De voorgenomen sluiting van het politiebureau in Wolvega |
|
Lilian Helder (PVV), Songül Mutluer (PvdA), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Weststellingwerf wil politiebureau overnemen» (Leeuwarder Courant 4 juli 2024) en «Als politie zich terugtrekt, grijpen criminelen hun kans» (Stellingwerf 4 juli 2024)?
Ja.
Deelt u de mening dat het voor de veiligheid van belang is dat de politie zichtbaar aanwezig is in wijken, buurten en regio’s? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De politie speelt een belangrijke rol in het bevorderen van de veiligheid in wijken, buurten en regio’s. Daarbij speelt zichtbare aanwezigheid een belangrijke rol. De politie is op verschillende manieren zichtbaar en bereikbaar in wijken, buurten en regio’s. De zichtbare aanwezigheid van politie wordt primair verzorgd door de wijkagent en zijn of haar collega’s van het basisteam. Contact met de politie kan fysiek plaatsvinden (op een teambureau, politiepost of op straat), maar ook online of telefonisch.
Deelt u de mening dat de sluiting van het politiebureau in Wolvega niet in lijn is met het voornemen zoals verwoord in uw eigen Hooflijnenakkoord te weten: «Er komt zichtbare aanwezigheid en meer politie en politieposten in wijken, in buurten, in de regio»? Zo nee, waarom niet?
Het hoofdlijnenakkoord zal in de komende periode verder uitgewerkt worden in een regeerprogramma. De uitwerking van de doelstelling om zichtbare aanwezigheid van de politie te behouden wordt daarin meegenomen.
Deelt u de mening dat met de sluiting van het politiebureau in Wolvega er minder tijd voor politiezorg in die plaats komt, de informatiepositie van de politie daar verslechtert en agenten minder aandacht voor Wolvega kunnen gaan hebben?
De politiepost groot in Wolvega wordt in 2025 vervangen door een politiepost klein. Dit is een nieuwe kleinere politiepost, passend bij de werkzaamheden en dienstverlening. De nieuwe politiepost komt op een goed toegankelijke plaats in een gebouw bij een ketenpartner. Hier kunnen inwoners aangifte doen en de politie bereiken, waarbij openingstijden en aanwezigheid in nauw overleg met het lokaal bestuur worden vastgesteld. Kleinere politieposten zijn op afspraak (tijdens kantoortijden) geopend. Burgers hoeven dus niet verder te reizen naar een politielocatie. De politie blijft voor hen op dezelfde manier bereikbaar.
Een kleinere politiepost kan daarnaast fungeren als uitvalsbasis voor de wijkagent en aanloopplek voor de diender op straat (noodhulp en handhavingstaken). De tijd voor politiezorg en de informatiepositie van de politie is daarnaast niet afhankelijk van een fysieke locatie.
Transformatie naar een nieuwe kleinere politiepost in Wolvega zorgt er voor dat capaciteit kan worden vrijgemaakt voor meer «blauw» op straat. Dit draagt bij aan de politiezorg ter plaatse en behoud van de informatiepositie van de politie. De agenten blijven werkzaam in het gebied van basisteam Zuidoost-Fryslân en werken vanuit het teambureau in Heerenveen, de politiepost groot in Oosterwolde (gemeente Ooststellingwerf) en de nieuwe kleinere politiepost in Wolvega (gemeente Weststellingwerf).
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de voorgenomen sluiting van het politiebureau?
In 2014 zijn in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie afspraken gemaakt over een meerjarig huisvestingsplan. In het kader van de vorming van de Nationale Politie is besloten tot een transformatie naar een kleiner aantal politiebureaus, ondersteund door een operationeel netwerk van politieposten. In de huisvestingsvisie 2040 van de politie is het uitgangspunt van één teambureau per basisteam en ondersteuning met politieposten daar waar nodig opnieuw opgenomen.
Keuzes over welke politiebureaus of posten die worden toegevoegd, geopend blijven of sluiten is een verantwoordelijkheid van de politie. De politie overlegt hierover met het betrokken lokaal gezag. Het is aan de politie om binnen het gestelde financiële kader te bepalen hoe zij de huisvesting van de politie het beste kan inrichten. Het is tevens aan de politie om voorgenomen wijzigingen hierin af te stemmen in overleg met het betrokken lokaal gezag. Daarbij spelen naast de veiligheidssituatie en aanrijtijden, overwegingen van doeltreffendheid en doelmatigheid alsook overwegingen over kwaliteit van het politiewerk en de kwaliteit van de dienstverlening een rol. De huisvestingsaanpak wordt steeds besproken in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP).
In overleg met het lokaal gezag is naast het teambureau in Heerenveen een politiepost aanwezig in Oosterwolde en een politiepost in Wolvega. De politiepost groot in Wolvega wordt in 2025 vervangen door een politiepost klein, passend bij de werkzaamheden en dienstverlening.
Ik heb er vertrouwen in dat de politie de keuze voor sluiting van het politiebureau Wolvega weloverwogen maakt en de genoemde zorgen heeft betrokken en zal blijven betrekken in haar afwegingen.
Deelt u de mening dat indien de gemeente Weststellingwerf het genoemde politiebureau overneemt dat er daarmee nauwelijks nog sprake van kan zijn dat bezuinigingen een reden voor sluiting zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De keuze voor huisvesting in een nieuwe kleinere politiepost in het gebouw van een ketenpartner in Wolvega past bij de werkzaamheden en de dienstverlening van de politie ter plaatse. Het verkopen aan en weer terug huren van de grotere bestaande politiepost van de gemeente Weststellingwerf past niet binnen deze opzet, de organisatieontwikkeling van de politie en het financieel kader dat daarvoor is.
Bent u op de hoogte van de gesprekken tussen de gemeente Weststellingwerf en het politiebestuur van het district Zuidoost-Friesland? Zo ja, kunt u de Kamer op de hoogte stellen van de voortgang van deze gesprekken? Zo nee, kunt u zich alsnog laten informeren en de Kamer op de hoogte stellen van de voortgang van deze gesprekken?
Team, districts- en eenheidsleiding van de politie zijn sinds juni 2023 intensief in gesprek en overleg met de burgemeester van Weststellingwerf over de dienstverlening door de politie in Wolvega en de (ontwikkelingen in de) nieuwe huisvesting van de politie in Wolvega. Op 11 juni jl. was er een gesprek en dat wordt vervolgd. In eerste instantie was er sprake van een verhuizing van agenten van Wolvega naar Oosterwolde. In overleg met de burgemeester is afgesproken dat een deel van de agenten verhuizen naar het teambureau in Heerenveen. Dit levert een verbetering op van de bereikbaarheid van Wolvega met een reistijd van een kwartier.
Hoe gaat u in het algemeen er voor zorgen dat er zichtbare aanwezigheid en meer politie en politieposten in wijken, in buurten en de regio komt en in het bijzonder in de gemeente Weststellingwerf?
Zie antwoord vraag 3.
De vertraging in de versterking, problemen bij de schadeafhandeling en de ongelijkheid in Groningen en Noord-Drenthe |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Kent u het bericht «NCG haalt doel niet: duizenden Groningers weten pas volgend jaar of huis veilig is»?1
Ja, ik ken dit bericht. In de brief van 27 juni jl.2 heeft mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer gemeld dat circa 1.280 beoordelingen na 1 juli 2024 zullen worden afgerond. Ik ontvang deze maand de rapportage van NCG over de beoordelingen, daaruit zal blijken wat het tempo is van de resterende beoordelingen.
Herkent u dat het, een jaar na de grote beloftes over het inlossen van een ereschuld, niet te verkroppen is dat de versterkingsoperatie nog steeds zo slecht verloopt?
Afgelopen jaren zie ik een dat er goede stappen zijn gezet in de wijze waarop de versterking wordt uitgevoerd. Tegelijkertijd zie ik ruimte voor verbetering. Er zijn belangrijke stappen gezet in het milder, makkelijker en menselijker maken van de versterking. Daarmee sluit de versterking beter aan bij de behoefte van de bewoners. Dat is ook nodig om te zorgen dat de ereschuld wordt ingelost. Ik ga daarom door op de ingeslagen weg, en werk aan een betere samenwerking tussen de verschillende overheden én een nauwere samenwerking tussen en met de uitvoeringsorganisaties.
Deelt u de mening dat de aanpak van de nog steeds groeiende ongelijkheid in dorpen en wijken prioriteit moet zijn?
Ja, de ongelijkheid die in dorpen en wijken is ontstaan, is een van de meest complexe problemen in het aardbevingsgebied. Dit is ook door mijn ambtsvoorganger onderkend.3, 4 Ik zal het werk van mijn ambtsvoorganger voortzetten om verschillen zoveel mogelijk te verkleinen.
Hoe moeten we de tekst die u op 2 juli op X plaatste «Iedereen in de regio moet in een veilig, schadevrij en geïsoleerd huis kunnen wonen met een goed perspectief op de toekomst» duiden?
Hieruit kunt u opmaken dat ik mij committeer aan het doel dat uiteindelijk iedereen in de regio een veilig, schadevrij en geïsoleerd huis heeft. Ik zal mij inzetten voor het verder uitwerken en tot uitvoering brengen van de maatregelen zoals die zijn geformuleerd in Nij Begun.
Dit doel – elke woning veilig schadevrij en duurzaam – komt rechtstreeks uit het rapport van Geel, het vorige kabinet heeft echter niet het geld vrijgemaakt om dit gehele doel te behalen, ook in het hoofdlijnenakkoord is dit niet gedaan, betekent uw tweet dat dit geld alsnog wordt vrijgemaakt? Zo nee, waarom niet?
Mijn bericht op X betekent dat ik mij – in overleg en samen met de regio – zal inzetten voor het verder uitwerken en tot uitvoering brengen van de maatregelen zoals die zijn geformuleerd in «Nij Begun». Dit zal ik in ieder geval doen binnen de bestaande kaders en met de door het vorige kabinet beschikbaar gestelde financiële middelen. De mogelijkheid voor extra beschikbaarheid van middelen voor volledige uitvoering van het advies van Geel onderzoek ik, rekening houdend met haalbaarheid en uitvoerbaarheid. Een besluit hierover is uiteindelijk aan het kabinet en wordt meegewogen ten opzichte van overige keuzes in het kader van het hoofdlijnenakkoord.
Is het u bekend dat bewoners die soms al jaren in onzekerheid zitten over de veiligheid van hun woning de afgelopen maanden «flutrapportjes» hebben ontvangen over hun woning? Wat gaat u voor bewoners die zo’n slecht rapport hebben gekregen doen? Wat is uw advies aan hen?2
Ik herken niet dat er rapporten van slechte kwaliteit met bewoners zijn gedeeld. De kwaliteit en betrouwbaarheid van rapporten staat voorop. Daarom heeft NCG verleden jaar verbeteracties uitgevoerd. Bewoners die twijfelen over de onderbouwing van hun beoordeling kunnen dit aangeven bij hun bewonersbegeleider. De bewonersbegeleider belt bij een besluit op norm doorgaans binnen twee weken met de bewoner. Tijdens dit gesprek kan met de bewoners worden besproken hoe eventuele zorgen weggenomen kunnen worden. Aanvullend kan de eigenaar bijvoorbeeld een toelichting van het ingenieursbureau krijgen. Mochten de antwoorden voor de bewoners niet bevredigend zijn, dan kunnen zij in bezwaar en eventueel in beroep gaan tegen het besluit. Hiervoor kunnen bewoners financiële, juridische en bouwkundige bijstand krijgen.
Herkent u dat wanneer bewoners op basis van een slecht rapport uit de versterkingsoperatie worden gezet zij van voren af aan moeten beginnen en zelf schade moeten gaan melden en de verduurzaming van hun woning zelf moeten gaan regelen? Herkent u voorts dat deze flutrapportjes zorgen voor meer ongelijkheid omdat bewoners zien dat in hun straat, wijk of dorp andere, niet zelden zeer vergelijkbare woningen, wel versterkt worden of sloop-nieuwbouw krijgen?
Ik herken dit niet. Uit een opname en de daaropvolgende beoordeling kan blijken dat versterking niet noodzakelijk is, omdat het gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm. In dat geval is er geen versterking nodig en kan er dus geen sprake meer zijn van samenloop met het schadeherstel en verduurzaming. Voor de isolatie komen deze adressen in het versterkingsgebied, net als adressen met een lichte versterking in het gebied, in aanmerking voor 100% subsidie.
Voor wat betreft uw vraag over verschillen herken ik dat er onder andere verschillen zijn ontstaan door actualisering van de beoordelingsmethode voor veiligheid. Om deze verschillen weg te nemen hebben mijn ambtsvoorgangers in november 2020 bestuurlijke afspraken gemaakt, is op 6 maart een verduurzamingspakket gepresenteerd en is in Nij Begun meer maatwerk mogelijk gemaakt om verschillen tegen te gaan (maatregel 12). Ik zal mij de komende periode inzetten om verschillen zoveel mogelijk te voorkomen en te verkleinen.
Heeft u gezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) aangeeft dat de vertraging én het versturen van kwalitatief ondermaatse rapporten komt door een tekort aan ingenieurs en «verschil van inzicht» met een ingenieursbureau?3
Ja, ik herken dat de vertraging onder meer is ontstaan door het tekort aan ingenieurs en een verschil van inzicht over de op te leveren beoordelingen. Dit heeft mijn ambtsvoorganger ook gemeld in de Kamerbrief van 12 december 20237 en in de Kamerbrief van 27 juni jl.8 NCG stelt hoge eisen aan de kwaliteit van de beoordelingsrapporten. Als uit de controle van NCG blijkt dat een rapport niet aan de eisen voldoet, dan wordt het ingenieursbureau gevraagd het rapport te verbeteren. De NCG werkt niet meer samen met de ingenieursbureaus die niet in staat waren te voldoen aan deze eisen. Daarmee wordt bewoners meer zekerheid geboden over de uitkomst van de beoordeling.
Herkent u dat het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) eerder aangaf dat het doel van de NCG om de versterkingsoperatie af te ronden in 2028 berust op aannames en er potentiële kritieke knelpunten zijn die roet in het eten kunnen gooien, «er is eigenlijk geen ruimte meer voor tegenslagen»? Herkent u voorts dat er nu alweer sprake is van een tegenslag en we als Kamer onvoldoende inzicht hebben hoe het staat met andere kritieke knelpunten? Kunt u per knelpunt (KCG), waaronder het aantal tijdelijke woningen en personele uitvoeringscapaciteit, aangeven of er voldoende en kwalitatief goede capaciteit is?4, 5
Ja, ik herken het signaal van het SodM. Dat is ook één van de redenen dat mijn ambtsvoorganger aan NCG de opdracht heeft gegeven om een diepteanalyse te doen naar de haalbaarheid van de afronding van de versterking in 2028. Uit die diepteanalyse komt ook naar voren welke kritieke knelpunten gesignaleerd worden met de daarbij behorende mogelijke mitigerende maatregelen. Deze analyse zal ik na de zomer met uw Kamer delen. In de Kamerbrief van 26 juni jl.11 is mijn ambtsvoorganger ingegaan op de voortgang van de versterking en heeft hij aangegeven hoe de randvoorwaarden die van belang zijn voor deze voortgang onderdeel kunnen zijn van de jaarlijkse Staat van Groningen. Ik zal onderzoeken of en hoe deze randvoorwaarden daarin zo goed mogelijk (kwalitatief) inzichtelijk gemaakt kunnen worden. Door opname in de jaarlijks terugkerende Staat van Groningen komen deze inzichten ook structureel beschikbaar.
Is de deadline van 2028 nog haalbaar? Kunt u uw antwoord toelichten?
Mijn ambtsvoorganger heeft onderzoek laten doen naar de haalbaarheid van de afronding van de versterking in 2028. Ik zal de uitkomsten van dat onderzoek na de zomer aan uw Kamer sturen.
Ziet het kabinet een rol voor zichzelf in het organiseren van voldoende capaciteit op alle kritieke punten om te zorgen dat de zorg voor veilige, herstelde en verduurzaamde woningen voor Groningers en Noord-Drenthe prioriteit krijgt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, het kabinet heeft een rol in het goed functioneren van de uitvoering en het beschikbaar stellen van voldoende middelen daarvoor. Daarnaast hebben andere partijen ook een belangrijke rol. De gemeenten hebben bijvoorbeeld een grote rol op het gebied van vergunningen voor tijdelijke huisvesting, de ingenieursbureaus hebben een verantwoordelijkheid voor de capaciteit en kwaliteit die zij leveren. Ook zijn nutsbedrijven bijvoorbeeld bepalend voor de noodzakelijke netverzwaring. De versterkingsoperatie en het schadeherstel legt daarnaast een beslag op de bouwcapaciteit in Nederland, maar zeker in Groningen. Om deze bouwcapaciteit voor Groningen zo goed mogelijk te benutten wordt regelmatig met bouwbedrijven overlegd en worden afspraken gemaakt om zo de beschikbare capaciteit maximaal te benutten. Een goede samenwerking tussen al deze betrokken organisaties en bedrijven is van belang voor een goede voortgang van de versterkingsoperatie.
Deelt u de oproep van de Groninger Bodem Beweging om de nadruk van de maatregelen op de kern van het gebied en de meest gedupeerden te leggen? Kunt u uw antwoord toelichten? Herkent u dat dit nu niet altijd het geval is?
De focus van de schadeafhandeling en de versterkingsoperatie moet liggen bij de mensen die de hulp het hardst nodig hebben. Dit concentreert zich over het algemeen in de kern van het effectgebied, en daarom wordt bij nieuwe schademaatregelen gestart in deze kern. Maar ik herken dat ook buiten de kern bewoners hulp van de overheid hard nodig hebben. Ook voor deze bewoners zet ik mij in.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie van de leden Beckerman en Nijboer waarmee de regering onder andere is verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), alsnog te vergoeden?6
Zoals door mijn ambtsvoorganger in de Kamerbrief van 22 januari jl. (Kamerstuk 33529–1209) is toegelicht, is het niet mogelijk alle door NAM/CVW genomen besluiten te laten herzien. Dat zou een enorme belasting betekenen voor de uitvoering. Maatregelen die bedoeld zijn ter vereenvoudiging van de schadeafhandeling zouden dan zorgen voor lange procedures voor bewoners. De Tijdelijke wet Groningen staat het op dit moment ook niet toe dat het IMG schades die de NAM heeft afgehandeld generiek gaat herbeoordelen.
Tegelijkertijd ben ik zeer gemotiveerd om te kijken naar wat wel kan. Er zijn reeds grote en betekenisvolle stappen gezet om bewoners met afgewezen schades alsnog te compenseren. Voor bewoners die in het verleden geen of een geringe schadevergoeding ontvingen en nooit de mogelijkheid hebben gehad om te kiezen voor de eenmalige vaste vergoeding, heeft het IMG de aanvullende vaste vergoeding (AVV) ontwikkeld. Deze wordt verhoogd naar € 10.000. Ook bewoners van wie schades zijn afgewezen door de NAM komen hiervoor in aanmerking.
De AVV zal niet voor iedereen uitkomst bieden. Bewoners met omvangrijkere schades die eerder door de NAM of het CVW zijn behandeld en (gedeeltelijk) afgewezen, zullen hier mogelijk onvoldoende oplossing in zien. Momenteel wordt verkend of hier aanvullend perspectief gecreëerd kan worden. Dit is echter complex, zowel met het oog op uitvoerbaarheid als met het oog op de wens om geen nieuwe, moeilijk uitlegbare verschillen te creëren. Hierbij betrek ik naast het IMG ook de regio en maatschappelijke organisaties. Ik verwacht uw Kamer dit najaar over de uitkomst van deze verkenning te kunnen informeren.
Herkent u dat een deel van de gedupeerden nog steeds een ongelijke strijd moeten voeren?
Ik ben me ervan bewust dat dit door een deel van de gedupeerden nog zo wordt ervaren. Het IMG en NCG werken hard om de afhandeling van schade en de uitvoering van de versterking milder, makkelijker en menselijker te maken en daarmee juridische procedures te voorkomen. Er zijn al flinke stappen gezet. Zo kunnen bewoners sinds Nij Begun kiezen om schades tot € 60.000 te laten herstellen zonder onderzoek naar de oorzaak of voor een vaste vergoeding van € 10.000. Tevens zijn de immateriële schadevergoedingen binnen huishoudens gelijkgetrokken en wordt de Landsadvocaat niet meer ingezet tegen bewoners. Bij NCG hebben bewonersbegeleiders een ruim mandaat gekregen om direct in te kunnen spelen op problemen die bij bewoners spelen en die de voortgang van de versterking belemmeren.
Mochten bewoners er toch niet uitkomen, dan kunnen eigenaren juridische, financiële en bouwkundige bijstand krijgen in hun versterkings- en/of schadevergoedingstraject.
Waarom krijgen bewoners die een rapport hebben waarin hun huis op norm wordt verklaard geen ondersteuning, een onafhankelijk bouwadviseur, kunnen krijgen terwijl bewoners van wie het huis niet op norm is dit wel kunnen aanvragen? Zeker gezien de NCG zelf aangeeft dat niet alle rapporten van voldoende kwaliteit zijn is het toch logisch alle bewoners ondersteuning te bieden?
Eigenaren die van NCG een besluit krijgen dat hun gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet, kunnen net als eigenaren wier gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet, kosteloos juridische bijstand inschakelen via de Raad voor Rechtsbijstand. De advocaat, die de eigenaar bijstaat, kan daarbij kosteloos een onafhankelijke bouwadviseur inschakelen.
Hekelt u dat het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) voor elke euro die ze uitgeeft aan schadeafhandeling 0,78 euro aan extra kosten maakt? Herkent u dat deze kosten deels voortkomen uit gestold wantrouwen richting gedupeerden? Herkent u voorts dat het IMG elk jaar opnieuw belooft dat het volgende jaar beter zal worden, maar dat het jaar op jaar vooral erger wordt? Welke stappen wilt u zetten om deze uitvoeringskosten echt te laten dalen en te zorgen dat de schadeafhandeling voor gedupeerden?
Bewoners moeten milder, makkelijker en menselijker worden geholpen met de schade aan hun huis. Daarbij is het ook van belang dat de uitvoeringskosten naar beneden gaan, tegelijk wil ik benadrukken dat lagere uitvoeringskosten geen doel op zich zijn. Verder is mijn ambtsvoorganger in de Kamerbrief van 12 april 2024 (Kamerstuk 33529–1231) ingegaan op de uitvoeringskosten van het IMG. Hier is aangegeven dat de verwachting is dat de uitvoeringskosten op termijn zullen dalen omdat bij de nieuwe schademaatregelen de kosten lager zullen liggen dan de kosten voor maatwerk. De exacte uitvoeringskosten zullen duidelijk worden wanneer de nieuwe schadeafhandeling is geïmplementeerd en ervaringscijfers bekend zijn.
De toename van de uitvoeringskosten voor fysieke schade in 2023 wordt voor een belangrijk deel verklaard door de mogelijkheid die bewoners is geboden om de afhandeling van hun schademelding aan te houden in afwachting van gunstiger beleid. De voorbereidende werkzaamheden om te komen tot een besluit, zoals uitvoeren van schadeopnames, gingen wel door. Met als logisch gevolg dat in 2023 minder besluiten zijn genomen, minder schadevergoeding is uitgekeerd maar wel de reguliere kosten zijn gemaakt.
De ontwikkeling van de uitvoeringskosten zal ik monitoren onder andere door hierover jaarlijks te rapporteren in de Staat van Groningen.
Herkent u dat het goed is dat het vorige kabinet, na Kamervragen, heeft toegezegd dat er in principe geen hoger beroepszaken meer aangespannen worden door het IMG, maar bewoners nadat ze gelijk hebben gekregen van de rechter soms alsnog strijd moeten voeren met IMG? Wat kunt u voor deze bewoners die hierdoor weer moeten wachten doen?
