-
Vraag 1
Bent u bekend met het Woo-verzoek van NRC Handelsblad aangaande het besluit van toenmalig Minister Paul om het besluit van haar voorganger Van Hijum aangaande het afbouwen van de mogelijkheid om 25 procent van het minimumloon in te houden terug te draaien en de timing daarvan?
Ja.
-
Vraag 2
Klopt het dat het besluit van de Minister om deze maatregel terug te draaien reeds op 30 september bekend was, dat op 7 oktober een concept-Kamerbrief aan de Minister is voorgelegd, dat hier vervolgens twee weken overheen gingen en dat op 20 oktober vervolgens intern bekend werd dat een betrokken ambtenaar met de Minister had besloten om de brief pas na de verkiezingen te verzenden, dat daags erop door een andere ambtenaar eveneens werd aangegeven dat de Minister tot na de verkiezingen wilde wachten met communiceren over het niet afbouwen van de inhoudingsmogelijkheid per 1 januari 2026 en dat het communicatiebureau dat nieuwsberichten voor het ministerie verzorgt te horen kreeg dat er «nog even geen momentum is om hier iets over naar buiten te brengen», zoals uit de reconstructie van NRC aan de hand van het Woo-verzoek blijkt1? Zo nee, wat klopt er volgens u niet aan deze reconstructie en hoe is een en ander dan wél verlopen? Graag een concreet antwoord.
Ik zou graag een tijdlijn met u willen delen, die intern is gereconstrueerd:
Voorafgaand aan het voorleggen van de brief aan hun Minister, wil VRO deze eerst ook intern bespreken en afstemmen.
-
Vraag 3
Indien de gereconstrueerde gang van zaken klopt, erkent u dan dat deze niet in lijn is met de verklaring die de Minister tijdens het Kamerdebat op 27 november gaf voor de timing rond het informeren van de Kamer over haar besluit op 30 oktober -daags na de Tweede Kamerverkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het beeld is niet veranderd zoals de tijdlijn in het antwoord op vraag 2 ook laat zien.
-
Vraag 4
Hoe duidt in het licht van de uitkomsten van het Woo-verzoek dat Minister Paul tijdens dit debat in antwoord op vragen van het lid Ceulemans over deze timing aangaf: «We zijn terughoudend om met beleidsinhoudelijke brieven te komen, dus niet in een reces, niet in een verkiezingsreces. Tegelijkertijd is de praktische kant van de zaak dat de ambtelijke afstemming met VRO pas op 29 oktober afgerond was» en «De suggestie wordt gewekt dat ik gepland en bewust heb gedacht: zo, die drop ik de dag na de verkiezingen. Dat is helemaal niet aan de orde. Dat is oprecht niet aan de orde.2»Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit de Woo-verzoeken is gebleken, namelijk dat expliciet wordt aangegeven dat de Minister pas na de verkiezingen de Kamer wilde informeren en communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, hoe rijmt u dit?
Ja. In zowel de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden, als ook in het debat met uw Kamer op 27 november is voornoemde terughoudendheid gemeld. Daarbij is rekening gehouden met de staande parlementaire verhoudingen door terughoudend om te gaan met het sturen van beleidsbrieven tijdens een (verkiezings-)reces wanneer de Kamer deze niet in behandeling kan nemen.
-
Vraag 5
Hoe duidt u in het licht van de uitkomsten van het Woo-onderzoek tevens dat Minister Paul tijdens hetzelfde debat in antwoord op vragen van het lid Patijn (PRO) aangaf: «De suggestie wordt gewekt dat ik de timing heb laten afhangen van de campagne of het feit dat er verkiezingen aankwamen. Daar heeft het werkelijk helemaal niks mee te maken.» en «Nadat ik het besluit had genomen, zijn we aan de slag gegaan om die communicatie voor te bereiden. Ik werk samen met fantastische ambtenaren, maar als ik concepten voorgelegd krijg, vind ik er ook nog wat van. Dat gaat dan heen en weer. Vervolgens vond er ambtelijke afstemming plaats met het Ministerie van VRO. Uiteindelijk waren we er op 29 oktober ambtelijk uit. Toen is er een klap gegeven op die brief en is die uitgestuurd.» Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit het Woo-verzoek is gebleken, namelijk een expliciet besluit om pas na de verkiezingen de Kamer te informeren en over de maatregel te communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, hoe rijmt u dit?
