| Ingediend | 7 augustus 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 9 september 2026 (na 33 dagen) |
| Indiener | Laurens Dassen (Volt) |
| Beantwoord door | Eelco Heinen (VVD) |
| Onderwerpen | economie ondernemen openbare orde en veiligheid organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16771.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-3004.html |
Ja.
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. In dat verband zijn de maatregelen in de vennootschapsbelasting relevant die voortvloeien uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel, die met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden. Deze maatregelen bewerkstelligen namelijk dat bij belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden. Tot slot kan ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR niet ingaan op individuele fiscale dossiers, eventuele contacten tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst of de fiscale beoordeling van specifieke transacties.
De OESO heeft met de wereldwijde minimumbelasting een systeem ontwikkeld dat beoogt te waarborgen dat grote multinationale ondernemingen effectief ten minste 15% belasting betalen over hun winsten. De berekeningswijze van het «effectieve» belastingpercentage in het rapport waar het genoemde artikel naar verwijst, verschilt van de methodiek die wordt gebruikt in de OESO-modelregels voor de berekening van de wereldwijde minimumbelasting. In het rapport wordt uitgegaan van een wereldwijd «effectief» tarief, waarbij factoren zoals verrekenbare verliezen, aftrekposten en belastingkredieten niet of slechts gedeeltelijk worden meegenomen. Het geschetste beeld is daardoor niet volledig. De OESO-modelregels stellen het effectieve tarief per jurisdictie vast en houden wel rekening met deze factoren. Door met dergelijke factoren rekening te houden, is er minder neerwaartse druk op het effectieve tarief. Het in het rapport genoemde effectieve belastingpercentage laat zich daarom lastig vergelijken met de internationale OESO-norm.
Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen is aangegeven, is het kabinet van mening dat vrijheid van gedachten een recht is dat mensen toekomt, en dat bedrijven niet als zodanig politieke visies kunnen hebben. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.2
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is geworden tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Sinds 1 januari 2021 heeft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.3 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is de wereldwijde minimumbelasting. Hierbij is relevant dat alle EU-lidstaten de wereldwijde minimumbelasting verplicht zijn in te voeren op basis van de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing. Als gevolg hiervan wordt de wereldwijde minimumbelasting op een coherente en gecoördineerde wijze toegepast binnen de EU. In Nederland is de wereldwijde minimumbelasting in de Wet minimumbelasting 2024 geïmplementeerd.
Onder verwijzing naar het antwoord op vraag 3 kan op basis van de beschikbare informatie niet worden vastgesteld of het effectieve belastingtarief volgens de OESO-modelregels voor de wereldwijde minimumbelasting in de verschillende jurisdicties waar zich groepsentiteiten van Palantir bevinden, «extreem laag» zou zijn. Ik deel daarom de mening niet dat de wereldwijde minimumbelasting de concurrentiepositie van Europese multinationals zou belemmeren. Daarbij merk ik op dat de wereldwijde minimumbelasting weliswaar een ondergrens stelt aan belastingconcurrentie maar dat niet belemmert dat nationale wetgevers buiten die ondergrens gunstige fiscale regimes in de winstbelasting kunnen invoeren. Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd, heeft het Inclusive Framework (IF) als onderdeel van het Side-by-Side-akkoord van de wereldwijde minimumbelasting afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden geadresseerd om de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen te waarborgen. Een toekomstige evaluatie («stocktake»), die het IF in 2029 wil afronden, is hiervoor voorzien. Het kabinet blijft daarnaast in gesprek met het bedrijfsleven om tijdig signalen van mogelijke concurrentieverstoring op te vangen.
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 4 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat, mede als gevolg van de ingevoerde maatregelen, wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van een belastingplichtige.
In het artikel van Follow The Money wordt vermeld dat een onderzoeksrapport is verschenen, gericht op de belastingstructuur van Palantir. In dat rapport is aangegeven dat er geen financiële gegevens beschikbaar zijn van de Nederlandse activiteiten van genoemd bedrijf. Gelet op de geheimhoudingsverplichting van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik hier verder niet op ingaan, evenmin hoe de Belastingdienst in het specifieke geval toezicht houdt. In algemene zin geldt dat de Belastingdienst risicogericht toezicht houdt. Hierbij worden zowel interne als externe signalen meegenomen. De Belastingdienst hanteert voor het toezicht verschillende toezichtsinstrumenten, waaronder controles en boekenonderzoeken. Daarnaast werkt Nederland op Europees en internationaal niveau samen met andere landen om belastingontwijking tegen te gaan en een eerlijke belastingheffing te bevorderen. Daarbij wordt ook informatie van andere landen betrokken en besproken. Indien daartoe aanleiding bestaat, kunnen belastingautoriteiten tevens samenwerken via multilaterale belastingcontroles.
In het eerdergenoemde onderzoeksrapport wordt melding gemaakt van een controle van Palantir door Franse belastingautoriteiten. De achtergrond en uitkomsten van dit onderzoek blijken niet uit het rapport en zijn evenmin openbaar. Daardoor kan door de onderzoekers niet worden vastgesteld welke betekenis hieraan moet worden toegekend of wat de relevantie daarvan zou zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Gelet op de geheimhoudingsplicht van artikel 67 AWR kan ik bovendien niet ingaan op de fiscale positie van genoemd bedrijf in Nederland.
Gelet op de geheimhoudingsverplichting op grond van artikel 67 AWR kan ik niet ingaan op de fiscale positie van genoemd bedrijf. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Er is geen centraal overheidsbreed overzicht van dergelijke contracten. Departementen en decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering, waaronder ICT-beheer en dienstverlening. In antwoord op diverse Kamervragen van het lid Van Houwelingen (FvD), evenals van de leden Van Vroonhoven en Six Dijkstra (beiden NSC) en van de leden Jagtenberg en El Boujdaini (beiden D66) is aangegeven dat op dit moment binnen de Rijksoverheid de politie en Defensie gebruik maken van Palantir.
Ja.