Het bericht 'Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld' |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld»?1
Kunt u de toename in het aantal plofkraken duiden en aangeven op welke manier het kabinet haar beleid hierop toespitst?
Kunt u aangeven op welke manier met de sector en Geldmaat gesproken wordt om plofkraken niet van invloed te laten zijn op de beschikbaarheid van contant geld?
Kunt u aangeven hoeveel geldautomaten er de afgelopen tien jaar gesloten zijn als gevolg van (aanhoudende) plofkraken en welke oplossingen worden geboden indien er sprake is van zo’n verwijdering?
Kunt u aangeven in hoeveel procent van de plofkraken er sprake is van een grensoverschrijdend karakter, zoals bijvoorbeeld het vluchten over de grens na afloop van de plofkraak?
Bent u van mening dat grenscontroles bij kunnen dragen aan het op heterdaad oppakken van daders van plofkraken, nu de NOS bericht het doelwit van veel plofkrakers zich verplaatst van Duitsland naar Nederland?2
Op welke vlakken verschillen de aanpak van Duitsland en Nederland op dit gebied, nu de NOS aangeeft dat door de effectieve Duitse aanpak de focus terug op Nederland is komen te liggen?
Kunt u aangeven hoeveel plofkraken er in buurlanden worden gepleegd door daders uit Nederland of die naar Nederland vluchten na afloop van een plofkraak?
In hoeverre ziet u dat de beschikbaarheid van contant geld voor zowel burgers als ondernemers onder druk is komen te staan door plofkraken en de daartegen genomen maatregelen?
De politiepublicatie 'Game Over?!' en het profiel van verdachten van bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de politiepagina «Game Over?!», waarin tientallen verdachten van onder meer bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken herkenbaar in beeld worden gebracht?1
Herkent u een bepaald daderprofiel bij deze daders? Zo ja, hoe ziet dit profiel eruit? Zo nee, worden wij dan bedrogen door onze eigen ogen?
Kunt u bevestigen dat binnen deze dadergroep sprake is van oververtegenwoordiging van mensen met een bepaalde herkomst? Zo nee, waarom wordt hier niet explicieter over gerapporteerd?
Waarom wordt in publieke communicatie over deze criminaliteit terughoudend omgegaan met het benoemen van daderprofielen, terwijl dit relevant is voor preventie en bewustwording?
In hoeverre is er bij dit type criminaliteit sprake van georganiseerde structuren en welke rollen worden daarin onderscheiden? Indien sprake is van georganiseerde structuren, zijn deze duidelijk in beeld bij de politie?
Kunt u toelichten in hoeverre bij deze vormen van fraude sprake is van grensoverschrijdende of internationaal georganiseerde criminaliteit? Indien hiervan sprake is, op welke vlakken schieten opsporingsbevoegdheden en de samenwerking met andere landen tekort in het aanpakken van deze criminaliteit?
Bent u voornemens de korpschef op te roepen, bij effectiviteit van deze maatregel van publicatie, dit veel vaker in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over ontwikkelingen in daderprofielen en trends binnen deze vorm van criminaliteit?
Verheerlijking van grensoverschrijdende drugscriminaliteit en ondermijnende criminaliteit in Limburg |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat in Limburg drugscriminaliteit niet alleen toeneemt, maar zelfs openlijk wordt verheerlijkt, onder meer door het in brand steken van auto’s en het verspreiden van beelden daarvan op sociale media?1
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat zware criminaliteit wordt gevierd en verheerlijkt en dat dit een ontwrichtend effect heeft op de samenleving en met name op jongeren?
Hoe beoordeelt u de signalen van de politie dat criminelen in grensregio’s steeds brutaler opereren en zich kennelijk onaantastbaar wanen?
Klopt het dat de samenwerking tussen Nederland, België en Duitsland nog steeds tekortschiet, waardoor criminelen bewust gebruikmaken van grenzen om opsporing te ontwijken en, zo ja, waarom is dit probleem nog altijd niet opgelost? Welke knelpunten zijn er?
Hoe kan het dat jongeren massaal betrokken raken bij en worden beïnvloed door deze georganiseerde criminaliteit en erkent u dat hier sprake is van een zorgwekkende normalisering van criminaliteit onder jongeren?
Welke concrete maatregelen neemt u om het verheerlijken van criminaliteit, bijvoorbeeld via sociale media en muziek, tegen te gaan en acht u het nodig om hier harder tegen op te treden?
Hoe beoordeelt u het feit dat verboden motorbendes zoals Hells Angels, Bandidos en Satudarah opnieuw aan invloed lijken te winnen doordat leden vrijkomen en opnieuw actief worden?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat criminelen in staat zijn om jongeren in te zetten en tegelijkertijd openlijk hun activiteiten te verheerlijken zonder dat daar zichtbaar hard tegen wordt opgetreden?
Welke concrete extra maatregelen gaat u nemen om de ondermijnende criminaliteit in Limburg hard aan te pakken en wat gaat er nu daadwerkelijk veranderen ten opzichte van de huidige aanpak?
Wat is er volgens u op dit moment nodig om ervoor te zorgen dat in grensregio’s als Limburg weer duidelijk wordt dat politie en justitie de controle hebben, in plaats van criminele netwerken die zich onaantastbaar wanen?
Kunt u deze vragen nog vóór het commissiedebat over criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit van donderdag 19 maart 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden daarbij kunnen worden betrokken?
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers»?1
Deelt u de mening dat met spoed onderzocht moet worden tot welke gegevens de hackers toegang hebben/hadden?
Hoe kan het dan zo zijn dat de u aangeeft dat het geen reden is om aan te nemen dat medewerkers onveilig zouden zijn, terwijl ook voormalig gevangenisdirecteur Klaas Brandsma aangeeft dat medewerkers van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) lopen extra risico op chantage en afpersing?
Zijn DJI-medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) ook getroffen?
Bent u van mening dat het datalek mogelijk invloed kan hebben op behoud van het huidige personeel en de aanwerving van nieuw personeel? Welke maatregelen gaat u nemen om het getroffen personeel tegemoet te komen?
Welke extra maatregelen gaat u nemen om dergelijke scenario’s in de toekomst te voorkomen?
Het bericht ‘Leeuwarden kampt met drugsoverlast en dakloosheid. ‘We kunnen dit niet accepteren’’ |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drugsoverlast en dakloosheid in Leeuwarden. «We kunnen dit niet accepteren»»1 in het Nederlands Dagblad van 2 maart 2026?
Ja.
Hoe verklaart u de toename van het drugsgebruik, specifiek in Leeuwarden? Valt deze toename te koppelen aan het niet effectief opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens? Zo nee, waarom niet?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.2 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan. Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt. Het drugsgebruik in Leeuwarden is met andere woorden niet direct en enkel te koppelen aan het opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens.
Welke toename en trends ziet u in het gebruik van legale structuren door ondermijnende bendes, specifiek ingezet voor de drugshandel? Kunt u specifiek per onderdeel aangeven waarop deze vermoedens gebaseerd zijn en welke middelen daartegen momenteel ingezet worden?
Nederland heeft als handelsland internationaal een unieke positie als knooppunt in logistiek, transport, financiële dienstverlening en digitale infrastructuur, waarbij tussen (inter)nationale partners veel gegevens en goederen worden uitgewisseld. Criminelen maken hiervan misbruik voor hun drugshandel. Zo worden leegstaande schuren van boeren misbruikt voor de productie van drugs, wordt illegaal meegelift op transportlijnen en wordt vastgoed aangekocht voor criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend vermogen.
Als breder fundament onder de bestrijding van ondermijning door georganiseerde criminaliteit is het in ontwikkeling zijnde Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland (DON) straks van grote waarde. Dit dreigingsbeeld richt zich op de ondermijnende effecten die het gevolg zijn van georganiseerde criminaliteit, welke systeemkwetsbaarden ondermijning in de hand werken, welke infrastructuren kwetsbaar zijn voor crimineel misbruik en brengt in beeld waar maatschappelijke schade optreedt. Daarmee geeft het DON ook inzicht welke publieke en private partijen voor de aanpak (nog meer) moeten worden gemobiliseerd. Om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van criminaliteit tegen het bedrijfsleven, is in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB) geherintroduceerd. Naar verwachting wordt eind dit jaar daarvan de eerste editie opgeleverd. Op basis van onder meer die informatie kunnen we de inzet tegen ondermijnende criminaliteit specifieker richten.
In de tussentijd zitten de partners en ik echter niet stil. Om criminele inmenging in legale economische sectoren en structuren tegen te gaan, wordt zowel specifiek als breder ingezet op het weerbaar maken van ondernemers tegen ondermijnende criminaliteit.
Binnen het mainportsprogramma wordt op de grote logistieke knooppunten, zoals de havens van Rotterdam, Vlissingen/Terneuzen, het Noordzeekanaalgebied, de luchthaven Schiphol en de bloemenveiling nauw samengewerkt tussen publieke en private organisaties om barrières op te werpen tegen georganiseerde criminaliteit en organisaties minder kwetsbaar te maken voor criminele inmenging en misbruik.
In de halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit van 10 juni 20253 ben ik uitgebreid ingegaan op mijn aanpak voor een weerbare economie, en de aanpak van criminele geldstromen. De gezamenlijke inspanningen van de financiële sector en overheidspartners om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan, voorkomen dat de financiële sector misbruikt wordt door criminelen voor het uitvoeren van criminele transacties en het witwassen van criminele verdiensten. Binnen criminele geldstromen wordt het anti-witwasbeleid mede gebaseerd op het National Risk Asssessment Witwassen, dat witwasrisico’s identificeert. U bent over de voortgang van het witwasbeleid geïnformeerd door de Minister van Financiën, mede namens mij, in december vorig jaar.4
Omdat criminelen de opgeworpen barrières binnen de financiële sector proberen te omzeilen met een eigen systeem van ondergronds bankieren, ligt binnen de aanpak van criminele geldstromen ook nadrukkelijk focus op de aanpak van ondergronds bankieren, mede op basis van een WODC-onderzoek naar dit onderwerp5. Over de opvolging van dit onderzoek bent u op 2 februari door mijn voorganger, mede namens de Minister van Financiën, geïnformeerd.6 Op basis van de WODC-bevindingen en nadere gesprekken met partners zal ik mij bij de aanpak van ondergronds bankieren specifiek richten op het aanpakken van:
Ik zal de Kamer via de voortgangsbrieven over de nieuwe anti-witwasaanpak en ondermijning op de hoogte houden.
Meer algemeen wordt vanuit het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) publiek-privaat samengewerkt en uitvoering gegeven aan het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026.7 Zo zijn er in de agrarische sector vertrouwenspersonen aangesteld en loopt het project Veilig Buitengebied, worden in de transportsector actiedagen georganiseerd voor de preventieve en repressieve aanpak van criminele inmenging en is voor het tegengaan van crimineel gebruik van vastgoed de poortwachtersfunctie versterkt. Naast deze maatregelen zijn de Platforms Veilig Ondernemen (PVO’s) actief in alle regio’s om ondernemers bewust te maken van de risico’s die zij lopen en praktisch handelingsperspectief te bieden om hun personeel en bedrijfsvorming weerbaar te maken tegen criminele inmenging. Naar aanleiding van een eerdere motie van Lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) is een handreiking kwetsbare branches opgesteld en het project Weerbare branches gestart vanuit MKB-Nederland, VNO-NCW en PVO-Nederland.8 Komend jaar wordt samen met publieke en private partners gewerkt aan het nieuwe Actieprogramma Veilig Ondernemen 2027–2030, waarin ook de resultaten van de MCB zullen worden meegenomen.
