De strijd tegen hennep en het dumpen van illegaal afval in Noord-Brabant |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «De drugsbaronnen winnen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stellingname van de burgemeester van Uden dat het voor de Brabantse taskforce «dweilen met de kraan open» is?2
Ik erken dat de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit gepaard gaat met uitdagingen en vraagt om een lange adem. Maar het beeld dat politie en OM niet zouden zijn opgewassen tegen de georganiseerde drugscriminaliteit onderschrijf ik niet. Politie en OM liggen op koers bij de realisatie van de doelstelling die ik bij mijn aantreden in 2010 heb gesteld, namelijk dat eind 2014 het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden moet zijn verdubbeld. Dat is een krachtig signaal dat we de georganiseerde criminaliteit, waaronder de drugscriminaliteit, hard aanpakken. We zijn er nog niet: daarom zal stevig ingezet blijven worden op de aanpak van de criminaliteit achter hennep en synthetische drugs, alsmede de daarmee samenhangende dumpingen.
Deelt u de mening dat het legaliseren van hennepteelt niet de oplossing is voor de drugsproblematiek in de provincies Noord-Brabant en Limburg?
Die mening deel ik. Het standpunt van dit kabinet is dat legalisering of regulering van hennepteelt geen oplossing biedt voor de drugsproblematiek. De aard en omvang van de hennepteelt hangt niet enkel samen met de bevoorrading van coffeeshops, maar dient een veel bredere internationale afzetmarkt. Bovendien is legalisering van hennepteelt anders dan voor medicinaal of wetenschappelijk gebruik niet mogelijk, omdat internationale verdragen dit verbieden. Ook gaan voorstanders van legalisering of regulering er ten onrechte van uit dat dit zal leiden tot een besparing op de handhavingscapaciteit. Illegale teelt zal blijven bestaan en daar zal tegen blijven moeten worden opgetreden.
Bedoelde u in antwoorden op eerdere vragen over handhaving op het terrein van drugsafvaldumping in de natuur aan te geven dat er voldoende capaciteit in deze provincies beschikbaar is om drugsafval in de natuur op te sporen en om te handhaven?3
In mijn antwoord op de betreffende vragen van de leden Jacobi en Rebel heb ik gewezen op het belang van een gezamenlijke aanpak van drugsdumpingen. Daarbij heb ik gewezen op de aanpak in Noord-Brabant. In deze provincie werken gemeenten, waterschappen, natuurorganisaties, politie en OM samen bij de aanpak van drugsdumpingen.
Daarnaast is om de problemen omtrent dumpingen van drugsafval aan te pakken de capaciteit bij de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (LFO) verdubbeld. Dat zware criminaliteit door criminele samenwerkingsverbanden verbonden is met de problematiek omtrent hennep en synthetische drugs is bekend en de aanpak is daar dan ook op afgestemd.
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, kunt u dan aangeven of u nog steeds de mening bent toegedaan dat er voldoende capaciteit beschikbaar is voor deze opsporing en handhaving, niet alleen gezien de toename van het aantal dumpingen tot 150 vondsten in 2013, maar ook gezien de zwaardere criminaliteit die eraan verbonden is (zoals de recente liquidaties in Uden aantonen)?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft een nauwere samenwerking met Duitse en Franse autoriteiten als gevolg dat de opsporingscapaciteit van politie en justitie in de provincies Noord-Brabant en Limburg wordt uitgebreid?
Ik ben nog in gesprek met mijn Duitse, Franse, Belgische en Luxemburgse ambtgenoten om te bezien hoe we de gezamenlijke inspanningen om de georganiseerde drugscriminaliteit te bestrijden kunnen intensiveren. De insteek is niet zozeer een uitbreiding van de opsporingscapaciteit in de grensregio’s, maar eerder het vergroten van de effectiviteit van de samenwerking en het introduceren van innovatieve werkwijzen om ook de criminele organisaties achter de internationale drugshandel een gevoelige klap toe te brengen. Met Frankrijk, België en Luxemburg verwacht ik daartoe later dit jaar een actieprogramma te kunnen presenteren.
Welke concrete afspraken heeft u verder gemaakt met uw Duitse en Franse collega’s om de drugsproblematiek en de hieraan gerelateerde geweldsdelicten verder aan te pakken?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van mening dat de Wet milieubeheer in voldoende mate een wettelijk kader biedt om het illegaal dumpen van afval tegen te gaan?4
De Wet milieubeheer biedt in voldoende mate een wettelijk kader om tegen het illegaal dumpen van afval op te treden. Om op te treden en de kosten te kunnen verhalen dient echter wel eerst te worden achterhaald wie er verantwoordelijk is voor de dumping. In Noord-Brabant wordt daarom in het kader van de gezamenlijke aanpak van drugsdumpingen door de politie en het OM onderzoek gedaan om de daders van een dumping te achterhalen.
Deelt u de opvatting dat het wenselijk is dat het Openbaar Ministerie het dumpen van drugsafval ook als zodanig gaat registreren, zodat meer inzicht wordt verkregen in de precieze aantallen van drugsafvaldumpingen en de daarop volgende strafvervolging/strafoplegging zoals geïnde geldboetes en/of gevangenisstraffen? Zo ja, gaat u hier dan ook concreet werk van maken? Zo nee, waarom niet?
Het registreren van dumpingen van drugsafval in Nederland kan helpen om een actueel beeld te verkrijgen van de situatie en om mogelijke verbanden te leggen met productieplaatsen. Wanneer de politie bij een dumping wordt ingeschakeld wordt dit geregistreerd in het BVH-systeem (Basis Voorziening Handhaving). Ik zie geen aanleiding voor een aparte registratie door het OM.
Heeft de door de provincie Noord-Brabant geïnitieerde werkgroep om illegale drugsafvaldumpingen te onderzoeken u en/of de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu al de resultaten van dit onderzoek toegezonden? Zo ja, kunt u de onderzoeksresultaten aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, wanneer verwacht u hiervan de resultaten?
Er is door mij of de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu geen rapportage van onderzoeksresultaten vanuit de werkgroep ontvangen en er is ons ook geen rapportage in het vooruitzicht gesteld. Ik heb naar aanleiding van de werkzaamheden van de werkgroep wel een gesprek gevoerd met een gedeputeerde van de provincie Noord-Brabant en de burgemeester van Heusden, waarover hieronder meer.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van uw belofte om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor een waarborgfonds waaruit de kosten van het bestrijden van illegale drugsafvaldumpingen betaald kunnen worden?5
In mijn antwoord op de voornoemde vragen van de leden Jacobi en Rebel heb ik uw Kamer gemeld dat de provincie Noord-Brabant de haalbaarheid onderzoekt van een waarborgfonds. De provincie heeft mij verzocht om dit fonds (mede) te vullen uit Pluk Ze-gelden. Daarover heb ik op 6 mei 2014 een gesprek gevoerd met een gedeputeerde van de provincie Noord-Brabant en de burgemeester van Heusden. Zoals ik uw Kamer in mijn brief van 20 mei 2014 heb laten weten heb ik in dit gesprek gemeld dat de begrotingssystematiek het niet toelaat om Pluk Ze-gelden in te zetten om de kosten van gedupeerden van drugsdumpingen te vergoeden.7 Deze gelden vloeien, net als verkeersboetes, in de algemene middelen en kan ik dus niet zelfstandig besteden of oormerken. Wel ben ik, zoals in mijn brief aangegeven, bereid om een (financiële) bijdrage te leveren om de kennis over de aanpak van drugsdumpingen in Noord-Brabant ook voor andere provincies beschikbaar te stellen.
Welke rol ziet u weggelegd voor de Staat ten aanzien van dit waarborgfonds?
Zie antwoord vraag 11.
Op wie (uzelf, de gemeenten, de provincie Noord-Brabant) doelde u in de antwoorden op eerdere vragen toen u stelde dat gekeken moeten worden naar nieuwe initiatieven om te voorkomen dat natuurorganisaties telkens voor de kosten van drugsdumpingen moet opdraaien?6
Zie antwoord vraag 11.
Heeft u zelf al initiatieven aangedragen om deze drugsafvaldumpingen tegen te gaan, behalve het door u onderzochte waarborgfonds waar de provincie Noord-Brabant voor heeft gepleit?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht dat politie en justitie de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit niet aan kunnen |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat politie en justitie de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit niet aan kunnen?1
Ja.
Welke maatregelen neemt u om het toenemende gevaar van drugslaboratoria te beperken, de veiligheid van omwonenden van de panden te garanderen en drugscriminelen op te pakken? Hoe kunt u de effectiviteit van deze maatregelen aantonen?
De bestrijding van georganiseerde drugscriminaliteit is en blijft een topprioriteit van de politie en het OM. Bij de aanpak van synthetische drugs vindt de inzet zoveel mogelijk aan de voorkant van het proces plaats om zo het productieproces te belemmeren. Dit betekent bijvoorbeeld het bemoeilijken van de verkrijgbaarheid van hardware en chemische grondstoffen, de (pre)precursoren. Dit vereist een intensieve internationale samenwerking met de bronlanden van deze (pre)precursoren. Daarnaast wordt nauw samengewerkt met landen van bestemming. Deze internationale aanpak wordt mede vormgegeven door de actieve rol die Nederland speelt in het zogenoemde EMPACT project synthetische drugs. Samen met andere EU-lidstaten en Europol wordt ingezet op het verminderen van de productie en distributie van synthetische drugs in de EU.
Ook heeft de Taskforce Brabant Zeeland de aanpak van synthetische drugs als prioritair thema. Focus daarbij is het verstoren van het productieproces door de toegang van criminelen tot cruciale kennis, kunde en grondstoffen te belemmeren. De samenwerkende diensten (waaronder OM, politie, gemeenten en Belastingdienst) richten zich daarbij tevens op het aanpakken van de kopstukken uit deze industrie (Top X) en het afpakken van het criminele geld dat ermee verdiend wordt. De aanpak is integraal waarbij telkens gekeken wordt welke partner op dat moment het beste kan acteren.
Ik kan geen harde uitspraken doen over de omvang van de georganiseerde drugscriminaliteit in Nederland. Het betreft een illegaal fenomeen waar per definitie nooit volledig zicht op is. Wel zie ik een bevestiging van de effectiviteit van de aanpak van politie en OM in het feit dat zij de doelstelling om eind dit jaar te komen tot een verdubbeling van het aantal aangepakte criminele groeperingen naar verwachting ruimschoots zullen halen.
Kunt u aangeven wanneer precies u geïnformeerd bent van de zorgen van politie en het Openbaar Ministerie (OM) over de prioriteitsstelling en het gebrek aan capaciteit? Welke maatregelen zijn sindsdien tot eind april 2014 genomen om de problemen op te lossen?
Het is eigen aan het domein waarbinnen politie en OM actief zijn, dat er op veel prioriteiten tegelijk moet worden ingezet. Beide organisaties zijn daar ook op ingericht. Bij het in samenspraak met de regioburgemeesters en het OM vaststellen van de prioriteiten is rekening gehouden met de daarvoor benodigde capaciteit. Om nog effectiever op te kunnen treden is daarnaast in de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in het kwaliteitsniveau van de recherche.
Het beeld dat politie en OM niet zouden zijn opgewassen tegen de georganiseerde criminaliteit herken ik niet. Politie en OM liggen op koers bij de realisatie van de doelstelling die ik bij mijn aantreden in 2010 heb gesteld, namelijk dat eind 2014 het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden moet zijn verdubbeld. Dat is een krachtig signaal dat we de georganiseerde criminaliteit hard aanpakken.