Niemand zit te wachten op een rechtszaak, dit zorgt vaak voor extra spanning bij bewoners. Het is goed dat het IMG sinds maart 2023 geen hoger beroep meer instelt als de rechtbank de bewoner gelijk heeft gegeven, want de overheid hoort naast en niet tegenover de bewoner te staan. De bewoner kan wel in beroep bij de rechtbank tegen een besluit van het IMG en eventueel in hoger beroep. Het spreekt voor zich dat het IMG uitspraken van de rechter respecteert en uitvoert. De rechter geeft soms de bewoner gelijk maar geeft daarbij dan ook aanwijzingen aan het IMG, bijvoorbeeld dat het IMG aanvullend onderzoek moet uitvoeren om de schadevergoeding vast te stellen. In dergelijke situaties zal het IMG deze werkzaamheden met prioriteit oppakken.
Daarnaast streeft het IMG ernaar om bezwaar- en beroepszaken zoveel als mogelijk te voorkomen. Door bijvoorbeeld eerder al met aanvragers om tafel te gaan om tot een passende oplossing te komen of het besluit nader toe te lichten.
Bent u bereid om het gebruik van de trillingstool helemaal te stoppen?
Op dit moment lijkt dat geen verstandige keuze. Ik vind het belangrijk dat alle bewoners met schade aan hun woning, door te kiezen voor de vaste eenmalige schadevergoeding of daadwerkelijk herstel, hun schade kunnen laten afhandelen zonder onderzoek naar de oorzaak van de schade en aldus gebruik van de trillingstool. Zoals ook mijn voorganger heeft aangegeven tijdens het debat van 6 maart jl. over de beëindiging van de gaswinning, wordt de trillingstool bij de beoordeling van schades alleen nog gebruikt wanneer de bewoner kiest voor een maatwerkprocedure. Voor het meten van de impact van aardbevingen bij maatwerkbeoordelingen is er nog geen goed alternatief.
De trillingstool wordt bij maatwerkbeoordelingen ingezet om te beoordelen of schade, met een andere oorzaak, toch door aardbevingen kan zijn ontstaan over verergerd. Dit leidt tot hogere vergoedingen en minder afwijzingen in de gebieden waar de meeste aardbevingen zijn voorgekomen. Verkende technische alternatieven, zoals KNMI Shakemaps, zouden nadeliger uitvallen voor bewoners. Nu stoppen met het gebruik van de trillingstool zou daarmee leiden tot minder toekenningen en willekeur in de beoordelingen. Ik ga in lijn met de motie Beckerman (Kamerstuk 36 441, nr. 24) wel in gesprek met het IMG om te kijken naar de prominente plek van de trillingstool.
Deelt u de zorgen over de inzet van AI bij de beoordeling van aardbevingsscheuren en problemen met de constructieve veiligheid? Zeker na alle problemen met algoritmen door de overheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel deze zorgen niet. Voor het uitvoeren van de opnames en het opstellen van opnamerapporten en beoordelingsrapporten (versterkingsadviezen) wordt door de NCG geen gebruik gemaakt van AI. Ook het reviewen van deze stukken wordt door medewerkers van NCG gedaan. Het IMG maakt op dit moment gebruik van één AI-toepassing, met als doel om schade-experts te ondersteunen. Foto’s van eerdere schades op hetzelfde adres kunnen zo snel worden gevonden. Hierbij wordt AI dus enkel ondersteunend gebruikt; de uiteindelijke beoordeling wordt door de deskundige gedaan.
Net als bij andere organisaties wordt er door het IMG en NCG wel naar de mogelijkheden van de inzet van AI gekeken om processen te verbeteren en hebben zij tevens oog voor de noodzakelijke waarborgen die daarbij horen.
Herkent u, ook vanuit uw werk als contra-expert, het belang van het bewijsvermoeden (in de volksmond omgekeerde bewijslast)? Deelt u de mening dat het bewijsvermoeden voor alle mijnbouw moet gelden? Gaat u alsnog de aangenomen motie van de leden Beckerman en Bushoff geheel uitvoeren?7
Zoals mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven, wordt er over de uitvoering van deze motie voorlichting gevraagd aan de afdeling advisering van de Raad van State (TK 33 529, nr. 1233). Zo wordt meer duidelijkheid verkregen over de mate waarin de toepassing van het wettelijk bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland gerechtvaardigd en proportioneel is en daarmee juridisch houdbaar is.
Als Staatssecretaris Herstel Groningen ben ik verantwoordelijk voor de schadeafhandeling van schade veroorzaakt door het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg. De Minister van Klimaat en Groene Groei is dit voor de schadeafhandeling van andere mijnbouw in Nederland en daarmee ook voor de uitvoering van deze motie. Natuurlijk werken we nauw samen daar waar beide elkaar raken.
In Groningen zijn nog zeventien kleine gasvelden open, is er gasopslag, afvalwaterinjectie en zoutwinning die voor problemen zorgen, vallen deze nu wel of niet onder de portefeuille «Herstel Groningen»? Wat is de visie van het kabinet op deze mijnbouwactiviteiten die direct van invloed zijn op het herstel van vertrouwen in Groningen?
Het kabinet staat achter de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld, zoals ook in het Hoofdlijnenakkoord staat beschreven. In het Hoofdlijnenakkoord staat dat de gaswinning op de Noordzee wordt opgeschaald. Over overige mijnbouwactiviteiten zijn in het Hoofdlijnenakkoord geen specifieke afspraken gemaakt. Het is belangrijk om daarbij aan te geven dat de veiligheid van bewoners in Groningen en in de rest van Nederland natuurlijk voorop staat.
Zoals aangeven in mijn antwoord op vraag 20 ben ik verantwoordelijk voor de schadeafhandeling van schade veroorzaakt door het Groningenveld, Norg en Grijpskerk. De Minister van Klimaat en Groene Groei is verantwoordelijk voor de mijnbouw in Nederland waaronder de inzet van de gasopslagen in Groningen en de kleine gasvelden.
Erkent u dat de samenwerking tussen IMG en NCG nog niet altijd goed genoeg gaat en dit voor problemen zorgt? Wat wilt u hieraan doen?
De afgelopen periode zijn er belangrijke stappen gezet in de samenwerking tussen het IMG en NCG bij samenloop tussen schadeafhandeling en versterking. Zo is per 1 juli 2023 wettelijk geborgd dat bewoners die met zowel schade als versterking te maken hebben, kunnen kiezen voor een gecoördineerde afhandeling onder begeleiding van één aanspreekpunt namens beide organisaties. Een bewoner kan kiezen of het IMG of NCG de vergoeding van schade en de versterking van zijn gebouw coördineert. Het uitgangspunt daarbij is één huis, één loket, één plan, in lijn met de wens van uw Kamer.14
Ook in de dagelijkse praktijk zoeken het IMG en NCG doorlopend naar verbeteringen in de samenwerking. Het IMG en NCG werken bijvoorbeeld nauw samen bij woningen die zowel in aanmerking komen voor versterking, als voor duurzaam herstel. Bewoners krijgen waar mogelijk de keuze om beide opgaves in één verbouwing op te laten lossen, onder coördinatie van de NCG. Ook in de dorpenaanpak worden schade en versterken zo veel mogelijk in samenhang opgepakt.
Daarmee zijn praktische belemmeringen echter niet uitgesloten. Bewoners mogen hier niet de dupe van worden. Het is daarom noodzakelijk om te blijven zoeken naar ruimte voor verbetering. De komende tijd ga ik in gesprek met het IMG en NCG om te bepalen wat er op dit gebied mogelijk en wenselijk is, teneinde de samenwerking bij samenloop van schadeherstel en versterken verder te verbeteren.
Wat vindt u van de uitspraak van uw voorganger hij bepaalde zaken niet kon veranderen, want «ik ben ook geen baas van de NCG»? Deelt u de mening dat het problematisch is wanneer de overheid beloftes doet aan bewoners maar deze vervolgens niet kan waarmaken vanwege het gebrek aan mogelijkheden om sturing te geven aan de NCG?8
NCG is een uitvoeringsorganisatie van de Rijksoverheid. Als Staatssecretaris Herstel Groningen ben ik politiek verantwoordelijk voor het goed functioneren van deze organisatie. Tegelijkertijd is het voor een uitvoeringsorganisatie van belang dat er voldoende ruimte is. Om die reden is een zekere balans van belang tussen directe sturing en ruimte voor een organisatie om haar werk zo goed mogelijk en naar eigen vermogen uit te voeren. Waar nodig kan ik de NCG een opdracht geven.
Eerder heeft de Kamer middels een amendement van het lid Beckerman gezorgd dat het kabinet de mogelijkheid heeft het IMG een aanwijzing te geven, is het wenselijk om ook bij de NCG een vorm te vinden om aanwijzingen te kunnen geven zodat politieke beloften kunnen worden waargemaakt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u hier vorm aan geven?9
Het IMG is een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO). Bij de oprichting van het IMG is er bewust voor gekozen om het instituut uit te zonderen van de wettelijke aanwijzingsbevoegdheid op grond van de Kaderwet ZBO’s, om zeker te stellen dat het IMG volledig onafhankelijk kon opereren. Naar aanleiding van het amendement Beckerman is deze bevoegdheid per 1 juli 2023 wel van toepassing. Voor NCG is een dergelijke bepaling niet aan de orde omdat NCG onder directe verantwoordelijkheid van de Minister valt. Dit betekent dat ik al opdrachten aan NCG kan geven. Hier ga ik zoals benoemd in het antwoord op vraag 23 terughoudend mee om.
Op dit moment is zowel de functie van directeur van het IMG als van de NCG vacant, ziet u er meerwaarde in als één persoon directeur wordt van beide instituten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het betreft twee functies die niet goed vergelijkbaar zijn en beide een fulltime invulling vereisen. De veeleisendheid en het inhoudelijke verschil tussen de twee functies maakt het niet wenselijk en ook niet mogelijk om één persoon te benoemen voor beide functies.
Daarnaast zijn het IMG en NCG anders gestructureerd en is ook de positie van een directeur verschillend. Het IMG is een ZBO waarbij de directeur wordt aangestuurd door het bestuur van het IMG. Bij de NCG legt de directeur geen verantwoording af aan een bestuur, maar valt onder directe verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris.
Een van de vacatures is inmiddels ingevuld: per 1 oktober a.s. start de heer Ronald Koch als algemeen directeur van het IMG.
Kunt u deze vragen binnen de in het Reglement van Orde vastgelegde termijn van drie weken beantwoorden?
In verband met de gewenste zorgvuldigheid en kwaliteit van de beantwoording en de recesperiode heeft dit meer tijd gekost.
Het bericht ‘Groeiende groep mensen kijkt naar seksueel misbruik van minderjarigen, ook jongeren ‘voor de kick’’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groeiende groep mensen kijkt naar seksueel misbruik van minderjarigen, ook jongeren «voor de kick»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Deelt u de mening dat het afschuwelijk en onwijs treurig is dat onder andere Whatsappstickers van kinderporno door jongeren achteloos worden doorgestuurd, waardoor het slachtoffer van kinderporno elke keer weer opnieuw slachtoffer wordt?
Deze mening deel ik. De achteloosheid waarmee dergelijk materiaal doorgestuurd wordt is verschrikkelijk en werkt herhaald slachtofferschap van de afgebeelde personen in de hand. In mijn beleid zet ik dan ook volop in op het voorkomen hiervan.
Welke maatregelen gaat u nemen om de toename en de verspreiding van kinderpornografische beelden via kanalen zoals Whatsapp en Snapchat te stoppen om te voorkomen dat (nog meer) kinderlevens worden verwoest?
Om de productie en de verspreiding van online seksueel kindermisbruik te voorkomen, wordt ingezet op een sterke strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aanpak en worden preventieve acties ondernomen en gestimuleerd. Voor een update over alle maatregelen die mijn ministerie neemt en gaat nemen om de toename en verspreiding van materiaal van seksueel kindermisbruik te voorkomen, verwijs ik graag naar de voortgangsbrief over de aanpak seksuele misdrijven die mijn ambtsvoorganger uw Kamer heeft doen toekomen op 19 juni 2024.2 Op basis van het hoofdlijnenakkoord zal de aanpak van kindermisbruik worden geïntensiveerd.
In Europees verband wordt al enkele jaren onderhandeld over een verordening die ziet op het voorkomen van het verspreiden van online materiaal van seksueel kindermisbruik. De maatregelen in deze ontwerpverordening zien nadrukkelijk ook op interpersoonlijke communicatiediensten, zoals Whatsapp en Signal.
Op welke manier hindert end-to-end-encryptie bij Whatsapp de opsporing van de makers en verspreiders van kinderporno?
In groepsgesprekken en 1-op-1 gesprekken via Whatsapp (en veel andere interpersoonlijke communicatiediensten) is de onderlinge communicatie end-to-end versleuteld en wordt door Whatsapp geen inzicht verschaft in de inhoud van berichten – dus ook niet in afbeeldingen of stickers. Het bedrijf geeft daarbij aan geen toegang te hebben tot de inhoud van deze berichten. Dit betekent overigens niet dat diensten als Whatsapp geen mogelijkheden hebben om makers en verspreiders van kinderpornografisch materiaal op hun applicatie te traceren of te verwijderen.3
In de praktijk is het voor opsporingsinstanties om bovengenoemde redenen moeilijk om zicht te krijgen op illegale activiteiten die zich afspelen op end-to-end versleutelde chatapplicaties zoals Whatsapp. Het vergt voor opsporingsinstanties daarom de inzet van zwaardere bijzondere opsporingsbevoegdheden om de inhoud van Whatsappgesprekken te verkrijgen. Zo kan soms de bevoegdheid tot binnendringen in een geautomatiseerd werk – de «hackbevoegdheid» – worden ingezet om een deel van de inhoud op het apparaat zelf te ontsluiten. Dit is echter een zwaar middel dat in de praktijk in een beperkt aantal gevallen kan worden ingezet, en ook dan is er geen garantie op succes. Het kabinet zet zich ervoor in dat beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik effectief kan worden bestreden, maar dat inperking van grondrechten alleen plaatsvindt wanneer dit strikt noodzakelijk en proportioneel is, en omkleed met passende waarborgen. In Europees verband wordt deze problematiek ook besproken in de High Level Group (HLG) on lawful access to data. Eind mei 2024 heeft de HLG mede namens de vele experts die hieraan hebben gewerkt een concept eindrapport gepresenteerd met daarin 42 aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van EU-beleid en -regelgeving voor het verbeteren van de toegang tot digitaal bewijs voor de rechtshandhaving.4 Veel lidstaten, waaronder Nederland, hebben het werk en de aanbevelingen van de (HLG) verwelkomd en gesteund in de JBZ-Raad.5 De JBZ-Raad heeft verzocht om een gecoördineerde aanpak op basis van een routekaart waarin de voorstellen van HLG worden uitgewerkt.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er meer bewustwording komt bij de personen die deze beelden verspreiden, aangezien het lijkt alsof het gevoel van ernst van de kinderpornografische beelden naar de achtergrond aan het verdwijnen is?
Er mag geen twijfel bestaan over de ernst van kinderpornografische beelden. Het doorsturen van materiaal van seksueel kindermisbruik is een probleem dat niet enkel op repressieve wijze dient te worden aangepakt. Goede voorlichting over de schadelijke gevolgen van het doorsturen van dit materiaal is in dit kader van groot belang. Op deze wijze wordt meer bewustwording bij jongeren gecreëerd over de schadelijke effecten voor het slachtoffer bij het doorsturen van dit materiaal. Ouders en het onderwijs kunnen hierin een belangrijke rol spelen. Aan bewustwording wordt in het onderwijs al veel aandacht besteed. Bijvoorbeeld in de lessen relationele en seksuele vorming of bij digitale geletterdheid. Daarnaast bestaan er de wegwijzers «Seksualiteit online». Hierin staat advies, stappenplannen en meldpunten om ongewenste sexting of shame sexting aan te pakken. Momenteel wordt bezien door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of, in het kader van de actualisatie van de wegwijzers die in het onderwijs worden aangeboden, passende aandacht kan worden besteed aan dit probleem. Hier is mijn ministerie bij aangesloten. Voor verdere toelichting op de inzet van onderwijs op dit vlak verwijs ik graag naar het antwoord op vraag 6.
Voor maatregelen om het kijken naar of verspreiden van materiaal van seksueel kindermisbruik te voorkomen, zou ik willen verwijzen naar de voortgangsbrief over de aanpak van seksuele misdrijven, die mijn ambtsvoorganger u op 19 juni 2024 deed toekomen.6 Zo is de capaciteit van de Teams ter Bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme recent uitgebreid en is op 1 juli jl. de Wet Bestuursrechtelijke Aanpak Kinderpornografisch Materiaal in werking getreden waarmee de Autoriteit Kinderpornografisch en Terroristisch Materiaal bestuursrechtelijke bevoegdheden verkregen heeft om online materiaal ontoegankelijk te maken. Daarnaast wordt er momenteel onderhandeld over de Child Sexual Abuse(CSA)-richtlijn die zich richt op de strafbaarstelling van seksueel misbruik, de opsporing en vervolging daarvan door de rechtshandhavingsautoriteiten en een versterking van preventie en ondersteuning aan slachtoffers. Deze richtlijn is, net als de CSAM-verordening, onderdeel van de EU-strategie voor een doeltreffendere bestrijding van seksueel misbruik van kinderen.7
Aanvullend heeft mijn departement recent een subsidie aan Offlimits verstrekt om het plaatsen van banners op pornowebsites door het programma «Stop it Now» uit te breiden. Bij Stop it Now kunnen mensen anoniem hulp krijgen wanneer zij zich zorgen maken over hun kijkgedrag of pedofiele gevoelens. Deze banners worden getoond wanneer iemand zorgwekkende zoektermen gebruikt met de boodschap dat iemand mogelijk zoekt naar strafbaar materiaal en dat het mogelijk is om hulp te zoeken voor verontrustend kijkgedrag bij Stop it Now. Ik zou willen benadrukken dat aanbieders van pornowebsites hier ook een eigen verantwoordelijkheid in zouden moeten nemen door zelf proactief naar Stop it Now te verwijzen wanneer mensen zoekresultaten gebruiken die mogelijk verwijzen naar strafrechtelijk verboden materiaal. Google verwijst naar het Meldpunt Kinderporno, en bij doorklikken op «meer informatie» naar Stop it Now, indien een internetgebruiker zoekt op «kinderporno». Dergelijke sectorinitiatieven onderschrijf ik ten zeerste.
Ook draagt het initiatief hetstoptbijjou.nl van Offlimits bij aan het opsporen van schadelijke content, het stoppen van verspreiding van deze beelden en het voorkomen van online grensoverschrijdend gedrag. Op de website hetstoptbijjou.nl kunnen ontvangers bij het ontvangen van ongewenste beelden zelf een melding maken waarna het materiaal wordt geanalyseerd en indien nodig gemeld aan de politie.
Op welke manier krijgen jongeren voorlichting over zowel de gevaren van het verspreiden van kinderporno als de gevolgen die dit heeft voor het slachtoffer?
Zoals ook in vraag 5 genoemd wordt in het kader van de actualisatie van de wegwijzers «Seksualiteit online» bezien of passende aandacht kan worden besteed aan deze thematiek. Daarnaast financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid in het kader van digitale weerbaarheid het programma «Mijn Cyberrijbewijs».8 Ook in dit initiatief is er specifieke aandacht voor sexting en het online delen van beeldmateriaal.
Tevens speelt het onderwijs ook een rol in de juiste voorlichting. Aandacht voor de gevaren en gevolgen van het verspreiden van materiaal van seksueel kindermisbruik en veiligheid online in het algemeen is belangrijk, zeker in de huidige maatschappij. Er mag immers geen discussie bestaan over dat het verspreiden van materiaal van seksueel misbruik echt niet kan en dat de gevaren voor de slachtoffers groot zijn. Aandacht voor deze thema’s sluit op diverse manieren aan bij de huidige kerndoelen voor het funderend onderwijs. In landelijke, wettelijke, kerndoelen staat wat kinderen aan het eind van de basisschoolperiode moeten kennen en kunnen. Op dit moment worden landelijke kerndoelen voor het funderend onderwijs geactualiseerd. Voor een aantal leergebieden zijn er al conceptkerndoelen opgeleverd, zo ook voor het nieuwe leergebied digitale geletterdheid.
Digitaal geletterd zijn betekent dat iemand bewust, verantwoordelijk, kritisch en creatief gebruik kan maken van digitale technologie, digitale media en andere technologieën. Jongeren zijn vaardig in het bedienen van apparaten als tablets en smartphones, maar zijn zich vaak niet bewust van de werking, mogelijkheden, beperkingen en risico's van de technologie erachter. Behalve dat leerlingen leren nadenken over de kansen en risico’s van de digitale wereld, denken ze ook na over de betekenis van digitale technologie voor hun eigen leven en voor de vorming van hun eigen identiteit.9 Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft het Expertisepunt digitale geletterdheid opgericht om scholen wegwijs te maken in het nieuwe leergebied digitale geletterdheid door te verbinden, te inspireren en te informeren. Scholen kunnen daarnaast kiezen uit diverse lespakketten (van verschillende aanbieders) gericht op aandacht voor thema’s als relaties, seksualiteit en (digitale) weerbaarheid.
Heeft volgens u het nieuwe Hongaarse voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie gevolgen voor de onderhandelingen omtrent de Verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel misbruik van kinderen (de CSAM-verordening)? Zo ja, welke gevolgen?
Het Hongaars voorzitterschap heeft een nieuw voorstel gedaan waarmee ze tegemoet lijkt te komen aan zorgen geuit door het vorige kabinet. Het kabinet beraadt zich momenteel over een standpunt over het nieuwe voorstel.
Wat is volgens u de reden dat jongeren steeds extremere (van onthoofdingsfilmpjes tot misbruik van baby’s) vormen van kinderpornografisch materiaal bekijken?
Voorheen dienden mensen zeer specifiek op zoek te gaan naar online materiaal middels websites of zoekmachines. Er lijkt een trend te zijn waarbij jongeren en kinderen zich in online groepsgesprekken of chatomgevingen begeven met veel deelnemers waarin ze niet iedereen kennen, maar er wel veel materiaal gedeeld wordt. Daarbij wordt niet alleen materiaal van seksueel kindermisbruik gedeeld, maar ook filmpjes van mishandeling, vernedering of met een extremistische inhoud.10
Onderzoeken suggereren dat kijkers van legale pornografie de neiging hebben om in de loop van de tijd extremere content te gaan bekijken.11 Dit wordt toegeschreven aan een vermindering van het opwindingsniveau met betrekking tot dezelfde stimuli bij herhaaldelijke blootstelling aan deze stimuli.
Deelt u de zorgen van het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme dat kinderpornografisch materiaal makkelijk bereikbaar is en de vraag alleen maar aan het toenemen is? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Ja, ik deel de zorgen dat het materiaal makkelijk bereikbaar is. Uiteraard neem ik het signaal van de politie serieus dat de meldingen van materiaal van seksueel kindermisbruik toenemen. Daarom zet mijn ministerie zich onvermoeid in op de aanpak hiervan. Met betrekking tot de maatregelen die mijn ministerie neemt tegen de verspreiding van materiaal van seksueel kindermisbruik en het voorkomen daarvan, verwijs ik graag naar het antwoord op vraag 3.
Heeft u een overzicht van het aantal gevallen van grooming en online sadistische dwang van minderjarigen van de afgelopen vijf jaren?
De politie geeft aan dat er voor 2024, tot en met juni 2024, 24 gevallen van grooming als misdrijf geregistreerd zijn. In 2023 waren dat er 88 en in 2022 registreerde de politie 97 gevallen van grooming.
De politie beschikt niet over cijfers van online sadistische dwang van minderjarigen. Hiervoor bestaat geen aparte categorisering in de politie-registratiesystemen en deze kunnen daardoor in verschillende categorieën worden geregistreerd.
Is er volgens u voldoende psychische hulp beschikbaar voor de hulp- en opsporingsdiensten die zich elke dag inzetten om kinderporno tegen te gaan en slachtoffers te helpen?
Vanuit de nationale overheid zijn er twee partijen die veelvuldig te maken hebben met het moeten bekijken van materiaal van seksueel kindermisbruik: de Autoriteit Kinderpornografisch en Terroristisch Materiaal en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme van de politie. Bij beide organisaties is er ondersteuning voor werknemers die blootstelling aan heftig materiaal ervaren tijdens hun werkzaamheden. Het betreft onder meer verplichte psychologische ondersteuningsgesprekken, ondersteuning binnen het veelal hechte teamverband en een breed gedragen coulance wanneer iemand aangeeft behoefte te hebben aan tijdelijk andere werkzaamheden of een pauze. Vergelijkbare ondersteuning vindt plaats bij Offlimits, de organisatie waar het Meldpunt Kinderporno is ondergebracht en waar medewerkers eveneens beeldmateriaal dienen te beoordelen.