Welke extra landelijke middelen worden ter ondersteuning aangeboden aan gemeentes als Leeuwarden?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het ontwikkelen van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten verder onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC/LIEC bestel wordt gefinancierd door de Rijksoverheid.
Leeuwarden neemt bovendien deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te halen en te houden. Dit wordt op verschillende manieren gedaan.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid.
Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor weten professionals elkaar inmiddels goed te vinden en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
Bent u het met de leden eens dat er een direct verband bestaat tussen normalisatie van softdrugs en de toename van het gebruik en de normalisatie van harddrugs?
Er is sprake van normalisering wanneer drugs goed beschikbaar zijn, veel jongeren ermee experimenteren, gebruik sociaal geaccepteerd wordt en zichtbaar is in popcultuur en het dagelijks leven. Uit recent onderzoek in Noord-Brabant9 blijkt dat vooral cannabisgebruik aan deze kenmerken voldoet; harddrugsgebruik niet. Hoewel het in dit onderzoek niet om landelijke gegevens gaat valt gezien de omvang van het onderzoek wel te verwachten dat het landelijke beeld er niet heel anders uit ziet. Uit de trends in drugsgebruik die al jaren worden bijgehouden in de Nationale Drug Monitor blijkt niet dat een toename van het gebruik van één middel automatisch leidt tot een toename van het gebruik van andere middelen. Zo zien we afgelopen jaren een lichte stijging in het XTC-gebruik, maar ook een daling in het lachgasgebruik, terwijl het cannabisgebruik relatief stabiel gelijk blijft. Zo bezien lijkt er geen verband te bestaan tussen het gebruik van softdrugs als cannabis enerzijds en het gebruik van harddrugs als XTC anderzijds. Waarschijnlijk spelen gedeelde onderliggende factoren – zoals genetische aanleg, psychologische kenmerken en sociale of omgevingsinvloeden – een belangrijker rol bij zowel softdrugs- als harddrugsgebruik.
Bent u het met de leden eens dat de normalisatie van harddrugs onwenselijk is en zeer schadelijke maatschappelijke gevolgen met zich meebrengt, in het bijzonder voor jongeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Daarnaast verdienen criminele netwerken veel geld aan het gebruik van drugs. Drugshandel is het dominante verdienmodel van deze criminele netwerken. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een criminele industrie. Mede om deze redenen is normalisering van harddrugsgebruik onwenselijk.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om drugshandel van/door minderjarigen te bestrijden. Welke digitale opsporingsmiddelen is de Minister bereid daarvoor in te zetten?
Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Voor de bestrijding van drugshandel kan de politie onder gezag van het Openbaar Ministerie (bijzondere) opsporingsbevoegdheden inzetten die zij wettelijk tot hun beschikking hebben. Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie (digitaal) rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het internet. Zij verrichten onderzoek in publiek toegankelijke bronnen door het verzamelen en analyseren van informatie. Indien er geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), (digitaal) rechercheurs en data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
Verder kunnen politie en OM onder specifieke voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen bij aanbieders van communicatiediensten.
Ten aanzien van online illegale content kunnen toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Politie, wanneer zij dergelijke inhoud tegenkomen, daarvan melding maken bij hostingsdiensten en online platforms. Dit is dezelfde mogelijkheid als die individuele personen hebben op grond van artikel 16, eerste lid, van de Digital Services Act (DSA). De DSA verplicht deze online aanbieders om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. In Nederland is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door zeer grote online platforms en zeer grote onlinezoekmachines.
Strafrechtelijk kan de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Sv). In het geval aan aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal een bevel via een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Kunt u aangeven hoe u uitvoering geeft aan de eerdere landelijke ambitie om dakloosheid uiterlijk in 2030 sterk terug te dringen, en of deze doelstelling nog steeds geldt?
De doelstelling om uiterlijk in 2030 dakloosheid te beëindigen, geldt nog steeds. Met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023–2030) geeft het kabinet invulling aan die doelstelling. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport gaat, met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd en in samenwerking met alle andere betrokken partijen, onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Wilt u deze vragen uiterlijk vrijdag 13 maart beantwoorden?
Ik heb hiernaar gestreefd, maar dat is helaas net niet gelukt.
Het bericht ‘Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld»?1
Deelt u de mening dat het verdienmodel van cybercriminelen voor een groot deel draait op het afpersen van slachtoffers, onder dreiging van het publiceren van gestolen data of het voor eeuwig versleutelen van systemen?
Vindt u dat het toegeven aan dit soort afpersing het verdienmodel van cybercriminelen in stand houdt? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot de bescherming van slachtoffers, die hun persoonlijke data in handen van criminelen zien verdwijnen als een getroffen organisatie niet betaalt?
Klopt het dat het voor een getroffen organisatie logisch kan lijken om losgeld te betalen (op basis van de belofte van daders dat gestolen data niet gepubliceerd worden of versleutelde systemen worden vrijgegeven), maar dat dit de samenleving als geheel juist meer kan kosten, omdat het verdienmodel van cybercriminelen in stand gehouden wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier kan de samenleving volgens u dit dilemma oplossen?
Staat u nog steeds achter het advies van de overheid aan organisaties om geen losgeld aan hackers te betalen? Op welke expertkennis baseert u dat advies?
Zou een verbod op het betalen van losgeld aan hackers de samenleving als geheel ten goede kunnen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van een dergelijk verbod?
Kan een verbod op het betalen van losgeld ook dienen als extra prikkel voor organisaties om extra werk te maken van cyberweerbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Welke extra prikkels en instrumenten kunt u inzetten om ervoor te zorgen dat organisaties te dwingen hun cyberweerbaarheid serieus te nemen? Denkt u dat boetes hier een effectief middel voor kunnen zijn? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht ‘Odido-datalek erger dan gemeld, ook burgerservicenummers gelekt’. |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL waarin wordt gemeld dat bij telecomprovider Odido een grootschalig datalek heeft plaatsgevonden en dat hierbij, anders dan eerder door het bedrijf gecommuniceerd, ook burgerservicenummers (BSN) zijn gelekt?1
Hoe beoordeelt u de ernst van het incident, in het bijzonder het lekken van BSN, vanuit het perspectief van de bescherming van fundamentele rechten van burgers en hoe ingrijpend beoordeelt u de impact op burgers?
In hoeverre acht u daarbij het recht op privacy en gegevensbescherming geschonden, nu (oud-)klanten van Odido buiten hun eigen schuld risico lopen op misbruik van hun persoonsgegevens?
Hoe beoordeelt u het advies aan Odido om geen losgeld te betalen, gelet op de huidige situatie waarin de hackersgroep Shinyhunters is overgegaan tot publicatie van gestolen persoonsgegevens, met mogelijke ernstige gevolgen voor de (oud-)klanten van Odido?2
Kunt u aangeven welke opsporingsprioriteit wordt gegeven aan het strafrechtelijk onderzoek dat is gestart door het Openbaar Ministerie en ligt daarbij ook een rol voor de digitale recherche?
Welke rol ziet u bij het ondersteunen en informeren van burgers van wie persoonsgegevens door cybercriminelen zijn gepubliceerd en acht u het huidige instrumentarium hiervoor toereikend?
Ziet u aanleiding om het strafrechtelijk kader of de opsporingscapaciteit op het terrein van hacks en digitale afpersing te versterken, bijvoorbeeld door intensivering van de digitale recherche van de politie of door aanpassing van wet- en regelgeving?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voorafgaand aan de behandeling van de Cyberbeveiligingswet?
De beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam ter zake een advocaat die verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Raad van Discipline van 19 januari 2026?1
Ja.
Hoe vaak is sinds de totstandkoming van artikel 60ab van de Advocatenwet een schorsing uitgesproken en hoe vaak is een voorlopige voorziening toegewezen zoals is gebeurd op 19 januari 2026?
Ter beantwoording van deze vraag heb ik, via de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA), gegevens opgevraagd bij de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er in totaal bij de verschillende Raden van discipline 32 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab Advocatenwet, dan wel een verzoek op grond van artikelen 60ab én 60b Advocatenwet, is toegewezen. In 18 van deze 32 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd, in 10 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen en in 4 zaken is enkel een voorlopige voorziening getroffen.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er bij het Hof van discipline 4 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet is toegewezen. In 3 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en in 1 zaak om een ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen.
Wat vindt u ervan dat een advocaat tegen wie een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit bestaat, namelijk deelname aan een criminele organisatie, werkzaamheden als advocaat kan verrichten terwijl de strafzaak nog loopt?
In de zaak waar naar wordt gevraagd is een onafhankelijke tuchtrechter tot het oordeel gekomen dat de schorsing van de advocaat in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk op grond van artikel 60ab, eerste lid, Advocatenwet niet langer kan worden gerechtvaardigd en is in de zaak een voorlopige voorziening getroffen. Als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid laat ik mij niet uit over individuele zaken.
In het algemeen kan ik zeggen dat voor iedereen in Nederland die verdacht wordt van het begaan van een strafbaar feit, geldt dat diegene onschuldig wordt geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Voorts wijs ik uw Kamer erop dat er verschillende maatregelen zijn getroffen om voortgezet crimineel handelen in detentie tegen te gaan en advocaten te beschermen. Uw kamer is op 23 januari 2026 geïnformeerd over de voortgang hieromtrent.2
Wat vindt u ervan dat een advocaat die verdacht wordt van het doorgeven van boodschappen vanuit de Extra Beveiligde Inrichting zijn werkzaamheden als advocaat weer kan hervatten en dus ook gebruik kan maken van de bescherming die een advocaat geniet?
Ik laat mij niet uit over individuele zaken. In zijn algemeenheid merk ik op dat voor iedere verdachte in Nederland de onschuldpresumptie geldt. Alle advocaten in Nederland hebben bepaalde plichten, maar ook rechten, zoals het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht beschermt de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt en is van belang voor een goede uitoefening van het beroep advocaat.
Hoe kan een advocaat die verdacht wordt van een zeer ernstig strafbaar feit volgens u voldoen aan alle kernwaarden die gelden voor de advocatuur?
Zoals in de antwoorden hierboven is gezegd, laat ik mij niet uit over individuele zaken. In het algemeen kan ik zeggen dat alle advocaten in Nederland de kernwaarden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, Advocatenwet in acht moeten nemen. De lokale deken houdt in zijn arrondissement onder meer toezicht op de naleving van de verplichtingen op grond van de Advocatenwet. Op grond van artikel 46 Advocatenwet zijn alle advocaten aan tuchtrechtspraak onderworpen onder meer voor het handelen in strijd met de in dat artikel omschreven betamelijkheidsnorm en de Advocatenwet. De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan artikel 46 Advocatenwet. Zoals hierboven ook genoemd, wordt iedere verdachte in Nederland onschuldig geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Kunt u toelichten of er op een andere manier wordt beslist op een verzoek tot opheffing van een schorsing ex artikel 60ab van de Advocatenwet na de voorziene wijziging van de Advocatenwet waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur wordt geïntroduceerd?
