aangespoord om adresvalidatie toe te passen bij internationale zendingen en overweegt u aanpassing van regelgeving om dit te bereiken?
Een adresvalidatie is niet verplicht en het kabinet acht het niet proportioneel om de regelgeving aan te passen gelet op het totale volume, de inbreuk op de privacy en de verzwaring van de administratieve lasten.
Welke aanvullende afspraken bent u voornemens te maken in EU-verband om beter samen te werken om drugsverzendingen per post tegen te gaan en bent u bereid in dit kader analoog aan de Europese Havenalliantie ook een Europese Postalliantie te verkennen?
Op dit moment is er geen Europese Postalliantie zoals deze voor de havenautoriteiten bestaat, maar de Europese Commissie heeft voorgesteld een samenwerkingsverband op dit thema op te richten als onderdeel van de uitwerking van één van de acties onder het EU-actieplan2 tegen drugshandel dat afgelopen voorjaar door de Raad omarmd is. Het betreft het opzetten van een EU-forum door de Europese Commissie dat post- en pakketdiensten samenbrengt met nationale overheden, douane en rechtshandhaving. Het doel is de samenwerking te versterken om drugshandel en de stroom van verboden goederen via post- en pakketketens beter te detecteren en te verstoren. Daarbij is extra aandacht voor intra-EU-post- en pakketstromen.
Nederland staat positief tegenover deze actie, die overigens nog wel verder moet worden uitgewerkt door de Europese Commissie.
Daarnaast wordt binnen het European Customs Alliance for Borders (EUCAB) expertteam op het gebied van training in kaart gebracht waar de behoeftes bij lidstaten liggen; een daarvan is scan en detectie binnen het postproces. Eveneens worden er vanuit CEPOL trainingen aangeboden met betrekking tot drugs via de post.
Kunt u aangeven of de motie Michon-Derkzen inmiddels volledig is uitgevoerd en zo niet, of u dan bereid bent de motie alsnog uit te voeren en bijvoorbeeld de jaarlijkse inbeslagname per postbedrijf openbaar te maken?2
De motie van het lid Michon-Derkzen (VVD) c.s. over een integraal plan om de verzending van drugs per post of pakket een halt toe te roepen, is bij Kamerbrief van 21 juni 2024 afgerond (bijlage bij Halfjaarbrief aanpak georganiseerde, ondermijnende criminaliteit).
In het bericht wordt gesteld dat PostNL volledige medewerking verleent aan controles en investeert in preventie en samenwerking; geldt dit ook voor de andere grote post- en pakketbedrijven en kunt u de Kamer hierover per bedrijf informeren?
De post- en pakketdiensten doen waartoe ze verplicht zijn en ze zijn daarmee richting de opsporingsdiensten voldoende compliant.
Bent u bereid naast de antwoorden op deze vragen de Kamer voorafgaand aan het commissiedebat Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit van 15 oktober 2026 een geactualiseerde integrale voortgangsrapportage te sturen over drugs per (pakket)post?
Een dergelijke voortgangsrapportage heeft in de dagelijkse praktijk te weinig meerwaarde en het maken ervan kost veel capaciteit. De Staatssecretaris van Financiën en ik nodigen u daarom in plaats daarvan graag uit voor een werkbezoek, dat meer inzicht biedt dan in cijfers alleen.
Bent u bekend met dit bericht?1
Ja.
Klopt het, zoals gemeld door het Duitse persbureau Deutsche Presse-Agentur (DPA) en overgenomen door NOS, dat de verdachte, Abdul B., in mei van dit jaar is vrijgelaten uit jeugddetentie? Zo nee, wat zijn dan volgens u de juiste feiten?2
Het is aan de Duitse autoriteiten om hier uitspraken over te doen.
Bent u bekend met de berichtgeving dat er naast de aanrijding ook meerdere personen zouden zijn neergestoken en dat de politie onderzoekt of er sprake was van één dader of van meerdere betrokkenen? Zo nee, bent u bereid zich hierover te laten informeren door uw Duitse ambtsgenoot?3
Ja.
Deelt u de opvatting dat een aanslag als deze, gericht tegen een LGBTQ+-viering, een directe aanval is op de westerse vrijheden en de vooruitgang die wij als samenleving hebben opgebouwd? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het kabinet veroordeelt iedere vorm van geweld, intimidatie en discriminatie. Een aanslag op personen vanwege hun seksuele geaardheid, genderidentiteit of genderexpressie is onacceptabel en raakt aan de fundamentele waarden van onze democratische rechtsstaat. Het recht om jezelf te zijn, vrij te leven en veilig deel te nemen aan de samenleving behoort tot de kern van de vrijheden die wij in Nederland beschermen.
Deelt u de opvatting dat wij ons in het Westen dringend moeten afvragen hoe lang wij nog bereid zijn onze vrijheden en onze vooruitgang in te ruilen voor open grenzen en dat dit moet leiden tot concrete beleidswijzigingen? Zo nee, waarom niet?
De aanleiding voor deze vraag biedt geen direct aanknopingspunt voor een beoordeling van het migratiebeleid. Uit de feiten die aan deze Kamervragen ten grondslag liggen, volgt niet dat de aanslag verband hield met het asiel- of migratiebeleid.
Is er bij de Nederlandse politie of inlichtingendiensten (AIVD, NCTV) zicht op personen in Nederland die, net als de verdachte in Berlijn, bekendstaan bij de autoriteiten als onderdeel van de islamistische scene, maar tegen wie nog geen strafrechtelijke maatregelen zijn genomen? Zo ja, hoeveel van dergelijke personen zijn momenteel in beeld? Zo nee, waarom wordt dit niet bijgehouden?
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft de taak, op basis van de Wet op Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017, onderzoek te doen naar personen of organisaties die (aanleiding geven tot een ernstig vermoeden dat zij) een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Daarnaast geldt dat, volgens de Wiv 2017, er in het openbaar geen uitspraken kunnen worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de AIVD. Binnen de politie worden signalen van radicalisering en extremisme, in afstemming met het OM, verzameld en geduid. Over het aantal personen dat bij de politie in beeld is, worden vanwege operationele belangen geen mededelingen gedaan. Zoals bepaald in de Wet Coördinatie Terrorismebestrijding en Nationale Veiligheid is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) niet bevoegd onderzoek te doen naar organisaties en/of personen.
Kunt u uitsluiten dat personen met een vergelijkbaar extremistisch of islamistisch gedachtegoed als de verdachte in Berlijn, via de asielinstroom Nederland binnenkomen of reeds zijn binnengekomen? Zo nee, welke screening vindt op dit moment plaats om dit te voorkomen en acht u die afdoende?
De onderhavige aanslag biedt geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de bestaande screeningsinstrumenten in relatie tot de asielinstroom tekortschieten.
Het kabinet neemt iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid uiterst serieus en zet zich onverminderd in om terrorisme en extremisme in Nederland te voorkomen en te bestrijden. De bescherming van de nationale veiligheid vergt constante ketenbrede inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen. Tijdens de asiel- en nareisprocedure besteden organisaties binnen de vreemdelingenketen doorlopend aandacht aan signalen die de nationale veiligheid kunnen raken, waaronder mogelijke betrokkenheid bij terrorisme of extremistisch gedachtegoed. Het onderkennen van dergelijke signalen in de asielprocedure is echter een doorlopend proces dat continue ketenbrede alertheid vereist.
Daarbij is voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening altijd noodzakelijk om tijdig signalen die de nationale veiligheid raken te onderkennen en daarom heeft dit ook standaard de aandacht van het kabinet.
Ondanks de zorgvuldige procedure en inspanningen kan er geen absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen.
In elke stap van de procedure (identificatie, registratie, beoordeling aanvraag en opvang) is aandacht voor het onderkennen van dergelijke signalen en kunnen deze binnen de geldende kaders worden voorgelegd aan opsporings-, inlichtingen-en veiligheidsdiensten zoals de AIVD. Daarbij geldt tevens dat extremistische opvattingen of radicalisering zich ook ná toelating kunnen ontwikkelen of manifesteren. Screening is erop gericht bekende risico's bij toelating te identificeren en kan naar haar aard geen garantie bieden tegen radicalisering of extremistische gedragingen die zich pas na toelating ontwikkelen of later pas aan het licht komen. Het onderkennen van signalen vindt plaats op basis van de informatie die beschikbaar is binnen de asielprocedure, zoals gehoren, informatie in (inter)nationale politie/justitiële systemen en informatie uit open bronnen.
Kunt u, eventueel in overleg met AIVD en NCTV, een overzicht geven van de doelwitten die naast Pride-vieringen door islamistische terreurgroepen of geradicaliseerde eenlingen in Nederland en Europa als bijzonder risicovol worden aangemerkt, zodat de beveiliging daarop gericht kan worden versterkt? Zo nee, waarom kan een dergelijk overzicht niet gegeven worden?
In Nederland wordt op basis van actuele dreigingsinschattingen bezien welke evenementen en doelwitten als risicovol worden aangemerkt. Hiervoor worden zichtbare en onzichtbare maatregelen getroffen. Daarover wordt door de betrokken gezagen in het openbaar nooit inzicht gegeven. Daarnaast ga ik als Minister van Justitie en Veiligheid vanwege veiligheidsredenen in het openbaar niet in op vermeende doelwitten van terroristische groeperingen of geradicaliseerde eenlingen in Nederland en Europa.
Welke concrete maatregelen zijn er op dit moment van kracht om te voorkomen dat voertuigen worden ingezet als wapen bij grote publieksevenementen in Nederland, zoals Pride-vieringen, herdenkingen of marktevenementen?
Vanwege veiligheidsoverwegingen worden in het openbaar nooit uitspraken gedaan over maatregelen die worden getroffen ten behoeve van de veiligheid. Wel kunnen wij u verzekeren dat de benodigde maatregelen, zowel zichtbaar als onzichtbaar, worden getroffen waar dat nodig wordt geacht en op basis van actuele dreigingsinformatie. Het is primair aan het betreffende lokale gezag waar het evenement plaatsvindt om te bepalen welke maatregelen nodig zijn.
Bent u bereid om, naar aanleiding van deze aanslag, de beveiliging van Pride-evenementen en vergelijkbare LGBTQ+-vieringen in Nederland dit jaar en volgend jaar opnieuw te laten beoordelen door de politie en NCTV, specifiek gericht op de dreiging van voertuigaanslagen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment staat het dreigingsniveau in Nederland op substantieel (niveau 4 van 5). Dat betekent dat een aanslag in Nederland reëel is. Bij een verhoogde dreiging of risico op een specifiek doelwit, worden de maatregelen genomen die passen bij een verhoogde dreiging. Bij ieder evenement van een dergelijke omvang wordt voorafgaand een analyse van dreiging en risico’s gemaakt op basis van de op dat moment beschikbare informatie.
De veiligheidspartners op zowel lokaal als nationaal niveau volgen daarbij de ontwikkelingen in het buitenland nauwlettend en staan in nauw contact met elkaar, mede met het oog op de mogelijke impact die deze kunnen hebben in Nederland.
Deelt u de opvatting dat extremisten die een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid en die geen Nederlandse nationaliteit bezitten, versneld ons land uitgezet moeten kunnen worden wanneer zij in verband worden gebracht met extremistische netwerken? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin geldt dat het bestaande vreemdelingenrecht en terugkeerbeleid voorzien in een aanpak van vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid. Indien een vreemdeling een dergelijk gevaar vormt, wordt in beginsel geen vertrektermijn gegund en dient hij Nederland onmiddellijk te verlaten.