Bovengenoemde diensten geven aan dat de ondersteuning die door hen wordt geboden in principe als afdoende wordt ervaren. Dit neemt niet weg dat ik wel signalen krijg dat de toename in heftigheid van het materiaal een toenemend effect op werknemers heeft. Dergelijke signalen worden altijd serieus genomen en met hen wordt meegedacht over eventuele verbetermogelijkheden van de ondersteuning indien daar behoefte aan is.
Het artikel 'AIVD en MIVD rekruteerden journalisten als agent, ‘ondermijning geloofwaardigheid’ van het vak' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het volgende artikel in de Volkskrant «AIVD en MIVD rekruteerden journalisten als agent, «ondermijning geloofwaardigheid» van het vak»?1
Ja.
Is de bewering in de Volkskrant, dat de AIVD en MIVD journalisten rekruteerden als agent, correct? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 41 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) hebben de diensten de mogelijkheid tot het inzetten van agenten. Een agent is een natuurlijk persoon die weloverwogen door de diensten wordt ingezet en aangestuurd om gericht informatie te verzamelen die voor de taakuitvoering van de diensten van belang is. De diensten kunnen hiervoor in beginsel eenieder benaderen, dus ook journalisten. Het kan namelijk zijn dat alleen een journalist over informatie beschikt of kan beschikken die van belang is voor een onderzoek van de diensten en derhalve van belang is voor de bescherming van de nationale veiligheid. Er zal vanwege de positie van de journalist (geheimhouder) altijd worden afgewogen of deze informatie niet op een andere wijze verkregen kan worden. Zo wordt bezien of dat noodzakelijk, subsidiair, proportioneel en zo gericht mogelijk is.
Voor journalisten wordt – net als voor een aantal andere maatschappelijke functies en verschoningsgerechtigden – apart beleid met extra waarborgen gehanteerd. De bevindingen in de CTIVD-rapporten laten zien dat de diensten aandacht hebben voor de specifieke omstandigheden en bijbehorende extra waarborgen die nodig zijn bij het inzetten van journalisten als agent. De aanbevelingen die de CTIVD heeft gedaan worden overgenomen.
Worden er, op dit moment, nog steeds journalisten gerekruteerd door de AIVD of MIVD?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel journalisten worden er, gemiddeld, op jaarbasis gerekruteerd door de AIVD?
Gelet op de wettelijke plicht tot geheimhouding wordt in het openbaar niet ingegaan op de bronnen, het actuele kennisniveau en de modus operandi van de diensten.
Bronbescherming is een van de hoogste prioriteiten van de diensten, en is ook van toepassing op de inzet van agenten. Voor de veiligheid van agenten doen wij geen uitspraken over aantallen. De diensten kunnen hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen. Het geven van inzicht daarin gaat ten koste van het goed functioneren van de diensten en daarmee ten koste van de bescherming van de nationale veiligheid.
Hoeveel journalisten worden er, gemiddeld, op jaarbasis gerekruteerd door de MIVD?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel journalisten werken op dit moment (deels) voor de AIVD?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel journalisten werken op dit moment (deels) voor de MIVD?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel van de door Nederlandse inlichtingendiensten gerekruteerde journalisten werken in het buitenland?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel van de door Nederlandse inlichtingendiensten gerekruteerde journalisten werken in Nederland?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom rekruteren Nederlandse inlichtingendiensten journalisten in Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met de bewering van Thomas Bruning, secretaris van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, dat het inzetten van verslaggevers door geheime diensten «zeer kwalijk» is? Zo nee, waarom niet?
Het kan noodzakelijk zijn voor de bescherming van de nationale veiligheid om een journalist op grond van artikel 41 van de Wiv 2017 in te zetten als agent.
De bevindingen in de rapporten laten zien dat de diensten aandacht hebben voor de specifieke omstandigheden en bijbehorende extra waarborgen die nodig zijn bij het inzetten van journalisten als agent. Wij achten het daarnaast van belang te benadrukken dat agenten altijd op basis van vrijwilligheid samen met de diensten werken. De Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) heeft in haar onderzoeken ook geen aanleiding gevonden om te veronderstellen dat de inzet van de betreffende journalisten niet vrijwillig heeft plaatsgevonden.
Bent u van mening dat het in het publiek belang is te weten welke journalisten in Nederland (deels) werken voor Nederlandse inlichtingendiensten? Zo nee, waarom niet?
Nee. De diensthoofden zijn, conform artikel 23 van de Wiv 2017, verantwoordelijk voor de geheimhouding van hun bronnen en de veiligheid van agenten. Het delen van een dergelijke lijst zou die geheimhouding schenden en de veiligheid van de agent in gevaar kunnen brengen. Daarnaast is bronbescherming een van de hoogste prioriteiten van de diensten. Dit is intrinsiek ingebed in de gehele organisatie. Dit is daarom ook in de praktijk van toepassing op alle agenten binnen de AIVD en MIVD, waaronder journalisten. De CTIVD bevestigt in beide rapporten dat de werkwijze van de diensten is gericht op geheimhouding van de identiteit van de (journalist als) agent door middel van interne maatregelen.
Kunt u de Tweede Kamer een lijst doen toekomen met de namen van journalisten die werkzaam zijn in Nederland en (deels) werken voor Nederlandse inlichtingendiensten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord. Gelet op de aard van de vragen zijn sommige vragen gezamenlijk beantwoord.
Fraude met hotelkamers voor asielopvang |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Van der Valk-keten claimt € 55 mln schade om «corrupte» asielopvang»?1
Ik heb kennisgenomen van dit artikel. Ik kan u bevestigen dat het OM en FIOD een strafrechtelijk onderzoek uitvoeren. Vooruitlopend daarop zal ik geen verdere uitspraken doen over deze zaak. Het Rijk werkt onder andere met hotels en derden (tussenpersonen) samen om voldoende opvangplekken te realiseren. Uitgangspunt van het beleid is om de instroom te beperken en de doorstroom te bevorderen, zodat de inzet van dure crisisopvang (waaronder hotels en cruiseschepen en daarmee ook inzet tussenpersonen) niet langer noodzakelijk is.
Klopt het dat voor miljoenen euro’s is gefraudeerd door een commerciële tussenpersoon die bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) hotelkamers declareerde die in werkelijkheid helemaal niet werden afgenomen bij Van der Valk hotel en dat hier ook sprake was van corruptie of in ieder geval betrokkenheid van medewerkers van hotels?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1.
Hoe kan dit zo lang voortduren en niet direct gesignaleerd worden? Waarom wordt er überhaupt gebruik gemaakt van commerciële tussenpersonen, die er ook aan zullen moeten verdienen terwijl dit soort opvang toch al schreeuwend duur is?
De kosten voor de opvang van asielzoekers zijn hoog. Dit geldt ook voor de kosten die gemoeid zijn met de opvang van asielzoekers dan wel statushouders in hotels. Het is daarom dat ik de instroom wil beperken en andere opties voor de opvang van asielzoekers verken.
Echter, de huidige opvangsituatie is dusdanig kritiek dat het nu nog noodzakelijk is te kijken naar opvangcapaciteit buiten de reguliere opvang om ervoor te zorgen dat niemand in het gras moet slapen. Daarom zijn er, naast andere maatregelen, zoals noodopvang en het inzetten op doorstroomlocaties, ook private partijen aangezocht om opvangplekken te realiseren. Ik werk eraan in de toekomst te voorkomen dat dergelijke maatregelen nodig zijn.
De inzet van hotelkamers is arbeidsintensief en vraagt om een ander netwerk en kennis dan momenteel bij het COA voorhanden is. Gelet hierop is ervoor gekozen een in tijdelijke huisvesting gespecialiseerde partij in te zetten die zich kan richten op het uitvragen, contracteren, continu monitoren van beschikbare hotelcapaciteit en wijzigingen in gebruik. Bij het afsluiten van nieuwe contracten met hotels wordt momenteel zoveel mogelijk gewerkt zonder de inzet van externe partijen. Ik wil voorkomen dat wij nieuwe hotels moeten benutten. Zo gauw er minder opvangplekken nodig zijn, zullen de duurste opvanglocaties zo snel als mogelijk worden afgestoten.
Is hier eigenlijk een aanbestedingsprocedure gevolgd voor deze hotelkamers? En voor deze tussenpersoon? Zo nee, waarom niet? Hoe is de samenwerking met deze tussenpersoon tot stand gekomen?
Het COA heeft met LCHD een (raam)huurovereenkomst gesloten voor de huur van (delen van) hotels als tijdelijke opvanglocaties. Het gaat hier om de huur van bestaand onroerend goed, waarvoor geen aanbestedingsplicht geldt op grond van art. 2.24 sub b Aanbestedingswet. Er is geen aanbestedingsprocedure gevolgd voor deze overeenkomst.
Er wordt momenteel nader onderzoek gedaan naar de samenwerking met LCHD en de precieze rol van LCHD bij de totstandkoming van de (raam)huurovereenkomst. De afspraken tussen het COA en LCHD zijn over een langere periode tot stand gekomen en daarbij hebben de nodige aanpassingen plaatsgevonden. Pas als hierover duidelijkheid bestaat, kan ook worden beoordeeld hoe de samenwerking aanbestedingsrechtelijk gekwalificeerd moet worden.
Bij het aangaan van het contract met deze tussenpersoon was de druk op de opvang dusdanig hoog dat iedere mogelijkheid om versneld capaciteit te werven is aangegrepen. LCHD is toen in beeld gekomen. Het COA heeft een BiBob onderzoek laten uitvoeren, waar geen bijzonderheden uit zijn gekomen.
Zijn er naast de commerciële tussenpersoon/intermediair die nu onderwerp is van strafrechtelijk onderzoek nog meer tussenpersonen/intermediairs waar het COA zaken mee doet? Hoeveel zijn dat er, en welke partijen zijn dit? Zitten hier ook partijen bij die gelieerd zijn aan de partijen waar dit artikel over gaat? Zo ja, hoeveel en welke zijn dat?
Zonder in te gaan op details of specifieke namen van partijen kan ik zeggen dat het COA vaker samenwerkt met tussenpersonen. Dit gebeurt niet alleen voor het zoeken van locaties, maar bijvoorbeeld ook voor het aanvragen van vergunningen bij gemeenten.
Welke (juridische) acties zijn er inmiddels ondernomen om deze fraude en corruptie aan te pakken en het ten onrechte betaalde bedrag terug te vorderen bij partijen die hieraan «verdiend» (gestolen) hebben? Welke onderzoeken lopen er?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1. Het strafrechtelijk onderzoek loopt. Er worden op dit moment geen aanvullende stappen gezet. Uiteraard houd ik dit onderzoek wel nauwlettend in de gaten.
Het COA loopt zowel relevante interne procedures alsmede bestaande contracten en afspraken waarin deze partij een aandeel had, zorgvuldig na en scherpt deze waar nodig aan.
Wordt er nu nog steeds gebruik gemaakt van Van der Valk hotels, of van andere partijen, waarbij vermoedens of zelfs bewijzen zijn van fraude en corruptie waardoor de overheid is benadeeld? Zou het niet verstandiger zijn hiermee te stoppen zo lang de onderzoeken lopen?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 3 is de opvangsituatie vooralsnog kritiek. Het is daarom nog steeds noodzaak om gebruik te maken van Van der Valk hotels. Wel bekijk ik in het licht van de bredere opvangopgave hoe het gebruik van hotels voor de opvang van asielzoekers dan wel statushouders zo snel mogelijk kan worden afgebouwd. Wanneer er vermoedens zijn van fraude of corruptie wordt er uiteraard direct ingegrepen.
Is het mogelijk om opvangcontracten met partijen vroegtijdig te beëindigen, omdat ze onderwerp zijn van (strafrechtelijk) onderzoek? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom gebeurt dat dan (vooralsnog) niet?
Het is niet mogelijk om enkel op basis van een lopend strafrechtelijk onderzoek een overeenkomst te ontbinden. In Nederland geldt de onschuldpresumptie. Een lopend (strafrechtelijk) onderzoek is op zichzelf geen grond voor ontbinding of vernietiging van een overeenkomst.
Hoe wordt dit soort fraude en corruptie nu in de toekomst voorkomen? Wat gaat er veranderen of aangescherpt worden? Is het onderzoek van Openbaar Ministerie/Fiod aanleiding voor het COA en/of de accountant van het COA om de boekhouding (opnieuw) te onderzoeken?
Zoals eerder aangegeven wacht ik eerst de uitkomsten van de onderzoeken af. In algemene zin geldt verder dat fraude en corruptie helaas nooit volledig te voorkomen is. Ik heb het COA gevraagd naar aanleiding van deze zaak extra alert te zijn op (prijs)afspraken die gemaakt worden en het belang van het inbouwen van voldoende checks and balances om mogelijke onregelmatigheden tijdig te onderkennen. Ook verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Het jaarverslag en de financiële verantwoording over 2023 is afgerond en reeds verzonden aan de Tweede Kamer.
Wat zegt dit nou volgens u over het door dit soort private partijen laten opvangen van asielzoekers? Erkent u dat er behalve dat er al sprake is van enorme geldverspilling omdat opvang in hotels veel duurder is dan reguliere opvang ook sprake is van (risico’s op) fraude en corruptie?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3. Gelet op de huidige druk op de opvang en de beperkte beschikbaarheid van reguliere opvanglocaties, ben ik op dit moment genoodzaakt ook gebruik te maken van samenwerking met private partijen. Vanzelfsprekend horen daar goede afspraken bij om eventuele fraude te voorkomen en ervoor te zorgen dat de opvang zo doelmatig mogelijk plaatsvindt. Uiteraard wil ik voorkomen dat samenwerking met hotels in de toekomst nodig is door onder andere stevig in te zetten op het verlagen van de instroom van asielzoekers.
Klopt het dat de prijzen van hotelkamers opliepen tot meer dan 300 euro per nacht? Erkent u nu wel dat commerciële partijen handig gebruik maken van de opvangcrisis die we hebben en dat publiek geld in de zakken van commerciële partijen verdwijnt, zoals eerder door dit lid aangegeven?
Bij de start van de overeenkomst lagen de prijzen inderdaad boven de 300 euro, na heronderhandeling zijn deze prijzen echter gezakt en is een staffel opgesteld, afhankelijk van de duur van het verblijf.
Uiteraard gaat mijn voorkeur uit naar reguliere opvanglocaties. Het is echter een gegeven dat op dit moment ook samenwerking met andere partijen nodig is. De kosten voor noodopvang vele malen hoger dan die van reguliere opvangplaatsen. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 3 wil ik de inzet van noodopvang en hotels stopzetten als er minder plekken nodig zijn.
Wanneer kunnen we de uitvoering van de motie van het lid Van Nispen verwachten die vraagt in kaart te brengen wat de bedragen zijn die momenteel worden betaald aan crisisnoodopvang, zoals aan de eigenaren van cruiseschepen en hotels die momenteel opvang bieden aan asielzoekers?2
In reactie op de Motie van Nispen (kamerstuknummer 35 650 VI, nr. 18) zal ik de Tweede Kamer de informatie over de kosten noodopvang en crisisnoodopvang in 2024 tot dusver vervolgens in oktober a.s. doen toekomen per Kamerbrief.
Het voorkomen van een moordaanslag op een Iraanse dissident in Nederland |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Vrees voor Iraans doodseskader in Nederland: «Huurmoordenaars ingezet om critici te executeren»1 en «Aanslag op Iraanse acitiviteits in Nederland mogelijk voorkomen»?2
Ja.
Waarom schreef u in antwoord op schriftelijke vragen op 22 maart 2024 dat Nederland niet betrokken is bij het opsporingsonderzoek naar de moordaanslag op de Spaanse politicus van Iraanse origine Alejo Vidal-Quadra, terwijl de hoofdverdachte Mehrez A. inmiddels in Nederland is aangehouden?3
Zoals aangegeven in de antwoorden op uw schriftelijke vragen op 22 maart 2024 waren de Nederlandse opsporingsautoriteiten niet betrokken bij het onderzoek naar de aanslag op de Spaanse politicus Alejo Vidal-Quadra.
Zoals het Openbaar Ministerie bekend heeft gemaakt op 26 juni 2024 zijn op 6 juni 2024 twee mannen aangehouden die worden verdacht van het voorbereiden van de liquidatie van een in Nederland verblijvende Iraanse activist en journalist. Het Openbaar Ministerie is toen een strafrechtelijk onderzoek gestart. Een van de twee aangehouden mannen bleek vervolgens eveneens te worden verdacht van een poging tot liquidatie op de Spaanse politicus Alejo Vidal-Quadra.
In hoeverre wordt actief ingezet op het blootleggen van de rol van het Iraanse regime in zowel de mislukte moordaanslag in Spanje op Alejo Vidal-Quadra als de verijdelde moordaanslag in Nederland op Siamak Tadayon Tahmasbi?
Ik kan niet verder ingaan op de details van een lopend strafrechtelijk onderzoek omdat dit het lopende onderzoek zou kunnen schaden.
Wat vindt u van de samenwerking die het Iraanse regime aangaat met criminelen in diverse landen, waaronder Nederland, om dissidenten te vermoorden?
Het kabinet vindt ongewenste buitenlandse inmenging in onze vrije en open maatschappij volstrekt onwenselijk en niet acceptabel. Burgers in Nederland moeten in vrijheid kunnen leven en hun eigen keuzes maken, zonder door autoriteiten van derde landen in die keuzes te worden beperkt. Sinds 2018 hanteert het kabinet daarom een aanpak tegen ongewenste buitenlandse inmenging, bestaande uit drie sporen: te weten het diplomatieke spoor, het weerbaarheidsspoor en het bestuurlijk/strafrechtelijke spoor.4
Voor zover de conclusie zou kunnen worden getrokken dat een statelijke actor de samenwerking aangaat met criminelen in diverse landen, ziet het kabinet dergelijke vijandige acties als een onacceptabele schending van de Nederlandse soevereiniteit en/of de soevereiniteit van derde landen.
Welke risico’s lopen Iraanse dissidenten op dit moment in Nederland?
Het kabinet is zich terdege bewust van de dreiging tegen Iraanse dissidenten. Zoals ook in het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren 2 en het jaarverslag van AIVD 2023 is geconstateerd, ontplooit Iran uiteenlopende inlichtingen- en beïnvloedingsactiviteiten, onder meer gericht op hun diaspora in Nederland. In hetzelfde Dreigingsbeeld Statelijke Actoren is beschreven dat opposanten van autoritaire regimes, bijvoorbeeld dissidenten en critici, een verhoogd risico lopen om geïntimideerd, bedreigd, gearresteerd of vervolgd te worden. Daarnaast is opgemerkt dat sommige statelijke actoren eveneens bereid zijn om opposanten in het buitenland te ontvoeren of om geweld tegen hen te gebruiken, of in het uiterste geval liquidaties uit te voeren.
In algemene zin kan ik zeggen dat waar het de fysieke veiligheid van individuele personen betreft en nodig wordt geacht op basis van actuele dreigingsinformatie, beveiligingsmaatregelen kunnen worden getroffen. Ook hier geldt dat het kabinet zich niet in het openbaar uitspreekt over dergelijke informatie.
Is de aanhouding van Mehrez A. en het voorkomen van een moordaanslag in Nederland, nu eindelijk voldoende om de Iraanse Revolutionaire Garde op de Europese terreurlijst te plaatsen? Zo ja/nee, waarom?
Ik kan niet ingaan op een lopend strafrechtelijk onderzoek. Wel kan ik zeggen, zoals uw Kamer bekend, dat het kabinet voorstander is van het plaatsen van het IRGC op de EU terrorisme-sanctielijst. Nederland staat hierover in nauw contact met andere lidstaten. Hierover is in Europees verband echter (nog) geen consensus.
Onveiligheidsgevoelens van vrouwen in de openbare ruimte |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Mark Harbers (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van AD en Pointer over de onveiligheidsgevoelens van vrouwen in de openbare ruimte?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat vrouwen uit onveiligheidsgevoelens allerlei voorzorgsmaatregelen nemen zoals het vermijden van bepaalde plekken of het op zak hebben van zelfverdedigingssleutelhangers of pepperspray, wat bovendien onder de Vuurwapenverordening 1930 valt? Wat vindt u ervan dat veel vrouwen dit kennelijk nodig achten?
Iedereen zou veilig moeten zijn, in huis en op straat. Het is niet acceptabel dat mensen – en in dit bericht veel vrouwen – zich genoodzaakt voelen om voorzorgsmaatregelen te nemen om zich veilig te voelen in hun eigen leefomgeving. Dat vrouwen bepaalde plekken vermijden of het nodig achten om zelfverdedigingsmiddelen bij zich te dragen, zoals sleutelhangers of pepperspray, wijst op een probleem in onze samenleving: er zijn plekken of ervaringen van mensen waar sprake is geweest van intimidatie, ongewenste aandacht of geweld.
Het is een bredere maatschappelijke verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat iedereen zich vrij en veilig kan bewegen, zonder angst of bedreiging. Hoewel sommige zelfverdedigingsmiddelen, zoals pepperspray onder de Wet wapens en munitie vallen en verboden zijn, moeten we vooral werken aan de oorzaken van het onveiligheidsgevoel en de versterking van preventieve maatregelen die bijdragen aan een veiligere samenleving. Het feit dat vrouwen dergelijke maatregelen overwegen, is een duidelijke indicatie dat er nog veel werk te doen is op het gebied van bewustwording, preventie en veiligheid. Dit vraagt om een gezamenlijke inspanning van de overheid, de samenleving en alle betrokken partijen.
Welke maatregelen zijn de afgelopen jaren genomen om de veiligheidsgevoelens van vrouwen in de openbare ruimte te verbeteren, met name ’s avonds en ’s nachts? Wat zijn de resultaten daarvan? Is de informatie van vrouwen die daadwerkelijk incidenten hebben meegemaakt hierin meegenomen?
Voor een aantal voorbeelden van maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen om de veiligheidsgevoelens van vrouwen in de openbare ruimte te verbeteren, verwijs ik u naar vraag 8 en 9.
De Veiligheidsmonitor geeft inzicht in de ontwikkeling van onveiligheidsbeleving van vrouwen. Daarin is te zien dat de algemene onveiligheidsgevoelens van vrouwen tussen 2012 en 2019 zijn gedaald en stabiel zijn gebleven tussen 2019 en 2021. Tussen 2021 en 2023 is het percentage vrouwen dat zich in het algemeen wel eens onveilig voelt licht gestegen, van 42 naar 44 procent.
Specifieker voelde 5 procent van de vrouwen zich in 2023 ’s avonds op straat in hun eigen buurt onveilig. Daarin is geen verschil te zien met 2021. 4 procent van de vrouwen reed of liep in 2023 wel eens om als vorm van vermijdingsgedrag.
Ook dat percentage is niet veranderd ten opzichte van 2021.
Als gekeken wordt naar welke incidenten vrouwen daadwerkelijk meemaken in deze context, dan is te zien dat in totaal 6,5 procent van de vrouwen in 2023 slachtoffer werd van een geweldsdelict (bedreiging, mishandeling of seksueel geweld). Dat percentage is even groot als bij mannen. Ook is dit percentage toegenomen ten opzichte van 2021, toen 5 procent van de vrouwen slachtoffer werd van een geweldsdelict. Het is echter niet bekend welk percentage van deze delicten plaatsvond in de openbare ruimte. Wel is bekend dat 57,5 procent van de vrouwelijke slachtoffers in 2023 de dader niet kende.
Hoe beoordeelt u het feit dat uit het onderzoek van AD en Pointer blijkt dat 9 op de 10 vrouwen zich onveilig voelen op stations en 82% van hen in het openbaar vervoer (ov)? Hoe verhoudt zich dit tot het feit dat vrijwel alle stations een voldoende scoren in de Stationsbelevingsmonitor? Hoe verklaart u het verschil?
