| Ingediend | 4 augustus 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 31 augustus 2026 (na 27 dagen) |
| Indiener | Ranjith Clemminck (JA21) |
| Beantwoord door | Judith Tielen (VVD) |
| Onderwerpen | onderwijs en wetenschap organisatie en beleid recht staatsrecht |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16663.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2897.html |
Ja, daar ben ik mee bekend.
Ja, ik heb kennisgenomen van de in de uitzending getoonde lesmaterialen. Deze lesmaterialen zijn ook getoond in een uitzending van Nieuwsuur in september vorig jaar. De suggesties die in de lesmaterialen worden gedaan, keur ik volstrekt af. Deze suggesties kunnen ertoe leiden dat kinderen een afkeer krijgen van homoseksualiteit en homoseksuele personen. Dat zijn denkbeelden waar het onderwijs nooit aan mag bijdragen.
Om dat te voorkomen, geldt in Nederland de wettelijke burgerschapsopdracht die van scholen eist dat ze de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit, bevorderen en daarnaar handelen. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet erop toe dat scholen aan deze eisen voldoen.
Alle scholen in Nederland moeten zich houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. De inspectie houdt daar toezicht op. De inspectie houdt geen toezicht op afzonderlijke lesmaterialen, maar kijkt wel naar de manieren waarop lesmaterialen worden gebruikt. Als de inspectie lesmateriaal tegenkomt dat kan leiden tot homofobie of tot andere vormen van onverdraagzaamheid, zal de inspectie constateren dat bij het gebruik ervan strijdigheid met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat kan optreden. Een onderzoek op een school die zulk lesmateriaal gebruikt, wordt dan mede gericht op het precieze gebruik.
Ook breder controleert de inspectie hoe de school kennis en respect van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bevordert. Doen scholen dit onvoldoende, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en kan de inspectie een herstelopdracht geven.
De inspectie houdt geen toezicht op lesmateriaal zelf, maar houdt toezicht op het gebruik ervan.
Naar aanleiding van de publicatie van Nieuwsuur vorig jaar heeft de inspectie gesproken met besturen, schoolleiders, leraren en leerlingen van de betrokken scholen. In de gesprekken met besturen en schoolleiders is gesproken over de bevordering van basiswaarden binnen de religieuze context van de scholen. De inspectie heeft gesprekspartners bevraagd op hun gebruik van de leermiddelen die in de publicatie van Nieuwsuur aan bod kwamen. Onder leraren en leerlingen is vervolgens getoetst of wat besturen aangaven ook is wat in de praktijk wordt ervaren. Dat is conform de gangbare werkwijze van de inspectie.
De inspectie constateert op basis hiervan dat de betreffende scholen doordachte curricula hebben waarin zowel ruimte is voor het actief bevorderen van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat als voor de eigen levensbeschouwelijke identiteit van de school. Eén school vormt een uitzondering. Deze school heeft van de inspectie een herstelopdracht gekregen omdat het burgerschapsonderwijs op de school niet voldeed aan de wettelijke eisen. De school heeft na een hersteltermijn de geconstateerde tekortkomingen nog niet hersteld. De inspectie beraadt zich op maatregelen.
De inspectie houdt geen overzicht bij van alle lesmethoden die op scholen worden gebruikt, hiermee handelt zij conform de huidige wetgeving. De inspectie betrekt in haar toezicht de manier waarop lesmateriaal in de lessen wordt gebruikt om te beoordelen of de school handelt conform de wettelijke burgerschapsopdracht en de zorgplicht voor de veiligheid.
De inspectie houdt toezicht op het gebruik van lesmaterialen, afzonderlijk of samen, en hoe dat zich verhoudt tot bijvoorbeeld de schoolcultuur. Uit de wettelijke burgerschapsopdracht volgt dat een schoolcultuur in overeenstemming moet zijn met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit.
De inspectie heeft kennisgenomen van het lesmateriaal dat in de genoemde uitzending wordt getoond, maar houdt geen toezicht de specifieke herkomst van de methoden.
Dit is niet bekend. Voor de aanschaf van lesmaterialen ontvangen scholen centrale bekostiging in de vorm van een lumpsum, waarbinnen zij zelf bestedingsvrijheid hebben. De inspectie houdt geen toezicht op de aanschaf van lesmaterialen door scholen. Evenmin controleert de inspectie de financiële stromen van afzonderlijke uitgeverijen, ontwikkelaars of lesmaterialen. Indien signalen aanhouden over dergelijk lesmateriaal, bezie ik of nader toezicht op de herkomst van lesmateriaal van waarde kan zijn en wat daar wettelijk voor nodig is. brengen.