Daarnaast heeft het kabinet de aanpak van personen die een (hoog) risico vormen voor de nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf (meer) hebben verder geïntensiveerd. Hierover is uw Kamer op 22 april jl. geïnformeerd.4
Onder coördinatie van de NCTV werken alle betrokken partners, ieder vanuit de eigen processen en verantwoordelijkheden, intensief samen om de risico’s die van deze casuïstiek uitgaan te mitigeren en zicht te houden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden totdat vertrek gerealiseerd is. Het realiseren van vertrek van dergelijke personen valt onder de portefeuille van de Minister van Asiel en Migratie. Er wordt met de hoogste prioriteit gewerkt aan het bewerkstelligen van het vertrek van personen die geen recht hebben op verblijf in Nederland en bovendien een mogelijk risico vormen voor de nationale veiligheid. Daarbij wordt ingezet op een vroegtijdige en gerichte start van het terugkeerproces, maatwerk bij vertrek en versterkte samenwerking tussen de betrokken organisaties.
Indien vertrek niet onmiddellijk kan worden gerealiseerd, kunnen – indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan – verschillende maatregelen worden ingezet. Daarbij kan worden gedacht aan vreemdelingenrechtelijke maatregelen, zoals een meldplicht, een gebiedsgebod en, indien daadwerkelijk zicht bestaat op vertrek, vreemdelingendetentie.
Daarnaast kunnen op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) bestuurlijke maatregelen worden opgelegd indien de betrokkene door zijn of haar gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Deze bestuurlijke maatregelen kunnen bestaan uit een meldplicht, contactverbod of een gebiedsverbod, waarbij ter handhaving van het gebiedsverbod tevens elektronische monitoring kan worden opgelegd. Om een goed en compleet beeld te kunnen hebben van terrorismeveroordeelden zonder rechtmatig verblijf waarvan een hoog risico uitgaat voor de nationale veiligheid werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan aanvullende maatregelen, waaronder het vormgeven van een manier waarop betrokken partners door een integrale benadering, uniforme risicotaxaties kunnen opstellen om gerichte en effectieve maatregelen te treffen.
Verder versterkt de recent overeengekomen Europese Terugkeerverordening het terugkeerinstrumentarium voor vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid.
Kunt u aangeven hoeveel personen die bekendstaan bij de politie of AIVD vanwege banden met islamistisch extremisme, op dit moment een verblijfsvergunning of asielstatus in Nederland hebben? Zo nee, waarom wordt dit niet geregistreerd en bent u bereid dit alsnog in kaart te brengen?
Zoals eerder aangegeven in vraag 6, geldt dat, volgens de Wiv 2017, er in het openbaar geen uitspraken kunnen worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de AIVD. Ook kan geen inzicht worden gegeven over of personen in beeld zijn bij de politie, en of dergelijke personen al dan niet over een verblijfsvergunning beschikken.
Bent u bereid, gelet op deze aanslag en soortgelijke incidenten in Europa, een totale asielstop in te voeren, of op zijn minst te onderzoeken welke instroombeperkende maatregelen op zeer korte termijn haalbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals uw Kamer bekend is er juridisch geen ruimte voor een asielstop. De aanleiding voor deze vraag biedt evenmin een aanknopingspunt voor de conclusie dat een algemene asielstop een passend of effectief antwoord zou zijn. Uit de thans bekende feiten die aan deze Kamervragen ten grondslag liggen, volgt niet dat de aanslag verband hield met de asielinstroom. De inzet van het huidige kabinet is erop gericht om het migratievraagstuk duurzaam het hoofd te bieden. Daarom wordt er onverminderd hard aan gewerkt om maatregelen te nemen om grip op migratie te bevorderen. Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten voor de bescherming van de nationale veiligheid door middel van gerichte maatregelen binnen het bestaande wettelijke kader.
Deelt u de opvatting dat het beschermen van onze vrijheid en onze vooruitgang niet langer kan wachten en dat hiervoor nu concrete stappen nodig zijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is er alles aan gelegen om terrorisme tegen te gaan. Conform het coalitieakkoord investeert het kabinet in inlichtingen- en veiligheidsdiensten en een NCTV die snel en doortastend kunnen handelen en wordt de aanpak tegen terrorisme versterkt.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, gelet op het grote gevaar dat van dit soort aanslagen uitgaat voor de openbare orde en veiligheid in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Het is niet bekend om hoeveel gevallen het gaat. Er is geen centrale registratie. De Inspectie van het Onderwijs geeft aan dat meerdere mbo-instellingen – zowel bekostigd als niet-bekostigd – stagefraude hebben geconstateerd, maatregelen hebben genomen, en checks-and-balances in het stagebeleid hebben versterkt. De betreffende instellingen hebben hierover intensief contact met elkaar en wisselen ervaringen mbo-breed uit, wat bijdraagt aan de verspreiding van goede praktijken en fraudebewustzijn op het gebied van stages. Ook de MBO Raad en de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO) zijn actief betrokken. De Inspectie van het Onderwijs heeft onderzoek gedaan hoe diplomafraude tot stand kan komen via stages en examinering2.
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Ja, wij delen deze zorg. Het is onacceptabel dat personen via welke vorm van fraude dan ook (stage-, evc- of diplomafraude) aan de slag gaan met kwetsbare patiënten. Het kunnen individuele personen zijn die dit doen, maar het kunnen ook geraffineerde criminele netwerken zijn die moeilijk aan te pakken zijn. Wij maken ons hier veel zorgen om.
In de Kamerbrief van 8 juni jl. over fraudebestrijding in de zorg staan de stappen die vanuit het Ministerie van VWS worden genomen3. Met de middelen uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) wil het kabinet, samen met alle betrokken partners, de aanpak van zorgfraude substantieel versterken.
Zorgfraude kun je niet met één maatregel of door één partij laten oplossen. Daarom komt het kabinet samen met alle betrokken partijen met een samenhangend pakket aan maatregelen om zorgfraude harder aan te pakken. Het gaat dan om: strengere toetsing aan de poort om te voorkomen dat malafide zorgaanbieders in de zorg actief worden, versterking van de bestuurs- en strafrechtelijke operatie door substantiële capaciteitsuitbreiding, het verder verbeteren van de gegevensuitwisseling tussen ketenpartners, meer daadkracht in de uitvoering, door maximaal gebruik te maken van bestaande bevoegdheden en maatschappelijke verantwoording van de resultaten van de aanpak.
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
In het rapport «Er is meer aan de hand» van de Inspectie Gezondheidzorg & Jeugd en van de Inspectie van het Onderwijs staat dat de zorg en het onderwijs zijn gebaseerd op een stelsel van toegankelijkheid waardoor het voor mensen met minder goede bedoelingen, waaronder criminelen, helaas eenvoudig was om binnen te komen. Stage- en diplomafraude in de zorg zijn daar onderdeel van. Inspecties, onderwijsinstellingen en de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) hebben sinds het rapport geïnvesteerd in het versterken van het fraudebewustzijn bij zowel mbo-instellingen als leerbedrijven. Verschillende vormen van stagefraude worden daarbij onder de aandacht gebracht. De inspectierapporten hebben geleid tot meer kennis over de kwetsbaarheden bij stages. De samenwerking tussen verschillende betrokken instanties is erop gericht om fraude actief te voorkomen en informatie over de werkwijze van fraudeurs te melden en te blijven delen.
SBB heeft de bevoegdheid om leerbedrijven te erkennen en die erkenning zo nodig in te trekken. De beoordelingscriteria hiervoor zijn opgenomen in de erkenningsregeling. Per 1 augustus 2026 is de erkenningsregeling aangepast, zodat constateringen van fraude en criminele activiteiten, gedaan door relevante toezichthoudende instanties, worden meegewogen bij de (her)beoordeling van leerbedrijven. Dit maakt mogelijk dat de SBB sneller kan ingrijpen dan eerder het geval was, omdat zij nu de erkenning kan intrekken als bijvoorbeeld de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) een signaal afgeeft. Elk afzonderlijk besluit daartoe dient de SBB te motiveren op basis van een zorgvuldige en proportionele weging van feiten.
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Er zijn geen cijfers bekend over de omvang van fraude met EVC-certificaten. EVC-certificaten worden opgesteld door private partijen. Ook de erkenning van EVC-aanbieders en het toezicht is privaat georganiseerd. Registratie van EVC-certificaten is niet verplicht. Er is daarom geen zicht op de hoeveelheid uitgegeven EVC-certificaten en ook geen zicht op de omvang van valse EVC-certificaten die in omloop zijn. Dit neemt niet weg dat de signalen die het kabinet heeft ontvangen over de ernst van fraude met EVC-certificaten, alarmerend zijn. Dit is ook de reden dat het kabinet op 13 februari 2026 de oproep heeft gedaan aan alle stakeholders om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten, omdat de betrouwbaarheid hiervan onvoldoende kan worden gewaarborgd4.
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Nee, met de oproep van 13 februari heeft het kabinet een dringende oproep gedaan om geen gebruik meer te maken van EVC. Deze bieden geen garantie omdat de betrouwbaarheid van deze certificaten niet kan worden gewaarborgd. Juist door de grote kwetsbaarheid voor fraude. Het onderzoeken van mogelijkheden voor onafhankelijk toezicht wekt onterecht de suggestie dat de betrouwbaarheid van EVC-certificaten met toezicht kan worden opgelost.
Het flexibel en versneld opleiden van voldoende professionals voor de sector zorg en welzijn, in aanvulling op de diplomaroutes, blijft van groot belang.
Het kabinet vindt het daarom lovenswaardig om te zien hoe veldpartijen, zoals Jeugdzorg Nederland, Actiz, Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland en de Nederlandse GGZ zich hebben verbonden om de fraude aan te pakken en alternatieven te bedenken voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. Hierbij vindt het kabinet het van belang dat alternatieven geen ruimte laten voor fraude. Het kabinet blijft hierover in nauw contact met het veld en zal meedenken met alternatieven.
Ook ontwikkelt het Ministerie van OCW een handreiking, waarin staat op welke manieren examencommissies fraudebestendig maatwerk kunnen bieden aan zij-instromers met relevante leer- en werkervaring. Onderwijsinstellingen zijn hier actief bij betrokken. De handreiking wordt eind 2026 verspreid onder examencommissies in het mbo.
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
In de, in antwoord 5, genoemde brief van het kabinet aan werkgevers zijn werkgevers opgeroepen om hun verantwoordelijkheid te nemen hierin. Werkgevers zijn gewezen op hun verantwoordelijkheid om zich ervan te vergewissen dat iemand over de vereiste kennis en kunde beschikt. Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden benoemd in de brief. Werkgevers kunnen bijvoorbeeld eenvoudig de echtheid van een digitaal uittreksel van formele mbo-, hbo- of universitaire diploma’s controleren op de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)5. Ook kunnen werkgevers een identiteitsbewijs op echtheidskenmerken en geldigheid controleren. Daarnaast kunnen werkgevers controleren of – in geval daarom wordt gevraagd – het om een origineel digitaal of papieren exemplaar van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) gaat. Dit geldt echter niet voor EVC-certificaten. Het gebruik van EVC-certificaten biedt geen enkele garantie nu de betrouwbaarheid hiervan niet kan worden gewaarborgd. Daarom wordt door werkgevers gekeken naar alternatieven voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. We blijven over de toereikendheid van verificatiemogelijkheden in gesprek met werkgevers en onderwijsinstellingen.