Daar komt bij dat er de afgelopen jaren een brede consensus is gegroeid over het feit dat een effectieve bestrijding van de georganiseerde misdaad een veel bredere benadering vergt dan alleen via de strafrechtelijke weg. We hebben dan ook stevig geïnvesteerd in de geïntegreerde aanpak van georganiseerde criminaliteit, inclusief het integraal afpakken. Dat biedt mogelijkheden aan alle partners om steeds effectiever te zijn met schaarse capaciteit. Voorbeelden zijn de samenwerking in de RIECs, in de Taskforce georganiseerde hennepteelt en de Taskforce B5 (inmiddels BZ). Naast politie en OM maken ook de Belastingdienst, de Bijzondere Opsporingsdiensten en de gemeenten onderdeel uit van de aanpak. Gezamenlijk werken zij aan een algemene verslechtering van het criminele ondernemersklimaat in Nederland.
Herinnert u zich de waarschuwing van het College van procureurs-generaal van het OM en de Raad van Korpschefs dat zij te veel prioriteiten moeten uitvoeren, waardoor de slagkracht van deze organisaties in het geding komt en dat het plafond van wat mogelijk is met de gegeven capaciteit in beeld komt?2 Zo ja, hoe kan het dat dit probleem in 2014 nog steeds bestaat, ondanks uw belofte dat in 2014 het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden moet zijn verdubbeld?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van plan om uw prioriteiten aan te passen of extra capaciteit of middelen ter beschikking te stellen? Zo nee, waarom niet en welke alternatieven biedt u?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bij het antwoord op deze vragen een overzicht toevoegen met daarin het aantal drugszaken dat de politie heeft overgedragen aan het OM, het aantal afgehandelde zaken en de straffen van de afgelopen vijf jaar? Kunt u in dit overzicht tevens aangeven hoeveel mensen zich hiermee bezig hielden? Zo nee, kunt u een schatting geven?
Cijfers met betrekking tot het aantal drugszaken, de afdoening daarvan en het aantal betrokken verdachten worden jaarlijks gepubliceerd in het Jaarbericht van de Nationale Drug Monitor. Deze jaarberichten zijn openbaar en beschikbaar via de website van het Trimbos-instituut.
Het OM houdt geen administratie bij van het aantal manuren dat aan de verschillende beleidsthema’s georganiseerde misdaad wordt besteed. Een officier kan met verschillende soorten zaken bezig zijn. Er is daarom geen kwantitatief beeld te geven van het aantal mensen dat zich bij het OM bezighoudt met de bestrijding van drugscriminaliteit.
Hebben de inspanningen van politie en het OM in de strijd tegen drugscriminaliteit daadwerkelijk geleid tot een reductie van de georganiseerde drugscriminaliteit? Zo ja, hoe kunt u dit aantonen? Zo nee, waarom is dit niet gelukt?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich uw belofte om in 2014 de specialistische capaciteit van de Landelijke Faciliteit ondersteuning Ontmantelen (LFO) uit te breiden? Kunt u toelichten met hoeveel fte dit is uitgebreid?
Ik herinner mij die belofte en de Nationale Politie heeft mij geïnformeerd dat de specialistische capaciteit van de LFO in de afgelopen maanden is verdubbeld.
Herinnert u zich uw uitspraak dat de doelstelling om in 2014 te komen tot een verdubbeling van het aantal aangepakte criminele groeperingen gepaard gaat met een investering in het kwaliteitsniveau van de recherche en dat deze investering eveneens in 2014 moet gerealiseerd zijn? Wat is de stand van zaken op dit punt?
Ik herinner mij die uitspraak. Er is geïnvesteerd in het kwaliteitsniveau van de recherche. Dit uit zich in een hoger aantal medewerkers bij de recherche met bijvoorbeeld financieel-economische of digitale expertise. De resultaten van de afgelopen jaren weerspiegelen dit. De doelstelling van het aantal aan te pakken criminele samenwerkingsverbanden is ruimschoots gehaald. Ook voor de komende jaren wordt er verder geïnvesteerd, hetgeen zich uit in meer medewerkers op HBO-niveau of hoger.
Hoeveel capaciteit en middelen komen de politie en het OM te kort?
De taakstelling van de afgelopen jaren bij de politie en het OM staan niet op zichzelf. Zij maken onderdeel uit van de bredere uitdaging waar dit kabinet zich mee geconfronteerd ziet, namelijk om met minder financiële middelen grote ambities te realiseren. Deze taakstellingen zijn echter altijd gepaard gegaan met een weloverwogen prioritering en een forse inspanning om te garanderen dat deze organisaties nog effectiever en efficiënter kunnen optreden. Dat politie en OM daarbij op veel prioriteiten tegelijk moeten inzetten is een bekend gegeven, evenals het feit dat er geen aanvullende middelen beschikbaar zijn die een heroverweging van bezuinigingen mogelijk maken. Desondanks heb ik alle vertrouwen in de professionaliteit van deze organisaties en hebben zij bevestigd dat dit vertrouwen terecht is. Zo is het de verwachting dat zij de doelstelling om eind dit jaar te komen tot een verdubbeling van het aantal aangepakte criminele groeperingen ruimschoots zullen halen.
In hoeverre bent u van mening dat de bezuinigingen op het OM een negatief effect hebben op de benodigde capaciteit en middelen voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit?
Zie antwoord vraag 10.
Welke maatregelen neemt u zodat justitie de strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit effectief kan aangaan?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat de bezuinigingen op het OM heroverwogen dienen te worden als er sprake is van negatieve bezuinigingseffecten op de bestrijding van criminaliteit?
Zie antwoord vraag 10.
Bendeleden die naar Marokko zijn gevlucht |
|
Machiel de Graaf (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten: «Bendelid schuilt in Marokko», «In het tweede thuisland zijn ze moeilijk te volgen» en «Berensteinlaangroep: zo’n 50 inbraken»?1
Ja.
Klopt het dat tussen de vijf en tien jongens naar Marokko zijn gegaan om daar te schuilen voor de politie?
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek waarop de aangehaalde berichtgeving betrekking heeft zijn in januari 2014 elf verdachten, van wisselende afkomst, aangehouden en hebben er doorzoekingen plaatsgevonden. Enkele weken later zijn nog eens vier verdachten aangehouden. De aangehouden personen worden verdacht van het stelselmatig – in wisselende samenstelling – plegen van woninginbraken. Daarnaast wordt een aantal personen verdacht van het deelnemen aan een criminele organisatie. Alle personen die in dit onderzoek naar voren zijn gekomen en die worden verdacht van strafbare feiten zijn aangehouden. Er zijn dus geen verdachten uit dit onderzoek die zich schuilhouden in Marokko en er zijn in het kader van dit onderzoek dan ook geen rechtshulpverzoeken aan Marokko gedaan.
Zijn deze «jongens» in beeld bij de politie als verdachten van inbraken, mishandeling, intimidatie en het veroorzaken van overlast? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er rechtshulpverzoeken aan Marokko gedaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wordt een rechtshulpverzoek door Marokko vaak niet gehonoreerd?
Het is niet zo dat rechtshulpverzoeken door Marokko vaak niet worden gehonoreerd. Tussen Marokko en Nederland is een bilateraal rechtshulpverdrag van kracht en op deze basis werken Nederland en Marokko tot wederzijdse tevredenheid samen.
Bent u bereid deze «jongens» de toegang tot Nederland te ontzeggen indien Marokko weigert een rechtshulpverzoek te honoreren of weigert de verdachten zelf te vervolgen? Zo nee waarom niet?
Zoals toegelicht in antwoord op vragen 2 en 4 is er in het kader van dit strafrechtelijk onderzoek geen sprake van rechtshulpverzoeken aan Marokko en bestaat daarvoor ook geen aanleiding.
Klopt het dat alleen de «kleintjes» zijn opgepakt en er nog genoeg grote jongens rondlopen? Zo ja, wat gaat u eraan doen om ook die achter slot en grendel te zetten?
Alle personen die in dit onderzoek naar voren zijn gekomen en die worden verdacht van strafbare feiten zijn aangehouden. De beweringen die de in de aangehaalde berichtgeving worden gedaan kan het Openbaar Ministerie niet plaatsen.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat deze straatterrorist doodleuk lachend in de krant meldt dat hij nu rust heeft en het voor hem wel een vakantie lijkt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat familieleden en wijkbewoners worden aangepakt die profiteren van de buit en helpen bij het schuilen?
Omdat het strafrechtelijk onderzoek nog loopt kan ik op dit punt geen mededelingen doen.
Het ten onrechte vrij laten van Somalische piraten |
|
Lilian Helder (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom zijn er onlangs Somalische piraten vervroegd vrijgelaten, terwijl op eerdere vragen is geantwoord dat dit alleen gebeurt als deze piraten Nederland aantoonbaar verlaten en niet terugkeren?1
Volgens artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht komen vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven niet in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling na ommekomst van tweederde van de opgelegde straf. Hun kan wel strafonderbreking voor onbepaalde tijd worden verleend, op voorwaarde dat zij Nederland daadwerkelijk verlaten en niet terugkeren. Als echter sprake is van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, komt de gedetineerde vreemdeling in beginsel in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling.
Dit leidt tot het onbedoelde gevolg dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing is, indien een veroordeelde vreemdeling kort voor het in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht vastgestelde moment van voorwaardelijke invrijheidstelling een asielaanvraag indient. Ook als deze aanvraag evident kansloos is, heeft de vreemdeling op grond van het Europese recht in beginsel in ieder geval tot aan de beslissing rechtmatig verblijf.
Ik zal daarom zo spoedig mogelijk een voorstel indienen om het Wetboek van Strafrecht op dit punt te wijzigen zodat alleen vreemdelingen met een bestendige vorm van rechtmatig verblijf voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking kunnen komen.
Erkent u dat niet aan deze voorwaarde voor vervroegde vrijlating is voldaan nu de piraten door middel van een asielaanvraag juist in Nederland pogen te blijven en van aantoonbaar vertrek dus allerminst sprake is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, bent u dan bereid om, conform de genoemde antwoorden op eerdere vragen, de betreffende piraten per onmiddellijke ingang de rest van hun straf te laten uitzitten? Zo ja, hoe geeft u hier uitvoering aan? Zo nee, waarom niet?
De rechter heeft geoordeeld dat de betrokkenen op het tijdstip waarop zij in aanmerking zouden kunnen komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling, rechtmatig verblijf in Nederland hadden en dientengevolge in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Dat betekent overigens niet dat er geen vreemdelingenbewaring kan en zal volgen op voorwaardelijke invrijheidsstelling.
Kunt u garanderen dat deze piraten, na het uitzitten van de volledige straf, geen asiel krijgen en Nederland zo snel mogelijk worden uitgezet? Zo nee, waarom niet?
Bij de beoordeling van eventuele asielverzoeken worden eventuele strafrechtelijke antecedenten betrokken. Afhankelijk van de individuele zaak kunnen antecedenten, zoals piraterij, leiden tot het oordeel dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In dat geval wordt het asielverzoek op die grond afgewezen. Daarnaast wordt een asielaanvraag in de regel ook afgewezen wanneer betrokkene een gevaar vormt voor de gemeenschap en veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden of meer.