Scholen bepalen zelf hoe zij de inkoop van lesmateriaal organiseren. Dit kunnen zij doen als individuele school, maar ook op bestuursniveau of binnen een koepelorganisatie. Hier zijn geen overzichten of tellingen van.
In de Grondwet is het onderwijs bestempeld als een verantwoordelijkheid van de regering. De inspectie houdt toezicht op het onderwijs en controleert of scholen aan de wettelijke eisen voldoen. Leven er binnen een gemeente zorgen over een school, dan kunnen zij die overbrengen aan de inspectie.
Met het oog op de stichting van scholen specifiek heeft de gemeente de mogelijkheid om bij iedere stichtingsaanvraag hun zienswijze in te brengen. De grondslag van een school is op zichzelf echter nooit een legitieme grond voor bezwaar.
De beschreven rolverdeling tussen gemeente en Rijk acht ik passend bij de grondwettelijke uitgangspunten en daarmee ook toereikend.
Vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht heeft een school de plicht om leerlingen kennis over en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Dat houdt ook in dat respect voor verschillen de norm is, bijvoorbeeld in seksuele gerichtheid. De genoemde lesmaterialen passen daar niet bij en leiden ertoe dat de inspectie in haar toezicht extra aandacht heeft voor de invulling van de burgerschapsopdracht en het burgerschapsonderwijs op de betreffende school.
Ja, die opvatting deel ik. Het onderwijs moet voor iedereen veilig en vrij zijn, en geen voedingsbodem voor denkbeelden die indruisen tegen de basiswaarden van onze democratische rechtsstaat. Dat geldt overigens niet alleen voor het bekostigd onderwijs, maar bijvoorbeeld voor al het onderwijs, ook particulier.
De inspectie ziet toe op de naleving van de wet en beoordeelt in dat kader of scholen voldoen aan de wettelijke eisen die de burgerschapsopdracht aan hen stelt. Zo niet, dan krijgen scholen een herstelopdracht. Zie verder het antwoord op vraag 14 voor een uitgebreidere beschrijving van het instrumentarium dat de inspectie en de Minister hebben bij het niet naleven van wettelijke eisen.
Wanneer de inspectie constateert dat een school in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht, of met een andere wettelijke eis, geeft de inspectie in principe eerst een herstelopdracht. Dat is de opdracht aan een school om een vastgestelde tekortkoming te herstellen binnen een bepaalde termijn, maximaal een jaar. Na de hersteltermijn doet de inspectie opnieuw een onderzoek. Is de tekortkoming dan nog niet hersteld, dan kan de inspectie een bekostigingssanctie opleggen. Bij de eerste sanctie wordt maximaal 15% van de maandelijkse bekostiging ingehouden. Daarna loopt de sanctie gefaseerd op tot een uiteindelijke inhouding van 100% van de maandelijkse bekostiging.
Het proces verloopt iets anders wanneer de inspectie constateert dat een school structureel of flagrant in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht en dat dit leidt of dreigt te leiden tot een ernstige aantasting van een of meer van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. De inspectie kan dan wanbeheer vaststellen en draagt de zaak over aan de Minister, die vervolgens een aanwijzing kan opleggen. Dat is een set maatregelen die het schoolbestuur moet nemen om het wanbeheer te beëindigen. Dat moet het schoolbestuur op korte termijn doen, vaak binnen enkele weken. Bij zeer hoge urgentie en de constatering van een redelijk vermoeden van wanbeheer door de inspectie kan de Minister ook een spoedaanwijzing opleggen en is het aan het schoolbestuur om meteen het wanbeheer te beëindigen, binnen enkele dagen.
Als een school de (spoed)aanwijzing niet naleeft en het wanbeheer niet herstelt, kan de Minister direct een bekostigingssanctie opleggen en tot 100% inhouden van de maandelijkse bekostiging. Als een school een aanwijzing specifiek gericht op burgerschap of veiligheid niet naleeft en er sprake blijft van wanbeheer, kan de Minister de bekostiging van een school geheel beëindigen (bij bijzondere scholen) of de school sluiten (bij openbare scholen). Deze bevoegdheid kan alleen in uitzonderlijke gevallen worden ingezet als ultimum remedium.