In het conceptwetsvoorstel waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur (OTA) wordt geïntroduceerd, is voorzien dat de OTA de bevoegdheid krijgt om, op grond van de artikelen 60ab, 60b en 60c Advocatenwet, diverse ordemaatregelen te verzoeken aan de tuchtrechter. Ik kan niet zeggen of deze voorziene wijziging zal leiden tot een andere manier van beslissen door de tuchtrechter op verzoeken op grond van artikel 60abAdvocatenwet. Het is aan de tuchtrechter om elke zaak op zijn eigen merites te beoordelen.
Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Ja, het rekruteren van jongeren voor de georganiseerde criminaliteit is een ernstige zaak. De bestrijding hiervan neem ik zeer serieus.
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
De provincies Groningen en Drenthe worden, net als andere regio’s in Nederland, geconfronteerd met ondermijnende criminaliteit. De cijfers onderstrepen het belang van de strijd die het kabinet voert tegen ondermijnende criminaliteit in heel het land.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakt met de Landelijke jeugdmonitor2 per gemeente inzichtelijk hoeveel jongeren in aanraking komen met criminaliteit. Deze monitor laat zien dat het aandeel jeugdige verdachten (12–23 jaar) erg verschilt per gemeente. Uit de data blijkt dat in de gemeente Groningen het aantal verdachte jongeren vergelijkbaar is met de Randstad. In Drenthe is het aantal verdachte jongeren gemiddeld ten opzichte van andere delen van Nederland (Landelijke jeugdmonitor 2025). Uit een vergelijkende analyse van het dashboard «Zicht op ondermijning»3 blijkt dat respectievelijk 55% en 63% van alle gemeenten in Nederland hoger scoren op het gebied van jonge aanwas dan de gemeenten in Groningen en Drenthe (data uit 2023).
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Specifiek in Noord-Groningen zijn de percentages jeugdige verdachten iets hoger dan in de meeste andere gebieden in Nederland. Mogelijke oorzaken zijn de aantrekkingskracht van een omvangrijk buitengebied met enkele zeehavens, een luchthaven en een goede ontsluiting over weg, water en spoor, ook richting Duitsland en de Scandinavische landen. Er is op basis van de beschikbare data geen relatie te leggen met de beschikbare handhavingscapaciteit. Ook duiden de beschikbare data niet op een waterbedeffect.
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd?
De gemeenten Groningen en Leeuwarden nemen deel aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en Preventie met Gezag. De inzet van Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. Binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt gewerkt aan problemen op het gebied van onderwijs, armoede, gezondheid, wonen en veiligheid.
Tussen 2018 en 2024 verbeterde de leefbaarheid in de NPLV-gebieden iets sterker dan landelijk. Hierbij gaat het om verbeteringen in de fysieke omgeving, woningvoorraad, voorzieningen, sociale samenhang, overlast en onveiligheid. De bereikte resultaten zijn beschreven in de voortgangsrapportage van het NPLV4.
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de betrokken gebieden?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
De gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Noord-Nederland werken er hard aan om ervoor te zorgen dat ronselpraktijken onder jongeren tijdig en effectief gesignaleerd worden. Zo wordt binnen de Drentse aanpak Ondermijning, de Regionale aanpak Ondermijning en binnen het RIEC Noord-Nederland aandacht besteed aan de aanpak rondom uitbuiting van jongeren. Het Openbaar Ministerie probeert daarbij de verbinding te versterken in de aanpak van jeugdgroepen. Bijvoorbeeld op gemeenteniveau, maar ook richting de verschillende basisteams van de politie over de districten heen.
In de gemeenten die deelnemen aan Preventie met Gezag wordt de inzet van politie en OM geïntensiveerd. In Groningen betekent dit dat er vanuit het OM extra capaciteit wordt ingezet en dat er prioriteit wordt gegeven aan de betreffende zaken. De politie traint de medewerkers op onderwerpen als drugs, preventie en ondermijning.
Het CBS levert jaarlijks een update van de monitor op de criminaliteitsdata in de wijken. Deze resultaten worden jaarlijks beknopt gerapporteerd in de voortgangsrapportage aanpak ondermijnende criminaliteit5.
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Naast het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de aanpak Preventie met Gezag maken de provincies Groningen en Drenthe ook gebruik van gelden uit de Regiodeals. De Regiodeal Eemsdelta richt zich onder meer op het voorkomen van jeugdcriminaliteit, het realiseren van weerbare dorpen en op meer samenwerking tussen gemeenten, scholen, politie en welzijn. Met de impuls van de Regiodeals worden de regio’s krachtiger gemaakt doordat de samenwerking tussen overheden en organisaties in de regio’s wordt versterkt.
Samen met de wetenschap wordt de effectiviteit van interventies onderzocht, waarbij landelijke trends in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek in beeld worden gebracht. De resultaten worden beschreven in de jaarlijkse voortgangsrapportages NPLV, Preventie met Gezag en de voortgangsrapportages van de regiodeals.
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen bij georganiseerde criminaliteit?
Scholen hebben ook een rol in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid bij (georganiseerde) criminaliteit, maar scholen kunnen dit niet alleen. Zij werken daarin intensief samen met onder meer de politie en het jeugdwerk. Om dat te stimuleren werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid nauw samen met andere departementen, waaronder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bijvoorbeeld binnen het programma Preventie met Gezag. Veel gemeenten zetten binnen dit programma in op het versterken van een veilig leerklimaat. Al tien gemeenten hebben in het kader van Preventie met Gezag veiligheidsconvenanten afgesloten met in totaal 113 verschillende po-, vo- en mbo-scholen zodat politie, jeugdwerk en leerplicht nauw samenwerken om jongeren in beeld te hebben en te begeleiden.
Verder hebben scholen zelf ook een zorgplicht voor de veiligheid op school. Met het Wetsvoorstel «vrij en veilig onderwijs» scherpt het kabinet die zorgplicht aan. Het doel is dat scholen beter zicht krijgen op de veiligheid op school, betere begeleiding bieden bij onveiligheid, bijvoorbeeld door de aanstelling van een vertrouwenspersoon, en hun veiligheidsbeleid jaarlijks evalueren.
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen van crimineel ronselen?
De gemeenten en scholen in Noord-Nederland hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om (het voorkomen van) jeugdproblematiek. Daarbij krijgen zij goede ondersteuning en ligt er reeds een regionale aanpak voor Noord-Nederland. Wat het kabinet betreft is een nieuwe aanpak of aanvullende ondersteuning niet noodzakelijk.
Zo krijgt Stichting School & Veiligheid een subsidie om scholen te ondersteunen bij het werken aan een veilig schoolklimaat, bijvoorbeeld met ondersteuning op het gebied van samenwerking tussen onderwijs, politie en gemeente en op het gebied van gegevensdeling. Ook kunnen scholen individueel ondersteuning krijgen via het adviespunt van Stichting School & Veiligheid.
Vanuit het netwerk School & Veiligheid binnen de aanpak Preventie met Gezag wisselen gemeenten en scholen ervaringen met elkaar uit. Daarnaast is er het Expertisepunt Burgerschap, waar scholen terecht kunnen voor actuele informatie, tips en inspiratie over het vormgeven van burgerschapsonderwijs. De bovengenoemde ondersteuning is gratis en toegankelijk voor alle scholen in Nederland. Tot slot moedigt het kabinet scholen aan om alvast aan de slag te gaan met de geactualiseerde kerndoelen met specifiek aandacht voor digitale geletterdheid en mediawijsheid wordt besteed.
De gemeenten Groningen en Leeuwarden werken met ondersteuning vanuit Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid aan een geconcentreerde en intensieve aanpak ter voorkoming van jeugdcriminaliteit en een verbeterde leefomgeving. Het RIEC Noord-Nederland heeft met ondersteuning vanuit mijn ministerie een aanpak voor jonge aanwas ontwikkeld. Voor versterking van de regio maakt Noord-Nederland gebruik van Regiodeals. Hierdoor is er voldoende ondersteuning aanwezig.
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht ‘Hack bij Odido, gegevens miljoenen klanten in handen van criminelen’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de cyberaanval bij Odido waarbij gegevens van circa 6,2 miljoen accounts zijn buitgemaakt door criminelen?1
Hoe beoordeelt u de omvang en ernst van dit datalek, mede gezien het feit dat ook gevoelige persoonsgegevens, zoals identiteitsdocumentnummers en rekeningnummers, mogelijk zijn gelekt?
In hoeverre heeft deze cyberaanval gevolgen voor de digitale veiligheid en weerbaarheid van Nederland, gezien de maatschappelijke rol van telecomproviders?
Hoe beoordeelt u het risico dat de bij Odido gestolen persoonsgegevens in de toekomst alsnog openbaar worden gemaakt, en welke gevolgen kan dit hebben voor de veiligheid en privacy van betrokken burgers?
Heeft Odido het datalek tijdig gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en andere relevante instanties, en bent u op de hoogte van eventuele lopende onderzoeken?
Is er volgens uw inschatting sprake van nalatigheid of onvoldoende naleving van de Europese privacy- en beveiligingsverplichtingen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), door Odido?
Welke risico’s lopen getroffen klanten en acht u de door Odido genomen maatregelen voldoende om deze risico’s te beperken?
Welke eisen worden momenteel gesteld aan telecomproviders ten aanzien van cyberbeveiliging en gegevensbescherming en voldoen deze volgens u nog aan de huidige dreigingscontext?
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen of toezichtmaatregelen te treffen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen?
Welke rol ziet u voor de overheid bij het ondersteunen van bedrijven en burgers bij het beperken van schade na grootschalige datalekken?
Acht u de oproep van Odido aan klanten om «extra alert» te zijn voldoende, of ziet u een verantwoordelijkheid voor aanvullende beschermingsmaatregelen richting getroffen klanten?
Bestaan er landelijke richtlijnen of protocollen voor ondersteuning van burgers die slachtoffer zijn van grootschalige datalekken waarbij identiteitsgegevens zijn buitgemaakt? Zo ja, worden deze in dit geval toegepast?
Op welke wijze houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op de opvolging van dit incident, en beschikt de toezichthouder volgens u over voldoende bevoegdheden en capaciteit om effectief toezicht te houden bij grootschalige datalekken?
Welke lessen trekt u uit dit incident voor het beleid richting de markt op het gebied van de weerbaarheid van organisaties die grote hoeveelheden persoonsgegevens verwerken?
De bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de El Houda Moskee in Brunssum in de nacht van 13 op 14 februari 2026 is beklad met anti-islamitische teksten?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het bekladden van een gebedshuis met anti-islamitische teksten niet alleen vernieling is, maar tevens een vorm van intimidatie en mogelijk een haatmisdrijf? Wordt een mogelijk discriminatoir of islamofoob motief expliciet meegenomen in het politieonderzoek?
Dergelijke incidenten zijn ernstig en onacceptabel. Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland zijn of haar geloof vrij en veilig kan belijden, zonder te worden geconfronteerd met intimidatie of vernieling van religieuze gebouwen.
Het bekladden van gebouwen, waaronder gebedshuizen, is strafbaar wanneer sprake is van vernieling.2 Wanneer dergelijke uitingen gericht zijn tegen een groep mensen vanwege bijvoorbeeld hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met discriminatoir aspect.3
Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt van het delict. Indien bij aangiften aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief, wordt dit conform de Aanwijzing discriminatie betrokken bij het opsporingsonderzoek.4
Welke concrete maatregelen worden lokaal en landelijk genomen om moskeeën beter te beschermen tegen dit soort incidenten? Wordt daarbij specifiek rekening gehouden met periodes van verhoogde spanning of maatschappelijke onrust?
De verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie ligt primair bij de lokale driehoek van burgemeester, politie en het OM. Daarnaast houden de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de dreiging nauwlettend in de gaten. Op basis van de lokale situatie en actuele dreigingsinformatie zullen er passende maatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Over specifieke maatregelen die door politie en OM worden genomen, worden in het algemeen geen mededelingen gedaan, omdat dit vaak betrekking heeft op operationele en veiligheidsgevoelige informatie.
Deelt u de mening dat, zoals uit het recente rapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme blijkt, discriminerende uitlatingen in het publieke en politieke debat kunnen bijdragen aan het normaliseren van haat en discriminatie tegen onder meer moslims, en dat dit klimaat een voedingsbodem vormt voor incidenten zoals de bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor bewindspersonen en Kamerleden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt discriminatie en haat jegens groepen in de samenleving onaanvaardbaar. Het is van belang dat in het publieke debat respectvol met elkaar wordt omgegaan en dat discriminatie en haat duidelijk worden afgekeurd.
Tegelijkertijd kan bij individuele incidenten niet zonder meer een direct verband worden gelegd met uitingen in het publieke of politieke debat. Binnen de democratische rechtsstaat geldt het uitgangspunt van vrijheid van meningsuiting, waarbij de grenzen worden bepaald door de wet. Wanneer uitingen strafbaar zijn, kan daartegen worden opgetreden door politie en OM.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en politie, aanvullende preventieve maatregelen te treffen ter bescherming van islamitische gebedshuizen, zoals structureel contact met moskeebesturen, zichtbare surveillance of ondersteuning bij beveiligingsmaatregelen?
Het nemen van beveiligingsmaatregelen vanuit de overheid voor religieuze instellingen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie van de politie en/of inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dit gebeurt onder het lokaal bevoegd gezag en is een aanvulling op wat deze instellingen al doen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Indien de dreiging en risico daartoe aanleiding geven, zullen er beveiligingsmaatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Daarnaast onderhouden gemeenten, politie en religieuze instellingen in veel gevallen reeds contact over veiligheidsvraagstukken.
Ook het kabinet hecht waarde aan het onderhouden van contact met gemeenschappen en maatschappelijke organisaties.
Hoe beoordeelt u het effect van dergelijke incidenten op het veiligheidsgevoel binnen islamitische gemeenschappen?
Incidenten die gericht zijn tegen religieuze instellingen kunnen een grote impact hebben op het veiligheidsgevoel van betrokken gemeenschappen. Het bekladden van een gebedshuis kan gevoelens van onveiligheid, kwetsbaarheid en verdriet oproepen bij bezoekers en omwonenden.
Het is daarom van belang dat dergelijke incidenten serieus worden genomen, dat meldingen en aangiften worden onderzocht en dat lokale autoriteiten waar nodig in contact staan met de betrokken gemeenschap.
Bent u bereid om in de komende voortgangsrapportage met betrekking tot discriminatie expliciet aandacht te besteden aan geweld en vernielingen gericht tegen religieuze instellingen, waaronder moskeeën?
In rapportages over discriminatie wordt aandacht besteed aan ontwikkelingen op basis van gegevens van onder andere de politie en andere betrokken organisaties. De politie registreert en analyseert incidenten met een mogelijk discriminatoir karakter, waaronder incidenten bij religieuze instellingen, en deze worden actief gemonitord en opgevolgd. Tegelijkertijd geldt dat deze incidenten niet als afzonderlijke, eenduidig afgebakende categorie worden geregistreerd. Daardoor kan geen volledig en sluitend overzicht worden gegeven van incidenten met een discriminatoir aspect specifiek gericht tegen religieuze instellingen.
Het verbod op contante betalingen boven de 3000 euro, zoals opgenomen in de wet plan van aanpak witwassen en de nadelige effecten van deze wetgeving in het bijzonder voor de exportsector |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op dit moment sprake van sectorale uitzonderingsposities binnen de goederenhandel?
Nee, er zijn geen generieke uitzonderingen voor specifieke sectoren op het verbod om contante betalingen voor transacties voor de aan- of verkoop van goederen boven de 3.000 euro (hierna: het verbod). In overleg met de toezichthouder Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI) is wel afgesproken om voor aankopen van goederen buiten de Europese Unie een uitzondering te maken bij de handhaving. Deze uitzondering is gemaakt naar aanleiding van zorgen uit de sector, waarna ik de Eerste Kamer bij de wetsbehandeling heb toegezegd om samen met de toezichthouder te bezien of er in het toezicht mogelijk disproportionele gevolgen weggenomen kunnen worden. De uitzondering komt hieraan deels tegemoet. Hierbij stuur ik u een afschrift van mijn brief aan de Eerste Kamer.
Zijn er wat u betreft sectoren die vanwege het verbod op contante verkopen boven de 3.000 euro een verslechtering van hun concurrentiepositie ondervinden ten opzichte van Europese buurlanden?
Na afloop van het debat in de Eerste Kamer over het verbod heb ik de sectoren die hun knelpunten bij de leden van de Eerste Kamer hadden aangekaart, opgeroepen om zich te melden. Met vertegenwoordigers uit deze sectoren is vervolgens gesproken. De sectoren die knelpunten zeggen te ondervinden zijn de voertuigen-, onderdelen- en metaalsector waar partijen uit Afrika, Zuid-Amerika en Oost-Europa vaak contant betalen. Zij schetsten dat zij in Nederland transacties verrichten voor de verkoop van hun waren, in hoge sommen contant geld met partijen binnen en buiten de EU. Zij wezen op het risico dat deze buitenlandse partijen na invoering van het verbod zouden uitwijken naar andere landen, zoals Duitsland, waar nu geen verbod geldt. Daarnaast stelden partijen uit de scheepvaart dat zij soms genoodzaakt zijn om in het buitenland ter plekke aankopen contant te doen.
Kunt u aangeven waarom er niet is gekozen voor uitzonderingsposities voor sectoren die gevoelig zijn voor een verslechtering van hun concurrentiepositie bij een verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro?
Aan de hand van het afwegingskader zoals geschetst in de brief aan de Eerste Kamer zouden uitzonderingen voor deze sectoren zorgen voor ondermijning van de wet en voor slechte handhaafbaarheid. Ten eerste zou een uitzondering juist de sectoren met hoog witwasrisico betreffen, terwijl de wet juist beoogt om witwassen aan te pakken. Ten tweede is een bredere uitzondering niet handhaafbaar, omdat de toezichthouder moeilijk kan verifiëren of een transactie daadwerkelijk met een buitenlandse partij plaats heeft gevonden. Hierdoor zouden constructies kunnen worden opgetuigd om het verbod te omzeilen en zou het risico op misbruik fors toenemen. Ten derde sluit een uitzondering niet aan op de Europese antiwitwasverordening, die vanaf juli 2027 een algemene limiet instelt. Deze Europese limiet biedt geen ruimte voor sectorale uitzonderingen binnen de EU. Daarom wordt alleen een uitzondering gemaakt voor aankopen buiten de EU, waarbij het witwasrisico lager is, de toezichthouder de handhaafbaarheid kan waarborgen en waar vanaf juli 2027 geen Europese regelgeving voor geldt.
Wat heeft u gedaan om de nadelige effecten voor Nederlandse sectoren die te maken hebben met contante betalingen bij verkoop zoveel mogelijk te minimaliseren?
Er zijn gesprekken gevoerd met de sectoren en toezichthouder DFEI om mogelijke uitzonderingen te verkennen. Hierbij is de sectoren gevraagd om voorbeelden aan te dragen van situaties waarin zij knelpunten ervaren. De voorbeelden bedroegen veelal transacties die een hoog risico op witwassen vormen, terwijl de wet juist witwassen moet aanpakken. De werkbare en uitlegbare uitzondering die is gevonden betreft aankopen buiten de EU. Voor verkooptransacties is geen uitzondering mogelijk gebleken op basis van de bij het antwoord op vraag 3 geschetste overwegingen.
Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2026 ervaren exportbedrijven volgens hun eigen signalen «gigantische problemen». Kunt u zich deze dreiging voor de bedrijfsvoering voorstellen en was u hiervan op de hoogte?
Het is mij bekend dat partijen die handeldrijven met partijen uit het buitenland en daarbij gebruik maken van hoge sommen contant geld geraakt worden door deze wet. Voor deze sectoren is dat vervelend. Deze consequenties zijn tijdens de Kamerbehandelingen van het verbod besproken. Met name tijdens het debat met de Eerste Kamer is hier uitvoerig bij stil gestaan. Tegelijkertijd kwam in het debat ook aan de orde dat juist deze sectoren uit onderzoek naar voren komen als sectoren waarin sprake is van een hoog risico op witwassen. Het zou de effectiviteit van de wet onderuit halen om hiervoor uitzonderingen te maken.
Hoe rechtvaardigt u dat de wet is ingevoerd zonder dat er voor de exportverkopen een werkbaar alternatief of uitzondering is gecreëerd?
De strekking van het verbod laat geen ruimte voor uitzonderingen bij exportverkopen vanwege het hoge witwasrisico en onvoldoende mogelijkheid tot handhaafbaarheid. Een uitzondering zou een flinke maas in de wet veroorzaken en misbruik in de hand werken.
Volgens de sector is er in uw reactie van 19 december 2025 voor gekozen om enkel een handreiking te doen op het gebied van aankopen buiten de EU, is deze lezing correct?
Ja, de uitzondering die in het toezicht wordt gemaakt betreft aankopen buiten de EU. Zie de antwoorden hierboven en het afschrift van mijn brief aan de Eerste Kamer.
Bent u ervan op de hoogte dat het kernprobleem voor de exportsector in Nederland niet ligt bij de aankoop van goederen, maar juist bij de verkoop aan handelaren uit landen waar een digitale betaalinfrastructuur simpelweg niet bestaat of onbetrouwbaar is?
Ja, dat is bekend. Er is door enkele sectoren gewezen op transacties met partijen uit landen zonder goed werkend digitaal betaalsysteem. Tegelijkertijd is het vanwege de reeds genoemde overwegingen onwenselijk om generieke uitzonderingen te maken.
Bent u bereid verder met de exportsector (en andere kwetsbare sectoren) in gesprek te gaan over maatregelen om de nadelige effecten van het verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro te beperken?
Er hebben reeds gesprekken met de sectoren plaatsgevonden. Binnen het huidige wettelijk kader is geen bredere uitzondering mogelijk is. De wet regelt dat binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk aan de Staten-Generaal wordt gestuurd. Hierin zal ook worden stilgestaan bij eventuele nadelige effecten. Daarover kan dan het debat plaatsvinden.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden
Ja.
Het bericht ‘Honderden Nederlandse kinderen slachtoffer van website voor afpersers’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van RTL Nieuws waaruit blijkt dat een website actief is waarop persoonsgegevens van honderden Nederlanders, waaronder kinderen, staan met als doel om met deze persoonsgegevens de betrokkene af te persen en/of en intimideren?1
Deelt u de opvatting dat een dergelijke website, dat evident is ingericht om de persoonlijke levenssfeer van personen waaronder minderjarigen te schenden, per direct offline gehaald zou moeten worden?
Klopt het dat deze website al geruime tijd bekend is bij politie? Zo ja, welke concrete acties zijn sindsdien ondernomen om de website offline te halen of de hostingprovider(s) op te sporen?
Hoeveel aangiften zijn bij de politie bekend die direct te relateren zijn aan deze specifieke website? Wat gebeurt er met deze aangiften? Hoe worden de slachtoffers geïnformeerd over de voortgang van de behandeling van deze aangiften?