Er wordt ingezet op de terugkeer van alle ongeveer 25 Somalische piraten die in Nederland zijn berecht. Ik heb met Somalië afspraken gemaakt over de gedwongen terugkeer van personen met deze achtergrond. Een persoon die is afgestraft in verband met piraterij is inmiddels op basis van deze afspraken op donderdag 22 mei jl. uitgezet naar Somalië. Eerder hebben ruim 10 Somalische piraten ervoor gekozen terug te keren in ruil voor strafonderbreking. Alle overige personen verblijven nog in strafrechtelijke dan wel in vreemdelingrechtelijke detentie.
Turkse rellen in Rotterdam |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Charges ME in Rotterdam tegen fans Fenerbahce»?1
Ja.
Hoe kan het dat er van de meer dan honderd rellende «supporters» slechts één persoon is opgepakt?
Het optreden ter plaatse was vooral gericht op het herstellen van de openbare orde. Op basis van camerabeelden zal nader onderzoek worden gedaan naar personen die strafbare feiten hebben gepleegd. Meer aanhoudingen worden niet uitgesloten.
Op welke wijze zullen de gemaakte kosten worden verhaald op de daders?
Er is ons op dit moment geen schade aan gemeentelijke eigendommen bekend.
Als er schade is aan gemeentelijke eigendommen en er ook daders bekend zijn, dan voegt de gemeente zich in de strafzaak tegen deze daders. Mocht dit om welke reden dan ook niet tot (volledige) schadevergoeding leiden, dan wordt ook steeds bezien of schadeverhaal langs de civielrechtelijke weg nog mogelijk is en hierbij kan dan ook de zogenaamde hoofdelijke groepsaansprakelijkheid aan de orde zijn. Bij het verhalen van schade aan particuliere eigendommen speelt de gemeente geen rol. De kosten voor inzet van politie of gemeentelijke diensten worden niet verhaald.
Kunt u aangeven waarom, na rellen bij het kampioenschap van Galatasaray (mei 2013) en de onrust bij de opening van een Fenerbahce-fanshop (begin april 2014), er nu opnieuw geweldsproblemen zijn met Turkse voetbalsupporters?
Wij zien de ongeregeldheden met voetbalsupporters van Turkse clubs als losstaande incidenten.
In hoeverre ziet u een verband tussen de vaker voorkomende rellen van Turkse supporters in Nederland en de falende integratie van deze groep in onze samenleving?
Een dergelijk verband kan niet worden gelegd op basis van het gegeven dat er sprake was van enige onrust ter gelegenheid van de viering van een kampioenswedstrijd.
Een gevaarlijke Zwitserse jeugdcrimineel die in Nederland in een luxueus hotel is geplaatst |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verhoudt uw antwoord op eerdere vragen dat er geen sprake is geweest van een behandeling van de gevaarlijke Zwitserse jeugdcrimineel in een hotel zich tot uw antwoord dat deze crimineel onder begeleiding in het hotel verbleef en dat dit in het kader was van zijn resocialisatietraject?1
Zoals ik op de genoemde vragen eerder heb geantwoord, ging het om tijdelijke huisvesting in het kader van het resocialisatietraject van betrokkene en niet om een behandeling in het kader van dat traject.
Deelt u de mening dat Nederland zelf moet bepalen of er een indicatie is van vluchtgevaar of gevaar voor de Nederlandse samenleving? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Welk gevolg heeft het voor Zwitserland dat het er bewust niet voor gekozen heeft om voorafgaand aan of tijdens het verblijf van de crimineel contact op te nemen met de Nederlandse autoriteiten, terwijl dit wel had behoren te gebeuren?
Deze zaak en de tijdelijke huisvesting in Nederland hebben in Zwitserland zelf veel aandacht gekregen. Ik vertrouw erop dat dit tot gevolg heeft dat de Zwitserse autoriteiten een dergelijke zaak in de toekomst op een andere manier zullen behandelen en dat eventuele tijdelijke huisvesting in Nederland in de toekomst van Zwitserse zijde alleen wordt overwogen nadat contact met de Nederlandse autoriteiten heeft plaatsgevonden. Gezien het voorgaande acht ik het niet nodig hierover actie te ondernemen richting de Zwitserse autoriteiten.
Deelt u de mening dat nummertje 7 boven een antwoord op vraag 8 noteren niet automatisch betekent dat dit ook een antwoord op vraag 7 is?
Ter nadere toelichting op mijn antwoord op uw eerdere vraag 7 kan ik u meedelen dat het geen overheidsbeleid is om (jeugdige) delinquenten te laten trainen in hotels. Er zijn dan ook geen hotels die beschikken over speciale trainingsruimten voor (jeugdige) delinquenten en evenmin wordt daar belastinggeld aan besteed.
Kunt u alsnog antwoord geven op de vraag of het klopt dat het betreffende luxehotel over een speciale trainingsruimte voor jeugdige delinquenten beschikt? Zo ja, wat kost dit de Nederlandse belastingbetaler?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de Kamer te voorzien van alle informatie daarover? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Vorig jaar twintig doden door eergerelateerd geweld’ |
|
Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Vorig jaar twintig doden door eergerelateerd geweld»?1
Ja.
Hoe verklaart u de gestage toename van het aantal doden in de afgelopen jaren?
Eergerelateerd geweld is onacceptabel.2 Elk slachtoffer is er één teveel. In 2012 registreerde het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) 15 eerwraak-gerelateerde doden. In 2013 zijn bij het LEC EGG 506 zaken binnen gekomen waarbij een eermotief werd vermoed. Deze zaken zijn conform de methode LEC EGG behandeld. In 2013 hadden 20 van deze zaken een dodelijke afloop: 17 keer was er sprake van moord of doodslag en 3 keer was er sprake van zelfdoding. In het jaarverslag van het LEC EGG, dat uw Kamer separaat wordt toegezonden, is te lezen dat in 2013 twee cold cases uit 1993 en 1999 opnieuw zijn behandeld. Die zaken zijn in 2013 meegeteld. Ook is er in 2013 één moordzaak meegeteld die in België heeft plaatsgevonden.
Het LEC EGG biedt in deze complexe zaken ondersteuning aan regionale eenheden. Hieronder vallen de zaken met een dodelijke afloop. Cijfers die inzicht geven in het landelijke beeld, waarin ook de (eenvoudiger) zaken worden meegenomen waarbij het LEC EGG niet ondersteunt, worden deze zomer verwacht.
Zegt het feit dat de meeste slachtoffers een Turkse, Marokkaanse, Iraakse of Afghaanse achtergrond hebben, u iets over de rol die de islam speelt in de zaken waar eerwraak een dodelijke afloop kende? Zo nee, waarom niet?
Uit onderzoek naar eergerelateerd geweld blijkt dat eercodes cultureel zijn ingegeven en niet religieus3. Er bestaat een verband tussen traditionele familieculturen en eergerelateerd geweld. Dergelijke familieculturen bestaan in een groot deel van de wereld, ongeacht de aldaar voorkomende religie.
Hoeveel mannen en vrouwen zijn er in 2013 in blijf-van-mijn-lijf-huizen/vluchthuizen etc. opgevangen? Hoeveel van hen had een islamitische achtergrond? Welke nationaliteiten hadden zij?
De Federatie Opvang heeft meegedeeld dat totaalcijfers over de opvang in 2013 van slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties zullen worden verzameld in het eerste half jaar van 2014. Om toch een beeld te kunnen schetsen geef ik de totaalcijfers over 2012 weer. De Federatie Opvang heeft in 2012 binnen het stelsel van de vrouwenopvang ruim 8000 vrouwen en bijna 600 mannen opgevangen. Nationaliteit en religieuze achtergrond worden niet bijgehouden door de Federatie Opvang.
Hoe vaak kwam het in 2013 en de jaren daarvóór voor dat mensen vanuit blijf-van-mijn-lijf-huizen/vluchthuizen etc. in andere gemeentes of zelfs landen zijn gaan wonen vanwege hun veiligheid?
De Federatie Opvang houdt hierover geen gegevens bij.
Duidt u het bestaan (sinds 2008) van het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) als een mooi gevolg van de massa-immigratie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Bij sommige fenomenen is een aanpak nodig waarbij gericht expertise wordt gebundeld om een probleem aan te pakken. Het LEC EGG is daar een voorbeeld van als het gaat om de aanpak van eergerelateerd geweld.
Welke aanpak staat u voor om het aantal gevallen van eergerelateerd geweld weer terug te brengen naar het niveau van vóór de massa-immigratie?
Een krachtige aanpak blijft nodig om deze vorm van geweld aan te pakken, daders te straffen en om goede ondersteuning te bieden aan de slachtoffers. Het kabinet doet dit met de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties (GIA), waar eergerelateerd geweld onder valt. Via de GIA Voortgangsrapportages rapporteer ik uw Kamer over de maatregelen die rijksbreed worden getroffen om eergerelateerd geweld te voorkomen, signaleren, stoppen en de schade ervan te beperken.
Deelt u de visie dat er voor daders van eerwraak geen plaats is in Nederland en zij in alle gevallen ons land uitgezet dienen te worden (in geval van een dubbele nationaliteit, na denaturalisatie)?
Uitzetting is een maatregel die alleen van toepassing is op vreemdelingen. Vreemdelingen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf kunnen het rechtmatig verblijf verliezen. Vervolgens krijgen zij een inreisverbod of worden ongewenst verklaard en moeten Nederland direct aansluitend aan de celstraf verlaten. Als zij dat niet doen, worden zij uitgezet. Als zij daarna weer in Nederland worden aangetroffen zijn zij strafbaar en riskeren zij een gevangenisstraf op grond van artikel 197 Wetboek van strafrecht.
De Rijkswet op het Nederlanderschap bevat geen bepaling op grond waarvan intrekking van het Nederlanderschap wegens commune criminele feiten mogelijk is. Invoering van een dergelijke bepaling wordt evenmin overwogen. Het Europese Nationaliteitsverdrag (Trb. 1998, 10), waartoe ook Nederland is toegetreden, staat het invoeren van een dergelijke bepaling niet toe.
Een 'Nederlandse' terreurstudent |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse» student is terrorist»?1
Ja.
Klopt het dat de opgepakte Saoedi in Nederland studeert? Zo ja, welke studie wordt er gevolgd en aan welke instelling?
Ik doe in het openbaar geen mededelingen over individuele gevallen.
Op welke wijze is de betreffende terreurverdachte bij de Nederlandse inlichtingendiensten bekend en klopt het dat deze persoon zich aan wilde sluiten bij de islamitische terreurbeweging Al-shabaab?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de visie dat de terreurverdachte de toegang tot ons land dient te worden geweigerd (bij gewenste terugkeer), zijn studie beëindigd dient te worden en eventueel ontvangen studiefinanciering terug moet worden gevorderd? Zo nee, welke maatregelen bent u voornemens te treffen?
Zoals eerder aangegeven, doe ik in het openbaar geen mededelingen over individuele gevallen.
Meer in het algemeen kan ik berichten dat binnen het beslisproces van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) altijd nadrukkelijk aandacht is voor aspecten die raken aan de openbare orde of de nationale veiligheid, zodat in een voorkomend geval een verblijfsvergunning kan worden geweigerd of ingetrokken. De IND kan op basis van een ambtsbericht van de AIVD – waarin wordt geconcludeerd dat een persoon een gevaar vormt voor de nationale veiligheid – besluiten een verblijfsvergunning niet te verlenen of in te trekken. Een strafrechtelijke veroordeling is daarvoor niet vereist. Vervolgens kan de vreemdeling ongewenst worden verklaard of kan een inreisverbod worden opgelegd. Een ongewenstverklaarde vreemdeling of een vreemdeling aan wie een inreisverbod is opgelegd, mag Nederland niet inreizen of in Nederland verblijven.