Ik vind het zorgelijk dat een substantiële groep vrouwen heeft aangegeven zich onveilig te voelen in het openbaar vervoer en de omgeving van haltes en stations. Ik vind het van belang dat reizigers en personeel veilig kunnen reizen en werken in het OV. Samen met de OV-sector monitoren we actief de ontwikkelingen aan de hand van representatieve en periodieke metingen. De enquête van Pointer en het AD heeft daarbij een andere en minder representatieve insteek, zoals deze partijen ook zelf aangeven, toch biedt de enquête zeer waardevolle informatie. De enquête geeft namelijk goed inzicht in locaties waar de deelnemende vrouwen zich onveilig voelen. De uitkomsten van dit onderzoek zijn daarom een goede aanvulling op de bestaande OV-monitors. De focus en manier van deze bestaande representatieve onderzoeken is echter deels anders. Zo is de omgeving van of route naar halte of station geen onderdeel van de OV-klantenbarometer of de Stationsbelevingsmonitor omdat dit valt onder de publieke ruimte. Pointer en het AD scharen dit wel onder OV en noemen dit een «spoorzone». Een ander verschil is dat de enquête van Pointer en AD zich specifiek op vrouwen heeft gericht die zich onveilig voelen in de publieke ruimte. De bredere OV-monitors vragen daarentegen alle reizigers naar hun (veiligheids)ervaringen met het OV.
Wat vindt u ervan dat vervoersbedrijven bij onderzoeken over veiligheidsgevoelens in het ov en op stations bij de resultaten geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen? Vindt u dat deze splitsing wel gemaakt moet worden? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat in onderzoeken naar reizigerservaringen gebruik wordt gemaakt van relevante uitsplitsingen. In sommige gevallen is dat een onderscheid op basis van gender. Enkele OV-partijen en decentrale OV-autoriteiten hebben reeds het verantwoordelijke kennisplatform CROW gevraagd de gendervraag opnieuw onderdeel te laten zijn van de enquêtes. Ik herken het belang van deze informatie en sluit mij bij dat verzoek aan. Tot 2018 was de gendervraag een vast onderdeel van de OV-Klantenbarometer. Het laatste jaar waarin deze monitor de gendervraag bevatte, toont geen substantieel verschil in de gemiddelde veiligheidservaring van vrouwen versus mannen. Beiden geven de sociale veiligheid in het OV een ruime voldoende, net als de jaren daarvoor.
Over het algemeen wordt de veiligheid op stations ook in de Stationsbelevingsmonitor (SBM) van 2023 met een ruime voldoende beoordeeld. De SBM bevat de gendervraag op dit moment wel. Deze uitsplitsing is geen onderdeel van de openbare publicatie, maar deze informatie is ter beschikking voor opdrachtgevers en beleidsmakers. Wanneer de veiligheidservaring op basis van gender wordt uitgesplitst, zijn er 111 Nederlandse stations die door vrouwen lager beoordeeld worden dan een zes. In totaal zijn er 58 stations die door zowel mannen als vrouwen lager beoordeeld worden dan een zes. Het Ministerie van IenW gaat met NS en ProRail in gesprek over deze inzichten, evenals over de uitkomsten van de enquête van Pointer en het AD. IenW verwacht voor de SBM dat de uitsplitsing op basis van gender behouden blijft en zal NS en ProRail vragen dit ook onderdeel te laten zijn van de openbare publicatie.
Bent u in gesprek met gemeenten, ov-bedrijven en/of reizigersvereniging Rover over de schrikbarend hoge percentages vrouwen die zich onveilig voelen in het ov en op stations? Zo ja, welke concrete acties zijn er uit deze gesprekken voortgekomen? Zo nee, bent u bereid deze gesprekken te voeren?
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat zijn doorlopend in gesprek met veiligheidspartijen, decentrale overheden en de OV-sector over het verbeteren van de veiligheid in en rondom het OV. De conclusies van de enquête van Pointer en het AD worden uiteraard in deze gesprekken meegenomen.
Ook wordt er gezamenlijk gewerkt aan concrete maatregelen, zoals cameratoezicht, extra beveiliging, verhuur van commerciële ruimtes met ruimere openingstijden, het plaatsen van groen of hekwerken en het verbeteren van zichtlijnen. Dit soort maatregelen worden waar mogelijk en nodig toegepast op alle 404 stations, waarbij ieder station anders is en een ander type aanpak vereist. NS en ProRail hebben laten weten dat in het geval van de stations met een beoordeling van zes of lager de stationsmanagers goed op de hoogte zijn van de precieze verbeterpunten en er gewerkt wordt aan concrete acties.
Ter bevordering van de samenwerking, kennisuitwisseling, informatiedeling en innovatie over sociale veiligheid in het OV is er in 2020 het convenant sociale veiligheid afgesloten onder leiding van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat met het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de provincies, de politie, de OV-bedrijven en ProRail. Daarnaast is het afgelopen jaar gewerkt met een actieplan sociale veiligheid in het OV. Hiermee zijn diverse stappen gezet om de veiligheid in en rond het OV te verbeteren. Zo zijn er in de afgelopen jaren camera’s geplaatst, stations afgesloten met ov-chipkaartpoortjes, werkt de sector met bodycams én kunnen NS-reizigers in het hele land onveilige situaties in treinen en stations via whatsapp melden. De komende periode wordt het convenant geëvalueerd en vernieuwd. De veiligheid zal dan ook onze aandacht blijven houden. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat – Openbaar Vervoer en Milieu zal op een later moment erop terugkomen over hoe hij verder invulling wil geven aan het verbeteren van de veiligheid en het veiligheidsgevoel in en rondom het OV.
Deelt u de mening van onderzoeker Krista Schram dat er te weinig rekening wordt gehouden met de veiligheid van vrouwen omdat vaak voorbij wordt gegaan aan het feit dat zij andere dingen belangrijk vinden als het op veiligheidsbeleving aankomt dan mannen? Zo ja, hoe gaat u hier verandering in brengen? Zo nee, waarom niet?
De mening van onderzoeker Krista Schram neem ik serieus. De veiligheidsbeleving van vrouwen heeft belangrijke aandachtspunten, waarmee rekening moet worden gehouden. Met het oog hierop zijn inmiddels inspanningen geleverd om rekening te houden met de veiligheid van vrouwen. Wel is het goed hier steeds alert op te blijven en te kijken of de inspanningen kunnen worden aangescherpt, bijvoorbeeld door hier jaarlijks apart naar te kijken. Ik zal deze suggestie aankaarten bij de betrokken partners, zoals hierna genoemd. Er wordt in verschillende beleidsplannen en veiligheidsinitiatieven aandacht besteed aan de specifieke behoeften van vrouwen, zoals in het programma Veilige Steden dat gemeenten door het hele land ondersteunt bij het verbeteren van de veiligheid voor vrouwen en meisjes, met een focus op de openbare ruimte en uitgaansgelegenheden. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) ondersteunt en stimuleert dit programma. Movisie, dat sinds 1 september 2023 het programma heeft overgenomen, ondersteunt gemeenten met individuele begeleiding, werkateliers en het delen van goede praktijkvoorbeelden. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is in gesprek met onder andere het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en het programma Veilige Steden hoe, in aanvulling op het programma Veilige Steden, gemeenten verder kunnen worden ondersteund in de aanpak van straatintimidatie.
Verwacht u dat de Wet seksuele misdrijven, die per 1 juli a.s. ingaat en waar ook straatintimidatie onder valt, zal leiden tot minder onveiligheidsgevoelens onder vrouwen? Wordt er, in afstemming met politie, boa’s en gemeenten, bijvoorbeeld extra aandacht besteedt aan de aanpak van straatintimidatie op plekken waar vrouwen volgens onderzoek extra veel onveiligheidsgevoelens ervaren?
De Wet seksuele misdrijven verbetert de strafrechtelijke bescherming van burgers tegen seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Ik verwacht dat de strafbaarstelling van seksuele intimidatie in het openbaar, waarvan ook een normerende en afschrikwekkende werking uitgaat, bijdraagt aan een samenleving waarin burgers zich ongehinderd en vrij in het openbaar kunnen begeven en zich veiliger voelen, zonder angst voor ongewenste seksuele toenadering van anderen. Dit normerende en preventieve effect wordt naar verwachting versterkt door de landelijke publiekscampagne over de Wet seksuele misdrijven waarin aandacht wordt geschonken aan seksuele intimidatie in het openbaar.
Het is verder aan het lokaal gezag om de inzet op de aanpak van (seksuele)
intimidatie in het openbaar te bepalen, maar ik verwacht dat als het bekend is dat seksuele intimidatie vaker op bepaalde locaties voorkomt, daar in deze aanpak extra aandacht aan wordt besteed. De lokale aanpak van seksuele intimidatie bestaat overigens niet alleen uit een strafrechtelijk deel maar ook en vooral uit preventie van, voorlichting en bewustwording over seksuele intimidatie.
Bent u bekend met onderzoek van de Erasmus Universiteit en TU Delft dat laat zien dat de inrichting van de openbare ruimte onveiligheidsbeleving van jonge vrouwen in de hand werkt, deels doordat bij de inrichting van de publieke ruimte de behoeften van jongens en jonge mannen als norm worden genomen? Bent u bereid in gesprek te gaan met gemeenten over hoe in het ontwerpproces van de openbare ruimte al rekening gehouden kan worden met de behoeften van vrouwen en hen hier actief bij te betrekken?2
Ja, ik ben bekend met dit onderzoek.
De Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening werken samen aan veilig ontwerp en beheer van de openbare ruimte, zowel met gemeenten als specifiek de gebieden binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid.
Vanuit Justitie en Veiligheid wordt het Centrum voor Criminaliteitspreventie gefinancierd om gemeenten te ondersteunen in het veilig ontwerp en beheren van de openbare ruimte. Een middel hiervoor is de Veiligheidseffectrapportage. Hierin wordt ook aandacht besteed aan veiligheid(sbeleving) van vrouwen.
In het Nieuw Handboek Veilig Ontwerp en Beheer, dat deze zomer wordt gepubliceerd en medegefinancierd is door de beiden ministeries, wordt ook aandacht besteed aan inclusiviteit in de openbare ruimte. Het gaat hierbij om het creëren van omgevingen die veiligheid, comfort en «welkom-voelen» bevorderen voor alle gebruikers, ook vrouwen. Dit vereist voortdurende evaluatie en aanpassing om ervoor te zorgen dat de ruimten blijven voldoen aan ieders behoeften. Het handboek is gericht op een diverse groep lezers die betrokken zijn bij de veiligheid en het beheer van stedelijke omgevingen. Van ontwerpers, bouwers en beheerders tot gemeenten. Ook richt het handboek zich op politie, woningbouwverenigingen, projectontwikkelaars, bouw- en omgevingsbeheermanagers.
Vragen de resultaten uit het onderzoek van AD en Pointer wat u betreft om extra actie of aanvullende maatregelen en zo ja, wat behelzen die en wanneer worden deze ingezet? Zo nee, waarom niet?
Het handboek Veilig Ontwerp en Beheer zoals genoemd in het antwoord op vraag 9 wordt deze zomer gepubliceerd. Hierin wordt aandacht besteed aan omgevingen die veiligheid, comfort en «welkom-voelen» creëren voor alle gebruikers, ook vrouwen. Het vereist voortdurende evaluatie en aanpassing om ervoor te zorgen dat de ruimten blijven voldoen aan ieders behoeften.
Voor het openbaar vervoer hebben ProRail en vervoerders een primaire verantwoordelijkheid bij het waarborgen van de veiligheid van reizigers en personeel. Ik vraag de betrokken partijen om hierin hun rol te pakken en waar noodzakelijk te komen met aanvullende maatregelen. Er is echter ook meer onderzoek nodig om meer te weten over de redenen achter deze resultaten en de effectiviteit van mogelijke aanvullende maatregelen te toetsen.
Het bericht ‘Als model gelokt, voor de camera misbruikt’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Als model gelokt, voor de camera misbruikt»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Kunt u reageren op het feit dat uit onderzoek van de Volkskrant blijkt dat een persoon in ruim 20 jaar honderden Oost-Europese vrouwen heeft geronseld voor de illegale productie van porno en prostitutie, zonder dat hij hiervoor is vervolgd?
Ik ben geschrokken van de ervaringen die in het artikel in de Volkskrant zijn opgetekend. Hoewel sekswerk in Nederland legaal kan worden verricht, vind ik het van het allergrootste belang dat dit gebeurt onder juiste omstandigheden en conform de wet- en regelgeving ter zake. Bovendien geldt boven alles dat het van het allergrootste belang is dat het verrichten van seksuele handelingen in een professionele context, of dit nu in het kader van sekswerk wordt verricht of in het kader van de productie van pornografische films, veilig moet gebeuren, waarbij de bescherming van sekswerkers onderscheidenlijk acteurs een speerpunt moet zijn.
In het artikel worden zaken behandeld die aspecten bevatten die wijzen op signalen van mensenhandel. In zijn algemeenheid geldt dat wanneer sprake is van een signaal mensenhandel, dit signaal altijd wordt opgevolgd door de betreffende opsporingsdiensten en het openbaar ministerie, conform de OM-aanwijzing mensenhandel. Indien sprake is van mogelijke strafbare feiten, verricht de politie onderzoek naar aanknopingspunten die opsporingshandelingen rechtvaardigen. Op basis van deze verzamelde aanknopingspunten wordt in afstemming met het openbaar ministerie een weloverwogen keuze gemaakt om al dan niet tot verdere vervolging over te gaan. Deze procedure en afweging kunnen, indien er te weinig aanknopingspunten aanwezig zijn die vervolging rechtvaardigen, leiden tot een beslissing om niet tot verdere vervolging over te gaan. Het is voor mij als Minister echter niet mogelijk om in te gaan op specifieke vragen die zien op informatie over individuele strafzaken.
Is hiervan aangifte gedaan door slachtoffers of andere personen en zo ja, hoe vaak?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 2, is het niet mogelijk om in te gaan op vragen die betrekking hebben op individuele (straf)zaken.
Hoe plaatst u de bevindingen van de Volkskrant in het licht van uw verkenning naar misstanden in de porno-industrie uit maart 2023, waarin u schreef dat er geen signalen waren van strafbare feiten of andere misstanden in de Nederlandse porno-industrie?
In maart 2023 is er, op verzoek van uw Kamer, een verkenning uitgevoerd naar het bestaan van eventuele misstanden in de Nederlandse porno-industrie (Kamerstukken II, 2022–23, 34 843, nr. 17). Aanleiding hiervoor was een Frans Senaatsrapport waarin misstanden op de filmset van Franse pornoproducenten stonden beschreven. De uitvraag in het kader van deze verkenning heeft zich, zoals verzocht door uw Kamer, specifiek toegelegd op het in kaart brengen van dergelijke misstanden en/of strafbare feiten op filmsets binnen de Nederlandse porno-industrie en niet over het werven voor de porno-industrie. Meer specifiek heeft de verkenning zich gericht op het bestaan van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset.
Na raadpleging van de politie, het openbaar ministerie en de Arbeidsinspectie blijkt uit de verkenning van destijds niet van enige signalen van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op een Nederlandse filmset. Vanuit hulpverleningsinstanties volgde vrijwel een gelijkluidend beeld, daarbij opgemerkt dat één hulpverleningsinstantie aangeeft in 2019 een melding te hebben ontvangen waarbij mogelijk sprake is van een link met de porno-industrie. Vanuit belangenorganisaties (SWAD, Soa Aids Nederland en Sekswerkexpertise) waren eveneens geen meldingen bekend van eventuele misstanden bij de productie van pornografisch materiaal in Nederland. Dat bij producties binnen de porno-industrie geen misstanden bij de bevraagde instanties bekend waren, betekent niet dat deze er niet zijn. Wel dat deze ten tijde van de verkenning niet bekend waren bij de bevraagde organisaties die over een goede informatiepositie beschikken over seksuele misdrijven, ook ten aanzien van specifieke sectoren, en mensenhandel.
Wat is de reden dat uit uw verkenning volgt dat er geen sprake is van misstanden, maar dat uit onderzoek van de Volkskrant blijkt dat de politie de afgelopen 20 jaar meerdere keren meldingen heeft ontvangen over Van der W. en meermaals is binnengevallen bij hem, en ook nog eens is vastgesteld dat er sprake was van illegale prostitutie?
Zoals bij vraag 4 toegelicht was de verkenning gericht op het kaart brengen van strafbare feiten bij de productie van pornografisch materiaal op filmsets in de Nederlandse porno-industrie en niet op de werving daarvoor. Bovendien heeft de verkenning zich beperkt tot een interne uitvraag bij het openbaar ministerie, de Arbeidsinspectie, politie en hulpverleningsinstanties en belangenorganisaties, aangezien niet specifiek op misstanden in de porno-industrie geregistreerd wordt. Het ontbreken van verdere aanknopingspunten voor vervolging in bepaalde zaken in zijn algemeenheid, kan een reden zijn waarom deze zaken niet in de verkenning naar boven zijn gekomen.
Was u hiermee bekend en zo ja, wat is dan de reden dat u heeft aangegeven dat er geen signalen zijn van misstanden in de Nederlandse porno-industrie?
Nee, ik ben hier niet mee bekend. Zie beantwoording vraag 4 en 5 voor de reden waarom er uit de verkenning is gebleken dat er geen signalen van misstanden in de Nederlandse porno-industrie zijn.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat bij deze gevallen van uitbuiting, illegale prostitutie en mensenhandel jarenlang geen actie wordt ondernomen en daders hierdoor hun gang kunnen blijven gaan met het uitbuiten van kwetsbare slachtoffers uit zowel Nederland als andere landen?
Het beeld dat u schetst dat geen actie wordt ondernomen tegen het uitbuiten van (kwetsbare) slachtoffers, zowel uit Nederland als uit het buitenland, herken ik niet. Wanneer de politie meldingen ontvangt over signalen van mensenhandel, wordt dit altijd door politie opgepakt, conform de uitgangspunten in de OM-aanwijzing over mensenhandel. Zoals onder de beantwoording van vraag 2 aangegeven doet de politie, wanneer sprake is van mogelijke strafbare feiten zoals mensenhandel, onderzoek naar nadere aanknopingspunten over deze misstanden. Op basis van deze aanknopingspunten wordt in afstemming met het OM een weloverwogen keuze gemaakt om al dan niet tot verdere vervolging over te gaan. Het ontbreken van voldoende aanknopingspunten kan een reden zijn om niet tot verdere vervolging over te gaan. Het is belangrijk dat potentiële slachtoffers worden voorkomen en daders worden aangepakt. Daarom sta ik samen met de betrokken partners voor een effectieve en daadkrachtige aanpak van mensenhandel. Zo wordt door middel van het actieplan Samen tegen Mensenhandel ingezet op onder meer het creëren van een brede bewustwording over mensenhandel bij verschillende groepen in de samenleving, het vergroten van de meldingsbereidheid van slachtoffers en burgers en wordt gewerkt aan een betere vaststelling van slachtofferschap en bescherming van slachtoffers. Daarnaast wordt het met de modernisering en uitbreiding van de strafbaarstelling van mensenhandel, opgenomen in artikel 273f Wetboek van Strafrecht, makkelijker om daders aan te pakken en te straffen. De nota naar aanleiding van het verslag verwacht ik in oktober naar uw Kamer te zenden.
Klopt het dat er geen enkel zicht is op wat er in de Nederlandse porno-industrie gebeurt en dus blijkbaar ook geen zicht is op de illegale praktijken, uitbuiting en prostitutie die hierin plaatsvinden?
Het werken in deze industrie is legaal en is daarom, net als in andere branches, onderhevig aan regels voortvloeiend uit arbeidsrechtelijke wet- en regelgeving. Werkgevers, waaronder werkgevers in de Nederlandse porno-industrie, zijn primair zelf verantwoordelijk voor naleving van de verschillende arbeidswetten. In bepaalde situaties moet de werkgever ook maatregelen nemen ter voorkoming van gevaar voor de veiligheid of gezondheid van andere personen dan zijn werknemers. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op naleving van deze arbeidswetten. Dit doet zij risicogericht en programmatisch. Meldingen zijn de basis van het reactieve toezicht en worden volgens vaste procedures en kaders beoordeeld. Wanneer de meldingen niet het domein van de Arbeidsinspectie betreffen worden zij, waar nodig, doorgezet naar bijvoorbeeld de politie (bij seksuele uitbuiting of een andersoortig zedenfeit). Ook houdt de Arbeidsinspectie proactief toezicht met landelijke programma’s, zoals het programma Psychosociale Arbeidsbelasting, Arbeidsdiscriminatie en Fysieke Belasting. Onder Psychosociale Arbeidsbelasting vallen onder andere seksuele intimidatie op de werkvloer en agressie en geweld. Werkgevers zijn verplicht om een beleid te voeren om Psychosociale Arbeidsbelasting te voorkomen. De werkgever is verplicht om in de Risico Inventarisatie en Evaluatie het risico op Psychosociale Arbeidsbelasting te inventariseren en in het bijbehorende Plan van Aanpak maatregelen op te nemen en uit te voeren. De Risico Inventarisatie en Evaluatie is de ingang voor de Arbeidsinspectie om te controleren op Psychosociale Arbeidsbelasting bij werkgevers. Dit betekent dat de Arbeidsinspectie geen toezicht houdt of handhaaft op individuele gevallen, maar kijkt naar het door het bedrijf gevoerde beleid. De Arbeidsinspectie heeft geen specifiek programma of project dat zich richt op de Nederlandse porno-industrie, hetgeen betekent dat er geen gericht toezicht wordt gehouden op deze industrie. Eventuele meldingen vanuit deze branche doorlopen het reguliere wegings- en beoordelingsproces van de Arbeidsinspectie en worden waar nodig en mogelijk opgevolgd.
Op welke manier wordt op dit moment toezicht gehouden op de porno-industrie om misstanden te signaleren en te voorkomen?
Zie vraag 8.
Hoe worden kwetsbare (buitenlandse) vrouwen beschermd tegen uitbuiting, illegale prostitutie en andere seksuele misdrijven binnen de porno-industrie?
Laat ik vooropstellen: wanneer dergelijke misstanden zich zouden voordoen, dan vind ik dat onacceptabel. Het is van belang dat slachtoffers zich melden indien zij misstanden waarnemen of zijzelf slachtoffer worden hiervan. Indien sprake hiervan is kan de overheid op basis van deze meldingen adequaat op treden. Daarom geldt, zoals hierboven al genoemd, dat elk signaal van mensenhandel door de opsporingsdiensten en het openbaar ministerie wordt opgepakt, conform de OM-aanwijzing over mensenhandel. Ook is mensenhandel voor de jaren 2023–2026 één van de thema’s waarover door middel van de Veiligheidsagenda landelijke beleidsdoelstellingen voor de taakuitvoering van de politie zijn opgenomen en heeft ook op deze wijze een grote prioriteit. Ten slotte is ook de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 in werking getreden: hiermee kunnen seksuele misdrijven beter worden aangepakt.
Bent u na het lezen van het onderzoek uit de Volkskrant nu wel bereid om net als in Frankrijk een grootschalig onderzoek uit te voeren naar misstanden in de Nederlandse porno-industrie, en niet alleen een verkenning uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zoals tijdens het commissiedebat over mensenhandel en prostitutie van 11 september jl. toegezegd, zal ik een WODC-onderzoek naar misstanden in de Nederlandse porno-industrie laten uitvoeren. Uw Kamer zal hierover nader worden geïnformeerd.
Te weinig personeel voor het toezicht op de AIVD en MIVD |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Hugo de Jonge (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichten in het AD en het NRC over het toezicht op de AIVD en MIVD?1, 2
Wij verwijzen voor dit antwoord graag naar de brief van het vorige kabinet van 26 juni 2024.3
Wat is uw reactie op de toezichthouders op de geheime diensten die spreken van een afschaling van het toezicht terwijl een opschaling beloofd was, en dat inmiddels al belangrijke onderzoeken zijn uitgesteld?
Het toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten wordt niet afgeschaald. Bij de toepassing van de Tijdelijke wet wordt rekening gehouden met de capaciteitsproblemen die de CTIVD ondervindt zodat de toepassing van bevoegdheden onder de condities van de Tijdelijke wet aansluit bij de uitvoerings- en toezichtspraktijk.