Hoe ziet de internationale samenwerking eruit bij dergelijke verwerpelijke websites die door hostingbedrijven worden gerund buiten Nederland?
Kunt u aangeven of en zo ja welke juridische of technische belemmeringen bestaan om de hostingpartij te dwingen een website waar strafbare feiten op plaatsvinden offline te halen?
Wordt er door politie proactief gemonitord op websites of platforms waar doxing plaatsvindt, vergelijkbaar met de aanpak bij kinderporno of terrorisme? Waarom wel of waarom niet?
Acht u het wenselijk om het delict «doxing» zwaarder te gaan vervolgen, zeker wanneer het om minderjarigen gaat en het leidt tot seksuele intimidatie en ernstige psychische schade?
Welke extra stappen bent u bereid te nemen om kinderen online beter te beschermen tegen dit soort extreme vormen van digitale intimidatie?
Het bericht 'Belgische topcrimineel Anthony ‘Het genie’ H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht’ |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belgische topcrimineel Anthony «Het genie» H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze Belgische topcrimineel overgeleverd zou moeten worden naar België? België verzoekt tot overlevering van zijn eigen onderdaan, waarom zou je dit als Nederland willen tegenhouden?
De uitspraak waaraan gerefereerd wordt in het nieuwsbericht betreft een tussenuitspraak en is geen definitief oordeel. Het past mij niet om mij te mengen in een zaak die onder de rechter is of daar een oordeel over te geven. Wel kan ik in algemene zin het volgende opmerken.
Binnen de Europese Unie (EU) is overlevering mogelijk. Middels een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) kan een EU-lidstaat verzoeken om de overlevering van de verdachte van een misdrijf of een veroordeelde. Een EAB is gebaseerd op het Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit EAB), dat in Nederland geïmplementeerd is in de Overleveringswet. De Internationale Rechtshulpkamer (IRK) van de rechtbank Amsterdam is als enige in Nederland bevoegd om te oordelen over inkomende overleveringsverzoeken. De IRK beslist per individueel geval of de opgeëiste persoon kan worden overgeleverd en toetst hierbij het EAB aan de bepalingen van het Kaderbesluit EAB en de Overleveringswet. Onderdeel van die toets is dat de uitvoering van een EAB niet tot gevolg mag hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen wordt aangetast. De situatie in de Nederlandse gevangenissen is geen onderdeel van die toets.
Deelt u de stelling dat het kan toch niet zo zijn dat terwijl er in Nederland een nijpend tekort is aan cellen, overlevering naar het buurland België wordt geblokkeerd? Bent u het ermee eens dat België een fatsoenlijk land is? Of wordt België nu gezien als een derdewereldland en/of als geen volwaardige EU-lidstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de rechtbank van Amsterdam in haar oordeelsvorming de huidige noodmaatregelen, zoals deze op dit moment in het Nederlandse gevangenisstelsel van toepassing zijn, een factor kan zijn tot overlevering?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt op deze manier Nederland niet een soort dependance voor het gevangenhouden van Belgische criminelen? En waarom moet de Nederlandse belastingbetaler hiervoor opdraaien?
Jaarlijks vinden er vele overleveringen naar België plaats. Daarbij worden altijd garanties opgevraagd bij de Belgische autoriteiten ten aanzien van de Belgische detentieomstandigheden. Tot op heden hebben de detentieomstandigheden in België er niet toe geleid dat er geen gevolg werd gegeven aan een EAB.
Welke mogelijkheden heeft u om sturing te geven aan overleveringen, nu er tegen de uitspraak van de internationale rechtshulpkamer geen hoger beroep openstaat?
Het is een grondwettelijk en rechtsstatelijk uitgangspunt dat de rechtspraak onafhankelijk en onpartijdig is. Ik heb dan ook geen mogelijkheden om sturing te geven aan de IRK en dit zou ook niet passend zijn.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het commissiedebat over gevangeniswezen zal plaatsvinden?
Ja.
Verkeerde taxaties door goudwisselkantoor |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Consumentenprogramma Kassa: Goudwisselkantoor taxeert ver onder de waarde van de NOS?1
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat consumenten op deze wijze worden opgelicht?
In hoeverre bent u van mening dat er sprake is van een functionerende vrije markt wanneer de prijsvorming zo afhankelijk is van willekeur?
Deelt u de mening dat een eerlijke prijsvorming in deze markt in de weg wordt gezeten door een groot verschil in informatiepositie en dat regulering daartoe wenselijk is?
Waarom is de handel van goud in Nederland nog niet gereguleerd?
Wat is het verschil tussen de Nederlandse markt voor goudinkoop en de Franse, waar er wel sprake is van regulering door de overheid?
Wat is er nodig om de consumentenbescherming voor de markt voor goudinkoop, net zoals in Frankrijk en België, te verbeteren?
Welke stappen gaat u ondernemen om consumenten beter te beschermen tegen goudwisselbedrijven die oneerlijk handelen?
Het bericht 'Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de inval van de Franse autoriteiten in een kantoor van het sociale mediaplatform X?
Het is niet aan ons om de inval van de Franse autoriteiten te beoordelen. Het kabinet doet geen uitspraken over specifieke (strafrechtelijke) onderzoeken. Dit geldt ook voor (strafrechtelijke) onderzoeken die in het buitenland plaatsvinden.
Hoe plaatst u deze inval in het bredere onderzoek van het Franse OM en Interpol naar de de AI-chatbot Grok, seksuele deepfakes, het in bezit hebben en verspreiden van seksueel kindermisbruikmateriaal en holocaustontkenning op X?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan steun uit te spreken voor dit onderzoek en eventuele maatregelen op Europees niveau toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gaat ervan uit dat het Franse Openbaar Ministerie en Interpol de juiste gronden hebben om een dergelijk onderzoek te starten en eventuele vervolgstappen te overwegen. Zie het antwoord op vraag 2.
Onder de Digital Service Act (DSA) wordt X aangemerkt als zeer groot online platform. Bij zeer grote online platforms heeft de Europese Commissie de primaire bevoegdheid voor het toezicht op en de handhaving van de DSA. De Europese Commissie is hier dus aan zet en zij is op 26 januari jl., naar aanleiding van de berichtgeving over AI-chatbot Grok, een onderzoek gestart.2 Als de Europese Commissie concludeert dat X de DSA heeft overtreden, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete, net zoals de Europese Commissie dat begin december 2025 al heeft gedaan jegens X.
Maakt X zich naar uw inzicht ook schuldig aan strafbare feiten door politieke inmenging te faciliteren, algoritmen aan te passen, data illegaal te verzamelen, en de AI-chatbot Grok seksuele deepfakes en kindermisbruikmateriaal te laten genereren?
Het is niet aan ons als bewindspersonen om dat te beoordelen. Zie de antwoorden op de vragen 2–4.
Als blijkt dat X (vermoedelijk) tegen de Nederlandse wet- en regelgeving handelt, welke mogelijkheden heeft u om tegen het bedrijf op te treden?
Bij de beantwoording van deze vraag gaan wij in op de meest relevante wetgeving die in Nederland van toepassing is, omdat op dit moment niet duidelijk is wat de exacte aanleiding is voor de Franse inval bij X en welke regelgeving X volgens het Franse OM zou hebben geschonden.
Strafrechtelijk kan in Nederland de officier van justitie op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het Openbaar Ministerie ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de zelfreguleringsmogelijkheden. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht).
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) is bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Als aanbieders van communicatiediensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10% van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Als en voor zover X kwalificeert als aanbieder van communicatiediensten en het beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied heeft opgeslagen, zou de ATKM daartegen mogelijk kunnen optreden tegen de verspreiding van het materiaal.
Daarnaast hebben gebruikers van X de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, een gerechtelijke procedure te starten.
Ook is de DSA in Nederland van toepassing. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4, is in het geval van X de Europese Commissie op grond van de DSA primair bevoegd om handhavend op te treden ten aanzien van de DSA en niet de ACM (de Nederlandse toezichthouder op de DSA). Wel heeft de ACM, als nationale toezichthouder, de mogelijkheid om een signaal af te geven richting de Europese Commissie en/of de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging van X. In dit geval is dat de Ierse toezichthouder, omdat het Europese hoofdkantoor van X is gevestigd in Ierland.
De Europese Commissie kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en onder andere sancties opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet in het voorgaande boekjaar. Daarnaast kunnen zij een last onder dwangsom opleggen.
Op grond van artikel 82 DSA kan de Europese Commissie als ultimum remedium, onder strikte voorwaarden, de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging van de betrokken aanbieder van het zeer grote onlineplatform, verzoeken om op te treden krachtens artikel 51, derde lid van de DSA en de bevoegde gerechtelijke autoriteit van zijn lidstaat vragen de toegang tot het platform tijdelijk te beperken. Zoals hierboven vermeld, is in het geval van X de Ierse toezichthouder de bevoegde digitaledienstencoördinator.
Op welke manier draagt u bij aan onderzoeken en juridische stappen die worden gezet door de Europese Commissie en EU-lidstaten? Zo niet, ziet u mogelijkheden om expertise te verlenen aan deze acties?
Indien de vraag betrekking heeft op de handhavingsprocedure tegen X door de Europese Commissie onder de DSA, dan geldt dat zij in de verordening de bevoegdheden toegekend heeft gekregen die nodig zijn voor effectief toezicht en handhaving.
Op nationaal niveau hebben we de Autoriteit Consument en Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens ook voorzien van de bevoegdheden die zij nodig hebben om onderzoeken te kunnen verrichten en juridische stappen te zetten.
Bij de uitvoering van hun taak zijn toezichthouders onafhankelijk. Het past dan niet als wij ons mengen in onderzoeken of juridische stappen. Dit geldt ook voor onderzoeken en juridische stappen die door toezichthouders in het buitenland worden gezet. Mochten de toezichthouders echter om hulp vragen dan sta ik daar uiteraard welwillend tegenover, mits het hun onafhankelijkheid niet schaadt. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, geldt in algemene zin dat de ACM goed contact onderhoudt met de Europese Commissie en andere lidstaten en, indien relevant, signalen kan delen ook wanneer een aanbieder niet in Nederland is gevestigd.
Kunt u reflecteren op het besluit van het kantoor van de Franse openbaar aanklager om van X af te stappen? Ziet u dit als een terechte en effectieve reactie op de recente ontwikkelingen?
Het kabinet treedt niet in besluiten van buitenlandse opsporingsautoriteiten of het openbaar ministerie. Het is aan de Franse autoriteiten om in het kader van hun eigen onderzoek afwegingen te maken over hun werkwijze en eventuele maatregelen.
Ontvangen Nederlandse autoriteiten eveneens klachten over de AI-chatbot Grok? Zo ja, hoe veel? Geven deze klachten aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X?
Recent hebben wij u geïnformeerd over het standpunt van het kabinet omtrent de verontrustende toename aan «deepnudes» via applicaties zoals GROK en de grote impact die dit heeft op slachtoffers en hun omgeving. Hierin staat voorop dat wij dit zeer onwenselijk vinden.3
Slachtoffers kunnen bij verschillende organisaties, zoals Slachtofferhulp Nederland (SHN), Centrum Seksueel Geweld (CSG) en Offlimits, terecht voor hulp. Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Genoemde hulporganisaties kunnen slachtoffers hierover informeren of hierbij ondersteunen.
