| Ingediend | 12 januari 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 3 februari 2026 (na 22 dagen) |
| Indiener | Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
| Beantwoord door | Heijnen |
| Onderwerpen | belasting financiën internationaal organisatie en beleid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z00232.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1028.html |
Ja.
Het Side-by-side pakket bestaat uit de volgende onderdelen:
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket, in het bijzonder het Side-by-Side-systeem, wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels.
De inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel zijn op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel niet van toepassing op entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een uiteindelijkemoederentiteit (hoofdkantoor) in de VS. Omdat de VS al als een kwalificerende Side-by-Side-jurisdictie zijn aangemerkt, is de UPE veiligehavenregel niet aan de orde. Daarbij merkt het kabinet op dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffingsmaatregel. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehaven-jurisdicties.
Binnen de Europese Unie is Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie van toepassing. Ingevolge de richtlijn hebben 22 EU-lidstaten de minimumbelasting ingevoerd met inbegrip van de binnenlandse bijheffing. Vijf lidstaten met minder dan twaalf hoofdkantoren hebben gebruik gemaakt van de uitstelmogelijkheid van artikel 50 van de richtlijn.2 Multinationale groepen zijn binnen de EU in het overgrote deel van de gevallen onderworpen aan een binnenlandse bijheffing over laagbelaste winsten ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingsmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm van de OESO-modelregels, commentaar of de nadere regelgeving in de vorm van administratieve richtsnoeren, werken niet direct door in de Nederlandse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen bindende wetgeving vaststellen. Het kabinet zal de nadere regelgeving vanuit de OESO daarom telkens beoordelen en aan de hand daarvan – van geval tot geval – bepalen of de wettekst en de toelichting van de Wet minimumbelasting 2024 aanpassing behoeven.3 Dit geldt ook voor het thans afgesproken Side-by-Side pakket. Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd.4 Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot louter administratieve vereenvoudiging.
Nee. In Nederland zijn de Pijler 2-regels van toepassing in de vorm van de Wet minimumbelasting 2024. Daarom is er voor Nederland geen reden om een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side veiligehavenregel en de UPE veiligehavenregel.
De vraag wordt zo geïnterpreteerd dat met «deze dynamische verwijzing» artikel 32 van Richtlijn (EU) 2022/2523 wordt bedoeld. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen.
Het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Welke regimes daarvoor in aanmerking komen, zal centraal worden bijgehouden. Belastingplichtigen kunnen zich hierdoor op de hoogte stellen welke regimes als een Qualified Side-by-Side-regime kunnen worden aangemerkt.
De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Het Hof van Justitie van de EU is in hoogste instantie bevoegd om het EU-recht uit te leggen. Dat geldt ook voor de uitleg van Richtlijn 2022/2523.
In het Werkingsverdrag betreffende de Europese Unie (VWEU) is vastgelegd aan welke voorwaarden voorstellen tot EU regelgeving moeten voldoen, zo ook aan de staatssteunregels (artikelen 107 e.v. VWEU). Lidstaten mogen er vanuit gaan dat de Europese Commissie regelgeving conform het VWEU voorstelt en daarbij geen strijd met de regelgeving met betrekking tot staatssteun ontstaat. In dit verband verwijs ik naar de mededeling van 12 januari 2026, van de Europese Commissie (zie antwoord bij vraag 8).
Zie antwoord vraag 11.
Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting vóór de zomer van 2026 worden ingediend bij uw Kamer. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot zuivere administratieve vereenvoudiging.
Bij de invoering in 2024 is geraamd dat Pijler 2 voor een structurele opbrengst van € 466 miljoen voor Nederland zou zorgen.5 Deze inkomsten zijn met aanname van de Wet minimumbelasting 2024 definitief ingeboekt in het inkomstenkader. Sinds 2024 maken de inkomsten uit pijler 2 daarmee deel uit van het basispad. De sindsdien aangebrachte wijzigingen in de Wet minimumbelasting 2024 hadden geen budgettaire gevolgen.
Met dit IF-akkoord is de situatie veranderd. De afgesproken aanpassingen leiden tot een budgettaire derving ten opzichte van het basispad. De derving van dit akkoord is voorlopig geraamd op circa € 120 miljoen per jaar. Bij de indiening van het wetsvoorstel ter uitvoering van dit akkoord zal, zoals gebruikelijk, een herijking plaatsvinden van deze budgettaire raming.
Ondanks deze budgettaire derving ten opzichte van het basispad, blijft de geraamde opbrengst van Pijler 2 voor Nederland ruimschoots positief. De verwachting blijft dat Nederland dankzij Pijler 2 uiteindelijk beter af is doordat fiscaal gedreven investeringen en fiscaal gedreven winstverschuiving zullen afnemen. Zonder dit akkoord zou de toekomst van Pijler 2 onzeker zijn, waarbij de gehele Pijler 2-opbrengst op de tocht zou staan. Een recent rapport van de OESO laat zien dat het wereldwijde gemiddelde vennootschapsbelastingtarief sinds de afspraken over Pijler 2 nu drie jaren op rij licht is gestegen, na tientallen jaren van daling.6 In een scenario zonder Pijler 2 zou een nieuwe race naar de bodem kunnen ontstaan, met grote druk om de tarieven in de Nederlandse vennootschapsbelasting te verlagen. Gegeven de huidige opbrengsten uit de vennootschapsbelasting van bijna € 50 miljard per jaar, zou een dergelijk scenario aanzienlijke consequenties voor de schatkist hebben.