Het is overigens niet mogelijk om in Nederland een studie te volgen zonder een verblijfsvergunning. Studenten van buiten de Europese Economische Ruimte maken bovendien geen aanspraak op Nederlandse studiefinanciering.
Het proefschrift van dr. Peggy van der Pol ‘The Dynamics of Cannabis Use and Dependance’ |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het proefschrift: «The Dynamics of Cannabis Use and Dependance»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de conclusies van dit proefschrift?
De centrale vraag in de studie was welke factoren een rol spelen bij de ontwikkeling van verslaving en het zoeken van hulp daarbij. Het onderzoek ging specifiek in op de rol van THC bij de ontwikkeling en het voortduren van cannabisverslaving. De sterkte van cannabis blijkt wel een rol te spelen, maar die rol is beperkter dan die van factoren als negatieve levensgebeurtenissen, de aanwezigheid van (psychische) problemen en eerdere verslavingssymptomen. Dergelijke informatie is van wezenlijk belang voor het aanbod van preventie en behandeling.
Bent u bekend met de conclusie dat zo’n 40% van de onderzochte cannabisgebruikers alsnog verslaafd raakte aan cannabis en dat een deel van de onderzochte personen al verslaafd was? Hoe verklaart u deze verslaving?
Ja. In dit onderzoek zijn 600 jongvolwassenen (18–30 jaar) onderzocht die minstens een jaar lang minimaal drie keer per week blowden. Er werden twee groepen onderscheiden: zij die wel verslaafd waren aan cannabis (N=252) en zij die dat niet waren (N=348). Beide groepen werden drie jaar lang gevolgd. In deze periode was de verslaving bij 28% van de verslaafde groep aanwezig op alle meetmomenten. Bij de aanvankelijk niet-verslaafde gebruikers ontstond bij 37% alsnog een verslaving. Volgens de onderzoeker was er geen duidelijk verband tussen de mate van cannabisgebruik en verslaving. Wel vond zij dat het ervaren van (psychische) problemen, coping motieven voor het gebruik van cannabis en eerdere cannabis verslavingssymptomen vaker voorkwamen bij mensen die verslaafd waren, werden of bleven dan bij degenen die geen verslaving ontwikkelden.
Deelt u de zorgen over het verslavende effect van cannabis?
Ja. Ik vind dat de ontwikkeling van een verslaving, of het nu aan cannabis is of aan een ander middel, zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. Deze studie maakt weer eens duidelijk, dat naast de (psychotrope) werking van het middel sec de aanwezigheid van andere factoren een minstens zo belangrijke rol speelt. Methoden van preventie en behandeling dienen daarom steeds geactualiseerd te worden naar aanleiding van nieuwe inzichten over het ontstaan en beloop van verslaving.
Welke maatregelen overweegt u om het gebruik van en verslaving aan cannabis (verder) tegen te gaan?
De uitkomsten van dit onderzoek geven mij geen aanleiding tot nadere maatregelen. De studie geeft een beter inzicht in de factoren die een rol spelen bij verslaving, en daarmee kunnen professionals op het terrein van preventie en behandeling hun aanbod aanpassen. Ik heb er vertrouwen in dat de branche dit zo snel mogelijk zal gaan doen.
Het bericht 'Per dag 4 keer grof geweld tegen politie' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Per dag 4 keer grof geweld tegen politie»?1
Ja.
Kloppen deze cijfers? Zo nee, wat is dan de omvang van dit soort delicten tegen de politie?
Deze cijfers zijn alleen gebaseerd op politieberichten die in de media verschijnen. Door de politie zijn in 2013 5.520 incidenten en 4.332 aangiften van agressie en geweld tegen politieambtenaren geregistreerd.
Ten opzichte van 2012 houdt dit een daling in (6.033 incidenten respectievelijk 4.628 aangiften).
Meldingen van geweld worden niet gecategoriseerd naar type incident. Meldingen variëren derhalve van belediging tot slaan, spugen en poging tot doodslag.
Deelt u de mening dat grof geweld tegen de politie onacceptabel is, zeker gezien het feit dat het niet over bedreigingen of scheldpartijen gaat (want die halen allang de kranten niet meer) maar om echt grote zaken, want ook niet alles wordt meer naar buiten gebracht? Zo nee, waarom niet?
Geweld in alle gradaties tegen de politie – en andere werknemers met een publieke taak – is onaanvaardbaar. Daarom is het terugdringen hiervan ook een van mijn prioriteiten.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om het geweld tegen politie te stoppen nu de huidige maatregelen blijkbaar onvoldoende zijn?
Bij brief d.d. 11 april 2014.2 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoeksrapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) met de titel «Bedreiging en intimidatie van OM- en politiemedewerkers».
Via deze brief heb ik u geïnformeerd over de maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen en op korte termijn zullen worden doorgevoerd. Met de politie en de vakorganisaties ben ik in gesprek over verdere maatregelen om de gevolgen van geweld, bedreiging en intimidatie in met name de privésfeer te beperken. In het najaar zal ik uw Kamer op basis van dit overleg informeren over de verdere aanpak.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat dit soort delicten niet meer worden bestraft met een taakstrafje? Gaat u de rechterlijke macht wijzen op het wetsartikel inzake het taakstrafverbod? Zo nee, waarom niet?
Bij het OM en de rechterlijke macht is het wetsartikel bekend waarin is bepaald dat voor zware geweldszaken en zedenzaken geen taakstraf meer mogelijk is. Dit zijn delicten waarvoor een gevangenisstraf van zes jaar of meer staat. De wet regelt dat er een grens is. Het is aan het OM en de rechter om in iedere zaak alle omstandigheden af te wegen en dan tot een passende strafeis te komen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het Algemeen overleg over politieonderwerpen op 18 juni 2014?
Ik zal u antwoorden voor de datum van 18 juni aanstaande.
De groei van het aantal eerwraakmoorden |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «500 gevallen eerwraak in Nederland»?1
Ja.
Hoe duidt u het gegeven dat er vorig jaar in Nederland gemiddeld bijna 1,5 eerwraakdoden per maand vielen?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden De Graaf en Wilders van uw Kamer (2014Z07914, ingezonden 28 april 2014).
Ziet u inmiddels een verband tussen de enorme immigratie vanuit islamitische landen naar Nederland de afgelopen decennia en de groei van het aantal gevallen van eerwraak? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om deze gevaarlijke ontwikkeling tot stilstand te brengen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de visie dat daders van eerwraakmoorden na het uitzitten van hun straf waar mogelijk dienen te worden uitgezet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Fraude met vertrouwelijke gegevens die per reguliere post verzonden worden |
|
Helma Neppérus (VVD), Bart de Liefde (VVD), Pieter Litjens (VVD) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Postbodes opgepakt vanwege fraude met belastinggeld»?1
Ja.
Hoe vaak wordt misbruik gemaakt van vertrouwelijke gegevens die met de post worden verstuurd? Hoe vaak betreft het fraude met gegevens afkomstig van overheidsinstanties? Bent u in het bezit van overzichten daarvan? Is er sprake van een trend?
In de Postwet is in artikel 4 geregeld dat postvervoerbedrijven ervoor moeten zorgen dat het grondwettelijk (Grondwet artikel 13) briefgeheim niet wordt geschonden. Hiertoe heeft de Autoriteit Consument en Markt (de toezichthouder op de postmarkt) een aantal eisen geformuleerd waar tijdelijke opslaglocaties voor poststukken ten minste aan moeten voldoen. De Postwet en de Autoriteit Consument en Markt zien echter niet op het gebruik of misbruik van via een schending van het briefgeheim verkregen gegevens. Het is dan ook niet mogelijk te achterhalen hoe vaak er misbruik wordt gemaakt van vertrouwelijke gegevens die met de post worden verstuurd. Dat betekent dat niet bekend is hoe vaak er misbruik wordt gemaakt met vertrouwelijke gegevens als gevolg van frauduleuze postbezorging.
Wie is er verantwoordelijk en aansprakelijk voor de (gevolg-)schade van frauduleus handelen ten gevolge van bijvoorbeeld onjuiste postbezorging? Welke directe financiële kosten komen voor rekening van de staat en hoe groot zijn die kosten? Hoe groot zijn de overige administratieve lasten?
Allereerst streven postvervoerbedrijven ernaar om de processen rondom postvervoer zo in te richten dat het briefgeheim zo goed mogelijk gewaarborgd wordt. Ook zijn de processen erop gericht om bij incidenten zo snel mogelijk in te grijpen en herhaling te voorkomen, bijvoorbeeld door bij frauduleus handelen ontslag aan te vragen voor de betrokken medewerkers gevolgd door het doen van aangifte, waarna de strafrechtelijke afhandeling aan het OM is.
Wat betreft de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de (gevolg-)schade van frauduleus handelen ten gevolge van bijvoorbeeld onjuiste postbezorging die voortvloeit uit de Postwet, kan het volgende worden opgemerkt. Op basis van de Postwet is de verlener van de universele postdienst (PostNL) aansprakelijk voor schade als gevolg van verlies, beschadiging of vertraagde aflevering van bepaalde soorten van geregistreerde poststukken die vallen onder de universele postdienst. Onder de universele postdienst vallen poststukken die door burgers en kleine zakelijke gebruikers via brievenbussen of postvestigingen worden aangeboden.
Voor de postbezorging afkomstig van overheidsinstanties worden over het algemeen afzonderlijke (contractuele) afspraken gemaakt tussen een overheidsinstantie en een postvervoerbedrijf. Het is de verantwoordelijkheid van de desbetreffende overheidsorganisatie om afspraken te maken over de aansprakelijkheid voor de schade van frauduleus handelen ten gevolge van bijvoorbeeld onjuiste postbezorging. Deze afspraken zullen derhalve van geval tot geval verschillen en per overheidsorganisatie geëffectueerd worden. De directe schade kan bestaan uit de eventuele onjuiste betalingen en uit kosten die worden gemaakt om slachtoffers van fraude alsnog te betalen. Slachtoffers mogen immers geen nadeel ondervinden (tenzij medeplichtig). Van de directe financiële kosten die voor rekening van de staat komen en van de omvang van de overige administratieve lasten, is door bovenstaande oorzaken geen totaalbeeld voorhanden.
Wat is uw risicoanalyse ten aanzien van het, door bijvoorbeeld de Belastingdienst, het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV), gemeenten en waterschappen, gelijktijdig vermelden van naam, adres, aanslagnummer, subjectnummer, bankrekeningnummer (IBAN) en/of burgerservicenummer (BSN) van de geadresseerde? In welke situaties is het noodzakelijk al deze informatie in één brief of aanslag op te nemen?