Ja. Deze weging blijkt ook uit de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden en waarin melding wordt gemaakt van voornoemde terughoudendheid. Ook in het debat noemt de Minister dat ze terughoudend is met beleidsinhoudelijke brieven tijdens een verkiezingsreces.
De politieke afstemming vond plaats tot en met 29 oktober. Toen was de Minister van VRO akkoord. De ambtelijke afstemming met VRO was op 7 oktober afgerond.
-
Vraag 6
Vindt u alles afwegende dat uw voorganger de Kamer juist en volledig heeft geïnformeerd over de timing van haar besluit om de inhoudingsmogelijkheid terug te draaien? Zo ja, hoe kunt u dit volhouden?
Voor zover ik kan beoordelen is er geen sprake van een afweging op basis van politieke gronden om de brief pas na de verkiezingen te versturen. Zie voorts ook de eerdergenoemde brief van 20 november aan uw Kamer.
-
Vraag 7
Zo nee, deelt de u de indruk dat het er alle schijn van heeft dat de Kamer door de Minister bewust onjuist geïnformeerd is over de besluitvorming rond dit dossier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6.
-
Vraag 8
Was u bekend met de gang van zaken zoals blijkt uit het Woo-verzoek van NRC aangaande het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over het terugdraaien van de afbouw van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, heeft u overwogen om het beeld dat uw voorganger hierover tijdens het Kamerdebat van 27 november schetste richting de Kamer recht te zetten? Zo nee, waarom niet en zo ja, waarom is dit niet alsnog gebeurd?
Ik ben op 6 juli van dit jaar geïnformeerd dat er een Woo-verzoek lag en wanneer de Woo-stukken met de indieners gedeeld zouden worden.
-
Vraag 9
Kunt u aangeven of indien nodig nagaan welke gesprekken uw voorganger heeft gevoerd met welke betrokken partijen en belanghebbenden in aanloop naar haar besluit om het verbod op inhoudingen voor huisvesting terug te draaien? Kunt u de Kamer voorzien van alle beschikbare informatie hieromtrent?
In het Kamerdebat van 27 november 2025 is door mijn ambtsvoorganger aangegeven dat de standpunten van alle stakeholders duidelijk waren door de eerder uitgevoerde verkenning en ook nog eens bevestigd waren in de internetconsultatie. Er was dus geen nieuwe aanleiding om daarover met hen in gesprek te gaan.
-
Vraag 10
Deelt u de conclusie dat het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over een reeds genomen besluit sterk de suggestie wekt dat dit politiek beter uitkwam? Zo nee, waarom niet en welk andere motieven zijn dan volgens u aannemelijk?
Dit beeld herken ik niet, maar ik begrijp wel dat dit beeld is ontstaan. Hierover is in de Kamer ook het debat gevoerd. De stukken uit het Woo-verzoek bevestigen de uitgangspunten bij het besluit zoals die met uw Kamer zijn gedeeld in het debat en de brief die voorafgaand aan het debat naar de Kamer is verstuurd.
-
Vraag 11
Hoe is het besluit om de Kamer pas na de verkiezingen te informeren tot stand gekomen, welke personen en eventuele organisaties en andere partijen zijn hierbij -al dan niet in adviserende vorm- betrokken geweest?
In het antwoord op vraag 2 is een tijdlijn opgenomen die beschrijft hoe het besluit tot stand is gekomen.
-
Vraag 12
Bent u bereid het verbod op het inhouden van huur op het minimumloon, een maatregel die volgens de Arbeidsinspectie een prikkel vormt om buitenlands in plaats van Nederlands personeel aan te stellen, alsnog snel door te voeren en niet te wachten op het eventuele aannemen van de aangekondigde wet op de huurbescherming, aangezien het nog zeker een jaar zal duren voordat deze wordt ingevoerd? Zo nee, waarom niet?
In het Kamerdebat op 27 november 2025 zijn twee moties ingediend die verzoeken om de inhoudingsmogelijkheid op het minimumloon voor huisvestingskosten alsnog af te schaffen, zo mogelijk gelijktijdig met het wetsvoorstel van VRO over huurbescherming. Tijdens het Commissiedebat Arbeidsmigratie van 3 juni 2026 heb ik toegezegd uw Kamer over mijn standpunt te informeren. Uw Kamer ontvangt hierover zo snel mogelijk een brief van mij. Mijn inzet is om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting in het minimumloon in lijn met de door de Tweede Kamer aangenomen moties gelijktijdig met de invoering van de huurbeschermingswet af te schaffen.3 4