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
Het kabinet treft verschillende maatregelen om fraude in de zorg tegen te gaan. In de, in antwoord 5, genoemde brief heeft het kabinet een oproep gedaan om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten omdat de betrouwbaarheid hiervan niet kan worden geborgd.
Verder heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Kamer op 29 juni jl. geïnformeerd over de vervolgstappen bij de aanpak van diplomafraude in het mbo. Onderwijsinstellingen ontvangen eind 2026 een handreiking hoe examencommissies fraudebestendige besluiten kunnen nemen bij het verlenen van vrijstellingen voor de beroepsgerichte examens en hoe zij maatwerk kunnen bieden aan zij-instromers met relevante leer- en werkervaring. Daarnaast wordt het toezicht op vrijstellingen verstevigd. In dezelfde brief zijn ook de uitbreiding van bevoegdheden van de SBB en intensivering van de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en SBB genoemd. In de eerste helft van 2027 zal de Kamer door de Minister van OCW worden geïnformeerd over de effecten van deze vervolgstappen. Tevens is de Kamer in aanloop naar het commissiedebat over Goed bestuur en toezicht in de zorg op 24 september 2026 door de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV) geïnformeerd over aanvullende maatregelen tegen ondermijning in de zorg en over actuele ontwikkelingen in de aanpak van zorgfraude6.
Het aanstaande onbegeleid verlof van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over de kennelijk aanstaande vrijlating van Appie A. en het daaropvolgende commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen van 5 oktober 2022?1
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Nabestaanden in shock omdat Appie A. vrij rond mag lopen in de samenleving?»2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat een levenslanggestrafte vanaf 25 jaar detentie in aanmerking kan komen voor toelating tot de re-integratiefase. De re-integratiefase is een voortraject dat deel uitmaakt van de herbeoordelingsprocedure van de levenslange gevangenisstraf3 en bestaat uit het stapsgewijs en gecontroleerd werken aan een eventuele terugkeer in de samenleving. Na toelating tot de re-integratiefase is het mogelijk om re-integratieverlof toegewezen te krijgen, eerst begeleid en later mogelijk onbegeleid (afhankelijk van hoe eerdere verloven zijn verlopen). Verloven vormen een belangrijk onderdeel van de voorbereiding op een mogelijke terugkeer in de samenleving.
Als verantwoordelijk bewindspersoon beslis ik of iemand wordt toegelaten tot de re-integratiefase. Dit doe ik naar aanleiding van (vervolg)advisering door het Adviescollege levenslanggestraften (ACL). Wanneer iemand is toegelaten tot de re-integratiefase, is artikel 20d van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (Rtvi) van toepassing om te bepalen of en wat voor verlof wordt verleend, danwel de Verlofregeling TBS indien de levenslanggestrafte in het kader van de re-integratiefase in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) verblijft.
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze verlofbeslissing?
Over verlofbeslissingen ten aanzien van individuele gedetineerden wordt uw Kamer niet geïnformeerd.
Klopt het dat uw ambtsvoorganger excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden in deze zaak voor de gebrekkige communicatie in aanloop naar het besluit tot toelating tot de re-integratiefase in 2022 en concrete toezeggingen heeft gedaan over hoe de nabestaanden zouden worden gehoord over verlof?
In algemene zin geldt dat slachtoffers en nabestaanden die dat wensen, kunnen deelnemen aan een slachtoffer- en nabestaandenonderzoek uitgevoerd door Slachtofferhulp Nederland ten behoeve van de advisering van het ACL. Verder kunnen slachtoffers en nabestaanden desgewenst gehoord worden door het ACL. Deze inbreng wordt betrokken bij het advies dat ik van het ACL ontvang over de aanvang van eventuele re-integratieactiviteiten.4 Over dit besluit worden slachtoffers en nabestaanden desgewenst geïnformeerd door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).
Ten aanzien van eventueel verlof geldt dat slachtoffers en nabestaanden door het CJIB worden geraadpleegd over hun beschermingsbehoefte, zodat daar rekening mee kan worden gehouden bij het opleggen van voorwaarden. Slachtoffers en nabestaanden worden vervolgens door CJIB geïnformeerd over de verlofmachtiging en eventueel daarbij opgelegde beschermende voorwaarden, zoals een contact- of locatieverbod.
Mijn ambtsvoorgangers en mijn ambtenaren hebben verschillende gesprekken gevoerd met slachtoffers en nabestaanden en daarbij geconstateerd dat verbeteringen in de informatievoorziening nodig waren.5 Sindsdien is ingezet op toegankelijke informatievoorziening over de herbeoordelingsprocedure en duidelijke communicatie met slachtoffers en nabestaanden daarover.
Zijn in tegenstelling tot 2022 nu wel alle nabestaanden in deze zaak gehoord voordat de beslissing werd genomen om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Op grond van welke adviezen over de veiligheidsrisico’s heeft u dit besluit genomen?
De advisering over het al dan niet laten aanvangen van re-integratieactiviteiten door een levenslanggestrafte vindt plaats op basis van de criteria zoals genoemd in het vierde lid, artikel 4 van het Besluit ACL, waarmee onder andere wordt getoetst of er sprake is van recidiverisico of delictgevaarlijkheid. Het ACL vraagt ten behoeve van de advisering bij diverse instanties stukken op. Het gaat in het bijzonder om het strafdossier, het volledige detentiedossier, veiligheidsinformatie (er wordt onder andere gekeken of er signalen zijn van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie en/of de gedetineerde (nog) onderdeel uitmaakt van een crimineel samenwerkingsverband), eventuele medische gegevens, eerdere Pro Justitia- en reclasseringsrapportages en gratiedossiers. Verder ontvangt het ACL rapportages van het Pieter Baan Centrum, naar aanleiding van observatieonderzoek aldaar, en Reclassering Nederland.
Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 4 geldt verder dat wanneer iemand is toegelaten tot de re-integratiefase, artikel 20d van de Rtvi van toepassing is om te bepalen of verlof wordt verleend. Als onderdeel van de diverse beoordelingscriteria voor het tijdelijk verlaten van de inrichting wordt onder de Rtvi, naast eerder genoemde rapportages, onder andere gebruik gemaakt van de informatie die voortkomt uit het instrument Risicoscreener Geweld. Indien de levenslanggestrafte in het kader van de re-integratiefase in een FPC verblijft en dus de Verlofregeling TBS van toepassing is, adviseert het Adviescollege Verloftoetsing TBS (AVT) aan de hand van een verlofaanvraag waarin de veiligheidsrisico’s zijn beschreven door het FPC.
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in het besluit om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 en 6 geldt ten aanzien van eventueel verlof in algemene zin dat slachtoffers en nabestaanden door het CJIB worden geraadpleegd over hun beschermingsbehoefte, zodat daar rekening mee kan worden gehouden bij het opleggen van voorwaarden. Slachtoffers en nabestaanden worden vervolgens door CJIB geïnformeerd over de verlofmachtiging en eventueel daarbij opgelegde beschermende voorwaarden, zoals een contact- of locatieverbod.
Welke voorwaarden zijn verbonden aan het verlof van Appie A. en hoe is het toezicht op de naleving van deze voorwaarden georganiseerd?
Ik ga zoals eerder aangegeven niet in op vragen over een individuele casus. Als sprake is van verlof van een levenslanggestrafte, kan het van geval tot geval verschillen welke bijzondere voorwaarden daaraan worden verbonden. Dat kan bijvoorbeeld een locatie- of contactverbod zijn. Toezicht op voorwaarden kan variëren afhankelijk van het soort voorwaarde. Conform artikel 20d Rtvi geldt dat verloven vanuit de PI geschieden onder elektronisch toezicht. De politie heeft een handhavende rol ten aanzien van de vrijheidsbeperkende bijzondere voorwaarden en bij nieuwe strafbare feiten.
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Gratie kan worden verleend als aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend (art. 2, onder b, van de Gratiewet). Over eventuele gratieverlening wordt advies gevraagd aan het Openbaar Ministerie en het gerecht dat de straf of maatregel heeft opgelegd. Het advies van het gerecht weegt zwaar en is daarmee in beginsel leidend. Wanneer niet wordt voldaan aan het criterium voor gratie, wordt de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf voortgezet.
Bent u voornemens de Kamer te informeren bij een positieve voordracht tot gratie in deze zaak net als uw ambtsvoorganger? Zo ja/nee, waarom?
Ook hier geldt het uitgangspunt dat ik niet inga op individuele gevallen. Zodoende ben ik niet voornemens uw Kamer te informeren bij een (positieve voordracht tot) gratieverlening.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorganger om in gesprek te gaan met de nabestaanden?
Het CJIB onderhoudt contact met slachtoffers en nabestaanden in de fase van tenuitvoerlegging. Mochten slachtoffers en nabestaanden er daarnaast behoefte aan hebben, dan kunnen zij in gesprek met ambtenaren van mijn ministerie. Zij kunnen dit dan bij het CJIB kenbaar maken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de voorziene verlofdatum van 22 juli 2026 beantwoorden?
Ik heb de vragen zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord. De beantwoording heeft zo snel als mogelijk plaatsgevonden.
Nederlandse staatsburgers in dienst van het Israëlische leger en mogelijke betrokkenheid bij internationale misdrijven |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Investico waaruit blijkt dat ten minste 645 Nederlandse paspoorthouders in het Israëlische leger (IDF) dienen, en dat meer dan twintig Nederlanders sinds oktober 2023 naar Israël zijn afgereisd om dienst te nemen?1
Ja.
Deelt u de zorg dat, gegeven het optreden van het IDF in Gaza – dat uw ministerie meermaals heeft gekwalificeerd als in strijd met het internationaal humanitair oorlogsrecht – én de aanwezigheid van honderden Nederlandse staatsburgers in het IDF, Nederlanders mogelijk betrokken zijn geweest bij het plegen van oorlogsmisdrijven? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid dat Nederlanders, waar dan ook ter wereld, bijdragen aan internationale misdrijven is altijd een punt van aandacht. Daarom heeft Nederland ook rechtsmacht over internationale misdrijven die door Nederlanders in het buitenland worden gepleegd.
Deelt u de juridische opvatting dat voor de kwalificatie en de ernst van eventueel door Nederlanders gepleegde oorlogsmisdrijven geen relevant onderscheid bestaat op basis van het verband waarin deze zijn gepleegd, en dat de aard van de relatie die Nederland onderhoudt met het land of de organisatie in kwestie derhalve niet relevant is? Zo nee, op welke rechtsgrond maakt u dat onderscheid?
Ja. Het internationaal recht maakt alleen een relevant juridisch onderscheid tussen oorlogsmisdrijven begaan in een internationaal gewapend conflict en die begaan in een niet-internationaal gewapend conflict. Voor de ernst of strafbaarheid maakt het niet uit tot welke strijdende partij de verdachte behoort; de Wet internationale misdrijven maakt in de strafbaarstellingen geen onderscheid naar zijde van het conflict en ook de aard van de relatie die Nederland onderhoudt met het land of de partij in kwestie is juridisch niet relevant.