Het uitgangspunt is dat in de communicatie tussen de overheid en de burger herkenbaar moet zijn voor de burger wat er van hem verwacht wordt en dat de burger uit de brief een aantal essentiële zaken moet kunnen destilleren. Daartoe is in de regel noodzakelijk om de identificerende gegevens (naam, adres en woonplaats, BSN) van de burger op te nemen. Aan die gegevens en in het bijzonder aan het BSN, kunnen geen rechten worden ontleend. Naast de NAW gegevens van de burger, gebruikt de overheid het BSN om het contact met de burger zo efficiënt mogelijk te laten verlopen en persoonsverwisseling uit te kunnen sluiten. Navraag bij de Belastingdienst, waterschappen en het UWV heeft opgeleverd dat men bewust omgaat met het gebruik van persoonsgegevens en in brieven of andere communicatie uitingen alleen die gegevens opneemt die samenhangen met de soort communicatie die het betreft. Zo is het bij de belastingaanslagen relevant om gegevens als de soort belasting, het subject en het belastingjaar op te nemen, naast de informatie waarmee de overheidsorganisatie de burger kan identificeren. Een veel voorkomend gebruik is dat uit dienstverleningsoogpunt op de acceptgiro behorende bij de belastingaanslag een, op dat moment bij de overheidsorganisatie bekend, rekeningnummer van de burger wordt opgenomen. Veel burgers betalen hun belasting inmiddels overigens via automatische incasso. In deze gevallen worden geen acceptgiro’s meer verstuurd. Het risico op oneigenlijk gebruik van gegevens neemt hierdoor dus af.
Overheidsorganisaties versturen overigens steeds minder brieven naar de burger. Dit heeft te maken met de digitalisering van de overheidsdienstverlening. Geleidelijk aan wordt steeds meer beveiligde digitale communicatie gebruikt, zoals de berichtenbox via mijn.overheid.nl, om als overheidsorganisatie met de burger te communiceren.
In hoeverre ziet u mogelijkheden om nog dit jaar met de Belastingdienst, UWV, gemeenten en waterschappen tot afspraken te komen om de hoeveelheid vertrouwelijk gegevens die via de reguliere post wordt verzonden aanzienlijk te verminderen? Welke mogelijkheden ziet u om met genoemde organisaties nog dit jaar tot afspraken te komen om de vertrouwelijke gegevens die toch nog via de reguliere post verzonden moeten worden zoveel mogelijk in separate brieven te verzenden? In hoeverre zou dit de kans op fraude verder verkleinen?
Overheidsorganisaties bepalen uitgaande van de taak die zij uitvoeren, welke gegevens voor de vervulling van hun taak nodig zijn en dus per reguliere post aan de burger gevraagd of verzonden dienen te worden. Er zijn geen indicaties dat overheidsorganisaties nalaten om een zorgvuldige afweging te maken tussen de hoeveelheid gegevens die verzonden worden en of verzending per reguliere post de daartoe geëigende methode is. Dat leidt tot de constatering dat er geen noodzaak bestaat om afspraken te maken met de Belastingdienst, het UWV, de gemeenten en de waterschappen betreffende de hoeveelheid vertrouwelijke gegevens die per reguliere post verzonden worden.
In beginsel is het separaat versturen van brieven mogelijk. Het separaat versturen van brieven die gezamenlijk bijvoorbeeld een belastingaanslag vormen zal leiden tot situaties die voor de burger en de overheid extra (administratieve) lasten meebrengen. Het is daarom de vraag of de burger en de overheid daarbij gebaat zijn. In het geval van het separaat versturen van een belastingaanslag zal de burger met tussenpozen brieven ontvangen. Wanneer de burger in de eerste brief naast de NAW gegevens ook zijn BSN aantreft, maar in de tweede niet, kan de burger niet zelf controleren of mogelijke persoonsverwisseling is uitgesloten. Vervolgens dient de burger die brieven te combineren en onder die omstandigheden op deze combinatie te reageren richting de betrokken overheidsorganisatie, die vervolgens op haar beurt zal moeten controleren of de separate brieven door de burger tijdig zijn ontvangen en goed zijn gecombineerd om te kunnen beoordelen of er een correcte reactie is gegeven. De complexiteit van de communicatie tussen burger en overheid neemt hierdoor enorm toe.
Daarnaast zullen de uitvoeringslasten van overheidsorganisaties navenant stijgen wanneer over hetzelfde onderwerp twee of meerdere brieven met persoonlijke gegevens naar de burger verstuurd worden, ook omdat de uitvoering hier niet op is ingericht. Daarnaast is het niet onaannemelijk dat een frauderende postbezorger alsnog beide brieven zou kunnen onderscheppen en met elkaar zou kunnen combineren. Het doorvoeren van de voorgestelde maatregel zonder daarbij de precieze aard van de gegevens die per post worden verzonden te betrekken, zal leiden tot onnodige extra kosten voor de overheidsorganisaties en een grotere kans op (onbedoelde) fouten van de burger bij het doen van aangifte en bij de overheidsorganisaties in het verwerken van aangiften in separate poststromen.
Is het waar dat er gemeenten zijn die in de aanslag van de gemeentelijke belastingen geen BSN van de belastingplichtige vermelden? Welke gemeenten zijn dat en vindt u dat deze gemeenten het goede voorbeeld geven? In hoeverre verkleint dit het risico op fraude? Is dit een voorbeeld voor andere gemeenten? Zo ja, bent u bereid deze werkwijze te bevorderen?
Mij is niet bekend dat er gemeenten zijn die in de correspondentie met haar ingezetenen geen gebruikmaken van het BSN. Het BSN is ingevoerd om de communicatie tussen overheid en burger te vergemakkelijken en persoonsverwisselingen te voorkomen. Wanneer gemeenten het BSN weglaten in de communicatie naar haar burgers, kan de burger niet controleren of de post echt voor hem is bestemd of wellicht voor een persoon met dezelfde naam. Ook maken overheidsorganisaties het zich, door het weglaten van een BSN op de correspondentie met de burger, lastig omdat haar systemen zijn ingericht op het systematisch onderscheiden van mensen met behulp van het burgerservicenummer.
In hoeverre is het mogelijk om bepaalde vertrouwelijke informatie in bepaalde risicogebieden per koerier thuis te bezorgen, net zoals gebeurt bij DigiD?
In beginsel kan iedere overheidsorganisatie daartoe besluiten. Het is aan de desbetreffende overheidsorganisatie om de afweging te maken of de situatie een dergelijke wijze van bezorging rechtvaardigt.
Welke andere mogelijkheden ziet u verder nog om fraude met vertrouwelijke gegevens rondom de postbezorging te voorkomen of aan te pakken? Zo ja, bent u bereid om die in te voeren? Zo nee, waarom niet?
De aanpak van mogelijke fraude rond vertrouwelijke gegevens in de postbezorging bestaat eruit dat de overheid en burgers voortdurend alert moeten zijn op de mogelijkheid dat als gevolg van fraude met postbezorging, gegevens ingezien kunnen worden door mensen voor wie die niet bestemd zijn. Zodra zich risico’s manifesteren rondom de postbezorging is het aan het postbedrijf daartoe maatregelen te nemen om haar verplichtingen jegens de betreffende overheidsorganisatie na te komen. Daarnaast dient de branche er onder meer in zijn aannamebeleid en gedurende de gehele verdere arbeidsrelatie op toe te zien dat het aan te trekken personeel integer, betrouwbaar en zorgvuldig is. Daarnaast zal de (uitbestedende) overheidsorganisatie zich ervan moeten vergewissen dat het postbedrijf adequate maatregelen in stand houdt. In voorkomende gevallen zal de betrokken overheidsorganisaties nadere maatregelen dienen te treffen. Daartoe staan de overheidsorganisaties verschillende maatregelen ter beschikking zoals andere vormen van postbezorging (aangetekend of per koerier), het maken van nieuwe (contractuele) afspraken tussen de overheidsinstantie en een postvervoerbedrijf en het nog meer gebruik maken van beveiligde elektronische postbezorging zoals de huidige berichtenbox van mijn.overheid.nl en in de nabije toekomst de mogelijkheden die het eID-stelsel zal bieden.
Nederlandse zelfmoordjihadisten in martelarenvideo's |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jihadist geëerd in opblaaspromo»?1
Ja.
In hoeverre klopt het dat de twee Nederlandse zelfmoordterroristen die zichzelf opbliezen, worden vereerd in «martelarenvideo's»?
In het bericht waar aan gerefereerd wordt, wordt de verwachting uitgesproken dat er mogelijk video’s van zelfmoordterroristen gepubliceerd zullen worden. Dit is inderdaad niet ondenkbaar, gezien het feit dat in andere landen dergelijke video’s van zelfmoordterroristen al gepubliceerd zijn.
Is de verspreiding van de genoemde martelarenvideo's, waarin de uiteindelijke explosie, de fabricatie van explosieven en langdurige toespraken van de zelfmoordenaars zijn te zien, reeds strafbaar? Zo nee, op welke wijze wordt getracht de verspreiding van de video's te voorkomen?
In zijn algemeenheid geldt dat het voor de maker van een video niet strafbaar is om een video te maken of te vertonen waarop strafbare handelingen te zien zijn. Dat ligt anders als de video’s kunnen worden aangemerkt als het aanzetten tot het plegen van strafbare handelingen of als het werven voor een gewapende strijd. Ook kunnen de getoonde handelingen zelf strafbare feiten zijn, waarvoor een verdachte vervolgd zou kunnen worden. Als dat aan de orde blijkt dan zullen politie en Openbaar Ministerie beoordelen of er aanleiding is om een opsporingsonderzoek in te stellen en of er voldoende grond is om tot vervolging over te gaan. Voor het overige is van belang dat de NCTV Internet Service Providers attendeert op jihadistisch georiënteerde websites die op hun systemen draaien of waar zij diensten aan verlenen. Het verzoek aan deze providers of registrars is dan om zelf de inhoud van de website of samenwerking te toetsten aan de eigen gebruikersvoorwaarden. Hiermee doet de NCTV een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de providers om de verspreiding van ongewenste of schadelijke content op het internet tegen te gaan.
Begrijpt u inmiddels dat het bezuinigen op de veiligheidsdiensten in deze tijd van islamitisch terrorisme meer dan onverstandig is? Zo nee, wat moet er gebeuren voordat er in de veiligheidsdiensten wordt geïnvesteerd in plaats van bezuinigd?
Het onderzoek naar jihadgangers is een geprioriteerd onderzoek binnen de AIVD. Door middel van interne herprioritering is capaciteit vrijgemaakt voor dit onderzoek. Dit betekent dat er voor andere onderzoeken minder capaciteit beschikbaar is. Uw Kamer is hier onder andere per brief van 4 maartjl. over geïnformeerd (Kamerstuk 30 977, nr. 83). Over de invulling van de taakstelling is uw Kamer per brief van 22 november 2013 geïnformeerd (Kamerstuk 33 750 VII, nr. 15) en zal ik uw Kamer voor de zomer nader over informeren.
Deelt u inmiddels de visie dat administratieve detentie een waardevol middel kan zijn in de bestrijding van het islamitisch terrorisme? Zo nee, waarom niet?
Zoals de Minister van Veiligheid en Justitie eerder aan uw Kamer heeft gemeld, acht het Kabinet het creëren van aanvullende administratieve detentiemogelijkheden ten behoeve van terrorismebestrijding, niet noodzakelijk. Wanneer van een persoon een dreiging uitgaat – bijvoorbeeld omdat de persoon van plan is uit te reizen naar of is teruggekeerd van een jihadistisch strijdgebied – dan beschikt het Openbaar Ministerie over voldoende wettelijke instrumenten om, in samenwerking met de politie, strafrechtelijk op te treden. Zo is bij verdenking van een terroristische misdrijf bewaring mogelijk, ook buiten het geval van ernstige bezwaren tegen de verdachte. Daarnaast kunnen diverse bestuurlijke instrumenten worden getroffen, zoals het stopzetten van toeslagen en uitkeringen, het nemen van paspoortmaatregelen en het kunnen bevriezen van financiële tegoeden.