Uit het jaarverslag van de CTIVD over het jaar 2023 (gepubliceerd op 24 april 2024) blijkt dat de CTIVD één onderzoek vanwege beperkte capaciteit heeft besloten uit te stellen.4 Dit staat echter los van de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet. De CTIVD verricht haar onderzoeken namelijk op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017. Hier wordt met de Tijdelijke wet niets aan veranderd en het vermogen van de CTIVD om onderzoeken te verrichten is ook niet afhankelijk van de capaciteitsuitbreiding, die immers is toegekend voor de uitvoering van de Tijdelijke wet.
Hoe kan het dat het nieuwe toezichtstelsel voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet gereed is?
Wij hechten er aan om te benadrukken dat met de invoering van de Tijdelijke wet er géén sprake is van een nieuw toezichtstelsel. Er is met de Tijdelijke wet bij een aantal bestaande bevoegdheden sprake van een accentverschuiving in het stelsel van toetsing en toezicht: van toetsing voorafgaand aan de operatie door de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) naar bindend toezicht tijdens en achteraf door de CTIVD. Daar waar het toezicht verschuift van de TIB naar de CTIVD krijgt de CTIVD de bindende bevoegdheid om een lopende bevoegdheid direct stop te zetten en de daarbij verworven gegevens te laten vernietigen.
Zoals is aangegeven in de brief die door het vorige kabinet is verstuurd op 26 juni 2024, is in zijn algemeenheid op te merken over de werkbelasting van de CTIVD dat deze niet direct na de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet in volle omvang zijn beslag krijgt, gelet op het gegeven dat er enige tijd overheen gaat alvorens nieuwe wetgeving volledig wordt toegepast en tot grotere toezichts-belasting leidt. Een deel van de voorzieningen in de Tijdelijke wet brengt geen extra werkbelasting voor de CTIVD met zich mee, omdat hiervoor al een voorziening is getroffen en een werkproces is ingeregeld door de CTIVD of omdat deze voorzieningen onafhankelijk zijn van de accentverschuiving binnen het stelsel van toetsing en toezicht. Inmiddels is afgesproken dat ook verkennen in het kader van de hackbevoegdheid tot uitvoerbaar toezicht leidt voor de CTIVD. Aan deze bevoegdheid wordt door de AIVD en de MIVD dus ook toepassing gegeven. De CTIVD heeft aangegeven geen toezicht te kunnen houden op de overige bepalingen uit de Tijdelijke wet, omdat de daarvoor benodigde cyberspecialisten voor een groot deel belast zijn met werkzaamheden voor de huisvestingsproblematiek. Toepassing van deze bevoegdheden onder de condities van de Tijdelijke wet zal dus pas plaatsvinden nadat de CTIVD de tijdelijke huisvesting betrokken heeft. De praktijk zal doorlopend gemonitord worden. Op deze manier zal worden gewaarborgd dat de toepassing van bevoegdheden uit de nieuwe wet zal «ingroeien» in de uitvoerings- en toezichtspraktijk.
Wat zijn precies de oorzaken van het gebrek aan personeel, goede ICT en passende huisvesting? Waarom is hier niet tijdig en adequaat in voorzien?
Graag verwijzen we ook naar het antwoord op vraag 3 van de leden Kathmann en Koekoek.
Vanwege de hoge beveiligingseisen die er gesteld worden aan de huisvesting van de toezichthouders, is het een ingewikkelde opgave gebleken om hier aan te voldoen. Het vorige kabinet was hier al geruime tijd met betrokken partijen over in overleg, maar gelet op het bijzondere karakter van de CTIVD, die zelfstandig toegang heeft tot alle systemen van de AIVD en MIVD en daarnaast ook eigen ICT-systemen gebruikt voor de verwerking van staatsgeheime gegevens, worden er hoge eisen gesteld aan de huisvesting en ook aan ICT-middelen. Het gaat om eisen die vergelijkbaar zijn met de eisen aan de huisvesting van de diensten zelf en die dus niet eenvoudig zijn te realiseren.
Voor wat betreft het gebrek aan personeel kan ik u informeren dat het aan de CTIVD zelf is om dit personeel (tijdig) te werven.
Waarom komt u uw beloftes niet na? Waren uw beloftes wel oprecht of zijn deze slechts gedaan om de wet door beide Kamers te loodsen?
Bij de toepassing van de Tijdelijke wet wordt rekening gehouden met de capaciteitsproblemen die de CTIVD ondervindt zodat de toepassing van bevoegdheden onder de condities van de Tijdelijke wet aansluit bij de uitvoerings- en toezichtspraktijk. Er zijn daarom aanvullende afspraken gemaakt tussen de toezichthouder en de diensten over een getemporiseerde invoering van de wet.
Deelt u de mening van de toezichthouders dat invoering per 1 juli van de nieuwe wet met de nieuwe bevoegdheden onverantwoord is, omdat het toezicht nu niet op orde is? Zo niet, waarom niet?
We verwijzen voor dit antwoord graag naar de brief van het vorige kabinet van 26 juni 2024.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het niet op orde hebben van het toezicht op de geheime diensten |
|
Marieke Koekkoek (D66), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (CDA), Mark Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voorwoord uit het CTIVD Jaarverslag 2023, waarin ook wordt gesteld dat het niet is gelukt om «in de benodigde werkruimte te voorzien» en «de CTIVD daarom aan de uitbreiding van de organisatie nog steeds geen opvolging kan geven»?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met het bericht «Controle op geheime diensten is vanaf 1 juli «niet meer mogelijk»» van Follow the Money (17 juni 2024)?2
Ja.
Kunt u uitleggen waarom het nog steeds niet is gelukt om de benodigde werkruimte en uitbreiding van 10 fte te realiseren bij de Commissie Toezicht Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD), die u sinds 2022 heeft toegezegd en noodzakelijk is voor het goed uitvoeren van de Tijdelijke wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Tijdelijke wet)? Wat is daarin uw verantwoordelijkheid?
Het kabinet zoekt al geruime tijd naar geschikte huisvesting voor de CTIVD. Dit is geen gemakkelijke opgave gebleken. Zoals ook in de brief van 26 juni jl. aan uw Kamer gesteld is het zo dat gelet op het bijzondere karakter van de CTIVD, die zelfstandig toegang heeft tot alle systemen van de AIVD en MIVD en daarnaast ook eigen systemen gebruikt voor de verwerking van staatsgeheime gegevens, worden er hoge eisen gesteld aan de huisvesting.3 Het gaat om eisen die vergelijkbaar zijn met de eisen aan de huisvesting van de diensten zelf en die dus niet eenvoudig in reguliere kantoorpanden zijn te realiseren. Inmiddels is zowel een lange termijnoplossing als een overbruggingsoplossing gevonden. De verantwoordelijkheid voor werving van geschikt personeel ligt bij de CTIVD zelf.
Deelt u de mening van de CTIVD, die toezicht moet houden op de inlichtingendiensten, dat zij «het toezicht dat de Ministers nu beloofd hebben gewoon niet waar [kunnen] maken»? Zo ja / nee, kunt u toelichten waarom?
Zoals is aangegeven in de brief die door het vorige kabinet is verstuurd op 26 juni 2024, is in zijn algemeenheid op te merken over de werkbelasting van de CTIVD dat deze niet direct na de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet in volle omvang zijn beslag krijgt, gelet op het gegeven dat er enige tijd overheen gaat alvorens nieuwe wetgeving volledig wordt toegepast en tot grotere toezichts-belasting leidt. Een deel van de voorzieningen in de Tijdelijke wet brengt geen extra werkbelasting voor de CTIVD met zich mee, omdat hiervoor al een voorziening is getroffen en een werkproces is ingeregeld door de CTIVD of omdat deze voorzieningen onafhankelijk zijn van de accentverschuiving binnen het stelsel van toetsing en toezicht. Inmiddels is afgesproken dat ook verkennen in het kader van de hackbevoegdheid tot uitvoerbaar toezicht leidt voor de CTIVD. Aan deze bevoegdheid wordt door de AIVD en de MIVD dus ook toepassing gegeven. De CTIVD heeft aangegeven geen toezicht te kunnen houden op de overige bepalingen uit de Tijdelijke wet, omdat de daarvoor benodigde cyberspecialisten voor een groot deel belast zijn met werkzaamheden voor de huisvestingsproblematiek. Toepassing van deze bevoegdheden onder de condities van de Tijdelijke wet zal dus pas plaatsvinden nadat de CTIVD de tijdelijke huisvesting betrokken heeft. De praktijk zal doorlopend gemonitord worden. Op deze manier zal worden gewaarborgd dat de toepassing van bevoegdheden uit de nieuwe wet zal «ingroeien» in de uitvoerings- en toezichtspraktijk. Hierbij de notie dat de Tijdelijke wet géén uitbreiding is van bevoegdheden voor de AIVD en de MIVD, maar een nadere invulling en verduidelijking van bevoegdheden geeft die reeds in de Wiv 2017 waren geïntroduceerd.
Kan de Tijdelijke wet, gezien de kern van deze wet was om het toezicht op de bevoegdheden van de inlichtingendiensten te verschuiven van vóóraf naar áchteraf, op verantwoorde wijze van kracht gaan als de CTIVD zelf aangeeft dat zij niet in staat is om achteraf toezicht te houden?
Zie antwoord vraag 4.
Acht u de gevolgen voor de kwaliteit van het toezicht door de CTIVD, door het niet op orde hebben van de huisvesting en extra capaciteit, verantwoord? Zo ja, kunt u toelichten hoe lang u deze situatie verantwoord acht? Zo nee, wat betekent dit voor de geplande invoering van de Tijdelijke wet?
Zoals aangegeven in de antwoorden 4 en 5, zal de toepassing van bevoegdheden uit de nieuwe wet zal «ingroeien» in de uitvoerings- en toezichtspraktijk. Dit acht het kabinet verantwoord. De CTIVD zal per januari 2025 in volle formatie, inclusief de 10 fte voor het toezicht op de toepassing van de Tijdelijke wet, op één locatie gehuisvest worden.
Bent u van mening dat, zolang de CTIVD niet op sterkte is en toestemming achteraf voor de inzet van bevoegdheden niet verleend kan worden, die bevoegdheden wél met de goedkeuring vooraf van de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) ingezet moeten kunnen worden? Biedt de wet daartoe de mogelijkheid en gaat u deze inzetten? Zo nee, deelt u dan de mening dat u, zolang de CTIVD niet op sterkte is, geen toestemming voor de inzet van versnelde bevoegdheden moet verlenen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wanneer de diensten bij de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid als bedoeld in paragraaf 3.2.5 van de Wiv 2017 toepassing willen geven aan de Tijdelijke wet, dan vermelden zij dit in het verzoek om toestemming voor de uitoefening van die bevoegdheid.4 Zonder een dergelijke vermelding is hoofdstuk 2 van de Tijdelijke wet niet van toepassing op de uitoefening van de betreffende bevoegdheid. In dit geval vindt de uitoefening van de bevoegdheid plaats onder de condities van de Wiv 2017. De Tijdelijke wet biedt dus de mogelijkheid om bevoegdheden in te zetten onder de condities van de Wiv 2017. Daar waar de Wiv 2017 een TIB-toets voorschrijft zal deze dus blijven plaatsvinden als de Tijdelijke wet niet wordt toegepast. Zoals is aangegeven in de brief die door het vorige kabinet is verstuurd op 26 juni 2024, nemen de dreigingen vanuit statelijke actoren gericht op Nederland en de Nederlandse belangen dagelijks toe. Daarom is de Tijdelijke wet per 1 juli 2024 in werking getreden en is het van belang dat zo snel mogelijk toepassing kan worden gegeven aan al haar bepalingen. Het is in de tussentijd geen optie om bevoegdheden helemaal niet uit te oefenen. Het is daarom mogelijk dat gedurende de geleidelijke toepassing van de Tijdelijk wet bevoegdheden zullen worden ingezet onder de condities van de Wiv 2017.
Volledigheidshalve moet er wel op gewezen worden dat de CTIVD niet achteraf toestemming verleent voor de inzet van bevoegdheden. Deze toestemming wordt vóóraf gegeven door – in onderhavige gevallen – de Minister. De CTIVD kan tijdens of na afloop van de inzet een oordeel vellen over de rechtmatigheid van de door de Minister gegeven toestemming.
Kan van de CTIVD überhaupt verwacht worden dat zij haar verzwaarde takenpakket kan uitvoeren, gezien het uitblijven van de toegezegde nieuwe medewerkers, de slechte (bestaande) huisvesting, de verouderde IT-voorziening, en de leegloop in het bestuur?
Zie antwoorden 4 en 5.
Kunt u uitleggen hoe het in werking laten gaan van de Tijdelijke wet zonder uitgeruste toezichthouder recht doet aan de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die stelt dat «adequaat en effectief toezicht» nodig is op afluisterprogramma's?3
Uiteraard is het van groot belang dat er adequaat en effectief toezicht gehouden wordt op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De inwerkingtreding van de Tijdelijke wet brengt dit niet in gevaar. Zoals in de brief van 26 juni 2024 over de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet is aangegeven, bevat de Tijdelijke wet voorzieningen waarvan het van groot belang is dat deze zo spoedig mogelijk beschikbaar komen, maar waar geen extra werkzaamheden voor de CTIVD uit voortvloeien. Over de toepassing van voorzieningen uit de Tijdelijke wet die wél capaciteit van de CTIVD vergen zijn, zoals aangegeven in antwoorden 4 en 5, gesprekken gevoerd met de CTIVD zodat de toepassing van de Tijdelijke wet past bij de mogelijkheden van de toezichthouder. Dit doet recht aan «adequaat en effectief toezicht» zoals vereist door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Wat zijn uw plannen om op zo kort mogelijke termijn de 10 extra fte te werven en fatsoenlijke (tijdelijke en definitieve) huisvesting te organiseren voor de CTIVD? Kunt u de planning toelichten en beschrijven wie verantwoordelijk is voor welk onderdeel?
De CTIVD wordt per 1 januari 2025 tot 1 juli 2026 tijdelijk gehuisvest. De CTIVD wordt per 1 juli 2026 definitief gehuisvest op de locatie Turfmarkt 147 in Den Haag. Op beide locaties zal de CTIVD voldoende ruimte hebben om met alle werknemers, inclusief de uitbreiding met 10 fte, vanuit één locatie te kunnen werken.
De CTIVD is zelf verantwoordelijk voor de werving van personeel. Deze werving is thans door de CTIVD hervat, met de inzet om per 1 januari 2025 op sterkte te zijn en volledig toezicht te kunnen houden. Door de diensten is toegezegd dat de veiligheidsonderzoeken van het nieuwe personeel met prioriteit zullen worden opgepakt.
Kunt u uiteenzetten welke acties u wanneer heeft ondernomen sinds er in 2022 10 nieuwe fte zijn toegezegd bij de CTIVD, om een geschikte werkplek te vinden en kundige mensen te werven? Op welke momenten heeft u de Kamer hierover geïnformeerd?
Wij kunnen uw kamer alleen informeren over de stappen die gezet zijn om geschikte huisvesting te vinden. De CTIVD gaat, zoals reeds eerder gesteld, zelf over de werving van personeel.
Zoals ook in het gesprek dat met uw kamer is gevoerd op 27 juni 2024 is aangegeven door het RVB, heeft AZ in mei 2022 een verzoek bij het RVB neergelegd om een voorstel te doen om zowel korte als lange termijn huisvesting te realiseren voor de CTIVD. Na oplevering van het resultaat hiervan is door een stuurgroep van AZ, CTIVD en het RVB besloten om voorrang te geven aan het realiseren van de lange termijn huisvesting aan de Turfmarkt en de korte termijn nog niet verder uit te werken. Dit omdat de investering voor de korte termijn huisvesting relatief hoog is voor een korte periode en vanwege een beperkte capaciteit bij het RVB.
Op basis van de voorgenoemde haalbaarheidsstudie is gebleken dat voor de lange termijn huisvesting van de CTIVD op twee verdiepingen aan de Turfmarkt een reële optie is. Een vervolgonderzoek moet hier definitief uitsluitsel over geven. Als overgegaan wordt tot de verbouwing, is de inschatting dat oplevering van de huisvesting op de Turfmarkt uiterlijk in de zomer van 2026 kan plaatsvinden.
Voor de tijdelijke oplossing zijn begin 2024 werkplekken bij de AIVD in Zoetermeer gerealiseerd, waarvan pas later is gebleken dat dit voor de CTIVD nog geen volwaardige werkplekken zijn, onder andere vanwege het ontbreken van de eigen beveiligde systemen. Inmiddels is een nieuwe overbruggingsoptie aan de CTIVD aangeboden. Hier kan de CTIVD als geheel, inclusief het nieuw te werven personeel, per begin januari 2025 in tot de definitieve oplossing aan de Turfmarkt gereed is.
In het kader van de parlementaire behandeling van de Tijdelijke wet is aangegeven dat er bij de CTIVD behoefte is aan ruimere huisvesting en dat hier door de regering aan wordt gewerkt. Dit heeft richting de Tweede Kamer plaatsgevonden in de nota naar aanleiding van het verslag van 4 september 2023 en tijdens het wetgevingsoverleg van 16 oktober 2023.6 Hierop is in meer detail ingegaan richting de Eerste Kamer, onder andere in de nota naar aanleiding van het verslag van 28 februari 2024.7
In de beantwoording op vragen van de Eerste Kamer, schreef u in februari 2024 dat er «ter overbrugging voorzien [is] in een tijdelijke oplossing die ruimte biedt aan minimaal de extra capaciteit om uitvoering te geven aan de Tijdelijke wet.» Op welke oplossing doelde u? Is deze optie nog in beeld? Zo nee, waarom niet?
Het betreft hier de werkplekken die voor de CTIVD in het AIVD-pand in Zoetermeer zijn gerealiseerd. De CTIVD heeft deze werkplekken in februari 2024 in gebruik genomen, maar heeft hiervan inmiddels aangegeven dat deze plekken niet als volwaardig kunnen worden beschouwd. Dit onder meer vanwege het ontbreken van het eigen -gerubriceerde- computersysteem, maar ook omdat het wenselijk is om, ook in de overbruggingsperiode, de CTIVD als geheel bij elkaar te huisvesten. Inmiddels is, zoals ook in de vorige vraag aangegeven, een oplossing gevonden ter overbrugging. Deze wordt beschikbaar per januari 2025. Tot die tijd zullen de werkplekken bij de AIVD nog steeds als werkplek voor de CTIVD behouden blijven.
Bent u het met de indiener eens dat tijdelijk inwonen bij de AIVD voor de onafhankelijke CTIVD, die juist toezicht moet houden op deze dienst, geen optie is?
Het kabinet benadrukt het belang van onafhankelijk toezicht op de inlichtingendiensten- en veiligheidsdiensten. Zoals gezegd zoekt AZ al geruime tijd, samen met andere partijen binnen de overheid zoals het RVB, naar geschikte huisvesting voor de CTIVD. Dit is echter geen gemakkelijke opgave vanwege alle beveiligingsvereisten waar die huisvesting aan moet voldoen. Het gaat om eisen die vergelijkbaar zijn met de eisen aan de huisvesting van de diensten zelf. In afwachting van de lange termijn huisvesting en om voor de korte termijn tegemoet te komen aan de extra huisvestingsbehoefte van de CTIVD, heeft de AIVD daarom werkplekken gerealiseerd.
Gezien de taken van de CTIVD is het belangrijk dat zij onafhankelijk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan opereren. Gedeelde huisvesting staat hier echter niet aan in de weg. De CTIVD kan, ook vanaf deze werkplekken, onafhankelijk werken. Het kabinet deelt niet de mening van de indiener dat (tijdelijk) inwonen bij de AIVD geen optie zou zijn.
Is er inmiddels een schetsontwerp afgerond voor definitieve huisvesting? Op welke termijn verwacht u dat deze gerealiseerd is en in gebruik kan worden genomen? Waarop baseert u die inschatting?
Zie antwoord 6.
Kunt u uw uitspraak van 5 maart 2024, bij de behandeling van de Tijdelijke wet in de Eerste Kamer, nader toelichten «We hebben de CTIVD met tien fte uitgebreid [...] Ja. De CTIVD is dus met tien fte uitgebreid.» Was u destijds op de hoogte dat het de CTIVD niet lukt om deze 10 fte te werven zonder huisvesting?4
Op dat moment was het zo dat de gevraagde extra fte door de CTIVD mogelijk was gemaakt doordat de financiering daarvan was geregeld. Dat de CTIVD de werving had stopgezet als gevolg van een gebrek aan huisvesting was op dat moment niet duidelijk. Ook was het op dat moment nog niet duidelijk dat de werkplekken bij de AIVD niet als volwaardige vervanging werden beschouwd voor de CTIVD.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór de inwerkingtreding van het nieuwe regime van toezicht vanaf 1 juli 2024 beantwoorden?
Het is niet haalbaar gebleken deze vragen vóór 1 juli 2024 te beantwoorden.
Een protest op 19 juni 2024 buiten de Tweede Kamer |
|
Marco Deen (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Hugo de Jonge (CDA), Karien van Gennip (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het protest dat op 19 juni 2024 heeft plaatsgevonden buiten de Tweede Kamer?
Ja.
Indien ja, bent u tevens bekend met de oproepen tot geweld1 tegen Joodse burgers die zijn gedaan door het uiten van de leuzen «from the river to the sea» en «intifada, intifada»?
Ik ben ermee bekend dat er tijdens demonstraties die betrekking hebben op het conflict tussen Israël en de Palestijnse gebieden geregeld bepaalde leuzen worden gescandeerd. Of het in het openbaar uiten van bepaalde bewoordingen te kwalificeren valt als strafbaar feit – bijvoorbeeld als oproep tot haat of geweld of door anderen proberen op te ruien om geweld te plegen – is aan het Openbaar Ministerie en in laatste instantie aan de rechter om te beoordelen. Deze beoordeling hangt altijd af van de feitelijke omstandigheden waaronder ze gedaan worden. Daarom moeten ze van geval tot geval worden bekeken. Het kabinet treedt daar niet in.
Er waren demonstranten bij de demonstratie gekleed als terroristen van de Al-Qassam Brigades (EQB)2, aangezien deze Al-Qassam Brigades, de militante tak van Hamas, verantwoordelijk zijn voor de pogrom van 7 oktober, deelt u de mening dat dit neerkomt op verheerlijking van terrorisme?
Uitingen die in het openbaar worden gedaan – zoals het tonen van bepaalde symbolen – kunnen strafbaar zijn. Of er tijdens een demonstratie strafbare feiten zijn gepleegd, is aan het Openbaar Ministerie en in laatste instantie aan de rechter om te beoordelen en niet aan het kabinet. Bij de beoordeling van de strafbaarheid van een uiting speelt onder meer de context waarin de desbetreffende uiting is gedaan een belangrijke rol, evenals de kennelijke bedoeling van de uitlating, de doelgroep waarop de uiting kennelijk was gericht en de plaats of gelegenheid waar de uitlating wordt gedaan. Dit zal per geval door het Openbaar Ministerie worden beoordeeld – en in geval van strafrechtelijke vervolging uiteindelijk door de rechter. Zoals aangekondigd in het hoofdlijnenakkoord is het kabinet voornemens om het verheerlijken van terrorisme als afzonderlijk feit strafbaar te stellen. Op dit moment is dat niet het geval.
Wat vindt u ervan dat voor de ingang van de Tweede Kamer de leus «We don't want no Zionist here» wordt geuit, samen met oproepen tot geweld?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht 'Toezichthouder is dakloos en onderbezet' |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Hugo de Jonge (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toezicht op AIVD dreigt zooitje te worden: toezichthouder is dakloos en onderbezet?»1
Ja.
In de nieuwe wet, die ingaat op 1 juli 2024, krijgen de inlichtingendiensten ruimere bevoegdheden voor bijvoorbeeld afluister- en hackmogelijkheden en krijgt de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) als gevolg daarvan er extra taken bij; kunt u uitleggen waarom hier in de bedrijfsvoering niet of onvoldoende naar is gehandeld?
We verwijzen voor dit antwoord graag naar de brief van het vorige kabinet van 26 juni 2024.2
Wat gaat u op zeer korte termijn doen om ervoor te zorgen dat de CTIVD voldoende capaciteit beschikbaar heeft?