Bij bovengenoemde hulporganisaties is niet bekend of er ook Nederlanders zijn die slachtoffer zijn geworden van de AI-naaktbeelden, die specifiek met de AI-Chatbot Grok zijn gegenereerd. Dit komt omdat bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij SHN en CSG, in de registratie geen onderscheid wordt gemaakt naar misbruik van echt dan wel AI-gegenereerd beeldmateriaal. Bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij Offlimits, wordt in de registratie wel onderscheid gemaakt tussen echt en AI-gegenereerd beeldmateriaal, maar wordt niet geregistreerd met welke specifieke AI-applicatie, zoals bijvoorbeeld de AI-chatbot Grok, de afbeeldingen zijn gegenereerd.
De politie heeft in de afgelopen twee maanden wel een toename gezien in de hoeveelheid meldingen die vanuit platforms wordt gedaan over uploads naar AI-chatbot Grok. Mogelijk zijn er slachtoffers die zelf melding hebben gedaan bij de politie, maar dit is niet goed uit de registratie te halen, omdat de melding onder verschillende delictsoorten kan worden geregistreerd.
Bovenstaande geeft vooralsnog geen aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X.
Bent u voornemens om naar aanleiding van het Franse onderzoek en recente berichtgeving2 over democratische ondermijning als gevolg van X om ook van het platform af te stappen? Waarom wel of niet?
Het bereiken en informeren van zoveel mogelijk mensen, juist ook groepen die via traditionele media minder goed kunnen worden bereikt, en hen in staat stellen kennis te nemen van overheidsinformatie, weegt zwaar. Daarom kiezen wij altijd voor een mix aan online en offline kanalen. Dagelijks maken miljoenen Nederlanders gebruik van sociale media, waaronder het platform X. Het platform is daarmee voor de rijksoverheid een belangrijk middel om veel mensen te bereiken en informeren.
We zijn continu op zoek naar de juiste manier hoe we inwoners kunnen bereiken. In die zoektocht hebben de ontwikkelingen op sociale media, waaronder X, onze aandacht.
Kunt u, om de afhankelijkheid van X voor overheidscommunicatie te doorbreken, toezeggen dat overheidscommunicatie voortaan op alle veelgebruikte alternatieve media én op de eigen overheidswebsites plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
De rijksoverheid verkent doorlopend mogelijkheden en middelen waarmee zoveel mogelijk mensen kunnen worden bereikt. Sociale mediaplatformen en andere (nieuwe) kanalen maken hiervan onderdeel uit. Afhankelijk van de doelgroep en het onderwerp worden ook veelgebruikte kanalen als LinkedIn en Instagram ingezet. Daarnaast wordt via social.overheid.nl gewerkt aan het ontwikkelen van een eigen sociale mediaplatform waar Mastodon draait op een overheidsserver en waar geen gebruik wordt gemaakt van schadelijke algoritmes en de privacy van de gebruikers wordt beschermd. Momenteel is de Staatssecretaris van Economische Zaken al aanwezig op Mastodon. Ook hoeven mensen geen account aan te maken om overheidsinformatie te kunnen lezen. We verkennen daarnaast de aanwezigheid op BlueSky, waar sinds het aantreden van het nieuwe kabinet al meerdere bewindspersonen actief op zijn. Het is op dit moment echter met het oog op bereik nog geen volwaardig alternatief voor de omvangrijkste sociale mediaplatforms.
De rijksoverheid biedt (beleids)informatie in beginsel altijd op de eigen websites aan zodat mensen vrij toegang hebben tot de informatie van de rijksoverheid.
Heeft u reeds gekeken naar de mogelijkheid om alternatieve communicatieplatforms voor X te gebruiken, zoals toegezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2025?3
Zie het antwoord op vraag 11.
Wat zijn de uiterlijke consequenties voor X als het platform willens en wetens blijft handelen tegen de Europese wet- en regelgeving in, en als dit blijkt uit de lopende onderzoeken? Bent u bereid in het uiterste geval te pleiten voor een Europees verbod op het platform?
Met betrekking tot de vraag hoe nationaal kan worden opgetreden indien X willens en wetens handelt tegen de Europese wet- en regelgeving, verwijzen wij naar het antwoord op vraag 6.
Indien de vraag betrekking heeft op de overtreding van de DSA, dan kan de Europese Commissie onder meer een boete opleggen ter hoogte van 6% van de wereldwijde jaaromzet van X. Daarnaast kan ze een dwangsom opleggen of aanbieders onder verscherpt toezicht plaatsen. In bijzondere uiterste gevallen, die in dit geval niet aan de orde zijn, kan er ook een tijdelijke blokkade van een dienst worden ingesteld.
Een Europees verbod op het platform is op dit moment niet aan de orde. Vooralsnog vertrouwt het kabinet erop dat de Europese Commissie via handhaving van de DSA de noodzakelijke wijzigingen kan afdwingen om voor naleving te zorgen. Omdat handhaving van de DSA door sommige landen wordt verbonden aan de geopolitiek is het zaak dat de lidstaten laten blijven dat zij de Europese Commissie steunen in het verrichten van diens taken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en uiterlijk in de week van 2 maart 2026 beantwoorden, nog voordat het gesprek van de commissie Digitale Zaken met een vertegenwoordiging van de Europese Commissie is voorzien?4
Dat is helaas niet gelukt.
Het artikel ‘Snelgroeiende autonome AI-assistent is een ‘disaster waiting to happen’’. |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Snelgroeiende autonome AI-assistent is een «disaster waiting to happen»»?1
Deelt u de zorgen van experts dat steeds autonomer opererende AI-assistenten risico’s vormen voor veiligheid, privacy, menselijke controle en mentale gezondheid? En kunt u daarbij aangeven welke risico’s u het meest urgent acht?
Acht u het wenselijk dat AI-systemen zelfstandig handelingen, zoals het doen van aankopen en het aangaan van contracten, kunnen verrichten namens gebruikers?
Zo ja, kunt u aangeven welke toepassingen het kabinet maatschappelijk gezien wenselijk en/of acceptabel vindt, en welke niet?
In hoeverre is het huidige Nederlandse en Europese toezichtkader (waaronder de AI Act) toereikend om risico’s van autonome AI-systemen die zelfstandig taken uitvoeren te ondervangen?
Welke definitie van verantwoorde AI (innovaties) hanteert het kabinet? En in hoeverre passen AI-assistenten daarin?
Kunt u aangeven of het naar uw inzicht wenselijk is dat er vanuit de overheid gebruik gemaakt wordt van autonome AI-assistenten? En op welke vlakken gebeurt dit al? Onder welke voorwaarden wordt dit toegestaan en hoe wordt hierop toegezien in de praktijk?
Hoe wordt op dit moment geborgd dat er in kritieke infrastructuur, in sectoren als defensie, de zorg en de overheid zelf, altijd sprake blijft van «meaningful human control» (ofwel «human in the loop») bij het gebruik van autonome AI-assistenten?
Welke andere waarborgen (vangrails) zijn naar uw verwachting nog nodig om hier goed mee om te gaan, voor zowel overheid als samenleving, en is bijsturing mogelijk?
Het bericht 'Jongeren vatbaar voor ‘snel geld’' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»», waarin wordt beschreven hoe jongeren via sociale media worden geronseld voor criminele activiteiten?1
Ja.
Deelt u de zorg dat met name kwetsbare jongeren, waaronder jongeren die al in beeld zijn of zouden moeten zijn bij jeugdzorg of wijkteams, extra vatbaar zijn voor deze vorm van online ronseling?
Ik deel de zorgen over de vatbaarheid van kwetsbare jongeren om (online) geronseld te worden. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, hebben een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken. Dit vraagt ook om een combinatie van mediawijsheid, alsmede betrokkenheid van ouders bij de online activiteiten van hun kinderen.
In hoeverre heeft u gezamenlijk zicht op de omvang van online ronseling van minderjarigen voor criminele activiteiten?
Er is momenteel, bijvoorbeeld bij jeugdzorg of lokale wijkteams, geen gezamenlijk zicht op hoeveel jongeren online worden geronseld. Ronselaars hoeven slechts één oproep te plaatsen om grote aantallen jongeren te bereiken. Daarbij komt dat jongeren zelf terughoudend zijn in het melden van criminele uitbuiting bij de politie of andere instanties. Daarom wordt door het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) een onderzoek uitgevoerd naar de meldingsbereidheid van slachtoffers van criminele uitbuiting. De eerste inzichten uit dit onderzoek worden in de zomer van 2026 opgeleverd en gedeeld met gemeenten en andere partners binnen het preventieveld via bijvoorbeeld de digitale vindplaats van Preventie met Gezag (PmG) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).
Daarnaast financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanuit PmG het online hulpportaal «Keerpunt». Keerpunt biedt online hulpverlening aan jongeren die het slachtoffer zijn van criminele uitbuiting of vastzitten in de criminaliteit. Ook kunnen mensen uit de omgeving van een jongere bij Keerpunt terecht wanneer zij zich over diegene zorgen maken. Uit het jaarrapport van Keerpunt blijkt dat online rekrutering met name via sociale media platformen zoals Snapchat, Telegram en Instagram plaatsvindt. Het specifieke aantal is, zoals eerder benoemd, echter onbekend.
Om meer inzicht te krijgen in de modus operandi van online rekruteren wordt op dit moment in opdracht van JenV en het CKM een cyclisch onderzoek uitgevoerd op Telegram en Snapchat. Inzichten uit dit onderzoek worden omgezet naar een handzame factsheet en worden halfjaarlijks gedeeld met de gemeenten, zorg-, sociaal en veiligheidspartners en opsporingsdiensten. De eerste landelijke factsheet wordt voor de zomer van 2026 verwacht.
Klopt het dat jongeren vaak beginnen met ogenschijnlijk kleine en laagdrempelige klusjes, maar vervolgens via druk, chantage en intimidatie worden vastgezet in zwaardere criminaliteit?
Landelijke cijfermatige onderbouwing van deze aanname ontbreekt. De eerdergenoemde onderzoeken zullen hier meer zicht op geven.
In hoeverre is het huidige jeugdzorgstelsel zó ingericht dat signalen van criminele verleiding, online ronseling en normvervaging bij jongeren structureel en tijdig worden opgepikt en welke randvoorwaarden (zoals informatie-uitwisseling, capaciteit en expertise) spelen daarbij een rol?
Het jeugdzorgstelsel is gedecentraliseerd, waarbij gemeenten op basis van de jeugdwet volledig verantwoordelijk zijn voor de organisatie van alle jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. De uitvoering gebeurt door het inkopen van zorg bij jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen of via lokale wijkteams.
Bij bewustwording over en het signaleren van normvervaging en afglijden van jongeren in een kwetsbare positie naar criminaliteit, spelen de werkgevers in het jeugdzorgstel een belangrijke rol, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de (bij)scholing en professionalisering van hun werknemers die jongeren begeleiden.
Jeugdprofessionals worden hierbij onder andere geholpen door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Onlangs heeft het CCV voor professionals een lijst met «rode vlaggen» gepubliceerd. In deze lijst staan risicosignalen, zowel in de online als offline wereld, die erop kunnen wijzen dat een jongere afglijdt naar de criminaliteit.
In hoeverre worden jeugdzorgprofessionals en andere betrokken hulpverleners structureel geschoold in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en online ronseling van jongeren en in hoeverre wordt daarbij aangesloten bij bestaande expertise en werkwijzen, zoals die zijn ontwikkeld in de aanpak van loverboys en mensenhandel?