In hoeverre bent u bereid teruggekeerde jihadisten met een dubbele nationaliteit vast te zetten, te denaturaliseren en vervolgens uit te zetten?
Deelname aan de jihadistische strijd of training in het buitenland is strafbaar op grond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht (terroristisch misdrijf). Het Openbaar Ministerie bekijkt per geval wat de mogelijkheden tot vervolging zijn. Het besluit om over te gaan tot vervolging ligt daar. Op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) kan het Nederlanderschap worden ingetrokken als sprake is van een onherroepelijke veroordeling wegens een terroristisch misdrijf. Voorwaarde is dat de betrokken persoon naast de Nederlandse nationaliteit, ook een andere nationaliteit bezit. Intrekking van het Nederlanderschap is namelijk niet mogelijk als staatloosheid daarvan het gevolg is (het Europees Verdrag inzake Nationaliteit, waarbij Nederland partij is, staat dit niet toe).
Voorwaarde is ook dat het misdrijf na 1 oktober 2010 is gepleegd. Na het intrekken van het Nederlanderschap wordt betrokkene tot ongewenst vreemdeling verklaard en wordt hij uitgezet.
Het gedogen van de verkoop van wiet via internet |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Coffeeshop via omweg aan huis»?1
Ja.
Mogen coffeeshops via de in het bericht geschetste wijze cannabisproducten via internet verkopen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De verkoop van hennepproducten (al dan niet via tegoedbonnen) via internet is in strijd met het in Nederland geldende gedoogbeleid. In de Aanwijzing Opiumwet wordt uitdrukkelijk gesteld dat verkoop van hennepproducten alleen wordt gedoogd indien deze verkoop geschiedt vanuit een coffeeshop én indien men zich daarbij houdt aan de zogenaamde AHOJGI criteria (zoals het verbod op het maken van reclame, het verbod op de verkoop aan jeugdigen, het verbod op het in voorraad hebben en verkopen van harddrugs en de bepalingen over de omvang van leveranties en handelsvoorraad). De handhaving van de criteria vereist toezicht en dit toezicht kan niet worden uitgevoerd als de overdracht van het product plaatsvindt op andere locaties dan in coffeeshops en op andere wijze dan nu in een coffeeshop gebeurt. Zo is bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat diegene die de bon aankoopt, zoals in vraag 2 wordt bedoeld, jonger is dan 18 jaar. Door enkel en alleen aan de koper op de website te vragen «bent u jonger dan 18 jaar» wordt geenszins gegarandeerd dat hiervan ook sprake is. Voorts verbiedt artikel 3b van de Opiumwet elke openbaarmaking, ook via internet, welke erop gericht is de verkoop, aflevering of verstrekking van hennepproducten te bevorderen.
In hoeverre kan bij de verkoop van cannabisproducten via internet gecontroleerd worden op het voorkomen dat er tevens harddrugs worden verkocht en dat er verkoop aan minderjarigen plaatsvindt? In hoeverre kan daarbij gecontroleerd worden of er per transactie maximaal 5 gram wordt verkocht?
Zie antwoord vraag 2.
Schenden coffeeshops die via het genoemde internetkanaal cannabisproducten verkopen het reclameverbod zoals dat is opgenomen in de AHOJG-criteria? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kan het deelnemen van een coffeeshop aan het genoemde internetverkoopkanaal betekenen dat de desbetreffende coffeeshop niet langer gedoogd zal gaan worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wanneer kan worden vastgesteld dat een coffeeshop zich aansluit bij de website Coffeeshopbon.nl en hennepproducten worden verkocht door middel van deze website, dan overtreedt de coffeeshop de gedoogcriteria en kan er sprake zijn van strafbaarheid op grond van artikel 3 van de Opiumwet. Ook kan de burgemeester dan besluiten tot het treffen van bestuurlijke maatregelen, zoals het intrekken van een vergunning of het sluiten van de coffeeshop.
Maakt het ten aanzien van het al dan niet verliezen van een gedoogvergunning door een coffeeshop uit of verkoop via internet indirect door middel van een zogenoemde coffeeshopbon plaatsvindt? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Over welke mogelijkheden beschikken de justitiële autoriteiten om de verkoop van cannabis via internet aan te pakken? Worden deze mogelijkheden al aangewend?
Omdat bij drugshandel via het internet uiteindelijk altijd sprake is van handel in fysieke goederen (op locatie of per post), kan worden opgetreden op grond van de Opiumwet. Politie en OM beschikken verder over mogelijkheden om de verkoop van cannabis via internet aan te pakken, gelijk andere vormen van internetcriminaliteit. In het kader van het opsporingsbelang is het niet wenselijk hierover mededelingen te doen.
Is verkoop via internet en andere verkoopkanalen binnen het huidige gedoogbeleid en de huidige wetgeving voldoende controleerbaar? Zo nee, welke wijzigingen verwacht u dat nodig zijn op het gebied van de huidige wetgeving en/of het gedoogbeleid?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 2, 3 en 4. De eerder genoemde gedoogcriteria en de toepasselijke bepalingen in de Opiumwet bieden voldoende mogelijkheden voor een adequate aanpak.
Nederlandse zelfmoordterroristen |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanslagen Nederlanders in Irak en Syrië»?1
Ja.
Klopt het dat er Nederlandse jihadisten zijn die zich hebben ontwikkeld tot zelfmoordterroristen? Zo ja, om hoeveel personen gaat het in totaal, naast de reeds opgeblazen jihadisten?
Ja, zoals ik tijdens de presentatie van het Jaarverslag van de AIVD op 23 april jI. bekend gemaakt heb, hebben in het begin van dit jaar twee Nederlanders een zelfmoordaanslag gepleegd.
Hoeveel (dodelijke) slachtoffers zijn er bij deze aanslagen gevallen?
Ik kan om operationele redenen niet in het openbaar ingaan op zaken die de identiteit van de twee Nederlandse zelfmoordterroristen kunnen prijsgeven.
Hadden de genoemde zelfmoordterroristen een dubbele nationaliteit? Zo ja, welke andere nationaliteit(en) hadden zij?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u inmiddels bereid de zeer onverstandige bezuinigingen op de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst terug te draaien in het kader van het anti-terrorismebeleid? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek naar jihadgangers is een geprioriteerd onderzoek binnen de AIVD. Door middel van interne herprioritering is capaciteit vrijgemaakt voor dit onderzoek. Dit betekent dat er voor andere onderzoeken minder capaciteit beschikbaar is. Uw Kamer is hier onder andere per brief van 4 maartjl. over geïnformeerd (Kamerstuk 30 977, nr. 83). Over de invulling van de taakstelling is uw Kamer per brief van 22 november 2013 geïnformeerd (Kamerstuk 33 750 VII, nr. 15).
In hoeverre wordt het dreigingsniveau verhoogd naar aanleiding van deze gevaarlijke ontwikkeling?
Het huidige dreigingsniveau is substantieel. Dat is het reeds op één na hoogste dreigingsniveau. Dit betekent dat de kans op een aanslag tegen Nederland reëel is. Verhoging van het dreigingsniveau naar het hoogste niveau kritiek» vindt plaats als er zeer sterke aanwijzingen zijn dat er een aanslag in Nederland zal plaatsvinden, zonder dat er een goed zicht bestaat op de dader(s), tijdstip en doelwit. Het bericht van de zelfmoordaanslagen in respectievelijk Syrië en Irak is zeer zorgelijk, omdat het laat zien hoe ver geradicaliseerde jihadisten bereid zijn te gaan om hun doel te bereiken, maar heeft geen directe invloed op het dreigingsniveau in Nederland.
Het gebruik door politie en justitie van kentekengegevens die vastgelegd zijn door een particulier bedrijf |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Politie plundert particuliere data»?1
Ja
Is het waar dat het bedrijf ARS Traffic & Transport Technology langs de Nederlandse snelwegen kentekens registreert en dat deze door politie en justitie opgevraagd worden voor opsporing en vervolging? Zo nee, wat is hier onjuist aan?
Ja, ARS T&TT registreert in opdracht van verschillende wegbeheerders kentekens langs Nederlandse (snel)wegen voor verkeers(management)doeleinden. Deze kentekens kunnen in strafrechtelijke onderzoeken worden gevorderd door de officier van justitie op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering. Er moet dan sprake zijn van een concrete verdenking voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en de gegevens moeten van belang zijn voor het onderzoek. De gegevens worden vervolgens verwerkt op grond van de Wet politiegegevens dan wel de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
Op welke juridische basis legt ARS Traffic & Transport Technology deze gegevens vast? Is hier sprake van opslag van persoonsgegevens, waarvoor toestemming van de betrokkenen vereist is? Zo nee, waarom is hier geen sprake van opslag van persoonsgegevens?
Voertuigkentekens moeten in beginsel worden aangemerkt als persoonsgegevens. ARS T&TT handelt in opdracht van wegbeheerders die een publiekrechtelijke taak uitoefenen. Volgens de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) mogen die instellingen persoonsgegevens verwerken, waaronder vastleggen, mits dat noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taak (artikel 8e WBP) en voldaan wordt aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Wanneer met toepassing van deze rechtvaardigingsgrond persoonsgegevens worden verwerkt, is het vragen van toestemming aan de betrokkene niet nodig.
Zijn er meer bedrijven die langs de openbare weg Automatic NumberPlate Recognition (ANPR) toepassen? Zo ja, welke bedrijven? Kunnen deze bedrijven een landelijk dekkend ANPR netwerk leveren? Hoe lang worden deze gegevens opgeslagen?
Ja, er zijn meerdere marktpartijen langs de openbare wegen die ANPR toepassen. Dit zijn voor Rijkswaterstaat (RWS) (inclusief de Nationale Databank Wegverkeersgegevens (NDW)), naast ARS T&TT, de partijen Connection Systems en Vialis. Deze partijen slaan variërend van een aantal dagen tot maximaal 15 werkweken (versleuteld) kentekens op.
Met de kentekenregistraties die plaatsvinden in opdracht van RWS en NDW kan geen landelijk dekkend netwerk worden geleverd. Bij RWS betreft het veelal kortstondige lokale en regionale projecten. NDW verzamelt wegverkeersgegevens over een netwerk van 6.000 km aan rijkswegen, provinciale wegen en doorgaande gemeentelijke wegen. Van alle NDW-meetlocaties is minder dan 10% uitgerust met ANPR-camera’s.
Welke andere technieken (zoals bluetooth- en wifitracking) worden breed ingezet langs de openbare weg voor het analyseren van vervoersstromen? Worden deze gegevens ook opgevraagd door politie en justitie?
Andere technieken die worden ingezet voor het inwinnen van verkeersgegevens voor verkeersmanagement zijn inductielussen in de weg, Bluetooth-metingen, Passive Infrared en GPS. Deze technieken werken niet met kentekenregistratie.
Deze gegevens kunnen, indien relevant voor het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van een concrete verdenking en met gebruikmaking van bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering, ook opgevraagd worden door politie en justitie.
Hoe vaak worden particuliere ANPR-databases en andere verkeersdatabases door politie en justitie bevraagd? Hoe specifiek is deze bevraging in tijd en kenteken?
Het is niet aan te geven hoe vaak particuliere ANPR-databases en andere verkeersdatabases worden bevraagd, omdat er bij de registratie geen onderscheid gemaakt wordt naar de bedrijven/diensten die camerabeelden opvragen.