De CTIVD wordt per 1 januari 2025 tot 1 juli 2026 tijdelijk gehuisvest. De CTIVD wordt per 1 juli 2026 definitief gehuisvest op de locatie Turfmarkt 147 in Den Haag. Op beide locaties huisvestingslocatie zal de CTIVD voldoende ruimte hebben om met alle werknemers, inclusief de uitbreiding met 10 fte, vanuit één locatie te kunnen werken. De CTIVD is zelf verantwoordelijk voor de (tijdige) werving van personeel.
Vanwege ruimtegebrek is de CTIVD nu ondergebracht in hetzelfde pand als de AIVD in Zoetermeer; deelt u de mening dat dit een onwenselijke situatie is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijzen we graag naar het antwoord op vraag 13 van de leden Kathmann en Koekoek.
De CTIVD heeft op verschillende momenten en in verschillende gremia aandacht gevraagd voor deze urgente problematiek en heeft ook een brandbrief gestuurd aan de Minister-President; kunt u uitleggen waarom hier niet naar is gehandeld?
Voor dit antwoord verwijzen we naar het antwoord op vraag 3 van de leden Kathmann en Koekloek en vraag 4 van het lid van Nispen.
Bij het ingaan van de nieuwe wet zegt de CTIVD zelf haar taken niet te kunnen uitvoeren; kunt u vertellen wat hiervan de (mogelijke) gevolgen zijn?
We verwijzen voor dit antwoord graag naar de brief van het vorige kabinet van 26 juni 2024.
Mochten deze gevolgen onbekend of van dermate ernstige aard zijn, is de Minister dan bereid de wet op een later tijdstip in te laten gaan, totdat de zaken op orde zijn?
Zie antwoord vraag 6.
De ministeries van Binnenlandse Zaken, Algemene Zaken en Defensie hebben laten weten binnenkort de Tweede Kamer te informeren over de stand van zaken, maar de oplossing van dit probleem kan niet wachten, dus bent u bereid deze informatie zo spoedig mogelijk naar de Kamer te sturen?
De Tweede Kamer is inmiddels geïnformeerd middels de brief van 26 juni 2024. Conform het verzoek van de vaste Kamercommissie van Binnenlandse Zaken heeft het kabinet de Kamer per brief geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot zowel de tijdelijke huisvesting van de CTIVD alsmede de afspraken met de CTIVD inzake over het minimaliseren van de werkbelasting van de CTIVD, voortvloeiende uit de toepassing van bevoegdheden onder de condities van de Tijdelijke wet.
8bf/
Het bericht 'Advocaat vraagt om getuigenis van Dick Schoof in zaak van NCTV-medewerker' |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat een voormalig analist van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), ondanks geldende beveiligingsvoorschriften, de ruimte kreeg om staatsgeheime informatie op eigen gegevensdragers op te slaan?1
Er vinden op dit moment diverse onderzoeken plaats naar (aanleiding van) deze casus, waaronder het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoek van de Auditdienst Rijk (ADR). Het strafrechtelijke onderzoek richt zich op de verdenking van het bezitten en naar buiten brengen van staatsgeheime informatie. Daarnaast maakt het onderzoek van de ADR inzichtelijk op welke wijze de beveiliging van de bijzondere informatie in de in deze casus relevante processen en systemen is ingericht bij de politie en NCTV ten einde suggesties te doen om de beveiliging waar nodig te verbeteren. Het past niet om over zaken die onder de reikwijdte van deze onderzoeken vallen inhoudelijk mededelingen te doen want dan zou ik op het oordeel van de rechter en de uitkomsten van het ADR onderzoek vooruitlopen. Zodra de onderzoeken dat toestaan, zal ik meer informatie met u delen. Ik ben daarbij mede afhankelijk van de rubricering van de eventuele informatie.
Zo ja, wie heeft hem daartoe toestemming verleend?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er op basis van vertrouwen met de analist in kwestie (nog andere) aparte werkafspraken gemaakt waarin afgeweken werd van algemeen beleid of wettelijke kaders? Kunt u eventuele relevante documenten waarin deze werkafspraken zijn opgenomen aan de Kamer verstrekken?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is het effect van deze handelwijze en het ontbreken van een fatsoenlijke chain of custody op de betrouwbaarheid van analyses en dreigingsbeelden die (mede) door de NCTV tot stand zijn gekomen en van inlichtingen die de NCTV met partners gedeeld heeft?
Voor zover deze vraag ziet op de vermeende handelwijze verwijs ik naar het antwoord op de vragen hierboven.
Laat ik voor het overige deel van de vraag duidelijk zijn. De analyses van de NCTV komen op een zorgvuldige wijze tot stand, waarbij gebruik wordt gemaakt van informatie van partners, als de AIVD, MIVD, de Politie en open bronnen waaronder online en offline media en wetenschappelijke literatuur. De analyses komen tot stand volgens een validatieproces, waarbij zowel intern als extern een inhoudelijke beoordeling op kwaliteit plaatsvindt. Voorts is de NCTV geen inlichtingendienst die zelfstandig inlichten inwint of deelt. Inlichtingenproducten van partners worden niet met andere organisaties gedeeld, tenzij de steller van het product daar expliciet mee in heeft gestemd.
Kunt u bovenstaande vragen binnen twee weken beantwoorden?
De vragen zijn beantwoord binnen de reguliere termijn.
Klopt de berichtgeving van Nieuwsuur dat de kwetsbaarheid in Cisco Webex bestond door de voorspelbaarheid van URLs?1 2 Wordt binnen de Rijksoverheid bij de implementatie van systemen standaard een controle uitgevoerd op de afwezigheid van dergelijke basale configuratiefouten?
Ja. Dit betrof geen configuratiefout van de Rijksvideodienst (Belastingdienst). De inrichting is gecheckt in samenwerking met CIO Rijk en de AIVD/NBV. Hiervoor is onder andere een BSPA3 en DPIA4 uitgevoerd. Wel kon er via enumeratie5, door een voorspelbare logische volgordelijkheid in de unieke internetadressen van websites (URL’s genoemd), metadata van andere vergaderingen worden ingezien door ongeautoriseerde gebruikers. Volgens Cisco was dit mogelijk door kwetsbaarheden in specifiek de Cloud-applicaties van Cisco Webex meetings. De Rijksoverheid heeft aanbevolen veiligheidsinstellingen en werkt veelal niet met de cloud versie, maar met de client versie van Webex.
Klopt de berichtgeving van de Volkskrant dat het in het verleden mogelijk was om telefonisch in te bellen op de Webex-omgeving van de Rijksoverheid? Zo ja, zouden buitenlandse inlichtingendiensten daardoor ongemerkt vertrouwelijke Nederlandse videovergaderingen kunnen hebben bijgewoond?3
Het is mogelijk gebleken dat ongeautoriseerde gebruikers onder bepaalde voorwaarden vertrouwelijke videovergaderingen hebben kunnen bijwonen. Cisco ondersteunt namelijk de mogelijkheid in te bellen via het Public Switched Telephone Network op Cisco Webex Meetings.
Binnen Nederland zijn echter geen gevallen bekend waarbij ongeautoriseerde gebruikers vertrouwelijke videovergaderingen van de Rijksoverheid hebben bijgewoond. Uit zowel onderzoek van Cisco als uit eigen onderzoek van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is geen indicatie van misbruik naar voren gekomen. Dit komt mede door de standaardtoepassingen van beveiligingsmaatregelen bij het gebruik van Cisco Webex binnen de Rijksoverheid.
Wilt u nader toelichten wat het concreet betekent dat Cisco Webex «niet gebruikt [mag] worden voor overleggen die als zeer vertrouwelijk zijn aangemerkt of waar staatsgeheime informatie wordt besproken»? Waar legt het kabinet de lat voor «zeer vertrouwelijk»?
Webex kan, net als bijvoorbeeld regulier telefonisch contact, gebruikt worden voor informatie tot en met «Departementaal VERTROUWELIJK (Dep.V.)» gerubriceerd, anders niet.
Informatie wordt als Dep.V. gerubriceerd indien kennisname door niet geautoriseerden schade kan toebrengen aan de belangen van één of meerdere ministeries. Informatie wordt als Staatsgeheim CONFIDENTIEEL/GEHEIM/ZEER GEHEIM gerubriceerd indien kennisname door niet geautoriseerden respectievelijk schade/ernstige schade/zeer ernstige schade kan toebrengen aan een van de vitale belangen van de staat of zijn bondgenoten. «Zeer vertrouwelijk» valt onder de eigen beoordelingsruimte van de medewerker.
Mogen er Departementaal Vertrouwelijk (Dep.V)-gerubriceerde gesprekken gevoerd worden via Cisco Webex? Zo ja, heeft het kabinet ook na dit incident nog voldoende vertrouwen in het beveiligingsniveau van Cisco Webex als product en het beveiligingsbewustzijn van Cisco als fabrikant om gesprekken op dit rubriceringsniveau te laten plaatsvinden?
Webex kan, net als bijvoorbeeld regulier telefonisch contact, gebruikt worden voor informatie tot en met «Departementaal VERTROUWELIJK (Dep.V.)» gerubriceerd, anders niet.
Door ontwikkeling van de techniek kunnen systemen die aanvankelijk veilig werden bevonden, nieuwe kwetsbaarheden bevatten. Daarnaast worden er continu nieuwe aanvalstechnieken ontwikkeld. Door het mitigeren van de kwetsbaarheden en nemen van aanvullende maatregelen wordt een systeem weer veilig. Dit is een regulier, normaal proces waar alle IT aan onderhavig is. Het probleem in deze casus was ook niet zozeer dat er een kwetsbaarheid ontdekt was, maar dat deze niet per direct aan de Rijksoverheid gemeld werd, omdat Cisco geen verdachte activiteiten waargenomen heeft op de Rijksoverheid tenant. Hierover zijn gesprekken met Cisco gevoerd, naar aanleiding waarvan Cisco hun meldingsproces gaat herinrichten om een dergelijke kwestie in de toekomst te voorkomen. CIO Rijk is betrokken bij deze herinrichting.
Zijn bewindspersonen en ambtenaren in de praktijk voldoende geëquipeerd om videogesprekken op het juiste rubriceringsniveau te voeren? Hoe wordt hierop toegezien?
Cisco Webex is geschikt voor het voeren van videogesprekken tot en met het niveau Departementaal Vertrouwelijk. Dit is ook duidelijk uitgelegd in de handleiding van Webex voor rijksambtenaren. Voor mobiele telefoongesprekken tot en met het niveau Staatsgeheim Geheim is de Sectra Tiger/S telefoon goedgekeurd door de AIVD.
Kunt u illustreren wat voor soort gevoelige gesprekken wel via Cisco Webex gevoerd mogen worden, maar niet als «zeer vertrouwelijk» worden beschouwd of Stg-gerubriceerd zijn?
Een voorbeeld hiervan zouden personeels- en/of functioneringsgesprekken kunnen zijn.
Mogen er via Cisco Webex gesprekken gevoerd worden waarin militair gevoelige informatie besproken wordt?
Indien de informatie tot en met «Departementaal VERTROUWELIJK (Dep.V.)» gerubriceerd is wel, anders niet.
Informatie wordt als Dep.V. gerubriceerd indien kennisname door niet geautoriseerden schade kan toebrengen aan de belangen van één of meerdere ministeries. Informatie wordt als Staatsgeheim CONFIDENTIEEL/GEHEIM/ZEER GEHEIM gerubriceerd indien kennisname door niet geautoriseerden respectievelijk schade/ernstige schade/zeer ernstige schade kan toebrengen aan een van de vitale belangen van de staat of zijn bondgenoten.
Mogen er via Cisco Webex gesprekken gevoerd worden waarin internationaal gevoelige informatie besproken wordt, zoals diplomatieke terugkoppelingen?
Zie antwoord vraag 7.
Mogen er via Cisco Webex gesprekken gevoerd worden die, indien ze zouden uitlekken, de Nederlandse economische positie of economische veiligheid kunnen schaden, zoals aankomende investeringen, fusies en overnames of bedrijfsgevoelige informatie?
Zie antwoord vraag 7.
Mogen er via Cisco Webex gesprekken gevoerd worden die, indien ze zouden uitlekken, de nationale veiligheid, de veiligheid van individuen of de openbare orde zouden kunnen schaden?
Zie antwoord vraag 7.
Bestaat er een risico dat de vertrouwelijke identiteit van ambtenaren, waaronder medewerkers van de AIVD en MIVD, gelekt is via deze kwetsbaarheid?
Medewerkers van de Rijksoverheid maken gebruik van Webex. Bij het gebruik maken van een communicatiesysteem via het publieke internet hoort een bepaald beveiligingsniveau. Gekoppeld daaraan worden beslissingen genomen over vertrouwelijkheid.
Over de operationele werkwijzen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten worden in het openbaar geen uitspraken gedaan. In algemene zin houden de AIVD en MIVD altijd rekening met het beveiligingsniveau van een publieke communicatie-infrastructuur.
Wat zijn de in de SLA (service level agreement) opgenomen afspraken met Cisco inzake dergelijke kwetsbaarheden en de opvolging hiervan, waaronder communicatie en afgesproken termijn voor reparatie?
Er is geen SLA met Cisco afgesloten, maar met BIS. Hierin zijn geen afspraken opgenomen omtrent kwetsbaarheden en de opvolging daarvan. Naar aanleiding van het incident wordt op korte termijn overleg met Cisco ingepland om Cisco’s beleid en processen t.a.v. mogelijke toekomstig geconstateerde kwetsbaarheden/incidenten aan te passen.
Hoe beoordeelt het kabinet het «coordinated vulnerability disclosure»-beleid (voor het melden van onbekende kwetsbaarheden) van Cisco en de uitvoering daarvan in de praktijk?
Het betrof kwetsbaarheden in specifiek de Cloud-applicaties van Cisco Webex meetings, waardoor het doorvoeren van updates van kwetsbare software door afnemers niet mogelijk was. Deze software is namelijk in beheer in de Cloud-omgeving van Cisco. Cisco heeft ervoor gekozen om in dit geval een andere procedure dan de coordinated vulnerability disclosure (CVD) procedure te volgen en geen kenmerken toe te kennen aan de kwetsbaarheden.
Naar aanleiding van het incident wordt op korte termijn overleg met Cisco gevoerd om Cisco’s beleid en processen t.a.v. mogelijke toekomstig geconstateerde kwetsbaarheden/incidenten aan te passen.
Bent u het met ons eens dat het «coordinated vulnerability disclosure»-beleid van producenten en de uitvoering daarvan in de praktijk een belangrijke afweging zou moeten zijn bij inkopen en aanbestedingen door de overheid? Hoe en in welke mate wordt dit nu door departementen meegewogen?
Het beschikken over een CVD-beleid is een concrete maatregel. In de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-opdrachten (ARBIT) is in art. 19 opgenomen dat wederpartij zorg draagt voor een niveau van Informatiebeveiliging dat van een redelijk handelend en bekwame IT-leverancier mag worden verwacht. Tevens moeten eventuele inbreuken zo spoedig mogelijk gemeld worden.
In Nederland is het CVD-beleid van het NCSC breed gecommuniceerd. Op de website van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is veel informatie te vinden over Coordinated Vulnerability Disclosures (CVD). Dit betreft onder meer informatie over hoe personen een CVD-melding kunnen doen om technische kwetsbaarheden te melden bij het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Binnen de community van onderzoekers en ethische hackers is het CVD-beleid van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) over het algemeen goed bekend. In het buitenland zijn vergelijkbare standaarden van toepassing.
Bent u het met ons eens dat dit incident, in combinatie met eerdere incidenten gerelateerd aan deze fabrikant, de noodzaak benadrukt voor een hogere mate van Nederlandse digitale autonomie op het gebied van het voeren van vertrouwelijke videogesprekken? Is hier specifiek aandacht voor binnen de Nationale Cryptostrategie (NCS)?
Binnen de Nationale Cryptostrategie (NCS) worden de behoeftes van de Rijksoverheid voor informatiebeveiligingsproducten voor gerubriceerde informatie, met een focus op staatsgeheimen, besproken. Deze behoeftelijst is gerubriceerd en derhalve kunnen wij geen uitspraak doen over de inhoud hiervan.
Bent u bereid om een open source alternatief voor Webex te overwegen? Zo nee, waarom niet?
De selectie van een leverancier voor het rijksbreed videoconferencing platform heeft middels een openbare aanbesteding plaatsgevonden. Geen van de inschrijvende partijen had een open source oplossing aangeboden. Uiteraard houden wij ons graag op de hoogte van de ontwikkelingen in de markt, maar we zien dat wat betreft de schaalgrootte en de complexiteit van de organisatie van de Rijksoverheid er op dit moment geen gelijkwaardige alternatieven beschikbaar zijn.
Herkent de Minister het signaal dat gemeenten in de praktijk aanlopen tegen problemen die met de voorgestelde herziening nog niet volledig getackeld worden?
In gesprek met gemeenten komt het regelmatig voor dat signalen over knelpunten naar voren worden gebracht waar men in de praktijk tegenaan loopt. Dat kan bijvoorbeeld tijdens werkbezoeken het geval zijn of tijdens bijeenkomsten met alliantiepartners in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Ik sta daarbij altijd open voor suggesties en medewerkers van mijn ministerie hebben er continu aandacht voor. Het hoeft daarbij niet altijd te gaan om oplossingen door het aanpassen van wet- en regelgeving. Het kan ook gaan om het vergroten van bestuurlijke aandacht en agendering (bijvoorbeeld aan de hand van een monitor, zoals de Leefbaarometer), om kennisdeling over oplossingen binnen bestaande wettelijke kaders, het onderling uitwisselen van best practices of om een financiële bijdrage (bijvoorbeeld via de Regeling kansrijke wijk).
Wethouders, corporaties, politie en wijkpartners geven aan tegen problemen aan te lopen rond het delen van gegevens waardoor zij op dagbasis tegen belemmeringen aanlopen om het Nationaal programma Leefbaarheid en Veiligheid uit te voeren: herkent de Minister dit specifieke signaal?
Bij de gebiedsgerichte en integrale aanpak van het NPLV hoort samenwerking tussen verschillende organisaties uit verschillende domeinen. Informatiedeling is een belangrijke randvoorwaarde voor samenwerking. Problemen rond het delen van gegevens, waaronder onbekendheid en onduidelijkheid over bestaande mogelijkheden, komen mij bekend voor uit de focusgebieden van het NPLV.
Kan de Minister aangeven hoe hij deze partners kan ondersteunen bij het vinden van een AVG-proof werkwijze?
In het netwerk van de twintig focusgebieden van het NPLV worden veel best practices gedeeld. Dit gebeurt ook voor suggesties over AVG-proof werken.
Daarnaast ondersteunt het Instituut voor Publieke Waarden (IPW) NPLV-gebieden bij het ontwikkelen van (nieuwe) werkwijzen binnen de kaders van de AVG. In
Den Haag Zuidwest is, met hulp van IPW, bijvoorbeeld door het team Vroegsignalering schulden van de gemeente Den Haag samen met woningcorporaties een werkwijze voor een gezamenlijk huisbezoek ontwikkeld. Zo komt de gemeente sneller in contact met kwetsbare bewoners met (oplopende) schulden. Hiervoor is de bestaande werkwijze op twee punten aangepast: een werkwijze met zo min mogelijk onnodige gegevensuitwisseling en een beschrijving van het werkproces in juridisch logische taal voor de privacytoets.
Ook werken mijn collega-bewindspersonen en ik aan wetgeving om gegevensverwerking duidelijk en juridisch goed te regelen. Denk bijvoorbeeld aan de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Wgs) waar de Eerste
Kamer half juni jl. mee heeft ingestemd.
Ook werken we mee aan het wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams), dat 30 januari 2023 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Dit wetsvoorstel dient de knelpunten weg te nemen die gemeenten en andere organisaties in het sociaal domein ervaren als zij persoonsgegevens uitwisselen bij het aanpakken van meervoudige problematiek. Het wetsvoorstel regelt een wettelijk kader voor een gecoördineerde aanpak van meervoudige problematiek en ernstig meervoudige problematiek, de juridische grondslagen voor de hiervoor benodigde verwerking en uitwisseling van persoonsgegevens en de waarborgen tegen onnodige verspreiding of verzameling van persoonsgegevens.
Kan de Minister aangeven waarom hij wel of niet kan zorgen voor een model convenant waaronder wijkpartners, corporaties, gemeenten en overige bij de uitvoering van het Nationaal programma Leefbaarheid en Veiligheid betrokken partijen op juridisch verantwoorde wijze gegevens met elkaar kunnen delen?
Het opstellen van een model-convenant is niet voldoende om bij de uitvoering van het NPLV op juridische verantwoorde wijze persoonsgegevens te delen.
Op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dient elke verwerking van persoonsgegevens rechtmatig te zijn. De verwerking is rechtmatig als deze gebaseerd is op een grondslag uit de AVG. Verder mag de verwerking ook niet in strijd zijn met andere wetgeving, zoals een wettelijke geheimhoudingsplicht. De AVG eist van zowel verwerkingsverantwoordelijken (zij bepalen de doeleinden waarvoor en de middelen waarmee persoonsgegevens worden verwerkt), als van verwerkers dat er een verwerkersovereenkomst is. In een dergelijke verwerkersovereenkomst dient aan te worden getoond dat er voldoende waarborgen bestaan dat de verwerker de persoonsgegevens volgens de regels van de AVG beschermt.
Bij de verwerking van persoonsgegevens bij de uitvoering van het NPLV dienen de betrokken partijen dus zelf na te gaan of zij verwerkingsverantwoordelijke of verwerker zijn, op grond van welke grondslag van de AVG persoonsgegevens worden verwerkt en óf en met wie zij een verwerkersovereenkomst dienen te sluiten. Daarbij mogen partijen slechts persoonsgegevens verwerken met een gerechtvaardigd doel. Dat doel dient specifiek te zijn en vooraf uitdrukkelijk omschreven. Wel heeft dit onderwerp onze aandacht en ondersteunen wij gebieden (en gebieden elkaar ook onderling) door het delen van best practices, door de inzet van IPW en door de ontwikkeling van wetgeving.
Steeds vaker komt het voor dat gemeenten succesvol ondermijning aanpakken door crimineel geld of met crimineel geld verkregen goederen af te pakken, maar gemeenten worstelen met de manier waarop zij dit geld terug kunnen inzetten in kwetsbare wijken: hoe kan de Minister in samenwerking met zijn ambtgenoten gemeenten hierin ondersteunen?
Maatschappelijk herbestemmen draait om het zichtbaar teruggeven van afgepakt crimineel vermogen aan de maatschappij. Het laat zien dat misdaad niet loont en dat afgepakt crimineel vermogen de maatschappij ten goede komt. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid coördineert een verkenning naar de mogelijkheden voor het maatschappelijk herbestemmen van (strafrechtelijk) afgepakt vermogen in
Nederland. Onderdeel van de verkenning is het opzetten van pilotprojecten om zicht te krijgen op de benodigde organisatie, wetgeving en passend beleid. De eerste pilot (in Schiedam) is inmiddels operationeel en heeft als doel kwetsbare jongeren uit de buurt naar werk of opleiding te begeleiden. Dit initiatief is (gedeeltelijk) gefinancierd uit de verkoopopbrengst van (strafrechtelijk) afgepakte panden uit dezelfde buurt. Ook in andere gemeenten worden nu voorbereidingen getroffen voor pilots met door het OM afgepakte goederen. Iedere opvolgende pilot is gebaat bij de eerdere ervaringen die zijn opgedaan. Hierbij organiseren gemeenten de lokale uitvoering en heeft de rijksoverheid een faciliterende rol waar dit nodig en passend is. Bij het opzetten van de pilots wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het NPLV.
Welke concrete acties is de Minister voornemens te ondernemen om afgepakt crimineel geld maatschappelijk in te zetten in kwetsbare wijken?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid coördineert een verkenning naar de mogelijkheden van het maatschappelijk herbestemmen van (strafrechtelijk) afgepakt crimineel vermogen in Nederland. In de halfjaarbrief georganiseerde, ondermijnende criminaliteit wordt inzicht gegeven in de voortgang van de verkenning.1
Vindt de Minister het ook treurig om te constateren dat wijken waar soms miljoenen euro’s aan extra middelen naartoe gaan om de wijk leefbaar en veilig te houden dan toch enorm worstelen met de problematiek van afval op straat naast ondergrondse containers, wat het beeld van de wijk negatief maakt?