Deelt u de opvatting dat áls Nederlandse staatsburgers betrokken zijn bij het plegen van oorlogsmisdrijven – in het IDF of in enig ander verband – het onwenselijk is dat dit straffeloos passeert, en dat daarbij geen onderscheid gemaakt mag worden op grond van de politieke relatie die Nederland met het betreffende land onderhoudt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Voorop gesteld moet worden dat het kabinet vindt dat het internationaal recht door eenieder moet worden nageleefd en dat straffeloosheid voor internationale misdrijven onaanvaardbaar is, ongeacht het verband waarin deze worden gepleegd en ongeacht de politieke relatie die Nederland met het betreffende land onderhoudt. De bestrijding van straffeloosheid voor internationale misdrijven middels het strafrecht is al jaren een speerpunt van het kabinet. Dit omvat nadrukkelijk ook gevallen waarbij Nederlanders als (mogelijke) verdachten in beeld komen. Het is daarbij telkens aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van voldoende bewijs van mogelijke individuele strafbare betrokkenheid bij internationale misdrijven en of opsporing en (vervolgens) vervolging opportuun is.
Erkent u dat Nederland op grond van de Wet Internationale Misdrijven verplicht is mogelijke oorlogsmisdrijven door Nederlandse staatsburgers te onderzoeken en zo nodig te vervolgen, ongeacht waar en in wiens dienst deze zijn gepleegd? Zo nee, waarom niet?
De Wet internationale misdrijven verklaart de Nederlandse strafwet van toepassing op Nederlanders die buiten Nederland internationale misdrijven plegen. Daarmee kunnen mogelijke oorlogsmisdrijven gepleegd door Nederlanders worden opgespoord en vervolgd, ongeacht de locatie of in wiens dienst zij zijn gepleegd. Daarnaast vloeien uit verschillende internationale verdragen bepaalde verplichtingen voort waar het gaat om onderzoek naar personen die zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven. Dit schept echter geen onvoorwaardelijke plicht om in elk individueel geval tot opsporing en vervolging over te gaan. Het is aan het Openbaar Ministerie om per geval te beoordelen of sprake is van mogelijk individueel strafbaar handelen, of er voldoende aanknopingspunten zijn voor strafrechtelijk onderzoek en, zo ja, of opsporing en vervolging opportuun zijn. Hierbij handelt het Openbaar Ministerie binnen de geldende wettelijke en verdragsrechtelijke kaders en met inachtneming van het opportuniteitsbeginsel.
Kunt u, nu het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft bevestigd dat mediaberichtgeving kan gelden als aanleiding voor onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse onderdanen bij internationale misdrijven,2 uitleggen op welke grond de uitgebreide nationale en internationale berichtgeving over het optreden van het IDF in Gaza én de gerapporteerde aanwezigheid van enkele honderden Nederlandse staatsburgers in het IDF nog niet heeft geleid tot een proactief onderzoek naar mogelijke betrokkenheid van Nederlandse staatsburgers bij oorlogsmisdaden?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen. Zie het antwoord op vraag 5.
In zijn algemeenheid kan daarnaast het volgende worden opgemerkt. Zoals ook is opgenomen in de meest recente Rapportage internationale misdrijven3, is het niet ongebruikelijk dat in het belang van het onderzoek aan het instellen van strafrechtelijk onderzoek in geval van internationale misdrijven geen ruchtbaarheid wordt gegeven. De opsporing van internationale misdrijven is complex en kan tijdrovend zijn, en vaak kan pas brede bekendheid worden gegeven aan een strafrechtelijk onderzoek als er voldoende bewijs voorhanden is om over te gaan tot aanhouding en strafvervolging.
Bent u bereid om, ook in afstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid, een extra inspanning te leveren om mogelijke betrokkenheid van individuele Nederlanders bij ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht in Gaza, op de Westelijke Jordaanoever en in Zuid-Libanon beter in beeld te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid, nu de Israëlische krijgsmacht heeft geweigerd informatie te verstrekken over Nederlandse staatsburgers die in het IDF dienen of hebben gediend,3 deze weigering aan de orde te stellen in bilateraal diplomatiek overleg met Israël en aan te dringen op alsnog verstrekking van die informatie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet merkt op dat dienstneming in de IDF door Nederlanders op zichzelf geen strafbaar feit is.
De medische inzetbaarheid binnen de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving van Nieuwsuur over tekortkomingen binnen de medische ondersteuning van de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB)?1
Klopt het dat medisch opgeleide persoonsbeveiligers gedurende langere tijd onvoldoende konden trainen en daardoor niet langer voldeden aan de vereiste medische bevoegdheden en bekwaamheidseisen? Zo ja, hoeveel medewerkers betrof dit?
Klopt het dat sinds eind 2025 trainingen, opleidingen of hercertificeringen voor medische persoonsbeveiligers niet of onvoldoende hebben plaatsgevonden? Zo ja, wat waren hiervan de oorzaken?
Wanneer zijn de korpsleiding, de leiding van de DKDB en het ministerie voor het eerst geïnformeerd over deze problemen en welke maatregelen zijn sindsdien genomen?
Klopt het dat het ontbreken van voldoende trainers, opleidingscapaciteit of organisatorische aansturing heeft bijgedragen aan het ontstaan van deze situatie? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
In hoeverre hebben personeelstekorten, capaciteitsproblemen of organisatorische keuzes binnen de politie een rol gespeeld bij het uitblijven van trainingen en het vervallen van medische bevoegdheden?
Kunt u uitsluiten dat de beveiliging van bewindspersonen, leden van het Koninklijk Huis of andere zwaar beveiligde personen door deze tekortkomingen in het gedrang is gekomen? Zo nee, waarom niet?
Acht u het aanvaardbaar dat juist de dienst die verantwoordelijk is voor de beveiliging van de meest bedreigde personen van Nederland kampt met tekortkomingen op het gebied van opleiding, training en medische inzetbaarheid? Zo ja, waarom?
De toename van explosies in woonwijken |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de recente explosies in Amsterdam, Breda, Poortugaal, Eindhoven en Spijkenisse en het beeld dat explosies in woonwijken steeds vaker voorkomen en zich op sommige locaties herhalen?
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving en ook met het beeld dat op sommige locaties persoonsgerichte aanslagen met explosieven in woonwijken zich herhalen.
Hoeveel explosies en pogingen daartoe hebben in de afgelopen tien jaar plaatsgevonden in woonwijken? Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, politieregio en naar (vermoedelijk) motief?
Vanaf 2023 nam het aantal aanslagen met explosieven enorm toe. Naar aanleiding van deze toename heeft de politie op centraal niveau een landelijke definitie vastgesteld en is het aantal aanslagen met explosieven op uniforme wijze vastgelegd. De aantallen worden door de politie uitgesplitst naar (pogingen tot) aanslagen op woningen, bedrijven, voertuigen, infrastructuren en een categorie «overige» (tabel 1). Ook wordt het aantal (pogingen tot) aanslagen per politie-eenheid bijgehouden (tabel 2). Het (vermoedelijke) motief van de aanslag wordt meestal later duidelijk, omdat dit meestal moet worden herleid uit verhoren of digitale gegevensdragers (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5). In diverse opsporingsonderzoeken is zicht verkregen op (vermoedelijke) motieven. Deze variëren van sociale en zakelijke tot criminele conflicten (bijvoorbeeld een rancuneuze ex-partner, conflicten tussen criminele jeugdgroepen, een ruzie over een partij drugs). Voor een groot deel van de (pogingen tot) aanslagen is het motief onbekend.
Jaar
(poging) Aanslag woning
(poging) Aanslag bedrijf
(poging) Aanslag voertuig
(poging) Aanslag infra
(poging) Aanslag overige
Totaal
2023
599
196
85
1
21
2024
1.122
230
152
1
38
2025
1.043
254
203
4
30
117
53
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
29
40
95
110
208
93
249
36
15
27
902
68
126
192
194
269
166
304
86
91
47
1.543
83
172
239
163
200
159
267
129
71
51
1.534
24
65
104
49
102
57
84
48
24
24
581
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
Hoe heeft het aantal explosies en pogingen daartoe in woonwijken zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld en welke mogelijke trend ziet u daarin voor de komende jaren? Kunt u daarbij aangeven welke factoren volgens politie, het Openbaar Ministerie en andere betrokken instanties bijdragen aan deze ontwikkeling?
Het aantal aanslagen met explosieven en pogingen daartoe wordt door de politie niet uitgesplitst op woonwijkniveau. Wel wordt het aantal (pogingen tot) aanslagen vastgelegd op het niveau van politie-eenheid (tabel 2) en het aantal (pogingen tot) aanslagen per objecttype (tabel 1).
Op landelijk niveau was in 2024 een aanzienlijke stijging van de aantallen ten opzichte van het jaar 2023 waarneembaar. In 2025 lag het aantal (pogingen tot) aanslagen iets lager dan in 2024. In de eerste zes maanden van 2026 zet deze daling door. Met 581 (pogingen tot) aanslagen met explosieven in Nederland zijn dit er 124 minder dan in de eerste zes maanden van 2025. Het Offensief tegen Explosies (hierna: Offensief) ligt daarmee op koers om in 2026 een afname van 10% te realiseren.1
De factoren die bijdragen aan de ontwikkeling van de explosieproblematiek zijn met name de brede beschikbaarheid van het middel (waaronder zwaar vuurwerk met flitspoeder), de opdrachtgevers en tussenpersonen die regelmatig buiten beeld blijven en de toegankelijke wijze waarop jongeren (veelal jongeren in een kwetsbare positie) worden gerekruteerd om aanslagen te plegen. De faciliterende rol en het anonieme en afgeschermde karakter van digitale platforms spelen een belangrijke rol bij het rekruteren van jongeren door opdrachtgevers en tussenpersonen ten behoeve van het plegen van aanslagen en bij de online handel in illegaal vuurwerk. Om deze redenen hebben de partners van het Offensief hun aandacht en samenwerking in 2026 met prioriteit op deze factoren gericht. De inzet op de andere onderdelen van de aanpak blijft hierbij ongewijzigd.
Hoe beoordeelt u de maatschappelijke impact van deze ontwikkeling op bewoners, in het bijzonder in buurten waar herhaaldelijk explosies plaatsvinden en gevoelens van onveiligheid langdurig aanwezig blijven?
De gevolgen van explosies zijn zeer ingrijpend voor slachtoffers, hun families, buurtbewoners en ondernemers, met soms zelfs dodelijke slachtoffers, ernstig letsel of enorme schade tot gevolg. Een explosie heeft dan ook een enorme impact op de veiligheidsgevoelens bij bewoners, omwonenden en andere burgers in en betrokkenen bij de getroffen wijken.
Ondanks de huidige daling blijven explosies een ernstig veiligheidsprobleem. Ik zet mij met het Offensief daarom onverminderd in voor een duurzame afname van het aantal aanslagen op woningen, bedrijven en voertuigen. Gemeenten worden vanuit het Offensief ondersteund bij een stevige lokale aanpak en bij de nazorg voor slachtoffers en omwonenden (zie hiertoe ook de beantwoording van de vragen 7 en 8).
Hoe verklaart u dat in meerdere gevallen in korte tijd opnieuw explosies konden plaatsvinden in dezelfde straat of directe omgeving, zoals recent in Breda, Poortugaal en Spijkenisse?
In geval van lokale veiligheidsproblematiek, zoals de explosies in Breda, Poortugaal en Spijkenisse, is het aan de veiligheidsdriehoek om op basis van de beschikbare feiten passend op te treden. Het achterhalen van het doelwit en het exacte motief achter incidenten met explosieven is voor de politie in de praktijk vaak complex. Betrokkenen zijn geregeld terughoudend in het verstrekken van informatie. Daarnaast bemoeilijkt de specifieke locatie, zoals een gedeeld portiek, soms het identificeren van het beoogde doelwit. Ook incidenten op basis van foutieve informatie, zoals persoons- of adresverwarring, komen voor, waardoor het daadwerkelijke motief vaak onduidelijk blijft. Deze specifieke factoren maken het lastig om de kans op een herhaalaanslag in te schatten.