Bent u op de hoogte van het oordeel van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) over de verschillende vormen van analyse van verkeersstromen? Zo ja, hoe luidt dit ten aanzien van ANPR door particuliere bedrijven? Zo nee, bent u bereid het oordeel van het CBP te vragen?
Een oordeel van het CBP over ANPR-toepassingen is gevraagd middels de Reparatiewet Infrastructuur en Milieu 2014, die aan het CBP is voorgelegd voor advies. In dit wetsvoorstel worden de grondslagen voor het ANPR-gebruik verder verduidelijkt. Het voorstel strekt er onder meer toe om de doelen waarvoor kentekens mogen worden verwerkt concreter vast te leggen, te weten: het in stand houden van de weg, het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan en de veiligheid van het verkeer. In een algemene maatregel van bestuur worden de procedures die hiervoor gelden voor alle wegbeheerders op een uniforme wijze uitgewerkt.
Het CBP heeft op dat punt geen aanmerkingen. Het wetsvoorstel ligt momenteel bij de Raad van State voor advies.
Deelt u het oordeel dat een koppeling tussen particulier verzamelde ANPR-gegevens en de RDW-database met kentekengegevens informatie oplevert die als persoonsgegevens gekenmerkt kunnen worden? Mag een dergelijke koppeling gelegd worden door het particuliere bedrijf dat deze ANPR-data verzamelt, door Rijkswaterstaat of door opsporingsdiensten? Welke juridische waarborgen zijn er voor de privacy van betrokkenen?
Ja, een koppeling tussen verzamelde ANPR-gegevens en de RDW-database levert persoonsgegevens op.
RWS kan met toepassing van artikel 9, eerste lid, van de WBP de verzamelde gegevens, na de voorgeschreven belangenafweging, verder verwerken voor andere doeleinden. De bedoelde koppeling voor specifieke doeleinden (bijv. verkeersonderzoeken) moet als een dergelijke verdere verwerking worden aangemerkt. Het particuliere bedrijf handelt in opdracht van RWS en voert zijn taken uit binnen de met RWS gemaakte afspraken.
Zo wordt met het bedrijf een bewerkersovereenkomst gesloten, is de verwerking gemeld bij de Functionaris Gegevensbescherming van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en worden de gegevens niet langer bewaard dan voor het doel noodzakelijk. Registraties worden vooraf aangekondigd met een persbericht. Overigens heeft een ieder een inzagerecht op grond van de WBP. Tenslotte heeft RWS een privacystatement opgesteld dat op de website van RWS staat en voor elke weggebruiker toegankelijk is.
Politie en justitie kunnen in gevallen van concrete verdenkingen en met gebruikmaking van de bevoegdheden in het Wetboek van Strafvordering zowel de oorspronkelijk verzamelde gegevens, als de verder verwerkte gegevens vorderen. De Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens (WJSG) en de Wet Politiegegevens (WPG) bevatten de waarborgen voor de bescherming van deze gegevens.
Deelt u de mening dat met het gebruik door politie en justitie van particuliere ANPR-gegevens mogelijkheden voor het volgen van voertuigbewegingen bestaan die de mogelijkheden van de voorgestelde wijziging van het wetboek van strafvordering voor ANPR ver overtreffen? Zo ja, deelt u de mening dat dit zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 2 is gezegd, kan ten behoeve van het oplossen van strafbare feiten informatie die in opdracht van RWS voor verkeersdoeleinden is vastgelegd door de officier van justitie worden gevorderd op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering. Het vorderen van de gegevens is slechts mogelijk voor zover sprake is van een concrete verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dit in het belang van het onderzoek is.
Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden waaronder de politie de door politiecamera’s vastgelegde ANPR-gegevens mag raadplegen indien het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie (Kamerstukken 33 542) wordt aanvaard en in werking treedt. De gegevens mogen op grond van het in dat wetsvoorstel voorgestelde artikel 126jj van het Wetboek van Strafvordering geraadpleegd worden in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ten behoeve van de opsporing van dat misdrijf.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van plenaire behandeling in tweede termijn van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie (Kamerstukken 33 542) in de Tweede Kamer?
Ja
Misdrijven plegende Afghaanse diplomaat en de uitzending van PowNews d.d. 17 april 2014 |
|
Raymond de Roon (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Is de berichtgeving «Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrijuit» correct?1 Zo neen, wat is dan wel de juiste en volledige weergave van de gebeurtenissen?
Uit onderzoek van het Openbaar Ministerie (OM) is gebleken dat een Afghaanse diplomaat in december 2013 betrokken was bij twee incidenten op dezelfde dag. Het eerste incident betreft een onenigheid in het verkeer waarbij woorden zijn gevallen tussen de diplomaat en een Nederlandse man. Hier is ook sprake geweest van een handgemeen. Het tweede incident vond op dezelfde dag plaats, op een andere locatie. De diplomaat heeft toen met zijn auto de weg geblokkeerd voor eerdergenoemde Nederlandse man en hij zou tegen de auto hebben geschopt. Beide partijen hebben aangifte gedaan van hetgeen deze dag is voorgevallen. De Afghaanse diplomaat heeft zich volgens het OM schuldig gemaakt aan mishandeling en vernieling. De diplomaat wordt niet vervolgd vanwege zijn diplomatieke status. De Nederlandse man wordt niet vervolgd omdat hij naar het oordeel van het OM handelde uit zelfverdediging.
Kent u de uitzending van PowNews d.d. 18 april 2014 en meer specifiek het gedeelte waarin de verslaggever wordt mishandeld?2
Ja
Waarom heeft u het gelaten bij het «op het matje roepen van de Afghaanse ambassadeur»? Waarom is de mishandelende en vernielende diplomaat niet uitgewezen?
Het ontbieden van de ambassadeur geldt in het diplomatieke verkeer reeds als een zeer zwaar middel. Het uitwijzen van een diplomaat (verklaren tot «persona non grata») is de uiterste sanctie die een ontvangend land ten opzichte van een diplomaat kan nemen. In dit geval was het gedrag van de betreffende diplomaat weliswaar volstrekt onacceptabel, maar kwalificeerde het niet voor het treffen van een dergelijke zichtbare en politiek beladen sanctie.
Buitenlandse Zaken heeft benadrukt, in een onderhoud met de ambassadeur op 30 januari jl., dat de geloofwaardigheid en daarmee het functioneren van de betreffende diplomaat vis-a-vis de Nederlandse autoriteiten is aangetast.
Hebt u op basis van artikel 32 van het Verdrag van Wenen Afghanistan verzocht de immuniteit van de diplomaat op te heffen? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Neen, een dergelijk verzoek is niet gedaan. Een verzoek om opheffing van immuniteit is niet meer aan de orde, gezien het feit dat het OM de zaak heeft geseponeerd, en gezien het feit dat betrokkene inmiddels Nederland heeft verlaten.
Hebt u op basis van artikel 31 van het Verdrag van Wenen Afghanistan verzocht de diplomaat zelf te vervolgen? Zo nee, bent u bereid om dit alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
Neen. Het is niet aan Nederland om een dergelijk verzoek aan Afghanistan te doen. Ik ga er van uit dat de ambassadeur zijn autoriteiten heeft geïnformeerd over het gedrag van zijn medewerker. Voorts staat het Afghanistan vrij om de betreffende persoon te vervolgen indien dit volgens de lokale wetten mogelijk is en opportuun geacht wordt.
Kunt u verklaren waarom een misdrijven plegende diplomaat ervan afkomt met een berisping en iedere niet-diplomaat voor dezelfde misdrijven op zijn minst een forse geldboete opgelegd wordt?
Nederland heeft, conform het Verdrag van Wenen, geen rechtsmacht over diplomaten met een absolute immuniteit. Tegelijkertijd worden diplomaten geacht de regels en wetten van Nederland te respecteren. Wanneer dat niet het geval is maakt Nederland een afweging over eventueel te nemen maatregelen. In dit geval wordt betrokkene terug geroepen door de Afghaanse autoriteiten; dat is voor de betrokken diplomaat en zijn gezin een zware maatregel.
Wat heeft u inmiddels gedaan naar aanleiding van de beelden van de auto van dezelfde Afghaanse diplomaat toen die urenlang een invalidenparkeerplaats bezet hield? Heeft u hem zijn diplomatieke kenteken afgenomen? Zo neen, waarom niet?
De Afghaanse Tijdelijk Zaakgelastigde is op 18 februari bij Buitenlandse Zaken ontvangen voor een gesprek over deze kwestie. In dat gesprek is aangegeven dat een dergelijk gedrag volstrekt onaanvaardbaar is. Zie verder het antwoord op vraag 9.
Spelen de islamitische gevoeligheden enige rol bij de manier waarop u deze zaken hebt behandeld, zoals in de berichtgeving wordt gesuggereerd? Gaarne een toelichting.
Religie is in deze casus geen factor van overweging.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar de toepassing van het beleid van de staat New York hier in Nederland, dat tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie door u aan de Kamer is toegezegd?
Aan de sanctie van het niet verlengen van de registratie van diplomatieke kentekens zoals deze in de VS wordt gebruikt, kleven de nodige bezwaren. Deze bezwaren zijn in de Kamerbrief over omgang met geprivilegieerden (die de Kamer op 23 april is toegezonden) uiteengezet. Allereerst is van belang op te merken dat met het intrekken van een CD-plaat de onderliggende diplomatieke status van de betrokkene niet verandert. Ook zal het in de praktijk lastig zijn om kentekenplaten daadwerkelijk in te nemen. De Nederlandse wet- en regelgeving op dit terrein is anders opgezet dan bijvoorbeeld in de VS, waar diplomatieke kentekens ieder jaar verlengd moeten worden. Bovendien leidt het intrekken van CD-platen meteen tot effecten in de fiscale sfeer, die vervolgens weer inbreuk kunnen maken op verdragsverplichtingen onder het Verdrag van Wenen. Tot slot geldt dat het intrekken van bijzondere kentekens op gespannen voet staat met het eveneens in het Verdrag van Wenen vastgelegde beginsel van vrijheid van beweging. Dergelijke maatregelen kunnen onmiddellijk leiden tot tegenmaatregelen («reciprociteit») in het betreffende land ten aanzien van Nederlandse diplomaten.
Is dit onderzoek bijna gereed? Zo nee, gaat u er vaart achter zetten nu blijkt dat diplomaten zich nog steeds niets van de Nederlandse wet aantrekken?
Het onderzoek naar de maatregelen die kunnen worden ingezet tegen geprivilegieerden die zich niet aan de Nederlandse wet houden, is inmiddels afgerond. In eerder genoemde brief van 23 april 2014 zijn de bevindingen van dit onderzoek beschreven.
De mishandeling van een gehandicapte bejaarde |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drie straatrovers slaan 71-jarige man uit scootmobiel»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de afschuw met betrekking tot de mishandeling van de gehandicapte bejaarde?
Uit onderzoek van het Openbaar Ministerie blijkt dat er sprake is van een valse aangifte.
Klopt het dat de verdachten van deze beroving een Somalische achtergrond hebben? Zo ja, kunt u aangeven waarom Somaliërs bijna vijf keer vaker verdachte zijn van misdrijven dan autochtonen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de daders van deze laffe daad reeds gepakt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat criminele vreemdelingen bij geweldsmisdrijven dienen te worden uitgezet? Zo neen, waarom niet?
Vreemdelingen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf kunnen het rechtmatig verblijf verliezen. In dat geval krijgen ze een inreisverbod of worden ze ongewenst verklaard, en moeten ze Nederland direct aansluitend aan de celstraf verlaten. Als ze dat niet doen dan worden ze uitgezet.