Afval op straat naast ondergrondse containers doet het aanzien van een wijk zeker geen goed en doet afbreuk aan de leefbaarheid. Het leidt veelal tot ergernis van omwonenden en bezoekers, en trekt ongedierte aan. Uit ervaring binnen het NPLV blijkt dat ook voor gemeenten het voorkomen en bestrijden van verloedering door afval hoog op de agenda staat. De aanpak van de problematiek van afval op straat maakt echter geen onderdeel uit van het NPLV en valt niet onder de verantwoordelijkheid van het ministerie. Het is primair een zaak van gemeenten. Het NPLV richt zich onder meer op gemengde wijken, werk, aanpak van schulden en de instroom voorkomen van criminaliteit. Het is dus aan de gemeenten zelf in het kader van een integrale gebiedsaanpak om een afweging te maken waar de beschikbare middelen en capaciteit op wordt ingezet in kwetsbare gebieden waar de leefbaarheid en veiligheid onder druk staat.
Is de Minister ervan op de hoogte dat naast ondergrondse containers veelvuldig vuil wordt aangeboden omdat de container klemt, maar zeker niet vol is volgens de ingebouwde sensoren?
Het ministerie beschikt niet over landelijke gegevens met betrekking tot het naast ondergrondse containers veelvuldig vuil aanbieden omdat containers klemmen, terwijl ze niet vol zijn.
Hoe vaak komt het voor dat gemeenten met klemmende ondergrondse containers te maken hebben?
Het ministerie beschikt niet over landelijke gegevens over hoe vaak gemeenten te maken hebben met klemmende ondergrondse containers.
Wat vindt de Minister ervan als gemeenten overgaan tot het beboeten van het verkeerd aanbieden van vuilnis terwijl de ondergrondse container een technisch probleem kent?
Het is aan gemeenten om te beoordelen wat naar omstandigheden het juiste is om te doen en of er een technisch probleem is. Elk individueel geval vraagt een eigen afweging om wel of niet over te gaan tot beboeten.
Wat is volgens de Minister een passender oplossing voor klemmende ondergrondse containers?
Het is niet aan mij om voor gemeenten te bepalen hoe zij om moeten gaan met klemmende ondergrondse containers en welke oplossingen passend zijn.
Welke concrete actie kan en wil de Minister nemen om het geconstateerde probleem rondom klemmende ondergrondse containers op te lossen, aangezien dit vaak hoog in de top vijf van irritaties van buurtbewoners staat?
Omdat de door u naar voren gebrachte problematiek rondom klemmende ondergrondse containers primair een zaak is van gemeenten, zal het Ministerie van BZK uw vragen hierover onder de aandacht brengen bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
Kunt u deze vragen per vraag en spoedig beantwoorden?
De vragen zijn per vraag, en zo spoedig als mogelijk was, beantwoord.
Bent u ervan op de hoogte dat Mohammed Khatib van Samidoun op 10 juni 2024 komt spreken op de Radboud Universiteit?1
Ja.
Bent u bereid met uw Duitse collega’s in gesprek te gaan om te bezien wat er mogelijk is om Samidoun een halt toe te roepen vanwege het steun verlenen aan Hamas, het verspreiden van anti-Joodse propaganda, het bepleiten en uitlokken van geweld als middel om politieke belangen af te dwingen, het oproepen tot een wereldwijde studentenintifada en het verheerlijken van de terreur op 7 oktober 2023 jegens de staat Israël?2
Ja. In de beantwoording van de schriftelijke vragen over Samidoun van de leden Becker en Michon-Derkzen (beiden VVD)3 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid toegezegd zo snel mogelijk in gesprek te gaan met Duitsland over hoe zij omgaan met Samidoun en soortgelijke organisaties, hoe wij van elkaar kunnen leren en waarin we samen op kunnen trekken. Vanzelfsprekend wordt uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten.
Bent u het met de stelling eens dat het totaal onwenselijk is dat een dergelijke uitgesproken antisemitische organisatie in Nederland actief kan zijn en zelfs kan spreken op een Nederlandse universiteit?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat er in onze open samenleving geen ruimte en tolerantie is voor antisemitisme, noch extremistische uitingen, zoals haat zaaien, opruiing en aanzetten tot geweld. Deze uitingen zijn ondermijnend aan de democratische rechtsorde en kunnen een bedreiging vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid. Debat, dialoog en de vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed en hebben bij uitstek een plek op universiteiten en hogescholen. Het mag daarbij schuren, zoals dat past in een (academische) omgeving waar men elkaar kritisch bevraagt, maar het mag nooit leiden tot onveiligheid.
Bent u van mening dat het ontoelaatbaar is dat docenten van Nederlandse universiteiten actief uitnodigingen verspreiden en stellen «verheugd» te zijn dat een lid van het in Duitsland verboden Samidoun openlijk (joden)haat komt verspreiden op een Nederlandse universiteit?3
In de samenleving is geen plaats voor uitingen zoals (joden)haat, opruiing of aanzetten tot geweld. Het is van belang dat Nederlandse universiteiten zich bewust zijn van de context waarin de georganiseerde lezingen plaatsvinden en dat zij goed geïnformeerd zijn over de sprekers alsook de achtergrond van de sprekers die hiervoor worden uitgenodigd. In algemene zin is de uitnodigende partij verantwoordelijk voor wie zij uitnodigen. Docenten hebben een voorbeeldfunctie en verantwoordelijkheid voor een veilige leeromgeving en leveren vanuit die rol een bijdrage aan vreedzaam debat en dialoog. Het past bij hun professionele rol om studenten te leren dat er in het debat ruimte is voor een diversiteit aan benaderingen en hoe je respectvol discussies kan voeren op basis van argumenten. Medewerkers van instellingen hebben ook het recht om te demonstreren, mits dit vreedzaam gebeurt. Tenslotte moeten studenten zich later in hun colleges ook veilig kunnen voelen.
Als het gaat om onprofessioneel of ongewenst gedrag van medewerkers bieden het personeelsbeleid en het arbeidsrecht een reeks mogelijkheden om op te treden. Afhankelijk van de ernst van het gedrag kan het gaan om een stevig gesprek, een berisping of zelfs ontslag. Bij strafbare feiten staat ook de weg van aangifte open.
Bent u bereid om Mohammed Khatib de toegang tot Nederland te ontzeggen op grond van de mogelijkheden die de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding biedt teneinde de nationale veiligheid te waarborgen? Kunt u hierbij de overwegingen van de Belgische Staatssecretaris meenemen in haar besluit om Khatib te bestempelen als «een extremistische haatprediker»?
Als iemand in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning hiervan kan de Minister van Justitie en Veiligheid op basis van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, vrijheidsbeperkende maatregelen opleggen, zoals een gebiedsverbod. Het is voor de mogelijkheid van toepassing van de wet van belang dat uit actuele informatie over gedragingen blijkt dat aan de norm van de wet wordt voldaan. Zoals u begrijpt kan ik niet ingaan op individuele casuïstiek. Deze wet biedt geen mogelijkheden om personen de toegang tot Nederland te ontzeggen.
Bent u bereid om in overleg met de Radboud Universiteit de bijeenkomst van Samidoun te beletten en in overleg met het Openbaar Ministerie te verkennen wat er nodig is om Samidoun in Nederland te verbieden? Wilt u hierbij ook ingaan op de aangenomen motie van Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 476, nr. 6) over zich er in Europees verband voor inspannen dat organisaties zoals Samidoun op de Europese lijst van terroristische organisaties worden geplaatst?
Het is niet aan het kabinet om een bijeenkomst te beletten. Bijeenkomsten op instellingen moeten plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de academische standaarden en de huisregels en gedragscodes van de instelling. Het is aan de instelling om vooraf duidelijk aan te geven aan welke voorwaarden bijeenkomsten moeten voldoen en om ervoor te zorgen dat de naleving hiervan wordt gewaarborgd. Ik ga er vanuit dat de instelling dit doet en waar nodig daartoe in overleg treedt met de lokale driehoek om de veiligheid te waarborgen. Hierop ingrijpen zou een vergaande inbreuk zijn op de academische vrijheid.
De aangekondigde bijeenkomst voor 10 juni heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. Door de organisatoren is besloten de bijeenkomst niet, zoals wel was toegestaan en ook oorspronkelijk het plan van de organisatoren was, buiten te laten plaatsvinden. De Radboud Universiteit heeft laten weten dat een eventueel nieuw verzoek voor een lezing of bijeenkomst door hen steeds wordt beoordeeld aan de hand van criteria die gelden voor het gebruik van ruimten binnen de universiteitsgebouwen van de universiteit. Zo mogen de activiteiten onder meer niet concurrerend of verstorend zijn voor het onderwijs of onderzoek, mogen deze niet botsen met uitgangspunten van inclusiviteit en wederzijds respect, moet er ruimte zijn voor verschillende perspectieven, mogen ze niet tot (psychologisch) onveilige situaties leiden, en zijn bijeenkomsten die oproepen tot wetsovertreding, geweld, discriminatie of die in strijd zijn met geldende wet- en regelgeving niet toegestaan. Universitaire gebouwen en de campus moeten voor alle studenten en medewerkers een veilige plaats zijn, zoals ook gesteld in de Gedragscode van de Radboud Universiteit5 en bevestigd in het recente sociale veiligheidsplan Prevent-Care-Cure6. Bij demonstraties wordt de veiligheid bij demonstraties geborgd door middel van het aanspreken van de organisatie op ordentelijk verloop en is er zo nodig extra beveiliging vanuit de Radboud Universiteit.
Het is aan het Openbaar Ministerie om te bezien of er redenen zijn waarom een organisatie verboden moet worden, niet aan het kabinet. Het Openbaar Ministerie kan de rechter verzoeken een organisatie te verbieden en ontbinden op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (of 10:122 Burgerlijk Wetboek voor internationale organisaties). Tevens houdt de Europese Unie (sanctie)lijsten bij van personen en organisaties die betrokken zijn bij terroristische activiteiten. Organisaties op de Europese sanctielijst zijn in Nederland van rechtswege verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). In Nederland kan de Minister van Buitenlandse Zaken, in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Financiën, besluiten om een persoon of organisatie voor te dragen voor de Europese lijst van terroristische organisaties. Hierbij wil ik benadrukken dat hiertoe gedegen aanleiding moet zijn alvorens wordt besloten om tot een dergelijk besluit over te gaan. In Nederland kan een voordracht voor de nationale sanctielijst terrorisme worden gedaan op basis van een ambtsbericht van de AIVD of een proces-verbaal van het Openbaar Ministerie. Daarnaast is er noodzaak tot een link met de nationale rechtsorde; er moet worden aangetoond dat er aanwijzingen bestaan dat een organisatie of persoon in of vanuit Nederland (een poging tot) terroristische activiteiten ontplooit of betrokken is bij het faciliteren daarvan middels financiële of handelstransacties via Nederlands grondgebied of personen of rechtspersonen. Op basis van bovenstaande criteria is Samidoun (tot op heden) niet voorgedragen voor deze sanctielijst. De motie Diederik van Dijk (SGP)7 verzoekt de regering zich in te spannen om organisaties als Samidoun op de Europese lijst van terroristische organisaties te plaatsen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zoekt uit wat de eventuele mogelijkheden hiervoor zijn en zal de Kamer hierover informeren.
Kunt u deze vragen vóór 10 juni 2024 beantwoorden?
Het is niet gelukt de beantwoording voor 10 juni naar de Kamer te verzenden.
Het bericht ‘Als de politie alle Amsterdamse taxi’s aan de kant zet, dan heb je de grootste drugsvangst ooit’ |
|
Harmen Krul (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Mark Harbers (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Als de politie alle Amsterdamse taxi’s aan de kant zet, dan heb je de grootste drugsvangst ooit»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Amsterdamse politie nauwelijks zicht heeft op wat voor criminele praktijken er soms in de taxiwereld plaatsvinden?
De stelling dat de Amsterdamse politie nauwelijks zicht heeft op criminele praktijken in de taxiwereld is onjuist. De politie is bekend met de signalen over betrokkenheid van (Amsterdamse) taxichauffeurs bij de activiteiten van georganiseerde drugscriminaliteit. Om meer zicht te krijgen op de criminele activiteiten worden er, naast diverse controles (zie antwoord op vraag 5), in Amsterdam diverse rechercheonderzoeken uitgevoerd naar malafide taxibedrijven waarbij vervoer en/of een andere faciliterende rol bij de handel in verdovende middelen een rol speelt. In het verlengde van de aanpak door de politie heeft de gemeente Amsterdam afspraken gemaakt over de kwaliteit van taxivervoer middels Toegelaten Taxi Ondernemingen. Door de samenwerking, kwaliteitseisen en toezicht is de criminaliteit binnen deze ondernemingen sterk verminderd.
Deelt u de mening dat het op zijn minst zorgwekkend is dat taxi’s kunnen dienen als dekmantel voor misdaad, en dat dit ook een aantasting is op de veiligheid van de passagiers en andere betrokkenen?
Georganiseerde criminaliteit komt op veel plekken in onze samenleving voor, zo ook in de taxibranche. Het is niet nieuw dat criminele netwerken voortdurend naar manier blijven zoeken om hun activiteiten voort te blijven zetten. Dat is zeer zorgwekkend en vormt, in het algemeen, inderdaad een dreiging voor de veiligheid van burgers.
Wat is volgens u de reden dat de taxiwereld nu gevaarlijker en crimineler is dan 25 jaar geleden?
Bureau Beke deed in 2021 een onderzoek naar criminaliteit in de taxibranche op verzoek van Regionale Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) Amsterdam Amstelland. Uit dit onderzoek bleek dat de taxibranche een kwetsbare branche is die vatbaar is voor criminaliteit en interessant is voor criminelen. Het is belangrijk om daarbij te vermelden dat het (on)bewuste aandeel van taxichauffeurs betrokken bij georganiseerde drugscriminaliteit destijds hoogstwaarschijnlijk relatief klein was. Hoe deze cijfers zich echter concreet verhouden tot de situatie van 25 jaar geleden, is lastig in te schatten. Daarom kunnen er geen gegronde uitspraken worden gedaan over of de taxiwereld crimineler zou zijn dan 25 jaar geleden.
Hoe vaak worden taxi-auto’s door de politie gecontroleerd op verboden middelen en verboden (drugs)handel?
Dagelijks worden door Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte, een afdeling van de gemeente Amsterdam, en de politie gerichte en aselectieve controles uitgevoerd bij taxi’s. Maandelijks voert de politie samen met de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de gemeente Amsterdam een integrale controle uit op het taxivervoer. Minimaal vier keer per jaar worden er grootschalige controles uitgevoerd met als thema «Drugs uit taxi» waarbij zowel op vervoer als op gebruik door de taxichauffeur wordt gecontroleerd en eenmaal per kwartaal wordt een grootscheepse taxicontrole georganiseerd binnen de Eenheid Amsterdam.
Wat zijn precies de eisen om aan een taxivergunning te kunnen komen en hoeveel mensen komen hier jaarlijks voor in aanmerking? Wordt hierbij ook gekeken naar een eventueel strafblad?
Om als taxichauffeur te mogen werken, is een chauffeurskaart nodig. De eisen hiervoor zijn:
Taxichauffeurs mogen enkel werken in een als taxi goedgekeurd en geregistreerd voertuig met een boordcomputer en een blauw kenteken. Om als taxichauffeur te mogen werken, moet degene tevens aangesloten zijn bij een taxiondernemer met een ondernemersvergunning.
Bij het aanvragen van een VOG wordt onder andere gekeken naar een eventueel strafblad. Het afgelopen jaar kwamen rond de 3.500 personen in aanmerking voor een chauffeurskaart. In totaal zijn er op dit moment ruim 58 duizend personen met een chauffeurskaart.
Voor taxichauffeurs geldt dat zij doorlopend gescreend worden door Dienst Justis. Dit houdt in dat elke verandering in de justitiële documentatie van chauffeurs wordt doorgegeven aan Dienst Justis. Indien blijkt dat een chauffeur een overtreding heeft begaan die leidt tot het oordeel dat hij of zij niet langer in aanmerking komt voor een VOG, dan geeft Dienst Justis dit door aan de ILT. De ILT verzoekt de chauffeur dan een nieuwe VOG aan te leveren. Als een chauffeur dat niet doet, wordt de chauffeurskaart ingetrokken. De ILT kan chauffeurs ook verzoeken een nieuwe VOG aan te leveren naar aanleiding van een proces-verbaal door de politie.
Voor een ondernemersvergunning taxi gelden de volgende eisen:
Iedere vijf jaar wordt gecontroleerd of een taxiondernemer nog aan de geldende eisen voldoet. Er zijn momenteel ruim 14 duizend taxiondernemingen.
Hoeveel taxichauffeurs verliezen er jaarlijks hun vergunning door illegale praktijken, zoals het fungeren als drugskoeriers of meewerken aan drugshandel?
In 2023 zijn er 182 chauffeurskaarten ingetrokken. Dit is voor feiten als rijden onder invloed (alcohol of drugs), ernstige snelheidsovertredingen, het veroorzaken van een (dodelijk) ongeval of handel in drugs.
Welke maatregelen gaat u nemen om misstanden in de taxibranche als het gaat om criminaliteit zo snel en effectief mogelijk in de kiem te smoren?
In 2022 heeft mijn voorganger in de beantwoording van Kamervragen die Kamerlid Kathmann (GroenLinks-PvdA) had gesteld, mede namens de toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat benadrukt dat wordt ingezet op het voorkomen van de georganiseerde drugscriminaliteit in deze branche en welke maatregelen verder getroffen worden om de weerbaarheid van deze sector te vergroten.2
In overleg met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Regionale Informatie en Expertise Centrum Amsterdam-Amstelland zijn en worden gesprekken gevoerd over de mogelijkheden voor maatregelen toegespitst op de Amsterdamse problematiek.
Daarnaast zal ik met betrokken partners bezien in hoeverre deze branche mee kan als één van de geprioriteerde branches in een aanstaand project van Platform Veilig Ondernemen-Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland aangaande het weerbaar maken van branches. Dat project wordt momenteel nog opgezet en een selectie van branches moet nog worden gemaakt. Medewerking vanuit de branche, in dit geval de taxibranche, is daarvoor een vereiste. Dat moet nog worden verkend.
Bent u bereid om te onderzoeken of naast Amsterdam ook op andere plekken sprake is van criminaliteit in de taxisector?
De problematiek per regio heeft onze continue aandacht. Hierbij worden de behorende maatregelen getroffen. Daarom is er op dit moment geen aanleiding om een breed onderzoek te starten in andere steden.
Welke maatregelen heeft u genomen sinds het opzienbarende onderzoek «Taxi! Malafide activiteiten en (ondermijnende) criminaliteit in de Amsterdamse taxibranche» uit 2021?
Zie antwoord op vraag 8.
Kunt u reflecteren op de vraag hoe de genoemde criminaliteit samenhangt met de invoering en het functioneren met de Wet personenvervoer 2000?
Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de in het artikel genoemde criminaliteit samenhangt met de inwerkingtreding of het functioneren van de taxiwet- en regelgeving in de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000).
Met de inwerkingtreding van de Wp2000 is de taximarkt geliberaliseerd. Concreet betekent dit dat het decentrale capaciteitsbeleid is afgeschaft, wat inhoudt dat het aantal taxivergunningen per vervoersgebied niet langer is beperkt. De tweede verandering is dat ondernemers met de inwerkingtreding de mogelijkheid hebben gekregen om hun tarieven naar eigen inzicht vast te stellen. Op de opstapmarkt moeten deze wel onder het landelijk vastgesteld maximum blijven. Met de inwerkingtreding van de Wp2000 zijn dus het capaciteits- en tarievenbeleid gedereguleerd; de eisen om als taxichauffeur te mogen werken zijn met de inwerkingtreding van de Wp2000 niet versoepeld.
Het functioneren van de taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 is afgelopen jaar geëvalueerd, over de uitkomsten is uw Kamer 11 maart jl. geïnformeerd.3 In de evaluatie wordt geconcludeerd dat de taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 over het algemeen naar behoren werkt en dat het taxivervoer in Nederland over het algemeen veilig, betrouwbaar, beschikbaar, en betaalbaar is. Wel constateren de onderzoekers dat de effectiviteit van de reguleringsopties die gemeenten binnen de Wp2000 hebben door het toenemende gebruik van de platforms daalt en zijn er knelpunten in de handhaving (zie antwoord 12).
Zou u willen inventariseren welke wijzigingen van de Wet personenvervoer 2000 er mogelijk zijn om de in het nieuwsartikel genoemde ontwikkelingen tegen te gaan?
De Wp2000 is bedoeld om de kwaliteit van het taxivervoer in Nederland te borgen. Het tegengaan van criminaliteit in de sector vraagt dan ook een andere aanpak dan het wijzigen van de Wp2000 (zie het antwoord op vraag 8).
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat verkent daarnaast de aankomende tijd aan de hand van het evaluatierapport verschillende beleidsopties om de kwaliteit van het taxivervoer verder te verbeteren, eventueel via een wijziging van de Wp2000. Hierbij worden naast het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ook de Ministeries van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betrokken. Samen met de ILT en andere handhavingspartijen wordt verkend hoe de handhaving verbeterd kan worden.
Het bericht dat een Iraniër in Duitsland veroordeeld is voor brandstichting in opdracht van de Iraanse staat. |
|
Don Ceder (CU), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Oberlandesgericht in Düsseldorf waarin een Duitse Iraniër is veroordeeld wegens poging tot brandstichting op een synagoge in opdracht van de Iraanse staat?1
Ja.
Klopt het bericht in de Duitse media2 dat deze uitspraak volgens de juridische dienst van de Europese Raad de basis zou kunnen vormen voor de beslissing de Iraanse Revolutionaire Garde op de Europese Unie (EU)-terrorismelijst te plaatsen?
Het advies van de Juridische Dienst van de Raad van de Europese Unie is vertrouwelijk. Daar kan ik niet in het openbaar over communiceren.
Bent u het eens met de conclusie dat deze uitspraak van een Duitse rechter kan dienen als basis voor een beslissing de Iraanse Revolutionaire Garde op de terreurlijst te plaatsen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u de verhoudingen in de Raad schetsen ten aanzien van een besluit de Iraanse Republikeinse Garde op de terreurlijst te zetten?
Inmiddels hebben, naast Nederland, meerdere landen aangegeven er voorstander van te zijn van dat de Iraanse Revolutionaire Garde op de EU-terrorismelijst wordt gezet. Er is op dit moment echter geen consensus binnen de Raad.
Bent u van plan de uitspraak van deze Duitse rechter als argument aan te voeren bij uw blijvende pogingen de Iraanse Revolutionaire Garde op deze lijst te krijgen conform de motie Ceder c.s.?3
Ik ben sterk voorstander van de plaatsing van de Iraanse Revolutionaire Garde op de EU-terrorismelijst. Bij de inspanningen om de Revolutionaire Garde op de EU-terrorismelijst te plaatsen benut Nederland alle mogelijkheden die zich aandienen. Daarbij trekt Nederland nauw op met Duitsland en andere gelijkgestemde lidstaten.
De geweldsexplosie in detentiecentrum Rotterdam |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie in De Telegraaf over een zeer gewelddadige opstand door uitgeprocedeerde vreemdelingen in het Detentiecentrum Rotterdam (DCR) op donderdag 23 mei 2024?1
Ja.
Was u al eerder, dus voor de publicatie in De Telegraaf, op de hoogte van genoemde opstand/geweldsexplosie in het DCR? Zo ja, sinds wanneer?
Op 23 mei 2024 ben ik hierover geïnformeerd.
Wat is de reden dat u de Kamer daarover niet actief heeft geïnformeerd?
DJI communiceert maandelijks over incidenten door een voorvallenlijst op de website van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) te publiceren.2 Dit incident is opgenomen in de voorvallenlijst van mei 2024. Deze lijst is gepubliceerd op 17 juni jl. Of de Tweede Kamer daarnaast nog actief over een incident wordt geïnformeerd is een afweging die per incident gemaakt wordt.