De prioriteit van de politie in deze aanpak, ligt bij het direct opsporen en aanhouden van de uitvoerders en tussenpersonen. Dit vergroot de kans om tot de achterliggende opdrachtgevers te komen. En daarmee mogelijk bij het motief voor de aanslag. Technologische hulpmiddelen, zoals camera’s, worden ingezet om de effectiviteit van de opsporing te verhogen en eventuele herhaalaanslagen te voorkomen.
Beschikken gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie momenteel over een eenduidige werkwijze voor risicobeoordeling en opvolging na een eerste explosie om herhaling te voorkomen? Zo ja, hoe ziet die eruit en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Er bestaat geen eenduidige werkwijze voor risicobeoordeling en opvolging na een eerste explosie om herhaling te voorkomen. Dit komt omdat de lokale context waarin de aanslagen met explosieven plaatsvinden zeer divers is. De opvolging is afhankelijk van die context en vergt dus maatwerk. Wel wordt steeds per incident, op basis van de lokale context, beoordeeld welke maatregelen in dat specifieke geval genomen kunnen en zullen worden, bezien vanuit opportuniteit, subsidiariteit en aanwezige middelen. Op basis hiervan zet de burgemeester het bestuurlijk instrumentarium in (bijvoorbeeld sluiting van een woning of bedrijfslocatie), en besluiten de politie en het OM tot eventuele additionele maatregelen (bijvoorbeeld cameratoezicht of extra surveillance). In sommige gevallen is de NCTV betrokken in het kader van het Stelsel Bewaken en Beveiligen. De veiligheidscontext wordt onder andere bepaald door een inschatting van veiligheidsrisico’s door de politie. Andere factoren zijn ook van invloed op de in te zetten maatregelen, zoals de aanwezigheid van minderjarigen op locatie. Na een aantal dagen wordt binnen de driehoek beoordeeld of de maatregelen moeten worden aangepast, beëindigd of voortgezet.
Welke concrete maatregelen worden direct ingezet nadat sprake is van een explosie bij een woning, bijvoorbeeld op het gebied van beveiliging, toezicht, informatievoorziening en bescherming van bewoners en omwonenden?
Zoals is beschreven in het antwoord op vraag 6, is de inzet van maatregelen sterk afhankelijk van de lokale context. Ter ondersteuning van de bestuurlijke aanpak, heeft het Offensief op 6 november 2025 het «Landelijk handelingskader bij aanslagen met explosieven» gepubliceerd,2 dat is opgesteld door gemeenten, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de politie, het Openbaar Ministerie (OM), het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), woningcorporaties en het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het handelingskader is gebaseerd op ervaringen en best practices van deze partners. Het bevat praktische en juridische handvatten voor het opzetten van een effectieve aanpak bij aanslagen op woningen, bedrijfspanden en voertuigen. Per fase van een aanslag, vooraf preventief, bij dreiging van een (herhaal)aanslag, direct na een incident en nazorg, wordt in het handelingskader aandacht besteed aan bestuurlijke bevoegdheden, praktische handelingen, concrete maatregelen en zorg voor slachtoffers en omwonenden. Denk aan het inrichten van noodopvang en slachtofferhulp en tijdige, eenduidige informatieverschaffing. Het handelingskader belicht de complexe afwegingen die gepaard gaan met besluitvorming in dergelijke situaties.3
Welke juridische, bestuurlijke en operationele instrumenten hebben burgemeesters op dit moment om op te treden na een explosie en acht u dat instrumentarium toereikend?
In het, bij vraag 7 genoemde, «Landelijk handelingskader bij aanslagen met explosieven» is opgenomen welke juridische, bestuurlijke en operationele instrumenten burgemeesters momenteel hebben om op te treden bij een dreiging van en na een aanslag met explosieven. Daarnaast is het «Overzicht bestuurlijke bevoegdheden. Bij aanslagen op woningen, bedrijfspanden en voertuigen» gepubliceerd in 2025.4 Hierin wordt het bestuurlijk-juridisch instrumentarium van de burgemeester uiteengezet, dat ook na een explosie kan worden ingezet. In het overzicht wordt tevens inzicht gegeven in het overwegingskader en de voor- en nadelen van de inzet van de verschillende bevoegdheden. Dit overzicht is ook opgenomen in het landelijk handelingskader. Tot op heden heb ik geen signalen ontvangen dat burgemeesters niet uit de voeten kunnen met de huidige bevoegdheden.
Hoeveel explosiezaken zijn in de afgelopen tien jaar opgehelderd? Dat wil zeggen: hoe veel verdachten zijn aangehouden en in hoeveel zaken is het daadwerkelijk gekomen tot een veroordeling?
2023
219
2024
449
2025
472
20262
261
Het aantal ingezonden verdachten is niet gelijk aan het aantal aangehouden verdachten in dat jaar. Dit wordt verklaard door de tijd die tussen een aanhouding en inzending zit.
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
Vanaf 2023 is het aantal aanhoudingen voor en het aantal ingezonden verdachten van (pogingen tot) aanslagen met explosieven bijgehouden (tabel 3 en tabel 4). Het aantal ingezonden verdachten is niet gelijk aan het aantal aangehouden verdachten in datzelfde jaar. Dit wordt verklaard doordat bij opsporingsonderzoeken sprake is van een langere doorlooptijd tussen aanhouding en inzending. Het kan zo zijn dat het dossier van een verdachte die in 2024 is aangehouden in 2025 wordt ingezonden. Ook leidt niet elke aanhouding uiteindelijk tot een inzending, bijvoorbeeld in geval van onvoldoende bewijs. Tot op heden betreffen de geregistreerde, openbaar gemaakte, cijfers alleen politiegegevens. Het OM gaat in kaart brengen op welke manier zaken worden afgedaan, bijvoorbeeld via een sepot, een OM-strafbeschikking of een gerechtelijke zitting. Dit wordt meegenomen in de openbaarmaking van de cijfers over 2026. Het totaal aantal daadwerkelijke veroordelingen door de strafrechter voor een (poging) tot aanslagen met explosieven is niet bekend.
Acht u de huidige opsporings- en vervolgingscapaciteit binnen politie, forensische opsporing en het Openbaar Ministerie voldoende om explosiezaken snel en zichtbaar af te handelen? En zo ja, waar blijkt dat uit?
De explosieproblematiek is een van de prioriteiten van het OM en de politie. Hierbij wordt door politie en OM al enkele jaren gewerkt met een landelijke aanpak die in elke eenheid wordt toegepast. Er wordt voortdurend gewerkt aan een betere samenhang in de aanpak. Hoewel de beschikbare capaciteit van de politie en het OM verdeeld moet worden over een groot aantal veiligheidsdomeinen, gaat dit niet ten koste van de zaken waarin (pogingen tot) aanslagen met explosieven worden gepleegd.
Momenteel is er binnen de politie een landelijke coördinatietafel Explosievenproblematiek operationeel en is er een inventarisatie gemaakt van lopende activiteiten in alle eenheden. Er wordt in het hele land veel inzet gepleegd op de explosieproblematiek: van de recherche in basisteams tot aan de rechercheteams bij de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies (LO) en de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties (LX). De opsporingsonderzoeken richten zich vaak op meerdere explosies en eventuele verbanden. De onderzoeken hebben de doelstelling ook de opdrachtgevers in beeld te krijgen en te vervolgen. De meeste aanhoudingen betreft uitvoerders. Diverse teams lukt het om bij meerdere (herhaal)explosies beter zicht te krijgen op plegers, medeplegers, tussenpersonen en opdrachtgevers en diverse aanhoudingen te verrichten. Dit is meestal alleen mogelijk naar aanleiding van onderzoek op basis van de inhoud van inbeslaggenomen digitale gegevensdragers zoals telefoons en laptops (zoals chats).
Hoe vaak waren in de afgelopen tien jaar minderjarigen of jongvolwassenen betrokken bij explosiezaken en welke inzichten bestaan over de rekrutering van jongeren voor dit type geweld?
Het aantal ingezonden verdachten is niet gelijk aan het aantal aangehouden verdachten in dat jaar. Dit wordt verklaard door de tijd die tussen een aanhouding en inzending zit.
Dit zijn de cijfers van januari t/m juni 2026.
Sinds de opkomst van de explosieproblematiek blijken bij veel incidenten minderjarigen of jongvolwassenen betrokken te zijn (tabel 4). De rekrutering van (jonge) uitvoerders verloopt deels via social media platforms en deels via sociale netwerken. Recent onderzoek van Politie & Wetenschap naar de rol van social media bij de betrokkenheid van jongeren bij zware en georganiseerde drugs- en geweldscriminaliteit laat zien dat rekrutering van jongeren voornamelijk via het (in)directe sociale netwerk plaatsvindt, waarbij online en offline in elkaar overlopen.5 Dit komt overeen met eerder onderzoek naar plegers van aanslagen met explosieven: betrokkenheid verloopt meestal via bekenden (familie, school- of buurtgenoten) en criminele klussen worden vooral via dat netwerk aangeboden, zowel off- als online.6 Uit het onderzoek van Politie & Wetenschap blijkt ook dat uit een representatieve streekproef van jongeren tussen de 16 en 27 jaar 80% aangaf nooit oproepen op sociale media gezien te hebben voor het plegen van een drugs- of geweldsdelict. Van de respondenten gaf 6,1% aan ooit te zijn benaderd.
In de opsporing en vervolging is er ook aandacht voor mogelijke uitbuiting van (jonge) uitvoerders. Een groot deel van deze, vaak minderjarige uitvoerders, verkeert in een kwetsbare positie en kunnen naast dader ook slachtoffer zijn. In verschillende onderzoeken wordt criminele uitbuiting ten laste gelegd aan de verdachten die de uitvoerders hebben ingeschakeld of aangestuurd.
Welke interventies worden ingezet om te voorkomen dat jongeren worden ingezet voor intimidatie, geweld en explosies en hoe wordt de effectiviteit van die aanpak beoordeeld?
Het kabinet investeert in de landelijke aanpak van jeugdcriminaliteit via de aanpak van High Impact Crimes (waaronder aanslagen met explosieven). Hierbij is specifieke aandacht voor het tegengaan van rekrutering voor criminele activiteiten zoals het plegen van aanslagen met explosieven. Hiervoor wordt er bij voorkeur ingezet op kansrijke en bewezen effectieve interventies die multimodaal zijn (gericht op meerdere risico- en beschermende factoren) en die langdurig met een mentor voor de jongeren wordt ingezet. Voorbeelden zijn de bewezen effectieve gedragsinterventie Alleen jij bepaalt wie je bent (AJB) en de kansrijke interventie Integrale Persoonsgerichte Toeleiding naar Arbeid (IPTA), waarbij bekende risicofactoren worden aangepakt en beschermende factoren worden gestimuleerd en daarmee jongeren kansen en perspectief biedt.