In het kader van het Actieplan Samen tegen Mensenhandel werken Defence for Children-ECPAT, Rode Kruis en FIER aan meer inzicht en bewustwording bij professionals gericht op de signalering en bewustwording van jeugdige slachtoffers van mensenhandel. Door middel van een campagne, (#GeenBuit) e-learning (BUIT) en een verdiepende (maatwerk) training zijn in totaal circa 200.000 professionals bereikt in de jeugdzorg, de migratieketen, politie, welzijn en onderwijs. Sinds april 2025 is aanvullend ingezet op bewustwording en signalering van mensenhandel op scholen (het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs) onder de noemer «Uitbuiting (niet) op school». Het aanbod bestaat uit een maatwerktraining, toolkit en vernieuwde signalenkaart.
Deze interventies zijn onderdeel van de brede aanpak van mensenhandel, gecoördineerd vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zo richt de eerder genoemde interventie die zorgt voor inzicht en bewustwording bij professionals op het gebied van jeugdige slachtoffers van mensenhandel zich op zowel criminele uitbuiting als seksuele uitbuiting. Op deze manier wordt aansluiting gezocht bij bestaande expertise en werkwijzen.
Hoe is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd tussen politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk wanneer signalen bestaan dat jongeren online worden benaderd voor criminele activiteiten en waar worden in de praktijk knelpunten ervaren?
Gemeenten geven lokaal invulling aan de samenwerking tussen partijen als politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk. Afhankelijk van de lokale verschillen is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd. Een goede samenwerking en uitwisseling van signalen van bovenstaande partijen is belangrijk om preventief en repressief signalen van ronselen te herkennen.
PmG draagt bij aan het versterken van de lokale domein-overstijgende samenwerking tussen het sociaal domein (gemeenten, zorg- en onderwijspartners) en justitiepartners op het gebied van preventie. Doel is hierbij om te voorkomen dat jongeren in aanraking komen met justitie danwel doorgroeien in de criminaliteit. In iedere PmG-gemeente vinden er multidisciplinaire casusoverleggen plaats, bijvoorbeeld signaal-overleggen op scholen in het kader van de veiligheid rond en om school in gemeenten, (preventieve) persoonsgerichte aanpakken en/of aanpak van complexe problematiek in een Zorg- en Veiligheidshuis. Afhankelijk van de casuïstiek sluiten verschillende partners aan, zoals jongerenwerkers, school, politie, reclassering en gemeente.
Het is belangrijk om tijdig signalen te delen om verder afglijden te voorkomen. Om die reden wordt in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid gewerkt aan een handreiking om gemeenten meer houvast te geven bij het organiseren van vroegsignalering die rechtmatig, zorgvuldig en met oog voor de rechten van jongeren en hun ouders wordt uitgevoerd. De verwachting is dat deze in de eerste helft van 2026 gereed zal zijn en beschikbaar komt voor alle gemeenten.
In antwoord op Kamervragen ten behoeve van het schriftelijk overleg Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september 2025 is op het punt van het delen van informatie uitgebreid ingegaan.2
Acht u de huidige strafrechtelijke mogelijkheden en handhavingsinstrumenten voldoende effectief om ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten op te sporen en hard aan te pakken? Zo nee, waar schieten deze volgens u tekort?
Voor zover ik nu kan bezien, voldoen het strafrecht en de handhaving in de aanpak van criminele ronselaars. Mij zijn geen signalen bekend dat het strafrechtelijk kader in concrete gevallen niet toereikend is om personen die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten strafrechtelijk aan te pakken. Het OM en de politie bevestigen het beeld dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de Officier van Justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld in artikel 273f, vijfde lid, onder e, Sr, waar specifiek de «uitbuiting van een persoon bij het verrichten van strafbare activiteiten» is opgenomen. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten. Of sprake is van criminele uitbuiting hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij wordt gekeken naar de aard en duur van de strafbare activiteit, de beperkingen voor de betrokkene en (in mindere mate) het economische voordeel van degene die de jongere heeft aangezet tot het plegen van het strafbare feit.
Afhankelijk van de omstandigheden zijn er daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Een minderjarige kan bijvoorbeeld tegen betaling een explosief in de nabijheid van een woning plaatsen; dan kan sprake zijn van het uitlokken van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gevaar voor personen of goederen, strafbaar op grond van artikel 157 in verbinding met artikel 47 Sr. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Hoe wordt voorkomen dat geronselde minderjarigen primair repressief worden benaderd, terwijl onderliggende problematiek zoals armoede, schulden, gezinsproblematiek of perspectiefloosheid onbehandeld blijft?
Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en PmG zetten in op het mitigeren van risicofactoren en het bevorderen van beschermende factoren om te voorkomen dat jongeren in een kwetsbare positie met criminaliteit in aanraking komen, afglijden of doorgroeien in de criminaliteit. Dit doen we in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit wordt gecombineerd met het stellen van grenzen die aan jongeren die dreigen in de criminaliteit te belanden danwel doorgroeien. De inzet van PmG sluit aan op de inzet vanuit het NPLV, waar langjarig wordt ingezet op het tegengaan van armoede, het vergroten van de gezondheid en het creëren van veilige en leefbare wijken. De lessen van het NPLV worden breder gedeeld met andere gemeenten. Zie ook de Kamervragen zoals eerder benoemd.3
Acht u het wenselijk om preventieve campagnes en opsporingsmethoden, zoals het inzetten van (digitale) lokmiddelen door politie en gemeenten, landelijk te versterken en structureel te maken?
De auteurs van het landelijk kwaliteitskader «Effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit» concluderen dat er weinig tot geen wetenschappelijk bewijs is dat universele voorlichtings- en educatieprogramma’s bijdragen aan het voorkomen van criminaliteit onder jongeren, terwijl de kans op schadelijke effecten relatief groot is.4 Daarom is terughoudendheid bij de inzet van (brede) campagnes op zijn plaats.
Lokmiddelen zijn zware opsporingsmiddelen. Het werken met een lokmiddel of lokpersoon is complex en vergt veel capaciteit. Bovendien bestaat het risico dat bij de inzet van lokmiddelen de grens tussen lokken en uitlokken wordt overschreden. Vanuit proportionaliteit en subsidiariteit zetten opsporingsdiensten ze daarom terughoudend in, vooral wanneer andere methoden onvoldoende resultaat opleveren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wet- en regelgeving binnen zowel het strafrecht als de jeugdzorg voldoende ruimte biedt voor vroegtijdig ingrijpen en de Kamer hierover te informeren?
We hebben momenteel voldoende instrumenten in handen om samen te kunnen werken, zowel aan de preventieve als aan de strafrechtelijke kant. Gemeenten zetten in om zo vroeg mogelijk kinderen, jongeren en gezinnen in een kwetsbare positie kansen te bieden. Waar nodig bieden zij passende jeugdhulp. Denk hierbij bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning aan ouders en forensische jeugdhulp aan jeugdigen. Het is aan gemeenten om te zorgen voor voldoende passend aanbod. Professionals kunnen bij de keuze voor een passende interventies o.a. gebruik maken van de Richtlijn Ernstige gedragsproblemen.5
Het strafrecht wordt pas ingezet op het moment dat er een strafrechtelijk feit is begaan. In geval van vroegsignalering is hier geen sprake van. Politie kan wel signalen opvangen dat jongeren afglijden in de criminaliteit. Zij kunnen ook samenwerken met scholen of (preventief) doorverwijzen naar jeugdhulp, gemeenten en reclassering. Ik werk voortdurend aan de verbetering van deze samenwerking, bijvoorbeeld door knelpunten in de gegevensdeling tussen gemeenten en justitiepartners op te lossen met de Taskforce Gegevensdeling.
Het bericht 'Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis», en de daarin geschetste ontwikkelingen in de drugssmokkel?1
Ja.
Kunt u toelichten welke exacte kilo-cijfers de Douane in 2025 heeft gerapporteerd voor onderschepte cocaïne en cannabis, en hoe deze cijfers zich verhouden tot die van 2024 en 2023?
De Douane heeft de volgende exacte kilo-cijfers gerapporteerd.2
Jaartal
Cocaïne (in kg)
Cannabis (in kg)
2025
24.457
65.532
2024
37.642
14.492
2023
59.141
3.832
Kunt u aangeven welke achterliggende oorzaken u ziet voor de sterke toename van cannabisonderscheppingen in 2025, en in hoeverre de legalisatie van cannabis in landen als Canada, de Verenigde Staten en Thailand hieraan heeft bijgedragen?
De toename van cannabisonderscheppingen uit niet-Europese landen wordt al enkele jaren waargenomen. In opdracht van de politie is daarom een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport, met de titel «Het gras is groener aan de overkant. De grootschalige illegale import van en handel in niet-Europese hennep», werd op 22 januari jl. gepubliceerd.
De politie ziet de (gedeeltelijke) legalisatie van hennepteelt en recreatieve consumptie in deze landen als de oorzaak van illegale overproductie uit de legale teelt. Deze teelt is bedoeld voor de lokale markt, maar wordt door criminele netwerken met een winstoogmerk ook gebruikt voor de illegale export. Deze is lucratief, met name voor de Europese markt, door de relatief lage prijzen en het hoge THC-gehalte van deze cannabis. De internationale handel in cannabis is overeenkomstig het Enkelvoudige Verdrag van de Verenigde Naties uit 1961 niet toegestaan. Hoewel de genoemde landen export ook niet toestaan, negeren criminelen deze verboden. Thailand heeft sinds 2025 de legalisering van cannabis grotendeels weer teruggedraaid. Het is daar alleen nog mogelijk om cannabis te gebruiken wanneer hiervoor een doktersrecept is verstrekt.
Welke maatregelen neemt u in 2026 om de gesignaleerde toename van cannabissmokkel vanuit legaal producerende landen tegen te gaan, en hoe worden deze maatregelen afgestemd met de betrokken producentenlanden?
Er vindt op verschillende niveaus een dialoog plaats met Canada en de Verenigde Staten om de cannabissmokkel vanuit deze landen terug te dringen. Zo hebben Nederland en België op 29 januari jl., als uitgaand waarnemer van de North American Drug Dialogue (NADD), op hoog ambtelijk niveau aandacht gevraagd voor de smokkel van cannabis vanuit Noord-Amerika. De NADD is een samenwerkingsverband tussen de VS, Canada en Mexico om drugssmokkel tegen te gaan. Op 23 april vindt in de horizontale EU-raadswerkgroep ten aanzien van drugs (HDG) de EU-VS-dialoog plaats. In de HDG hebben zowel de Ministeries van Volksgezondheid als van Binnenlandse Zaken/Veiligheid van de lidstaten zitting. De trans-Atlantische samenwerking op het gebied van cannabissmokkel staat op de agenda van de dialoog.
Op basis van het onderzoek dat in opdracht van de Nederlandse politie was uitgezet (zie antwoord3, is eind 2025 op voorspraak van de Nederlandse politie het onderwerp «cannabisimport uit Noord-Amerika» opgenomen in het operationele actieplan Cannabis, Cocaïne en Heroïne van het multidisciplinaire samenwerkingsplatform tegen georganiseerde criminaliteit (EMPACT). Nederland heeft ten aanzien van dit nieuwe actiepunt de leiding op zich genomen. Op deze manier blijft Nederland in Europees verband de komende jaren de aandacht vragen voor dit onderwerp.