Waar het de wettelijke burgerschapsopdracht betreft, hebben de inspectie en de Minister diverse instrumenten tot hun beschikking om in te grijpen wanneer scholen de wet niet naleven. Sinds de inwerkingtreding van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium in 2023 heeft de Minister de mogelijkheid om sneller in te grijpen. Het opleggen van een spoedaanwijziging, zoals gebeurde bij scholen die niet voornemens waren de doorstroomtoets af te nemen, is hiervan een voorbeeld. In sommige gevallen kan de Minister echter alsnog minder snel ingrijpen dan gewenst. Dit najaar wordt gestart met de evaluatie van de Wet. Via de evaluatie, die in het voorjaar van 2028 gereedkomt, zal inzicht worden verkregen in de doeltreffendheid, doelmatigheid en de effecten van deze wet in de praktijk. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering. Ik zal bezien of die aanbevelingen en de ervaringen die worden opgedaan naast de evaluatie moeten leiden tot aanpassingen van de wet om waar gewenst sneller te kunnen optreden.
Dit najaar start een evaluatie van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium. In die evaluatie wordt ook bezien of verdere uitbreiding van het huidige instrumentarium wenselijk en noodzakelijk is. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering.
Ik vind het vreselijk dat mensen zich niet geaccepteerd voelen vanwege hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit. In Nederland moet iedereen in veiligheid en vrijheid zichzelf kunnen zijn en zich gelijkwaardig weten, ongeacht seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Dat geldt overal: op school, tijdens het sporten, op de werkvloer en online. Helaas laten verschillende onderzoeken zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. De resultaten van dit onderzoek zijn niet verrassend, maar daarom niet minder zorgwekkend. Ik vind het schrijnend dat het voor een ruime meerderheid van de lhbtiq+-gemeenschap een probleem is om hun seksuele gerichtheid in het openbaar te laten zien. De signalen dat lhbtiq+ personen weerstand ervaren uit religieuze en extreemrechts hoek, zijn bekend. Op basis van nadere onderzoeksresultaten die we in 2027 verwachten, bekijken we of aanvullend onderzoek en inzichten nodig zijn met betrekking tot de oorzaken van dalende acceptatie in relatie tot onder andere de manosfeer en religieus conservatisme.
Ja, deze zorg deel ik. Ik kan mij goed voorstellen dat als de schoolcultuur homoseksualiteit negatief voorstelt, lhbtiq+ leerlingen zich onveilig voelen en dat zij dit de rest van hun leven met zich meedragen. Dat is onacceptabel. Daarom vraagt de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen dat zij zorgdragen voor een schoolcultuur vanuitde basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin iedereen zich veilig en geaccepteerd weet. Doen ze dit niet, dan handelen ze in strijd met de wet en zal de inspectie herstel afdwingen.
Onderwijs speelt een belangrijke rol in de socialisatie van leerlingen en in het vormen van een stevige en veilige pedagogische basis, waar vanuit iedere leerling zich in vrijheid kan ontwikkelen. Het bevorderen van een positief maatschappelijk klimaat voor lhbtiq+ personen reikt echter verder dan het onderwijs. Dat is een opdracht aan ons allemaal.
De inspectie doet verdiepend onderzoek naar de omgang van scholen met potentiële strijdigheid in basiswaarden, onder andere met het oog op seksuele diversiteit. Dit onderzoek richt zich op ervaringen van leerlingen en op dilemma’s en het handelingsrepertoire van leraren.
Nee, de inspectie houdt geen overzicht of tellingen van lesmethoden bij.
Ja, die opvatting deel ik. Dergelijk onderwijs kan leiden tot een schoolcultuur die niet in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich onvoldoende veilig weten. Een school die onvoldoende doet aan een schoolcultuur vanuit de basiswaarden, handelt in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht.
Scholen moeten zorgdragen voor een schoolcultuur vanuit de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en gericht op de veiligheid van leerlingen. Doen ze dat niet, dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en geeft de inspectie daarvoor een herstelopdracht. Blijft herstel uit, ondanks de herstelopdracht, dan kan de inspectie een financiële sanctie opleggen om de school op die manier te dwingen de tekortkomingen te herstellen en de wet na te leven.
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht, zijn alle scholen verplicht om onderwijs aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit en de universele rechten van de mens.
Als de inspectie een herstelopdracht geeft, wordt vervolgens opnieuw onderzoek gedaan op de school naar de voortgang en mate van herstel. De inspectie onderzoekt of de school inmiddels wél voldoet aan de wettelijke eisen.
Het verbieden van lesmateriaal als zodanig past niet bij artikel 23 van de Grondwet, waarin staat dat de keuze voor leermiddelen vrij is.
Ja.