Daarnaast is er het programma Preventie met Gezag, structureel in 27 gemeenten en tot en met 2027 in 20 incidentele gemeenten. Deze inzet is gericht op het voorkomen dat jongeren met criminaliteit in aanraking komen, daarin terecht komen en doorgroeien. Zo worden justitiepartners als de reclassering en de Rechtspraak in het kader van PmG gefinancierd om te voorkomen dat jongeren worden ingezet door criminelen of zelf doorgroeien tot ronselaars. Politie en OM pakken bijvoorbeeld ronselaars en opdrachtgevers aan die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten. Deze vorm van mensenhandel is strafbaar gesteld in het wetboek van strafrecht artikel 273f. Ook is er binnen het programma aandacht voor de ondersteuning van jongeren die vastzitten in de criminaliteit of worden benaderd voor het plegen van criminele klussen. Hiervoor financiert mijn ministerie vanuit de online chat Keerpunt. Via Keerpunt kunnen jongeren anoniem chatten met een hulpverlener. Wanneer nodig wordt een jongere hulp aangeboden in zijn of haar regio.
Vanuit het Offensief wordt aangesloten bij lopende initiatieven en projecten en wordt de explosieproblematiek hierin opgenomen, voor zover daar specifiek aandacht voor nodig is. Via het Offensief is op scholen en sportclubs en aan de deelnemers van de gedragsinterventie AJB een extra workshop aangeboden om jongeren bewust te maken van de risico’s van (online) rekrutering voor en het plegen van een aanslag met explosieven. Daarnaast wordt communicatie ingezet om de kennis en bewustwording over dit onderwerp te vergroten.
Voor 2026 is het terugdringen van (jonge) uitvoerders een van de drie benoemde prioriteiten van het Offensief. Hiervoor worden gerichte acties, maatregelen en gedragsinterventies op elkaar afgestemd en ingezet met als doel het aantal uitvoerders terug te dringen en daarmee bij te dragen aan de bredere aanpak van jeugdcriminaliteit. Voor de inzet van gedragsinterventies voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden de richtlijnen vanuit het landelijk kwaliteitskader «effectieve interventies ter preventie van jeugdcriminaliteit»7 toegepast. Voor enkele acties wordt er samengewerkt met de wetenschap zodat de aanpak afgestemd is op de doelgroep en kan worden gemonitord ten behoeve van een effectieve aanpak. Er start bijvoorbeeld een pilot conflictbemiddeling om oplopende spanningen en conflicten tussen (groepen) jongeren tijdig te de-escaleren, wat zou moeten leiden tot minder excessieve geweldsincidenten waar jongeren bij betrokken zijn, waaronder het plegen van aanslagen met explosieven.
De effecten van deze, maar ook andere acties, maatregelen en gedragsinterventies worden op langere termijn zichtbaar. Het realiseren van effect, gedragsverandering en sociale ontwikkeling hebben tijd nodig, evenals de uitvoering van betrouwbaar effectiviteitsonderzoek. Hiervoor dient een aanpak of werkwijze (met jongeren) langdurig, integer en intensief te worden gemonitord.
Heeft u voldoende zicht op de herkomst, handel en verspreiding van de explosieve middelen die worden gebruikt bij deze incidenten?
Door de samenwerking met nationale en internationale partners en de uitvoering van opsporingsonderzoeken ontstaat er steeds beter zicht op de herkomst, handel en verspreiding van de explosieve middelen. De politie werkt aan een nieuwe analyse over handel en opslag van zwaar vuurwerk. Deze wordt in het najaar openbaar gemaakt en naar de Tweede Kamer gestuurd.
De aanpak van seksueel kindermisbruik in Nederland |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de verdenkingen van seksueel misbruik van minderjarige kinderen op een basisschool in Zoetermeer? Deelt u de opvatting dat deze zaak opnieuw duidelijk maakt welke verstrekkende gevolgen seksueel misbruik heeft voor slachtoffers, hun ouders en de betrokken gemeenschap?
Kunt u aangeven hoeveel minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik jaarlijks naar schatting buiten beeld blijven van politie en hulpinstanties, en welke concrete maatregelen u neemt om deze groep beter te bereiken?
Kunt u een overzicht geven van het aantal meldingen, aangiften, vervolgingen en veroordelingen wegens seksueel misbruik van minderjarigen in de afgelopen vijf jaar? Hoe beoordeelt u deze cijfers in verhouding tot de door experts en onderzoeksinstanties geschetste omvang van de problematiek?
Hoe reflecteert u op de bevinding van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat jaarlijks ten minste 20.000 Nederlandse mannen seksueel kindermisbruik plegen in het buitenland? Welke conclusies trekt u uit deze bevinding over de omvang van seksuele interesse in kinderen en het risico op seksueel misbruik door Nederlandse daders, zowel binnen als buiten Nederland?
Welke preventieve voorzieningen zijn momenteel beschikbaar voor personen die seksuele gevoelens richting minderjarigen ervaren en daarvoor hulp zoeken voordat zij strafbare feiten plegen? Is bekend hoeveel personen jaarlijks gebruik van deze voorzieningen en acht u het bereik hiervan voldoende gelet op de omvang van de problematiek die onder meer uit WODC-onderzoek naar voren komt?
Kunt u reflecteren op de conclusies van de Nationaal Rapporteur op het belang van vroegsignalering? In hoeverre zijn scholen, kinderopvangorganisaties, sportverenigingen en andere instellingen die met kinderen werken verplicht om medewerkers te scholen in het herkennen van signalen van seksueel misbruik? Kunt u een overzicht geven van alle bij u bekende preventieve maatregelen, en acht u deze voldoende?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens minderjarigen de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis zijn binnengekomen en welk percentage daarvan heeft geleid tot nader onderzoek, hulpverlening of strafrechtelijke vervolging?
Kunt u reflecteren op de bevinding van de Nationaal Rapporteur dat slachtoffers van seksueel geweld vaak pas jaren na het misbruik melding maken? Welke aanvullende maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat kinderen eerder hulp kunnen zoeken en misbruik sneller wordt gesignaleerd en gestopt?
Beschikken de politie en gespecialiseerde zedenteams volgens u over voldoende capaciteit en expertise om meldingen van seksueel misbruik van kinderen tijdig te onderzoeken? Kunt u inzicht geven in de huidige wachttijden, achterstanden en personele capaciteit binnen de zedenketen?
Kunt u uiteenzetten welke concrete en meetbare doelstellingen het kabinet hanteert voor het terugdringen van seksueel kindermisbruik in Nederland? Welke indicatoren gebruikt u om vast te stellen of het beleid daadwerkelijk leidt tot minder slachtoffers?
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht.
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid. Het wettelijk kader bevat generieke eisen voor alle deelnemende telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie.
Hieronder vallen een volledig reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief adviezen om de risico’s van het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De Inspectie Justitie & Veiligheid, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de deelnemende experimentgemeenten houden toezicht op de naleving van de eisen door de telers en de coffeeshops.
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Nee, het aantrekken van nieuwe gebruikers behoort uitdrukkelijk niet tot de doelstellingen van het experiment. Het wietexperiment heeft tot doel te onderzoeken of een gereguleerde en op kwaliteit gecontroleerde productie en distributie van cannabis mogelijk is en welke effecten dit heeft op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Het wietexperiment is ook gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid.
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 3 toegelicht.
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Normalisering van cannabisgebruik vindt het kabinet onwenselijk. Het Nederlandse drugsbeleid is daarom gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Het gebruik van drugs is namelijk nooit zonder risico’s. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf.
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 2 en 3 toegelicht.
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Het onderzoek waaraan u refereert bevestigt de ernstige zorgen over de werkwijze van de tabaks- en nicotine-industrie ten aanzien van jeugdigen. Het kabinet neemt die zorgen serieus. Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Aan het gebruik van cannabis zijn altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en, zoals in het wettelijk kader is vastgelegd, ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten worden de vervolgstappen bepaald.
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Het wietexperiment creëert uitsluitend een gereguleerde toevoer van cannabis naar de reeds bestaande coffeeshops. Het doel van het kabinet is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden. Om die reden zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren. Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Het Nederlandse drugsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Het kabinet wil vanwege deze risico’s niet dat door dit experiment meer mensen cannabis gaan gebruiken, maar beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden inzichtelijk gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium6 en kunnen bijdragen aan het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Ook zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment onderdeel zijn van dit gesprek. Het kabinet is van mening dat de mogelijke invloed van de tabaksindustrie op de cannabismarkt hier onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen expliciete bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Nee. In het coalitieakkoord is afgesproken om het wietexperiment voort te zetten. Het kabinet beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden in kaart gebracht door het onafhankelijk onderzoeksconsortium. Het is belangrijk om van deze uitkomsten te leren; deze zullen het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid immers verder brengen.
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, ik heb kennisgenomen van het jaaroverzicht 2025 van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland), dat ik ook aan uw heb Kamer aangeboden.2 Ik heb kennisgenomen van de toename van het aantal meldingen bij de FIU-Nederland over aankopen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik via cryptovaluta. Dat we hier meer zicht op krijgen is een goede ontwikkeling; het gebruik van cryptobetalingen voor beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik is zorgelijk en financiële geldstromen rondom misbruikbeelden van kinderen worden gezien als witwassen en kunnen dus leiden tot strafrechtelijke vervolging. De redenen voor de toename worden nader geschetst in het antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
FIU-Nederland signaleert in haar jaaroverzicht dat het aantal meldingen over aankopen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik via cryptovaluta het afgelopen jaar aanzienlijk is gestegen. Het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties dat de FIU-Nederland ontvangt wordt beïnvloed door diverse factoren. Denk hierbij aan de wijze van melden door meldingsplichtige instellingen of gegeven aanwijzingen door toezichthouders. In dit geval geldt dat het onderwerp meer prioriteit heeft gekregen bij aanbieders van blockchain-analysetools, die zelf ook analyses uitvoeren op de blockchain. In samenwerking met de Internet Watch Foundation labelen zij cryptoadressen die gelinkt zijn aan beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. De betreffende cryptodienstverleners ontvangen van deze aanbieders van blockchain-analysetools een melding dat hun klant cryptovaluta heeft verstuurd naar een cryptoadres dat gelabeld is als child sex abuse material (CSAM). De cryptodienstverleners melden dat op hun beurt weer als ongebruikelijke transactie bij FIU-Nederland. Indien de FIU-Nederland een ongebruikelijke transactie verdacht verklaart, wordt die verstrekt aan diverse (bijzondere) opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Door de instanties die betrokken zijn bij de strafrechtelijke opsporing en vervolging van misdrijven, waaronder beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, wordt vervolgens op uiteenlopende wijze gebruik gemaakt van de ontvangen gegevens. Onder meer als sturingsinformatie, als (onderdeel van) startinformatie voor een strafzaak of als onderdeel van bewijs in een strafzaak.
De opsporing van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik is binnen de politie belegd bij de Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK’s). In 2025 hebben er bij de TBKK’s tien onderzoeken naar online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik gelopen, die voortkwamen uit signalen over cryptobetalingen. De afgelopen jaren zijn het aantal meldingen vanuit FIU-Nederland richting TBKK en het aantal gerichte spontane verstrekkingen vanuit cryptodienstverleners toegenomen. Het is echter complex om inzichtelijk te krijgen om hoeveel meldingen het precies gaat omdat een melding vaak bestaat uit meerdere transacties, die niet allemaal gerelateerd zijn aan hetzelfde account.
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Online seksueel kindermisbruik en het gebruik van cryptovaluta daarvoor is een zorgelijk en mondiaal fenomeen. Een effectieve inzet vraagt daarom – naast de inspanningen in eigen land – ook een mondiale aanpak en samenwerking. De internationale Financial Action Taskforce (FATF), waar landen uit de hele wereld bij zijn aangesloten, richt zich daarom ook op het aanpakken van online seksuele uitbuiting van kinderen. Nederland draagt actief bij aan deze inzet.