Is het juist dat er bij die opstand zestig vreemdelingen waren betrokken? Zo nee, om welk aantal gaat het dan?
Er waren circa 60 vreemdelingen aanwezig op de afdeling. Er zijn 17 vreemdelingen geïdentificeerd die op verschillende manieren betrokken waren bij het incident, één daarvan heeft fysiek geweld toegepast. Daar is aangifte tegen gedaan. De betrokkenheid van de andere 16 vreemdelingen bestond onder andere uit het belemmeren van het bieden van hulp door DJI-personeel, het niet opvolgen van opdrachten van het DJI-personeel, het belemmeren van de toegang tot de sluis, het fysiek weerstand bieden bij het herstellen van de orde en/of het vertonen van opruiend gedrag.
Bent u bekend met het feit dat in ieder geval zeven personeelsleden van het DCR tijdens die opstand gewond zijn geraakt? Zo nee, waarom niet?
Er zijn zeven personeelsleden van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) gewond geraakt. Vanwege privacyoverwegingen ga ik hier niet verder op in.
Wel merk ik op dat ik zeer geschrokken ben van dit incident. Geweld tegen personeel is onaanvaardbaar en onacceptabel. Geweld tegen medewerkers moet en wordt dan ook altijd hard aangepakt. Er wordt altijd aangifte gedaan in het kader van Veilig Publieke taak, daarbij wordt een justitiabele ook op basis van de Penitentiaire Beginselenwet disciplinair bestraft met (maximaal veertien dagen) plaatsing op een strafcel, overplaatsing en/of een andere maatregel.
Daarnaast worden dit soort incidenten altijd onderzocht door DJI zodat hiervan kan worden geleerd.
Kunt u aangeven of er nog meer medewerkers gewond zijn geraakt?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat de verwondingen van genoemde medewerkers van het DCR onder andere bestaan uit bijtwonden in handen/vingers en of armen en het prikken met vingers in de ogen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat één van de medewerkers van het DCR tijdens de opstand een kopstoot heeft gekregen? Zo nee, waarom niet?
Zoals onder de beantwoording van vragen 5, 6 en 7 aangegeven ga ik vanuit privacyoverwegingen niet nader in op de verwondingen van betrokken medewerkers. Voor de betrokken medewerkers is nazorg ingeschakeld, waar zij te allen tijde een beroep op kunnen doen.
Kunt u exact aangeven welke verwondingen de medewerkers van het DCR hebben opgelopen en of zij daardoor tijdelijk, langdurig of permanent uit de roulatie zijn?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u aangeven hoeveel medewerkers van het DCR bij aanvang van de opstand aanwezig waren en of er tijdens de opstand nog is opgeschaald naar meer personeel? Voor wat betreft dat laatste: hoeveel personeel is nog voor assistentie opgeroepen?
Op het moment van het incident waren er in totaal zes personeelsleden aanwezig op de woonafdeling en de aansluitende gang naar de luchtplaats. Er werd voldaan aan de geldende ratio tussen personeelsleden en uitgesloten vreemdelingen. Negen seconden na aanvang van het incident heeft een medewerker op de alarmknop geduwd. Hierop zijn in totaal 11 medewerkers conform de geldende werkinstructies vanuit de andere afdelingen komen assisteren. De eersten daarvan waren binnen enkele seconden aanwezig.
Kunt u aangeven of door dan wel namens de medewerkers aangifte van (zware) mishandeling dan wel poging tot verwurging (poging tot doodslag) is gedaan? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat dat uitgesplitst per delict, en kunt u ook aangeven of het Openbaar Ministerie (OM) tot vervolging zal overgaan? Indien u daarmee niet bekend bent, kunt u dan toezeggen dat u de Kamer daarover nader zal informeren?
Geweld tegen medewerkers wordt altijd hard aangepakt: er wordt aangifte gedaan in het kader van Veilig Publieke taak en een gedetineerde wordt disciplinair bestraft met (maximaal veertien dagen) strafcel, overplaatsing en/of een andere maatregel. Zo is er ook in deze zaak één aangifte gedaan tegen de vreemdeling die verantwoordelijk was voor de toegebrachte verwondingen (zie ook het antwoord op vraag 4). De andere vreemdelingen hebben geen geweld toegepast. Het is vervolgens aan het OM te besluiten of er wordt overgegaan tot vervolging.
I.v.m. de veiligheid van het personeel, is het dan niet gewenster dat het OM het voortouw neemt en ambtshalve gaat vervolgen, zodat het slachtoffer niet naar buiten hoeft te treden?
Voor werknemers met een publieke taak die slachtoffer zijn van geweld is het mogelijk om aangifte te doen onder nummer (in plaats van naam en/of adresgegevens). Tevens kan de werkgever aangifte doen, namens de medewerker.
Kunt u aangeven of er meerdere vreemdelingen op cel zitten?
Voor vreemdelingen die verblijven in vreemdelingenbewaring geldt een ander type regime dan voor personen die op een strafrechtelijke titel verblijven. In DCR verblijven vreemdelingen die zijn geplaatst in vreemdelingenbewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Een vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden geplaatst indien er bijvoorbeeld het risico bestaat van onttrekking en er daarnaast zicht op uitzetting is. Vreemdelingenbewaring is het laatste middel om het vertrek te realiseren (ultimum remedium) en kan maximaal zes maanden duren (met een verlening tot maximaal 18 maanden). In DCR draagt DJI ervoor zorg dat de vreemdelingen zo goed mogelijk worden ondersteund bij de voorbereiding van terugkeer en hen beschikbaar te houden voor vertrek uit Nederland.
Alle vreemdelingen binnen DCR worden samen geplaatst op een tweepersoons cel tenzij er sprake is van ongeschiktheid zoals vermeld in art. 11a van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (RSPOG). Vreemdelingen in de reguliere detentiecentra kunnen in beginsel tussen 08.00 uur en 22:00 uur uit hun kamer.3 In de uren waarop de celdeuren openstaan, kan een vreemdeling zich vrij binnen de afdeling bewegen en deelnemen aan een activiteitenprogramma. Het wekelijkse programma bestaat uit onderdelen als schilderen, sport, bezoek en recreatie. Ook is er ruimte voor zelfstudie. In tegenstelling tot penitentiaire inrichtingen wordt er geen arbeid of scholing aangeboden, omdat een vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst en het verblijf derhalve in beginsel van korte duur is.
Kunt u aangeven hoeveel uur een vreemdeling per 24 uur op cel zit?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven of de vreemdelingen op de dag nog «vermaakt» worden met enige vorm van dagbesteding, sport of anderszins?
Zie antwoord vraag 13.
Mochten de vreemdelingen in het DCR enige vorm van dagbesteding, sport of anderszins krijgen, bent u bereid deze activiteiten te staken tot het moment dat het strafrechtelijk onderzoek naar de mishandelingen en de poging tot verwurging is afgerond en de verdachten zijn veroordeeld dan wel het land zijn uitgezet?
Er waren 17 vreemdelingen rechtstreeks betrokken bij het incident, zij zijn op basis van de Penitentiaire Beginselenwet disciplinair bestraft met (maximaal veertien dagen) plaatsing op een strafcel, overplaatsing en/of een andere maatregel. Er is één aangifte gedaan in het kader van Veilig Publieke taak tegen de vreemdeling die verantwoordelijk was voor de toegebrachte verwondingen.
Ik zie geen aanleiding om het dagprogramma op de afdeling te beperken.
De vreemdelingen die betrokken waren bij de opstand c.q. geweldsexplosie: a. welke nationaliteit hebben die? b. Hoelang zaten die al te wachten op uitzetting? c. Wat is de reden dat die vreemdelingen nog niet waren uitgezet en wanneer gaat dat alsnog plaatsvinden?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek.
Extreemrechtse memes |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Grappig, maar gevaarlijk: NCTV wil maatschappij wapenen tegen extreemrechtse «meme»»1?
Ja.
Deelt u de mening dat dit soort memes veel impact kunnen hebben op de samenleving en in het bijzonder op jongeren en hun gedachtenontwikkeling?
Memes zijn een belangrijk online communicatiemiddel voor extreemrechts2 en worden op diverse manieren en met verschillende functies ingezet. De stelselmatige verspreiding van extreemrechtse memes draagt bij aan de normalisering en sociale acceptatie van een onverdraagzaam gedachtegoed, leidt tot (online) groeps- en identiteitsvorming binnen een radicale subcultuur en biedt mogelijk inspiratie voor geweld of ander extremistisch handelen. Zo kan de normalisering van extremistisch gedachtegoed leiden tot racisme, uitsluiting en discriminatie van minderheden en andersdenkenden. Memes kunnen daarnaast bijdragen tot niet-gewelddadige extremistische acties als haatzaaien, angst verspreiden, doelbewust desinformatie verspreiden, demoniseren en intimideren, verwerpen van wet- en regelgeving, en pogingen om een parallelle samenleving tot stand te brengen waarbij het gezag van de Nederlandse overheid en het rechtssysteem worden afgewezen. Dit zijn ongewenste ontwikkelingen die de sociale cohesie aantasten en de democratische rechtsorde en daarmee ook de nationale veiligheid op termijn kunnen ondermijnen.
Via memes kan extremistisch gedachtegoed op een laagdrempelige manier verspreid worden richting jongeren. Zo bereiken aanhangers van extreemrechts vooral jongeren in het online domein, die in de eerste instantie niet ontvankelijk zijn voor ingewikkelde ideologische extremistische theorieën. Omdat memes de extreemrechtse boodschap – zoals antidemocratische, racistische en onverdraagzame uitingen – juist op een zogenaamd humoristische en subtiele manier verpakken, bestaat het risico dat jongeren op deze manier toch geïnteresseerd raken in het extreemrechtse gedachtegoed. Op deze manier kunnen jongeren van grotere sociale media platformen en gamefora gelokt worden naar alternatieve en besloten platformen, waar veel explicietere rechts-extremistische ideeën worden gedeeld, waaronder kwaadaardige complottheorieën, geweldsfantasieën, antisemitisme en boodschappen die aanzetten tot haat.
Hoe gaat u de samenleving en in het bijzonder jongeren weerbaarder maken tegen extreemrechtse memes waarvan de inhoud vergaande radicalisering en extremisme of zelfs terrorisme beoogt en verheerlijkt2?
Het kabinet is van mening dat er in onze democratische rechtsorde absoluut geen plaats is voor rechts-extremistische uitingen of opvattingen. Het is zorgelijk en kwalijk dat extreemrechts gedachtegoed onder andere via memes breed verspreid wordt en een aantrekkingskracht uitoefent op met name kwetsbare, jonge mannen, niet zelden minderjarig. Het kabinet is er alles aan gelegen om jongeren hiertegen te beschermen en weerbaar te maken, niet alleen vanwege de dreiging van extremistisch en/of terroristisch geweld maar ook voor de kansen en toekomst van deze jongeren. Dit vergt een aanpak van twee kanten; het vergroten van de (online) weerbaarheid van jongeren en, het tegengaan van de online verspreiding van deze extremistische en soms zelfs terroristische content. Het is binnen onze democratie een grondrecht om een open discussie te voeren, waarin mensen hun mening vrij kunnen uiten. Maar dat betekent niet dat er in onze democratische rechtsorde plaats is voor rechts-extremistische uitingen.
Het is allereerst belangrijk om bewustzijn te creëren voor online content die wellicht onschuldig lijkt, maar dat zeker niet is. Daarom is het van belang om de mediawijsheid en digitale weerbaarheid van met name jongeren te versterken. Het vergroten van digitale weerbaarheid gebeurt nu vooral via diverse cursussen en programma’s gericht op jongeren. Er wordt ingezet op het verhogen van mediawijsheid ten aanzien van online bronnen, het herkennen van extremistische boodschappen, en middels de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.4 Zo is er het lesprogramma «Under Pressure» dat zich richt op het vergroten van weerbaarheid tegen desinformatie en het vergroten van democratisch burgerschap onder jongeren om zo de voedingsbodem voor polarisatie en radicalisering te verminderen.5 De inzet op het vergroten van digitale weerbaarheid via (lokale) interventies en het ondersteunen van professionals en gemeenten wordt de komende jaren verder versterkt. Daarnaast wordt de adequate inzet van de versterkingsgelden die gemeenten kunnen aanvragen voor de aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme benut om meer bewustzijn te creëren over de online aspecten van extremisme en terrorisme. Zo maken diverse gemeenten reeds gebruik van online (weerbaarheids)cursussen en projecten die hiervoor aandacht vragen.
Ook het tegengaan van de online verspreiding van extremistische en terroristische content heeft prioriteit. In de beantwoording van de vragen 7, 8 en 9 ga ik hier verder op in.
Wat zijn de huidige mogelijkheden om te handhaven op extremistische memes of memes die oproepen tot geweld? Op welke vlakken schieten het strafrecht of mogelijkheden tot online contentbeheer tekort?
Het kabinet werkt aan een Versterkte Aanpak Online (VAO) inzake extremistische en terroristische content. De contourenbrief hierover is op 12 december 2023 naar uw Kamer is gestuurd.6 Eén van de prioriteiten binnen deze Versterkte Aanpak Online is het tegengaan van zogenoemde borderline («legal yet harmful») content waartoe memes vaak kunnen worden gerekend. De uitwerking van de Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content kunt u na de zomer 2024 verwachten.
Indien er wel sprake is van online terroristisch materiaal, kan de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) verwijderingsbevelen sturen op basis van de Verordening Terroristische Online Inhoud7 en de Uitvoeringswet Terroristische Online Inhoud.8 Aanbieders van hostingdiensten zijn verplicht om specifiek materiaal op aanwijzing van de ATKM binnen een uur te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Memes die niet in strijd zijn met de Verordening Terroristische Online Inhoud kunnen niet door de ATKM worden verwijderd (zie ook de beantwoording van vragen 7, 8 en 9).
Wanneer er sprake is van memes die strafbare feiten of strafbare uitlatingen bevatten, zoals bedreiging, is strafrechtelijke opsporing van de personen achter (anonieme) accounts mogelijk. Het is aan het Openbaar Ministerie om dit te beoordelen.
Zie ook het antwoord op vraag 7.
Is er voldoende kennis en capaciteit bij de politie om dit soort memes te herkennen? Zo nee, welke acties worden of kunnen worden ondernomen om die kennis bij de politie te doen toenemen? Is hier tijdens de opleiding aandacht voor? Zo nee, wordt dit in de toekomst wel opgenomen in het curriculum?
In de opleidingen bij de politie is er aandacht voor actuele ontwikkelingen op het gebied van extreemrechts, waaronder rechts-extremisme en rechtsterrorisme. In het kader van de aanpak contraterrorisme, extremisme en radicalisering heeft de politie samen met de NCTV een digitale symbolenbank ingericht. Deze symbolenbank is beschikbaar voor politieagenten en helpt bij het herkennen van rechts-extremistische verschijningsvormen, waaronder memes. Binnen de politie is er thans voldoende expertise aanwezig om dit soort memes te herkennen en om de organisatie hierover breed te kunnen adviseren.
Ziet u mogelijkheden om jongerenwerkers in te zetten om jongeren hier online op aan te spreken of voor te behoeden? Welke best practices bestaan al in het lokale veld?
Jongerenwerkers zijn onmisbare professionals om preventieve maatregelen ten aanzien van (online) extremisme uit te voeren. Zo werken diverse gemeenten reeds met online jongerenwerkers die via sociale mediaplatformen in contact staan met jongeren en hen zo ondersteunen. Bij zorgelijk online gedrag, zoals ondermijning, georganiseerde criminaliteit, radicalisering en extremisme, kunnen jongerenwerkers daarover in gesprek gaan met jongeren en zo nodig interveniëren. Het is van belang dat personen die een voorbeeldfunctie bekleden – zo ook jongerenwerkers – zich bewust zijn van dit soort memes en zich actief uitspreken tegen extremistische uitingen om de normalisering hiervan tegen te gaan.
Daarnaast worden er in samenwerking met gemeenten en professionals door het Rijk handelingsperspectieven opgesteld om hen te ondersteunen bij het versterken van digitale weerbaarheid in preventie van o.a. extremisme. Ook wordt er naar manieren gekeken om jongeren zelf te betrekken bij het versterken van de digitale weerbaarheid. Verder werkt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een overzicht van interventies gericht op preventie van radicalisering, waarbij specifiek aandacht wordt gegeven aan interventies in het online domein. Aanvullend, zoals benoemd in de beantwoording van vraag 3, ondersteunt de NCTV gemeenten via de versterkingsgelden om meer bewustzijn te creëren over de online aspecten van extremisme en terrorisme. Uiteraard zullen eventuele nieuwe online interventies getoetst worden aan alle relevante wettelijke en juridische kaders waaronder die met betrekking tot de privacy.
De komende jaren zal er bijzondere aandacht uitgaan naar het integreren van het online domein in de lokale aanpak van radicalisering en extremisme. Daarom blijven de Ministeries van Justitie en Veiligheid en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overleg met gemeenten en (jeugd)professionals, om het delen van best practices te stimuleren en faciliteren, de ervaren knelpunten verder te onderzoeken, effectieve methoden voor een lokale (preventieve) aanpak van online extremisme en terroristische activiteiten verder te ontwikkelen en waar mogelijk uit te breiden.
Hoe kijkt u aan tegen de rol van platforms in contentmoderatie van extremistische content, met name de berichten-applicaties (WhatsApp, Telegram, Signal), Alt-tech of alternatieve platformen (Gab, Parler, Bitchute, Minds, RocketChat) en rechts-extremistische en terroristische websites, fora en online netwerken?
Ik deel de zorgen ten aanzien van de verspreiding van extremistische online content op platforms en berichtendiensten. De mate waarin deze diensten content (kunnen) modereren verschilt aanzienlijk. Bij sommigen is (stevige) verbetering nodig. Dit geldt met name ten aanzien van alternatieve platformen zoals door het lid Mutluer genoemd, waar contentmoderatie in veel gevallen vrijwel geheel afwezig is. Hierdoor kan extremistische content veelvuldig voorkomen.
Daar waar sprake is van memes die terroristische online content bevatten, kan de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) op basis van de Verordening Terroristische Online Inhoud9 en de Uitvoeringswet Terroristische Online Inhoud10 hostingbedrijven en platformen verplichten deze content binnen één uur te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Ook heeft de ATKM de bevoegdheid om boetes te versturen naar aanbieders van hostingdiensten indien zij een verwijderingsbevel niet opvolgen. Deze boete kan oplopen tot 4% van de jaarlijkse omzet van de betreffende hosting provider.
De mate waarin sociale media bedrijven zich inspannen om de verspreiding van terroristische online inhoud te beperken is onderdeel van de dialoog met de internetsector, die ik in het kader van de eerdergenoemde Versterkte Aanpak Online ben gestart over deze thema’s. Tijdens deze gesprekken heb ik mijn zorgen over de verspreiding van extremistische online content geuit en de platforms aangesproken op hun rol in het veilig houden van hun online omgeving. De inzet blijft gericht op een structurele dialoog met de internetsector over specifiek deze onderwerpen.
Heeft u deze platforms aangesproken op hun rol? Zo ja, hoe verliepen deze gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit te doen? Welke rol hebben de providers hier volgens u in?
Zie antwoord vraag 7.
Welke rol ziet u voor de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) bij het aanspreken van platforms die dit soort memes toestaan en bij het laten verwijderen van dit soort content, mede in het licht van de Verordening terroristische online-inhoud?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe beziet u het spanningsveld tussen de vrijheid van meningsuiting enerzijds en het gevaar van extreemrechtse memes (met name de groep extremistische memes) anderzijds? Hoe wordt hierin onderscheid gemaakt tussen extremisme, terrorisme en activisme?
In de fenomeenanalyse van de NCTV wordt een meme gedefinieerd als een idee, uiting of mening gevat in tekst of in visueel materiaal zoals een foto, video of gif-bestand al dan niet voorzien van tekst of geluid, die online wordt gekopieerd en verspreid. Het gaat dus om (een onderdeel van) uitingen van personen, die in beginsel beschermd worden door de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting is een kernwaarde van de democratie. Zij kan slechts worden beperkt op grond van een wettelijke bepaling en wanneer die beperking een gerechtvaardigd doel dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Voorbeelden van dat soort beperkingen zijn er voor onder meer kinderpornografie, terroristische inhoud en haatzaaien, die allen strafbaar zijn gesteld.11 Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen uitingen in de fysieke wereld en online content: dat wat strafbaar en onrechtmatig is in de fysieke wereld is dat ook online. Om ontoelaatbare beperkingen van de vrijheid van meningsuiting te voorkomen is het beleid voor dit soort memes primair gericht op het verhogen van bewustwording, kennis en weerbaarheid.
In algemene zin geldt dat in een democratische rechtsorde personen te allen tijde binnen de grenzen van de wet hun grondrechten moeten kunnen uitoefenen. In de praktijk kan dit leiden tot een botsing van grondrechten, waarbij de uitoefening van een grondrecht door de ene persoon of groep leidt tot een botsing met een grondrecht van een andere persoon of groep. Grondrechten zijn echter niet absoluut. In de Grondwet en in verdragen zoals het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens is vastgelegd dat grondrechten onder voorwaarden kunnen worden beperkt voor een zwaarwegender doel in het kader van het algemeen belang. Vanuit het oogpunt van algemeen belang is er wetgeving met daarin beperkingen van het recht van vrijheid van meningsuiting, zoals het antidiscriminatieverbod of het verbod tot haatzaaien of opruiing. Daarnaast is soms voor deze botsing van grondrechten een contextuele rechtsstatelijke toets (door de rechter) nodig om te bepalen welke grondrecht in het specifieke geval voorrang heeft ten opzichte van andere grondrechten. Het is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of bepaalde uitingen al dan niet worden beschermd door het recht op de vrijheid van meningsuiting of andere grondrechten.
Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat extremisme niet in het verlengde van activisme ligt, maar wezenlijk iets anders is. Men dient ervoor te waken om een directe causale lijn te zien waarbij uitgegaan wordt dat maatschappelijke onrust en allerlei vormen van activisme uiteindelijk tot extremisme zouden kunnen leiden. De doelen die extremisten nastreven en/of de middelen zijn inherent antidemocratisch of ondemocratisch. Bij activisten is dit niet het geval. Om te bepalen of iets extremistisch is, worden deze gedragingen nooit geïsoleerd bezien, maar altijd binnen de context van een ideologisch motief en gepaard gaande met geweld of stelselmatige en doelbewuste gedragingen die de democratische rechtsorde ondermijnen. Voor een uitgebreidere toelichting op extremisme, het onderscheid met activisme en terrorisme, verwijs ik u naar de onlangs verschenen Nationale Extremismestrategie 2024–2029.12
Wat zijn naar aanleiding van de fenomeenanalyse van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de volgende stappen die u op dit onderwerp gaat nemen?
De conclusies uit de fenomeenanalyse zullen betrokken worden bij de verdere uitwerking van de Versterkte Aanpak Online en de uitvoering van de Nationale Extremismestrategie 2024–2029.13 Deze strategie schetst een overzicht en de kaders voor de beleidsinzet op extremisme, waaronder ook de inzet op weerbaarheid.
Bent u bereid te onderzoeken of een publiekscampagne over extreemrechtse memes eraan kan bijdragen dat burgers de beeldtaal en symboliek van memes beter leren herkennen, waarin nadrukkelijk wordt gepoogd om de groep jongeren te bereiken die door extreemrechtse memes geïnteresseerd raken in het gedachtegoed en daardoor mogelijk radicaliseren?
Een van de doelen van de publieke fenomeenanalyse naar het gebruik van memes door extreemrechts is het informeren van burgers over de gevaren omtrent extreemrechtse memes. Hierbij is het vooral zaak om bewustzijn te creëren dat sommige memes niet zo onschuldig zijn als ze lijken. Via het netwerk van de NCTV worden met de analyse professionals bereikt die met jongeren werken. Daarnaast neemt de NCTV in gesprekken met zijn communicatiepartners mee wat de toegevoegde waarde kan zijn van een jongerencampagne aanvullend op de bestaande communicatie inzet.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over terrorisme/extremisme op 20 juni a.s.?
Ja.