De Nederlandse politie en Douane bespreken deze problematiek met hun partners. Zowel op operationeel niveau in de samenwerking vanuit het Hit and Run Cargo (HARC) Team in de haven van Rotterdam als tijdens werkbezoeken. Een politiedelegatie bracht in februari 2025 tegen deze achtergrond een bezoek aan Canada. Bij dit bezoek is gevraagd om strenger op te treden tegen de illegale export vanuit Canada.
De Douane is op dit moment bezig met het verder ontwikkelen van de samenwerking met de Canadese autoriteiten, onder andere gericht op het tegengaan van cannabis die naar Europa komt. De Nederlandse Douane deelt al jaren informatie met de Amerikaanse Douane, hetgeen regelmatig tot bevindingen heeft geleid, zowel in Nederland als de VS. Daarnaast start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché op het National Targeting Centre (NTC) in Washington D.C. Deze attaché zal een belangrijke rol spelen in het verder verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen de VS, Nederland en alle andere landen die op het NTC een analist hebben geplaatst.
Hiernaast zijn er in verschillende landen in Latijns-Amerika Douane-attachés of politie-liaisons geplaatst gericht op het tegengaan van drugssmokkel; o.a. in Brazilië, Panama en Peru. Concrete effecten hiervan zijn het sluiten van Douaneverdragen en MoU’s met verschillende prioritaire landen, waaronder uitwisseling van operationele informatie plaatsvindt.
De samenwerking met Thailand heeft minder prioriteit. In Thailand werd vorig jaar de legalisatie van cannabis uit 2022 teruggedraaid. De verwachting is dat cannabissmokkel uit Thailand zal teruglopen.
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste smokkelroutes die door de Douane en opsporingsdiensten zijn vastgesteld voor cocaïne en cannabis, en wat de belangrijkste veranderingen zijn ten opzichte van voorgaande jaren?
Latijns-Amerika blijft het belangrijkste herkomstgebied van cocaïne. Wel zien we een diversificatie in zowel smokkelroutes als smokkelmethodes. Twee vangsten in Amsterdam afkomstig uit Ghana wijzen erop dat de rol van West-Afrika in de internationale drugshandel groeit. De cocaïne gaat in dat geval vanuit Latijns-Amerika via West-Afrika naar Europa. Het beeld wordt verder versterkt door gegevens van het UNODC waarin te zien is dat de afgelopen jaren recordhoeveelheden cocaïne door West-Afrikaanse landen in beslag worden genomen. Daarnaast worden er minder kilo’s cocaïne per vondst aangetroffen, wat erop wijst dat criminelen mogelijk aan risicospreiding doen.
Naast een verschuiving in smokkelroutes waarschuwen Europol en European Union Drugs Agency (EUDA), maar ook het Maritime Analysis and Operations Centre – Narcotics (MAOC-N), voor een verschuiving in smokkelmethodes. Europese landen zien namelijk in toenemende mate smokkel via drop-off en onderzeeboten, privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Zie het antwoord op vraag 7 en 8.
Net als Nederland zien de ons omringende landen (Duitsland, België) en ook Spanje dezelfde stijgende trend in cannabis afkomstig uit Canada, VS en Thailand. De smokkel vindt zowel maritiem als via lucht plaats.
Welke internationale samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld met Canada, de Verenigde Staten, Thailand en EU-partners) zijn er momenteel gericht op het tegengaan van cannabis- en cocaïnesmokkel, en wat is het concrete effect van deze samenwerkingen tot nu toe?
Zie het antwoord op vraag 4.
In hoeverre duidt de daling van cocaïneonderscheppingen in 2025 volgens u op veranderingen in smokkelmethoden en -routes door criminele netwerken, en welke concrete aanwijzingen heeft u dat deze netwerken hun werkwijze hebben aangepast?
Zoals ook blijkt uit het rapport van Europol veranderen strategieën van criminele netwerken in de cocaïnehandel voortdurend.4 De havens van Antwerpen, Hamburg en Rotterdam zijn traditioneel de belangrijkste toegangspoorten voor grootschalige cocaïnehandel naar Europa. Dankzij de barrières die de Douane, politie en andere partners in deze havens hebben opgeworpen en de lancering van de Europese Havenalliantie, zijn de cocaïne-inbeslagnames in deze drie havens aanzienlijk gedaald (in Antwerpen is in 2025 een lichte stijging waargenomen ten opzichte van 2024, maar een grote daling ten opzichte van de vangsten cocaïne in 2023). Het is waarschijnlijk dat sommige criminele netwerken hun activiteiten naar andere Europese havens hebben verplaatst, zoals blijkt uit de toegenomen inbeslagnames in verschillende andere havens in de EU. Het is ook waarschijnlijk dat criminele netwerken steeds vaker gebruik maken van luchtvervoer, inclusief zowel luchtvracht als post en pakketten, om maritieme havens te vermijden. In vraag 8 ga ik verder in op welke nieuwe smokkelmethoden de Douane heeft waargenomen.
Tot slot merk ik op dat ondanks veranderingen in smokkelmethoden, in de haven van Rotterdam nog steeds de meeste cocaïnevangsten worden gedaan. Daarom blijven we ook daar volop inzetten om drugssmokkel tegen te gaan. In de eerste maanden van 2026 zijn in de Rotterdamse haven wederom een aantal zendingen cocaïne inbeslaggenomen, waaronder een grote vangst van 4.830 kilo.
Welke nieuwe smokkelmethoden (zoals drop-offs op zee of het verbergen van drugs in reguliere handelsgoederen) zijn in 2025 door de Douane waargenomen, en welke risicoanalyse is daarop gemaakt?
Het maakt criminelen niet uit welke Europese haven zij gebruiken voor de smokkel van drugs. Binnen Nederland werden in de haven van Amsterdam twee zendingen van in totaal 4.712 kilo cocaïne onderschept, afkomstig uit West-Afrika en verstopt in een lading hout. De Douane reageert hierop door in de haven van Amsterdam een vaste scan te plaatsen, en onderzoekt de mogelijkheden voor het plaatsen van een inspectieloods. In samenwerking met lokale partners wordt het cameratoezicht verder versterkt. In kleinere zeehavens is de Douane ook alert op drugssmokkel en wordt er samengewerkt met de Koninklijke Marechaussee, politie en Kustwacht.
Steeds meer Europese douanediensten signaleren een toename van het aantal drop-offs, oftewel het overboord gooien van drugs in zee of het overslaan op kleinere (vissers)schepen. In Nederland signaleerde de Douane in 2025 één drop-off, ter hoogte van Vlissingen. Begin 2026 zijn pakketten met zo’n 750 kilo hennep aangespoeld op het strand van Terschelling, mogelijk ging het om een mislukte drop-off. Douaniers worden speciaal getraind om drop-offs snel te herkennen en veilig en adequaat te handelen indien nodig.
Ook werd in Europees verband gesignaleerd dat criminelen in 2025 in toenemende mate gebruik maakten van onderzeeboten om cocaïne rechtstreeks vanuit Latijns-Amerika naar Europese landen als Spanje en Portugal te vervoeren. Elf onderzeeboten werden daar in beslag genomen. In Nederland is tot dusver nog geen smokkel via onderzeeboten gesignaleerd.
Daarnaast zijn er in Europees verband signalen van smokkel via privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Daarom voert de Nederlandse Douane in 2026 meer controles uit op de privéluchtvaart, met als belangrijkste doel de risico’s op drugssmokkel beter in kaart te brengen.
De Douane heeft diverse mogelijkheden om ingewassen cocaïne op te sporen. Dat gebeurt zowel via detectiemiddelen tijdens controles als via uitgebreide tests in het Douane-laboratorium. Bij het inwassen wordt dragermateriaal zoals textiel/kleding geweekt in een vloeistof waarin cocaïne is opgelost. Vervolgens wordt de vloeistof verdampt en blijft de cocaïne achter in het materiaal, om het er op een later moment weer uit te wassen met behulp van een oplosmiddel.
Verder zetten we in om het chemisch camoufleren van cocaïne beter te kunnen detecteren. Bij chemisch camoufleren wordt cocaïne op moleculair niveau aan een dragermateriaal gehecht en daarmee gecamoufleerd. In een extractie-lab moet de cocaïne dan worden gescheiden van het dragermateriaal. Met het Nederlands Forensisch Instituut en de politie werkt de Douane samen om de detectiemiddelen nog verder te verbeteren. Zo wordt er nieuwe apparatuur aangeschaft en getest.5
Kunt u reageren op de constatering dat Nederland steeds vaker fungeert als doorvoerland naar Europa voor cannabis die legaal is geproduceerd in landen waar wietteelt is toegestaan en welke beleidsopties worden onderzocht om dit tegen te gaan?
De politie6 geeft aan dat de betrokkenheid van Nederlandse drugscriminelen verder reikt dan niet-Europese cannabis. Het gaat veelal om polydrugshandelaren, die al langer in de drugshandel actief zijn. Naast niet-Europese cannabis handelen ze ook in Europese hennep, synthetische drugs, heroïne en cocaïne, inclusief de import. Er is hierbij geen sprake van een specialisme, maar meer van opportunisme. Criminelen zoeken immers altijd naar manieren om snel geld te verdienen. We blijven daarom inzetten op het tegengaan van drugssmokkel als geheel en onderzoeken geen beleidsopties die specifiek op cannabis gericht zijn. Daarbij worden uiteraard wel accenten gelegd als er (nieuwe) ontwikkelingen in de drugssmokkelmethodes worden geconstateerd. Zo wordt de samenwerking met Canada en de VS geïntensiveerd om cannabissmokkel tegen te gaan en start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché in Washington.
Welke veranderingen in prioritering en strafmaat acht u noodzakelijk bij de aanpak van cannabissmokkel, gezien de lagere straffen en de mogelijke verschuiving van criminele netwerken van cocaïne naar cannabis?
Veel van de barrières die we opwerpen om drugssmokkel te bemoeilijken en de pakkans te vergroten, maken geen onderscheid tussen soorten drugssmokkel. Douane en politie houden de veranderingen in modus operandi van criminelen altijd in de gaten en spelen daarop in.
Op dit moment is een aanpassing van de strafmaat voor cannabissmokkel niet aan de orde. Het gelijk trekken van de strafmaat voor het smokkelen van Lijst I en II middelen zou namelijk een complete herziening van de systematiek van de Opiumwet betekenen. In mei 2024 heeft het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring Drugs op verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en naar aanleiding van de Motie van Nispen – waarin hij de regering verzoekt te onderzoeken of de huidige omgang met typen drugs en de indeling in lijsten nog wel objectief wetenschappelijk te rechtvaardigen is – een rapport opgeleverd. Hierin onderschrijven zij de uitkomsten van een eerder onderzoek «Drugs in lijsten: rapport Expertcommissie Lijstensystematiek Opiumwet» dat er geen overwegende voordelen aanwijsbaar zijn voor het wijzigen van de bestaande systematiek van twee lijsten.
Kunt u aangeven in hoeverre de daling van de onderschepte hoeveelheid cocaïne in 2025 (mede) het gevolg kan zijn van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel, en bestaat het risico dat er evenveel cocaïne Nederland binnenkomt maar deze minder vaak wordt onderschept?
Er is geen sprake van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel. In 2025 werden bijvoorbeeld (nog) meer douanecontroles uitgevoerd, mede gericht op onderschepping van cocaïne, in Rotterdam dan in 2024.