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
De snelle opkomst van nieuwe technologieën en toenemende digitalisering brengt als schaduwzijde met zich mee dat hier ook nieuwe vormen van criminaliteit uit voortkomen. Opsporingsinstanties hebben al jaren te maken met een enorme toename van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik dat online beschikbaar komt en wordt verspreid. Ook criminele geldstromen via onder meer cryptovaluta nemen in omvang en complexiteit toe. Dit vergroot de complexiteit voor de opsporing.
Voor beide fenomenen geldt dat ze hoog op de agenda staan binnen de opsporing, zowel bij politie als het Openbaar Ministerie. De aanpak van online seksueel kindermisbruik is als geprioriteerd thema opgenomen in de huidige Veiligheidsagenda en zal ook deel uitmaken van de Veiligheidsagenda 2027–2030. In de beleidsreactie ondergronds bankieren, heb ik aangegeven me onder meer te focussen op het bestrijden van crimineel gebruik van cryptovaluta in de aanpak van ondergronds bankieren.3
De afgelopen jaren zijn diverse investeringen gedaan in de aanpak van online seksueel kindermisbruik waarmee de formatie van de TBKK’s met 26 fte is uitgebreid tot een totale formatie van 186 fte medio 2026. Hoewel de politie voortdurend werkt aan zowel de werving en selectie van politiemedewerkers als het behoud van politiepersoneel, is er sprake van een structurele onderbezetting binnen deze teams van ongeveer 20%.
De aard van het werk van de TBKK’s maakt dat het voor de politie een uitdaging is om mensen te werven en te behouden. Oorzaken hiervoor liggen in de zware mentale belasting van het werk, de strikte selectie die de politie hanteert, de hoge ICT-eisen die van deze medewerkers gevraagd wordt en het bredere capaciteitstekort binnen de politie waardoor interne doorstroom vanuit de basispolitiezorg naar specialistische opleidingen beperkt is.
Ondanks reeds genomen versterkingen zal de hoeveelheid beeldmateriaal de beschikbare capaciteit naar verwachting blijven overstijgen, waardoor prioritering in de opsporingscapaciteit noodzakelijk is en blijft.
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Sinds de Markten in Crypto-Activa verordening (MiCAR) in de Europese Unie van kracht is hoeven cryptoactivadienstverleners (CASPs) niet langer in elk land waar zij actief zijn een registratie of vergunning aan te vragen. Op basis van enkele in de EU uitgegeven vergunning, hebben zij het recht om hun diensten door de gehele EU aan te bieden. Hiervoor hoeven ze toezichthouder van de andere lidstaat alleen maar voor te notificeren. CASPs blijven verplicht ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU-Nederland. Zij hoeven echter alleen te melden aan de FIU-Nederland in het land waar zij hun vergunning hebben gekregen en niet langer in alle landen waar zij actief zijn. Via de uitwisseling van operationele gegevens met buitenlandse FIU’s blijft de informatie beschikbaar voor de FIU-Nederland.
TBKK ontvangt nog altijd meldingen van verdachte crypto-transacties, ook sinds de invoering van het EU-vergunningstelsel. Wel geldt in het algemeen dat wanneer informatie niet rechtstreeks bij de opsporingsinstanties in Nederland beschikbaar komt, het een grotere tijdsinvestering vraagt om gegevens te vorderen bij de in het buitenland gevestigde instellingen.
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Met de implementatie van de vijfde antiwitwasrichtlijn (AMLD5) in 2020 en de implementatie van de Verordening bij geldovermakingen en overdrachten van cryptoactiva te voegen informatie (TFR) in 2025 zijn CASPs onder de reikwijde van de Wwft komen te vallen. Zij zijn daardoor verplicht cliëntenonderzoek uit te voeren en ongebruikelijke transacties te melden aan de FIU-Nederland. AMLD5 wordt in juli 2027 vervangen door de zesde antiwitwasrichtlijn (AMLD6) en de antiwitwasverordening (AMLR), als onderdeel van het Europese antiwitwaspakket (AML-pakket). Daarmee wordt een meer Europees geharmoniseerd kader ingevoerd. Aan de implementatie van de AMLD6 en AMLR wordt op dit moment gewerkt.
Het raamwerk voor cryptoactiva(diensten) kent enkele factoren die beperkend werken bij het voorkomen en bestrijden van witwassen en daarom het risico op crimineel gebruik vergroten. Het gaat dan met name om diensten en activiteiten die niet gereguleerd zijn, zoals het verrichten van transacties zonder tussenkomst van een CASP of via aanbieders van cryptoactivadiensten die in het buitenland gevestigd zijn. Omdat deze transacties veelal decentraal plaatsvinden of buiten de Europese Unie zijn zij lastig te reguleren.
Het wisselen van cryptoactiva naar fiat-valuta is echter een gereguleerde dienst onder het Europese cryptoraamwerk MiCAR. Voor deze activiteit zijn de anti-witwasregels dus van toepassing. Dit is een belangrijke waarborg tegen witwassen.
Om witwasrisico’s te ondervangen moeten CASPs, net als andere meldingsplichtige entiteiten, risicogebaseerd beleid voeren in het onderzoek dat zij verrichten naar hun cliënten en het monitoren van hun transacties. Bij hogere risico’s moeten zij meer maatregelen ondernemen in het onderzoek naar hun cliënt of bij het vaststellen van ongebruikelijke transacties. Als een klant transacties via een buitenlandse CASP heeft laten verlopen of ongereguleerde transacties heeft verricht is dit bijvoorbeeld een indicatie van een hoog risico. Ook moeten CASPs bij transacties informatie over de identiteit van de verzender en begunstigde van een transactie uit wisselen, ook met instellingen die soortgelijke diensten aanbieden buiten de EU. Dit wordt ook wel de travel rule genoemd. Als buitenlandse aanbieders zich niet aan de travel rule houden moeten CASPs risicogebaseerde maatregelen treffen. De AFM ziet hierop toe.
Binnen de FATF blijft er tevens aandacht voor nieuwe ontwikkelingen en risico’s rondom cryptobetalingen. Zo wordt op dit moment verkend of er aanvullend werk en aanbevelingen nodig zijn op gebied van stablecoins en Decentralised Finance.
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
In 2024 is er een nieuw Europese anti-witwaspakket vastgesteld (AML-pakket). Onderdeel van dat pakket is de oprichting van een nieuwe Europese anti-witwasautoriteit (AMLA). AMLA heeft onder meer als taak, het opzetten, coördineren, organiseren en faciliteren van door FIU’s uit te voeren gezamenlijke analyses via zogenaamde Joint Analysis Teams (JAT’s). Het uitvoeren van dergelijke gezamenlijke analyses is bestempeld als een van de prioriteiten van AMLA. Hiertoe wordt jaarlijks een lijst met prioritaire gebieden opgesteld voor de risico gebaseerde selectie van zaken. Ook zal de AMLA inzetten op het uniformeren van de wijze waarop de Europese FIU’s informatie uitwisselen. AMLA heeft de strategische doelstelling om witwas- en terrorismefinancieringsdreigingen te voorkomen en een gelijk speelveld in de hele EU te bevorderen, ook voor de cryptodienstensector. Crypto asset service providers (CASP’s) en het toezicht daarop spelen daarom een prominente rol in het werkprogramma van AMLA. Binnen het AML-pakket wordt bovendien de noodzaak voor verdere samenwerkingen en informatie-uitwisseling benadrukt. Ook creëert het AML-pakket een grondslag voor het oprichten van partnerschappen voor informatie-uitwisseling.
Nederlands is via de FIU-Nederland en de anti-witwastoezichthouders nauw betrokken bij AMLA. Nederland draagt verder binnen de Coalitie van zeven Europese landen tegen georganiseerde criminaliteit (C7)4 bij aan kennisdeling en bewustwording over onder meer cryptovaluta.
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Ja, in Europees verband wordt door AMLA gewerkt aan een gezamenlijke aanpak voor CASPs. Het AML-pakket, dat per juli 2027 van kracht wordt, harmoniseert de regels voor het voorkomen en bestrijden van witwassen in grote mate. Dat geldt ook voor de handhavingsmogelijkheden van alle nationale toezichthouders. Het AML-pakket biedt ook nieuwe mogelijkheden voor Europese samenwerking. AMLA heeft vorig jaar in haar werkprogramma aangegeven in het bijzonder oog te hebben voor de risico’s van cryptoactiva. AMLA geeft aan dat zij van CASPs verwacht dat zij aan hoge eisen voldoen om witwassen via cryptoactiva te voorkomen. Om de aanpak van risico’s van cryptoactiva vorm te geven gaat AMLA samenwerken met de nationale toezichthouders en andere Europese autoriteiten. Daarnaast wil AMLA gezamenlijke analyses uitvoeren op informatie die tot hun beschikking staat om onder andere grens overschrijdende en opkomende risico’s met betrekking tot cryptoactiva te identificeren.
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Ja, een van de taken van de AMLA is om de Europese FIU’s bij elkaar te brengen en hun onderlinge ervaringen te delen en samenwerking te verbeteren. FIU-Nederland neemt hier ook actief aan deel, en ik steun deze ontwikkeling.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
De afgelopen jaren heeft het kabinet benadrukt dat een effectieve aanpak van online seksueel kindermisbruik vraagt om een integrale benadering waarin strafrechtelijke, bestuursrechtelijke en preventieve instrumenten elkaar versterken. Zo is naast de strafrechtelijke aanpak ook gekozen voor een bestuursrechtelijke aanpak van online beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik, onder meer via de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), die hostingbedrijven kan verplichten om materiaal van seksueel kindermisbruik te verwijderen.
Om die integrale benadering goed te kunnen vormgeven binnen de bestaande wettelijke kaders wordt reeds samengewerkt tussen opsporingsdiensten, toezichthouders en andere betrokken instanties. Daarbij speelt de Financial Intelligence Unit (FIU-Nederland) een belangrijke rol bij het ontvangen, analyseren en delen van meldingen van ongebruikelijke transacties. Signalen uit verschillende domeinen kunnen bijdragen aan het identificeren van patronen die wijzen op ernstige criminaliteit, waaronder online seksueel kindermisbruik en online seksueel geweld. Tegelijkertijd kennen financiële signalen ook beperkingen, onder meer doordat meldingen verspreid zijn over meerdere partijen in de betalingsketen en een wettelijke grondslag voor informatie-uitwisseling tussen meldingsplichtige instellingen op dit moment ontbreekt. De nieuwe Europese anti-witwasverordening die per 10 juli 2027 in werking treedt, creëert nieuwe mogelijkheden tot het delen van gegevens bij het uitvoeren van de verplichtingen uit die verordening.
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Criminaliteit heeft vaak een grensoverschrijdend en internationaal karakter. Cryptovaluta spelen hierin ook een rol. Strafrechtelijke samenwerking met andere landen (ook buiten de EU) is essentieel om dergelijke criminaliteit te bestrijden. Ik herken het beeld dat daarin uitdagingen bestaan.
Bij die samenwerking in concrete zaken geldt dat Nederland afhankelijk is van de medewerking en welwillendheid van andere landen. De vraag of dergelijke samenwerking succesvol is, hangt af van diverse factoren. De precieze aanpak verschilt per fenomeen en per land, maar ik kan wel zeggen dat Nederland zich blijft inzetten voor het opbouwen en verder versterken van de relaties met andere landen, zowel in bilateraal als multilateraal verband. Daarover sta ik in nauw contact met de relevante partners binnen Nederland.