Het bericht "Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrij uit” |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrij uit»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de brief van de officier van justitie van het arrondissementsparket in Den Haag van 30 januari 2014 aan het Nederlandse slachtoffer?2
Ja.
Acht u het bewezen dat de Afghaanse diplomaat meerdere malen met zijn vuist geslagen heeft en schade veroorzaakt heeft aan de auto?
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft deze zaak onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat er verschillende strafbare feiten zijn gepleegd. Deze kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling en vernieling. Buitenlandse Zaken heeft kennisgenomen van de conclusies van het OM.
Wanneer en op welke wijze heeft u de Afghaanse ambassade op de hoogte gesteld van de mening van de Nederlandse regering? Hoe luidt die mening?
Op 30 januari jl. is de Afghaanse ambassadeur ontboden. In dat gesprek is aangegeven dat:
Heeft de Nederlandse regering ook aan de Afghaanse ambassade gevraagd om de schade aan de auto te vergoeden? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te doen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien u niet bereid bent om dit verzoek bij de Afghaanse ambassade neer te leggen, op welke wijze kan het Nederlandse slachtoffer dan zijn schade op de dader verhalen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van de Afgaanse ambassade van 31/12/2013, waarin de ambassade stelt dat alleen haar staflid aangevallen is en slachtoffer is van mishandeling (artikel 300 Wetboek van Strafrecht)(het Afghaanse staflid zou niet aangevallen hebben en niet geprovoceerd hebben)? Heeft u ook kennisgenomen van het feit dat de ambassade in afwachting was van een rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken?
Ja.
Wanneer is het rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken over dit incident uitgebracht en kunt u het rapport, dan wel de inhoud op hoofdlijnen, openbaar maken?
Buitenlandse Zaken heeft het onderzoeksrapport van het Openbaar Ministerie op 30 januari jl. gedeeld met de Afghaanse ambassadeur, toen deze ontboden is op Buitenlandse zaken. De teneur van het rapport is weergegeven in het antwoord op de Kamervragen (vraag3 van de leden Helder en De Roon over dezelfde kwestie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2049).
Klopt het dat dezelfde diplomaat en een assistent van hem op 17 februari in PowNews betrapt werden op het langdurig parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats en daarvoor ook een bon uitgeschreven kregen?
In verband met de privacy van betrokkenen doen wij geen uitspraken over het aantal uitgeschreven en nog openstaande boetes in individuele gevallen. Enkele administratieve sancties die zijn uitgeschreven aan de Afghaanse delegatie, zijn op dit moment nog niet betaald. Buitenlandse Zaken heeft zoals gebruikelijk contact opgenomen met de ambassade over de betaling.
De betreffende diplomaat beschikte tot het moment van zijn vertrek uit Nederland over een taxfree tankpas. Zie verder het antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich dat u in dezelfde uitzending van PowNews aankondigde contact op te laten nemen met de Afghaanse ambassade? Wanneer is dat gebeurd en met welke boodschap?
Ja. De Afghaanse Tijdelijk Zaakgelastigde is op 18 februari jl. bij Buitenlandse Zaken ontvangen voor een gesprek over deze kwestie. In dat gesprek is aangegeven dat een dergelijk gedrag volstrekt onaanvaardbaar is.
Heeft de betreffende diplomaat de boete betaald en staan er nog steeds boetes open? Beschikt hij op dit moment over een tankpas om accijns en btw-vrij te kunnen tanken?
Zie antwoord vraag 9.
Van hoeveel diplomaten is na de aankondiging van januari 2014 dat zij geen tankpas meer zouden hebben bij openstaande schulden, hun tankpas ook daadwerkelijk afgenomen?
Tot heden zijn er nog geen tankpassen geblokkeerd. Ik heb in januari 2014 aangekondigd dat een van de elementen uit het plan van aanpak zal zijn het blokkeren van tankpassen. Deze maatregel, aangekondigd in de Kamerbrief over omgang met geprivilegieerden (die de Kamer op 23 april jl. is toegezonden) is onderdeel van een nieuw werkproces, waarmee Buitenlandse Zaken structureler zal inzetten op betaling van verkeersboetes.
Om dit mogelijk te maken moeten onder andere het CJIB en Buitenlandse Zaken hun informatiesystemen over openstaande verkeersboetes op elkaar afstemmen. Het is de bedoeling dat in een nieuw op te zetten database (anders dan nu) de gegevens over openstaande verkeersboetes langdurig beschikbaar en dus opeisbaar blijven. Buitenlandse Zaken en het CJIB zijn deze nieuwe samenwerking aan het opzetten, en de verwachting is dat het nog zeker enige maanden zal duren voor deze geheel operationeel is.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de ambassadesecretaris in het AD-artikel dat »de 23-jarige Nederlander diplomaat S. [heeft] beledigd vanwege zijn geloof. Als zoiets in Afghanistan bekend wordt, kan de situatie escaleren. Ik hoop dat er dan niets gebeurt met de Nederlandse ambassade in Kaboel.», terwijl in de processen-verbaal, in het persbericht van de ambassade zelf, in de brief van de rechtbank, in het verslag van de getuige of waar dan ook geen sprake is van belediging vanwege het geloof, terwijl er nu wel met escalatie gedreigd wordt?
Bovenstaande uitspraak komt, indien deze gedaan is, geheel voor rekening van de desbetreffende persoon. De Afghaanse ambassade heeft aan Buitenlandse Zaken schriftelijk laten weten dat er geen sprake is van enige dreiging met escalatie, en dat de betreffende medewerker dergelijke uitspraken niet heeft gedaan. Ten aanzien van de vermeende belediging vanwege het geloof geldt dat Buitenlandse Zaken zich baseert op het gestelde in het onderzoeksrapport van het Openbaar Ministerie. Daarin staat niets vermeld over een dergelijke belediging.
Bent u bereid om de ambassade uit te nodigen om aan te geven wanneer de diplomaat vanwege zijn geloof beledigd is of anders de uitspraak terug te nemen?
Indien een dergelijke belediging was geuit had de betrokken diplomaat dit kunnen melden aan de politie. De ambassadeur, in de gesprekken met Buitenlandse Zaken, heeft evenmin melding gemaakt van een dergelijke belediging. Daar waar zowel betrokkene als de ambassade ruimschoots gelegenheid hadden om een dergelijke belediging aanhangig te maken, zie ik het nut niet van een uitnodiging aan de ambassade om specifiek hierover te spreken.
KPMG en de mogelijke fraude bij de nieuwbouw van het hoofdkantoor |
|
Henk Nijboer (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Fraude bij nieuwbouw hoofdkantoor KPMG»?1
Ja.
Klopt het dat een dochtervennootschap van KPMG die het gebouw ontwikkelde in 2010 een onjuiste aangifte van vennootschapsbelasting heeft gedaan en dat KPMG-partner Jaap van Everdingen, die bestuurder bij de vennootschap was, om deze reden terugtreedt als partner bij KPMG?
Zoals het Openbaar Ministerie in zijn persbericht van 17 april 2014 heeft aangegeven, worden de joint venture – KPMG Gebouw Amstelveen II – en de projectontwikkelaar verdacht van het doen van onjuiste belastingaangiften over 2009 en 2010 en valsheid in geschrifte. Naast de genoemde onderneming en de projectontwikkelaar richt het onderzoek zich op een tweetal bestuurders van de onderneming. Gelet op het feit dat het strafrechtelijk onderzoek nog gaande is, kunnen daarover geen nadere mededelingen worden gedaan.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van KPMG bij deze mogelijke fraude?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat fraude in de accountancysector te vaak voorkomt en harder moet worden bestreden?
Onregelmatigheden bij accountantskantoren zijn zeer schadelijk voor het vertrouwen in de accountancysector en de financiële markten. Gezien de belangrijke functie die accountants in het maatschappelijke verkeer vervullen, moet hun integriteit boven alle twijfel verheven zijn. Zoals ik in antwoord op de vragen 2 en 3 heb aangegeven kan ik geen nadere mededelingen doen over het onderzoek dat ten aanzien van KPMG wordt gedaan. Gelet hierop kunnen ook geen mededelingen worden gedaan over een relatie met eventuele andere zaken.
In het kader van haar reguliere toezicht, besteedt de AFM aandacht aan het integriteitbeleid van accountantsorganisaties en de betrouwbaarheid van beleidsbepalers. Uit het toezicht van de AFM zal moeten blijken in hoeverre sprake is van structurele problemen bij bepaalde accountantsorganisaties en of verdere (handhaving)maatregelen nodig zijn.
Naast de vele wettelijke maatregelen die recentelijk zijn genomen c.q. aangekondigd ter bevordering van de onafhankelijkheid van de externe accountant en de kwaliteit van de wettelijke controle, is het bovenal noodzakelijk dat de sector zelf een cultuur- en gedragsomslag maakt om aan te tonen dat zij onafhankelijkheid, integriteit en kwaliteit van de accountantscontrole hoog in het vaandel heeft staan. Waar accountants en accountantsorganisaties toch in strijd met wet- en regelgeving handelen, zullen passende maatregelen worden getroffen op tuchtrechtelijk, bestuursrechtelijk of strafrechtelijk terrein.
Welke relatie ziet u tussen deze casus en de eerdere fraudezaken van grote accountancy bedrijven en KPMG in het bijzonder (Vestia, Imtech, SNS Reaal en Ballast Nedam)? Bent u het ermee eens dat de hoeveelheid zaken duidelijk maakt dat het hier niet gaat om incidenten, maar om een structureel probleem? Zo ja, welke oplossingsrichtingen ziet u?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u deze zaak in het licht van uw antwoord op eerdere vragen dat er «binnen de accountantssector dan ook nog behoorlijk wat werk aan de winkel» is?2 Bent u het ermee eens dat er hierbij niet alleen op initiatieven vanuit de sector zelf mag worden geleund, maar ook moet worden gekeken naar strakkere wet- en regelgeving? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hierbij?
Bij de beantwoording van eerdere Kamervragen3 werd verwezen naar rapporten van de AFM waaruit blijkt dat de wettelijke controle door accountants in alle segmenten van de accountantsmarkt van onvoldoende kwaliteit is. In dat opzicht is er binnen de sector nog behoorlijk wat werk aan de winkel. De AFM ziet erop toe dat de betreffende accountantskantoren voldoende maatregelen treffen om de kwaliteit van de wettelijke controles te verbeteren. Recentelijk zijn ook verschillende maatregelen genomen om de onafhankelijkheid van de externe accountant te versterken en de kwaliteit van de wettelijke controle te verbeteren, waaronder de scheiding van controle en advies, de verplichte kantoorroulatie en het toekennen van de bevoegdheid aan de AFM om kantoorspecifieke rapportages te publiceren. Daarnaast bevat de nieuwe Europese regelgeving voor de hervorming van de accountantsmarkt verschillende maatregelen ter bevordering van de onafhankelijkheid van de externe accountant en de kwaliteit van de wettelijke controle.
In de onderhavige casus lijkt het overigens niet zo zeer te gaan om problemen bij het uitvoeren van een wettelijke controle, maar om mogelijke strafbare handelingen van accountants die als zodanig de integriteit van de externe accountant en de accountantsorganisatie ernstig in twijfel kunnen brengen. De bestaande wet- en regelgeving biedt voldoende aanknopingspunten om dergelijke gevallen aan te pakken.