Verder heeft Nederland, net als andere EU lidstaten, de standaarden van de Financial Action Task Force (FATF) ten aanzien van CASPs en cryptoactiva geïmplementeerd. Nederland zet zich er via de FATF actief voor in dat andere derde landen buiten de EU deze standaarden ook implementeren om te voorkomen dat risico’s ontstaan door een internationaal ongelijke implementatie van regels. Ook zet Nederland zich er via de FATF actief voor in dat de witwasrisico’s op de cryptomarkten, die zich snel ontwikkelen, nauwkeurig worden gemonitord.
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
Allereerst is het van belang dat er meer bewustzijn komt over welke mogelijke signalen kunnen wijzen op transactieverkeer dat verband houdt met online seksueel kindermisbruik. Dat begint bij cryptodienstverleners, maar geldt ook voor andere partijen in de financiële wereld, zoals banken en betaalplatformen. Om bewustwording en kennis in de financiële wereld over relevante financiële signalen die mogelijk verband houden met online seksueel kindermisbruik te vergroten, organiseerden TBKK en FIU-Nederland in 2025 een kennissessie voor banken, betaaldienstverleners en betaalplatformen.
Daarnaast ontbreekt er momenteel een wettelijke grondslag voor informatie-uitwisseling tussen poortwachters, waaronder aanbieders van cryptoactivadiensten. De nieuwe Europese anti-witwasverordening die per 10 juli 2027 in werking treedt, creëert nieuwe mogelijkheden tot het delen van gegevens bij het uitvoeren van de verplichtingen uit die verordening.
Verder is belangrijk dat er bij het detecteren, blokkeren en strafrechtelijk onderzoeken van cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik tussen TBKK en FIU-Nederland goed wordt samengewerkt, onder andere door informatie te delen en te verrijken. TBKK en FIU-Nederland starten op dit moment met een verkenning naar technische mogelijkheden waarmee de informatie uit de twee databases aan elkaar gelinkt kan worden.
Het bericht ‘Zo kochten we joints, cocaïne en een wapen via Snapchat’ |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van KRO-NCRV’s Pointer, waaruit blijkt dat via Snapchat eenvoudig joints, cocaïne en een stroomstootwapen konden worden gekocht, ook met accounts die als minderjarig waren ingesteld?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat zelfs minderjarigen via platforms zoals Snapchat in aanraking kunnen komen met dealers en gemakkelijk drugs en wapens kunnen kopen?
Ja, die opvatting deel ik. Het is zorgelijk dat minderjarigen hiermee in aanraking komen en zij moeten hiertegen worden beschermd. Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 3, zijn online platforms, zoals Snapchat, ook verplicht om minderjarigen op hun dienst doeltreffend te beschermen.
Hoe beoordeelt u de verantwoordelijkheid van Snapchat om te voorkomen dat minderjarige gebruikers via zoekfuncties, aanbevelingssystemen en algoritmes richting illegale handel worden geleid?
Snapchat is aangewezen als «zeer groot online platform» onder de digitaledienstenverordening (de Digital Services Act, hierna de DSA). Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Artikel 28 van de DSA schrijft voor dat online platforms die toegankelijk zijn voor minderjarigen passende en evenredige maatregelen dienen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen. Welke maatregelen vereist zijn verschilt per dienst, afhankelijk van de specifieke risico’s die er spelen. Deze risicobeoordeling is nader toegelicht in de Richtsnoeren inzake maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging voor minderjarigen online te waarborgen, gepubliceerd door de Europese Commissie.2
Als zeer groot online platform moet Snapchat daarnaast ten minste jaarlijks de zogenaamde systeemrisico’s beoordelen die voortvloeien uit de werking van haar dienst en de daaraan verbonden systemen – met inbegrip van algoritmische systemen – en uit het gebruik van haar dienst (artikel 34 DSA) en vervolgens passende maatregelen treffen om die risico’s te beperken (artikel 35 DSA). Deze systeemrisico’s omvatten onder meer eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten met betrekking tot de bescherming van minderjarigen. De getroffen maatregelen dienen redelijk, evenredig en doeltreffend te zijn.
In maart 2026 is de Europese Commissie, als primaire toezichthouder op de zeer grote online platformen onder de DSA, een onderzoek gestart naar kinderbescherming bij Snapchat.3 De Commissie werkt voor dat onderzoek samen met de ACM als digitaledienstencoördinator van het land waar Snapchat haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen.4 Dit onderzoek richt zich onder meer op de blootstelling van minderjarigen aan schadelijke inhoud en verkoop van illegale producten op Snapchat. Dit onderzoek loopt nog.
Welke mogelijkheden hebben de politie en het Openbaar Ministerie op dit moment om snel en streng op te treden tegen drugs- en wapenhandel via Snapchat en vergelijkbare platforms? En welke mogelijkheden biedt de Digital Services Act (DSA) daarin?
Voor wat betreft de DSA, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3. In aanvulling daarop, bevat artikel 16 van de DSA de verplichting voor hostingdiensten, waaronder online platforms, om te voorzien in kennisgevings- en actiemechanismen via welke personen of entiteiten illegale inhoud bij hen kunnen melden. Binnengekomen meldingen moeten op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze worden verwerkt. Ook de Politie en het OM maken gebruik van deze mechanismen om verwijderverzoeken in te dienen.
Indien een verwijderverzoek niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een verwijderbevel uitvaardigen om content ontoegankelijk te (laten) maken om een strafbaar feit te beëindigen of nieuwe feiten te voorkomen. Het OM kent verregaande zelfstandigheid en maakt per concreet geval een afweging over het instellen van strafrechtelijk onderzoek en de eventuele inzet van bevoegdheden.
Complicerende factor bij het aanpakken van deze problematiek, is dat de drugs- en wapenhandel op haar platform volgens Snapchat grotendeels plaatsvindt in privécommunicatie tussen gebruikers en niet op de publiek zichtbare onderdelen van het platform. Dit is relevant, omdat EU-(privacy)wetgeving en het communicatiegeheim zich verzetten tegen het proactief scannen van privécommunicatie van gebruikers.
Het optreden tegen schadelijke, wapen-, drugs- of vapegerelateerde inhoud in privécommunicatie wordt daardoor deels afhankelijk van meldingen. Immers, communicatie over strafbare feiten komt meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon door handhavingsinstanties in beslag kan worden genomen tijdens een onderzoek én kan worden gekraakt. Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan, indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat, communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft hierover gecommuniceerd aan uw Kamer op 29 augustus 2025.5
Beschikt de politie over voldoende bevoegdheden om online handel in drugs en wapens via sociale media effectief op te sporen en aan te pakken?
De huidige wetgeving biedt een basis voor de aanpak van online handel in illegale middelen zoals drugs en wapens, maar kent uitdagingen die effectieve bestrijding moeilijk maken.
Politie, justitie en toezichthouders beschikken over een breed juridisch instrumentarium als het gaat om het tegengaan van illegale content op online platforms en opsporing van offline drugshandel. Wel ziet de Minister van Justitie en Veiligheid ernstige belemmeringen bij de handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten. De belangrijkste knelpunten liggen in het gebruik van versleutelde platforms en interpersoonlijke berichtendiensten (zie ook het antwoord op vraag 4), de complexe logistiek van post- en pakketzendingen en de schaarste aan capaciteit bij opsporingsdiensten en toezichthouders.
Daarom zijn wetgeving en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden alleen niet voldoende effectief. Om de aanpak te versterken, zet het kabinet dus in op het intensiveren van samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en private partijen. Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheden voor aanvullende wet- en regelgeving om de handhavingsmogelijkheden te versterken.
Bent u van mening dat Snapchat voldoende maatregelen neemt om minderjarigen te beschermen tegen de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten?
De berichtgeving over de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten via Snapchat vind ik zeer zorgelijk. Ik beschik echter over onvoldoende informatie om te beoordelen of Snapchat voldoet aan haar verplichting om minderjarigen doeltreffend te beschermen. Het vergaren van die informatie en het oordelen daarover is aan de Europese Commissie en de ACM, als toezichthouders op de DSA. Het onderzoek naar Snapchat loopt nog. Op de uitkomst daarvan kan ik niet vooruitlopen.
De Europese Commissie onderzoekt of Snap Inc. minderjarige gebruikers voldoende beschermt tegen onder meer de verkoop van illegale goederen. Welke rol speelt Nederland in dit Europese onderzoek?
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) maakt deel uit van het onderzoeksteam dat door de Europese Commissie wordt geleid.6 De ACM is de digitaledienstencoördinator en voornaamste toezichthouder op de DSA in Nederland. De betrokkenheid van de ACM vloeit voort uit het feit dat Snapchat in Nederland haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen voor de DSA.
Snapchat stelt in reactie op het onderzoek dat illegale activiteiten verboden zijn en dat het in 2025 miljoenen drugsgerelateerde berichten heeft verwijderd en honderdduizenden accounts heeft geblokkeerd. Welke eisen worden op dit moment gesteld aan de controleerbaarheid van deze cijfers door toezichthouders?
Op grond van artikel 15 van de DSA zijn tussenhandeldiensten verplicht om ten minste jaarlijks transparantierapportages te publiceren over inhoudsmoderatie die zij toepassen, waaronder informatie over verwijderde inhoud en accounts.7 Ook moeten zij desgevraagd informatie verstrekken aan de bevoegde toezichthouders. Bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van de DSA handelen de toezichthouders volledig onafhankelijk. Ik heb dus geen zicht op eventuele eisen die zij stellen aan de controleerbaarheid van de door Snapchat verstrekte cijfers. Het spreekt echter voor zich dat de door Snapchat verstrekte informatie wel juist en controleerbaar moet zijn.
Welke maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de bevindingen van Pointer?
Het is aan de Europese Commissie en de ACM, als bevoegde toezichthouders op grond van de DSA, om te beoordelen of Snapchat haar verplichtingen naleeft en zo nodig handhavend op te treden. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 8, zijn de toezichthouders hierin volledig onafhankelijk. Op grond van de DSA blijven zij vrij van enige directe dan wel indirecte invloed en vragen of aanvaarden zij geen instructies van enige overheidsinstantie of particulier. Wel heb ik recent gesproken met Snapchat, waarbij ook deze casus ter sprake is gekomen. In dat gesprek heb ik het belang van de bescherming van minderjarigen benadrukt.
Welke mogelijkheden ziet u om sociale mediaplatforms sneller te verplichten om accounts die betrokken zijn bij drugshandel of wapenhandel te verwijderen?
Online platforms zijn verplicht om meldingen van illegale inhoud of accounts op tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze te verwerken op grond van de in de beantwoording van vraag 4 genoemde kennisgevings- en actiemechanismen. Dit kan betekenen dat zij gerapporteerde accounts schorsen of beëindigen. Een dergelijke schorsing is op grond van artikel 23 van de DSA ook verplicht in het geval van gebruikers die frequent illegale inhoud verstrekken. Meldingen van zogenaamde betrouwbare flaggers moeten met prioriteit worden afgehandeld.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bredere aanpak van illegale handel via sociale media?
De Minister van Justitie en Veiligheid houdt de Kamer periodiek op de hoogte over de aanpak van illegale content zoals drugshandel. Verdere operationele informatie over de specifieke aanpak kan niet gedeeld worden.